-ocr page 1-
UB-ZUID
PKE
126
-ocr page 2-
\\o?$
o
*v\\»vl
-ocr page 3-
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000034916290B
3491 6290
-ocr page 4-
-ocr page 5-
BIBLIOTHEEK
HENDRIK KRAEMfifl
INSTITUUT                          i_Ü_
Leidseatraatweg 11                            $2 ~
-Ï341 ©R OEGST6EEST
WILLIAM CAREY.
•
•
-ocr page 6-
-ocr page 7-
m
t
.
<
-ocr page 8-
Carey en zgn leermeester Ram Bosoo.
-ocr page 9-
I\'IU
io4
WILLIAM CAREY.
DE GKOOTE APOSTEL VAN VOOK-INDIË.
M. SCHUURMAN.
•<Nlb\'ÈI MET EEN PLAATJE. jkfc^»
LEIDEN. — D. DONNER.
-ocr page 10-
INHOUD.
Blz.
I. Schoenmaker, Schoolmeester en Dominé.....................     I
II. Een groote sprong.......................................     9
III.  De liefde van Christus dringt mij............................   12
IV.  De zon door de wolken...................................   20
V. De Bijbel in veertig talen..................................   28
VI. Heidensche gruwelen......................................   32
VII. Niet Dr. Carey, maar Jezus................................   38
-ocr page 11-
I.
^cnaenmalter, Stfuiolmeester en f ümituf.
„William, William, wat hebt gij daar nu weer voor een
boek! Laat die prullen toch over voor de menschen, die er
geld en tijd voor hebben, (jij hebt er niets aan; zij maken
u maar ongeschikt voor uw werk en daarom zeg ik u: houd
er mede op, want anders wil ik u niet langer in mijn dienst
hebben, verstaat gij l" — Dit zeide baas Nichols tot een
jongen van 17 jaar, die bij hem het schoenmaken leerde. De
aanleiding was, dat William — zoo heette de jonge knecht —
op den zolder eene uitlegging van het Nieuwe Testament
had gevonden, met letters er in, die hij niet kon lezen. Daar
hij zeer leergierig was en daarbij doorzettend van karakter,
had hij geen rust, vóór hij wist wat die vreemde letters be-
teekenden. Hij vroeg aan ieder, dien hij maar eenigszins
daartoe in staat achtte, of hij ze hem verklaren wilde, en, al
was hij vaak teleurgesteld, eindelijk toch had hij den rechten
man getroffen, die hem niet alleen had kunnen zeggen, dat
het Gtrieksche letters waren, maar zelfs aangeboden had hem
in de Grieksche taal te onderwijzen. Dat William dit vrien-
delijk aanbod gretig had aangenomen, behoeft niet gezegd
te worden. Had hij tot het dak van zijn zolderkamertje kun-
CABEY.                                                                                                                             1
-ocr page 12-
2
nen springen, hij had het dien avond ongetwijfeld, van blijd-
schap, gedaan. Elk ledig uur zag men hem met zijn boek in
de handen, en hij maakte goede vorderingen, tot groote vreugde
van zijn leermeester, maar ook tot groot verdriet van baas
Nichols, die hem daarvoor al dikwijls had beknord. Maar
wat hielp al dat knorren? „Het zit er nu eenmaal in" —
had zijne moeder menigmaal tot zijn vader gezegd — en zoo
was het ook. Reeds vroeg had hij een onbedwingbaren lust
tot lezen en leeren getoond. Kon hij een boek machtig wor-
den, dan legde hij het niet uit de handen, vóór hij het ge-
heel gelezen en ook, zooveel mogelijk, had verstaan. Overi-
gens had hij niet bijzonder veel onderwijs genoten. Op het
dorp Paulerspury in Engeland, waar hij den 17den Aug. 1761
geboren was, bestond alleen gelegenheid om het lezen, schrij-
ven en rekenen te leeren, en zijn vader Edjiund Caeey was
maar een eenvoudige wever, die met zijn handwerk niet ge-
noeg verdiende, om zijn zoon eene betere opvoeding te ge-
ven. Op veertienjarigen leeftijd moest hij reeds zijn eigen
brood gaan verdienen. Hij werd door zijne ouders als knecht
verhuurd bij een boer, hetgeen hem aanvankelijk zeer wel
beviel; maar al spoedig bleek het dat zijn gestel tegen dat
zware werk in de open lucht niet was bestand, zoodat hij,
na eene ernstige ongesteldheid, die er het gevolg van was,
wel moest uitzien naar eene andere plaats. Die andere plaats
was bij den schoenmaker Nichols te Hackleton, eenige uren
van Paulerspury, waar William zijne vrije uren doorbracht
met het leeren van de Grieksche taal, en waar hij ook, on-
danks al de bedreigingen van weggezonden te worden, tot
den dood van zijn meester bleef.
Behalve van zijne boeken, hield William ook veel van de
kerk. Hij was uiterlijk een zeer godsdienstige jongen, en niet
weinig trotsch bij de gedachte, dat hij zoo goed oppaste en
er zoo weinig op hem viel aan te merken. Of hij evenwel
-ocr page 13-
3
het ééne noodige bezat, was niet zeer duidelijk; misschien
had hjj er zich nog nooit ernstig over bekommerd. Toen
hij althans in zijne nieuwe betrekking in kennis kwam met
een anderen knecht, bij wien de godsdienst eene zaak des
harten was geworden en die met William veel over de nood-
zakelijkheid der bekeering sprak, begon hij er soms ook
zelf aan te twijfelen of het wel zoo goed met hem stond
als hij meende. Wat zou het zijn, als hij zich eens bedroog!
In geheimen angst over zijn toestand, ging hij nu de verga-
deringen der vromen bezoeken; wijd in den omtrek liep hij
de predikers na, van wie hij verwachten kon, dat zij hem
de waarheid zouden zeggen; hij begon ernstiger de Heilige
Schrift en andere boeken te onderzoeken, maar niets stelde
hem gerust; allen dreven hem in de engte; alles begon hem
toe te roepen: het is niet wel met u! Van lieverlede opende
de Heere zijne oogen, zoodat hij leerde inzien dat al zijne
deugd en braafheid voor God niets beteekende, ja dat hij
verloren zou gaan, als hij niets anders had. Zijn hart was
soms als verscheurd door den inwendigen strijd, dien hij had
te strijden. Eéne vraag hield hem dag en nacht bezig: hoe
zijne ziel gered zou worden, en hij legde deze vraag in vu-
rige gebeden zoolang voor den Heere neder, totdat hij ein-
delijk, aangemoedigd door het lezen van een boek, getiteld:
„Gids voor de reizigers naar Sion," zich geheel en onvoor-
waardelijk aan Jezus overgaf en vrede voor zijn hart vond
in het geloof, dat Christus Jezus in de wereld was gekomen
om ook zijn Heiland en Zaligmaker te zijn.
Groot was de verandering, die daardoor in zijn hart en
leven plaats greep. Wat hij voor zichzelven verkregen had,
daarvan wilde hij nu ook aan anderen mededeelen. Hij kwam
in de avond-bijeenkomsten, niet meer alleen om er te luiste-
ren, maar om nu ook zelf te getuigen van de liefde van
Christus, die zijn hart brandend had gemaakt, en hij deed
-ocr page 14-
4
dit met zulk een gloed en kracht van overtuiging, dat allen
zich over hem verwonderden.
Wat was het heerlijk, tot anderen te mogen spreken van
die alles overklimmende en alles vergevende liefde van God
in Jezus Christus! Wat waren in Williams oog die predikers
te benijden, die er hun gansche leven aan konden wijden, en
altijd mochten bezig zijn in de dingen van het Koninkrijk
Gods! Maar hij mocht dat niet; hij moest schoenmaken, en
ach, dat schoenmaken — het scheen dat hij er hoe langer
hoe ongeschikter voor werd.
Het werd nog niet beter, toen hij in het huwelijk was ge-
treden en zelf eene zaak had opgezet. Menige zucht kwam
over zijne lippen, want de weg, waarover hij geleid werd,
was zoo moeilijk. Hij kreeg kinderen, maar had er nauwlijks
brood voor. Het werk wilde niet vlotten. Zijne vrouw werd
somtijds bitter ontevreden. Een aanvallig meisje van twee
jaar werd hun door den dood ontnomen. Toen werd hij zelf
ziek en bleef anderhalf jaar sukkelend. Het was alsof er aan
den donkeren nacht der beproeving geen einde zou komen;
maar te midden van zijne armoede, verdrukking en lijden,
bleef William Carey, ook al maakte de vloed der ellende, die
tot zijne lippen steeg, hem soms tot stikkens benauwd, toch\'
altoos vasthouden aan zijnen God, in onwankelbaar vertrou-
wen, dat de Heere thans bijzondere redenen had om alzoo
met hem te handelen, maar om eens toch betere tijden voor
hem te doen aanbreken.
