-ocr page 1-
Von Niébuhr
-ocr page 2-
?<33
YAvrt i
-ocr page 3-
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000034250831B
3425 0831
-ocr page 4-
-ocr page 5-
A 41
265
OEGSTGEEST.
MAJOOR MALAN.
-ocr page 6-
ï
.
-ocr page 7-
MAJOOR MALAN,
EEN ZENDELING UIT DEN STAND DER OEEICIEREN.
Uit het Duitsch van VON NIEBUHR,
POOK
J. "W- F.
\'Uitgegeven deer de JPaTfstuii\'ers-Wereenigiiig der 7lijnsc7ie Stending.
AMSTERDAM
HOVEKER & ZOON.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
MAJOOR MALAN.
Ken ijverig\' voorstander van de zending en een trouw arbeider
o]) haar gebied was de man, wiens naam hierboven staat te
lezen. Hen korte seliets van zijn leven, dat waard is gekend te
worden, vindt gij in de volgende bladzijden.
Charles Hamilton .Malan, gestorven in 1881 te Londen,
was de kleinzoon van den ook ten onzent zeer geliefden en be-
kenden prediker uit Gcnève: Cósar Malan. Dezelfde heilige geest-
drift, waarvan deze krachtige geloofsheld was vervuld, woonde
ook in het hart van den kleinzoon ; maar was de persoonlijkheid
van den eerste krachtiger en meer beslist, die van den laatste
was vrij van velerlei eenzijdigheden, die den grootvader ken-
merkten. In zeker opzicht kan men van onzen .Malan zeggen
dat hij eenzijdig was, daar hij, evenals Zin/.endorf, had kunnen
uitroepen: vIk heb maar een e liefde, Christus, ja Christus alleen."
Zijn geheele wezen en leven was de uitdrukking, de belichaming
dezer woorden: r/|)e liefde van Christus dringt ons alzoo* en:
,/llij is daarom voor allen gestorven, opdat degenen, die leven,
niet meer voor zichzelven leven, maar voor dengene, die voor
hen gestorven en opgestaan is." leder, die hem aanzag: die
mannelijke gestalte met het edele, ernstige en toch tevens.
-ocr page 10-
i;
zoo vriendelijke gelaat; niet oogen, waaruit de vrede en de
liefde Gods straalden; met dien smartelijken gelaatstrek, die
van menig lijden om Christus\' wil getuigde — ieder, die
hem zag, moest een levcudigen indruk ontvangen van wat
liet /.eggen wil, dat Christus reeds hier op aarde in ons vcr-
hecrhjkt wordt.
MaltUl werd ili 18o7 te Hrighton geboren, nadat zijn vader
Gelieve verlaten had en in den dienst der Auglikaansehe kerk
was getreden. IJeeds vroeg verloor hij zijne moeder, maar hare
gebeden voor hem bleven nawerken. Haar vriendin, de vrouw van
den predikant V, Chalmers in Beckenham, zorgde als eene moeder
voor liein en ook de tweede vrouw zijns vaders voedde hein op
met moederlijke liefde cu zorg. Xog geen 17 jaar oud, trad hij
in dienst bij het Kngelsche leger en ging weldra naar de Krini.
Bij lul hestonnen van .Sebastopol (17 Juni 1855) werd hij door
vijl\' kogels getroffen. Van zijne wonden hersteld keerde de jonge
officier, met eer gekroond, die hij later voor schade zou rekenen,
naar zijn vaderland terug. In Juli 1857 werd hij met zijn rcgi-
\' inent naar ludië gezonden, waar de opstand der inboorlingen
nog niet onderdrukt was. Voor den vijand kwam hij niet meer.
In andere gestalte kwam de dood echter zeer dicht bij hem,
daar velen zijner kameraden stierven tengevolge van het kli-
niaat. Reeds voordat hij naar Indic ging, hadden de vrede cu
de blijdschap, die hij bij zijn afscheidsbezoek te Beckenham bij
de bewoners der pastorie had waargenomen, een diepen indruk
op hem gemaakt. Hij gevoelde de nietigheid van de dingen
dezer wereld en zocht naar iets beters. Om een nieuw leven
te kunnen leiden en (iod te dienen, ging hij over tot een ander
regiment. l?ij deze gelegenheid werd hij tot commandant be-
vorderd. De verantwoordelijkheid zijner nieuwe betrekking, ook
ten opzichte van het geestelijk heil zijner ondergeschikten; de
-ocr page 11-
7
pogingen, die hij in eigen kracht aanwendde om voor (iod te
werken ; de brieven zijner moederlijke vriendin, Mn. Chalmera ;
het bestudecren van den Bijbel, wat hij met ernst deed... .
dit alles werkte daartoe mede, dat hij zijn eigen onmacht begon te
gevoelen, en meer en meer de behoefte aan vrede met God
in hem werd opgewekt. Kindelijk werd zijn verlangen gestild.
,yIk reed* — zoo verhaalt hij — „eens des avonds van de offi-
eierstat\'el naar huis, diep bedroefd daarover, dat mijn leven zoo
nutteloos was voorde verheerlijking Gods en het heil der mcnsch-
hcid. Toen kwam mij plotseling, als een lichtstraal uit den
hemel, een bijbclvers in de gedachten, dat ik aan de mijnen
had voorgelezen : „Wij doolden allen als schapen ; elk keerde
zich zijns weegs; maar de lieer wierp de zonden van ons allen
op Hem/\' Hoe, de zonden van ons allen? Dan zijn al mijne
zonden, mijn verleden, tegenwoordige en toekomstige zonden,
door (Jod op Christus gelegd, dan zijn zij allen weggenomen
en vergeven. Welkeen vreugde, welkeen vrede! Ik steeg af, snelde
naar mijn kamer, viel voor mijnen f Jod op de knieën, en prees
•en loofde Hem en den Heer Jezus Christus. Dikwerf ben ik
ook nog na dien tijd door de zonde bedroefd en bekommerd
geworden, maar nooit heb ik — Gode zij dank — den vrede
verloren, den vrede eener vrije, volkomen, eeuwige vergeving
der zonden, door hit bloed van Christus."
Van nu af, daar zijn geweten gereinigd was van de doode wer-
ken, diende hij in waarheid den levenden (iod, hoewel hij nog
door inenigen strijd heen moest, voordat hij kwam tot de volle
vrijheid in Christus. Hij schrijft daarover het volgende:
„Na mijne bekeering leefde ik negen jaar voort in strijd en
worsteling, met de vurige begeerte om voor Christus te leven,
maar toch nog meer of minder gebonden aan de wereld met haar
ijdelheden en vermaken. Ik verstond nog niet, wat Cods Woord
-ocr page 12-
8
zoo duidelijk ons schetst: den dood van mijn gevallen natuur, van
het lichaam der zonde — in de Heilige Schrift wde oude mensch*
genoemd — in Christus\' dood aan het kruis en de tegenwoor-
dige, feitelijke vereeniging van den geloovige met den levenden
Christus in de heerlijkheid. Wanneer men dit feit erkent, dan
bevrijdt het den Christen door de kracht des Heiligen (ïecstes van
de slavernij van zijn zondig wezen en van de banden dezer
wereld. Ik was niet vrij, voordat ik dit zag. Maar toen deze
heerlijke waarheid mijne zie! verlichtte, werd ik bevrijd van
mijne gebondenheid aan zonde en wereld. O kostelijke, hccr-
lijke vrijheid! Dit was inderdaad vrijheid. Hoe waren nu aller-
lei vragen opgelost, die mij tot nogtou hadden ontrust en
benauwd! .Mag ik dit ol\' dat wel doen? Hoeveel van mijn
tijd en mijne krachten mag ik aan allerlei dwaasheid en ijdel-
heid besteden? Zooveel als een Christen, die niet Christus de
heerlijkheid (lods smaakt, daarvan weggeven kan! Heelt de
apostel Paulus niet gezegd: „Lk ben met Christus gekruisigd
en door Hem is mij de wereld gekruist en ik der wereld"?
