-ocr page 1-
HERÏNNE
UIT MIJN
ZENDELINGSLEVEN
DOOR
E ÏT ft ENE (USALIS.
OPGETEEKEND
voor zyne KINDEREN en KLEINKINDEREN.
VRIJ NAAR HET FRANSCH
DOOR
THÉRA.
UTRECHT,
KEMINK & ZOON.
(Over «Ie Domkerk.)
-ocr page 2-
éM
tf/T) lofóZ*.
-ocr page 3-
A 4.i
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000034536429B
3453 6429
-ocr page 4-
-ocr page 5-
HERINNERINGEN
UIT MIJN
ZENDELINGSLEVEN
DOOR
EÏTGENE CASALIS.
OPGETEEKEND
voor zijne KINDEREN en KLEINKINDEREN.
VRIJ NAAR HET FRANSCH
DOOR
THÉRA.
-^^
•\'..\' «•
UTRECHT,
KEMINK & ZOON.
(Over de Domkerk.)
nsol
•
-ocr page 6-
-ocr page 7-
I.
Myne ouders en eerste jeugd.
Jan Casalis, mijn grootvader was geboortig uit het dorpje
Aranjuzon in Béarn, waar zijne familie van de opbrengst
hunner vruchtbare landerijen zeer goed kon leven. In
1737 geboren, had hij op den mannelijken leeftijd geko-
men, bijna toegegeven aan de verleiding om zich door
vestiging in Amerika te onttrekken aan den zwaren strijd,
die zijne geloofsgenoten toenmaals te verduren hadden,
doch zijne vrome moeder wist hem van dit plan af te
brengen door een\' brief, waarin zij hem onder \'t oog bracht
dat „het zaad van Christus\' ware Kerk, Frankrijk niet ge-
heel moest verlaten, en dat de Heere machtig was om
betere tijden te laten aanbreken." Deze geloofswoorden
vonden hunne vervulling en bij mijne terugkomst uit Afrika
smaakte ik het genot ze te mogen aanhalen in de kerk
van het naburige Navarrenx, (de woonplaats mijner zoo-
evengenoemde overgrootmoeder) welke kerk gedurende mijne
afwezigheid was gesticht.
Gehoor gevende aan den wensch zijner moeder, vestigde
mijn grootvader zich dus niet in Amerika, maar in de stad
Orthez, waar bij zich op den handel toelegde. De inveu-
1"
-ocr page 8-
4
tarissen, die hij bij het einde van \'t jaar opmaakte, zijn
nog in mijn bezit en eindigen allen met woorden van ver-
ootmoediging en danzegging.
Jan Labourdette, mijn grootvader van moederszijde, was
eveneens een zeer vroom man, en wijdde zich met hart
en ziel aan de zaak der protestanten in Frankrijk. Hij
leefde niet ver van Orthez in het dorp Salles-Montgiscard,
te midden van arme ketellappers, wier tijdelijke en eeuwige
belangen hij ijverig behartigde. Zijn buitenverblijf Ségalas,
gelegen aan den zoom van het bosch, was een der toe-
vluchtsoorden van de hugenootsche predikanten. Door een
laag raam, dat op den naastbijzijnden wijngaard uitzag,
konden zij, bij de eerste sporen van gevaar ontvluchten.
Mijn grootvader had in de rechten gestudeerd en was dan
ook de vraagbaak van alle vervolgden; hierdoor deelde
hij natuurlijk hunne gevaren en meer dan ééns, — wan-
neer hij weer den eenen of anderen leeraar had geher-
bergd, ontsnapte hij slechts door de waakzaamheid zijner
vrouw of door de veiligheid der schuilplaatsen aan de
straffen van het gericht.
Mijne grootmoeder Labourdette was eene juffrouw Brunet
uit Orthez. Op zevenjarigen leeftijd werd zij aan hare
ouders op bevel der Regeering ontstolen en in het klooster
der ürsulinen te Pau opgesloten; eerst op haar achttiende
jaar, toen men haar genoegzaam aan den Roomschen
godsdienst gehecht achtte, werd zij aan hare ouders weer-
gegeven. Gedurende eenigen tijd betoonde zij zich streng
Roomsch, tot groot verdriet van hare familie, die haar
smeekte, tot het evangelisch geloof weder te keeren; —
niets mocht echter baten, totdat op zekeren dag God zelf
haar hart raakte. Te Orthez naar de mis gaande, werd
-ocr page 9-
5
zij door een hevig onweder zoodanig verschrikt, dat zij
zich plechtig voornam om, zoo God haar het leven
spaarde, weer eene plaats in te nemen onder de vervolg-
den. Haar wensch werd vervuld en sedert dien dag wijdde
zij zich geheel aan den dienst harer broederen, vooral aan
de bescherming der predikanten, die met gevaar van hun
leven het land doorreisden. Eenmaal de vrouw van Jan
Labourdette, had zij ruimschoots gelegenheid, dien dienst
te Ségalas uitteoefenen.
Martha Benjamine Labourdette, — mijne moeder —
was het dertiende kind dezer waardige vrouw; zij trouwde
in 1810 met mijn vader Arnaud Cazalis en ik was hun
tweede zoon. Kort vóór mijne geboorte (21 November 1812)
leelden mijne ouders te Bayonne, waar zij zich gevestigd
hadden uit hoofde hunner handelsbetrekkingen met Spanje.
Bayonne was toen geheel en al eene Roomsche stad en
mijn vader wilde niet, dat zijne kinderen in eene dergelijke
omgeving zouden geboren worden, daar zij alsdan van de
protestantsche doopsbediening zouden verstoken zijn. Mijne
moeder vertrok daarom telkens bij vermeerdering van het
gezin naar Orthez; en zoo werd ik dan geboren in de
stad, waar Viret, — de hervormer van Bearn — onder-
wijs in de godgeleerdheid had gegeven.
Niet lang daarna keerden mijne ouders naar Bayonne
terug, doch het jaar 1814 was voor hen rijk aan onrust.
Tengevolge van den oorlog met de Engelschen, moest
mijne moeder, die zeer vreesachtig van aard was, ver-
scheidene malen vluchten, eerst naar Orthez, toen naar
Toulouse en eindelijk weder terug naar Bayonne. Bij eene
dier overijlde tochten, liet de min mij vallen en bezeerde
ik mijn hoofd; dit was niet de eenige zorg, die ik
-ocr page 10-
6
aan mijne ouders veroorzaakte, daar ik, over het geheel
zulk een zwak kind was, dat men niet geloofde mij te
zullen behouden; wie had toen ooit gedacht, dat ik later
de vermoeienissen van het zendelingsleven zou kunnen
doorstaan! Van mijn zesde jaar werd ik weder uit het\'
Roomsche Bayonne verwijderd, om bij mijn grootvader
Casalis te worden opgevoed en mijne dierbare tante, die
zijn huishouden deed, nam die zorg op zich. Hier leerde
ik de zeden en de vroomheid van een\' ouderwetschen
Hugenoot waardeeren.
Zomer en winter stond mijn grootvader, niettegenstaande
zijn\' tachtigjarigen leeftijd reeds zeer vroeg op, en vóór
dat de winkel werd geopend, bracht hij dagelijks eenigen
tijd door, met het biddend overdenken van Gods Woord.
Ik zie het kleine kamertje nog vóór mij, waar die plech-
tigheid plaats had en herinner mij levendig, hoe mijne
jeugdige bewondering werd gaande gemaakt, door den
grooten, zwaren Bijbel. Dit kamertje werd mij later toe-
gewezen om er mijne grieksche en latijnsche lessen te leeren.
De duidelijkste herinneringen, die ik echter van mijn groot-
vader heb behouden, zijn die van de Zondagen. Dan werd
het mij vergund, hem te helpen bij het aankleeden en
mocht ik hem achtereenvolgens zijne gepoederde pruik, zijne
steek, schoenen met gespen en langen stok met ivoren knop
aangeven. Daarna nam hij mij bij de hand en gingen wij
samen naar de „IJzeren Poort", zoo noemde men destijds
de protestantsche kerk te Orthez. Later, toen mijne
geachte grootouders niet meer in staat waren, de openbare
godsdienstoefening bij te wonen, viel mijn broeder en mij
de eer te beurt, hen te mogen bedienen en zoo waren wij
meer dan eens tegenwoordig bij de godsdienstoefening, die
-ocr page 11-
7
zij tehuis hielden. Deze was heel ingericht op den voet
der openbare. Niets ontbrak er aan. Een psalmvers
werd gezongen, de tien geboden werden gelezen, en men
begon tegelijk met de kerk. Met verbazing merkte ik op,
dat mijn grootvader den eerbied zelfs zóó ver dreef, dat
hij ook zijne pruik afzette en nooit op een kussen neer-
knielde, maar altoos op den harden, kouden vloer. Des
middags kwamen eenigen zijner tijdgenooten hem meestal
opzoeken; — hunne godsdienstige gewoonten dagteekenden,
evenals de zijnen, uit de tijden der „Désert" \')
Van mijne goede tante (over wie ik reeds gesproken
heb) ontving ik dagelijks eenige uren onderricht; zij was
zeer vroom en bezat veel verstand op het punt van op-
voeding. Achter in den tuin bevond zich een heerlijk
zitje van jasmijnen en seringen. Daar bracht zij mij dik-
wijls heeD, om mij te laten lezen, of om mij eenige psalm-
verzen, de geestelijke gedichten van Drelingcourt en de
fabels van La Fontaine of Florian te laten leeren; zij
voegde hierbij dan menig verhaal uit de gewijdde of de
algemeene geschiedenis, die alle zoo waren gekozen dat
zij krachtig tot het vormen van hart en verstand mede-
werkten. Welk eene bewondering had ik voor de trouwe
vriendschap van Damon en Pythias! en de herinnering
aan Alexander, die in een oogenblik van drift Clitus ver-
moort, veroorzaakte mij soms nare droomen, want ik was
zeer opvliegend van aard, en menigeen mijner makkers
had dit reeds ondervonden.
1) De zoogenaamde bijeenkomsten der \'Désert" komen ongeveer over-
een met onze „Hagepreeken".
                                                             Vjsbi.
-ocr page 12-
8
Wat den kinderen in onze dagen bijna ongeloofelijk zal
voorkomen is: dat geheel Bearn in dien tijd geen enkelen
boekwinkel bezat, waar men een Bijbel kon krijgen. Een
Nieuw Testament moest ik echter hebben, want men kon
mij toch den grooten Bijbel in twee deelen van Osterwald
(die men uit Genève had laten komen) niet in handen
geven. Eindelijk — na lang zoeken — slaagde men er
in het verlangde boek te ontdekken, doch..... in den
winkel van een kruidenier en dat te midden van Roomsche
gebedenboeken, langdradige ouderwetsche almanakken en
andere dergelijke documenten.
Niet lang daarna had er in onzen familiekring eene
gebeurtenis plaats, die een\' levendigen indruk op mij
maakte. Mijn vader had zich voorgenomen, zijne han-
delszaak te Bayonne op te geven, om dichter bij zijne
bejaarde ouders te gaan wonen en het werd hoog tijd
mijn broeder en mij school te leggen. De protestanten
van Orthez hadden juist eene school gesticht volgens
de toen nieuwe methode van onderling onderwijs en men
sprak daar veel over. Mijn grootmoeder Labourdette —
die over opvoeding hare eigen denkbeelden had — wilde
zich persoonlijk gaan vergewissen, of deze school voor
ons geschikt zou zijn en ging er op een morgen heen
Men verzocht haar plaats te nemen naast den directeur,
Dominé Gabriac — die op eene kleine estrade van eenige
treden hoog was gezeten. Bij het heengaan had mijne
grootmoeder het ongeluk die treden te vergeten, waar-
van het treurig gevolg was, dat zij viel en hare heup
ontwrichte. Ik kwam haar op straat tegen, terwijl men
haar in eene armstoel thuis bracht en herinner mij
nog hoe mijne jeugdige ziel ontstelde bij de gedachte,
-ocr page 13-
9
dat zij misschien ging sterven en dat ik daar eeniger
mate schuldig aan was. Zij stierf echter niet, doch
bleef levenslang zeer hulpbehoevend, — en van toen
aan was mijn grootste genot, zoo dikwijls mogelijk haar
rolstoel te helpen voortduwen, of wel stil naast haar te
gaan zitten op mijn kinderstoeltje. Zij was zoo lief en
vertelde zulke mooie geschierlenissen! Het pleizierigste van
;illes was echter, bij haar middagtoilet tegenwoordig te zijn;
dan hield ik haar den spiegel vóór, terwijl zij hare, door
den ouderdom reeds verzilverde haren, zorgvuldig poederde
en netjes de groote kornet opzette, die zoo goed paste
om haar hoog, bijna niet gerimpeld voorhoofd. Daarna
vroeg zij mij gewoonlijk hare snuifdoos te vullen en wan-
neer dan grootmoeder een snuifje had genomen, keek zij
haar kleinzoon met een vriendelijken glimlach aan, zette
zich op haar gemak en gaf het voornemen te kennen,
eene gebeurtenis uit haar leven te vertellen. — Van zulke
geschiedenissen had mijne grootmoeder een ganschen
voorraad, want eene verstandige, werkzame vrouw als zij,
(geboren in het jaar 1786,) had geen onbewogen leven
achter den rug!
Meer dan eens had zij te doen gehad met de soldaten,
die uitgezonden waren om de hugenootsche predikanten of
de leden der Synode gevangen te nemen en in dergelijke
omstandigheden had zij zeldzamen moed en groot beleid
aan den dag gelegd. Ziehier een voorbeeld.
Eens dat haar man en een rondreizend leeraar, te
zamen in gesprek waren over de belangen van de protes-
tanten in Bearn, komt een boer geheel buiten adem aan-
loopen om hen te waarschuwen, dat de dragonders (sol-
daten des konings) reeds vlak in de buurt zijn. In een
-ocr page 14-
10
oogwenk heeft mijne grootmoeder haar man en zijn gast
het gevaar bekend gemaakt, sluit de deur van het huis,
gaat er rustig vóór zitten en begint een streng garen te
winden. Daar komen de soldaten en op hoogen toon
eischt hun aanvoerder, binnen gelaten te worden. Zonder
de minste ontroering te toonen legt mijne grootmoeder
eenvoudig hare hand op den knop van de deur en zegt:
„Mijnheer, ik doe u niet open, vóórdat ge mij uw last-
brief toont" De kapitein had dien gelukkigerwijze ver-
geten; — hij wordt boos, dreigt, doch, overweldigd door
het zedelijk overwicht eener weerlooze vrouw, die aan ge-
wapende mannen de onschendbaarheid van haar huis durft
herinneren, eindigt hij met verlegen eenige verontschuldi-
gingen te stamelen. Intusschen hadden mijn grootvader
en zijn vriend den tijd, door het lage raam, dat op den
wijngaard uitzag, te ontvluchten en zoo het bosch te be-
reiken. Toen mijne grootmoeder dacht, dat zij ver genoeg
weg waren, opende zij de deur, zeggende: „Indien mijn
huis gesloten was voor degenen, die het zonder machtiging
des konings wilden binnendringen, zoo staat het niettemin
open voor hen, die evenals gij, Mijnheeren, behoefte heb-
ben aan ververschingen en rust." — Dadelijk stormden de
dragonders naar binnen, doorzochten het huis van boven
tot beneden, doch vonden niemand en toen zij, vermoeid
van hun nutteloozen arbeid, weder in de huiskamer terug-
kwamen, wachtte hen een wel voorzienen disch, als blijk
der hugenootsche gastvrijheid.
Ook later behield mijne grootmoeder geen de minste
wraakzucht tegenover hen, van wie zij zooveel had te lijden
gehad, en hare gehechtheid aan het huis van Bourbon
verloochende zich geen oogenblik.
-ocr page 15-
11
Die gestrenge, oprechte vroomheid mijner grootouders
maakte een diepen indruk op mijn jeugdig gemoed en
reeds zeer vroeg begonnen zich bij mij godsdienstige be-
hoeften te openbaren. Toen ik zeven of acht jaar oud
was, gevoelde ik reeds dat het heil zijner ziel voor den
mensch het hoogste is; en dit gevoel werd het eerst bij
mij gewerkt door vrees. Ik wilde vroom worden, omdat
ik bang was voor den dood en de hel. Toch had men
mij daarover weinig gesproken, maar ik was zeer driftig
van aard en dikwijls had ik booze buien, evenwel steeds
gevolgd door een levendig berouw. Nu meende ik, dat ik,
om Gods gerechtigheid te ontvlieden, zonder zonde zou
moeten wezen. Mijn grootvader Casalis kwam mij vóór,
een heilige te zijn en ik verbeeldde mij, dat men moest
worden zooals hij, om in den hemel te kunnen komen.
Hij zelf zoude mij hieromtrent spoedig uit den droom
geholpen hebben (indien ik er ooit met hem over had
gesproken), want later vernam ik, dat hij een van de
ijverigste voorstanders was, van de leer der rechtvaardig-
making door het geloof, uit genade. Hij sprak echter
weinig over die dingen, zeker omdat hij wanhoopte ooit
begrepen te worden door eene omgeving die zoo geheel
anders dacht dan hij. Ik herinner mij evenwel nog zeer
goed zijne vreugde, toen hij hoorde, dat er te Parijs een
Protestantsch Bijbelgenootschap was opgericht. Wat de
stichting van het zendingsgenootschap aangaat, deze boe-
zemde hem minder belang in, daar zijn hooge leeftijd hem
niet meei toeliet daarvan ten volle den uitgebreiden om-
vang te beseffen.
Toen ik nog zeer klein was, nam mijn grootvader mij
dikwijls in zijne armen en bad den Heer van mij een
-ocr page 16-
12
predikant te maken; weinig «lacht hij toen, dat ik dat
amht zelfs eenmaal onder de Heidenen zoude uitoefenen.
Hij stierf in 1823, doch zeker heeft hij het later in den
hemel vernomen.
Mijne godsdienstige gezindheid, waarvan ik zooeven sprak,
had helaas grootendeels hoogmoed ten grondslag. Men had
toenmaals de gewoonte, den catechismus van Osterwald
door de leerlingen der protestantsche school in de kerk te
laten opzeggen, en daar ik het geluk had een vrij sterk
geheugen te bezitten en niet juist zeer verlegen van aard
was, ging mij dit heel vlug van de hand, zoodat ik
mij zelve gaarne hoorde en met stille ingenomenheid den
lof inoogste, die mij zijdelings door familie of kennissen
werd toegezwaaid.
Wanneer men tusschen den morgen- en middaggodsdienst
nog eens te samen kwam om over de dingen van het
Koninkrijk Gods te spreken, stond men mij toe, mee te
praten en ik herinner mij nog zeer goed hoe ik eens een
goedkeurend gemompel opving, nadat ik met groote def-
tigheid als mijne meening had te kennen gegeven, (toen
dat onderwerp ter sprake kwam), dat de wroegingen van
het geweten, de eeuwige pijn in de hel zouden uitmaken.
Wel vreesde ik bij mij zelve, dat dit niet het eenigste zou
zijn, doch ik vond het voornaam, mij boven den schrik,
die de letterlijke opvatting mij inboezemde, te verheffen.
De toegevendheid mijner ouders verblindde hen op dit
punt en liet hen al dat uiterlijk vertoon, voor werkelijkheid
aanzien. Eens hoorde ik hen zeggen (ik was toen onge-
veer 9 jaar): „Wij zullen hem nu school leggen, dan kan
hij te Montauban afstudeeren en als hij eens dominé is,
zullen wij onzen ouden dag bij hem gaan doorbrengen."
-ocr page 17-
13
Evenwel begon zich reeds toen eene groote voorliefde
voor mijne gekleurde niedemenschen bij mij te openbaren;
dit was te vreemder, daar juist de arme negers zoo
weinig in onze kleine steden bekend waren en er een
grooten afkeer verwekten, als een van hen er zich toe-
vallig vertoonde. Wanneer het mij echter gebeurde er een
te zien, had ik mij wel naast hem neer willen zetten, om
hem naar zijne levensgeschiedenis te vragen. Dit zonder-
linge gevoel schrijf ik eenigszins toe aan de beschrijvingen
die ik had gelezen van de verovering van Mexico, waar-
door mijn medegevoel voor het lijden dier arme Amerikaan-
sche Indianen op zoodanige wijze werd gaande gemaakt,
dat ik geheel er van vervuld was. De geschiedenis van
Gum al en Lina, welke de bekeering dier beide Heiden-
sche kinderen verhaalt, had ook een sterken indruk op
mij gemaakt en telkens zag ik weder de plaat voor mij,
waar de arme Gumal nederknielende uitroept: „Ik ben
een Christen."
-ocr page 18-
II.
M^jne ouders plaatsen m\\\\ onder het toezicht van
Ds. Henry Pyt te Bayonne, om mij tot
het ambt voor te bereiden.
Zooals ik reeds zeide hadden mijne ouders Bayonne
voor goed verlaten, doch het is juist in deze stad, dat
ik de gave des geloofs zoude ontvangen, en dat zich
mijne roeping kennelijk zoude openbaren.
Er woonde te Bayonne nog eene zuster mijner moeder,
getrouwd met een koopman uit Havre, den heer Maze.
Tengevolge der herroeping van het edict van Nantes, was
de Protestantsche kerk te Bayonne geheel te niet gegaan,
doch mijne tante, die eene levende christin was, opende
haar huis dikwijls des Zondags voor de enkele belang-
stellenden, die nog den Bijbel samen wenschten te lezen
en op deze wijze was zij het middel om dien kern te be-
waren. Toen later vreedzamer tijden aanbraken, ver-
meerderde ook het aantal protestanten, die van elders
zich weder te Bayonne kwamen vestigen en weldra bleek
het huis mijner tante te klein en het voorlezen van eenige
preeken niet meer voldoende te zijn. Zoo kwam het, dat
zij er toe overging in 1821 te schrijven aan eenige der
-ocr page 19-
15
meest invloedrijke predikanten van het zuiden van Frank.
rijk, als de heeren Chabrand van Toulouse en Bonnard
van Montauban, om hen te verzoeken jeugdige dominees,
die zich beroepbaar wenschten te stellen, aan te moedigen,
Bayonne te bezoeken en aldaar te preeken.
Hoe weinig dacht zij toen, de goede vrouw, dat zij, in
Gods hand, het middel zoude wezen, om niet enkel aan
hare stad, maar aan geheel Bearn den dienst te verzekeren
van een der uitmuntendste opwekkingsmannen dier dagen,
de heer Henry Pijt, — zwager van den bij velen welbe-
kenden Bost en boezemvriend van den beroemden Guers
te Genève.
Juist op het oogenblik, dat Mevrouw Maze haar ver-
zoek bij de heeren Chabrand en Bonnard had ingediend,
bevond zich de heer Pyt met zijne vrouw voor eenigen
tijd te Toulouse. De provincie waar hij werkzaam was,
werd bewoond door eene uitsluitend landbouwende bevol-
king en daar de oogsttijd was aangebroken, had hij op
dit oogenblik bijna geene bezigheid.
Toen hij nu, door den heer Chabrand die roepstem uit
Bayonne vernam, besloot hij, zich dadelijk met zijne vrouw
daarheen te begeven; — de reis leidde hem langs de
stad onzer inwoning , Orthez, — en dit voorval had een
beslissenden invloed op mijn geheelen levensloop. Niet zoo-
dra had mijn vader vernomen, dat de heer Pijt en zijne
vrouw aan het hotel waren afgestapt om daar den nacht
door te brengen, of hij stelde zich aan hen voor als den
zwager van Mevrouw Maze en verzocht hen dringend, hun
intrek bij hem te nemen. Dit voorstel werd dankbaar
aangenomen en zoo maakten wij op de aangenaamste
wijze kennis. De heer Pijt was een indrukwekkende per-
-ocr page 20-
16
soonlijkheid; hoewel zeer forsch gebouwd, had hij vriende-
lijke blauwe oogen, licht blond baar en eene zachte aan-
gename stem. In \'t begin gevoelde ik mij wel wat ver-
legen tegenover hem, daar zijn deftig voorkomen mij een
zekere vrees inboezemde, doch zijn minzame glimlach en
aangename wijs van spreken hadden dit weldra geheel
verbannen en het duurde niet lang of wij waren zeer
goede vrienden. Het was voor het eerst van mijn leven,
dat ik iemand ontmoette, die zoo geheel van dat kinder-
lijk eenvoudig geloof was doordrongen, dat geen vrees of
hinderpalen kent en er slechts op uit is, zich aan anderen
mede te deelen, om ook hen bekend te maken met die
zaligheid, die het hoogste geluk is voor de ziel. Ik was
zoo geheel onder dezen indruk, dat ik onzen gast bijna
niet verliet en met gretigheid zijne woorden indronk. Zoo-
wel hij als zijne vrouw spraken gedurig over God en
den Heer Jezus en dat zonder de minste gedwongenheid,
maar geheel zooals men zoude spreken over een vriend,
met wien men in dagelijkschen omgang leeft.
Te Bayonne werd de heer Pijt met open armen door
de protestanten ontvangen en preekte gedurende zes weken
ten huize van mijne tante. Weldra echter vereenigden zich
enkele vrienden om een geschikt lokaal te huren, dat als
kapel dienst kon doen; deze werd den 23 December 1821
plechtig ingewijd en van dien dag af, vestigde de heer Pyt
zich als predikant te Bayonne. Hij ontving de toestem-
ming om eveneens in de omliggende steden en dorpen het
Evangelie te verkondigen, waardoor ook Orthez in dien
zegen deelde. Telkens als hij daar kwam, nam hij zijn
intrek bij ons, zoodat wij nog dikwijls het genoegen
smaakten hem onder ons dak te herbergen.
-ocr page 21-
17
Op zekeren dag, dat ik als naar gewoonte weder aan
zijne voeten zat, zeide hij op eens tot mij" „Wel
vriendje, zoudt ge niet gaarne met mij medegaan naar
Bayonne, om onder mijn toezicht te studeeren?"
Vol geestdrift over dit voorstel liep ik naar mijne
moeder, om het haar mee te deelen, doch meenende, dat
het enkel vriendelijke scherts was, had zij er geen ooren
naar. Bij elk bezoek echter werd deze vraag herhaald,
zoodat mijne ouders op \'t laatst meenden dat het hunne
plicht was, onzen gast althans te bedanken voor zijne
welwillendheid jegens mij. Hierop volgde een gesprek,
waarin de heer Pijt duidelijk te kennen gaf, dat het
hem ernst was dat hij zich aan mij had gehecht en zich
werkelijk aan mijne opvoeding ten zijnent wenschte te
wijden. Mijne moeder, die reeds lang heimelijk bevreesd
was, ora mij te Orthez op het gymnasium te laten gaan,
daar men er meer kwaad dan goed leerde, was met het
voorstel nog al ingenomen. De heer Pijt logeerde toen
nog bij mijne tante en deze omstandigheid was bijna vol-
doende, om mijne ouders te doen besluiten mij te laten
gaan. Ik zou immers op deze wijze in de familie blijven
en tevens worden toevertrouwd aan menschen, wier vrien-
delijkheid, ijver en gaven eene groote aantrekkingskracht
bezaten ?
Zooals dat echter meer gaat, werd de heer Pijt reeds
spoedig na zijne aanstelling tot predikant te Bayonne,
een onderwerp van algemeen gesprek, en nu waren mijn
vader eenige geruchten ter oore gekomen van zekere
overdrevene rechtzinnigheid. Een onzer naaste bloed-
verwanten, een geleerd en algemeen geacht man, werd
daarom nog eens in de zaak geraadpleegd, en bijna zou
2
-ocr page 22-
18
deze alles in den war gestuurd hebben, door zeer plecht-
statig te verklaren, dat men een „partijman" van mij
ging maken! — Mijn vader was zeer gehecht aan de be-
middelende maatregelen door Napoleon genomen ten op-
zichte van de godsdiensttwisten, en bij het woord „partij-
man" zag hij in mij reeds een tegenstander van die
maatregelen. Het scheelde niet veel of hij zou zijne toe-
stemming tot mijn gaan naar Bayonne hebben ingetrokken,
— maar God bedient zich dikwijls juist van de moeders
om aan het leven de eigenlijke richting te geven. Mijne
lieve moeder gevoelde, dat, zoo het voorstel van den heer
Pijt werd afgeslagen, dit een wederstreven zou zijn van
Zijn wil — en hare meening zegevierde.
Nog eenige gesprekken met dezen uitnemenden man
Gods deden den tegenstand van mijn vader geheel zwich-
ten en weldra was de dag van mijn vertrek bepaald. Men
weende alsof ik naar Amerika of Australië vertrok. Had-
den wellicht mijne ouders een voorgevoel dat ik voortaan
slechts zelden en clan maar kort onder hun dak zoude
vertoeven ?
Mijn vader bracht mij weg en de reis kwam mij niet
onaangenaam voor. Ik was op zijn paard gezeten en
geheel gewikkeld in zijn mantel. Nooit zal ik vergeten
hoe eenzaam en verlaten ik mij den volgenden dag ge-
voelde , toen mijn vader vertrok! — Alles kwam mij even
somber voor! De huizen waren zoo hoog en stijf, de
straten zoo nauw en men kon den hemel bijna niet zien!
Hoe geheel anders was dat te Orthez, waar wij overal het
uitzicht hadden op een vroolijk landschap. Tot overmaat
van ramp, kwam er juist eene begrafenis onder mijn
raam voorbij, wat mij niet vroolijker stemde, en de lust
-ocr page 23-
19
bekroop mij om weg te loopen, want ik had in die groote
stad het gevoel van een vogel, die voor \'t eerst bemerkt,
dat hij in een kooi gevangen zit!
Zulke indrukken duren echter niet lang gelulckig en
den volgenden dag was alles reeds geheel anders. Mijn-
heer Pijt gaf mij al dadelijk een latijnsch boek en zeide
met een opgeruimd gezicht: „Zie zoo, nu gaan we latijn
leeren en als ge de eerste helft van dit schrijfboek gevuld
hebt met verbuigingen en de andere met vertalingen, dan
gaan we samen een dag naar Biaritz om de zee te zien."
Met ijver ging ik aan \'t werk; — schrijven kostte mij nog
al moeite (want ik was pas tien jaar), maar ik leerde
latijn; dit vond ik voornaam en ik begreep, dat er flink
gewerkt moest wordeu.
Op den dag van mijne eerste latijnsche les, ontving ik
nog twee andere lessen van geheel anderen aard, doch
die mij niet minder nuttig zijn geweest. Des avonds deden
Mijnheer Pijt en zijne vrouw eene heerlijke wandeliug met
mij en daar mijne tong weer los was geraakt, had ik het
vreeslijk druk over allerlei herinneringen van school,
waarbij de gebreken mijner vroegere makkers een hoofdrol
speelden. Men liet mij evenwel opmerken, dat dit „kwaad-
spreken" was en dat kwaadspreken „zonde" is. De ern-
stige wijs, waarop dit woord „zonde" werd uitgesproken,
heb ik nooit vergeten, en hoewel ik mg van deze verma-
ning door een juist niet zeer passend antwoord trachtte
af te maken, zoo liet die gedachte toch een diepen indruk
bij mij na.
Iets later werd mij onder het oog gebracht, dat ik ver-
keerd deed, door bij elke kleinigheid den naam van God
als uitroep te bezigen, daar het „ijdelijk gebruiken" van
t*
-ocr page 24-
20
dien heiligen naam door God niet onschuldig werd ge-
houden. Dit was iets geheel nieuws voor mij en ik
liet mij dan ook niet zoo gemakkelijk overtuigen, want
had ik niet nog onlangs eene oude tante hooren zeggen,
dat het als een achteruitgang der godsdienstige gevoelens
te betreuren was, dat men tegenwoordig, wanneer iemand
niesde, niet meer zeide „God zegene u!" maar eenvoudig
„Wel bekome het u!" of iets dergelijks? Mijn goede
leermeester zeide mij echter zulke heerlijke dingen omtrent
de verhevenheid en heiligheid van God en omtrent den
eerbied, met welken wij over Hem moeten spreken, dat
ik weldra beschaamd tot zwijgen werd gebracht.
Van dien dag af begon ik onbewust te gevoelen, dat
ik te doen had met menschen, voor wie de godsdienst iets
geheel anders was, dan hetgeen ik mij tot nu toe had
voorgesteld. Als Mijnheer Pijt over die dingen sprak, was
het mij alsof hij regelrecht van den Heer kwam. Des
morgens bij de huiselijke godsdienstoefening, werd er een
hoofdstuk uit het Oude en een uit het Nieuwe Testament
gelezen; dit scheen mij soms wat lang, doch steeds werd
mijn aandacht levendig gehouden door eenige goed gerichte
vragen en door het opzoeken der gelijkluidende plaatsen,
want altoos werd het Oude en het Nieuwe Verbond met
elkander vergeleken en uitgelegd.
Weldra werd mij ook vergund, den heer en mevrouw
Pyt bij hunne wekelijksche armenbezoeken te vergezellen,
doch van hoeveel ellende moesten wij daarbij soms getuige
zijn! — Eens ontdekten wij eene vrouw, die met hare
dochter slechts ééne japon bezat, zoodat, wanneer ze een
van beiden uitgingen, de andere zich moest behelpen met
eene oude, versleten wollen deken.
-ocr page 25-
21
Daar er te Bayonne een garnizoen lag, waren er ook
dikwijls soldaten in arrest en deze bezocht de heer Pyt
eveneens geregeld, om hen uit den Bijbel voor te lezen ;
meermalen nam hij mij met zich mede en ik hoor nog in
mijne verbeelding het rammelen van de sleutels en het
knarsen van de zware deuren, die zich achter ons sloten,
om ons alleen met de gevangenen te laten. Dit alles,
gevoegd bij het afzichtelijk voorkomen dier arme men-
schen, die allen hun\' baard lieten staan en waarvan
sommigen een kogel aan het been hadden, leverde een
weinig aangenaam geheel op. Mijn dierbare leermeester
evenwel, liet zich door niets afschrikken, gaf allen vriend-
schappelijk de hand en onderhield zich minzaam en mede-
lijdend met ieder in \'t bijzonder, — terwijl hij hun menig-
maal nuttige wenken gaf voor de toekomst. Ook zorgde
hij voor gepaste afleiding. Op zekeren dag waren de
goede burgers der stad Bayonne zeer verbaasd eene af-
deeling dier arrestanten (onder behoorlijk geleide) naar de
woning van den dominee te zien marcheeren, met eene
bezending goed gevlochte strooien hoeden. Mijnheer Pyt
had op zich genomen deze voorwerpen door eenige winke-
liers te doen verkoopen
Door mij zoo zachtjes aan — en voor zoover mijne
jaren dit meebrachten, — in zijne liefdewerken te doen
deelen, werd ik door mijn\' leermeester in den volsten zin
des woords opgevoed. Niemand wist zoo goed als hij»
in het kind den mensch te zien; wel eischte hij veel
arbeid maar die arbeid werd steeds afgewisseld door eene
aangename en nuttige ontspanning, waaraan hij zelf, zoo
dikwerf dit slechts kon, deelnam; — hij was tegelijkertijd
mijn leermeester en beste vriend. Derhalve was ook zijn
-ocr page 26-
22
onderwijs nooit rlroog of vervelend, en zijne methode be-
stond hierin: zijne leerlingen door eigen onderzoek te doen
uitvinden wat ze weten moesten. Niet lang na mijne aan-
komst te Bayonne, vereenigde hij enkele jongens van
mijne jaren en ondernam met ons het lezen en ontleden
den brief aan de Romeinen, — waarbij het hem mocht
gelukken, ons te boeien; deze studie werd mij zelfs tot
rijken zegen en bracht mij tot het inzicht van wat het
eigenlijk is zich te bekeeren; ik geloof dat mijn hart
eerst toen werkelijk door den Heer werd geraakt en deze
verandering ontging ook niet aan het geoefende oog van
mijn\' leermeester; — hij was het, wat meer is, die er
mij opmerkzaam op maakte, gedurende een verblijf te
Biaritz, waar hij bij voorkeur met mij heenging, om
eenige uren aan het toenmaals zoo stille strand, door te
brengen. — Het dorpje Biaritz was zeer arm en de man-
lijke bevolking, door de vele onheilen op zee zoo zeer
gedund, dat zelfs het ambt van omroeper door eene
vrouw werd uitgeoefenen. Het was mij evenwel alsof
al die ellende de grootheid van den Schepper te meer
deed uitkomen, \'t scheen mij toe, alsof die grootsche,
onmetelijke zee uit Zijn heiligdom kwam. Ik gevoelde
levendig, dat het hebben van zulk een God tot Vader de
eenigste eer is, waarnaar de mensch moet streven en mijn
dierbare meester droeg altoos zorg, naast het beeld van
dien Almachtigen Schepper en alles onderhoudenden God,
ook steeds het beeld te plaatsen van den Heer Jezus
Christus, die op aarde was nedergedaald om onze straf
te dragen en ons vrede en vergeving van zonden aan te
brengen. Veel sprak hij met mij over dien dierbaren
Heiland en langzamerhand werd alles, wat ik tot hiertoe
-ocr page 27-
23
van Hem gelezen of gehoord had, werkelijkheid voor mij,
Ik gevoelde de behoefte, om met mijn geheele wezen zijne
liefde te beantwoorden en de woorden van Paulus, die ik
reeds bij mijne belijdenis zoo schoon had gevonden: „Zoo
is er dan geene verdoemenis meer voor degenen, die in
Christus Jezus zijn" — werden als met onvergankelijk
schrift in mijn hart geprent.
Eens op een avond, toen wij veel over die dingen had-
den gesproken, knielde de heer Pijt met mij neder, om
als naar gewoonte onze smeekingen tot den Heere op te
zenden. Toen wij waren opgestaan, zeide hij, dat ik nu
zelf moest bidden; dit deed ik en nooit zal ik vergeten
welk een zalig gevoel het mij was, hem daarop te hooren
zeggen: „Weet ge dat we thans broeders zijn, — zonen
van denzelfden Vader ?"
Die gedachte greep mij zóó sterk aan, dat ik eenigen
tijd noodig had om weder tot mij zelven te komen.
Er bevond zich toen te Bayonne een man, zachtmoedig
en nederig van hart, die zich zeer aan mij had gehecht
en die mijn jeugdig geloof krachtig wist te onder-
steunen. Raymond Léris had onder Napoleon als soldaat
gediend en kon heel wat vertellen van de veldtochten, die
hij had meegemaakt. Meermalen was hij het voorwerp
geweest van wonderbare uitreddingen. Vroeger beschouwde
hij die als een gelukkig toeval, doch thans, voorgelicht
door de prediking van den heer Pijt, had hij aan God
alleen de eer leeren geven. Zijne herinneringen ver-
leenden iets bijzonder aantrekkelijks aan zijne godsvrucht;
hij bleefsoldaat in zijn hart, maar diende nu onder een
ander vaandel. Steeds was hij kalm en opgeruimd en
gevoelde zich onoverwinnelijk door zijn Heiland Jezus
-ocr page 28-
24
Christus. „Ziet ge," zeide bij soms, „als ik zoo op het
slagveld in \'t heetste vuur stond, was het toch alsof eene
stem in mijn binnenste tot mij zeide: gij zult ongedeerd
naar huis terugkeeren; — en die hoop is niet beschaamd,
maar nog veel zekerder ben ik nu, dat mijne ziel gered
zal worden, want ik strijd den goeden strijd onder het
commando en de bescherming van Jezus Christus."
Mij dunkt hij had zijn Zaligmaker steeds voor oogen
en stond om zoo te zeggen, met geschouderd geweer
voor Hem.
Door Léris aangemoedigd, trachtte ik mijne makkers
deelgenooten van mijne nieuwe gevoelens te maken, doch
zij schenen er niets van te begrijpen. Zij noemden mij
weldra een dweeper en wenschten mij veel genoegen toe
met de oude vrouwen, die de bijeenkomsten van den heer
Pijt volgden. Deze plagerijen dreigden meermalen in
handtastelijkheden te eindigen, door mijn niet zeer ver-
draagzamen inborst. Gelukkig echter wist ik mij te be-
dwingen, trok mij heftig bewogen terug en wanneer ik dan
in de eenzaamheid mijne knieën voor God boog, deed Hij
mij gevoelen, dat al Zijne dienstknechten voor Hem moes-
ten lijden; dit was de vervolging die ik op mijne jaren te
wachten had. Behalve de heer en mevrouw Pijt en mijn
vriend Léris, geloofde niemand aan de duurzaamheid der
godsdienstige gevoelens van een jongen van twaalf jaar.
Eene mijner nichten, twee of drie jaar ouder dan ik,
maakte echter eene uitzon/lering. Even als ik hield zij
veel van mijns meesters preeken, die steeds leerrijk,
stichtelijk en volkomen bevattelijk waren. Wij hadden ons
aangewend daarvan eiken Zondag een uittreksel te maken,
dat wij des Maandags aan den heer Pyt toonden. Door
-ocr page 29-
25
oefening waren wij eindelijk zoover gekomen, dat wij bijna
de geheele leerrede konden wedergeven. Daarenboven was
het ons een groot genoegen en tot zeer veel nut, de gelijk-
luidende plaatsen in onze Bijbels op de kant der blad-
zijden aan te teekenen. Menigen tekst, die betrekking
had op het een of ander leerstuk, werd ook met zorg
door ons onderschrapt. Op deze wijze bekwamen wij on-
gemerkt eene grondige kennis der Heilige Schrift.
Soms, wanneer wij met die studie eenige uren hadden
doorgebracht, nam mijne nicht ter afwisseling hare guitare
en zongen wij te samen eenige der schoone liederen van
Malan, die toen pas waren uitgekomen.
Deze liederen beantwoordden volkomen aau de behoeften
van den eersten tijd der geestelijke opwekking; zij tintel-
den van vreugde en hoop en er was iets heldhaftigs in ,
dat het hart goed deed.
Na vele jaren onder de Heidenen werkzaam te zijn ge-
weest, mocht ik het het geuoegen smaken den hooggeachten
en mij zoo dierbaren Malan in persoon te ontmoeten en
hem eenige zijner liederen te toonen, in de taal der
Bassoeto\'s overgezet!
Gedurende mijn verblijf te Bayonne werd ik een tijd
lang als \'t ware bezield met eene hartstocht voor den
wapenhandel. De aanleining hiervan was, dat ik gedurig
de Fransche troepen had zien voorbij trekken, die naar
Spanje werden gezonden om Ferdiuand VII te helpen, zijn
troon te herwinnen en nu hadden die schitterende unifor-
men mij het hoofd op hol gebracht. De heer Pyt maakte
van deze gelegenheid gebruik om mij onder het oog te
brengen, dat er een veel hooger geluk ligt in geestelijke
dan in aardsche overwinningen. Mijne liefde voor soldaten
-ocr page 30-
2tf
ziende, zette hij mij aan het werk in hun midden.
Het garnizoen bestond grootendeels uit Zwitsers. Hij koos
eenige manschappen uit het regiment van Bontemps en
vertronwde ze aan mijne zorg toe, om hen te leeren lezen
en hen over den Heiland te spreken. Die brave roodrok-
ken namen de zaak zeer ernstig op, betoonden mij weldra
warme liefde en wij verheugden ons wederzijdsch telkens
op het uur van de les. Dat deed mij goed.
De heer Pyt trachtte ook, mij liefde tot de Joden in te
boezemen. Te Bayonne waren er zeer velen en mijn
meester zocht hen op allerlei wijzen voor den Heiland te
winnen. Dikwijls onderhield hij zich persoonlijk met som-
migen hunner en trachtte weder anderen door zijne ge-
schriften (afzonderlijk voor hen opgestelde traktaatjes) te
bereiken. Later vernam ik, dat hij niets liever had ge-
wild, dan mij zendeling onder de Joden te zien worden.
Ongelukkig evenwel had de afzichtelijke onreinheid en de
ongemanierdheid dergenen, die ik kende, mij tegen hen
ingenomen.
Daarbij ondervond ik eene nederlaag bij mijne eerste
pogingen om hen van nut te zijn, die ik nooit zal ver-
geten.
Ik had mij namelijk gehecht aan een uitdrager en hem
zoover gekregen, dat hij de godsdienstoefening op Zondag
bijwoonde. Gedurende eenigen tijd volhardde hij daarin.
Ik verzocht hem naast mij Ie komen zitten en zocht dan
de gezangen of de aangegevene tekst voor hem op. Zon-
der al te groote moeite was ik er in geslaagd den tegenzin
te overwinnen die mij zijne vuile gewoonte van snuiven
veroorzaakte, — doch ziet — op zekeren dag was mijn
Jood verdwenen! Zoo verliepen eenige weken totdat ik
-ocr page 31-
27
hem eens op straat ontmoette. „Wel vriend, wat is u
overkomen?" vroeg ik. „Weet je dan niet:" antwoordde
hij, „dat je me met je Zondag een zaak van 5 francs
hebt doen verspelen? Nah, daar ben ik niet meer voor
te vinden!" — De hoonende lach, waarmee deze woor-
den vergezeld gingen, doofde al mijn ijver ten eenen male
uit en ik dacht bij mij zelven — zeer ten onrechte voor-
zeker — dat een Jood een onbekeerlijk wezen is.
Tegen mijn vijftiende\' jaar ving voor mij een tijdperk
van geestelijk verval aan, waaronder ik veel had te lijden.
Mijne studiën vorderden goed en ik had eene groote
voorliefde opgevat voor de klassieke voortbrengselen der
oudheid. Door deze werken wordt de verbeelding maar al
te zeer geprikkeld en dat juist in de jaren, waarin het
verstand nog niet krachtig genoeg is om haar als \'t ware
te beteugelen. De Bijbel ook bevat verhevene helden-
dichten , onvergelijkelijk schoone geschiedenissen, wier helden
het nog winnen in dapperheid van die door Homerus of Vir-
gilius bezongen. In den Bijbel echter wordt alles gesteld
in het licht van een rechtvaardig en heilig God, in wiens
oog de zonde nimmer genade vindt, zelfs niet als zij
zich voordoet onder den aantrekkelijksten en volgens het
mensohelijk hart meest vergeeflijken vorm. De poëzie der
gewijde dichters is louter hemelsch, die der Grieksche en
Romeinsche hoofdzakelijk aardsch en dikwijls onrein. Is
het dan te verwonderen, dat de ziel van den aankomenden
jongeling door haar dikwijls op een zwaren proef wordt
gesteld ?
Enkele der letterkundige voortbrengselen vau de philo-
sophie der 18de eeuw waren mij ook nadeelig. Zij deden
niet zoozeer den twijfel in mij ontwakeu, als wel de al te
-ocr page 32-
28
hooge eischen van mijn verstand en mijn\' wil. Ik had
de liefde van mijn Heiland te levendig ondervonden, dan
dat de bewijsgronden van het ongeloof werkelijk vat op
mij konden hebben. Al bleef evenwel mijne geloofs-
overtuiging in haar wezen gespaard, — de vrijzinnige
houding van het ongeloof stond mij aan. Ik wilde van
den eenen kant mijne ervaringen behouden, maar van den
anderen kant mij losmaken van al wat mij kon verhin-
cleren, over mij zelf te beschikken. Een zekeren aanleg
voor de studie had mij met opgeblazenheid en eerzucht
vervuld. Dit een en ander maakte mijn hart dor en ik
gevoelde mij ongelukkig, omdat ik het bewustzijn van de
gemeenschap met God verloor.
