-ocr page 1-
1 GESCHIEDENIS Dl 111,
YAN HET PINKSTERFEEST
TOT OP DEN TIJD DER HERYORMING.
L. TIEMEESMA,
Zendeling\'Leeraar te Jèuitenzorg.
Uitsluitend ten voordeele der Evangelisatie door
Landontginning op West-Java.
NIJMEGEN,
P. J. MILBORN.
UB-ZUID
PKE
284
-ocr page 2-
7P
#V
\\
-ocr page 3-
vwv^x \\0Ö0\\
/y/at*^zz-
I GESCHIEDENIS 1 lil,
xSt,
YAN HET PINKSTERFEEST TOT OP DEN TIJD
DER HERVORMING.
A 4d
2
biDiiotheek
fOERL. ZL?<DiMGSH03£SCH0üi
OEGSTGEEST.
L. TIEMERSMA,
Zendcling-beeraar Ie JBuitenzerg.
Uitsluitend ten voordeele der Evangelisatie door
Landontginning op West-Java.
MIJMEGEN,
P. J. MILBOKN.
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000034911887B
hhl
3491 1887
-ocr page 4-
%V\\.*.*
-ocr page 5-
oAan den Lezer!
\\
•"Onbekend maakt onbemind" zegt hel spreekwoord, en de weinige
waardeering, waarop de Zending kan bogen, heeft zij ook vopr een
groot deel te wijten aan hare onbekendheid. Zij gaat als eene onbc-
kende en
daarom als eene onbeminde de wereld door.
Het loont echter wel de moeite en verschaft menig nuttig en leer-
zaam oogcnblik haar op hare gangen te volgen. Het xal mij ten minste
nimmer rouwen dit gedaan te hebben.
Vooral de wijze waarop de Zending zich in den apostolischcn
en na-apostolischen tijd, alsmede indien der middeleeuwen openbaarde,
trok mijne bijzondere aandacht, zoodat ik haar vooral toen van stap
tot stap volgde.
Ik zag hoe zij tiare tocht begon te Jeruzalem en verder geheel
Klein-Azië doorwandelde, zich een gebied om de Middellandsche Zee
veroverde, Qermanie\' zich ten buit maakte, en zelfs hare armen uit-
strekte naar het veire Groenland, als wilde ze de nieuwe ivereld met
het aloude Evangelie redden.
Ik zag haar worstelen tegen het fanatieke Jodendom en klassieke
heidendom, tegen het pas opkomende Mohammedanisme en het eeuwen-
oude Boedhisme en Bramanisme.
Ik volgde haar naar de onherbergzaamste woestijnen en voer met
haar mede over de verste zeeën. Ik vergezelde haar in de hutten der
armen, en in de paleizen der vorsten ontmoette ik liaar ook.
-ocr page 6-
En rvat ik op al die tochten van liaar hoorde en zag, heb ik
in dit boekje beschreven, om ook U daarmede in kennis te stellen.
De uitgave zal geheel en al plaats liebben ten voordeele van de
landontginning te Tjikembar, die zooals bekend is door br.
Van Een-
denbukg met zooveel takt is begonnen en alleszins onzen steun verdient.
Over die landontginning hier nog iets te schrijven, acht ik over-
bodig, daar de
»Organen" der Nederlandsche Zendingsvereeniging daar-
ovcr voldoend licht verspreiden.
En hiermede leg ik de pen neder, en zal dezen mijnen arbeid
rijkelijk beloond achten, als hierdoor de geschiedenis der Zending meer-
dcre bekendheid krijgt en de landontginning te Tjikembar er mede loei
bij vaart.
L. TIEMERSMA,
Zendeling-Leeraar.
BülTENZORG, 25 Juni 1888.
-ocr page 7-
INHOUD.
INLEIDING EN VERDEELING.
Bladz.
1.    Omschrijving van het onderwerp.............. 1
2.    De Goddelijke voorbereiding............... 2
3.    Hulpmiddelen en hinderpalen............... 3
4.    Verdoeling..................... 6
OUDE GESCHIEDENIS.
Eerste Afdeeling.
1.    Azië....................... 8
2.    Afrika...................... 11
3.    Europa...................... 13
OUDE GESCHIEDENIS.
Tweede Afdeeling.
1.    Constantijn de Groote................. 17
2.    Azië....................... 19
a. PerziB 19. — 6. Iberië, Armenië, Kolchië en Kaukasië 22. —
c. Arabië en Indië 24.
3.    Afrika. — Abessinië................. 26
4.    Europa......................28
a. De Gothen 28. — b. Ierland 30. — e. Gallis of Frankrijk 38. —
ei. Oostenrijk en Beieren 35. — e. Minorka en andere eilanden der
Middellandsche Zee 36.
-ocr page 8-
VI                                                           INHOUD.
MIDDELGESCHIEDENIS.
Eerste Afdeeling.
Bladz.
1.    Het karakter van dit tijdperk . . ,...........38
2.    Spanje.....................40
3.    Brittanië.....................41
\'4. Het Frankische rijk.................46
5.    Ons vaderland...................      50
(!.   Do Saksen en Avaren.................      60
7.    De Denen en Noormannen.......         .......      62
8.    IJsland.....................      68
9.    Do Slavische volksstammen...............      71
n. De Bulgaren 72. — b. De Moraviërs en Bohemers 74. — c. De
Hongaren 77. — d. De Wenden 79. — e. Do Russen 81. — ƒ. De
Polen en Pommeren 82. — g. De Lijflanders, Finnen en anderen 89.
10. De Pruisen en Litthauers............... 90
MIDDELGESCHIEDEMS.
4ft
Tweede Apdeelino.
1.    De Monnikenorden.................. 92
2.    Azië...................... 94
3.    Afrika......................101
a. De Noordkust 101. — b. De Westkust 105.
4.   Amorika.....................107
-ocr page 9-
INLEIDING EN VERDEELING.
1. Omschryving van het onderwerp.
Zendingsgeschiedenis is een geregeld verhaal van de zichtbare komst
van hot Godsrijk onder do iiiet-Christelijko volken. Wij leggen hier
nadruk op het woord zichtbare. Evenals er eene zichtbare en onzichtbare
kerk is, moet er ook eene uitbreiding zijn, zoowel van do eene als van
de andere. De Heere Jezus zelf leert ons dat in de gelijkenissen van
het mosterdzaad en van den zuurdeesem. Soms gaat de zichtbare uitbrei-
ding met veel rasscher schreden, dan do onzichtbare. Wladimir I van
Rusland bijvoorbeeld, vaardigde, nadat hij in 988 gedoopt was, een\'gebod
uit door het geheele land, dat allen, oud en jong, rijk en arm, hoeren
knecht, aan den oever van den Dnieper moest komen, om zich door den
Aartsbisschop Michaél te laten doopon. Allen daalden nu af in den vloed,
en kwamen er als gedoopt weer uit te voorschijn. Al de Russen hadden
dus zichtbaar het Christendom aangenomen, doch van de onzichtbare
werking van het Evangelie, wordt tot nog toe weinig bespeurd. Daaren-
tegen zouden vele zendelingen van onzen tijd, een groot aantal gemeenten
kunnen noemen, dio in betrekkelijk korten tijd niet alleen tot een aanzien-
lijk ledental zijn gekomen, m aar waarin tevens het Evangelie als een
zuurdeesem alles en allen doortrekt en vernieuwt. Do zendingsgeschiedenis
omvat de uitbreiding der zichtbare kerk; de jaarlijksche opgaven melden
dan ook haar lodental, en niet dat dor onzichtbare, welker getal alleen
bij God bekend is.
Do nieuwe bedeeling begint met do uitstorting van den Heiligen Geest.
Vóór dio bedeeling heette het: »Het Koninkrijk der Hemelen is uttbij
gekomen," maar nn it het er. De scheidsmuren tnsschen Israël en de
-ocr page 10-
2
Heidenen zijn weggevalion en het bevel des Hoeren luidt: Onderwijst alle
volken."
Dat de Israëlieten zich ook met zending bezighielden, blijkt duidelijk
hieruit, dat zij tijdens het leven van den Heore Jezus, zee en land
omreisden, om eenen Jodengenoot te maken (Math. 23 vs. 15), en ook
uit het zending-idee, dat men in het Oude Testa ment 1) aantreft.
2. De goddelijke voorbereiding.
Doch de eigenlijke zending, begon pas met de uitstorting van den Heili-
gen Geest. Zou de Heidenwereld naar een verlosser uitzien, dan moest
zij eerst loeren, dat zij zichzelf niet kon verlossen. De zedeloosheid en de
afgoderij bereidden de Heiden wereld negatief voor het Christendom voor,
wetenschap en kunst deden hetzelfde positief. Ood verkoor Israël, om
den Christus voort te brengen; terwijl Hij de Heidenen liet wandelen
naar liet goeddunken van hun hart, opdat bij hen behoefte aan verlos-
sing zou ontstaan. Er moest een volk zijn, ontvankelijk voor het Evangelie,
en een Evangelie geschikt voor het volk.
Het algemeen gevoel van behoefte aan verlossing, en liet verschijnen
van den Verlosser vallen saam in de volheid des tijds. In den ouden
Simeon zien we het wachtend Israël; in de wijzen uit het oosten het
zoekend heidendom. Maar het was niet alleen algemeenheid van het ge-
voel van behoefte aan verlossing wat dezen tijd kenmerkt; het waren nog
meer de gunstige omstandigheden, waaronder die Verlosser verscheen.
Of was het niet gunstig voor de uitbreiding van het Christendom,
dat geheel de toen bekende wereld één groot keizerrijk uitmaakte?
Daardoor moest van Zonsop- tot Zonsondergang bekend worden, wat er in
hot kleine Palestina gebeurde. Ook de Staatsinrichting droeg het hare
daartoe bij. De onderscheidene provinciën toch hadden in hare hooldsteden
hare middelpunten van handel, nijverheid, kunst en wetenschap; terwijl
steden, als Alexandriö, Antiochië, Efeze en Corinthe zulks weer voor de
grootere deelen van het rijk waren, en het geheel op Konie uitliep.
Belangrijk voor de uitbreiding van het Christendom was vooral dit, dat
het volk, waaruit de Christus is voortgekomen, over dat geheele rijk ver-
strooid was, en vrijheid van godsdienst had. Bij de Romeinen toch werd
1) Zie Macedoniër Doel I, bladz. 19G on vervolgens.
-ocr page 11-
3
geen nieuwe godsdienst geduld. Het Christendom zou dus reeds in zijn
aanvang zijn uitgeroeid, zoo het buiten het Jodendom was ontstaan. Toen
de Komeinen merkten, dat het een nieuwe godsdienst was, had het zich
reeds te ver uitgebreid en te diepe wortelen geschoten, dan dat ze het
hadden kunnen uitroeien. Daar Israël verstrooid was en het Christendom
in het Jodendom ontstond, werd ook overal van den Christus gesproken,
en alzoo aan zonding gedaan. De Joden, hoewel elders wonende, bleven
toch in nauwe betrekking staan tot Jeruzalem; zoodat het heil van de
Jeruzalemsche gemeente zich naar alle oorden moest verbreiden.
Do algemeenheid der Grioksche taal deed ook het hare voor de uitbrei-
ding van het Godsrijk. Door de Grieksche bijbelvertaling, Septuaginta
genaamd, hadden de Oud-Testamentische geschriften een zekere mate van
bekendheid gekregen, en zich in ruimeren kring verspreid, waarmede
eene voortplanting van de beloften aangaande den Christus gepaard ging.
Dat deze taal in alle groote steden werd verstaan, is mede eeno reden,
waarom de Apostelen daar en niet op het platte land werkten. Van uit
de steden kwam het Evangelie in kleinere plaatsen.
3. Hulpmiddelen en hinderpalen.
Wij moeten in den Apostolischen en na-Apostolischen tijd niet in de
eerste plaats vragen naar personen, die de komst van het Godsrijk hebben
bevorderd; maar veelmeer naar wegen zoeken, waardoor het Christendom
zich heeft uitgebreid.
Tot op de verwoesting van Jeruzalem namen de feestgangers, terug-
komende van hunne hoofdfeesten, het zaad des Evangelies mede naar
hunne woonplaatsen. Op het eerste Christen-pinksterfeest waren niet min-
der dan vijftien verschillende volksstammen tegenwoordig. Deze allen
hebben de prediking van Petrus gehoord, wat niet ongezegend kon blij-
ven; zij behooren dan ook volgens de geschiedenis tot de eerste volks-
stammen, die het Christendom omhelsden. En al heeft het Pinksterif onder
zich niet herhaald, bij dit eerste Christen-pinkster/ces< zal het niet zijn
gebleven. Paulus toch verliet de Efeziërs met de woorden, dat hij het
«toekomende feest te Jeruzalem moest houden" (Hand. 18 : 21).
En dat ook dat feest door vele vreemdelingen werd bijgewoond, is vrij
wel zeker, omdat wij lezen, dat zich daar ook »Joden uit Azië" bevonden;
hoeveel te meer zullen dan de Joden, die woonachtig waren in land-
-ocr page 12-
4
stroken, die dichter bij Jeruzalem lagen, tot de foetvierendo scharen
hebben behoord. Staat het alzoo vast, dat het Pinksterfeest, evenals de
andere hoofdfeesten, telken jare terugkeerden, en eene groote menigte
volksstammen uit de onderscheidene oorden binnen Jeruzalem brachten,
bijna veertig jaren lang, dan moet ook toegestemd, dat die feesten gunstig
moeten gewerkt hebben voor de uitbreiding van het Godsrijk.
De vervolgingen, die het Christendom moesten uitroeien, werden juist
door de menigte vluchtelingen eene oorzaak van snelle verbreiding des
Christondoms. De eerste prediking in Samaria geschiedde dan ook door
de verstrooiden uit Jeruzalem (Hand. 8).
Door don Bomeinschen krijgsdienst zullen mannen, als de hoofdman te
Kapomaum (Matth. 8 : 5—13) en Cornelius (Hand. 10) of gelijkgezinde
krijgsknechten van minderen rang gesproken hebben van den »vrede door
het bloed dos kruises", terwijl krijgsgevangene barbaren, als Christenen
uit hunne gevangenis teruggekeerd, als zendelingen werkzaam kunnen
geweest zijn. Do heidonsche volken, die met het Bomeihsche rijk in oorlog
waren, voorden vaak Christenen als gevangenen mede, die niet zwijgen
konden van het heil in Cristus aan de wereld geschonken, en zoodoende
de zegen des Evangelies onder hunne vijanden brachten.
Handelsverkeer bracht do waarheid in menige kuststad van de Mid-
dellandsche on Arabische Zee. Do koopman, die verre of nabij handel
dreef, verkondigde onder het afdoen zijnor zaken hot Evangelie. Menigmaal
zag hij daarvan weinig of geen vrucht. Maar als jaren later een ander
handelaar of reiziger dezelfde plaats bezocht, waar hij het eerste zaad in
stilte gestrooid had, dan was dat zaad opgeschoten, en men kon van
eene gemeente verhalen, zondor te kunnen zeggen, wie daar hot eerst
do kiem van het nieuwe loven te midden van het heidendom had neergelegd.
De slavenhandel kan ook menigeen vrijgemaakt hebben van de sla-
vernij dos heidendoms. De Christelijke slaven en slavinnen toch, wanneer
zij, aan andere meesters of meesteressen overgedaan, weigerden aan god-
dolooze en onbetamelijke dingen deol te nemen, dan moesten zij van dezo
weigering aan hunne heeren of meesteressen verantwoording doen, waarbij
zij bok gesproken zullen hebben van het heil, dat hun in Christus was
geschonken. Hoorden deze naar do blijde boodschap, die hunne onderge-
schikten hun brachten, dan werd door hen oen grooten invloed ten goede
uitgeoefend en ontstonden er huisgemeenten. die niet langer binnen do
muren der woningen van doze meesters beperkt konden blijven. Een
-ocr page 13-
r>
zoodanige slavin was Nunia, wier geschiedenis wij later liopen mede te
deelen.
Het monnikemvezen voerde het zaad des Evangelies diep in de
Syrische en Lybische woestijnen. Tot welk eenen rijken zegen menig monnik
geweest is voor de woestijnbewoners en voor de rondtrekkende volksstam-
men, is alleen bij God bekend. Straks, wanneer wij de geschiedenis van
Simon de Stiliet behandelen, zullen wij iets .\\an dien zegen zeggen.
De vrijheid aan iedere volksstam gegeven om op de graven hunner dooden
godsdienstoefeningen te houden, bracht tijdens de vervolgingen grooto
scharen bijeen, die ongestoord het Evangelie hoorden verkondigen.
Door de volksverhuizing is menig Christenvolk op heidensch erf ge-
dreven, waarmede een voortplanting van het Evangelie naar die streken
gepaard moest gaan, wat ons de geschiedenis van de WestGothen in Spanje
dan ook werkelijk zal laten zien.
Door de kruistochten kwamen vele ernstige Christene met heidenscho
volken in aanraking, wat voor de komst van het Godsrijk bevorderlijk
moest zijn.
Waren er alzoo vele middelen en oorzaken die tot verbreiding dor
waarheid medewerkten, men vergete niet dat er daartegenover ook zeer
ernstige hinderpalen waren. Onder do voornaamste hinderpalen voor do
uitbreiding van het Christendom noemen wij in de eerste plaats de oor-
logen.
Daardoor toch werd het volkerenverkeer verbroken en dikwijls eene
haat tegen hot Christendom verwekt. De gedurige oorlogen tusschen do
Romeinen en Perzen, in do derde en vierde eeuw na Christus, leveren
ons daarvan een treurig bewijs. En waarom vonden de Eranscho zcndc-
lingen onder onzo voorvaderen minder gunstige ontvangst dan do Engel-
scho? Is het niet, omdat zij hun hunne vrijheid wilden benemen!
Verder valt als hinderpaal te noemen isolatie of afsluiting van het
volkerenverkeer. Door isolatie kan een of ander volk langen tijd ontoegan-
kclijk blijven voor het Evangelie, zooals de geschiedenis van China ons
duidelijk leert.
Ook do ongezondheid van het klimaat heeft menig veelbelovend graan-
vcld in een doodenakkor veranderd. Denk slechts aan de westkust van
Afrika.
Eindelijk valt als hinderpaal het nomadenleven te noemen. Dit heeft
gercgoldo ovangcliseoring dikwijls onmogelijk gemaakt. De rondtrekkende
Arabische volksstammen staan ons hierbij voor don geest.
-ocr page 14-
o
Van do godsdiensten, waartegen \'de zending te strijden had, of nog
heeft, noemen wij in de eerste plaats het Jodendom, welks kracht met
de verwoesting van Jeruzalem gebroken was, zoodat het toen reeds in be-
ginsel door het Christendom was overwonnen; hoewel de feitelijke ovor-
winning wacht totdat de volheid der heidenen zal zijn ingegaan. Nadat de
kracht van het Jodendom gefnuikt was, begon de strijd tegeii het Grieksch-
Romeinsch heidendom, die duurde tot het midden der 60 eeuw. Mot de
opheffing van de laatste heidensche school te Athene kan men dien strijd
als geëindigd beschouwen. De zending heeft in onzen tijd nog den strijd
te voeren tegen het Mohammedanisme, Boeddhisme, Brahmanisme, en
welke andere niet-Christelijke godsdiensten er verder mogen zijn; doch ze
telt onder allen reeds hare bekeerlingen.
4. Verdeeiing.
Men kan de zendingsgeschiedenis het best in drie groote tijdvakken
vcrdeelen, en ieder weder in twee ondorafdeelingen. Het eerste tijdvak
gaat dan van de uitstorting des Heiligen Geestes tot de opheffing van do
laatste heidensche school te Athene in 529. Daarmede was niet alleen
de overwinning van het Christendom behaald, maar, aangezien dat hei-
dendom zijn zetel had in Klein-Azië en om de Middellandsche Zee, kan
men de [zending aldaar ok voorge ëindigd beschouwen. In 1555 zijn de
eerste ]>rotestant- sche zendelingen uitgezonden. Wij vinden daar dus
een keerpunt op het gebied der zending, en laten daarom de nieuwe
zending het liefst beginnen met de zending uit Genève in 1555.
De Middeleeuwsche zending gaat dus van 529 tot 1555. Het derde
tijdvak loopt dan van 1555 tot op onzen tijd.
Naar het gebied der zending noemen wij het eerste tijdvak: De zending
in Klein-Azië en om de Middellandsche zee; het tweede: de zending in
Europa; het derde: de zonding buiten Europa. Men neme hierbij echter
wel in acht, dat het hooge Noorden van Europa eerst in het derde tijdvak
is gekerstend geworden, terwijl Groenland al in het tweede met het
Christendom is bekend geworden.
Naar het karakter zending noemen we het eerste tijdvak: de Apos-
tolinche of algemeen Christelijke
zending. Apostolisch, omdat zij öf door
de Apostelen zelf en hunne leerlingen verricht, öf nawerking van hun-
nen arbeid was; algemeen Christelijk, omdat ieder Christen in kleiner of
-ocr page 15-
7
grooter kring een zendeling was. Het tweede tijdvak noemen wij dan naar
zijn karakter de katholieke zending; omdat zij uitging van de katho-
lieke kerk, hetzij de zendelingen door haar werden geordend en uitgezon-
den, of in nauwe Ibetrekking tot haar stonden. Door de hervorming splitste
de katholieke kerk zich in twee groote kerkgenootschappen: het Protes-
tantsche en het Roomsche. Beide houden zich met de zending bezig, en
wel overeenkomstig hun beginsel; zoodat we het derde tijdvak naar zijn
karakter, de Protestantsche en Eoomsche zending moeten heeten.
Het eerste tijdvak kunnen wij tot twee afdeelingen brengen, waarbij we
dan Constantijn den Groote als overgangspersoon nemen. Vóór Constan-
tijn blijkt dan de kracht van het Christendom, uit den strijd tegen het
Grieksch-Eomeinsch heidendom. Na hem verzwakken de Christenen, door-
dat zij deze wereld gelijkvormig worden. Willen wij ook het volgende
tijdvak in tweeën splitsen, dan doen wij dat het gevoeglijkst, door de
eerste afdeeling te laten eindigen in de 13e eeuw, tot welken tijd zij
hoofdzakelijk van de door de kerk geordende personen uitging; terwijl ze
na dien tijd bijna uitsluitend het werk werd van eenige monnikenorden,
waarvan de Franciscanen en Dominicanen eene eerste plaats bekleeden.
In het derde of laatste tijdvak werd de zending meer algemeen door het
ontstaan van de Zendingsgenootschappen; waartoe de oprichting van het
Baptisch ^en Londensch Zendinggenootschap, den eersten stoot gaf. Het
eerstge noemde is opgericht in 1792, het andere in 1795. Wel was er
sedert 1701 eene »Uitbreidingsgenootschap" ter bevordering der zendings-
zaak; maar dit begon pas in dien tijd van beteekenis te worden; zoodat
wij de laatste afdeeling dier zending het best in 1792 doen aanvangen.
Na deze algemeene inleiding en verdeeling zullen wij trachten, van
de beide eerste tijdvakken, dus tot aan de hervorming, een overzicht
te geven.
-ocr page 16-
OUDE GESCHIEDENIS.
1ste APDEELING.
Vuil de uitstorting dos H. Uccstcs tot Coiistantijii den ilroote.
34 — 313.
1. AZIË.
De zonding vangt aan niet de uitstorting van den H. Geest. Do
arbeid van den Hcero Jezus en van de Apostelen vóór het eerste Christen-
pinksterfeest, moet men rekenen onder do voorbereidende werkzaamheden.
Wij moeten dus beginnen met do zendingsgeschiedenis, die vermeld staat
in het N.-Testament. Daar ons bestek beknoptheid eischt en de lezer
zelf den Bijbel in huis heeft, en alzoo hierover meer kan lezen, kunnen
wij met een vluchtig overzicht volstaan.
Door de prediking van Petrus kwam eone groote menigte tot bekce-
ring. De vervolging dreef wel de Jeruzalemsche gemeente uiteen, maar
daardoor kwam de kennis van het Evangelie over geheel Palestina tot
Phoenicië\' en Syrië too. De diaken Philippus predikte met gelukkigen
uitslag in Saamaria, en doopte den Moorschen kamerling. Petrus bracht
op zijne onderzoekingsreis de eerste heidensche familie (Cornelius) tot de
gemeente toe, terwijl men hom later te Babyion aantreft (1 Petrus 5 : 13).
Gelijktijdig en onafhankelijk hiervan, ontstond in het Syrische Antiochië
eeno bloeiede gemeente, waar Barnabas de hulp van Paulus inriep. In
het jaar 45 ondernam Paulus, vergezeld van Barnabas, zijne eerste
zendingsreis naar KIcin-Azië, en stichtte gemeenten te Antiochië in
Pisidië, Iconië, Lystra en Dcrbe. Op zijne tweede zendingsreis naar
Klein-Azië (50 — 54) riep »ccn Macedonisch man" hem naar Europa, cu
-ocr page 17-
!)
zoo ontstonden er gemeenten to Philippi, Thessalonika, Beren,, Athene
en Corinthe. Op zijne derde reis (54—58) werd Efezo het middelpunt van
de Klein-Aziatische gemeenten, die later het arbeidsveld werden van
Johannes, en aan welke hij ook zijne zeven brieven schreef. (Openb.
2 en 3). Nadat Faulus »twee geheele jaren in zijne eigen gehuurde woning"
(Hand. 28 : 30) als zendeling te Rome had gewerkt, bezocht hij opniew
zijne vroeger gestichte gemeenten.
Jakobus de Rechtvaardige, de broeder des Hecren, werd al spoedig het
hoofd der Jeruzalemsche gemeente, en bleef dat, tot hij den marteldood
stierf; doch hij richtte ook zijne woorden tot »de twaalf stammen, die in
de verstrooiing waren" (Jak. 1 : 1).
Van de zending uit dit tijdvak hebben wij bijna geene andere berich-
ton dan die, welke wij in het N. Testament vinden opgeteekend. Dit
moet men hieraan toeschrijven, dat do zending een algemeene zaak was,
waaraan ieder Christen deel nam. De gemeenten ontstonden als vanzelf;
bepaalde stichters zijn dus niet te noemen. Hierbij komt nog, dat de
weinige berichten, die wij buiten het N. T. hebben, niet to vertrouwen
zijn, omdat elke kerk haren oorsprong tot do Apostelen wilde terugbren-
gen. Do gemeenten toch, die door hen waren gesticht, stonden in bij-
zonder hoog aanzien. De leden der eerste Christengemeente waren allen
broeders. Doch spoedig ontstond er eene verheffing van den een boven
den ander, ;on daarin ligt de kiem van het Pausdom. Van de personen
droeg zich dat over op de gemeenten, zoodat de grootere gemeenten niet
meer de verzorgsters der kleinere waren, maar hare gebiedsters werden.
Onderscheidene gemeenten, die niet konden bogen op Apostelen als haro
stichters, begonnen fabelen te verzinnen, waarin zij haar ontstaan aan
Apostelen of Apostolische mannen toeschreven. Dat Petrus 25 jaren
bisschop van Rome zou zijn geweest, dat de gemeente to Edessa ontstaan
zou zijn uit ceno briefwisseling tusschen den Hcero Jezus en den Koning
van Edessa, en dat de gemeenten der Thomas-Christenen door den Apostel
van dien naam zouden zijn gesticht, berust louter op legenden (verdichte
verhalen).
Wij zullen trachten het geloofwaardige mede te deelon.
Wij spraken zooeven van do legende van de gemeente van Edessa. De
beide brieven zijn tot nog too bewaard gebleven. Doch de inhoud bewijst
duidelijk, dat zo verzonnen zijn. De waarheid echter is, dat daar reeds
vroeg het Christendom schijnt gekomen te zijn; want tusschen 160—170
-ocr page 18-
10
vinden wo melding gemaakt van den koning Abgarus Bar Manu, die
de castratie (ontmanning) in don Cybelendienst verboden zou hebben. En
werpt men ons tegen, dat hij daarvoor nog geen Christen behoefde te zijn,
maar het ook uit een\' zedelijk oogpunt heeft kunnen doen, dan komen
wo met dit sterksprekender bewijs voor het bestaan van het Christendom
voor den dag, dat wo op de opgegraven munten uit dien tijd geen heiden-
sche beelden zien, maar het kruis; terwijl in 202 reeds eene kerk in
terapelstijl wordt aangetroffen. Bardesanes, die ons het bovenstaande mede-
deelt, gewaagt ook van de komst van het Godsrijk in Parthië, Medio,
Perzië en Baktrië. Voortdurende oorlogen tusschen de Parthen en Meden
zijn oorzaken van het ontbreken der berichten. Het optreden van Mani,
die in 27G onder Behram II is gekruisigd, bewijst hot bestaan van het
Christendom aldaar. Maar hoe en door wien hot er gekomen is, ligt in
het duister.
In Arabië waren zeer vele Joden, die het Christendom eer trachtten uit
te roeien\', dan dat zij het hielpen uitbreiden. Daaraan moet men het toe-
schrijven, dat Arabië zoolang gesloten bleef voor het Evangelie, en toen
het er kwam, zoo weinig vordering maakte. Wel is Paulus er driejaren
geweest (Gal. 1 : 17); maar wij zijn geneigd te denken, dat dit zijn
verblijf aldaar eer eene afzondering was, dienstig voor zijne vorming,
dan eene poging om er gemeenten te stichten. Volgens eene overlevering
zou de Apostel Bartholomeüs er hebben gewerkt; volgens eene andere
zou diezelfde Apostel in Indië hebben gearbeid. De afstand tusschen Arabië
en Indië is wel wat groot, dan dat beide waar zou kunnen zijn. Maar
men verstond toen onder Indië: Aethiopië, Gelukkig-Arabië, het eiland
Socotora met Voor-Indië. Dus met Indië kan Gelukkig-Arabië zijn bedoeld.
Volgens een ander bericht zou de Alexandrijnsche katecheet Pantaenus
in de 2° helft der 2e eeuw er hebben gearbeid. Eusebius verhaalt van
een gezantschap, dat door een Eomeinschen stadhouder in Arabië gezonden
zou zijn tot den bisschop Demetrius van Alexandrië en tot den toenmaligen
prefect van Egypte met het verzoek om Origenes tot hen te laten komen,
opdat deze den Christelijken godsdienst in hun midden zou verdedigen. Het
ontbieden van Origenes heeft eenige waarschijnlijkheid; omdat daar later
gemeenten worden aangetroffen, die in nauwe betrekking tot hem stonden.
Op de kust van Malabar vindt men tegenwoordig nog Thomas-Chris-
tenen. Volgens eene sage zou de Apostel Thomas daar gemeenten hebben
gesticht, \'t Graf van dien Apostel meent men nog aan te kunnen wijzen.
-ocr page 19-
11
Men vindt echter \'t eerst melding van hen gemaakt, in de berichten van
Kosmas Indicopleustes in de Ge eeuw. Hadden zij haar ontstaan te danken
aan den Apostel Thomas, zeker zou men al vroeger van hen gehoord
hebben. Ruim vijf eeuwen lang konden die gemeenten onmogelijk verbor-
gen blijven.