Daar Carey weinig te doen had in zijn schoenwinkel en
gaarne elke gelegenheid aangreep om er nog iets bij te ver-
dienen, opende hij eene school, om kinderen onderwijs te
geven in het lezen en schrijven, hetgeen in zijn dorp geene
overbodige zaak was. Het liefst evenwel was hij in de gods-
dienstige bijeenkomsten. Al had hij, wegens zijne armoede,
geene voegzame kleeding, dit hield hem nooit terug; werd
-ocr page 15-
5
hij niet bijzonder verhinderd, dan vond men zijne plaats nim-
mer ledig en zijn spreken en bidden, en heel de leiding die
hij aan de vergaderingen gaf, was zoo aangenaam en opwek-
kend, dat men gaarne zijne povere kleeding vergat. Het ge-
rucht van zijne bijzondere gaven drong al zeer spoedig
tot andere dorpen in den omtrek door. Dit was oorzaak dat
er langzamerhand eene groote wending kwam in den loop
van zijn leven. Eens op een avond, toen Carey van eene ver-
gadering weder was thuis gekomen en in de flauw verlichte
kamer, waar de armoede hare sporen op al het huisraad had
afgedrukt, met den geopenden Bijbel voor zich zat, terwijl
zijne vrouw bezig was met het verstellen van de kousen der
kleinen, werd er aan zijne deur geklopt en traden drie on-
bekende mannen binnen. Na de gebruikelijke groeten gewis-
seld te hebben, vroeg de heer Chater, één van deze drie:
„Zijt gij Carey, de schoenmaker?" „Ja mijnheer, ik ben Wil-
liam Caeey," was het antwoord. „Wel — hernam de heer
Chater — wij zijn met ons drieën van Barton gekomen om
u een vriendelijk, maar zeer dringend verzoek te doen. Wij
hebben namelijk gehoord, dat gij somtijds voorgaat in de
godsdienstige vergaderingen, die hier in het dorp gehouden
worden, en dat de Heere u daartoe bijzondere gaven ver-
leend heeft. Is dat zoo?" — „Wat het eerste betreft, ja —
zeide Carey — maar wat het tweede aangaat, dat weet ik
niet. Ik ga wel somtijds voor in onze bijeenkomsten, maar
ach".... — „Sta mij toe, dat ik even voortga. Wij zijn te
Barton reeds lang begeerig Gods Woord te hooren. Maar
niemand komt tot ons; de kerk is ledig, en als wij niet on-
derwezen worden in de dingen der eeuwigheid, waar moet het
dan met ons en met onze kinderen heen! Wy hebben daarom
besloten ons tot u te wenden en u de vraag ernstig aan het
harte te leggen: Zoudt gij u de moeite niet willen getroos-
ten, Carey, om ook ons de woorden des levens te verkondigen?"
-ocr page 16-
G
„Maar mijnheer Chater — zeide Caeey — ik ben slechts
een arme schoenmaker; ik ben geen prediker. Neen, neen,
hoe gaarne ik ook zou willen, dat in uw dorp Gods Woord
zuiver gepredikt werd, gij moet dit van mij niet verwachten;
ik ben er niet toe bekwaam." — „Niet toe bekwaam? Maar
beste vriend, staat het dan aan onszelf te beoordeelen of wij
bekwaamheid bezitten om te arbeiden in Gods Koninkrijk?
Zoudt gij dan de gave, welke de Heere u geschonken heeft,
willen verzuimen, en intusschen ons tevergeefs laten honge-
ren naar spijze voor onze zielen? En als gij het hier kunt
doen, waarom zoudt gij het ook niet bij ons kunnen?" —
Zoo spraken ze nog eenigen tijd met elkander voort. Hoe
meer bedenkingen Caeey maakte, hoe sterker de mannen van
Barton er op aandrongen, dat hij komen zou, en het einde
was, dat Caeey hun verzoek niet meer durfde weigeren en
beloofde er aan te zullen voldoen. Eivol was de kerk, toen
Caeey voor de eerste maal te Barton zou spreken. De een
kwam om te spotten met den fijnen schoenmaker; een ander
wilde dien verwaanden man wel eens zien, die dacht dat hy
ook al dominé kon wezen; een derde kwam omdat alle an-
deren er kwamen, en een vierde kwam uit belangstelling,
met het gebed in het hart, dat de Heere zijnen dienstknecht
toch niet mocht beschamen. En dat gebed bleef niet onver-
hoord. Wel zag men aan zijne kleeding, handen, aangezicht,
kortom aan alles, dat Caeey geen man was, die zijn leven
lang gestudeerd had, maar de stilte, die er gedurende de
godsdienstoefening heerschte was voldoend bewijs, dat zijn
eenvoudig getuigenis van de heerlijke genade Gods in Jezus
Christus, uitgesproken in de kracht der bezielde overtuiging,
alle vooroordeelen had doen wegvallen en hem eene plaats
had doen winnen in het hart van menigeen, die, weinige
uren tevoren, hem nog had bespot.
Zoo werd Caeey, door de wonderlijke leiding des Heeren,
-ocr page 17-
7
steeds meer voorbereid tot de grootsche taak, welke voor
hem was weggelegd. Des daags was hij schoenmaker, des
avonds was hij prediker. Ook in zijne geboorteplaats wenschte
men hem te hooren en, al klopte het hart hem wat snel,
omdat hij niet alleen zijne vrienden en kennissen, maar ook
zijn vader en zijne moeder onder het gehoor zag, hij weigerde
toch niet — en de Heere gaf zulk een zegen op zijne pre-
diking en bevestigde hem zóó zichtbaar in dit werk, dat ten
laatste aan het verlangen van velen wel moest worden vol-
daan, dat Carey tot het werk der H. Bediening zou worden
afgezonderd. Twee jaren moesten nog verloopen, eer hij in
het ambt zou worden bevestigd. Eindelijk kwam de dag.
Het was de lste Augustus van het jaar 1787. Bevend zat
de bijna zesentwintig-jarige man aan den voet van den kan-
sel. Hij kon van blijdschap nauwelijks gelooven, dat thans
de ure geslagen was, waarin zijn vurigste wensch, zoolang
in stilte gekoesterd, in vervulling zou gaan. En toch — stond
daar op den kansel niet reeds de leeraar, die van elders ge-
komen was om hem in het dienstwerk des Heeren te beves-
tigen? Zat daar niet zijne gemeente achter hem, vol verlan-
gen om hem als haar leeraar te begroeten? Zie, daar klom,
nadat het plechtig: „ja!" door de kerk had weerklonken, de
leeraar den kansel af; hij legde zijne handen op Cakey\'s
hoofd; smeekte vurig dat de Heere den arbeid van dezen
Zijnen dienaar wilde zegenen tot bekeering van vele zondaars
en tot versterking van Zijn volk in het allerheiligst geloof,
en toen deze plechtigheid was afgeloopen, toen was zijn hart
als weggesmolten in ootmoedige dankbaarheid aan zijnen
God, die hem zoo ongedacht, maar toch zoo kennelijk, tot
dit groote werk geroepen had.
Men kon niet zeggen, dat Carey om tijdelijk voordeel de
bediening des Woords had gezocht. Zijn gansche inkomen
bedroeg slechts 180 gulden per jaar. Daar hjj onmogelijk
-ocr page 18-
8
hiervan leven kon, moest hij wel het ontbrekende op andere
wijze trachten aan te vullen en hij ging weer schoolhouden.
Maar toen dit op den duur niet ging — want zelf verhaalt
hij: „toen ik de school nam, namen de jongens mij" —
schaamde hij zich niet, zijn vorig handwerk weder op te
vatten en zelfs knecht te worden bij een schoenmaker te
Northampton, waar hij eiken morgen heenging en vanwaar
hij eiken avond naar huis terugkeerde. Zoo was hij schoen-
maker, schoolmeester en dominé, bijna tegelijk; maar de
Heere had hem nog voor iets anders bestemd.
-ocr page 19-
II.
€m grwrt* sarong.
Tegen het einde der vorige eeuw leefde in Engeland de
groote ontdekkingsreiziger Cook. Zijn naam zweefde op aller
lippen. Hij had gereisd van pool tot pool; hij had vreemde
landen ontdekt; had van die landen kaarten gemaakt en al
zijne reizen waren heschreven in boeken, die weldra onder
het volk waren verspreid en in lange winteravonden menig
huisgezin vermaakten door hunne aantrekkelijke verhalen.
Ook William Caeeï had ze gelezen. Maar terwijl de meesten
met die boeken niets anders hadden gedaan dan hun kennis
verrijken van vreemde landen en volken, en er zichzelven
eene aangename afleiding door te bezorgen, had Caeey er
nog iets anders mede gedaan. Hij had tusschen de regels in
gelezen, dat die wilde menschen in de vreemde landen óók
menschen waren van gelijke beweging als hij; dat zij, niet
minder dan de beschaafde Europeanen, voor de eeuwigheid
bestemd waren en dan ook, als zij, een Heiland noodig had-
den, en hij vroeg zichzelven af: hoe worden zij met den weg
der zaligheid bekend ? Wie moet hun het Evangelie brengen,
zonder welks licht de duisternis hunner onkunde niet ver-
dreven kan worden? En zijn hart antwoordde daarop: dat
moeten w g doen! — Dit was inderdaad eene eenigszins nieuwe
-ocr page 20-
10
gedachte. Want wel waren er ook vroeger Zendelingen ge-
weest die hun leven hadden overgegeven om den Heere te
dienen in de zending onder de heidenen en in den laatsten
tijd nog waren sommigen uitgegaan, zooals Beaineed naar
N.-Amerika en Schwaetz naar Voor-Indië, maar uitgenomen
de Moravische broederschap, had zich nog geen bepaald ge-
nootschap gevormd om met de zending onder de heidenen
een doortastenden voortgang te maken. En dat toch moest
geschieden. God was voornemens de poorten des Heidendoms
voor het Evangelie te openen en Hij gaf het onzen armen
schoenmaker in het hart, de groote zendingsgedachte te grij-
pen en bij duizenden voor hare noodzakelijkheid de oogen
te openen. Caeey was er geheel van vervuld. Het achtervolgde
hem in school en huis, onder zijn werk en op den preek-
stoel, als hij sprak en bad, steeds stond hem de heidenwereld
voor den geest en was het hem als hoorde hij haar met
heesche stemme vragen: Wanneer komt gij toch tot ons?
