-ocr page 1-
rÏÏM /<;fi
Personen en Feiten
UIT DE
i •
GESCHIEDEIIS DEE ZEIDH6.
V
.• ••>
EEN LEESBOEK
>
hoofdzakelijk voor de Christelijke School
• P\' \\-
\\
- ^ -                        \' • \'                        S
W*                  :    DOOK
•
!
G. yan den Berg,
hoofdonderwijzer aan de Christelijke School ie Monnikendam.
>
. >
*jv4______________________^_____                             • i \\
EERSTE DEELTJE.
< - : ;
• i
ZIHST..
C. AVIS Jzn.
1887.
il
.
"\' *
-ocr page 2-
\'
"
\'fv
. ".
•
vf
;..
•
zm
-ocr page 3-
\'KF<3
28
o
Personen en MöfiRL. zendimgshobisckw
OtGSTGEEST.
UIT DE
GESCHIEDEM BER ZEHDDT&.
EEN LEESBOEK
hoofdzakelijk voor de Christelijke School.
DOOR
p. van den Berg,
hoofdonderwijzer aan de Christelijke School te Monnikendam.
EERSTE DEELTJE.
ZEIST.
£
C. AVIS Jzn.
1887.
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
3490 2985
\\
V
A06000034902985B
-ocr page 4-
..
-ocr page 5-
Voorbericht.
Vit werkje is eeue proeve. Het werd geschreven mei hel doel om de
Geschiedenis der Zending bij het onderwijs meer algemeen burgerrecht te doen
verkrijgen. De Zending wordt op onze scholen nog te dikwijls stiefmoederlijk
bedeeld; dal moet anders worden. Over land en volk heb ik niet gesproken:
ik meende mi) alleen op geschiedkundig terrein te moeten bewegen. Ik zal niets
zeggen over de methode, die ik zou willen gevolgd liebben, omdat er geen „alleenzalig\'
makende methode" is en deze zaak afhangt van de persoonlijkheid des onder-
wijzers en van zijne liefde voor de Zending. Billijke op en aanmerkingen
zullen mij zeer welkom zijn. Moge dit werkje den uitgever een ruim debiet
bezorgen en den kinderen niet alleen kennis aanbrengen, maar bovenal liefde
voor de Zending in het harte storten.
Monnikendam,                                                   G. VAN DEN BERG;
Aug. 1887.
-ocr page 6-
INLEIDING.
Voordat de Hcere Jezus deze aarde verliet en opvoer ten hemel, gaf
Hij aan Zijne discipelen het bevel: f Gaat dan henen in de geheele wereld,
predikt hel Evangelie aan alle creaturen."
Het is de wil des Heeren, dat
de Blijde Boodschap der verzoening aan alle menschen op aarde zal ver-
kondigd worden. In de eerste plaats was dit de taak der Apostelen, doch
zij konden ir. hun leven slechts een klein gedeelte van dat bevel volbrengen
en daarom geldt dit woord dan eigenlijk ook voor alle Christenen en voor
alle tijden.
Nu zult ge misschien denken: Moeten dan alle Christenen het Evangelie
prediken? Welzeker, zoo veel dat maar mogelijk is. Echter kan niet iedereen
naar de heidenen gaan om hen met den Heere Jezus bekend te maken, en
dat eischt de Heere dan ook niet. Maar toch kan ieder medewerken om de
prediking onder de heidenen mogelijk te maken en wel op twee wijzen. Ten
eerste door God te bidden, of Hij mannen wil verwekken, die hun leven
wenschen toe te wijden aan de uitbreiding van Zijn Koninkrijk op aarde,
en ten tweede door voor dat doel van het vermogen, dat God hem geeft, een
deel af te staan. Dat kan toch iedereen. De rijken kunnen natuurlijk het
meeste geven, doch de arme kan, als Hij den Heere Jezus liefheeft, ook
nog wel iets missen, al is het slechts een penningske; en om te kunnen bidden
behoeft men gelukkig geen rijkdommen te bezitten: dat kunnen de armen
soms nog beter dan de rijken. Ofschoon er nu steeds zeer veel Christenen
geweest zijn, die boveu\'jcnocrad bevel des Heeren niet hebben opgevolgd en
gedaan hebbeu, alsof de Heere het niet gegeven had, toch zijn er in alle
eeuwen ook geweest, die aan de uitbreiding van het Koninkrijk der hemelen
hebben medegewerkt, en mannen, die de Blijde Boodschap naar de heidenen
hebben gebracht. En daarvoor mogen wij den Heere onzen God wel dankbaar
zijn, want wij moeten het nooit vergeten, dat onze vooronders ook eens arme,
ongelukkige heidenen geweest zijn, maar dat God ook hier mannen gezonden
-ocr page 7-
heeft, die hen van den lieven Heiland hebben verteld en tot het geloof be-
wogen, menigmaal na het trotseeren van allerlei gevaren.
Zulke mannen nu, die naar de heidenwereld gaan om het Evangelie te
prediken, heeten Zendelingen. De twaalf discipelen en wellicht ook de zeventig,
van wie wij in den Bijbel lezen, waren de eerste Zendelingen. Toen zij
gestorven waren, had de Heere er voor gezorgd, dat anderen hun werk
voortzetten, en zoo zijn er altijd Zendelingen geweest. Ook nu zijn er nog
eene groote menigte. In onze dagen werken in verschillende streken der
aarde ongeveer 2600 Zendelingen aan de uitbreiding van Gods Koninkrijk.
Toch is dit groot aantal gering in vergelijking vin de meer dau acld-
honderd millioen
heidenen, die nog op aarde zijn. We mogen dus wel mede
helpen om het uitzenden van nog meer Zendelingen te bevorderen. Uit zullen
wij dan eerst van harte doen, als we van de Zending houden ea met hare
geschiedenis bekend zijn.
In dit boekje wil ik U het voornaamste uit de geschiedenis der Zending
mededeelen Ik hoop, dat ge het met genoegen en met zegen zult lezen en er
uit leeren, dat God steeds voortgaat met het Kijk van Christus uit te breiden
tot eindelijk alle heidenen zullen komen, zich voor Zijn aanschijn neder-
buigen eu Zijnen naam eeren. (Ps. 86 : 9). God geve, dat het velen van U
gaat, als den kleinen jongen, van wien ik eens las. dat hij, na het hooren
voorlezen van een bericht over de Zending, zeide: «Voor die Zendelingen wil
ik ook wut geven. Ik zal een dubbeltje uit mijn\' spaarpot halen". Toen hij
het dubbeltje gehaald had, vond hij dat echter zoo weinig, dat hij aan zijne
moeder vroeg, of hij zes dubbeltjes (dat was zijn gansche schat) mocht geven.
Daar zijne moeder dit goed vond, was hij zoo blij, dat hij ook nog zijne
broertjes en zusjes aanspoorde om iets te geven, zoodat er een aardig som-
metje bijeen kwam. Die kleine jongen begon al vroeg het bevel des Heeren
te volbrengen. Wordt, lieve kinderen, hierin zijne navolgers,
-ocr page 8-
.
De eerste Gemeenten. De eerste Zendelingen.
In het eerste hoofdstuk vau de Handelingen der Apostelen lezen
wij, dat de discipelen, voor zij hun gewichtig werk zouden aan-
vaugen, de kracht des Heiligen Geestes zouden ontvangen. Toen zij
op het Pinksterfeest allen eendrachtelijk bijeen waren, werden zij
dan ook vervuld met den Heiligen Geest en begonnen te spreken
met andere talen. Hierdoor werden zij voor hunne taak bekwaam,
terwijl ook de gave om met andere talen te spreken voor hunnen
arbeid als Zendelingen vau zeer veel gewicht was. Keeds op dien
zelfden Pinksterdag begonnen zij te prediken, want toen sommigen
der toeschouwers spottend zeiden: «Zij zijn vol zoeten wijns", hield
Petrus eene krachtige rede en bewees, dat reeds Joel van deze
uitstorting des Heiligen Geestes had geprofeteerd en dat Jezus
werkelijk de beloofde Messias was. Velen namen zijn woord aan,
zoodat op dien dag omtrent drie duizend zielen werden gedoopt.
Alzoo werd de moedergemeente te Jeruzalem gesticht. Dat was een
heerlijk begin.
Deze Gemeente was het voorbeeld voor alle volgende. Zij, die tot
het geloof waren gekomen, waren volhardende in de leer der
Apostelen, in de gemeenschap, in de breking des broods en in de
gebeden. Zij leefden in vrede en blijdschap te zamen, verkochten
hunne bezittingen en verdeelden ze aan allen, naardat elk van
noode had. De Apostelen lieten niet na dagelijks tot het volk te
spreken, terwijl de lieere hun de macht schonk om wonderen en
teekenen te doen. Wel kwamen zij hierdoor voor den vijaudigen
Joodschen Kaad en werden zij zelfs in de gevangenis geworpen,
doch God was met hen en verloste hen ook uit den kerker. Hunne
-ocr page 9-
7
prediking maakte zooveel indruk, dat er dagelijks tot de Gemeente
werden toegedaan. Zelfs werd eene groote schare van priesters aan
het geloof gehoorzaam. «En de menigte van hen, die geloofden,
was één hart en ééne ziel", zoo lezen wij in Handelingen 4 : 32.
Welk een treffend en schoon getuigenis van die eerste Gemeente!
Mocht het van ons ook gezegd kunnen worden! Hoe dikwijls is het
toch geheel anders, ook onder de kinderen.
Echter moest het Evangelie niet alleen te Jeruzalem verkondigd
worden. De discipelen moesten volgens \'s Heeren woord wel te
Jeruzalem beginnen, doch daarna ook in geheel Judea en Samaria
en zoo al verder de Blijde Boodschap des heils prediken. Misschien
zouden zij daartoe nog niet zoo spoedig zijn overgegaan, indien niet
eene hevige vervolging tegen de jeugdige Gemeente ware uitgebroken.
De vijandige Joden konden hunne woede niet langer bedwingen.
Stephanus werd gegrepen en gesteenigd. Hij was de eerste mar-
telaar. De Gemeente werd verwoest, en voor een groot gedeelte over
geheel Judea en Samaria verstrooid. Doch wat de menschen teu
kwade gedacht hadden, deed God voor de uitbreiding van Zijn
Koninklijk ten zegen worden. De verdrevenen konden niet nalaten
in de plaatsen, waar zij kwamen, ook van deu Heere Jezus te spre-
ken. Op deze wijze werd vrij spoedig de kennis van het Evangelie
door geheel Palestina tot in Phoeniciï en Syrië verbreid.
Philippus, een der zeven diakenen, predikte met gunstigen
uitslag in Samaria. Nadat hij later den Ethiopischcn kamerling van
koningin CandacÉ op den weg naar Gaza gedoopt had, werd hij
gevonden te Asdod. Vervolgens predikte hij in de verschillende kust-
plaatsen, tot hij te Caesarea knram, waar hij verder ziju verblijf
hield. Zoodra de Apostelen, die nog in Jeruzalem gebleven waren,
vernamen, dat ook in Samaria velen tot het geloof waren gekomen,
werden Petrus en Joiiaknes er heen gezonden om het werk
van Philippus te voltooien door oplegging der handen. Zij, die
geloofden, ontvingen dan nu ook deu Heiligen Geest. Op hunnen
terugtocht verkondigden de, Apostelen het Evangelie nog in ver-
scheiden vlekken der Samaritanen.
-ocr page 10-
8
Hoe uitgebreid de Gemeente nu ook al geworden was, toch be-
stond zij slechts uit geloovige Joden en Samaritanen. Algemeen
meende men, dat de heidenen geen deel konden krijgen aan de
zegeningen des Evangelies. Ook Petrus was van deze gedachte.
Evenwel toonde de Heere hem, op eenen lateren onderzoekingstocht
door het land, te Juppe door het gezicht van dat laken met reine
en onreine dieren, dat de zaligheid ook voor de heidenen was. Petrus
werd nu ten volle overtuigd, dat God geen aannemer des persoons
is. Toen op dien zelfden dag eenige boden kwamen van een heiden
uit Caesarea, Cornelius genaamd, ging hij zonder bezwaar mede.
Vlij predikte in het huis van Cornelius en nadat de Heilige
Geest op hen was gevallen, doopte Petrus, hem en de zijnen.
Dit was de eerste hei ienfaniilie, die in de Gemeente werd opgenomen.
Omstreeks dien tijd ontstond te Antiochië in Syrië eene Gemeente
uit Joden en heidenen, die de moedergemeeute van Christenen uit
de heideuen genoemd wordt. Hier ontvingen de geloovigen den
scheldnaam van Christenen, dien zij echter als eenen eerenaam
aannamen. Ook in deze Gemeente werkte de Heilige Geest, zoodat
een groot aantal geloofde. Toen de Apostelen te Jeruzalem dit
vernamen, zouden zij er Barnabas, een man vol des Heiligen
Geestes en des geloofs, heen om de verzorging der Gemeente op
zich te nemeu. Deze wist daarna Saulus van Tarsen, die toen
reeds van een woedend vervolger tot een vurig discipel bekeerd was,
over te halen ook naar Amiochic te komen en een deel van de
verzorging op zich te nemen. Beide mannen predikten nu verder
een geheel jaar met rijken zegen. Deze Gemeente is nog merkwaardig,
omdat aldaar de eigenlijke zending onder de heidenen ontstond. De
eerste heidenapostelen werden er door den Heiligen Geest geroepen
en door de Gemeente met gebeden en oplegging der handen tot
hunne gewichtige taak gewijd.
Van de zendingswerkzaamheid der twaalf Apostelen is ons weinig
met zekerheid bekend. Men heeft wel veel van hen geschreven,
-ocr page 11-
*J
doch. dat raag men niet voor waarheid houden. Waarschijnlijk onderging
Jacobus, de broeder van Johannes, omstreeks 44 te Jeruzalem
den marteldood. Petrus bleef langen tijd opziener der Jeruzalemsche
Gemeente. Uit zijnen brief maakt men op, dat hij later het Evau-
gelie in Ferziö en Babyion gepredikt heeft. Dat hij 25 jaar bisschop
van Rome is geweest, is niet te bewijzen. Omstreeks het jaar 64
is hij te Rome ouder Nero gekruisigd met het hoofd naar beneden.
Jacobus, bijgenaamd de Eechtvaardige, heeft na Petbus het toe-
zicht der Gemeente te Jeruzalem op zich genomen. Hij is waar-
schijnlijk in 62 van de tinne des tempels geworpen, daarna gesteenigd
en gedood. Van Johannes weten wij, dat hij zich eerst te Jeruzalem
heeft opgehouden, waar hij voor Maria, de moeder des Heeren,
zorgde. Later is hij naar Epheze gegaan en heeft daar meer dan 20
jaar aan de uitbreiding van het Christendom in Klein-Azië gewerkt.
Tijdens zijn verblijf in deze stad werd hij eenigen tijd naar Patmos
gebannen, waar hij de Openbaring schreef. Na al de Apostelen over-
leefd te hebben is hij te Epheze in bijna honderdjarigen ouderdom
overleden. Nog wordt van hem verhaald, dat hij op een zijner toch-
ten eeuen jongeling aantrof, die hem zeer aantrok. Hij gaf hem ter
opleiding aan een\' leeraar, doch weldra geraakte het jonge mensch op
verkeerde wegen en werd eindelijk aanvoerder eeuer rooverbende.
Toen de Apostel weer dezelfde plaats bezocht, vernam hij het treu-
rige nieuws. Dadelijk ging uu de grijsaard naar het gebergte, waar
de roovers zich ophielden. Hij liet zich gevangen nemen, en verzocht
den hoofdman te spreken. Toen deze hem zag, wilde hij vluchten,
doch Johannes zeide: «Mijn zoon, waarom vlucht gij voor uwen
vader, die een oud en weerloos man is? Vrees niet, nog is er hoop,
geloof slechts, dat ik van Christus gezonden ben." Nu barstte de
jongeling in tranen uit. Hij keerde met den Apostel terug en deze
hield hem nog langen tijd bij zich.
Thomas en Judas hebben in Verzie\' gepredikt. Misschien is
Simon Zelotes eerst naar Egypte; later naar Macedonië en
Perzic gereisd. Andreas heeft waarschijnlijk in Scylhic en Philip-
pus in Phrygië het Evangelie verkondigd. Nog zouden Mattheüs
-ocr page 12-
10
iu Ethiopië, Mattiiias in Macedonië of Cappadocië en Bau-
THOLOmeüs iu Geluhkig-Arabië als zeudelingen hebben gewerkt,
doch ook dit is niet volkomen zeker. Gaarne zouden we meer
weten van deze mannen, doch, al is huune geschiedenis ons niet
bekend, zij hebben zeker veel voor de uitbreiding van liet Koniukrijk
Gods gedaan, en hun werk wellicht allen, behalve Johannes, met
den marteldood besegeld.
De Apostolische Kerken. PAULUS, de Apostel der heidenen.
De man, die in de eerste eeuw het meest voor de uitbreiding
van het Godsrijk gedaan heeft, is de Apostel Paulus. Op weg naar
Damascus om de Christenen aldaar te vervolgou cu gevangen te nemen
werd hij door den Heere tot bekeering gebracht en in de stad door
Ananias gedoopt. In plaats van te vervolgen, verkondigde hij nu
Christus als de Zoon Gods. Hij ging toen eenigen tijd naar Arabië
en keerde daarop naar Damascus terug Daar hij om aan de woede
der Joden te ontgaan moest vluchten, vertrok hij naar Jeruzalem,
waar Barnabas hem met de discipelen in kennis bracht. Spoedig
ging hij echter naar Tarsen, waar Barnabas hein opzocht en wist
te bewegen mede naar Antiochië te gaaa.
In het jaar 45 ondernam hij met dezen zijne eerste Zendingsreis.
Allereerst gingen zij naar het eiland Cyprus, waar zij te Salamis
landden en het Evangelie verkondigden. Zij trokken vervolgens het
eiland door tot Paphos, waar zekere toovenaar Elvmas hen tegen-
werkte en door Paulus met blindheid geslagen werd. Ook kwam in
deze plaats de Stadhouder van het eiland Seiigius Paulus op huune
prediking tot het geloof. Meer is van hunne werkzaamheid op
dit eiland niet bekend. Van Cyprus staken zij naar Klein-Azië
over. Nadat zij Pamphilië waren doorgereisd, kwamen zij te
Antiochië in Pisidië. Iu deze stad ging Paulus op den Sabbat
-ocr page 13-
11
in de Syuagoge en verkondigde Jezus als de Christus. Zijne woorden
hadden zooveel indruk gemaakt, dat ook de heidenen hem wenschten
te hooren. Op deu volgenden Sabbat kwam bijna de geheele stad te
zamen om het Woord te ontvangen. Echter veroorzaakten de verbitterde
Joden vervolging tegen Paulus en Bahnabas en wierpen hen de
stad uit. Toch ontstond in deze stad eene Gemeente, zoodat hunne pre-
diking niet te vergeefsch was geweest. Nu gingen zij naar Iconië,
waar door hunne verkondiging van het heil in Jezus Christus velen
van de Joden en Grieken tot het geloof kwamen. Nadat zij geruimen
tijd met vrijmoedigheid in deze plaats hadden gepredikt en de Heere
door wonderen hun werk bekrachtigde, ontstond er eindelijk een
oploop om hen te steenigen. Zij ontkwamen het gevaar echter en
vluchtten naar Lystre, waar zij de wispelturigheid der menschen
ondervonden. Paulus genas in tegenwoordigheid van eene groote
menigte eeneu kreupele. Dit maakte zulk eenen indruk op de
omstanders, dat zij meenden, dat de goden op aarde waren gekomen.
Zij noemden Baunabas Jupiter en Paulus Mercurius; wilden
hun goddelijke eer bewijzen en voor hen offeren. De Apostelen waren
hiermede volstrekt niet ingenomen en brachten de menigte aan het
verstand, dat zij ook menschen waren, maar hun met den eenigen
levenden God bekend wilden maken. Toch kostte het hun moeite
de scharen van het offeren terug te houden. Doch ziet, toen de Joden
van Iconië gekomen waren en het volk hadden opgestookt, werd
Paulus aangegrepen, gesteenigd en buiten de stad gesleept, waar
men hem voor dood liet liggen. God had zijnen dienstknecht evenwel
bewaard, zoodat hij weder opstond en in de stad ging Den volgenden
dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe. Nadat zij hier nog
hadden gepredikt en eene Gemeente gesticht, namen zij over de
bezochte plaatsen de terugreis aan. Zij versterkten de jeugdige Ge-
meenten en stelden ouderlingen aan. Eindelijk kwamen zij in Antiochië
terug, waar zij zeer veel zullen verteld hebben van alles, dat zij onder-
vonden hadden, maar bovenal van de groote dingen, die God met
hen gedaan had en dat Hij den heidenen de deur des geloofa
geopend had.
-ocr page 14-
12
Reeds in liet jaar 50 ondernam Paulus zijne tweede Zendingsreis.
Ditmaal vergezelde hem Silas, daar Barnabas met Markus naar
Cyprus ging. Zij trokken door Syrië en Cilicië naar Derbe en
Ly-tre. In deze laatste stad namen zij nog Timotheüs, van wien
zij zeer gunstige berichten kregen, in hun gezelschap op. Allereerst
brachten zij een bezoek aan de reeds gestichte Gemeenten, die in het ge-
loof bevestigd werden en dagelijks in ledental toenamen. Nu doorreisden
zij, denkelijk ook reeds van Lukas vergezeld, Phrygië en Gallatië
Van deze reis weten wij alleen, dat Paulus in Gallatië met grooten
zegen werkte, zoodat er bloeiende Gemeenten ontstonden, aan wie
hij later een zijner heerlijke brieven schreef.
Waarschijnlijk besloten zij thans door Bithijnië naar Antiochië
terug te keeren, doch de Heilige Geest liet het hun niet toe. God
wilde, dat zij nog verder zouden gaan en zoo kwamen zij te Troas
aan de Oostkust van Klein-Azië. Hier zag Paulus des nachts in
een gezicht een Macedonisch man staan, die hem bad en zeide:
i/Kom over in Macedonië en help ons." Daar de Apostel hierin
eene aanwijzing des Heeren ;iag, staken zij dadelijk naar Europa
over om ook in dat werelddeel den Heere Jezus te verkondigen als
de Zaligmaker der wereld. De stad, waar zij hunne prediking aan-
vingen, was Philippi, in die dagen eene Eomeinsche kolonie. Aan de
rivier waren op eenen Sabbat eenige vrouwen bijeengekomen. Tot deze
richtte Paulus het woord. Eene dezer vrouwen, Lydia geheeten,
kwam tot bekeering en werd gedoopt. Uit dankbaarheid nam zij
Paulus en zijne vrienden in haar huis op. Zoo was ook hier het
begin niet ongezegend. Later kregen zij last van eene slavin, die
voor hare meesters met waarzeggen veel geld verdiende. Zij riep de
Apostelen achterna en daarom gebood Paulus den boozen geest
haar te verlaten. Nu kon zij niet meer waarzeggen. Hare meesters
werden hierover zoo boos, dat zij een oploop verwekten. Paulus
en Silas werden gegeeseld en in de gevangenis geworpen. Zij
verdroegen dit alles als echte discipelen des Heeren. In den nacht
zongen zij lofzangen ter eere Gods. Plotseling geschiedde er eene
groote aardbeving, zoodat de gevangenis schudde, de deuren lossprongen
-ocr page 15-
13
en hunne ketenen losraakten. Toen de gevangenbewaarder dit alles
zag, meende hij, dat de gevangenen ontvlucht waren. Hij wilde
zich zelven om het leven brengen, doch Paulus riep hem toe:
wDoe u zelven geen kwaad: wij zijn allen hier". Nu wierp de man
zich bevend aan de voeten van Paulus en Silas neer. Hij
bracht hen daarop naar buiten en zeide: »wat moet ik doen, opdat
ik zalig worde?" waarop zij antwoordden: uGeloof in den lieere
Jezus, en gij zult zalig worden."
Hij nam hen mede in zijn huis,
wiesch hunne striemen en liet zich, nadat hem het Woord des Heeren
verkondigd was, doopeu. Den volgenden morgen kwam de boodschap, dat
Paulus en Silas vrijgelaten mochten worden, doch zij eischten als
Pvomeinsche burgers, dat de hoofdmannen hen zelven zouden uitgeleiden.
Spoedig hierop verlieten zij de stad en vertrokken naar Thessalonika.
Hier predikte Paulus drie Sabbatdagen in de synagoge, zoodat
sommige Joden, vele Grieken en niet weinige voorname vrouwen
geloofden. Dit wekte weer den nijd der Joden op, die met behulp
van eenige marktboeven het volk in oproer brachten. Zij zochten
Paulus en Silas bij zekeren Jason, doch vonden hen niet.
Zij sleepten ook dezen en eenige andere vrienden voor de oversteu
der stad, die hen weder los lieten. Uit vreeze voor eenen
nieuwen oploop zond de Gemeente Paulus en Silas naar Berea.
Zij predikten ook in deze stad en de Joden van Berea waren edeler.
Zij ontvingen het Woord met toegenegenheid en onderzochten de
Schriften. Velen kwamen hierdoor tot het geloof, doch ook hier
kwamen de vijanden om het volk in oproer te brengen. Daarom
verliet Paulus de stad en vertrok naar Athene.
Dag aan dag sprak hij hier met Joden en Grieken in de Synagoge
en op de markt. Bij het wandelen door deze schoone stad had hij
een altaar opgemerkt met het opschrift: «Den onbekenden God."
Naar aanleiding van dit woord hield Paulus op den Areopagus
eene schoone en krachtige rede om de menschen met dien hun
onbekenden God bekend te maken. In \'t begin ging alles goed,
doch toen Paulus hun zeide, dat God den Heere Jezus uit de
dooden had opgewekt, begonnen de meesten te spotten, zoodat
-ocr page 16-
•
14
hij genoodzaakt was op te houden. Echter waren ook nu eenigen
getroffen en geloofden.
Van Athene ging de reis naar Korinthe. Als naar gewoonte pre-
dikte Paulus allereerst in de Synagoge met het gezegend gevolg,
dat eenige Joden en Grieken tot het geloof kwamen. Toen men
hem echter tegenstond en lasterde, sprak hij voortaan in het huis
van zekeren Justus. Ook hier werkte hij met grooten zegen. Velen
geloofden en werden gedoopt en onder hen Crispus, de overste
der Synagoge. De Apostel is langen tijd in Kwinthe gebleven. God
had hem gezegd, dat hij veilig zou zijn, niettegenstaande allen tegen-
stand der vijanden. Ofschoon de Joden hem bij den stadhouder
Gallio aanklaagden, liet deze hem volkomen vrij en joeg de Joden
van den rechterstoel weg. Na een verblijf van anderhalf jaar nam
hij de terugreis naar Antiochië aan. Hij stak over naar Epheze in
Klein-Azië, waar hij nog tot do Joden sprak en beloofde weder te
komen, zoo de Heere wilde, bracht vervolgens een bezoek aan de
Gemeente te Jeruzalem, en kwam in 54 te Antiochië terug, waar hij
van den zegen, dien God hem geschonken had, wel verslag zal gedaan
hebben.
Nog in dat zelfde jaar ondernam Paulus met Lucas, Timo-
THEüs en Titus zijne derde Zendingsreis. Na de Gemeenten in
Gallatië en Phrygië bezocht te hebben, kwamen ze te Epheze. Drie
maanden sprak de Apostel hier in de Synagoge, doch toen men hem
begon tegen te staan, predikte hij voortaan in de school van zekeren
Tibannus. De Heere schonk zijnen trouwen dienstknecht in deze
stad eenen rijken zegen en deed door den Apostel ongewone krach-
ten. Niet alleen in de stad, maar ook in de verschillende deelen
van Klein-Azië werd het Evangelie bekend en nam de overhand.