Eene andere oorzaak zou weldra de bitterheid van
dit keerpunt in mijne gevoelens vermeerderen. Sedert ik
had gehoord van de te Parijs opgerichtte Evangelische
Zendingsvereeniging was er in mijn hart het voorgevoel
ontstaan, dat voortaan mijne aardsche toekomst was be-
slist. De oproeping van den directeur aan de protestant-
sche jongelingschap, scheen mij toe geheel tot mij te
zijn gericht. Zij verlevendigde opnieuw en verhoogde
het belang dat ik van mijne kindschheid af gesteld
had in de verdrukte volksstammen. Ik zag steeds dien
ellendigen zwijnenhoeder Pizzarro voor mij, die de onge-
lukkige Peruanen liet bombardeeren, omdat hun Inca,
Antahualpa een gebedenboek in zijne onnoozelheid aan
zijn oor had gebracht, meenende dat het spreken zou, en
toen bet dit niet deed, weder aan den eigenaar met een
spottenden glimkch had teruggegeven. Ik sidderde bij het
verhaal van de ijselijkheden van den slavenhandel, door
Wilberforce en den baron de Staël met rechtmatige
-ocr page 33-
29
verontwaardiging aan het licht gebracht. God bediende
zich van dit alles om in mijn hart eene roeping te wer-
ken; wel was die eerst nog onbestemd, maar zij nam steeds
toe naar mate Zijn woord mij duidelijker den plicht deed
zien, het Evangelie aan de Heidenen te brengen. Ik
sprak er evenwel met niemand over en meestal deed ik
mijn best, die voorgevoelens te verbannen, welke mij van
het hoofd tot de voeten deden huiveren. Tegen gevaren
en vermoeienissen zag ik niet op, maar zouden mijne
ouders, aan wie ik zoo innig was verbonden, afstand
doen van de plannen die ze voor mij zoowel als voor hen
zelve hadden gevormd? Zouden zij niet van verdriet
sterven, als ik hen levenslang ging verlaten? De zending
was toenmaals weinig bekend; het was een nog te onder-
nemen proefstuk. Men vergrootte zich zeer de gevaren en
moeielijkheden daaraan verbonden! Men stelde zich die
onbekende landen voor als het gebied van kwade koortsen,
verscheurende leeuwen en bloeddorstige lcanibalen. Ik was
daarbij, wat mij zetf betreft, bijna onlosmakelijk aan mijn
vaderland, vooral aan mijn dierbaar Béarn gehecht.
Hierbij voegden zich de tegenwerpingen van mijn ijdelheid
en de vrees van te worden uitgelachen, want, dank zij de
pogingen der Jezuïten, die Frankrijk met crucifixen en
kruisheuvels bedekten, was het woord zendeling gehaat
door allen, die zich lieten voorstaan op philosophie of
liberalisme.
Zoo stonden de zaken, toen een onvoorziene gebeurtenis
mij den eersten stap deed zetten op den loopbaan, die
zulke tegenstrijdige gevoelens in mijn binnenste opwekte.
De heer Pijt nam eenige dagen vacantie en stond er op,
dat ik daarvan met hem zou genieten. Wij zouden die
-ocr page 34-
30
dagen gaan doorbrengen bij een\' rijken boer in de omstre»
ken van Sauveterre.
De weg van Salies tot de plaats onzer bestemming
legden wij te voet af. Het was een schoone winterdag.
De zon vergulde met zijne heldere stralen de sneeuw, die
onder onzen voet kraakte. Toen we den top van een
heuvel bereikt hadden, hield mijn meester plotseling stil,
en zich tot mij wendende, zeide hij: „Eugène, ge zijt nu
vijftien jaar, is \'t niet? Het wordt tijd dat we eens weten
waaraan ge u wilt wijden. Wat wilt ge worden?" — „Ik
zal niet zeggen wat ik worden wil, maar wat ik zijn zal!"
gaf ik ten antwoord. — „Welnu, wat dan? — „Zende-
ling!" — „Gij zendeling?..... Maar dat meent ge niet,
Weet ge wel wat het is?" — „Ik weet het slechts al te
goed, — maar dat zal ik zijn."
De heer Pyt hernam de wandeling en wij kwamen op
onze bestemming, zonder verder een woord over boven-
genoemd onderwerp te hebben gewisseld.
Den volgenden morgen ontmoette ik mijn leermeester,
terwijl ik van eene ochtendwandeling thuis kwam. Ietwat
verstrooid sprak hij mij aan, zeggende: „Ge hebt hier
veel vrijen tijd; licht zoudt ge u vervelen; houdt u dus
onledig met eens op papier te zetten, welke redenen gij
hebt om zendeling te willen worden!"
Dit voorstel gaf mij verlichting, want ik gevoelde mij
bezwaard sedert mijne bekentenis.
Binnen twee uur had ik zes a acht pagina\'s volge-
schreven, die ik aan den heer Pyt overhandigde. Het
was een volledig opstel, behoorlijk overgeschreven en
met mijne voorletters onderteekend. En wat deed nu
mijn waarde vriend? Na het te hebben gelezen, zond
-ocr page 35-
31
hij het eenvoudig aan het comité van de Pariische Zen-
dingsvereeniging.
Drie jaren verliepen, zonder dat wij op het onderwerp
in kwestie terugkwamen, maar die ontboezeming had mij
verlicht. Intusschen kwam de zaak tot rijpheid. Door
veel strijd moest ik heen en ik dacht dat niemand daar-
van iets merkte. De heer Pyt evenwel zag alles, maar
niemand wist beter dan hij de vrijheid der aan zijn zorg
toevertrouwde zielen te eerbiedigen. Hij bezat de onschat-
bare gave om de geesten te onderkennen. Dikwijls, wan-
neer ik dacht over hetgeen mij zoozeer vervulde, ontsnapten
mij eenige woorden, waarvan het niet moeielijk was den zin
te doorgronden , — maar zelfs dat behoefde hij niet om te
weten hoe het met mij stond. Hij volgde, om zoo te zeg-
gen van uur tot uur den strijd, die in mijn arm hart
plaats had. Door zijn fijn gevoel geleid, had hij mijne
ouders in kennis gesteld met het gesprek «lat er tusschen
hem en mij had plaats gehad op den weg naar Sauve-
tetre. Door een derden vernam ik, dat mijne moeder had
geantwoord: „Ik zal mij tegen Gods wil niet verzetten,
maar ik hoop, dat Hij mij zal wegnemen vóór dat mijn
zoon vertrekt, indien dit ooit moet gebeuren." Hierdoor
steeg mijn strijd ten toppunt, zoodat mijn vaderlijke vriend
begreep, dat eene afleiding noodzakelijk was en dat tevens
de twijfel moest worden verbannen, die mijn geloof be-
dreigde. Daar mijne voorbereidende studiën bijna geëindigd
waren. zette hij mij aan de eerste beginselen der theologie
als daar zijn: exegetische uitlegging van het Nieuwe Tes-
tament in het grieksch; beschouwing van de Heidenwereld
uit een staatkundig, maatschappelijk en godsdienstig oog-
punt, ten tijde van de komst onzes Heeren; denkbeelden
-ocr page 36-
32
en instellingen van het joodsche voik, — van de weder-
komst uit de Babylonische ballingschap tot op de verschij-
ning van Johannes den Dooper; — het leven van Jezus
Christus en de stichting der verschillende gemeenten door
Zijne apostelen of hunne opvolgers. Hierbij voegde de
heer Pyt onschatbare lessen van dogmatiek en verded;gings-
kunde, die hij meest uit den schat zijner eigene kennis
putte, of waarvan ik de stof onder zijn toezicht moest
zoeken in verschillende schrijvers. Voor dit laatste deel
mijner nieuwe werkzaamheden, had ik dikwijls te worstelen
met zeer zwaar latijn, dat zeer dicht in elkander was ge-
drukt, op door ouderdom geel geworden papier. Deze moeite
werd echter ruimschoots beloond, want elk nieuw bewijs
voor de historische zekerheid der in de Schrift vermelde
feiten, elke lichtstraal; over hetgeen de Christen geroepen
is te gelooven en te beleven, deed mijne ziel allengs tot
kalmte wederkeeren. Bij wijze van afwisseliug liet de heer
Pyt mij van tijd tot tijd een opstel in \'t Fransch maken;
dat trokj mij zeer aan. Hij toonde mij dan plaatsen in
den Bijbel, die stof konden opleveren tot vergelijkingen
met dergelijke plaatsen in de letterkundige voortbrengselen
der oudheid. Dit alles moest ik onderling vergelijken, de
wederkeerige schoonheden er van opteekenen, het verschil
ervan aangeven en de oorzaken van dat verschil zoeken
in den godsdienst en de zeden, zoowel van de ongewijde
als van de gewijde schrijvers. Het opstellen dezer stukken
deed mij menig aangenaam uurtje doorbrengen.
Ongeveer tegen dienzeltden tijd droegen ook de lessen
van Guizot, Villemain en Cousin er veel toe bij om mijne
gedachten een hoogeren vlucht te doen nemen en mijn
gezichtseinder uit te breiden. Op het platte land volgden
-ocr page 37-
33
wij deze lessen (die ons in geschrevene afleveringen ge-
werden) even belangstellend en gretig, als men dit te Parijs
zelf deed. De onbaatzuchtige, milde geest, die destijds
Frankrijks jongelingschap vervulde, kwam ook over ons,
jeugdige zonen van Béarn. Ik deelde in den algemeenen
zucht naar een tijd van vooruitgang en vrijmaking voor de
menschheid, en de vrucht van dezen drang des harten
ging niet verloren voor de roeping, die God aanvankelijk
in mij had gewerkt.
Zoo bereikten wij 1830. Ruim een jaar geleden had
mijn weldoener van woonplaats verwisseld en was nu niet
meer te Bayonne maar te Orthez. Ik hevond mij dus
weder onder het ouderlijk dak.
De reden, waarom de heer Pyt tot deze verandering
van woonplaats overging, was een dringend aanzoek van
onzen kerkeraad. De vruchten zijner prediking waren
telkens zóó verrassend, dat men hem smeekte, zich meer
geregeld ook in de hoofdplaats van het kerspel te laten
hooren — en hierdoor ontstond een onberekenbaar nut.
De geestelijke opwekking werd algemeen.....doch daar
verspreidt zich op eens de mare, dat dit zoo gezegend
werktuig Béarn zou verlaten! Hij was namelijk steeds
verbonden gebleven aan de „Société Continentale" (de
redenen hiervan te omschrijven zouden mij te ver voeren)
en nu werd hij plotseling door dit genootschap naar een
ander arbeidsveld overgeplaatst. Zonder in verdere bijzon-
derheden te treden, veroorloof ik mij enkel op te merken,
dat door deze verandering mijns inziens eene\' fout werd
hegaan. Na dien tijd ging het werk van den heer Pyt
nimmermeer zoo voorspoedig en reeds vijf jaren later
legde hij ongelukkigerwijs zijne ambtsbediening neder.
3
-ocr page 38-
34
De aankondiging van zijn vertrek schokte mij diep. De
ure der beslissing, waartegen ik zoozeer had opgezien,
was thans geslagen. Mijne klassieke studiën waren voltooid
en nu mijn leermeester wegging, kon ik niet meer onder
zijn opzicht blijven doorwerken. Het moest worden uit-
gemaakt of ik naar de Universiteit te Montauban dan wel
naar het Zendingshuis te Parijs zoude gaan.
De heer Pyt was de eerste, die mij dit vraagstuk vóór-
lag en hij deed het op zijne eigenaardige, ernstige doch
zachte wijze. Miine dierbare ouders ook richtten dezelfde
vraag tot mij, maar met zulk eene teedere, weemoedige
uitdrukking, dat daarin duidelijk te lezen stond: „Ge zijt
vrij, maar ge weet hoeveel het ons kosten zoude, u zen-
deling te zien worden."
Toen ving de strijd opnieuw voor mij aan, — een\'
strijd zoo hevig, dat de voorafgaande daarbij niets was.
Ik kon niet meer werken en ontvluchtte zelfs het gezel-
schap mijner meest geliefde makkers. Niemand van hen
begreep mij; zij noemden mij een\' dwaas en scheerden
den gek met mijne zoogenaamde roeping. In de buurt
mijner geboortestad bevindt zich een heuvel, van welks
top men het uitzicht heeft op de gansche omliggende
schoone landstreek. Daarheen vluchtte ik dan vaak om
mijn overkropt gemoed in tranen lucht te geven.
Eens werd ik daar door mijne makkers ontdekt.
„Wat is er toch in dit schoone landschap, dat u zoo
bedroefd maakt?" vraagden zij.
„Niets," antwoordde ik, „alleen de gedachte dat ik dit
punt weldra nooit meer zal kunnen bezoeken, terwijl gij
er uw leven lang van kunt genieten."
„Daar hebt ge weer die droomerijen! Heeft God dan
-ocr page 39-
36
tot u gesproken? Wil Hij gediend worden met tegenzin?
Hebt ge uw naam gelezen in die gedeelten der Schrift,
waar de Heer beveelt het Evangelie aan de Heidenen te
brengen ?"
„Neen, dat niet.....maar ik heb gelezen: Hoe zul-
len zij hooren, zonder die hen predikt? — indien
ik weiger het te doen, zal dan niet iedereen dat zelfde
recht hebben? En wat moet er op die wijze worden van
de zielen dier arme Heidenen ?"
Een eindbesluit moest thans genomen worden. Men be-
legde een familieraad; ik had echter de kracht niet om
mij uit te spreken. „Gevoelt gij de vrijheid, u van het lot
te bedienen?" zeide de heer Pyt eindelijk. „De Moravische
broeders veroorloven het zich soms in een plechtig,
moeielijk geval,"
„Neen," — antwoordde ik plotseling, — „daarmede
zoude ik God verzoeken! Ik weet, dat ik zendeling moet
wezen, en ik zal het zijn!"
„Welnu, dan is de zaak beslist?"
„Neen, neeu, nog niet! ik bid u spaar mij!"
Twee of drie dagen later kwam mijn dierbare vriend,
die bijna evenveel leed als ik, mijne ouders opzoeken.
„Uw zoon, zeide hij, is nog zeer jong. Laten wij hem
een weinig tijd geven. Hij kent Engelsch; ik moet van
Boulogne uit, waar ik eerst eenigen tijd zal verblijven, een
reisje naar Engeland doen. Het zal mij dus niet moeielijk
wezen, hem aldaar bij de eene of andere familie te plaat-
sen, waar hij les zal kunnen geven en zijne reeds opgedane
kennis uitbreiden. Op deze wijze kan hij zijn tijd nuttig
besteden, totdat God hem de kracht geeft tot eene be-
slissing."
3*
-ocr page 40-
36
Dit voorstel was — zoowel voor mijne familie als voor
mij — een ware uitkomst.
Eenige weken later vertrok ik met mijn beminden leids-
man. Het afscheid was dragelijk, dank zij het uitstel dat
men mij had vergund.
Nauwelijks hadden wij de Pyreneeën uit het gezicht ver-
loren, of ik hernam weder mijn evenwicht. In de gulden
jeugd meent men alles te kunnen verwachten van den tijd.
-ocr page 41-
III.
Mjjjne intrede en voorbereiding in het
Zendingshuis te Partys.
Te Parijs aangekomen stapten wij af in eene der hotels
van de rue du Mail. Het was juist de tijd der algemeene
vergaderingen van onze godsdienstige genootschappen in de
eerste helft der maand April 1830.
Die genootschappen waren toen nog in hunne lentejaren
maar men gevoelde reeds als een voorbode , den warmen
adem hunner zomerhoogte. Op verschillende bijeenkomsten
had ik het genoegen mannen te hooren als Benjamin
Constant en Guizot, terwijl de graaf Ver-Huell, admiraal
van Frankrijk, mij op eene bidstond voor de Zending ge-
heel meesleepte door zijne bezielde, gloeiende toespraak.
Niet zonder aandoening zag ik dicht bij de estrade drie
jongelieden, die van hunne levendige belangstelling de
duidelijkste blijken gaven. Het waren leerlingen van het
Zendingshuis.
Eenige dagen later liet de heer Pyt mij dat huis zien.
De heer en mevrouw Grand Pierre ontvingen mij op de
hartelijkste wijze. Men kon merken, dat ik geeu vreemde-
ling voor hen was, waaruit ik opmaakte, dat mijn goede
-ocr page 42-
38
leermeester hen op de hoogte had gehouden van mijne
wenschen en van mijn strijd.
Gedurende dat bezoek gevoelde ik mij plotseling als
door een tooverslag ontheven van de aarzelingen, waar-
onder ik zoolang had geleden. Er heerschte in het huis
zulk eene blijmoedige vroomheid; men sprak er op zulk
oene aangename wijze over het zendelingsleven, dat ik
begreep welk eene kracht en welk een geluk er ligt in
het gewillig aannemen van Gods wil. Dien dag hield alle
twijfel en alle strijd op, en tot eer van mijn Hemelschen
Vader kan ik getuigen, dat zij nooit terugkeerden. In
\'t eerst behield ik deze gevoelens voor mijzelve.
Eene week later evenwel, toen de heer Pyt mij zeide,
dat wij verder zouden reizen, antwoordde ik: „Voor mij
zal de reis niet lang meer zijn, met een rijtuig kan ik die
volbrengen, want ik ga naar het Zendingshuis."
Met innige teederheid drukte mijn geestelijke vader mij
aan zijn hart en wij bogen te samen onze knieën voor God
Dienzelfden dag nam de kleine zendelingsfamilie van de
Boulevard Mout Parnasse met warme liefde een nieuw lid
iu haar midden op. Slechts twee en een half jaar zoude ik
daar blijven; de studies, die ik onder het opzicht van den
heer Pyt had gemaakt, veroorloofden mij, al mijne krach-
ten van den eersten dag af, aan de theologie te wijden.
Hoe kort mijn verblijf echter geweest zij, ik beschouw het
nog steeds als een belangrijk tijdperk in mijn leven, want
het beteekende heel wat, de jaren 1830, 1831 en 1832
in Parijs door te brengen!
De leefregel in het Zendingshuis was gestreng, doch
dat was mij liefelijk. Men werkte er van \'s morgens tot
\'s avonds, maar daarover beklaagde zich niemand. Het
-ocr page 43-
39
methodisch, duidelijk onderwijs van den heer Grand Pierre
stond mij ook reeds dadelijk aan. Hij wist zijne lessen
in de godgeleerdheid zoo smakelijk te maken; de Bijbel
was zijn eenigste grondslag en men gevoelde dan ook, dat
hij daardoor zulke gezonde kost gaf. In onze vrije uren
genoten wij veel van het gezelschap zijner vrouw, die aan
eene groote minzaamheid en een uiterst fijn gevoel, dege-
lijke, frissche vroomheid paarde. Men moet Mevrouw
Eugenie Grand Pierre eigenlijk gekend hebben, om zich te
kunnen voorstellen, wat zij voor ons was. Zij scheelde
maar weinig met ons in jaren, maar wij vereerden haar
als eene moeder en kenden voor haar geene geheimen.
Wanneer er somtijds • eene kleine moeielijkheid ontstond
tusschen den directeur en zijne leerlingen, dan wist zij
die met een glimlach of een enkel woord op zijn pas ge-
sproken, meesterlijk te vereffenen.
Het Zendingshuis was toen de vereenigingsplaats van
verscheidene menschen van aanzien, die begeerig waren
den weg ter zaligheid te leeren kennen.
Daar wij in het gebouw zelve eene zaal hadden, begon
onze geachte directeur weldra geregeld Bijbellezingen te
houden. Zijn woord was levend en krachtig; hij sprak
rechtstreeks tot het hart en het geweten en werd voor
velen tot grooten zegen.
De uitstekende leerredenen, die de heer Frédérique
Monod hield in de Zondagschool van „1\'Oratoire" en de
aan het onderzoek des Bijbels gewijde bijeenkomsten ten
huize van den heer Henry Lutteroth, werkten ook krachtig
mede om de geestelijke opwekking uit te breiden. Deze
had voornamelijk plaats onder menschen, uitblinkende
zoowel door hun stand in de maatschappij als door hunne
-ocr page 44-
40
gaven. Er heerschte onder dat groepje van ijverige na-
vorschers, bij wie telkens het „eureka" — (ik heb ge
vonden) — des geloofs weerklonk, eeue groote -eenvou-
digheid en eene blijmoedige, kinderlijke opgewektheid.
De leerlingen van het Zendingshuis hadden mede hun
deel in deze beweging. Daar men arbeiders te kort
kwam, werd op iedereen beslag gelegd. Eigenlijk ont-
vingen wij veel meer dan we geven konden, — want we
waren nog nieuwelingen in het leveu en weinig geoefend
in het spreken. De eerwaardige mannen, op wie ik zin-
speel, versmaadden evenwel niet, ons deelgenoot te maken
van hunne navorschingen en de uitkomst daarvan. In
zulk eene omgeving kwam men spoedig tot rijpheid!
Door deze omstandigheden werd ik ook in de gelegen-
heid gesteld kennis te maken met jongelieden van mijne
jaren, zoowel Franschen als Zwitsers, en hunne vriendschap
werd mij in later leven tot grooten steun en troost. Zij
studeerden in verschillende vakken aan de Hoogeschool te
Parijs, doch gevoelden allen behoefte zich te verzetten
tegen den noodlottigen invloed van eene ongeloovige om-
geving. Eens in de week vereenigden wij ons bij een hun-
ner met wien ik het meest bevriend was, Charles Bovet,
van Boudry *). Met den Berner student aan de politechnische
school, Louis Grüner, was ik eveneens zeer bevriend. Wij
vereenigden ons dan om den Bijbel te lezen en daarover
te spreken, maar bovenal baden wij te samen. Dit alles
geschiedde in groote eenvoudigheid, en ging toch soms met
veel strijd gepaard voor de vreesachtigen in ons midden,
daar voor hen het improviseeren een waar schrikbeeld was.
1) Een stadje in Zwitserland.
-ocr page 45-
41
Ik meen te mogen* zeggen, dat wij over het algemeen
bescheiden waren, maar de schroomvalligen maakten eene
uitzondering. In 1830 werd veel, zeer veel gesproken en
dat op alle gebied. Godsdient, staatkunde, wijsbegeerte,
over alles werd geredetwist. Wij leefden in eene atmosfeer
van geestdrift.
Onze vaders, verhit door de groote gedachten en vrees-
lijke beproevingen van de revolutie en daarna verblind door
de zegepralen van het keizerrijk, hadden in ons een geest
van vurigen ijver voor het goede verwekt. Wij vleiden
ons evenwel gaarne met de gedachte, dat het tijdperk van
maatschappelijke omwentelingen ten einde was en snak-
ten naar eene vreedzame vernieuwing der toestanden.
Ean ieder onzer wilde in zijne mate daartoe bijdragen en
zoo werden wij elk op zich zelf, ijverige predikers van de
verschillende inzichten, die wij op dat punt waren toe-
gedaan.
Dit verhinderde ons echter niet, de barricades der maand
Juli met blijdschap te begroeten en wij werkten er zelfs
ijverig aan mede. Wij meenden, dat nu de ure der vol-
komene godsdienstvrijheid geslagen had. Het was te veel
verwacht, — maar toch kwam eene werkelijke vooruitgang
tot stand, waarvan wij ons haastten gebruik te maken.
De groote zaal der Galerie de fer (later Taitbout) werd
ons geopend en eene talrijke menigte van allen rang en
stand vloeide samen, om de evangelieprediking der heeren
Grand Pierre en Audebez te hooren.
De leerlingen van het Zendingshuis kregen ook hunne
kapel, in eene der slechtste wijken van Parijs. Daar, te
midden van orgeldraaiers en kunstenmakers, konden wij
ons voorbereiden om het Evangelie aan de Heidenen te
-ocr page 46-
42
brengen. De leerschool was voortreffelijk, want zelden
heb ik later onder de wilden meer rumoer gehoord dan
daar. De opkomst in onze kapel was vrij talrijk en wij
slaagden er zelfs in, eene Zondagschool op te richten.
Wat de zielzorg betreft, hiervan leerden wij het moest
door onze bezoeken in de hospitalen.
Weldra werd ons eene vreeslijke beproeving gezonden;
de aziatische cholera brak voor het eerst uit. Met angst
zag men de plaag naderen en geene maatregelen verhin-
derden zijn voortgang. Eens, op een Zaterdag avond, liep
het gerucht, dat te Parijs zelf reeds iemand aan die ziekte
gestorven was. Den volgenden morgen zoude ik in de kapel
van het Zendingshuis optreden. In het voorgebed smeekte
ik den Heer, ons te sparen indien het Zijn wil was, maar
bovenal ons op den dood voor te bereiden. Nog had ik
het laatste woord niet uitgesproken, of daar zie ik een
man in \'t midden der vergadering wankelen. In allerijl
verlaat ik de preekstoel en kom nog juist bij tijds om hem
in mijne armen op te vangen. Zoo spoedig mogelijk ver-
wijderden wij den ongelukkige. De dokter werd nog ge-
haald, maar twee uur later was de arme Postry (zijn
naam is mij altoos bijgebleven) reeds een lijk. Den vol-
genden morgen werd hij met een twintigtal andere slacht-
offers der vreeslijke ziekte, ter aarde besteld.
Gedurende verscheidene weken zagen wij (luizende men-
schen aan onze rechter- en linkerhand vallen, maar het
verderf naakte niet tot het Zendingshuis. Eiken avond,
wanneer wij ons te bed begaven, namen wij afscheid van
elkander, alsof het voor het laatst ware geweest.
Van een anderen kant leerden wij veel, doordien
predikanten als de heeren Bisseux, Colani en Lemue
-ocr page 47-
43
die overkropt waren met werk, ons tot hunnen arbeid
lieten ingaan.
Eerstgenoemde had een zeer uitgestrekten werkkring
over bijna het geheele departement van Aisne. Hij kon,
wat ontberingen en kommer betreft, op ééne lijn staan
met Felix Neff, den „zendeling der Alpen". Mij viel het
voorrecht ten deel hem, gedurende eenige maanden vacantie
met mijne medeleerling Arbousset, ter zijde te staan. Die
korte tijd was voldoende om ons verbazend mager te doen
worden. Éénmaal daags vast, predikten wij, gingen vóór
in bidstonden of zangvereenigingen, en dat na vermoeiende
tochten door onbeschrijflijke binnenwegen, waar de modder
soms zóó diep was, dat de karrepaarden er tot aan de
borst inzonken. Op een goeden Zaterdag avond had ik
het ongeluk in zulk een modderpoel te zakken, zoodat ik
er letterlijk ontoonbaar uitzag en mijn rok, broek en vest
als vuil linnen gewasschen moesten worden, toen wij bij
den diaken aankwamen, die ons verwachtte.
Hadden wij nu maar van tijd tot tijd versterkend voed-
sel kunnen bekomen, om onze jeugdige magen hun recht
te doen wedervaren, — maar zelfs dat ontbrak. De be-
woners van dat gedeelte van Picardie kenden niets als
weven en deden dit niet eens altijd.
Een slecht voorzien kippenhok en geen enkelen ham in
de schoorsteen was de gewone toestand. Wat aardappelen,
een mager soepje en veel onrijpe, gekookte pruimen was
al wat zij ons hadden voor te zetten, — doch zij gaven
het weinigje, dat ze bezaten, met een gul hart.
Maar zoo wij het al slecht hadden naar den uitwendigen
meusch, in onze gesprekken met die dorpsbewoners onder-
vonden wij menige liefelijke vergoeding. Er heerschte onder
-ocr page 48-
44
hen eene groote vroomheid, de Bijbel was hun dierbaar en
als ik hen zoo onder elkander hoorde praten, vroeg ik mij
wel eens af, of Calvijn ook iets van zijn genie in de god-
geleerdheid had achtergelaten in de lucht van de provincie
zijner geboorte.
Met levendige belangstelling bezochten wij te Lemé en
Esquéhéries de familiën der beide eerste zendelingen, die
vertrokken waren van uit het huis, waar wij ons thans
voorbereidden. Zij waren slechts een jaar weg en leefden
nog in de harten van allen. Eenige jongelieden, die hunne
speelmakkers geweest waren, verhaalden ons welk een
zwaren strijd zij te verduren hadden gehad, toen zij tot
het inzieht waren gekomen, dat ze de dorpsdanspartijen
moesten opgeven als volgelingen van den Heer Jezus.
De betrekking van hulpprediker, hoe kort ook van duur,
leerde ons voornamelijk om te prediken, zooals Paulus
zegt, tijdig en ontijdig, om in de gezinnen door te dringen
en om zonder aarzeling een goed gesprek aan te knoopen
met de menschen, die wij tegenkwamen. Van een vroom
colporteur, oud-soldaat van het keizerrijk, heb ik in deze
veel geleerd. Altoos wist hij de eene of andere belangrijke
geschiedenis uit zijn leven te pas te brengen om in gesprek
te komen eu ik glimlach nog als ik er aan denk, hoe handig
hij zelfs van zijne pijp partij wist te trekken om zijn doel
te bereiken. Deze was juist altijd op het goede oogenblik
uit, om bij den een of ander een vlammetje te kunnen
vragen en dan weer klampte hij iemand aan met het ver-
zoek of hij ze eens vullen mocht, waardoor hij dan in de
gelegenheid was een gesprek aan te knoopen.
Eens hadden mijn metgezel Arbousset en ik het genoegen
den goeden uitslag van eene onzer zedepreeken te zien.
*
-ocr page 49-
45
Wij wandelden ditmaal niet in den modder, maar waren
hoog en droog op eene omnibus gezeten, aan weerskanten
van den koetsier. Deze had de ongelukkige gewoonte bij
alles te vloeken. Wij vroegen hem, of hij dit toch niet
wilde laten, maar kregen ten antwoord: „Onmogelijk, —
ik weet dat het verkeerd is, — maar ziet u zoo\'n ding is
er uit voor dat ik het zelf recht weet." — „Wilt gij ons
dan veroorlooven u aan te stooten eiken keer als gij vloekt ?\'\'
—  „O ja wel, dat is best, maar \'t zal niet veel helpen."
—  „Welnu, we kunnen het probeeren." — Gedurende het
eerste half uur waren onze ellebogen onophoudelijk in de
weer, maar de man beklaagde er zich niet over. Zoetjes
aan werd onze taak lichter, — en om kort te gaan — de
vloeken hielden geheel op, zonder dat de koetsier het be-
merkte. Hij was zelf verbaasd, toen wij hem op \'t horloge
af konden mededeelen, hoelang wij gereden hadden, zonder
dat er een onbetamelijk woord over zijne lippen was gekomen.
In 1830 was Algiers door Frankrijk bemachtigd en wei-
dra gevoelde nu onze Zendingsvereeniging de roeping, om
op dat nieuwe veld haar arbeid te beginnen. Arbousset en
ik werden daarom aan het leeren der Arabische taal gezet
en tevens in de bijzonderheden der Mohammedaansche
godsdienst ingewijd. Deze studiën hadden voor ons veel
aantrekkelijks en lieten ons tijd genoeg over om ook op
andere wijze onzen geest te verrijken. Dikwijls waren wij
in de gelegenheid, belangrijke voordrachten over Egyptische
oudheden, over wijsbegeerte, natuurkunde en wat dies meer
zij, bij te wonen, welke voordrachten door de knapste
mannen van dien tijd, als Champollion, Lamorguiere en
Cuvier gehouden werden. Het waren heerlijke dagen,
waaraan ik nog steeds met genoegen terugdenk!
-ocr page 50-
46
De tijd vloog ook om en vóór wij er aan dachten, ver-
namen wij dat er sprake van was, ons naar de Kaap de
Goede Hoop te zenden. Van Algiers was geene kwestie
meer en dat speet ons eerst zeer. Wij hadden ons de ge-
dachte reeds eigen gemaakt, dat we niet zoo heel ver weg
zonden gaan en vooral onze ouders vonden dat arbeids-
veld daarom wijs gekozen. Maar men had uit de Kaap
zeer gunstige tijdingen ontvangen. De heeren Lemue,
Rolland en Pellissier waren er in geslaagd tot in de binnen-
landen van Zuid-Afrika door te dringen, verder nog dan
de door Moffat in Kuruman gestichtte zendingspost. Ge-
heele volksstammen hadden hen vriendschappelijk ontvan-
gen en nu was er in dien wijngaard werk genoeg voor
vele arbeiders, zoodat ze dringend om hulp verzochten-
De Vereeniging stelde ons voor, aan die roepstem gehoor
te geven en wij deden het, meenende hierdoor aan eene
kennelijke plicht te voldoen. Wat ons persoonlijk betreft,
moet ik zeggen dat wij er spoedig ook nog al mede inge-
nomen waren. De studie der zeden en talen van die oor-
spronkelijke volken had voor ons eene zekere aantrekkelijk-
heid. Niet zonder eenigen spijt namen wij afscheid,\' van
het Arabisch. Men zette ons nu aan het Hollandsen, dat
door de Kaapsche kolonisten gesproken wordt. Wij leerden
de beginselen der genees- en heelkunde en verslonden gretig
alle boeken, die we maar konden vinden, over Hottentotten
en Kaffers. Le Vaillant onder anderen bracht ons in ver-
voering door zijne jachtverhalen, maar meer nog door zijn
gunstig oordeel over de inboorlingen.
Doch thans kwam de reeds zoo lang gevreesde ure,
waarin we van onze betrekkingen afscheid moesten nemen.
Het werd mij vergund nog een paar maanden bij mijne
-ocr page 51-
47
ouders door te brengen en wij kwamen met elkander over-
een, dat we zooveel mogelijk van dien tijd zouden genieten,
zonder te veel aan de toekomst te denken. Wij wilden aan
den Heere overlaten ons kracht te geven voor de ure des
afscheids.
Sedert eenigen tijd leed mijn vader aan eene chronische
maagontsteking, die hem zeer had verzwakt. Het geluk
echter, mij te bezitten, de vele wandelingen, die we samen
deden en een kort verblijf in eene rustige, kleine bad-
plaats, herstelden hem op wonderbare wijze. Gedurende
dien tijd predikte ik meermalen en herinner mij nog met
aandoening den teederen, aanmoedigen blik van mijn
dierbaren vader.
Bij mijne aankomst was ik zeer getroffen door de opge-
ruimdheid mijner moeder en door de zelfbeheersching die
zij bezat, ook in die oogenblikken, waarin ze mij hare
teederheid het meest toonde.
Vroeger beefde ze reeds, wanneer mijn toekomstig be-
staan ter sprake kwam en nu was juist zij degene, die
het minst terugdeinsde om dit onderwerp aan te roeren.
Wat voor de anderen slechts een pijnlijk vooruitzicht was
geweest, was voor haar moederlijk gevoel reeds lang eene
hartverscheurende werkelijkheid geworden. Zij had gestre-
den, gebeden, en terwijl wij ons eorst tot den strijd gereed
maakten, had zij met Gods hulp de overwinning reeds be-
haald. Hare eenigste gedachte was nu slechts alles in ge-
reedheid te brengen, wat haar zoon een leven van ont-
beringen zoude kunnen verlichten.
Iemand, die naar de Kaap ging, werd in dien tijd ge-
rekend als onherroepelijk ten doode opgeschreven. Mijne
vrienden kwamen den dag vóór mijn vertrek allen afscheid
-ocr page 52-
48
van mij nemen, maar als een hunner het „Tot weerziens\'\'
waagde uit te spreken, voegde hij daar als in een\' adem
bij: „in den hemel!"
Aangezien de diligence van Orthez naar Parijs over
Bayonne ging, nam ik liever den weg te paard door de
Landes, want ik gevoelde mij niet in staat om ook te
Bayonne weder al de aandoeningen van een afscheid te
doorstaan. Een mijner stadgenooten zoude mij vergezellen,
om mijne plaats in het Zendingshuis in te nemen, daar hij
eveneens zendeling wilde worden.
\'s Morgens om vier uur kwamen de paarden voor. Het
schouwspel, dat nu volgde, kan ik alleen vergelijken bij
het laatste afscheid in de stervensure. Mijn vader ging
ons nog voor in het gebed, maar kon nauwelijks de woor-
den uitbrengen. Mijne broers en zusters smolten weg in
tranen, alleen mijne moeder behield hare kalmte. Toen
zij zag dat ook mij de kracht bijna te kort schoot, riep
ze mij toe: „Houd moed, mijn zoon, gij gaat voor uwen
God. Wij willen ons aan Hem overgeven, en ik weet dat
Hij voor ons zal zorgen!" Een oogenblik later zaten mijn
makker en ik te paard en reeds waren wij eenige stappen
ver, toen mijn vader mij terugriep, zeggende: „Laat mij u
nog eens omhelzen!" „Oh neen, ik bid u neen!" ant-
woordde ik, „wij zullen het weinigje kracht, dat ons rest,
maar verliezen!" „Ik gebied het u," hernam hij. — Toen
wierp ik mij in de armen van mijnen vader. Hij drukte
mij in eene krampachtige omhelzing aan zijne borst en
fluisterde mij met gebroken stem eenige woorden in het
oor, die mij ineen deden krimpen van smart: „Hier bene-
<len zal ik u niet wederzien!"
Twee uren later bereikten wij de naaste pleisterplaats en
-ocr page 53-
49
toen eerst was mijn snikken wat tot bedaren gekomen-
Van den geheelen weg, dien wij aflegden, had ik niets
gezien. Later vertelde mijn metgezel mij, dat hij meer-
malen de nienschen had moeten verwijderen, die naar ons
toe kwamen om te vragen welk een ramp de oorzaak van
zulk een hevig verdriet kon wezen. Eerst vier cl agen later,
toen wij te Parijs aankwamen, hernam ik geheel mijn
evenwicht.
Den 18den October 1832 werden mijn vriend Arbousset
en ik als zendeling bevestigd. Onder de predikanten, die
ons door handoplegging zouden inzegenen, bevond zich tot
mijne onuitsprekelijke vreugde mijn vader in het geloof, de
heer Pyt. Toen wij eenige dagen later vertrokken, om
ons te Londen in te schepen, was hij de laatste vriend
dien ik zag. Op het oogenblik, dat de diligence wegreed ,
wenkte hij mij een laatst vaarwel toe, mij tegelijk naar
den hemel wijzende. De heer en mevrouw Grand Pierre
hadden den moed niet gehad, ons uitgeleide te doen.
*
-ocr page 54-
IV.
Vertrek voor Zuid-Afrika. Aankomst aan de Kaap,
Met ons drieën verlieten wij Parijs, doch op het schip
zouden wij nog een metgezel krijgen. Een metselaar uit
de omstreken van Amiens wilde zich als zendeling-werkman
bij ons voegen. Hij was een zoon van Roomsche ouders ,
doch was door het lezen van een Nieuw Testament, dat
hij bij zijn vader op zolder had gevonden, protestant ge-
worden. Voor ons was deze broeder een onschatbare
aanwinst. Gosselin — zoo heette hij — was een man
van weinig beschaving, maar van buitengemeen verstand.
Zijne geschiktheid voor Bijbelcolporteur had hem in Parijs
als zoodanig doen beroepen. Zijn opgeruimd humeur en
de eigenaardige, flinke wijze, waarop hij zijne overtuiging
wist uit te drukken, baanden hem den weg tot aller har-
ten. Zelfs geleerden schepten er behagen in, hem aan te
hoor en en schenen den liefelijken klank van zijne oprechte,
degelijke vroomheid op prijs te stellen. De lichaamskracht
van den colporteur, zijne forsche gestalte, welluidende
sfem en levendige, aardige wijze van spreken, droegen er
ook veel toe bij, om zijne toehoorders aan te trekken en
te boeien. Men voelde terstond, dat men te doen had
met eene krachtige, rechtschapene natuur, vreemd aan
-ocr page 55-
51
alle dweepzucht, en die zich slechts voor de kracht der
waarheid had gewonnen gegeven. Meermalen had Gosselin
het zendingshnis bezocht: om ons te verzoeken het Woord
Gods uit te leggen aan degenen die hij bij zich aan huis
of elders vereenigde, Ik herinner mij, dat ik hem eens
toevallig op zijne wijze hoorde prediken. Terwijl hij even
op mij wachtte, zeide hij met luider stem onder aan de
trap die teksten op, welke het meest geschikt zijn om de
gewetens wakker te schudden. Na de bijeenkomst, die in
een zeer bevolkt huis had plaats gehad, vroeg ik hem of
hij niet vreesde de vele bewoners van het huis te hinderen
door zoo luide te spreken. „Laten wij maar wachten,
totdat ze zich beklagen," antwoordde hij, „zoolang ze
dat niet doen, is het omdat ze luisteren."
De roeping tot Zendeling werd in dezen braven man
gewekt door een brief van den heer Bonnard, een warm
begunstiger onzer vereeniging. Die brief, gericht aan den
heer Grand Pierre, werd in eene bijeenkomst voorgelezen
en bevatte den goeden wensch, dat aan de vertrekkende
zendelingen een geschikten zendeling-werkman zou worden
toegevoegd. Deze kon ons in den handenarbeid (waarvan
wij geen het minste begrip hadden) van groot nut zijn.
Staande de vergadering, riep Gosselin: „Dat is een
kolf je naar mijn hand; —• ik ben uw\' man." Binnen drie
dagen was de zaak tot algemeen genoegen beklonken.
Behalve het voordeel van zijne krachtige armen en opge-
ruimd humeur, bood deze metgezel ons nog een anderen
niet minder aanzienlijken steun, namelijk die van zijn\'
leeftijd. Hij had reeds een paar jaar de dertig achter
den rug en kwam ons, — baardelooze jongelingen, — zoo
rijp voor.
4*
-ocr page 56-
52
Bij deze aanwinst voegde zich nog een ander niet min-
der belangrijk element voor onzen toekomstigen beschavings-
arbeid. Ik bedoel de aanstaande vrouw van een onzer
voorgangers, de heer Lemue. Mejuffrouw Colani — zoo
heette zij — zou onder onze bescherming medereizen tot
de Algoabaai, waar zij haar aanstaanden echtgenoot zou
ontmoeten.
Den 1 ldeQ November 1832 scheepten wij ons in te
Gravesend en namen afscheid van Europa. Vele vrienden
begeleidden ons aan boord en onder hen de beroemde
zendeling van Polynésie, Ellis. Drie en een halve maand
zouden wij op de kleine brik doorbrengen, maar gelukkig
wisten we niet van te voren, dat we zoolang zouden zijn
blootgesteld aan hetgeen iemand eens heeft genoemd: „de
geriefelijkheden van eene gevangenis, gepaard aan het ge-
vaar van verdrinken."
Op de hoogte van Dover zeilden wij midden door de
Fransche vloot. Hoe statig lag zij daar geankerd, wach-
tende op het commando om te gaan deelnemen aan de
bevrijding van België! — De Test — onze brik — naderde
een dier zeegevaarten van zoo dichte bij, dat wij duidelijk
de dierbare driekleur van de mast zagen wapperen en het
geluid van den franschen roffel vernamen. Bleek van
aandoening namen wij onze hoeden af en riepen met ge-
smoorde stem het vaderland een laatst vaarwel toe.
Op dat oogenblik stapte de kapitein ons voorbij; hij
haalde de schouders op, glimlachte spotachtig en begon
een deuntje te fluiten, als om zijne tevredenheid te toonen
over den gunstigen wind, die de zeilen deed zwellen.
Kapitein Richard Brown was nog zoo kwaad niet, maar
hij was de verpersoonlijking van den prozaïschen handel.
-ocr page 57-
53
Zijn strak gezicht, zijne wipneus, die hij steeds in den
wind hield, zijne oogen, die voortdurend op de wolken
gericht waren, zijne handen, waarmede hij van den morgen
tot den avond in zijne zakken wroette, — dat alles duidde
aan, dat deze man slechts twee hartstochten kende: die
van „den goeden wind" en die van „het geld"
Weldra sloeg een matroos achtmaal op de scheepsklok.
Wij vernamen dat dit het signaal was voor het eten en
begaven ons naar beneden.
Het eetvertrek was niet van de grootste; strikt genomen
had men vijf passen in de lengte en in de breedte kunnen
doen. De hofmeester wachtte ons in hemdsmouwen, bracht
de hand aan zijne lange vlaslokken, bij wijze van militairen
groet en toonde ons onze plaatsen aan. Het eten was
eenvoudig maar goed en dit bleef zoo gedurende de ge-
heele reis. Eene zware erwtensoep (snert), een flink stuk
zout vleesch met aardappelen eene podding, die in den
reuzel dreef en wat beschuit was hetgeen men ons voor-
zette. Voor den dorst stond er eene karaf water uit de
Theems op tafel en een confiturenpot met bier. Na den
eten werden er nette glazen binnen gebracht en eene
flesch, die een zeer onschuldig vocht bevatte; men ver-
zekerde ons dat het Bordeaux was en de goede Richard
Brown had dit ten onzen behoeve., aangeschaft. De zee
was kalm en onze eetlust opperliest, zoodat wij den maal-
tijd van onzen gastheer eer aandeden.
Des avonds tegen tien uur zeilde ons rakelings eene op
verkenning\' zijnde kornet voorbij, als een zeevogel in volle
vlucht. Een helderen lichtstraal wierp ze op ons dek, en
stuurde toen eene andere koers.
Tot hiertoe ging alles best. Den volgenden morgen
-ocr page 58-
54
evenwel stak de wind wat op, het Kanaal werd onstuimig,
en o wee! — daar lag ik voor minstens acht dagen als
zieltogende onder de hevige aanvallen der zeeziekte. Mijne
medereizigers waren gelukkiger dan ik. Vroolijk en ge-
zond als ze zich voelden, meenden ze niet beter te kunnen
doen, dan aan mijn bed te komen zitten, waar ze met
smaak hun beschuit nuttigden. Proefondervindelijk bewe-
zen zij mij, hoe onhandig medelijden kan zijn, wanneer
het niet door ondervinding wijs is geworden. Het maakte
mij reeds ziek hen te zien eten en ik verzocht hen dan
ook dringend maar liever weg te gaan.
Ik begon langzamerhand te herstellen, toen op zekeren
dag een storm losbrak, die ons in de hevigste ontroering
bracht. Gedurende twee dagen en twee nachten was onze
brik een speelbal der golven. De verschanzing, de sloepen,
de tonnen zoet water, die aan den mast waren gemeerd,
alles werd overboord geslagen. Tusschen het geloei van
den storm en het gekraak van het schip, hoorden wij de
bemanning boven onze hoofden heen en weder loopen en
kreten uiten, die iets onheilspellends hadden. Het water
drong tot in onze hutten door; alles dreef. De vuren waren
uitgedoofd en gedurende den storm at niemand iets anders
als beschuit. Daar ons schip een weinig te zwaar geladen
was, verkeerden wij in groot gevaar, doch de Heere be-
hoedde ons.
Gedurende den tweeden nacht, toen onze vrees ten
toppunt was gestegen, viel ik van uitputting in slaap. Ik
had toen den volgenden, hoogstmerkwaardigen droom, die
op mij den indruk maakte van een visioen.
Naast mijn bed zag ik een man staan, dien ik aanstonds
herkende voor den profeet Daniël. Toen ik hem als zoo-
-ocr page 59-
55
danig begroette, glimlachte hij, nam mij in zijne armen
en voerde mij pijlsnel naar de hemelsche gewesten. Wij
stegen te midden der fonkelende sterren al hooger en
hooger, totdat wij voor een onmetelijk groot paleis kwa-
men, dat door zijn glans vele zonnen overtrof. Een
onbeschrijfelijk welluidend en krachtig geluid klonk ons
daaruit tegen en in vervoering riep ik uit: „Dit is de
woning van mijn Heiland! Laat ons daar binnen gaan,
opdat ik ook voor eeuwig Zijn lof moge zingen en Hem
moge aanbidden!"