Kn ook: \'/Onze oude menseh is met Hem gekruist, opdat wij
voortaan de zonde niet meer dienen!" Lieve lezer, dit is
niet een leer, maar een zalig, heerlijk feit, dat door (lods
Woord is betuigd en dat gij, zoo gij dit Woord gelooft, even-
goed hebt aan te nemen als dat van de vergeving der zonden
door het dierbaar bloed van Christus, l.ecs, geloof en verblijd
u: «God, die rijk is in barmhartigheid, door zijne groote liefde
met welke Hij ons heeft liefgehad, heeft ook ons, toen wij
dood waren in de zonden, met Christus levend gemaakt en
heeft ons met Hem opgewekt, en met Hem in de hemelsche
goederen gezet in Christus Jezus/\' Hoe heerlijk is dit "heeft",
dat van het doen van God voor ons wordt gezegd. Wij heb-
ben hier vaststaande feiten voor ons, waarop onze zielen in
-ocr page 13-
9
vrede en vreugde kunnen vertrouwen. \'/Die ons bekwaam ge-
maakt heeft tot liet erfdeel der heiligen in het licht;»die
ons verlost heeft van de overheid der duisternis en ovcrge-
zet heeft in het rijk van zijn geliefden Zoon, in wien wij
hebben de verlossing door zijn bloed, namelijk de vergeving
der zonden./; "Wie in den Zoon gelooft, die heeft het
eeuwige leven."
Malan nam liet in het geheel niet licht op inetde zonde en droomde
niet van een zondelooie volmaaktheid; integendeel, hij werd
steeds meer gebracht tot ootmoed en tot kennis\'zijner zwakheid en
zonde; maar ook werd het hem steeds duidelijker, wat hij aan zijn
Heiland had, die ook hem gemaakt was \'/door God tot wijsheid,
en tot rechtvaardigheid, en tot heiliging, en tot verlossing, opdat
wie zich beroemt, zich beroeme in den lleere." Kceds vroeg bezielde
hem een brandende begeerte, ook anderen te voeren tot Hem,
die hem had zalig gemaakt. Niet alleen als de Verlosser van
elk menseli was Hij hem dierbaar, maar ook als de Koning,
wien door den Vader het rijk was toebetrouwd. Gedurig stond
voor zijn geest het koninkrijk van Jezus Christus, zooals het
zich ten slotte in heerlijkheid hier op aarde zal openbaren. IJverig
doorzocht hij de Schrift, om hierover meer licht te ontvangen.
Alles mede gereed te maken voor de komst van dit rijk was
de blijdschap zijns harten. Wanneer hij anderen de blijde bood-
schap des rijks kon brengen, zag hij op noch tegen den smaad,
dien de belijdenis van zijn Koning hem berokkende, noch tegen
lichamelijke vermoeidheid en smart.
In Imlië, vervolgens in Kngeland — waarheen hij in 18GO ten-
gevolge zijner zwakke gezondheid was verplaatst en waar hij
huwde met eene dochter van den commandant Marrvat, die hem
na een kort, maar gelukkig huwelijk spoedig werd ontnomen —
daarna in Canada, hierop, maar nu als majoor, in Singapore —
-ocr page 14-
10
overal zocht hij het goede zaad uit te strooien. Naar Singapore
werd hij van uit Hongkong verplaatst. Hij was zonder troepen
derwaarts gegaan (1800) en dagelijks bezocht hij, van den 3deD
Februari tot den 4dt" Juni, behalve op dagen, als het schip in de
een of andere haven lag, des namiddags de zieken onder de Ix5-
manning. Des avonds tusschen half zeven en acht uur predikte
hij, in weerwil van de hitte en bet leven, dat de machines maakten,
het Evangelie aan de matrozen. Op dezen arbeid heelt hij ook
vruchten mogen zien.
Even trouw was hij ook in de vervulling zijner militaire plich-
ten, en met grootcn ijver zorgde hij voor het lichamelijk welzijn
zijner manschappen. In Singapore, waar door plaatselijke toe-
standen veel dronkenschap onder de soldaten hcerschte, heeft hij
allerlei pogingen in het werk gesteld om die tegen Ie gaan. Hij
zorgde voor het aanleggen van allerlei speelplaatsen, waar zij
zich konden oefenen in wapenhandel en wat dies meer zij, maar
bovenal trachtte hij te voorzien in hun godsdienstige behoeften.
Des Zondags hield hij de Anglikaansche godsdienstoefening en
bezocht de kranken ; daarop leidde hij de zondagsschool voor de
kinderen der — gedeeltelijk gehuwde — soldaten, waarbij een
korporaal hem hiel)); voorts onderwees hij de vrouwen der sol-
daten, nam deel aan de presbyteriaansche godsdienstoefening,
door een zendeling gehouden, en las des avonds met ecnige
(\'hineesche meisjes de Schrift. Des Woensdags hield hij cene
bijbellezing en des Vrijdags bezocht hij eene vergadering, die
in de stad gehouden werd. Tot deze ingespannen werkzaam-
beid kreeg hij kracht, door zieb telken? weder te verdiepen in
(Jods Woord.
Hier, in Singapore, schijnt hij voor het eerst in nadere aan-
raking te zijn gekomen met den zendingsarbeid onder de heidenen.
Hij gewaagt tenminste van de blijdschap, welke hem de broeder*
-ocr page 15-
11
lijke gemeenschap met bekeerde Ghineezen, die hij hier leerde
kenneu, verscliafte.
Hij trad in een nog inniger betrekking tot de zending onder de
heidenen, toen bij verplaatst was naar de oostkust van Zuid-Afrika.
/ij nam hem toen geheel en al in beslag. In den tijd tusschen 3
en 30 Januari 1872 bereisde hij, uitgaande van King Williamstown
iu Britsch kallraria, het zendingsgebied tusschen (!e Bulfalo-, kei-
en Bashecrivier, te paard, en overal legde hij getuigenis af voor
zijnen Heer. In April 1872 bezocht hij de scholen voor inboor-
lingen te Lovcdalc en Healdtown, ten westen van de liullalo-
rivier. Zijne reisbeschrijving gaf hij uit in Londen I87\'2: „ltides
in the Mission Field of South Africa." Kort tevoren had iuj
van het legerhoofd cene tnededeeling ontvangen, waarin deze
zich uitsprak tegen zijn evangelisaticarbeid onder zijne manschap-
pen. Hij besloot daarom zijn ontslag te nemen en zich geheel
aan de zending te wijden. Voordat hij zijn post verliet, in-
speclcerde luitenant-generaal Hay zijne troepen en toen bleek liet,
hoc ongerechtvaardigd liet vooroordeel was, dat zijn cvangclisa-
tiearbeid een nadccligen invloed op zijn militaire plichten uil-
oefende, daar de discipline, de gezondheid en ook de financicele
toestand van zijne troepen uitstekend waren. l>e generaal wilde
nu wel, dat hij zijn ontslag zou intrekken, maar zijn besluit
stond vast.