Wij schrijven daarom het ontstaan dier gemeenten liever toe aan
handelsverkeer. Volgens Gregorius Naziansus zou Thomas in Indië hebben
gepredikt. Volgens Hiëronymus zou hij in Aethiopië gewerkt hebben;
terwijl Origenes hem Apostel der Parthen noemt. De berichten strijden
dus. Eusebius zegt dat Theophilus, de Indiër, afkomstig van het eiland
Socotora, op zijne reis naar Indië aanhangers van Bartholomeüs heeft
aangetroffen, die in het bezit waren van het Hebreeuwsche Evangelie
van Mattheus. Dit getuigt dus niet voor het verblijf van Thomas aldaar.
Theophilus zegt verder: »Ik vond in mijn vaderland en in het overige
Indië Christenen." Hieruit blijkt dus \'dat hij Arabië, waartoe ook het
eiland Socotora behoorde, voor een deel van Indië hield. De oorsprong der
gemeenten op de kust van Malabar en in Indië, ligt verder in nevelen
gehuld.
2. AFRIKA.
Na do zending in Azië afgehandeld te hebben, richten wij onze blikken
naar Afrika. Egypte vraagt het eerst onze aandacht. Alexandrië, de hoofd-
stad van Egypte, was het brandpunt van den toenmaligen handel en
scheepvaart, en de zetel van het Joodsche Hellenismus. De stad, zoo
voor alles en een ieder open, waar Ptolemeus Soter in de derde eeuw
vóór Christus de beroemde Bibliotheek had opgericht, en waar eenige
jaren later do Septuaginta (eene vertaling van het O.-Tcstement) het licht
zag, kon moeilijk gesloten blijven voor het Evangelie. De van het Pink-
sterfeest terugkeerende Egyptische Joden (Hand. 2 : 10), zijn misschien
de eerste Evangeliepredikers in Alexandië geweest. De eerste ons bekende
Alexandrijnsche Christen is Apollos (Hand. 18 : 24—19 : 1), die zeker,
nadat hij door Aquila en Priscilk beter onderricht, en met Paulus in
aanraking geweest was, niet alleen in Klein-Azië en Griekenland zal
hebben gepredikt, maar zich ook zal hebben laten hooren in zijne ge-
-ocr page 20-
12
boorteplaats. In hoever de overlevering gelijk heeft, die den Evangelist Mar-
kus den stichter der Alexandrijnsche kerk noemt, laten wij in het mid-
den; maar dit is zeker, dat daar reeds vroeg eene gemeente was.
Uit Alexandrië kwam het Evangelie in Xcder-Egypte. Het ontstaan
van het Evangelie der Egyptenaren bewijst, welk een invloed het Chris-
tendom reeds had op de Alexandrijnsche theosophie. In Opper-Egypte
ging liet zoo gemakkelijk niet. Daar had men te strijden tegen het
Oud-Egyptisch bijgeloof\', en de Koptische taal; terwijl de priester-heer-
schappij de vrije prediking van het Evangelie in menig opzicht belette.
Toch breidde het Christendom zich daar uit: zoo krachtig zelfs, dat er
eene vervolging ontstond onder Keizer Septimus Severus (193—211), en
er in het begin der derde eeuw eene Koptische bijbelvertaling verscheen.
Volgen wij de noordkust van Afrika, dan komen wij te Cyrene, eene
stad tusschen Alexandrië en Karthago. Deze stad is den lezer reeds bekend
door Simon van Cyrene, die het kruis van den Heere Jezus heeft gedra-
gen; en door Lucius, die zich te Antiochië bevond;, toen Paulus zijne
eerste zendingsreis begon (Hand. 13: 1). Van dezen Simon en Lucius
weten wo verder niets. Uit dit en wat we in de ongewijde geschiedenis
meer lezen van Cyrene, zijn wij geneigd te denken, dat de vele Joden
die zich daar bevonden, in nauwe betrekking stonden tot hun moederland,
en alzoo ook met de jeugdige gemeenten in Palestina in aanraking
kwamen, wat niet zonder vrucht kon blijven. Wij vinden dan ook Cyro-
neïscho Joden op het Pinksterfeest (Hand. 2:10); terwijl we hen in
Antiochië zelfs als woordvoerders zien optreden. (Hand. 11: 20).
Volgen we van Cyrene verder de noordkust van Afrika, dan komen
wo te Karthago. De kerkvader ïertullianus brengt ons in het laatst der
2o eeuw in reeds bloeiende gemeenten. Tevergeefs vragen wc onz en
kerkvader door wie en wanneer en hoe de gemeenten hier in Karthago
en in heel het proconsulaire Afrika zijn ontstaan. En aan wien zullen
wij het anders vragen, daar hij de oudste berichtgever is? Maar dat de
gemeenten daar reeds bloeiend waren, on er eene geordende kerkstaat
was; terwijl er eenigon tijd te voren eene vervolging tegen de Christenen
in Mauretanië had plaats gehad, en de heidenen zich bij Tertullianus
beklaagden over do snelle verbreiding van het Christendom onder de aan-
zienlijken; dit alles doet ons vermoeden, dat het Christendom daar min-
stens eene halve eeuw vóór Tertullianus moet zijn geweest. Tijdens
Cyprianus, gestorven in 258, werd reeds een Concilie te Karthago gc-
-ocr page 21-
13
houden, dat bijgewoond word door 87 bisschoppon, waaronder er ook
waren uit Mauretanië. Do geschiedenis zwijgt verder over de verbreiding
van liet Christendom in Afrika.
3. EUROPA.
Wij steken van Karthago over naar ons werelddeel en brengen het
eerst een bezoek te Rome. Reeds vroeg was daar eene gemeente. De
mare van den Heiland was misschien tijdens zijn leven reeds doorgedron-
gen tot de Joden in Rome, en werd levend gehouden, totdat oog- en
oorgotnigen (Hand. 2 :10) te Rome brachten, wat op het eerste Christen-
pinksterfeest gebeurde. Dat Petrus de gemeente to Rome zou hebben
gesticht, is zeer onwaarschijnlijk; daar Paulus dan toch zoo\'n sterke
begeerte niet gehad zou hebben er het Evangelie te prediken (Rom. 1 : 9
—13); want hij ging het liefst niet in tot eens anders werk (Uom. 15 : 20);
en ongetwijfeld had hij dan in zijn brief aan de Romeinen gezinspeeld
op den arbeid van Petrus; enook zou hij dan wel in hoofdstuk zestien
eene groete hebben medegogeven aan zijn mede-Apostel.
Wij moeten hier naar geen stichter zoeken. In Rome. het middelpunt
der toen bekende wereld, moest in de eerste plaats door handel en
scheepvaart als van zelf eene gemeente ontstaan. Van uit Rome breidde
het Christendom zich verder uit over geheel Italië, en kwam het zelfs
spoedig in het zuiden van Frankrijk. De vervolging in 177 to Lugdunum
(Lyon) en Viënna bewijzen hot bestaan van het Christendom in het zuiden
van Gallië. Maar reeds vroeger moet het daar, op welk eene wijze weten
we niet, gepredikt zijn geworden. De Galaten in Klein-Azië, waaraan
Paulus zijn brief heeft geschreven, zijn van Gallischen oorsprong, gelijk
overeenkomst van naam dat al aangeeft. In do derde eeuw vóór Chris-
tns is eene Gallisch-Germaansche volksstam van uit Frankrijk gegaan
naar Klein-Azië, waar zo zich vestigde. De gemeenschap tusschen de Galliërs
in Klein-Azië en in Frankrijk heeft ongetwijfeld stand gehouden. De
Klein-Aziatische Galaten hebben dan waarschijnlijk het eerst het Evangelie
gebracht in het zuiden van Frankrijk. Deze waarschijnlijkheid wordt bijna
zekerheid, wanneer wc weten, dat hot Christendom later in Frankrijk meer
overeenkomst had met do Oostorscho dan met de Wcstersche kerk. \'k Be-
hoef slechts martelaars te noemen, als Sanctus, Pothinus, Blandina
-ocr page 22-
14
en Ponticus, om den lezer te herinneren, welke krachtige getuigen van
Christus zich daar tijdens de vervolging in 177 na Christus reeds be-
vonden. Volgens Gregorius van Tours zijn er zeven zendelingen uit Eome
gezonden naar Gallië. Alle zeven zouden bisschoppen zijn geworden, waar-
van één, met name Dionysius, die verward is geworden met den in
Hand. 17 : 34 genoemden Dionysius, den Areopagiet, de eerste bis-
schop van Parijs zou zijn geweest. Een ander van het zevental, 8atur-
ninus geheeten, is ons door zijn marteldood bekend. Dit verhaal kunnen
wij moeilijk in al zijne bijzonderheden gelooven. Hot komt ons het waar-
schijnlijkst voor, dat er zendelingen naar Gallië zijn gezonden; maar dat
hun getal zeven bedroeg, en dat ze allen bisschoppon zijn geworden, is
te betwijfelen. Ireneus, bisschop van Lyon, maakt gewag van de verbrei-
ding van het Christendom in Germanië. Men moet daarbij onderscheid
maken tusschen Germania cisrhenana (Germanië aan deze zijde van den
Rijn) on Germania transrhenana (Germanië aan gene zijde van den Rijn).
In dit tijdvak kwam het alleen in Germania cisrhenana en wel doordat
het grensde aan Gallië.
Diezelfde Ireneus gewaagt ook van de verbreiding van het Christendom in
Spanje. Volgons Eusebius zou Paulus daar hebben gewerkt. Clemens Ro-
manus, die Paulus persoonlijk gekend kan hebben, verhaalt, dat »hij
(nl. Paulus) tot aan de grens van Zonsondergang is geweest". Natuurlijk
kan hiermede Eome niet zijn bedoeld, daar deze stad het middelpunt der
wereld was. Deze reis van Paulus naar Spanje moet dan plaats gehad
hebben, na zijne in de Handelingen vermelde gevangenschap. Het schijnt,
dat sommigen uit deze uitdrukking »tot aan de grens van Zonsonder-
gang" in verband met den wensch van Paulus, Spanje willen zien (Rom.
15:24 en 28) afgeleid hebben, dat hij daar werkelijk is geweest. De
geschiedenis geeft verder geen stof, waaruit wij iets zekers aangaande de
zending in Spanje zouden kunnen opmaken. Alleen weten wij, dat er
reeds vroeg gemeenten waren.
Eer wij onze wandeling om de Middellandsche Zee eindigen, moeten
wij nog eene blik werpen op hare eilanden.
Wij beginnen met het eiland Cyprus, dat het dichtst bij Palestina ligt en
het eerst door het Evangelielicht is beschenen. De Leviet Josos of Bar-
nabas is van Cyprus afkomstig (Hand. 4 : 36). In het jaar 45 na Christus
ging hij met Paulus en Johannes Markus naar zijne geboorteplaats, om
daar het Evangelie te prediken. Bij die gelegenheid kwam de stadhouder
-ocr page 23-
15
Sergius Paulus tot bekeering (Hand. 13 : 4—12), wat niet zonder invloed
voor zijne onderdanen zal zijn gebleven. Vijf jaren later bezocht hij, ver-
gezeld van Johannes Markus (Hand. 15 : 39) opnieuw de hier gestichte
gemeente. Maar met welk een zegen zij daar werkten, en hoe het Chris-
tendom zich verder op dat eiland heeft uitgebreid, is moeielijk te zeggen.
Evenals Paulus Cyprus heeft bezocht, zoo moet hij ook op Creta zijn
geweest. Hij schrijft toch (Titus 1:5), dat hij Titus hier heeft achter-
gelaten. Daar Paulus op zijne reis naar Rome, Creta niet heeft kunnen
aandoen (Hand. 27:7—21), moet hij hier na zijne tweejarige gevan-
genschap te Rome (Hand. 28 : 30) zijn geweest, en bij die gelegenheid het
Evangelie op Creta hebben gepredikt. En wanneer Paulus nu aan Titus
opdraagt, om van stad tot stad ouderlingen aan te stellen (ïit. 1 : 15),
dan ligt daarin opgesloten, dat er ook gemeenten in die steden moeten
zijn geweest.
Eeeds vroeger had Paulus de banier des Kruises op Maltha (Melite)
geplant (Hand. 28:1—10), zijn verblijf van drie maanden (vers 10),
was voor de bewoners van dit eiland van grooten lichamelijken en onge-
twijfeld ook van geestelijken zegen.
Hoe het Christendom zich verder op deze eilanden heeft uitgebreid,
en hoe het op de overige is gekomen valt buiten de geschiedkundig en ge-
zichtseinder. Maar naarmate het Christendom zich meer en meer vestigde
aan de zuidkust van Europa en aan de noordkust Afrika, moesten de
daartusschen gelegen eilanden als van zelf den nieuwen godsdienst leeren
kennen.
De onbestemde uitdrukking »tot aan de grens van Zonsondergang", heeft
sommigen doen denken, dat Paulus in Brittanië zou zijn geweest.
Volgens eene sago (betwijfeld verhaal), zou de Britsche koning Lucius den
bisschop Eleutheros van Rome, iu het laatst der 2e eeuw gevraagd hebben
om een zendeling. Deze sage is uit de 8«te eeuw afkomstig, en daarom te
jong, om geloofd te worden. De vrije kerk aldaar, die meer overeenkwam
mot de oostersche dan met de westersche kerk, schijnt te wijzen op eene
zending uit Galliü of uit Klein-Azië, wat door handelsverkeer best mo-
gelijk kan zijn. Mag men verschillen over het ontstaan dier gemeenten,
dat ze er in de tweede eeuw reeds waren is zeker.
De eerste zaden van het Evangelie, zijn in ons land waarschijnlijk ge-
komen uit den kerker van Paulus. Paulus zegt in de Filipp. 1: 13, dat
«zijne banden in Christus openbaar zijn geworden in het gansche recht-
-ocr page 24-
10
huis," d.i. in do kazerne dor keizerlijke lijfwacht. Daar do lijfwacht van
don keizer bestond uit Batavieren, konden deze dus niet onbekend blijven
met de prediking van hot Evangelie. Voor dit vermoeden is meer grond,
dan voor hot verhaal van sommige oudo geschiedschrijvers, die melden,
dat Petrus aan twee Friezen, dio to Rome tot bokeering zouden zijn ge-
komen, één van de zeventig discipelen van den Heiland, wiens naam
Aegistus zou zijn geweest, zou mede gegeven hebben, om onze voor-
vaders met het Christendom bekend te maken. Het is immers zeer twijfel-
achtig, of Petrus wel ooit in Rome is geweest.
Hiermede hebben we de zending in dit tijdvak afgehandeld. Bij de
verdere zendingsgeschiedenis kunnen wij zoo uitvoerig niet zijn. Maar
wij meenen, in een tijdperk, waarin zooveel is gedaan, en waarvan ons
zoo weinig bekend is, alles te moeten opnemen, wat eenig licht over
haar kan verspreiden, en bij tegenstrijdige berichten ons eene gissing te
mogen veroorloven, gelijk wij dat dan ook hebben gedaan.
-ocr page 25-
OUDE GESCHIEDENIS.
2\'ic Apdeeling.
A10D
Van (\'oiistiintijn ilen lirooto tot <le opheffing der geleerileiisehool te Athene.
313 — 529.
1. CONSTANTIJN DE (ÏROOTE.
Dit tijdvak vangt aan mot do bokeering van Constantijn don Grooto.
Daar dit feit van grooto botoekonis is geweest voor do uitbreiding van
bot Christendom, moeten wij daaraan onze aandacht een oogenblik wijden.
Constantijn heeft den Christelijken godsdienst tot Staatsgodsdienst verheven.
Wel verklaarde Galliënus hem reeds vroeger als geoorloofd; maar het
heidendom beheerschte nog immer den troon, en bleef in het uitsluitend
bezit van vele voorrechten. Dit veranderde tijdens de regeering van Con-
stantijn den Groote.
Over de bekeering van Constantijn wordt zeer verschillend gedacht.
Terwijl sommigen haar als eene hartgrondige verandering uitbazuinen,
verfoeien anderen haar als eene staatkundige kunstgreep. Volgens den
kerkvader Eusebius, heeft zij ongeveer op de volgende wijze plaats gehad.
Terwijl de beide legers slagvaardig tegenover elkander stonden, en Maxen-
tius hulp bij de heidensche goden zocht, besloot Constantijn zich tot den
God der Christenen te wenden, van Wien zijne ouders altijd zoo gunstig
hadden gesproken. Hij begaf zich diensvolgens in het gebed, \'t Was middag.
Toen hij zijne oogen ophief, zag hij een lichtend kruis aan den hemel
met deze woorden er boven: »In dit teeken zult gij overwinnen." In den
daarop volgenden nacht verscheen Christus hem in een droom, dragende
datzelfde kruis, hetwelk hij aan den hemel had gezien, en beval hem er
2
-ocr page 26-
18
pon afbeeldsel van te laten maken, om het te gebruiken als beschermings-
middcl tegen do vijandige macht. De keizer liet dit doen, en overwon
Maxentius. Sedert dien tijd koos hij openlijk partij voor de Christenen,
en bevoorrechte hen met onderscheidene privilegiën.
Daar ons bestek beknoptheid eischt, en wij op het gebied der zending
moeten blijven, hebben we slechts de vraag te beantwoorden: In hoever
heeft hij medegewerkt aan de uitbreiding van liet Christendom, en aan
de uitroeiing van het heidendom ? De geschiedenis leert ons dienaangaande
duidelijk, dat hij in menig opzicht onbeslist was. Vandaar, dat hij, hoewel
partij kiezende voor hot Christendom, toch vele heidonscho bijgoloovig-
heden liet bestaan; vandaar misschien ook, dat hij zijn doop tot zijn
sterfdag uitstelde, al kunnen hiervoor ook nog andere redenen bestaan;
vandaar eindelijk de tegenstrijdigheden, die men in zijne wetten, vooral
in die van 319, ontdekt.
Daarin beval hij toch, dat degenen, die hun heidenschon dienst wonschten
aan te houden, denzelven openlijk mochten uitoefenen, terwijl hij in
diezelfde wetten het offeren in private huizen verbood, en don heidenschon
waarzeggers op straffe des doods, den toegang tot de woningen der bur-
gers ontzegde.
Hij dwong de heidensche soldaten niet, zich in Christelijke gebruiken
to voegen, zooals vroeger de heidensche keizers de Christelijke krijgslieden
gedwongen hadden de heidensche ceremoniën te volgen. Alleen liet hij
zijne soldaten het volgende gebed in de Latijnsche taal van buiten leeren,
dat zij dan op militair kommando moesten uitspreken: »U alleen erkennen
»wij als den waren God! U erkennen wij als Heere! U roepen wij aan.
»Van U hebben wij den. zegen ontvangen. Door U hebben wij onze
«vijanden overwonnen. U danken wij voor de tegenwoordige goederen. Van
»U hopen wij ook de toekomstige te ontvangen. Tot U smeeken wij allen.
»Wij bidden U, dat Gij onzen keizer Constantijn en zijne vrome zonen
»lang, gezond een zeeghaftig in het leven spaart." Ook in dit gebed blijkt
zijne onbeslistheid. Er spreekt geen beginsel uit. Eene krachtige uitbrei-
ding van het Christendom, en eene volkomene uitroeiing van het heidendom
moet men bij Constantijn dan ook niet zoeken. Constantijn heeft eene
brug geslagen van het Christendom naar het heidendom, waardoor hij
aan de massa de gelegenheid gaf tot het Christendom over te komen;
maar waardoor hij ook de wereld in de kerk haalde. De puntjes werden
niet meer op de i geplaatst, de lijnen niet meer scherp getrokken, en
-ocr page 27-
19
daarmede ging tevens de kracht der Christenen, die gebleken was in den
strijd tegen het Grieksch-Eomeinsch heidendom, ten dcelo te loor. Het
onbesliste karakter van Constantijn word ook dat van de kerk in die
dagen. Constantijns beschouwing van het Christendom heeft veel ovcreen-
komst mot die van Clodwich, koning der Franken, en draagt veel onbe-
slister karakter dan die van Karel den Grooto, gelijk dat zal blijken bij
de behandeling van diens geschiedenis.
2. A Z I É.
Wij moeten bij de behandeling van de zendingsgeschiedenis in dit
tijdvak dezelfde werelddeelcn doorloopen, die in de vorige afdoeling onze
aandacht hebbon gevraagd. Wij richten daartoe het eerst onze schreden
naar Azië, waar wij de Perzen willen bezoeken, om vervolgens een oogen-
blik in Armenië te toeven, waarna wij de Iberiërs en Kolchiërs willen
vragen, hoe zij het heil in Christus hebbon leeron kennen. En vóór wij
dit werelddeel verlaten, moeten wij ook de Arabieren op hunne zwerf-
tochten volgen, on kennis nemen van het Christendom in Indië.
a. Perzië.
Do gedurige oorlogen tusschen de Eomeinen en de Perzen beletten in
menig opzicht de komst van het Godsrijk onder de laatsten. Toch moet
het Christendom daar al spoedig wortel hebben geschoten. Volgens Neander
was er in het laatst der 3de en in het begin er 4de eeuw reeds eene
aanzienlijke Perzische kerk, waarvan de bisschop van Seleucia-Ctesiphon
het hoofd werd. De Christenen hadden hier heftigen tegenstand te ver-
duren van de Magiërs. Onder de regeering van koning Hormidas II
(301—308) werd één der voornaamste Magiërs, Mobed geheeten, Christen
en deze schreef nu een boek, waarin hij het Christendom verdedigde
tegenover de leer van Zoroaster. Dit boek is in ruimen kring verspreid,
en schijnt voor velen tot blij venden zegen te zijn geweest. Keizer Con-
stantijn de Groote heeft het zelfs den koning Sapores II en zijnen
onderdanen aanbevolen. Doch de schrijver zelf moest er het leven bij
verliezen. In een godsdienstgesprek tusschen hem en de Magiërs moesten
de laatsten het onderspit delven, waarom ze uit boosheid hem steenigden.
-ocr page 28-
20
Hoe hot Parsisme mot zijne twoo goden, Ormudz on Ahriman, dacht
over het Christendom, blijkt duidelijk uit con schrijven van don
Porzischen veldheer en stadhouder Mihr-Nersch, hetwelk hij richtte
aan de Christenen in Armenië, en waarin het volgende stond te lezen:
«Alles, wat goed in den hemel is, heeft Ormudz geschapen, en al het
«kwade is door Ahriman te voorschijn geroepen. Alle haat, alle onheil.
«dat plaats grijpt, de ongelukkige oorlogen, dat alles is de werking van
»het kwade beginsel. Maar daarentegen allo gelukkige dingen: do heor-
»schappij, de roem, de gezondheid dos lichaams, de schoonheid van hot
«gelaat, do waarachtigheid in woorden, de lange levensduur, dat alles
»komt van hot goede beginsel. Maar alles, wat aldus niet is, is het
«verderfelijke werk van het kwade beginsel. Alle menschen, die zeggen
»dat God den dood geschapen heeft, en dat het kwade en goede van Hem
«komt, verkeeren in dwaling, en vooral de Christenen, die zeggen, dat
»God, vertoornd, omdat zijn dienaar eeno vijg van een bijzonderen boom
»had gegoten, den dood schiep, en den mensch in deze ellende stortte.
»Zulk. eene woede grijpt nooit conig mensch aan tegen een ander; hoeveel
«minder dus God tegenover den mensch. Wie zoo spreekt, is doof en
»blind, en door den duivelslang bedrogen."
De lozer begrijpt, dat de Perzen met hun tweegodendom in strijd moe-
sten komen met de Christenen, die slechts één oorspronkelijk goddelijk
wezen erkennen. De Perzen vereerden ook het water, hot vuur en de aarde.
En daar de Christenen het water on het vuur verontreinigden, en do
aarde bevlekten door er hunne dooden in te begraven (de Perzen verbran -
den do lijken), verwekte dit vijandschap. Zij konden het niet verdragon,
dat do Christenen alle dieren en dus ook die, welke bij hen aan Ormudz
gewijd waren, doodden. De Perzen genieten de zegeningen van Ormudz,
als rijkdom, echt, nakomelingschap enz., en konden dientengevolge de
christelijke ascese niet dulden. Hoe ernstig de koning van Perziö hot met
zijn godsdienst meende, blijkt uit het volgende schrijven, dat hij op
zekeren dag zond aan do Armenische Christenen.
»Ik heb gezworen bij de Zon, de groote godin, die met hare stra-
»len de geheelo wereld verlicht, met hare warmte alle schepselen hot
«leven schenkt, dat, wanneer morgen bij hare wonderbare verschijning,
«niet allo knie zich voor haar buigt en haar als God erkent, ik alle
«soorten van vervolgingen over u brengen zal." Die vervolging kon moei-
lijk uitblijven, daar het Christendom in Perziö steeds meer aanhangers
-ocr page 29-
21
kreeg. Het toenemen der prachtige kerkgebouwen wekte de ijverzucht dor
Magiërs op, zoodat dezo verklaarden alles te zullen doen wat ze konden,
om het Christendom uit te roeion. Hierbij kwam nog, dat de Christenen
in Perziö gemeenschap hielden met die uit het Komeinsehe rijk, wat do
koning van Perzië staatkundig gevaarlijk oordeelde, en voor landverraad
beschouwde. In 343 brak de vervolging los. De koning eischte eene grooto
geldsom van ieder, die Christen bleef. Toen de bisschop van Seleucia-
Ctesiphon, die dit geld moest innen en bij den koning storten, weigerde
dezo belasting op te brengen, beval de koning, dat de geestelijken der
drie eerste rangen terstond gedood, de kerken verwoest, en hare gewijde
voorwerpen tot profaan gebruik zouden worden aangewend. Zoo streng
werd dit bevel uitgevoerd, dat zelfs de euneuch (een gesnedene) Usta
uulcs,
die den koning had opgevoed, met vele andere aanzienlijken den
marteldood stierf. Het volgende jaar, 344, ontstond er eene nog heftiger
vervolging, waarbij duizenden het leven verloren, ook de euneuch Azades.
Koning Sapores gevoelde eindelijk, dat hij het Christendom niet kon uit •
roeien, on liet van nu af aan alle godsdiensten in Perzië toe. Door eene
ontmoeting van den bisschop Maruthas van ïagrit in Mesopotaniö, niet
den Perzischon koning Jezdegerdes I, werd deze gunstig voor het Chris-
tendom gestemd; zoodat hij don Christenen het bouwen van kerken en
het houden van godsdienstoefeningen toestond. Doch door eenen onbezonnen
handeling van den bisschop Abdas van Susa, werd alles weer vernietigd.
Deze bisschop had namelijk in 414 een Perzischen tempel, in welke het
heilige vuur van Ormudz bewaard werd, laten vernielen, en geweigerd
gehoor te geven aan het bevel van den koning, om den tempel weer op
to bouwen. De vervolging, die nu losbrak, bezorgde aan duizenden do
martelaarskroon, ook aan den zooeven genoemden Abdas, en den zeer
geleerden diaken Benjamin. Vele Christenen vluchtten tijdens deze ver-
volging, naar de aangrenzende Romeinsche landen. De Perzische koning
verlangde uitlevering van de vluchtelingen. Dit deed een oorlog tusschen
beide rijken ontstaan, waardoor de toestand der Christenen zorgwekkend werd.
De vrede in 422 maakte aan deze vervolging een einde. Vooral werkte
hiertoe mede een liefdedienst van den bisschop Acacius Amida, in Meso-
potanië. Met goedvinden van zijne geestelijken, verkocht hij alle gouden
on zilveren voorwerpen uit de kerken, en kocht met dat geld zevenduizend
Perzische gevangenen vrij, uit de handen der Romeinen. Bovendien zond
hij hun levensmiddelen en reisgeld toe, zoodat zij weer in hun vaderland
-ocr page 30-
22
terug\' kondon komen. Dit maakte zoo\'n gunstigen indruk op den koning,
dat hij don bisschop wcnschte te uien, on vriendelijk gezind werd jegens
do Christenen. Sedert dien tijd heelt het Christendom zich in Perzië ge-
regeld uitgebreid on bevestigd.
b. Armenië, Ibcrië, Kolchië en Kaulcasië.
Nu wij Perzië hebben afgehandeld, ligt hot als voor do hand, dat wij
onze schreden naar Armenië richten; niet alleen omdat het aan Perzië
grenst, en daarmede in nauwe betrekking staat, maar ook omdat do
Armeniërs do eerste zaden van het Evangelie aan de Perzen hebben te
danken, eensdeels doordat zij met hen handel dreven, anderdeels doordat
zij aan hunne vervolgde naburen oeno veilige schuilplaats verleenden. De
eerste ons bekende Armeniër, die het Christendom in zijn vaderland ver-
breidde, was Grcgorius, bijgenaamd de Verlichte. Hij doopte in het begin
der 4Jc eeuw den Armenischen koning Tiridates, en werd in 302 tot
Metropoliet van Armenië gewijd. Tot nog toe had men zich altijd be-
diond van oeno Perzische bijbelvertaling, die de voorlezer bij de openbare
godsdienstoefeningen in de landtaal overzette. Do opvolger van Grcgorius,
Mirsrob gehcotcn, bracht hierin verandering; hij gaf hun eerst een
alphabet en vervolgens ceno bijbelvertaling. Hieruit ontwikkelde zich later
eene Armenische Christelijke literatuur.
De Perzische koningen, die altijd poogden do Armeniërs van zich
afhankelijk te maken, vervolgden, waar hunne wapenen zegevierden, do
Christenen, en trachtten do voorvaderlijke godsdienst te herstellen. Do
Perzische veldheer en stadhouder, Mihr-Nerseh, richtte in het midden
der 5d« eeuw een uitdagend schrijven aan de Armenische Christenen,
waarop hij een schriftelijk antwoord wachtte.
In 450 kwamen daartoe achttien bisschoppen samen in de hoofdstad
Ardaschad, stelden daar één geschrift op, waarin zij rekenschap gaven
van hun geloof, en zonden dit aan den koning van Porzië, niet de ver-
klaring er bij, dat zij voor niets ter wereld afstand wilden doen van hun
geloof. Hierop volgde een godsdienstoorlog, waarvan de Armeniër, Mozes
van Chorene, in de geschiedenis van zijn vaderland, een treurig schilderij
ophangt. Doch trots deze vervolgingen breidde het Christendom zich aldaar
meer en moor uit.
Ton noorden van Armenië wonen do Iberiërs, dio ook in dozen tijd
-ocr page 31-
23
liet Christendom leerden kennen. Eene zekere vrouw, Nunia geheeten,
werd tijdens de regeering van Constantinus door do Iberiörs gevangen gc-
nonien, en in hun land als slavin verkocht. Toen op zekeren dag een
ziek kind, overeenkomstig de bijgeloovigheden der Iberiërs, van huis tot
huis werd gedragen, opdat ieder, die een redmiddel wist, het zou aan-
wondon, en men ook bij haar kwam, zeido zij, dat zij geloofde in Christus,
die tijdens zijne rondwandeling op deze aarde zieken gerias, en ook nu
nog redding kon geven. Op haar gebed herstelde nu het kind. Eenigo
jaren later werd ook de koningin op haar gebed van cene gevaarlijke
krankheid verlost. Deze wilde haar nu met rijke geschenken beloonen.