Doch zooals Caeey er over dacht, dacht er bijna niemand
over. Kwam hij er mede bij zijne vrouw, dan werd zij bijna
korzelig; kwam hij er mede bij de predikers, van wie hij
anders verwachten mocht, dat zij ook den nood der heiden-
wereld gevoelden, dan werd hij uitgelachen. Men vond zijn
denkbeeld bijna bespotteljjk. Door dit alles liet hij zich even-
wel niet uit het veld slaan. Om aanschouwelijk voor te stel-
len, hoe het met den godsdienstigen toestand der wereld ge-
steld was, maakte hij eene groote kaart en schilderde daarop
met lichte kleur de landen waar het Evangelie wel, en met
zwarte kleur de landen, waar het Evangelie niet bekend was.
Hij liet geene gelegenheid voorbijgaan om zijn volle hart
lucht te geven. In elke vergadering leidde hij het gesprek
daarheen; in elk openbaar gebed bracht hij die zaak voor
den Heere, maar het duurde lang, eer iemand van zijne me-
debroeders in de Bediening, in dit opzicht, aan zijne zijde
-ocr page 21-
11
stond. Het was den meesten zelfs te veel er ernstig over na
te denken. Maar Cakey dwong er hen ten laatste toe, want
toen hij in 1786 op eene groote predikanten-vergadering uit-
genoodigd werd eene vraag in het midden te leggen, die
dan terstond besproken zou worden, waagde hij het de vraag
te doen, of het bevel aan de apostelen, om het Evangelie te
prediken aan alle creaturen, niet verplichtend was voor alle
volgende dienaren des Woords. Nog spotte men met zijne
denkbeelden; men noemde hem een ellendigen drijver, maar
het zaad, dat Caeey had gestrooid, liet toch niet na te zijner
tijd rijpe vrucht voort te brengen, al duurde het ook nog volle
vijf jaren. Toen kwam er eindelijk uitzicht. Wederom op eene
predikanten-vergadering in 1791, hield Cakey eene rede over
de woorden van Jesaja 2 vers 3. In die rede ontwikkelde hij
zijne zendingsgedachten opnieuw en riep zijne broeders toe:
„Verwacht groote dingen van God en onderneem groote
dingen voor God!" — met dat gevolg, dat men eenparig be-
sloot op eene vergadering in het volgend jaar tot de op-
richting van een Zendingsgenootschap over te gaan. Het
volgend jaar kwam. Tot groote vreugde van Caeey werd
met de zaak een begin van uitvoering gemaakt en voor dat
doel de eerste collecte gehouden, die ongeveer ƒ 160 opbracht,
welke som weldra tot ƒ 850 aangroeide. Het kwam nu nog
maar aan op de plaats, waar men zou beginnen en op een
geschikten man, dien men het eerst zou kunnen uitzenden.
O, wat popelde het hart van Cakey, toen men eene oproe-
ping deed! Hoe gaarne zou hij zichzelven daarvoor hebben
aangeboden! Hij deed het evenwel niet, en een zekere heer
Thomas werd benoemd, doch toen deze verklaarde de benoe-
ming niet te zullen aannemen, tenzij er iemand met hem
mede zou gaan, toen waagde hij eindelijk den grooten sprong;
hij zeide: „ik zal gaan!" en — hij ging.
-ocr page 22-
III.
$e liefde uan ^ïiratas dringt mij.
„Lieve vrouw! — zeide Caeey, toen hij thuis kwam — raad
eens wat ik nu gedaan heb." „Ja — was het antwoord —
dat kan ik al moeilijk raden. Naar den toon te oordeelen,
waarop gij spreekt, moet het wel zeer gewichtig zijn; ik
hoop toch niet, dat gij iets kwaads hebt gedaan?" — „O,
neen, iets kwaads niet, althans dat geloof ik niet; ik heb
niets anders gedaan, dan waartoe ik meende, dat de Heere mg
riep." Onder dit spreken legde zijne vrouw haar werk neder.
Brandend van nieuwsgierigheid, wat Cakey nu weer in
\'t hoofd mocht gekregen hebben, sprak zij: „Maar zeg mg
dan toch, wat gij gedaan hebt; gij houdt mij zoo lang op,
alsof gij er niet mede voor den dag durft komen." Eigenlijk
was dit ook wel zoo; het viel hem moeilijk zijn besluit aan
zijne vrouw mede te deelen, want hij was volstrekt niet zeker,
dat zij er evenzeer mede zou ingenomen zijn als hij. Maar
het voor haar te verzwijgen ging natuurlijk nog veel min-
der en daarom gaf hij haar met kloppend hart ten ant-
woord: „Nu dan, ik zal het u zeggen. Gij weet, dat de heer
Thomas door het Bestuur van ons Zendingsgenootschap be-
noemd is om als Zendeling naar Voor-Indië te gaan. Hg
heeft die benoeming aangenomen op ééne voorwaarde; hg
-ocr page 23-
13
wilde namelijk dat minstens één hem zou vergezellen." —
„En nu zijt gij toch niet zoo dwaas geweest om u daarvoor
aan te bieden?" vroeg zij in haastige spanning. — „Juist
geraden, hernam Caeey. Ik ben heden naar de Vergadering
van het Bestuur geweest. Ik werd inwendig gedrongen er
heen te gaan, niet wetende wat ik er doen zou, want had
ik het geweten, dan zou ik er zekerlijk vooraf met u over
gesproken hebben. Maar toen ik er kwam en men mij de
voorwaarde bekend maakte, welke de heer Thomas had ge-
steld, toen kon ik niet langer zwijgen; wat mijn hart reeds
zoo lang had begeerd, moest er nu uit — ik bood mij aan
om als tweede Zendeling mede te gaan, en dat aanbod werd
met blijdschap aanvaard." Carey voelde een pak van zijn
hart glijden toen het hooge woord er uit was, maar thans
kwam de beurt aan zijne vrouw. Bleek van schrik had zij
zijn besluit vernomen. Zij zag hem aan met oogen als had
hij eene misdaad begaan, want de liefde, die hem had be-
wogen, zich volkomen aan den dienst des Heeren te wijden,
was haar vreemd; althans in die mate. Een stroom van ver-
wijtingen vloeide over hare lippen. Zij gaf geheel aan haar
gevoel van weerzin toe; zij dreigde, vleide, bad, smeekte
hem, dat hij toch dat besluit terugnemen zou; zij wees op
de kinderen; zij wees op hun beider betrekkingen en ver-
klaarde ten laatste op zeer stelligen toon, dat, indien hij bjj
zijn voornemen bleef, zij niet van zins was met hem te gaan,
maar hem alleen zou laten trekken. Toen werd het hem een
oogenblik bang om het hart; zooveel tegenstand had hij
niet verwacht. In diep gepeins zat hij langen tijd voorover
gebogen; het was hem als stond hij op een tweesprong,
waar hij eene keuze moest doen. Blijkbaar viel hem die
keuze niet zeer gemakkelijk, maar, als werd het hem ten
laatste op eens aan alle kanten licht, beurde hij het hoofd
op en zeide: „Welnu, als het niet anders kan, dan zal ik
-ocr page 24-
14
alleen gaan. Mijn geweten verbiedt mij ook maar één woord
terug te nemen van hetgeen ik gezegd heb. Was het om tij-
delrjk voordeel, ik verzeker u, lieve vrouw, ik zou naar u
luisteren; ik zou het pad der eenzaamheid niet willen gaan,
maar de Heere roept mij thans, en de liefde tot Hem dringt
mij om aan zijne roepstem gehoor te geven. Houd mij niet
tegen, ik moet gaan, want die iets, of iemand liever heeft
dan Mij — zegt Jezus — is Mijns niet waardig."
Dit was de eerste moeilijkheid, welke Caeey ontmoette
op den nieuwen weg, waarop hij zijn voet had gezet, in het
vaste besluit tot geen prijs terug te gaan. Hij had evenwel
buitengewone ondersteuning van zijnen God noodig om bij
dat besluit te blijven. O wat bonsde zijn hart, als hij dacht
aan het verlaten van zijne vrouw en kinderen, waartoe het
straks komen moest om hen misschien nimmer weder te zien!
En het scheen of alles samenspande om hem aan het wan-
kelen te brengen. Toen zijne Gemeente hoorde, wat hij van
plan was, weigerde zij hem te laten gaan.
Eene derde moeilijkheid werd hem in den weg gelegd
doordat er geen schip was te vinden dat de nieuwe Zende-
lingen naar Calcutta in Voor-Indië wilde overbrengen. Maar
het langdurig oponthoud, dat door deze laatste hindernis
veroorzaakt werd, had voor Caeey nog eene heerlijke uit-
komst. Zijne vrouw had nu tijd om over hare weigering na
te denken; om te overleggen, wat er van haar en van de
kinderen worden moest; hoe smartelijk het voor haren man
wezen moest, in dat vreemde land rond te zwerven zonder
hare hulpe en bovenal, hoe zondig het zijn zou tegen den
Heere, als zij, die geroepen was Zijnen dienstknecht te ster-
ken, hem in het volbrengen van zijn roeping tegenhield. En
de Heere bond haar dit alles zóó nauw op het hart en
maakte haar zóó onrustig over hetgeen z\\) tot haren man
gezegd had, dat zij eens, toen Caeey van een reisje naar
-ocr page 25-
15
Londen, waar hij de noodige schikkingen voor zijn vertrek
had moeten maken, thuis kwam, met een opgeruimd gelaat
tot hem zeide: „Beste man, ik neem mijne woorden terug;
ik ga met u mede, en de kinderen ook. O, wat ben ik blijde,
dat mijn hart er toe geneigd is geworden; eerst zag ik
niets dan bezwaren en omdat ik er niet over heen kon ko-
men, werd ik boos, maar nu zijn alle bezwaren weg!" Dat
er dien avond een hartelijk dankgebed uit Carey\'s woning
tot den Heere opsteeg, behoeft niet te worden gezegd. De
Heere had de eerste moeilijkheid uit den weg geruimd, en
weldra nam Hij ook de tweede en de derde weg, zoodat nu
in blijde stemming der ziel, de toebereidselen voor het ver-
trek konden worden gemaakt.