„Nog niet!" antwoordde de profeet. Hij bracht mij van
poort tot poort en spoorde mij aan om den blik dieper te
slaan in de hemelsche heerlijkheid; maar mijn ongeduld,
om binnen te treden, werd steeds bedwongen door zijn:
„Nog niet!"
Plotseling gevoelde ik, dat wij met eene duizeling-
wekkende vaart terugkeerden naar het verblijf van arbeid
en moeite. Weldra zag ik eene woeste streek vóór mij.
In die streek was een vreedzaam hutje, waarin ik mijne
eigene gestalte zag zitten; — een kerkgebouw, waar een
menigte heilbegeerige zwarten samenvloeide en een groot
aantal scholen, waarin de kinderen zich oefenden in het
zingen van lofliederen tot eer van God.
„Dit eerst", zeide de profeet tot mij, „daarna zal ik
u komen halen, want er is een plaats voor u in de wo-
ning van uw\' Zaligmaker, mits gij getrouw blijft!"
Hier werd ik wakker, en ziet — het was slechts een
droom!.....
Maar het was geen droom, dat gedurende mijn slaap
de storm was gaan liggen en het gevaar geweken....
Met een dankbaar hart hieven wij het „God heb ik
-ocr page 60-
56
lief\' (uit Psalm 116) aan en Gosselin hield eene kleine
toespraak tot ons. „Mijne vrienden, — zoo sprak hij —
toen ik Parijs verliet, zeide ik aan de broeders: of ik in
den haven van de Kaap, dan wel in die der Eeuwigheid
zal aanbinden, weet ik niet, — maar die gedachte boezemt
mij geen schrik in. Ook nu weten wij niet waar wij zullen
aanlanden (hoewel we thans wonderbaar zijn gespaard),
maar — wat er ook gebeure — God is Onze Vader!
Wij begonnen langzamerhand aan het zeemansleven te
wennen.
De reis ging echter niet vlug en weldra gevoelden wij
behoefte aan vaste, degelijke bezigheid. Arbousset en ik
spraken daarom af, dat wij eiken dag eenige uren zouden
wijden aan de studie der genees- en heelkunde. Weldra
hadden wij ons dan ook de hoofdbeginselen dier weten-
schappen eigen gemaakt, door middel van eene uitgebreide
„Handleiding" in 4 deelen, van 600 bladzijden elk.
Gosselin zocht op zijne wijze bezigheid en hielp de
bemanning in hun arbeid, hetgeen hem, met zijn vol-
bloedig gestel, beter aanstond dan gezette studie.
Wat Mejuffrouw Colani betreft, zij bracht den tijd
zeer aangenaam door met naaien of lezen, in gezelschap
van eene bejaarde dame, Mevrouw Freeman. Deze was
eene soort van beschermvrouw voor de jonge meisjes, die
zich naar ver afgelegen landen begaven, Eerst kwam ons
haar ambt wat vreemd voor, maar wij erkenden weldra,
dat goed en nuttig was.
Op zekeren dag waren Meiuffrouw Colani en hare ge-
zellin in de gelegenheid blijken te geven van haren moed en
hare zelfbeheersching. Het weder was prachtig en de zons-
ondergang overschoon; niemand dacht aan eenig gevaar.
-ocr page 61-
57
Plotseling zagen wij evenwel een schoener met volle zeilen
op ons aankomen. Toen hij dicht genoeg genaderd was,
om ons goed te kunnen gadeslaan, verminderde hij zijne
vaart. Richard Brown heesch de vlag, maar de schoener
beantwoorde die beleefdheid niet. Met behulp zijner verre-
kijker, meende nu onze kapitein vuurmonden aan boord te
ontdekken en dit bracht hem op het vermoeden, dat hij
met zeeroovers te doen had, iets wat in die dagen en in
de streek waar wij ons bevonden, niet geheel vreemd was.
In een oogenblik waren op onze brik alle handen aan het
werk. — Het oude kanon werd in staat van dienst ge-
steld, wapens op dek gebracht en alles tot een onverhoopten
strijd gereed gemaakt.
Mejuffrouw Colani vaardigt Mevrouw Freeman naar
Gosselin af, met de boodschap, dat zij niet beangst is,
maar op hem rekent tot bescherming van hare vrijheid
en eer. Gosselin antwoordt, dat men op hem kan rekenen
en neemt de houding aan van Simson, die gereed staat
den leeuw te verscheuren.
Intusschen was de zon ondergegaan en in afwachtende
houding gingen wij den nacht tegemoet. De schoener bleef
ons aanhoudend op denzelfden afstand volgen, maar tot
een aanval kwam het niet. Eindelijk gingen Arbousset en
ik gekleed en al naar bed, de verdere zorg van het schip
aan de bemanning overlatende en toen wij met het krieken
van den dag opstonden, was er van den schoener, tot
onze onuitsprekelijke blijdschap geen spoor meer te ont-
dekken. Hier en daar zagen wij aan de oppervlakte der
door den zon vergulde wateren slechts de rugvinnen van
den eenen of anderen visch.
Het is nog niet zulk eene gewone zaak, als men wel
-ocr page 62-
58
eens denkt, om in volle zee visschen te ontmoeten. Later
heb ik meermalen honderde mijlen afgelegd, zonder er een
te zien, — doch dezen keer hadden wij ruimschoots ge-
legenheid ons te vermeien in hun aanblik en dit droeg er
veel toe bij, om de eentoonigheid van ons leven te ver-
minderen. Eens zeilden wij: gedurende eenige dagen door
eene dichte school springvisschen. De zee was er letterlijk
mede bezaaid en wij deden er een goeden voorraad van op.
In de nabijheid van den evennachtslijn namen wij eene
andere soort van zeer merkwaardige visschen waar. Hun
rug was gestreept, als het vel van een zebra; dagen
achtereen volgden zij ons schip op den voet, zoodat wij
ons wel eens afvroegen of die dieren dan nooit rustten!
Ook ontmoetten wij iets verder een zwaardvisch en op
zekeren dag zelfs een haai. Onze bemanning kon aan de
verleiding geen weerstand bieden, om op dit zeemonster
jacht te maken. Door middel van een groot stuk spek
aan een haak bevestigd, gelukte het hun het dier machtig
te worden en met inspanning van alle krachten werd het
aan boord gebeschen, om aldaar verder te worden afge-
maakt. Het vel verdeelden de matrozen onder zich, om
het later in Europa te verkoopen. Dit artikel schijnt zeer
gezocht te zijn door de schrijnwerkers, die het gebruiken
tot het polijsten van hout. Eindelijk, op den 23steQ Fe-
bruari, (na sedert 11 November geen ander land te hebben
bespeurd dan het kleine rotsachtige eiland Trinidad) ont-
waarden wij aan den horizont eene blauwachtige streep.
Dit was de Kaap!
Langzamerhand werd voor ons scherpziend oog den
omtrek van den Tafelberg zichtbaar. Tegen den avond
hoopten wij onze bestemming te bereiken en hoe meer wij
-ocr page 63-
59
naderden, des te grooter werd ons ongeduld. Wij moesten
ons echter nog bedwingen tot den volgenden morgen,
hoewel wij de dorpen reeds als kleine witte vlekken op
den somberen berg konden onderscheiden.
Om 4 uur, den volgenden ochtend, was ik al weder op
het dek. De stuurman alleen stond op zijn post; alles
lag nog in diepen rust; ook de zee sluimerde in de plech-
tige kalmte van dien Zondagmorgen. Met innige dank-
baarheid verhief ik mijn hart tot God, die ons zoo liefde-
rijk tot hiertoe had geleid, en dacht met welgevallen aan
het genot dut ons wachtte, weldra weder aan land te zijn!
Één gevaar wachtte ons evenwel nog, maar ook dit
werd genadig afgewend. Wij waren den wal reeds zóó
dicht genaderd, dat ik duidelijk de eerste morgengeluiden
van de ontwakende stad vernam Ik maakte den stuurman
hierop opmerkzaam, doch door den nevel, die over de zee
hing, konden wij nog niets zien. Plotseling trok de nevel
een weinig op en dat juist bij tijds om mij het groote ge-
vaar te doen bemerken, waarin wij verkeerden. Op wei-
nigen afstand van onzen voorsteven stak een klip boven
het water uit! — Onmiddelijk waarschuwde ik den stuur-
man; — hij gaf het alarmsignaal en in een oogwenk was
de geheele bemanning op het dek. De zeilen werden in-
genomen en twee sloepen in zee gezet, om het schip
achteruit te slepen of althans in zijn loop te stuiten, wat
door den weinigen wind mogelijk was.
Middelerwijl trok de mist geheel op en nu werden wij
door den liefelijken aanblik van het land verrast. De
geheele omstreek van Greenpoint lag daar vóór ons met
zijn vuurtoren, zijne schoone buitenverblijven, — maar
ook met zijne gevaarlijke klippen! Op onze noodsignalen
-ocr page 64-
60
kwam de bevelhebber der have ons weldra krachtig ter
hulp en zoo gelukte het ons, na eenige uren van aan-
houdende inspanning, het gevaar te ontwijken en behouden
het anker te laten vallen in de Tafelbaai.
Onbeschrijflijk grootsch is de aanblik van den zich aldaar
verheffenden Tafelberg. Zijn naam heeft hij te danken aan
de platte oppervlakte van zijn kruin en als een reuzen-
gevaarte van 1500 meter hoog, staat hij te midden der
twee zich ontmoetende oceanen, als om het geweld der
golven te tarten.
Een oogenblik gevoelden wij ons bekneld bij de ge-
dachte aan hetgeen ons wellicht achter dezen ondoor
dringbaren muur wachtte. Die berg kwam ons voor als
een vijandelijk bolwerk, dat daar lag opgeworpen, om
alle beschaving te weren.
Onder dezen indruk opende Arbousset zijn Bijbel, om
daaruit weder moed te scheppen en, als door hooger
hand geleid, viel on; oog op deze woorden: „Wie zijt
gij, o groote berg?..... Voor het aangezicht van Zeru-
babel zult gij worden tot een vlak veld!" (Zach. 4 ; 7).
Zonder nu juist Zerubabels te zijn, hadden wij toch
ook een tempel op te richten in een woest land en ik kan
niet zeggen hoe wij ons gesterkt gevoelden door het on-
verwacht ontmoeten van dat vers!
Weldra kwam een sloep van wal aanvaren en wij ver
namen, dat de heer Dr. Philip, opzichter van de Londen-
sche zending, ons bij zich verwachtte. Hij had de heeren
Rutherfotd en Dixis gezonden om ons te halen.
Het was eene vreemde gewaarwording weder op vasten
grond te staan! Onze voet was zóó aan den onvasten
bodem gewend, dat wij nog geruimen tijd den scheepsgang
-ocr page 65-
01
behielden. Met vaderlijke teederheid werden wij door Dr.
Philip ontvangen. Hij herbergde reeds verscheidene zende-
lingen onder zijn dak, — sommigen uit de binnenlanden
van Afrika, anderen uit Indië of Magaskar, doch ook voor
ons was er eene plaats.
Van den eersten oogenblik aan viel het mij op, dat in
dezen kring zulk een opgeruimden geest heerschte. Zelden
had ik menschen zoo hartelijk zien lachen als daar. In
het begin had dit voor ons — jeugdige rekruten — iets
stootends. Wij traden de legerplaats binnen met eene
misschien ietwat, te groote plechtigheid. Elk van die zen-
delingen had uit de landen, waar hij was werkzaam ge-
weest, eene geheele verzameling aardige en zelfs grappige
verhalen meegebracht, die hij in den huislijken kring ten
beste gaf. Maar weldra bemerkten wij, dat die verhalen
steeds vergezeld gingen van nuttige en ernstige overden-
kingen. Wij hadden daar mannen voor ons, die reeds
veel hadden gearbeid en veel hadden geleden. Wij begre-
pen dan ook weldra, dat het een groot geluk was, hen
met dat al nog zoo opgeruimd en veerkrachtig te zien.
Een hunner had zijne gezondheid geheel verloren, door het
prediken in de straten en bazaars van Calcutta. Een
ander was van Madagaskar — zijn arbeidsveld — verdre-
ven. Een derde had maanden lang met een nomaden
stam een zwervend leven geleid, zonder eenige tijding uit
een beschaafd land te ontvangen. Te midden van hen
allen evenwel onderscheidde zich de schoone en nobele
gestalte van Dr. Philip, Reeds bij zijne eerste woorden
en door zijn eersten blik was ons hart voor hem gewonnen-
Hij was degene, die het Parijsche Zendingsgenootschap
had aangespoord, onze voorgangers naar de binnenlanden
-ocr page 66-
62
van Zuid-Afrika uit te vaardigen. Wij waren hem zeer
bijzonder aanbevolen en hadden in last, zijn raad in hooge
waarde te houden.
Dr. Philip was een man van even vijftig jaar. Zijne
lange, gezette gestalte en welluidende stem, zijn hoog
voorhoofd, dat de sporen droeg van diep nadenken, zijne
verstandige oogen, door zware wenkbrauwen overschaduwd,
dat alles vormde eengeheel, in volmaakte overeenstemming
met zijn titel van Dokter en Oppertoeziener. Eene uitdruk •
king evenwel van onuitsprekelijke goedheid en christelijken
eenvoud, won hem ieders liefde en vertrouwen.
Zijn ruime, milde geest vatte elke vraag bij hare groote
zijde. In Zuid-Afrika was hij den beschermer geworden
van alle inlandsche volksstammen en hij beijverde zich om
hen zendelingen te bezorgen.
Door een zeer merkwaardig voorval had deze man zijne
levensroeping leeren inzien Op zekeren dag, terwijl hij
predikant was te Aberdeen, geraakte hij in gesprek met
een jeugdig ongeloovige, dien hij trachtte te bekeeren.
Op eens vraagt hem zijn tegenstander op plechtigen toon:
„Mijnheer, gelooft gij werkelijk wat gij verkondigt? Ge-
looft gij aan een eeuwig leven, aan een hemel, aan een
hel?" — „Wel zeker!" klonk het antwoord. — „\'t Is
vreemd!" hernam de ander. „Als ik aan die dingen ge-
loofde, dan zou ik alles verlaten, om die volken te gaan
onderwijzen, die er nog geene kennis van hebben. Ik
zou wat het zwaarste is het zwaarste laten wegen, en niet
millioenen Heidenen in onwetendheid laten, aangaande het
eenige middel tot hun behoud!"
De pijl had doel getroffen.
Dr. Philip\'s vaste woonplaats was de Kaapstad.
-ocr page 67-
63
Van daar uit bestuurde hij de werkzaamheden der zen-
delingen, maar wijdde tevens zijn tijd aan de Engelsche
vrije Kerk. De kapel van dit genootschap grensde aan
zijne woning en wij hadden het geluk hem reeds eenige
uren na onze aankomst te hooren prediken.
Na afloop van den dienst, liet hij ons even alleen bij
zich komen. Hij berichtte ons toen, dat de zendingspost,
waarvoor men ons bestemde en die aanvankelijk goede
vruchten scheen te zullen afwerpen, gedurende onze reis
te gronde was gegaan. Een machtig en vijandig opper-
hoofd, Mossélékatsé, had den volksstam, waaronder de
heeren Lemue, Holland en Pelissier werkzaam waren, ge-
heel verstrooid!
De avond van dien eersten dag was hierdoor voor ons
niet van de vroolijkste. Ook de stad met bare lange,
rechte, ongeplaveide straten, hare huizen zonder daken
en haar eentoonig karakter, droeg er toe bij om ons in
eene sombere stemming te brengen.
Misschien wel wat lichtvaardig gaven wij geen acht op
de bezwaren onzer nieuwe vrienden, tegen eene wandeling
op Zondag en gingen vóór zonsondergang nog een bezoek
brengen aan de rotsen, waartegen ons schip in den mor-
gen bijna gestrand was. Oh! mijn dierbaar vaderland boe
ver scheent gij mij toen verwijderd! Wat gevoelden wij
ons eenzaam en verlaten in het gezicht van die drieduizend
mijlen water, die ons van onze geliefden scheidden en in
\'t gezicht van die kale, zwarte rotsen, die regelrecht uit
de hel schenen te zijn opgeworpen! Waar waren mijne
lachende heuvelen van Béarn? Ach! het was voor mij
misschien meer nog dan voor mijne metgezellen eene ure
van bangen strijd. Er zijn in het leven oogenblikken.
-ocr page 68-
64
waarin de diepte van het geestelijk lijden, het evenwicht
der vermogens verbreekt. Men hervindt zichzelve niet en
gevoelt zich tot in den innigsten grond van het leven aan-
getast. De in smart gedompelde ziel schijnt zich zoo in
die smart te nestelen en zich daarin zoodanig te verschan-
sen, dat het bijna ondoenlijk voorkomt er haar uit te
verlossen. Alles krijgt een ander aanzien en neemt als
\'t ware veel grootere verhoudingen aan.
Nu was onze toestand inderdaad zeer treurig, dit moet
erkend worden. Men had onze plannen voor Algerie ge-
stoord, onze aantrekkelijkste studiën verbroken, — en
thans wisten de vrienden, die ons hadden doen over-
komen, zelve niet wat te beginnen. Waarheen zouden wij
onze schreden richten? Waarvoor waren wij zoover van
huis gegaan?. . . . , Dr. Philip was, niettegenstaande zijne
uitgebreide kennis des lands en zijne groote ondervinding,
met de zaak even verlegen als wij.
Hoe ver waren wij er toen van, te vermoeden, dat juist
deze moeielijkheid het middel zoude wezen om ons Zendings-
genootschap een arbeidsveld aan te toonen, dat de Heere
zelf haar wilde geven en waar rijke zegeningen en overwin-
ningen haar deel zouden zijn.
Een gezamentlijk gebed in onze dierbare moedertaal
gaf ons eenige verlichting. Onze jeugdige verbeelding
had daarbij behoefte om door den slaap tot bedaren te
worden gebracht. Wij keerden dan ook langzamerhand
naar huis terug en ondervonden weldra dat het eene
groote reden tot dankbaarheid is, wanneer men, vermoeid
van eene gevaarvolle zeereis, zich kan uitstrekken in een
goed bed met frissche gordijnen en frissche lakens.
-ocr page 69-
V.
Kaapstad.
Verkwikt door een weldadigen slaap van acht a tien
uur, ontwaakten wij den volgenden morgen in een heel
wat opgeruimder stemming. Wij waren weder verzoend
met het leven, en hadden den meest mogelijken lust om eens
op verkenning uit te gaan. Niet lang duurde het dan
ook, of wij waren op straat. Hoe geheel anders dan den
vorigen avond zag de stad er thans uit! Diezelfde straten
en huizen, die ons zoo doodsch en eentonig waren voor-
gekomen, schitterden nu van leven en vroolijkheid. De
zon scheen in al haar glans, doch hare hitte werd nog
getemperd door eene geurige morgenkoelte. De straten
waren met zorg begoten, en overal wemelde het van koop-
lieden, die hunne bloemen, vruchten of andere smakelijke
waren te koop aanboden.
De prachtigste ananassen, mandarijnen en bananen, die
wij in de Parijsche winkels wel eens als dure zeldzaam-
heden hadden gezien, werden daar beschouwd als bij ons
boerenkool of knollen. Ook waren er aardappelen, bijna
zoo groot als ons hoofd, en een overvloed van vijgen,
perziken en druiven. Deze laatste, meenden wij, zouden
wel denzelfden smaak hebben als in Languedoc of Provence,
5
-ocr page 70-
66
— maar bij nadere kennismaking moesten wij elke ver-
gelijking van dien aard opgeven!
Al voortgaande bemerkten wij, dat de menschen om ons
henen de meest bonte mengeling van volken vertegenwoor-
digden. Hier waren het Maleiers met hun olijfkleurig
gelaat, schitterende amandelvormige oogen, gitzwart haar
en puntigen baard. Zij droegen piramidale hoeden van
palmblaren en op den schouder een buigzamen bamboes-
stengel, aan welks uiteinden manden, emmers of groote
visschen bengelden.
Hunne voorouders waren van de Sunda-eilanden hierheen
gekomen onder de Hollandsche heerschappij, en deze Maleiers
vormen in een der minst schoone wijken van de stad een
dweepzuchtig, geheel afzonderlijk, Mohammedaansch ge-
nootschap.
Als eene eigenaardigheid van hunne kleeding liet men
ons een soort van lang vest opmerken, dat tot over de
heupen afhangt. Dit is nog een overblijfsel van de bij de
deftige Mohammedanen zoo geliefde lange kleederen. Om
te kunnen wedijveren met de koortsachtige bedrijvigheid
der Europeanen, werden ze wel genoodzaakt, die lange
gewaden af te schaffen, en hadden nu dit als middelweg
gekozen. Ze zijn over het algemeen geldgierig, en hebben
het monopolie van bijna alle bedrijven.
Ginds waren het Hottentotten met hunne dikke lippen
en platte neuzen. Ze zagen er inderdaad potsierlijk uit,
gewikkeld in hunne schapenvachten, waarvan ze de wol
naar binnen keeren, en met hunne vuile lederen broeken,
die door weer en wind zoo hard waren geworden, dat zij
op de knieën eene bocht maken.
Deze arme sukkels hebben geen vast beroep. De
-ocr page 71-
67
ijverigsten zijn straatvegers, doen boodschappen of helpen
de Maleiers in hunne bezigheden, — maar de meesten
zijn bedelaars.
En dit zijn de afstammelingen in rechte lijn van de
oorspronkelijke bezitters des lands! Hun lot is erger
dan dat der slaven, die in de hebzucht der Blanken soms
nog een zekeren levenswaarborg vinden. Déze arme schep-
sels zijn echter van alles beroofd: men heeft hun alle
burgerrecht ontzegd, en hen toen geheel aan hun lot
overgelaten. Het is vroeger meermalen gebeurd, dat
sommigen hunner van honger en gebrek omkwamen, zon-
der dat iemand naar hen omzag. Maar ook den nood van
deze ongelukkigen had Dr. Philip zich aangetrokken. Twee
jaar geleden had hij van de Engelsche regeering gedaan
weten te krijgen, dat hun het burgerrecht der kolonie
werd verleend. In het begin ondervond hij hieromtrent
veel tegenstand van de overige kolonisten. Men deed hem
een proces aan, en gaf hem scheldnamen; hij liet zich echter
door niets afschrikken, en won zijn pleit. De Hottentotten
zelven beseften eerst later, toen zij door de opvoeding,
hun door de zendelingen gegeven, daartoe in staat waren,
ten volle de weldaad, die hij hun had bewezen.
Te midden dier bonte menigte in de straten der Kaap-
stad ontmoetten wij ook enkele Negers. Zij waren beter
gekleed, en zagen er beter gevoed uit dan de Hotten-
totten, maar ons hart kromp inéén bij de gedachte, dat
deze ongelukkigen slaven waren. Voor het eerst van
ons leven aanschouwden wij hier onzen medemensen in
dien beklagenswaardigen staat. Zij worden algemeen aan-
gesproken als ,jongen", eene verzachte uitdrukking, die
de Hollanders hebben bedacht voor hen, die in het ge-
-ocr page 72-
G8
bruik gelijk worden gesteld met lastdieren. Geen dezer
ongelukkige wezens was afkomstig uit Zuid-Afrika; want
het moet tot eere dier volksstammen gezegd worden, dat ze
er nooit in hebben toegestemd, huns gelijken te verkoopen.
Zij waren door slavenhandelaars uit de noordelijke deelen
van Mozambique of van de kust van Guinea hierheen ge-
voerd. Slechts enkele groote ondernemers gebruiken hen
voor zwaarderen arbeid, doch over het algemeen bezigt
men ze hier alleen voor het huiswerk. Vele kolonisten hebben
zich ook ten hunnen koste verrijkt, door hun verschillende
ambachten te laten leeren, en zich alzoo, doormiddel van
hun arbeid een inkomen te verschaffen. Hoe dit ook zij,
over het algemeen zagen zij er niet ongelukkig uit, en hoe-
wel nog niet opgeheven, deed zich hier de vreeslijke instel-
ling, waarvan deze arme menschen de slachtoffers zijn,
onder den minst harden vorm voor.
Wij waren zeer verlangend om ook eens kennis te maken
met de echte „Kaapsche Boeren", waarvan we zooveel hadden
gehoord. De beste gelegenheid hiertoe werd ons aangeboden
op het zoogenaamde „Boer enplein", waar de kolonisten
der omstreken hunne groenten ter markt brengen. Het
uiterlijk van den Kaapschen boer verraadt ten duidelijkste
zijn Bataafschen afkomst. Tijd noch klimaat hebben het
ras gewijzigd; — steeds zijn het de forsch gebouwde man-
nen met blond haar en blauwe oogen, die de Hollandsche
schilders zoo juist wisten weer te geven.
De meeste boeren worden, wanneer zij de vijftig bereikt
hebben, ongehoord zwaar. Men schrijft dit verschijnsel
toe aan de groote hoeveelheden vleesch en melk, die ze
dagelijks gebruiken, en aan hun weerzin tegen elke
lichaamsbeweging, die niet bepaald noodzakelijk is.
-ocr page 73-
69
Hunne gelaatstrekken zijn meestal strak, en hun blik zelfs
hard, wat grootendeels voortkomt uit de gewoonte om met de
karwats in de hand aan menschen en dieren hunne bevelen
te geven. Ze zijn groote liefhebbers van rookeu, en ont-
dooien eerst, wanneer ze de pijp in den mond hebben.
Hunne kleederdracht is zeer eenvoudig en voor allen het-
zelfde. Een vilten hoed met breeden rand, een kort buis,
lederen of trijpen broek, ongepoetste schoenen zonder
hakken, die ze zelf vervaardigen — ziedaar de kleediug,
waarin de echte boer ongaarne eene verandering zoude
aanbrengen. Eenigen hunner dragen het haar geheel kort
geknipt, uit beginsel, en sommigen rlrijven de rechtzinnig-
heid zelfs zóo ver, dat ze geen bretels willen dragen,
omdat die een kruis op den rug vormen.
De vrouwen zijn nog eenvoudiger gekleed. In plaats
van een hoed, dragen zij de uauwsluitende gladde kornet
en een effen japon, met zeer enge mouwen.
De taal der Boeren is verbasterd Hollandsch, dat in
onze Fransche ooren evenwel vrij wat zachter klonk dan
de oorspronkelijke moedertaal.
De Engelschen, die in de Kaapstad verblijf houden, zijn
daar geheel dezelfde als in Londen. Hunne levenswijze
en gewoonten verschillen in niets van die hunner Europee-
sche landgenooten. Alle voordeelen en verbeteringen der
hedendaagsche beschaving, maar helaas ook al hare mis-
bruiken, en zelfs alle buitensporigheden der Fransche
mode, zijn naar de Kolonie overgebracht.
Wij waren op een zeer belangrijk oogenblik in de Kaap-
stad aangekomen, want ook daar, evenals in Frankrijk,
had juist eene geestelijke opwekking plaats.
Toen in 1687 en 1688 Holland (na de herroeping van
-ocr page 74-
70
het edict van Nantes) in hare nog jeugdige kolonie eene
schuilplaats aan de Fransche uitgewekenen aanbood,
maakten velen van deze uitnoodiging gebruik. De naam
van „Fransche Hoek" herinnert nog aan den oorsprong
der toenmaals in den omtrek der Tafelbaai gestichte
gemeenten.
De oprichters dezer dorpen waren ijverige vrome men-
schen, die op hunne geheele omgeving een gunstigen in-
vloed uitoefenden. Twee hunner leeraars, de heeren Simond
en Daillé, worden nog met eerbied in die streek genoemd,
en men weet zelfs de rots aan te toonen, die den heer
Simond in het begin tot preekstoel had gediend. Zoowel
Hollanders als Franschen behoorden tot de Hervormde
Kerk, en deze Kerk stond onder behoorlijk toezicht eener
Synode. Uitwendig bleef alles op denzelfden voet voort-
gaan, doch in het begin dezer eeuw begon het geestelijke
leven allengs te kwijnen, en er bleef weldra niets over dan
eene betreurenswaardige vormelijkheid.
Bij het Fransche deel der bevolking was deze achteruitgang
voornamelijk toe te schrijven aan eene zeer willekeurige
handeling der Hollandsche Compagnie, die zoowel in ker-
kelijke als in burgerlijke zaken het hoogste gezag wilde
voeren.
Langzamerhand werd de Hollandsche taal verplichtend ge-
steld in kerk en school. Bij de Fransche kolonisten verdween
daardoor de verkwikkende invloed, die de moedertaal op
den mensch uitoefent, en een geheel geslacht werd versto-
ken van de zegeningen, die de openbare godsdienst-
oefening met zich brengt.
In 1701 zag de waardige Pierre Simond, die geen
Hollandse:h kende, zich genoodzaakt naar Europa terug te
-ocr page 75-
71
keeren, en in 1780 vond Le Vaillant slechts éen grijsaard
meer, die Fransch verstond.
Het nieuwe geslacht, dat nu enkel Hollandsen kende,
vervreemde langzamerhand van de goede boeken, waar-
door de vroomheid hunner vaderen was gevoed geworden.
De gemeenschap met Europa was zeer moeielijk, zoodat
de Kaap ongeveer gelijk stond met eene ballingsplaats.
Bovendien zond Holland weinig ontwikkelde predikanten —
waarvan nog de meesten slechts door aardsche bedoelingen
gedreven werden — en zoo werkte alles mede om het gees-
telijke leven zoo niet te dooden, dan toch te doen kwijnen.
Een der voornaamste kenmerken van dit verval was,
de bovengemelde gruwelijke wreedheid, waaraan men zich
tegenover de Hottentotten schuldig maakte. Onder den
schijn van vroomheid werden de arme inwoners des lands
vogelviïj verklaard. Door een betreurenswaardig misbruik van
de leer der uitverkiezing wierpen de kolonisten (zoowel Fran-
schen als Hollanders) zich op, als het uitverkoren volk
Gods, dat een nieuw Kanaan van de Heidensche volken
moest zuiveren!
In hunne verblindheid stelden zij zich boven de Hotten-
totten, alleen omdat zij boven hen bevoorrecht wai\'en.
„Zijn wij geen Christenen?" zoo was hunne leus. „Wij
zijn immers blank, hebben den Doop ontvangen, en zingen
psalmen." Ja, zoover ging zelfs de dweepzucht, dat de
psalmen als krijgsliederen in dien onheiligen oorlog werden
misbruikt!
Zóo stonden de zaken, toen in 1736 de Herrnhutter-
zendeling Schmidt in de Kaap aankwam, met het voor-
nemen om onder de Heidenen aldaar te arbeiden. De gedachte,
dat iemand aan die verachte wezens het Evangelie zou
-ocr page 76-
72
brengen, kwam den kolonisten zoo belachelijk voor, dat
zij Schmidt ongehinderd zijns weegs lieten gaan. Sterk
in zijn God alleen, vestigde de moedige inan zich in het
dal, dat bekend staat onder den naam van Baviaanskloof.
Weldra overwon de invloed zijner christelijke liefde de
achterdocht der inboorlingen. Met belangstelling vereenig-
den zij zich rondom hem, en juist begonnen zij zijne lessen
in het leven toe te passen, toen de Boeren, die inmid-
dels hadden bemerkt, dat het met de zaak ernst was ge-
worden, Schmidt bij het Gouvernement aanklaagden. Hij
ontving weldra het bevel om naar Herrnhut terug te kee-
ren, en vertrok met een gebroken hart, maar met een on-
gekrenkt geloofsvertrouwen. Ongeveer vijftig jaar later
hervatten andere Moravische broeders, onder een gunstiger
bestuur, het door Schmidt aangevangen werk. Bij hunne
aankomst vonden zij nog slechts, als sporen van hun voor-
ganger, een door hem geplanten pereboom en eene oude
vrouw, die zich herinnerde, dat zij door Schmidt was
gedoopt. Door Gods genade mocht het hem evenwel ge-
lukken, de vroegere Baviaanskloof te herscheppen in den
thans bloeienden zendingspost van Gnadenthal l).
Juist op het oogenblik, dat de geestelijke en maat-
schappelijke verdooving der kolonisten ten toppunt was
gestegen, kwam er redding. In zijne goddelijke Voor-
zienigheid liet de Heere toe, dat iets van den omwentelings-
geest van Frankrijk tot in dien uithoek van Afrika door-
drong. Was in het moederland alles in rep en roer —
ook in de Kaapstad begon men te spreken over de rechten
1) Dal Tan genade. Zie Hoofdstak XIII.
-ocr page 77-
73
van den mensch en over de algemeene vryverklaring der
volkeren. De pijnlijke onzekerheid, die daarenboven
rustte op het beslissend lot der kolonie, droeg ook het
hare bij om de gewetens wakker te schudden. De ware
vromen begonnen elkanders gezelschap op te zoeken tot
gemeenschappelijk gebed. Met vreugde ontvingen zij in hun
midden de verlichte Christenen, die de bewegingen der
Engelsche vloot voor korten tijd uit Europa tot hen
voerde. De levende leden der Nederlandsche Hervormde
Kerk gaven in 1797 een schoon en navolgenswaardig voor-
beeld aan hunne overzeesche broeders, doer het stichten
van het Rotterdamsche Zendelinggenootschap; en toen, bij
het sluiten van den Europeeschen vrede, Engeland voor
goed bezit nam van de Kaapkolonie, werd het allen open-
baar, dat het tijdperk van geestelijken stilstand thans een
einde ging nemen.
Den Apostolischen Van der Kemp — van wien ik later
nog het en ander hoop te vertellen — vestigde zich thans
in de kolonie, en, hoewel het meerendeel der Boeren zijne
pogingen tot uitbreiding van het Christendom onder de
Heidenen met leede oogen aanzagen, zoo was er toch geen
sprake meer van, hem op zoo willekeurige wijze te be-
handelen als vroeger den vromen Schmidt.
Ongeveer in dezen tijd bracht eene aardbeving alge-
meene ontsteltenis in de gemoederen teweeg. Op eenigen
afstand van Kaapstad was eene schrikbarende kloof ont-
staan, en een vroom Hollander deed de gelofte, dat, als
de stad gespaard werd, hij eene kapel zou oprichten,
waar Blanken en Zwarten zonder onderscheid, toegang
zouden hebben.
De stad bleef gespaard, en vermeld lokaal werd allengs
-ocr page 78-
74
het vereenigingspunt voor hen, die behoefte gevoelden aan
onderlinge geloofsversterking. Men ontving er de naar
Madagaskar of Indië vertrekkende zendelingen en hen, die
op aandringen van Van der Kemp onder de Hottentotten
kwamen arbeiden.
Verscheidene Engelschen vestigden zich thans ook in de
kolonie, en onder hen vrome en verlichte mannen. Dit
was een nieuw levenselement. De Heere wilde zich over
zijne gemeente ontfermen, en zond haar eenige uitstekende
herders en leeraars. Abraham Faure, een afstammeling
der Fransche uitgewekenen, was naar Europa gegaan voor
zijne studiën, en keerde vol geloof en vertrouwen vandaar
terug. Hij maakte van den invloed, dien zijne officieele
aanstelling hem gaf, en van zijne groote gaven gebruik, om
krachtig tot de algemeene opwekking mede te werken,
terwijl van hun kant Dr. Philip en anderen daartoe niet
weinig bijdroegen.
Ziehier een kort overzicht van den godsdienstigen toestand
in Zuid-Afrika, en wel mag ik zeggen, dat wij op een
hoogst belangrijk oogenblik daar aankwamen. De Heere
had thans eene geopende deur gegeven aan hen, die het
Evangelie onder de Heidenen wilden verkondigen, en men
maakte er ruimschoots gebruik van. Mannen van allerlei
hervormde kerkgenootschappen, vereenigden hunne krach-
ten tot hetzelfde doel. Zelfs de Engelsche Staatskerk, die
later het overwicht zocht te verkrijgen, verbroederde zich
op dat oogenblik met hare afgescheiden zusters. Men
hield Zendingsbijeenkomsten, en bracht Bijbel- en Traktaat-
genootschappen tot stand. Een lokaal-comité zond evan-
gelisten uit onder de Negers en Maleiers. Jonge men-
schen, waarvan zich sommigen tot het zendingswerk
i
-ocr page 79-
75
voorbereidden, hielden verscheiden zondagscholen. De
dochter van een Londenschen predikant, mejuffrouw Lyn-
dall, was uit Engeland overgekomen, alleen met het doel
om het systeem van bewaarscholen in de kolonie in te
voeren. De uitkomsten hiervan waren verrassend , en zelfs
de Gouverneur stelde zooveel belang in haar werk, dat hij
meer dan eens hare scholen bezocht. Toen mejuffrouw
Lyndall later met den zendeling Rolland huwde, kwamen
hare uitstekende gaven voor het onderwijs der jeugd, het
Parijsche zendingsgenootschap ten beste; doch gelukkig
voor de kolonie had zij vóór dien tijd gelegenheid, ver-
scheidene menschen in hare methode op te leiden, zoodat
het werk niet te gronde ging door haar vertrek.
Of al die verblijdende zaken op geestelijk gebied ertoe
medewerkten, weet ik niet, maar zeker is het, dat onze
eerste indruk van de Kaap, spoedig eene belangrijke wij-
ziging onderging.
Zelfs met den Tafelberg, wiens aanblik ons in \'t begin
zoo had gedrukt, begonnen wij verzoend te raken. Bij
nadere kennismaking ontdekten wij, dat hij bezaaid was
met lachende buitenverblijven, die beschaduwd werden door
reusachtige cactussen en andere tropische gewassen. Het
bronwater is daar van eene, bij ons ongekende, klaarheid:
men zegt zelfs, dat er met den scherpsten mikroskoop geen
diertjes in te bespeuren zijn.
Wanneer men den top van den berg heeft bereikt, moet
het uitzicht alle beschrijving te boven gaan. In eene
duizelingwekkende diepte aan uw voet ligt de Kaapstad,
waarvan men, door de helderheid van den dampkring,
duidelijk de straten en voornaamste gebouwen kan onder-
scheiden. De schepen in de haven komen u voor als
-ocr page 80-
76
kinderspeelgoed, en de vreeslijke golven van den onmetelijken
oceaan gelijken slechts kleine rimpels; zelfs bij stormweer
hoort men nauwlijks hun gedruisch. Het bestijgen van
den Tafelberg is niet zoo heel vermoeiend, maar soms
kan die tocht gevaarlijk worden. Wanneer de zuidoosten-
wind opsteekt, wordt de kruin van den berg plotseling
bedekt met eene dichte wolk. Meermalen gebeurt het,
dat die nevel in geen drie dagen optrekt; en de reiziger,
die het ongeluk heeft hierdoor overvallen te worden, moet
zich getroosten honger en koude te verduren, wanneer hij
althans geen voorzorgsmaatregelen tegen die vijanden heeft
meegenomen. Het is wel eens voorgevallen, dat toeristen,
hun ongeduld niet kunnende bedwingen, het gevaar trot-
seerden en, niettegenstaande den mist, den terugtocht
ondernamen. De Tafelberg heeft echter maar éen punt,
waarlangs de terugtocht mogelijk is, en — het spoor bij-
ster rakende — vielen deze ongelukkigen onvermijdelijk in
akelige afgronden, waar zij hunne roekeloosheid met den
dood moesten bekoopen!
Van beneden gezien, levert het zooeven vermelde natuur-
verschijnsel een zeer belangrijk schouwspel op. De wolk,
die de kruin van den berg in horizontale richting be-
dekt, rolt op zichzelf voort zonder in dikte te verminde-
ren, en valt, als een waterval, tot ongeveer halverwege
de helling. Hier lost de damp zich op, en men is
verbaasd, die schijnbaar wollige zelfstandigheid niet tot op
den vlakken grond te zien nederdalen. Intusschen woedt
de zuidoosterstorm met onbeschrijflijke kracht in de straten
der stad, en maakt daar schoon schip; want het is bijna
ondoenlijk zich tegen zulk een geweld staande te houden.
Ik herinner mij eens, bijna te zijn opgenomen. Het was
-ocr page 81-
77
op den hoek van eene straat, en ik had nog juist den tijd
neder te hurken en mij aan een ijzeren hek vast te klem-
men, anders ware ik zeker medegevoerd.
In gewone tijden is een uitstapje in de omstreken der
Kaapstad wel aantrekkelijk. Wanneer men de oostelijke
richting volgt, wordt het voorkomen van den Tafelberg
hoe langer hoe bekoorlijker. Een goed onderhouden, rijk
belommerde grintweg voert u naar het dorpje Rondebosch,
en vandaar naar Wijnberg, de kweekplaats der beroemde
Constantiawijnen. Van hieruit rijdt men langs eene reeks
van geheel Europeesche buitenverblijven, waar de Engel-
sche ambtenaren zich, na hun in de stad volbrachten ar-
beid, gaan verpoozen.
De grond is over het algemeen van eene lichte soort,
maar zeer vruchtbaar. Op de zandigste plaatsen heeft
men, in het groot, dennen gezaaid, die tot heerlijke bos-
schen zijn opgegroeid. Behalve den wingerd vindt men
anders op de meeste buitenplaatsen slechts vruchtboomen
en sierplanten, maar men heeft daarvan dan ook eene
groote verscheidenheid. Naast de inlandsche soorten
wordt met goed gevolg het schoonste en beste aangekweekt,
wat Europa en Azië op dit gebied slechts opleveren.
-ocr page 82-
VI.
Een uitstapje in het distrikt „de Paart."
Op ongeveer twintig mijlen afstands van Kaapstad,
ligt de zoogenaamde Wagenmakersvallei. Toen onze
drie voorgangers, de heeren Lemue, Rolland en Bis-
seux, in Afrika aankwamen, hadden de Fransche uit-
gewekenen, die daar woonden, dringend verzocht, dat éen
hunner zich in hun midden zou komen vestigen. De heer
Bisseux had aan deze roepstem gehoor gegeven, en het
spreekt van zelf, dat wij hem een bezoek schuldig waren.
In een vreemdsoortig voertuig, dat met den grootschen
naam van „diligence" werd bestempeld, ondernamen wij
op zekeren dag de reis. Deze diligence werd door acht
paarden getrokken, en voerde ons door dik en dun. Van
veeren was bij dit rijtuig geen sprake; maar over het
algemeen hadden wij geen hinder van dit gemis, daar de
weg voor het grootste gedeelte door het mulle zand voerde.
De Zoutrivier werd eenvoudig doorwaad, en deze over-
tocht geschiedde gelukkig zonder ongeval. Menig reiziger
heeft daar evenwel in het vreeslijk drijfzand den dood ge-
vonden. Zoowat halverwege onze eerste dagreis werd halt
gemaakt bij eenige armoedige schuren, die tot pleister.
-ocr page 83-
79
plaats dienden. Hier nam onze Maleische voerman een
uurtje rust; en wij kortten ons den tijd door het verza-
melen van wilde geraniums, heiplanten en stroobloemen,
die te weliger \'schijnen te groeien, naarmate de grond
schraler is.
Tegen den avond maakte onze koetsier nog eens onver-
wacht halt. Hij roste zijne paarden met veel zorg, ont-
deed hunne manen van alle stroohalmpjes en wat daar
verder in was gekomen, schikte de tuigen recht, en —
voort ging het toen, in vollen galop! Deze toebereidselen
moesten dienen, om de vóór ons liggende stad de Paarl
koninklijk binnen te rijden. Zijn naam ontleent dit plaatsje
(evenals de geheele streek) aan eene nabijzijnde rots, in
wiens ronden vorm men de gelijkenis met genoemd juweel
heeft meenen te zien. De aanblik van het stadje is ge-
heel Hollandsen. De netheid blinkt u tegen, en in de
lange rechte straat heeft ieder huis zijn eigen tuintje.
De Engelschen worden er, evenals elders op het platte
land, slechts vertegenwoordigd door winkeliers en ambachts-
lieden. De grondeigenaars zijn meest allen van Hollandsche
of Fransche afkomst.
De kerk is het hoofdgebouw, en hare afmetingen getuigen
van eene goede opkomst der gemeente. Eene eigenaardig-
heid evenwel, die zich hier even als elders voordoet, is:
dat de Negers een afzonderlijk gebouwtje hebben, waar
een zendeling hen in de godsdienstoefening voorgaat. Men
heeft deze scheiding noodzakelijk geacht, doch in meer
dan éen opzicht is zij betreurenswaardig. Hoe licht zou de
predikant der plaats de zorg ook voor deze gemeenteleden
op zich kunnen nemen, en zoo zouden vele zendelingen daar-
door een nuttigen werkkring kunnen gaan zoeken onder
-ocr page 84-
80
de wilde volksstammen der binnenlanden, en veel geld zou
zoodoende ook beter worden besteed. In den tijd toen de
Negers nog niet als menschen werden beschouwd, rekende
men het reeds als een grooten vooruitgang*, dat men zich
ongehinderd en openlijk met hen mocht bezighouden. Bij
de aanstelling van geordende predikanten evenwel had
deze toestand moeten ophouden; doch die heeren vonden
het gemakkelijker, zich enkel te bemoeien met de blanke
leden hunner gemeente, en de zorg voor de kleurlingen een-
voudig aan hunne minder aanzienlijke, doch goedhartige broe
ders-zendeliugen over te laten. De scherpe grenslijn tusschen
Blanken en Zwarten zal op deze wijze nooit verdwijnen; en
het gevolg is, dat ook de zendelingen algemeen minder in
tel zijn dan de predikanten, terwijl bovendien het eigenlijke
zendingswerk schade lijdt.
Men ziet uit dit een en ander, hoezeer de grootsche
arbeid, dien de Heere aan Zijne gemeente heeft opgedragen,
behoefte heeft, om ook te worden gesteund door het gebed
dier gemeente! De oude zuurdeesem moet worden uitge-
zuiverd, en als iedereen maar eens recht inzag, dat ook
hij persoonlijk daartoe kon medewerken, dan zouden wij
nog heel wat verrassender uitkomsten aanschouwen, dan
tot nu toe het geval was!
Eén voorbeeld moet ik echter nog noemen, dat eene
gunstige uitzondering maakte op den zooeven geschetsten
toestand.
Kort vóór onze aankomst in de Kaapkolonie was in de
Hollaudsche gemeente van Swellendam een Schot als
predikant aangesteld. Dr. Robertson, zoo heette hij, be-
gon dadelijk met te verklaren, dat hij geen onderscheid
wilde maken tusschen Blanken en Zwarten; want dat hij
-ocr page 85-
81
ze allen beschouwde, als hem door God toevertrouwde
zielen. Dit verwekte hevigen tegenstand, zoowel van den
Kerkeraad als van de gemeente. Robertson antwoordde be-
daard: „Het spijt mij, dat gij er zóo over denkt; doch
gij zult mij niet verhinderen mijn plicht te doen!" — en
van dat oogenblik aan, hield de waardige man tweemaal
dezelfde preek, — eens binnen het gebouw voor de Blanken,
en eens daarbuiten voor de Zwarten. Toen hij dit eenigen
tijd had volgehouden, zonder zich te storen aan weer of
wind, maakte de tegenstand plaats voor bewondering, en
hij bleef overwinnaar.
Ja, ook eene andere verrassing had hij zijne gemeente
bereid. Een jeugdige Christen-inlander werd dobr hem
naar Edinburg gezonden, om daar na volbrachte studie
in de theologie te promo veeren. Na eenige jaren keerde
Tyo-Soga behoorlijk onderleid naar Swellendam terug, en
trad voor de gemeente op, ten bewijze, dat hun predikant
geen te hooge verwachting van hem had gekoesterd.