Ruim twee jaar was Paulus in Epheze geweest, toen hij besloot
naar Jeruzalem terug te keeren, na nog een bezoek aan de Europeesche
Gemeenten te hebben gebracht, om daarna Rome te bezoeken. Nu
brak echter nog een hevig oproer uit. Zekere Demetrius, die
met het maken van zilveren afgodstempeltjes veel geld verdiende en
bang was, dat zijn handwerk verloopen zou, trok met eenige anderen
-ocr page 17-
15
door de stad en riep: ,,Groot is de Diana der Ephezereu!" Dit
bracht het volk in beroering. Twee vrienden van Paulus werden
mishandeld, doch hij zelf werd door de discipelen tegengehouden
zich onder de menigte te begeven. Gelukkig werd het oproer gedempt
en kon de Apostel zonder hinder vertrekken. In 58 kwam hij te
Jeruzalem aan.
In deze stad werd hij ten gevolge van de woede der Joden gevan-
gen genomen en naar Caesarea gevoerd. Twee jaar bracht hij\' daar
in gevangenschap door. Daar hij zich op den Keizer had beroepen,
ging hij eindelijk naar Itcme. Zoo werd zijn vurige wensch om ook
de hoofdstad van het Romeinsche rijk te zien vervuld, hoewel hij
er als een gevangene binnen trad. Bij zijne aankomst was daar reeds
eene Gemeente, waarvan niet te zeggen is, hoe zij is ontstaan.
Paulüs mocht in eene eigene woning zijn verblijf houden, doch
werd door een soldaat bewaakt. Twee jaar lang gebruikte hij ook
nu zijn tijd om de menschen met den Heere Jezus bekend te maken.
Volgens sommigen is hij in 64 onder Nero onthoofd. Anderen
meeuen, dat hij toen is vrijgesproken en zelfs nog in Spanje het
Evangelie heeft verkondigd ; dat hij daarna op nieuw is gevangen
genomen en in 67 den marteldood heeft ondergaan" Hoe dit zij,
veel heeft hij gedaan voor de uitbreiding van Gods Koninkrijk; veel
ook geleden. Dat kunt ge lezen in 2 Cor. 11 : 23—27. Wel mocht
hij van zich zelf zeggen: «Ik heb meer gearbeid dan zij allen"
(namelijk de andere Apostelen).
De uitbreiding van het Christendom in de tweede en derde eeuw,
Behalve de Gemeenten, die wij in de vorige les noemden, zijn er
in de eerste eeuw nog veel meer gesticht. Zoo lezen wij in de
Openbaring nog van Gemeenten te Smyrna, te Pergamus, te Thyatire,
te Sardes, te Philadelphia en te Laodicea. Wanneer en door wien
-ocr page 18-
16
deze en meer andere Gemeenten gesticht zijn, is niet met zekerheid
bekend. Wellicht hebben handelaren, die zelf Christenen geworden
waren, op hunne reizen het Evangelie verkondigd.
Hoe het met de uitbreiding van het Koninkrijk Gods in de tweede
en derde eeuw gegaan is, is nog minder nauwkeurig te bepalen. Men
kan al de berichten uit dien tijd niet vertrouwen. Zooveel is echter
zeker, dat het Christendom zich zoowel Daar het Oosten als naar
het Westen heeft uitgebreid. In het Oosten ontstonden in die eeuwen
Gemeenten in Syrië, Klein-Azië, Macrdonië, Griekenland, Egypte,
Arabic, Pzrzië
en Mesopotamië; in het Westen in Italië, Noord-
Af rika, Gallië, Spanje, Brittannië
en enkele deelen van Germanië.
In Syrië bloeide reeds vroegtijdig eene Gemeente te Seleuca.
Vooral echter in Klein-Azië kwam het rijk des Heeren met kracht,
zoodat de tempels en altaren der afgoden overal verlaten werden.
Ook in Macedonië en Griekenland kreeg het Christendom over het
heidendom de overhand. Dit was zeker voor het grootste deel de
vrucht van Paulus\' werkzaamheid. Naar verhaald wordt heeft
Johannes Markus het Evangelie te Alexandrië in Egypte ge-
predikt. In deze stad vond men in allen gevalle vroegtijdig Chris-
tenen, die de Blijde Boodschap in de overige streken van Egypte
wel zullen hebben verkondigd. Wij vinden ten minste beschreven,
dat in de vervolging onder keizer Diocletianus 140,000 Christe-
nen door beulshanden omkwamen en 700,000 in gevangenschap,
slavernij of ballingschap gingen. Ook bestond in het begin der derde
eeuw eene overzetting van het Nieuwe Testament in de taal van
dat land. Arabië telde ook onderdanen van het Koninkrijk der hemelen.
Of Paulus er tijdens zijn verblijf nog gepredikt heeft, is niet met
zekerheid bekend, doch wel waren er in de derde eeuw reeds eenige
Gemeenten. In Mesopotamië regeerde in het midden der tweede
eeuw reeds een Christelijk vorst, Bar Manu geheeten, en te Edessa
was toen ook reeds eene bloeiende kerk. Van hier is het Evangelie
waarschijnlijk nnar Perzië en Armenië overgebracht. Nog wordt ons
bericht, dat de Apostel Bartolomeüs tot in Indië doordrong
en dat er in het midden der tweede eeuw Pantaenus als zendeling
-ocr page 19-
17
heen ging en predikte. Euim 50 jaar later kwam eeu soldaat naar
Alexandrit met een brief van een der Indische opperhoofden, waarin
deze den kerkvader Origenes verzocht hem in de Christelijke leer
te onderrichten. Deze heeft hieraan hoogstwaarschijnlijk voldaan,
ofschoon ons van ziju werk geene bijzonderheden bekend zijn. Het
schijnt echter, dat men met Indiê slechts Gelukkig-Arabië bedoeld
heeft.
Dit weinige is het voornaamste van hetgeen bekend is van de ver-
schillende kerken in het Oosten. Van het Westen is al even weinig
met zekerheid te zeggen. In de vorige les zagen wij, dat in Rome
reeds eene Gemeente was. Zij zal gedurende het tweejarig verblijf
van Paulüs zeer zeker in bloei zijn toegenomen, en in de derde eeuw
had zij niettegenstaande hevige vervolgingen eene groote uitgebreid-
heid verkregen. Uit Rome is de heilsleer over Itulië verspreid, aller-
eerst naar de hoofdplaatsen als Ravenna, Milaan en Bologna. Evenzoo
werd bet Evangelie uit Rome naar Noord-Afrika overgebracht. Daar
werd Karthago de moedergeraeente. Weinig is ons ook van de Zending
in dit deel van het zwarte werelddeel bekend, doch er waren weldra
een groot aantal bloeiende Gemeenten, want in het midden der
derde eeuw werd onder bisschop Cyprianus van Karthago eene
kerkvergadering gehouden, die door 87 bisschoppen werd bezocht.
In GaUië hebben wellicht handelaren uit Kteim-Azië het Evangelie
het eerst gepredikt en de Komeinen het verder voortgeplant. Beroemd
waren de Gemeenten te Lyon en te Vienne. Zij ziju bekend geworden
door eene hevige vervolging, die er in 177 uitbrak. In de derde
eeuw was het Christendom reeds tot in Pat ijs doorgedrongen.
Ook in Spanje werden in de tweede en derde eeuw Christelijke
Gemeenten gesticht. Sommigen deuken, dat Paüius er het Evangelie
bracht. Dit is niet onmogelijk, want uit zijn brief aan de Komeinen
blijkt, dat hij althans het plan had om naar Spanje te reizen.
Zeker is het, dat het Christendom zich op het eind der 3e eeuw in
Spanje had gevestigd. Eene synode te Elviva werd door 19 Spaansche
bisschoppen bezocht.
Brittannië is ook reeds vroeg met de Blijde Boodschap bekend
8
-ocr page 20-
18
geworden. Waarschijnlijk hebber, handelaren uit Klein-Alic of sol-
daten uit de legioenen der Romeinen, welke er koloniën hadden,
er het eerste zaad uitgestrooid.
Ofschoon de prediking onder de Germanen eerst later geschiedde,.
zijn toch in dit tijdvak enkele Gemeenten gesticht aan de oevers
van den Rijn, zooals te Trier, Metz en Keulen.
Al is er uit de 2e en 3e eeuw weinig bekend van den voortgang
des Christendoms, toch toont ons dat weinige, dat er reeds een groot
aantal belijders waren. Men schat het op acht millioen. De tijd
der vervolgingen was voorbij eu weldra was in het Romeinsche
rijk het heidendom overwonnen.
CONSTANTUN DE GROOTE, de eerste Christen-keizer.
Hadden in de vorige drie eeuwen de Christenen nog steeds verstrooid
onder de heidenen geleefd en zware vervolgingen moeten doorstaan,
in de vierde eeuw kreeg het Christendom de overhand in het Romein-
sche rijk en werd langzamerhand, zooals men het noemt, godsdienst
van Staat. De geloovigen behoefden niet meer in \'t geheim in ^ erborgen
plaatsen samen te komen, maar konden vrij en zonder vrees den
Heere dienen; niet meer uit spelonken of grafgewelven, maar uit
prachtige kerken steeg het loflied op ter verheerlijking van God,
Het kruis van Christus werd het eereteeken van vorsten en volken.
De man, die in Gods hand hiertoe een voornaam middel geweest
is, was keizer Consïantijn de Guoote. Hij was de zoon van Constan-
tius Chlokus en van Hklf.na, die later wegens haar ijver voor het
christelijk geloof beroemd is geworden. Zijn vader, ofschoon een
heiden, bewees den Christenen groote verdraagzaamheid en was hen
genegen. Dit zal wellicht op den jeugdigen zoon indruk hebben
gemaakt. Toen hij echter de jongelingsjaren pas was ingetreden,
moest hij de vaderlijke leiding missen. Constantius Chlokus werd
-ocr page 21-
19
mederegent van het Westersch-Romeinsche rijk en Constantijn bleef
aan het hof van Diocletianus, keizer van het Oosten. Daar ont-
wikkelde hij zich tot een moedig krijgsheld, maar werd er streng
bewaakt en gadegeslagen uit vrees, dat hij zich eenmaal van het
gezag zou meester maken. Hij was hier getuige van de laatste en
hevige vervolging tegen de Christenen. Niet alleen wekten de groote
wreedheden zijn afgrijzen op, maar ook de kracht des geloofs van
vele martelaren vervulde hem met bewondering en maakte diepen
indruk op hem.
Intusschen waren de keizers, zoowel die van het Oostersch- als
van het Westersch-Romeinsche rijk, afgetreden, en trad Galerius
in het Oosten en Constantius Chlorus in het Westen als keizer op.
Dit maakte den toestand van Constantijn niet gunstiger, daar de
nieuwe keizer hem als een gevangene behandelde en niet aan zijn
vader wilde afstaan. Hij zelf redde zich echter uit dien toestand.
Bij nacht ontvluchtte hij het keizerlijk paleis en reisde naar zijn
vader, dien hij nog juist eenige oogenblikken voor diens dood aantrof.
Na den dood zijns vaders werd Constantijn in het jaar 306 tot
keizer van het Westen uitgeroepen.
Dadelijk toonde hij den Christenen zijne gunsten. Hij stond hun
volkomen godsdienstvrijheid toe en herstelde hen in het volle bezit
hunner rechten. Hoewel zelf nosr geen Christen, stemden het leven en
de wandel der Christenen hem steeds gunstiger voor hunnen godsdienst.
Spoedig werd hij echter gedwongen tot eenen hevigen strijd. Maxen-
tius, die zich in Italië als keizer had opgeworpen, verklaarde hem
den oorlog. Ofschoon afkeerig van dezen krijg, besloot hij eindelijk
zijnen vijand op diens gebied aan te vallen. Hij trok Italië binnen
en behaalde tweemaal de overwinning, met het gevolg, dat hij tot
op weinige uren van Rome kon doordringen.
Weer liggen de vijandelijke legers tegenover elkander en wordt
alles voor eenen beslissenden slag voorbereid. Daar ziet, zoo verhalen
de geschiedschrijvers, de keizer aan den hemel, terwijl de zon reeds
aan het dalen is, een lichtend teeken in de gedaante van een kruis
met het randschrift: „In dit teeken zult gij overwinnen." En niet
-ocr page 22-
20
alleen de keizer, maar ook de lijfwacht staart met verbazing dit
verschijnsel aan. Het wekt eene algemeene geestdrift; de slag
vangt aan en Constantijn dringt aan het hoofd zijns legers de
vijanden teiug. Maxentius wordt verslagen en vindt met eene groote
menigte soldaten den dood in den Tiber. Onder het gejuich van
leger en bevolking doet de overwinnaar zijn\' intocht in Rome. Of
Constantijn werkelijk dit kruisteeken in de lucht heeft gezien, is
niet met zekerheid te zeggen, doch er moet wel het een of ander
bijzonders hebben plaats gehad. Weldra toch werd een standbeeld
voor hem opgericht, dat hem met een kruis in de rechterhand
afbeeldde. Eu sedert stond het kruis in het Eomeinsche vaandel, dat
ten allen tijde vóór het leger werd uitgedragen. Ook op de helmen
en schilden der soldaten moest het voortaan prijken en hij zelf liet
het op zijne kleederen borduren. Toch bracht dit hem nog niet tot
den gekruisigden Heiland. Echter was hij het Christendom genegen,
hetgeen blijkt uit de besluiten, die hij ten gunste der Christenen
nam. De nieuwe keizer van het Oosten, Lucinius, bezocht hem te
Milaan, en nu wist Constantijn hem over te halen een nieuw edict
te teekenen, waarin den Christenen in beide deelen van het rijk
volkomen godsdienstvrijheid en gelijke rechten als Staatsburgers
werden toegestaan.
De bekomen vrijheid moest echter nog eene zware proef doorstaan.
Lucinius begon langzamerhand zijn besluit in te trekken, omdat
hij niet uit overtuiging had gehandeld. Na een jaar trok hij tegen
Constantijn op, die hem gelukkig versloeg. Nu volgde weer een
tijd van rust. Doch Lucinius zon op middelen om zich te wreken
en eindelijk werd de vrede weder verbroken. Beide veldheeren lieten
niet na hunne legers aan te moedigen tot dezen beslissenden strijd.
De een gaf een plechtig heidensch offerfeest en hield eene opwekkende
rede; de ander liet het kruisvaandel voor het leger heendragen,
waardoor eene algemeene geestdrift ontwaakte en de heldenmoed
werd opgewekt. De strijd was hevig en bloedig. Na eene nederlaag
bij Adrianopel werd Lucinius den 18eu September 323 bij Chalcedon
totaal verslagen, zoodat hij afstand moest doen van zijn gebied en
-ocr page 23-
21
zijn purperen gewaad aan de voeten van den overwinnaar nederleggen.
Alsnu was Constantijn de alleenheerscber van het Romeinsche rijk
en het Christendom had over het heidendom gezegevierd.
Voortaan deed de Keizer zeer veel voor de bevordering van den
Christelijken godsdienst. Hij liet kerken bouwen; zorgde voor de
getrouwe viering van den Zondag, ook aan het hof; verbeterde den
toestand der slaven en bevorderde de Christelijke opvoeding der jeugd.
Zijne eigen kinderen liet hij in de christelijke leer onderwijzen. Den
geestelijken schonk hij vele voorrechten en den kerken groote ge-
schenken. En ofschoon hij zich eerst op het laatst zijns levens heeft
laten doopen, gaf hij menigvuldige blijken, dat hij het Christendom
van harte was toegedaan.
Van den anderen kant hebben vele zijner daden den Christelijken
godsdienst meer scha dan voordeel aangebracht en wekken zij twijfel,
of hij wel ooit een oprecht discipel van den Heere Jezus geweest is.
Doordat hij den geestelijken groote voorrechten schonk en zich zelf
gaarne als het hoofd der kerk zag beschouwd en geëerbiedigd, legde
hij den grond tot de latere priesterheerschappij. Door zijne openlijke
bevordering van het Christendom waren er velen, die zich lieten
doopen, zonder dat het hun daarbij te doen was om ware bekeering
des harten. Het werd mode Christen te zijn. Dit had ten gevolge,
dat de kerk langzamerhand eene menigte belijders telde, die wel over
allerlei geschillen twistten, doch wie het aan innig Christelijk leven
en oprecht geloof in den Heere Jezus ontbrak.
In het laatste tijdvak zijner regeering, deed Constantijn ook me-
nige daad, die zijn karakter ontsiert en een oprecht Christen niet
past. Zoo liet hij zijn zoon Chrispus, op aanklagen van diens stief-
moeder zonder voldoend onderzoek in eene vlaag van woede ter dood
brengen. En toen hij daarna over zijne onmenschclijke daad berouw
kreeg en het bleek, dat de aanklacht valsch geweest was, gaf hij
bevel zijne gemalin om het leven te brengen. Hoeveel men ook ter
verontschuldiging van Constantijns daden kan inbrengen, toch
kan men hem van deze echt heidensche daden niet vrijpleiten. Zij
geven het onmiskenbaar bewijs, dat er bij al zijn ijver voor den
-ocr page 24-
22
dienst des Heeren nog veel van het heidendom in zijn hart leefde.
Toen Constantijn op drie en zestigjarigen leeftijd ongesteld werd,
gaf hij eindelijk zijn verlangen te kennen den doop te ontvangen.
Volgens zijn levensbeschrijver ontving hij het zegel des Nieuwen
Testaments met blijken van diep gevoel. Hij verklaarde, dat hij nu
verzoend was en «zich voortaan aan de levensregelen wilde onder-
werpen, die een dienaar Gods betamen." In plaats van het keizerlijk
purper droeg hij sinds dien dag zijn wit doopgewaad. Kort daarop
in 337 stierf hij, naar men gelooven mag, in ootmoedig vertrouwen
op Gods genade in Christus. Hij werd op plechtige wijze begraven
in de Apostelkerk te Conetcmtinopel, de stad naar hem genoemd,
waarheen hij in 330 den zetel des rijks had verplaatst.
DE KERK IN HET OOSTEN.
GREGORIUSILLUMINATOR, NUNIA, FRUMENTIUS en AEDESIUS.
Terwijl Constantijn de Groote het Christendom in zijn rijk
tot staatsgodsdienst verhief, breidde het zich ook in het Oosten op
verschillende plaatsen uit. Zoo ging het in Perzii\' tijdens de eerste
regeeringsjaren van koning S.-.pores II. Toen echter later een oorlog
tusschen de Romeinen en de Perzen uitbrak, hadden de Christenen het
zwaar te verantwoorden Zij werden als spionnen beschouwd en —
gedood. In het jaar 343 brak eene hevige vervolging\' uit en de
Koning gebood, dat allen, die den Heere Jezus beleden, moesten wor-
den om het leven gebracht.. Duizenden werden vermoord; zelfs hove-
lingen des konings. Onder hen was ook een gunsteling van Sapores.
Daar de vorst over het verlies van zijn vriend zeer bedroefd was,
stemde hem dit tot eenige zachtheid. Toch bleven de vervolgingen
tot aan zijn dood voortduren. Later kwam er door het wijze beleid
van bisschop Maruthas een tijd van verademing. Toen echter een
-ocr page 25-
23
andere bisschop zich het misnoegen van den vorst op den hals
haalde, begon de vervolging opnieuw en duurde nog vele jaren
voort.
In Armenië predikte in de 4e eeuw Gregorius, bijgenaamd Illu-
minator (Verlichter). Hij had het geluk den koning Tiridates tot
bekeering te brengen en stichtte vele kerken en scholen. Na met
rijken zegen te hebben gewerkt trok hij zich op het einde zijns levens
1 in de eenzaamheid terug en stierf in 340. Zijn arbeid werd door
Miesrob voortgezet Daar de Armeniërs geen letterschrift bezaten,
hadden zij zich steeds van den Bijbel in de Syrische taal bediend.
De meesten echter konden, omdat zij die taal niet geleerd hadden,
den Bijbel niet lezen. Nu kwam Miesrob op de gedachte een
Armenisch letterschrift uit te vinden en dan den Bijbel te vertalen.
Dit was een moeielijk werk en menige proef mislukte. Ten laatste
kreeg hij toch een alfabet gereed, waarop de vrome man vol blijd-
schap naar den Koning snelde, die het dadelijk op alle scholen den
kinderen liet onderwijzen. Nu zette Miesrob zich aan de vertaling
des Bijbels, welke verbazend veel tijd kostte, te meer daar de vijan-
den haar belemmerden. Hij zelf heeft haar niet geheel ten einde
mogen brengen, daar de Heere hem van zijn werk opriep, doch twee
zijner leerlingen voltooiden haar in 401. Ongelukkig kwam Armenië
onder de macht van de Perzen, die nu ook hier hunne vervolgingen
tegen de Christenen begonnen, waardoor menigeen zijn geloof in den
Heiland met den dood moest bezegelen.
Op eigenaardige wijze werd eene Gemeente gesticht in Iberië,
tusschen de Zwarte en de Kaspische Zee gelegen. Eene Christin,
Nunia geheeten, was als slavin medegevoerd. Door hare innige
vroomheid won zij veler achting en nadat op haar gebed een kind
was gezond geworden, werd zij als eene heilige vereerd. Dit kwam
der Koningin ter oore, en daar deze kort daarop ziek werd, liet zij
de hulp van Nunia. inroepen. De slavin bad tot God, waarop de
Koningin herstelde. Toen Nunia geschenken werden aangeboden,
weigerde zij die en zeide: «Ik zal het schoonste loon genieten, zoo
de Koning en de Koningin zich tot dien God wenden, tlien ik dien."
-ocr page 26-
24
/
Ofschoon liet gebeurde indruk had gemaakt, bleef de vorst toch aan
het heidendom gehecht.
Eenigen tijd later werd de Koning op de jacht door een dikken
nevel omringd en verdwaalde. In den nood dacht hij aan het gebed
der slavin; hij bad tot den God der Christenen, werd gered en kwam
bij de zijnen terug. Nu liet hij zich door Nunia onderwijzen en J
ontbood Christenleeraars om zijn volk bekend te maken met den \',
Heilan.l en Verlosser. Hij zelf schaamde zich niet zijnen onderdanen
het Evangelie te prediken en had het geluk, dat zich weldra eene
groote menigte bekeerde tot den levenden God. Later brachten zelfs
lberiërs het Evangelie onder de naburige stammen, zoodat ook daar
de naam des Heeren bekend werd.
Op even merkwaardige wijze als in Iberië werd het Christendom
in Abessynië bekend. Zekere Meropius deed met zijne neven Fru-
mentius en Aedesius eene ontdekkingsreis. Op den terugtocht landden
zij aan de kust van Abessynië en werden door de bewoners om het
leven gebracht. Slechts de beide knapen iverden ontzien en als slaven
medegenomen naar den koning, die heu bij zich hield; hen liet
onderrichten en in zijne gunst nam. Erumentius werd zijn huisbe-
waarder en Aedesius zijn schenker. Zij stegen zoo in aanzien, dat
hun na den dood des konings de opvoeding van den prins werd
toevertrouwd en Erumentius veel invloed op de regeering kreeg.
Hiervan maakten zij voor de invoering van het Christendom gebruik
en riepen christenpredikers in het land, zoodat weldra de eerste Ge-
meente werd gesticht.
Toen de prins de regeering in handen kon nemen, gaf hij den
vreemdelingen verlof naar hun Vaderland terug te keeren. Aedesius
vertrok naar Tyrits, doch Erumentius maakte van deze gelegenheid
gebruik om den bisschop van Alcxandrië met den toestand in kennis
te stellen en hulp voor de kerk van Abersynië te verzoeken. Deze
wijdde in 326 Erumentius tot bisschop en zond hem met eeuige
ïnedehelpers terug. Met groote blijdschap vertrok de nieuwe bisschop
naar het land zijner gevangenschap. Hij had weldra het geluk, dat
velen zich bekeerden, en ook de koning en zijn mederegent. Later
-ocr page 27-
\' .
•
-.
25
kregen de Abessynische Christenen ook eene eigene Bijbelvertaling en
spoedig was de Christelijke kerk in Abessynic voor goed gevestigd.
Zoo deed ook hier de Heere uit de gevangenneming van twee
Christenjongelingen eenen rijken zegen voor dit afgelegen land voort-
komen.
Ook in de andere landen van het Oosten breidde het Christendom
zich uit en zelfs drongen in deze eeuw zendelingen tot in China
door, doeh dikwijls werd er te weinig gelet op de rechte bekeering
des harten, zoodat vélen afvielen, toen de dagen der vervolgingen
aanbraken. Vooral echter heeft de leer van Mahomed het Christen-
dom in het Oosten weder verdrongen, tot welks verbreiding de
Muzelmannen zich niet ontzagen van het zwaard gebruik te maken.
ULFILAS, de Apostel der Gothen,
Onder de volken, die niet ouder het gebied der Romeinen stonden,
namen de Gothen het eerst den Christelijken godsdienst aan. Wellicht
uit Scandinavië afkomstig, was dit volk naar het zuiden getrokken
en had zich aan den üonau nedergezet. Eeeds in de derde eeuw
hadden zij bij hunne invallen in het Romeinsche rijk vele Christen-
krijgslieden gevangen genomen, die niet nalieten hunne vijanden met
den Zaligmaker bekend te maken. Deze prediking bleef niet onge-
zegend en menig barbaar kwam tot bekeering. Reeds in 325 hadden
de Gothische Christenen esnen bisschop.
De man, die echter het meest gedaan heeft tot bekeering dezer
heidenen, was Ulfilas, die met recht den naam van Apostel der
Gothen
dragen mag. Hij was in het jaar 313 geboren uit eene
christenfamilie, welke hoogstwaarschijnlijk door de Gothen als gevan-
gene was medegcvoerd. Terwijl zijne ouders hem met de Gricksche
taal bekend maakten, leerde hij door den omgang met de Gothen
-ocr page 28-
26
hunne taal en zeden kennen. Reeds vroeg toonde hij lust en gaven
om als Zendeling onder het volk, waaronder hij was opgegroeid, te
arbeiden. Op zijn dertigste jaar werd hij bisschop der Gothen. Hij
werkte met zooveel zegen aan de verkondiging van het Evangelie,
dat het getal der bekeerden binnen korten tijd zoo toenam, dat het
de aandacht van den Koning trok en deze eene vervolging tegen
hem begon.
Nu trok Ulfilas omstreeks 350 met de vervolgde Christenen
over den Donau en kreeg van den Romeinschen Keizer eene woon-
plaats in het tegenwoordige Turkije, waar hij tot zijn dood werk-
zaam bleef. Daar het de Gollien ook aan eene schrijftaal ontbrak,
schonk Ulfilas hun een letterschrift en besteedde vervolgens een
deel van zijn leven aan de vertaling van den Bijbel, behalve het boek
der Koningen, in de Gothische taal. Dewijl nu in die dagen de boek-
drukkunst nog niet was uitgevonden, moest alles worden geschreven,
hetgeen verbazend veel tijd en moeite kostte. Van deze vertaling
bestaat thans nog een gedeelte. Het werd in de 17e eeuw in een
klooster in Duitschland teruggevonden, ging vervolgens naar Praag
en werd later naar Upsala in Zweden overgebracht, waar het tot
heden in de bibliotheek der hoogeschool wordt bewaard. Het is met
zilveren en gouden letters op rood perkament geschreven en geheel
in zilver gebonden.