Maar zij weigerde die aan te nemen, aangezien zij voor geene wonder-
doenster wilde beschouwd worden. Toen later de koning op de jacht was,
en hom een dikken nevel overviel, zoodat hij geen uitweg kon vindon,
herinnerde hij zich, wat zijne gade vroeger door de almacht van den God
der Christenen ten doel was gevallen. Hij bad om redding, en beloofde
zich dan te zullen bekeeren. De nevel trok op, en de koning kwam bc-
houden bij do zijnon. Do wensch van Nunia, vroeger aan do koningin te
kennen gegeven, dat het volk haar God mocht dienen, kwam nu in ver-
vulling. Do koning zelf onderwees nu do mannen van zijn volk, terwijl
do koningin die taak bij de vrouwen verrichtte. Kort daarna ontboden zij
geestelijken uit het Eomeinsche rijk, die hier de Christelijke kerk verder
stichtten.
Tusschen Iberiö en de Zwarte Zee ligt de landstreek Kokhië, welker
bewoners Laziërs heeten. Hoe en wanneer dit volk voor het eerst met het
Christendom in aanraking is gekomen, valt buiten den geschiedkundigen
gezichtseinder. Het eerste, wat we dienaangaande van hen lezen, is, dat
hun koning Tzathus in 520 keizer Justinus bezocht, zich liet doopen,
en met eene Grieksche vrouw huiswaarts keerde. Ongetwijfeld was hieraan
een Zendingsarbeid voorafgegaan. Over het algemeen toch ziet men eerst
het volk en vervolgens de vorsten tot het Christendom overgaan. En
wanneor het omgekeerde plaats had, wat hoogst zelden gebeurde, dan
ontbrandde er doorgaans een heftige strijd tusschen volk en vorst. En
omdat we van dien strijd niets merken, maar integendeel de Laziërs uit
de geschiedenis als een zelfstandig Christelijk volk leeren kennen, is het
vrij wel zeker, dat het zaad des Evangelies hier al veel vroeger is ge-
strooid en ontkiemd, dan do geschiedbookon ons melden. Later ontstond
or eene breuko tusschen de Laziërs en de Romeinen, doordat een Eo-
-ocr page 32-
24
meinsch veldheer een hunner koningen vermoorde. Doch zij sloten zich
liever aan bij de hun vijandige Romeinen, dan bij de Perzen, omdat
dezen het Christendom vijandig waren. Hieruit blijkt ook duidelijk, dat
zij met de grootste beslistheid den Christelijken godsdienst hadden omhelsd.
Gaan wc van Kolchië verder noordwaarts, dan komen we op het Kau-
kasus-gobergtc, waar we de Abasgers aantreffen. Deze hebben de eerste
zaden des Evangelies waarschijnlijk te danken aan de naburige Laziërs.
Keizer Justinianus bezorgde hun geestelijken, en liet kerken onder hen
bouwen. Verder won hij het volk door den handel in euncuchen te ver-
bieden. Het een en ander werkte ook hier samen, om het Christendom
ingang te doen vinden.
c. Arabic en Indie.
In Arctbie werkte het nomadenleven nog altijd do uitbreiding van het
Christendom tegen. Onder do rondtrekkende stammen was geregelde Evan-
geliseering niet mogelijk. Het drukke handelsverkeer tusschen de Romeinen
en do Arabieren bracht mede, dat zich in Temen, het zuidwestelijk ge-
dceltc van Arabic, vele Romeinsdie kooplieden ophielden.
Keizer Constantinus wilde gaarne, dat voor dozen eene kerk word go-
bouwd. Daartoo stuurde hij een gezantschap naar den koning der Home-
riten, met den bekenden Theophilus aan het hoofd, en wel met dit
gelukkig gevolg, dat de koning zich door Theophilus liet doopen, en nu
op eigen kosten drie kerken liet bouwen, één in de hoofdstad Tafar, één
te Aden en één te Hormuz. Deze gemeenten werden nu ook voor vele
Arabieren ten zegen, doch haddon in vervolg van tijd heftigen tegenstand
te verduren van de Joden, wier macht steeds aangroeide. De koning
Dsunovas, een vurig aanhanger der Joden, ging eindelijk de in zijn land
wonende Christelijke kooplieden vervolgen. Hij wilde zich daardoor wreken
op de Christenen, die, zooals hij voorgaf, zijne geloofsgenooten in het
Romeinsche rijk onderdrukten. De Abessynischo koning Elesbaan deed
hem nu den oorlog aan. In dezen strijd moest de koning Dsunovas het
onderspit delven en in zijne plaats werd nu een Christen, met name
Abraham, tot koning aangesteld. Maar toen deze kort daarna stierf, ver-
overde Dsunovas opnieuw den troon, en vervolgde de Christenen op eeno
vreeselijke wijze. Andermaal trok de koning Elesbaan met een sterk
leger naar Gelukkig"Arabic, en zag weder zijne poging met zegen be-
-ocr page 33-
25
kroond. Dsunovas sneuvelde in dezen krijg, en nu maakte de Abessynischo
vorst voor goed een einde aan het oude onafhankelijke rijk der Homerieten.
Sedert dien tijd waren hier Christenen aan het bestuur, totdat Temen
met geheel Arabië door het Mohammedanisme werd overvleugeld.
Behalve in Yemen, waar het Christendom kwam door het handels-
verkeer, treffen wij in dezen tijd ook in de Arabische woestijn Christe-
lijke gemeenten aan, die door monniken waren gesticht. Scharen van
Saracenen kwamen met vrouw en kinderen den monnik Hilarion om zijne
voorbede vragen, van welke gelegenheid deze gebruik maakte, om hen te
brengen tot het heil in Christus. De Saraceensche koningin Mauvia maakte
het, bij het sluiten der vrede met de Romeinen in 372, tot cene der
vredesvoorwaarden, dat een zeker monnik, Mozes gehceten, die jaren lang
in do woestijn als een heilige had getoefd, tot bisschop voor haar volk-
aangesteld moest worden. Theodoretes verhaalt als ooggetuige, dat Simon
do Stiliet van eene 30 voet hoogo zuil het Evangelie predikte aan de
voorbijtrekkende nomaden, waarvan hij er velen doopte. Hij hield jaren
lang zijn verblijf op die zuil, van welks hoogte hij als boetpredikcr het
volk vermaande, en waar hij zijn voedsel ontving door een korf, die hij
van tijd tot tijd neerliet.
In de eerste helft dor 5e eeuw was aan do Saraceensche hoofdman
Aspebethos het bewaken dor grenzen opgedragen. Do vluchtende Chris-
tenen moest hij gevangen nemen. Doch toen hij hen uit medelijden liet
ontkomen, haalde hij zich eene vervolging op den hals. Hij vluchtte nu
naar een andere plaats, waar hij spoedig het hoofd werd van eenen met
Rome bevrienden stam. Hij en zijn zoon lieten zich door den monnik
Euthymius doopen; vele Saracenen sloegen nu hunne tenten bij hen op,
en hieruit ontstond eene gemeente, waarvan Aspebethos bisschop werd.
Na zijn dood werd zijn zoon zijn opvolger.
De weifelende beteekenis van den naam Indic, waaronder men nu eens
Ethiopië, dan weer Arabië, en elders het eigenlijke Oost-Indië verstond,
is oorzaak van onzekere berichten betreffende het Christendom aldaar. Hoe
het zich daar reeds vroegtijdig door handelsverkeer uitbreidde, hebben wij
in het vorige tijdperk gezien. 1)
Van meer belang is de arbeid van den zendeling Tlieophüus, bijgc-
naamd den Indiër. Deze werd tijdens de regeering van den keizer Con-
1) /ie blz. 10
-ocr page 34-
20
sfcintinus door zijne landgonootcn als gijzelaar naar Constantinopel gezonden.
Daar werd hij tot geestelijke opgeleid en vervolgens als Evangeliedienaar
naar zijn vaderland teruggezonden. Theophilus begaf zich nu naar Arabië,
en van daar naar zijn vaderland, het eiland Diu Zokotora, waarna hij
do overige landen van Indie bezocht. Op deze zendingreis vond Theophilus
een lal van bloeiende gemeenten, die voor het meerendeel uit Perzië hunne
geestelijken ontvingen. Het schijnt dus dat naast het handelsverkeer de
vervolgingen in Perzië tot de komst van het Godsrijk in Indië medege-
werkt hebben. Deze berichten van Theophilus komen overeen met die van
Cosmas, bijgenaamd de Indiënvaarder, die eene ontdekkingsreis heeft gedaan
door de geheel toen bekende wereld. Deze laatste vond ook Christenen op
het eiland Taprobane, do oude naam van Ceylon. Do geschiedschrijver
Noandor noemt dit eiland het middelpunt van den handel tusschen Perzië
en Aethiopië. Daar Ceylon in eene geheel andere richting is te vinden,
zijn wij geneigd te denkon, dat met Taprobane een ander eiland is bc-
docld. Do Perzische kooplieden hebben op dit eiland eene kerk laten
bouwen, en stelden er een in Perzië geordend priester aan. Cosmas vond
weder Christenen op Mak, waarmede waarschijnlijk Malabar is bedoeld.
Maar hiervan kunnen wij niets zekers melden, evenmin als van Kaliana,
misschien de oorspronkelijke naam van Kalikut, of mogelijk ook die van
eene andere plaats bij Bombay.
3. AFRIKA.
Abessynië.
Hiermede hebben wij de zendingsgeschiedenis in Azië afgehandeld, en
gaan met onze gedachten naar Afrika, waar de komst van het Godsrijk
in Abessynië onze belangstelling vraagt. Abessynië ligt ten zuiden van
Egypte en werd ook wel Aethiopië genoemd, hoewel men onder dezen
laatsten naam meer geheel Afrika verstond. Van Abessynic hebben wij
uit den eersten tijd geene vertrouwbare berichten. De kamerling van
Candacé was afkomstig uit deze streken, doch de ongewijde geschiedenis
zwijgt van hem en zoo weten wij niets van hem behalve hot weinige
dat in Hand. 8 is vermeld. Do Abessyniërs hebben do eerste zaden des
Evangelies waarschijnlijk te danken aan de Egyptenaren, die, zooals
-ocr page 35-
27
wij vroeger zagen, reeds zeer vroeg het Christendom luidden omhelsd.
Wij willen ons echter niet langer met gissingen bezighouden, maar
vestigen onze aandacht op hetgeen daar in de 5e eeuw op het gebied der
zending gebeurde.
Een Urieksehc geleerde, Meropius gcheeten, afkomstig uit Tyrus, werd
op zijne ontdekkingsreis nabij de kusten van Abessysinië overvallen en
geplunderd, terwijl men zijne manschappen doodde, behalve Frumontius
en Aedesius, met wier jeugd men medelijden had. Deze beide jongelingen
namen zij mede naar hun land, waar Aedesius wegens zijn beminnelijk voor-
komen schenker en Frumontius, wegens zijn verstand, secretaris werd van
den koning van Abessynië. Na des konings dood werd hun de opvoeding der
prinsen toevertrouwd. Van deze gelegenheid maakten zij gebruik om het
Evangelie aan het hof te prediken. Toen zij later met verlof huiswaarts
keerden, bleef Aedesius in zijn vaderland en word presbyter te Tyrus.
Maar Frumontius voelde in zich eenc hoogere roeping. Hij wilde namelijk
het Evangelie prediken aan het volk, waaronder hij zijne jeugd had door-
gebracht on zooveel goeds had genoten. Hij ging daartoe naar Alexandrië,
waar hij hierover de raad van don bisschop Athanasius inwon. Deze
wijdde hem tot bisschop van Auxuma, hoofdstad van Abessynië. Frumontius
werkte hier nu mot grooten zogen. Deze zegen benijdde hom do Ariaan
Thoophilus, die den lezer reeds bekend is uit do zendingsgeschicdonis van
Indië. Deze zag Abessynië gaarne voor zijn gevoelen gewonnen en daartoe
bezocht hij Frumontius. Zij konden hot echter niet eens worden. Keizer
Constantius, de aartsvijand van Athanasius, mengde zich ook in deze
zaak, en ging Frumentius vervolgen. Hij vorderde van den koning van
Abessynië, dat deze hem naar Alexandrië zou zonden, opdat hij daar
aangaande geloofszaken onderzocht mocht worden. Do zogen en belang-
stelling, die Frumentius ook in dezen tijd ondervond, woog rijkelijk op
tegen de onaangenaamheid van dezen strijd.
Abessynië is het cenige land van Afrika, waar in dit tijdperk het
Evangelie is gekomen, zoodat wij hiermede de zendingsgeschiedenis in
dit werelddeel hebben afgehandeld.
-ocr page 36-
28
4. EUROPA.
a. De Ooihen.
In dezen tijd zien wij liet Christendom zich vooral uitbreiden in Europa.
Tot do behandeling van de zendingsgeschiedenis in dit werelddeel gaan
wij thans over.
Wij beginnen met de Oothen, omdat zij behooren tot de eersten onder
de Gennaansche volksstammen, die het Christendom aannamen. Hunne
geschiedenis ligt in nevelen gehuld tot den tijd, dat zij met de Romeinen
in aanraking kwamen. In 238 deden zij hunne eerste invallen in het
Romeinsche rijk en verwoestten bij die gelegenheid ïhracië, Moesië en
een gedeelte van de noordkust van Klein-Azië. Op een tweeden tocht
plunderden zij het tegenwoordige Griekenland. Ruim 20 jaren later door-
kruisten zij jaren lang den (iriekschen Archipel met een vloot van ongeveer
duizend schepen. In geheel don omtrek worden zij gevreesd. Door Claudius II
werd hun macht pas gefnuikt; terwijl zo door zijn opvolger Aurelius over
den Donau werden teruggedreven (274). Wel kwamen zij in 321 nog
eens over deze rivier, doch toen worden zij door Constantijn den Grooto
verslagen.
Heeds vroeg moeten zij van het Evangelie gehoord hebben. Wanneer
wij tenminste lezen, dat een zekere Theophilus, bisschop der Gothen,
mede do besluiten van het Concilie te Nicea had onderteekend, dan zijn
wij geneigd te denken, dat ze toen reeds jaren lang het Christendom
kenden. Zij konden op hunne rooftochten, waarvan we boven spraken,
niet onbekend blijven met het Christendom. De vele Christenen, waar-
onder ook geestelijken waren, die zij als krijgsgevangenen medevoerden,
zullen de eorsto Evangeliepredikers zijn geweest. Een zoodanige krijgs-
gevangene was Eutychcs, afkomstig uit Cappadocië, die onder hen mot
grooten zegen moet gearbeid hebben. Het feit, dat de gemeenten, dio
daar langzamerhand ontstonden, zich aansloten bij de Cappadocischo kerk,
pleit sterk voor haren oorsprong uit Cappadocië.
Ulphilas, de Apostel der Gothen, schijnt ook uit zoo\'n Christelijke
familie te zijn voortgekomen. De Cappadocischo geschiedschrijver Philostor-
gius wijst zelfs do plaats aan, waar deze familie oorspronkelijk gewoond
-ocr page 37-
2!)
zon hebben. Zijn Duitscho naam (Ulphilas is do Grieksche uitspraak van
milfila, dat wolfje botookont), bewijst dat zijne familie niet meer als
vreemdeling onder de (Jothen leefde.
Ulphilas werd. geboren in het jaar 318. De heldenzangen der oude
Germanen oefenden machtigen invloed uit op zijne taalkundige vorming,
terwijl hij in de ouderlijke woning menigen gooden indruk van het Evangelie
zal hebben ontvangen. Reeds op jeugdigen leeftijd koos hij uit volle over-
tniging, de priesterlijke bediening tot zijne levensambt. Terwijl hij zich
daartoe te Konstantinopel bekwaamde, werd hij tot voorlezer benoemd,
waardoor zijne kennis van de Heilige Schrift, als vanzelf toenemen moest.
Hij werd op zijn 30ste levensjaar door do Synode te Antiochië tot bisschop
der Gotlien gewijd, en werkte nu zeven jaren lang met veel zegen in zijn
vaderland. Ten spijt van den heidenschen koning Athanarik, breidde het
Christendom zich daar wol uit. Eene vervolging tegen de Christenen kon
dan ook niet uitblijven. Ulphilas trok nu in 355, gevolgd door eene
groote schare Gothen, over de Donau, waar hij bescherming bij de Romeinen
zocht on vond. Constantijn do Groote, wees hem eene woonplaats aan in
hot tegenwoordige Bulgarije. Daar vormden de talrijke vluchtelingen nu
eono eigen staat, waarvan Ulphilas het hoofd word. Men noemde hem toen
bij voorkeur een andere Mozes, die de Gothen uit de verdrukking van het
Heidendom geleid, en hen aan de woede van een tweeden Pharao, Atha-
narik, onttrokken had. Ulphilas predikte nu in zijn nieuwen staat met
grooton ijver, en wel al naar hot noodig was in het Gotisch, in het
Grieksch of in hot Latijn. Maar dit was hom niet voldoende. Het volk
moest zolf de Heilige Schrift onderzoeken, en daarom besloot hij tot de
vertaling van den Bijbel over te gaan. De Gothen hadden echter geen
ander alphabet, dan het zoogenaamde runnenschrift, en dat was voor
perkament minder geschikt. Ulphilas maakte dus eerst een Gotisch a. b. c,
dat hij gedeeltelijk aan het runnenschrift, gedeeltelijk aan de Grieksche
letters ontleende, on waaraan hij enkele letters van eigen vinding toevoegde.
Toon hij hiermede klaar was, vertaalde hij den Bijbel in het Gotisch. Men
verhaalt, dat hij het boek der Koningen, waartoe men in dien tijd nog
do boekon van Samuël rekende, onvertaald zou hebben gelaten, om aan
do krijgszucht der Gothen niet nog meer voedsel te geven. Behalve deze
vertaling zou hij verschillende stichtelijke boeken in de drie genoemde
talen hebben geschreven. Ook zorgde hij nu dat het Gothisch de kerktaal
werd. De andere Germaanscho volksstammen misten dit voorrecht; bij hen
-ocr page 38-
30
was, zooals thans nog in do Koomschc kerk, hot Latijn do kerktaal. Jaren
lang bleef deze vertaling de cenigc, die de leeken verstaan konden.
De Gothen namen hun Bijbel mede overal waar zij heengingen, en
verbreidden zoo de kennis van het Evangelie.
Veertig jaren lang heeft Ulphilas onder de Gothen als bisschop kunnen
werken. Hij stierf in 388 op TOjarigen leeftijd te Konstantinopel, waar-
heen keizer Theodocius hem tot eene kerkvergadering had geroepen , om
daar over strijdige leerpunten onderhouden te worden. Ulphilas liet leor-
lingcn achter, die in zijn geest voort werkten. De geschiedenis zegt verder
weinig van de verbeiding van het Christendom onder do Gothen. Dit echter
weten we, dat zij in nauwe betrekking bloven staan tot de geestelijkheid
te Konstantinopel, waaraan zij vele zegeningen te danken hadden, maar
waarmede ze ook prijsgegeven waren aan het Arianisme. De kerkvader
Chrysostomus heeft zich nog het meest met de zending onder de Gothen
ingelaten. Hij trachtte uit het volk zelf zendelingen te vormen. En om
belangstelling voor de zending onder de Gothen te wekken, liet hij in
398 of 399 eenige bekeerde Gothen in do Sophiakcrk te Konstantinopel
in het Gotisch prediken. Op grond hunner prediking werden zij daarna
tot geestelijken geordend. en naar hun volk terug gezonden. Zulke weton-
schappolijko ontwikkelde mannen kwamen uit hot volk zelf voort, en leveren
het bewijs van de zelfstandige ontwikkeling van het Christendom onder
do Gothen.
/;. Ierland.
Bij de verdere behandeling dor zendingsgeschiedenis moeten wij het
vasteland van Europa een oogonblik verlaten, on onze blikken richten naar
Ierland. Ierland toch was de bakermat van een aantal voortreffelijke
kloosters, waarin zendelingen werden gevormd, dio ten zegen werden voor
bijna geheel Europa. »^an Ierland," zegt Poulin, »aan het tegenwoordig
»zoo arme en onwetende Ierland, heeft het vrije, puriteinsche Schotland,
»het gelukkige Zwitserland, en het geleerde Duitschland het voorrecht te
«danken, dat zij reeds in het begin van de Middeleeuwen verlicht zijn,
»door het zuivere licht des Evangelies."
De eerste bewoners van het tegenwoordige Engeland waren de Britten.
Hunne oudste geschiedenis ligt in nevelen gehuld, totdat Julius Cesar in
55 vóór Christus aldaar landde. Sedert dien tijd hielden de liomoinon dat
-ocr page 39-
31
godeelto van Engeland, mot hunno troepen bozot. In 85 na Christus werd
Britanniö eenc Komoinscho provincie. Eene groote menigte Angelsaksen
kwamen omstreeks 440—450 van Duitschlands noordelijke kusten naar
deze streken over, naar wie het land dan ook zijn nieuwen naam van
Engeland bekwam. De oude Britten werden al meer en meer door hen
verdrongen, totdat zij in het tegenwoordige Wales en Ierland eene onbc-
twiste wijkplaats vonden. De eerste zaden des Evangelies zijn daar reeds
vroeg gestrooid en ontkiemd 1), doch dit valt buiten den geschiedkun-
digen gezichteinder. Eerst met Patricius, den Apostel der Britten, is er
iets zekers aangaande de verbreiding van het Christendom aldaar te melden.
Patricius is in 372 te Bonaven nabij Glasgow geboren, waar nog ter
zijner gedachtenis de »Kirk Patrik" staat. Zijn vader was aldaar diaken,
waaruit wij weten, dat er toen reeds gemeenten in Schotland moeten zijn
geweest. Toen Patricius 10 jaar oud was, voerden eenige Schotschc zee-
roovers, die langs do kusten van Bretagne kruisten, hem mede naar Ierland,
waar zij hem verkochten aan een rijk grondeigenaar, die hom in het
gebergte zijne kudde liet weiden. Blootgesteld aan koude en sneeuw, ge-
kweld door honger en ellende, sleet hij daar zijne dagen. Doch in deze
verlaten toestand, dacht God aan hem.
Patricius zegt daarvan in zijne Confessio het volgende: »Ik was zestien
jaar oud, en ik kende den waren God niet. Maar God opende in het
vreemde land de deur van mijn ongeloovig hart, zoodat ik, hoewel laat,
mijne zonden gedacht en mij van ganscher harte tot den Heere, mijnen
God bekeerde, die op mijne geringheid neerzag, zich over mijne jeugd
on onwetendheid ontfermde, die mij bewaarde, eer ik Hem kende, en eer
ik tusscheu goed en kwaad wist te onderscheiden, die mij beschermde en
troostte, gelijk een vader zijn zoon.troost." — Toen hij daar G jaar was
geweest, hoorde hij in een droom tot tweemalen toe de uitnoodiging naar
het strand te komen waar hij een schip zou vinden, gereed, om hem mede
te nemen naar zijn vaderland. Hij gaf gehoor aan deze roepstem, en
kwam weer in de ouderlijke woning terug.
Tien jaren later werd hij opnieuw door Schotsche zeeroovers gevangen
genomen, die hem nu naar Gallië voerden. Daar kwam hij in handen van
Christelijke kooplieden, die hem terstond weer op vrije voeten stolden, en
andermaal keerde hij naar de ouderlijke woning terug. Na al deze uit-
1) Zie blz. 15.
-ocr page 40-
32
reddingen koos hij eindelijk de Evangelie-bediening tot zijne levenstaak.
Hij wilde nu werken in het land, waar hij zooveel had geleden, maar
waar hij ook den Heero als zijnon Zaligmaker had leeren kennen. Hij
zonderde zich nu vier jaar af in het St.-Martinus-klooster bij Tours, waar
hij zich voor zijne roeping bekwaamde. Na volbrachte studie koerde hij
in 431 naar Ierland terug. Volgens de overlevering zou Patricius, voor
hij zijn werk aanvaarde, naar Rome zijn gegaan, om van den bisschop
volmacht en wijding te ontvangen. Juist was de doodstijding gekomen
van den Aartsdiaken Palladius\', die door den bisschop van Rome als
Zendeling naar Ierland was gezonden; maar die daar wegens de onbe-
kendheid met do taal, niets uit kon richten (432). In zijne plaats zou
bisschop Sixtus III, Patricius aangesteld hebben.
Dit bericht komt ons echter ongelooflijk voor. Ten eerste, omdat de
Ierscho kerk altijd onafhankelijk is geweest van Rome en vervolgens,
omdat Patricius in zijne Confessio volstrekt niet spreekt over eene zoo-
danige reis naar Rome.
Patricius trok het land door, en riep de schare bijeen door het slaan
op den grooten trommel. Overal waar hij kwam, predikte hij met grooten
zegen. Hij had bijzondere takt met menschen om te gaan. Jeugdige per-
sonen wist hij voor zich te winnen, die hij dan tot helpers opleidde.
Eens kwam hij in de woning van een aanzienlijk man, waar hij de go-
heelo familie doopte. De jongste zoon des huizes werd zóó door Patricius
aangetrokken, dat hij hem niet weer wilde verlaten. Hij heeft hem dan
ook op al zijne tochten trouw gevolgd en bijgestaan. Aan zulk een trouwen
volgeling had hij grooten steun, vooral dan, wanneer hij veel te lijden
had van de heidensche priesters. En dat Patricius niet gevoelloos was
voor zijne liefdediensten, blijkt duidelijk hieruit, dat hij hem den bijnaam
van den barmfiartigc gaf. Van groote beteekenis was ook dit, dat de
dichter Dubrach Mac Valubair door Patricius tot bekeering kwam. Deze,
die vroeger aan de hoven der Vorsten de godenleer der Druïden bezong,
verheerlijkte nu het Christendom in zijne liederen.
De grond, die hij van de bekeerde vorsten ten geschenke kreeg, ge-
bruikte hij tot stichting van kloosters. En zoo groot werd hun aantal,
dat Ierland den naam kreeg van »Insula Sanctorum", d.i. het eiland der
Heiligen. In die kloosters bestudeerde men ijverig de Heilige Schrift, las
de oude boeken, en richtte zelfs Zendingsscholen op, vanwaar zendelingen
uitgingen naar het vasteland van Europa. Eene Bijbelvertaling heeft Patri-
-ocr page 41-
33
eins niet getoverd, hoogstens voorbereid door den Ieren een alphabet te
geven. Tot bijbelvertaler miste hij ook do wetenschappelijke opleiding,
welke Ulphilas ten dool was gevallen. Ook zal hij zich de rust niet gegund
hebbon, die zulk een arbeid vordert. Heeft hij den Bijbel niet voor hen
kunnen vertalen, zijne inhoud heeft hij hun medegedeeld. Wat wij van
hem weten, vooral uit zijne Confessio, bewijst, dat hij eene grondige
bijbelkennis bezat.
Patricius stierf omstreeks 404 op een leeftijd van ruim 00 jaren. Van
welken rijken zegen zijn arbeid voor andere volken is geweest, hopen wij
in het volgende tijdvak na te gaan.
c. Oalli\'ê of Frankrijk.
De Bourgondiërs vestigden zich omstreeks de 5<ie eeuw in Gallië. Hun
land grensde aan dat der West-Gothen, die evenals do Oost-Gothen het
Christendom hadden omhelsd. Een zoodanige nabuurschap kon voor de
Bourgondiërs niet ongezegend zijn. Eeeds kort na hunne vestiging namen
zij dan ook van hen het Ariaansch Christendom aan. Avitu.s, bisschop
van Viönne, wilde hen tot het katholieke geloof overhalen, en noodigde
daartoe hun koning Gundobald uit tot een godsdienstig gesprek, dat in
499 gehouden werd. De overgang tot de Nicaesche belijdenis werd daar-
door voorbereid, maar overigens leidde het gesprek tot geen bepaalde uit-
komst. Avitus zocht nu Gundobalds zoon en opvolger, Sigismund, voor
de rechtzinnige leer te winnen, wat hem ook gelukt is. Toen deze in
517 aan de regeering kwam, was de zegepraal van het katholieke ge-
looi\' op het Arianisme voor goed beslist.
De bekeering der Franken sluit zich aan bij die der Bourgondiërs, en
zoo wijst do geschiedenis ons als van zelf den weg, om thans tot do
behandeling daarvan over te gaan. In hot laatst der vijfde eeuw voer-
den vier elkander bestrijdende broedors het bewind over Bourgondiö.
Koning Gundobald, waarvan wij boven spraken, maakte zich moester van
het geheel, en doodde zijue beide broeders. Maar de dochter van één
hunner, de jeugdige prinses Klothilde, liet hij leven. Klothilde schonk
oenigeu tijd later hare hand aan Glodwich, den heidenschen Koning der
Franken, onder beding, dat deze bloedwraak op haar oom zou uitoefenen.
Gaarne voldeed hij hieraan, daar hij reeds lang naar eene rechtmatige
aanleiding gezocht had, om do macht der Bourgondiërs te fnuiken, en
3
-ocr page 42-
34
dio landschappen bij zijn rijk in to lijven. Wij laten deze zaak voor
wat zij is , on vragen alloen naar hare gevolgen, voor de komst van liet
Godsrijk onder de Franken.
Klothilde, ijverig katholiek als zij was, trachtte haar echtgenoot voor
het Christendom te winnen, en het gelukte haar haren eerstgeboren zoon
gedoopt te krijgen. Doch toen dat kind later stierf, wat de koning toe-
schreef\'aan de gevolgen van den dooi), reos \'\'ij hein weer do heidensche gods-
dienst in waarde. Toch liet hij ook toe. dat zijn tweede zoon gedoopt
werd. Ook deze werd ziek, doch herstelde op het gebed zijner moeder.
Hoewel de koning door dit laatste gunstiger voor het Christendom ge-
stemd werd, bleef hij in menig opzicht onverschillig. Die onverschillig-
heid week bij gelegenheid van oenen veldslag togen de Allemannen.
Plotseling werd hij door zijnen neef Siegbert tegen hen te hulp ge-
roepen en te Zulpich kwamen in 490 de beide legers slagvaardig tegen-
ovcr elkaar te staan.
In den beginne was de kans aan de zijde der Allemannen. Doch nu
wierp Clodwich zich op de knieën, en bad tot den God der Christenen:
»Holp mij Jezus Christus, dien men God noemt, want mijne goden ver-
laten mij, zoo gij mij bijstaat, zal ik in u gelooven\'\'" Bij het hornieu-
wen van den strijd keerde de kans. De Allemannen werden op de vlucht
geslagen. Van het slagveld teruggekeerd, ontbood do koning Remigius,
bisschop van Rheims, die hem nu nader in don Christelijken godsdienst
onderrichtte en hom nog op het kerstfeest van hetzelfde jaar doopte.