De 13de Juni 1793 was de dag, die voor de afvaart was be-
stemd. Kort te voren had in de kerk te Leycester de plechtige
uitzending der Zendelingen plaats. Eene groote schare was
saamgevloeid; menig woord van bemoediging werd hun toe
gesproken; menige traan van stille ontroering werd er ver-
goten. De heer Tullek, Secretaris van het Zendingsgenoot-
schap, sprak het laatst. Hij riep hun toe: „Graat dan ge-
liefde Broeders! aangevuurd door het uitzicht om Hindoe en
Mohammedaan te doen knielen aan Jezus\' voet. Aan de oevers
van den Ganges wachten u de velden, die wit zijn om te oog-
sten. Volbrengt uwe roeping trouw in de kracht des Hee-
ren, dan zult gij ten laatsten dage, door onzen grooten
Zaligmaker, aldus worden toegesproken: Komt, gezegenden
mijns Vaders — dezen waren hongerig; gij hebt hen ge-
voed; dezen waren dorstig, gij hebt hun te drinken gege-
ven; dezen zaten in de gevangenis, gij hebt hen uitgeleid in
heerlijke vrijheid — gaat in, in de vreugde uws Heeren!" —
Toen het „Amen" over hunne hoofden was uitgesproken,
en de Vergadering met een hartelijk „Vaarwel!" uiteenging,
-ocr page 26-
16
gevoelden Cakey en Thomas beiden, dat Engeland hun Va-
derland niet meer was.
Den 13den Juni stapten zij aan boord van het schip „de
kroonprinses Maria." Eene lange reis lag voor hen. Wat men
tegenwoordig in drie weken kan doen, daar had men toen
vijf maanden voor noodig, maar al duurde de reis lang en
al werd het schip op de onstuimige baren zóó hevig geslin-
gerd, dat het vaak scheen als zou de bodem der zee hun
aller graf worden, Carey bleef steeds vast in het vertrouwen
dat de Heere hen beveiligen zou, en den 9den November kwa-
men zij behouden in de haven van Calcutta aan. Wat er
omging in hunne ziel, toen zij die groote stad met hare vele
duizende inwoners voor zich zagen, verzonken in bijgeloof
en zonde, zonder God en zonder hope — is niet licht te be-
schrijven. Grootsch was hun taak, die sterkte des satans aan
te grijpen; vol verlangen hunkerde hun hart om het eerste
woord des Evangelies te doen hooren, maar al spoedig bleek
het, dat ook hier, gelijk bijna overal elders, met een zaaien
onder tranen moest worden begonnen. Pas hadden zij in de
stad een onderkomen gevonden, of zij werden gewaar dat de
levensmiddelen in Calcutta zóó duur waren, dat zij er on-
mogelijk konden blijven. Zij gingen zich daarom op een
dorp in de nabijheid, vestigen. Dit beviel echter ook niet,
want nu konden zij niets uitrichten. Z\\] moesten dus wel
weer optrekken en naar eene andere plaats uit zien. Maar
waar zij ook kwamen, het was overal of te duur of geheel
ongeschikt, zoodat zij eindelijk toch naar Calcutta terug
moesten. Hier begon voor Carey en zijn huisgezin een tijd-
perk van bitter lijden. In een ellendig tuin-huisje, even bui-
ten de stad, moesten zij wonen en de armoede, die hen hier
overviel, was grooter dan ooit te voren. Daarbij kwam, dat
de verhouding tusschen Carey en Thomas in den eersten tijd
soms veel te wenschen overliet. Deze laatste toch bezat wel
-ocr page 27-
17
veel kennis, maar weinig gezond verstand en een opvliegend
karakter, hetgeen oorzaak was dat Cakey bij zijne terug-
komst te Calcutta aan de. grenzen der moedeloosheid gena-
derd was. Had hij niet zulk eene vurige liefde gehad tot het
werk, waartoe hij zich had aangegord, hij had het onmogelijk
kunnen volhouden. Maar zijn ijver verzwakte niet; te midden
van zijn lijden bleef zijn oog, vol vertrouwen, op den Heere,
zoodat hij in zijn dagboek aanteekende: „In dit vreemde land
sta ik alleen; ik heb geen vriend, die mij met raad of hulp
ter zijde staat; — mijne vrouw en twee mijner kinderen zijn
ziek en ik heb geen middelen om hen te onderhouden. Maar
ik wankel niet. Al mijne vrienden zijn slechts Eén, maar
Hij is algenoegzaam en kan al mijne tijdelijke en geestelijke
behoeften vervullen. Alles is Gode bekend en Hij zal voor
de Zending zorgen. Geloofd zij Zijn Naam! ik ben vol
vrede; ik verheug mij het werk ondernomen te hebben en
verlang zeer naar den tijd, dat ik de taal der Hindoe\'s ken
«n tot de arme menschen spreken kan van het ééne, dat
hun boven alles noodig is."
Hoe vol zijn hart dan ook mocht zijn van zorgen, Carey
liet er zich niet door vervoeren. Het werd hem meer en
meer duidelijk, dat het grootste gewicht van de taak op
zijne schouders zou gaan rusten en hij liet daarom geen tijd
verloren gaan. Met den meesten ijver legde hij zich nu toe
op de studie der taal, en met de hulp van zijn leermeester
Ram Bosoo maakt hij daarin spoedig zoo snelle vorderingen,
dat hij, nog geen jaar na zijne aankomst, reeds een half
uur achtereen in de taal van Bengalen het Evangelie predi-
ken kon. Ook zijn beproevingstijd nam nu weldra een einde,
zelfs maakte zijn armoede plaats voor eene ruime mate van
welstand. Door een samenloop van gunstige omstandigheden
namelijk, was hem te Mudnabatty eene plaats als indigo-
koopman, aangeboden, waarbij hem een ruim inkomen ver-
CAREY.                                                                                                                             2
-ocr page 28-
18
zekerd werd. Hij had dit met groote blijdschap aangenomen
Niet dat hij voornemens was zijne Zending onder de Hin-
doe\'s op te geven; had hij dit moeten doen, hij zou voor-
zeker de rijkste aanbiedingen van de hand hebben gewezen.
Maar vooreerst liet hem zijn werk als indigo-koopman zoo-
veel tijd, dat hij zich voldoende aan zijne taak kon wijden;
vervolgens werd hij daardoor van den drukkenden last der
armoede ontheven, en eindelijk verschafte hem die betrek-
king eene volkomen gelegenheid, om ongezocht met vele in-
landers in aanraking te komen.
Bijna vijf jaren bleef hij te Mudnabbaty onafgebroken
werkzaam. Over het geheel waren het jaren van rustigen ar-
beid, waarin hij veel kennis verzamelde, niet alleen uit zijne
boeken, die hij steeds meer leerde liefhebben, maar ook van
het land en de zeden, gewoonten en godsdienst zijner bewo-
ners. Helaas, ook hier bleef hem de kastijding des Heeren
niet gespaard. Een jaar was hij in zijne betrekking werk-
zaam, toen hij werd aangegrepen door de koorts. Het scheen
een oogenblik als zou hier zijn leven reeds eindigen. In zijn
dagboek schreef hij den 3den Februari 1795: „Ik ben zeer krank.
Dit is inderdaad het dal der schaduwen des doods. O, wat
zou ik thans willen geven voor de hartelijke toespraak van
een oprechten vriend, zooals ik in Engeland had; maar
toch verheug ik mij, dat ik hier ben. God is hier en Hij
kan uit alles redden." Gelukkig richtte de Heere hem van
het ziekbed weder op. Pas was hij genezen of zijn zoontje
van 5 jaar, de kleine Peter, werd door dezelfde ziekte aan-
getast en binnen twee dagen had het reeds van zijne bedroefde
ouders voor altoos afscheid genomen. Toen de beschikkin-
gen voor de begrafenis gemaakt werden, was er niemand te
vinden, die het lgkkistje wilde maken; dit moest Cakey zelf
doen. Ook konden zij acht uren in den omtrek met moeite
een paar mannen vinden, die het graf durfden graven en
-ocr page 29-
19
het lijkje er heen wilden dragen; en dit was niet zonder reden,
want zij, die door medelijden bewogen, het ten laatste toch
deden, werden door den Mündul — het dorpshoofd — op
strenge wijze gestraft.
Ondanks zulke moeilijke ondervindingen, bleef Caeey in
het werk der Zending, steeds moedig aan het werk. Hij had
nu ook eene school opgericht, hetgeen aanvankelijk vrij
goed ging. Maar vooral de prediking des Zondags was het
element zijner ziel. Dan stelde hij voor Mohammedanen en
Hindoes de hooge voortreffelijkheid des Bijbels boven hunne
godsdienstige boeken in het licht, en hij voelde zijn hart
warm worden als hij tot hen sprak van de diepe ellende des
zondaars, maar ook van de onuitsprekelijke genade Gods
door Jezus Christus onzen Heere.