Later boeide hij zelfs meer dan eens eene groote menigte
van toehoorders in de Kaapstad, en maakte zich naam
door de uitstekende wijze, waarop hij de leerstellingen van
het Duitsche ongeloof wist te wederleggen.
Wanneer men zich in dien tijd van „de Paarl" naar „de
Wagenmakersvallei" wilde begeven, dan moest men den
tocht te paard aanvaarden, zoo men althans niet te voet
wilde gaan. Heden ten dage doet men het heel wat ge-
makkelijker, en heeft men buitendien het genoegen, een
nieuw stadje op zijn weg te ontmoeten, Wellington ge-
naamd, waar de heer Bisseux zich thans heeft gevestigd.
De eerste bewoner der Wagenmakersvallei is een hand-
werksman geweest, die haar den naam van zijn ambacht
6
-ocr page 86-
82
heeft gegeven. Het is een vruchtbaar plekje gronds, waar
men oranjeboomen vindt ter hoogte van onze woudbooraen.
Het grondgebied tusschen deze vallei, Drakenstein, den
Franschen hoek en de Paarl is nog zuiver Fransch ge-
bleven. In 1833 woonden daar 4000 afstammelingen van
Fransche uitgewekenen, die te zanien 6000 slaven be-
zaten. Dit cijfer geeft den maatstaf aan van hunne wei-
vaart. Hoeveel grooter evenwel zou onze belangstelling
zijn geweest voor deze zonen der verdrukte landgenooten
onzer voorvaderen, indien zij de vrijheid hunner even-
menschen beter hadden weten te ontzien, — zij, die zelven
waren vrijgemaakt ten koste van zoo groote offers!
De klank dier bij uitnemendheid Fransche namen deed
ons weldadig aan, en vele waren ons zelfs zeer bekend.
De hoofden der gezinnen zijn van vader op zoon daar
blijven wonen, doch vele jongere leden hebben hun geluk
elders beproefd. Dit is de reden, waarom men bijna
overal, door de geheele kolonie verspreid, Fransche namen
vindt.
In tegenstelling met de Hollandsche kolonisten, zijn
zij trotsch op hunne afkomst. Deze laatsten stellen
hoogen prijs op den titel van „Afrikaanders", alsof zij
de geboren meesters van het land waren! Ze hebben
een afkeer van de zee, en schijnen Europa geheel vergeten
te hebben.
Niettegenstaande dezen toestand van verval, is er toch
ook nog veel goeds bij de meesten hunner op te merken.
De huisgezinnen zijn op aartsvaderlijken voet ingericht, en
zeer nauw verbonden. De grijsaards genieten eene buiten -
gewone achting, en worden bij alles geraadpleegd. Ook de
gastvrijheid wordt in ruime mate beoefend; in elk wel-
-ocr page 87-
83
gesteld huis vindt men eene kamer, ten dienste der ver-
moeide reizigers. Op welk uur van den dag men ook
aankomt, altoos ontmoet men een vriendelijk onthaal. De
gastvrouw bekommert zich nimmer over het aantal monden,
gewend als zij is aan de milde opbrengst der welvarende
boerderijen — en aan onderdanige dienaren ontbreekt het
haar ook niet. Deze gemakken van het dagelijksch leven
dragen er veel toe bij, om eene zekere waardigheid bij de
kolonisten aan te kweeken, die wel hare goede zijde
heeft.
Op de tafel in de huiskamer ligt een groote folio-Bijbel.
In dit familiestuk wordt meest eiken dag gelezen, maar
des Zondags in ieder geval; elk der kinderen is dan ver-
plicht op zijne beurt een paar verzen te lezen of te spellen.
De geschiedboeken van het Oude Testament worden het liefst
gelezen, en het Nieuwe Testament raadpleegt men aangaande
„de leer". Deze wordt wel nog al goed verstaan, maar
zelden waarlijk opgenomen in het hart. Die goede men-
schen houden veel van redetwisten, doch hunne Schrift-
uitlegging is soms wonderlijk. Een hunner wilde me eens
wijsmaken, dat de oudste zoon in de gelijkenis (Luk. 15)
de duivel was, de groote zielevijand. „Maar," zeide ik,
„daar staat toch, dat de vader tot hem zegt: al het
mijne is het uwe, enz." „Hé!" antwoordde de man,
„dat heb ik nooit opgemerkt!"
Er is misschien geen land in de wereld, waar men zóo-
veel eerbied heeft voor de dominé\'s. Over het algemeen
doen de leeraars wel trouw huisbezoek, maar hun omgang
met de leden der gemeente is wat al te stijf en deftig:
men komt zoo niet tot vertrouwelijkheid. Op het platte
land bereikt die eerbied voor den herder der gemeente
6\'
-ocr page 88-
84
haar toppunt. Wanneer hij een bezoek brengt aan de
verafgelegen boerenwoningen, dan wordt hij inderdaad
feestelijk onthaald. Men wacht hem op in het Zondags-
pak, het beste staat hem ten dienste, en zijn rijtuig wordt
opgevuld met allerlei lekkernijen.
Wij vonden, dat onze vriend Bisseux wat minder werd
vertroeteld, hetgeen wij toeschreven aan het feit, dat zijn
werkkring hoofdzakelijk onder de Negers was, en toch had
hij zich niet te beklagen. Eene lieve godsdienstige familie
Le Roux beschouwde hem als haar eigen zoon; de Heere
had hem sedert kort eene trouwe levensgezellinne toegevoegd,
en iedereen deed zijn best, om hem zijne taak gemakkelijk
te maken.
De eerste keeren had men hem in het Fransch laten
preeken, doch hem een tolk toegevoegd. Men had eens
willen zien, welk een indruk de oude moedertaal zou
maken op hen, wier voorouders het gemis daarvan zoo
bitter hadden betreurd. Daarna had men zich gezamenlijk
beijverd om hem Hollandsch te leeren; en hij maakte,
volgens het zeggen dier goede menschen, flinke vorderin-
gen. Ik heb echter eenige reden om te gelooven, dat die
vorderingen nog meer waren toe te schrijven aan de studie
van onzen vriend, dan aan de lessen, die hij ontving;
doch dit neemt niet weg, dat wij de goede bedoelingen
zijner kudde op prijs wisten te stellen.
Een zeer werkelijke dienst, die men hem bewees, was
het bouwen eener kapel.
Bisseux, hiervan konden wij ons overtuigen, was de
rechte man op de rechte plaats. Hij wist even goed met
de slaven als met hunne meesters om te gaan; en de uit
komsten hebben later bewezen, hoe gezegend zijn arbeid
-ocr page 89-
85
geweest is. Bij zijne aankomst was het lot der slaven
inderdaad deerniswaardig, doch na een onvermoeiden ar-
beid van verscheiden jaren, smaakte hij het genot, die
ongelukkigen te hebben bereid voor de vrijheid, die hij
spoedig daarna voor hen wist te verwerven. Drie jaar
geleden vierden honderden Negers, die onder zijne pre-
diking bekeerd waren, het feest van zijn vijftigjarig ver-
l)lijf in hun midden, en de Blanken namen ook deel daar-
aan. Bij die gelegenheid stelde hij zelf zijn opvolger aan
de gemeente voor; en deze nam op zich, aan haar jeugdigen
predikant een jaarlijksch traktement van 5000 francs (f2600)
te geven.
De arbeid van onzen vriend mag met recht een „zendings-
arbeid" genoemd worden. Sedert de afschaffing der slavernij,
hebben de zeden, die ik zooeven beschreef eene belangrijke
wijziging ondergaan; doch, Gode zij dank! wat daarin
goeds was, is niet alleen gebleven, maar zelfs versterkt.
-ocr page 90-
VIL
Tan Kaapstad naar de Oranje-rivier.
Zooals ik reeds in een vorig hoofdstuk meedeelde,
werden wij bij onze aankomst in Afrika teleurgesteld
door de tijding, dat het werk, waarvoor wij gekomen
waren, plotseling was afgesneden.
Wij hadden dus nu geen vaste bestemming; maar in-
wendig waren wij overtuigd, dat de Heere ons niet naar
Afrika zou hebben gezonden, indien Hij daar niet iets voor
ons te doen had. In de kracht van die overtuiging besloten
wij dan ook werk te gaan zoeken, en vertrokken weldra
naar de binnenlanden. Onze broeders hadden zich terug-
getrokken naar Kurnman, in het land der Beetsjoeanen, waar
Moffat zijn werk had aangevangen; en hierheen richtten
ook wij onze schreden.
Men raadde ons, de reis niet uitsluitend over land te
doen, maar liever gebruik te maken van een zeilschip,
dat juist naar Port-Elizabeth ging. Deze stad ligt aan
de Algoabaai, halverwege de Kaap en Natal. Onze over-
tocht was zeer aangenaam. Een oud-zendeling, de heer
Kitchingman en zijne dochter, gingen eveneens derwaarts,
-ocr page 91-
87
en namen als van zelf Mejuffrouw Colani onder hunne
hoede. In zes dagen bereikten wij de haven van Port-
Elizabeth, en ontsnapten op deze wijze aan de gevaren
van een tocht over land door de zandwoestijn van Karroo.
De stad, die thans eene hoofdplaats is voor den handel
der kolonie, was toen slechts een klein gehucht, bestaande
uit de huizen en magazijnen van eenige Engelsche koop-
lieden. Eene eigenlijke haven was er nog niet; en de
zee had vrij spel in de ruime baai, die voor haven
dienst deed. Soms slingerden de voor anker liggende
schepen op onrustbarende wijze, en door de branding kon
men het strand met geen sloepen bereiken. Eenige reus-
achtige halfgekleede Kaffers droegen ons aan wal, en zoo
waren wij weder op vasten grond. Onze broeder Lemue
was zijne bruid tot Port-Elizabeth te gemoet gekomen. Wij
smaakten het genoegen, haar behouden in zijne armen te
voeren, en waren zelven niet weinig verblijd hem weder te
zien. Behalve de banden van geloof en samenwerking,
die ons verbonden, hadden wij voor dien broeder eene
buitengewone achting. Meermalen was hij in groot gevaar
geweest, en had dikwijls in moeielijke omstandigheden ver-
keerd, maar in dat alles had hij zich steeds edel ge-
dragen.
Bij twee ijverige bevorderaars der Engelsche zending, de
heer en mevrouw Robinson, ontmoetten wij een recht har-
telijk onthaal. Als broeders namen zij ons in hun huis
op. De voornaamste werkkring dezer vrienden was onder
de Kaffers en Hottentotten, die in de haven werk kwamen
zoeken; maar buitendien hield de heer Robinson eiken
Zondag godsdienstoefening voor de Engelschen. Hij gaf
zich zeer veel moeite voor zijne preeken, en stond er op,
-ocr page 92-
88
dat ze aan alle eischen van vorm en stijl zouden voldoen.
Daar hij in Frankrijk had gestudeerd , waren wij dadelijk
op bekend terrein, en konden hem tijding geven van eenige
Fransche vrienden, wat onze nadere kennismaking niet
weinig bevorderde.
Mevrouw Robinson was eene bijzonder knappe vrouw,
die, evenals haar man, de handen uit de mouw wist te
steken. Behalve de zorg voor het huishouden had zij ver-
schillende dingen op zich genomen, zooals het bezoeken van
de school, om de jeugdige Negertjes tot vlijt aan te sporen,
het bezoeken van zieken en meer andere dingen. In eerste
huwelijk was zij getrouwd geweest met een zendeling in
het Kafferland, den heer Williams. Voorbeeldig had zij hem
ter zijde gestaan in zijn arbeid onder dien nog geheel
woesten volksstam; en toen hij haar door den dood werd
ontrukt, was zij genoodzaakt eigenhandig de doodkist te
vervaardigen, terwijl eenige inboorlingen onder haar toe-
zicht het graf dolven.
Op eenige mijlen afstands van Port-Elizabeth bevindt
zich Bethelsdorp — de eerste zendingspost, die door het
Londensche Genootschap onder de Hottentotten is opge-
richt. Wij namen ons voor, van daar uit de verdere toe-
bereidselen voor onze lange reis in het binnenland te
maken. Eene week of drie zouden wij daartoe noodig
hebben, en die tijd kon ons zeer nuttig zijn voor opmer-
kingen van verschillenden aard.
De zee dus voor geruiraen tijd vaarwel zeggende, bega-
ven wij ons noordwaarts, en kwamen weldra aan een gehucht
van ongeveer zestig huizen. Eene met riet gedekte pastorie,
een kerkje en een vrij groot, maar zeer eenvoudig school-
gebouw vormden het middenpunt van het plaatsje. Dit
-ocr page 93-
89
was Bethelsdorp, de stichting van Van der Kemp, die in
1811 aan de Kaap stierf, terwijl hij bezig was de belangen
zijner geliefde Hottentotten te bepleiten.
Men kon duidelijk zien, dat deze niet meer de meesters
van het land waren, toen zij zich in die streek vestigden,
om er den eersten grondslag van eene beschaafde Neger-
maatschappij te leggen! Het water is daar onder anderen
zóo schaarsch, dat het nauwlijks voldoende is, voor de
behoeften van het dagelijksch leven, en de landbouw levert
dan ook bitter weinig op. Iets verder vindt men een
heerlijk plekje gronds, dat alle voordeelen in zich ver-
eenigt; maar ook hiervan hadden de Blanken zich terstond
meester gemaakt. Men vindt er thans het bloeiende stadje
Uitenhage.
Om tegemoet te komen aan de schraalheid van den
grond , en op eerlijke wijze in hunne behoeften te voorzien,
bewerken de arme Negers van Bethelsdorp eene zoutmijn,
die zich gelukkig op hun klein grondgebied bevindt\'
Verder maken zij takkenbossen en matten, die te Port-
Elizabeth gemakkelijk van de hand worden gezet. De
nabijheid dier plaats geeft hun ook gelegenheid werk te
vinden als daglooners. Al de uitwendige moeielijkheden,
waarmede zij te kampen hebben, schaden evenwel hunne
geestelijke en godsdienstige ontwikkeling niet. Zij kunnen
bijna allen lezen en schrijven. De lagere school neemt in
bloei toe; en de bewaarschool wordt gehouden door eene
Hottentotsche vrouw, die zich zoo meesterlijk van hare
taak kwijt, dat wij met genoegen, en zelfs met nut, hare
lessen bijwoonden.
Eene groote genade is over deze gemeente uitgestort.
Zij vergeet hare tijdelijke armoede om zich slechts te ver-
-ocr page 94-
90
heugen in den rijkdom, haar door het Evangelie geschon-
ken. Nergens heb ik zulk eene goede opkomst in de
kerk gezien. De kapel, die toch vijf- a zeshonderd toe-
hoorders kan bevatten, was dikwijls te klein. Niet enkel
op Zondag, maar ook op eiken avond van de week worden
de geloovigen samengeroepen; en ik voelde mij beschaamd
bij de gedachte, dat onze kerken dikwijls op Zondag min-
der goed bezet zijn dan daar in de week het geval is.
In die bijeenkomsten noodigt de zendeling soms eenige
zijner gemeenteleden uit, zelf voor te gaan in het gebed,
en ze deden dit, zonder de minste terughoudendheid , zóo
eenvoudig en zóo vurig, dat de toehoorders dikwijls tot
tranen toe bewogen werden.
Die arme, naar het uiterlijk misdeelde Hottentotten, heb-
ben van God éene bijzondere gave gekregen, die zeer
opmerkelijk is: zij zingen namelijk buitengewoon mooi.
De vrouwenstemmen zijn van een grooten omvang en van
eene ongekende buigzaamheid. De mannen zingen met
groote juistheid tenor of bas; en er is in den klank hunner
stem iets, dat een onbeschrijflijk diepen indruk maakt, en
u tot in de ziel aangrijpt. Het is eene vergoeding, hun
door den Heere geschonken, en die zij naar waarde weten
te schatten. Hun grootste genot is, zich in den mane-
schijn te vereenigen onder den blooten hemel, en dan uren
lang te zingen. Ik kan naar waarheid getuigen, dat ik
op zulke oogenblikken — wanneer ik slechts hun gelaat
niet zag — meermalen het gevoel heb gehad, dat ik
onder wezens verkeerde, die in hooger streken thuis
behoorden.
In den heer Kitchingman, hun zendeling, hadden de
Hottentotten van Bethelsdorp een verlichten en tevens
-ocr page 95-
91
vaderlijken voorganger. Deze waardige man had langen
tijd het zwervende leven van een stam in de binnenlanden
gedeeld. Toen had hij met de meeste toewijding gearbeid
onder de Negers van de Paarl, en thans wijdde hij zijne
laatste krachten aan deze kinderen van den ouden Van der
Kemp. Eene groote mate van goedheid en zachtmoedig-
heid paarde zich bij hem aan eene groote vastheid van wil.
Hij had een geregeld spreekuur, waarop iedereen bij hem
mocht komen met zijne bezwaren. Het was hem aan te
zien, dat er geen smart bestond, waarin hij niet ten
volle kon deelen, maar tevens dat hij geene enkele on-
deugd kon of wilde gedoogen. Arm, met een groot
gezin en een klein traktement, was zijn disch niet altoos
even rijk voorzien, maar hij nuttigde zijn dagelijksch
brood met een vergenoegd hart, en wist ook anderen in
deze stemming te doen deelen. Ik heb aan dien goeden
man en aan zijne vrouw veel te danken; want beter nog
dan al de uitstekende leermeesters, die God mij gaf,
hebben zij mij geleerd, wat een zendeling eigenlijk wezen
moet. Zij rusten thans beiden op het kerkhof van
Bethelsdorp.
Door hen en door eenige grijsaards ben ik ook het vol-
gende te weten gekomen omtrent Van der Kemp:
Deze buitengewone man was eerst cavalerie-officier. Daarna
werd hij een beroemd dokter te Zwijndrecht, — maar geheel
ongeloovig. Gedurende een tochtje op de Maas (27 Juni 1791)
had hij het ongeluk zijne vrouw en dochter te zien verdrinken;
dit bracht hem tot inkeer; hij gaf zijn hart aan den Heere,
en werd een ijverig zendeling. Zijn karakter en wijze van
zien was ongeveer even vreemd als zijn levensloop. Hij
deed dikwijls de wonderlijkste dingen, en dreef onder
-ocr page 96-
92
anderen de matigheid en de nalatigheid in de zorg voor
zijn eigen persoon tot de uiterste grenzen. Een hoed droeg
•hij nooit, hij bezat er zelfs geen; en als hij eens ge-
noodzaakt was naar Kaapstad te gaan, om de belangen
zijner Hottentotten te bepleiten, dan moest hij zich dit artikel
eerst aanschaffen. Het diende hem echter niet tot hoofddek-
sel, maar hij liep er mee achter zijn rug, tot groot genoegen
der straatjongens, die zich vermaakten met er zand in te
doen. Als hij dit door de zwaarte bemerkte, dan keerde
de goede man eenvoudig zijn hoed om, en ging bedaard
verder, zonder een woord te spreken.
Een der grondregels van Van der Kemp was, dat een
zendeling geen ander ondergoed moet bezitten, dan wat hij
aan heeft, en zich niet anders moet voeden dan de inboor-
lingen. Zijn idee daaromtrent stond zóo vast, dat hij zich
moeite gaf om bet Londensche Zendinggenootschap te
bewegen, hare zendelingen eene jaarwedde van slechts
f 350 toe te kennen. Hij beoogde daarmede juist niet
eene bijzondere zuinigheid, maar zijn beginsel was, dat
men tot het standpunt der inboorlingen moet afdalen in
alles, wat niet bepaald verkeerd is, om hen daarna tot
een hooger standpunt te kunnen opheffen. De uitkomsten
hebben de dwaasheid van dit beginsel aangetoond; het
stond dan ook gelijk met het opgeven van alle gedachte
aan beschaving!
Men vertelt, dat een Engelsch officier, die zich met
eene diplomatische zending in het Kafferland bevond,
op zekeren dag Van der Kemp wilde spreken. Niet
wetende, waar deze zich bevond, wendde de officier
zich tot een blanken man, die bezig was klei te kneden
in een kostuum, dat zich weinig van dat der inboor*
-ocr page 97-
93
lingen onderscheidde. Op zijne vraag naar Van der
Kemp\'s woning, kreeg hij tot zijne niet geringe verbazing
ten antwoord, dat hij de verlangde persoon vóór zich had!
Onder den invloed zijner zonderlinge denkbeelden was
Van der Kemp zelfs zóo ver gegaan, dat hij op zijn ouden
dag eene, Hottentotsche vrouw trouwde. Hoewel tot het
Christendom bekeerd, bracht deze vreemde wederhelft hem
dikwijls in groote moeielijkheden — en geen wonder!
Maar, niettegenstaande al zijne eigenaardigheden, moeten
wij in dezen zonderlingen man eene groote verhevenheid
van gedachten en gevoelens, een prijzenswaardigen ijver
en een ongeëvenaarden moed bewonderen! Moeite noch
gevaar schrikten hem af, wanneer het slechts \'t werk van
zijn Meester gold. Hij leefde in moeielijke dagen. Voort-
durend waren de grenzen het tooneel van wanordelijkheden.
Vreemde gelukzoekers, gevolgd door kleinhandelaars in
brandewijn, deden den inboorlingen onophoudelijk overlast
aan, waarvoor ze dan van deze laatsten dikwijls gevoelige
lessen ontvingen.
In zulk eene omgeving oefende Van der Kemp zijn ambt
uit; en de onverlaten, die het land in beroering brachten,
konden dien man Gods zijne liefde voor de Hottentotten
en Kaffers maar niet vergeven. Meer dan eens legden zij
het op zijn leven toe, maar het was alsof een onzichtbaar
schild hem voor hunne kogels vrijwaarde.
Deze soort van onkwetsbaarheid en zijne gedurige toe-
vlucht tot het gebed\' maakten hem het voorwerp van de
bewondering der inboorlingen, die hem als een heilig
wezen beschouwden, dat een onbepaalden invloed had bij
den onzichtbaren Koning, voor Wien zij hem zoo menig-
maal de knieën zagen buigen.
-ocr page 98-
94
Eens, toen het land door eene langdurige droogte ge-
teisterd werd, liet het opperhoofd Gaïka aan Van der Kemp
vragen, of hij hem niet wat regen kon bezorgen. Deze,
vreezende dat de verhooring van zijn gebed mocht worden
toegeschreven aaa de eene of andere tooverkunst (bij der-
gelijke gevallen onder de Heidenen in gebruik), weigerde
aan dat verzoek gehoor te geven.
Kort daarop verscheen een tweede bode met de mede-
deeling, uit naam van zijn heer, dat het wel hard van
den zendeling was, hem zóo te behandelen; want dat hij
toch slechts te knielen had, met zijn hoofd in de handen,
om zooveel regen te verkrijgen als men maar verlangrle!
Hiertegen was Van der Kemp niet bestand; hij legde de
zaak in Gods handen ,neer, smeekte om regen, en werd
verhoord. Gedurende verscheidene dagen viel het water
bij stroomen uit den hemel neder.
Weldra verscheen nu de bode van Gaïka weder, met
den hartelijken dank van zijn meester; doch Van der Kemp
kon een glimlach niet weerhouden, toen daaraan werd
toegevoegd: „\'t Was heel goed, maar op een anderen
keer hebben we liever wat minder, daar nu onze huizen
bijna ondergeloopen zijn; hier is echter eene koe, om u
onze dankbaarheid te toonen."
Het geschenk werd door den zendeling ten eenen male
geweigerd, maar op schandelijke wijze trok een ander
daarvan partij. Een der Blanken, die de streek ver-
woestten, kwam den geleider van de koe op zijn weg
huiswaarts tegen. Een gesprek met hem aanknoopende,
ontlokte hij den Kaffer het verhaal van hetgeen geschied
was. „Hoe! — riep hij uit — éene koe voor zulk
een regen, dat is schande! Zeg aan uw meester, dut
-ocr page 99-
95
hij mij zes koeien zende; dan zal ik ze den zendeling wel
aanbieden, en we zullen eens zien, of hij ze zal weigeren ?"
De koeien werden goedwillig aan den gedienstigen tusschen-
persoon gezonden, maar noch Gaïka, noch Van der Kemp
hebben er ooit iets meer van gehoord.
De vele reizen, die Van der Kemp moest doen, en zijn
wisselvallig leven verstoorden nimmer zijne naarstigheid in
de studie. Vroeger had hij zich in Holland een naam
gemaakt door geleerde geschriften over de medicijnen.
Thans richtten al zijne gedachten zich op het Woord Gods,
waarvan hij door gebed en overdenking eene diepere kennis
trachtte te verkrijgen. Oude Hottentotten hebben mij daar-
van treffende dingen verhaald, waar zij de verhevenheid
ongetwijfeld niet van begrepen,. maar die toch een diepen
indruk bij hen hadden achtergelaten. „Als wij in onze
reizen — zoo verhaalden zij — des avonds halt maakten,
en het eten voor den Dokter toebereidden, dan ging hij
op eenigen afstand onder een boom zitten met potlood en
papier. Wij hoorden hem soms zeggen: „Heere, dit punt —
dat woord begrijp ik niet recht." Een oogenblik later was
het: „Nu begrijp ik het iets beter, maar nog niet duidelijk
genoeg, — geef mij meer licht, Heere!" En dan weder,
na een oogenblik stilte, riep hij uit; „O! nu begrijp ik
het; dank, dank, Heere Jezus!" Dan, niettegenstaande
de duisternis, schreef hij haastig op, wat hem duidelijk
was geworden, en wij hoorden zijn potlood over het papier
glijden."
Deze losse bladen waren hoogstwaarschijnlijk alleen voor
hem zelf leesbaar, doch wat zou men niet geven, om
eenige daarvan te bezitten!
Van der Kemp wilde er niet aan, dat men altoos moest
-ocr page 100-
96
néderknielen om te bidden; daarvoor geloofde hij te vast
aan de kracht van het gebed. Luister slechts!
Op zekeren dag reisde hij met een jeugdigen zendeling
door een dicht bosch van Kafferland. Plotseling ont-
moet hem eene bende gewapende inboorlingen, die een
onrustbarend krijgsgeschreeuw aanheffen. Verschrikt loopt
de jonge zendeling naar Van der Kemp, die eenige passen
voor hem uitreed, en smeekt hem af te stijgen, om Gods
bijstand in te roepen. „Hebt ge dan van morgen uw gebed
niet gedaan?" antwoordt de oude held. „Vooruit! — en
niet gevreesd!" —
Het is eigenlijk alleen onder de Hottentotten, dat Van
der Kemp blijvende sporen heeft achtergelaten door de
bekeering van zielen. In het Kafferland heeft hij slechts
eene deur geopend voor andere zendelingen.
Evenwel worden nog heden ten dage de vele Christen-
inlanders, ook onder de Kaffers, bestempeld met den naam
van Ma-Yankana, dat wil zeggen: mannen van Van der
Kemp. Toen Van der Kemp voor het eerst in hun land
verscheen, konden die goede menschen maar niet leeren
zijn naam uit te spreken, en gaven hem daarom dien van
Yankana. Men kan wel zeggen, dat deze Hervormde Hol-
landsche broeder en de Hernhutter broeder Schmidt de
eigenlijke stichters zijn van de zending in Zuid-Afrika.
Onze vriend Lemue, en vooral de heer Kitchingman,
waren zoo goed om ons de behulpzame hand te bieden bij
het maken van de noodige toebereidselen voor onze verdere
reis. Allereerst moesten wij , op hun raad, twee groote,
overdekte wagens aanschaffen, die voor den reiziger in
die streken even onmisbaar zijn als het schip voor den
zeevaarder. Zulke wagens dienen tegelijk als voertuig en
-ocr page 101-
97
als woonhuis. Van de bagage, als: koffers, zakken enz.,
wordt een ondergrond gemaakt. Op die eerste laag be-
vestigt men door middel van vier sterke riemen eene matras,
waarop men over dag, met de beenen kruiselings onder
zich, zit, en die des nachts tot slaapplaats dient. De bok
van het rijtuig is eene net geschilderde kist, waarin tevens
het tinnen vaatwerk wordt bewaard, en het keukengereed-
schap vindt (gelukkig voor de ooren der reizigers) heel
achter in den wagen eene plaats. Bij het zien van al
deze schatten, die wij ons eigendom mochten heeten, ge-
voelden wij ons zeer rijk, want we hadden nog nooit iets
anders bezeten dan onze boeken en het zakgeld, dat we
van onze ouders kregen. Maar weldra zou het nog mooier
worden.
Op zekeren morgen kwam men voor onze deur met een
twintigtal ossen, die we moesten keuren. Wij schrikten
wel wat, bij de gedachte aan de groote rekening, die
de Penningmeester van het Parijsche Zendinggenootschap
zou moeten voldoen, doch het gold hier zeer noodige aan-
koopen. Toen het evenwel op mondbehoeften aankwam,
meenden wijzelven een woordje te moeten meespreken, daar
niemand — zoo dachten wij — beter dan wijzelven over
onzen eetlust kon oordeelen. Wij maakten hevige tegen-
bedenkingen, toen men ons zeide, dat wij 75 kilo rijst
moesten medenemen, evenveel koffie en suiker, tweemaal
zooveel meel, 5 kilo thee, 100 kilo zout, eene groote kruik
azijn en wat al niet meer! Neen, dat was toch te erg!
De rijst moest op 25 kilo worden teruggebracht, de koffie
op 10 en de rest naar evenredigheid! De gidsen en ossen-
drijvers om ons heen, begonnen te lachen, en wij hoorden
ze onder elkander zeggen: „Nu, met deze jongelui zullen
7
-ocr page 102-
98
we het niet ver brengen." Drie dagen lang duurden de
onderhandelingen; standvastig hielden wij onze meening vol,
maar besloten dan toch eindelijk, na rijp beraad, ongeveer
twee derden meê te nemen van hetgeen men ons als geheel
onmisbaar had voorgeschreven.
Thans was alles gereed. Een oude Hottentot, Philip,
die reeds verscheiden zendelingen naar de plaats hunner
bestemming had gebracht, zou ons tot de Oranjerivier
geleiden. Hij had de rest van het personeel zelf uitgekozen,
onder de jeugd van Bethelsdorp. Daar stond nu ons voer-
tuig, toegerust met de noodige gereedschappen, geweren
en ammunitie — deze laatste artikelen als voorzorgsmaat-
regel tegen hyena\'s en leeuwen. Onze Bijbels en eenige
uitgezochte boeken hadden wij in stevige lederen zakken
onder ons bereik. De goede mijnheer Eitchingman kwam
ons een laatst vaarwel zeggen, en ons eenigen vaderlijken
raad ten beste geven. Zijne vrouw en dochter brachten
ons tot afscheid een voorraad heerlijke, door haarzelven
gebakken beschuiten en broodjes. De schoolkinderen zongen
ons tot afscheidsgroet een hunner mooiste liederen toe.
Philip had middelerwijl den bok bestegen, zijn twaalf voet
langen zweep ontrold, en met een doordringend „trekt!"
„helpt elkaar!" werden de gewillige ossen aangespoord om
het zware voertuig in beweging te brengen. Een laatste
handdruk aan de vrienden, die we achterlieten, en — voort
ging het nu, het ons onbekende tegemoet.
Dien dag reisden we niet ver. Na een uur of drie lag
het stadje Uitenhage voor onze oogen. Wij moesten daar
toch eenige zendingsvrienden gaan begroeten, en buitendien
gaat het met de Afrikaansche reiswagens als met de ouder-
wetsche zeilschepen. Vóór dat deze voor goed in zee gaan,
-ocr page 103-
99
maken ze eerst nog eens halt op de reê: de touwen en
zeilen worden dan nog eens nagezien, en de te laat aan-
gekomen provisie, die in allerijl werd nagezonden, opge-
wacht. Zoo moesten wij nog eenige stukken zout vleescn
inslaan, en een voorraad aardappelen opdoen; want zoolang
mogelijk wilden we toch het genot hebben, van de smake-
lijke gerechten, die men nooit zoozeer op prijs stelt, dan
wanneer men ze moet missen.
Op de binnenplaats van den aldaar onder de Hottentotten
arbeidenden zendeling spanden wij uit. De heer Messer was
reeds sedert dertig jaar in Afrika werkzaam. Van Duitsche
afkomst, had hij van zijne moedertaal slechts juist genoeg
onthouden, om zijne uitspraak van het Hollandsch en het
Engelsch beide te bederven. Dat nam echter niet weg,
dat zijne prediking gezegende vruchten droeg. Uitenhage
zelf is een aangenaam verblijf. De huizen, elk van een
tuintje voorzien, zijn goed onderhouden. Alles draagt er
de sporen van eene welvaart, die de vrucht is van handel
en landbouw. Dit kan over het algemeen gezegd worden
van alle kleine steden der Kaapkolonie. Zij zijn van elkander
gescheiden door groote, onbewoonde streken; maar de hand
des menschen heeft, door middel van de rivieren, aan
welke de meeste dier plaatsjes gebouwd zijn, het land tot
eenige mijlen in den omtrek vruchtbaar weten te maken.
Elk stadje is gelijk aan eene oase in de woestijn, terwijl
de netheid, orde en kalmte, die er heerschen, benevens
den bouwtrant der kerken, hun een onmiskenbaar Protes-
tantsch voorkomen geven. Men wordt dikwijls aangenaam
verrast, zooveel geestelijke ontwikkeling te ontmoeten. De
meeste dier steden hebben, wat men bij ons zou noemen
een burgemeester. Over het algemeen bezitten ze ook ieder
7*
-ocr page 104-
100
hunne politieke courant, hun letterkundig overzicht en hun
advertentieblad.
De predikant van Uitenhage, de heer Sraith, die kort
geleden het huwelijk vnn onzen vriend Lemue had inge-
zegend, noodigde ons uit om bij hem te komen eten. Wij
waren verwonderd, hoe goed hij op de hoogte was van den
godsdienstigen toestand in Frankrijk; en wij maakten hem
overgelukkig door hem de tijdschriften te leenen, die we
toevallig bij ons hadden.
Van nu aan ging onze weg door de woestijn; want dit
is toch eigenlijk de rechte naam voor die onafzienbare
vlakte, slechts hier en daar door eenige heuvels afge-
wisseld, waar men uren lang kan reizen, voor dat men
eene boerenplaats te zien krijgt. De grond is hard en
roodachtig, de plantengroei schraal en doornig. Op enkele
plaatsen ontmoet men iets, dat op de bedding eener beek
gelijkt, en wanneer men goed zoekt, is daar ook wel eens
water aanwezig. Op zulke plekken is de plantengroei een
weinig weliger, en zelfs ontmoet men daar eenige bloem-
soorten.
Gedurende de eerste dagen konden wij maar niet wen-
nen aan den tragen gang en de ongelooflijke horten en
stooten onzer reiswagens. Het liefst waren wij te voet, en
deden, bij wijze van afwisseling, vruchtelooze pogingen
om antilopen en struisvogels onder schot te krijgen. Mees-
tentijds echter kwamen wij van die uitstapjes met ge-
scheurde kleeren en bebloede handen terug, zoodat wij
er weldra van af zagen. Met destemeer belangstelling
wijdden wij onze aandacht nu aan de kleine bijzonder-
lieden van ons Zigeunersleven. De oude Philip waakte
over ons met vaderlijke zorg, en had allerlei goeden raad
-ocr page 105-
101
voor ons ten beste. In korten tijd leerden wij van hem,
hoe men de lange zweep niet alleen als aansporing voor
de ossen moet gebruiken, maar hoe men ze tevens daar-
mede kan leiden, even goed en zeker als met teugels. Wij
vernamen ook, dat de ossen hunne vaste uren en ge-
woonten hebben, waarmee men wel degelijk rekening moet
houden, wanneer men wil uitspannen. Doet men dit te
vroeg, dan verliest het dier zijn tijd met zich te schuren
en met slapen, zoodat eene tweede halt noodig zou wezen
om het tot grazen te krijgen. Philip leerde ons ook, hoe
wij, door middel van den stand der zon, het juiste uur
konden te weten komen; — hoe wij vrij nauwkeurig den
afstand konden bepalen, die ons van een berg of van een
bosch scheidde; — waar wij op te letten hadden om te
weten, of we ons in de buurt van water bevonden, enz.
Langzamerhand raakten wij ook verzoend met de be-
weging van ons voertuig; door slechts naar de wijze des
lands op de matras te gaan zitten, bemerkten wij, dat
het zeer goed mogelijk was niet alleen te praten en te
lezen, maar ook zelfs te schrijven en te teekenen. Wij
genoten van de gezonde lucht en de volkomen vrijheid in
dit eenzame oord; en de hinderpalen, ons door moeder
natuur in den weg gelegd door hare bergen en dalen,
door hare bosschen en haar struikgewas, werkten slechts
mede om onze energie levendig te houden
Tegen den avond werd met zorg de plaats uitgezocht,
waar wij ons nachtkwartier zouden opslaan. Philip en
zijne makkers spanden dan de ossen af, en schikten de
tuigen met orde op hunne plaats; de wagens werden naast
elkander gezet, en in dien tusschentijd zochten wij rijshout
bij elkander, om het vuur aan te maken. Het eerste
-ocr page 106-
102
werk van den Afrikaanschen reiziger, wanneer hij halt
maakt, is altoos: te zorgen, dat hij zoo spoedig mogelijk
warm water heeft om een kop koffie te zetten. Deze
drank is hem bijna onmisbaar; op de rechte wijze gebruikt,
is zij voedend en verfrisschend tegelijk. Wij zagen dan ook
weldra in, dat we het niet ver gebracht zouden hebben
met den kleinen voorraad, dien wij eerst hadden willen
meenemen.
Het avondeten, dat onder het toezicht van Philip bereid
werd, bestond meestal uit schapenvleesch met aardappelen.
Tegen negen uur was de maaltijd gewoonlijk afgeloopen;
dan werd de lantaarn opgestoken, en met een: „Heeren,
wij zijn klaar!" kwam Philip ons bijlichten voor den avond-
godsdienst.
Om beurten namen wij de leiding daarvan op ons, door
het doen van \'t gebed en het lezen van een hoofdstuk uit
den Bijbel. Daarna zongen wij gezamenlijk een lied, en
dit duurde die goede menschen nooit lang genoeg. Wij
waren dikwijls verbaasd, dat hunne stem zoo helder kon
klinken, nadat zij den geheelen dag uit al hunne macht
tegen de ossen hadden geschreeuwd, om ze bij het trek-
ken aan te sporen. Tegen tien uur kwamen onze dieren
langzamerhand van zelf hunne plaats bij het wachtvuur
innemen, waar ze vreedzaam hun voedsel herkauwden.
De drijvers staken dan hunne pijp op, en dit uurtje ver-
goedde hun alle vermoeienissen en tegenspoeden van den
dag. Meester Philip maakte van die rustige oogenblikken
gebruik, om zijne onderhoorigen te berispen of te prijzen
over de wijze, waarop zij hunne dagtaak vervuld hadden.
De goede man, die in den grond innig vroom was, wist
dit op zulk eene aardige en gepaste wijze te doen, dat
-ocr page 107-
103
niemand boos werd over de vermaning, of trotsch op den
hem gegeven lof. Daarna kwamen de voorvallen van den
dag ter sprake, of menig reisavontuur uit vroegeren tijd,
waarbij de Blanken niet altoos werden gespaard; dat alles
werd zoo levendig verhaald en door zulke koddige gebaren
opgehelderd, dat wij van harte in de algemeene vroolijk-
heid deelden. Wanneer onze Hottentotten den slaap voelden
opkomen, wikkelden zij zich de een na den ander in hunne
schaapsvellen, strekten zich op hunne matten uit met de
voeten naar het vuur gekeerd, en gingen rustig onder zeil,
zonder goeden nacht te wenschen. Langzamerhand trokken
wij ons dan naar onze wagens terug, en gingen daar op
Europeesche wijze „naar bed".
Een uur of twee vóór zonsondergang werden wij ge-
woonlijk gewekt door de stemmen onzer goede Hottentotten,
die, de éen hier, de ander daar, hunne dankzegging en
hunne smeekingen tot God opzonden, waarna ze weder
gingen liggen. Deze gewoonte is bij den Christen-inlander
algemeen in gebruik. De ontwakende natuur, die in Afrika
dan ook buitengemeen tot aanbidding stemt, is hem de
tempel Gods; en hij volbrengt zijne godsdienstige plichten
ook liefst zoo spoedig mogelijk, uit vrees dat de beslom-
meringen en gesprekken van den eenmaal aangevangen
dag hem daarin verhinderen zouden.
Niets is schooner dan de zonsopgang in die grootsche
eenzaamheid van Afrika\'s binnenlanden! Deze, door den
mensen onbewoonde streken zijn het verblijf van honderden
wezens, die, hoewel lager in rang dan de koning der
schepping, toch ook door dezelfde hand zijn voortgebracht;
en er is eene onbeschrijflijke poëzie in de aanbidding, die
elk dier wezens op zijne wijze aan den Schepper toebrengt,
-ocr page 108-
104
wanneer de dageraad weder aan den hemel verschijnt. Hier
zijn het twee kraanvogels, die met vroolijke kreten ont-
waken, na den ganschen nacht rustig te hebben doorge-
bracht onder de beschutting van het dichte gras. Zij slaan
hunne vleugels uit, gaan tegenover elkander staan, en be-
ginnen uit louter vreugde eene soort van menuet te dansen,
totdat ze eindelijk in hunne dartelheid over elkander heen-
springen en in verschillende richtingen hard wegloopen,
om weldra weder met vernieuwde liefkozingen tot elkaar
terug te keeren en in goede verstandhouding hun voedsel
te gaan zoeken.
Ginds zijn het twee tortelduiven, die bij het zien van
\'t licht hunne zachte tonen doen hooren. Iets verder is
het moeder patrijs, die in grooten kommer verkeert over
haar jeugdig gebroed, dat zich wat stoutmoedig heeft ver-
wijderd; maar hare noodkreten zijn verstaan geworden,
en het kleine troepje keert in allerijl onder hare hoede
terug. Elk boschje, elke struik is de schouwplaats van
dergelijke en andere, nog belangrijker tafereelen, die wel
niet allen gezien worden, maar die men licht kan raden
door de verschillende geluiden, welke de zoele morgenwind
tot u brengt. Intusschen stijgt de zon al hooger en hooger,
hare stroomen van licht over het aardrijk uitgietende;
langzamerhand verstommen die eerste morgengeluiden, en
de dieren begeven zich meer bedekt en in stilte aan hunne
verschillende bezigheden.
De boerenplaatsen, waarlangs we in het verloop onzer reis
kwamen, werden hoe langer hoe zeldzamer, en naarmate
wij verder in het binnenland doordrongen, kregen zij een
ander karakter. Daar het water in die streken schaarsch is,
kan de boer er nauwlijks genoeg koren en groenten voor
-ocr page 109-
105
zijn eigen onderhoud verbouwen. Zijn voornaamste rijkdom
bestaat dan ook in vee, en zijn hoofdvoedsel is vleesch.
Wat de inrichting zijner woning betreft, hiervoor heeft hij
weinig of niets over. Het uitwendige is even verwaarloosd,
als het inwendige ongezellig. Een laag huis met rieten
dak, een schuur voor de karren en het gereedschap; een
paar hutten, waarvan de eene tot keuken dient en de
andere in gebruik is afgestaan aan de Negers, die het vee
hoeden; en eene vierkant afgebakende ruimte, waar het
vee des nachts verblijf houdt — ziedaar het uiterlijk gelaat
van zulk eene hoeve. Men ziet geen boom voor het huis,
en niets is ter versiering aangebracht. De beenderen en
huiden der voor het dagelijksch gebruik geslachte dieren,
liggen over het erf verspreid, en als de wind opsteekt,
wordt de gansche plaats in eene dichte stofwolk gehuld.
Het inwendige der huizen is eveneens tot de grootste
eenvoudigheid beperkt. De naakte grond dient tot vloer;
de zoldering bestaat uit het riet en de bindten van het dak;
de muren zijn met eene soort van gele aarde bepleisterd,
en meestal overdekt met eene dichte laag vliegen. In een
hoek van het woonvertrek hangt de proviand voor het
gansche gezin in den vorm van een schaap, dat ongeveer
driemaal in de week vernieuwd wordt, en waarvan de
huismoeder zooveel snijdt, als zij voor dagelijksch gebruik
noodig acht.
Bij deze eenvoudige levenswijze wordt de geldkist in vrij
korten tijd al zwaarder en zwaarder, en dat zonder veel
moeite. Twee of drie Hottentotten zijn voldoende om de
kudde te hoeden, en men heeft slechts toe te zien, dat zij
die des avonds voltallig thuis brengen. Het scheren der
schapen is geen zwaar werk; de voorbijtrekkende koop-
-ocr page 110-
106
lieden voeren de wol mede, en geven daarvoor kleederen,
mondbehoeften en klinkende munt in ruil.
Gedurende den korten tijd, dien wij bij deze boeren van
het binnenland doorbrachten, deden wij ons best om hen
op geestelijk en godsdienstig gebied wèl te doen, doch
dit ging niet gemakkelijk. Als wij de gebruikelijke vragen:
„Wie zijt gij? Van waar komt gij? Waar gaat gij heen?
Zijt gij getrouwd? Wat is uw beroep?" beantwoord had-
den, volgde er eene pijnlijke stilte, en wij hadden al onze
volharding noodig om een „ja" of „neen" te krijgen op
hetgeen wij ons verder verstoutten tot hen te zeggen.
\'t Is waar, reeds door het feit, dat wij zendelingen
waren, stonden wij bij hen niet hoog aangeschreven, en
hoemeer wij de door vrije inboorlingen bewoonde streken
naderden, destemeer ondervonden wij dit. „Wat gaat ge
toch bij die menschen doen?" vroeg men ons dikwijls; want
op dat punt werden de tongen los. „Ze zijn reeds slim
genoeg, zonder dat ge hen nog behoeft te onderwijzen. Gij
stelt hen daardoor slechts in staat om ons nog meer kwaad
te doen!"
Het spreekt van zelf, dat deze boeren zelden het voor-
recht hebben, een dominé te hooren. Hunne kinderen leeren
amper lezen, en geen wonder dus, dat zij over het algemeen
zulke bekrompen inzichten hebben. Niettegenstaande dat
alles zijn zij evenwel getrouw gebleven aan hun voorvaderlijk
geloof, en houden vooral de psalmen in hooge waarde. Ook
de gastvrijheid wordt door hen in acht genomen.
Na een dag of twaalf reizens kwamen wij aan de
bloeiende stad Graaf-Reinet, die evenals Uitenhage haar
naam te danken heeft aan een van de Hollandsche bewind-
voerders der kolonie. Door middel van de wateren der
-ocr page 111-
107
naburige Zondags-Rivier is deze streek zeer vruchtbaar ge-
maakt. De straten van Graaf-Reinet zijn aan weerszijden
beplant met oranje-, citroen- of laurierboomen; en achter
elk huis bevindt zich een groote tuin, zonder dat daar-
door de uitbreiding der stad wordt verhinderd. Het Hol-
landsche gereformeerde kerkgebouw heeft de eereplaats in
het midden der stad, en langzamerhand zijn in verschillende
wijken kleinere kerkjes verrezen voor het Engelsche en
Duitsche deel der bevolking. In de ruime en schoon ge-
legen pastorie, die aan de kerk grenst, vonden wij een
gastvrij onthaal. Onze wagens werden onder dak gebracht,
de tuigen zorgvuldig opgeborgen, en onze lieden met de
ossen naar eene naastbijgelegen boerenplaats gezonden, die
het eigendom was van een der invloedrijkste leden van den
Kerkeraad.