Volgens de geschiedenis waren voor die gelegenheid de straten dei-
stad versierd, en trok de koning, gevolgd door 3000 edelen naar de
St. Martijnskork, waar de plechtigheid plaats zou hebben. Voor het doop-
vont gekomen, zéide de bisschop tot hem: »Buig nu, trotsche Sigamber!
uwen nek; bid aan, wat ge vroeger verbrandt hebt, verbrandt, wat gij
hebt aangebeden." Hierop deed hij belijdenis des geloofs en werd gedoopt.
Het vervolg der geschiedenis bewijst, dat het Clodwich met het Chris-
tendom nooit ernst is geweest. Hoe weinig hij van de beteekenis van
Christus lijden verstond, bleek duidelijk toen licmigius hierover uitweidde,
en hij op het hooren hiervan in gramschap uitriep: »Ware ik met mijne
Franken maar daar geweest, ik zou \'t die Joden wel geleerd hebben!"
Zijn overgang tot het Christendom heeft -groote overeenkomst met die
van Constantijn den Groote, gelijk wij dat reeds vroeger hij do behandc-
ling van diens geschiedenis hebben opgemerkt. Het is hier de plaats
-ocr page 43-
35
niot stil to staan bij do voor- on nadoeelen aan oon zoodanige toetreding
tot hot Christendom verbonden; alleen willen wij opmerken, dat daardoor
geheele volken onder de beademing van het Evangelie kwamen. Kort na-
dat Clodwich den doop had ontvangen, volgden moor dan 3000 zij nor
krijgsknechten dit voorbeeld. Do reeds eenigo malen genoemde Avitus
kwam don Koning niet zijn doop gelukwcnschen, en noodigdo hem bij
die gelegenheid uit door gezantschappen liet Christendom ondor zijn volk
te verbreiden. En dat het aan pogingen van Zondingsarbeid niet ont-
brokon hoeft, blijkt ook hieruit, dat daar later bloeiende gemeenten
worden aangetroffen. De algemeene verbreiding dos (\'hristendoms in Gallie\'
is echter niet aan do Frankische, maar aan do Iersche zendelingen dank
te wijten.
Het was vooral ook van beteekenis, dat Clodwich het katholieke geloof
aannam, terwijl al de andere Germaanscho vorsten, voor zoover zij liet
Christendom omhelsd hadden, Ariaansch gezind waren, (lm dio reden
gaf do bisschop van ltonie, Anastatius, hem don titol van »Allorchriste-
lijkste Koning."
d. Oostenrijk en Beiereu.
Voor wij dit tijdperk sluiten, moeten wij nog van één waardigen zon-
deling melding maken. Wij bedoelen Severinus, die in do laatste helft
der 5dn eeuw aan de oevers van den Donau, het tegenwoordige Oosten-
rijk
en Beieren, werkzaam is geweest. Van zijn afkomst en vaderland
weten wij bitter weinig. Wanneer ze hem daarnaar vroegen, dan zoido
hij nu eens schertsend: »Wel, indien gij mij voor een wcggelooponslaaf
houdt, zorg dan maar, dat gij het losgeld voor mij in gereedheid hebt,
als mijne uitlevering wordt geëischt;" on dan weer ernstig: »Weet, dat
dezelfde God, die u tot het priesterschap geroepen heeft, mij heeft ge-
boden, om onder deze, door zoovele gevaren bedreigde, menschen to gaan
wonen." Zijn spraak deed vermoeden dat hij een Noord-Afrikaner was.
Terwijl de Hunnen in 453, onder aanvoering van hun koning Attilla,
to vuur en to zwaard het land doortrokken\', stond Severinus de verjaag-
den en beroofden als helper bij. En niettegenstaande hij uit een warmer
luchtstreok kwam, trok hij, terwijl alles met ijs en sneeuw bedekt was,
barrevoets van hut tot hut, om de nooddruftigen hulp to verleenen. Aan
geheele scharen van gevangenen, die in slavernij waren weggevoerd, hergaf
-ocr page 44-
30
hij op zijne tochten de vrijheid, en zond hun levensmiddelen en kleoding-
stukken toe, die hem door den invloed van zijn voorbeeld en van zijn straf-
rodenen mildelijk toestroomden. Hierdoor won hij do achting zoowel van de
Germanen als van de Romeinen. Eens had een roofzuchtige bende de
omstreken van cene stad verwoest, en vee en have medegovoerd. Allen
kwamen nu bij Severinus om hulp. Pin zoo bekend waren zijne vele tref-
fende gebedsverhooringen, dat de Romcinscho bevelhebber der stad ver-
klaarde met zijn klein hoopje volk de roovers te durven achterhalen, en
hun den buit te ontrukken, zoo Severinus maar mcdeging om voor hen
te bidden. Deze beloofde mede te zullen gaan onder do voorwaarde], dat
hij de gevangenen ongedeerd tot hem zou brengen. Het geloof van den
bevelhebber word niet beschaamd. Hij kreeg de roovers in zijne macht,
die hij nu geboeid voor Severinus bracht.
Deze ontsloeg hen nu van de boeien en gaf hun eten en drinken. Toen
zij allen verzadigd waren, verkondigde hij hun het Evangelie, en zond hen
naar huis met de woorden: »Ga heen, en kom hier niet weer plunderen,
opdat God u niet erger bezoeke.". Zulk eene edele daad kon niet onge-
zegend blijven voor de bevolking. Alle kerkelijke waardigheden wees hij
van de hand, om onder de verdrukten te kunnen blijven werken. Na
20—30 jaar alzoo gewerkt te hebben, stierf hij in 482. Van de vele
leerlingen, die in denzelfden geest voortarbeidden is ons Goar het best
bekend. Hij werkte in de streken, waar thans de stad Goar ligt, die aan
hem haren naam heeft te danken.
e. Minorka en andere eilanden der Middclkmdschc Zee.
Omstreeks dezen tijd ging een geheele Joodsche gemeente op het eiland
Minorka tot het Christendom over. Dit geeft ons aanleiding om ten slotte
nog even stil te staan bij de komst van het Godsrijk op de eilanden
der Middellandsche zee. Sicilië, Sardinië en de Balearische eilanden waren
voor een groot gedeelte bevolkt met Joden, die daar van den handel
loefden. De eerste Evangelie-predikers zijn waarschijnlijk, behalve christo-
lijke kooplieden, bekeerde Joden geweest. In de derde eeuw waren daar
reeds christelijke gemeenten.
In het begin der vijfde eeuw woonde op het eiland Minorka de bisschop
Severus, die zich veel op de bekeering der Joden toelegde. In 410 noodigde
hij de Joden van dat eiland tot een godsdienst gesprek uit. Daar deze in
-ocr page 45-
37
goono christelijke kork wilde komen, begaf\'Severus zich mot zijne gemeente
naar hunne Synagoge. Hier begroetten de Joden hen met oeno hagelbui
van steenen. De christenen betaalden hen met gelijke munt. Zij staken
de Joodsche Synagoge in brand. Terwijl de Joden nu de wraak van hunne
christen-vorsten vreesden, meldde een hunner uit angst zich aan, om in
de christelijke kerk opgenomen te worden. Dit voorbeeld werd gevolgd
door den aanzienlijken Jood Theodorus, die vreesde zijne rijke bezittingen
te zullen verliezen. Het duurde niet lang, of bijna al do Joden op Minorka
lieten zich doopen.
Het gerucht hiervan verbreidde zich weldra over geheel de christelijke
wereld. Vele bisschoppen waren zoo dwaas dat zij dit voorbeeld volgden.
Zij staken de Synagogen in hunne nabijheid in brand. Maar instedo van
daardoor tot bekeering te komen, ontstaken de Joden in hevige woede,
zoodat de keizer een edict tegen deze brandstichtingen moest uitvaardigen.
-ocr page 46-
M1DDELÜESCHIEDENIS
Isto Afdebling.
Van de op
20
heffing der Hcidensche («elcerdenscliool te Athene tot de
oprichting der bedelorden.
529 — 1210.
1. HET KARAKTER VAN DIT TIJDPERK.
Daar door de opheffing van do laatste heidenscho school te Athene het
klassieke heidendom door het Christendom is overwonnen, en dit feit alzoo
een keerpunt aangeeft voor de geschiedenis der zending, moeten wij hieraan
onze aandacht een oogenblik wijden.
• De Romeinsche keizers vóór Constanten den Groote vervolgden de
Christenen. Met hem kwam hierin cene gunstige verandering. Hij nam
het Christendom aan. Wel trachtte een zijner opvolgers, Julianus, het
voorvaderlijke heidendom weer te herstellen, doch deze sneuvelde reeds
in 363, na eene regeering van twintig maanden, in een veldslag tegen
de Perzen, niet deze woorden: »Zoo hebt Gij dan overwonnen, Galieër!"
Met zijn dood was ook de stervensure van het Grieksch-Romeinsch heiden-
dom aangebroken. Het is niet onbelangrijk de tegenstelling op te merken
tiisschcn den apostel Paulus, en den Keizer Julianus; immers in die
tegenstelling zien wij do overwinning van hel Christendom en den onder-
gang van het heidendom, zeer treffend aan het licht treden. Do apostel
te Tanen geboren, to Home gestorvon, viel op het slagveld van eere,
met do overtuiging in zijn hart, dat hij den goeden strijd had gestreden.
-ocr page 47-
39
hot geloof behouden; on dat nu do kroon dor overwinning hem wachtte.
Julianus daarentegen te Rome geboren, te Tarnen gestorven, sneuvelde
op hot slagveld der vernedering, in het bewustzijn eener niet te horstellen
nederlaag.
Na zulk eene overwinning moesten eindelijk ook de heidenscho scholen,
als zoovele kweekplaatsen on zetels van het heidendom, als vanzelf ver-
verdwijnen. In het begin dor (iu eeuw was die te Athene dan ook
slechts de eenige, die nog bestond. Justinianus I hief\' haar in 529 op,
waarmede de laatste vesting van het heidendom werd geslecht.
Daarmede was echter het land nog niet gezuiverd van hot overgebleven
heidendom. Het onkruid woekerde nog op menige plaats welig voort. De
taak der Middelecnwsche Zending was vooral, om op hot veroverde terrein
bet zaad des Evangelies to strooien, de overwonnen volken tot eene christe-
lijke natie te hervormen, en hot overgebleven heidendom uit te roeien.
Do Middelceuwscho Zending moet dan ook een geheel ander karakter
dragen, dan die van den Apostolischen en na-Apostolischcn tijd; deelsom-
dat haar taak van dozo verschilde; deels omdat ze onder geheel andere
toestanden werkzaam was; maar vooral, omdat het frisscho leven van do
Apostolische kerk, in dozen tijd zoo weinig terug word gevonden.
Dr. Gustav Warneck zegt van de Middelecnwsche Zonding hot volgende:
»In den Apostolischen on na-Apostolischcn tijd stonden achter de eigenlijke
arbeiders op het Zendingsgebied de gemeenten, als levende dragers van
den zendingsgeest. In de Middelceuwscho Zendingsperiode echter worden
deze vervangen door de monnikenorden, do Christelijke gemeenten staan
bijna geheel onverschillig tegenover het zendingswerk, omdat do aandrift
tot de zending in haar te niet is gegaan; en zij ging verloren, niet alleen
omdat do heidenon nu niet meer vlak voor do deur stonden, ook niet
slechts, omdat men door do priesters nauwlijks meer opgewekt werd tot
een krachtdadig medearbeiden, maar werkelijk, omdat in haar hotChris-
tendom zelf veel van zijn innerlijke levenskracht verloren had. Hoovelc
edele apostolische verschijningen er ook aan te wijzen zijn onder de
monniken, dio als zendelingen arbeidden, over het geheel gaat in dezen
tijd de zonding uit van eeno kerk, welke, niettegenstaande hare uiterlijke
macht, verzwakt is, verxwaH, omdat ze verwereldlijkt is. Uit don aard
der zaak namen daarom het doel en de middelen der Zonding meestal
dezelfde karaktertrekken aan. Men stelde zich — de verblijdende uitzon-
deringen natuurlijk niet medegcrekend — er mede tevreden, dat de men-
-ocr page 48-
40
schcn uiterlijk hot heidendom vaarwel zeiden, eenigc hoofdbcstanddcelen der
Christelijke leer van buiten leerden en ecu dooi» ondergingen, die vaak
genoeg aan groote scharen tegelijk werd toegediend. Hoe meer de kerk
zelve het karakter van een rijk van deze wereld aannam, des te minder
versmaadde zij de uiterlijke hulpmiddelen, welke die wereld aanbood, om
heidensche volkeren in de kerk in te lijven. Zoo verbonden, ja zelfs
vermengden zich zending on politiek, Christianiseering en Romaniscoring,
later — vooral in Duitschland — ook Christianiseering en Germaniseering.
2. SPANJE.
Do Zendingsgoschiodenis in Spanje staat geheel op zichzelf, en hangt
in geen enkel opzicht met die van andere landen samen. Het is om die
reden, dat wij haar hier het best eene plaats meenen te kunnen geven,
en met een enkel woord afhandelen.
Wij hebben reeds vroeger gezien hoe de eerste zaden des Evangelies
daar in den Apostolischcn tijd gestrooid en ontkiemd zijn.
In het begin van de 5de eeuw vestigden de West-Gothen zich in
Spanje. Door hunne betrekking met de Oost-Gothon hadden zij het Chris-
tondora leeren kennen. De Bijbelvertaling van Ulphilas namen zij naar
hun land mede, en deze hield hier eene bijbelscho kern levend onder den
vormendienst, waartoe de West-Gothen spoedig vervielen.
Do langdurige strijd tusschen de Ariaanschgezinde Gothen on de
Katholieke kerk belette hier in menig opzicht de uitbreiding van het Chris-
tendom, on dit was te erger, aangezien Spanje, eer het Evangelie er als
een zuurdeesem kon doorwerken, in de 8st0 eeuw door het Mohammeda-
nisme werd overvleugeld.
Het is hier de plaats niet om den afmattenden strijd tusschen het
Christendom en het Mohammedanisme in Spanje na te gaan. Stilzwijgend
gaan wo dan ook de Christelijke martelaren uit dezen strijd voorbij. Do
Christenen, die zich hier, trots de vervolgingen, hadden staande gehouden,
verconigden zich onder hunnen koning Alfonsus, die het Koninkrijk
Austurie slichtte. Later wierpen ook Oud en Nieuw-Kastilië, Xavarra,
Aragoniü en Barcelona het Mohammedaansche juk af. Al deze kleine
rijken worden eindelijk tot twee koninkrijken, Kastilië en Aragonië her-
-ocr page 49-
11
eenigd, in deze Christelijke staten kwamen onderscheidene geestelijken
werken, en zoo werd do zending opnieuw in Spanje betracht.
3. BRITTANJE.
Wij koeren terug naar do bewoners van de Britsche eilanden, om na
te gaan, hoc deze verder tot de kennis van het Christendom kwamen, en
hoe ze vervolgens ten zegen werden voor hunne Germaansche broederen.
Wij hebben reeds vroeger gezien hoc welig het kloosterleven hier begon
te tieren 1). Wij noemen in het voorbijgaan slechts het klooster Bankor
dat in het laatst der 6<Je eeuw door den abt Cotngal gesticht, en een,
van de oudste kweekscholen voor zendelingen werd.
Do Britsche bisschop Ninyas verbreidde reeds vroegtijdig het Christen-
dom onder de Pieten on Schoten, die in het Zuiden van Schotland woon-
den. De Noordelijke Pieten en Schoten, die door reusachtige bergen van
de Zuidelijke gescheiden waren, bleven tot in het midden van de Gde
eeuw van het Evangolielicht verstoken. Do abt Columba, ontfermde zich
over hen. Hij is omstreeks 520 in Ierland geboren, en begaf zich in 505
naar dezo streken, waar hij nu ruim dertig jaar lang met grootcn zegen
werkte. Brudeus, koning der Pieten, kwam tot bekecring en schonk hem
nu oen dor Hebridische eilanden, waar hij een klooster stichtte. Het be-
doolde eiland heeft waarschijnlijk zijnen nieuwen naam Jona aan hem te
danken. Columba en Jona toch waren de Latijnsche en Hebreeuwsche ver-
taling van zijnen misschien oorspronkelijk Ierschen naam, die duif be-
tcekent. Dit klooster verkreeg tijdens zijn dertigjarig bestuur groote
vermaardheid, en lang na zijnen dood bleef het een der beroemdste zetels
van bijbelkennis en wetenschap.
Columba on zijne leerlingen verbreidden het Christendom onder de Pieten
en Schoten, tot aan de uiterste noordelijke grenzen hunner eilanden.
.Later werden op de Orkaden en Farócreilanden, ja zelfs op IJsland, Christe-
ncn aangetroffen, die vervallen waren tot eene afgodische vereering van
Columba. Columba stierf in 597 op een leeftijd van bijna 80 jaar, en
werd in zijn klooster begraven. De Schotscho koning Kenncth liet in de
1) Zie bladz. 32.
-ocr page 50-
12
9d0 eeuw zijne beenderen in hot pas gestichttc klooster van Dunhald
overbrengen.
Wij hebben reeds vroeger gezien, hoc de Britten, dio de hulp der
Angelsakscrs tegon do verwoestende invallen der Pieten en Schoten, hunne
oude vijanden, hadden ingeroepen, door diezelfde Angolsaksers uit hun
land werden verdreven, waar dezen nu een eigen rijk grondvesten 1). Zij
namen n;iar hun nieuw koninkrijk den ouden Germaanschen afgodendienst
mede. Anderhalve eeuw later vatte paus Gregorius de Groote het plan op,
om deze volken met het Christendom bekend te maken. Door eenc ont-
moeting met Angelsaksiche knapen, die op do markt te Rome als slaven
te koop geveild werden, kwam zijn plan tot volkomeno rijpheid. Hij
vroeg hen naar hun naam, waarop dezen to kennen gaven, dat ze Angli
(Anglen, Engolschen) waren. —»GcwisAngeli (Engelen) zult gij worden"!
hernam Gregorius. »En vanwaar komt gij?" — »Uit Deïra!" luidde het
antwoord. — »Juist de ira (van den toorn), zult gij verlost worden!" riep
hij hun toe, zich andermaal van eenc woordspeling bedienende.
Hij kocht deze slaven vrij, en liet hen in de leer der kerk onderwijzen.
Zijne verheffing tot paus verhinderde hem om zelf naar Brittanjc te gaan,
doch in Engeland had cene gebeurtenis plaats, waardoor zich eon nog
geschikter weg voor do volvoering van zijne plannen opende. Edilbcrth,
do koning van Kent, het machtigste der zeven Angelsaksische rijken ,
huwde, ofschoon zelf een heiden, met een christin, do Frankische prinses
Bcrtha, die do vrijheid bekwam, om haren Godsdienst ongestoord te be-
trachten. Zoodra Gregorius dit hoorde zond hij in 590 den abt Augustinus,
vergezeld van veertig monniken naar Engeland. Deze gaven den koning
van hunne aankomst kennis en deelden hem hun voornemen mede. De
koning ontving hen vriendelijk en voorzag in hunne levensbehoeften. Hij
wees hen vervolgens zijno residentiestad Dorovorn, later Canterbury ge-
noemd, als woonplaats aan. Hier werkten zij thans met zoodanigen zegen,
dat de koning zich weldra liet doopen, en dat op het eerstvolgende Kerstfeest
niet minder dan tienduizend zijner onderdanen zijn voorbeeld volgden.
De Paus mot deze verrassende uitkomsten in kennis gesteld, gaf Augus-
tinus last naar Frankrijk te reizen, om zich daar door den bisschop
Etherich van Arles tot bisschop over de jeugdige Engelsche kerk te laten
wijden.
1) Zie blu.lz. 81.
-ocr page 51-
43
Tc Dorovorn vestigde hij nu den zetel van zijn aartsbisdom, terwijl hij
eenigon tijd later een tweede te Londinium (Londen) oprichtte, waarmede
zijn modohelper Mellitus werd begiftigd. Dezen Mcllitus zond do paus
hem niet enkele monniken ter hulp, en gaf hem afschriften van de Heilige
schrift en relinuiën mede, terwijl hij hem in een uitvoerig schrijven
aanwijzingen gaf, hoe zij daar de Christelijke kerk moesten vestigen.\'
Paus Grcgorius deelde do oude Biïtsche Christenen ook bij deze aarts-
bisdommen in. Do vrije Britten echter, die onafhankelijk van Rome het
Christendom haddon leeren kennen 1), waren hiermede niet gediend. De
hcorschzuchtigc Augustinus richtte nu oen schrijven aan den abt van het
beroemde Britscho klooster Bankor, waarin hij volkomene onderwerping
aan de bepalingen der Katholieke kerk eischte. Merkwaardig is het ant-
woord, dat Augustinus daarop van hem ontving. »Wij allen," zoo schreef
hij, »zijn bereid de kerk Gods, don paus to Rome en eiken vromen
Christen to gehoorzamen, zoodat wij een ieder, naar mate van zijne be-
trekking volkomen liefde bewijzen en hem met woord on daad ondersteunen.
Wij weten niet dat er jegens dengene, dien gij paus of vader der vade-
ren noemt, eene andere gehoorzaamheid van ons kan gevorderd worden.
Maar deze gehoorzaamheid zijn wij bereid hem en ieder Christen to bc-
toonen." Augustinus, met dit antwoord niet tevreden, noodigde de Brit-
ten tot een godsdienstig gesprek uit. Dit gesprek had, naaroud-Duitsche
zeden, onder oenen eikenboom plaats. Doch ook deze poging mislukte.
Do klove tusschen beide kerken, door den nationalon haat der beide
volken gevoed, was niet moor to dempen. De verbittering der Engelsehen
klom in die mate, dat hun koning Edilbcrth de Britten met het zwaard
ging vervolgen.
Augustinus stierf in GU5, Laurentius, één van hot veertigtal, dat hem
op zijne reis naar Engeland vergezelde, werd zijn opvolger. Toen in 01 (i
ook do koning Edilberth stierf, brak er een treurig tijdperk voor de
jougdigo kerk aan. Zijn zoon en opvolger Eadbald koerde tot den ouden
afgodendienst terug, en mot hem velen zijner onderdanen. Toen bleek
het, dat de bekcering van de moesten slechts eene uitwendige was. Met
grooto moeilijkheden had do geestelijkheid van Kent thans te worstelen.
Eens zelfs was Laurentius van plan met de zijnon hot land te verlaten.
Doch een droomgezicht, waarin Petrus hem verscheen, en hem bestrafte
1) Zio blfulz. 82.
-ocr page 52-
u
over zijn trouweloos verlaten der kudde, hield hem van zijn voornemen
terug\'. Dit gezicht gebruikte Laurentius, om het hart van don jeugdigen
vorst te verteederen. Met sterke kleuren schilderdo hij, wat hem in dien
nacht wedervaren was, en dit maakte o]> den koning zooveel indruk, dat hij
zich tot het Christendom bekeerde. Sedert dien tijd breidde de nieuwe
godsdienst zich daar geregeld uit; doch de kerk bleef een kwijnend leven
leiden.
Behalve de koning van Kent namen in dezen tijd van de andere An-
gelsaksische vorsten, de koning van Essex en die van Xorthnmberland,
het Christendom aan. De koning van Essex. Sabereth geheeten, huwde
met eene nicht van den bovengenoemden koning Edilberth, wat voor zijn
overgang tot den nieuwen godsdienst, ongetwijfeld gunstig heeft gewerkt.
Het stichten van een aartsbisdom te Londinium (Londen), kan men als
ecno vrucht daarvan beschouwen. Zijne onderdanen bleven echter bijna
allen heidensch gezind. Vandaar dat zijne zonen en opvolgers zoo weinig
tegenwerking ondervonden, toen ze, na den dood van hunnen vader, het
oorspronkelijk heidendom herstelden.
Ook in Northumberland was het een huwelijk, dat tot het stichten der
Christelijke kerk aanleiding gaf. Toen Edilberga, de dochter van den
koning Edilberth, hare hand schonk aan Aedwin, koning van Northum-
berland, moest deze haar beloovon haar in geen enkel opzicht te zullen
bemoeilijken, in de uitoefening van den Christelijken godsdienst, en haar
de vrijheid te laten geestelijken mede te mogen nemen. Op die wijze
kwam PaulinuS, die haar als bisschop vergezelde, naar Eboracum, later
York genaamd. In deze hoofd- en residentiestad begon Paulinus met den
grootsten ijver het Evangelie te prediken. Zijne pogingen om don koning
voor het Christendom te winnen, zag hij eindelijk met zogen bekroond.
Er werd eene rijksvergadoring in hot leven geroepen, waar Paulinus en
de heidensche priesters over don godsdienst van gedachten wisselden. Nadat
de laatston de voortreffelijkheid van hunnen godsdienst hadden voorgesteld,
ontwikkelde Paulinus do leer van het Christendom, en met dit gelukkig
gevolg, dat de opperpriester de eerste was, die tot de vernietiging van
de oude afgodsbeelden en heiligdommen overging. Do koning liet zich
doopen, en velen zijner onderdanen volgden zijn voorbeeld. Toen hij echter
in 033 in eene veldslag sneuvelde, waarmede zijn volk onder do heer-
schappij der overwinnaars geraakte, keerde het heidendom in oude Gor-
maanscho woestheid terug. p]én lid van deze koningsfamilio, Oswald
-ocr page 53-
goheotcn, redde zijn loven door de vlucht. Hij zwierf oenen geruimen
tijd in Schotland rond, en vond daar bescherming bij de monniken. Van
dezen leerde hij liet Christendom kennen, en keerde vervolgens vol geest-
drift naar zijn vaderland terug. Hij verlostte de verdrukten van do vreemde
overheorschors, en herstelde in dozo oordon den Christelijken godsdienst.
Hij verzocht do Schotscho kerk, aan wie hij de konnis van hot Evangelie
had te danken, om eonen leeraar voor zijn volk. Deze zond hom oenen
Iorschon monnik, die echter te weinig de kunst verstond, om zich te
voegen naar de zwakheden en behoeften des volks. Zijno strenge levens-
wijze stuitte af op do ruwheid dor heidenen. Hij keerde eindelijk moedeloos
naar zijn vaderland terug, waar hij in eene vergadering van de hoofden
dor geestelijkheid verklaarde, dat dit volk voor beschaving onvatbaar was.
Een der aanwezigen, de monnik Aidan, wilde deze aanklacht niet ge-
loovcn. Hij verlangde zelf als zendeling naar Northumberland te gaan,
om zich van hare ongegrondheid te vergewissen. Aan zijn verlangen werd
voldaan en weldra vertrok hij, als bisschop gewijd, naar deze streken.
Het bleek spoedig, dat men in hem eene betere keus had gedaan. Hij
maakte zich do Engelsche taal machtig, en plantte met onbezweken moed
do banier des kruises. Als vrucht op zijnen arbeid, verrees in do hoofd-
stad Eboracum (York) een nieuw aartsbisdom; waarmede een zekeren
Wilfried werd begiftigd.
Deze Wilfried viel later bij den koning in ongenade, zoodat deze hem
van zijn ambt ontzette. Hij begaf zich nu naar het zuidelijk gelegen koninkrijk
Sussex, waar hij een nieuw arbeidsveld vond. Hij won de achting van het
door hongersnood geteisterde volk, door hun het visschen te leoren. En
toen eindelijk op dcnzelfden dag, dat hij er velen kon doopen, de lang
vertoefde regen kwam, had het volk een geopend oor voor zijno prediking.
Do vele scholen die hij oprichtte, on waarvan oud on jong gebruik maakte,
verbreidden het licht des Evangelies over hot gehcele land.
De overige nog heidensche Angelsaksische rijken ontvingen de kennis
van het Evangelie deels van hunne naburige broedervolken, on deels van
Fransche en Ierscho monniken. Nadat do geheele bevolking van de Britsche
eilanden het Christendom had omhelsd, ontbrandde er een ernstige strijd
tusschon de Britsch-Schotsche kerk, die onafhankelijk van Rome het Chris-
tondom had leoren kennen, en de Engelsche, die de eerste zaden des
Evangelies aan Rome had te danken. Het gelukte den aartsbisschop TI100-
dorus van Cantorbury aan dezen strijd een einde te maken. In 070
-ocr page 54-
46
wist hij godaan te krijgen, dat geheel do Engelsche kerk dn opporkerk-
voogdij van den paus erkende. Drie jaar later werd door de kerkverga-
dejjng te Horford oen besluit genomen, waarin het volgen van de ge-
bruiken der Schotscho kerk verboden werd. De pausen brachten het zelfs
zoover, dat zij ook de Schotsche kerk aan zich trokken. Do Britten
handhaafden nog het langst hun beginsel van vrijheid, doch moesten ook
eindelijk voor de macht van Rome bezwijken.
4. HET FRANKISCHE RIJK.
Wij koeren tot het Frankische rijk terug. Wij hebben reeds vroeger
gezien, Il dat koning Clodwich zich had laten doopen, wolk voorbeeld
velen zijner onderdanen volgden. Doch van bepaalde Evangelieprodiking
bloef het volk verstoken, totdat Iersche monniken zich over hen ontform-
den. Xog tijdens de regeering van Clodwich kwamen zulke monniken
deze streken bewerken. De meest bekende van hen is Fridolin. Met oenen
brief van vrijgeleidc, door den koning der Franken hem medegegeven,
doortrok hij de landstreken langs den Rijn, totdat hij kwam aan een
eilandje boven Bazel, waar hij zich nederzette. De koning schonk hom
dit eiland om er een klooster op te bouwen, dat den naam van Seckingen
ontving. Bourgondische monniken voegden zich bij hom, en aan de dui-
zenden hoorders, die van heinde en ver toestroomden werdt het Evangelie
gepredikt. Zij roeiden de bosschen uit en beplanten den grond. Zoo
werden velden en harten tot vruchtdragen geschikt. Fridolin zelf trok
verder zuidwaarts tot het Linthdal, waar hij aan den voet dor Alpen
eeno tweede kerk bouwde. En zoo groot werd het getal Christenen, dat
zich daar een vlek vormde, Glarus geheeten, waaraan het gohoele dal
later zijn naam ontleende.
Een andere Iersche zendeling, die hier kwam werken, is de abt Colum-
banus. Hij is in 560 in de Iersche provincie Loister geboren, en werd
reeds op nog jeugdigen leeftijd toevertrouwd aan hot klooster Bankor 2),
waar hij ecne strenge opvoeding en degelijke opleiding ontving. Toon hij
den leeftijd van dertig jaar had bereikt, trok hij met twaalf monniken
1)  Zie bladz. 84.
2)  Zie bladz. 41.