Zoo bleef Carey werkzaam tot het jaar 1800, toen de
Heere hem naar elders riep, om in gezelschap van andere
Zendelingen het werk voort te zetten.
-ocr page 30-
IV.
ge zon Hoor At nwttten.
„Welkom! welkom! lieve broeder Waed, gij hier?" — „Ja
broeder Carey, dat ben ik zelf. De wegen des Heeren zijn
wonderlijk, want dat hadden wij niet kunnen denken, toen
wij in Engeland van elkander afscheid namen en ik nog boek-
drukker was, dat ik de eerste zou zijn die u hier te Mud-
nabatty een bezoek zou brengen, niet waar?" — „Neen,
waarlijk, dat konden wij toen niet denken, maar ik dank
toch onzen God, dat gij er zijt. O broeder Waed, geef mij
nog eens uwe hand, wat ben ik blijde, dat ik u zie!" —
„Nu, dat gij niet bigde zoudt zijn, daarvoor was ik niet be-
vreesd, want ik ben een oud vriend van u en gij hebt mg
immers ook verwacht? Weet gij nog wel, wat gij tot mij
zeidet, toen wij voor het laatst samen in mijn winkel ston-
den?" — „O, dat weet ik zoo goed als dat ik terstond uw
naam kende. Ik zeide toen: als God ons zegent, zullen wij
een persoon noodig hebben, die voor ons de H. Schrift kan
drukken en ik hoop, dat gij ons spoedig achterna zult ko-
men. Maar kom, beste vriend, laat ons nu in huis gaan, dan
kunnen mijne vrouw en kinderen u ook zien en dan kunt
gij ons eens rustig vertellen, hoe gij toch hier gekomen
zijt." — Dit gesprek had in den morgen van den lsten Dec.
-ocr page 31-
21
1799 plaats op het voorplein van het Zendingshuis te Mud-
nabatty, toen Ward eensklaps op Carey kwam toeloopenj
zonder dat deze van zijne komst tevoren was onderricht.
Deze ongedachte verrassing maakte Carey inderdaad kinder-
lijk bigde en toen hij Waed naar zijne vrouw had gebracht,
nam ook zij in de blijdschap van haar man zulk een deel,
dat zij voor deze keer haar werk tot het allernoodzakelijkste
beperkte, om ten volle van het gezelschap van hun vriend
te kunnen genieten. Toen zij allen gezeten waren, begon
Ward de reden van zijne komst mede te deelen. „Gij moet
niet denken — zeide hij — dat ik de verre reis naar hier
gemaakt zoude hebben, indien daarvoor niet eene gewichtige
oorzaak bestond. Vooreerst moet ik u zeggen, dat ik geen
drukker meer ben, maar Zendeling." — „Zijt gij ook Zende-
ling geworden?" riep Carey opgetogen uit. „Ja, ik ben dat
nu ook geworden — hernam Ward. Langs verschillende we-
gen heb ik daaraan eerst trachten te ontkomen, maar ten
laatste werd de Heere mij te sterk en ik moest mij over-
geven tot het werk, dat door mij niet was begeerd, ofschoon
ik het nu met blijdschap op mij heh genomen. Ik wachtte
slechts op eene gunstige gelegenheid om mij te kunnen aan-
bieden, en toen het Zendingsgenootschap, na van uwen ar-
beid vernomen te hebben, tot de overtuiging kwam van de
noodzakelijkheid, dat u hulp moest worden verleend, en
daartoe eene oproeping deed, heb ik niet geaarzeld mij daar-
voor aan te bieden. Met nog drie andere vrienden: Grant,
Brunsden en Marshman werd ik aangenomen en saam werden
wij daarna geordend en als Zendelingen uitgezonden om u
te helpen in uwen arbeid in Voor-Indië." — „En waar zijn
die drie anderen dan?" vroeg Carey nieuwsgierig. „Dat zal
ik u zeggen — zeide Ward. Gij weet dat de Denen reeds
lang een Zendingspost hebben te Serampore, niet zeer ver
van Calcutta. Daar nu Serampore niet alleen zelf een zeer
-ocr page 32-
22
geschikt arbeidsveld is, maar ook zoo prachtig gelegen is,
om van daar uit Calcutta en andere plaatsen te bereiken,
heeft ons Bestuur geoordeeld, dat wij ons aldaar moesten
nederzetten, gelijk wij ook reeds aanvankelijk hebben gedaan.
En dat ik nu alleen de reis naar Mudnabatty heb gemaakt,
is niet zoozeer om u een vriendschapsbezoek te brengen,
maar is voornamelijk om u naar Serampore mede te nemen." —
Dit laatste bericht inzonderheid werd door Cakey\'s echtge-
noote met groote vreugde vernomen. Hij zelf werd er eerst
weemoedig door gestemd, want hij gevoelde, dat hij reeds
zeer aan het volk, waaronder hij thans leefde en werkte,
gebonden was, maar toen hij er toch een paar dagen over
had nagedacht, scheen het hem voor de Zending ook het
meest voordeelig en zeide: „de wil des Heeren geschiede!" —
Zoo gingen zij dan, na nog eenige dagen toevens op reis, en
den 10den Januari 1800 kwamen Cakey; zijne vrouw, die
onderweg ziek was geworden, en zijne vier kinderen, te
Serampore aan, waar zij zeer hartelijk door de andere Zen-
delingen werden ontvangen.
Er komt in het leven des menschen soms een oogenblik,
waarin hij geplaatst wordt voor eene keuze, die beslissen zal
over heel zijne toekomstige loopbaan. Kiest hij den goeden
weg, het kan, al naarmate hij gaven van God heeft ont-
vangen, van onberekenbaar nut zijn voor hemzelven en voor
den kring, waarin hij zich beweegt; kiest hij den verkeerden
weg, het kan evenzoo tot onberekenbare schade zijn. Zoo
was het ook met Caeey. Toen te Mudnabatty de vraag hem
werd voorgelegd, of hij aldaar wilde blijven of naar Seram-
pore vertrekken, stond hy hij voor zulk eene keuze, en het
besluit dat hij, onder de leiding des Heeren nam, bracht
hem juist ter plaatse, waar hij zijn talent, dat anders waar-
schijnlijk verborgen zou zijn gebleven, ten volle ontwikkelen
-ocr page 33-
23
en besteden kon. Hij was als geboren voor de taak, welke
hem thans zon worden opgedragen. De andere Zendelingen
voelden dit ook zoodra zij hem eenigszins nader hadden
leeren kennen, en in het groote huis, dat zij in \'t midden
van de stad, voor ongeveer 9600 gulden hadden aangekocht
en waar zij allen te zamen woonden, werd hij al spoedig,
stilzwijgend, als de vader en leider der Zending erkend. Hij
maakte het program op voor de wijze van leven en werken,
die voortaan zou worden gevolgd; hij wees een ieder het
werk aan dat hij verrichten moest, en met uitnemenden tact
was hij er steeds op bedacht den ijver van allen aan te
vuren, geen uur nutteloos te laten verloren gaan, en onder
elkander de eenheid te bewaren en het leven der godsvrucht
te bevorderen. Een zware slag trof hen, toen twee van de
Zendelingen, Gkant en Brunsden, niet lang na hunne aan-
komst door den dood werden weggenomen. Met rouw in het
hart werden deze beide broeders door de anderen ten grave
gedragen, maar hun ingaan in de ruste des Heeren vuurde
den ijver en de liefde van Cakey en zijne medebroeders slechts
des te meer aan. „Maakt voort — zoo vermaande Cakey hen
dikwijls — ons leven is kort, maar het is niets, zoo het
slechts vruchten draagt voor de eeuwigheid. Er moeten zielen
worden gered. Het Evangelie moet worden verkondigd. Scholen
moeten worden opgericht; de Bijbel moet worden vertaald.
Volhardt dan in het verborgen, krachtig en geloovig gebed.