Terwijl Ulfilas alzoo onder de bekeerde Gothen voortwerkte,
predikten andere Zendelingen onder de heidensche stamgenooten.
Toen daarop in 370 een nomadische volkstam uit Azië, de Hunnen,
invallen in het Gothische rijk deed, trokken scharen van Gothen ouder
Koning Friïiiigern over den Donau in het Romeinsche gebied-
Op voorwaarde, dat zij zich lieten doopen, werden zij door den
Romeinschen Keizer toegelaten. Dit was nu niet erg verstandig, want
op die wijze namen velen het Christendom aan, zonder dat zij tot
het geloof in den Heere Jezus waren gekomen. Ulfilas deed echter
al wat hij kon om het Evangelie ingang te doen vinden. Hij pre-
dikte ijverig in de Gothische taal, doch kon niet voorkomen, dat
zich een geest van ontevredenheid van de Gothen meester maakte,
-ocr page 29-
27
waaruit eindelijk een oorlog met de Romeinen ontstond. Het kwam
tot een beslissenden slag, waarin de Gothen overwinnaars bleven.
Nu trokken zij woedend en stroopend door het land tot Gonstanti-
nopel
en maakten zich zoo gevreesd, dat de Keizer ten laatste besloot
vrede met hen te sluiten.
Ulfilas, die zijn leven aan de bekeering der Gothen gewijd had,
had hiervan veel verdriet. Bovendien werden zijne laatste levensjaren
verbitterd door twisten over de leer, waarbij hij zelf als een ketter
werd veroordeeld. Dit schokte zijne gezondheid. Diep bekommerd
over een en ander werd hij krank en stierf in het jaar 383 te
Constantinopel. Onder innige deelneming der Christenen, die hem
hoog vereerden, werd hij door de aanwezige bisschoppen met alle
eer begraven.
Zijn werk was niet ijdel geweest in den Heere. Vóór zijn dood
had hij nog gezorgd, dat bekwame leerlingen zijn arbeid voortzetten,
zoodat ook na zijn dood de prediking onder zijn volk niet behoefde
gestaakt te worden.
DE FRANKEN.
CLOVIS; de eerste Allerchristelijkste Majesteit.
Reeds in de tweede eeuw bestonden in het tegenwoordige Frankrijk,
dat toen Gallië heette, bloeiende Christengemeenten. Zij breidden
zich langzamerhand uit en zonden zelfs Zendelingen naar andere
landen. In de vierde en vijfde eeuw ontstond echter in Europa de
zoogenaamde volksverhuizing. Verschillende volkstammen uit het
Noorden verlieten hunne oorspronkelijke woonplaatsen en trokken
naar het Zuiden. Op déze wijze werd ook Gallië door de heidensche
Franken ingenomen en hierdoor leed het Christendom in dat land
groote schade. De Heere vergat evenwel dit volk niet en bestuurde
-ocr page 30-
28
het zoo, dat eene Koningin het middel werd om de Franken tot
den Heiland te brengen.
Een der Frankische koningen, Clovis, trad in het huwelijk met de
Bourgondische prinses Chlotilde, die zelve den Heere Jezus had
leeren kennen. Dat zij met haren heidenschen gemaal diep medelijden
had, is te begrijpen. Daarom wendde zij alle pogingen aan om hem
van zijne afgoderij af te brengen en tot het Christelijk geloof over
te halen. Hare woorden vonden echter weinig ingang. Clovis bleef,
wat hij was. Toch stond hij zijne vrouw toe, dat hun oudste zoon
werd gedoopt. Niet lang daarna werd het kind ziek en stierf. Op
Clovis maakte dit een\' ongunstigen indruk, en hij meende, dat het
kind niet zou gestorven zijn, zoo het aan zijne goden was opgedragen.
Chlotilde trachtte hem van deze dwaze meening af te brengen en
verkreeg eindelijk de toestemming om haar tweeden zoon te laten
doopen. Ook dit kind werd ziek. Toen Clovis hiervan zijne vrouw
de schuld gaf, wist zij slechts één middel. Zij bad den Heere vurig
om de genezing van haren zoon en het kind werd op haar gebed
beter. Nu wees zij haren man op den Uod der Christenen, die de
gebeden zijner kinderen verhoort. Wel maakte dit indruk op den
ruwen man, doch het bracht hem niet tot bekeering.
Later geraakte hij in oorlog met een\' Germaanschen volksstam,
de Alemannen. In 496 kwam het bij Zülpich tot een slag en Clovis
verkeerde in het grootste gevaar dien te zullen verliezen. Nu bad hij
ernstig tot zijne goden, doch de kans werd steeds slechter. Eindelijk
dacht hij aan hetgeen Chlotilde hem van den Heere Jezus had
verhaald. Weenend hief hij de handen ten hemel en bad: tiJezus
Christus, dien Chlotilde den Zoon des levenden Gods noemt, U
roep ik aan en smeek ik om hulp. Wauneer Gij mij de overwinning
schenkt, wil ik in U gelooven en mij laten doopen. Want mijne
goden riep ik aan en ik zie, dat zij mij niet kunnen helpen. Op
U wil ik vertrouwen, opdat ik gered worde van mijne vijanden." Tot
zijne verbazing behaalde hij de overwinning en sneuvelde de koning
der Alemannen. Hierop trok hij naar huis om Chlotilde de blijde
tijding te brengen. Deze verheugde zich zeer over hetgeen met haren
-ocr page 31-
29
echtgenoot was gebeurd. Zij ontbood bisschop Remigius om haren
man verder te onderrichten. En dit onderwijs bleef niet geheel zonder
vrucht. Zoo zeide Clovis eens, toen Remigius hem het lijden des
Hceren verhaalde: «ware ik er met mijne Franken geweest, zoo zou
ik de Joden wel uiteen gedreven hebben".
Op kerstmis werd de koning te Rheims door zijn leermeester ge-
doopt. Toen Clovis den doop zou ontvangen, zegende Remigius hem
met de woorden: «Buig uw hoofd, Sicamber! aanbid, wat gij vroe-
ger hebt verbrand, en verbrand, wat gij vroeger hebt aangebeden!"
Ook zijne zuster en eene menigte Franken werden op denzelfden dag
gedoopt. Hij ontving sinds dien dag de titels van: Allerchristelijkste
Majesteit
en Oudste zoon der Kerk.
Het voorbeeld van den Koning werd door velen gevolgd en zoo
plantte het Christendom zich in het Frankische rijk voort. Veel heeft
hiertoe ook de werkzaamheid bijgedragen van Remigius, dien men
daarom den Apustel der Galliërs noemt. Echter was niet alles goud,
wat er blonk. Velen waren uiterlijk slechts Christenen, zonder dat
hun hart bekeerd was, en zoo kwam er veel kaf onder het koren.
Clovis zelf was ook nog niet, wat een oprecht discipel des Heeren
behoort te zijn. In zijne latere regeering heeft hij nog menigen
onrechtvaardigen oorlog gevoerd en vele gruweldaden gepleegd, zoo-
dat men wel moet twijfelen aan de oprechtheid zijner bekentenissen.
Evenwel kreeg het Christendom in het Rijk der Franken de
overhand. Een vurig Iersch monnik, Columbanus, predikte latei-
met veel zegen in Frankrijk en zelfs trokken in de 7e en Se eeuw
Frankische Zendelingen uit om de omwonende heidenen tot het
geloof in den eenigen Heiland te brengen.
Het eiland der Heiligen. PATRICIUS.
Aan het einde der vierde eeuw woonde in een dorpje in het Westen
van Schotland een arme hulpgeestelijke met zijne vrouw. Zij hadden
-ocr page 32-
een zoon, Patrick geheeten, dien zij reeds vroeg met den Heere
Jezus bekend maakten. Toch waren zij in menig opzicht te zacht
voor den jongen en lieten hem te veel toe. Hierdoor werd hij licht-
zinnig en leerde al vroeg zich aan menige zonde overgeven, zoodat
zijne ouders veel verdriet van hem kregen. Op zestienjarigen leeftijd
werd hij door eene bende zeeroovers gevangen genomen, naar Ierland
gevoerd en als slaaf verkocht. Hij werd het eigendom van een grond-
bezitter, die hem bezigde om de kudden te hoeden. Ver van zijne
bedroefde ouders zwierf hij nu eenzaam en verlaten met zijne kudde
over de velden rond. Doch het ging hem als den verloren zoon; hij
dacht aan zijn huis en familie; aan zijne kindsche jaren en aan
alles, wat zijne ouders hem van God en den Heere Je/us hadden
verteld. "Dit maakte hem op zijne zouden opmerkzaam; hij kwam
tot zich zelven en nam de toevlucht tot God.
Nu werd alles anders voor hem; hij leerde de zonde verfoeien en
kreeg grooten lust in den dienst des Heeren. Niets deed hij liever
dan bidden. Menigmaal lag hij voor het aanbreken van den dag trots
koude, sneeuw of regen op zijne knieën om zijn hart voor den Heere
uit te storten. Zijn leven werd een leven van gebed, zoodat hij thans
ongeveer honderd gebeden over dag en evenzoo vele des nachts deed.
In de eenzaamheid was hij nu niet meer alleen, want God was
met hem en de Heilige Geest bezielde hem.
Zoo bracht hij zes jaren in het verre westen door. Hij leerde het
Iersche volk in zeden en gewoouten kennen en werd hunne taal
machtig. Toch wenschte hij wel weder bij zijne ouders te zijn.
Daar hoort hij, volgens zijn eigen verhaal, op zekeren nacht eene
stem, die hem beveelt naar huis te keeren en hem de plaats noemt,
waar een schip gereed ligt. Hij snelt naar de aangewezen plek,
vindt er Wel een schip, doch men weigert hem op te nemen.
Smeekend valt hij op de knieën en bidt God om hulp, waarop
hij wordt medegenomen Na eene zeer moeilijke reis komt hij
eindelijk bij zijne ouders terug, die hem met blijdschap ont-
vangen.
Toen Patkicius weder eenigen tijd in zijn vaderland was geweest,
-ocr page 33-
31
ontkiemde in zijn hart de begeerte om terug te keeren naar liet land,
waar hij eens als slaaf had geleefd, doch waar hij door Gods
genade van de slavernij der zonden was bevrijd. Vurig wenschte hij
aan de arme heidensche bewoners van Ierland de Blijde Boodschap
des heils te gaan verkondigen, doch, daar hij zich hiertoe nog niet
in staat achtte, legde hij zich toe op grondige kennis van den
Bijbel en van alles, wat in een goed Zendeling wordt vereischt.
Naarmate hij meer voor zijne taak geschikt werd, werd ook zijn
verlangen om naar Ierland te gaan sterker. De gedachte om daar
het Evangelie te prediken, hield zijne geheele ziel bezig. Daar
verschijnt hem, zoo verhaalt hij zelf, in een droomgezicht een man,
die tot hem zegt: „Wij bidden u, heilige knaap, dat gij tot ons
komt en onder ons wandelt." Deze verschijning, waarin hij eene
roepstem des Heeren meende te hooreu, greep hem zoo aan, dat
hij besloot aan zijne innige begeerte gehoor te geven. Wat zijne
ouders en bloedverwanten ook deden om hem terug te houden, niets
mocht baten; — hij ging op reis.
Na zijne aankomst begaf hij zich spoedig naar het binnenland.
Bezield door den Heiligen Geest en in innige gemeenschap met zijn
Heiland, trad hij dadelijk met kracht op. In den beginne ontmoette
hij grooten tegenstand van de heidensche priesters, die het volk tegen
hem opruiden, doch hierdoor verkoelde zijn ijver niet. Uitmuntend
kwamen hem zijne kennis van de Iersche taal en van de gewoonten
des volks te pas. Door de kracht des geloofs en de gave om zijne
hoorders te overtuigen, overwon hij menigeu tegenstanden schonk de
Heere hem weldra rijke vruchten op zijnen arbeid. Nog niet lang
was hij in Ierland geweest, toen hij aan de eerste familie den weg der
Zaligheid leerde kennen. Hij bouwde daarop eene eenvoudige kapel
en een woonhuis.
Jaren lang zette hij zijne reizen door Ierland voort. Overal riep
hij het volk met paukenslag in het open veld samen en predikte
Christus als den eenigen Middelaar en Verlosser. Verbazend snel
werd de waarheid over het eiland verbreid. Vele stamhoofden geloofden
in den Heere Jezus en zelfs prinsen en prinsessen werden zijne leer-
-ocr page 34-
82
lingen. Om den Bijbel te kunnen afschrijven, stelde hij een alfabet
der Iersche taal samen.
Toen hij een gedeelte van het eiland voor het Christendom had
overwonnen, begon hij door het stichten van kloosters te zorgen,
dat er gelegenheid bestond om leeraars voor het volk op te leiden,
opdat de gestichte Gemeenten niet aan hun lot werden overgelaten.
En deze Inrichtingen hebben vele vruchten opgeleverd: uit deze
scholen zijn tal van mannen voortgekomen, die het Iersche volk
hebben onderwezen en geleid. Ja zelfs gingen later velen als Zen-
deling naar het vastland van Europa en onder hen waren mannen,
die in de geschiedenis der Zending met eere worden genoemd.
Ierland werd eene kweekschool voor de Zending en draagt daarom,
den naam van »lwt eiland der Heiligen."
God schonk Patricius een zeer lang leven. Het is niet bekend,
hoe oud hij precies geworden is, doch men meent, dat hij meer dan
honderd jaar heeft geleefd. Hij had het voorrecht te beleven, dat
het grootste deel van Ierland tot het Christendom was bekeerd,
zoodat zijue moeite en arbeid niet te vergeefsch zijn geweest. Toch
was de vrome man op dezen uitslag niet trotsch, maar betuigde,
dat hij zulk een rijken zegen op zijn\' arbeid niet waard was, en
bad alle geloovigen om al, wat hij gewerkt had, alleen als eene vrucht
des geloofs te beschouwen. Hij was een Zendeling, zooals er weinigen
vóór of na hem geweest zijn. Veel had hij van den apostel Paulus
zoowel in wijze voorzichtigheid als in vurigen ijver. Zijne groote
liefde tot den Heere leerde hem met den Apostel zeggen: Wee mij,
zoo ik het evangelie niet verkondig; de nood is mij opgelegd."
Na zijnen dood namen zijne leerlingen zijne taak over. Nog lang
bleef zijne nagedachtenis in eere bij het volk, en menig lied, dat
in den mond des volks leefde, vermeldde zijne daden. Jammer, dat
in onze dagen van de vruchten van zijn arbeid zoo weinig over is
en het eens zoo gezegende Ierland, waar men nu elkander den
vrede en de rust niet gunt, aan velerlei ellende ten prooi is. Ook
hier geldt het woord des Heeren: «Vele eersten zullen de laatsten zijn."
-ocr page 35-
33
COLUMBA, de Apostel der Hooglanders.
Ten Westen van Schotland verheft zich uit den met klippen
bezaaiden en wilden Oceaan een klein eiland, welks bodem weinig
oplevert en dat bewoond is door ongeveer 500 arme Schotten, die
er slechts eeu karig bestaan vinden. Hoe onbeteekenend ook op zich
zelf, toch is dit eiland, Jona of eiland der golven genoemd, merkwaardig
in de geschiedenis der Christelijke kerk, omdat het eenmaal de
woonplaats was van den man, die aan Schotland het Evangelie des
behouds bracht, van Crimthan ot, zooals hij later genoemd werd,
Colümba (duive), den Apostel der Hooglanders.
Omstreeks het jaar 521 uit een aanzienlijk geslacht in Ierland
geboren, werd hij reeds als knaap door een vroom priester met de
leer der zaligheid bekend gemaakt. Daarna bezocht hij eene der
beroemdste scholen van Ierland, trad op zijn vijf en twintigste jaar
als evangelieprediker onder zijn volk op, en stichtte kerken en kloosters,
waarvan enkele zeer beroemd zijn geworden.
Na eenige jaren in zijn vaderland te hebben gearbeid tot uit-
breiding van Gods Koninkrijk, stak hij op zijn twee en veertigste
jaar met eenige vrienden naar Schotland over om daar onder de
woeste bewoners der Hooglanden de banier des kruises te planten.
Zij landden allereerst op het bovengenoemde eiland Jona, waar zij
een klooster en eene kapel bouwden. Vervolgens giug Colümba met
zijne vrienden in eene boot door aan klippen rijke zeestroomen
naar de Noordwestkust van Schotland en begaf zich naar Brudeus,
den koning der Pieten, om hem met den Heere Jezus bekend te
maken. De Koning weigerde de Zendelingen toe te laten, doch wei-
dra veranderde bij van gedachte en luisterde naar de prediking.
Niettegenstaande een krachtig verzet van de heidensche priesters,
nam Brudeus het Evangelie aan, waarop een groot deel zijner
onderdanen zijn voorbeeld volgde. Colümba trok hierop voortdurend
het land door om de woeste Pieten tot bekeering te brengen en
v
                                                              3
-ocr page 36-
had het voorrecht, dat na eenige jaren bijna het gansche volk het
Evangelie gehoorzaam werd.
Ook den bewoners der langs de kust verspreide eilanden bracht
Columba de Blijde Boodschap. Onvermoeid trok hij van liet eene
eiland naar het andere, alle gevaren eu stormen trotseerende. Overal
zag hij vruchten op zijn\' arbeid en verrezen kerken en kloosters.
Telkens keerde hij naar Jona terug, waar hij zich bezig hield met
de opleiding van geestelijken voor de nieuw gestichte Gemeenten.
Zoo was hij immer bezig voor het heil der onsterfelijke zielen.
Zelf een oprecht discipel des Heeren, was het zijne vurige begeerte
anderen in dit heil te doen deelen. Aan wijsheid en beleid, paarde
hij nederigheid en zachtmoedigheid. Bij het klimmen zijner jaren
nara ook zijn invloed toe, zoodat zelfs koningen zijn raad inwonnen.
Na een welbesteed leven in \'s Heeren dienst, stierf hij zacht en
kalm op 77-jarigen leeftijd in het jaar 597. Op zekeren morgen
stond hij vroeg op en begaf zich naar eene hoogte in de nabijheid
van het klooster. Daar gekomen, breidde hij zijne handen zegenend
over zijne stichting uit, keerde terug en zette zich in eene hut neder.
Sinds lang was hij gewoon geweest eiken dag een gedeelte der Heilige
Schrift af te schrijven; ook nu hield hij zich hiermede eenigen tijd
onledig. Hij was aan den 33en psalm, doch toen hij aan eene der
teksten gekomen was, legde hij de pen neder en zeide: «laat Baithen
het overige schrijven." Deze Baiïhen was de leerling, dien Columba
tot zijn\' opvolger had benoemd, \'s Avonds legde hij zich na den
avondgodsdienst in zijne cel ter ruste, doch toen ter middernacht de
bel luidde om de kloosterlingen tot het gebed te roepen, spoedde
hij zich naar de kapel, trad haar het eerst binnen en knielde voor
het altaar neer. Toen zijne leerlingen bij hem kwamen, vonden zij
hem stervende. Hij opende nog even de oogen, sloeg een\' blik vol
hemelsche vreugde naar boven, maakte met de hand eene lichte
beweging tot een laatst vaarwel en gaf den geest, terwijl zijne leer-
lingen weenend en ontroerd om hem heen stonden.
Welk een heerlijk sterven! Biddende in het huis des gebeds, zonder
eenigen doodstrijd in het Huis met vele woningen te mogen ingaan,
-ocr page 37-
35
is slechts weinigen vergund! Hij werd in zijn klooster begraven.
Voor duizenden was hij ten zegen geweest; zijn naam leefde langen
tijd voort in dankbare herinnering bij het Schotsche volk en nog
verheft zich Jona, iihet eiland van zijn hart", zooals het ook werd
genoemd, uit de golven, als de plek, waar de Zonne der gerechtigheid
opging voor de Schotsche bergbewoners, maar boven dat alles juicht
Coltjmba voor den troon des Lams met allen, die gedronken hebben
uit de fontein des heils.
De invoering van het Christendom onder de Angelsaksers.
AUGUSTINUS.
Reeds in eene vorige les hebben we gezien, dat ook in Britannië
vroegtijdig de Blijde Boodschap was gebracht. Vóór het einde der
vierde eeuw was het Christendom er gevestigd. Daar de Britten
evenwel voortdurend leden onder de invallen der noordelijker wonende
Pieten en Schotten, riepen zij de hulp in van twee heidensche
Germaansche volkstammen, de Angelen en Saksen. Deze kwamen
onder hunne koningen Hengist en Horsa naar Britannië over, doch
in plaats van de bewoners tegen den vijand te helpen, namen zij
weldra het beste deel van hun land in bezit en drongen hen naar
het Westen terug. Op die wijze kreeg het heidendom in Engeland
weer de overhand. Doch God vergat ook dit land niet en bestuurde
in Zijne voorzienigheid de dingen zoo, dat ook de Angelsaksers zich
voor het kruis bogen.
Op zekeren dag (in welk jaar is niet met juistheid te zeggen)
stond op de markt van Rome een slavenhandelaar, die eenige knapen
te koop aanbood. De abt van een der voornaamste kloosters der stad,
Gregorius, die voorbij deze plaats kwam, werd door den aanblik
dezer jeugdige slaven getroffen. Hunne schoone gestalte, edel voorkomen
en lang, glanzend haar trokken zijne aandacht. Hij ging naar den
handelaar en vroeg hem, van waar deze schoone jongelingen waren
-ocr page 38-
3G
aangevoerd. //Uit Britannië", antwoordde de koopman. «Zijn de be-
woners van dat land Christenen?" vroeg nu de abt, doch het antwoord
was: «Zij zijn heidenen." Met een\' diepen zucht zei nu Gregorius :
«Groote God, hoe jammer, dat menscheu met zoo helder gelaat in
de macht zijn van den vorst der duisternis." Met innig medelijden
zag hij de jongelingen aan en vroeg verder: //Hoe heet het volk,
waartoe zij behooren?" Toen de handelaar daarop den naam van
Angelen noemde, riep hij uit: «Ja, wel zijn zij Angeli (engelen), want
zij hebben engelengezichten en behooren medeerfgenamen der engelen
in den hemel te zijn!" «En uit welke provincie zijn, zij?" ging de
monnik voort. „Uit Detra", hernam de aangesprokene. «Ja de ira
(d. i. van den toorn) moeten zij verlost worden", hernam Gregorius.
«Maar hoe is de naam van den koning des lands?" «Ella", was nu
het bescheid. Als in verrukking riep nu de abt uit: «Ja, ja, halleluja,
de lof van God moet ook in het vaderland dezer jongelingen worden
groot gemaakt!"
Van dit oogenblik was het Gregorius\' ernstig voornemen om dit
volk de kennis van den Heere Jezus te brengen. Ofschoon de paus
er niet mede ingenomen was, omdat hij den vromen en degelijken
man liever te Rome hield, begaf deze zich toch op reis. Toen men
zijn vertrek bemerkte, eischte men, dat hij teruggeroepen zou worden.
Dadelijk werden hem boden nagezonden; Gregorius gaf uit ge-
hoorzaamheid toe en keerde terug. Doch hij vergat de Angelen niet.
Nadat hij weinig jaren later zelf paus was geworden, vatte
hij zijn plan weer op. In het jaar 570 zond hij den monnik Augus-
TINUS met nog 40 anderen uit om als Zendelingen in Ene/eland te
arbeiden. Op hunne reis door Frankrijk hoorden zij zoovele bezwaren,
dat zij den moed begonnen te verliezen. G regorius schreef hun een\'
brief en wist hen opnieuw voor de opgenomen taak te bezielen.
Voor zij echter nog in Engeland waren aangekomen, had door
Gods bestuur eene andere gebeurtenis hunne zending gemakkelijker
gemaakt. Koning Edilbert van Kent was in het huwelijk getreden
met Bertha, de dochter van den Prankischen koning. Als huwe-
lijksvoorwaarde had de Frankische prinses gesteld, dat zij den Chris-
-ocr page 39-
37
telijken godsdicust mocht blijven belijden, een geestelijke haar moest
vergezellen en eene huiskapel worden gebouwd. Dit nam de koning aan
en zoo kwam hij zelf reeds eenigszins met het Christendom in kennis.
Aügustinus, die met deze gebeurtenis bekend was geworden, begaf
zich met zijne vrienden het eerst naar het gebied van Edilbert. Zij
landden op het eilandje Thanet, zonden een\' tolk tot den koning om
het doel hunner komst bekend te maken en verkregen de vrijheid zich
op het eilandje te vestigen, totdat hij hun nader bericht had gezon-
den. Eeuige dagen daarna bezocht hij zelf het eiland. Bevreesd voor
tooverij, wilde hij de woning der Zendelingen niet binnentreden.
Hierop traden zij in plechtigen optocht en onder het zingen van
kerkliederen nader, terwijl een groot zilveren kruis vooruit werd
gedragen. Nadat de koning bevel gegeven had oin te gaan zitten,
nam Aügustinus het woord en verklaarde, dat de koning de kroon der
onsterfelijkheid, die door Jezus Christus verworven was, kon ontvangen.
Hoewel de vorst deze toespraak zeer schoon vond, kon hij toch
volgens zijn zeggen den godsdienst zijns volks niet verlaten. Echter
mochten de Zendelingen iu zijne hoofdstad komen wonen, en onge-
hinderd prediken en doopen. Op die wijze werd hun dus eene deur
geopend om het Evangelie te brengen. Vol ijver gingen zij aan den
gang en wisten door menschlievendheid, nederigheid en vromen
wandel de achting der bewoners te winnen. Edilbert werd meer
en meer het Christendom genegen, en het duurde niet zeer lang, of
hij liet zich doopen, 597. Velen zijner onderdanen volgden dit voor-
beeld, zoodat de Gemeente zich spoedig uitbreidde. Jammer, dat
Aügustinus in zijne zendingswerkzaamheid te veel aan vormen hechtte
en op ceremoniën gesteld was, zoodat de paus zelf hem hierover
vermanen moest. Dit werkte de verdere bekeering des volks wel
eenigszins tegen.
Toch werd langzamerhand geheel Engeland met het Evangelie
bekend; het heidendom werd overwonnen en de vurige wensch van
Gregorius, dat ook in het land der Angelen het halleluja mocht
worden gezongen, werd vervuld.
-ocr page 40-
38
De Zending onder de Duitsche volken. COLUMBANUS,
GALLUS en KILIAAN.
Door den invloed der Romeinen waren ook iu Duitschland eenige
Christelijke gemeenten ontstaan, die evenwel door de volksverhuizing
veel hadden te lijden. De eigenlijke Zending onder de Duilschers
begon tegen het einde der zesde eeuw. Ofschoon ook de Franken
onder de verschillende stammen eenige Zendelingen uitzonden, zijn
het voornamelijk Iersche monniken, die het Christendom in Duitsch-
land
hebben geplant en er met veel zegen gearbeid.
In 590 kwam Colembanus met twaalf jonge monniken naar het
vastland over. Hij was in Ierland geboren en opgevoed. Op
jeugdigen leeftijd had hij zich in een der beroemde kloosters van
zijn vaderland begeven, doch hij voelde den wensch in zich opkomen
naar de heidenen te gaan om hun het Evangelie te verkondigen.
Deu abt van het klooster deelde hij zijne begeerte mede. Deze moe-
digde hem tot de onderneming aan en wist te bewerken, dat twaalf
jonge mannen met hem naar Gallië vertrokken. Op verzoek van den
koning begaven zij zich eerst naar Bouryondië en vestigden zich in
de Vogezen, waar Columbanus drie kloosters stichtte. Ofschoon hij
door vroomheid, vasten wil en innig geloofsleven velen tot zegen
werd en hij en zijne vrienden niet zonder vrucht predikten, toch
haalde hij zich door al te groote gestrengheid den haat van sommige
grooten en vooral van de grootmoeder des Konings, Brunehilde,
op den hals. Hij werd genoodzaakt te vluchten.