-ocr page 55-
47
naar Frankrijk, waar hij zich in liet Vogesen-gebergto nederzette. Hetoudoslot
Anagrates (Anogrevl, werd hunne eerste woning. Hier roeiden zij debos-
schen uit en ontgonnen het land; zij leefden van de vischvangst en van het
weinige, dat de ondankbare bodem hun schonk. In den beginne haddon
zij soms dagen lang niets te eten dan boomschors en wilde kruiden. Door
deze strenge levenswijze, die zoo gunstig afstak bij den ongeregolden
wandel der Fransche geestelijkheid, werden vele nog heidensche Franken
tot het geloof\' gebracht, üit alle oorden kwamen zich vrome monniken
bij hen voegen. En hun getal klom weldra zoo hoog, dat Columbanus
hen over drie kloosters moest verdeden. De strenge kloosterregels, die hij
hen gat\', waren wel geschikt om hen lichamelijk te harden, en hen geeste-
lijk te vormen tot levende getuigen van Christus. Hij schreef hun o.a.
voor: «Vermoeid ga een ieder naar zijne legerstede; hij slape onder het
gaan, en eer hij nog uitgeslapen is, sta hij reeds weder op." En zelf
betrachtte hij op stipte wijze, wat hij min anderen voorschreef. Men zag
hem soms naar het dichtste woud gaan, met eenen rol van de Heilige
Schrift op de schouders, om daar Gods Woord te onderzoeken, en zich
voor te bereiden tot viering van hooge feestdagen. Naarmate zijn invloed
door deze gestrengheid toenam, klom ook de tegenstand der pausen. En
toen hij de koningin Brunhilde bestrafte om haar onzedelijk leven, ontstak
deze zoo in woede, dat hij in CIO als balling het Frankische rijk moest
ontvluchten. Zijn twintigjarigen arbeid was echter niet vergeefs geweest.
De vele monniken en helpers, die hier achter bleven, werkten in zijnen
geest voort. Columbanus zwierf nu van plaats tot plaats en predikte het
Evangelie aan allen, die hij op zijne zwerftochten ontmoette. Eindelijk
kwam hij met de zijnen in de omstreken van do Bodenzee, waar zich
op het slot Arbon de kluizenaar Willimar ophield. Deze ontving hen met
blijdschap en verzorgde hen zeven dagen lang. Vervolgens trokken zij
naar de nabijgelegen oude bouwvallen van het Komoinsche kasteel Pro-
gcutia (Bregenz); waar zij zich nederzetteden. Evenals vroeger inhetVogesen-
gebergte, beplantten zij ook hier den grond en leefden van de vischvangst.
Hier hadden reeds vroeger Christenen gewoond; doch deze waren door den
koning Attila en zijne woeste Hunnen verdreven 1). Columbanus sloot
zich bij de nog overgebleven sporen van het Christendom aan, en her-
stelde de vervallen kerkgebouwen. Na eenen arbeid van drie jaren, nood-
1) Zie l.lailz. as.
-ocr page 56-
48
zaakten zijne vijanden hem ook deze plaats te verlaten. O]) Gallus, die
hier achter bleef, en tot grooten zegen werd, komen wij straks terug.
Wij volgen Columbanus. Hij en Siegbort trokken den Itijn verder op, en
kwamen tot bij den St.-Gothard. Siegbort zette zich daar neder, verzamelde
eene gemeente om zich heen, en stichtte het klooster Disentis. De mon-
niken van dit klooster verkondigden hot Evangelie in de dalen en borg-
stroken van Grauwbunderland. Columbanus trok over de bergen naar Italië,
waar hij bij Pavia het klooster Boblio stichtte, en aan de aldaar wonende
Longobarden de boodschap des hoils bracht. Hier eindigde zijn werkzaam
en rijk gezegend leven. De jongelingen, die hij ook hier tot zendelingen
had gevormd, zetten zijnen arbeid voort.
Columbanus moest zijnen vriend Gallus aan de Bodonzco ziek achter-
laten. Toen zijne ongesteldheid toenam, voor hij naar de overzijde van
dat moor, en nam zijne toevlucht tot den kluizenaar Willimar, bij wien
hij reeds vroeger met Columbanus (zie boven), zeven dagen had getoefd.
Toen hij hersteld was, wilde hij, begeleid door den diaken Hiltibad, liet
groote woud in, dat aan het meer grensde, om zich daar eene kluis te
bouwen. Tevergeefs wees Hiltibad hem op de wolven en beren, waarvan
het bosch wemelde. Gallus antwoordde daarop: »Wio kan tegen ons zijn,
als God voor ons is? De God, die Daniël uit den leeuwenkuil heeft gered,
kan ook mij uit de klauwen van hot roofgedierte bevrijden." Zij trokken
nu samen het woud in. Onderweg vroeg Hiltibad telkens, wanneer hij
zijne wandeling staken en met don bouw van zijne hut beginnen zou.
Maar Gallus wou van geen rusten weten. Een gegeven teeken moest hem
eerst de plok aanwijzen, waar hij zijne kluis moest oprichten. Tegen
Zons-ondergang kwamen zij aan eene plaats, waar het nederstortende
water van de rivier Steinacli eene rots had uitgehold. Nadat zij eenige
visschen hadden gevangen, en Hiltibad vuur uit eenon kiezelsteen had
geslagen, bereidden zij zich oenen maaltijd. Toon Gallus wilde nederknielen,
om over dozo gaven Gods zogen te vragen, struikelde hij. IJlings schoot
Hiltibad toe, om hem weer op to richten; maar Gallus riep: »Laat af!
hier zal voor altoos mijno rustplaats zijn; hier wil ik blijven!"
Hij stortte zijne gebeden uit voor den Hoere, en maakte vervolgens
van eenige takken een kruis, waaraan hij eene doos met reliquién hing.
Weldra voreonigde hij een tal van monniken om zich heen, die hem den
grond hielpen ontginnen en de bosschen uitroeien; terwijl hij zelf met
onverdroten ijver het Evangelie predikte. En zoo werden veld en harten
-ocr page 57-
49
tot vruchtdragon geschikt. Door zijn toedoen verrees een klooster op de
plaats, waar thans nog de stad Sint-Gallen, naar hem genoemd, hare
torens verheft. Dit klooster werd de kweekplaats van voortreffelijke mon-
niken en zendelingen, die aan de afgodische Zwitschers en Zwahen do
boodschap des hoils brachten. Toen Gallus den leeftijd van 95 jaar had
bereikt, ontving hij de uitnoodiging van zijnen ouden vriend Willimar,
om hem nog eens op het slot Arbon te bezoeken. Hij voldeed aan dit
verzoek, en predikte zelfs des Zondags voor eenc talrijke schare. Maar
dat was ook zijn laatste werk. Gedurende do prediking overviel hem de
koorts, en hij werd zoo ernstig ziek, dat hij onmogelijk tot de zijnen
terug kon koeren. Hij stierf hier in het jaar G40; zijn lijk werd in
zijn bergdal bij zijno hut begraven.
De andore Iersche monniken, die in deze woeste streken kwamen werken,
en waarvan de meesten ons zelfs bij name niet bekend zijn; terwijl anderen
ons slechts onzekere en strijdige berichten hebben nagelaten, gaan wij
zonder bespreking voorbij; en richtten onze blikken naar het tegenwoor-
dige Beieren, het vroegere arbeidsveld van Soverinus 1). In het midden
der Go eeuw ontmoetten wij hier don zuilheilige, Wulflach (Wolf) ge-
heeten. Hij was oen geestelijke van Longobardische afkomst en een groot
vereerder van Martinus van Tours. Ter zijner gedachtenis bouwde hij in
de nabijheid van Trier de Martinus-kerk. Niettegenstaande hem in eenen
barren winter de nagels van de voeten vroren, en aan zijnen baard lange
ijskegels hingen, bleef hij op zijne opgerichte zuil. Een zijner vrienden
wist hem eindelijk te bewegen de zuil te verlaten, en zijnen intrek te
nemen in de Martinus-kerk. Door zijne welsprekendheid en strenge levens-
wijze maakte hij zooveel indruk, dat de bewoners van den omtrek hunne
afgodsbeelden, onder anderen ook een oud Dianabeeld, vernielden. Later
kwamen Iersche monniken en leerlingen van Columbanus dit arbeidsveld
bewerken. Beieren werd in het vervolg van tijd eenen vruchtbare bodom
van allerlei kettersche gevoelens. Dit drong de Frankische Synode, om
den abt Eustasius, den opvolger van Columbanus, derwaarts te zen-
den. In G13 ondernam hij, vergezeld van den monnik Agil, eene
visitatiereis door Beieren. Het is niet met zekerheid te zeggen in hoever
het hem gelukt is, de dwalenden terecht te brengen en de nog overge-
bleven heidenen tot het Christendom te bekeeren. Ongeveer eene halve eeuw
1) Zie blz. 35.
4
-ocr page 58-
50
later kwam do bisschop Emeran uit Aquitanië hier werken. Op weg naar
Hongarije, om aan de aldaar wonende Avaren het Evangelie te prediken,
ontmoette hij don hertog ïlieodo I. Deze oordeelde, dat zijne prediking
aldaar, tijdens de verwoestende oorlogen, geen gewenscht gevolg zou
hebben, en dat het derhalve beter was, als hij in %ijn gebied do banier des
kruises plantte. Emeran volgde deze raadgeving on ging met don hertog naar
Beieren, waar hij drie jaar voor de verbreiding van het Evangelie werk-
zaam was. Op eene reis naar Rome word hij op eene verraderlijke wijze
om het leven gebracht. Tegen het einde van diezelfde eeuw kwam Eudbert
of Ruprccht, bisschop van Worms op uitnoodiging van Thcodo II naar
Beieren. Op de puinhoopon van de oude stad Junavia verroes cono kerk
en een klooster, waaruit later het bisdom Salzburg is ontstaan. Hij zag
zijne pogingen zoo rijk bekroond, dat hij weldra twaalf medehelpers uit
zijn vaderland moest laten komen.
In het aangrenzende Thuringen werkte in de laatste helft der zevende
eeuw de Iorsche monnik Kilian. Hij vestigde zich te Wurzburg, waar hij
don hertog Gozbort doopte, en met hem velen zijner onderdanen. Gozbert
was, in strijd met de kerkelijke bepalingen, gehuwd met Geilame, do
weduwe van zijnen broeder. Kilian bracht hem hiervan het ongeoorloofde
onder de oogen, met dit gevolg, dat de hertog besloot tot ontbinding van
het huwelijk. Geilama was hierover zoo verwoed, dat zij, tijdens haar
echtgenoot in den krijg was, den zendeling Kilian liet vermoorden.
5. ONS VADERLAND.
Eer wij de zendingsgeschiedenis van de andere Duitsche en Frankische
volksstammen behandelen, moeten wij een kijkje nemen in ons vaderland,
dat toon bijna geheel den naam van Friesland droeg. Na de Romeinen 1)
zijn hier de eerste zaden des Evangelies gestrooid door de Franken.
Omstreeks het jaar 630 veroverde de Frankische koning Dagobert I de
stad Utrecht, waar hij de St. Tomaskapel liet bouwen. Deze kapel was
ongetwijfeld in de eerste plaats gesticht ten behoeve van de Frankische
krijgsknechten, die hier in bezetting bleven. Maar de geestelijken, die
1) Zio liliulz. 16.
-ocr page 59-
51
Dagobert hier aanstelde, zullen zijn verlangen, om ook onderde Friezen
de banier des kruises te planten, niet onvervuld hebben gelaten.
In G2G, dus bijna gelijktijdig niet het stichten van de Thomaskapel,
kwam hier de eerste ons bekende Fransche zendeling, Amandus geheeten.
Tot bisschop gewijd, zonder een bepaald kerkgehied te hebben, begaf hij
zich naar de Scheldestreken, waar hij zich in de nabijheid van (Jandavum
(Gent) nederzette. Hij wist van den koning Dagobert een bevelschrift
mede te krijgen, waarin onze voorvaderen gedwongen werden, zich door
Amandus te laten doopen. Doch met geweld was dit vrijheidliovend volk
niet te winnen, en hij bracht zichzelven daardoor dikwijls in gevaar van
zijn leven. Gewenschter gevolg hadden dan ook zijne werken van liefde
en barmhartigheid. Toen hij op zekeren dag te Doornik oenen reeds ge-
hangen dief, wiens vrijstelling hij te vergeefs beproefd had, van de galg
losmaakte, en hem vervolgens door zijne verpleging het leven hergaf,
vereerden velen hem als ee^ien wonderdoener, en lieten zich door hem
doopen. Zij vernielden nu zelfs hunne afgodstempels; waarvoor christelijke
bedehuizen verrezen. Hoe jammer, dat hij van deze gunstige omstandig-
hedon geen beter gebruik maakte. Uit zucht naar de martelaarskroon
begaf hij zich naar de Slaven in do nabijheid van den Donau. Deze
bespottoden en mishandeldon hem wel; maar zijnen wensch om onder hen
als martelaar te sterven, bleef onvervuld. Teleurgesteld keerde hij naar
zijnen verlaten werkkring terug, en werd in G47 of G48 met het bisdom
van Maastricht (Trajectum) begiftigd. Tot aan zijnen dood in 670 bleef
hij deze betrekking bekleeden, on werd toen door een\' zekeren Lambertus
opgevolgd. Het is waarschijnlijk ook aan don invloed van Amandus te
danken, dat Geertruida, do dochter van Pepijn van Landen, eene kerk
liet bouwen in het naar haar genoemde Geertruidenberg.
Mot gelukkiger gevolg werkte do zendeling Fligius in deze gewesten.
Hij is in 588 te Chatelat bij Limoges, in Frankrijk geboren, en vestigde
zich in 010 als goudsmid te Parijs. Gunstig onderscheidde hij zich van
zijne vakgenooten door eerlijkheid en trouw. Hij maakte zijne kunst bij
voorkeur dienstbaar aan do belangen van den godsdienst. Op zijne werk-
tafel lag de Bijbel steeds geopend voor hem. Hij leefde hoogst eenvoudig,
en besteedde zijne rijke inkomsten tot godsdienstige doeleinden. Hij ver-
wierf zicli do achting zoowel van aanzienlijken als geringen, doordat hij
krijgsgevangenen on slaven vrijkocht, hun vervolgens godsdienstig onderwijs
gaf, of hen in een klooster bezorgde. Sedert G41 kon hij zich geheel
-ocr page 60-
52
aan de belangen van den godsdienst wijden. Hij werd tot bisschop van
liet uitgestrekte bisdom Noyon benoemd. Onvermoeid bekleedde hij achttien
jaren lang dezen post. Uit hetgeen zijn leerling, die zijn leven beschreven
heeft, van den inhoud zijner leerredenen mededeelt, zien wij, dat het
hem niet te doen was om eene lange lijst van godoopten; maar om zielen
voor den Heere te winnen. Hij stierf in 050 op eonen leeftijd van
een on zeventig jaar, en liet een aantal leerlingen na, die in zijnen
geest voortwerkten.
Wilfried, aartsbisschop van York, wilde, toen hij door den koning van
zijn ambt was ontzet 1), naar Rome reizen, en de hulp van den paus
inroepen. Een hevige storm uit het Westen deed hem echter op de kusten
van Friesland stranden, en hij werd genoodzaakt hier te overwinteren.
De koning van Friesland, Adgild, ontving hem met groote welwillend-
heid, en stond hem toe aan zijne onderdanen het Evangelie te prediken.
Wilfried maakte van deze vergunning gebruik, en kon er duizenden
doopen. De winter was echter niet voorbij of Wilfried vervolgde zijne
reis naar Rome. Na zijne terugkomst koos hij bet koninkrijk Sussex tot
zijn arbeidsveld, en liet do jeugdige christenen in Friesland herderloos.
En toen Radboud, een aartsvijand van het christendom, den koning Adgild
in G79 opvolgde, werd hier de Evangelieprediking zeer bemoeilijkt.
Iersche monniken trotseerden echter deze moeilijkheden. Eén hunner,
met name Egbert, beloofde gedurende eene gevaarlijke ziekte, dat hij,
indien hij herstelde, zijn leven in den vreemde in den dienst des Heeren
zou besteden. Zijn gebed werd verhoord. Doch terwijl hij zich in G8G
met eenige medezendelingen reisvaardig had gemaakt, verhinderde hem
eene schipbreuk de volvoering van zijn voornemen. Zijne tochtgenooten
stevenden echter naar de Friesche kusten. De meest bekende van dit
gezelschap was Wigbert. Deze werkte twee jaar lang onder de Friezen,
en werd door den koning Radboud verdreven.
Met meer zegen zag de Iersche zendeling Willebrord zijnen ijver
bekroond. Hij is in G58 in Engeland geboren, en ontving zijne opleiding
in Iersche kloosters. Hij kwam hier met elf metgezellen in 692, na
vooraf eene reis naar Rome te hebben gedaan, waar hij de goedkeuring
van den paus ontving, die hem eenige reliquiën voor de te stichten
kerken medegaf. Nadat de Major domus Pepyn de macht der Friezen
1) Zie hladz. 45.
-ocr page 61-
53
gefnuikt had, gaf hij aan Willebrord en do zijnen den ouden Wiltaburg
ter woning. Deze burg, die zijnen naam aan de oude Wilten had te
danken, en door de lïomeinen Trajectum genoemd werd, is in de ge-
schiedenis ook bekend bij den naam Wilta-Trajectum, waaruit naar het
schijnt de benaming Utrecht is ontstaan. Nadat Willebrord hier vier jaar
had gewerkt, reisde hij andermaal naar Eome, en keerde met de aarts-
bisschoppelijke waardigheid terug. Nu verrees op de puinhoopen van de
St.-Tomaskapel, die do koning Radbout had verwoest, eeno kathedraal-
kerk met een aanzienlijk klooster en eeno school, waar Friesche jonge-
lingen eene wetenschappelijke opleiding kondon ontvangen. In zulk een
mate breidde zich zijn werk uit, dat hij zelfs eene poging deed, om het
christendom in Denemarken te vestigen. Hij wist hier dertig jongelingen
tot den doop te bewegen. Op het eiland Helgoland zou de plechtigheid
plaats vinden. Doch toen hij zich daartoe bediende van eene bron, die
aan den afgod Fositte gewijd was, en zijne tochtgenooten een dier
slachtten dat voor heilig werd gehouden, ontstaken de Denen zoo in
woede, dat Willebrord met de zijnen de vlucht moest nemen. Een hunner
schoot zelfs hot leven er bij in.
Als een bewijs van de stoutmoedigheid, waarmede Willebrord do vor-
eering der afgoden bestreed, diene het voorval op het eiland Walcheren.
Toen hij op zekeren dag op het gencemde eiland kwam, waren do heidenen
juist bezig godsdienstige eer te bewijzen aan het Merkuriusbeeld, dat
hier Wodansbeeld heette. Hij verbrak het beeld on bestrafte het volk
over hunne afgoderij. De heidenen vielen verwoed op hem aan. Een bracht
hem zelfs eene wonde toe. Doch Willebrord deinsden geen oogenblik voor
hunne bedreigingen terug; maar plantte ook hier met onbezweken moed
de banier des kruises.
Willebrord eindigde zijn werkzaam en rijk gezegend leven in 739 op
oenen leeftijd van een en tachtig jaar. Zijne vele leerlingen werkten in
zijnen geest voort. Toen Willebrord met de zijnen op zekere plaats in de
omstreken van Heilo landde en bijna van dorst versmachtte, liet hij
eene put graven, die tegenwoordig nog bestaat, en waarop N. Beets het
volgende gedicht heeft gemaakt:
„Hoe lieflijk ligt het kleine Hoiloo
„Yan \'t hooge bosch beschut;
„Een kerk zoer oud staat daar gebouwd,
„Daar achter is oen put.
-ocr page 62-
54
„Die put (een scliat voor monsch on beest)
„Met heldre bron gevuld,
„Die is daar altijd niet geweest,
„Zooals gij hooren zult.
„Toen Willebrord de kruisloer bracht
„Van d\' overkant dor zee,
„Was \'t hier een zand in \'t heidenseh land,
„Eén droge, dorre stee.
„Do toeht was lang, do hitte bang
„De reisflosch uitgeput;
„Des Heiligs borst versmacht van dorst....
„En nergens huis of hut.
„Daar staat hij, leunende op zijn staf
„En ziet vergeefs in \'t rond....
„Daar knielt hij neer, en bidt zijn Hoor,
„Daar opent zich de grond.
„Daar vloeit een zilverklare bron
„Die allo nood verdrijft,
„Waar Willebrord zijn dank bij stort,
„Kn dio gezegend blijft
„Dat is de put van \'t kleine Heiloo,
„In Koninerland beroemd;
„Dio \'t wonder looft ontdokk\' zijn hoofd
„Kn strooi hom met gebloemt."
Gelijktijdig mot Willebrord werkte hier de Fransche zendeling Wolfram,
dio misschien wel door zijn invloed naar ons vaderland is gelokt. Hij
verliet zijn bisdom Sens, om aan de heidenscho Friezen het Evangelie te
prediken. Velen, zoowel aanzienlijken als geringen, kon hij hier doopen.
Hij slaagde er zelfs bijna in den koning Radboud tot den doop te be-
wegen. Terwijl hij reeds met den éénen voet in de doopkuip stond,
vroeg hij hem of zijne voorouders al of niet in den hemel waren. Wol-
fram antwoordde: «Dwaal niet o vorst! Uwe voorgangers, de vorsten dei-
Friezen, die zonder het sakrament des doops zijn gestorven, hebben
ongetwijfeld het vonnis der verdoemenis ondergaan. Nu trok Eadboud den
voet uit de doopkuip terug, en verklaarde, liever bij zijne voorvaderen
te willen zijn, dan met zoo\'n klein getal onaanzienlijken in den hemel.
Te vergeefs trachtte Wolfram hem tot andere gedachten te brengen. Door
deze teleurstelling werd hij zoo ontmoedigd, dat hij zijn zendingswerk
-ocr page 63-
55
staakte, en zich in het klooster van Fontanelle terugtrok, waar hij in
720 overleed.
De eerste ons bekende zendeling uit de Friezen is een zekere Wursing,
die den bijnaam van Ado droeg, en die wij in navolging van anderen
Wursing Ado zullen noemen. Hij was van aanzienlijke afkomst, en
had vele eigendommen. Hoewel hij nog heiden was, streed hij voorrecht
en billijkheid. Hierdoor haalde hij zich den haat van den goddeloozen
koning Radboud op den hals. Om dezen te ontvluchten, begaf hij zich
met zijn gezin naar Frankrijk, waar hij met de meeste gastvrijheid werd
ontvangen. Hier leerde hij het christendom kennen, en liet zich met de
zijnen doopen. Nadat de kou ing Radboud in 719 gestorven was, keerde
hij op aansporing van Karel Martel naar Friesland terug. Hij sloot zich
bij Willebrord aan, en plantte met ijver de banier des kruises in zijn
vaderland.
Van de elf tochtgenooten, waarmede Willebrord hier kwam, is ons
weinig bekend. Wij kennen de meesten niet eens bij name. Een hunner,
Suidbert geheeten, mogen wij echter niet zonder bespreking voorbijgaan. Hij
heeft onder de Batavieren gewerkt, en naar men wil eene kerk gesticht
te Wijk bij Duurstede, Rijswijk, Hagestein, Schoonewoerd, Arkol, Wou-
drichem, Malsem en Oud-Heusden. Misschien heeft ook Adelbert tot het
elftal behoord. Deze werd in 72G door Willebrord naar Kennemerland
gezonden, om daar aan de bewoners der zeekusten het Evangelie te
prediken. Naar men wil, heeft hij te Hallem bij eenen zekeren Eggo
zijn thuis gehad, naar wien die plaats den naam van Egmond zou hebben
ontvangen.
Al die mannen moeten in de schaduw tredon bij Bonifacius, den
Apostel der Duitschers. Wij laten hier eene korte levensbeschrijving van
hem volgen, waaraan wij maar dadelijk zijn werk verbinden.
Winfried, beter bij zijnen kloosternaam Bonifacius bekend, werd in
680 te Kyrton in Devonshire, uit een niet onaanzienlijk geslacht geboren.
Op nog jeugdigen leeftijd openbaarde zich bij hem reeds eenen innige
lust tot de Evangelieprediking. Nadat hij eindelijk toestemming van zijnen
vader had gekregen om monnik te worden, ontving hij in twee voorname
Engelsche kloosters zijne opleiding. Terwijl de koning Radboud en de
Major domus Karel Martel in 715 elkander te vuur en te zwaard ver-
volgden, kwam deze vredebode uit Engeland tot ons over. Te Wijk bij
Duurstede aangeland, begaf hij zich terstond naar Utrecht. Hier ont-
-ocr page 64-
50
moottc hij Radboud. Doch hij kon niets uitrichten, en moest, nadat hij
mot Willebrord kennis had gemaakt, naar Engeland terugkoeren.
In 718 begaf Bonifacius zich naar Eome, waar hij van den paus
Gregorius II machtiging ontving, om aan de nog heidensche volken in
Duitschland het Evangelie te prediken. Toegerust met een groot aantal
reliquiën en met brieven van aanbeveling, en door den pauselij ken zegen
vergezeld, vertrok hij naar Thuringen, waar hij zijne rijkgezegende loop-
baan begon. De groote moeilijkheden, waarmede hij hier had te kampen,
en de gunstige uitzichten, welke de dood van Eadboud in 719 voor de
zendingszaak in Friesland opende, bewogen hem om naar ons vaderland
terug te keeren. Drie jaren lang steunde hij nu zijnen ouden vriend
Willebrord in zijnen uitgebreiden werkkring. Hij werkte hoofdzakelijk in
de omstreken van Woerden, Weesp en Haarlem. Willebrord wilde hem
tot zijnen opvolger benoemen; doch Bonifacius, zijne roeping on opdracht
van den paus bewust, wees deze betrekking van de hand en keerde in
722 naar Thuringen terug. In het naburige Hessen doopte hij twee
vorsten des lands, Detdig en Dierolf en stichtte er een klooster.
Op uitnoodiging van den paus begaf Bonifacius zich in 723 andermaal
naar Rome. De paus wilde hem tot bisschop wijden over do nieuw op
te richten kerk, mits hij eonen eed van getrouwheid aan don Roomschen
stoel wilde zweren. De paus beoogde hiermede tweeërlei doel. Ten eersten
hoopte hij daardoor de Katholieke kerk te vestigen onder do nog heidensche
volken. En ten tweeden wou hij op die wijze trachten de gemeenten, die
overal in Duitschland door Iersche monniken waren gesticht, en evenals
hare stichters onafhankelijk van Rome wilden zijn, bij dit groote kork-
genootschap in te lijven. Nadat Bonifacius den eed van getrouwheid had
gezworen, wijdde de paus hem met groote plechtigheid tot bisschop. Door
dezen eed was de Duitsche kerk voor goed aan den Roomschen stool
verbonden.
Bonifacius begaf zich nu naar den Frankischen Major domus, om zich
van diens steun te verzekeren. Hij keerde vervolgens naar Thuringen
en Hessen terug en werkte daar met zulk een zegen, dat hij in 789
reeds honderdduizend heidenen had gedoopt. Hij verwoestte de afgods-
tempels en wierp de boelden omver. Hij verstoutte zich zelfs den eeuwen-
heugenden eik bij Geismar, het grootste heiligdom der afgodische Germanen,
op klaarlichten dag, ten aanschouwe van duizenden, onder het gewold
der bijlslagen te vellen, en uit het hout eene kerk te bouwen. Toen
-ocr page 65-
57
het volk te vergeefs op wraakneming hunner goden wachtte, gingen velen
tot het christendom over.
Bonifacius had echter niet alleen te strijden tegen het heidendom,
maar ook tegen vele Iersche monniken, die zich met zijne wijze van
werken niet konden vereenigen, en tegen de onzedelijke naamchristonen.
Zelfs werd Karel Martel hem vijandig gezind.
In 738 ondernam hij ten derden male de reis naar Kome, om paus
Gregorius III te raadplegen over de belangen dor Duitsche kerk. Toen
hij het volgende jaar terugkeerde, stichtte hij op diens \'gezag vier bis-
dommen: één te Salzburg, één te Kegensburg, één te Friesingen, en
één te Passau.
Gesteund door Pepijn, die hem beter gezind was, dan zijn voorganger
Karel Martel, wist hij twee belangrijke zaken tot stand te brengen,
namelijk de stichting van onderscheidene bisdommen, en de inrichting
van een synodaal verband. Op de synoden, waarvan hij er vijf in zijn
leven heeft saamgeroepen, werden de heidensche misbruiken strengolijk
verboden, de geestelijken aan vaste wetten gebonden, en de dwaalleeraars
onderzocht en geoordeeld. Van deze laatsten noemen wij slechts twee,
Adelbort en Clemens. Adelbert, die door zijne voorgegeven wonderen
grooten opgang had gemaakt, werd om allerlei dweeperijen door Bonifacius
tot levenslange gevangenstraf veroordeeld. Clemens daarentegen van alle
dweepzucht vrij, verzette zich tegen het kerkelijk theocratisch beginsel
der middeleeuwen. Bonifacius wou op hem hetzelfde vonnis toepassen;
doch eeno lichtere straf schijnt hem ten deel gevallen te zijn.
Behalve dat Bonifacius synoden in het leven riep, stichtte hij onder-
scheidono bisdommen, die in een aartsbisdom hun vereenigingspunt
vonden. De zetel van hot eerste Duitsche aartsbisdom werd in 745 te
Meintz gevestigd, waarmede Bonifacius, ofschoon tegen zijnen wil, daar
hij zich te vergeefs wegens ouderdom en zwakte verontschuldigde, word
begiftigd. Na bijna tien jaar deze waardigheid te hebben bekleed, wist
hij van den paus gedaan te krijgen, dat zijn leerling Lullus als zijn
opvolger werd aangesteld.
Bonifacius keerde nu naar Friesland, het eerste tooneel zijner werk-
zaamheden, terug, waar hij den marteldood stierf. Met een klein gevolg
van monniken voer hij in hot voorjaar van 755 den Bijn af en landde
aan do Zuidorzee. Hij trok vervolgens naar Friesland, en sloeg zijne
tenten op aan de oevers van do Burda, nabij Dokkum. De talrijke
-ocr page 66-
58
menigte, die zich liet doopon, zou volgens afspraak don vijfdon Juni
terugkomen, om hot vormsel to ontvangen. Do bestemde dag brak aan-
Reeds vroeg in den morgen hoorde hij eene schare naderen. Bonifacius
trad haar verheugd te gomoet. denkende, dat hot de nieuwbekeerden waren.
Maar hoe smartelijk zag hij zich in zijno verwachting bedrogen, toen
hij bemerkte, dat liet eone gewapende bende inboorlingen was, die wraak
kwamen nomen op de verwoestors hunner heiligdommen. De geestelijken wil-
den Bonifacius mot do wapenen beschermen; maar hij hield hen hiervan terug-
Met zijne reliquiën in de eene, on hot Evangelie in do andere hand, wachtte
hij rustig zijne vijanden af. Weldra vielen deze verwoed op hem aan, en
hij stierf den marteldood met niet minder dan twee en vijftig metgezellen.