De huishouding van den heer Murray was op echt aarts-
vaderlijke wijze ingericht. De omvang der tafel getuigde
reeds, dat men gewoon was, behalve de talrijke familie,
op meer dan éen gast te rekenen. De zwarte bedienden
zagen er allen even vergenoegd uit, en de kinderen des
huizes waren frisch en opgeruimd.
Na den maaltijd bracht men ons in den tuin, waar wij
onze oogen niet genoeg konden vergasten aan de uitgezochte
vruchten, die daar prijkten, en waarvan wij aan tafel reeds
eenige staaltjes hadden geproefd. Onze vriendelijke gast-
heer noodigde ons uit, toch vooral op elk uur van den
dag, en wanneer we maar wilden, in den tuin te wandelen
en die vruchten te plukken, die ons aanstonden. Een
verrukkelijk aanbod voorwaar voor menschen, die zoolang
door de woestijn hadden gereisd, en wier keel als uitge-
droogd was door het stof!
-ocr page 112-
108
Het godsdienstig leven werd in dit gezin evenzeer aan-
gekweekt als het familieleven. Eiken morgen en eiken avond
werd het gansche gezin, kinderen, dienstboden en gasten,
in het huisvertrek vereenigd, waar ieder een Bijbel en een
gezangboek kreeg. De moeder ging voor bij het zingen; en de
predikant zond clan, na eene korte toespraak, een hartelijk
gebed ten hemel, waarbij niemands belangen werden vergeten.
De heer Murray was van geboorte een Schot; doch
toen de Kaap aan de Engelschen overging, verbonden zich
eenige predikanten der Schotsche kerk, om de Hollandsche
kerk, die destijds aan leeraars gebrek had, en die slechts
zeer weinig in geloofsovertuiging van de hunne verschilde,
te steunen. Zij gingen tot dat doel eerst eenigen tijd naar
Utrecht, om Hollandsen te leeren, en boden toen hunne dien-
sten aan de Synode van de Kaap aan; zoo was de heer
Murray predikant geworden der Nederlandsche Hervormde
Kerk te Graaf-Reinet. Hij kende zeer goed Dr. Philip, en
achtte hem hoog, hoewel hij niet tot hetzelfde kerkgenoot-
schap als hij, behoorde.
Bij zijne aankomst was Graaf-Reinet slechts een weinig
aanzienlijk plaatsje, doch hij werkte krachtig mede, om
het in alle opzichten te ontwikkelen. Hij stond aan het
hoofd van verschillende godsdienstige en letterkundige ge-
nootschappen; en behalve de zorg, die hij aan de leden
zijner gemeente wijdde, bezat hij een warm hart voor de
zendelingen en hun werk. De ontvangst, die wij en velen
onzer bij hem mochten ondervinden, kon daarvan trouwens
getuigen; en hij droeg algemeen den naam van den Gajus
der Zendelingen!).
1) Zie Bom. XVI: 23. 3 Joh.: 6, 6.
-ocr page 113-
109
Door zijne tusschenkomst maakten wij kennis met den
heer Van Rijneveld, gouverneur van die streek — iets wat
ons later zeer te pas kon komen, want zijn rechtsgebied
strekte zich tot aan de uiterste grenzen der kolonie uit.
Hij was een vriendelijk man, en sprak vloeiend Fransch,
daar hij eenige maanden in Parijs had doorgebracht.
De weg, dien we na ons vertrek van Graaf-fteinet had-
den af te leggen om de Oranje-rivier te bereiken, zag er
heel anders uit, dan de reeds afgelegde weg. Wij moesten
thans de zoogenaamde Sneeuwbergen over — een naam
aan deze bergen gegeven, omdat zich in den winter op hun
top, de anders in de kolonie ongewone sneeuw vertoont.
Het was geen gemakkelijke reis, en meer dan eens
vreesden wij, onze wagens in akelige afgronden te zullen
zien nederstorten. Nadat wij de eerste hoogvlakte bereikt
hadden, zou het stijgen echter minder moeielijk worden.
We hadden ongeveer twee derden van den weg afgelegd,
toen mij op zekeren dag een avontuur overkwam, dat ik
niet licht zal vergeten.
Ik heb het ongeluk zeer bijziende te zijn, en had daarom
als voorzorgsmaatregel een goeden voorraad brillen mee-
genomen, die de heer Lerebours op den hoek van de
Place Dauphiné te Parijs, in eigen persoon met de meeste
zorg had ingepakt. Ongeveer vijf maanden later was ik
onhandig genoeg om den bril, dien ik dagelijks droeg en
waardoor ik reeds zooveel te water en te land had gezien,
te breken. Het speet mij wel, maar ik troostte mij spoedig
denkende aan het pakje met den reservevoorraad, dat ik
opzettelijk steeds voor de hand had gehouden. Ik nam
het uit mijne tasch, maakte de touwtjes los, en lichtte de
watten op, maar — o schrik! de geheele voorraad was
-ocr page 114-
110
totaal onbruikbaar. Niettegenstaande de beste brillen-
maker van Frankrijk ze had ingepakt, waren al de glazen
gebroken! Wat nu gedaan? In de winkels van Graaf-
Reinet had ik zoowat van alles gezien, en ik besloot dus
daarheen terug te keeren. Mijne reisgenooten moesten dan
maar wat langzamer voortgaan, en ik zou ze wel weer in-
halen. Maar welk vervoermiddel te gebruiken?
In deze uiterste verlegenheid kwam op ongedachte
wijze uitkomst. Juist zagen wij op eenigen afstand eene
reiskoets met twee paarden bespannen aankomen; in de
woestijn is het, evenals op zee, de gewoonte, elkander in
\'t voorbijgaan te salueeren — en wie zou het gelooven! —
de reiziger droeg, hoewel Duitscher van geboorte, een
Franschen naam, ging juist naar Graaf-Reinet en noodigde
mij, bij het hooren van mijn ongeval uit, om dadelijk op
te stijgen en met hem meê te rijden. Op zeer aangename
wijze deed ik nu de reis; mijn metgezel was even geleerd
als vroolijk. In 1815 was hij als chirurgijn met het leger
der Geallieerden in Parijs geweest. Daarna had de koning
van Pruisen hem naar Zuid-Afrika gezonden om te botani-
zeeren; hij had reeds verscheiden herbaniums naar Duitsch-
land opgezonden, en bood intusschen zijne geneeskundige
diensten aan de inwoners des lands aan. Wij hadden het
zoo druk met elkander, dat wij de stad bereikten, vóór
dat ik het recht wist, — maar helaas! weldra zou ik ver-
nemen, dat mijn verlies onherstelbaar was. Nergens mocht
het mij gelukken een bril voor bijziendheid te vinden. Ze
konden wel ontboden worden, maar het zou eene maand
of vier duren, eer ze aankwamen, en ik kon met geen
mogelijkheid mijn adres opgeven.
Teleurgesteld moest ik dus de terugreis ondernemen, mij
-ocr page 115-
111
vergenoegende met een blauwen bril, die mij door den
ronden vorm zijner glazen, althans iets voor mij uit deed
zien. Doch thans had ik geen vriendelijken heer Lemaire,
om mij mee te nemen en den weg te veraangenamen. Met
veel moeite werd ik een arm, half blind paard machtig,
dat men mij uit medelijden verkocht, en niettegenstaande
ons beider gebrekkige oogen, ondernamen wij gemoedigd
de terugreis. Deze ging met veel hindernissen gepaard.
Des avonds werden wij gelukkig door een kolonist geher-
bergd, mijn paard en ik; doch den volgenden morgen
waren wij zoo ongelukkig van te verdwalen — wat overigens
niet moeielijk is in een land als dit, en met slechts flauwe
herinneringen van den weg, dien men heeft in te slaan.
Hoe ik er nog levend ben afgekomen, kan ik niet anders
verklaren, dan door de zorgende liefde Gods, die over mij
waakte.
Nooit zal ik dien tocht vergeten! En dan die eenzaam*
heid van de woestijn, die doodsche stilte, die u ter neder-
drukt en bezwaart! Eens ontmoette ik een hond, en ik
kan werkelijk zeggen, dat dit mij eene ware ontspanning
gaf; doch het dier ging in tegenovergestelde richting als
ik, mij weldra aan mijzelven en mijne niet zeer vroolijke
gedachten overlatende.
Van tijd tot tijd zong ik een psalmvers: dat deed mij
dan weder voor eene poos goed, en zoo sukkelden wij
voort, altoos in de richting, die ik mij meende te herin-
neren. Maar op eens bonst mij het hart van schrik in den
boezem, en het koude zweet breekt mij uit. Daar vóór mij
in het struikgewas zie ik, — ja, een levend wezen, maar van
welken aard! Een groote kop met manen, weldra gevolgd
door een slank lichaam met langen staart.... het schemerde
-ocr page 116-
112
mij voor de oogen, en ik dacht niet anders dan het vol-
gende oogenblik de prooi te zullen worden van den koning
der dieren.
In mijne benauwdheid wist ik niet, of ik mijn paard zou
inhouden, dan wel het de sporen geven. Het goede dier
deelde merkbaar volstrekt niet in mijn angst, en sukkelde
op zijn gewone draf je voort, hetgeen ik toeschreef aan
zijne gedeeltelijke blindheid en aan den wind, die van ons
af was. Het is n.1. eèn bekend feit, dat de dieren meestal
door den reuk verwittigd worden van de schrikbarende
nabijheid huns konings.
Mijn einde zoo dichtbij wanende, beval ik mijne ziel
aan den Heere, en trachtte overigens het monster zoo strak
mogelijk aan te staren, wetende dat dit het dier wel eens
ontzag inboezemt. Door mijne hevige ontroering en mijn
gebrekkig gezicht, onderscheidde ik mijn vijand slechts
flauw, maar bespeurde toch, dat hij niet op zijn gemak
was; hij deed eenige stappen achteruit, stampvoette van
woede, — doch de gevreesde sprong bleef uit. Door de
onverstoorbare kalmte van mijn paardje, waren wij weldra
een goed eind weegs verder, en het gevaar was geweken.
In den loop van den dag zag ik nog wel een zestal van
die vreeslijke dieren, doch met even goeden afloop; en tegen
den avond mocht ik het genoegen smaken, mijne kameraden
in goeden welstand weer te vinden. Rondom het gezellige
wachtvuur gezeten, vertelde ik hun mijne avonturen, en
verkwikte mij intusschen aan den krachtigen maaltijd, die
mij werd voorgezet.
Wel waren mijne metgezellen ietwat verwonderd, dat ik
zeven leeuwen had ontmoet, en zij niet een enkelen; doch
zij verheugden zich met mij in mijne behouden terugkomst.
-ocr page 117-
113
Den volgenden morgen reden wij vreedzaam verder, toen
ik op eens uitriep: „Daar zijn de leeuwen! daar, daar,
ziet ge niet?" — In plaats echter van een hevigen schrik
door mijne woorden teweeg te brengen, ontstond er een
algemeen gelach! — Wat bleken nu mijne leeuwen te
zijn? — Niets anders dan „gnous", de meest onschuldige
soort van antilopen! Later vernam ik, dat ik niet de
eenige was, die door hun woest voorkomen werd misleid.
Hunne horens zijn door de dichte manen bijna niet zicht-
baar, zoodat het dier, wanneer men het van voren ziet,
wel eenige overeenkomst heeft met een leeuw, vooral
wanneer het zijn hoofd bukt; doch men moet bijziende
wezen, of een slechten bril hebben, om de begoocheüng
zoo volkomen te doen zijn, als bij mij het geval was.
Drie dagen later bereikten wij Colesberg, de noordelijkst
gelegen stad der kolonie, aan den oever der Oranjerivier.
Evenals alle andere steden, die we tot hiertoe bezochten,
was ook deze plaats nog slechts in wording. Een predikant
kwam drie- of viermaal per jaar het Evangelie verkondigen
in \'t kleine kerkje, dat op zijn raad voor de verspreide
boeren der omstreken was gebouwd. De toenmalige gouver-
neur, de heer Lowric Cole, had aan het stadje goedgunstig
zijn naam gegeven. Om het kerkgebouwtje hadden zich de
voornaamste ingezetenen gevestigd, zijnde een Duitsche
winkelier, de heer Maltitz, een dokter, mijn welwillende
heer Lemaire, een timmerman van de Kaap, de heer
Waldeck, en een Zwitsersche horlogemaker. De boeren be-
zochten die heeren zoo dikwijls zij hunne diensten behoef-
den, en lieten meestal eene aardige som gelds in hunne
handen achter. Colesberg en haar omtrek telt thans vijf a
zes duizend inwoners en ongeveer zooveel winkels als huizen.
8
-ocr page 118-
114
Eens had een zendeling getracht aldaar eenige Boschjes-
mannen te vereenigen, om ze door zijne liefderijke behan-
deling zoo mogelijk aan het zwervende leven te ontwennen.
Dit hinderde evenwel de Boeren, en de zendeling werd door
hen genoodzaakt, zijn werk te staken. Wanneer toch zal
de Christelijke liefde een steun ontvangen, die haar in staat
stelt, aan de hebzucht het hoofd te bieden?
Gedurende drie dagen bleven wij te Colesberg, en ver-
kwikten ons door nog eens Fransch te hooren spreken.
Dank zij een gelukkig toeval, waren de voormelde hoofd-
ingezetenen der stad, deze taal volkomen meester, en van
die omstandigheid maakten zij behendig gebruik, om ons
verscheidene aankoopen te laten doen. De reis van eenige
weken had ons trouwens doen inzien, dat het niet raad-
zaam was, een al te karigen voorraad mondbehoeften in
te slaan, en tot wederzijdsche tevredenheid kochten wij
van de heeren winkeliers menig stuk vee, dat hun door
de boeren dikwijls in plaats van geld ter betaling werd
gegeven.
-ocr page 119-
VIII.
Van de Oranjerivier naar het land der Bassouto\'s.
Welk eene verkwikking was het, na zoovele weken in
een dor en verdroogd land te hebben doorgebracht, toen
we eindelijk weder stroomend water vóór ons hadden!
Met een onbeschrijflijk genot baadden wij er ons in, en
strekten wij ons uit onder de wilgen aan den oever. De
Oranjerivier heeft, op de plaats waar wij haar zouden
doorwaden, eene breedte van drie honderd en tien meter,
tegen eene diepte van twee meter ongeveer. Langs het
grootste gedeelte van haren loop is zij smaller en bijgevolg
dieper.
Het doorwaden geschiedt op rots- of zandbanken, die
soms door diepe kloven gescheiden zijn, hetgeen elke af-
wijking hoogst gevaarlijk maakt. Toen wij dezen stroom
overstaken, was zijn oorsprong nog niet bekend. Aan
mijn collega Arbousset zou de eer te beurt vallen, die ont-
dekking te doen in de bergen van Lessouto, het land,
waar we ons thans, zonder het te weten, heen begaven.
Ja, wij hadden zelfs den naam ervan nooit hooren noemen.
Niet zonder moeite bereikten wij den rechteroever der
rivier. De wielen onzer reiswagens raakten vast in de
8\'
-ocr page 120-
116
kloven der rotsen, waarover het water heenspoelde, en we
konden ze niet anders loskrijgen dan door het aantal trek-
dieren te verdubbelen; op deze wijze spanden we tot vier
en twintig ossen voor een wagen. We sliepen dien nacht
onder den blooten hemel, eenige meters van den stroom
verwijderd. De sterren schitterden in buitengewonen glans,
doch de eenzaamheid was volkomen. Niet zonder aandoe-
ning bevonden wij ons voor het eerst van ons leven op een
gebied, waarover geen der beschaafde mogendheden hare
bescherming uitoefent; doch wij gaven ons geheel over aan
de bescherming des Allerhoogsten, en het vooruitzicht van
in volmaakte vrijheid eene gelegenheid te zoeken om Hem
te dienen, had voor ons eene bijzondere aantrekkelijkheid.
Wij meenden voor goed afscheid genomen te hebben van
alle kolonisten — maar neen, ook hier moesten wij weder
hunne noodlottige sporen ontdekken.
Op eene kleine dagreis van de Oranjerivier bevindt zich
een zendingsstation, genaamd Philipolis, naar onzen waar-
digen Kaapschen vriend Dr. Philip. Deze plaats is bewoond
door lieden, die eensdeels ons ras en anderdeels dat der
Hottentotten vertegenwoordigen. Zij zijn helaas ontsproten
uit onwettige verbintenissen der kolonisten met hunne
inlandsche slavinnen, en werden, naarmate zij vermenig-
vuldigden, door degenen aan wie zij het leven verschuldigd
waren, naar het binnenland teruggedrongen. Deze Mulatten
vormen soms vrij groote nederzettingen, zelfstandig genoeg
om zich een hoofd te kiezen. Het Londensche en Metho-
distische zendinggenootschap zond hun eenige zendelingen.
Te Philipolis bestaat onder de leiding van den heer Kolbe
een reeds alleszins belangrijke arbeid. De scholen wor-
den uitstekend gehouden, en het kerkgebouw vult zich
-ocr page 121-
117
eiken Zondag met aandachtige toehoorders. De taal, die
algemeen wordt gesproken, is Hollandsch. Vele der inwo-
ners hebben zich nette huisjes gebouwd, en in den omtrek
bezitten zij kleine landhoeven, waar ze de voor hun onder-
houd benoodigde maïs en tarwe verbouwen. Bovendien
fokken zij groot en klein vee, zoowel als uitmuntende
paarden. Jammer, dat deze menschen het Europeesche
bloed, dat door hunne aderen vloeit, zoo hoog stellen, dat
ze hardvochtig en trotsch worden tegenover de arme Negers,
wier ras onvermengd is gebleven. Ze haten evenwel alle
Blanken met een volkomen haat, en geen wonder!
Onbewust waren wij thans op de plek, vanwaar uit de
Heere ons het arbeidsveld wilde toonen, dat Hij voor ons
bereid had. Een der Mulatten van Philipolis, Adam
Krotz, een groot liefhebber van de jacht en daarbij een
verstandig man, had kort geleden het plan opgevat, om
het land ten Noorden dier stad tot aan Natal eens te gaan
opnemen. Tot nog toe was die streek geheel onbekend;
en op de kaart, die we uit Parijs hadden meegebracht,
was hare plaats wit gelaten, met de woorden: „Onbewoonde
zandvlakte".
Te Philipolis wist men alleen, dat een bende plunderaars
van den stam der Korana\'s en der Griqua\'s strooptochten
in die landen ondernamen, waarna zij het geroofde vee in
de bergen verstaken; men had hen daarom den naam van
Bergenaars gegeven. Soms werden zij gevolgd door eenige
inboorlingen, die er haveloos en armoedig uitzagen. Adam
Krotz had aan enkelen dezer ongelukkigen eene plaats op
zijne hoeve aangeboden, en hun wat Hollandsch geleerd
om zich met hen over hun land en de strooptochten, waar-
door dit vernield werd, te kunnen onderhouden. Ziende
-ocr page 122-
118
dat hij een hartstochtelijk jager was, hadden zij hun wel-
doener de verleidelijkste beschrijvingen gegeven van het wild,
dat zich bij hen in groote hoeveelheden ophield. Hunne
verhalen hadden een onderzoekenden geest in Adam Krotz
opgewekt, en hierdoor was hij, zooals men zien zal, onze
voorlooper geworden.
Toen hij van onze aankomst te Philipolis hoorde, bracht
hij ons een bezoek, en vertelde ons het volgende: „Terwijl
ik een dagreis of acht van hier verwijderd jaagde, zond
een der opperhoofden van het land mij een bode om mij
te verzoeken, eens bij hem te komen, en ik voldeed terstond
aan dat verzoek, een der door mij in dienst genomen in-
boorlingen als tolk medevoerende. De man heette Mosheseh,
zoon van Mokhatschané, doch werd algemeen „De Vorst van
het Gebergte" genaamd, omdat hij op een berg zijn verblijf
hield. Hij vertelde mij, dat zijn land sedert jaren onophou-
delijk ten prooi was aan vijandelijke aanvallen der naburige
stammen, zoodat het drie vierde gedeelte zijner onderdanen
reeds was gedood of verstrooid. Hij wilde weten, of ik hem
geen middel aan de hand kon doen om den vrede te her-
stellen. Terstond dacht ik aan de zendelingen, sprak hem
over den onze en over Moffat, en trachtte hem duidelijk te
maken, welke diensten zulke mannen hem konden bewijzen.
„De gedachte, voortdurend wijze, vreedzame lieden om
zich heen te hebben, die hun best zouden doen, hem in
zijn nood te helpen, lachte hem zeer toe. Hij had ze wel
dadelijk willen zien komen, en smeekte mij, zoo spoedig
mogelijk dergelijke menschen tot hem te zenden. Ik be-
loofde hem te doen, wat in mijne macht was, en thuis-
komende hoorde ik, dat hij 200 ossen had gezonden, als
tegemoetkoming in de kosten, waarop mijne bemoeiingen
-ocr page 123-
11»
mij wellicht te staan konden komen. Van de ossen kreeg
ik echter nooit iets te zien, daar deze als naar gewoonte
door de Korana\'s waren ingepalmd."
Adam Krotz besloot zijn verhaal, met zich aan te bie-
den als onzen gids, wanneer wij er toe wilden besluiten,
ons aan dit ongelukkige volk te wijden.
Dr. Philip had gedurende zijne laatste inspectiereis
reeds iets gehoord van het gebeurde tusschen Adam Krotz
en den „Vorst van het Gebergte"; hij sprak er ons over,
doch de geheele zaak had zulk een opgesmukt, onnatuur-
lijk voorkomen, dat wij haar slechts hadden aangeteekend
als een te onderzoeken punt, wanneer wij eenmaal aan de
overzijde van de Oranjerivier een geregeld arbeidsveld
zouden gevonden hebben. Thans echter had de Voorzie-
nigheid zelve gesproken: Adam Krotz bood zich aan als
onzen gids, en wij konden niet meer aan de waarheid van
het verhaal twijfelen.
Bij het voorrecht, van het Evangelie te brengen aan
een volk, dat gereed was ons te ontvangen, bood dit veld
ook nog een ander voordeel aan. Wij zouden namelijk in
staat zijn geographische ontdekkingen te doen, en daar-
mede aan de beschaafde wereld een belangrijken dienst be-
wijzen.
Wij vingen thans aan met den arbeid te verdeden j er
werd besloten, dat de heer Lemue zich zou begeven naar
zijn collega Bolland te Motito, in de onmiddellijke nabij-
beid van Koeroeman. De bevolking groeide daar telkens
aan door de vluchtende Barharoutsis, die, evenals hun
broeders, veel van den wreeden Mossélékatsé te lijden
hadden. Dit veld was groot genoeg voor twee zendelingen ;
en als de vrede werd hersteld, kon Motito uitstekend
-ocr page 124-
120
dienst doen als uitgangspunt voor onze verdere onder-
nemingen. De heer Pellissier, dien we te Graaf-Reinet
hadden ontmoet, wilde de zorg op zich nemen over eenige
duizenden vluchtelingen van den stam der Beetsjoeanen,
die aan de oevers der Oranjerivier hun verblijf hielden.
Het Londensche Zendinggenootschap bood ons aan, om
een hunner posten, waar men vruchteloos getracht had
eene bende Boschjesmannen tot het Christendom te bren-
gen, over te nemen; en dit beviel ons zeer goed. Deze
post was slechts zestien a achttien uren gaans van Phili-
polis verwijderd; en we konden dus van daar uit, zonder
al te groot bezwaar gemeenschap houden met de bewoonde
wereld. Toen al deze maatregelen getroffen waren, zetten
de heer en mevrouw Lemue hunne reis naar Motito voort,
en wij drongen er bij Adam Krotz op aan, dat hij ons zoo
spoedig mogelijk bij den „Vorst van het Gebergte" zou
brengen.
Om de reis niet onnoodig te bemoeilijken, besloten wij
een onzer reiswagens met de zwaarste voorwerpen te
Philipolis achter te laten. In onzen ijver om Moshesch te
hulp te komen, hadden wij echter een weinig buiten den
waard gerekend. Onze overigens zeer menschlievende vriend
Adam Krotz had ook zijne eigene plannetjes, die hij ten
uitvoer wilde brengen; en weldra bemerkten wij, dat het
ons niet veel zou baten daartegenop te komen, en dat wij
ons slechts in stilte hadden te onderwerpen. Met veel zorg
rustte hij zijne expeditie uit. Twee zijner vrienden, Booi
Armans en Hans Lubbe, benevens een heirleger kleine,
halfnaakte ossendrijvertjes, een tolk en eenige inboorlingen
zouden daarvan deel uitmaken. De vrienden gingen meê-,
om hun voordeel in de jacht te zoeken en getuigen te zijn
-ocr page 125-
121
van onze ontvangst bij Moshesch, van wien misschien ook
nog wel iets te halen zou zijn; de inboorlingen moesten
dienst doen als wilddragers. Meer dan eens werden wij
ongeduldig over het onnoodige uitstel, maar aan de gunst
van onzen leidsman was ons te veel gelegen; en hoewel
we bemerkten, dat er geen sprake zou zijn van den kort-
sten weg in te slaan, besloten wij wijselijk ons in het
onvermijdelijke te schikken.
Uit onze aanteekeningen, volgens het kompas gemaakt,
zagen wij later, dat tien dagreizen in de richting van het
Noordoosten er ons gebracht zouden hebben. In plaats
daarvan duurde de tocht drie weken, dank zij de om-
wegen, die we moesten maken om in de wildrijkste streken
te komen! De reis was overigens niet onaangenaam, en wij
hadden ruimschoots gelegenheid het dierenrijk te bestudeeren.
Ik leerde dan ook spoedig een gnou van een leeuw on-
derscheiden; en de gewoonte van de oogen gedurig op den
onmetelijken horizon te richten, zoowel als de bijzondere hel-
derheid van den dampkring, droeg er veel toe bij, om mijne
bijziendheid aanmerkelijk te verbeteren. Onze onvermoeide
jagers brachten eiken avond hun buit van den dag rondom
het wachtvuur. Wij konden daardoor de verschillende dier-
soorten van naderbij leeren kennen, en vernamen menige
belangrijke bijzonderheid omtrent hunne leefwijze.
Het meest gezochte wild onzer Nimrods was de eland,
zoowel om zijne grootte beroemd als om zijn vleesch, dat nog
smakelijker is dan dat der antilopen. Bij groote stukken
wordt het in de zon gedroogd, en zoo bij honderden kilo\'s
meegevoerd.
Een zeer belangrijk dier, wat zijne leefwijze betreft, is
de wilde ezel, die, zooals men weet, van den zebra ver-
-ocr page 126-
123
schilt door het gemis van de sierlijke zwarte strepen, die
dezen kenmerkt. Die dieren zijn \'s nachts voortdurend ten
prooi aan de vraatzucht der leeuwen, en nu moet men ze des
morgens zien, wanneer de zon opgaat! In vliegende vaart
rent eene geheele kudde tegen de steilte van een heuvel
op; de sterksten vormen de vóor- en achterhoede, om de
anderen aan te vuren in het loopen. Boven gekomen ziet
men ze plotseling rechtsomkeert maken, met een juist-
heid, die u zou doen denken, aan een escadron cavalerie-
paarden, die, van hunne ruiters ontdaan, nu zelven de
manoeuvres eens gingen maken. Wat denkt ge wel, dat
ze daarboven doen? Met wijd opgesperde neusgaten, be-
groeten deze arme, in den nacht vervolgde schepsels, de
zon, en ademen met volle teugen den frisschen morgenwind
in. Van die hoogte hebben zij het uitzicht op de omlig-
gende streken, en vergewissen zich, dat het gevaar geweken
is. Men begrijpt zoo, hoe zij zich verheugen, nog in leven
te zijn; hoe zij met fierheid den grond doen dreunen onder
hunne hoeven, en zich koesteren in de zon!
Straks gaan ze weer naar beneden, maar niet zonder
eerst den wind te hebben geraadpleegd, die hun den geur
moet aanbrengen van een grazig plekje in de woestijn. De
nestor der bende doet een snuivend geluid hooren, loopt
voor zijne kameraden heen en weder, om ze in het gelid
te brengen, en — voort gaat het nu, zonder missen, recht
op het doel af! Als ze verzadigd zijn, ziet men ze in de
meest verschillende houdingen nederliggen, de veulens tegen
hunne moeders aangeleund. Later zullen ze gaan drinken,
maar ook daarbij wacht hen weder gevaar. Een enkele leeuw,
die \'s nachts slecht jacht maakte, verschuilt zich wel eens
in het riet bij de poelen. De woudezels kiezen daarom
-ocr page 127-
123
steeds denzelfden poel, hoever ze er ook verwijderd van
zijn, omdat het gevaar dan gemakkelijker wordt ontdekt
en vermeden. Met behoedzaamheid ziet men ze thans het
water naderen, en niet voordat ze volkomen gerust zijn,
wordt aan den dorst voldaan.
Men zeide, dat er in deze streek ook buffels waren,
doch dit was niet zoo. De buffel is een gevaarlijk dier:
wie hem durft staan, wekt zijne woede in zoo hooge mate
op, dat hij brullend in vollen galop zijn tegenstander
tegemoet loopt om hem te verpletteren. Neemt men de
vlucht in een boom, dan blijft het dier uren achtereen
daaronder liggen.
Onze levendigste belangstelling gold natuurlijk de studie
der wilde dieren, en men vindt ze daar in soorten. Leeuwen,
groote en kleine hyena\'s, jakhalzen en panters omringden
ons bij menigten. Men zegt altoos, dat er in Zuid-Afrika
ook tijgers zijn, doch dit is niet juist, en \'t is ook reeds
genoeg zoo! De tijger toch is nog gevaarlijker dan alle
andere wilde dieren, omdat hij in de boomen kan klim-
men en van daar zijn prooi onverhoeds aanvallen.
De gedachten en de verbeelding der inboorlingen zijn ge-
heel met al die vreeslijke viervoeters vervuld; en ze weten
er u, rondom het gezellige vuur gezeten, menig huivering-
wekkend verhaal van te doen.
Aan de hyena wordt over het algemeen een\' naam ge-
geven, die ze niet verdient. Dit dier is inderdaad weinig
te vreezen, daar het zich alleen wreed betoont tegen-
over geheel weerlooze schepsels. Het is ons meermalen
gebeurd, er over dag vier of vijf te ontmoeten, die onder
een boom lagen te slapen, en die voor een enkel ge-
weerschot de vlucht namen; wij zouden ze zelfs hebben
-ocr page 128-
124
kunnen verjagen, door ze eenvoudig te dreigen. Ze zijn
echter des nachts eene ware plaag voor de kolonisten en
reizigers, daar zij, aangetrokken door de lucht van scha-
pen, u geen rust laten met hun onuitstaanbaar gehuil. De
honden beantwoorden dit door een aanhoudend blaffen; en
men kan licht begrijpen, dat deze geluiden niet zeer be-
vorderlijk zijn voor de nachtrust. Alleen in tijden van oor-
log wordt de hyena werkelijk gevaarlijk, daar zij zich niet
ontziet, de arme gewonden af te maken, en ook de, door
vermoeidheid op het veld ingesluimerde krijgers, te verslin-
den. Hoe goed zij zich verstaat op het vak van dood-
graver is algemeen bekend. De inboorlingen weten deze
schennis hunner graven alleen te voorkomen, door er zware
steenen op te stapelen.
Wat den leeuw betreft, dien heb ik nimmer prozaïsch
gevonden; hoewel men gerust iets kan afdoen van zijne
spreekwoordelijke edelmoedigheid. Wil men hem in zijne
volle majesteit zien, dan moet men hem bespieden, wanneer
hij bij het opgaan der zon, na eene gelukkige jacht,
huiswaarts keert. Met de zelfvoldoening van een held be-
stijgt hij langzaam en statig den heuvel, waar zich zijn
hol bevindt. Nu en dan ziet hij om, den blik nog eens
latende weiden over de schouwplaats zijner nachtelijke hel-
denfeiten, en eene lichte beweging van den staart geeft zijne
tevredenheid te kennen. Hij is nu zoodanig verzadigd, dat
het fijnste boutje hem niet meer zou toelachen. Thans
gaat hij rust zoeken; doch in de nabijheid van zijn hol
gekomen, wil hij nog eenmaal zijne waardigheid handhaven.
Met afgemeten stap loopt hij enkele malen heen en weer,
en verheft zijne stem luide, hoewel zonder toorn. Eindelijk
vleit hij zich in de zachte stralen der morgenzon ter ne-
-ocr page 129-
125
der, doch niet voor lang. Het licht wordt hem weldra te
schel, de vliegen te lastig; en een onbestemd instinkt waar-
schuwt hem, dat hij niet meer in staat is, een gevecht,
van welken aard ook, aan te gaan. Met een luid geeuwen
daalt hij in zijne schuilplaats neder. Dit is het door den
psalmdichter zoo meesterlijk beschreven uur, waarop „de
mensch uitgaat tot zijn werk en naar zijn arbeid" (Ps.
104:22, 23).
Thans verlangt de leeuw slechts éen ding: dat men
hem met rust late. Hij verslindt zijn voedsel met onge-
kende snelheid, en eet, wanneer hij zijn zin kan krijgen,
slechts het fijnste gedeelte van zijne prooi: het bloed, de
lever, het hart en de ingewanden, doch zijne spijsverteering
gaat langzaam. Hij geraakt dan in een toestand van ver-
dooving, en opent de oogen slechts met moeite. Deze bij-
zonderheid geeft verklaring aan het feit, dat in een land,
waar de leeuwen zoo talrijk zijn, toch betrekkelijk weinig
menschen door hen gedood worden; slechts een enkele
oude leeuw, wiens tanden stomp en wiens ledematen stijf
geworden zijn, stelt zich overdag in hinderlaag, om de
kudden met hunne herders te overvallen. Meestal evenwel
maakt men op deze vijanden gezamenlijk jacht, totdat ze
uitgeroeid zijn.
Over het algemeen is de leeuw dus overdag niet te
vreezen; slechts dan maakt hij eene uitzondering, wanneer
hij door den dorst gedwongen wordt, zijn hol te verlaten.
In zulke oogenblikken is hij zeer prikkelbaar, en men moet
zich wel wachten, hem ook maar het geringste in den weg
te leggen. Laat men hem stil begaan, dan keert hij on-
gemerkt weer huiswaarts, om zijn slaap voort te zetten.
Met de leeuwinnen is het anders gesteld. Zij jagen, met
-ocr page 130-
136
het oog op hare jongen, niet alleen \'s nachts, maar ook op
alle uren van den dag; en de jonge telgen weten er voor
te zorgen, dat hunne moeder wakker blijft. Wanneer men
slechts veilig buiten bereik staat, is het allerliefst om te
zien, hoe moeder en kroost te zamen spelen, evenals eene
kat met hare jongen.
Doch komen wij nog even op den leeuw terug. Tegen
den avond is hij eerst goed uitgeslapen. Met nieuwen
moed en versche krachten bestijgt hij den heuvel weder,
om vandaaruit verkenning te doen. Al zijne zintuigen
worden door deze gewichtige bezigheid in beslag genomen ;
en op een afstand zou de reiziger zijne vurige oogen voor
twee lichtjes kunnen aanzien, zóo scherp tuurt hij in de
schemering om zijne prooi te ontdekken. Vóór hij zich
naar beneden begeeft, laat hij twee- of driemaal een
forsch gebrul hooren; doch dit is slechts het voorspel van
de ijzingwekkende klanken, die straks volgen zullen. Waar-
schijnlijk wil hij zich hierdoor ook vergewissen, of zich
misschien collega\'s in de buurt bevinden, met wie hij zich
aanstonds zal vereenigen, of die hij zal mijden, al naar-
mate het hem aanstaat.
Is er een poel in de buurt, waar de antilopen of wilde
ezels gewoonlijk gaan drinken, dan is de leeuw het liefst
alleen. Hij gaat er zoo stil mogelijk op een sukkeldrafje
heen, verschuilt zich in het riet, en ziet nauwkeurig toe,
welke prooi hem het beste bevalt.
Is het land, waar hij zich bevindt, vlak, dan volgt
hij eene geheel andere gedragslijn. Het zou te moei-
lijk voor hem wezen, de antilopen of andere dieren in
het open veld machtig te worden, daar deze hem te
vlug zijn; er blijft dus niets anders over, dan ze door
-ocr page 131-
127
schrik te ontzenuwen. Om dit doel te bereiken, vergeten
de heereu leeuwen elke kleine jaloerschheid, allen brood-
nijd, en vereenigen zich broederlijk tot de jacht. Eerst
vergewissen zij zich van elkanders nabijheid en medewer-
king door vragen en antwoorden; en zijn ze het op deze
wijze eens geworden, dan begint de aanval. Ieder galopeert
van zijn kant de vlakte in, waar zich eene voldoende
hoeveelheid wild bevindt. Ze doen de meest woeste en
vreeslijke geluiden hooren, zoodat de arme belegerden,
radeloos van angst, ii< alle richtingen uit elkander stuiven
en hunne aanvallers letterlijk tegemoet loopen. In zulke
scherpe gevechten hebben de leeuwen het evenwel niet
altoos gemakkelijk; menig slachtoffer verdedigt zich met
den moed der wanhoop, doch — op eene gebroken tand of
een verwond oog ziet een leeuw zoo nauw niet, en de
maaltijd wordt met smaak aangevangen
Het slachtoffer, dat den leeuw de meeste moeite geeft, is
de mensch, ook al is hij ontwapend. Onze Negers hebben
mij daarvan vreemde staaltjes verteld, gedeeltelijk uit eigen
ervaring. Éen hunner was eens door een leeuw overvallen.
Meer dood dan levend lag hij onder de klauwen van zijn
vreeslijken vijand, doch deze was blijkbaar niet op zijn
gemak; lag de man stil, dan scheen de aandacht van den
leeuw, die zijn blik trachtte te ontwijken, afgetrokken te
worden door een ver verwijderd voorwerp. Zoodra echter
maakte zijn slachtoffer eene beweging, of verwoed deed de
leeuw hem zijne tanden voelen, tegelijk evenwel zenuwachtig
knippende met de oogen. Spoedig maakte de leeuw ge-
bruik van een oogenblik, dat zijn slachtoffer bewusteloos
scheen, om zich ongemerkt uit de voeten te maken. Men
heeft dit verschijnsel wel eens willen toeschrijven aan de
-ocr page 132-
128
waardigheid van den mënschelijken blik, doch veel meer
is het daaraan te wijten, dat de leeuw met den aard van
deze prooi minder goed bekend is. Al wat hem nieuw is,
vertrouwt hij niet, en wordt daardoor licht uit het veld
geslagen, \'t Is eens gebeurd, dat een Bassouto en zijne
vrouw er een zonder slag of stoot doodden. De leeuw
was namelijk bij vergissing binnen de omheining van de
hut gekomen; toen hij de bewoners op eens vóór zich zag,
bleef hij een oogenblik besluiteloos staan; de man maakte
hiervan met zeldzame tegenwoordigheid van geest gebruik ,
om hem op den rug te springen en bij de manen te grij-
pen, terwijl hij zijne vrouw toeriep het dier met eene pijl
te doorsteken; dit bevel werd met niet minder tegen-
woordigheid van geest terstond gehoorzaamd — en de
vijand lag verslagen, voor dat hij den tijd had gehad op
zijn verhaal te komen.
Is hij verwond, of heeft hij eenmaal het vleesch van
zijn slachtoffer geproefd, dan laat de leeuw zich door niets
meer terughouden. Een onzer menschen vertelde mij daar-
van als ooggetuige het volgende. Op zekeren avond zit hij
met een zijner makkers bij een vuurtje. Plotseling worden
ze door een leeuw overvallen, die hen met een geweldigen
sprong over elkander heen doet tuimelen. Mijn bericht-
gever komt onder zijn kameraad te leggen; en hij moest
het aanhooren, hoe de leeuw wel een uur lang bezig was,
den ongelukkige te verscheuren. Gedurig hoorde hij diens
beenderen kraken, en het bloed van zijn makker stroomde
over hem heen, zonder dat hij bij machte was er iets tegen
te doen.
Vóór dat de inboorlingen het gebruik van vuurwapenen
kenden, maten zij zich slechts zelden met deze vijanden.
-ocr page 133-
129
Wanneer ze het echter deden, hadden ze hiervoor eene
zeer eigenaardige manier. De leeuw werd opgezocht, en
omsingeld door een kring van strijders, die een hagelbui
van pijlen op hem afschoten; maar zelfs dan vielen niet
zelden nog eenige slachtoffers, vóórdat de vijand geveld
was. De Zoeloe\'s hadden er nog iets anders op uitgevon-
den. Zij omringden eveneens den leeuw, doch een hunner
ging hem uitdagen; en wanneer hij den strijd aannam, dan
wierp de kampvechter zich plotseling op den grond, en
bedekte zich geheel met zijn lang schild. Terwijl nu de
leeuw vruchtelooze pogingen deed om hem te verscheuren,
schoten de anderen toe, en doorstaken hem met hunne
speren. Sedert de invoering der geweren is de leeuwen-
jacht veel minder gevaarlijk. De kolonisten gaan deze
dieren nu in hunne holen opzoeken; en wanneer men slechts
zorg draagt, niet allen tegelijk vuur te geven, dan loopt
men veel kans, het er heelhuids af te brengen. De echte
leeuwenjagers versmaden evenwel deze wijze van handelen.
Zij stellen zich liever in hinderlaag om hunne prooi machtig
te worden, zeker als ze zijn van hun schot en van hunne
grondige kennis der gewoonten van het dier.
Doch genoeg over de leeuwen. Wellicht wijdde ik hun
reeds te veel plaats, maar in het gezelschap van Adam
Krotz en de zijnen hoorde men bijna over niets anders
spreken; en ik moet zeggen, dat wij op dat oogenblik
slechts al te dikwijls door de werkelijkheid bij dat onder-
werp bepaald werden.
Het is een zonderling verschijnsel, dat in eene streek
waar het dierenrijk zoo schoon vertegenwoordigd is, de
koning der schepping, de mensch, slechts wordt aange-
trollen in den staat der diepste ellende!
9
-ocr page 134-
130
De eigenlijke bewoner van dit gedeelte van Afrika is de
Boschjesmau, bij de Engelschen bekend onder den naam
van Bushman. Treuriger type der menschheid is wel niet
denkbaar: klein, met een plat geelachtig gelaat, gerimpeld
vel, dikken buik en magere beenen, doet hij meer denkeu
aan de gedrochtelijke dwergen, waarvan men in sprookjes
leest, dan aan een mensch. En toch, juist door den
Boschjesnian, beweer ik aan alle materialisten de niets-
waardigheid hunner stellingen te kunnen bewijzen.
Dit arme vertrapte en verachte wezen, dat elke aanraking
met andere menschen schuwt, dat ten prooi is aan de vraat-
zucht der dieren, die uiterlijk schooner zijn dan hij — die
arme verworpeling heeft nagedacht. Hij heeft opgemerkt,
hoe de druppel venijn, door een kruipend monster in de
eerst toegebrachte wonde gestort, het slachtoffer onfeilbaar
doodt. De vrucht zijner opmerking is geweest, dat hij zich
een wapen heeft weten te verschaffen, een onaanzienlijken
pijl, maar een pijl, die zelfs het bloed van den olifant
in zijne aderen doet verstijven. Op den eersten aanblik
zoudt ge dit instrument voor kinderspeelgoed kunnen hou-
den, maar beschouw het slechts van naderbij: het is een
klein meesterstuk. De punt is uiterst fijn, vijf millimeter
lang en even zoo breed; doch in den vorm van eene halve
maan geslepen, heeft zij minder kans van breken, en dringt
scherper in het vleesch door — op alles is gerekend — en
wee hem, wien dit wapen treft! hij is stellig en zeker een
kind des doods. Het zoo onaanzienlijke stukje staal is
bevestigd aan een beenen heftje, vier a vijf centimeter
lang, rond geslepen en ingewreven met eene zwartachtige
zelfstandigheid; dit is het gevaarlijke gedeelte van het
wapen, daar \'t het vergif bevat. Om er meê te schieten,
-ocr page 135-
131
bindt de Boschjesman zijn moordtuig aan een riet. Zijne
boog is niet veel grooter dan die, waarmede onze kinderen
zich vermaken, maar hij legt aan, en treft met de juist-
heid van een Willem Teil.
Zoo heeft dan de nietigste der menschen, die dagelijks
onder leeuwen en panters verkeert, die slechts een hol,
met wat gras bekleed, tot woning heeft, en die nooit eene
kudde bezat, of de aarde leerde bebouwen — een wapen
weten te maken, waarmede hij niet alleen zijn leven ver-
dedigt, maar dat hem tevens dient tot het verkrijgen van
zijn voedsel, daar het vleesch van zijn slachtoffer onscha-
delijk blijft. Nam de sterke weigebouwde Kaffer zijne toe-
vlucht tot de strijdbijl, het schild en de werpspies — de
verachte Boschjesman werd, door den nood gedwongen,
scheikundige. Niet uit éene plant of éen dier haalt hij het
vergif, neen! hij bereidt het uit de sappen van vele insecten
en kruipende dieren. Doch niet alleen is hij op zijne veilig-
heid en zijne voeding bedacht. Deze „schorpioen-mensch",
zooals de Beetsjoeanen hem noemen, heeft ook zijn eer-
gevoel. De minste beleediging doet hem in woede ontsteken,
en hij is naijverig op zijn goed recht. Naakt en vuil als
h\\j is, durft hij zelfs den Blanken man staan, wanneer het
te pas komt, als ware hij zijnsgelijke. De Boschjesman
heeft ook zijne wetten: van de vrouw wordt bijvoorbeeld
de grootste huwelijkstrouw gevergd, en elke inbreuk op den
regel van den echt wordt ten strengste gestraft. Bij de
overige volksstammen van Zuid-Afrika is het gebruikelijk,
dat de weduwe van een\' overledene, en zijne kinderen,
het eigendom worden van den naasten erfgenaam. Niet
alzoo bij de Boschjesmannen: het liefst zien zij, dat de
weduwen niet hertrouwen, en deze worden op algemeene
9*
-ocr page 136-
132
kosten onderhouden door de opbrengst van uitsluitend
daartoe gehouden jachten.
Soms gelukt het den Boschjesman niet, eenig wild mach-
tig te worden, en hij moet zich dan met het eenvoudigste,
ja zelfs afzichtelijkste voedsel tevreden stellen. Ik heb er
wel ontmoet, die half gebakken aardwormen verslonden.
De gedachte dezer ongelukkigen strekt zich weinig
verder uit dan het tegenwoordige; en toch is het niet zoo
moeilijk als men wel zou denken, om hun oog te richten
op de hoogere dingen. Wanneer men hun over God spreekt,
toonen zij noch verbazing, noch ongeloof; de gedachte
aan een „Kaang" of Heer des hemels, is hun blijkbaar
niet vreemd; doch zij beschouwen het als iets, dat hen
niet persoonlijk raakt, en zien met de grootste on verschil-
ligheid de bijgeloovige plechtigheden aan, der in hunne
buurt gevestigde volksstammen. De Boschjesmannen ken-
nen slechts éen godsdienst: die der vrijheid en onafhan-
kelijkheid. Niets zou hun gemakkelijker zijn dan zich te
voegen bij een der sterke, meer gevestigde volken, die
hen omringen; doch tot hiertoe hebben zij dit altijd ge-
weigerd, en het is niet waarschijnlijk, dat zij er ooit toe
zullen overgaan. Er zijn in de geschiedenis der kolonie
oogenblikken geweest, waarin de verzoening tot stand had
kunnen komen, waarin men hun vertrouwen had kunnen
winnen, en hen tot eene andere levenswijze overhalen. In
stede daarvan, zijn zij als wilde dieren vervolgd, en voor
den minsten diefstal van vee, in grooten getale letterlijk
geslacht.