Na zich eenigen tijd in Frankrijk te hebben opgehouden, gingen
Colcmbanus en zijne vrienden naar Zwitserland, waar zij den hei-
denen het Evangelie verkondigden. Toen zij begonnen de heidensche
afgodsbeelden te vernielen en in zee te werpen, werd het volk ver-
bitterd en kwam in opstand, zoodat zij opnieuw op de vlucht
moesten gaan. Nu trokken zij naar Bregens aan de Bodenzee, waar
zij weder drie jaar ongestoord met de verkondiging der Blijde Bood-
-ocr page 41-
39
schap des heils konden voortgaan. Toen brak weer een tijd van
beproeving voor ben aan, omdat de heidenen den hei tog van Zwaben
hadden overgehaald ben te verdrijven. Columhanus trok over de
Alpen en in het rijk der Longobardcn en werd er door den Koning
vriendelijk ontvangen. In de nabijheid van Pavia stichtte hij
een klooster, dat later zeer beroemd geworden is. Hier eindigde
hij zijn moeitevol leven in het jaar 615. Onder den naam van
Apostel der Altmannen is hij in de Geschiedenis der Zending bekend.
Een zijner voornaamste leerlingen en helpers was Gallus. Deze
man legde zich met ijver op de bekeering der heidenen toe en wist
zich zoover in de Duitsche taal te bekwamen, dat hij zonder behulp
van een tolk tot het volk kon spreken. Bij het vertrek van Colum-
BANUS naar Italië bleef hij krank achter, doch vond bij een\' priester
vriendelijke verpleging. Na zijne herstelling besloot hij in Zwitserland
te blijven en er een klooster te bouwen. Hij liet zich over de ver-
schillende omstreken inlichten en vertrok langs een riviertje naar de
woeste streken van het land. Toen hij ergens met zijn\' voet in een\'
doornstruik geraakte en viel, geloofde hij, dat hier de plaats was
door God aangewezen om een klooster te bouwen. Een uit teenen
van oen\' hazelnootboom gemaakt kruis stak hij in den grond, hing
er de relequien aan en bouwde er eene kapel, waaruit later de zoo
beroemde abdij St. Gallen onstond. Dit was in 614. Weldra kwamen
eene menigte monniken tot Gallus, wien men wonderkracht toeschreef,
doch hij nam er in den aanvang slechts 12 op. Zijn invloed op de
bevolking was zeer groot en menig verhaal van zijne wonderdaden
is bewaard gebleven.
Tot op het einde zijns levens bleef hij ijverig aan de verkondiging
des Evangelies arbeiden. Menigmaal bezocht hij zijn\' vriend Willimab,
die hem vroeger liefderijk had verpleegd en woonde de godsdienst-
oefeningen bij. Op een\' keer, toen hij weer bij zijn\' vriend was, werd
hij ongesteld en stierf in het jaar 655. Hij werd bij zijn klooster
begraven.
Na den dood van Gallus kwamen weder nieuwe Zendelingen uit
het eiland den heiligen naar Duitschland. Onder hen is vooral bekend
-ocr page 42-
40
Kiliaan. Hij werkte in Wurzburg en Thuringen. Hertog Gosbert
liet zich door hem doopen, welk voorbeeld door velen zijner onder-
danen werd gevolgd Eenigen tijd daarna bracht Kiliaan den
hertog onder het oog, dat hij zich aan eene groote zonde had
schuldig gemaakt, daar hij met de vrouw van zijn\' broeder was
gehuwd. De hertog beloofde zijne vrouw te verlaten, doch toen hij
kort daarop in een\' oorlog werd gewikkeld, kwam er niets van zijn
plan. Gedurende Gosberts afwezigheid liet zijne vrouw Kiliaan
met twee zijner gezellen onverwacht overvallen. Zij werden met al
wat zij bij zich hadden, levend begraven. Zoo bezegelden ook deze
mannen hun werk met den dood. Zij hadden echter niet te ver-
geefs gearbeid, en weldra verwekte de Heere een\' man, die verder
voortzette, wat zij waren begonnen.
Behalve, deze mannen, waren er nog vele anderen, die in Duitschland
het Evangelie predikten. Zoo werkten Trutbert in het Zwarte Woud;
Pirmin in den Elzas; Eustasius en Evjpert in Beieren. Hunne
geschiedenis is echter zoo verdicht, dat het niet altijd is uit te
maken, wat er van waar is. Zoo veel is echter zeker, dat ook in
de 7e en 8° eeuw het licht des Evangelies in Duitschland lang-
zamerhand opging en de heidensche godsdienst der oude Germanen
plaats moest maken voor den dienst van den eenigen God.
BONIFACIUS, de Apostel der Duitschers.
Onder de mannen, die om hunnen vurigen ijver en onvermoeide
werkzaamheid tot uitbreiding van het rijk des Heeren onder de
Duitsche volkeu in de geschiedenis der Zending met eere genoemd
moeten worden, bekleedt Bonifacius de eerste plaats. Den naam
van Apostel der Duitschers mag hij met recht dragen, niet omdat
hij de eerste prediker in Duitschland was, maar vooral omdat door
-ocr page 43-
41
zijne langdurige en krachtige werkzaamheid het Christendom in
Buitschland voor goed vasten voet heeft gekregen.
Gelijk de meeste Zendelingen der 7een 88 eeuw was ook Bonifacius
of, zooals hij eigenlijk heet, Winfried, uit Ierland afkomstig.
Omstreeks het jaar 683 was hij te Kir ton uit eene aanzienlijke
familie geboren. Reeds op jeugdigen leeftijd kreeg hij lust om voor
den geestelijken stand te worden opgeleid. Dit was echter weinig
naar den zin zijner ouders, die hem liever bij zich wilden houden.
Na veel tegenstand kreeg Winfried vergunning in een klooster te
gaan, waar hij verscheidene jaren bleef en door vroomheid en
bekwaamheid uitmuntte. Op zijn dertigste jaar werd hij tot priester
gewijd. Intusschen was de begeerte in hem gerijpt om de arme
heidenen met den Heere Jezus bekend te maken en hen met Gods
hulp te brengen tot den eenigen Heiland, door wien alleen vrede
en zaligheid te verkrijgen is. Door niemand was hij van de volvoering
van dit plan terug te houden. Zelfs zijne vrienden en bloedver-
wanten, die hem al de gevaren voor oogen stelden en hem wezen op
de lotgevallen van zoovelen zijner voorgangers, vermochten hem niet
te weerhouden In hem brandde een vuur des Heiligen Geestes, dat
hem dreef en dat door niets was te blusschen.
Zoo ging hij dan in 716 met eenige broeders van Londen op reis en
kwam te Wijk-by-Buurste.de in het land der Friezen aan. Door een\' oor-
log, dien Radboud met de Franken voerde, was het den vurigen apostel
onmogelijk eenigen invloed op de heidensche bewoners v;yi ons
vaderland uit te oefenen, zoodat hij weldra naar Engeland terugkeerde,
waar hij met blijdschap werd ontvangen. Toch gaf hij den moed
niet op en bereidde zich in stilte voor zijne moeielijke taak verder
voor. In 718 begaf hij zich over Frankrijk allereerst naar Rome,
omdat hij meende, dat een zegen en toestemming van den paus hem
beter zouden doen slagen. Gaarne voldeed de paus aan zijn verlangen
en gaf hem eenige relequien op reis mede. Bonifacius trok nu naar
Thuringen en Hessen, waar het Christeudom doormannen als Kiliaan
reeds was gepredikt, doch nog steeds met veel heidensche gebruiken
was vermengd. Overal spoorde hij het volk tot waar Christelijk leven
-ocr page 44-
en het verlaten van alle afgoderij aan; echter hadden zijne pogingen
om er eene zuivere christelijke kerk te vestigen geen voldoenden
uitslag. Toen hij hoorde, dat de Friezen door de Franken waren
onderworpen, begaf hij zich voor de tweede maal naar ons vaderland.
Drie jaar lang arbeidde hij nu met zeer veel zegen, zoodat Willerrord,
de bisschop van Utrecht, hem tot zijn\' opvolger wilde benoemen. De
vrome man sloeg dit aanbod echter af en keerde naar Hessen terug,
waar hij krachtig optrad en velen tot den Heere bracht. Te Trier
werd door eene rede, die Winfried hield een 14 jarige knaap,
Gregorius, zoo getroffen, dat hij met goedvinden zijner grootmoeder,
bij den Zendeling bleef. Later werd hij zijn trouwe medehelper en
opvolger. In Amonebwg, waar twee vermogende mannen en velen
uit het volk door hem werden gedoopt, stichtte hij een klooster.
Steeds verder trok hij het land door, overal het woord des Evangelies
met groote welsprekendheid verkondigende, zoodat hij de vreugde
smaakte, dat zijn werk rijk gezegend werd.
Iu 723 reisde hij opnieuw naar Rome, waar paus Gregorius
II hem met veel eerbewijzen ontving, hem tot rijksbisschop benoemde
en hem den eerenaam gaf van Bonifacius, d i. Weldoener. Met
aanbevelingsbrieven aan Karel Martel en de Thuringsche grooten
zond de paus hem naar ïïuitschland terug. Op dezen nieuwen Zendings-
tocht vond hij bij Grismar een\' ouden heiligen eik, aan den dondergod
Thor gewijd en bij het volk in groote eer. Bonifacius zeide tot het
verzamelde volk: «De godheid, die gij aanbidt, is geen god. Ik zal
u laten zien, dat deze god, dien gij vereert, geheel machteloos is en
u den waarachtigen God bekend maken." Daarop nam hij eenen
bijl en hakte daarmede in den heiligen boom tot groote verbazing
der menigte, die van oordeel was, dat er een bliksemstraal uit deu
boom zou schieten, indien men hem aanraakte. Toen zij zagen, dat
dit niet gebeurde, en de boom onder de herhaalde slagen eindelijk
neerstortte, zonder dat Bonifacius werd gedeerd, begonnen velen aan
de macht hunner afgoden te twijfelen en lieten zich doopen. Van
het hout van den boom bouwde Bonifacius eene kapel.
Op zijn verdere tochten werkte hij met grooten zegen. Overal
-ocr page 45-
43
stichtte hij kerken en kloosters, terwijl nieuwe Zendelingen uit
Engeland hem ter hulp kwamen.
In 732 benoemde de paus hem tot aartsbisschop en noodigde hem
uit opnieuw naar Rome te komen. Hieraan voldeed hij eerst in
738. Zijne reis geleek een zegetocht. Overal werd hij met groote eer
ontvangen en stroomden de menschen samen om den beroemden
Zendeling te zien. Ook in Rome werd hij met eerbewijzen overladen.
Na met den paus vele belangrijke zaken besproken te hebben, keerde
hij naar Duitschland terug, regelde de kerkelijke aangelegenheden
in de verschillende deelen des lands en stichtte het beroemde klooster
Fulda tot eene school voor Zendelingen Eenigen tijd hierna werd
hij aartsbisschop van Mentz en zalfde op last van den paus den hofmeier.
der Franken, Pepijn den Korte tot koning. Spoedig droeg hij zijne
hooge waardigheid aan zijn\' leerling Lullijs over, daar hij vurig
verlangde nog eenmaal tot de Friezen te gaan. Hij voer den Rijn
af en kwam in ons vaderland aan. Nadat hij nog eenigen tijd ten
Zuiden der Zuiderzee had gepredikt en de reeds vroeger gestichte
Gemeenten bemoedigd en versterkt had, stak hij met 52 leerlingen
naar het tegenwoordige Friesland over. Bij Dokkum sloeg hij zijne
tent op. Daar wilde hij de nieuwbekeerden doopen. Op den bestemden
morgen kwam eene schaar gewapende Friezen uit eene hinderlaag
te voorschijn. De leerlingen van den grijsaard ziende, dat zij het
ergste te duchten hadden, wilden zich verdedigen, doch de vrome
man zeide op kalmen toon: «Kinderen, strijdt niet, laat ons geen
kwaad met kwaad vergelden. Thans is de lang gewenschte dag daar
en de tijd onzer ontbinding is nabij. Sterkt u in den Heere, vertrouwt
op Hem en Hij zal uwe zielen redden." Hij zelf beschutte zijn hoofd
met het Evangelieboek als met een schild. Woedend vielen de heiden-
sche Friezen op hem en de zijnen aau, zoodat zij allen onder de slagen
der vijanden bezweken als martelaren voor hun Christelijk geloofden
5en Juni 755. Zijn lijk werd in het klooster te Fulda begraven.
Niet velen hebben in hun leven zoo veel gedaan als Bonifacius.
En hij deed het met de zuivere bedoeling om er zijn\' Heere mede te
dienen en de menschen tot hunnen Heiland en Verlosser, dien hij
-ocr page 46-
44
zelf had leeren kennen en liefhebben, te brengen. Niettegenstaande vele
gebreken, die hem hebben aangekleefd, blijft hij een waarlijk groot
man in de geschiedenis der Zending, die door zijn\' dood heeft bezegeld,
wat hij in zijn leven had getuigd. Ook om wat hij voor het Christendom
in ons Vaderland deed, moet zijn naam bij ons in eere blijven.
Het Christendom in ons Vaderland. WILLEBRORD,
de Apostel der Friezen.
Op het Munsterkerkhof, een van de pleinen der grijze bisschops-
stad Utrecht, ligt, eenigszins ter zijde van den Domtoren, eeue blauwe
zerk met dit opschrift: j.Hier stond de kapel van St. Thomas".
Deze kapel was hoogstwaarschijnlijk de eerste, die op Vaderhindschen
bodem werd gebouwd, en wel omstreeks 630 op last van den Fran-
kischen koning Dagobert, die de Friezen, de toenmalige bewoners
van ons Vaderland had overwonnen en teruggedreven. In die dagen
begon ook in Nederland het licht des Evangelies de duisternis van
het heidendom te verdrijven.
In 626 verscheen aan de oevers van de Schelde als eerste Zendeling
Amandus, die reeds vroeger in het Zuiden van Europa het Evangelie
had gepredikt Van zijnen arbeid is ons niet zeer veel bekend. Om
des Heeren wil moest hij van de heidensche bewoners veel verduren.
Menigmaal werd hij door hen mishandeld, en indien het hem na
veel moeite gelukt was eeuigen tot bekeering te brengen en hij dezen
aan den oever der Schelde wilde doopen, wierp men hem somtijds
in de rivier. Onder degenen, die zich lieten doopen, behoorde ook
een vermogend man, die Amandcs in staat stelde te Gent twee
kloosters te bouwen. Later was Amadus een tijdlang bisschop van
Maastricht, doch spoedig trad hij weer als Zendeling op onder de
heidenen. Hij stierf in 666 in een klooster.
-ocr page 47-
45
Met nog meer zegen werkte Eligius, van beroep goudsmid. Daar
hij het in de kunst om goud te bewerken zeer ver schijnt gebracht
te hebben, had hij een aanzienlijk vermogen verworven. Hij werd
een gunsteling van koning Dagobert. De begeerte om de mensehen
bekend te maken met den Heere Jezus, dien hij zelf had leeren
kennen als zijn Heiland en Verlosser, kwam bij hem op. Beeds in
Parijs, waar hij woonde, had hij zich doen kennen als een echt
godsdienstig mensch, die zieken bezocht en verpleegde en, waar hij
kon, de armen en hulpbehoevenden ondersteunde. Zoo bewerkte hij
eens bij den koning de vrijheid voor eene menigte krijgsgevangenen.
Toen hij hun nu de keus liet naar de hunnen terug te keeren of te
blijven, kozen zij het laatste. Daarop bracht hij hen in eenige kloosters,
waar zij in den Ghristelijken godsdienst werden onderwezen.
Later trok hij als Zendeling naar de kusten van Vlaanderen,
Zeeland
en Holland, en ofschoon hij met veel gevaren en moeiten
te worstelen had, gelukte het hem door vroomheid eu weldadigheid
velen voor het Evangelie te winnen en te doopen. Tot zijn\' dood in
659 bleef hij onvermoeid werkzaam en kort voor zijn sterven bad
hij nog voor zijne Gemeente. Echter werd het door hem uitge-
strooide zaad na zijn\' dood weder verstikt.
Even weinig uitwerking hadden de pogingen van den Engelschen
bisschop Wilfrid, die naar Friesland overstak en met goedvinden
van koning Adgil in ons Vaderland eenigen tijd predikte. Toen
Wilfrid vertrokken en Adgil kort daarop was gestorven, werden
de Christenen onder zijn\' opvolger Radboud tot het uiterste verdrukt.
Weer zegepraalde het heidendom en scheen het licht des Evangelies
voor goed ondergegaan! Doch de Heere vergat ook ons Vaderland
niet. Te Zijner tijd zouden ook de stijve, stugge Friezen buigen voor
het Kruis. Voor dien tijd werd evenwel nog een jarenlange strijd
gevoerd Koning Radboud was een hevig vijand van het Christendom.
Met alle kracht, die in hem was, maakte hij zich op om den gods-
dienst zijner vaderen te handhaven en alles, wat het Christendom
had verworven, te verwoesten en uit te roeien. Gedurende veertig
jaar streed hij met alle macht en buitengewone wreedheid. Zijn volk
-ocr page 48-
4G
stond hem trouw ter zijde het bleef zich verzetten, tegen een\' gods-
dienst, die hun van de zijde der Franken met geweld werd opge-
drongen en welke in hun oog nog onmensehelijker was dan die
hunner eigen afgoden. Terwijl de Friezen zich verzetten, ging in
datzelfde Ierland, dat reeds zooveel voor de Zending had gedaan
ook voor ons Vaderland, het licht op, dat nu nog schijnt als een
licht op ons pad en als een lamp voor onzen voet en waarvoor
wij den Heere niet genoeg kunnen danken.
Toen men in lerlund vernam, hoe de reeds gedoopte Christenen
in ons land werden verdrukt, begon men daar in ons Vaderland
belang te stellen. Zeker vermogend man, Egbert geheeten, wist te
bewerken, dat een twaalftal Zendelingen naar de Friezen werd ge-
zonden. Aan hun hoofd stond Willebrord, de man, die met alle
recht den naam van Apostel der Friezen draagt. Ofschoon nog jong,
was hij bezield met de noodige geestkracht voor zijne moeilijke taak.
Als een recht discipel des Heeren zocht hij steeds zijne kracht in
den omgang met God en in het gebed. Met gunstigen wind liepen
Willkbrord en zijne vrienden den Middel-Rijn binnen en voeren
tot Utrecht door. Hier vonden zij alles weer in de macht der
Friezen en de St. Thorr.askapel verwoest Dit was in het jaar 690.
Naar de gewoonte van die dagen reisde Willebrord, nu hij voor
\'t oogenblik niets kon doen, naar Rome om er pauselijke volmacht
en wijding te ontvangen In 691 keerde hij met een schat van
relequiën terug en trad als Zendeling op in de streken ten Zuiden
van den Rijn. Op zijn\' tocht kwam hij op het eiland Walcheren,
waar hij de heidenen bezig vond met het vereeren van een hunner
afgodsbeelden. Op dit gezicht maakte eene heilige geestdrift zich van
hem meester, zoodat hij niet alleen den heidenen deze dwaasheid
onder het oog bracht,. maar zelfs het heilige beeld vernielde. Hierop
snelde een der afgodendienaars op hem toe en bracht hem met zijn
zwaard eene wonde toe aan het hoofd die echter spoedig genas.
Intusschen was de verhouding tusschen den koning der Franken
en Radboud, die bij Wijk-bij-Duurstede verslagen en tot den vrede
was gedwongen, zooveel verbeterd, dat Willebrord en de zijnen
-ocr page 49-
47
ook in Friesland liet Evangelie prediken konden. Met onvermoeiden
ijver trokken zij nu door de verschillende deelen van ons Vaderland,
stichtten er kerken en kloosters als te Vlaai dingen, Heilo en Utrecht,
en brachten overal, waar zij konden, het woord des Heeren. Zelfs
drongen zij door tot Denemarken of misschien Oost-Friesland en
predikten er, hoewel met weinig vrucht. Op hunne terugreis kwamen
zij op het tegenwoordige Helgoland, waar Radboud na zijne nederlaag
zijn\' zetel had. Op dit eiland bevond zich eene beek, die voor heilig
gold en waaruit het alleen vergund was, zwijgend water te scheppen.
Om dit bijgeloof uit te roeien doopte Willebrord in die beek
drie bekeerden. De heidenen waren hierover zoo verbitterd, dat zij
den vromen man wilden dooden, doch daar het lot tot driemaal
toe besliste, dat een zijner gezellen moest worden gedood, werd hij
vrijgelaten. Toch kon hij niet voorkomen, dat de aangewezene zonder
genade werd omgebracht. Toen Radboud hem daarop bestrafte, had
zijn vrijmoedig antwoord ten gevolge, dat de koning hen liet gaan
met de woorden: /,Ik zie dat gij mijne bedreiging niet vreest en
dat uwe woorden aan uwe daden gelijk zijn!"
Radboud liet echter niet na de Evangelieprediking overal tegen
te werken en telkens invallen te doen op het Frankisch gebied,
zoodat de oorlog opnieuw uitbrak. Willebrord moest zich gedurende
dezen tijd naar het Zuiden terugtrekken en eerst na den dood van
Radboud in 719 kon hij weer ongehinderd zijne Zendingswerkzaam-
heid onder de Friezen voortzetten. Uit Utrecht, waar hij zich als
bisschop had gevestigd, bevorderde hij de prediking des Heils met
het gunstig gevolg, dat velen zich lieten doopen en de afgevallenen
weder het Christelijk geloof aannamen. Echter stonden de Friezen
nog telkens weer tegen de Franken op, hetgeen de bevordering van
het Christendom zeer tegenwerkte. Dit deed Karel Martel eindelijk
besluiten hen in hun land aan te vallen. Niettegenstaande de grootste
dapperheid werden zij verslagen. Nu trokken de Franken zege-
vierend het land door, vernielden de heidensche tempels, verbrandden
de gewijde bosschen en dwongen de Friezen zich te onderwerpen.
Zoo stond geheel Noordelijk Friesland voor de Zending open, doch
-ocr page 50-
48
de man, die vijftig jaar lang met onbezweken ijver tot heil en
zegen van onze voorouders had gearbeid, had zijne taak bijna vol-
eindigd; een ander zou zijn werk voortzetten. In 739 stierf hij in
den ouderdom van 80 jaar. Hij werd in het door hem gestichte
klooster Epternach begraven. Met alle recht verdient hij door ons
in eere te worden gehouden, want hij heeft den grond gelegd voor
de invoering van het Christendom in ons Vaderland. Daaraan heeft
hij zijn leven gewijd en al zijne gaven en talenten besteed. Duizenden
gevaren en moeiten heeft hij getrotseerd om het woord van zijn
Heiland en Heer, wien te dienen zijne grootste vreugde was, te brengen
aan een volk, dat lang had gezeten in duisternis en schaduwen des doods.
De Saksers, KAREL DE GR00TE.
Toen Willebrord in het jaar 739 in zijn Heer en Heiland ontsliep,
was wel het Zuidelijk deel van ons Vaderland tot het Christendom
bekeerd, doch, al leefden reeds hier en daar Christenen, het Noordelijk
gedeelte was nog in de macht van het heidendom. Dit blijkt onder
anderen ook hieruit, dat in 755 een troep heidenen Bonifacius en
zijne leerlingen vermoordde.
Echter verwekte de Heere mannen, die het aangevangen werk met
kracht voortzetten, zooals Lebuinus en Willehad. Bovenal is
als zoodanig bekend Lüdger, een Fries van geboorte en daarom
reeds voor zijne taak zeer geschikt. Hij werkte vooral in de omstreken
van Dokkum, gedurende zeven jaar en had het geluk, velen tot
bekeering te brengen. Toen echter in 782 de Friezen in opstand
kwamen tegen de Franken moest hij zich terugtrekken, en eerst
nadat Friesland door Karel den Groote onderworpen was, trad
Ludger opnieuw als Evangelieprediker op, onder bescherming van
den Frankischen vorst.
Langer nog dan de Friezen boden de Saksers wederstand aan het
-ocr page 51-
49
Christendom, vooral omdat het hen met geweld door de Franken
werd opgedrongen. Het was de machtige Frankische koning Karel,
die het zich tot leven»taak gesteld had, de Saksen tot het Christendom
te brengen. Jammer, dat hij dit met het zwaard meende te moeten
doen, hetgeen toch in strijd is met Gods Woord. Doch het was
Kakel tevens te doen om het rijk der Saksers aan het zijne te
onderwerpen en om hiertoe te geraken heeft hij eeuen hardnekkigen
en langdurigen strijd moeten voeren. Evenals Kadbood bij de Friezen,
zoo was Wittekind bij de Saksers de man, die zich met kracht
tegen Christendom en Frankische heerschappij verzette en zijn volk
telkens wist te bewegen om het opgelegde juk af te schudden.
Friesland was meestal het tooneel van den strijd, waar de Saksers
bij elke nieuwe gelegenheid de Christelijke kerken vernielden en het
land verwoestten.
In het jaar 772 besloot Karel tot de onderwerping der Saksers.
Op zijn\' tocht vernielde hij de Irmenzuil, een nationaal afgods-
beeld der Saksers en bracht hen tot onderwerping. Toen Karel
daarop tegen de Lonyobarden was opgetrokken, stonden zij op en
vernielden alles te vuur en te zwaard. Pijlsnel keerde nu de Franki-
sche vorst terug en dwong hen opnieuw zich te onderwerpen. De
Saksers erkenden Karel den Groote als hun opperheer en ver-
plichtten zich het Christendom niet meer tegen te werken. Wittekind
was echter naar Denemarken gevlucht en zon op middelen om zijn
volk van de Frankische heerschappij te bevrijden. Als Karel daarop
een\' veldtocht in Spanje deed, keerde Wittekind terug en de Saksers
kozen zijne partij. Als echte woestaards vallen zij in Friesland en
Frankenland. Overal verspreiden zij schrik en ontzetting en zij ver-
woesten alles, wat zij op hunnen weg ontmoeten, zoodat de pre-
dikers moeten vluchten. Opnieuw onderworpen, staan zij even spoedig
weer op. Nu beval Karel, dat tot wraak 4500 Saksers op cén dag
zouden worden onthoofd, waardoor hij voortaan onder hen den naam
van Karel den Slachter droeg. Wel verre van door zulk eene
wreedheid tot onderwerping te komen, boden de Saksers nog krach-
tiger wederstand, doch zij bleken tegen de Frankische macht niet
4
-ocr page 52-
50
bestand eu sloten na eenen Moedigen strijd eindelijk vrede in liet
jaar 787. Wittekind en Alboïn, zijn medeveldheer, lieten zich
doopen en eeue groote massa van het volk volgde hun voorbeeld.
Dat deze doop niet met eene ware bekeering des harten gepaard ging,
is licht te begrijpen en zou spoedig blijken. Het was er mee, zooals
een van Kabels vrienden zelf getuigde: «Men kan den raensch wel
tot het geloof bewegen, maar niet dwingen; tot den doop kan men
hem dwingen, doch dit levert voor het geloof geen vruchten op."
Dit bleek ook, toen de Saksers na acht jaar rustig te zijn gebleven,
opnieuw opstonden en onverwacht eeu Frankisch leger vernielden.