Alzoo stierf deze geloofsheld op eenen leeftijd van vijf en zeventig jaar.
Zijn lijk werd voorloopig naar Utrecht gevoerd, vervolgens naar Meintz
overgebracht, en eindelijk in het klooster Fulda begraven. Hij liet een
groot aantal leerlingen achter, die zijn werk voortzetteden. Onder deze
bekleedt de Utrechtsche abt Gregorius eene eerste plaats. Bonifacius leerde
hem in 722 kennen, bij zijne grootmoeder Adulla, abdis van eon klooster
nabij Trier. Als knaap van veertien jaar, moest hij een gedeelte uit do
Heilige Schrift voorlezen, en hij kweet zich zoo goed van zijne taak, dat
Bonifacius er zijno goedkeuring over te kennen gaf. Bonifacius verlangde
daarop van hem, dat hij het gelezene ook in het Duitsch zou vertillen;
doch daartoe achtte Gregorius zich niet bekwaam. Hij deed het nu zelf
en hield daarbij eene toespraak, die zoo\'n indruk op hem maakte, dat hij
hem op al zijne tochten wilde vergezellen, om van zijn onderricht uit de
Heilige Schrift te kunnen proflteeren. Hij was ook bij hem in Friesland
en is alzoo ooggetuige geweest van zijn marteldood. Na den dood van
zijnen leermeester nam hij do zorg van de Friesche zending op zich.
Hij werd abt van het klooster te Utrecht, waar hij jongelingen uit
verschillende natiën tot zendelingen opleidde. Ongeveer twintig jaar lang
stond hij aan het hoofd van de kerk in ons Vaderland, en stierf in 781
op een gezegenden leeftijd van ruim negentig jaar.
Gregorius had twee van zijne helpers, Lebuinas en Marcellinus naar
de provincie Ovcrijsel gezonden. Lebuinus werd do stichter van de kerk
to Deventer, die de heidenen echter spoedig tot eene prooi der vlammen
maakten. Lebuinus was nauwelijks het gevaar ontkomen, of hij verstoutte
zich het christendom onder de hoofden der Overijselsche Saksen te bepleiten.
Hij begaf zich daartoe naar Markelo, waar zij op eenen landdag bijeen
-ocr page 67-
59
waren. Bij zijne aankomst waren zij juist bezig den afgoden te offeren.
Hij baande zich eenen weg naar het midden der vergadering, wees hen
0]) de nietigheid hunner goden, en predikte hun den eenigen waren God.
Wel ontstaken de Overijselsche hoofden in woede; doch één van do
aanwezige raadsleden wist hem van don dood te bevrijden. Van Marcellinus
weten wij alleen, dat hij in vcroeniging met Lebuinus de kerken te
Hoomse aan do Vecht, te Oldenzaal en te Ootmarsum heeft gesticht.
Gregorius zond Willehad, die oven als Lebuinus uit Engeland geboortig
was, naar Dokkum, de stad, die, zooals een oud geschiedschrijver zegt:
»nog warm was van der martelaren bloed." Hij werkte aldaar, even als
later in Drente, met grooten zegen. Karel de Groote heeft hem later naar
de omstreken van Breinen geroepen, om de daar wonende heidensche Saksen
te bekeeren. In 787 werd te Bremen een bisdom gesticht, waarmede
Willehad werd begiftigd. In 789 rukte de dood hem uit dezen rijk
gezegenden arbeid weg.
Een ander leerling en helper van Gregorius is Ludgur, een kleinzoon
van Wursing Ado 1). Hij is in 744 nabij Dokkum geboren en werd op
nog jeugdigen leeftijd toevertrouwd aan den abt Gregorius. Na zeven
jaar in de oudo akademiestad te hebben doorgebracht, ging hij naar York,
om zijne studio aan de voeten van Alcuinus te voltooien. Hij keerde
omstreeks 773 naar ons land terug en koos de omstreken van Dokkum
als tooneel zijner werkzaamheden. In 782 werd hij door de Saksen, onder
aanvoering van Wittekind, uit dezen gezegenden werkkring verdreven.
Hij deed nu eene reis naar Eome, om zich daar op de hoogte van het
kloosterleven te stellen. Toen na twee jaren de rust hersteld was, en
Wittekind zich in 785 had laten doopen, keerde Ludgur naar Friesland
en Groningen terug. Op het eiland Helgoland fnuikte hij de macht van
het heidendom, en vestigde er de Christelijke kerk. Hij doopte onder
andoren ook Landrik, een Fries van aanzienlijke afkomst, die later op
menige wijze het Christendom in Friesland heeft bevorderd. Ludgur
stichtte te Wenden, op. de grenzen van Friesland en Saksen een klooster.
Karel de Groote wees hem later een arbeidsveld onder de Saksen tuin.
Te Munster verrees een bisdom, waarover hij werd aangesteld. Tot aan
zijnen dood in 809 wist hij zijn kerkgebred te vergrootcn, zelfs in Denc-
marken werd zijn invloed gevoeld.
1) Ziü lihulz. 55.
-ocr page 68-
00
6. DE SAKSEN EN AVAREN.
Al deze mannen werkten hoofdzakelijk in ons vaderland. Bonifacius
liet echter ook oen groot aantal leerlingen in Duitschland achter. De
meesten hunner zijn ons zelfs niet bij name bekend, terwijl we van
anderen niets dan onzekere berichten hebben. De abt Sturm dient echter
genoemd te worden. Hij is uit Beieren afkomstig. Bonifacius leerde
hem op zijne visitatiereis door Beieren kennen. Zijne ouders vertrouwden
den jongeling aan zijne zorg toe. In het klooster Fritzlor liet Bonifacius
hem een wetenschappelijke opleiding geven. Vervolgens werd hij tot
priester gewijd en als helper van Bonifacius aangesteld. Drie jaar later
besloot hij in de wildernis een klooster te bouwen, om de roofzuchtige
Saksen te bekeeren. Na lang rondgezworven te hebben, vond hij einde-
lijk ecno verblijfplaats, waar hij in 744 met goedvinden van Bonifacius,
het klooster Fulda bouwde. Dit klooster werd do lievelingsplek van
Bonifacius, waar hij dan ook naar zijnen uitersten wil is begraven 1).
Toen do Saksen in 778 op nieuw in opstand kwamen, moest Sturm mot
zijne monniken naar elders vluchten. Doch na hunne onderwerping werd
dit klooster tot rijken zogen voor do Saksen. Volo voortreffelijke mannen
hebbon hier hunne vorming genoten. Sturm stond hier aan het hoofd
van niet minder dan vier duizend monniken.
In dezen tijd trad er een man op het tooneel der wereldgeschiedenis,
die ook voor de komst en bevestiging van het Godsrijk van grooto bc-
toekenis is geweest. Wij bedoelen Karel den Groote. Het is hier de
plaats niet om eene levensbeschrijving van hem te geven. Wij willen
alleen kortelij k nagaan wat hij op het gebied der zending heeft gedaan.
Zijnen ijver voor de Kvangelieprediking in de landstaal; de verzameling
van werken, die hij Paul Warnefried liet opstellen, en waaraan hij zelf
eene voorrode toevoegde, en ze vervolgens in het licht gaf; zijne verdienste
voor het lager onderwijs; zoo\'n machtig middel ter verbreiding van hot
Evangelie; en zijne onvermoeide zorg voor het hooger onderwijs tot op-
leiding van Evangeliedienaars — dit alles kunnen wij slechts in het
voorbijgaan noemen, willen wij op het gebied der uitwendige zending
blijven. Langer moeten wij stilstaan bij zijne pogingen om de Saksen,
1) Zio blz. 58.
-ocr page 69-
(il
do hardnekkigste tegenstanders van het Christendom in dien tijd te bokoeren.
Hun gebied strekte zich over geheel Noord-Duitschland tot aan de Noord- en
Oostzee uit. Monschenoffers waren bij hen nog in gebruik, roof en moord
aan de orde van den dag. Karel de Groote maakte aan hunne stroop-
tochten een einde en vestigde onder hen het Christendom. In 772 trok
hij niet een groot leger derwaarts, overwon de Saksen, verwoestte hun
voornaamste afgodsbeeld, de Irmenzuil, en liet een groot aantal monniken
en zendelingen achter, dio hot volk moesten onderwijzen en doopen. Wij
behoeven den lozer slechts te herinneren aan Willehad, die te Bronien
eenen rijk gezegenden arbeid verkreeg, aan Ludgur, die te Munster
een bisdom stichtte 1), en aan Sturm, waaraan de Saksen het belangrijke
klooster Fulda hebben te danken , om hem te doen zien , welke voor-
treffelijke mannen hier gewerkt hebben. Bij herhaling trachtten de Saksen,
onder aanvoering van Wittekind, hunne vroegere vrijheid to herkrijgen;
doch Karel de Groote onderwierp hen telkens weer, totdat hij hunne
macht eindelijk voor goed fnuikte. Wittekind liet zich in 785 met zijne
gemalin doopen, welk voorbeeld duizenden zijner onderdanen volgden. Eene
geregelde Fvnngolieprodiking kon nu eerst plaats grijpen. Tijdens den
oorlog nam Karel do Groote vele Saksische jongelingen als gevangenen ot
gijzelaars mede, en bezorgde hen in het klooster Corbiö in het noorden
van Frankrijk, waar zij tot monniken werden gevormd. Door dezen wilde
de vorst het monnikenwezen naar het heidensche Saksen overbrengen. Zijn
zoon en opvolger Lodewijk do Vrome heeft dit plan ten uitvoer gebracht.
In 815 stichtte hij in Westfalen een klooster, waarheen hij Saksische en
Frankische monniken transporteerde. Zij ontgonnen hier den grond en
roeiden de bosschen uit. De bodem was echter zoo onvruchtbaar, dat het
moederklooster Corbië hen geregeld van levensmiddelen en kleederen moest
voorzien. De abt Adelhart wist bij den keizer gedaan te krijgen, dat het
klooster naar do oevers van de Wezer werd verplaatst, waar het den
naam van Nieuw-Corbië ontving. De voortreffelijke Anschar kwam aan
het hoofd van dit klooster to staan.
Behalve de Saksen heeft Karel de Groote ook de Avaren of Hunnen
met geweld tot het Christendom gebracht. Zij zijn uit Noordelijk Azië
van Tartaansche afkomst. In het midden der vijfde eeuw zetteden zij
zich in de nabijheid van de Kaspische zee neder, verhuurden zich later
1) Zie lihulz. 5».
-ocr page 70-
G2
als krijgstroepen in dienst van den Griokschen keizer Justinianus I, en
verwierven zich eindelijk een nieuw grondgebied tusschen do Drau en do
San, in hot tegenwoordige Hongarije. Zij waren de gevreesde volksstam van
Midden-Europa evenals de Saksen het van Noord-Europa waren. Op hunne
roof- en plundertochton verwoestten zij alles. Geen volk was in hunne
nabijheid veilig. Karel de Groote besloot dit verdiorlijkte volk door oenen
verdelgingskrijg uit te roeien. In 791 trok hij met een machtig leger
herwaarts, bracht duizenden om het loven, on keerde met oenon rijken
buit terug. Zijn zoon Pepijn zette den oorlog voort. In 79G was hun
land voor het grootste gedeelte ontvolkt. Duitscho kolonisten zottedon
zich hier neder, on beplantten don grond. De Avaarsche vorst ïudun
liet zich in datzelfde jaar nog doopon, en met hem vele onderdanen. Do
keizer staakte nu den verdelgingskrijg en liet hier zendelingen werken.
Aan Arno, aartsbisschop van Salszburg werd de zorg dezer zending op-
gedragen. Zij werd nu ijverig betracht, deels door de kolonisten, dio
zich hier hadden gevestigd en deols door de geestelijken, die Arno uit
Frankrijk liet komen, of zelf j-ormde.
7. DE DENEN EN NOORMANNEN.
De beruchte NoormanneD kwamen in dezen tijd ook tot de kennis van
het Christendom. De Denen en de Noormannen, ofschoon twee verschillende
volken, voegen wij bij onze behandeling bij elkaar, omdat de arbeid der
zending onder de Scandinavische volken zich wikkelt om dezelfde personen
en toestanden, en plaats grijpt in oen on denzelfden tijd.
Wij lecren deze volkon in do 8stG en 9de eeuw na Christus op hunne
zwerf- on rooftochten kennen. Mot hunne lichte vaartuigen staken zij de
zee naar Engeland over, zeilden do rivieren op naar alle richtingen van
Europa, en vertoonden zich zelfs in het hartje van Frankrijk. Door het
verkeer met deze volken, dio voor het meercndeel het Christendom hadden
omhelsd, verspreidde hot Evangolio zich naar dozo gowoston. Vooral
Wijk bij Duurstede; het toenmalige brandpunt van handel on nijverheid,
tusschen de Christenvolken en de Noordsche rijken; kreeg in dozen tijd
voor de komst van hot Godsrijk groote beteekenis. Te Wijk bij Duurstede
kwamen af en toe heidensche Noormannen, om zich te laten doopen. De
-ocr page 71-
63
rijko geschonken, die zij bij die gelegenheid ontvingen, verleidden sommigen
andermaal de toediening van het heilige sacrament te begeeren. Ook zullen
de Christenen, die de Noormannen op hunne strooptochten gevangen namen
en mcdosleopten, gepredikt hebben van het heil in Christus aan de wereld
geschonken. Zoo leerden de Scandinavische volken het Christendom van
nabij kennen, eer er bepaalde pogingen van Evaugelieprcdiking werden
•aangewend.
Met dit laatste begon Karel de Groote. Hij stichtte te Hamburg eene
kerk, waarover hij Heridak als priester aanstelde. Zijn plan, om hier een
aartsbisdom te vestigen, kon zijn zoon en opvolger Lodewijk de Vrome
eerst ten uitvoer brengen. De hulp van deze werd namenlijk ingeroepen
door Harald Klag, koning van Jutland, die door zijne vijanden uit zijn
gebied verdreven was. Keizer Lodewijk herstelde hem op den troon. Harald
liet zich nu doopen. De keizer gaf hem daarop eenen zekeren Anschar
mede, om het Evangelie in Jutland te prediken. Deze Anschar is de
apostel van het Noorden van Europa geworden. Eene korte levensbe-
sehrijving vinde dus hier hare plaats. .
Anschar is in 801 in het noorden van Frankrijk nabij Corbië geboren.
Zijne vrome ouders vertrouwden hem reeds op jeugdigen leeftijd toe aan
het klooster Corbië; waar hij onder toezicht van den geleerden abt Adelhart,
eenen neef van Karel den Groote, eene wetenschappelijke opleiding ontving.
Zijne begeerte, om als zendeling werkzaam te zijn, werd vooral levendig
door een paar droomen, die hij in zijne jeugd had. In zijnen eersten
droom zag hij oen groot licht, uit welks binnenste hij eene stem
hoorde, die tot hem zeide: »Ga heen en keer gekroond met de martelaars-
kroon terug." Twee jaar later droomde hij, dat Christus hem verscheen;,
en hem opriep oin zijne zonden te beiijden, opdat hij gerechtvaardigd
mocht worden. Toon hij daarop belijdenis van zonden deed, en vervolgens
vroeg: »Hoere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?" luidde hot antwoord: »Ga
en verkondig het Woord Gods aan do hoidenscho volken." Toen hij twintig
jaar oud was, stelde do abt Adelhart hem als rector aan over do kloosterschool.
Drie jaar later plaatste Lodewijk do Vrome hem aan het hoofd van het
pas gestichte klooster Nieuw-Corbië in Wostfalen 1). Hier begon hij zijn
zendingswerk onder de heidenscho Sakson. Keizer Lodewijk gaf hem zoo
als wij boven zagen aan den Deensche koning Harald Klag mede. In
1) Zie bladz. 61.
-ocr page 72-
64
82G vertrok hij vergezeld door den monnik Autbert, naar het barre en
wilde noorden. Te Sleeswijk zette hij zich neder. Twaalf vrijgekochte
slaven werden zijne eerste leerlingen. Twee jaar werkte Anschar hier
mot grooten zegen. Maar toen de koning Harald in 828 opnieuw door
zijne vijanden verdreven was, en hom zijn helper Autberd door den dood
was ontvallen, kon hij zich niet langer staande houden. Op uitnoodiging
van Lodewijk de Vrome keerde hij naar Frankrijk terug. Juist waren er
eenige gezanten van den Zweedschen koning bij den keizer, die hem om
Evangelieprodikers baden. Lodewijk gaf hun Anschar mede. Do monnik
Witmar vergezelde hem. Onderweg worden zij door zooroovers overvallen,
die hen schier van alles beroofden. Door de wildernissen heen baanden
zij zich eenen weg, totdat zij in de nabijheid van het Mölermeer eene
veilge wijkplaats vonden. Hier waren vele kooplieden en gevangenen uit
Holland en Duitschland, die in stilte den Christelijken godsdienst be-
trachtten, Anschar vereenigde hen om zich heen, en zoo ontstond de
eerste Christen-gemeente in het heidenschc Zweden. Het gelukte hem zelfs
den stadhouder Herigar te doopen, op wiens erfgoed nu een net kerkge-
bouw verrees. Na hier .anderhalf jaar gewerkt te hebben, zag hij zijnen
arbeid met zulk een rijken zegen bekroond, en waren de omstandigheden
zoo gunstig, dat Lodewijk de Vrome overging tot het stichten van een
aartsbisdom te Hamburg. Het plan van Karel do Groote 1) werd dus in
830 uitgevoerd. Anschar werd met dit aartsbisdom begiftigd. Hamburg
werd thans liet middelpunt zijner werkzaamheden. Hij vertrok van daar
uit door geheel het land, predikte het Evangelie en richtte scholen en
kerken op. De aartsbisschop Ebbo en diens neef G-auzbert kwamen hem
in zijnen uitgebreiden arbeid steunen. Anschar zag zijne pogingen met
rijken zegen bekroond. Die zegen was echter niet onvermengd. In 845
werd Hamburg door de beruchte Noormannen overvallen en uitgeplunderd.
De prachtige kerk en het daaraan verbonden klooster met de bibliotheek,
die de keizer hem geschonken had, werden eene prooi der vlammen.
Anschar redde door de vlucht nauwelijks zijn leven. Hij zwierf nu met
de zijnen rond, totdat hij bij eene adellijke vrouw in het Holsteinsche,
Ida geheeten, eene veilige schuilplaats vond. Van hieruit bezocht hij nu
zijn verwoest en ontvolkt kerkgebied. Om voor de invallen en Noor-
mannen beveiligd te zijn, werd in 849 de aartsbisschoppelijke zetel van
1) Zie bladz. 01.
-ocr page 73-
G5
Hamburg naar Bremon verplaatst. Van uit deze stad werkte hij met
nieuwen moed onder de Scandinavische volken.
Hij wist Erich, den koning der Jutten, gunstig voor het Christendom
te stemmen, en kreeg van hem do vergunning te Sleeswijk eene kerk te
bouwen. Hoor een levendig handelsverkeer tusschen Sleeswijk en Wijk
bij Duurstede waren hier vele Christenen, die zich tot nog toe schuil
hadden gehouden, maar zich nu openbaarden, en zoo onstond in deze hun-
delsstad eene bloeiende gemeente.
In 851 zond Anschar den priester Ardgar naar Zweden. Wij hebben
reeds vroeger gezien, dat Anschar hier den hertog Herigar doopte, en
op zijn erfgoed eene kerk bouwde. Do bisschop Gousbert zette zijn werk
voort. Doch deze moest tijdens een oproer in 845 de vlucht nemen. En
sedert dien tijd hadden Herigar en de zijnon geene geestelijken meer gezien.
Herigar had in dien tusschentijd eene overwinning behaald, welke hij dankte
aan den God der Christenen, on daardoor worden zijne onderdanen gunstig
ten opzichte van den nieuwen godsdienst gezind. Ardgar werd hier dan
ook met open armen ontvangen, en vond eene geopende deur voor de
Evangelieprediking. Jammer, dat hij, na den dood van don hertog Herigar
in 852, uit zucht tot het bespiegelende kluizenaarsleven, zich in de een-
zaamheid terug trok, en deze gemeente aan haar lot overliet. Anschar
nam nu zelf do zorg der verlaten gemeente op zich. Begeleid door den
priester Erimbert, ging hij er in 853 heen. De koning Erich gaf hem
eenen gezant mede, die hem bij den Zweedschen koning Olof moest aan-
bevelen. Olof vergunde hem het Evangelie te prediken en schonk hem
eene plek gronds, om er eene kerk te bouwen. Anschar liet den priester
Erimbert in Zweden achter en trok zelf naar Denemarken terug. Hij
werkte hier nu nog ruim tien jaar, en stierf in 865. Hij leidde het
liefst een stil en bespiegelend leven. Hij had eene cel als bidvertrek
ingericht, waar hij soms uren lang toefde. Van heinde en ver werden
zieken tot hem gebracht, die op zijn gebed genazen. Als men hem deze
uitkomsten mededeelde, dan was altijd zijn nederig antwoord: »E6n won-
der zou ik van don Heere begeeren, indien ik zulks in Zijn oog waardig
ware, dat Hij door Zijne genade oen goed mensch van mij maakte."
Zoo stierf Anschar in het vier en zestigste jaar zijn levens. Maar
schoon zijn lichaam van de aarde verdwenen was, zijn geest werkte nog
jaren lang vruchtbaar in zijne leerlingen. Onder hen muntte vooral
Rimbert uit, die een waardig opvolger van Anschar werd. Evenals zijn
•"ï
-ocr page 74-
GG
moester deed hij onderscheidene zendingsreizen door Denemarken on Zweden
en kocht krijgsgevangenen los, wien hij vervolgens het Evangelie predikte.
Onder afwisseling van voor- en tegenspoed breidde het Christendom zich
hier verder uit.
In Denemarken wist een zekere Gorm zich in het begin der tiende eeuw
tot koning op te werpen. Hij vervolgde op vreeselijko wijze de Christenen,
totdat de Duitsche Keizer Hendrik I hem in 934 noodzaakte aan zijne
onderdanen vrijheid van godsdienst te verschaffen. Zijn zoon en opvol-
ger Harald, bijgenaamd Blaatand, begunstigde gedurende zijne vijftigjarige
regeering openlijk het Christendom. Van de vele zendelingen, die in
dozen tijd hier gewerkt hebben, zijn de priester Poppo uit Friesland
afkomstig, en de aartsbisschop Adaldag van Hamburg ons het best bekend.
Sweno, zoon en opvolger van Harald, was het Christendom zeer vijandig
gezind, en trachtte den ouden godsdienst te herstellen. Zijn zoon Kanut
de Groote maakte eindelijk in het begin der elfde eeuw een einde aan
do langdurige worsteling tusschen Christendom en heidendom. Sedert
dien tijd kan men de Christelijke kerk in Denemarken als gevestigd be-
schouwen.
In Zweden heeft het na Anschar ook niet aan pogingen van zendings-
arbeid ontbroken. Doch lang duurde het eer het Christendom zich hier
voor goed gevestigd had. Dit moet men meer wijten aan de bekrompen
denkbeelden dor zendelingen, die daar werkten, dan aan de ongodsdiens-
tigheid van het Zweedsche volk. Een geschiedschrijver uit dien tijd
zegt daarvan: »De predikers der waarheid worden met groote liefde door
de Zweden ontvangen, indien zij kuisch zijn, met wijsheid te werk gaan en
zich voor hunne taak berekend tooneh. De bisschoppen worden zelfs bij hunne
volksvergaderingen toegelaten en met belangstelling wordt hunne prediking
over Christus en het Christendom aangehoord. Het zou daarom niet mooielijk
vallen, de Zweden tot ons geloof te bekeeren, werd hun maar geene ergernis
gegeven door slechte leeraars, die veel meer zich zelven, dan Christus
zoeken." De koningen van Zweden waren evenals die van Denemarken,
verschillend jegens het Christendom gezind. Niet zelden wierp de opvolger
omver, wat zijn voorganger had opgebouwd, totdat eindelijk vorst en volk
don cenigen waren God beleden.
In dezen tijd kwam het Christendom ook in het aangrenzende Noor-
wegen,
de eigenlijke woonplaats der beruchte Noormannen. Wij herhalen
niet, wat we reeds vroeger gezegd hebben van hunne rooftochten, als
-ocr page 75-
G7
middel tor verbreiding van het Evangelie 1); en gaan ook stilzwijgend
voorbij, wat hunne naburen de Denen en Zweden kunnen gedaan hebben
voor de uitbreiding van het Evangelie, nadat zij het zelf had leeren
kennen; om de aandacht der lezers dadelijk te kunnen vestigen op eenige
voortreffelijke vorsten, die in de tiende en elfde eeuw getracht hebben,
hunne onderdanen voor het Christendom te winnen. Wij moeten begin-
nen met den prins Hakon.
Nadat hij aan het Engelsche hof eene Christelijke opvoeding had ge-
noten, keerde hij naar Noorwegen terug, en maakte zich vervolgens van
den troon meester. Hij wilde nu met geweld het Christendom invoeren.
De tegenstand van het volk was echter zoo groot, dat hij in den beginne
niets meer kon doen, dan het driedaagsche Jol- of Juëlfeest naar het na-
jaar te verplaatsen in de hoop, dat dit feest zich van lieverlede in een
Christelijk kerstfeest zou herscheppen. Zijne onderdanen noodzaakten hem
zelfs tegenwoordig te zijn bij heidensche offerfeesten. En toen hij bij
die gelegenheid een kruis maakte over eenen vergulden beker, dien hij
naar oud Scandinavisch gebruik ter eere van de goden moest ledigen,
konden zij hunne woede nauwelijks bedwingen. Toen hij den volgendon
dag weigerde paardenvleesch te eten, kende hunne verontwaardiging geene
perken. De menigte werd eenigszins gekalmeerd, toen hij met zijne
lippen den doek aanraakte, welke men geslagen had om den rand van
den ketel, waarin het paardenvleesch was gekookt. Deze gespannen toe-
stand tusschen den vorst en zijn volk bleef tot aan zijn dood In 900
voortduren. De Deensche koning Harald veroverde Noorwegen in 907 en
lijfde het bij zijn koninkrijk in. Evenals in Denemarken trachtte hij ook
hier het Christendom in te voeren. Toen echter kort daarna Noorwegen
weer in het bezit van heidensche overheerschers kwam, moest het Christendom
weer plaats maken voor den ouden Thor- en Odindienst. De Noorweegsche
veldheer, Olof Trygweson, een ijverige Christen, verloste de Christenen weer
en werkte met onverdroten ijver aan de bekeering der heidenen. Toen
hij echter in het jaar 1000 sneuvelde, werden zij opnieuw van hunne
vrijheid beroofd. Olof de Dikke trad in 1017 als hun redder op. Op
nog strenger wijze dan alle zijne voorgangers dwong hij zijn volk op
straffe des doods het heidendom vaarwel te zeggen, en het Christendom
aan te nemen. Olof liet bisschoppen en priesters komen, en overal kerken
1) Zie hhulz. 62.
-ocr page 76-
68
bouwen. Hij moest zijne onverbiddelijke gestrengheid, waarmede hij liet
Christendom in zijn land trachtte in te voeren, eindelijk met den dood
booten. Tevergeefs trachtten deze vorsten met geweld gedaan te krijgen,
wat eenvoudige Evangeliedienaars met liefde en zachtheid tot stand hebben
gebracht. Ken geschiedschrijver uit dien tijd zegt van do strijdlustige en
roofzuchtige Nooren het volgende: »Na de aanneming van het Christendom
leerden zij, in betere scholen onderwezen, den vrede beminnen, en met
hunne armoede tevreden zijn." Zoo berucht de Noormannen vroeger waren,
zoo beroemd werden zij later.
8. IJSLAND.
Omstreeks het midden der negende eeuw ontdekten Noorsche zee-
roovers het eiland IJsland. In 874 ging de edelman Ingolf, om de
hcerschzucht van Harald Haarfager te ontvluchten, naar dit pas ontdekte
land. Hij vond daar bij zijne aankomst Iersche monniken, die in het
bezit waren van Iersche boeken, klokken en bisschopsstaven. De oude
bewoners moesten plaats maken voor Ingolf en de vele andere Noormannen,
die weldra de zee naar IJsland overstaken. Ingolf nam den ouden
heidenschen godsdienst mede naar het nieuwe land. Volgens Noordsch
gebruik wierp hij de balken, die hij voor zijne woning bestemd had, in
de zee, om van de goden aanwijzing te krijgen, waar hij eene stad moest
bouwen. Zij dreven de gansche Zuidkust om, en raakten vast in eene
bocht aan de Westkant. Hier bouwde Ingolf de stad Eeikiavik, thans nog
de hoofdstad van dat eiland. Ongeveer eene eeuw na de ontdekking van
IJsland, kwam hier hot licht des Evangelies. Op zekeren tijd voer de
beruchte IJslandsche zeeroover Thorwald de Elbe op, om buit te maken.
Op zijne rooftocht kwam hij in Saksen, waar hij den bisschop Prederik
ontmoette, die hem tot Christus bekeerde. Thorwald wist den vromen
bisschop te bewegen, dat hij mede naar zijn land ging, en daar de banier
des kruises plantte. De eerste, dien hij hier doopte, was de afgodische
Kodran, de vader van Thorwald. Zoolang de bisschop het IJslandsche
dialect nog niet machtig was, hield Thorwald de toespraken tot het volk.
Prederik had zich echter hunne taal niet zoodra eigen gemaakt, of zij doorrois-
den samen het land, en predikten overal het Evangelie. Velen lieten zich door
-ocr page 77-
(I!)
hen doopen terwijl anderen zich onder de catachnmenen (doopcandidaton)
lieten opnemen. Deze zegen was echter niet onvermengd. Toen Thorwald
Spakbödvarson in 08G op zijn erfgoed eene kerk liet bouwen, ontstaken
do heidenen zoo in woede, dat de Christenen zich nauwelijks staande
konden houden. In datzelfde jaar trok de bisschop naar Noorwegen terug.
Wij moeten het in het midden laten, of hij dit deed, om do woede der
heidenen te ontkomen, dan wel om bij de Noorweegsche stamgenooton
liefde voor de zending op IJsland te wekken.
De Noorweegsche koning Olof Trygweson zond in 990 den bekeerden
IJslander Stefner naar zijn vaderland terug, om onder zijne landgenooten
do banier des kruises te planten. Doch in plaats van hen door zelfverloo-
chenendo liefde te winnen, maakte hij zich bij het volk gehaat, doordat
hij hunne afgodstempels en beelden verwoestte. Hij was dan ook genood-
zaakt het volgende jaar naar Noorwegen terug te keeren. Ook de aanzien-
lijke volksdichter Hiallti word uit zijn land verbannen, omdat hij een lied
had gemaakt, waarin hij de IJslandsche goden had boleedigd.
De koning Olof Trygweson stelde nu ecnen zekeren Thangbrand, die
meer krijgsman dan Evangeliedienaar was, aan het hoofd der IJslandsche
Christenen. De volkszangers of skalden begroetten zijne prediking met
hunne schinipdichten. Toen hij twee hunner dien smaad met den dood
betaalde, moest hij in 999, als moordenaar vervolgd, IJsland verlaten.