Volhardt in den arbeid, ook al kost het de inspanning van
al onze kracht, en let vooral op de voorbeelden van hen,
die uitnemend \'geweest zijn in het werk des Heeren, als op
Brainerd bijvoorbeeld, in de wouden van Amerika, die geen
geluk kende, als er geen heidenen tot Jezus werden be-
keerd!" — Zulke woorden van Carey lieten nooit na eene
bemoedigende uitwerking te hebben. Daar gingen zij heen,
die weinige mannen, als eens de discipelen van Jezus, in de
-ocr page 34-
24
huizen en straten, in de heggen en wegen om de Hindoes
te dwingen in te komen. Hun arbeid was vaak moeilijk en
ontmoedigend; want scheen het soms al, dat een Hindoe be-
geerig was naar het heil dat in Jezus Christus gevonden
wordt, ach, de schrik, dat hij, door zijn afgodsdienst te ver-
laten, van zijne vrienden en bekenden, ja zelfs van zijne
naaste betrekkingen zou gevloekt en uitgeworpen worden,
was alleen reeds genoeg om zijn mond gesloten te houden
en geen woord te openbaren van hetgeen in zijn binnenste
omging. Evenwel kon dit toch niet langer duren, dan God
het gedoogde. Want als de Geest d"es Heeren eenmaal in de
harten gaat werken en voor duisternis licht, voor onrust
vrede, voor vreeze vrijmoedigheid geeft — waar is dan de
sterke die dit werk kan keeren? Dan dreige de vader, dan
verachte de moeder, dan vloeke de priester, maar dan zwijgt
de mond niet meer van hetgeen de ziel vervult; hij kan het
niet meer; hij gelooft, daarom moet hij spreken, en deze
waarheid, reeds door de ondervinding van millioenen bij mil-
lioenen bevestigd, werd ook zoo heerlijk gezien in de ge-
schiedenis der Zending te Serampore. — Dit blijkt uit de
volgende gebeurtenis. Onder de Zendelingen treffen wij ook
weder aan den heer Thomas, die nu in veel betere verhou-
ding stond tot Cauey dan vroeger, en met al zijne driftige
voortvarendheid zijne roeping thans ijverig vervulde in den
wijngaard des Heeren. Daar hij doctor was in de genees-
kunde, bewees hij der Zending uitstekende diensten, want de
menschen wilden gaarne van hem geholpen zijn. Eens kwam
iemand tot hem, die zijn arm had ontwricht. Deze man was
timmerman van beroep en heette Kbishnu Pall. De Zendings-
dokter hielp hem terstond, maar toen zijn arm weder in het
lid was, bleek het, dat hij veel minder met zijn arm te doen
had dan met zjjne arme ziel. Tot tranen bewogen riep hij
uit: „o mijne heeren, ik ben een groot zondaar, een groot
-ocr page 35-
25
zondaar ben ik! redt mij, redt mij toch!" — De Zendeling
zeide natuurlijk, dat zij dit niet konden doen, maar wees
hem op Jezus als den algenoegzamen Zaligmaker, en daar
Keishnu dicht bij het Zendingshuis woonde, bood hij aan
hem geregeld onderwijs te geven, hetgeen na korten tijd
de heerlijkste vruchten opleverde. Godlof! het licht der
genade begon heerlijk door te breken. De godsdienstige
beweging bleef niet tot Keishnu beperkt; er kwam bij meer-
deren eene ritseling des levens in het doodsgebeente. Straks
kwam ook Fakeee en Gokool, waarvan de eerste wel weer
in het heidendom terugviel, daar hij om Jezus\' wil niet alles
verlaten wilde, madr de laatste toch stand hield, zelfs toen
zijne vrouw hem verliet en tot hare familie terugkeerde, omdat
zij de vrouw van een Christen niet wilde zijn. Het waren
heerlijke, gezegende dagen voor de Zendelingen. Het huis
van Keishnu werd eene kerk, waar zij. vol van de kracht des
Geestes en met woorden, tintelend van mededoogen, de blijde
Boodschap verkondigden, en waar zij, onder hunne hoorders
ook gedurig meer vrouwen telden, die zij- anders, wegens
hare aangeboren schuchterheid voor Europeanen, zoo moei-
lijk konden bereiken. Maar gelijk te voorzien was — toen
de Geest des Heeren krachtig doorwerkte tot overtuiging
van zondaars, begon ook de geest des satans zijne helsche
kracht te ontplooien.
Toen Gokool en Keishnu met Kosoo zijne vrouw, en Joy-
mooni zijne schoonzuster, op een avond in het Zendingshuis
zaten om hunne belijdenis voor den H. Doop af te leggen,
stonden wel twee duizend menschen voor de deur, die eene
uiterst vijandige houding tegen deze eerste belijders aanna-
men. Zij vloekten de bekeerlingen in de ruwste bewoordingen;
zij stelden alles in het werk om den Doop, zoo mogelijk, te
verhinderen; zij sleepten hen den volgenden dag voor den
rechter en brachten allerlei zware beschuldigingen tegen hen
-ocr page 36-
20
in — maar daar de Deensche Gouverneur ook zelf het Evan-
gelie genegen was, werd geen enkele van die beschuldigingen
aangenomen en ondanks allen heftigen tegenstand werd de
289te December, de laatste Zondag van dat jaar bepaald, als
de dag waarop de eerste bediening van den H. Doop zou
plaats hebben. — Helaas! een dag te voren trokken Gokool
en de beide vrouwen zich terug; tegen de hitte van het
vuur der beproeving bleek hun geloof nog niet bestand. Dit
was eene zeer bittere teleurstelling. Maar al juichte de vijand
ook over die tijdelijke triumf, één was er toch, die in moedig
geloof en in de volle sterkte der eerste liefde tot Christus,
alle vijandschap trotseerde en voor de gansche wereld zich
zijnen Heiland niet wilde schamen. Alleen ging hij naar de
plaats, waar de plechtige vergadering, in de open lucht aan
de zijde der rivier, zou gehouden worden. De Deensche
Gouverneur had er voor gezorgd dat de vijanden geen stoor-
nis konden aanbrengen, en eene groote schare woonde de
vergadering bij, wier aanblik waarlijk indrukwekkend was.
Daar stond Caeey, als een held in den strijd, de beteekenis
van den Doop toe te lichten voor een zeer aandachtig ge-
hoor. In zijne nabijheid zat Krishnü, de eerste vrucht van
zijnen arbeid; de prooi, welke hij in de kracht zijns Gods
aan satans klauw had ontwrongen. Toen hij zijne rede ge-
eindigd had stond Krishnu op en zwoer ernstig zijne afgoden
af. En toen Carey in een hartelijk gebed zijne ziel voor den
Heere had uitgestort in ootmoedige dankzegging voor de
blijde ure, welke hij en zijne medebroeders in het werk der
Zending, mochten beleven, en in vurige smeeking voor dezen
eersteling, dat hjj volharden mocht ten einde toe, en door
eene groote schare Hindoes mocht worden gevolgd, — toen
stond hij op, nam Krishnu bij de hand en daalde met hem
af in de rivier. Eene ademlooze stilte heerschte in de ver-
gadering toen Carey, met tranen van aandoening zijnen eer-
-ocr page 37-
27
steling doopte in den Naam des Vaders, en des Zoons, en
des Heiligen Geestes!
Gezegende dag voor het afgodisch Voor-Indië! Lang had
de poort des heidendoms de mokerslagen van het Evan-
gelie verduurd en weerstaan, maar eindelijk — de Heere
wrocht mede! — eindelijk braken de Zendelingen er door
heen; toen was er vreugde, in den hemel boven, en in het
Zendingshuis beneden — maar gij, o goden van steen en
klei, beefdet gij niet, toen in den naam van den éénigen,
waarachtigen God, een van uwe aanbidders u afschudde, als
het stof van zijn voet?
-ocr page 38-
V.
Jïe f tjM m veertig talen.
Al had Carey zich volstrekt niet van luiheid behoeven te
beschuldigen, zoo hij niet meer had gedaan dan de leiding
geven aan de zaak der Zending en zijn deel nemen aan de
dagelijksche prediking van het Evangelie, toch stelde hij zich
daarmede gansch niet tevreden. God had hem niet in één,
maar in verscheidene opzichten een groot talent geschonken,
en hij wenschte geene enkele gave ongebruikt te laten; met
alles wilde hij woekeren voor de uitbreiding van het konink-
rijk Gods, en met zijn eigen voorbeeld wilde hij logenstraffen
de beschuldigingen, die vaak van de zijde des ongeloofs tegen
de Zendelingen worden ingebracht, dat het hun maar te doen
is, om in een vreemd land een lui en gemakkelijk leven te
leiden, of als kleine potentaten over de bekeerlingen uit de
heidenen te heerschen. Neen, dat Cakey zijne schoenmakerij
had opgegeven, het was niet omdat het werken in het zweet
van zijn aangezicht hem te veel was, maar omdat hij in de
wieg was gelegd voor Zendeling en geleerde. Wij weten, dat
hij reeds in zijne jeugd, uit loutere leergierigheid, de Griek-
sche taal ging bestudeeren. Dit was het voorspel van wat
later volgen zou. Nog maar pas had hij zijn voet gezet op
i
-ocr page 39-
29
het schip, dat hem van Engeland naar Calcutta overbracht,
of\' hij haalde de boeken reeds uit zijn koffer en begon zich
te oefenen in de taal van Bengalen. Want hij dacht: wat
helpt het of ik als Zendeling heenga en ik ben niet in staat
tot de menschen te spreken in de eigen taal, waarin zij ge-
boren zijn? En ook het kunnen spreken met de menschen
zonder tolk, was niet voldoende. Hij voelde, daar lag nog
grooter roeping op zijne schouders. Zou de Zending zich op
den duur in Voor-lndië kunnen staande houden en zou de
vrucht der prediking niet ras weder verloren gaan, onder
den bedwelmenden invloed van den afgodsdienst, dan moest
aan de menschen de Bijbel worden in handen gegeven, ge-
schreven in hunne eigene taal. En dit werk te volvoeren
stond Carey, van den beginne aan, als het heerlijkst doel
zijns levens voor oogen. „O — zeide hij — mocht ik zoo-
lang leven tot ik dat werk zal hebben volbracht, en de ver-
talingen der H. Schrift in mijne handen hebben, dan zal ik,
met Simeon, kunnen zeggen: Heere, laat nu uw dienstknecht
henengaan in vrede!" — Al kostte het hem dan ook groote
moeite om de verschillende talen der Indische volken machtig
te worden — zijn verlangen groeide, naarmate de moeilijk-
heden meerder werden; al werd hij gedurig ontmoedigd,
daar hij tot de ontdekking kwam dat de inboorlingen zijne
vertaling niet begrepen, omdat zij voor liefde, achting, hoop,
geloof en honderd andere zaken meer, geen woorden had-
den — hij gaf den moed niet op, maar sterkte zich aan de
belofte: „Hij die maait, ontvangt loon en vergadert vrucht
ten eeuwigen leven" — en hij vergeleek zichzelven met David,
en zeide: „ik vergader de bouwstoffen, waarvan na mij een
ander het huis bouwen zal, maar ik vertrouw dat mijn werk
niet ijdel zal zijn in den Heere." — In een brief, dien hij in
November 1796 naar Engeland schreef, zegt hij: „Ik zou
voor al de schatten van Engeland mjjn plaats als Zendeling
-ocr page 40-
30
onder de heidenen niet willen ruilen. Veel blijft er te wen-
schen over, maar ik ben zeer in mijn element, want over vier
maanden, denk ik, zal mijne vertaling van het Nieuwe Tes-
tament gereed zijn." Hij, die zoo spreekt, moet wel goede
vorderingen maken. En dit bleek dan ook wel. Toen de eerste
vertaling van het Nieuwe Testament in het Bengaalsch
was verschenen, kreeg hij terstond zulk een naam, dat hij
aan de Hoogeschool, tot opleiding van rechtsgeleerden, te
Serampore, waaraan verscheidene geleerde mannen verbonden
waren, als Professor in de Bengaalsche taal, benoemd werd.