Ook niet de uitwendige doop was in staat gebleken den vrede te
bewaren. Eerst toen Karel in 804 het besluit nam om 10.000
Saksers uit hun land te voeren en in de verschillende deelen van
zijn rijk eene woonplaats onder de Franken aan te wijzen, werd aan
dezen woedenden oorlog een einde gemaakt
Van dat oogeublik was Kabel oppermachtig gebieder, ook in
Saksenland. Saksen zelf werd nu als een Christenland in acht bisdom-
men verdeeld en het Christendom had, zij het ook door stroomen
bloeds, zoowel in Friesland als in Saksen gezegevierd.
Karel de Groote is als verbreider van het Christendom zeer
verschillend beoordeeld. Sommigen hebben hem uitermate geprezen,
anderen ten zeerste gelaakt. Zeker is het, dat hij in zijnen bekeerings
ijver te ver is gegaan en op onchristelijke wijze heeft gehandeld,
doch wij moeten niet vergeten, dat de Saksers ook lastige naburen
waren, die reeds menigmaal, vóór Karel tegen hen optrok, invallen
in het Frankische rijk hadden gedaan en dat zij als vernielers en
tegenstanders van het Christendom, streng verdienden behandeld te
worden. Dat het bij Kabel zelf ernst was met zijn Christelijk geloof,
blijkt uit vele zijner daden. Al heette hij bij de Saksers de Slachter,
in zijn huiselijk leven was hij eenvoudig en nederig, trouw in het
vervulleu zijner plichten en gesteld op recht godsdienstig leven. Al
wat hij kon, deed hij om het heil zijner onderdanen te bevorderen.
Hij lette nauwkeurig op geestelijken en priesters en zorgde, dat overal
scholen werden gebouwd, opdat de jeugd in den Bijbel zou kunnen
-ocr page 53-
51
leeren lezen. Menigmaal bezocht hij zelf de scholen, om onderzoek
naar het onderwijs te doen. Op rijpen leeftijd leerde hij nog lezen
en schrijven, en hij eischte, dat ook de geestelijken dit deden. Hij
was een voorbeeld van vroomheid en godsvrucht. Nadat hij in 810
de kroon aan zijn\' zoon had overgedragen, en dezen op het hart had
gedrukt het Christendom te beschermen en zijn volk als een vader
te regeeren, stierf hij den 28en Jan. 814, met de bede op de lippen:
//O God, in Uwe handen beveel ik mijnen geest." Te Aken werd hij
na een zeven en veertig-jarige regeering van veel moeite en onrust,
ter ruste gelegd of liever gezet, daar zijn lijk in zijn keizerlijken
stoel met de kroon op het hoofd en den Bijbel op den schoot in
het graf werd neergezet.
ANSGARIUS, de Apostel van het Noorden.
Terwijl de woeste Noormannen in menig land van Europa en
daaronder ook in ons vaderland invallen deden; steden verbrandden;
roofden en plunderden, en schrik en ontsteltenis onder de bewoners
verspreidden, had God reeds gedachten des vredes over hen en werd
de rnan, die hun het Evangelie der behoudenis zou brengen, in alle
stilte voor zijne gewichtige taak voorbereid. Deze man was Ansgarius,
een der voornaamste en edelste Zendelingen der middeleeuwen, die
met recht de Apostel van het Noorden genoemd wordt.
Hij werd in het jaar 801 uit een aanzienlijk geslacht in het Noor-
den van Frankrijk geboren Reeds op zijn vijfde jaar verloor hij zijne
vrome moeder en nu deed zijn vader hem in een klooster, waar hij
door den abt met liefde verpleegd en opgevoed werd. In den beginne
was hij geheel aan de andere knapen gelijk. Hij nam aan hunne
spelen deel en onderscheidde zich in geen enkel opzicht. Eensklaps
echter kwam hierin verandering. Meer en meer onttrok hij zich aan
de genoegens der jeugd; hij werd afgetrokken en ernstig, en begon
-ocr page 54-
52
zich met ijver op de studie toe te leggen. Wat was de oorzaak dezer
plotselinge verandering? Zijne levensbeschrijvers deelen daarvan het
volgende mede: Hij droomde op zekeren nacht, dat hij zich op een
glibberig en moerassig pad bevond, waarop hij slechts met de uiterste
krachtsinspanning kon voortkomen. Naast dit pad liep een effene en
gebaande weg, waarop zich eene schaar van in het wit gekleede
vrouwen voortbewoog. Aan het hoofd wandelde eene rijk gekleede
en zeer schoone vrouw. Met groote verbazing zag Ansgarius dezen
stoet aan en toen hij onder hen ook zijne reeds gestorven moeder
herkende, werd hij boven mate verblijd. Nu spande hij al zijne
krachten in om zijne lieve moeder te naderen, doch bij iederen stap
zakten zijne voeten dieper in het moeras weg. Terwijl hij worstelde,
maakte de vrouw, die aan het hoofd ging, zich bekend als de moeder
des Heeren en zeide; «Mijn zoon! wenscht gij bij uwe moeder te
komen; wilt gij in onze vreugde deelen? Ontvlied dan alle ijdelheid
en de zonde der jeugd, want niemand komt tot ons die daarin nog
vermaak heeft." Deze droom maakte op den levendigen jongeling
eenen diepen indruk en van dat oogenblik af ontweek hij de ver-
maken der wereld. Later had hij nog menigmaal dergelijke droomen.
Zoo droomde hij eens, dat de Heere Jezus hem verscheen en hem
zeide, dat hij zijne zonden moest belijden. Hij deed dit en vroeg:
«Heere, wat wilt gij, dat ik doen zal?" Het antwoord was: »Ga
heen en verkondig het Evangelie aan de heidenen." Zoo voelde
Ansgarius zich geroepen zendeling te worden en werd het zijn vurigste
wensch tot de heidenen te gaan. Hiertoe bood zich weldra de gele-
genheid aan.
In het jaar 826 werd de Deensche koning Harald, die bij Lodewijk
den Vrome hulp had gezocht en er tevens zijn Heiland had leeren
kennen, met zijne gemalin gedoopt. In zijn land teruggekeerd wenschte
hij ook het Christendom aan zijn volk bekend te doen maken. Lodeuijk
de Vrome, dien deze zaak zeer ter harte ging, zocht nu naar een
geschikt zendeling en weldra werd hem Ansgarius als de rechte
man voor deze taak aanbevolen. Hij verklaarde zich dadelijk bereid
tot den tocht. Alleen vergezeld van zijn\' vriend Autbertus ondernam
-ocr page 55-
53
hij op 25jarigen leeftijd de gevaarvolle reis. Hij begon zijn\'arbeid in
Denemarken, met het stichten eener school, waar hij losgekochte
slavenzonen tot Zendelingen opleidde. Veel kon hij echter nog niet
uitrichten, want zijn vriend ontviel hem door den dood en Harald
werd weder verdreven, waardoor Ansgarius\' hoop voor \'t oogenblik
verijdeld werd.
Spoedig echter kreeg hij eenen nieuwen werkkring. In 829 kwamen
Zweedsche kooplieden bij Lodetvijk den Vrome en verzochten om
leeraars, die ook hun volk met de Christelijke leer konden bekend
maken. Dadelijk bood Ansgarius zich hiervoor aan. Met nog een\' mon-
nik, Witmar, ging hij op reis. Onderweg werden zij door zeeroovers
aangevallen, die hun alles ontnamen. Slechts met moeite redden zij
het leven. Nu wilden echter de zeelieden terugkeeren, doch Ansgarius
sprak hen moed in en ging met goed vertrouwen op God verder.
Na veel moeite bereikte hij Zweden, waar de koning hem welwillend
ontving. Zelfs de stadhouder Herigar verleende hunne prediking
gehoor, liet zich doopen en bouwde eene kerk op zijn landgoed.
Velen namen het Christendom aan.
Om de Zending in het Noorden te steunen stichtte Lodewijk de
Vrome het aartsbisdom Hamburg en benoemde Ansgarius tot aarts-
bisschop. Alles scheen dus gunstig te zijn voor de zaak des Heeren,
doch weldra werd de werkzame man aan zware beproevingen bloot-
gesteld. In Denemarken werden de Christenen onder den nieuwen
koning Horicii vervolgd en in Zweden werd de Zendeling Gauzbert
bij een\' volksoploop verdreven. Bovendien werd Hamburg door de
Noormannen ingenomen en in de asch gelegd, waarbij ook de bibli-
otheek verbrandde en Ansgarius moest vluchten. Hij liet zich evenwel
door dit alles niet ontmoedigen, want hij had geleerd op Gods hulp
te wachten. Onvermoeid bleef hij voor de bekeering van Denemarken
en Zweden arbeiden. In eerstgenoemd land verkreeg hij eindelijk
van den koning weer vrijheid om te prediken. Naar Zweden ging
hij zelf nog op zijn 55e jaar. De koning verklaarde, dat hij zelf
wel voor het nieuwe geloof gezind was, doch de volksvergadering
moest beslissen. Ansgar vond dit goed, want hij geloofde vast, dat
-ocr page 56-
54
God hem zou helpen. Nu werd op de vergadering eerst het lot
geraadpleegd en dit viel ten gunste van het Christendom uit, doch
verschillende partijen verzetten zich er tegen. Hierop stond een aan-
zienlijk grijsaard op en zeide: «Hoort mij, o koning en volk! Naar
alles wat wij van den God der Christenen hooren, is het een zeer
machtige God, die in zeegevaren en anderen nood machtige hulp
verleent. Daar wij een zeevarend volk zijn, kunnen wij Zijne hulp
wel gebruiken!" Dit maakte zooveel indruk, dat men vrijheid gaf
tot prediking van het Evangelie. Ansgarius begon nu eene kerk te
herbouwen en stichtte op verschillende plaatsen Gemeenten, zoodat
de bekeering verder spoedig voortging. Bij zijn vertrek liet hij een\'
priester achter om zijn werk voort te zetten. Zoo zegevierde hij door
geduld en volharding over alle moeielijkheden.
Tot het einde zijns levens was hij voor de Zending werkzaam.
Nooit was hij werkeloos, en waar hij kwam, daar deed hij goed aan
armen en behoeftigen ; wat hij kon besparen, besteedde hij aan de
Zending. Eindelijk riep de Heere ook dezen getrouwen dienstknecht
naar huis. In het jaar 865 ontsliep hij na eene langdurige ziekte.
Zijn laatste gebed was: «Heere gedenk mijner naar Uwer barmhar-
tigheid. "Wees mij zondaar genadig. In uwe handen beveel ik mijnen
geest." De martelaarskroon, die hij zoo vurig had begeerd, werd niet
zijn deel, doch ook zonder dit zegel op zijn werk, had zijn arbeid
zegenrijke gevolgen, zoodat ook eerlang het Noorden van Europa
zich verheugde in het licht des eeuwigen levens.
Na een\' langdurigen kamp kreeg het Christendom ook in Noorwe-
gen
vasten voet en in de elfde eeuw namen de bewoners van Hrtand
het aan, terwijl ook op andere eilanden het licht des Evangelies
werd ontstoken.
-ocr page 57-
55
Het Evangelie onder de Slaven. CYRILLUS en METHODIUS.
In Thessalonika, waar Paulus eenmaal het Evangelie gepredikt
had, werden in liet begin der negende eeuw twee broeders geboren,
die later veel hebben gedaan voor de bekeering van de volken van
het Oosten van Europa en daaarom de Apostels der Slaven worden
genoemd. De oudste, Constantijn (later Cyiullus) geheeten, ontving
eene wetenschappelijke opleiding en verwierf zich den bijnaam van
den wijsgeer. Later werd hij monnik en trok zich in de eenzaamheid
terug. Zijn broeder Metiiodius, die eerst eene staatkundige loopbaan
had gekozen, volgde weldra zijn voorbeeld.
In dezen tijd kwam van een\' volkstam aan de Zwarte Zee het
verzoek tot den keizer van het Oostromeinsohe rijk om zendelingen
en deze zond Cïuillus tot hen. Hij nam deze taak op zich en
legde zich met ijver op de Slavonische taal toe. Daar hij echter tot
bekeering van dit volk niet veel kon doen, keerde hij naar Constan-
tinopel
terug met eenige losgekochte gevangenen, die hij in het
Christendom onderwees.
Beter ging het in Bulgarië. Eene zuster, van den Bulgaarschen
Koning, die als gevangene in Conslantinopel verkeerde, werd bekeerd
en liet zich doopen. Na hare vrijlating beproefde zij met medewer-
king van Metiiodius haren broeder Bogouis voor het Christendom
te winnen, doch de Koning wilde er niets van weten. Toen echter
eenigen tijd later een hongersnood na een gebed tot den God der
Christenen ophield, werd de Vorst bewogen en liet zich doopen.
Toch ontbrak het hem aan den Christelijken geest. Met geweld
dwong hij zijne onderdanen het Christendom aan te nemen. Hierdoor
ontstond een oproer en nu nam hij bloedige wraak. Zoo maakte hij
een groot deel van zijn volk van het Christendom afkeerig. Eerst
onder Clemens, een leerling van Metiiodius, namen de Bulgaren
het Evangelie aan.
Ook onder do Moraviërs brachten de beide, broeders de kennis
-ocr page 58-
56
van den Heere Jezus. Zij gingen nu naar Bome om de bis-
schoppelijke waardigheid te ontvangen. Cyrillus stierf echter te
Bome in het jaar 899. Zijne grootste verdienste is zeker deze, dat hij
den Bijbel in de Slavische taal heeft overgezet. Methodius keerde
naar Moravit terug. Daar hij nu, in strijd met de Roomsche kerk
den kerkdienst in de Slavische taal waarnam, werd er eene aanklacht
tegen hem ingebracht bij den paus. Opnieuw trok hij naar Bome
om zich te rechtvaardigen en hij verkreeg dan ook de pauselijke goed-
keuring. Tot aan zijn dood bleef hij vervolgens onder de Moravik\'rs
werkzaam en ofschoon door menige paus als ketters veroordeeld,
bleven do beide broeders nog lang in dankbare herinnering bij de
Christelijke Slaven leven.
Uit Moravië kwam de Blijde Boodschap naar Bohemen. Hertog
Borzowai was nog door Methodius gedoopt. Na het overwinnen
van vele moeilijkheden, namen zijne gemalin en een deel des volks
het Christendom aan. Echter behield het heidendom nog de overhand.
Toen zijn kleinzoon, Wenzeslaw, die van zijne grootmoeder eene
Christelijke opvoeding had genoten, aan de regeering was gekomen,
werd hij door zijn\' boosaardigen broeder gedood. Deze trachtte nu
het uitgestrooide zaad geheel te verstikken, doch keizer Otto I van
Buitschland dwong hem het Christendom vrijen voortgang te laten.
Zijn zoon Boleslaw II, bijgenaamd de zachtmoedige, beijverde zich
het Evangelie voort te planten. Onder zijne regeering werd het
bisdom Praag gesticht, en kreeg de Christelijke kerk in Bohemen
vasten voet.
Terwijl het Christendom in Bohemen zegevierde, ging ook over
Polen het licht des heils op. Hertog Miescislaw huwde met eene
Boheemsche prinses. Deze wist haren echtgenoot in 966 tot het
Christendom te bewegen. Hierop liet de hertog de afgodsbeelden
overal wegnemen en in het water werpen en dwong hij zijne onder-
danen den Christelijken godsdienst aan te nemen.
De Bussen ontvingen het Evangelie uit Constantinopel. De groot-
vorstin Olga liet zich aldaar doopen. Evenwel kon zij haar volk
niet tot bekeering overhalen. Dit geschiedde door haren kleinzoon
-ocr page 59-
57
Wladimir, die zelf met eene Christelijke prinses, Anna, was gehuwd,
en zich in 980 had laten doopen. Nu zette hij de bekeering van
zijn volk met kracht en helaas, ook met geweld door. De goden
werden in den Dniepèr geworpen, en het volk liet zich doopen,
terwijl de grootvorst aan den oever was neergeknield en God dankte
voor het gebeurde. Zijn zoon zette de bekeering van het volk voort
door het bouwen van kerken en kloosters.
In Hongarije werd het Christendom gevestigd door koning Stefanus
ben Heilige. Eeeds vroeger was door krijgsgevangenen hier en daar
een zaadje uitgestrooid, doch zonder blijvende vruchten op te leveren.
Later werden, naar men verhaalt, twee Hongaarsche vorsten te Con-
stantinopel
gedoopt, doch ook dit schijnt van geen invloed geweest
te zijn. Op het einde der tiende eeuw kwamen verscheiden monniken
het Evangelie prediken. De vorst werd gedoopt en nu nam het
Christendom langzamerhand toe, totdat Stefanus aan de regeering
was gekomen. Hoe hij zelf tot bekeeriDg kwam, is niet met zekerheid
te zeggen, doch hij trad onder zijn volk als evangelieprediker op en
zorgde dat geestelijken overal het Evangelie brachten. Hij stichtte
verscheiden scholen en kerken. Ook in Zevenbergen voerde hij het
Christendom in. Na zijn\' dood in 1038 brak nog weder eene vervolging
uit en eerst op het einde der elfde eeuw had ook in het land der
Magyaren het heidendom den laatsten kamp verloren.
Verdere uitbreiding van het Christendom onder de
Europeesche volken gedurende de 12e eeuw.
Tot de volken, die in de 12» eeuw tot het Evangelie kwamen,
behooren de Wenden in het Noorden van Duitschland. Eeeds sedert
den tijd van Kakel den Groote, waren pogingen onder hen aan-
gewend om hen met den Heere Jezus bekend te maken. Vele Zende-
lingen hadden hun het woord Gods gepredikt en in hun land kerken
-ocr page 60-
58
en kloosters gesticht, doen telkens trokken zij, door hunne priesters
hiertoe aangespoord, op om alles te vuur en te zwaard te verwoesten.
Ruim drie eeuwen streden zij met alle macht tegen het Christendom
en eerst in het midden der 12e eeuw bezweek het heidendom. Wat
door geweld van wapenen niet was te verkrijgen, gelukte aan een
man des vredes, Vicelin.
Geboren uit eenvoudige ouders, die hij op jeugdigen leeftijd had
verloren, was hij vroegtijdig aan zich zelven overgelaten en leerde
hij de paden der zonde bewandelen. De Heere bewoog echter eene
Christelijke vrouw, zich zijner aan te trekken. Zij liet hem door
haar slotkapelaan onderwijzen, doch daar deze man hem slecht be-
handelde en Vicelin intusschen lust in de studie had gekregen,
verliet hij stil het kasteel en kwam aan eene bekende school te
Paderborn. Hier werd hij spoedig een sieraad der school en een
vriend van zijn\' Onderwijzer. Nadat hij eerst eenigen tijd als Onder-
wijzer aan de school te Paderborn had gearbeid, werd hij leeraar
aan de domschool te Bremen. Zijne zucht naar wetenschap dreef
hem met een\' vriend naar Parijs te gaan, waar hij drie jaren bleef.
Toen men hem na zijn\' terugkeer eene aanzienlijke betrekking aanbood,
sloeg hij die van de hand en gaf den wensch te kennen als Zendeling
naar de heidenen te gaan. Met twee andere geestelijken vertrok hij
naar Lubek, waar hij door koning Hhndkik goed werd ontvangen.
Spoedig hierna werd koning Hendrik vermoord en brak een krijg
uit tusschen zijne zonen, waardoor alle pogingen om het Evangelie
te prediken, werden verijdeld, zoodat Vicelin moest terugkeeren.
Weldra vond hij eenen nieuwen werkkring. De Christenen van een
plaatsje aan de grenzen van het Wendenland verzochten om eenen
herder en leeraar. Vicelin werd hiertoe uitgenoodigd en hij nam
deze betrekking aan. Met kracht vatte hij zijne taak aan. De kleine
gemeente werd gesticht en bevestigd; vele heidenen kwamen door
de kracht zijner prediking tot bekeering. Er ontstond een kring van
jonge mannen, die zich verbonden het Christendom door leer en leven
voort te planten.
Intusschen verloor hij Lubek niet uit het oog en zoodra de om-
-ocr page 61-
59
standigheden gunstiger waren, breidde hij zijne werkzaamheden tot
deze stad uit. Op zijn aandringen werd eene kerk gebouwd en een
klooster gesticht, waarvan zijn trouwe vriend als abt werd benoemd.
Terwijl nu alles zoo gunstig scheen, ondervond hij weder eene groote
teleurstelling. Eenige vorsten wilden de Wenden met geweld bekeeren.
Velen werden gedwongen zich te laten doopen, hetgeen voor het
ware Christendom niets dan ellende opleverde. Vicelin zette echter
zijn werk des vredes voort en had het voorrecht, dat velen uit
innerlijke behoefte des harten bekeering bij hem zochten. Dagelijks
kwamen er tot hein, die zich vrijwillig lieten doopen en zoo breidde
de Gemeente zich op de rechte wijze uit.
In die dagen verloor hij zijn trouwen vriend door den dood, hetgeen
hem zeer schokte, en daar zijne jaren klommen, keerde hij naar
zijne eerste Gemeente terug om er zijne overige dagen door te brengen.
Hier werd hij door eene beroerte getroffen, waardoor zijne tong
werd verlamd. Daar hij niet meer kon loopen, liet hij zich menigmaal
naar de kerk dragen om bij den dienst tegenwoordig te zijn. Na twee
en een half jaar geleden te hebben, ontsliep hij iu het jaar 1154,
als een getrouw dienstknecht zijns Heeren.
Wat Vicelin was voor de Wenden, was Otto van Bamberg
voor de Oostelijk van hen wonende Pnmmeren. Geruimen tijd hadden
de Poolsche hertogen tevergeefs beproefd dit volk tot het Christendom
te brengen. Het was af keerig van een\' godsdienst, die hen met geweld
werd opgedrongen. Later kwam een zeker bedelmonnik Bernard
tot hen om het Evangelie te prediken, doch ook zijne pogingen hadden
niet den gewenschten uitslag. De man, die barrevoets en in eene ruwe
monnikspij gekleed, er als een bedelaar uitzag, kon slechts het medelijden
opwekken van een volk, waar zoo veel welvaart heerschte, dat het
armen noch bedelaars kende. Zijne zending was echter in zooverre
niet onvruchtbaar, dat hij in Bamberg bisschop Otto wist op te
wekken zich het lot der Pomrneren aan te trekken.
Deze Otto had in zijne jeugd eene wetenschappelijke opvoeding
ontvangen en vervolgens een tijdlang in zijne behoeften voorzien
door iu Polen eene school te openen voor geestelijken. Gedurende
-ocr page 62-
6U
zijn verblijf aldaar maakte hij zich bekend met de taal en de levens-
wijze der Slavische volken. Later werd hij bisschop van Bamberq.
Keeds had hij zich door weldadigheid en liefde voor de armen de
algemeene achting weten te verwerven, toen Bebnard hem de zaak
der Pommeren op het harte drukte en de koning van Polen hem
voor het Zendingswerk wist te winnen.
Ten einde beter te slagen omgaf hij zich van een schitterend gevolg
en nam prachtige kleederen mede om ze den Pommerschen grooten
te vereeren. Zijn eerste optreden in 1124 had een gunstig gevolg.
Nadat hij op het slot van den hertog had gepredikt, liet zich eene
schare van 7000 heidenen doopen Toen hij de nieuw bekeerden
voldoende in de Christelijke leer had onderwezen, nam hij met
tranen in de oogen afscheid van deze eerste Gemeente en trok verder
naar het Noorden. Zijne prediking werd rijk gezegend, zoodat velen
zich bekeerden en onder hen de hertog en zijne voornaamste dienaren.
Intusschen keerde Otto naar Bamberg terug. In het jaar 1128
ondernam hij eene tweede Zendingsreis. Op het eiland Usedom werd
op eenen landdag tot de aanneming van het Christendom besloten.
In eene der plaatsen werd de kunstige afgodstempel vernield en
eene Christelijke kerk gebouwd. Otto moest nu evenwel naar
Duitschland terugkeeren, doch tot zijn\' dood in 1139 bleef hij voor
de Pommeren arbeiden. En al duurde het nog twee eeuwen, voordat
geheel het land het Christendom had aangenomen, den naam van
Apostel der Pommeren, dien hij in de geschiedenis der Zending
draagt, heeft hij om zijne eerste pogingen ten volle verdiend.
Van eene reis naar het eiland Rugen moest hij afzien, omdat het
tot het gebied der Zweden behoorde. Ook hier werd echter het
Christendom in 1168 door Axel bisschop van Roeskil de gebracht.
Zoowel door de kracht zijner rede als door die des zwaards wist hij
de bewoners tot den doop over te halen.
Op het einde der 12e eeuw kwam ook het Christendom tot de
bewoners van Lijfland, Esthland en Koerland. In 1186 trok een
monnik Meijjtiard naar Lijfland en stichtte er eene kerk. Hij werd
tot bisschop benoemd, doch zijn pogingen vonden weinig ingang.
-ocr page 63-
61
Als soms eenigen zich hadden laten doopen, wiesohen zij zich in de
rivier de Duna weer af. Meinhard stierf spoedig in 1196. Zijn
opvolger Berthold werd verdreven, doch de paus besloot nu tot
een\' kruistocht tegen de bewoners van Lijfland. Zij werden verslagen
doch Berthold sneuvelde. Ongeveer 150 lieten zich doopen, maar
toen het leger was afgetrokken, stonden de beidenen weder op en
verdreven de achtergebleven geestelijken. Nu werd door Albrecht
van Apeldern de stad Riga gebouwd en de Orde der Zwaardbroe-
ders gesticht, die niet zonder geweld het Christendom in bovenge-
noemde landen uitbreidden. Hoe gelukkig het ook is, dat de heidenen
met den dierbaren Heiland bekend worden gemaakt, toch moet het
steeds worden afgekeurd, dat daarbij van het zwaard wordt gebruik
gemaakt. Zulk eene bekeering is de ware meestal niet en het Chris-
tendom veeltijds meer tot schade dan tot voordeel; want het ware
geloof is volgens de H. Schrift uit het gehoor en het gehoor door
het Woord Gods.
De invoering van het Christendom in Pruisen, ADALBERT
VAN PRAAG. BRUNO, CHRISTIAAN.
Evenals de meeste volken van het Noordelijk Europa, zoo bleven
ook de Pruisen zich jaren lang tegen de invoering van het Chris-
tendom hardnekkig verzetten. Gedurende meer dan 200 jaren werden
alle pogingen om dit volk met den eenigen Zaligmaker der wereld
bekend te maken verijdeld en scheen alle moeite te vergeefsch. Toch
waren er mannen, die zich aan de Zending onder het Pruisische
volk wijdden en wel het allereerst Adalbert van Praag. Deze
man had in zijne jeugd eene uitstekende opvoeding genoten en
was voor den geestelijken stand opgeleid. Getroffen door den dood
-ocr page 64-
62
van den bisschop van Praag trok hij zich in de eenzaamheid terug,
doch werd later zelf door den Boheemsclien hertog tot bisschop
van Praag aangesteld. Deze betrekking baarde hem evenwel zooveel
verdriet, dat hij naar Rome keerde en zich in een klooster begaf.
Nu rijpte in hem het denkbeeld om den heidenen het evangelie te
verkondigen en hij geloofde zich hiertoe van God geroepen, toen
hij in eenen droom de zaligeu des hemels in twee rijen tot zich zag
komen. Aan de eene zijde stonden in purperroode kleederen, degenen,
die als martelaren waren gevallen; aan den anderen kant in het wit
gekleed, zij, die in de eenzaamheid hun leven aan God hadden gewijd.