Met recht kan men thans zeggen, dat „de hand van
allen tegen hen, en hunne hand tegen allen is!" De wet-
ten, die aan andere volksstammen nog eenige bescher-
-ocr page 137-
133
uring waarborgen, worden ten opzichte der Boscbjesmannen
straffeloos ontdoken. Op onze reis door de Kaapkolonie
ontmoetten wij een ouden Boer, die er zich op beroemde
gedurende zijn leven wel zestig dier arme wezens gedood
te hebben. Wanneer de Kaffers en Beetsjoeanen zich over
hen te beklagen hebben, ontzien zij zich evenmin als de
Blanken, jacht op hen te maken; doch over het algemeen
zijn zij menschelijker jegens hen dan de Boeren, die,
na de ouders gedood te hebben, de kinderen tot slaven
maken. Het opperhoofd, naar wien wij ons begaven, ont-
fermde zich eenmaal over eenige weezen uit dezen verachten
stam, en nam ze als zijne kinderen aan. Reeds bij het
tweede geslacht was hun voorkomen geheel veranderd, en
begonnen zij veel meer overeenkomst te hebben met ge-
wone menschen. Men ziet dus wel, dat alleen de ellenden
en ontberingen, waaraan ze voortdurend ter prooi zijn, de
oorzaken hunner ontaarding mogen genoemd worden.
Doch hoe nu het feit te verklaren, dat naast de Hotten-
totten, die zich in het land vestigden, en er, hoewel in
geringe mate, een betrekkelijk burgerrecht verkregen heb-
ben, dit volk zich bevindt, tot dienzelfden stam behoorende,
maar tot zulk een betreurenswaardige mate verlaagd?
De algemeene opinie heeft het willen toeschrijven aan de
wreedheid der Hollandsche overheersching; doch de laatste
nasporingen hebben aan het licht gebracht, dat, hoewel
Holland, helaas! niet van medeplichtigheid in dit opzicht is
vrij te pleiten, bedoelde ontaarding toch reeds voor zijn
optreden in Afrika had aangevangen. Hoogstwaarschijnlijk
dagteekent het ontstaan der Boscbjesmannen van den vij-
andelijken inval der Kaffers in het vorig gebied der Hotten-
totten. De hedendaagse!ie Kaffers en Beetsjoeanen erkenDen,
-ocr page 138-
134
dat hunne voorvaderen vier a vijf eeuwen geleden uit het
Noordwesten komende, de Hottentotten voor zich uitdreven,
en hen terugdrongen tot in den zuidelijken uithoek van
Afrika.
Van de Kaap tot aan den Keerkring vindt men inder-
daad mog Hottentotsche namen; en de uitgebreidheid van
het door de Kaffers veroverde en verwoeste gebied, doet
vermoeden, dat zij, allengs bij overgroote ruimte, hoewel
vele Hottentotsche volksstammen door hen onherroepelijk
werden uitgeroeid, van hunne vervolgingen afzagen, zoodat
de overblijvenden in het zuidelijk gedeelte van hun vorig
grondgebied hunne goederen konden behouden. De minder
bevoorrechte stammen werden, naar men vermoedt, tot
behoud hunner vrijheid, genoodzaakt een zwervend leven
te leiden. Ziedaar dus waarschijnlijk de oorsprong der zoo-
genaamde Boschjesmannen.
Het meer bevoorrechte deel der natie knoopte lang-
zamerhand vredes- en vriendschapsonderhandelingen met de
overwinnaars aan, waaruit de gemengde stam der Gonaquas
ontstond; doch de Boschjesmannen behielden tot den hui-
digen dag een onverzoenlijken en ingekankerden haat tegen
alle Kaffers, hetgeen het vermoeden bevestigt, dat dezen
de oorzaak van hun ongeluk zijn.
-ocr page 139-
IX.
Aankomst in het land der Bassonto\'s.
De belangrijke waarnemingen, die wij op het gebied
van natuur- en volkenkunde deden, brachten ons wel niet
nader tot de plaats onzer bestemming, maar vergoedden
ons toch een weinig het misbruik, dat Adam Krotz van
onzen tijd maakte. Toen deze zich eindelijk in \'t bezit
achtte van eene voldoende hoeveelheid huiden, horens en
gezouten vleesch, bracht hij ons, zonder zelfs het kompas
te raadplegen, in drie flinke dagreizen buiten de onafzien-
bare vlakten, waarin we zoo lang hadden rondgedoold, en
op het gebied, waarheen we ons wenschten te begeven.
Het land, dat we nu betraden, was heuvelachtig , en
bewoond door menschen, die, zooals men ons zeide, reeds
behoorden tot den stam, dien we gingen bezoeken. Een
hongersnood, veroorzaakt door voortdurende oorlogen, had
hen genoodzaakt, zich in deze wildrijke streek te vestigen,
waar zij op gemakkelijke wijze in hun dagelijksch onderhoud
konden voorzien. Langs de verschillende beekjes, waar de
antilopen komen drinken, graven ze kuilen in den vorm
van trechters, die ze zorgvuldig met riet en aarde bedek-
ken, zoodat de argelooze dieren daarin onverhoeds worden
gevangen, öelukkig voor ons, had men hier niet de ge-
-ocr page 140-
136
woonte om een scherpen paal in het midden dier kuilen te
plaatsen, zooals dit meer noordelijk wordt gedaan : anders
waren wij er slecht afgekomen. Een onzer paarden toch,
had het ongeluk in zulk een kuil te zakken, en meer dan
eens ontkwamen wijzelven slechts ter nauwernood aan een
dergelijk ongeval.
Na twee dagen bereikten wij een hoogen berg. Aan
den voet lagen goed bebouwde maïsvelden, doch de in-
booilingen hadden hunne hutten op de kruin van den
berg zelf gebouwd, om zich beter tegen vijandelijke over-
vallen te kunnen verdedigen. Wij hadden thans de meest
westelijke grens van het Bassoutoland bereikt, en vernamen
nu met zekerheid, dat dit de volksnaam was der stammen,
wier opperhoofd (Moshesch) zendelingen verlangde.
Zoodra de in het vela arbeidende Inboorlingen ons even-
wel zagen, gingen ze ijlings op de vlucht. De reden hier-
van was tweeledig. Onze leidslieden van Philipolis hadden
veel overeenkomst in kleeding, wapenen en gelaatstrekken,
met de wreede Korana\'s, van wie deze arme lieden zooveel
te lijden hadden gehad; en ten andere kon Moshesch nog
niet al zijne onderdanen van onze komst verwittigd hebben.
Ondertusschen legerden wij ons kalm in de nabijheid
van een frisch murmelend beekje, dat ons niet weinig ver-
kwikte; en weldra ging een der oudste inlandsche metge-
zellen van Adam Krotz op weg, om het opperhoofd der
plaats te bezoeken, en hem gerust te stellen omtrent onze
bedoelingen. De onderhandelingen duurden lang; want hij
wilde den man bewegen tot ons te komen, maar deze had
daar geen ooren naar, gewend als hij was aan de lage
handelwijze der vreemde roovers, die het land verwoestten.
Meer dan eens was het gebeurd, dat zulk eene bende een
-ocr page 141-
137
opperhoofd uit die streken met schoone beloften had ge-
paaid, om den bedrogene dan verraderlijk gevangen te
nemen, hem van alles te berooven, ja hem soms zelfs
dood te schieten.
Eindelijk echter keerde onze afgevaardigde weder, ver-
gezeld van een schoonen, weigebouwden man van omstreeks
vijftig jaar, en gevolgd door eenige ongewapende inboor-
lingen. Deze man was het opperhoofd. Met waardigheid, doch
niet zonder blijkbaar wantrouwen, ontving hij onze eer-
bewijzen. Toen hij zich een weinig vermand had, vernamen
wij van hem, dat hij Mosemé heette, en verwant was aan
den vorst van het land. Ook zeide hij ons, dat zijne
woonplaats Thaba-Ntsou heette, dat wil zeggen: Zwarte
berg, hetgeen zeer goed overeenkwam met de donkere
gedaante der rotsen, die ons omringden.
Toen de man zag, dat wij hem ongehinderd lieten ver-
trekken, verhelderde zijn gelaat merkbaar. Wij hadden
hem gezegd, dat de volgende dag (Zondag) heilig voor ons
was, en hem uitgenoodigd met al zijne lieden bij ons te
komen, om het Groote Woord te hooren, dat wij in het
land wilden brengen. Het was in de maand Juni — de
oogsttijd in die landen — en nog dienzelfden avond bracht
men ons uit naam van het opperhoofd allerlei geschenken,
bestaande uit de heerlijkste voortbrengselen van het veld.
In ruil voor wat zout, konden wij ons ook eenige prachtige
pompoenen verschaffen, die eene weldadige afwisseling met
de vleeschspijzen vormden, die wij gedurende onze gansche
reis genuttigd hadden. Het zout is in die landen een
kostbaar artikel, en wij konden ons vergewissen, op hoe
hoogen prijs het werd gesteld. Wanneer wij een handjevol
daarvan aan de Inboorlingen gaven, aten zij, met het
-ocr page 142-
138
grootste genoegen, terstond eenige korreltjes op. Dan werd
het in nette aarden vaatjes bewaard, en om vooral niets
te verliezen, likten zij hunne hand nog eens af. Uit eigen
ondervinding zouden wij later leeren, wat het is, geheel
van deze onschatbare zelfstandigheid verstoken te zijn.
Den volgenden ochtend kwam Mosemé met een honderdtal
zijner onderhoorigen, om volgens afspraak onze godsdienst-
oefening bij te wonen. Met veel belangstelling volgden zij
alle bijzonderheden, en eigenaardig was het te zien, welk
een indruk de zang op hen maakte. Onze lieden hadden
allen de schoone stem, aan het Hottentotsche ras eigen;
en toen ze nu hunne welluidende akkoorden aanhieven,
wekte dit eerst den lachlust der vreemde toehoorders op,
maar weldra wisten ze niet meer, hoe ze het hadden; en
aan hunne blikken kon men zien, dat de lust hen bekroop
om zich door de vlucht aan eene aandoening van zoo geheel
nieuwen aard te onttrekken. Bij het gebed, dat wij ge-
woon waren staande te doen, vertoonde zich bij hen nieuwe
verwondering, gemengd met vrees. Wat mocht die ver-
andering van houding wel beteekenen? Dank zij de kor-
daatheid van hun opperhoofd, bleven allen evenwel rustig;
maar het was hun blijkbaar eene verlichting, toen de dienst
geëindigd was, en onze menschen hun pijpje opstaken, of
de pot gingen koken.
Nadat onze nieuwe vrienden geheel bekomen waren, nam
ik de kans waar, om hun in korte woorden uiteen te zetten,
wat we eigenlijk in hun land kwamen doen. Ik plaatste
mij naast een onzer gidsen, die dienst zou doen als tolk,
en begon de eerste christelijke toespraak, die ooit tot die
arme lieden gehouden werd. De woorden, die ik sprak,
zijn mij geheel ontgaan, maar de inhoud kwam hierop
-ocr page 143-
139
neer: dat we een Vader in den hemel hebben, die zich
aan ons heeft geopenbaard, en van Wien wij hun de genade
en de zegeningen kwamen verkondigen en brengen. Indien
gij onze boodschap aanneemt, zoo eindigde ik om het hun
met een plaatselijk beeld duidelijk te maken, dan zult gij
zijn als de struisvogel, die zijne oude vederen wegwerpt,
ten einde veel schoonere daarvoor in de plaats te ontvangen.
In hoeverre mijn eenvoudige tolk zelf mij heeft verstaan,
heb ik nooit geweten; doch wat Mosemé voor het oogenblik
duidelijk werd, was, dat hij van ons niets te vreezen had,
en dat hij ons gerust kon toestaan, het dorp te bezoeken.
Hij ging ons zelf voor, om ons in zijn huis op bier te
onthalen.
Het gezicht, dat we van Thoba-Ntsou op de gansche
omliggende streek hadden, was verrukkelijk schoon. Gelijk
een panorama zagen wij de omringende bergen en dalen.
De eerste hadden een eigenaardig voorkomen. Tot op hon-
derd meters afstand ongeveer van den top, waren zij met
een krachtigen plantengroei bekleed, en dan verhieven zich,
als een muur van reusachtig metselwerk, kale grijsachtige
rotsen, op wier kruin zich vruchtbare vlakten uitstrekten.
Van deze natuurlijke vestingen hadden de inwoners des
lands, zooals we reeds zeiden, partij getrokken om hun
have en goed in veiligheid te brengen.
Ten Westen, op twintig mijlen afstands, verhief zich
eene hooge, steile bergketen, waarvan de toppen met eene
dunne laag sneeuw bedekt waren. Dit was de grens tus-
schen het land der Bassouto\'s en Natal. Men wees ons
in die keten twee ver van elkander verwijderde punten
aan, waar twee rivieren hun oorsprong namen: de Mogokaré
en de Sinkou. Deze rivieren zijn geen andere dan de
-ocr page 144-
140
Calei]on- en de Oranjerivier, waarvan men tot nu toe slechts
het vereenigingspunt kende te Bethulië ten Zuidwesten van
Philipolis. De eerste verdeelt het land der Bassouto\'s in
twee gelijke provinciën, de tweede vormt de grens tusschen
dit land en de voorposten der kolonie.
Na onze bewondering bij het zien van dit prachtige land-
schap te hebben lucht gegeven, konden wij een glimlach
niet weerhouden met het oog op de kaart dezer streken,
die we uit Parijs hadden meegebracht. Hoe verschilde die
geheel van de werkelijkheid!
Dicht bij den Caledon en de verwijderde bergketen,
toonde Mosemé ons eene grijsachtige stip aan. Daar
woonde de Vorst, dien we gingen opzoeken, en zijn berg
— zoo vertelde ons Mosemé — droeg den naam van
Thaba-Bossiou, dat is: Berg van den Nacht. Niemand
kon ons de uitlegging van die vreemdsoortige benaming
geven, maar wel vertelde men ons, dat deze berg, hoewel
laag, onneembaar heette te zijn. De Vorst zelf werd door
Mosemé meestal Mora-Mokhaschané genoemd, dat wil zeg-
gen: Zoon van Mokhaschané, omdat de vader nog leefde,
en in naam het bewind bleef voeren, hoewel hij het in
werkelijkheid op zijn zoon had overgedragen. Deze had
in zijne jeugd den naam van „Lepoko", dat is: Twist,
gedragen, tengevolge van zekere binnenlandsche oneenig-
heden, die tijdens zijne geboorte heerschten. Later was
het hem gelukt, vele tegenstanders van zijn huis voor
zijne overmacht te doen zwichten, en toen had hij den
naam van „Moshesch", d. i. Beslechter aangenomen.
Thans erkende een ieder zijne overmacht, die hij grooten-
deels te danken had aan een zeldzaam verstand, eene
groote standvastigheid, en aan eene in dit land geheel
-ocr page 145-
141
nieuwe wijze van de menschen te begrijpen, en met hen
om te gaan.
/eer bemoedigd verlieten wij Thaba-Ntsou. De Bassouto\'s
maakten een uitnemenden indruk op ons. Na de Kaffers
waren zij de schoonste Inboorlingen, die we nog ontmoet
hadden. Hunne huid is zacht en bronsachtig van kleur;
hunne ledematen zijn krachtig en welgevormd, terwijl
hunne gelaatstrekken niets afstootends hebben. In grootte
komen zij overeen met de Europeanen. De waardigheid
hunner houding, de bevalligheid hunner bewegingen, de
beleefdheid en hartelijkheid, die hun onderhoud scheen te
kenmerken — dit alles viel ons sterk op. Alleen hunne
mantels van dierenvellen, de hutten, die ze bewonen, en
de gewoonte van hunne ledematen te zalven, geeft hun
eenige overeenkomst met diegenen onzer medemenschen, die
wij gewoon zijn „de Wilden" te noemen.
Daar onze reis, door het gebrek aan gebaande wegen
en de oneffenheden van den bodem, nog lang kon duren,
besloten wij een onzer lieden als bode vooruit te zenden,
om Moshesch van onze komst te verwittigen.
Van Thaba-Ntsou uit vonden wij overal op onzen weg
de sporen der vreeslijke verwoestingen, die in dit land zijn
aangericht: geheele oorden waren bezaaid met menschen-
beenderen; en somtijds toonden ons de nog duidelijk zicht-
bare omtrekken van bouwland, verbroken aardewerk en
vervallen muren, dat we ons op het grondgebied van een
gewezen dorp bevonden. De Inboorlingen, die we ontmoet-
ten, waren ook allen even schuw en vreesachtig als die to
Thaba-Ntsou, toen we daar aankwamen; overal moesten
wij dezelfde middelen aanwenden om ze gerust te stellen.
Het deed ons echter genoegen op te merken, dat, hoe
-ocr page 146-
142
meer we het verblijf van Moshesch naderden, hoe talrijker
en genaakbuarder de bevolking werd. Eindelijk waren we
nog slechts eene kleine dagreize van Thaba-Bossiou verwij-
derd, toen de Caledon zich aan ons vertoonde. Indien we
niet gewend waren geweest aan de vele frissche beekjos, die
het Bassoutoland doorkruisen, dan zouden wij den Caledon
zeker met meer geestdrift begroet hebben. Nu maakte hij
op ons slechts den indruk van een lastigen scheidsmuur, die
ons verhinderde, spoedig genoeg naar onzen zin ons doel
te bereiken. De overtocht was inderdaad zeer lastig; want
de otver, waarop wij ons bevonden, liep bijna loodrecht
naar beneden, en er zou dus heel wat met de schop gewerkt
moeten worden, om met onze wagens tot de doorwaadbare
plaats te geraken. Gelukkig was de bodem hier zandig, en
onze menschen betoonden zooveel goeden wil, dat het be-
zwaar spoediger dan wij durfden hopen, overwonnen werd.
Ondertusschen vierden wij — mijn collega\'s en ik — onzen
onderzoekenden geest den teugel, en veroorloofden ons het
genoegen, den stroom en zijne oevers, die nog nooit door
een Europeaan betreden werden, eens van wat naderbij in
oogenschouw te nemen. Aan beide zijden groeiden wilgen,
die een overvloed van scharlakenvinkjes en ringduiven huis-
vestten. Eenden en andere watervogels vluchtten verschrikt
voor het geluid onzer voetstappen, en lieten van uit het
riet, waar ze zich verscholen hadden, een klaaglijk gepiep
hooren. Het water had op deze plaats slechts een halven
meter diepte, tegen eene breedte van ongeveer zestig meters.
De bodem der rivier, voor zoover hij niet zandig was, bestond
uit, door den stroom gepolijste bazaltblokken. In het grint
aan den oever vonden wij vele agaten, kornalijnen en kristallen
van buitengewoon regelmatigen vorm en groote helderheid.
-ocr page 147-
143
Dank zij de inspanning der twintig ossen, aangevuurd
door hunne begeleiders, kwamen onze reiswagens eindelijk
aan de overzijde; en daar de avond inmiddels gevallen was,
gingen wij niet verder, maar overnachtten aldaar.
Den volgenden ochtend werden wij verrast door een
allerkoddigst schouwspel. In vollen galop zagen wij eene
luidruchtige deputatie van een tiental ruiters tot ons komen,
doch men stelle zich voor, hoe deze er uitzagen! Bijna
geheel in natuurkostuum, zaten zij zonder zadel of stijg-
beugels op hunne paarden en de wapperende schouder-
mantels van dierenvellen verhoogden slechts den zonderlin-
gen indruk. Het waren de twee oudste zonen van Moshesch
met hunne volgelingen, die door hun vader tot ons werden
gezonden om ons te verwelkomen. Ten einde ons feestelijk
te ontmoeten, hadden zij, hoewel geen meesters in de rij-
kunst, de paarden bestegen, die kort te voren in een ge-
lukkigen veldslag op de Korana\'s veroverd waren; en nu
kwamen zij als wilden aanrijden, op gevaar af van alles
omver te werpen. Daar het landsgebruik aan jonge lieden
niet veroorlooft, officieele toespraken te houden, vergenoeg-
den zij zich met ons te zeggen, hoe ongeduldig wij verwacht
werden; en na onze wagens en gereedschappen nieuwsgierig
en met verwondering bekeken te hebben, vertrokken zij
weder als een troep bezetenen, hunne vreugde door allerlei
gebaren te kennen gevende.
Thans zetten ook wij onze reis voort, en hoe dichter
wij het verblijf van Moshesch naderden, des te voorkomender
en vriendelijker werden wij door de bewoners ontvangen
en begroet. Voor het eerst ontmoetten wij hier ook weder
dorpen in de vlakte, daar men zich onder het onmiddellijk
hereik van den Vorst zeker veilig achtte.
-ocr page 148-
144
Nu kwam echter het oogenblik, dat wij Moshesch zijne
beleefdheden moesten beantwoorden; en wij besloten dus,
dat ik mij van het gezelschap zou afscheiden, om met Adam
Krotz en een tolk vooruit te gaan. Weldra zagen wij uit
de verte, in een grooten inham van het gebergte, Thaba-
Bossiou in het verschiet opdagen. Afgescheiden van alle
andere, verhief zich deze berg vijf hoekig, en bijna even
breed van onderen als van boven, tot eene hoogte van
vier a vijfhonderd meter. Van waar wij ons bevonden,
konden wij de huizen en dorpen als kleine pnnten en
streepjes zien liggen. Ik zeg dorpen, hoewel volgens
\'s lands gewoonte de residentie van den eigenlijken koning
afgescheiden is van die zijner opperhoofden. Hier hadden
zich evenwel, met het oog op de verdediging, verscheiden
opperhoofden om hun Vorst geschaard.
Wat naderbij komende, werd het mij duidelijk, dat
deze natuurlijke vesting werkelijk onneembaar mocht heeten.
Vele rotsen omringden als een onbeklimbaren muur den
voet; een riviertje scheidde bovendien deze plek af van de
omliggende hoogvlakte; en de eenige toegang tot dezen
berg werd gevormd door een smal en steil pad — zeker
de uitgedroogde bedding eener beek — waar langs men-
schen en beesten middel vonden om op en neder te gaan,
zonder zich den nek te breken.
De grond tusschen den voet van den berg en het riviertje
was goed bebouwd. Door allerlei dichtbegroeide kronkel-
paadjes kwamen wij eindelijk tot den bergweg, die ons
naar boven moest leiden. We stegen af, namen onze
paarden bij den teugel, en aanvaardden den tocht. De
bewoners van Thaba-Bossiou ontvingen ons met luide
vreugdebetooningen en stonden ons bij menigte op te wach-
-ocr page 149-
145
ten. Toen we boven kwamen, was hunne nieuwsgierigheid
om ons te zien zóo groot, dat zij ons bijna vertraden^
Weldra werd ons echter ruimte gemaakt door eene zeer
vreemde persoonlijkheid. Deze was een soort van heraut,
en zag er vrij potsierlijk uit. Getooid met een hoofddeksel
van zwarte struisvogelvederen, met een stokje in de eene
hand en een zak in de andere, baande hij zich een weg
door de menigte, die gehoorzaam voor hem week, en zich
in een halven cirkel schaarde.
Al blaffende en brommende als een hond — ik zal
later zeggen waarom — kwam hij naar ons toe, en ge-
leidde ons naar den Vorst, die een weinig verder op eene
mat zat. Moshesch ontving ons met een blik vol kalme
waardigheid. Zijne geheele persoonlijkheid maakte op mij
een zeer gunstigen indruk. Zijn rustig oog, hoog voor-
hoofd en edele trekken duidden aan, dat men te doen
had met iemand van meer dan gewoon verstand en grooten
aanleg. Half gedekt door een prachtig pantervel, droeg
hij als eenig ornament wat glazen versierselen op het voor.
hoofd, eene bos vederen op het achterhoofd, en als teekenen
zijner waardigheid een ivoren bracelet aan den arm en
eenige koperen ringen om de polsen.
Na mij een oogenblik te hebben opgenomen, zeide hij,
van zijne zitplaats verrijzende: „Lumé la lekhoa!" dat is:
„Gegroet, blanke man!" — Ik stak hem hierop mijne
hand toe, die hij zonder aarzelen aannam. Daar het bij
deze volken als niet beleefd wordt beschouwd, om dadelijk
met een nieuw aangekomene over zaken te spreken, werd
van het doel mijner komst vooreerst geen woord ge-
rept; maar ik was het voorwerp der vriendelijkste zor-
gen en grootste oplettendheid. Moshesch wenkte mij, aan
10
-ocr page 150-
146
zijne zijde te komen, en nam mij meê naar zijne particuliere
hut. De menigte volgde op een afstand, en nu kwam de
vreemde verschijning van daareven weder op den voor-
grond. Dansende en allerlei dichterlijke woorden uitende,
liep hij achterwaarts voor den Vorst uit.
Ik hoorde nu, dat deze man de drieledige functie van
hofnar, lofdichter des Konings en nachtwacht waarnam;
in de twee eerste betrekkingen zag ik hem thans werk-
zaam; als teeken der laatste moest het zooeven vermelde
blaffen en brommen dienen, om uit te drukken dat hij
als een hond voor de algemeene veiligheid waakte. Daar
eene stads of gemeentekas nog niet bestond, ontving hij
geen traktement, maar voorzag in zijn onderhoud door
vrijwillige giften te verzamelen; hiertoe diende de zak,
waarmede hij steeds rondliep.
We kwamen nu in het dorp — eene verzameling van
lage hutjes, waartusschen kinderen en honden door elkander
krioelden. Midden in het dorp was eene groote omheinde
ruimte, waar het vee \'s nachts verblijf hield; iets verder
eene open plaats, dienende om het volk te verzamelen en
toe te spreken; en zoo kwamen we eindelijk tot het hoofd-
verblijf van Moshesch. Alvorens hij mij tot zijne meest ge-
liefde vrouw bracht, liet hij eerst zijne 30 a 40 vrouwen
van minderen rang vóór mij voorbijgaan. De goede man
vermoedde weinig, hoe ik over de veel wij verij dacht, en
welke gevoelige slagen wij dit misbruik kwamen toebrengen.
Mamohato — zoo heette de koningin — ontving mij
zeer vriendelijk, volgens landsgebruik nedergehurkt voor
een vuur in de omheinde ruimte achter het huis. Men
noodigde mij uit, eveneens plaats te nemen op eene nette
mat, en aanstonds werd mij een mandje met een rond
-ocr page 151-
147
gerstenbrood en eene kom melk voorgezet. Zoodra ik het
met kennis van zaken doen kon, sprak ik het woord
„monati" (lekker) uit, wat mijn gastheer blijkbaar aan-
genaam vond te vernemen. Hij had naast zijne vrouw
plaats genomen, en hield hun jongste kindje, een knaapje
van zes jaar, omarmd.
Weldra kwam Krotz mij waarschuwen, dat onze reis-
wagens den voet van den berg bereikt hadden; en ik haastte
mij afscheid te nemen, om aan mijne vrienden mijn gunstigen
indruk te gaan mededeelen.
Niet lang daarna kwam Moshesch ons bezoeken. Hij bekeek
al wat wij bezaten met levendige belangstelling, en bewon-
derde vooral eene kleine tent, die we hadden meegebracht.
Na ons nog eenige levensmiddelen bezorgd te hebben
verliet hij ons, blijkbaar aangedaan over de toegenegenheid,
die wij hem betoonden. Niet minder waren wij van onzen
kant diep doordrongen van dankbaarheid jegens onzen
God, die ons zoo liefderijk tot hiertoe geleid had, en ons
zulk eene vriendelijke ontvangst had bereid. We legden
ons dien nacht dan ook ter ruste met een innig dank-
gebed en de niet minder vurige bede, dat wij in dat land
bevestigd en tot zegen mochten worden.
Onze eerste toebereidselen werden een weinig vertraagd
door de koude — een verschijnsel, dat ons niet weinig
bevreemdde in het Zuiden van Afrika; doch we wisten
toen nog niet, dat we ons op meer dan 5000 voet boven
de zee bevonden. Gedurende een paar dagen sneeuwde
het zelfs, en de inboorlingen zijn dan slechts met moeite
te bewegen, hunne hutten en hun bont te verlaten.
Ook dit oponthoud nam weldra een einde, en op zekeren
dag noodigden wij Moshesch uit, bij ons te komen eten, om
\'10-
-ocr page 152-
148
hem onze plannen bloot te leggen. Ik behoef wel niet te
zeggen, dat deze maaltijd zeer oorspronkelijk was. Wij
waren geen van allen heel ver in de edele kookkunst, en
hadden bovendien een alles behalve volledig tafelservies.
Op dien gedenkwaardigen dag at Moshesch uit het deksel
der pan, en wij, bij beurten, uit de pan zelve. Doch dit be-
nadeelde geenszins onze vriendschappelijke verhouding. Een
kop koffie met veel bruine suiker (iets wat hij niet kende)
beviel den goeden man uitermate, en hij kreeg een hoogen
dunk van onze kennis, toen hij vernam, hoe de Europeanen
uit eene rietsoort dit „zoete zand" wisten te bereiden.
Adam Krotz en de voornaamste edelen van Moshesch
werden tot de samenkomst uitgenoodigil. De eerste nam
het woord, en gaf te kennen, hoe verheugd hij was, dat
hij zijne belofte had kunnen vervullen.
Hierop antwoordde Moshesch met warmen dank, en ein-
delijk namen wij het woord, natuurlijk bijgestaan door den
tolk. Wij verhaalden, hoezeer het ongelukkig lot der
Bassouto\'s ons ter harte was gegaan, en hoezeer wij ver-
langden om hun het ware middel tegen al hunne kwalen te
brengen. In korte woorden trachtten wij aan te toonen,
dat al het ongeluk der menschen voortkomt uit hunne
zonden — en dat wij boden waren van dien God in den
hemel, die de menschen liefheeft, en zich hun lot aan-
trekt. Indien Moshesch en zijn volk zich slechts aan Hem
wilden toevertrouwen, hielden wij ons overtuigd, dat Hij
het land zou vrijwaren voor vijandelijke overvallen, en dat
door een nieuw geloof en nieuwe zeden orde, welvaart en
geluk weldra zouden wederkeeren. Wij boden ten slotte
aan, ons voor goed in hun midden te vestigen, en hen in
dit alles behulpzaam te zijn en voor te gaan.
-ocr page 153-
149
Thans werd de stoffelijke zijde der zaak behandeld. De
streek van Thaba-Bossiou was niet geschikt om er ons te
vestigen. Hout en water waren er te schaarsch, en we
zouden er ons niet genoegzaam kunnen uitbreiden.
„Mijn hart is wit van vreugde," zeide Moshesch, „uwe
woorden zijn als honig; wij zullen in alles naar u hooren.
Ziedaar mijn land, het ligt voor u open: kies slechts, waar
gij wonen wilt."
Reeds na een paar dagen zetten wij ons in beweging,
om eene geschikte streek te gaan uitzoeken. Moshesch
vergezelde ons, en weldra vonden wij juist, wat we hebben
moesten.
\'t Was een vruchtbaar, houtrijk dal, doorsneden met
tal van beken en riviertjes, op acht mijlen afstands van
Thaba-Bossiou, en zich uitstrekkende tot aan den voet van
het Malouti-gebergte. Deze plek, geheel ontvolkt door den
oorlog, droeg den naam van Makhoarane, doch wij doopten
haar „Moria", als aandenken aan de onzekerheden, waar-
door wij geslingerd waren geweest, en aan de voorzienige
leidingen Gods, die ons daar hadden gebracht.
Het was de 9de Juli van het jaar 1833.
-ocr page 154-
X.
Begin van den arbeid te Moria en bezoeken
te Thaba-Bossion.
Thans wil ik trachten, een kort overzicht te geven van
de drie jaren, die volgden, en die we noodig hadden om
ons in onze nieuwe omgeving in te leven. Wat mij be-
treft, rekenen zij minstens voor tien gewone jaren, zoowel
door het dagelijksch ondervinden van Gods Vaderlijke
trouw, als door de ongehoorde inspanning, waardoor zij
gekenmerkt werden.
Gelukkig waren mijne twee metgezellen en ik door
nauwe vriendschapsbanden vereenigd, en onze karakters
boden genoegzaam verschil aan, om ons de noodige wrijving
te waarborgen. Gosselin, de oudste, bezat een zeldzaam
opgeruimd humeur; geen ontbering viel hem ooit te zwaar,
en altoos wist hij de beste zijde van de dingen in te zien.
Hoewel zijn krachtig, gezond gestel daartoe veel bijdroeg,
was dit toch hoofdzakelijk te danken aan zijn eenvoudig,
kinderlijk geloof. Hij kon niet begrijpen, zeide hij, dat
men zich ooit ongelukkig gevoelde, wanneer men zich vrij-
gekocht wist door Jezus Christus.
Het geloof van mijn vriend Arbousset was even lie-
felijk en krachtig, en ook hij bezat een gelukkig karakter.
-ocr page 155-
151
Zijne levendige verbeelding, zijn ondernemende geest, die
altoos nieuwe plannen beraamde, zijne voortdurende be-
hoefte aan werkzaamheid hielden ons zonder ophouden in
het touw, Wat mij betrof, ik leerde veel van deze twee
rijke naturen, en hield het midden tusschen beiden. De
Hottentotten noemden mij kortweg „Mijnheer", terwijl zij
voor mijne metgezellen aan dien titel nog een onderschei-
dingswoord toevoegden, ontleend aan het jeugdig voor-
komen van den een en het meer mannelijk uiterlijk van
den ander.
Drie dagen na onze aankomst te Moria bevonden wij
ons in eene bijna volkomen eenzaamheid. Adam Krotz
was met zijn gevolg vertrokken, en Moshesch naar Thaba-
Bossiou teruggekeerd om ons eenige jongelieden te zenden,
die ons zouden kunnen helpen; wij behielden dus alleen
nog onzen ossendrijver en zijn makker bij ons.
Eenige door den winter ontbladerde boomen beschutten
ons tentje. De reiswagen diende tot slaapvertrek, en de
talrijke kudden antilopen, die ons omringden, waarborg-
den ons voor een onbepaalden tijd overvloed van versch
vleesch.
Op eenigen afstand bevond zich een groot bosch, en
hoewel Moshesch ons verzekerd had, dat zich in deze
streek geen wilde dieren bevonden — een „leugentje om
bestwil", dat hij zich had veroorloofd om ons niet te veel
schrik aan te jagen — vonden wij het raadzaam, die plek
eens te gaan onderzoeken. Voorloopig ontmoetten wij niets
dan apen, geheele koloniën van eene soort marmotten, die
in de kloven der rotsen woonden, en eene groote verschei-
denheid van vogels, waaronder de ons zoo welbekende
tortelduiven.
-ocr page 156-
152
Wij hadden ons verder ten doel gesteld, den aard van
het hout wat nauwkeuriger te onderzoeken. Niet zonder
zorg toch, hadden wij raeenen op te merken, dat de
meeste boomen in dit land allerlei bochten en bulten ver-
toonden, wat met het oog op \'t bouwen van huizen al zeer
weinig naar onzen zin was. We vonden onder het jonge
hout evenwel een genoegzaam aantal rechte stammen om
ons gerust te stellen, en reeds den volgenden morgen
gingen wij aan liet kappen. Binnen eene week waren wij
erin geslaagd, een hutje op te richten, doch ik behoef
niet te zeggen, dat die woning verre van gezellig was.
„\'t Is maar voorloopig", zeide Gosselin — en hiermede
troostten wij ons dan ook.
Nauwlijks hadden wij dit ons eerste gebouw voltooid,
toen de hulp, ons door Moshesch gezonden, kwam op-
dagen. Hij had een dertigtal flinke jongelieden voor ons
uitgezocht van achttien tot twintig jaar. Zij bouwden zich,
even als wij, hunne hutten, en toen ik mijne vrienden
aldus omringd zag, hesloot ik (zooals we onder elkander
reeds afgesproken hadden) hen thans voor eenigen tijd te
verlaten, en te Philippolis den reiswagen en verdere bagage,
die wij er achterlieten, te gaan halen.
Na zes weken mocht ik behouden terugkeeren, met al
de benoodigdheden voor eene geregelde nederzetting. Be-
halve de reeds in ons bezit zijnde landbouwwerktuigen,
zaden en stekken, bracht ik verscheiden koeien meê, die
mij slechts f 10 per stuk gekost h.tdden, en schapen a
f 1,50, benevens eene flinke merrie en twee andere
paarden. Adam Krotz had zich weder bij mij gevoegd
met zijne familie en een paar vrienden; — hij voelde zich
gehouden, zeide hij, ons tot het einde toe in de volvoering
-ocr page 157-
153
onzer plannen behulpzaam te zijn. Ik geloof evenwel (en
met reden) dat hij niet geheel belangeloos zoo vriendelijk
was: hij hoopte voor zichzelven een goed stuk grond van
Moshesch te verkrijgen j maur hoe \'t ook zij, ik nam
zijn geleide dankbaar aan. De Korana\'s, die onze neder-
zetting onder de Hottentotten met leede oogen aanzagen,
hadden mij eene dreigende boodschap te Phiüppolis doen
toekomen; en het was mij dus niet onverschillig, eenige
goede schutters bij ons te hebben, om hun ontzag in te
boezemen, \'t Was ook nog eene heele zaak, om de onder
mijne hoede staande kudde tegen de vraatzucht der leeuwen
en andere wilde dieren te beschermen. Soms hoorden wij
te middernacht een vervaarlijk gebrul. Onze dieren, die
wij voorzichtigheidshalve vroeg in den avond hadden laten
grazen, opdat zij zich rustig voor het vuur te herkauwen
zouden leggen, geraakten dan in de grootste verwarring,
en het duurde dikwijls geruimen tijd, voor wij ze weder
tot rust kregen.
Gelukkig konden wij de leeuwen meestal door eenige
geweerschoten op een behoorlijken afstand houden, en in
\'t geheel verloren wij slechts een paar schapen.
Eens op een avond ondervond ik, wat het onvoorziene
op den leeuw vermag. Wij hadden ons juist voor den avond-
godsdionst rondom het vuur geschaard, en ik stond gereed,
het gebed te doen, toen wij op eens het onheilspellend
geluid vernamen, dat de leeuw maakt, wanneer hij zijne
prooi behoedzaam nadert. Als door eene ingeving van
Boven, hief ik plotseling een lied aan, waarvan de wijs
levendig en krachtig was, mijne makkers wenkende het-
zelfde te doen. Zij gehoorzaamden en uit twintig keelen
klonk het gezang op echt Hottentotsche wijze uit volle borst.
-ocr page 158-
154
Toen het zingen geëindigd was, luisterden wij nog een oogen-
blik, maar vernamen niets meer. Wij doorzochten met
fakkels den omtrek, doch konden geen leeuw ontdekken.
Wij meenden dus door onze verbeelding bedrogen te zijn
geweest, doch den volgenden morgen zagen wij duidelijk de
versche sporen in het zand, en konden ons toen eerst recht
rekenschap geven van het vreeslijk gevaar, waaraan wij
hadden blootgestaan, en waaruit wij zoo wonderbaar gered
waren.
Niet lang na mijne terugkomst te Moria ontvingen wij
nog eens zulk een bezoek, dat ons niet weinig verontrustte^
Zeker werden de leeuwen door het loeien en blaten onzer
nieuwe bezittingen aangetrokken. Wij mochten er echter in
slagen eene groote leeuwin te dooden, en sedert dien tijd
hadden wij geen overlast meer van deze gasten. Langer
duurde het, voordat wij de hyena\'s meester werden, die
het voornamelijk op de schapen gemunt hadden; doch ook
daarin mochten wij, na verloop van tijd, slagen.
Gedurende mijne afwezigheid hadden Arbousset en Gosselin
niet stil gezeten. Zij hadden ons hutje vergroot, zoodat het
thans drie vertrekken bevatte: eene spreekkamer, eene woon-
kamer en eene bergplaats voor ons gereedschap. Van ramen
of deuren in Europeeschen zin was natuurlijk geen sprake.
Een paar gaten in den wand lieten juist genoeg licht door,
om ons in staat te stellen, zonder al te veel moeite te
lezen; eene grooter opening, afgesloten door een vlecht-
werk, diende tot deur.
Deze arbeid was evenwel slechts een voorspel van hetgeen
ons verder te doen stond. Allereerst moesten wij den grond
bebouwen; de meegebrachte stekken poten, het koren zaaien,
en voorts bouwstoffen in gereedheid brengen voor een beter
-ocr page 159-
155
huis. Van groot nut was ons hierbij de praktische kennis
van Gosselin, en wij aarzelden clan ook geen oogenblik,
ons onder hem te stellen. Op onze Inboorlingen viel niet
veel te rekenen. De Hottentotten van Krotz toonden zoo
veeleischend te zijn, dat wij reeds spoedig begrepen, hun
niet te veel te moeten vragen. Zij schenen te denken —
een misverstand, waartegen reeds vele zendelingen vóór ons
te strijden hadden — dat, aangezien wij door een Genoot-
schap waren uitgezonden, wij onuitputtelijke geldmiddelen
ter onzer beschikking hadden.
Met de mannen, ons door Moshesch toegezonden, ver-
vielen wij in eene moeielijkheid van geheel anderen aard.
Moshesch had ons namelijk gezegd: „Gij moet hun dienst
onder geen voorwaarde betalen; zij moeten weten, dat gij
onze weldoeners zijt, en buitendien — had hij daaraan toe-
gevoegd — als gij hun dienst betaalt, zult gij ze bederven,
want dan zal ik het ook moeten doen."
Uit laatste had ons stof tot nadenken gegeven, en bij
nader onderzoek bleek ons, dat de Inboorlingen, die in de
minste handelszaak zeer op den penning zijn, den eigenlijken
arbeid voor niets rekenen. Wij bevonden, dat elk gezin,
strikt genomen, zichzelf kon bedruipen door de inkomsten
van het kleine stukje land, dat zij bezaten, en van hun
vee. Wanneer de oogst moest worden ingezameld, of iets
dergelijks, vroeg men eenvoudig aan den buurman om een
handje te helpen; bij voorkomende gelegenheid bewees
men hem denzelfden dienst, en de zaak was afgerekend.
Voor het werk, dat het opperhoofd door zijne onderdanen
liet verrichten, betaalde hij hen door hun gratis recht te
verschaffen en geen belastingen te heffen. Op den eersten
aanblik herinnerde ons deze toestand aan de zoogenaamde
-ocr page 160-
156
„gulden eeuw". Doch het is niet alles goud, wat er blinkt.
Wel beschouwd moosten de Inboorlingen op deze wijze
altoos blijven, wat ze waren.
Met zulk een systeem werd alle mogelijkheid afgesneden
om hun ambachten, of wat ook te leeren. Het verbod van
Moshesch stond ons dus evenmin aan, als rle schraapzucht
der tien of twaalf Hottentotten van Adam Krotz, en er
bleef ons voorloopig geen ander middel over, om deze
beide klippen te ontzeilen, dan af te wachten, wat wij
mettertijd zouden kunnen veranderen, en intusschen aan de
twee partijen te toonen, dat wij hunne hulp wel missen
konden. Wanneer we onzen lieden eens een dienst vroegen,
dan was die zóo gering, dat een onbeduidend geschenk,
als: een mes, een schapenvel, eene handbijl of iets der-
gelijks, daarvoor eene voldoende belooning was.
„Help u zelven!" werd dus nu in zekeren zin onze leus;
doch dit is gemakkelijker ter neer geschreven, dan ten
uitvoer gebracht! Om te beginnen deden wij maanden
lang niets anders dan steenen uit den grond halen, leem
bereiden en boomen kappen, die we dan tot balken en
planken bewerkten. Dit laatste vooral kostte ons heel wat
moeite. We konden maar niet met de lange zaag terecht;
en als dat werktuig bij ongeluk eenmaal bezijden den
rechten weg was, dan zou men het eerder gebroken
hebben, dan het er weer in te krijgen. Wanneer het ons
eindelijk gelukt was, de zaak weer in orde te krijgen,
dan waren we zóo moe van al dat draaien en wringen,
dat we soms alle drie languit op den grond lagen, ons
afvragende of onze ruggen wel tegen zulk een arbeid be-
stand zouden zijn! Onze goede Inboorlingen stonden ons
dikwijls met verbazing aan te kijken, en konden maar
-ocr page 161-
157
volstrekt niet begrijpen, dat de Blanken zich zooveel moeite
gaven om onder dak te komen. Deze overwegingen ver-
hinderden de brave jongens echter niet, ons van lieverlede
hier en daar te helpen, en Malapo, de zoon van Moshesch,
die aan hun hoofd stond, was de eerste om dit te doen.
Vooral voor het bebouwen van den grond, konden wij hunne
diensten goed gebruiken.
Wat ons nog het meeste hoofdbrekens kostte, was het be-
reiden van het eten. Eerst wilden wij deze, door niemand
onzer begeerde, taak om beurten bij de week waarnemen;
maar Gosselin en ik waren blijkbaar niet voor kok in de
wieg gelegd, en zonder boos opzet maakten wij het zóo,
dat Arbousset, die er meer aanleg voor scheen te hebben,
eindelijk zoo vriendelijk was, dat werk geheel voor zijne
rekening te nemen.
Op den duur verminderde ons meel evenwel op de on-
rustbarendste wijze, en hoe zuinig onze keukenmeester ook
wezen mocht, en wat hij er ook op bedacht om den voor-
raad langer te doen duren — de noodlottige dag brak
aan, dat wij onze maag geheel van dit kostbare voedings-
middel moesten spenen.
Evenzoo ging het met het zout — en dit was eene nog
veel grooter ontbering. Zooals ik vroeger reeds zeide,
leerden wij nu eerst recht begrijpen, waarom de Inboor-
lingen er zoo op gesteld waren. Alles te moeten eten
zonder zout, is eene beproeving, waarvan wij Europeanen
ons schier geen denkbeeld kunnen maken. Wat het meel
betreft, wij hadden ons gevleid, hierin spoedig te kunnen
voorzien door het nieuw gezaaide koren, dat reeds aardig
begon op te komen, maar jawel! — Op zekeren dag komt
Moshesch met zijn gevolg ons een bezoek brengen. Ons
-ocr page 162-
158
veld was nog niet omheind, en den volgenden dag be-
merkten wij, tot onze groote ontsteltenis, dat de paarden,
die tegen onze bevelen waren losgelaten, de zorg voor
den oogst op zich hadden genomen.
Ook moet ik nog met een woord melding maken van de
groote beteekenis, die kleinigheden kunnen hebben in het
menschelijk leven. Met onze kleederen maakten wij het
vrij goed; lederen broeken, die tegen al de doornen van
het land bestand waren, en flinke donkerwollen vesten
maakten in hoofdzaak ons toilet uit; verder een overhemd
dat we van tijd tot tijd vernieuwden, waschten en dan af-
droegen tot er geen draad meer heel aan was. Doch nu
kan niemand zich voorstellen, wat wij bij oogenblikken
gegeven zouden hebben voor eene speld of een knoop! We
hadden ongelukkig vergeten, hiervan een voorraad meê te
nemen, en moesten ons dus, zoo goed en zoo kwaad als
het ging — behelpen met kleiner of grooter dorens!