De koning zond nu twee zendelingen, Gissur en Hiallta, die door de
kracht der Christelijke liefde tot stand brachten, wat hunne voorgangers
te vergeefs met geweld beproefden. Naarmate echter het getal bekeerlingen
toenam, klom ook de vijandschap der heidenen. Deze laatsten beschouwden
eene uitbarsting van eenen vuurspuwenden berg, die over het geheelo
eiland schrik en ontsteltenis verspreidde, als eene wraakneming van hunne
goden. Hun priester Snorro zeide daarvan: »En wie deed dan hunnen
toorn ontwaken, toen deze rots, waarop wij thans staan, vuur braakte?"
Overeenkomstig hun gebruik bij groote volksrampen, moesten uit ieder
der naar de vier hemelstreken genoemde afdeelingen van het eiland twee
menschen aan de goden geofferd worden. Hiallti en Gissur wisten echter
heden op edele wijze de toepassing van deze heidenscho gewoonte te
voorkomen. Zij zeiden tot het volk: »De heidenen zijn gewoon, de geringste
menschen aan hunne goden te offeren, en van de rots neder te werpen;
doch wij willen een gelijk aantal uitkiezen van do aanzienlijksten des
volks, die zich zelven als offers in don waren zin van het woord aan
-ocr page 78-
70
onzen Heere Christus zullen toewijden en allen als voorbeelden in christelijk
geloof en leven voorgaan." Door deze edele handelwijze wonnen zij de
harten der heidenen, en konden er velen doopen.
Volgons de regecringswetten, die do geleerde IJslander Ulfistcr in 927
ontworpen en ingevoerd had, moesten alle aangelegenheden, ook die van
den godsdienst, op hunne volksvergaderingen, Things genaamd, behandeld
worden. Voorname IJslandscho Christenen haddon dan ook meermalen den
christelijkon godsdienst in haar midden behandeld. De voorzitter van do
Thing, Thorgeir Godc, wist omstreeks het jaar 1000 het Christendom tot
staatsgodsdienst te verheffen. De Thing besloot, dat alle IJslandors zich
moesten laten doopen, hunne tempels en afgodsbeelden vernielen, en het
offeren in het openbaar nalaten. In het geheim mochten zij echter
vrij hunnen hoidenschon godsdienst betrachten. In 1050 werd te Skalholt
het eerste IJslandscho bisdom gesticht, waarmede Isleif, do zoon van den
zendeling Gissur, werd begiftigd. Isleif had te Erfurt eene wetenschappe-
lijko opleiding ontvangen, en bekleedde naast zijnen vader eene eerste plaats
onder de IJslandscho zendelingen. Een geschiedschrijver uit dien tijd
geeft van de IJslanden hot volgende schoono getuigenis: »Daar zij in
hunne eenvoudigheid een heilig leven leiden en niets anders zoeken dan
wat do natuur hun geschonken heeft, zoo kunnen zij met opgeruimdon
zin don Apostel nazeggen: «Indien wij voedsel en deksel hebben, zoo
zullen wij daarmede tevreden zijn," want hunne bergen gelden hun voor
steden on hunne bronnen zijn hunne lust. Gelukkig volk, welks armoede,
door niemand benijd wordt en boven alles gelukkig daardoor, dat thans
(in hot laatst der twaalfde eeuw) allen het Christendom hebben aangenomen.
Voel is er in hunne zeden, waardoor zij zich gunstig onderscheidon. Dat
doen zij vooral door de liefde, die zoowel den vreemdeling als den inwoner,
allo dingen gemeen doet zijn."
Noordsche zeeroovers bevolkten in de 9de en 10do eeuw ook de Orkaden
en de Faroéreilanden, en verdreven de aldaar wonende Iersche monniken,
die men daar als de eerste zendelingen kan beschouwen 1). De nieuwe
volksplanting, die van de Noorweegsche vorsten afhankelijk was, heeft
do kennis van het Christendom vooral te danken aan den meermalen
genoemden koning Olof Trygweson. Toen deze koning hoorde dat één der
voornaamste ingezetenen van dozo eilanden het Christendom genegen was,
1) Zie bladz. 41.
-ocr page 79-
71
liet hij hem bij zich komen, en het kostte den vorst weinig moeite om hem
tot volkoinono beslistheid te brengen. Sigmond liet zich doopen, en keerde
als zendeling naar zijn vaderland terug. Op zijn erfgoed verrees het
eerste kerkgebouw. Trots de tegenwerking van den voornamen heiden
Thrand wist hij weldra geheel de bevolking tot den nieuwen godsdienst
over te halen.
De IJslanders ontdekten in do laatste helft dor tiende eeuw Groenland,
en stichtten daar eene kolonie. De zoon van den ontdekker, Leif geheeton.
was een beslist Christen, en plantte op Groenland de banier des kruises,
Hij zag zijnen arbeid mot zulk ecnen rijken zegen bekroond, dat daar
in 1055 oen bisdom ontstond, waarvan oen zekere Albert de eerste
bisschop werd.
Do merkwaardige IJslanders hebben zich zelfs een gebied veroverd op
de noordkust van Amerika, het tegenwoordige Labrador. Zij konden zich
echter onder de woeste Eskimo\'s niet staande houden. Een zekere bisschop
Johannes, die hier het Evangelie trachtte te prediken, moet den marteldood
gestorven zijn.
9. DE SLAVISCHE VOLKSSTAMMEN.
Ons rest nog do zendingsgeschiedenis van Oost-Europa te behandelen.
Daar woonden toen een groot aantal volksstammen, die den gemeonsehap-
pelijken naam van Slaven droegen. Zuidwaarts strekte hun gebied zich
uit tot do Zwarte en Adriatische Zee, en daar waren zij de gevreesde
naburen van Grieken en Eomeinen. West- en noordwaarts grensde hun
land aan het Duitsche rijk en aan de Oostzee; terwijl zij Oostwaarts
geheel Eusland hadden bevolkt. Zij waren in een groot aantal stammen
verdeeld, die voor het meerendeel lang hunne zelfstandigheid bewaarden;
terwijl enkele reeds vroegtijdig onder andere stammen vervloeiden. Hun
Perzisch dualisme — de leer van een goed en een kwaad beginsel 1) —
verraadt hunnen Oosterschen oorsprong. Over het algemeen waren zij een
ruw en onbeschaafd volk. Bonifacius, de apostel der Duitschers, noemt
hen een »leelijk en afschuwelijk menschengeslacht." Sommigen hunner
1) Zie bladz. 20.
-ocr page 80-
72
waren zelfs onbeschaamd genoeg1 te beweren: »Dat zij meer dan de
wormen het recht hadden hunne eigene ouders te verslinden."
Bij den zendingsarbeid onder deze volksstammen openbaarden zich twee
bedenkelijke verschijnselen; waardoor de komst van bet Godsrijk niet
weinig werd bemoeielijkt. Wij bedoelen de pogingen der Christelijke vorsten
om de heidensche volken van zich afhankelijk te maken, en het prediken
der zendelingen in de kerktaal. Geen wonder, dat het Slavonische volk,
met hun stijfzinnig nationaal gevoel, afkeerig was van eenen godsdienst,
die hun de nationale zelfstandigheid ontnam. En wat het werken dor
zendelingen betreft: in plaats van zich de volkstaal eigen te maken, drongen
zij, uit blinde gehechtheid aan de kerktaal, of ook om hunne onkunde
beter te kunnen bedekken, aan do arme heidenen het Grieksch en Latijn
op. Slechts enkelen, als Cyrillus en Methodius, predikten in het Slavonisch;
doch werden om die reden bij den paus als ketters vcrklaagd.
a. De Bulgaren.
Wij beginnen met de Bulgaren. Hunne oudste geschiedenis ligt in
nevelen gehuld, zoodat wij niet met zekerheid kunnen zeggen, wanneer
zij voor het eerst niet het Christendom in aanraking zijn gekomen. Hun
Aziatische oorsprong maakt echter eene vroegtijdige kennismaking met
den nieuwen godsdienst mogelijk. In een land toch, waar het Christen-
dom zich in don apostolischen en na-apostolischen tijd, zoo snel on krachtig
uitbreidde, kon moeielijk een volksstam onbekend blijven met het heil in
Christus aan de wereld geschonken. In C80 na Christus vestigden do
Bulgaren zich in Moesië en Thracië. Eene eeuw later kwamen zij in
oorlog met het Griekschc rijk, bij welke gelegenheid zij vele Christenen,
waaronder ook geestelijken waren, als gevangenen medevoerden. Deze
werden do eerste ons bekende Evangeliepredikers onder de ruwe Bulgaren.
In 813 vielen zij in het Romeinsche rijk, namen de stad Adrianopel in,
on voerden vele Christenen, onder anderen ook eenen bisschop, als gevan-
genen mede. Deze bisschop vereenigdo zijne mede-bannelingen om zich
heen, en zoo ontstond de eerste Christen-gemeente in het heidensche Bul-
garije. Wel moest de moedige bisschop zijn stoute daad met den martel-
dood boeten , maar do gevangen monnik Constantinus Cjrpharas kon zijn
werk voortzetten. De keizerin Theodora wist in 801 voor dozen monnik
vrijheid te verwerven, waarmede tevens een betere tijd voor de vervolgde
-ocr page 81-
73
Christenen aanbrak. Bij die gelegenheid moesten ook de Grieken de zuster
van den Bulgaarschen vorst Bogoris, die als kind door hen niedegc-
voerd was, en te Konstantinopel eene Christelijke opvoeding genoten had,
tot do haren terugzenden. Teruggekomen trachtte zij haren broeder op
allerlei wijze voor het Christendom te winnen, waartoe hij in den beginne
weinig genegen scheen; vooral omdat hij eenen opstand van zijn volk te
duchten had, als hij van zijn voorvaderlijk geloof afviel. Een zware hongers-
nood bracht hem eindelijk tot nadenken, waartoe ook het zien op eene
schilderij, waarop het laatste oordeel stond voorgesteld, medewerkte.
Bogoris was namelijk een groot liefhebber van schilderijen. Zijne zuster
liet daarom eenen bekwamen schilder, en wel den monnik Methodius komen.
De koning, die een hartstochtelijk jager was, liet hem in zijn paleiseene
jacht schilderen. Maar inplaats daarvan vervaardigde Methodius eene schil-
derij van het laatste oordeel. Dit tafereel maakte op den vorst zoo\'n
diepen indruk, dat hij zich in 8C3 liet doopen. Nu wilde hij met geweld
het Christendom in zijn land invoeren. Die er zich tegen verzette, bracht
hij om het leven.
Zoodra Photius, de patriarch van Constantinopel, hoorde dat de koning
Bogoris hot Christendom had omhelsd, zond hij hom een uitvoerig schrijven,
waarin hij do Christelijke gcloofs- en zedeleer ontwikkelde, en hem tot
vcdraagzaamheid jegens de heidenen aanspoorde. Doch hierbij liet Photius
het; Evangeliepredikers, waaraan het volk zoo\'n behoefte had, zond hij
hem niet. Velo gelukzoekers gaven zich nu voor geestelijken uit. Som-
migen verkochten zalfolie met de verzekering, dat de ware zalfoliealleen
in hun land werd gevonden. Anderen beroemden zich, uit de Heilige
Schrift alle dingen te kunnen voorspellen. Eén waagde het zelfs zich voor
priester uit te geven en als zoodanig te leeren en te doopen. Toen zijn
bedrog echter ontdekt werd sneden de Bulgaren hem, na grove mishan-
delingen, neus en ooren af, en zette hem over de grenzen. Terwijl nu
alle ketterij en willekeur vrij spel hadden, waardoor het geloof der jeugdigo
Christenen niet weinig geschokt word, besloot de Bulgaarsche vorst zich
to wenden tot den paus Nicolaas I. Met niet minder dan honderd on zes
vragen kwam hij tot hem. De paus zond hem het volgende jaar twee
Italiaansche bisschoppon, als zijne gevolmachtigden. Hij gaf hun, behalve
Bijbels en andere boeken, een uitvoerig schrijven mede, waarin hij den
vorst antwoord gaf op de hem gedane vragen. Wij hebben in dit belang-
rijke schrijven, eene schoone proeve van zijne wijsheid als herder der
-ocr page 82-
74
gemeente. De paus vermaande daarin de vorst en zijne grooten; dat zij
niemand met gewold tot liet geloof moesten dwingen, aangezien God ecne
vrijwillige gehoorzaamheid cischt; dat zij zich op zon- en feestdagen niet
onthouden moesten van lichamelijken arbeid, om dien tijd in ijdele ver-
maken door te brengen, maar om zich beter te kunnen oefenen in godzalig-
hcid ; dat het dragen van een crucifix uitdrukking moest wezen van hot
kruisdragen in het hart; dat zij betreffende do staatkundige, maatsehappe-
lijke on burgerlijke inrichting het voorbeeld van andere Christelijke vorsten
moesten volgen; dat bij hen alle afgoderij plaats moest maken voor de
aanbidding van den éénen waren God. In dergelijken geest beantwoordde
hij al de vragen, waarmede zij tot hem gekomen waren, en ongetwijfeld
hebben de Bulgaren zijne wenken met dankbaarheid opgevolgd.
Om staatkundige redenen bleven de Bulgaren steeds wankelen in de keus
tusschen de Grioksche en Latijnscho kerk. Do Grieksche keizer Basilius
do Macedoniër, wist eindelijk gedaan te krijgen, dat hier een Grieksch
aartsbisschop on Grieksche bisschoppen werden aangesteld. Daarmede
waren zij voor goed bij de Oosterschc kerk ingelijfd.
Do zendeling Methodius, dien wij boven als schilder hebben loeren
kennen, heeft hier met zijnen broeder Cyrillus ijverig gewerkt. Hunne
leerlingen zetten hun werk voort. Eén hunner, met name Clenions, word
met zijne aanhangers uit Moraviö verdreven. Zij vluchtten nu naar Bulgarije,
waar zij met open armen werden ontvangen. Met grooten zegen werkte
Clemens onder de Bulgaren. Hij vereenigde 3500 jeugdige mannen om
zich heen, die hij tot helpers opleidde. Voor de kinderen bouwde hij
scholen; terwijl hij eenen bundel eenvoudige feestpreeken in de Bulgaarscho
taal opstelde. Allerlei vruchtboomen liet hij uit Griekenland komen, en do
wilde boomen veredelde hij door enten. Overal stichtte hij fraaie kerkge-
bouwen, om daardoor bij de Bulgaren tevens smaak voor kunst en be-
schaving te wekken. Op zoodanige wijze werkte hij voort, totdat de dood
hem in 910 uit dit leven wegnam. Hij is ongetwijfeld een der voornaamste
zendelingen in Bulgarije geweest.
b. De Moraviërs en Bolicmers.
Niet ver van Bulgarije woonde destijds een Slavonische volksstam, de
Moraviërs
gcheeten. Karel do Groote maakte hen van zich afhankelijk
en bezorgde hun Christelijke leeraars. Hij droeg de zending onder do
-ocr page 83-
7b
Moraviërs, evenals die onder de Avaren, op aan Arno, aartsbisschop van
Salzburg 1). Al de hcidenscho volksstammen in de nabijheid van dit
aartsbisdom werden door geestelijken uit Salzburg bewerkt. De opvolgers
van Arno stichtten gemeenten in hot tegenwoordige Karinthië, Stiermarken
en Hongarije. Aan hot Plattonmeer regeerde omstreeks dezen tijd do
Christelijke vorst Privinna, die in zijne residentiestad Mosburg eono kerk
had laten bouwen.
Om staatkundige redenen bleven de Moraviërs in nauwe betrekking staan
tot het Grioksche rijk, mot hot gevolg, dat hier naast do Duitsche ook
Grieksche zendelingen kwamen werken. In 856 kwamen gezanten van den
Moravischen vorst bij don Griekschen keizer, die hem om Evangeliedienaars
baden. De keizer gaf hun den zendeling Cyrillus en zijnen broeder
Mcthodius mode. Jammer, dat wij van deze merkwaardige mannen, die
wij do apostelen van onderscheidene Slavonische volksstammen zoudon
kunnen noemen, niet dan weinige en onzekere berichten hebben. Eeno
geregelde levensbeschrijving kunnen wij hier dan ook niet laten volgen.
Zij schijnen uit Thessalonica geboortig te zijn, en van jongs af als
monniken te hebbon geleefd. Methodius had zich in do schilderkunst
geoefend 2); terwijl Cyrillus, om zijne uitgebreide kennis, den bijnaam
van Wijsgeer ontving.
Cyrillus heeft eerst een tijdlang onder de Ghaxaren op het schiereiland de
Krini gewerkt. Terwijl Joden en Mohammedanen daar bekeerlingen trachtten
to maken, kwamen Chazaarsche gezanten den Griekschen keizer om
Evangeliedienaars bidden. Hij gaf hun Cyrillus mede. Deze vestigde zich
te Cherson, waar hij zich de taal der Chazaren machtig maakte. Hij
plantte hier vervolgens de banier des kruises. Met welk gevolg hij hier
heeft gewerkt, ligt in het duister, even als de reden, waarom hij deze
streken zoo spoedig weer heeft verlaten. Het is niet met zekerheid te zoggen,
hoe lang hij hier gewerkt heeft. Alleen weten wij, dat, toen de Moravische
gezanten in 856 te Constantinopel kwamen om zendelingen (zie boven),
hij zich daar toen opnieuw bevond. Volgens een bericht van eenen
Mohammedaanschen gezant, die in het begin der tiende eeuw hun land
doorreisde, ontmoette hij daar een mengsel van Mohammedanen, Joden,
Christenen en Heidenen, waarvan de laatsten echter de minderheid uit-
maakten.
1) Zio bladz. 62.
2) Zie bladü. 73.
-ocr page 84-
76
In verccniging met Methodius werkte hij sedert 850 met onvermoeiden
ijver aan de bekeering der Moraviërs. Zij maakten zich de Slavonische
taal eigen en predikten daarin hot Evangelie. Cyrillus vond zelfs een
alphabet uit, en vertaalde eenigo gedeelten van de Heilige Schrift in
liet Slavonisch. Hun arbeid strekte zich zelfs tot aan Bulgarije uit 1).
Omstreeks 808 werd de Moravische vorst genoodzaakt zich nauwer bij
het Duitsche rijk aan te sluiten, on nu kon de Eoomsche kerk hier ook
meer haren invloed laten gelden. Sedert dezen tijd begon hier de onaan-
gename strijd tusschen de Oostersche en Westersche kerk. De paus wilde
do beide Grieksche zendelingen aan zich verbinden, om zijn kerkgenoot-
schap daardoor met Moravië te vergrooten. Hij ontbood daartoe de beide
broeders naar Rome. Cyrillus verdwijnt nu geheel onverwachts uit de
geschiedenis. Wij hooren niets meer van hem. Het schijnt, dat hij als
monnik te Rome is gebleven. Methodius werd door den paus tot aarts-
bisschop van de nieuwe Moravische kerk gewijd. In deze hooge betrekking
werkte Methodius met vernieuwden ijver aan de bekeering der Moraviërs.
Een groot aantal jongelingen leidde hij tot helpers op, die als zijne
vleugeladjudanten in ruimeren kring het Evangelie verkondigden. De rijke
zegen, waarmede hij zijne pogingen zag bekroond, was echter niet onver-
mengd. Do aartsbisschoppen van Salzburg zagen do oprichting van een
afzonderlijk aartsbisdom in Moravië met lede oogen aan. Karel de Groote
toch had aan hen deze zending opgedragen 2), en daar zij veel meer
ijverdon voor de uitbreiding van hun aartsbisdom, dan voor die van het
Godsrijk, werkten zij Methodius op allerlei wijze tegen. Zij klaagden hem
bij den paus aan over de prediking in de volkstaal. De paus onderhield
hem hierover, en vergunde hem de gewone prediking in het Slavonisch
te houden; maar verplichtte hem de mis in het Grieksch of Latijn te
lozen. Tot aan zijnen dood in 892 stond Methodius aan het hoofd der
Moravische kerk. Zijne leerlingen zetteden zijn werk voort. Eén hunner,
met name Gorasd, stelde hij tot zijnen opvolger aan. Hij was een
Moraviër van geboorte, en sprak zoowel de Grieksche als do Slavonische
taal. Na den dood van Methodius kregen de naij vorige aanhangers van
de Salzburgsche aartsbisschoppen hier do overhand. Zij ontzetteden Gorasd
van zijn ambt, en verdreven de leerlingen van Methodius. Deze laatsten
vluchtten van Bulgarije, waar zij een nieuw arbeidsveld vonden 3).
•2) Zie bhulz. 75.
3) Zio bladz. 74.
1) Zio bltulz. "4.
-ocr page 85-
77
In dozen tijd kwam de kennis van liet Christendom ook in het aan
Moraviö leenplichtige Bohème. De Bohecmsclio hertog Borziwoi leerde aan
het hof van zijnen leenheer den nieuwen godsdienst kennen, en liet zich
doopen. Zijne gemalin Ludmilla was eene besliste Christin, en stond na
den dood van haren echtgenoot aan het hoofd der Christelijke partij.
Later werd aan haar do opvoeding van hare kleinkinderen, Wenzeslaf en
Boleslaf, toevertrouwd. Haro schoondochter liet haar, uit vijandschap tegen
het Christendom, vermoorden. De beide prinsen kwamen nu weer onder
heidenschen invloed. Bij Wenzeslaf had het zaad des Evangelies, door
zijne grootmoeder in zijn hart gestrooid, reeds te diepe wortelen geschoten,
om nog uitgeroeid te kunnen worden. Maar jammer, dat hij door zijne
eenzijdige opleiding meer genegen en beter geschikt was, om als monnik
afgezonderd van do wereld te leven, dan aan het hoofd van een volk te
staan. Zoodra hij de teugels van het bewind in handen had gekregen,
liet hij zendelingen komen en kerken bouwen. Met geweld onderdrukte
hij het heidendom. Even sterk als Wenzeslaf de uitbreiding van het Christen-
dom bevorderde, ijverde zijn broeder Boleslaf voor het heidendom. Hij doodde
in 938 Wenzeslaf en maakte zich van de regeering meester. De hoiden-
scho godsdienst herstelde zich nu weer in oude Bomeenische woestheid.
Hij vervolgde op vreeselijke wijzo de Christenen, totdat de Duitsche
keizer Otto I hem in 950 noodzaakte zijn volk vrijheid van godsdienst
te geven. Zijn zoon en opvolger Boleslaf de Zachtmoedige heeft het
Christendom voor goed in Bohème gevestigd. Met goedvinden van den
paus werd te Praag een aartsbisdom gesticht, waarmede de Bohemer
Adelbert werd begiftigd. Hij en zijne opvolgers hebben de kennis van het
Evangelie hier verder verbreid.
c. De Hongaren.
De Hongaren zijn evenals do Bulgaren van Aziatischen oorsprong.
Wat wij dus dienaangaande van de komst van het Godsrijk onder de
Bulgaren hebben gezegd, is ook hier van toepassing. De Hongaren ver-
overden bij het einde der 9do eeuw Pannonië en Moravië, waar zij zich
nu nederzetteden. De oude bewoners, die reeds het Christendom hadden
omhelsd, werden door hen verdreven. Doch ongetwijfeld zullen zich som-
migen onder hunne nieuwe landgenooten staande gehouden hebben, die
in stilte als zendelingen werkzaam geweest kunnen zyn. Pilgrim, de
-ocr page 86-
78
bisschop van Passau, maakt in eenen brief, dien hij in 974 aan den
paus Benedictus VI schreef, melding van zulke verborgene Christenen. Zij
lieten in het geheim hunne kinderen doopen, en vormden huisgemeenten,
die voor geheel den omtrek ten zegen werden. De zendelingen, die hier
later kwamen werken, vonden bij hen steun en bescherming. De vriend-
schappelijke betrekking tusschen Hongarije en het Grioksche keizerrijk gaf
aanleiding, dat hier Grieksche Christenen kwamen werken. In het midden
der tiende eeuw lieten twee Hongaarsche vorsten, Bulosudes en Gylas,
zich te Konstantinopel doopen, bij welke gelegenheid de laatste den mon-
nik Hiërothes als bisschop medenam. Dat deze doop een bewijs van hart-
grondige verandering zou zijn geweest, is zeer te betwijfelen. Dan toch
zou Bulosudes niet zoo gemakkelijk tot het heidendom terug zijn gevallen;
en Gylas meer aan de bekeering van zijn volk gewerkt hebben. Ook zou-
den zij dan zoo gretig de geschenken niet hebben aangenomen, waarmede
zij bij den doop werden beladen. Sarolta, de dochter van den koning Gylas,
was een besliste Christin. Zij wist ook haren echtgenoot, den Hongaar-
schen vorst Geisa, gunstiger voor den nieuwen godsdienst te stemmen.
Nadat de Duitsche keizer Otto I in 955 de macht der Hongaren voor
goed had gefnuikt, lieten dezen hunne strooptochten varen, en leefden
voortaan op vriendschappelijkon voet met hot Duitsche rijk. Daardoor werd
de Evangelieprediking ook van die zijde mogelijk. De Hongaren kwamen
den bisschop Pilgrim om leeraars vragen. De geestelijken, dio deze hun
zond, konden nagenoeg vijfduizend Hongaren doopen. Verder kwam Adel-
bert, de aartsbisschop van Praag, hier werken, en liet bij zijn vertrek
zijn meest geliefden leerling Eadla achter. Kadla verwierf zich zulk eenen
aanhang, dat, toen Adelbert hem naar Bohème terug riep, de Hongaren
hem niet wilden laten gaan.
De hertog Geisa bleef, hoewel hij zich had laten doopen, en christelijke
kerken liet bouwen, nog altijd belangstellen in het verouderde heidendom.
Toen zijn bisschop hem bestrafte over het offeren aan de afgoden, ver-
klaarde hij niet in te zien, waarom hij niet evenzeer de goden van zijne
hoidensche onderdanen zou kunnen dienen, als den God der Christenen,
daar hij toch rijk genoeg was, om beiden te offeren. Zijn zoon en opvolger
Stephanus was beslister Christen. Het zaad des Evangelies schijnt reeds
op nog jeugdigen leeftijd bij hem ontkiemd to zijn. Naar men wil is hij
door den aartsbisschop Adelbert gedoopt. De vestiging van het Christen-
dom in zijn land beschouwde hij als zijne levenstaak. Zoodra hij in 997
-ocr page 87-
79
aan de regeering kwam, liet hij geestelijken komen en kerken en scholen
bouwen. Maar naarmate het Evangelio meer als een zuurdeesem doorwerkte,
ontwaakte ook de vijandschap der heidenen. Aanzienlijke Hongaren weigor-
den hunne Christenslaven in vrijheid te stellen, en kwamen in opstand.
De overwinning, die Stephanus op hen behaalde, en die hij dankte aan
den God der Christenen, deed zijnen ijver voor de verbreiding van het
Evangelie nog meer toenemen. Zijn huwelijk mot de Bourgondische prinses
(Jisela bracht hem in familiebetrekking met den Duitschen keizer Otto III.
Deze verhief hem tot koning van Hongarije. De paus zond hem ecnen
gouden kroon met de bepaling, dut iedere Hongaarsche vorst daarmede
gekroond moest worden. Hij droeg niet te vergeefs zijnon nieuwen titel;
hij heeft ook koninklijk geregeerd. Het krijgs- en staatswezen werd op
Christelijke leest geschoeid, en de prediking van het Evangelie algemeen
gemaakt. Hij verwierf zich door zijnen ijver voor den nieuwen godsdienst
den bijnaam van den Heilige. Toen hij in 1003 Zevenbergen veroverd
had, voerde hij ook daar, evenals in Walachije met geweld het Christen-
dom in. De heidensche oppositie-partij, die nog altijd was blijven bestaan,
stak na den dood van den koning in 1038 opnieuw het hoofd op. De
opvolgers van Stephanus onderdrukten haar bij herhaling, totdat het den
koning Ladislaus I gelukte in het laatst der elfde eeuw het heidendom
volkomen uit te roeien. Deze laatste vorst veroverde ook het nabijgelegen
Croatië, en nu werd ook daar de banier des kruises geplant.
d. De Wenden.
Aan de noordelijke en oostelijke grenzen van Duitschland woonde des-
tijds do machtige Slavonische volksstam, de Wenden goheeten. Karol do
Groot» on zijne opvolgers beproefden bij herhaling dit volk van zich af-
hankelijk te maken, en het te dwingen den Christelijkon godsdienst aan
te nemen, Het gelukte den Duitschen keizer Otto I eindelijk de Wenden
aan zich te onderwerpen. Hij verdeelde hun land in verschillende bisdom-
men , die in het aartsbisdom van Magdenburg hun middelpunt vonden.
Bij voorkeur bezette de keizer deze bisschopszetels met mannen, die zich
als zendelingen onder de Wenden verdienstelijk hadden gemaakt. Zoo be-
giftigde hij den monnik Boso met het bisdom Merseburg. Boso had dit
boven do meesten voor, dat hij de Slavonische taal verstond, waarin hij
het Evangelie predikte. Hun vorst Mistiwoi liet zich zelf doopen; doch kon
-ocr page 88-
80
onder zijne heidonscho onderdanen weinig uitrichten. Zijn kleinzoon
Godschalk slaagde hierin beter. Terwijl hij op do school te Luncberg cene
christelijke opleiding ontving, kreeg hij op zekeren dag do droeve tijding,
dat zijne vader vermoord was. Hierover in woede ontstoken, vereenigde
hij do roofzuchtige Wenden onder zich, om wraak te nomen. In hot Hol-
steinscho richtte hij eone vreeselijko verwoesting aan. Geheelo dorpen
worden iiitgeplunderd. Doch nu ontwaakte zijn christelijk geweten. Met
droefheid zag hij op het gebeurde neer, en besloot te herstellen wat te
herstellen was. Hij plaatste zich in 1047 aan hot hoofd der regeering,
en deed zich vervolgens als een beslist christen kennen. Uit de naburige
rijken liet hij geestelijken komen. Hierin was vooral de aartsbisschop
Albrecht van Breinen hem behulpzaam, die hem ook in alles met woord
en daad diende. Naarmate het Christendom in het volksleven doordrong,
klom ook do tegenstand der heidenen. Godschalk moest zelfs zijnen ijver
met den marteldood boeten (10GG). De heidensche vorst Kruko plaatste
zich aan het hoofd der beweging, en het bloed der Christenen stroomde.
Hendrik, de zoon van Godschalk, wist zijn loven door de vlucht te rod-
den, en riep de hulp der christelijke vorsten in. Dezen gelukte het pas
in 1105 de macht der Wenden te fnuiken, en Hendrik op den troon te
plaatsen. Ruim twintig jaar bestuurde Hendrik nu het Wendische rijk en
werkte met ijver aan de herstelling van het Christendom. Toen de dood
hem in 1120 uit dit leven wegnam, en het geslacht van Godschalk kort
daarna uitstierf, lijfde de Duitsche keizer dit land bij zijn rijk in.