Terwijl hij hen zag, hoorde hij uit hun midden eene stem zeggen:
«Tusschen ons beiden is uwe plaats." Van nu af vervulde eene
vurige begeerte voor de Zending zijne ziel.
Op last van den paus moest hij echter naar Praag terugkeeren,
doch toen men hem daar niet wenschte, riep hij vol vreugde uit:
«God, Gij hebt mijne banden gebroken!" Nu voer hij in 996 met
zijnen broeder en nog een ander priester en vergezeld van 30 sol-
daten den Weichsel af tot Dantzig, waar hij goed werd ontvangen
en velen doopte. Daarop drong hij Oostwaarts Pruisen binnen. Spoedig
werd hij door eene menigte heidenen omringd, die een wild geschreeuw
aanhieven. Terwijl de mannen des vredes een psalm hadden aangehe-
ven en nederknielden, bracht een uit den woesten hoop Adalbert
zulk eenen geweldigen slag toe, dat hij voor dood ter aarde stortte.
Toch stond hij weder op en zeide: «Ik dank u, o Heer, dat ik ver-
waardigd ben om ten minste een slag voor mijn\' gekruisten Heiland
te dulden."
Hierna bereikte hij eene handelsplaats, waar velen zich om hem
verzamelden, doch toen hij hun had medegedeeld, dat er slechts één
God was en dat zij zich van de stomme afgoden moesten bekeeren
ontstaken de heidenen in woede. Zij zwaaiden hunne knotsen boven
zijn hoofd en dreigden hem met den dood, indien hij hen niet spoe-
dig verliet. Moedeloos zat hij met zijne vrienden aan het strand der
zee ter neder en zij besloten, dit woeste volk te verlaten en zich tot
andere heidenen te wenden. Psalmenzingend trokken zij nu verder,
-ocr page 65-
G3
eerst door een dicht woud en daarna door een open veld. Nadat
zij te zamen het avondmaal gehouden hadden, legden zij zich ter
ruste neder, niet wetende, dat de plek, waarop zij lagen, een heilig
veld was. Spoedig werden zij door een woest geschreeuw gewekt en
gevangen genomen. Getroost riep Ad\\lbek.t zijnen vrienden toe:
«Treurt niet, mijne broeders! wij weten om wiens naam wij lijden.
Wat is heerlijker dan zijn leven te geven voor Christus den Heiland 1"
Weldra werd hij gedood. Door zes lanssteken doorboord, stortte hij
met ten hemel geheven oogen neder, terwijl hij nog bad om genade
voor zijne moordenaars. Zijne werkzaamheid voor de Pruisische
Zending was zeer kort geweest, doch zijn dood wekte de belang-
stelling voor deze Zending op en spoorde zekeren Bkuno aan zijne
taak over te nemen.
Deze man, van keizerlijke afkomst, leefde in strenge afzondering
van de wereld, toen het bericht van Adalisrht\'s dood hem ter oore
kwam. Dit greep hem zoo aan. dat hij besloot nu ook naar de hei-
denen van Noorcl-Buitschland te gaan om hen het Evangelie te ver-
kondigen. De hertog van Polen verzocht om predikers en de paus
gaf hem zijne toestemming. Met behulp van den Poolschen hertog
trok hij nu uit en ofschoon hij talrijke moeiten en gevareu had te
overwinnen, toch werd eene groote menigte bekeerd. Toen hij echter
dieper het land der Pruisen binnendrong, ondervond hij grooten
tegenstand vooral ook, omdat de Pruisen geloofden, dat hij hen
onder de macht der Polen wilde brengen. Toch drong hij onver-
moeid verder, maar de haat der heidenen nam steeds toe, zoodat
zijn leven in gevaar kwam. Terwijl hij den 14den Eebr. 1009 pre-
dikte, werd hij plotseling overvallen en met zijne vrienden gevangen
genomen. Zij werden allen onthoofd en hunne lichamen vreeselijk
verminkt.
Nu brak een tijd aan van ongeveer twee eeuwen, waarin de Pruisen
telkens door de Christelijke vorsten werden onderworpen en gedwongen
de prediking van het Christendom toe te laten, doch waarin zij ook
telkens het juk afschudden en alles wat Christelijk was vernielden
en verwoestten. Eerst in 1?,07 trad weder een monnik, Gottfried
-ocr page 66-
64
geheeten, als Pruisisch Zendeling op, doch ook hij zag zijne pogin-
gen verijdeld.
Twee jaar later 1209 stond de man op, die ten slotte voor de
bekeering der Pruisen het meest heeft gedaan en daarom den naam
Apostel der Pruisen draagt. Dit was de monnik Christiaan uit
Pommeren. Dat hij niet door de gehate Polen was gezonden, was
reeds een voordeel voor hem, waardoor hij gereeder ingang vond.
Daar hij de Pruisische taal kende, kon hij de heidenen in hunne
eigene taal aanspreken. Niet zonder moeite gelukte het hem velen
tot het Christendom te brengen en onder hen bevonden zich twee
vorsten, die te Rome werden gedoopt. Spoedig werd nu in Pruisen
een bisdom gesticht, dat echter van de heidenen veel had te lijden.
Cheistiaan drong er bij den paus op aan, dat hem geestelijken
werden gezonden om zijn omvangrijk werk te steunen, maar vooral
legde hij er zich op toe om de jeugd der reeds bekeerde heidenen
tot predikers op te leiden. Hiertoe stichtte hij verscheiden scholen.
Daar bij de Pruisen de wreede gewoonte bestond om de jonge
meisjes kort na hunne geboorte te vennoorden, kocht Christiaan
deze kinderen van de ouders en nam ze op om ze in het Christen-
dom op te voeden. Op deze wijze werkte hij tot zegen der arme
heidenen, die dit echter niet beseften. Gedurig wendden zij alle
pogingen aan om het gevestigde Christendom te verwoesten en zoo
werd eindelijk besloten de weerspannige Pruisen met geweld van
wapenen te bedwingen. Voor nog dit leger was uitgezonden, stonden
de Pruisen op; vernielden de jeugdige Gemeenten en namen Chris-
tiaan gevangen. De arbeid van zooveel jaren was weder verijdeld.
Opnieuw werden de Pruisen echter onderworpen en na eene negen-
jarige gevangenschap trad Christiaan, die door Christelijke koop-
lieden was losgekocht, weder op. Nu geraakte hij echter weldra in
twist met de Duitsche Orde, die het land had onderworpen. Hij
werd bij den paus aangeklaagd en deze ontzette hem uit zijn ambt
als bisschop. Van het einde zijns levens is weinig met zekerheid
bekend. Hij stierf waarschijnlijk in het jaar 1245.
De Duitsche Orde zette de verdere onderwerping en bekeering
-ocr page 67-
65
der Pruisen voort, doch niet dan na veel bloedvergieten en het
uitroeien van een groot gedeelte des volks, werd in 1283 de ver-
overing van Pruisen voleindigd. Dat zulk een Christendom niet
het ware is, behoeven wij niet te zeggen. Zoo was de Christelijke
kerk reeds gezonken, dat zij, der wereld gelijkvormig, de wapenen
opnam om het geloof, dat zich toch niet laat opdwingen, te ver-
breiden. Van eigenlijke Zending was weldra geen sprake meer. De
kerk zonk weg in allerlei bijgeloof en vergat meer en meer hare
roeping om het bevel des Heeren: «Predikt het Evangelie aan alle
creaturen" te volbrengen. Het licht des Woords geraakte onder de
korenmaat en menschelijke dwaling op den troon. De 14e en 15e
eeuw waren rijk aan inwendige twisten en misbruiken, arm aan
ware bekeering des harten.
Aanvang der Zending onder de Roodhuiden.
JOHN ELLIOT, Apostel der Indianen,
Nadat in den aanvang der 16e eeuw door mannen als Luther
en de andere Hervormers de dwalingen der Kerk waren bestreden
en het Woord Gods weer in eere was gebracht, ontwaakte in de
Protestantsche kerk een apostolische Zendingsijver, die tot op onzen
tijd voortduurt. Evenwel duurde het nog ruim een eeuw voor de
Protestantsche Zending ontstond, omdat de Kerk nog een\' zwaren
strijd had te strijden en al hare krachten noodig had om zich
tegen Rome\'s macht staande te houden. Uitgenomen enkele vroe-
gere pogingen, die mislukten, was het voor Nederland en Engeland
weggelegd het eerst de Protestantsche Zending te oefenen ; Nederland
in zijne koloniën in Oost-lndiii, Engeland in die van Amerika,
In de 17e eeuw trokken eene menigte Engelsche Protestanten,
5
-ocr page 68-
G6
die zich met de Ecgelsche Staatskerk niet konden vereenigen, naar
Amerika om daar naar de overtuiging- van hun geweten God te
kunnen dienen. Tot deze landverhuizers behoorde ook John El-
liot, die omstreeks 1603 in Engeland was geboren en aan de
hoogeschool te Cambridge tot prediker was opgeleid. Hij kwam
in 1631 in Amerika aan en werd leeraar der Gemeente te Rox-
bury,
waar hij tot het einde zijns levens bleef arbeiden. Elliot
was in menig opzicht een zonderling man, doch bovenal had
hij een hart vol liefde en barmhartigheid en was hi] een wei-
doener der armen, aan wie hij steeds een groot deel van zijn in-
komen afstond.
Toen hij eens zijn salaris had ontvangen, ontmoette hem eene
arme familie, die hem om ondersteuning vreeg. Dadelijk wilde hij
den zak losmaken om er eenig geld uit te halen, doch het touwtje
was er zoo stijf om gebonden, dat hij het met de hand niet los
kon krijgen. Nu gaf hij den gansenen schat met de woorden:
„God heeft u zeker alles toegedacht!" Treffend was zijn omgang
met God. Bij alles wat er gebeurde stortte hij zijn hart in een
vurig gebed voor den Heere uit en menigmaal zeide hij: „Laat ons
het in gebed veranderen." Zelf bekend als een man van heiligen
wandel en van vurigen ijver voor Gods eer, was hij Streng tegen
alle zonde. Bij zijne gemeente stond hij in hooge achting.
Spoedig trok Euiot zich het lot aan der arme Indianen, en
drong de Heilige Geest hem zich aan de Zending onder dit volk
te wijden. Hij begon met hunne moeielijke taal te leeren, waaraan
hij eiken dag de vroege uren besteedde en waarbij hem een oude
Indiaan behulpzaam was. In 1646 ging hij met drie vrienden op
reis en sprak voor eene schare inboorlingen ruim een uur lang in
hunne eigene taal. Zijne rede maakte op velen eenen machtigen indruk.
Voor zijn vertrek deelde hij onder de kinderen appelen, speelgoed en
koek, en onder de grooten tabak en andere kleinigheden uit. Telkens
kwam hij terug en meer en meer maakte zijne prediking indruk,
zoodat velen onder zijne toespraak begonnen te weenen, en zich bij
hem aansloten. Hij onderwees hen in de Christelijke leer en kon
-ocr page 69-
67
weldra eene Gemeente stichten, die zich vestigde op eene plaats, welke
den naam van Nonanetum (onze vreugde) ontving. Hier gewende Lij
de bekeerden aan eene Christelijke levenswijze en leerde hen door
handenarbeid hun brood verdienen, zoodat eene geordende maat-
schappij ontstond. In het volgende jaar stichtte Elliot eene nieuwe
Gemeente en in het jaar 1674 hadden zich reeds 14 Gemeenten
gevormd.
Met onbezweken trouw zette deze dienstknecht des Heeren zijn
werk voor de Indianen voort. Om hen in staat te stellen Gods woord
zelf te kunnen lezen, zette hij het Nieuwe Testament en later ook
het Oude in hunne taal over, terwijl hij de jeugd in scholen liet
onderwijzen. Onvermoeid trok hij van de eene Gemeente naar de
andere over steile bergen, door snelstroomende rivieren en ongebaande
wegen. Soms ging hij dagen lang voort met een nat pak en was de
vochtige grond of de harde rots zijne legerstede. Hij zelf schrijft van
een dier reizen: «Ik ben nu van Dinsdag tot Zondag niet droog
geweest, maar doornat van plaats tot plaats getrokken; wanneer ik
mij ter ruste leg, trek ik eerst mijne laarzen uit en wring mijne kousen
een weinig uit, maar dan trek ik ze weer aan. Doch God helpt mij.
Ik juich zelfs, wanneer vele vermoeiende dagen over mijn hoofd zijn
heengerold in gevaren in de woestijn."
Elliot verblijdde zich over den zegen van zijnen arbeid, en geen
wonder, want velen hadden door zijne prediking den Heere Jezus
als hun Verlosser leeren kennen. Zij lieten hunne heidensche gebruiken
na en aanbaden den Heere God, Hem dankende voor Zijne onuit-
sprekelijke genade aan hun bewezen; ook de huisgodsdieust ontbrak
niet.
Intussehen werd de werkkring van Elliot zoo uitgebreid, dat hij
het niet meer alleen af kon en naar helpers moest uitzien. In Engeland
echter had zijn arbeid de aandacht getrokken en was eene vereeniging
opgericht, die spoedig door een belangrijk vermogen instaat was,
hem te steunen. Zij richtte te Boston eene drukkerij op en zorgde
voor de opleiding van inlandsche helpers. Op die wijze, werd het
Evangelie steeds in wijder kring onder de Indianen bekend. Dat
-ocr page 70-
68
het door hen op prijs werd gesteld, blijkt uit het woord van een
hunner tot Elliot : „Mijn hart springt op van vreugde, nu ik u
voor mij zie; wij hebben het woord gehoord, dat gij ons zendt. Hoe
schoon is nu de zon, die vroeger rood zag, omdat onze handen met
bloed waren bevlekt. Laat onze harten één zijn, kom met ons in de
bosschen, kom tot onze hutten aan den grooten stroom. Daar zullen
wij den boom des levens planten, waarvan gij spreekt en onze krijgers
zullen onder zijne bladeren rusten en gij moet komen en ons meer
van het land vertellen, waar geen storm en geen dood is en de zon
altijd schijnt."
Nadat Elliot ruim 25 jaren met groote zelfverloochening en on-
vermoeiden ijver in den dienst des Heeren had gearbeid en de
gevolgen van den ouderdom zich vertoonden, brak een tijd van zware
beproevingen voor hem aan. Van zijne 6 kinderen, die hij zelf ook
had opgeleid, nam de Heere er drie weg in den bloei der jaren,
terwijl ook zijne trouwe gade van zijne zijde werd weggenomen.
Niet minder smartelijk was voor hem een lndianenoorlog, die in 1675
uitbrak. Zeven der Gemeenten werden verwoest en velen vielen af,
en zij, die trouw bleven, werden omgebracht. Bovendien hadden de
overige Gemeenten ook zeer veel te lijden en scheen het, alsof de
arbeid van een geheel menschenleven tevergeefsch was geweest. Toch
liet Elliot de hoop niet varen. Met nieuwen moed begon hij de
Gemeenten op te zoeken om ze te troosten en te sterken, en de
afvalligen weder terecht te brengen, zoodat het hem dan ook gelukte,
de geleden schade grootendeels te herstellen.
Nu was echter zijne kracht gebroken. Zijne Indianen kon hij niet
meer bezoeken en in Roxbury had reeds een opvolger zijne plaats
vervangen. Tot aan zijn\' dood bleef hij echter nog doen, wat hij kon
en toen hij ten laatste zijn bed niet meer kon verlaten, leerde hij
nog een\' blinden knaap Bijbelteksten door ze hem voor te zeggen.
Door duizenden beweend, ontsliep hij in 1695 in zijn Heiland. «De
dood zal mij zijn als de slaap voor den vermoeide", had hij voor
zijn heengaan gezegd en zoo was het ook; hij was ingegaan, na
een leven van arbeid in de rust, die over blijft voor het volk van
-ocr page 71-
69
God. De stammen, aan wie hij het Evangelie bracht, zijn langzamer-
hand uitgestorven, en de taal, waarin hij den Bijbel vertaalde, wordt
niet meer gesproken, doch velen juichen thans met hem voor den
troon van het Lam.
De eerste Protestantsche Zending in Deensch Oost-lndië.
ZIEGENBALG,
In het\' jaar 1690 was Frederik IV koning van Demarken
geworden. Reeds vroeger als kroonprins was de begeerte bij hem
opgekomen om de heidenen met het Evangelie te doen bekend
worden, en daar Denemarken ook in Oost-lndië eeuige bezittingen
had, was hij er het allereerst op bedacht iets voor het heil zijner
heidensche Oostindische onderdanen te doen. Echter stond hij in
zijn eigen land met zijne liefde voor de Zending bijna alleen, en
was er niemand te vinden, die lust of geschiktheid bezat als Zen-
deling uit te gaan. Hij zond daarom zijn\' hofprediker naar Franke
te Halle in Duit&chland om raad en hulp; ook deze godvruchtige
man had reeds aan de heidenen gedacht en bij een jeugdig student
den rechten Zendingsijver weten op te wekken. Dit was Babtholo-
MEÜS ZlEGENBALO.
Hij was in het jaar 1683 geboren. Zijne vrome moeder had hem
op haar sterfbed op den Bijbel als den grootsten schat des Chiistens
gewezen en dit had hij niet vergeten. Nadat hij zijne eerste oplei-
ding ontvangen had, kwam hij te Halle om er in de theologie te
studeeren. Nu geraakte hij in kennis met Franke, die een\' gunstigen
invloed .op hem had. Ofschoon zijn zwak gestel hem bijna noodzaakte
een ander middel van bestaan te kiezen, mocht hij echter zijne
studiën volbrengen en werd hij leeraar te Merseburg, waar hij een
zijner vroegere vrienden terug vond. Toen hij eenigen tijd later naar
Erfurt ging, sloten beide mannen het volgend verbond: «Wij zullen
in de wereld niets anders zoeken dan de verheerlijking van Gods
-ocr page 72-
70
naam, de uitbreiding van Gods rijk, de voortplanting der goddelijke
waarheid, het heil onzer naasten en de voortdurende heiliging onzer
eigene zielen, al zal liet ons ook nog zooveel kruis en lijden
veroorzaken." Aan dit verbond bleef Ziegenbalg zijn leven lang
getrouw.
Weldra echter moest hij weder een jaar werkeloos blijven wegens
lichaamslijden. Na zijne herstelling begaf hij zich naar Berlijn om
daar als prediker op te treden, doch nu ontving hij de uitnoodiging
om als Zendeling naar Indië te gaan, welke\' hij met blijdschap
aannam. Den 29cn Nov. 1705 ging hij met Plütschow, een zijner
academievrienden, van Kopenhagen op reis. Zij kwamen in 1706 te
Tranquebar in Voor-Indic aan, doch werden er, niettegenstaande zij
aanbevelingsbrieven van den koning medebrachten, koel ontvangen
door de zoogenaamde Christenen. In den beginne hadden zij dan
ook met vele bezwaren te kampen. Een der eerste moeilijkheden was
de taal. Terwijl Plütschow zich meer op het Portugeesch toelegde,
oefende Ziegenbalg zich in de taal der inboorlingen. Veel hulp had
hij hierbij van den kleinzoon van een inlandsch vorst, op wien de
gesprekken eenen diepen indruk maakten. Later kwamen eenige
Europeanen hun een bezoek brengen en vroegen om christelijk
onderwijs, waarmede zij dadelijk in hun eigen huis begonnen.
Eeeds in het volgend jaar zette Ziegenbalg den Catechismus in
de taal der inboorlingen over en werd eene Zendingskerk gebouwd,
terwijl de kinderen in scholen werden onderwezen. Met onvermoei-
den ijver zetten zij hun\' arbeid voort en trokken het land door om
overal liet Evangelie te prediken. Op eene dier reizen kwamen zij
bij eenen afgodstempel met de beeltenis van eenige afgoden, allen
van fijn porcelein vervaardigd. Juist was de menigte bezig hun\' hei-
denschen godsdienst waar te nemen. Op dit gezicht werden zij ont-
stoken en zich zelf vergetend, snelden zij op de afgoden toe, wierpen
ze op den grond of sloegen hoofd en leden er af. Daarop wendden
zij zich tot het volk, dat vol vrees en ontzetting hen had laten
begaan, en trachten hen te overtuigen,\' dat dit geen goden waren,
en er maar é£ü God is, die alle dingen heeft gemaakt. Het is niet
-ocr page 73-
71
bekend of kunne prediking hier vruchten heeft gedragen, doch in allen
gevalle lieten de heidenen hen ongedeerd vertrekken.
Veel tegenstand ondervonden zij van de Europeanen en vooral van
den kommandant der kolonie die zich als een echt vijand van de
Zending deed kennen. Zoo sloot hij Ziegenbalg eens zonder eenig
recht vier maanden in de gevangenis op en ontnam hem zelfs zijne
schrijfgereedschappen, die hij voor de vertaling van het N. T.,
waaraan hij in 1708 was begonnen, zoozeer behoefde. Toch kon de
tegenstand niet beletten, dat het werk der Zending voortgang had.
Nieuwe Zendelingen kwamen uit Duüschland over, terwijl Duitsche
vrienden eene drukkerij overzonden, waarop de overzetting van het
N. T. in de taal der inboorlingen werd gedrukt. In 1714 ging
Ziegenbalg om eenige zaken te regelen naar Europa. Overal werd
hij in Duüschland met geestdrift ontvangen, en waar hij kwam, wist
hij den zendingsijver op te wekken. Toeu hij in Indic terugkwam,
zag hij met blijdschap, dat de Zending vorderde en het gestrooide
zaad begon te ontkiemen. Eene nieuwe groote kerk werd gebouwd,
en vele scholen waren opgericht. Met onvermoeiden ijver arbeidde
Ziegenbalg verder aan de vertaling van het O. T. doch de Heere
riep hem weldra naar huis. Hij werd door eene zware ziekte aan-
gegrepen en stierf in 1719. Nog leest men in de door hem gebouwde
kerk den naam van den eersten heiden, dien hij doopte, door hem
zelf geschreven. Met recht mag hij de grondlegger der Indische
kerk heeten.
Intusschen was Benjamin Schültze in lndië aangekomen, die
zijn\' arbeid voortzette en weldra de vertaling van het O. T. ten einde
bracht. Ook de prediking van het Evangelie liet hij niet na en na
eene moeielijke reis zette hij zich in Madras neder, waar hij in één
jaar 140 heidenen kon doopen. Vooral legde hij zich toe op de
beoefening der Indische talen en het gelukte hem in nog twee talen
den Bijbel en andere boeken over te zetten. In 1743 keerde hij naar
Europa terug, waar hij zich tot zijn\' dood met de studie der taal
bezighield.
In Tranquebar kwamen nog andere Zendelingen, die door een\'
-ocr page 74-
72
spoedigen dood of door een te kort verblijf weinig zegen op hun werk
hadden. Alleen Kohlhoff heeft tijdens zijn dertigjarig verblijf aldaar
veel gedaan. Het gelukte hem een inlander, AaRON, tot prediker aan te
stellen, die hem bij de uitgebreidheid der Gemeente zeer noodig was.
Het Evangelie begon in steeds wijder kring zijne kracht te open-
baren en den heidenen tot zegen te zijn, zoodat nog voor den dood
van Koiilhoff het getal der Christenen tot 5600 was gestegen.
Vervolg. CRISTIAAN FREDERIK SCHWARTZ.
Onder de mannen, die voor de Zending in Indië van gewicht zijn
geweest, komt aan Christiaan Frederik Schwartz eene eerste plaats
toe. Hij was in 1762 in Buitschland geboren en van zijn vroegste
jeugd in Christelijken geest opgevoed. Aangetrokken door de geschrif-
ten van Franke, was hij naar Halle gegaan en had daar van
Benjamin Schultze de taal der inlanders geleerd. In het jaar 1750
kwam hij als Zendeling te Tranquebar aan en begon er weldra in
de landtaal het Evangelie te verkondigen. Waar hij kon, stichtte hij
nieuwe scholen en zond hij inlandsche onderwijzers en predikers uit,
die hij zelf eerst had gevormd.
Later trok hij naar Trichinopoly, waar hij met grooten zegen
predikte en voor de belangen der Gemeente werkzaam was. Geheele
scharen kwamen hem hooren, zelfs van de aanzienlijksten des lands.
Zijn Christelijke wandel verwierf hem aller achting en liefde. Zijn
huis was een bedehuis, waarin hij dagelijks de kinderen verzamelde
om met hen den Heere te bidden en lofliederen te zingen tot Zijne
eer. Weduwen en behoeftigen erkenden hem als vader en dit was
hij dan ook. Zoo liet hij eene rij huisjes bouwen, waarin zij kosteloos
mochten wonen. Voor zich zelf stelde hij zich met een karig inkomen
tevreden. Een oud huis, waarin hem naast zijn bed nauwelijks plaats
overbleef om rechtop te staan, was zijne woning; een bord met rijst
-ocr page 75-
73
en moesgroenten zijn middagmaal; zijn rok een ouderwetsche mantel
van zwart katoen, doch bij dit weinige was hij tevreden en verge-
noegd. Als hij bij sommige gelegenheden een geschenk ontving, ge-
bruikte hij het om eene school te bouwen en het overschot gaf hij
aan de armen. De zegen op zijn\' arbeid bleef niet uit, want hij ver-
zamelde eene zeer groote Gemeente.
In alle richtingen trok Schwartz het land door om den heidenen
en Mohammedanen het Evangelie te brengen; zelfs vond hij toegang
tot den Radjah (vorst), die hem met belangstelling hoorde, ofschoon
zonder dadelijk gevolg, omdat de Heidensche priesters hem wisten
terug te houden. Later stond de vorst evenwel de oprichting van
een zendingsstatiou in Tandschor toe, waar Schwartz zich heen
begaf, nadat hij in Trichinopoly een\' plaatsvervanger had gevonden.
Dadelijk werd voor de kleine Gemeente, die er reeds bestond, eene
kerk gebouwd en Schwartz wijdde zich met onbezweken trouw aan
zijne nieuwe taak. Eenigen tijd later werd hij door den Engelschen
Gouverneur naar Hydbr Ali, den vorst van een\' anderen stam, ge-
zonden als vredesonderhandelaar. Op zijne reis predikte hij overal
het Evangelie en hij liet niet na ook den vorst op den eenigen
Levensvorst Jezus Christus te wijzen. Hij maakte zulk eenen goeden
indruk, dat de vorst zijn volk gebood hem overal ongehinderd te
laten en hem zelf een geschenk in geld aanbood. Echter bleef hij
uit vijandschap tegen de Engelschen doof voor het Evangelie. Van
het geschenk liet Schwartz een weeshuis bouwen. Ook nog in een
ander gedeelte des lands mocht hij eene Gemeente stichten, die spoedig
in bloei toenam.
Meer en meer won hij de vriendschap van den vorst van Tandschor,
en toen deze zijn einde voelde naderen, liet hij Schwartz bij zich
ontbieden en droeg hem de voogdijschap op over zijn\' aangenomen
zoon. Ofschoon de trouwe dienaar des Heeren deze taak niet op zich
kon nemen, zorgde hij toch voor zijne opvoeding en deed hem te
Madras op school. Toen men later zijnen kweekeling de regeering
wilde betwisten, plaatste Schwartz hem met behulp der Engelsche
regeering op den troon.
-ocr page 76-
74
Voor zijn dood bezocht hij nog eens zijn\' eerste Gemeente te
Tfanquebar en toen hij den voortgang van het Evangelie aanschouwde,
riep hij met aandoening uit: «Wat heeft God gewrocht!" Weldra
nam de Heere hem nu uit dit leven van onvermoeiden arbeid in
Zijnen dienst weg. ffHet is Gods wil mij weg te nemen", zeide hij
tot zijne vrienden. Nogmaals drong hij er bij den jongen vorst op
aan de afgoden af te zweren en den eenigen waren God te dienen.