Ofschoon hij zichzelf deze hooge onderscheiding niet waardig
achtte, toch liet hij het zich, op sterk aandringen, welge-
vallen; en dat hij met eere zijne plaats als Professor be-
kleedde, daarvoor mag als bewijs genoemd worden, dat hem
later het onderwijs ook in nog andere talen werd opgedra-
gen, waarvoor hij een jaarlijksch inkomen ontving van 18,000
gulden, waarvan hij slechts 500 gulden voor zich en zijn
huisgezin behield en het overige geheel in de kas van de
Zending stortte.
En bij al dat werk vergat Carey zijne taak als Zendeling
nooit. Hij werd geen kamer-geleerde die zich van de werke-
lijkheid van het leven afzonderde en zich in zijne studeer-
kamer opsloot. Prediken bleef zijn lust; de menschen in hunne
huizen bezoeken, was zijne ontspanning; trots alle bestrijding,
welke hij van de naam-christenen en Mohammedanen en van
de ongeloovigen in Engeland soms zoo heftig te verduren had,
zocht hij steeds naar nieuwe wegen om het Evangelie des
Zaligmakers in al wijder kring bekend te maken, en werkte
intusschen met onverdroten ijver voort aan zijne vertalingen
van de Heilige Schrift. De drukpers, die hij reeds te Mudna-
batty had aangekocht, kende geen rust ;honderde en duizende
exemplaren werden afgeleverd en onder de menschen ver-
spreid, en toen Cakey eindelijk van het Zendingsveld werd
-ocr page 41-
31
opgeroepen om rust te nemen bij zijnen God, was de Heilige
Schrift in haar geheel of gedeeltelijk, vertaald in veertig
talen of dialecten, waarvan in 1875 de geleerde Dr. Wengek
zeide: „het gaat mijn begrip te boven, hoe Carey dat alles
heeft kunnen doen."
-ocr page 42-
VI.
tiHtmttit gruwelen.
Wij moeten nu nog een oogenblik stilstaan bij enkele
onmensckelijke gewoonten die bij de Hindoe\'s in zwang waren,
maar door de ernstige en aanhoudende pogingen van Cakey
zijn afgeschaft. De eerste hervorming, welke hij hielp be-
werken, was het verbod van kinderen te offeren op het
groote jaarlijksche feest van den Ganges. Deze schrikkelijke
gewoonte stond in verband met de plaats, waar zij voorviel.
De gansche streek, waar de verschillende armen van de ri-
vier de Ganges zich uitstorten in de zee, werd door de be-
woners voor bijzonder heilig gehouden. Naar hunne meening
hadden hunne goden eene bepaalde voorliefde voor deze streek,
en zij achtten het niet meer dan billijk om aan hunne goden
te toonen dat zij die toegenegenheid op hoogen prijs stelden,
door hun op het jaarlijksche Ganges-feest offeranden te bren-
gen van het liefste en kostbaarste, dat zij bezaten. En wat
zonden ouders nog dierbaarder achten op aarde dan het kind
dat vaders naam draagt en dat op moeders schoot is ge-
troeteld? Maar hunne goden moesten zij toch boven alles
liefhebben, niet waar? Voorzeker, maar ach, die goden waren
zoo meedoogenloos wreed, want zij hadden geen hart! Zij
waren niet tevreden als er geen kinderlijkjes dreven op de
-ocr page 43-
33
golven der rivier, en als niet minstens éénmaal in het jaar
vele vaders en moeders handenwringend aan den oever ston-
den, dicht bij de plek, waar hunne lievelingen onder de
tanden der alligators werden vermaald. Hoor! daar is ginder
een groot gejuich; wat beteekent dat ? Het is, omdat morgen
het Ganges-feest, of het Gunga Saugor, zooals de Hindoes
het noemen, gevierd zal worden. En dan is er niemand
die niet vroolijk is, ten minste niemand durft het anders te
zeggen, want, als hij het anders zeide, wat moesten de goden
wel van hem denken! Maar zou ook werkelijk ieder zoo
vroolijk zijn van harte? Zie, daar, in dat kleine huisje, daar
zitten een vader en eene moeder bij een slapend kind. Wat
ligt het daar rustig! wat speelt de trek der gezondheid dar-
tel op dat mollige gezichtje! Het weet nog van geen goden;
het kent nog geen Ganges, maar — morgen! En morgen is
al zoo dicht bij; de uren vliegen zoo snel; \'t is al laat —
\'t is al nacht — en morgen als de zon is opgegaan.......
Met starren blik hebben de ouders een tijdlang hun lieveling
aangezien; zij hadden beloofd, zij zouden zich goedhouden,
maar, \'t is wel wat veel gevergd van eene moeder, zonder
tranen in de oogen zich klaar te maken om met eigen hand
haar kind, haar eigen kind, in de rivier te verdrinken.....
kan zij het helpen, dat zij den volgenden morgen veel ouder
schijnt, dan zij in werkelijkheid is? Daar komt zij aan; zij
heeft een vrachtje onder haar schoot; de \'menschen wijken
voor haar ter zijde; zij schreit niet — wat zouden de goden
er van zeggen! Hare wilde oogen zoeken slechts eene geschikte
plaats; eindelijk staat ze stil; sluit hare oogen........een
plof!......een gil!......de moeder heeft hare offerande
volbracht.
Onder de menigte toeschouwers stond daar ook onze Zen-
deling Caeey. Hij had gepoogd die vrouw aan te spreken en
haar terug te houden, maar zy had gedaan, als hoorde zij
C\'AllEY.                                                                                                                                                         3
-ocr page 44-
34
hem niet. Toen had hij in zijn hart de plechtige belofte ge-
daan, dat hij niet rusten zou, voordat aan dezen gruwel des
heidendoms een einde was gemaakt. En hg was gegaan naar
mannen van invloed en naam; hij had gehoor verzocht bij
Lord Wellesley, die als Gouverneur-Generaal slechts te ge-
bieden had, om er een einde aan te maken; hij had er een
boek over geschreven, waarin hij deze onmenschelijke ge-
woonte in de snijdendste bewoordingen gehekeld had — en
zie, toen het volgende feest gevierd werd, toen stonden daar
de soldaten aan den oever geschaard, om tot elke moeder, die
weer met zulk een kostbaar offer komen mocht, te zeggen:
„gij inoogt uw kind behouden, want wat uwe goden ook
mogen eischen, onze Gouverneur wil niet dat gij zulk een
offerande brengt." En menige moeder, die in rouwe gekomen
was, ging in vreugde weder naar haar huis terug.
Eene andere heidensche gewoonte was al niet minder ver-
schrikkelijk. Eens toen Carey in gedachten verzonken, eene
zeer lange wandeling deed langs de rivier, aan wier oever de
stad Serampore lag, kwam hij bij een dorp, in welks nabij-
heid eene groote hoop volks zich verzameld had. Naderbij ge-
komen zag hij in hun midden een zeer hooge houtmijt, waarop
het lijk van een man lag uitgestrekt. Dat lijk zou verbrand
worden. Maar dit was alles niet. Toen Cakey aan de omstan-
ders nadere bijzonderheden vroeg, werd hem medegedeeld,
dat de weduwe van den overledene, naar de gewoonte des lands
mede verbrand zou worden, en zij wezen hem, waar die vrouw
stond. Eene koude rilling voer door zijne leden. Terstond
ging hij naar die arme vrouw toe en vroeg haar of zij dat
ging doen uit eigen beweging of door anderen er toe ge-
dwongen. Haar antwoord was, dat zij hierin volkomen haar
eigen wil volgde, en anderen voegden er op norschen toon
aan toe, dat dit van haar eene daad van groote heiligheid
-ocr page 45-
35
was, waarvan niemand haar terug mocht houden, en dat, als
hij het niet wilde zien, hij dan maar moest heengaan. Cakey
voelde dat zijn bloed begon te koken. „Ik ga niet weg —
riep hij met luide stem — ik wil zien wat hier gebeurt, en
zoo gij niet naar mij luistert, dan zal ik u verklagen voor
den troon van den rechtvaardigen God, die van den zelf-
moord een gruwel heeft." Hij vermaande voorts die vrouw,
dat zij toch van haar voornemen zou afzien; hij beloofde,
dat haar geen kwaad zou overkomen; hij sprak van het
oordeel, dat na het sterven haar wachtte — maar of hij bad
of dreigde — \'t was alles tevergeefs! Kalm beklom zij de
houtmijt, na door haren naasten bloedverwant zesmaal er
om heen te zijn geleid. Zij strooide suikergoed onder de
menschen, die het als heilige dingen opraapten. Toen danste
zij eenige malen in het rond, als om te doen zien, dat zij
volstrekt den dood niet vreesde; legde zich daarna op het
lichaam van haren man, en als zij het teeken gegeven had,
werd zij stevig vastgebonden zoodat zij zich niet verroeren
kon, en onder een verschrikkelijk geschreeuw van alle aan-
wezigen werd de houtmijt in brand gestoken.