Thans wilde hij voor eenigen tijd den zendingspost Mbulu iu
Finguland waarnemen, om den daar geplaatsten zendeling in de
gelegenheid te stellen tijdelijk naar zijn vaderland terug te keeren.
Vooraf ging hij echter zelf nog eens naar Kngcland terug, [u
1874 scheepte hij zieh —• hoewel zeer zwak — weder in naar
Afrika, waar hij tot eiken prijs getuige van het Evangelie
zijn wilde. Hij bleef aldaar tot 1870. Hij werkte vooral onder de
Fingoe\'s en Galcka\'s, maar beperkte zich niet tot een bepaald
-ocr page 16-
11!
arbeidsgebied. Gaarne zocht hij ook zijne medearbeiders op om
hen te sterken en ook op hunne posten liet Woord des levens
te verkondigen. Zijne reis te paard door Bassutoland en Natal,
die van het begin van November 1874 tot liet einde van Maart
1875 duurde, heeft hij in zijn boek: ^South-African Missions",
Londen, 187(3, beschreven. Hij bezocht op deze reis achtereen-
volgens alle zcndingsposten van het Parijsche genootseha|) en
Üet overal gezegende herinneringen achter. 11 ij, de afstammeling
van een familie, die ter wille van act geloof\' uit Frankrijk ver-
dreven was, voelde zich bijzonder aangetrokken tot de Fransche
zendelingen, vooral omdat dezen niet zoo goed worden ondersteund
door hun vaderland als de Kngelschen.
.Maar toch stelde hij ook zeer veel belang in de Duitsehe
zendelingen, die zich in een dergelijke ongunstige positie bevin-
dcn. Op zijne terugreis kwam hij te Kminaus bij den Draken-
berg met sommigen hunner samen. Nadat hij had medegedeeld,
dal op dien dag juist liet huwelijk van den daar geposteerden
zendeling gesloten was, schreef hij het volgende:
„Ik zou mij anders bij zulk cene gelegenheid niet hebben in-
gedrongen in ecnig huis, maar nu kon ik het niet vermijden en
daar ik reisde in den naam des Hecren, wist ik, dat ik welkom
zou zijn. Zijt gij ooit een ongenoode gast geweest bij een brui-
loltsmaal ? Hebt gij ooit, zonder uitgenoodigd te zijn, eene plaats
gekregen naast de bruid bij een huwelijksfeest? Deze blijdschap,
deze eer zijn mij dien avond bereid door den Heer en zijne
knechten. Eu ik genoot ze volop, omdat ik daarin eene gebeds-
verhooring zag. In den laatsten tijd had ik veel voor de
Duitsehe zendelingen gebeden en nu voerde de Deere mij plot-
seling temidden van een groote schaar van hen bij een groote
feestelijkheid. Het is niet onbescheiden om mijne mcdechriste*
nen een blik te doen slaan in de vroolijkheid van dien avond.
-ocr page 17-
13
Ik was omgeven door broeders en zuster?, die van de toekomst
en het rijk van onzen Heer Jezus Christus spraken, terwijl
bruid en bruidegom aan de piano zaten en tezamen geestelijke
liedereu zongen ; in liet koor zongen «ij allen mede. Allen,
vader en moeder der bruid, zijzelvcn en alle gasten, verwelkom-
den mij zeer hartelijk, en terwijl ik daarover verbaasd was, dat
ik mij zoo geheel tehuisgevoeldc bij een zoo onverwachte fccstc-
lijkc gelegenheid, dacht ik : Zoo zal het mij zijn, als al mijne
reizen ten einde zijn en ik mij met de heiligen aan tafel zet
in het rijk des Heeren."
Ten zeerste drong hij daarop aan, dat men den arbeid der zen-
ding door een gemeenschappelijk gebed om den zegen des Heiligen
(ieestes opdragen zou aan den Hecre, van wien alle zegen komt. Hij
richtte daartoe een gebedsbond op onder vele Zuid-A frikaansehc
zendelingen en zendingsvrienden; zij, die zich daarbij aansloten,
vonden en vinden elkander nog steeds eiken Zaterdagavond in
den geest voor den troon der genade. Zeer getrouw hield
hij aan deze vereeniging in den gebede vast, ook toen
hij weder naar Europa was teruggekeerd: eiken Zaterdag-
avond herdacht hij in den gebede zijn vroegere medear-
beiders en hun werk. Ken Kngelschman, die later Zuid-Afrika
bezocht, kon, toen hij terugkeerde, getuigen, dat er nauwelijks
éen dag voorbijgegaan was, waarop hij niet had gehoord van den
een of ander, voor wien majoor Malan tot zegen was geweest.
Menigmaal hadden allerlei mensclicn hem verhaald, hoe zij door
hem er het eerst toe gebracht waren hun Bijbel te lezen.
Ook schreef men de eensgezindheid onder de verschillende ker-
kelijkc genootschappen toe aan zijn invloed.
In den zomer van 1870 keerde hij naar Kuropa terug en
bracht een deel van den volgenden zomer in Frankrijk door, om
aldaar belangstelling in de zaak der zending onder de lïassuto\'*
-ocr page 18-
14
te wokken. In den winter van 1877 78 trachtte hij in de Ver-
eenigde Staten van Xoord-Amerika een nieuwen ijver te wekken
voor de Amerikaansche zending in Zuid-Afrika. Afrika bleef het
werelddeel, welks heil hem liet meest ter harte ging, hoewel hij
voor alles, wat de zaak zijns lïeeren betrof, een warm hart,
een geopend oog en een milde hand had. Vooral van groot
belang scheen het hem te zijn, d e inboorling e n o n d e r
opzicht der zendelingen op t e 1 e i d en tot den
zendingsarbeid onder li n n n e 1 a n d- en v o 1 k s g e-
n o o t e n ; hierdoor, meende hij, zou ook liet binnenland beter
worden ontsloten.
,/De werkelijk bekeerde Afrikaan", zoo schrijft hij ergens,
//heeft zijn onwetende landgenooten lief, heeft medelijden met
hen, is zeer bereidvaardig om mede te helpen hen te onder-
richten, heeft een bijna onverstoorbaar geduld en een groote
lichamelijke kracht om vermoeienissen te verduren. Deze eigen-
schappen van hart en lichaam zijn een niet genoeg te waardee-
ren hulpmiddel voor den blanken broeder, die de zwarten uit
hunne vernedering en uit hun ellende redden wil."
Door zijne medewerking kwam in Londen de ,/Xative African
Missions Aid Association" bijeen (tot het uit negen leden bc-
stannde hoofdbestuur behoorden, behalve Malan, wat zeer eigen-
aardig is, nog vijf officieren) „tot bevordering van de evan-
gclisatie van Middcn-Afrika door bijdragen tot ondersteuning
van inlnndsche helpers, onder toezicht van ervaren zendelin-
gen uit Protestantsche genootschappen, die aldaar arbeiden/\'
Hij was zelf de ziel van dit genootschap; als secretaris er van
gaf hij het — ook na zijn dood nog voortbestaande — drieinaan-
delijksche tijdschrift ,/Africa" uit (sedert Januari 1880). Hoewel hij
naar Engelsehen maatstaf niet rijk was, was hij toch steeds bereid
ook inet zijn vermogen de zaak te steunen. Op zijne kosten
-ocr page 19-
15
liet liij een zendingshuis en eenc kapel bouwen in het land der
Galekn\'s en zond liij twee arbeiders van ingeland uit. Dewensch
zijns harten was in den winter van 1881,82 zelf weder naar
Afrika te gaan om eene schaar inlandsche Christenen in de bin-
nenlanden te brengen. Maar zijn Heer had iets anders met hem voor.