Voor zijn\' dood verzocht hij zijne vrienden nog een lied te zingen
en zacht fluisterde hij de woorden: /, Alleen tot U, Heer Jezus", na.
\' Eer het lied ten einde was, vouwde hij de handen en ging hij in
in de vreugde des Heeren den 13™ Eebr. 1798, diep betreurd door
allen, die hem hadden gekend. De Badjah riehtte hem in Tandschor
in de kerk een marmeren gedenkteeken op, doch schooner gedenk-
teeken had hij zich opgericht in de harten dergenen, die door hem
tot den Heere Jezus waren gebracht. Thans zijn nog de sporen van
zijn\' gezegenden arbeid niet uitgewischt.
Jammer is het, dat intusschen de zendingsijver in Denemarken
en Halle zoodanig verkoelde, dat men eindelijk de bloeiende Gemeenten
aan haar lot overliet, zoodat zij langzamerhand weder begonnen te
verwelken en als schapen werden zonder herder.
De Zending in Lapland. THOMAS VAN WESTEN.
De Apostel van Lapland.
Niet alleen voor de bekeering van de heidenen in zijne koloniën
was koning Erederik IV werkzaam, ook op die van zijn eigen rijk
vestigde hij zijne aandacht. In het Noorden van Europa woonden te
midden van sneeuw en ijs de Finnen of Lappen, zooals de Zweden
hen noemen. Wel waren reeds eenige pogingen aangewend om hen
met den Zaligmaker bekend te maken, doch de groote massa bleef
heidensch en zij, die zich hadden laten doopen, lieten meerendeels
-ocr page 77-
75
toch de heidensche gebruiken niet na Toen nu Erederik iemand
naar Lapland had gezonden om den toestand der kerk te onderzoeken,
en deze treurige berichten medebracht, drong hij op de Zen-
ding onder de Lappen aan. Het gevolg hiervan was, dat in het jaar
1714 te Kopenhagen een Zendingscollege werd opgericht. Terwijl dit
alles geschiedde, had God reeds den man uitverkoren om de bekeering
der heidensche Finnen op zich te nemen.
Thomas van Westen was in het jaar 1682 te Drontheim geboren.
Reeds in zijne jeugd had hij met vele moeielijkheden te kampen.
Hij had zeer veel lust om te studeerer,, doch zijn vader wilde de
kosten niet betalen en toen eindelijk Christelijke vrienden hierin voor-
zagen, eischte zijn vader, dat hij de medicijnen zou beoefenen, of-
schoon hij meer lust voor de godgeleerdheid had. Zoo kwam hij
toch op de hoogeschool en na den dood zijns vaders wijdde hij zich
aan zijn lievelingsvak. Een weelderig studentenleven heeft hij niet
gekend; om den anderen dag kon hij slechts een sober maal bekomen
en met nog een arm student, met wien hij samenwoonde, deelde hij
één oude zwarte jas, zoodat de één thuis moest blijven, wanneer de
ander uitging. In 1710 verkreeg hij, na volbrachte studiën eene
predikantsplaats, waar hij zes jaar met zegen arbeidde. Toen werd
hij door het Zendingscollege benoemd tot lector aan eene school voor
Zendelingen te Drontheim. Hij nam deze betrekking aan met de
woorden: «Gij twijfelt niet aan mijn ijver en trouw, ik twijfel echter
zeer aan mij zelf, doch verlaat mij op God."
Het was niet alleen het doel van Van Westen anderen tot Zen-
deling op te leiden, hij wilde zelf de eerste zijn, om den Finnen
het Evangelie te brengen. Reeds in hetzelfde jaar 1716 ondernam
hij met twee andere geestelijken zijne eerste reis naar het Noorden
des lands Daar hij de taal des volks reeds vroeger geleerd had, kon
hij gemakkelijk met hen omgaan. Overal deed hij onderzoek naar
hunne zeden en behoeften en hij was niet tevreden met hun het
Evangelie te prediken, maar zocht hen ook op om hen daardoor
nog te meer voor het Koninkrijk Gods te winnen. Nadat hij de
beide geestelijken tot Zendelingen aangesteld en rondreizende school-
-ocr page 78-
76
meesters had benoemd, keerde hij met verscheiden Laplandsche kin-
deren, die hij voor de Zending wilde opleiden, naar Drontheim
terug. Ofschoon hij hier veel tegenstand ondervond, zette hij het
aangevangen werk met kracht voort.
In 1718 begaf hij zich voor de tweede maal met eenige vrienden
op reis naar het land der Lappen. Zijne vriendelijkheid en liefde
wonnen de harten der Lappen en velen kwamen tot bekeering; het
zaad werd niet te vergeefs uitgestrooid. Van Westen trok van
plaats tot plaats en waar eene Gemeente ontstond, liet hij een zijner
vrienden als Zendeling achter. Bovenal legde hij zich op de opvoe-
ding der kinderen toe en zorgde zooveel mogelijk, dat zij werden
onderwezen. In 1719 ging Van Westen naar Kopenhagen, waar hij
den koning met zijne werkzaamheden onder de Finnen bekend maakte
en de Zending opnieuw aanbeval.
Voor de derde maal ging de onvermoeide man in 1722 naar het
Noorden om er weder velen tot den Heere Jezus te leiden. Er
ontstond eene groote opwekking zelfs onder de kinderen. Zij smeekten
hem op de knieën hun onderwijs te geven en toen hij scholen
had opgericht, kwamen zij met vreugde om onderwijs te ont-
vangen. Veel hulp had Van Westen van een zijner Zendelingen
Jens Kindal, een man, die onvermoeid tot heil der arme Lappen
werkzaam was en van wien Van Westen zeide: «Kindal is sterk
tegen den Satan als een jonge leeuw. Had ik slechts vier Kindals
dan zou ik de Zending in Noordland spoedig voltooid hebben."
Op deze reis kwam hij ook in eene streek, waar de bewoners het
plan gevormd hadden hem en zijne vrienden te dooden, doch, toen
zij het Woord Gods vernamen, kwamen zij tot bedaren en eindigden
met in den Heere te gelooven. Zoo bezocht hij ook een\' stam van
283 zielen, die boven in het gebergte woonden en zich sinds meu-
schenheugenis niet in de dalen hadden laten zien. Nog geen Zendeling
had het gewaagd hun het Evangelie te prediken, doch Van Westen
beklom het gebergte en door zachtheid en liefde wist de trouwe
dienstknecht des Heeren hen voor het Christendom te winnen. In
1723 keerde hij naar Drontheim terug.
-ocr page 79-
77
Vervolgens werkte hij tot bekeering der heidensche Lappen, die
nog in de omstreken van Drontheim woonden. Somtijds kwamen
gansene scharen Finnen tot hem en lieten zich doopen. Tot eene
nieuwe reis naar het Noorden kwam het niet meer: zijne gezondheid
was geschokt. Toch bleef hij tot zijn\' dood voor het heil der Finnen
werkzaam; vooral ook besteedde hij zijn\' tijd aan het schrijven van
geschriften voor en over de Zending onder de Finnen. In het voor-
jaar van 1727 riep de Heere hem naar huis. Zijne vrienden moesten
de kosten zijner begrafenis betalen, daar hij steeds alles aan de
Zending had besteed en zelf menigmaal in kommervolle omstandig-
heden geleefd. Zijn naam bleef in zegening bij de Lappen die hem
noemden «De lector, die de Finnen liefheeft." Zijn werk was niet
ijdel geweest. Reeds in 1725 waren er ruim 7000 Lappen, die in
den Heere Jezus als hun Zaligmaker geloofden, terwijl talrijke kerken
en scholen waren gesticht.
De Zending in Groen\'and. HANS EGEDE,
de Apostel van Groenland,
In het begin der 18e eeuw woonde op een der Loffodische
eilanden, Vogen geheeten, de predikant Hans Egede, in wiens hart
de Heere de begeerte gewekt had om de bewoners van Groenland
met den Heere Jezus bekend te maken. Reeds als kind had hij hooren
vertellen, dat twee broeders op hunne reis, door storm overvallen,
naar de Groenlandsche kust gedreven waren en er geheele dorpen
met Christenen hadden gevonden. Dit verhaal was hem bijgebleven.
Op Vogen was hij in het bezit gekomen van eene geschiedenis van
Groenland, waarin hij soms halve nachten zat te lezen, al kon hij er
niet zeer veel bijzonders uit te weten komen. Toch werd het zijne vaste
overtuiging, dat God hem riep om naar het Groene land, dat veeleer
IJsland mocht heeten, te gaan. Doch kon hij wel zulk eene taak op
-ocr page 80-
78
zich nemen ? Zijne vrouw en kinderen, zijne Gemeente, de gevaren
aan zulk eene onderneming verbonden waren zoovele bezwaren, die hem
moesten terughouden. En dan kwam liem het woord des Heeren in
de gedachte: «Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet
waardig, of wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet
waardig." Zoo had de vrome man een\' moeielijken strijd. Toen hij
eindelijk zijne vrouw met zijn plan bekend maakte, somde zij allerlei
bezwaren op en overlaadde hem met verwijtingen. Ofschoon ook hier
teleurgesteld, gaf hij zijn plan niet op en smeekte den Heere om
hulp en bijstand.
God wist zijne vrouw zoo te leiden, dat zij langzamerhand voor
de zaak werd gewonnen. Sinds zij haren man had tegengehouden,
ondervond zij allerlei teleurstellingen en verdrietelijkheden. Daaronder
behoort vooral het volgende. Eens was haar oudste zoon, de tien-
jarige Paul, tijdens de ebbe naar het strand gegaan om te visschen.
Van rots op rots voortgaande, was hij al verder van den wal geraakt
en in zijn vuur voor het visschen merkte hij niet, dat het water
intusschen begon te wassen. Reeds zijn verschillende rotsen door het
water bedekt en is hem den terugtocht belet. Nog heeft hij gelegen-
heid op een hooger rotsblok te klimmen, in de hoop, dat dit niet
overstroomeu zal. Terwijl de jongen daar zoo staat, komt zijne moeder
aangeloopen en ziet haar kind op grooteii afstand van het land in
het grootste gevaar. De angstige vrouw ziet geen middel om haar
zoon ter hulp te komen, daar er geen boot aanwezig is en niemand
het wagen durft zwemmende de rots te naderen. Intusschen wast het
water nog steeds en dreigt de wijkplaats van den ongelukkigen
knaap te overstroomen en hem in de golven mede te sleuren. Met
kloppend hart staat de moeder aan het strand, vier uren lang. Ge-
lukkig was het water slechts tot den rand van het rotsblok gekomen
en haar lieveling gespaard. Weldra kon hij nu den oever bereiken,
waar zijne moeder hem aan haar harte drukte
Door dergelijke ervaringen kwam zij tot nadenken en zeide: «Zou
God mij ook tegenwerken, omdat ik mijn\' man tegenwerk?" Nu
sprak zij er met haren man over, die haar aanraadde er in het gebed
-ocr page 81-
79
met God over te spreken en Zijne hulp te vragen. En dit had een
gunstig gevolg; weldra was alle tegenstand weg en spoorde zij zelve
haren man aan om zoo spoedig mogelijk naar Groenland te gaan,
waarover Eoede niet weinig verblijd was.
Nadat hij in 1718 van zijne Gemeente afscheid had genomen,
ging hij met zijn gezin naar Bergen, waar hij eenige kooplui voor
zijn plan zocht te winnen. Toen dit niet gelukte, begaf hij zich
naar den koning te Kopenhagen, die hem ondersteuning beloofde.
Met veel moeite kreeg hij f 24000 bijeen, waarvan een schip «de
Hoop" werd gebouwd. Met nog twee schepen ging Egede den
3en Mei 1728 op reis. Na eencn moeilijken tocht kwamen zij den
3en Juli op Groenland aan.
In tegenwoordigheid van vele nieuwsgierige Eskimo\'s gingen zij
aan land. Hun eerste weik was het bouwen van een huis. Toen zij
dat hadden betrokken, begonnen zij met het volk kennis te maken
en pogingen aan te wenden om de taal te leeren, doch dit ging
zeer moeielijk, daar de bewoners schuw waren en op de vlucht sloe-
gen, zoo Egede hen naderde. Doch hij liet den moed niet zakken
en tegen het einde van het jaar kon hij met eenige inboorlingen in
aanraking komen. Zoodra hij vernomen had, hoe zij de vraag: «wat
is dat?" uitdrukten, vroeg hij hun van al het omringende den naam
en schreef dien dan zoo goed mogelijk op. Zoo ging een deel van
den winter voorbij en eindelijk liepen de Eskimo\'s weer weg.
Intusschen dacht Egede er over om degenen, die van tijd tot tijd
eens kwamen kijken, het Evangelie te verkondigen. Daar hij de taal
nog niet voldoende kon spreken, liet hij zijn\' zoon eenige Bijbelsche
platen teekeaen, welke hij dan liet zien en zoo goed mogelijk ver-
klaarde. Toen zij begrepen, dat Jezus Christus zieken had genezen en
dooden opgewekl, begeerden zij dit ook van den Zendeling. Nadat
het hem met Gods hulpe gelukt was eenigen hunner zieken te her-
stellen, kregen zij eenig vertrouwen in hem, doch wilden van het
Evangelie niets weten. Zij hielden hem voor een machtig toovenaai^
zooals zij er zelf ook hadden.
Bij deze teleurstelling kwam nog het gemor van het scheepsvolk
-ocr page 82-
\'
en de overige kolonisten, toen het beloofde schip in het volgend
jaar niet op den bepaalden tijd verscheen. Zij wilden terug, doch
hij wist hen over te halen nog drie dagen te wachten, in welken tijd
hij den Heere vurig om uitkomst bad. Op den derden dag liepen
dan ook twee schepen de haven binnen, die levensmiddelen en een
aanmoedigenden brief voor Egede medebrachten. Met nieuwen moed
ging hij nu weer aan het werk. Hij hield zich met zijne twee zonen
eenigen tijd onder de Eskimo\'s op en leerde verder hunne taal.
Bij zijne terugkomst bracht hij twee weesjongens en één gezin
mede. Zij leerden hem de taal, terwijl hij hun lezen leerde. Dit
kostte vrij wat moeite en om hen aan te moedigen beloofde hij
hun voor elke letter, die zij kenden, een klein geschenk. In den
beginne hielp dit, doch weldra zeiden zij: ;/Wat beteekent het den
ganschen dag op een papier te turen en te roepen: a, b, c!" Zij
vonden de Groenlanders veel beter menschen, waut die konden nog
zeehonden vangen, vogels schieten enz.
In 1723 kreeg Egede een helper, Albert Top, met wien hij de
studie der taal voortzette en het zoover bracht, dat hij den volgenden
winter de Eskimo\'s het Evangelie kon prediken. Ook dit beviel hun
weinig. Als hij pas was begonnen vroegen zij, of hij haast gedaan
had. Zij lachten er om en vonden het dwaas, dat de Heere Jezus
was gedood. Dat zouden zij niet gedaan hebben.
Zoo volgde de eene beproeving op de andere. Toeu Egede begreep
dat er met de Groenlanders niets was aan te vangen, begon hij zich
op de opleiding van kinderen toe te leggen. Dit ging beter, doch
ook menigmaal kwamen de ouders hunne kinderen weer weg halen.
In 1731 ontving de vrome man het treurig bericht, dat de koning
gestorven was en zijn opvolger de kolonie wilde opheffen. Nu keer-
den allen naar het vaderland terug, doch Egede bleef tot groote
blijdschap der Groenlanders, die nu zagen, dat hij hen liefhad.
Gelukkig veranderde de koning van gedachte en ondersteunde van
toen af de Zending weer.
Nieuwe beproevingen wachtten hem nu echter. In de eerste plaats
braken de pokken uit, waaraan ongeveer 3000 Groenlanders stierven,
-ocr page 83-
81
maar allermeest trof hem de zware slag van den dood zijner trouwe
gade. Met geduld had zij steeds alle wederwaardigheden gedragen
en in alle teleurstellingen haren man weten op te beuren. Maanden
lang had zij tijdens de ziekte de inboorlingen verzorgd, doch dit
had hare krachten gebroken, zoodat zij gevoelde te zullen sterven.
Zij ging in het volste geloof tot den Heere en terwijl zij ontsliep
zegende zij nog haren diepbedroefden echtgenoot. Door zwakheid uit-
geput, begon Egede nu aan de terugreis naar het vaderland te
denken. Toen nieuwe zendelingen waren aangekomen om het werk
voort te zetten, onder wie ook zijn zoon Paul, nam hij in 1735
afscheid met eene predikatie ovei Jes. 49 : 4, en vertrok naar
Kopenhagen.
Nog twintig jaar bleef hij voor de Zending in Groenland arbei-
den als bestuurder eener kweekschool voor Zendelingen naar Groen-
land,
die hij zelf in het Groenlandsch onderwees. In zijn\' ouderdom
ging hij bij zijne dochter op Falster wonen, waar hij den 5 Nov.
1758 zijn veel bewogen leven eindigde en in zijn\' Heer en Heiland
ontsliep. Al had hij bij zijn vertrek in Groenland moeten zeggen:
«Ik heb te vergeefs gearbeid", omdat hij geen vruchten gezien had,
toch had hij zeer veel gedaan. Hij had gezaaid, wel menigmaal al
gaande en weenende, doch het zaad was niet op den weg, of tus-
schen de doornen alleen gevallen, maar ook in goede aarde: het
ontkiemde slechts langzaam en anderen zouden maaien, wat hij had
gezaaid.
De Zending der Broedergemeente in Groenland.
MATTHIAS STACH en CHRISTIAAN DAVID,
In het voorjaar van 1731 had te Kopenhagen de kroning plaats
van den nieuwen koning Christiaan VI. Onder degenen, die de
feesten bijwoonden, behoorde ook de edele en vrome graaf Lodewijk
6
-ocr page 84-
82
van Zinzendorf, de man, die de] verdrukte Moravische Broeders
op zijn eigen landgoed eene wijkplaats bad aangeboden en wiens lust
het was bovenal den Koning der koningen te dienen. Terwijl hij te
Kopenhagen was, zag hij twee Groenlanders, vernam veel van Hans
Egede en hoorde, dat de Zending in Groenland zou worden opge-
heven. Als hij nu in Herrnhut was teruggekeerd, vertelde hij alles
wat hij gezien en gehoord had aan de Gemeente en wees er op, dat
deze Groenlandsche Zending niet mocht worden opgegeven. Zijne
woorden maakten op de toehoorders een\' diepen indruk.
Een van hen Matthias Stacii voelde dadelijk eene sterke begeerte
om naar Groenland te gaan. «Ik was toen", zoo verhaalde hij zelf,
«aan het werk met Erederik Böhmsh en deelde hem mede, wat
er in mij omging, waarop hij mij zeide. dat hij dezelfde begeerte
had. Wij verwijderden ons in een boschje, knielden neder en smeek-
ten den Heere om licht in deze zaak, en om ons op den rechten
weg te leiden. Daarop werden wij met groote blijdschap vervuld en
gaven de Gemeente van onze begeerte schriftelijk kennis. Langen
tijd bleven wij op antwoord wachten tot de Graaf ons vroeg, of wij
bij ons voornemen bleven, waarop wij een bevestigend antwoord
gaven."
Intusschen verliep er nog een jaar en Frederik Böhnish ging
op reis. Eindelijk werd er tot eene Zending naar Groenland beslo-
ten. Matthias Stacii, zijn neef Ciiristiaan en Ciiristiaan David
boden zich aan om de taak op zich te nemen. Met weinig kleeren
en geld, waarover zij zich niet bekommerden, gingen zij op reis,
nadat zij in een vurig gebed hunne zaak den Heere hadden opge-
dragen. Allereerst reisden zij naar Kopenhagen, waar men hen voor
dwaas uitschold, omdat zij als eenvoudige werklieden wilden aan-
vangen, wat Egede als ontwikkeld man niet gelukte. Echter vonden
zij een\' vriend in den graaf von Pletz, die door hun eenvoud en
geloofsmoed was getroffen. In den beginne maakte hij vele tegen-
werpingen. «Hoe denkt gij in Groenland, u voedsel te verschaffen?"
vroeg hij hun, waarop zij antwoordden: «Met Gods hulp en onzer
handen arbeid. Wij zullen een huis bouwen en het land bewerken."
-ocr page 85-
83
//Doch daar is geen hout om een huis van te bouwen", hernam de
graaf. //Nu dan zullen wij een\' kuil in den grond graven en daar in
gaan wonen," zeiden zij. //Neen," antwoordde de graaf; »dan zal ik
u hout mede geven om een huis te bouwen." Op zijn aandringen
gaf de koning hun verlof om naar Groenland te vertrekken. De
koning en andere aanzienlijke personen verschaften hun de middelen
om de reis te doen. Den 10en April 1733 gingen zij onder zeil
en den 2 Oen Mei kwamen zij bij Egede aan.
Zij begonnen hun\' arbeid met het zoeken naar eene geschikte plaats
voor het bouwen van een huis. Toen zij er eene gevonden hadden,
droegen zij haar biddend den Heere op, bouwden eene hut en later
een woonhuis. Verbazend veel moeite kostte hun het leeren der taal,
waartoe Egede hun zijne geschriften afstond. Als ongeleerde mannen
was het voor hen eene ware pijniging eene taal uit boeken te leeren
en dit was toen de eenige weg, daar zij met de inboorlingen niet
in aanraking konden komen. Doch voor niets deinsden zij terug, al
hadden zij met eene menigte bezwaren en moeiten te kampen. Zij
vertrouwden op den Heere hunnen God in allen nood en dat gaf
hun kracht om voort te arbeiden. Na veel wederwaardigheden, zooals
gebrek aan voedsel en ziekte, werden zij in 1734 verblijd door de
komst van Frederik Böhnish en Johan Beck. Zij sloten samen
een verbond en besloten te gelooven, al was er niets te zien, te
hopen, al was er niets te verwachten. Het was hun in den beginne
maar niet mogelijk op de Eskimo\'s eenigen invloed uit te oefenen.
Soms wilden dezen hun zelfs geen spijze verkoopen en gooiden zij hun
met steenen of vernielden hunne goederen. Toch schonk de Heere
hun een\' helper in een\' Eskimo, die van verre tot hen kwam om
hun voedsel te verkoopen. Als zij somwijlen met enkele inboorlingen
een gesprek hielden over hun eeuwig heil, bespotten dezen hen en
zeiden: «Toon ons uw God, dan zullen wij in Hem gelooven en
Hem dienen. Onze ziel is gezond en als we maar genoeg te eten
hebben, zijn we tevreden." Zoo ging nog menige dag en week
voorbij, zonder dat zij eenige vrucht van hun werk zagen, doch op
Gods tijd zou ook over Groenland het licht opgaan. Dat was in 1738.
-ocr page 86-
84
Eenige wilden, die uit het Zuiden naar het Noorden trokken,
bezochten hen, terwijl Johan Bjïck juist bezig was met het aischrij-
ven van eene vertaling van het Nieuwe Testament. Zij wenschten
te weten, wat er in dat boek stond, en deden verschillende vragen.
De Zendeling leest hen wat voor en zegt, dat de Zone Gods op
aarde is gekomen om door Zijn lijden en sterven menschen zalig
te maken en dat zij in Hem moeten gelooven om gered te worden.
Daarop las hij hen den zielestrijd des Heeren in Gethsemane voor,
terwijl allen met diepe stilte luisterden. Een der toehoorders,
Kajarnak, stapt op de tafel toe en zegt met grooten ernst: «Hoe
was dat? Laat mij dat nog eens hooren; want ik wensch ook zalig
te worden." Zulke woorden had de Zendeling nog nooit van een\'
Groenlanden gehoord. Zij ontroerden hem en nog eenmaal las hij
hun, terwijl tranen van vreugde over zijne wangen biggelden, het
lijden en sterven des Heeren voor. Weldra kwamen er nu nog
anderen, die onderwijs begeerden. Kajarnak werd krachtdadig bekeerd.
//Hij had," zeide hij «een\' haak in zijn hart ontvangen, dien hij
niet kwijt kon worden." Toen men hem eens op een feest ter eere
van de zon noodigde zeide hij: «Ik heb eene andere vreugde: Christus
is in mijn hart verrezen". Altijd had hij den Zendelingen iets te
vragen en spoedig begon hij zelf onder zijne landgenooten het
Evangelie te verkondigen, \'t geen hem den haat van velen op den
hals haalde, doch op menigeen ook een\' gunstigen invloed uitoefende.
Weldra woonden eenige huisgezinnen te Nieuw-Herrnhut, met wie
nu dagelijks godsdienstoefening werd gehouden.
In 1739 werd Kajarnak met zijn gezin gedoopt en ontving hij
den naam van Samuel. Nu barstte de woede der inboorlingen los
en zij wilden hem dooden, zoodat de jeugdige Gemeente uiteen
gejaagd werd, hetgeen dit voordeel had, dat de vluchtelingen overal,
waar zij kwamen, het Evangelie verkondigden. In 1740 kwam
Kajarnak terug, doch zijn nuttig leven was kort. Het volgend
jaar kreeg hij hevige pijn in de zijde, en leed vele smarten. Hij
verdroeg ze geduldig en zeide: «Zij zijn niets in vergelijking van
die, welke de Heere voor mij heeft geleden." Zijn oog bleef op
-ocr page 87-
85
zijn\' Jezus gevestigd, en toen men aan zijn sterfbed stond en weende,
zeide hij: «Weest niet bedroefd om mij, gij hebt immers gehoord,
dat de geloovigen na den dood bij den Heiland in die eeuwige
vreugde komen ? Gij weet, dat ik van u allen de eerste ben geweest,
die bekeerd is en nu is het Zijn wil, dat ik ook de eerste ben, die
tot Hem ga." Onder het gebed der Broeders ontsliep hij.
Van toen af nam liet aantal bekeerden steeds toe en werden nieuwe
Gemeenten gesticht. Cheistiaan David, die het eerste huis had
gebouwd, kwam over en bouwde ook de eerste kerk. Spoedig weerklonken
hier in de Groenlaudsche taal liederen ter eere van God en den
Zaligmaker en stegen de gebeden tot den troon der genade. Zoo
ging de Zending op Groenland meer en meer vooruit en al is ook
thans nog in Groenland de werkzaamheid der Zendelingen noodig,
toch hebben de Moravische Zendelingen, die langen tijd als roependen
in de woestijn waren, eene baan mogen maken in deze wildernis voor
den Heer onzen God. Onder de schare, die niemand tellen kan,
bevinden zich ook vele Eskimo\'s, die met Egede en de Broeders
den Heere prijzen en loven tot in eeuwigheid.
De Zending in Labrador. JE NS HAVEN.
Met een Hollandsch schip werden in 1740 eenige Zendelingen
naar St. Thomas in West-Indië overgebracht. De stuurman Ehrhardt,
een ruwe zeeman, die beter vloeken dan bidden kon, spotte met deze
mannen en lachte om hetgeen zij gingen doen. Aangekomen besloot
hij met eenige matrozen ook !eens naar den »Bazuinenberg,"
zooals de plaats heette, waar de kerk stond, te gaan. Hetgeen hij
daar hoorde, het innig gebed en de vurige toespraak, trof zijn hart
echter zoodanig, dat hij dikwijls op den Bazuinenberg terugkwam
en eindelijk als een dicipel des Heeren naar Holland terugkeerde.