Cabey beefde over al zijne leden van hetgeen hij gezien had.
Waren de menschen dan zóó diep gezonken, dat zij niet eens
besef hadden van de ontzettende gruwelijkheid van zulk eene
daad? — ,0 mijn God — zoo bad hij — geef mij kracht
en wijsheid, opdat ik ook dit helsche wapen den satan mag
ontnemen!" — En bij zijn gebed voegde hij terstond ook het
werk. Hij schreef naar Engeland, wat hij gezien had, om de
mannen van invloed op te wekken, dat zij hem met hunne
hulp zouden terzijde staan. Hij spoorde alle dergelijke ge-
vallen op, die rondom Calcutta voorvielen en kwam tot de
schrikkelijke ontdekking, dat jaarlijks meer dan vierhonderd
vrouwen alzoo den brandstapel beklommen. Had hij nu Lord
Wellesley nog maar kunnen spreken, die ook aan den kin-
-ocr page 46-
36
dermoord op de Ganges-feesten een einde had gemaakt, on-
getwijfeld zou het ook met dezen weduwenmoord spoedig
gedaan zijn geweest. Maar helaas, deze was weggegaan, en
had zijne plaats overgedragen aan een ander, bij wien Carey
steeds aanklopte als aan doovemans-deur. Vier-en-twintig
jaren moesten nog verloopen eer zijn klagen verhoord werd;
toen kwam weer een andere Gouverneur-Generaal, die ter-
stond na zijn optreden eene proclamatie uitvaardigde, door
Carey, met trilling van blijdschap in zijn edel gemoed, in het
Bengaalsch vertaald, en waarbij het verbranden der weduwen
met de lijken van hare echtgenooten, voor eens en voor altoos,
verboden werd. Toen men de proclomatie, die in de Engel-
sche taal was opgesteld aan Carey overreikte, met het ver-
zoek, ze zoo spoedig mogelijk te vertalen, kon hij zijne
ooren nauwelijks gelooven. O, hij had zoolang naar deze
ure verlangd en er zoo lang om gebeden! Al was het Za-
terdag, waarop hij juist bezig was zich voor den Zondag
voor te bereiden, zonder zich te bedenken schoof hij zijne
boeken terzijde, werkte vlijtig den ganschen nacht door en
toen de Zondag aanbrak was de vertaling gereed. Wie zou
willen gelooven, dat het hem ten kwade zal zijn geduid, dat
hij voor ditmaal onvoorbereid prediken moest?
Zoo was dan ook aan dezen gruwel der heidenen een einde
gekomen en Carey mocht de zalige overtuiging in zich om-
dragen, dat hij daartoe het middel was geweest. En welke
hervorming geschiedde er in die jaren in een groot gedeelte
van Voor-lndië waar Carey de hand niet in had? Wat was
er te verbeteren, dat hij niet aangreep? Het was als nam
zijn ijver met de jaren steeds toe. Kerken werden in ver-
schillende plaatsen gebouwd; scholen werden er met tientallen
opgericht; havelooze kinderen werden kosteloos verzorgd;
de melaatschen, vroeger steeds op de onbarmhartigste wijze
behandeld, werden in een gesticht van barmhartigheid opge-
-ocr page 47-
37
nomen; aan de kranken naar het lichaam werden geneesmid-
delen verstrekt; aan de geestelijk kranken het onfeilbare
medicijn geboden, en hij, die zich als Zendeling, taalkundige
en niet minder als natuurkundige een grooten naam had
•verworven onder de menschen, hij droeg voorzeker ook een
schoonen naam onder de Engelen Gods in den hemel, want
al d&t werk verrichtte hij niet om eere te hebben voor zich-
zelf, maar om een gloriekroon te vlechten voor zijn dier-
baren Heiland, en de komst te bevorderen van Zijn Rijk op
aarde.
-ocr page 48-
VIL
|t«t fr. (tatf, maar $tzm.
Veertig jaren was Cakey voor het werk der Zending ge-
spaard; toen spoedde zijn levenszon zich snel ter kimme.
Hij had bijna allen overleefd, die met hem dat werk hadden
aangevat. Maar toen de meesten zijner vrienden in Engeland
en van zijn mede-Zendelingen, wier getal nog een paar malen
was versterkt, reeds waren opgeroepen van hun post, stond
hij daar nog als een oude, fiere eik, door de stormen des
tijds wel beschadigd, maar niet omvergeworpen. Ja wel be-
schadigd! In het lange tijdperk, dat hij in Voor-Indië door-
bracht, was hij niet alleen vaak zelf aan den oever des doods
gevoerd, maar hij had gestaan aan verscheidene sterfbedden,
waar het scheiden hem onuitsprekelijk zwaar was gevallen
en zijn hart met diepen rouw had vervuld. Hij had zijne eerste
vrouw zien heengaan en, na eenige jaren zeer gelukkig her-
trouwd te zijn, had hij ook zijne tweede vrouw ter laatste
rustplaats moeten geleiden. Kinderen waren hem voorgegaan;
Zendelingen hadden hem met stervende lippen een „tot
weerziens 1" toegefluisterd — maar ten laatste kwam de bode
des doods ook tot hem. Zachtkens kwam hij nader, en hij
vond Carey werkzaam zoolang de levensdag voor hem duurde.
Toen zijne vrienden met het oog op zijn ouderdom en zijn
-ocr page 49-
39
veelzijdigen arbeid er op aandrongen, dat hij het werk zou
neerleggen, of «althans verminderen, wees hij dit met beslistheid
van de hand. Hij wilde niet eer rust nemen, vóór zijn God
hem tot de ruste riep. Zelfs toen hij het bed moest houden
bleef hij zich nog onledig houden met het bewerken van eene
nieuwe vertaling der H. Schrift. In deze dagen schreef hij
aan zijne zuster: «Dat ik nog in staat ben u te schrijven,
is mij geheel onverwacht en naar ik geloof, iedereen, maar
het schijnt de wil van God te zijn dat ik nog wat blijven
zal. Hoe lang dat zal zijn, laat ik geheel aan Hem over,
en ik kan alleen zeggen, dat ik al de dagen van mijn overig
leven geduldig wil wachten tot ik de stem des Heeren ver-
neem. Ik was twee maanden geleden zóó zwak, dat ik nau-
welijks kon spreken, maar het scheen mij toe dat het ster-
ven niets anders zal zijn dan het gaan uit de eene kamer in
de andere. Ik ben bereid te vertrekken, maar het wanneer,
laat ik aan God over."
In zijne laatste dagen kwamen hem vele vrienden bezoe-
ken. Rijken en armen stonden beurtelings aan zijne sponde.
Een diepe verslagenheid heerschte onder hen, toen men be-
merkte dat het einde niet verre meer kon zijn. Het laatste
gesprek, dat hij nog geregeld kon voeren, was met den heer
Düff, een jongen Schotschen Zendeling. Duff had hem meer-
malen aangesproken als Doctor Carey. Toen hij, na op zijne
knieën voor het bed, met Cakey gebeden te hebben, de ka-
mer uitging, was het hem, alsof met zwakke stem zijn naam
werd genoemd. Düff keerde terug en vroeg of hij nog iets
verlangde. Ja — antwoordde Cakey — mijnheer Duff, gij
hebt telkens gesproken van Dr. Caeey, Dr. Carey, maar als
ik ben heengegaan, spreek dan niet meer van Dr. Caeey,
maar van Carey\'s Zaligmaker." Duff ging heen, en ver-
gat deze woorden nooit. Na dit gesprek werd Caeey op eens
merkelijk minder, maar hij was zeer rustig; geen schaduw
-ocr page 50-
40
van angst verdonkerde zijn aangezicht, want hij wist dat hij
het eigendom was van Jezus Christus en dit was in het dal
des doods zijn onwankelbare troost. Den 9den Juni 1834, in
het 738te jaar zijns levens, ging hij zacht en kalm heen om
uit de hand van zijnen Heiland, dien hij niet zooveel liefde
had gediend, de kroon der eere te ontvangen, welke Hij aan
Zijne trouwe dienstknechten heeft toegezegd.
Vele tranen werden op zijn graf\' vergoten als de weispre-
kende tolken van de diepe vereering en de hartelijke liefde,
welke men den overledene had toegedragen. Edellieden waren
er trotsch op, dat zij in zijne vriendschap hadden gedeeld;
de nieuwsbladen waren vol van uitbundigen lof voor zijn
onbegrijpelijk rijken arbeid; alle Zendingsvereenigingen leg-
den een heerlijk getuigenis af van de groote genade Gods,
die in hem was verheerlijkt geworden — en wat hemzelven
betrof — o, had hij op al die lofspraken kunnen antwoor-
den, het zou geen ander woord geweest zijn dan dat van den
grooten Apostel Paulus: „Ik verblijde mij, dat God mij de
groote genade geschonken heeft om onder de heidenen te
mogen verkondigen, den onnaspeurlijken rijkdom van Chris-
tus! Dat is mijne grootste belooning en mijne hoogste eere
tevens."