In Januari 1881 had hij nog deelgenomen aan de pogingen om vrede
te sluiten met de Uassuto\'s, en had hij een deputatie van Fransehe
zendelingen, die aan den minister van koloniën een verzoekschrift
dienaangaande wilden indienen, geholpen, maar in de lente open-
baarde zich een tongkanker bij hem, die weldra zijn dood bewerkte.
Het is merkwaardig dat hij, wiens tong geheel en al gewijd was
aan den dienst des lleeren, juist aan dit lid moest lijden. Zijn
zware ziekte diende tot verheerlijking (iods, die hem volkomen
overgave en geduld schonk en hem rijkelijk den troost des
lleilands en de liefde der broederen deed ondervinden. De
prikkel des lijden* was voor hem weggenomen, hoewel het hem
niet bespaard bleef, uit den kelk der smart te drinken. Kort
voor zijn sterven schreef hij, daar hij niet meer spreken
kon, op de vraag, of hij veel pijn leed, op een stukje papier:
9lk mag niet van lijden spreken, ik word er over heen gedra-
gen." Later schreef hij aan Mrs. Chalmcrs : ,,lk bemerk nu,
dat het //dal" (I\'s. XXIII : •\'*) geen speelplaats is. Maar ik
had een heerlijken middag met den Vader en onzen Heer
Jezus Christus; ik heb Hem in Gethsémané gezien en zijn
gebed geleerd. Ik heb gebeden om versterking door den Hei-
ligen Geest en ik ben versterkt. Mijn angstige, zorgende ge-
dachten maken het mij moeielijk; maar ik vertrouw, dat mij geloof
zal worden gegeven, om dag op dag te vertrouwen, zooals het
ook u is geschonken in uw lijden en uw ziekte. Ik dank
U, lieve moeder, voor uwen tekst. Ja, de liefde is zijn banier
voor mij.\'
-ocr page 20-
16
Zoo ging liij naar liuis. //Zalig /.ijn de dooden, die in den
Heer sterven van nu aan; ja, zegt de Geest, opdat zij rusten
van hunnen arbeid; want hunne werken volgen hen/\'
Een uittreksel uit het laatste hoofdstuk van Malans wSoutli-
Africa Missions" volgt nu nog.
,/Het was een hecte strijd voor de voorposten van het Engel-
sche leger bij Inkernian, den oden November 1854. Zij moesten
standhouden tegenover de troepen van den vijand, toldat er hulp
uit de legerplaats kwam. Kiudelijk kwam zij. Toen de troe-
pen hunne stelling innamen, beval een der officieren, die over
de tirailleurs het bevel voerde, aan zijn hoornblazer, het teeken tot
den terugtocht te Wazen, opdat de voorposten zich terugtrekken
zouden. ])e hoornblazer zette zijn hoorn aan den mond, keerde
zieh naar de lang/aam voortrukkemle regimenten en blies z<5o
hard, dat het geknetter van het geweervuur bijna niet rnecr
werd gehoord, het toeken tot het vooruitrukken. r/Ik beval u
den terugtocht te blazen/\' zeidc de officier. //Ik weet het, luite-
nant," antwoordde de hoornblazer, //inaar ik kan niet anders;", en
nogmaals keerde hij zieh naar de vooruitrukkende troepen en blies
niet groote kracht het teeken om voort te rukken. De officier
had gelijk volgens krijgsgebruik, maar de (Joel der legerscharen
bestuurde het hart des hoornblazcrs. Het signaal tot den terug-
tocht zou het vooruitrukkende leger hebben ontmoedigd. De
vroolijke toon van het teeken om vooruit te rukken gaf eiken
soldaat, die het hoorde, nieuwen moed. De linie der tiraillcurs
kon toch niet vooruitrukken, omdat de vijand te krachtig was,
en het niet opvolgen van het bevel schaadde niet.
De voorposten van het leger des grootcn Koniugs, die zich
in een lange keten over de gcheele aarde uitbreiden, hebben nu
-ocr page 21-
17
ook ccn zwaren strijd. Afrika in liet midden, Amerika en China
mei (Ie daarbij Liggende eilanden aan de flanken, zijn de deelen
van liet slagveld, waarop de pogingen om grond te veroveren het
grootst zijl). Ook op veel andere plaatsen is de strijd hevig.
Bcgecrig zien de oogen der tiraillcurs nn en dan naar de leger-
plaatsen in Groot-Brittanniê*, Europa en Amerika, of er geen
hulp en versterking komt. Velen, die zich Christenen noemen
en belijden te gelooven in (iod en in Christus, zouden aan de
voorposten of het signaal om te «\'achten ?>f dat om terug te
gaan willen geven, terwijl /.ij tevens openlijk zeggen, dat het
nutteloos is, onderstand ie zenden. Ik hen een van de lioorn-
blnzcrs in het leger des koning*; daarom zet ik ten aanschouwe
van allen, die op zoodanige wijze zijn woord en zijne macht
verloochenen, den hoorn, dien Hij mij gegeven heeft, aan den
mond. O, dat deze pen een geluid kon laten weerklinken nis
de bazuin van den aartsengel! Ik zou het wVoorwaarts!* zoo
luide blazen, dat ik het dak van elke kerken van elk Christelijk
huis in Groot-Brittannië, Europa en Amerika zou doen dreunen
door het geroep: „Voorwaarts, voorwaarts, voorwaarts!"
Waarom dat talmen in het uitzenden van versterkingen? De
fout schuilt niet bij den veldheer. Mij heeft het bevel tot
voorwaarts rukken reeds vóór 1800 jaar gegeven en ziet nu van
zijn heiligen berg af, hoe zijne generaals, hoofdlieden en sol-
daten zijn bevel uitvoeren. Het was het donkerste oogenblik
in den geheelcn veldtocht op het schiereiland (Spanje), toen aan
den hertog van Wellington werd bericht, dat na een hardnek*
kigen strijd de storm op Bajadoz was mislukt, ,/lïajadoz moet
genomen worden!" was het eenige, wat hij zeide. Het was ge-
noeg voor zijne officieren en soldaten. Ken der laatsten wierp
zich op het ontblootte zwaard van een Spanjaard, om zijn
kameraad den weg over zijn lijk te banen. De plaats werd
-ocr page 22-
18
ingenomen. „Het Evangelie van liet koninkrijk moet gepredikt
«orden in de geheele wereld !" Zoo heeft onze veldheer gesproken.
Is dat niet genoeg voor zijne soldaten? Wat is hierop te ant-
woorden? Wat Afrika betreft, David I.ivingstone heeft zijn
lichaam geworpen op de vijanden, die den toegang tot de citadel
van dit groote werelddeel beletten, en heeft een weg gebaand
voor allen, die hem kunnen volgen. Anderen hebben andere
wegen in andere gedeelten van de vijandelijke vesting geopend ;
en zijn zij gevallen in den strijd van man tegen man, zij hebben
Inin leven voor Christus hun Heere niet tevergeefs geofferd.