-ocr page 88-
86
Later kwam hij te Nieuw-Herrnhut in Groenland, waar hij ver-
nam, dat op Labrador Eskimo\'s woonden, die met de Groenlanders
veel overeenkomst hebben. Nu werd het zijne begeerte daar als
Evangeliebode heen te gaan. En hij ging er heen om er zijn leven
in den dienst des Heeren te laten. Met nog vier Moravische Broeders
en van het noodige voorzien, verliet hij in 1752 Londen. Zij kwamen
te Labrador aan en vonden eene geschikte plaats om een huis te
bouwen, waarmede de vier Broeders werden belast. Ehriiardt zeilde
intusschen meer noordwaarts en ging op zekere plaats met vijf man
van het scheepsvolk aan land. Geen van hen kwam evenwel terug
en nadat, men acht dagen te vergeefs had gewacht en begreep, dat
zij door inboorlingen waren vermoord, zeilden de matrozen naar de
Broeders en smeekten hen mede naar Europa terug te keeren, daar
zij anders de reis niet konden volbrengen. Later vond men de lijken
der zes mannen. Zoo mislukte deze eerste poging, doch de Heere
vergat Labrador niet.
Jens Haven, een eenvoudig timmerman, werd eens op reis door
een onweder overvallen en door een bliksemstraal bewusteloos ter
aarde geworpen, waarop hij eenige dagen in groote onrust bad en
weende, tot hij eindelijk vrede vond in het bloed des Kruises. Nu
was het zijn wensch den Heiland te dienen en toen het bericht van
Ehrhardts dood hem ter oore kwam, wenschte hij diens plaats te
vervangen. Op raad van den Graaf van Zinzendorf ging hij eerst
naar Groenland om er de taal te leeren en bleef daar eenige jaren.
In 17C4 vertrok hij naar Labrador. Als een Eskimo gekleed betrad
hij den bevroren bodem en kon met de inboorlingen een gesprek
aanknoopen. Zij begeerden dat hij met hen ging naar een afgelegen
eiland. Niet wetend, wat zijn lot zou zijn en gedachtig aan Ehrhardts
wedervaren, aarzelde hij, doch zijn geloof overwon. Hij wentelde zijnen
weg op den Heer en zeide: «In Uwen naam zal ik met hen gaan;
dooden zij mij, zoo is mijn werk op aarde volbracht en zal ik bij
U leven: sparen zij mij, dan zal ik daaruit weten, dat het Uw wil
is, dat zij Uw Evangelie zullen hooren en gehoorzamen." Zoo ging
hij, en toen hij was aangekomen, riepen de inboorlingen: «Onze
-ocr page 89-
87
vriend is gekomen!" Zijn geloof werd niet beschaamd. Na eenigen
tijd keerde hij met blijde tijding naar Europa terug.
Het volgend jaar bezocht hij opnieuw met Draciiart en eenige
anderen Labrador. Zij werden vriendelijk ontvangen en spraken
menigmaal met de Eskimo\'s over de dingen van het Koninkrijk Gods,
doch zonder blijvend gevolg. Tegen den winter keerden zij naar
Engeland terug met het doel een volgend jaar een station te vestigen.
Een oorlog tusschen Eskimo\'s en Engelsche kooplieden belette dit
evenwel en zoo moesten zij eenige jaren op beter gelegenheid wach-
ten. Onder de gevangen Eskimo\'s, die naar Engeland werden gebrachti
behoorde ook eene vrouw met haar\' zoon, met wien Haven vroeger
in aanraking was geweest. Hij nam dezen jongen tot zich, zorgde
voor zijne opleiding en ofschoon hem dit in den beginne zeer veel
moeite kostte, werd Haven\'s gebed verhoord en Jarpik, zoo heette
de knaap, begon den Heere Jezus lief te krijgen. Reeds verheugden
de Broeders er zich in dezen jongeling tot Zendeling op te leiden,
doch God nam hem weg als de eersteling der geloovige Eskimo\'s
uit Labrador. In zijne ziekte zeide hij: «Jezus, ik wil tot U gaan.
Erbarm U mijner om Uwer wonden wil." De moeder van Jarpik
wist de belangstelling in Engeland voor Labrador op te wekken en
zoo werd in 1771 tot het stichten van een\' Zendingspost besloten.
Haven, die intusschen gehuwd was, vertrok nu met zijne gade
en nog eenige andere Zendelingen naar het land zijner begeerte.
Vele waren de gevaren en beproevingen, die zij hadden te ondervin-
den, doch in alles bleven zij hun vertrouwen op den Heere vestigen.
Zij werden wel vriendelijk ontvangen, doch tot werkelijke bekeering
kwam het nog dadelijk niet. Het volgend jaar winter kwam evenwel
een woest man Anauké tot bekeering. Hij ontsliep weldra daarop
in vrede in zijn\' Heiland. Zijn heengaan maakte op velen diepen
indruk. Spoedig kwamen eenige gezinnen in de nabijheid der Zende-
lingen wonen en hieruit ontstond de eerste Gemeente.
Van tijd tot tijd deden de Broeders tochten met het schip langs
de kusten om geschikte puten voor Zendingstations te zoeken en
met de inboorlingen te spreken. Op een dezer tochten verging het
-ocr page 90-
88
schip en vonden twee Zendelingen hun graf in de golven. Ook op
de tochten over land hadden zij met vele gevaren te worstelen, doch
tot hunne blijdschap nam de Gemeente te Naïn toe en ook een
nieuwe post te Okdk begon te bloeien. Menig Eskimo kwam tot
het geloof in den Heere Jezus. Het zou ons te ver voeren, zoo we
er hier nog meer van wilden verhalen.
Nadat in 1782 nog een derde station was gesticht en Havens
krachten begonnen te verminderen, moest hij de taak aan zijne
medearbeiders overlaten en keerde met zijne vrouw en eenigen
zoon naar Europa terug. Hij deed eenigen tijd daarna nog eene
Zendingsreis naar Zuid-Rusland en vestigde zich vervolgens te
Hermhut, waar hij zijne laatste dagen in kalmte en vrede sleet. Zes
jaren lang was hij volkomen blind en geen wonder, zijne oogen hadden
in Labrador veel geleden \'loor de koude. Somtijds was het er zoo
koud, dat de oogleden dicht vroren en men ze elk oogenblik open
moest trekken. Steeds bleef hij opgeruimd en blijmoedig, zich
verheugende, dat de Zending in Labrador goede vorderingen maakte.
In 1796 ging hij op 72 jarigen leeftijd in de eeuwige rust. Op een
stuk papier vond men deze woorden door hem geschreven: //Laat
het volgende aan het verhaal van mijn leven worden toegevoegd:
"Op zekeren dag ontsliep Jens Haven, een arm zondaar, die naar
zijn eigen oordeel de verdoemenis verdiende, in vrede zich verlatende
op den dood en de verdiensten van Christus."
Sinds Haven\'s dood is de Zending in Labrador steeds voortge-
gaan en het aantal Gemeenten vermeerderd. Het door hem uitge-
strooide zaad begon flink op te schieten en vruchten voort te brengen.
Tegenwoordig zijn er zes Zendingsstations en eene groote menigte
gedoopten. Er is een weeshuis en overal zijn scholen, waarin de
jeugd Christelijk onderwijs ontvangt.
Onder de Zendelingen, die in onze eeuw in Labrador hebben
gearbeid, behooren nog genoemd te worden Geobge Kinoch (f 1857)
en Benjamin Kohlmeister (f 1874).
Ten einde de Zendelingen in de onherbergzame streken van het
noodige te voorzien gaat sinds tal van jaren iederen zomer een
-ocr page 91-
80
Zendingschip naar Labrador, voorzien van eenen grooten voorraad
levensmiddelen enz. Met smart wordt dan ook elk jaar naar de
aankomst van dat schip verlangd en als men het in het gezicht
krijgt, klinkt het in \'t rond: «het schip komt, het schip komt!"
Als het eenmaal in de haven ligt, is alles in de weer; kisten worden
ontladen en geopend om daarna weder met producten van Labrador
gevuld; brieven geopend en haastig gelezen en nieuwe ingepakt
voor de vrienden in Euro fa. En ook de kinderen krijgen hun deel.
Steeds is er een kist in met Kerstgeschenken voor de Eskimosche
jongens en meisjes. Wat een blijdschap en zegen voor die kinderen,
dat zij nu op Kerstmis ook feest mogen vieren, maar nog grooter
zegen, dat zij nu van den lieven Heiland hooren en niet meer in
onwetendheid ronddolen!
Aanvang der Zending in West-lndië, LEONARD DOBER
en DAVID NITSCHMANN.
Terwijl de Gkaaf van Zinzendorf te Kopenhagen met twee
Eskimo\'s kennis maakte, ontmoetten op zekeren dag eenige zijner
bedienden een\' gewezen negerslaaf uit West-lndië, Anton geheeten,
die hun veel van de ellende der slavernij vertelde en dat zijne zuster,
die daar op St. Thomas nog slavin was, ook met den waren God
bekend wenschte te worden. Later kwam deze Anton te Herrnhut
en deelde den Broeders een en ander over den toestand der slaven
mede, met dit gevolg, dat twee hunner begeerte kregen om als Zen-
deliugen naar dat verre land te gaan, al moesten zij, om toegang
tot de slaven te verkrijgen, zelf in slavernij gaan. Met goedvinden
der Gemeente gingen dan ook in 1732 Leonard Dober de potten-
bakker en David Nitschmann de timmerman op reis. Met slechts
ƒ9.— aan reisgeld in den zak, maar een vast vertrouwen op den
-ocr page 92-
90
Heere in hun hart, begaven zich deze eenvoudige lieden naar Kopen-
hagen
om er gelegenheid tot den overtocht te vinden. In den beginne
werden zij als dwazen bespot en uitgelachen, doch door hunne
Christelijke volharding wonnen zij veler genegenheid en eindelijk
werd er zooveel geld bijeen gebracht, dat zij de reis konden betalen.
Zij vertrokken met een Hollandsch schip en leerden onderweg de
Hollaudsche taal, die de Negers op St. Thomas ook spraken.
Den dag na hunne aankomst zochten zij Anïons zuster op, voor
wie zij eenen brief haddeu, die op verzoek door de Zendelingen
geopend en gelezen werd. Intusschen hadden zich eenige Negers om
hen verzameld, aan wie zij dadelijk het Evangelie verkondigden. Deze
klopten van vreugde in de handen, toen zij vernamen, dat de Blijde
Boodschap ook voor hen was. Nu was het voor de Broeders echter
zaak om middelen in het werk te stellen ten einde in hun onderhoud
te voorzien. Voor Nitschmann was dit als timmerman minder moeilijk,
doch Dober kon met zijn handwerk niets verdienen. Intusschen von-
den zij bij een der planters gelukkig ondersteuning. Deze had een
nog onvoltooid huis, dat hij hen verder liet afmaken. Zij lieten geene
gelegenheid voorbijgaan om met de Zwarten in aanraking te komen
en vooral des Zondags verzamelden zij eene schaar van toehoorders
om zich heen, die zij met den eenigen Zaligmaker bekend maakten.
Op velen had hunne prediking eenen gunstigen invloed en hieron-
der behoorden ook de zuster van Anton en haar echtgenoot.
Terwijl Nitschmann, die zijn\' vriend slechts naar St. Thomas zou
brengen, naar Europa terugkeerde, kwam Dober in dienst van den
Gouverneur als Onderwijzer der kinderen. Nu had hij geen gebrek
te lijden, doch hij was hierover niet erg gerust; in plaats van een
slaaf te worden, had hij nu een goed leven. Hij besloot zich geheel
aan de Zending te wijden, al moest hij daardoor armoede en gebrek
lijden. Hij huurde in het dorp Tappus eene kleine woning en ver-
diende een karig loon met de betrekking van bewaker eener plantage,
doch had uu meer gelegenheid met de slaven in aanraking te komen.
Binnen kort had hij vier Negers, die zich bij hem aansloten, en zijn
arbeid in \'s Heeren dienst bleef niet ongezegend.
-ocr page 93-
91
Intusschen verliepen weken en maanden, dat hij niets van Herrnhut
hoorde, doch terwijl hij op zekeren avond bij een wachtvuur zat,
stonden op eens» drie mannen voor hem en toen hij opzag, herkende
hij onder hen een zijner vroegere vrienden, Tobias Leüpold. Een
schip met Zendelingen was aangekomen, die het aangevangen werk
zouden voortzetten, daar Dober benoemd was tot Ouderling te
Herrnhut. Ofschoon hij gaarne bij de Negers had willen blijven, moest
hij toch aan deze roeping gehoor geven en keerde in 1735 naar
Buitschland terug. Zijne opvolgers namen zijne taak over.
Onder de mannen, die na Dober het meest voor de Zending op
Si. Thomas hebben gedaan, verdiend Fuederik Martin te worden
genoemd. Met ijver en liefde wijdde hij zich aan zijne Zending, Overal
zocht hij de Negers op en zoo zij eenige blijken van toegenegenheid
hadden gegeven, liet hij ze niet los voor zij geheel waren gewon-
nen. Door groote liefde won hij hen en zijne milddadigheid was
spoedig algemeen bekend. Eindelijk werden de eerste drie gedoopt
en sedert nam het aantal van hen, die in het Evangelie belang
stelden, toe, zoodat er gewoonlijk \'s avonds 200 bijeenkwamen om
onderricht te ontvangen.
Nu ontstond echter ook groote tegenstand vau de zijde der blan-
ken. Het werd den slaven verboden aan de samenkomsten deel te
nemen en ten laatste werden de Zendelingen door valsche beschul-
digingen in de gevangenis geworpen. In die treurige dagen kwam
de Graaf van Zinzendori\' op St. Thomas aan en was niet weinig
verwonderd de Zendelingen in gevangenschap te vinden. Gelukkig
wist hij hunne vrijlating te bewerken. Daar het huis der Zendelin-
gen te Tappus te klein was geworden om al de heilbegeerige slaven
te bevatten, werd eene kleine plantage gekocht en daar een grooter
gebouw gezet en eene Gemeente gesticht. Deze plaats kreeg den naam
van den Bazuinenberg, omdat de christenen er met bazuingeschal
werden samengeroepen Hier was het dat ook de ruwe stuurman
Eriihardt tot bekeering kwam. De vruchten van den Zendingsarbeid
bleven niet uit; gedurig voegden zich nieuwe leden bij de Gemeente.
Martin schreef\' in 1741: //Nauwelijks gaat er een dag voorbij,
-ocr page 94-
92
waarop wij niet bezocht werden door menschen, die hunne zouden
belijden en om genade smeeken. Als wij uitgaan hooren wij hen
bidden en weenen; de eeu in het suikerveld; een ander achter een
boschje en een derde achter zijne hut, den Heer smeekende om hen
van hunne zonden te reinigen."
Behalve op St. Thomas bracht Martin het Evangelie ook op
S!. Croix en St. Jan. Op St. Croix hadden de Zendelingen langen
tijd met allerlei bezwaren te kampen en scheen het, dat zij het zaad
te vergeefs uitstrooiden. Vooral leden zij van het ongezonde klimaat,
zoodat velen er den dood vonden. Met het oog op dit eiland schreef
Zinzendorf het bekende vers:
Er werden velen uitgezaaid
Als waren zij verloren
Maar op hun graven lezen wij :
ffDit is het zaad der Mooren."
Eu dit was ook zoo, want op Gods tijd kwam op St. Croix het
licht uit de duisternis op. Er ontstond eene Gemeente en velen kwamen
tot hun\' Heiland. Onder hen is vooral bekend een der helpers Cor-
nelius, die vijftig jaren lang der Zending uitnemende diensten
bewees. Hij werd \'de geestelijke vader van velen zijner medenegers.
Op zijn sterfbed riep hij al zijne kinderen bij zich en drukte hen
op het hart den Heere Jezus niet te verloochenen. Hij zeide: «Heer
hier is Uw onwaardige Cornelius en de kinderen die Gij hem
gegeven hebt." Nog een ander bad onder de hevigste pijnen: «Heer
kastijd ons, indien het noodig is met de eene hand, maar trek ons
nader tot U met de andere." Ook op St. Jan ging de Zending van
de Broedergemeente uit en werden hunne pogingen door den Heere
gezegend. De Zendeling Brucker vestigde er zich in 1754 en stichtte
er eene Gemeente, die in 17f>7 uit 113 volwassenen en 6 kinderen
bestond, en dit aantal is later nog steeds toegenomen. Toen Leonard
Dober naar West-Tndië ging^ had hij gezegd, dat hij gezondheid
en vrijheid wilde opofferen, zoo slechts eene ziel mocht worden
-ocr page 95-
93
gered. Doch het zaadje, dat de eenvoudige man in het geloof had
uitgestrooid bracht honderdvoudige vrucht voort. Dat heeft God
gedaan, die Zijne dienstknechten heeft bewogen en geroepen om den
gevangenen vrijheid te verkondigen in Jezus Christus Zijnen Zoon.
Thans stijgen uit duizenden monden van het eens verachte en ver-
drukte Negerras de lofliederen op tot Zijne eer.
Vervolg. THOMAS COKE, de Apostel van West-lndië.
Terwijl leden der Broedergemeente in West-Indiii, ook zelfs op
de eilanden, die aan Engeland behooren, hunne Zendingswerkzaam-
heid voortzetten, werd onder leden van andere kerkgenootschappen
de liefde voor deze Zending opgewekt. Vooral was dit het geval met
den Engelschen predikant John Wesley en zijne aanhangers, die
onder den naam van Methodisten bekend zijn en ook zeer veel voor
de heiden-zending hebben gedaan. Omstreeks 1780 was zekere John
Baxter op het eiland Antigua als Zendeling opgetreden, met het
gunstig gevolg, dat hij reeds in 1780 van de bijdragen zijner toe-
hoorders een huis voor godsdienstoefeningen kon bouwen. Intusschen
had de Heere reeds den man verwekt, die voor de Zending in
West-lndic van groot gewicht is geweest en er zijn leven aan heeft
gewijd. Dit was Thomas coke.
Deze man was in 1749 in Engeland uit vermogende ouders/ ge-
boren. Van zijne moeder, die spoedig weduwe was gewordeu, ontving
hij eene uitstekende Christelijke opvoeding, doch later raakte hij als
student op de paden der zonde en verviel zelfs tot ongeloof. De
Heere had hem echter uitverkoren om Zijnen naam den heidenen
bekend te maken. Zeker prediker, die zelf niet geloofde, wat hij
zijnen toehoorders verkondigde, bracht door zijn huichelen Thomas
tot nadenken. Nu begon hij den Bijbel te lezen en studeerde in de
godgeleerdheid. Nadat hij eenigen tijd als predikant der Engelsche
-ocr page 96-
94
Staatskerk had gearbeid, werd hij ontslagen en wijdde zich in zijne
geboorteplaats aan werken der Christelijke liefde. In dezen tijd kwam
hij met John Wesley in kennis, die hem wist over te halen, als
Methodisten-prediker op te treden. Van toen af was het zijne begeerte
de Christenen in Europa en Amerika uit hun\' doodslaap op te
wekken Hij doorreisde Engeland en Ierland en wist overal door zijne
vurige boetprediking het geestelijk leven der Gemeente te versterken.
Vervolgens wendde hij zich naar Amerika, waar hij verschillende
Gemeenten bezocht en ook de slaven in bescherming nam. Na een
bezoek aan Engeland, scheepte hij zich met drie helpers opnieuw
naar Noord-Amerika in, doch door een\' vreeselijken storm dreef het
schip af en strandde op Kerstmis 1786 op het eiland Antigua.
Hier vond Coke tot zijne blijdschap den Zendeling Baxter en
diens kleine Gemeente, waarvoor hij nog dienzelfden dag optrad.
Zijne prediking maakte zooveel indruk, dat men hem op het eiland
wilde houden. Hiertoe was hij echter niet te bewegen. Als een andere
Paulus moest hij immer verder. Hij liet een zijner helpers achter
en ging toen naar St. Vincent, waar hij ook een\' helper plaatste,
nadat hem een vrome Engelschman een groot winkelhuis als evan-
geliesatielokaal had afgestaan. Vervolgens bezocht hij St. Kitts, waar
hij door zijne prediking evenzoo diepen indruk maakte en zijn\'derden
helper aanstelde. Over Amerika keerde hij naar zijn vaderland terug,
om in eene vergadering der Methodisten mede te deelen, watgroote
dingen God had gedaan en hoe den heidenen in West-Indië eene
deur des geloofs was geopend. Ten einde tot deze Zending op te
wekken, reisde hij zelf het land door en wist overal door treffende
en roerende schilderingen van den toestand der Zwarten, steun voor
de Zending te verkrijgen.
Het volgend jaar ging hij met drie Zendelingen op reis, twee
hunner zond hij naar St. Vincent en met den derde trok hij naar
Barbados, waar hij eene Gemeente stichtte. Van daar bezocht hij de
vroegere Gemeenten, om ze in het geloof te versterken, en tot zijne
vreugde waren zij reeds aanmerkelijk vooruitgegaan. Vervolgens kwam
hij op het aan Nederland behoorend eiland St. Eustatius, waar hij veel
-ocr page 97-
95
tegenstand vond en het den slaven op straffe van 39 rottingslagen
verboden was, openlijk te bidden. Na een kort bezoek aan Jamaica,
evenals Paulus eens aan Efeze, keerde hij naar Engeland terug.
Opnieuw hield hij overal Zendingstoespraken en verzamelde hij geld
vonr eene nieuwe Zendingsreis, welke hij met twee Zendelingen in
1790 ondernam. Het doel van deze reis was voornamelijk Jamaica,
waar hij na een bezoek aan andere eilanden, in 1791 aankwam.
Onderwijl had zich in de hoofdstad van dit eiland een zendeling
gevestigd en aan velen het Evangelie verkondigd; doch toen Coke
er aankwam, vond hij de kapel gesloten en den zendeling gevaarlijk
ziek, wegens de vreeselijke mishandelingen, die hij had geleden. Ook
Coke werd bespot en tegengewerkt, doch hij liet zich niet afschrikken
en wist het eindelijk zoover te brengen, dat hem de vrijheid geschon-
ken werd het Evangelie zonder stoornis te verkondigen. Bij zijn
vertrek stelde hij een\' Zendeling aan over de Gemeente, die uit 234
leden bestond. De dood van Wesuev riep hem opnieuw naar Enge-
land,
doch reeds aan het einde van 1792 was hij in West-Jndic terug.
Op menig eiland mocht hij den Heere danken voor den gunstigen
voortgang der Zending, doch ook de vijandschap der wereld was niet
uitgebleven. Strenge bepalingen waren op vele eilanden gemaakt om
het prediken aan de slaven tegen te gaan en een der Zendelingen
was zelfs gevangen genomen. Coke verkreeg evenwel niet alleen zijne
invrijheidstelling, maar ook eene bepaling, dat de prediking onge-
hinderd mocht plaats hebben. Zonder zich rust te gunnen trok hij
immer verder en mocht met blijdschap vernemen, dat het aantal
gemeenteleden reeds 6500 bedroeg.
Daar na den dood van Wesley de geheele leiding der zending op
hem kwam, waren zijne bezigheid in Engeland zoovele, dat hij voort-
aan de eenmaal gestichte Gemeenten in West-Indië niet meer kon
bezoeken. In zijn vaderland bleef hij evenwel voor deze hem opge-
dragen levenstaak steeds werkzaam. Zijn aanzienlijk vermogon gaf
hij aan de Zending, terwijl hij zelf zeer eenvoudig leefde. Deu naam
van »Zendingsbedelaar," dien men hem spottend had gegeven, schaamde
hij zich niet; waar wat voor de heidenen was te verkrijgen, klopte
-ocr page 98-
96
hij aan en hij werd niet beschaamd. Meer en meer nam de belang-
stelling voor zijne zaak, in zijü vaderland toe en schonk men hem
milde giften. Zoo kwam hij eens bij eene dame, die voor f 1000
teekende, doch daar zij bemerkte, dat zij zooveel geld niet in huis
had, verzocht zij hem het voor haar op haar landgoed te halen. Toen
hij met het geld terugkwam, nam zij eene pen en veranderde de 1
in eene 2, zoodat Coke f 2000 ontving. Haar eenvoud en christelijk
geloof trokken Coke zoo aan, dat hij nader kennis met haar maakte
en eindelijk met haar in het huwelijk trad. Met blijdschap gaf zij
ook haar vermogen, tot uitbreiding van het rijk des Heeren en tot
aan haar\' dood vergezelde zij steeds haren man op zijne vele reizen.
Verbazend was zijne werkzaamheid, daar hij voortdurend zendings-
toespraken hield, de geldelijke aangelegenheden bestuurde en geregeld
briefwisseling hield met de Zendelingen om met den toestand der
Gemeenten op de hoogte te blijven.
Op zijn zes en zeventigste jaar gaf hij den wensch te kennen om
voor zijn sterven nog in Oosl-Indiii voornamelijk op Ceylon een\'
Zendingspost te vestigen. In hetzelfde jaar nog ging hij met. 7 zen-
delingen op reis. Doch hij mocht Indiii niet bereiken: de Heer riep
hem naar huis. Op den 3en Mei vond men hem dood in zijne kajuit.
Zijne metgezellen vestigden den Zendingspost op Ceylon. Veel heeft
hij voor de Zending gedaan onder de slaven, zoodat hij niet ten
onrechte den naam van Apostel van West-Indiè\' draagt. Zijn werk
leverde rijke vruchten op en werd met kracht voortgezet, en thans
zijn er duizenden negers, die den Heere Jezus als hun Zaligmaker
belijden.
-ocr page 99-
NHOUDSOPGAVE.
Blz.
Inleiding..................       5
De eerste Gemeenten. De eerste Zendelingen.......      6
De Apostolische Kerken. Paulus, de Apostel der heidenen . .     10
De uitbreiding van het Christendom in de tweede en derde eeuw.     15
Consïantijn de Gkoote, de eerste Christenkeizcr.....    18
De Kerk in het Oosten. Gregorius Illuminator, Nunia,
Frumentius en Aedesius............    22
Ulfilas, de Apostel der Gothen..........     25
De Franken. Clovis, de eerste allerchristelijkste Majesteit . .    27
Het eiland der Heiligen. Patricius..........    29
Columba, de Apostel der Hooglanders.........    33
fi. De invoering van het Christendom onder de Angelsaksers,
Augustinus.................    35
De Zending onder de Duitsche Volken. Columbanus, Gallus
en Kiliaan.................    38
Bonifaciüs, de Apostel der Duitschers........    40
Het Christendom in ons Vaderland. Willebrord, de Apostel
der Friezen.................    44
De Saksers. Karel de Groote...........    48
Ansgamus, de Apostel van het Noorden........     51
Het Evangelie onder de Slaven. Cyrillus en Metuodius . .    55
Verdere uitbreiding van het Christendom onder de Europeesche
volken gedurende de 12e eeuw..........    57
-ocr page 100-
buirfF
Blz
Pruisen. Adelbert van Praag, Bruno, Christiaan ....    61
Aanvang der Zending onder de Koodhuiden. John Elliot, de
Apostel der Indianen..............    65
De eerste Protestantsclie Zending in Deensch Oost-Indië. Zie-
GENBALG..................      69
Vervolg. Christiaan Frederik Schwartz.......    72
De Zending in Lapland. Thomas van Westen, de Apostel van
Lapland..................    74
De Zending in Groenland. Hans Egede, de Apostel van G roenland.    77
De Zending der Broedergemeente in Groenland. Matthias
Stach en Christiaan David...........    81
De Zending in Labrador. Jens Haven........    85
Aanvang der Zending in West-Indic. Leonard Dober en David
Nitschmann................    89
Vervolg. Thomas Coke, de Apostel van West-Iudië ....    93