Zoo werkten of sukkelden we voort; doch ik moet zeg-
gen, dat onze gezondheid door de hierboven beschreven,
zoo ongewone levenswijze, al zeer weinig leed. We had-
den slechts enkele, niet noemenswaardige ongevallen, maar
nimmer eenige ziekte van ernstigen aard.
Een ander deel van ons wezen liep echter meer gevaar
van te kwijnen, en wel het inwendige leven. Onze geest
vond genoegzaam voedsel in het bestudeeren van al wat
ons omringde — de taal der inboorlingen, hunne ge-
woonten enz.; — aan christelijken omgang ontbrak het
ons evenmin, maar het hart begon allengs te kwijnen
onder die langdurige scheiding van magen en vrienden.
Hadden we nu slechts briefwisseling kunnen houden met
het vaderland, maar het naaste postbureau was te Graaf-
-ocr page 163-
159
Reinet, op honderd mijlen afstands ongeveer, en de brieven
moesten ons vandaar per gelegenheid toekomen. De
eerste, die wij kregen, waren geschreven kort na ons
vertrek uit Frankrijk, en gewerden ons een rond jaar later.
De reizigers, die onze correspondentie vervoerden, brach-
ten haar wel over, maar deden geen omweg ten onzen be-
hoeve, zoodat wij geheel van hen afhingen. Later werd
dit wel eenigszins beter geregeld, maar in den eersten tijd
leed, vooral ikzelf, hevig onder dien stand van zaken.
Wij hadden ons tot plicht gesteld, nooit over het vader-
land en degenen, die wij er achterlieten, te spreken! den-
kende hierin een middel te vinden om het heimwee te
bestrijden. Wat mij betrof, het verergerde evenwel mijn
toestand, en langzamerhand begon ik toe te geven aan de
geheime aantrekkingskracht van eene onuitsprekelijke zwaar-
moedigheid. In den diepsten schuilhoek van mijn hart begon
ik de hoop te koesteren, dat mijn leven niet van langen
duur zou zijn, en dat ik weldra de rust zou ingaan. Aan
geen mijner beide metgezellen toonde ik hiervan ook maar
het geringste, en bleef mijn werk met volharding, ja zelfs
met eene zekere vroolijkheid, verrichten.
Gosselin echter ontdekte vrij spoedig, wat er aan haperde;
en op zekeren avond, toen wij na volbrachten arbeid aan
den ingang onzer hut zaten, zeide hij onverwachts tot mij:
„Ziet ge daar ginds die groene wei?" — „Ja zeker," ant-
woordde ik. — „Welnu, voortaan zal ik daar eiken dag
een handvol aarde weghalen." — „En waartoe dat, als
\'tu belieft?" — „Ik heb mijne opmerkingen gemaakt," ant-
woordde hij veelbeteekenend, en als ik mij niet vergis, zult
gij juist goed zijn om begraven te worden, als ik den kuil
gereed heb." — „Maar wat doet u dit veronderstellen?" —
-ocr page 164-
160
bracht ik ontsteld uit. — „Vriendlief," antwoordde hij met
zekere gestrengheid, en toch niet zachtheid, „vriendlief,
deukt ge, dat ik niet heb gezien, aan welk euvel gij mank
gaat? De liefde voor de onzen is geen zegen meer, wanneer
zij het harte week maakt, in plaats van het te versterken.
Daarom raad ik u aan, schud de gedachten af, die u onder-
mijnen. Zóo jong nog, en nu reeds willen eindigen? We
beginnen immers pas?"
Deze krachtige taal bracht mij tot mijzelven. Ik bloosde
over mijne zwakheid, verootmoedigde mij voor God, en de
hand van mijn vriend grijpende, dankte ik hem met tranen
in de oogen voor zijne getrouwe vermaning. Sedert dien
dag gaf ik niet meer toe aan zulke ziekelijke mijmeringen —
en \'t was juist bijtijds, dat mijn vriend mij de reddende
hand had toegestoken. Niet lang daarna ontving ik het
bericht van mijns vaders dood. Zijne reeds lang ondermijnde
gezondheid was niet bestand geweest tegen den onvermij-
delijken schok van \'t afscheid. Reeds bij zijne laatste om-
helzing had ik hiervan een voorgevoel ontvangen, en de
eerste uitbarsting van mijne smart was dan ook als ver-
mengd met eene soort van gewetenswroeging. Ik mocht
mij evenwel troosten met de gedachte, dat ik verscheiden
jaren aan de duidelijke roeping tot het zendingswerk weer-
stand had geboden, juist met het oog op de smart, die
mijn vertrek aan mijne ouders zou veroorzaken; maar ein-
delijk had de Heere toch gezegevierd; en had Hij niet nog
oneindig meer recht op mij dan mijne ouders? Ook was
het mij een groote troost, uit de beschrijving vaD de laatste
oogenblikken mijns vaders te zien, dat juist die roeping in
mij hem zoo lieflijk was geweest.
Vreeslijk had hij geleden, daar hij aan kanker in de
-ocr page 165-
161
maag stierf, maar het werd hem vergund, voor zijn over-
lijden nog eenige oogenblikken van onuitsprekelijke zaligheid
te smaken. Op de treffendste wijze had hij dit ook mogen
uiten, en \'t was alsof hij reeds in den hemel verkeerde.
Meer dan eens had hij mijn naam genoemd, en te kennen
gegeven, hoe dankbaar hij was, dat de Heere mij verwaar-
digd had, Zijn\' Naam aan de Heidenen bekend te maken.
Diep en innig was mijne smart over het onherstelbaar
verlies, dat mij had getroffen; maar Hij, die de wonde
sloeg, goot daarin ook den balsem zijner liefde. Bij mijne
beide vrienden vond ik de warmste deelneming, en niet
minder lieflijk was mij die der Inboorlingen. De mare had
zich weldra verspreid, dat men in onze hut had hooren
weeklagen, en dat een brief de doodstijding van mijn vader
had gebracht.
Van alle kanten kwam men thans aanloopen, en het
duurde niet lang, of ook Moshesch zond eenige afgevaar-
digden. Die goede lieden wisten blijkbaar niet, wat ze
zeggen moesten, maar op hunne gelaatstrekken las men
eene levendige deelneming, terwijl zij mijne tranen stilzwij-
gend gadesloegen. Daar ik nog slechts weinig woorden van
hunne taal machtig was, kon ik niets anders zeggen dan:
„God heeft het gedaan! .... Ntaté o magalimong —
Mijn vader is in den hemel." Blijkbaar konden ze dit nog
niet vatten, want voor hen was de gedachte van dood
enkel verbonden aan die van het nederdalen in de zwarte
aarde. Wat ze echter beter begrepen, was, dat wij even-
goed aan den dood onderworpen waren als zij. Waar-
schijnlijk hadden ze zich voorgesteld, dat menschen als
wij, die van alles konden doen en maken, waarvan zij
geen begrip hadden, ook wel een middel tegen den dood
11
-ocr page 166-
162
zouden weten. Deze teleurstelling maakte een diepen indruk
op hen, doch verhinderde hen niet, met hunne gewone
scherpzinnigheid op te merken, dat, al waren wij evengoed
als zij aan den dood onderhevig, die dood voor ons niet
dezelfde verschrikking had als voor hen. Zoo werd de voor
mij zware beproeving, reeds tot aanvankelijken zegen voor
de arme Heidenen, en toen ze tot hunne verbazing zagen,
dat ik niet heenging, zooals zij meenden dat ik doen zou,
om mijns vaders erfenis in bezit te gaan nemen, was de
band voor goed tusschen ons gelegd, en eene deur voor
de prediking des Evangelies geopend.
Wij waren thans ook aan een punt genaderd, waarop
ons ambt werkelijkheid zou worden. Verscheiden gezinnen
hadden zich om ons heen gevestigd, en langzamerhand had
zich te Moria een dorpje van 3 a 400 zielen gevormd,
onder het opzicht van Moshesch\' oudsten zoon Letsie.
-ocr page 167-
XI.
Eerste proeren van ttodsdienstonderwys.
De grootste hinderpaal, die ons thans bleef te overwinnen,
was de moeilijkheid der taal. In den beginne moesten wij
ons tevreden stellen met de diensten van een tolk, dien
Adam Krotz ons had bezorgd, maar die veel te wenschen
overliet, wat zijne persoonlijkheid betrof.
Sepeami, zoo heette hij, was Bassouto van geboorte,
doch kende een weinig Hollandsch, dat hij op de grenzen
der Kaapkolonie had geleerd. Voor de behoefte van het
dagelijksch leven kon hij ons vrij goed helpen, maar
zoodra het hoogere onderwerpen gold, bleek hij geheel
onvatbaar om den zin te begrijpen, van wat hij moest ver-
tolken, en zijn woordenschat op dat gebied was al zeer
gering. Ongeveer het eenige wat hij kende, was het woord
„thapèlo" — gebed — en wat we nu ook zeiden omtrent
geloof, berouw of eenige andere uiting van geestelijk leven,
steeds kwam hij terug op dien eenen zin: „Moruti o re re
rapèlé," d. i.: „De zendeling zegt, dat wij bidden moeten."
Soms ook was hij geheel in de war met den zin der woorden,
en eens b.v. had hij verstaan, dat wij zeiden: „De Heere
Jezus is uw zadelmaker" — in plaats van „Zaligmaker."
Zijn geheele voorkomen had iets zeer oneerbiedigs. In
•H*
-ocr page 168-
164
\'t begin wilde hij maar doodeenvoudig zijn ambt waar-
nemen in ongekleed kostuum, met zijne pijp in den mond.
We stonden dit niet toe, maar zijn gezicht en houding
gaven niettemin duidelijk te kennen, dat hij geen woord
geloofde, van wat hij vertaalde. Later ontdekten wij, dat
hij ook een aartsleugenaar was, en bijna nooit kon na-
laten de eene of andere onwaarheid te vertellen. Als door
een wonder echter, deerde dit onzen toehoorders niet, die
alle dwaasheden op zijne rekening schreven, en slechts
de weinige goede woorden, die hij overbracht, aan ons
toedichtten.
Men begrijpt evenwel, hoe dankbaar wij waren, toen wij
dezen tolk konden missen; en door aanhoudende studie was
dit veel spoediger het geval dan wij hadden durven hopen,
lederen dag leerden wij eenige woorden aan; en daar we
tot de ontdekking kwamen, dat de taal der meer noordelijk
wonende volken, die door de zendelingen Moffat, Lemue
en anderen bezocht werden, veel overeenkomst had met
die der Bassouto\'s, konden wij van de navorschingen dier
broeders groot voordeel trekken.
Reeds sedert onze aankomst hadden wij geregeld eene
godsdienstoefening in het Hollandsch voor onze Hotten-
totten uit Philippolis gehouden, en \'t was eigenaardig te
zien, met hoeveel belangstelling de Inboorlingen dit gade-
sloegen. Blijkbaar waren zij getroffen door den ernst en
de overtuiging, waarmee wij ons tot een onzichtbaar Wezen
wendden. Zij begrepen niet, wat wij zeiden, doch konden
uit den toon onzer stem, uit onze houding en gebaren, de
grootheid en goedheid opmaken van Hem, tot Wien wij
spraken. Al de oogenblikken, die wij aan onzen zoo
noodigen handenarbeid konden ontwoekeren, gebruikten
-ocr page 169-
165
Arbousset en ik, om kleine opstellen over Bijbelsche ge-
schierlenis en toespraken in de taal des lands te schrijven.
Deze laatste leerden wij dan van buiten, om ze des Zondags
op te zeggen. Weldra waagden wij bet zelfs, een paar
liederen te dichten, die we op eene zeer eenvoudige wijs
zetten, zoodat de Inboorlingen ze gemakkelijk leeren konden.
Het moeilijkste was, hen in de maat te houden; maar we
hielpen hen hierin, door met den voet krachtig de maat te
slaan, terwijl ze reeds spoedig genoegen in de harmonie
begonnen te krijgen.
Nooit duurde onze toespraak langer dan tien a vijftien
minuten, en gedurende dien tijd bezaten wij de volkomen
aandacht onzer toehoorders; maar veel moeilijker was het,
hunne aandacht te boeien bij het gebed. Zoodra ze zich niet
meer persoonlijk toegesproken gevoelden, dwaalden hunne
gedachten af; ze begonnen rond te kijken, te geeuwen,
of soms met elkander te praten. Om dit tegen te gaan,
lieten we hen de woorden nazeggen, wat ze niet onver-
makelijk vonden; en daar we onze gebeden telkens, hoe
kort ook, uit het hart opzonden, vreesden wij niet voor
het gevaar van de sleur der gewoonte, daar al wat wij
zeiden, telkens nieuw was voor onze menschen. Weldra
mochten wij dan ook bemerken, dat in den vorm het leven
begon te ontkiemen, en dat hunne gedachten en hun gevoel
meer en meer wakker werden.
Van het oogenblik af, dat wij het machtige wapen des
woords in handen hadden, gevoelden wij, dat ons ambt
eerst in zijne volle kracht kon worden aanvaard; zoodra
de werkzaamheden voor het inrichten onzer woning dan
ook waren afgeloopen, begonnen wij al onze krachten aan
het hoofddoel te wijden.
-ocr page 170-
166
Eerst hadden we gehoopt, dat Moshesch zich te Moria
zou komen vestigen, maar deze hoop moesten we weldra
opgeveD, daar de Koning vast besloten had, zijne vesting,
waaruit hij zijn land groote diensten kon bewijzen bij mo-
gelijke vernieuwing van vijandelijkheden, niet te verlaten.
Wij kwamen dus overeen, dat wij, daar hij toch het meeste
recht op ons en ons onderwijs had, hem wekelijks om
de beurt zouden bezoeken; en hoemeer wij hem leerden
kennen, hoemeer wij dezen man leerden achten. Die be-
zoeken waren ook voor onszelven van veel belang. Te
Moria toch konden wij ons leven inrichten, zooals wij-
zelven wilden — te Thaba-Bossiou waren wij in het hart
des lands, en genoodzaakt ons geheel in de zeden en ge-
bruiken van het volk in te leven, waardoor wij ze natuur-
lijk beter leerden kennen.
Moshesch was van zijn kant met deze schikking zeer
tevreden, en zeide: „Nu zult gij werkelijk mijne zendelingen
zijn, en gij zult zien, dat het u aan toehoorders niet zal
ontbreken. Ik zal zelf de menschen bij elkaar laten roe-
pen , en er voor zorgen, dat ze met onafgebroken aandacht
naar u luisteren." Hij hield woord, en telkens wanneer
wij kwamen zond de Koning zijn heraut uit, om het volk te
verzamelen. „Thapélong, thapélong!" — tot het gebed. —
„Kaofèla, kaofèla," — allen. — „Bana Ie basali!" — ook
de vrouwen en kinderen — zoo weerklonk het dan. Dit
laatste was iets zeer ongewoons. De vrouwen werden nooit
in eenige vergadering toegelaten, en dat ze nu uitgenoodigd
werden, scheen den mannen eene vernedering toe. Moshesch
liet echter niet af. „Basali!" — de vrouwen — riep hij
telkens. „Basali ba kaé?" — Waar zijn de vrouwen? — En
als ze dan eindelijk schoorvoetend en schuchter, als eene
-ocr page 171-
167
kudde verschrikte schapen, hij elkander kwamen en lang-
zaam naderden, riep Moshesch weder: „Batèng!" — ze
zijn er — terwijl zijn blik den aanwezigen verwittigde, dat
geen enkele verstoring der rust zijn oog zou ontgaan.
Niet minder ijverig was Moshesch om ook de afgezanten
van verscheiden stammen uit te noodigen, zich bij ons ge-
hoor te voegen; en op deze wijze heeft hij ons in aanraking
gebracht met honderden menschen, die van heinde en verre
kwamen. De godsdienstoefening werd gehouden in eene
open ruimte, „Khotla" genaamd, waar de mannen dage-
lijks hunne verschillende ambachten uitoefenen, en waar de
Koning audiëntie verleent, of rechtsgedingen beslist. Deze
„khotla" biedt den zendelingen eene uitnemende gelegenheid
aan, om, behalve de algemeene samenkomsten, ieder oogen-
blik met de Inboorlingen in aanraking te komen, daar hij
ze onder het work gemakkelijk kan gaan toespreken, en
dat in eene plaats, die uitsluitend aan mannen en ernstige
bezigheden gewijd is.
Des avonds zaten wij meestal op onze bezoeken te Thaba-
Bossiou bij Moshesch in den gezelligen huislijken kring.
Met recht Oostersche gastvrijheid werden wij bediend , en
deze merkwaardige man schepte er behagen in, ons allerlei
vragen te doen, en het gesprokene van den ochtend nog
eens na te gaan. Zoo ontdekte hij, tot zijne groote ver-
bazing, dat ons onderwijs niet op legenden en overleveringen
berustte, zooals hij had gemeend, maar op werkelijk histo-
rische feiten.
„Gelooft gij dan — zeide hij op een avond tot mij,
terwijl hij naar den sterrenhemel wees — dat daarboven
een Meester woont, die dat alles heeft geschapen, en be-
stuurt, en die onze Vader is?"
-ocr page 172-
168
„En gelooft gij dat niet?" antwoordde ik.
„Onze vaderen spraken wel van een Heer des Hemels,
en die witte strepen daarboven (hij bedoelde den Melkweg)
noemden zij den weg der goden, maar zij meenden, dat
hemel en aarde altijd hadden bestaan, behalve de dieren
en raenschen, die een begin hebben gehad en later kwa-
men: eerst de dieren, daarna de menschen; zij wisten ons
echter niet te zeggen, wie hun het leven had gegeven.
Wij aanbidden de geesten onzer voorvaderen, en vragen
hun om regen, een goeden oogst, gezondheid en een goed
onthaal na onzen dood."
„Gij waart in de duisternis — hernam ik — en wij
brengen u het licht, dat uwe duisternis doet opklaren.
Alle dingen, die we zien en die we niet zien, zijn door
éen en hetzelfde volmaakte Wezen geschapen, en worden
door Hem onderhouden: dat Wezen is onze God, die ons
allen uit éenen bloede geschapen heeft."
Dit laatste kon de omgeving van Mosh esch in \'t geheel
niet begrijpen, daar wij wit waren en zij zwart; doch ook
hierop wist de schrandere Vorst raad. „Domooren — zeide
hij — ziet ge niet, dat ik in mijn veestapel zwarte, bruine
en witte koeien heb, en toch zijn het allen koeien, en be-
hooren zij aan éen en denzelfden man." Deze bewijsgrond
maakte grooten indruk op de Inboorlingen, die de gewoonte
hebben nauwkeurige waarnemingen te doen op het gebied
der natuurlijke geschiedenis. Ze hebben daartoe dan ook
een ruim veld in hun eigen stam, waar verschillende typen
vertegenwoordigd zijn. Voor deze verscheidenheden weten
ze ook doorgaans gegronde redenen op te geven.
Het vaste geloof van Moshesch aan de eenheid der
menschheid rustte op waarnemingen van bovengenoemden
-ocr page 173-
169
aard, evenals op het feit, dat Blanken en Zwarten dezelfde
gewaarwordingen ondervonden. „Gij lacht en weent, evenals
wij — zeide hij — en om dezelfde oorzaken." Wanneer
wij over de Wet der tien geboden spraken, dan zegevierde
hij, en terecht. ,,Ziet ge wel — riep hij uit, zich tot de
toehoorders richtende — dat staat in ieders hart geschre-
ven. Wij kenden den God niet, dien de zendelingen ons
verkondigen, en hadden geen denkbeeld van den Zondag,
maar overigens is die Wet niet nieuw voor ons. Wij wisten
zeer goed, dat het slecht is om te stelen, ondankbaar te
zijn, ongehoorzaam jegens onze ouders, — dat we niet
mogen dooden, overspel bedrijven, begeeren wat van anderen
is, en kwaadspreken."
Als wij over de zonde spraken, dan wist hij nog veel
meer te zeggen dan wij, over de verdorvenheid van het
menschelijk hart. Het kwade zag hij donker in, en be-
schouwde het als eene soort van noodlot, waaraan men
niet kon ontkomen. Het goede te doen, zeide hij, is even
moeilijk als een rotsblok langs de steile helling van een
berg naar boven te torsenen; maar het kwade gaat van zelf,
evenals een rotsblok, dat langs de helling naar beneden
glijdt."
De geschiedenissen van het Oude en Nieuwe Testament
boeiden hem in de hoogste mate. Die van Jozef en de
eerste helft van David\'s leven, brachten hem in vervoering.
De gelijkenis van den verloren zoon (Lukas 15) was hem
ook bijzonder dierbaar; maar wij bemerkten al spoedig,
dat de persoon van Jezus Christus hem meer dan alle
anderen aantrok, en zoo was het ook met diegenen uit
zijn gevolg, die ons onderwijs getrouw bijwoonden.
De Blanken, die ze alleen door onze personen kenden,
-ocr page 174-
170
stonden hoog in hunne achting aangeschreven — maar
Jezus Christus was hun een bovenmenschelijk ideaal. Zij
erkenden in Hem zoodanig den Godonnsch, dat zij de
Evangelisten niet zouden geloofd hebben, indien deze den
minsten twijfel hadden doen blijken omtrent de boven-
natuurlijke geboorte des Heilands. Zij namen ook zonder
moeite aan, dat Hij de Zaligmaker was. De gedachte aan
verzoening was hun niet vreemd. Voor huislijke of open-
bare rampen waren zij gewoon slachtoffers te brengen, en
van die tot de gedachte, dat iemand als Jezus alle zon-
daren kon redden door voor hen te sterven, was de over-
gang niet moeilijk.
Behalve op godsdienstig gebied, was Moshesch\' werk-
zame geest steeds bezig met eene menigte vraagstukken.
Van elk volk, welks naam wij noemden, wilde hij dadelijk
de geschiedenis weten; en toen hij vernam, dat ook de be-
schaafde volken oorlog voerden, was hij verontwaardigd. —
„Dat wij dit doen," zeide hij, „is natuurlijk, daar wij
slechts de wilde dieren tot voorbeeld hebben; maar gij
zijt kinderen van Hem, die gezegd heeft: Hebt uwe vijanden
lief." Als wij hem trachtten duidelijk te maken, dat de
oorlog zonder persoonlijken haat geschiedde, en dat men
ook de gewonden van den vijand verpleegde, dan steeg
zijne verbazing ten top. „Gij doet het kwade dus met
overleg en zonder boosheid! Nu begrijp ik er niets meer
van, tenzij de oorlog een geesel Gods is, die Hij niet
heeft willen verbreken, om er de menschen mede te
straffen!"
Deze verontwaardiging van Moshesch was niet geveinsd;
hij had een afkeer van bloedvergieten, en dreef den oorlog
niet, dan met tegenzin, enkel tot verdediging van zijn
-ocr page 175-
171
land. Hoewel het hem niet aan persoonlijken moed ont-
brak, had hij zich dikwijls het ongenoegen van zijne onder-
danen op den hals gehaald, doordat hij er zoo gemakkelijk
toe besloot, de eindoverwinning prijs te geven, zoodra de
vijand om vrede smeekte. Niettegenstaande al deze goede
hoedanigheden echter, was op Moshesch het gezegde van
toepassing: Wie de ondeugd niet haat. heeft de deugd
niet lief genoeg.
Dikwijls liepen onze gesprekken met hem over de veel-
wijverij. In het openbaar behandelden wij dit onderwerp
nooit rechtstreeks, overtuigd als wij waren, dat eene her-
vorming op dat gebied slechts de vrucht kon zijn van een
zelfstandig aannemen en verwerken der groote beginselen
van het Christendom. Moshesch zelf evenwel maakte geen
bezwaar, er met ons in het bijzonder over te spreken. Hij
erkende volmondig, dat het beter was, slechts éene vrouw
te hebben; maar zeide tevens openhartig, dat het tegen-
overgestelde gebruik nu eenmaal zoo in het volk, in diens
zeden en gebruiken was geworteld, dat het niet licht —
althans niet bij het tegenwoordig geslacht — zou kunnen
worden uitgeroeid. „De aartsvaders hadden ook meer dan
éene vrouw — zeide hij soms — gij hebt het ons zelf
gezegd; en het heeft heel wat tijd gekost, eerdat gij,
Blanken, u met éene vrouw tevreden steldet."
„Na de komst van Jezus Christus heeft het niet zoo lang
meer geduurd — antwoordden wij — en het is Zijn Woord,
niet dat der aartsvaders, — dat wij u brengen."
Eens trachtte ik hem ook op eene andere wijze te vatten.
Ik wees hem op de steenen, die, hoewel onder den grond
verborgen, niettemin het geheele gebouw droegen, dat wij
hadden opgericht. „Deze steenen — zeide ik — worden
-ocr page 176-
172
door niemand gezien en geprezen, maar toch doen zij
zooveel nut. Zoude het u ook niet eene eere zijn, al was
het ten koste Van zware offers, het fundament te worden
van het op nieuwe grondslagen rustende huisgezin — van
de nieuwe stad, die hier zal verrijzen, en die uwe nakome-
lingen zullen zegenen?"
De vergelijking werd als goed uitgedacht geroemd, doch
maakte geen indruk. Eerst later, onder den invloed van
Gods Geest, zou deze toestand veranderen, \'t Was reeds
veel, dat men ons veroorloofde, zoo openlijk onze meening
over dergelijke onderwerpen uit te spreken.
Wat ons steeds verwonderde, en tevens verblijdde, was,
dat de Inboorlingen zoo weinig partij trokken van de erger-
lijke dingen, die de Bijbel op menige bladzijde mededeelt.
Wij hadden gedacht, dat zij zich hierachter zouden ver-
schuilen, om de buitensporigheden te rechtvaardigen, waarin
zijzelven menigmaal vervielen. Moshesch had evenwel ook
daaromtrent een zeer merkwaardig woord. „Deze dingen
staan in „het Boek" — zeide hij — om ons te beter het
kwade van het goede te leeren onderscheiden. Door het
zien van leelijke menschen, leeren wij de schoone meer op
prijs stellen".
Men begrijpt, welk een behagen wij schepten in gesprek-
ken als deze, met menschen, die nooit in eenige school
waren geweest, en bij wie toch het gezond verstand en het
gevoel van zedelijkheid zoozeer ontwikkeld waren.
Moshesch had nog eene eigenaardige gewoonte. Bij het
aanbreken van den dageraad stond hij altoos even op,
om uit te roepen: „Ah! dia ha!" d. i. „Ik heb het licht
gezien!" Daarna legde hij zich weer ter ruste, om eerst
vrij laat in den ochtend voor goed op te staan. Deze ge-
-ocr page 177-
173
woonte had hij overgehouden uit den tijd, toen zijne
vijanden hem wreed vervolgden, en zij was de dankbetooning
van dezen belangwekkenden Heiden voor het behoud van
zijn leven. Onwillekeurig vroegen we ons af, of wij,
Christenen, ook zoo getrouw waren in het uitspreken van
ons „Ah! dia ha!" tegenover Hem, Wiens Voorzienigheid
ons van de wiegaf zoo liefderijk had geleid en bewaard.
\'t Was bij onze bezr.uken te Ïhaba-Bossiou, dat wij eerst
recht op de hoogte kwamen van al het lijden, dat de
Bassouto\'s te doorstaan hadden gehad voor onze komst.
Ieder bewoner van die plaats wist er het zijne van te
vertellen, en hoe ze als schipbreukelingen op eene rots
gevlucht waren voor de onophoudelijke invallen en het
kanibalisme van de omliggende stammen.
Leeuwen en andere wilde dieren hadden dan ook zoozeer
de overhand verkregen, dat ze zelfs den berg beklommen,
en des nachts om de huizen kwamen zwerven. Menig
staaltje, dat ons de haren te berge deed rijzen, werd ons
daaromtrent nog verteld, en het vreeslijkste, dat ik ooit
hoorde, was het verscheuren van eene der vrouwen van
Moshesch zelven door een leeuw. Ik wil u het verhaal
hiervan sparen, doch men begrijpt dat, na zooveel rampen,
Moshesch en zijn volk een geopend oor hadden voor degenen,
die hun oprechte deelneming toonden, en hun woorden van
troost kwamen brengen.
Zooals men weet, heeft de Vorst zich echter niet be-
keerd dan aan het einde van zijn leven. Niettegenstaande
zijne buitengewone eigenschappen van verstand en hart,
hechtte hij zeer aan rijkdom, en zocht hij zijne schatten
te vermeerderen niet altoos langs eerlijke wegen. Zijn ge-
weten wist hij op dat punt in slaap te wiegen, door zich
-ocr page 178-
174
te vergelijken bij andere bloeddorstige en wreede opper-
hoofden, die hij kende; terwijl zijne beschouwing van het
kwade als een noodlot, hem verhinderde om er wezenlijk
tegen te strijden. Eindelijk overwon toch de Heilige Geest,
en \'s Eonings laatste woorden getuigden van een vast, kin-
derlijk geloof.
-ocr page 179-
XII.
Voortzetting van onzen arbeid te Moria.
Ik kom tot het besluit injj te Thaba-Bossiou
te vestigen.
Den 17den September 1834 mochten wij de voldoening
smaken van ons groote huis te Moria, behoorlijk van ramen
en deuren voorzien, onder dak te zien. Wij vierden deze
heuglijke gebeurtenis door een dankgebed in tegenwoor-
digheid der Inboorlingen, en besloten voor deze gelegen-
heid eene vette koe te slachten, ten einde onze jeugdige
medehelpers te onthalen.
Het gebouw was ruim genoeg om, na aftrek der drie
kamers voor ons persoonlijk gebruik, voorloopig tot kerk
en school te dienen. Op deze wijze behoefden wij niet
weer dadelijk aan het bouwen te gaan — en we hadden
die rust hoog noodig na al dat zagen, timmeren en
metselen.
Het jaar 1835 wijdden wij hoofdzakelijk (op stoffelijk
gebied) aan den landbouw. Deze bezigheid viel bijzonder
in den smaak der Inboorlingen, en ze verlichtten ons het
werk zeer door hunne goede hulp. Reeds spoedig be-
grepen zij de waarde van de „nieuwe grassoort", waaruit
-ocr page 180-
176
wij ons brood bereidden; en weldra kregen wij van alle
kanten aanvraag voor zaden, stekken en jonge planten
van allerlei aard. Toen ze voor het eerst onze perziken,
abrikozen en vijgen proefden, waren ze in verrukking.
Benevens den landbouw legden wij ons ook toe op de
paardenfokkerij. Het paard was hier vóór onze komst
bijna onbekend. Later kwamen op ons aanraden Iersche
paardenkoopers in die streken, en tot algemeen genoegen
ruilden zij hunne waar tegen den dubbelen prijs aan vee
in. Ook honden, katten, varkens , ganzen, eenden en kal-
koenen werden door ons ingevoerd. Kippen waren reeds
van ouden datum bekend, maar de katten vooral waren
den Inboorlingen bijzonder welkom. De hutten dier arme
lieden toch waren ter prooi aan heirlegers ratten en muizen,
zoodat de bloedverwanten van het tijgerras, die ze niet
kenden, en die, zonder ooit iemand te bijten of kwaad te
doen, de plaag verdreven, hun als wonderdoende dieren
voorkwamen, aan wie ze bijna, evenals de Egyptenaars,
goddelijke eere hadden willen bewijzen.
Wat het varken betreft, ik behoef slechts in \'t voorbij-
gaan aan te stippen, welk eene mate van zelfverloochening
wij moesten beoefenen, om dit dier in onzen reiswagen
meê te voeren! En nu zegge men nog, dat de zendelingen
geen oog hebben voor het stoffelijk welzijn hunner geestelijke
kinderen! Eerst waren de Inboorlingen half boos op ons,
dat we zulke vuile dieren hadden meegebracht; maar
weldra leerden zij de goede hoedanigheden van deze on-
ooglijke viervoeters erkennen. Van de inlandsche diersoorten
konden we weinig partij trekken. Het zou ons te ver
voeren, hier al de vruchtelooze pogingen te beschrijven,
die we aanwendden om gnou\'s, struisvogels, zebra\'s en
-ocr page 181-
177
gazellen te temmen, ten einde ze tot huislijk gebruik te
bezigen. Ze waren en bleven allen even wild, wat we ook
beproefden, en eindelijk moesten wij het opgeven.
Het spreekt van zelf, dat de zorg voor landbouw en
veeteelt ons het hoofddoel niet uit het oog deed verliezen.
Onze bezoeken te Thaba-Bossiou werden hoe langer hoe
menigvuldiger, en langzamerhand bezochten wij geregeld
nog vijf andere plaatsen, waar Vorsten woonden, die van
Moshesch afhankelijk waren.
Ook gaven we ons veel moeite voor de inrichting van
onze school, en trachtten de godsdienstoefeningen des Zon-
dags nog meer plechtigheid bij te zetten. In het begin
waren de uitkomsten niet aanmoedigend, maar het was
ook alles nog slechts voorbereidende arbeid. Onder de
Bassouto\'s, die Moshesch had aangewezen om zich te
Moria te vestigen, waren weinig kinderen; \'t waren meest
allen ongetrouwde of pas gehuwde jongelieden. Daarbij
bemerkten wij ook alras, dat, zoo verlangend als
Moshesch zelf naar ons onderwijs was, zoo weinig zijne
zonen en hunne jeugdige makkers dit waren. Ze hadden
te veel eerbied voor ons, om ons openlijk te toonen, dat ze
onze zedelessen op zijn minst genomen vervelend vonden.
In onze tegenwoordigheid zouden zij zich ook aan geen
grove buitensporigheden hebben schuldig gemaakt, doch
we ontdekten al heel spoedig, dat ze in den grond zeer
bedorven waren, en zich schuldig maakten aan allerlei
openlijke zonden.
Het tijdstip van zichtbare vruchten op onzen arbeid, was
dus nog niet aangebroken; maar we predikten ook nog te
kort om te durven hopen, dat ons onderwijs reeds in de
harten had kunnen wortel schieten. Den 9den Januari 1836
12
-ocr page 182-
178
evenwel schonk God ons de vreugde, een onzer jonge
menschen een gebed tot Hem te hooren opzenden, \'t Was
in den avond: op eenigen afstand meenden wij klanken
te vernemen, als van iemand die in droefheid en deemoed
spreekt. Wij naderden behoedzaam — en ja, werkelijk
ontwaarden wij een jongen man, Sekhésa geheeten, die
onder oprechte aandoening aan God vroeg, hem tot Zijn
kind te maken. Men zal begrijpen, hoe onuitsprekelijk
dankbaar wij waren, vooral toen we, na verloop van tijd,
mochten bemerken, dat het eene krachtige bekeering was
geweest. Tot aan zijn dood in 1881 is Sekhésa een trouw
dienstknecht van Jezus Christus gebleven. Later mochten
wij meer dergelijke vruchten op onzen arbeid aanschouwen;
en de meeste dezer bekeerlingen getuigden, dat zij onge-
veer op hetzelfde tijdstip als Sekhésa in het hart waren
gegrepen.
In dien tusschentijd hadden onze broeders en dierbare
vrienden Pellissier en Rolland, tot onze niet geringe vreugde,
zich eveneens in dit land gevestigd, en op eenigen afstand
van ons twee zendingsposten gesticht, Bethulië aan den
oever der Oranjerivier en Berséba aan den Caledon. Dit
was ons in alle opzichten zeer welkom, niet alleen voor
onszelven, maar ook voor de belangen van het werk.
Deze beide plaatsen toch verbonden onze nederzetting aan
de meer noordelijke provinciën der Kaapkolonie, en vorm-
den een vereenigingspunt voor de vele Bassouto\'s, die door
den oorlog overal verspreid waren geraakt, doch die thans,
na onze aankomst bij Moshesch, weder op weg waren naar
het land hunner vaderen.
Zoodra het Parijsche Zendinggenootschap van deze
nieuw gevormde zendingsposten kennis kreeg, liet het ons
-ocr page 183-
179
weten, dat wij ons in geregelde verbinding met hen moes-
ten stellen, om zoodoende de beste middelen te beramen
tot uitbreiding en bevestiging van den wederzijdschen arbeid.
Berséba kozen wij dus als vereenigingspunt, en de slotsom
van ons eerste onderhoud was, dat wij noodzakelijk meer
werk moesten maken van het onderwijs te Thaba-Bossiou;
terwijl het van belang was, dat éen onzer zich voor goed
aldaar ging vestigen, om ons in de achting en belangstelling
van Moshesch staande te houden. Dit strookte volkomen
met mijne gevoelens — en ik bood mij daartoe aan.
12*
-ocr page 184-
XIII.
Vestiging te Thaba-Bossiou. Ik zoek eene Trouw.
Reis van het land der Bassouto\'s, door de
Kaapkolonie naar Kaapstad.
Zoo was dan het groote besluit genomen, doch de uit-
voering bood zooveel moeilijkheden aan, dat ik wel eens
op het punt stond, mij af te vragen: „Ben ik ook te
haastig geweest? zou God mij dezen weg wel hebben
aangewezen ?"
Het afscheid van mijne vrienden was mij onuitsprekelijk
zwaar; en zij zochten van hun kant allerlei voorwendsels,
om mij nog wat bij hen te houden. Moshesch evenwel,
aan wien ik mijn plan had meegedeeld, was er niet alleen
mede ingenomen, maar zette mij zelfs aan, zooveel mogelijk
spoed te maken met de uitvoering, en dat wel om ge-
gronde redenen. Met zijne gewone scherpzinnigheid voerde
hij aan, dat zijne raadslieden, ziende op de verandering,
die ons optreden noodzakelijk in de zeden en gewoonten
des lands moest teweegbrengen, ons niet altoos genegen
zouden blijven. Om dezen tegenstand in het oog te houden
en te beteugelen, wenschte hij zoo spoedig mogelijk een
der zendelingen in zijne onmiddellijke nabijheid te hebben.
Later zou hij hiertoe misschien eene daad van macht en
-ocr page 185-
181
geweld moeten gebruiken, en dit zou ons, zoowel als hem,
onaangenaam zijn.
Op zekeren dag verzamelde ik dan al mijn moed, en
ving zonder dralen de toebereidselen tot mijne verhuizing
aan. Deze bestonden allereerst in eene reis naar Coles-
berg, om mij de allernoodigste voorwerpen voor mijne huis-
houding aan te schaffen. Onze gemeenschappelijke voorraad
was zóo gering, dat mijne makkers hiervan niets konden
missen.
Behoorlijk — of liever onbehoorlijk — door de weinige
winkeliers van Colesberg uitgemergeld, keerde ik met het
noodige terug; en nu was het oogenblik voor mij gekomen,
om een geheel nieuw leven aan te vangen. Gosselin bood
zich met zijne gewone hulpvaardigheid aan, om mij te
helpen bij het bouwen mijner woning. Zoo vertrokken
wij met ons beiden op\' een morgen in de richting van
Thaba-Bossiou. Aan een bosch in de nabijheid van de
bergvesting gekomen, maakten wij halt, en begonnen
ijverig boomen te kappen en riet te snijden. Dit was het
eerste dagwerk, gevolgd door vele andere onder de meest
belemmerende omstandigheden, \'t Was namelijk in den
regentijd, en telkens waren wij genoodzaakt den arbeid te
staken, om tegen de stortbuien eene veilige schuilplaats
te zoeken. Onze reiswagen bood die niet meer aan; het
regende daar, door de versleten kap, even hard als onder
den blooten hemel. Wij zochten en vonden dus een beter
toevluchtsoord in eene holte van de naastbijzijnde rotsen.
In deze kleine, geheel met klimplanten begroeide grot,
konden wij ons verlustigen in het gekir en gekeuvel van
tallooze houtduiven, die er zich hadden gevestigd, en die
ons tevens bij tijd en wijle een zeer gewenscht en smakelijk
-ocr page 186-
182
voedsel verstrekten. Het ging ons wel aan \'t hart, «leze
vreedzame diertjes op zoo verraderlijke wijze te behandelen;
maar van Moria konden wij, om den regen, geen levens-
middelen bekomen, en Moshesch zond ons eiken ochtend
slechts wat melk. In dat land toch is het eene aangenomen
gewoonte, in den regentijd maar niet te koken, daar men
anders voor den rook wel uit de hutten zou moeten vluch-
ten. We waren dus wel genoodzaakt door de duivenjacht
in ons onderhoud te voorzien.
Intusschen roofde de regen ons veel tijds. Gosselin, die
mij zoo trouw ter zijde had gestaan, begon te gevoelen,
dat andere en hooger plichten hem riepen. Hij had
namelijk eenige duizenden pasgevormde baksteenen te
Moria achtergelaten, welke dienen moesten tot het bouwen
van eene school, waarvan hij de fondamenten reeds had
gelegd. Dit alles nu vereischte dringend zijne zorg en
tegenwoordigheid, zoodat hij op zekeren dag, hoe gaarne
hij nog wat gebleven ware, gebruik maakte van eene
droge bui, om zijn paard te zadelen, zijn geweer om te
hangen, en, na mij \'sHeeren zegen te hebben toegewenscht,
mij alleen te laten.
Ware mijne taak minder omvangrijk geweest, ik had
misschien aan moedeloosheid toegegeven, nu ik zoo geheel
alleen stond. Gelukkig evenwel had ik niet veel tijd tot
mijmeren. Mijn hutje moest af; en zoo spoedig mogelijk
diende ik een aanvang te maken met het geven van on-
derwijs, het doen van bezoeken, de geregelde prediking
en het geven van raad en bijstand aan de Inboorlingen
voor de verbetering van den landbouw en het veranderen
hunner huizen. Waar zou ik voor dat alles tijd vinden,
als men bedenkt, dat ik tevens voor mijn dagelijksch
-ocr page 187-
183
onderhoud, het verstellen mijner kleederen en het hand-
haven van orde en reinheid om mij henen, zorgen moest!
Hoemeer ik mijn eenzaam leven overzag, hoemeer ik
tot de overtuiging kwam: „Van tweeen éen: öf God heeft
dezen weg niet voor mij gewild, öf ik moet eene levens-
gezellinne hebben." Deze gedachte deed mij eene koude
rilling door de leden varen! Eene levensgezellinne — ja,
dat was het ideaal; doch waar ter wereld zou ik die
vinden, begraven als ik was in de binnenlanden van
Afrika! De gedachte van belachelijk te zijn heeft mij
altoos als verstijfd; en wanneer ik mijzelven voorstelde,
half verwilderd als ik reeds geworden was, geheel op mijn
eentje door die uitgestrekte Kaapkolonie zwervende om
eene vrouw te zoeken, dan werd het mij bange, en zag ik
reeds een spotachtigen glimlach spelen om de lippen van
hen, met wie ik in aanraking zou komen!
Zulke overleggingen schudde ik evenwel van mij af; en
na rijp beraad kwam ik tot de overtuiging, dat, zoo ik
in den weg der middelen geen vaderlijke tusschenkomst
Gods ontmoette, ik mij dan overtuigd kon houden, dat
Hij mij riep om Hem te dienen in een land, waar men
zendeling kan zijn zonder, zooals Paulus zegt, eene vrouw,
eene zuster zijnde, met zich om te leiden. Ik zou dan aan
mijn Genootschap vragen, mij naar China of Indië te
verplaatsen. Nog een geruimen tijd overdacht ik dit een en
ander, doch eindelijk werd het mij te zwaar; en voelende
dat het tot eene beslissing moest komen, daar mijne ge-
zondheid eronder begon te lijden, besloot ik naar Moria
te vertrekken, niet wetende waar de reis zou eindigen.
Mijne vrienden keurden het plan op zichzelf volkomen
goed, maar konden zich niet begrijpen, hoe de avontuur»
-ocr page 188-
184
lijke toepassing, die ik er aan geven wilde, in mijn brein
was opgekomen. De volgende dag zou mij echter eene
kleine bemoediging brengen. Ik had zorg gedragen, reeds
eenigen tijd geleden, aan mijne moeder en aan de heeren
van het Parijsche Genootschap van mijn voornemen kennis
te geven, en nog steeds wachtte ik hierop een antwoord.
Dit nu kwam juist den dag na mijne aankomst te Moria.
Toen ik een Inboorling met een langen stok, waaraan een
pak was gebonden — dit is de wijze, waarop zij de brieven
overbrengen, om ze niet te beschadigen, — zag naderen,
zeide ik tot mijne broeders: „Ge zult zien, dat hier iets
zijn zal om mijn besluit te bevestigen." En zoo was het.
Een brief van mijne moeder bracht mij hare volle toe-
stemming; en de heeren van het Genootschap zonden mij
hunne beste wenschen voor alles, wat ik noodig achtte om
mijn toestand te verbeteren, of mijne ambtsbediening te
verlichten.
Vijf dagen later was ik reeds te Berséba bij mijnheer
en mevrouw Rolland, waar mij nog meer bemoediging
wachtte. Mevrouw Rolland zeide mij, iemand in Kaapstad
te kennen, wier naam haar dikwijls in gedachten kwam
tegelijk met den mijne — maar, voegde zij er bij, „zij
heeft eene slechte gezondheid."
„Zeg mij geen woord meer!" antwoordde ik — en niet
lang daarna was ik op reis. Deze reis in bijzonderheden
te verhalen, zou mij te ver voeren. Slechts enkele herin-
neringen, zoowel van persoonlijken als van meer algemeenen
aard, wil ik ervan aanstippen.
In mijn ouden reiswagen, van het allernoodigste voor-
zien, als: wat koffie, suiker, beschuit, rijst, meel en een
schaap, op de reeds beschreven wijze der Kaapsche boeren
-ocr page 189-
185
gevild, achter in het voertuig opgehangen, ondernam ik
den tocht met twee stevige jonge Hottentotten, die mijne
ossen moesten aandrijven. Zonder hunne hulp zou het
bewuste schaap waarschijnlijk geheel en al eene prooi der
vliegen zijn geworden ; want ikzelf voelde mij te ziek en te
afgemat, om iets anders te gebruiken, dan eene beschuit
in koffie geweekt.
Zoo sukkelden wij eenige dagen voort, totdat wij op
een morgen, omstreeks 10 uur, niet ver van Graaf-Reinet,
twee zeer nette reiswagens ontmoetten. Dien dag was ik
bijzonder lijdende, daar zich kenteekenen van dyssenterie
vertoond hadden. Ik zag de wagens wel, en herkende
daarin twee goedgekleede jongelieden, maar ik gaf mij
bijna geen rekenschap van wat ik zag. Eerst een poosje
later ging mij plotseling een licht op. Ik herinnerde mij
te Moria gehoord te hebben, dat twee mijner kennissen,
Daumas en Lauga, van plan waren onze streek te hezoeken.
Terstond gelastte ik een onzer menschen de reiswagens
te achterhalen, en den heeren te vragen, of ze zoo goed
wilden zijn, even terug te rijden. Eenige oogenblikken
later hoorde ik de dierbare klanken mijner moedertaal, en
met een vroolijk: „Wat, zijt gij het, zijt gij het werkelijk,
oude jongen?" vlogen mijne vrienden mij in de armen, en
toonden mij zoo luidruchtig hunne vreugde, dat ik—zwak
als ik was — meende te bezwijmen.