Onze groote Koning heeft het bevel tot het voorwaartsrukken
gegeven. Vanwaar liet talmen ? Men neme het een soldaat, die
jarenlang de zendingszaak heeft bestudeerd, niet kwalijk, wan-
neer hij openhartig zijne meening uitspreekt.
De kerk vraagt en de wereld spreekt het na: nVanwaar
liet gebrek aan zendelingen?" g\'/Ae, ik heb het u tevoren
gezegd/\' spreekt de lieer der heerlijkheid; ;/de ongerech-
tigheid zal de overhand nemen en de liefde zal bij velen
verkoelen," Zoo moet het geschieden. Zalig zijn degenen,
die trouw zijn tot het einde. Maar letten wij eens op de
oorzaken dezer koude, liet is ten eerste: ongeloof aan het
welslagen der zending ; en dit is niets anders dan ongeloof aan
den lieer Jezus Christus. Ten tweede: de weelderigheiden
toegevendheid tegenover zichzelven in de kerk en bij de opvoeding-
van hen, die evangeliedienaar moeten worden. \'1\' e n d e r d e :
de feitelijke verloochening van den Heiligen (icest, als den
in iederen geloovige wonenden God, die machtig is in en door
hem den volkomen wil (iods te willen en te volbrengen.
J)c Heer Jezus Christus heeft ons niet verlaten, en zijn ge-
meente en zijn volk hebben geen recht te gelooven, dat Hij zijne
beloften en zijn woord niet zal houden, wanneer hij iemand
-ocr page 23-
1.1
nitzendt om dat woord te verkondigen. Ik vertrouw daarop,
dat ook het getuigenis van dit boek door Hem zal worden ge-
braikt om bij velen de duisternis en den twijfel hierover Ie doen
verdwijnen. Wat Hij door de weinige zendelingen uit Frankrijks
kerk heeft gedaan onder de 1\'assuto-staniinen, «lat heeft hij ook ge-
daan in veel andere landen en volkeren. Wat is het beste
bewijs daarvan, dat er leven is in een gemeente? Niet waar, dat
zij daarnaar tracht, dal het Evangelie wordt uitgebreid, zoowel bin-
nen als buiten haar land: dat mannen en vrouwen nit haar midden
bereid zijn bun leven te wagen, om bet Evangelie derwaarts te
brengen, waar het nog nooit gepredikt is ! Als dit zoo is, dan
is de Fransche en Ameriknanschc, ja, elke andere zending in Zuid-
Al\'rika geen mislukte onderneming geweest. Bloeiende gemeenten
zijn er gesticht. He Heilige (leest heeft getoond, dat Hij in dat
deel van Afrika met kracht woning heeft gemaakt.
In het belang der Fransche zending ben ik begonnen te sein ij-
ven en met blijdschap kan ik nu zeggen, dat de Heer de harten
zijner kinderen onder de Bassuto\'s bewogen beeft om zieh aan
te bieden als zendboden voor de verder wonende stammen.
Gedurende mijn bezoek van de gemeenten der l?assuto\'s had ik
het voorrecht met twee hunner evangelisten kennis te maken,
met Asser in Morija en niet Jesaja in Beroea.
Reeds de geschiedenis van hun arbeid onder de heidensche
stammen zal laten zien, of de Heer Jezus de inlandsche Christenen
van Afrika aan hun lot overlaat of niet. Jesaja ging het eerst
uit. Hij was de zoon van een der aanzienlijkste hoofden en
een gunsteling van Moschech, den eersten bekeerling in de gemeente
te Reroea, waarbij hij zieh in 1843 aansloot. In het jaar 18G4
zond de stam der Monkopani\'s, die zeer ver van Bassutoland
verwijderd woont, tot de Fransche zending er. vroeg om leeraren,
(ieen der broeders uit Frankrijk kon komen. Toen wendde zich
-ocr page 24-
20
de heer Maitin tot de gemeente van Thaba-Bosio en vroeg: /./Wil
niet een Christen uit uw midden heengaan naar het volk der
Monkopani\'s en hun mededeelcn, dat wij hen niet vergeten?\'
Dien avond kwam Jesaja tot den heer Maitin en y.eide, dat hij
wel wilde gaan. Hij nam zijn familie mede. Bij het eerste
hcidenschc hoofd gekomen, vroeg hij hem verlof om te mogen
prediken. De lieden kwamen in grooten getale op. Des avonds
kwam een jonge man tol hem en zeide: ,/Ik ben een Christen."
Hij had het Woord des leven» in het land der Ba«suto\'s gehoord,
maar schaamde zich voor de belijdenis van den Christus. Den
volgenden dag preekte Jesaja weder en zeide ten slotte: //Hier
is een man, die u heeft vermoord. Hij kende het Kvangclie,
maar heeft zich dat geschaamd. Daarom is hij een moorde-
naar!" Toen haalde hij een Nieuw Testament inet de Psalmen
voor den dag en vroeg, wie leeren wilde. Velen waren bereid.
Hij vroeg den jongen man dagelijks onderwijs te geven en ecu
ure des gcheds ie houden, wat door dezen werd gedaan; en zoo
werd er een gemeente van Christus gesticht temidden van
een heidenschen stam. Hij reisde verder. Eenigc dagen later
kwam de jonge man en vroeg om meer l>oeken, daar er nog
meer waren, die leeren wilden. Toen ging Jesaja tot liet hoofd
van den stam der Monkopani\'s, zeggende, dat hij door de Pransche
zendelingen gezonden was. Deze had een dertigtal jonge lieden
uitgezocht, om onderwezen te worden. Jesaja liet hun de keuze
tussclien het leeren van een handwerk of het lezen van (ïods
Woord. Acht en twintig wenschten Gods Woord te leeren lezen.
Hij opende dadelijk eene seiiool en hield dagelijks een ure des
gebeds. Ken oude vrouw, die in de nabijheid der school eene
hut had en reeds jarenlang lam was geweest, hoorde het Woord
en tot aller verbazing begon zij weldra de bijeenkomsten te be-
zoeken. De heidenet\', zeiden: „la niet Jesaja\'s God de ware
-ocr page 25-
2\\
(iod?" De lieer zegende .Tesaja op menigerlei wijze en verhoorde
genadiglijk zijne gebeden. ()|> zekeren dag kwam een oud
man uit een naburig dorp op een os aangereden. Hij zeide:
„Ik hoor, dat men hier van (Jod spreekt. Ik ben gekomen om
van Hem te hooren, daar ik Hem wenseli te zien." De oude
man werd bekeerd. In dien tijd kwamen er ook eenige af-
valligen, die in de kolonie geweest waren, en stelden aan
het hoofd van den stam hel Evangelie voor in het alleron»
gunstigst liehf. Kr ontstond ecne vervolging, maar niet
voordat vijf en twintig zielen uit dezen stam tot eene ge-
meeiite vereenigd waren, .lesaja moest vertrekken, daar het hoofd
hem onderstand weigerde. De bekeerden gingen met hem mede.
Op de plaats, waar hij het eerst gepredikt had, vond hij een
Duilschen zendeling. De jonge man was standvastig gebleven
en een gemeente was ontstaan, waarbij zieh ook de vijf en
twintig leden uit den stam der Monkopani\'s aansloten. Jesnja
ging voort het Evangelie onder de inboorlingen van den \\ iij-
staat te prediken, totdat de oorlog tussclicn de Bnssuto\'s en de
Boeren, die toen was uitgebroken, ten einde was en keerde
daarna terug naar het land der Bassuto\'s.
Nog opwekkender is de reis, door Asser in Interen tijd onderno-
men om het, land ten noorden van l.impopo te onderzoeken en
het Evangelie te prediken. Asser verliet den zendingsposl van
den heer Hofmeijer uit de. Nederlandsen-Gereformeerde kerk in
de nabijheid van Zontpansberg in Noord-Transvaal met eenige
makkers in Mei 1874. Allerlei moeielijkheden, als ziekten en
anderszins, bemoeilijkten hun nr^, en wanneer Asser hun ge-
loof en hun moed niet staande had gehouden, dan zouden de
anderen zijn omgekeerd. Hij zeide hun, dat deze beletselen van
den booze kwamen, maar dat de Heer Jezus met hen was en
zeker hunne reis zou zegenen. Na een opmerkelijke redding
-ocr page 26-
22
uit doodsgevaar reisde hij tot den stam der Baniai. Dezen hebben
eeue overlevering, „dat ecu hunner hoofden gestorven en van de
dooden opgestaan is; /.ij wachten op hem, daar hij wederkomt,
maar weten zijnen naam niet." Asser zeide hun, dat het do
Heer Jezus was, van wien hunne vaderen hadden gehoord. Die
hoofden waren l>ereid de prediking van liet Kvangelic toe te
laten en wezen plaatsen aan voor zendingsstations, /ij wachten
oj) predikers van liet kruis. Verderop woont een andere groote
stam, die tol de meest ontwikkelde stammen van Afrika behoort,
nl. de stam der Maschona\'s. Dezen kon Asser niet bezoeken.
Na een langen, niocielijken tocht keerde Asser in het land dor
Bassuto\'a terug en sprak aldus: ,/l\'oen wij terugkeerdon, kwamen
mij tranen in de oogen. Ik had wel gewild,dat ik mijn rechterarm
had kunnen afhouwen en in een zendeling veranderen en dat
ik zoo ook had kunnen doen met mijn linkerarm, met mijn
beide becnen en met mijn hoofd." Kort daarop bezocht Asser
de gemeenten in het land der Bassuto\'a on spoorde hou aan
alle krachten in to spannen om bet Kvangelic ook aan deze ver
verwijderde stammen to zonden. „Hebt gij dan geen medelijden
met deze volkeren, nu gij ziet, dat zij in den doodslaap liggen?
Wilt gij hen werkelijk laten sterven? Christenen, doet uwe
oogen toch open, de nacht is voorbijgegaan, het is nu inid-
dag geworden. Gij hebt het brood des Evangelies nu lang
genoog gegoten; gij zijt verzadigd. Andere volkeren verlangen
naar dit brood. Staat op, gaat tot hou. Verkondigt hun, wat
de Heer Jezus voor hen heeft gedaan; gij, die tot nutoe
rustig hebt gezeten aan zijn disch en de beste spijzen hebt
genoten; gij, wien Jezus alle zonden vergeven heeft; gij,
die uw Heiland gevonden hebt; staat toch op en gaat tot hcu,
die nog niet kennen do beloften des eeuwigen levens, welke
U zijn geworden."
-ocr page 27-
•23
Zijne roepstem is niet tevergecfsch geweest. Zijn voorbeeld
heeft anderen opgewekt. De lieer heeft door zijn (Jccst gewerkt
onder degenen, die zich voorbereidden voor het predikambt,
en op een na zijn zij allen bereid derwaarts te gaan, waarheen
de lieer hen roept. Sommigen zullen vóór het einde van dit
jaar (1875) met Asser medegaan om den naam des Ileereu aan
de Bnnini te prediken.
Overal in Zuid-Afrika wordt de roepstem „Voorwaarts!* go-
hoord; inlandsehe Christenen, die de taal der Zoeloes spreken,
staan gereed om met de prediking des Evangelies overal heen te
gaan. Wat zeggen nu de zendingscomite\'s, wat de schatmees-
ters in de kerken van Amerika en Europa?
De tijd is gekomen, dat de kerk van Christus met ernst haar
plicht moet doen en het koninkrijk van den lieer Jezus Christus
over de gehcele aarde moet verbreiden. De Heer is machtig. Wat
Hij gedaan heeft in Europa en Amerika, kan Hij ook doen in
Azië en Afrika. Hiertoe is gebed noodig en inspanning van alle
krachten! Om te kunnen arbeiden onder stammen, aan wie de
naam des liceren nog nooit is gepredikt, heeft men mannen en
middelen noodig.
Wat de mannen aangaat — ik zie er geen bezwaar in, dat de
kerk in Afrika het voorbeeld volgt van den Heer bij de verkio-
zing zijner apostelen. Zijn er geen mannen, die de beschaving-
van een Paulus bezitten, dan zijn er toch velen, die de ontwik-
keling hebben van ecu Johanncs en een Petrus en die hun taak
evengoed vervullen kunnen, wanneer zij slechts ootmoedig, vol
geloof en liefde zijn. In de beschaving, die bij het hooger on-
derwijs wordt medegedeeld, zijn allerlei elementen, die met den
(Jeest van Christus strijden. De begeerte om anderen te overtreffen
en een eerste plaats te beklceden strijdt met de leer van Hem,
die liefde en kinderlijk ootmoed de grootste voorrechten noemde,
-ocr page 28-
24
ook voor de zijnen. Kennis en beschaving veracht ik niet, maar
ik geloof, dat elk ervaren zendeling mij dit zal toestemmen, dat
ootmoed, liefde en geduld aan de prediking van liet Evangelie
onder de onwetende heidenen van Afrika meer bevorderlijk is
dan eenige menschelijke beschaving.
Wat de middelen aangaat — ook deze ontbreken in de kerk
van Christus niet. Wanneer men hoort, wat de Christenen in
Engeland en Amerika doen voor hunne bedehuizen, welke som-
men zij besteden aan hun eigen huizen en de versiering
daarvan, dan weet men ook, dat de lieer de middelen om zijn
Evangelie te verbreiden in de handen zijner kerk gegeven heeft.
Maar de zijnen besteden hun geld voor ziehzelvcn, aan weelde
en sieraad, inplaats van aan zijn werk op aarde.
liet is niet te loochenen, dat zendelingen en zendingsgcnoot-
schappen bij hunne pogingen om aan de volkeren van Afrika
het Evangelie te brengen evengoed fouten hebben begaan als
ergens elders. Dat de Eransclic zending daar zulke rijke vrueh-
ten heeft gedragen is vooral daaraan te danken, dat zij al haar
krachten geconcentreerd heeft op é e n stam, en wel vóórdat
deze de nadeelige gevolgen van de beschaving der blanken had
gezien. Andere zendingsgenootschappen hebben zendingsposten
gesticht onder verschillende stammen van Zuid-Afrika, inplaats
van al bun kracht op een stam te eoncentreeren. Zoo vindt
men nu bij verschillende stammen allerlei zendelingen en zen»
dingsposten in hopelooze verwarring: Wcslevanen, (\'ongregatio-
nalisten, Presbyterianen, Anglicanen enz. Dat dit bet werk dei-
zending zeer benadeelt spreekt vanzelf. Eene overeenkomst
tnsschen de verschillende zendingsgenootschappen is dan ook
ten zeerste gewensclit, wanneer men het binnenland van Afrika
in bezit gaat nemen. Er is voor allen plaats genoeg, en de een
behoeft zich niet in te dringen in het werk van den ander.