„Arme vriend, wat ziet ge er uit, en welke kleêren! Kom
hier, we zullen u wel bijbrengen!" en met deze woorden
droegen ze mij — om zoo te zeggen — in een hunner
wagens, en reden een eindweegs terug in de richting van
waar zij gekomen waren, om halt te maken op eene belom-
merde plaats, die zij des morgens verlaten hadden, en waar
-ocr page 190-
186
zij een paar dagen met mij wilden doorbrengen. In een
oogwenk lag er een schoon, wit tafellaken op het gras
uitgespreid, waarop allerlei voor mij sedert lang onbe-
kende lekkernijen werden geplaatst: tarwebrood, blikjes
sardines, confituren en eene flesch echte Bordeaux! „Gij
hebt honger!" riepen mijne gulle vrienden. „Sedert wan-
neer vast gij? Ge zijt zoo mager! Wacht, een glas wijn
zal u opknappen!" En in hunne goedhartigheid maakten
zij het mij zoo druk, dat ik hun vriendelijk moest ver-
zoeken, wat bedaarder te zijn.
Zachtjes aan kwam ik evenwel bij, en kon hunne vragen
beantwoorden. Mijne kleeding was nu aan de beurt, en
met de grootste mildheid noodigden zij mij uit, mij toch
van alles uit hunne koffers te voorzien. Daarna kwam het
gesprek op ernstiger onderwerpen; en ik herleefde, toen
ik mocht vernemen, dat de belangstelling voor de Zending
algemeen grooter werd. Zoo vlogen een paar dagen voor-
bij ; en toen het uur van scheiden gekomen was, voelde ik
mij weder bemoedigd en versterkt naar lichaam en ziel,
om mijn tocht voort te zetten, en de moeielijkheden te
trotseeren, die mij bij het weder binnentreden der be-
woonde wereld wachtten.
Twaalf dagen later was ik te Port-Elizabeth aan de
Algoabaai. Ik had gehoopt daar een schip zeilreê voor
de Kaap te zullen vinden, maar het eerstvolgende vertrok
pas over drie weken. Er bleef mij dus niets anders over,
dan de reis te paard te doen. Op deze wijze moest ik
vijfhonderd mijlen afleggen, onder eene tropische hitte en
met het vooruitzicht van nergens een hotel te vinden. Ik
kon evenwel rekenen op de gastvrijheid der kolonisten en op
eene gulle ontvangst bij de verschillende zendingsposten.
-ocr page 191-
187
Den eersten avond bereikte ik Hankey, een lachend
dorpje, dat den naam draagt van een der oprichters van
het Londensche Zendinggenootschap. Aan het huis van
den predikant, den heer Melvill, stapte ik af, en werd op
de hartelijkste wijze ontvangen door zijne vrouw, die mij
terstond naar een koel vertrek geleidde, waar mij een
overvloed van geurige vruchten werd voorgezet. Men kan
zich niet voorstellen, hoezeer de vermoeide reiziger in
Afrika deze rijke gaven Gods op prijs stelt!
Doch waar was de heer Melvill? Deze vraag zou mij
weldra beantwoord worden. Nadat ik mij voldoende ver-
kwikt had, wenkte mijne vriendelijke gastvrouw mij, haar
te volgen. Zij leidde mij naar de kerk, en daar zag ik
aan den voet van den preekstoel een man, liggende op
eene rustbank. Dat was de predikant van Hankey. Hij
ontving mij met een vriendelijken glimlach, drukte mij
hartelijk de hand, en vertelde mij, hoe hij door eene
pijnlijke ziekte verhinderd was, den kansel te beklimmen
en zijn herderlijk werk te verrichten. Nu was deze rust-
bank zijn preekstoel, terwijl hij daar tevens een ieder
ontving, die hem wenschte te spreken. „Ik weet, van
waar gij komt, en wat uw werk is," zeide hij tot mij.
„Het was eens ook mijne begeerte, op dat veld werkzaam
te zijn, doch de Heere heeft het anders gewild. Nieuwe
volken voor Hem te winnen, welk een voorrecht! Maar
ik moet dit aan anderen overlaten, en heb slechts over
mijn\' Heiland te spreken met die zielen, die naar Hem
wenschen te vragen. Ik wacht hier de oproeping van mijn\'
Meester!"
Die oproeping zou weldra komen; doch, wat mij betrof,
ik leerde van dezen nederigen discipel des Heeren heel
-ocr page 192-
188
wat omtrent zelfverloochening en toewijding aan het zen-
dingswerk. De zoon van den ons reeds welbekenden heer
Philip werd later de opvolger van den heer Melvill. Hij
deed veel voor de uiterlijke welvaart van Hankey, daar
hij de wateren der Gamtoos door een kanaal naar die
plaats afvoerde. Bij eene overstrooming der rivier verloor
hij op noodlottige wijze het leven, en rust nu naast zijne
ouders, aan wie het overblijfsel van den Hottentotschen
stam het bestaan en de vrijheid te danken heeft.
Van Hankey zette ik koers naar Pacaltsdorp, een
anderen zendingspost, eveneens toebehoorende aan het Lon-
densche Genootschap. De streek, die ik gedurende drie
dagen doorreisde, leverde een alleraangenaamste tegen-
stelling op met de overige gedeelten der Kaapkolonie, die
mij tot nu toe bekend waren. De lucht was er frisch,
en de plantengroei weelderig. De districten Langekloof
en Outeniqua zijn bezaaid met boerderijen, die geheel een
Europeesch voorkomen hebben. Bij de meeste kolonisten
was mijn titel van zendeling geen aanbeveling — bij som-
migen echter wachtte mij een gastvrij onthaal.
Éen voorbeeld wil ik noemen, \'t Was bij een grijsaard,
„Zondag" genaamd, dien ik ongelukkig op eene voor hem
niet zeer aangename wijze verraste. Omstreeks acht uur
in den avond naderde ik zijne woning. Ten einde het
minder warm te hebben, had ik mij geheel in het wit
gekleed, en verscheen op deze wijze voor den goeden man,
die juist een luchtje wilde scheppen voor de deur zijner
woning. Toen hij mij zag, riep hij geheel verschrikt: „Een
spook! een spook!" waarop ik hem natuurlijk geruststelde
met de verzekering, dat ik geen spook, maar een Fransch-
man was. Deze naam maakt altoos een gunstigen indruk,
-ocr page 193-
189
daar de meeste kolonisten aan Fransche uitgewekenen ver-
want zijn. Hij noodigde mij uit, binnen te komen, en tot
mijne vreugde mocht ik bemerken, dat mijn nieuwe vriend
een eenvoudig, maar vroom man was. Wij onderhielden ons
langen tijd te zamen; "en toen ik den volgenden ochtend
vertrok, mocht ik de zekerheid medenemen, dat wij
elkander, zoo niet hier dan toch hiernamaals, zouden
wederzien.
In den loop van dien dag bereikte ik Pacaltsdorp.
Evenals te Hankey genoten de Hottentotten hier nog eene
zekere mate van onafhankelijkheid. De Boeren hadden
aan dit plaatsje den naam van Hooge Kraal gegeven,
omdat het op eene verhevenheid ligt. In 1813 regeerde
daar een opperhoofd, Dikkop geheeten, die — zijn hoofd
moge dik zijn geweest of niet — genoeg gezond verstand
bezat om te begrijpen, dat eene zedelijke zoowel als eene
stoffelijke verbetering voor zijne onderdanen hoog noodig was.
Hij vroeg daarom aan het Londensche Genootschap een
zendeling; en men zond hem een man, die in alle op-
zichten uitnemend geschikt was om hem ter zijde te staan.
Pacalt, van Duitsche afkomst, was met een prak-
tischen geest begaafd, en vond er geen de minste zwarig-
heid in, om zich te midden van dat verachte volk te
vestigen. Ten einde verdere verbrokkeling tegen te gaan,
liet hij de Kraal door een muur omringen. De grond
werd onder de hoofden der huisgezinnen verdeeld, op
voorwaarde, dat zij, volgens een vast bestek, nette huizen
zouden bouwen, met een tuin er omheen. Midden in het
dorp deed Pacalt eene kerk , eene school, zijn eigen huis
en verschillende gebouwen voor algemeen gebruik ver-
rijzen. Niet ver van het strand bouwde hij een toren,
-ocr page 194-
190
van welken vreemde bezoekers het gezicht op de zee
zouden kunnen genieten; en waai\' zij, bij wijze van hotel,
een nachtverblijf konden vinden. De goede man had
echter niet bedacht, dat uilen en zeemeeuwen het on-
mogelijk zouden maken, daar een oog dicht te doen. Ik
moest dit althans ondervinden.
De opvolger van Pacalt, de heer Anderson, ontving mij
zeer hartelijk. Lang was hij ouder een zwervenden stam
van Hottentotten werkzaam geweest, en hij voelde al zijn
ijver weder ontwaken, toen hij met mij aan het praten
geraakte. Voor zijne nog jeugdige krachten vond hij te
Pacaltsdorp genoegzame bezigheid, doch zijne zeer leven-
dige verbeelding was er als aan banden gelegd. Hij deed
mij allerlei vragen, en herleefde bij al hetgeen ik hem
vertelde. Ik van mijn kant genoot ervan, zijne wei-
beschaafde Hottentotten in het kerkgebouw vereenigd te
zien, om met de meeste aandacht zijne levendige, zielvolle
prediking aan te hooren.
Dank zij de goede zorg van den heer Anderson, kon ik
mij zonder veel moeite een gids en andere paarden ver-
schaffen , daar mijne dieren te vermoeid waren, om de
reis verder voort te zetten. Na een hartelijk afscheid
verliet ik Pacaltsdorp, om mijne reis voort te zetten tot
„Gnadenthal," eene nederzetting der Hernhutters, van waar
ik Kaapstad per rijtuig bereiken kon. Hoemeer ik de
hoofdstad der Kolonie naderde, hoemeer vrijheid en ruimte
van opvatting ik bij de Boeren bemerkte. Het vooroordeel
te,gen de zendelingen ontmoette ik hoe langer hoe minder;
en zelfs werd ik eens in de gelegenheid gesteld, bij een\' baas
Van Wijk het Evangelie aan slaven te verkondigen. Bij deze
gelegenheid en meer andere heb ik er mij rekenschap van
-ocr page 195-
191
kunnen geven, hoe het mogelijk was, dat vrome kolonisten
als het ware recht van bestaan hebben toegekend aan de
instelling der slavernij, terwijl zij vinden, dat wij haar in
Europa veel te streng beoordeelen. Meesters en slaven
vormden al te zamen éene groote familie, die met belang-
stelling het Woord Gods hoorde verkondigen.
Na eenige vermoeiende dagreizen bereikte ik Genadedal, on-
der de grootste hitte, die ik mij herinner ooit beleefd te hebben;
en ik kan op dat punt van heel wat ondervinding gewagen!
Tegen 12 uur kwam ik aan den ingang van eene smalle
vallei, die al breeder en breeder werd, en waar mijn
gehoor terstond aangenaam werd gestreeld door het
ruischen van eene frissche beek. Weldra vertoonden zich
nette huisjes aan weerszijden van den weg; en hoe verder
wij kwamen, hoemeer deze woningen het karakter van
heusche huizen aannamen. Mijn Hottentotsche geleider scheen
hie;1 goed bekend. Hij nam mij van terzijde met een glim-
lach op, om mijn indruk waar te nemen, groette rechts en
links, en zeide aan sommige voorbijgangers wie ik was,
waarop hij een vriendelijk: „Dank u!" ten antwoord kreeg.
Aan het eigenlijke dorp gekomen, hield mijn gids plot-
seling stil voor een huis, waar de Hernhutter broeders
de vreemdelingen wenschten te zien afstappen om zich te
kunnen verfrisschen, voor dat zij met elkander kennis maak-
ten. Dadelijk vatte een knap uitziende Neger de teugels
van mijn paard; en geen vijf minuten later bevond ik mij
in een overheerlijk koel vertrek met gewitte muren, waar-
van de helle weerschijn werd getemperd door de schaduw
der voor het raam geplante struiken en bloemheesters.
De huisvrouw, eene zwaarlijvige Hottentotsche, kwam aan-
stonds binnen met vruchten en koffie, terwijl ze mij vrien-
-ocr page 196-
192
delijk uitnoodigde, wat uit te rusten vóór dat de etensbel
zou gaan. Aan tafel zou ik wel kennis maken met de
broeders. „Heb ik nog tijd om een dutje te doen?" vroeg
ik. „O, wel zeker!" antwoordde zij met een moederlijken
glimlach; „ik zal u wel komen wekken!"
Dit was echter overbodig. Wel strekte ik mij op het bed uit,
en sloot de oogen, maar ik had te veel te denken om werkelijk
te kunnen slapen. Hier was ik dus te Gnadenthal — dat
Dal van Genade, voorheen de Baviaansvallei — eene ver-
blijfplaats der apen. Hier kwam in 1736 de edele George
Smith, om eene eerste zendingspoging te wagen onder
de arme Hottentotten — eene poging, die door de vijandige
Boeren op barsche wijze verijdeld werd. En thans ging
ik de vruchten zien van wat andere Hernhutter broeders
56 jaar na hem hadden ondernomen.
Toen de bel zich deed hooren, was ik spoedig genoeg
op de been, en zonder moeite vond ik de niet ver van
mijne kamer verwijderde eetzaal. Bisschop Teutsch heette
mij hartelijk welkom. De titel van Bisschop geeft bij deze
Christenen geen ander recht, dan de plicht van een
vaderlijk toezicht over de broeders.
Aan eene, van eenvoudige spijzen weivoorziene, tafel
namen de zendelingen met hunne vrouwen plaats. De aan-
blik van hunne eigenaardige eenvoudige kleederdracht te
beschrijven zou nog gaan, maar onbeschrijflijk was de
liefdevolle vreedzame uitdrukking op hunne gelaatstrekken.
Alle broeders gaven mij de hand, en toen werd een lied
aangeheven; dit is hunne wijze van gebed en dankzegging
aan tafel. De bisschop noodigde mij uit, naast hem plaats
te nemen, en vertelde mij eenige belangrijke bijzonderhe-
deu omtrent deze nederzetting.
-ocr page 197-
193
Iedere broeder woont er met zijne familie afzonderlijk,
doch allen vcreenigen zich aan den maaltijd. De vrouwen
nemen om beurten, bij de week, de zorg voor het gemeen-
schappelijk huishouden waar. Onder de broeders, die ik
vóór mij zag, waren eigenlijk slechts twee zendelingen. De
overigen gingen wel voor in gebed en vermaning, zoowel in
het openbaar als in het bijzonder, doch zij waren meer bepaald
aangesteld om opzicht te houden over het leeren der In-
boorlingen, en om hun onderwijs te geven in verschillende
ambachten, het gemeenschappelijk onderhoud der neder-
zetting of de beschaving der Inboorlingen ten doel hebbende.
Deze laatsten maken, ieder op hunne wijze, deel uit van
de groote familie te Genadedal, die uit 2000 leden bestaat.
Sommigen zijn lidmaten der kerk; anderen zijn slechts wat zij
noemen „aanbidders", maar het feit, dat zij tot de ge-
meente der Broeders worden toegelaten , brengt meê, dat
ze alle Heidensche of wereldsche gebruiken afzweren. Allen
werken te zamen, en de gemeenschappelijke winst wordt in
éen fonds gestort, waarna de verdeeling geschiedt, volgens
vaste regels en op een door allen goedgekeurden en aan-
genomen grondslag. Zonder uitzondering zenden zij hunne
kinderen naar de Zendingschool, waarna hun door een
der broeders een ambacht wordt geleerd.
Zooals licht te begrijpen valt, wekten deze bijzonder-
heden in de hoogste mate mijn verlangen op, om de in-
richting met eigen oogen te zien, en de gelegenheid daartoe
werd mij na den maaltijd aangeboden. Welk een verschil
met het vroegere dorp! Rondom een vierkant plein zijn
de huizen der broeders en de gemeenschappelijke magazijnen
gebouwd, die een frisch voorkomen hebben met hunne geel
gekalkte muren, waarvan de weerschijn getemperd wordt
13
-ocr page 198-
194
door de daarvoor geplante boomen. Midden op het plein
verrijst de kerk met haar spitsen toren; zij kan ruim 2000
toehoorders bevatten.
De scholen, die wij in de eerste plaats bezochten, waren
voortreffelijk ingericht: éene voor de allerkleinste kinderen,
éene voor de jongens en éene voor de meisjes. Het onder-
wijzend personeel bestond uit Hottentotten j de kinderen
waren net gekleed, en zongen, zooals ik wel verwacht
had, zeer goed. Een eindweegs verder waren eenige vrouwen
bezig in stroomend water goed te wasschen, waarbij de in
de inrichting vervaardigde zeep ruimschoots werd gebruikt.
Iets hoogerop bracht de beek de zware raderen van een
molen in beweging; dit was de messenmakerij, waar ik
mij terstond een paar flinke, bij de kolonisten zoo gunstig
onder den naam van „hernhutters" bekende, messen aan-
schafte. Nog een paar werkplaatsen, als eene houtzagerij en
eene wagenmakerij, werden mij getoond. Van deze laatste zijn
de welbekende Kaapsche voertuigen grootendeels afkomstig.
De werklieden waren zonder uitzondering Inboorlingen.
Langs goed bebouwde moestuinen en korenvelden bracht
mijn geleider mij naar eene plaats, voor welker ingang
op het hek te lezen stond: „Zij worden gezaaid in
verderfelijkheid". Dit was het kerkhof van Genade-
dal, waar de zendelingen zoowel als de Inboorlingen te
zamen in vrede nederliggen. De zendelingen hebben zich
slechts éen recht voorbehouden, n.1. om naast elkander
aan den ingang van de rustplaats te worden begraven.
Geen ander gedenkteeken dekt hun graf dan eene leien
plaat, ter grootte van 18 c.M. in het vierkant, met hun
naam en den datum van geboorte en overlijden. Stil-
zwijgend wandelde ik dezen doodenakker over, toen mijn
-ocr page 199-
195
oog viel op het opschrift aan den uitgang: „Zij worden
opgewekt in heerlijkheid".
De avond was gedaald, en de kerkklok deed zich hooren.
„Wij hebben de gewoonte," zeide mijn geleider, „ons nog
des avonds in Gods huis te vereenigen." Ik volgde hem. Het
gebouw was reeds gevuld met werklieden, vrouwen en kinde-
ren. Een der broeders, die als voorganger dienst deed, hief,
zonder aanduiding van nommer of vers, een lied aan
daf allen kenden, en waarmee de gansche gemeente wei-
luidend instemde. Hierna las hij een gedeelte uit Gods
Woord; wederom werd een lied gezongen, en bij het heen-
gaan gaf men elkander de hand, met een gemoedelijk:
„Slaap gerust!" — Nu, wat mij betreft, ik sliep gerust,
vermoeid naar het lichaam en met eene onuitsprekelijke
gewaarwording van vrede in mijne ziel!
Den volgenden dag wijdde ik aan eene nauwkeurige ken-
nismaking met de gezonde voortreffelijke levenswijze dezer
eenvoudige nijvere Christenen; waarop ik niet dan met
weerzin, deze plaats verliet om mijne reis verder voort te
zetten. Van Genadedal naar Kaapstad behoefde ik niet
meer voor paarden en gidsen te zorgen — ik bevond mij
thans op het gebied van den geregelden postdienst.
13*
-ocr page 200-
XIV.
God bezegelt mijne roeping.
Tegen den avond bereikte ik het einddoel mijner reis,
vast besloten gedurende minstens eene maand mijne plan-
nen te verzwijgen. Niet onwelkom was het mij, dat de
schaduw van den nacht mijn intrek in de stad als \'t ware
dekte; want ik gevoelde mij niet op mijn gemak in dit
centrum der bewoonde wereld. Natuurlijk richtte ik het
eerst mijne schreden naar de woning van mijn ouden
vriend, Dr. Philip. Hij ontving mij met open armen,
alsof ik zijn zoon geweest ware, en lachte mij een weinig
uit over mijne verwildering. In het ruime slaapvertrek,
dat hij mij aanwees, kon ik rustig nadenken over het
vreemde van mijn toestand en de omstandigheden, waarin
ik mij bevond, maar ik bleef er bij: niemand zou het doel
mijner komst weten! Aan Godzelf wilde ik de leiding
van alles overlaten; en het was mij, met het oog daarop,
bijna eene verlichting, te hooren, dat Dr. Philip over
eenige dagen naar Engeland moest vertrekken. De goede
man toch had er een bijzonder genoegen in, om huwe-
lijken te maken.
Den volgenden ochtend vroeg ging ik naar do haven,
-ocr page 201-
197
om den frisschen zeewind te mogen inademen en van het
gezicht der schepen te genieten — die schepen, waarvan
sommige naar Europa vertrokken, en in wier schuimend
spoor ik als een visioen van het vaderland meende te
bespeuren. Als om de begoocheling te voltooien, hoorde
ik weldra de geliefde klanken mijner moedertaal om mij
henen; en ik kan niet zeggen, met welk een genot mijn oor
die welbekende, aan mijn geheugen bijna ontsnapte spreek-
wijzen en uitroepen indronk, als waren ze muziek geweest.
Het platte antwoord van eenige matrozen op mijne ont-
roerde vragen bracht mij weldra tot de werkelijkheid terug.
Eene gewichtige zaak riep mij bovendien naar de stad, en
wel de zorg voor mijne kleeding. Een jonge Mulat, met
wien ik den vorigen dag bij Dr. Philip kennis had ge-
maakt, was mij hierin op de vriendelijkste wijze behulp-
zaam. „Bekommer u daar niet over," had hij mij geant-
woord, toen ik hem den deerniswaardigen toestand van
mijn kleerkast had blootgelegd, „er is hier een winkel,
waar gij van alles kunt krijgen: kom slechts meê."
Weldra waren wij in een geheel Europeesch magazijn,
waar ik zonder moeite vond, wat ik hebben moest. „Hier
is nog een das naar den laatsten smaak," zeide mijn
vriend gekscherend, „zoudt gij die er niet bijnemen?" —
„Neen," antwoordde ik, „die is veel te mooi voor een
zendeling." — „Zijt gij zendeling?" vroeg nu op hare
beurt een jong meisje, blijkbaar de dochter des huizes,
die opzicht over de zaken hield. „Kent gij dan wellicht
ook Mevrouw Rolland, die met haar man in het Bassouto-
land woont?" — „Wel zeker," antwoordde ik, „slechts
korten tijd geleden was ik nog bij haar."
Terwijl wij dit gesprek voerden, had ik mijne beurs uit-
-ocr page 202-
198
gehaald, meenende de rekening te kunnen betalen, doch
ik had niet genoeg geld bij mij. — „Laat u dat niet bekom-
meren: het pak zal aan uw adres bezorgd worden met eene
kwitantie, die ge dan wel zult voldoen." — „Neen, dank
u," antwoordde ik kortweg, verlegen over mijne onbedacht-
zaamheid , „ik zal het pak morgen zelf komen halen."
Den volgenden ochtend trad ik met de beurs in de hand
den winkel binnen, mijn pak met de oogen zoekende, toen
de vrouw des huizes zelve, Mejuffrouw Williams, mij tege-
moet trad, vragende of ik de persoon was, die aan hare
dochter gezegd had, Mevrouw Rolland te kennen. Op mijn
bevestigend antwoord nam zij mij meê naar hare huis-
kamer, noodigde mij uit, naast haar plaats te nemen, en
ontving mij in éen woord allervriendelijkst. Zij vertelde
mij, dat Mevrouw Rolland, vóór haar huwelijk, bij haar aan
huis had gewoond, en bijna eene tweede dochter voor haar was
geweest. Natuurlijk deed zij mij honderd vragen omtrent
haar tegenwoordig verblijf, haar werkkring, enz. en toen ik
heenging, moest ik beloven den volgenden dag te komen eten.
Middelerwijl had ik in den loop van het gesprek be-
merkt, dat de dochter des huizes, met wie ik het eerst
had kennis gemaakt, niemand anders was, dan de jonge
dochter, over wie Mevrouw Rolland mij had gesproken.
Mijnheer Williams, haar vader, stelde groot belang in al
wat het Koningrijk Gods in \'t algemeen en den zendings-
arbeid in \'t bijzonder betrof. Den volgenden dag was het
gesprek aan tafel zeer levendig; en ik was in de gelegen-
heid op te merken, dat de gezondheid der dochter, waar-
van Mevrouw Rolland mij als zwak gesproken had, zich
scheen hersteld te hebben. Na een genoeglijken avond
nam ik afscheid met het bewustzijn, dat God mij den weg
-ocr page 203-
199
had gewezen en eene deur geopend. Een paar maanden
biddend overleg waren mij echter onmisbaar, en dezen tijd
vergunde de Heere mij op eene nuttige wijze in zijn dienst
te besteden.
Zooals ik vroeger reeds zeide, bevat de Kaapstad eene
menigte Mahomedanen, meest allen vrije handwerkslieden ,
van de Soenda-eilanden daarheen gekomen, tijdens de
Hollandsche heerschappij. Nu was het doel der Kaapsche
Christenen steeds, deze Mahomedanen te bekeeren, en
tot dien einde had men eene zending onder hen begonnen,
aan wier hoofd de evangelist Vogelsang stond.
Met dezen kwam ik in kennis, en weldra noodigde hij
mij uit, hem in zijn werk te helpen; hetgeen ik des te
gereeder aannam, daar mijne eerste opleiding, gelijk men
zich herinneren zal, voor de te Algiers wonende Muzel-
mannen was geweest. Niets is echter moeilijker, dan met
een Mahomedaan te redetwisten. Zeer bereidwillig werden
wij in hunne vergaderingen toegelaten; zij luisterden gedul-
dig, naar wat wij te zeggen hadden — maar van overtui-
gen was geen sprake! Buitendien sluiten zij hunne gelederen
zóo nauw aaneen, dat, al wilde een enkele hunner blijken
van instemming geven, de anderen hem dit beletten zou-
den. Wij konden het aan hunne blikken zien, waarin
dood en verderf te lezen stonden voor de zwakken.
De persoonlijkheid wordt bij de Muzelmannen gedood,
door den angst van eene breuk in hunne gelederen te
zien ontstaan. Het eenige, wat eene kleine kans van hen
te winnen oplevert, is een gesprek onder vier oogen.
Ik heb letterlijk versteld gestaan bij het zien van den
verderfelijken invloed, dien het fatalisme bij deze onge-
lukkigen heeft teweeggebracht. Zij nemen aan, dat God,
-ocr page 204-
200
het kwade toelatende, geen genoegdoening daarvoor be-
hoeft tegenover Zijne gerechtigheid. Het kwade wordt
volgens hen gestraft, omdat God de wereld regeert, en
dus de goeden beloont, en de boozen naar hunne werken
vergeldt.
„Braaf leven" is hunne leus. De zondige gedachten
komen niet in rekening. Ook gevoelen ze geen de minste
behoefte aan verzoening; en wanneer zij de voorschriften
van den Koran overtreden, gevoelen zij geen berouw,
enkel vrees. Het Joodsche Farizeïsme is nog niets, ver-
geleken bij het hunne; en de statige houding dezer schijn-
heiligen — wel verre van een bewijs hunner innerlijke
waardigheid te zijn — is slechts de uiting hunner diepe
minachting voor de deugd aller deugden, die alleen bij
het Christendom gevonden wordt — de nederigheid.
Droevig was het, te hooren hoe zij met verachting over
onze Westersche beschaving spraken — en helaas niet ge-
heel ten onrechte! De misbruiken bij de, aan de Kaap
reeds al te goed bekende, wedrennen in zwang, wekten
hunne hoogste verontwaardiging op. De Engelschman was
in hunne oogen slechts een dronkaard, de Franschman
een lichtzinnig wezen zonder de minste degelijkheid, terwiji
zij zich, als heiligen, verre boven die allen stelden. God
moge ons behoeden, van te wanhopen aan de zending
onder de Mahomedanen; doch een ieder zal gevoelen,
dat het groote middel om deze vesting te veroveren, is
gelegen in de oprichting van goede scholen, en bovenal in
een waarlijk christelijken levenswandel.
Uit de laatste dezer godsdienstige schermutselingen kwam
ik thuis met een dankbaar gevoel, dat ik niet geroepen
was onder deze geleerden te arbeiden, maar onder een
-ocr page 205-
201
uitwendig veel dieper gezonken slag van menschen, doch
die met een merkwaardig gezond verstand zijn begaafd.
Ondertusschen had ik het groote doel van mijn verblijf
in Kaapstad niet vergeten. Zes weken biddend overleg
hadden mijn indruk bevestigd, dat Godzelf mij bij de
hand had geleid en den weg had gewezen. Na twee
maanden in de beschaafde wereld te hebben doorgebracht,
ondernam ik de terugreis naar Afrika\'s Binnenlanden, ver-
gezeld van eene jeugdige Christin, Sara Dijke, dochter
van Mejuffrouw William\'s eersten man.
Den 13den April 1836 was ons huwelijk door een pre-
dikant der Kaapstad ingezegend.
- o
-ocr page 206-
XV.
Terugkeer in het land der Bassouto\'s, en oprichting
ran den zendingspost Thaba-Bossiou.
De bijzonderheden van onzen overtocht, waarin wij met
veel tegenwind te kampen hadden, sla ik over, om u eene
beschrijving te geven van de ontvangst, die ons te Moria
wachtte. De hartelijkheid en vreugde mijner beide vrienden,
toonden zij, ieder op hunne eigenaardige wijze, maar op
de liefste manier. Gosselin, met zijne gewone gulhartigheid,
had eene zeer eenvoudige, doch nette kamer voor ons in
gereedheid gebracht, waar hij ons zegevierend binnen-
leidde. Arbousset, met zijne diepe, meer bedaarde natuur,
drukte zijne gevoelens op geheel andere wijze uit, en trachtte
met veel kieschheid de ietwat ruwe manieren van onzen
goeden vriend te verontschuldigen. Toen des avonds de
tijd van het gebed was gekomen, stortte hij zijne rijke,
liefhebbende ziel voor God uit, om Zijne zegeningen over
ons af te smeeken.
Den volgenden dag konden de Bassouto\'s, die ons om-
ringden, het genoegen smaken, de eerste Europeesche
vrouw, die ze ooit gezien hadden, te bewonderen, en van
deze gelegenheid werd ruimschoots gebruik gemaakt. Eerst
-ocr page 207-
203
naderden zij slechts schoorvoetend, doch weldra gebruikten
zij meer vrijmoedigheid, zonder evenwel de grenzen van den
verschuldigden eerbied te overschrijden. De groote blauwe
oogen mijner vrouw, de fijnheid van haar mond en de blank-
heid van haar vel, die niet te vergelijken was bij de uit-
gezochtste verven, waarvan de dames des lands zich be-
dienden, wekten vooral de grootste bewondering op. De
kleeding mijner vrouw was ook een voorwerp van belang-
rijke stadie. Hoe het mogelijk was, dat zij met dat lange,
tot op den grond afhangend gewaad, zoo vlug en bevallig
loopen kon, was een vraagstuk, dat geen dier goede
lieden kon oplossen. En dan de verscheidenheid der
figuren op haar kleed. Daarbij geen versierselen, geen
oorringen of halsketting — slechts een paar ringen aan
den vinger.
Toen het etensuur gekomen was, waren wij wel genood-
zaakt onzen maaltijd ten aanzien der omstanders te houden;
en nu was het weder een nieuw onderwerp van verbazing,
dat wij haar de eereplaats gaven en de beste spijzen
toedienden. Na den eten namen wij ons gereedschap, en
gingen in den tuin arbeiden, waar mijne vrouw met haar
breiwerk bij ons ging zitten.
Thans was de beurt aan de vrouwen, om allerlei gissin-
gen te maken omtrent dat fijne vlechtwerk. „Wat gaat
dat gauw! Bij ons kunnen alleen de mannen vlechten;
wilt gij het ons ook leeren?" Zoo was de kennismaking
na eenige dagen tot stand gebracht, en het vrouwelijk
gedeelte der bevolking, met de scherpzinnigheid aan
vrouwen eigen, was reeds spoedig tot de ontdekking
gekomen, dat dit nu hare zendeling was. Weldra brach-
ten zij haar de zieke kinderen, of kwamen om een
huishoudelijken raad vragen.
-ocr page 208-
204
Toen zij zagen, dat Mevrouw (dit was de algemeen aan-
genomen naam, in navolging van Arbousset en Gosselin)
geregeld naar het bedehuis opging, begrepen die arme
vrouwen, dat ook zij eene ziel hadden; en wat wij niet
hadden kunnen verkrijgen, gelukte door het voorbeeld
mijner vrouw zonder de minste moeite: in grooten getale
kwamen zij weldra naar de kerk.
Thans werd het evenwel tijd, weder aan mijn besluit te
denken om te Thaba-Bossiou een zendingspost op te richten.
Het hutje, dat ik er met zooveel zorg en moeite gebouwd
had, voor dat ik tot de ontdekking was gekomen, dat
ik niet ongehuwd kon leven, was door onvoorzichtigheid
van eenige herders verbrand. De goede Gosselin, mijne
verlegenheid ziende, bood aan, er een steenen huis voor
in de plaats te bouwen. „Het zal wel een jaar duren,"
zeide hij, „doch gij moet mij gedurig maar eens bezoeken;
en als ik mij van tijd tot tijd aan de tafel van Mevrouw
mag komen verkwikken, en haar mijn goed te verstellen
mag brengen, dan zal het best gaan". Arbousset zou, zoo
stelde hij voor, in dien tusschentijd een zelfden tocht
ondernemen als ik, daar ook hij zich niet voortdurend in
den staat van vrijgezel kon schikken. Gretig werd dit voorstel
aangenomen. De goede Gosselin hield woord, en Arbousset
keerde na eenigen tijd terug met eene voormalige vriendin
mijner vrouw, Mejuffrouw Rogers.
In Juni 1838 had de groote scheiding plaats, die wij
zoolang reeds als noodzakelijk hadden ingezien, en waar
wij toch allen zoo tegen opzagen. Gosselin zou ons nog
eenigen tijd te Thaba-Bossiou gezelschap houden, doch van
mijn vriend Arbousset, die mij bijna onmisbaar was gewor-
den, moest ik afscheid nemen.
-ocr page 209-
205
Gedurende mijne afwezigheid had het werk te Moria
groote vorderingen gemaakt: bekeeringen hadden plaats
gehad, de school bloeide en het zendingshuis werd van
\'s ochtends tot \'s avonds bestormd door menschen, die
onderwijs en raad kwamen vragen. Ook van deze geliefde
kudde moest ik scheiden, om een nieuw veld te gaan
ontginnen. De verschijning mijner vrouw had te Thaba-
Bossiou dezelfde uitwerking als te Moria. Zelfs op de
mannen oefende hare komst invloed uit. „Gij zijt nu ook
een man geworden," zeiden zij tot mij, „en kunt ons beter
begrijpen. Vroeger dachten wij, als gij de veelwijverij be-
straftet, dat gij het uit afgunst deedt; maar ge hadt
iets beters, en wildet ons dit toonen. Ook hebt ge een
huis, en welk een huis! Wij zullen er dikwijls komen,
wees daar zeker van!"
\'t Was vooral Moshesch, die zoo sprak; en toen een
naburig opperhoofd hem voorstelde, deel te nemen aan
een rooftocht, antwoordde hij den bode: „Ga, en zeg uw
meester, dat er thans een bedehuis te Thaba-Bossiou is,
waar ik leer, mijne macht te zoeken in wijsheid en niet in
het uitbreiden mijner bezittingen." Moshesch kwam dik-
wijls aan onze tafel, waar hij zonder groote moeite de
regelen der beleefdheid stipt in acht leerde nemen.
Van de goede gezindheid, die er algemeen heerschte,
maakten wij gebruik om kinderscholen op te richten, die
trouw bezocht werden. Ook kwamen verscheidene volwas-
senen ons vragen, om hun lezen te leeren. Het aantal
hoorders bij de godsdienstoefening bedroeg 200 a 250.
Terzelfder tijd beschikte God ons den steun van een
beminden collega, Daumas en zijne jeugdige echtgenoote,
want, hoewel hunne standplaats (Mékuatling) nog verder
-ocr page 210-
206
van ons verwijderd was dan Moria, konden wij elkander
toch van tijd tot tijd bezoeken en gedurigen omgang
houden.
Tot onze spijt moest Gosselin, die trouwe helper en
vriend, ons thans verlaten; doch hij werd vervangen door
een broeder mijner vrouw, die zich aan ons werk kwam
verbinden. Zoo ruimde Gods vaderlijke zorg vele moei-
lijkheden uit den weg, ook die der eenzaamheid, waar-
tegen mijne vrouw zoowel als ik had opgezien.
Te zamen werkten wij twintig jaren lang. In al dien
tijd gunde zij zich slechts ééns eeii uitstapje naar Kaap-
stad; zij had den arbeid aanvaard, en wilde dien ook
volhouden.
Te zamen hebben wij de ontwikkeling der jeugdige ge-
meente gadegeslagen, waar de vrouwen van meet af de
meerderheid vormden. Eene groote menigte dier arme,
verwaarloosde, verachte schepsels leerden Gods Woord
lezen, begrijpen en aan anderen uitleggen. Zelfs onder
Moshesch\' vrouwen werden verscheidene van de verlagende
en onteerende banden der polygamie ontslagen uit louter
overtuiging.
Te zamen hebben wij deelgenomen aan menige doops-
bediening en avondmaalsviering — ik als voorganger,
zij als mijne trouwe hulpe, die aan de volwassen doope-
lingen menigen goeden raad gaf, hun leerende hoe zij
hunne aannemingskleederen moesten vervaardigen en het
brood voor hunne liefdemaaltijden bereiden.
To zamen ook waren wij getuigen van menig droevig
tooneel, wanneer wij aan ziek- of sterfbedden neerknielden,
en zij mij reeds voor was — de eerste middelen ter ge-
nezing toedienende, een woord van troost sprekende, en
-ocr page 211-
207
als Christin de Heidensche vrouwen weerhoudende, om hunne
luidruchtige weeklachten te doen hooren aan de stervens-
sponden harer betrekkingen.
In tijden van oorlog — en wij hebben die doorleefd,
grootendeels helaas! veroorzaakt door de hebzucht onzer
stamgenooten — trotseerde zij zonder vrees het gevaar,
bereidde eene veilige plaats voor de arme slachtoffers, en
verbond zonder aarzelen de vreeslijkste wonden.
Hier valt mij de pen uit de hand.
De trouwe moedige gade mijner jeugd rust onder de
wilgen van Moria. D&ar begon zij hare taak — daar
ook ontsliep zij in de armen van haar Heiland, den 17den
Juni 1854. Zij stierf aan de gevolgen eener ziekte, die
zij in Kaapstad opdeed, toen ik haar moest achterlaten
met onze kinderen, om eene poging in Frankrijk te doen
tot opwekking van den verflauwenden zendingsijver.
Toen de Bassouto\'s vernamen, dat Ma-Eugène (zoo
noemden zij haar sedert de geboorte van onzen oudsten
zoon) naar den hemel was gegaan, kwamen zij van alle
kanten tot mij. De opperhoofden, omringd van hun hof-
stoet, bleven op eerbiedigen afstand van de pastorie staan,
totdat hun gelegenheid zou worden gegeven, die dierbare
gelaatstrekken nog eens te aanschouwen. Sommigen sineek-
ten mij, de begrafenis zoolang mogelijk uit te stellen; en
de grenzen, door mijn eerbied voor het stoffelijk overschot
aangegeven, waren reeds overschreden, toen men nog voort-
ging met betraande oogen en diepe ontroering een kus op
het voorhoofd der beminde afgestorvene te drukken. Dit
nu had plaats in een lan 1, waar de vrees voor den dood
zóo groot was, dat men een huis voor altoos onbewoonbaar
-ocr page 212-
208
zou geacht hebben, indien een lijk er door de deur in
plaats van door eene spleet in den muur was uitgedragen.
Toen ik op het graf nog een laatst vaarwel aan mijne
gelukzalige vrouw had toegeroepen, nam Moshesch het
woord. „Opperhoofden, en gij mijn volk!" riep hij uit,
„wat zegt gij hiervan? Menigmaal heeft onze zendeling
op het graf van menschen, die hem vreemd waren, ge-
sproken; heden doet hij dat op het graf zijner vrouw, en
als altoos spreekt hij van opstanding en leven! Hij heeft
ons gezegd, dat onze Moeder voor haar dood de vaste
overtuiging heeft uitgesproken, dat het Evangelie in ons
land zal zegevieren. Wellicht is dit eene profetie geweest.
Van de hoogte, waarop zij zich bevond, heeft zij onge-
twijfeld dingen gezien, die voor ons nog verborgen zijn.
Laten wij ons herinneren, dat, al schreef zij geen boeken
zooals haar man, zij sporen heeft nagelaten, die wij
moeten volgen."
Eenige jaren na het overlijden van haar, die gedurende
achttien jaren de vreugde mijns levens was, werd ik geroepen
het bestuur van het Zendingshuis te Parijs te aanvaarden.
Dit zou mij onmogelijk zijn geweest, indien God mij niet
in den persoon van mijn vriend Jousse, een ijverig opvolger
had beschikt. Met eene grenzenlooze toewijding namen hij
en zijne vrouw de taak op. Onder hunne leiding werd de
gemeente te Thaba-Bossiou spoedig uitgebreid, en thans is
mijn geliefde zendingspost een der bloeiendste van Zuid-
Afrika.
-ocr page 213-
Besluit.
Misschien vinden sommigen, dat deze herinneringen wel
wat bot eindigen; doch wie zal het den zeventigjari-
gen grijsaard euvel duiden, dat hem de moed ontbrak
verder te gaan, dan tot den grooten rouw, die zulk eene
verandering in zijn leven teweeg bracht !
Bovendien was het mijne bedoeling niet, eene volledige
geschiedenis der zending in Zuid-Afrika te geven; deze kan
men in andere boeken vinden. Mijn doel is slechts ge-
weest, eenige aanteekeningen te verzamelen, die mij tot
steun en bemoediging strekten, en die wellicht ook voor
anderen nuttig kunnen zijn.
Toch wil ik nog eenige niededeelingen ten beste geven,
die wellicht niet van belang ontbloot zijn.
De reden, waarom ons Genootschap het Zuiden van
Afrika tot haar arbeidsveld koos, was, dat daar vele af-
stammelingen van Fransche Hugenooten woonden. Het
wist, dat daar een ruw onontgonnen veld te vinden was,
waarin Christendom en beschaving konden geplant worden;
en de uitslag toonde, dat de Voorzienigheid ons inder-
daad daar een ruim arbeidsveld had beschikt.
In 1830 vormde zich in „Wagenmakersvallei," niet verre
van „Franschen hoek," op aanvraag hunner meesters, eene
-ocr page 214-
210
groote nederzetting van slaven, aan wie het Evangelie
werd verkondigd. Bij honderden bekeerd en in vrijheid
gesteld, voorzien deze thans in het onderhoud van hun
eigen predikant te Wellington.
In 1833 werd Bassoutoland het eerst bezocht, en met
de beschaafde wereld in betrekking gebracht. Thans wordt
de taal door duizenden Inlanders verstaan, terwijl zij rijker
is geworden, en aan alle behoeften van het maatschappelijk
en godsdienstig leven voldoet.
Negentien groote middelpunten van Evangelieprediking
en onderwijs, met inrichtingen voor landbouw zijn verrezen.
Door oorlogen, van buiten aangekomen, gingen vijf daarvan
verloren; de veertien overigen evenwel zijn vermeerderd
met zeven en zestig hulpkerken, bestuurd door cathechiseer-
meesters of inlandsche helpers.
Twee groote normaalscholen voor jongens en meisjes,
eene theologische school en eene industrieschool worden
door intelligente leerlingen bezocht, waaronder van de
eerste familiën des lands.
Sedert jaren zijn duizenden exemplaren van het Nieuwe
Testament, Psalmbundels en boeken voor het onderwijs in
de geschiedenis, aardrijks-, taal- en rekenkunde in omloop.
De geheele Bijbel, keurig ingebonden, ligt in voorraad op
het depot te Moria, waar men hem gretig komt koopen
voor den prijs van f 6.25.
Eene groote menigte Bassouto\'s zijn in de vaste ver-
zekerdheid des geloofs heengegaan, met acht hunner zen-
delingen, waaronder mijne vrienden Arbousset en Gosselin.
Een twintigtal zendelingen zetten het werk voort, en breiden
het steeds meer uit. Op de laatste algemeene feestelijke
bijeenkomst te Moria hadden de verschillende kerken 150
-ocr page 215-
211
afgevaardigden gezonden; en toen men zich opmaakte om
Gods Naam te verheerlijken aan de Tafel des Nieuwen
Verbonds, moest men den Heidenen, die toegestroomd waren
om het feest bij te wonen, verzoeken, de kerk geheel aan
de geloovigen af te staan, daar de 900 Avondmaalgangers
anders geen plaats konden vinden.
Dat zijn de uitkomsten op geestelijk gebied.
Op stoffelijk gebied kan men wijzen op:
Den bloei van den landbouw. Koren, aardappelen,
onze voornaamste vruchten en groenten, slagen er uit-
nemend. Algemeen is de ploeg in gebruik gekomen. De
fokkerij van paarden, angorageiten, schapen en al onze
huisdieren wordt met goeden uitslag beoefend.
De uitvoer van graan, wol en vee neemt steeds toe.
De invoer van kleedingstukken, huisraad en Europeesche
koopwaren loopt reeds over millioenen.
De hutten maken plaats voor huizen; en al zou het
Frankrijk wellicht nooit gegeven worden, de vruchten dezer
weldaden onmiddellijk in te oogsten, toch zal het aanspraak
mogen maken op de dankbaarheid van een groot volk,
dat op zijne beurt door zijn aanleg en zijne geaardheid
voorzeker meê zal werken, om Christendom en beschaving
voort te planten in het „Zwarte Werelddeel."
Dit is mijne hoop en verwachting! Dit is het, wat mij
steeds God zal doen danken, dat Hij mij in Bassoutoland
gebracht heeft!
-ocr page 216-
INHOUD.
Bladz.
I. Mijne ouders en mijne eerste jeugd .... 3.
II. Mijne ouders plaatsen mij onder het toezicht
van Ds. Henry Pyt te Bayonne, om mij tot
het ambt voor te bereiden....... 14.
III.    Mijne intrede en voorbereiding in het Zen-
dingshuis te Parijs..........37.
IV.    Vertrek naar Zuid-Afrika. Aankomst aan de
Kaap..............50.
V. Kaapstad............. 65.
VI. Een uitstapje in het distrikt „de Paarl" . . 78.
VII. Van Kaapstad naar de Oranjerivier .... 86.
VIII. Van de Oranjerivier naar het land der Bas-
souto\'s..............115.
IX. Aankomst in het land der Bassouto\'s . . . 135.
X. Begin van den arbeid te Moria, en bezoeken
te Thaba-Bossiou..........150.
XI. Eerste proeven van Godsdienstonderwijs. . . 163.
XII. Voortzetting van onzen arbeid te Moria. Ik
kom tot het besluit, mij te Thaba-Bossiou te
vestigen.............175.
XIII.    Vestiging te Thaba-Bossiou. Ik zoek eene
vrouw. Reis van het land der Bassouto\'s door
de Kaapkolonie naar Kaapstad.....180.
XIV.    God bezegelt mijne roeping.......196.
XV.    Terugkeer in het land der Bassouto\'s, en op-
richting van den zendingspost Thaba-Bossiou. 202.
Besluit.................209.