-ocr page 29-
\'25
Hoe verder het arbeidsveld van het eene genootschap van dat
van het andere verwijderd is, des te beter zal het zijn voor de
prediking van het Evangelie, des te gemakkelijker en spoediger
zal het overal worden gehoord.
De kerk van Christus had uit den langdurige» arbeid van
Livingstone en uit liet menigmaal zoo spoedig einde van den
arbeid veler ijverige mannen in het gevaarlijk klimaat van Oost-
en West-Afrika deze leering moeten trekken, dat het vóór alle
dingen geraden is lieden uit te zenden, die reeds geacelimati-
scerd en met het karakter en de gewoonten der Afrikanen be-
kend zijn. Komt de tijd, dat de kennis van den naam des
Heeren moet worden uitgebreid in Midden-A frika en is liet
klimaat van dien aard, dat Europeërs aldaar geen te groote
inspanningen kunnen verdragen, dan is het blijkbaar des 1 lei ren
wil, dat de Afrikannsche Christenen zelvcn, de kinderen des
lands, die uit het heidendom gebracht zijn tot het koninkrijk
Gods, liet leeuwenaandeel in dezen arbeid zullen hebben. Ja,
de tijd is gekomen, «lat de zendingsarbeid in Afrika door de
inlandsche Christenen moet worden aanvaard. De gemeenten
van Zuid-Afrika moeten bereid zijn hun lieste lieden uit te
zenden. Een gemeente, die niemand uitzendt, moet als een
mislukte stichting worden beschouwd, en haar zendeling kan
zijn arbeid een vcrgeefsclien arbeid noemen. Uit de berichten
over Jesaja en Asser kan men echter zien, dat er inlandsche
Christenen zijn, bereid om in den naam des Heeren uit te gaan.
Anderen ken ik ook. En ik twijfel er niet aan of — wan-
neer men namelijk de eer en den plicht van dit groote werk
op geschikte wijze aan de inlandsche gemeenten op het hart
drukt — er zullen nog genoeg getrouwe mannen worden ge-
vonden, bereid om te helpen bij de evangelisatie van Midden-
Afrika. Gedurende mijne reis zeide ik dikwijls tot de ge-
-ocr page 30-
26
meenten, dat \'dit werk liun plicht is en dat /.ij bereid moeten
zijn om vaderland en vrienden te verlaten en den naam des Hei-
lands te brengen tot de stammen, die in het binnenland wonen.
Voordat ik eindig, moet ik ook nog iets inedcdeelen van den
grooten zegen, dien ook mijne reis — Gode zij dank ! — heeft
gehad. Ik zal allerlei brieven mededceieri, die ik uit het
land der Bassuto\'s en uit andere plaatsen heb ontvangen,
omdat deze brieven duidelijk laten zien, dat zulke bezoeken voor
de overal verspreid wonende zendelingen rijke bronnen van zegen
zijn, en dat deze bezoeken meer door Christenen moesten wor-
den gebracht, om de trouwe dienaars des Ileereu te verblijden
en te verkwikken, die om zijnentwil in vreemde landen en dik-
werf in een eenzame omgeving, door heidenen omringd, leven.
Ken lieve broeder uit het land der Bassuto\'s schrijft het vol-
gende: ,/De uitwerking, die uw kort oponthoud bij de gemeenten
in het land der Bassuto\'s gehad heeft, is, Gode zij dank, van
dien aard, dat ik u wel zou willen verplichten geheel Zuid-
Afrika te bereizen. De lieer Sommerville is naar Indic gegaan
om het te doen, maar het is niet waarschijnlijk, dat iemand er
aan denken zal tot hetzelfde doel naar Zuid-Afrika te komen.\'\'
Het volgende schreef mijn geliefde oudere broeder James Ailli-
son, die nu reeds tehuis is. uit Impolveni in Na tal: ,/Het is
cene verkwikking voor de zendelingen, die tengevolge hunner
positie het genot van de zich uitende gemeenschap der heiligen
missen moeten, te ervaren, dat de Christenheid hen niet vergeet.
Zelfs Paulus werd door Titus\' aankomst in den geest verkwikt
en getroost. Hat is het gevolg geweest van uw bezoek in Natal.
Het heeft den Heer behaagd de harten van velen zijner kin-
deren door u te doen troosten en versterken. Hij was met u.
Hem zij alle prijs en eer! Sedert gij ons verlaten hebt, heb
-ocr page 31-
27
ik een zeer bclaugrijk boek gelezen, het „Bericht van de alge-
nieenc Zendingsconferentie in Allahabad, 1872/73," waarin op
de gezegende vruchten van zulke bezoeken wordt gewezen. Hier-
door is liet genootschap van de Amerikaanseh-bisschop|>elijk-
methodistische zending er toe gebracht een zendeling uitsluitend
daartoe aan te stellen, dat hij op gezette tijden bezoeken aflegt."
Xog meer dan deze brieven stemmen allerlei herinneringen
mij dankbaar jegens den Heer; herinneringen daaraan, hoe ik
menigmaal op het gelaat (lezer alleen staande, vermoeide broe-
ders, die ik naar mijn vermogen met de liefde des llecren en
den troost zijns Woords mocht steunen, een blijden lach of
vreugdetranen komen zag. Ik dank den Heer daarvoor, dat Ilij
mij op bijzondere wijze tot dit werk hoeft voorbereid, daar Hij
mij, toen ik te London was, de onderwijzing van een ouden
zeekapitein deed genieten, die mij, over den Bijbel sprekende,
zeide : yLicve broeder, sedert vijftig jaar heb ik geen ander boek
bestudeerd dan dit." Het onderwijs, dat ik van hem ontving,
was bijzonder zegenrijk voor mijn eigen ziel en heelt door de
kracht des Heiligen (iecstes aan zeer veel zielen in Afrika
nieuwe levenskracht en nieuwen levensmoed gegeven.
Ook van de inlaudsche Christenen aller plaatsen ontving ik
brieven over den zegen, dien zij door mijn bezoek hadden ont-
vangen. Toen ik van Morija vertrokken was, schreven alle jonge
mannen uit het seminarie mij, om mij te danken voor mijn
onderwijs in het Woord (iods. Eiken avond behandelde ik met
hen een deol van hot leven van David. Den laatsten avond
stond ik stil bij de belofte: ^Do leeraars zullen lichten als
des hemels glans en die velen tot gerechtigheid geleid heb-
ben als de sterren altoos en eeuwiglijk!" en spoorde hen aan
om toch den dienst des Heeren Jezus te kiezen en de prediking
van het Evangelie, wat het ook kosten moest. Uit vele neem
-ocr page 32-
28
ik den brief van den getrouwen Asser. Hij schrijft: ^Lieve
zendeling, ik verblijd mij om uwentwil en ben zeer dankbaar
voor de hulp, die gij ons hebt gegeven, tüj hebt ons versterkt
door het Woord \'iods, dat nit uwen mond tot ons is gekomen.
Wij bidden, dat fiod n begeleide, waar gij ook gaat, dat Hij
u door bet Woord vele kinderen sehenke, die Jezus in den
hemel prijzen. Voorts, dat Hij door uwe reis ook lieden op-
wekke om op te treden en voor den Heer Ie leven. Wanneer
gij komt bij nw eigen kudde, denk dan ook aan onze school;
bid voor haar, opdat zij voor Jezus moge leven. Groet de
verschillende gemeenten, die gij bezoeken zult, van ons; groet
ook de bewoners van uw dorp. Vaarwel! Ik ben Asser./;
De voorposten van het leger des Koning», dat over de geheele
aarde is opgesteld, wachten op versterking en ondersteuning,
voordat zij liet land van den vijand binnentrekken. Wij zien nu
niet o]> de generaals en de hoofd lieden in l\'.uropa en Amerika,
maar wij zien op onzen Koning, overeenkomstig zijn bevel, en
bidden Hein, dat Hij die zeilde. Wij bidden Hem ook, dat Hij
de bewaarders zijner schatkamers tot rijke gaven opwekke,
want de kosten tot den oorlog zijn groot. Denkt niet, dat wij
te uwen opzichte bovenmate ontrust zijn; dit is in \'t geheel
niet zoo, want onze Koning zorgt ervoor, dat wij het niet zijn.
Zijn Woord wekt ons op: de blijdschap in Hem sterkt ons. Zijne
kracht bewaart ons; zijne beloften dragen ons. Wij roepen
elkander, wanneer wij in het gewoel van den strijd elkander
voorbijgaan, toe: ,, Verblijdt u in den Heer te allen tijde en
wederom zeg ik u: Verblijdt u."
Hier is een brief van 5>tcphanus Hofineijer, ilie met zijne
vrouw alleen onder de heidenen ten noorden van Transvaal
woont: fIk was zeer verblijd, toen Asser met Simon van den
stam der Baniai terugkeerde, maar volstrekt niet verbaasd. Zoo-
-ocr page 33-
29
als een vrome zuster eens opmerkte: „Het is juist iets voor
hem." De wereld zal zeerren: //Wat hebt gij aan al uw
moeite?" Maar wij kunnen ons verblijden in liet geloof,
wanneer wij ergens slechts de voetstappen zien van den Ko-
ning der koningen; want bij llcm is strijden en overwinnen
écu en hetzelfde. Hij kan naar waarheid zeggen: „Ik kwam,
ik zeg, ik overwon." Ik ben er blijde over, dat de lieer
handelt, zooals Hij doel. Hij zendt een paar inboorlingen,
nog niet lang geleden heidenen, en verkrijgt door hen. wat
de groote koningen der aarde door vuurwapenen niet kun-
ncn verkrijgen: de bewilliging van machtige heidenen, dat
men komt en hunne afgoden bestrijdt in hunne omgeving. Hoe
knerst de booze niet de tanden ! Gaarne zeg ik den heidenen,
dat wij de gehecle wereld zonder geweren kunnen veroveren.
Wij zijn uilgezonden door den Koning der koningen. Wij
hebben reeds veel meer gedaan dan vuurwapenen, en nog be-,
trekken wij de winterkwartieren niet. .Mochten wij allen slechts
met de zendelingen geestelijke strijders zijn en ons leden voelen
van het groote leger. Hoe spoedig zouden wij de heidenen
brengen aan de voeten van Inimaimel\'."
En nu stilte! l)c tijd des gebeds i- aangebroken. De lieer
is in zijn heiligen tempel; de geheele wereld zij stil voor Hem.
De geheele kracht van de kerk van Christus ligt in het gebed.
Tegenover het geloovig gebed zijn (iods beloften onbeperkt.
Al wat gij bidt in uw gebed, gelooft slechts, dat gij het ont-
vangen zult, zoo zult gij het ontvangen. Hoe dankbaar ben ik
daarvoor, dat het lijk van Livingstonc gevonden is, liggende op
de knieën, /egt ons dat niet, van waar de kracht kwam voor zijne
zelfverloochening, zijn moed, zijne volharding? Hoe opent het
gebed de deuren des harten; hoc doet het de krachten der ziel
herleven; hoe sterkt hel het geloof; hoe wekt het ile hoop we-
-ocr page 34-
30
der op! De Christenen moeten maar zeer ernstig bidden voor
de uitbreiding van het Koninkrijk (iods over de aarde, en zij
zullen zien, dat hunne beurzen zieh openen. De Heer zal hun de
eer aandoen, aan henzelf\' hun gebed te verliooren. Zij moeten
maar in oprechtheid en waarheid den Heer des oogstes bidden
om arbeiders uit te zenden in zijnen wijngaard en zij zullen
spoedig op verschillende wijze zelven in dienst genomen zijn. Heeft
de kerk op het voorbeeld van den Heer ten opzichte van het
gebed genoeg acht gegeven? Hebben de nachten en morgenuren,
door Hem in het gebed doorgebracht, niets te zeggen tot de kerk
onzer dagen? De tijd, die aan het gebed wordt gewijd, moest ons
grootste genot, onze grootste verkwikking en vreugde zijn. Daarom
deelen wij ook in den arbeid, in de vreugde, in de gemeenschap, die
onze broeders en vrienden tehuis en in den vreemde hebben. Bijna
dagelijks laat ik eenige oogcnblikken staan, wat ik zelf heb te
doen, en ga in den geest naar Kngeland en door de geheele
wereld tot al mijn geliefde broeders en zusters in den Heer!
Welk een kostelijk voorrecht is het gebed ! Hoewel ver van el-
kandcr verwijderd, komen wij toch in het geloof samen. Hoe
beloont de Heer gebed door gebed ! Menigmaal heb ik voor
dezulken gebeden, die ik nooit had gezien, maar van wie ik
gehoord had, dat zij voor den Heer arbeidden. Nu hoor ik
voortdurend van vrienden, die mij nooit gezien hebben, maar
die toch begonnen zijn voor mij te bidden. Bewijst dit niet,
dat de mensch een geestelijk wezen is ?
Het eerste, wat de Heer mij bij mijn terugkeer naar Afrika op
het hart bond, was de noodzakelijkheid der poging om de kerk in
Zuid-Afrika tot eene vereeniging in het gebed op te wekken. Ken
ernstig, geloovig, verlangend gebed is het ware levensteeken en
liet bewijs van een toekomstigen zegen. Het is de eenige veree-
niging, die in een kolonie, waar de bevolking geheel verstrooid
-ocr page 35-
.\'.!
leeft en geen persoonlijke omgang gevonden wordt, mogelijk is
tusschen de Christenen. Al degenen, die aan dezen bond heb-
ben deelgenomen, hebben ook een zegen ontvangen. De Geest
des gebeds grijpt meer en meer om zich. Ik smeek de Chris-
tenen, die de voorrechten eener broederlijke gemeenscha]) genie-
ten, te denken aan de kerk in Znid-Afrika en den Heer te
bidden, dat Hij den Geest der genade en des gebeds uitstortc
over deze kerk en vooral over de daar werkzame zendelingen.
Mijn gebed voor mijzelf is, dat de Heer mij meer en meer
gebruike, om de kennis zijns naams te verbreiden over de
geheele aarde. Daarom bid ik: „Heer, wijs mij uwen weg en
leid mij op de rechte baan, om mijner vijanden wil! Gij, o
Heer, wees Gij met mij om uws naams wil!"
Voor mijne broeders en voor de gemeente over de geheele
aarde bid ik: ,/1\'oon aan uwe knechten uwe werken, en uwe
eer aan hunne kinderen. En de Heer onze God zij ons goed-
gunstig, en bevordere het werk onzer handen bij ons, ja het
werk onzer handen moge Hij bevorderen! Amen/\'