Van de zendelingen, die onder de Wenden de banier des kruises plant-
ten, bekleedt Vicelinus eene eerste plaats. Hij is omstreeks het jaar 400
te Quernheim, een dorp aan de Wezer, geboren. Wat hij op nog jeug-
digen leeftijd verloor in het sterven zijner ouders, vond hij dubbel terug
bij eene adellijke vrouw, die hem in haar huis opnam, en hem eene
wetenschappelijke opleiding gaf. Nadat hij de school te Paderborn had
afgeloopen, begaf hij zich naar Parijs, waar de meest beroemde zetel
der toenmalige wetenschap was. In 1125 werd hij tot zendeling geordend.
Hij begaf zich vervolgens naar den Wendischon koning Hendrik, die hem
met blijdschap ontving. Lubeck zou het middelpunt van zijn arbeid worden.
Doch toen de koning nog in datzelfde jaar stierf, en do heidenen hun
hoofd opnieuw opstaken, moest hij de vlucht nemen. Hij begaf zich naar
Bremen, en vergezelde den aartsbisschop Adelbert op zijne visitatiereis.
In 112G kwamen zij in het dorp Faldera, dat op de grenzen van hot
-ocr page 89-
SI
Wendisehe rijk lag, en welks inwoners begeerig waren naar het Evangelie.
Adelbert liet Vicelinus hier achter, om er de banier des kruises te planten.
Hij werkte hier met grooten zegen evenals te Sigeberg, waar door zijn
toedoen eene kerk verrees. Nadat de rust hersteld was nam hij ook de
zorg over de gemeente te Lubeck op zich. Zijn arbeid breidde zich aan-
houdend uit; totdat de zending in geheel het Wendisehe rijk aan hem
word opgedragen. Dikwijls moest hij om de woelingen des volks te ont-
komen, zich terugtrekken in het kleine Paldera, doch werd dan later
weer met des te grooter vreugde ontvangen. Op een stuk grond, dat de
keizer hem ten geschenke had gegeven, verrees een klooster. Een groot
aantal leerlingen leidde hij tot helpers op, die als zijne vleugeladjudanten
het geheele land bewerkten. In 1148 stelde de hertog Hendrik de Leeuw
hem tot bisschop van Oldenburg aan. In 1152 trof hem eene beroerte,
die hem in zijn werk zeer belemmerde. Evenals vroeger de Apostel
Johannes, liet hij zich door zijne leerlingen naar de kerk dragen, en stichtte
op die wijze nog zijne geliefde gemeente. Den 13 December 1154 brak
voor hem de eeuwige rustdag aan. Na zijnen dood breidde het Christen-
dom zich geregeld onder de Wenden uit.
e. De Russen.
Bijna geheel Oost-Europa, van den Dnieper tot de Oostzee, is bevolkt
geworden door de Russen. Zij bestonden uit verschillende Slavonische
volksstammen, die met elkaar overhoop lagen, totdat de dappere Eurik
hen in 850 onder éénen scepter vereenigde. Door handelsverkeer en door
de oorlogen tusschen de Russen en de Grieken kwamen de eerste zaden
des Evangelies derwaarts. Volgens eenen brief van Photius, patriarch van
Constantinopel, hadden in 8GG reeds vele Kussen het Christendom omhelsd,
en was er reeds een bisschop aan wiens zorg zij waren toevertrouwd.
Uit de Russische archieven blijkt, dat, toen Rusland in 945 vrede met
den Griekschen keizer sloot, er zich in het Russische leger reeds gedoopte
Christenen bevonden. Do hoofdstad Kieuw schijnt daar destijds het middel-
punt van den zendingsijver te zijn geweest. De grootvorstin Olga was de
eerste van het Russische vorstengeslacht, die tot het Christendom overging.
Zij liet zich in 955 te Constantinopel doopen. Tevergeefs trachtte zij haren
zoon voor den nieuwen godsdienst te winnen, en even weinig als op hem
vermocht zij op hare ruwe onderdanen. Haar kleinzoon Wladimir I heeft
6
-ocr page 90-
82
echter meer onder hen kunnen uitrichten. In den beginne bevorderde
Wladimir met grooten ijver het heidendom. Hij liet zelfs het beeld van
den afgod Perum vernieuwen, en voorzag het van een zilveren hoofd.
Doch het schijnt, dat de vele honderden vrouwen, die zijnen harem uit-
maakten, en waaronder zich Mohammedaansche, Joodsche en Christelijke
bevonden, zijn geloof aan het wankelen hebben gebracht. Om strijd
trachtten deze hem tot haren godsdienst over te halen. Na lang weifelen
besloot hij het Christendom aan te nemen, omdat de Joden over het
algemeen in verachting waren, en de Mohammedanen hem het wijndrinken
verboden. Terwijl hij reeds in zijn hart besloten had Christen te zullen
worden, vielen zijne oogen op de vorstin Anna, zuster van den Griek-
schen keizer. Hij zond den keizer een gezantschap, om hare hand te
vragen, met de bedreiging er bij, dat, indien hij hem zijne zuster niet
ten huwelijk wilde geven, hij Constantinopel zou innemen. Onder de voor-
waarde , dat Wladimir zich zou laten doopen, gaf hij hem zijne zuster tot
vrouw. Aan deze voorwaarde voldeed hij volgaarne, en vervolgens nood-
zaakte hij ook zijne onderdanen zich te laten doopen. Hij liet geheel zijne
bevolking aan de oevers van de rivier de Dnieper komen, waar zij die plechtig-
heid ondergingen (1). Alle afgodsbeelden, ook dat van den afgod Perum,
werden vernield. Kerken werden gebouwd, kloosters gesticht, en scholen
opgericht. Het onderwijs wilde in den beginne niet vlotten. De bijge-
loovige Kussen waanden, dat de schrijfkunst hen betooveren zou. Op de
scholen werd het alphabet van Cyrillus gebruikt. De opvolger van Wla-
dimir, Jaroslow geheeten, heeft nog meer vuor de opvoeding van zijn volk
gedaan. Gedurende zijne regeering van 1019—1054 vermeerderde hij het
aantal kerken en scholen, liet godgeleerde boeken uit het Grieksch in
hunne Slavonische landtaal overbrengen, en richtte te Kieuw een aarts-
bisdom op, waar zich voortaan het middelpunt der Eussische kerk bevond.
Bijna de geheele bevolking bleef echter in eenen geestelijken doodsslaap
verzonken. De nevelen van het heidendom werden zelfs door het licht
der hervorming niet gebroken. En nog is het daar nacht.
f. De Polen en Pommeren.
Tusschen de rivieren de Warta en de Weichsel woonden destijds de
Polen. Ze waren van Slavonischen oorsprong en werden door hertogen
1) Zie bladz. 1.
-ocr page 91-
83
geregeerd,.die naar hunnen stamvader Piast-hertogen heetten. Een huwe-
lijk van den Poolschen hertog Miesko met de christelijke prinses Dam-
browka uit Bohemen afkomstig, gaf aanleiding, dat ook hier het Evan-
golio werd gepredikt. Miesko liet zich in 9G0 doopen. Hij nam den
koningstitel aan, on stichtte het eigenlijke Poolsche rijk. De Duitsche
keizer stelde te Posen eenen bisschop aan, wien hij de bekeering der
heidensche Polen opdroeg. Weldra verrezen nog andere bisdommen, die
in het aartsbisdom te (Snezen hun middelpunt vonden. Zoo gelukte het
Miesko on zijne opvolgers hier met gewold het christendom in te voeren.
Miesko ging hiermede zoo hard te werk, dat hij de bedreiging afkondigde,
dat ieder die op vastendagen vleesch at, de tanden in den mond in stuk-
ken geslagen zouden worden. De nieuwe godsdienst was bij hen echter
weinig meer, dan een dun vernis, waardoor het heidendom nog zichtbaar
heen schemerde. Tevergeefs zoeken wij naar degelijke zendelingen, die in
Polen de banier des kruises zouden hebben geplant. Bij de werktuigelij ke
volksbekeering schijnt de prediking van het Evangelie geheel op den
achtergrond te zijn getreden.
De Poolsche vorst Boleslaf III wist het aangrenzende Pommeren van
zich afhankelijk te maken, waarmee het opdringen van den christelijken
godsdienst gepaard ging. De vele bisschoppen en monniken, die hier
kwamen werken, misten de noodige kennis en geschiktheid om onder hen
met zegen te werken. Onder anderen kwam hier de bisschop Bernhard.
Na vergeefs getracht te hebben zijne gemeente in Spanje aan zich te
verbinden, vertrok hij naar Pommeren, om, hoe dwaas! het hart van de
hier wonende heidenen voor zich te winnen. Barrevoets en in kluizenaars-
gewaad trok hij rond en predikte het Evangelie, zonder waarschijnlijk
de taal van het volk te verstaan. Zijne dweepzieke ascetische levenswijze
stuitte af op het van onthouding afkeerige volk. Al zijne pogingen
bleven vruchteloos. Teleurgesteld, en uit zucht naar den marteldood, ver-
stoutte hij zich de heidensche beeldzuil op het eiland Wollin om te
werpen. Maar hij werd in zijne verwachting bedrogen; de Pommeren
zetteden hem eenvoudig over de grenzen.
Met gelukkiger gevolg werkte de zendeling Otto hier. Hij is uit Zwaben
geboortig, en genoot eene wetenschappelijke opleiding, zonder echter, uit
gebrek aan middelen, de geleerdenschool te Parijs bezocht te hebben.
In het laatst der elfde eeuw begaf hij zich naar Polen; waar hij eene
school oprichtte. Vele kinderen van aanzienlijke ouders werden aan zijne
-ocr page 92-
84
zorg toevertrouwd. Hij verwierf zich de gunst van het Poolsche hof. De
hertog Wladislaf Hermann stelde hem tot zijnen kapellaan aan en benoemde
hem eenigen tijd later tot zijnen geheimschrijver. Otto liet geone gelegen-
heid voorbijgaan om aan het hof van den Christus te getuigen. De hertog
begiftigde hem in 1102 met het bisdom Bamberg. De rijke inkomsten
die deze betrekking hein schonk, besteedde hij tot godsdienstige doeleinden.
Zelf leefde hij zeer zuinig. Gedurende eenen zwaren hongersnood was hij
rusteloos werkzaam, om in aller behoeften te voorzien, en deinsde daartoe
voor geene offers terug. Toen hem eens in don vastentijd eenen kost-
baren visch op zijne tafel werd gebracht, zeide hij tot zijne rentmeester:
»Dat zij verre, dat de nietswaardige Otto heden alleen zooveel geld zou
verteren! Breng dezen duren visch aan mijnen Christus, die mij dier-
baarder behoort te zijn, dan ik mij zei ven ben, en bezorg hem, waar
gij eenen zieke op zijn leger vindt. Voor mij, die gezond ben, is brood
voldoende." Zoo wist hij zich de achting te verwerven, zoowel van aan-
zienlijken als geringen. Zoo werkte hij ruim twintig jaar in Polen. Overal
verrezen kerken en kloosters. Zelfs maakte hij zich de Poolsche taal eigen,
en leidde helpers op, die in ruimeren kring het Evangelie verbreidden.
Op uitnoodiging van den Poolschen hertog, en van den pauselijken
zegen vergezeld, begon hij in 1124 zijn zendingswerk in Ponwieren.
Rijkelijk van levensmiddelen voorzien ondernam hij den 23sten April, van
tolken on gidsen begeleid, de reis door Bohemeu en Silezië naar Ponimeren.
Door de dichtste wouden baanden zij zich eenen weg, totdat zij aan do
rivier de Netze kwamen, waar zij zich voorloopig nederzetteden. Zij
gaven den Pommerschen hertog Wartislaf kennis van hun voornemen.
Deze kwam hen weldra met vijf hondord gewapenden tegemoet. Aan de
oevers van de Netze had nu een geheim onderhoud plaats tusschen den
hertog en de gezanten van den Poolschen vorst, met dit gevolg, dat Otto
en den zijnen vergund werd overal in zijn gebied het Evangelie te pre-
diken. De hertog gaf hem zelfs krijgsknechten mede, die hem tot gidsen
moesten dienen, en hem voor gevaren moesten beschermen.
Den volgenden morgen trokken zij naar de stad Pyritz. Onderweg kon
hij er dertig doopen. Des avonds elf uur kwamen zij in de nabijheid van
Pyritz. Daar een heidensch feest niet minder dan vier duizend menschen
uit den omtrek binnen de stad had gebracht, sloegen zij hunne tenten
buiten hare poorten op, on zorgden dat zij onopgemerkt bleven. Den vol-
genden morgen vervoegde \' Paulicius zicli met de beide afgezanten van
-ocr page 93-
85
den Poolschen en Pommerschen hertog bij de aanzienlijksten der stad,
en deelde hen hun voornemen mede. Uit vrees voor hunne vorsten durf-
den zij de predikers niet weren. Gedurende de twintig dagen, die Otto
hier met de zijnen toefde, kon hij er zeven duizend heidenen doopen.
Van Pyritz begaven zij zich naar de stad Kammin, waar de gemalin
van den hertog Wartislaf woonde. Deze had reeds vroeger het christen-
dom leeren kennen, en had do inwoners der stad reeds gunstig voor
hunne prediking gestemd. Veertig dagen lang bleven zij hier en konden
er velen doopen. Zij werden zelfs verrast door de komst van den hertog,
die in hooge mate zijne belangstelling te kennen gaf. Te Kammin verrees
het eerste kerkgebouw in Pommeren. Otto liet hier oenen priester achter
en trok zelf met de zijnen verder.
Zij begaven zich naar de gevaarlijke zeeroovers van het eiland Wollin.
Hier achten zij hun leven nauwlijks veilig, en daarom slopen zij bij
nacht de stad Julin binnen, waar zij op het slot van den hertog eene
wijkplaats vonden. Toen zij den volgenden morgen opgemerkt werden,
geraakte de geheelo stad in rep en roer. Het slot van den hertog werd
bestormd. Tevergeefs trachtte de Poolsche gezant de menigte tot bedaren
te brengen. Otto besloot te vluchten. Met zijne tochtgenooten ging hij
dwars door de tierende bende heen, en kwam onder stompen en stooten
nauwelijks levend buiten de stad. Zij bleven echter vijf dagen in hare
nabijheid om ai te wachten, wat gebeuren zou.
Ia deze belangrijke zee- en handelstad woonden vele christelijke koop-
lieden, die zich altijd schuil hadden gehouden, maar zich nu openbaar-
den. Zij traden met Otto in onderhandeling, en spoorden de aanzien-
lijken der stad aan zich met hem te verzoenen. Velen kwamen zich nu
verontschuldigen. Otto gaf hun te kennen, dat zij het best den toorn
van den hertog zouden kunnen wegnemen, door zich te laten doopen.
Doch hiertoe konden zij nog niet besluiten. Zij verwezen Otto en de
zijnen naar de aanzienlijken in hunne hoofdstad Stettin.
Te Stcüin werden de zendelingen alles behalve vriendelijk ontvangen.
De inwoners dezer stad overtroffen in beschaving die harer zustersteden, en
ook vele naamchristenen. Bedrog en diefstal was onder hen onbekend, en de
gastvrijheid en vredelievendheid in hoog aanzien. Een der aanzienlijksten
antwoordde Otto op zijn verzoek om het christendom aan te nemen: »Onder
de christenen zijn dieven en struikroovers; bij hen worden de menschen de
voeten verminkt, de oogen uitgestoken, en treft men alle soorten van
-ocr page 94-
86
misdaden en straffen aan. De eene christen verfoeit den andere — neen
zulk eenen godsdienst bogeeren wij niet." Toen zij hoorden, dat Otto
den Poolschen hertog kennis had gegeven van hunnen tegenstand. lieten
velen zich uit vrees doopen. Tweemaal verscheen Otto in volle bisschop-
pelijke staatsie op de markt, en predikte het Evangelie aan de nieuws-
gierigen. Hij trachtte door christelijke liefde de blaam, die op de chris-
tenen rustte, weg te nemen. Hij kocht daartoe gevangenen vrij, en voorzag
hen van levensmiddelen en kleederen. Do toegang tot het volk werd hem
vooral ontsloten, doordat eeno zeer aanzienlijke vrouw, die als gevangene
uit een christenland was weggevoerd, en den Heere altijd in stilte had
gediend, nu openlijk voor haar geloof uitkwam. Nadat hare beide zonen
godsdienstonderwijs van Otto hadden ontvangen, zouden zij gedoopt wor-
den; bij welke gelegenheid hunne moeder den bisschop Otto begroette met
de woorden: »Ik loof U, Heere Jezus Christus, bron van alle hoop en
allen troost, dat ik mijne beide zonen door uw sacrement geheiligd, door
het geloof aan uwe goddelijke waarheid verlicht mag zien." Daarna kuste
en omhelsde zij hare zonen, en zeide: »Want Gij, mijn Heere Jezus
Christus! weet. dat ik sedert vele jaren niet heb opgehouden, dezen hier
in het diepste mijns harten aan uwe ontferming op te dragen, en U te
bidden, hun te doen, wat Gij nu volbracht hebt." zich tot den bisschop
wendende zeide zij : »Gezegend zij uwe komst in deze stad! Want als
gij maar volhardt, zult gij den Heere eene groote gemeente toebren-
gen. Laat u daarom door de weinige vrucht uwer prediking niet ont-
moedigen. Zie, ik zelve, die hier voor U sta, belijd door den bijstand van
den almachtigen God en bemoedigd door uwe tegenwoordigheid, eerwaarde
vader, maar ook. steunende op de hulp van deze mijne kinderen dat ik eene
Christin ben, wat ik tot hiertoe niet openlijk heb durven uitspreken." — Met
de grootste vrijmoedigheid sprak zij met hare onderhoorigen en buren over
het heil in Christus aan de wereld geschonken; terwijl hare beide zonen
predikers voor de jeugd worden. Er ontstond eene geestelijke opwekking
in Stettin. Dagelijks melden zich eene groote menigte aan om gedoopt
te worden. In dien tusschentijd was er een schrijven van den Poolschen
hertog gekomen, waarin Otto de vrijheid bekwam om de heidenschetem-
pels uit te roeien. Hij begon met dien, welken aan den afgod Triglaf
was gewijd. Daar het tiende gedeelte van den buit in alle oorlogen aan
dezen afgod werd toegewijd \'en hier bewaard bleef, bevonden zich in dezen
tempel onmetelijke schatten. Nadat Otto ze met wijwater besprengd,
-ocr page 95-
87
en er een kruis over gemaakt had, liet hij de schatten onder de burgers
verdeelen, zonder er zelf iets van te nemen. Nog drie andere afgodstempels
werden vernield, on eene Christelijke kerk gebouwd. Na hier vijf maanden
te hebben getoefd, trok hij verder, en liet eenen priester achter.
Nu keerde Otto naar Min terug, waar hij thans met blijdschap werd
ontvangen. Gedurende zijn verblijf van twee maanden kon hij er velen
doopen, twee kerken bouwen, en hot eerste Pommersche bisdom stichten,
waarmede do kapellaan Adelbert werd begiftigd. Hiermede eindigde Otto
zijne eerste zendingsreis. Hij bezocht de gestichte gemeenten, en keerde
vervolgens naar Bamberg terug.
Pas in 1128 kon hij zijne tweede zendingsreis ondernemen. Hij trok
door Saksen naar de stad Demmin, waar hij den hertog ontmoette, die
de naburige Leuticiërs had overwonnen, en met eenen rijken buit terug-
keerde. Otto wist voor de arme krijgsgevangenen vrijheid te verwerven,
en predikte hun het Evangelie. Velen lieten zich nu gewillig door hem
doopen.
Op het eerstkomende pinksterfeest waren de Standen des lands te
Usedom op eenen landdag bijeen, aan wie Otto de invoering van het
Christendom voorstelde. Hij sprak naar aanleiding van het onderwerp van
den dag met dit gevolg, dat de vrije verkondiging van het Evangelie in
geheel het land werd toegestaan.
Otto richtte nu zijne schreden naar de stad Wolgast. Deze stad had
altijd nog eene zekere mate van onafhankelijkheid bewaard; zoodat hij
hier met zijn landdagbesluit weinig kon uitrichten. Daarbij kwam nog,
dat hier een heidensche priester woonde, die zich meermalen als een
aartsvijand van het Christendom had doen kennen, en die bij het hooren
van Otto\'s komst de menigte opruide. Otto zond twee priesters vooruit,
die gastvrij werden ontvangen door de vrouw van den burgemeester.
Als eene tweede Eachab verborg zij hen in hare eigene woning; terwijl
zij de nasporing wist te voorkomen door te zeggen, dat zij de vreemde-
lingen wel geherbergd had, maar dat zij, na gegeten te hebben, weer
vertrokken waren. Drie dagen hielden zij zich hier schuil. In dien tusschen
tijd was den hertog kennis gegeven van de beweging, en weldra kwam
deze met een talrijk gevolg de stad binnen. Door deze krijgsmacht
gerugsteund werd het Otto mogelijk hier het Evangelie te prediken. Toen
hij hot waagde hunne heiligdommen aan te tasten, brak er een hevige
opstand uit. Otto wist zich toch staande te houden, en weldra hadden
-ocr page 96-
88
alle afgodstempels plaats gemaakt voor een net kerkgebouw. Hij stelde
hier eenen priester aan, en vertrok met zijne tochtgenooten naar Qutxkow.
In deze stad begon hij met een prachtig kerkgebouw te doen verrijzen,
om den heidenen eene vergoeding te geven voor den afgodstempel, dien
hij verwoestte. Bij gelegenheid der inwijding richtte hij een luisterrijk
feest aan, waarbij ook Mizlaf, de vasal van den hertog, tegenwoordig was.
Hij was lid van de vergadering der Standen te Usedoni, en had zich reeds
toen laten doopen. De feestvreugde werd niet weinig verhoogd, toen hij
voor de vergaderde menigte den Christus openlijk beleed. Velen zijner
onderdanen lieten zich nu vrijwillig of gedwongen doopen.
In Stettin had het heidendom het hoofd op nieuw opgestoken. De
heidensche priesters ruiden de menigte op, die in eene uitgebrokene
pestziekte den toorn hunner goden meende te zien. Otto begaf zich op
nieuw naar Stettin, en kwam de verdrukte Christenen te hulp. Met de
grootste vrijmoedigheid stond hij op de markt te spreken, terwijl de
tierende menigte hem met opgestoken spiesen bedreigde. Hij wist echter
spoedig de macht der heidenen te fnuiken, en den Christenen hunne
vrijheid te hergeven.
Het eiland Rugen was van Pommeren afhankelijk. Otto was meermalen
van plan geweest, om ook daar do banier des kruises te planten. Doch
zijne vrienden, die hem onmisbaar oordeelden voor de jeugdige Pommersche
kerk, en wel voorzagen, dat hij daar den marteldood zou zijn gestorven,
hielden hem van dit voornemen terug. Hij zond in zijn plaats den priester
Ulrik naar dit eiland. Ulrik poogde te vergeefs Rugen te bereiken. Na
zeven dagen lang in gevaar van zijn leven met wind en golven te hebben
geworsteld, keerde hij naar den bisschop terug. De bevolking op dit eiland
wist zich later vrij te vechten. Eerst in 11G8 gelukte het den Deenschen
koning Waldemar de Rugiërs aan zich te onderwerpen, en er het
Christendom te vestigen.
In het najaar van 1128 keerde Otto naar Duitschland terug, en sedert
dien tijd verdwijnt hij van het tooneel der Pommersche kerk. Deze had
hij echter op zoo\'n goeden voet ingericht, dat geregelde Evangelieseering
plaats kon hebben.
-ocr page 97-
89
g. De Lijflanders, Finnen en anderen.
De Lijflanders, een Slavonische volksstam in de landen aan de Oostkust
der Oostzee, hebben de eerste zaden des Evangelies te danken aan
handelsverkeer mot Christenvolken. In 118C trok de priester Meinhard
naar deze gewesten. Te Yxkull boven lliga zetto hij zich neder. Hier
verzamelde hij do Christelijke kooplieden om zich heen, en zoo ontstond
de eerste Christengemeente in het heidensche Lij Hand. Weldra verrees er
een net kerkgebouw, waarin hij geregeld godsdienstoefening hield. Hij
won het vertrouwen der Lijflanders, doordat hij de roofzuchtige Litthauërs
op de vlucht joeg, en hen voortaan tegen hunne verwoestende invallen
beschermde. Hij werd eindelijk te Bremen tot bisschop van de Lijflandsche
kerk gewijd, en nam den monnik \'fheodorik mede, die hem in zijnen
arbeid kwam helpen. Theodorik zette zich te Thoreida neder, en verschafte
zich ingang, doordat hij aan eenen aanzienlijke des lands met gunstig
gevolg geneesmiddelen toediende. Toen hij hersteld was, liet hij zich
doopen, welk voorbeeld velen zijner ondergeschikten volgden. Meinhard
werkte hier tot aan zijnen dood in 1190. De bisschop Berthold stelde
hij tot zijnen opvolger aan. Naarmate het Christendom zijnen invloed
hier deed gelden, klom de tegenstand der heidenen. Berthold liet nu een
kruisleger komen. In het gevecht, dat thans volgde, moesten de Lijflanders
het onderspit delven, hoewel Berthold zelf sneuvelde. Uit vrees lieten zich
nu honderd en vijftig Lijflanders doopen, en stelden hun land open voor
de Evangelieprediking. Het opgedrongen Christendom wilde hier echter
niet tieren. Het kruisleger was niet vertrokken, of zij vielen weer tot
het heidendom terug, en vervolgden de Christenen. De bisschop Albert
bouwde in 1200 de stad Kiga, verplaatste naar hier den bisschopszetel
en liet zwaardbroeders der geestelijke ridderordo komen, die hem moesten
beschermen. Euim twintig jaar verliepen eer de rust der Christenen was
verzekerd.
Op dergelijko wijze werden ook de bewoners van het aangrensde Estland,
Semgallen
en Koerland gekersterd. Een tal van geestelijken waren onver-
moeid werkzaam om deze heidenen nu eens met het zwaard, en dan weer
door geestelijke tooneelspelen tot het Christendom over te halen. Slechts
enkelen, als de aartsbisschop Andreas en de monnik Siegfried waren als
levende getuigen van Christus werkzaam. Niet zelden gingen geheele families
en groote volksstammen tot het Christendom over, om daardoor in aan-
-ocr page 98-
90
zien te rijzen. Zoo traden de naburige Letlen, die in de algemeene ver-
achting deelden, tot den Christelijken godsdienst toe, omdat deze leerde,
dat allo menschen gelijk waren.
De Zweedsche koning Krik vergrootte zijn rijk met het meer noord-
waarts gelegen Finland, en dwong de bewoners tot den overgang tot het
Christendom. Toen hij de Finnen overwonnen had, knielde hij op het
slagveld neer en dankte God voor den behaalden zege; hoewel hij ook
tranen stortte over zooveel arme Finnen, die ongedoopt gesneuveld waren,
terwijl zij door het ontvangen van het sacrament behouden hadden kunnen
zijn; als ware het uitwendig waterbad in staat, om hunne zonden af te
wasschen.
10. DE PRUISEN EN LITTHAUERS.
De eerste zendeling van eenige beteekenis in Pruisen is de meermalen
genoemde Adelbert, bisschop van Praag. Nadat hij voor de derde maal
zijn bisdom moest verlaten, besloot hij zijn verder leven aan de bekeering
der Pruisen te wijden. De dertig soldaten, die de Poolsche hertog hem
ter bescherming mede gaf, zond hij spoedig weer terug, om allen schijn
van vrees te vermijden. Nadat hij te Dantzig, de grensplaats tusschen
Pruisen en Polen, eenigen had gedoopt, vertrok hij naar het Friesche
hof, en voer met een vaartuig naar een klein eiland, dat de Pregal bij
hare uitwatering gevormd had. Hier werd hij door de rijke grondeigenaars
zoo erg met stokslagen begroet, dat het psalmboek, waaruit hij zong,
hem uit de handen viel, en hij zelf op den grond stortte. Het eenige
wat hij hierop antwoordde, was: Ik dank U, Heere, dat Gij mij ver-
waardigd hebt, ten minste één\'slag voor mijnen Gekruisigden Zaligmaker
te ontvangen. Nog onvriendelijker werd hij aan den tegenovcrgestelden
oever van de Pregal ontvangen. Na daar zes dagen te hebben getoefd,
stierf hij den 238ten April 997 den marteldood.
Tien jaar later kwam hier de bisschop Bruno, beter bekend bij zijnen
bijnaam Bonifacius, werken. Met achttien medehelpers vertrok hij naar
Pruisen. Doch allen stierven den marteldood. En nu werd eerst na twee
eeuwen de zending in Pruisen opnieuw ter harte genomen. De monnik
Christiaan kwam met meer andere monniken herwaarts, en zag zijne
-ocr page 99-
91
pogingen weldra met zulk eenen rijken zegen bekroond, dat hij in 1209
naar Rome reisde, om den paus te raadplegen over de Pruisische zending.
Paus Innocentius droeg het oppertoezicht over dezen arbeid op aan den
aartsbisschop van Gnezen. Deze moest nauwkeurig op den gang van zaken
letten, Christiaan als zijnen raadsman steunen, en de rondzwervende mon-
niken en gelukzoekers uit Pruisen geweerd houden. Aan de hertogen van
Ponimeren en Polen, die de jeugdige Pruisische Christenen met zware
lasten drukten, schreef de paus eenen brief, waarin hij hun het onchriste-
lijke van zoodanige handelwijze deed gevoelen. In het slot daarvan zegt
hij: »Wij bidden en vermanen U, dat gij om den wil van Hem, die
gekomen is, om het verlorene te zoeken en zijn leven te geven tot eenen
losprijs voor velen, de zonen dezer nieuwe planting niet onderdrukt, maar
hen des te zachter behandelt, naarmate het gevaar grooter is, om tot
het heidendom terug te vallen, daar de oude zakken den nieuwen wijn
ter nauwernood zonder scheuren kunnen bevatten." Langs dezen weg ge-
lukte het Christiaan met zegen onder de Pruisen te werken. Twee vorsten
lieten zich door hem doopen, en op hun erfgoed verrees een kerkgebouw.
Maar naarmate het Christendom meer veld won, openbaarde zich ook de
tegenstand der heidenen. Dientengevolge kwamen hier de leden der Duitsche
Ridderorde vereenigd met die der Zwaardbroeders, om hun met geweld
den nieuwen godsdienst op te dringen. En nu volgde eene lange reeks
van oorlogen, die pas in 1283 met de overwinning van het Christendom
op het heidendom eindigde. Drie en vijftig jaar had de krijg geduurd,
en de kern der bevolking weggemaaid. De paus had Pruisen reeds in 1243,
dus lang voor het veroverd was, in vier bisdommen verdeeld, welke daad
pas later beteekenis kreeg.
Het langst bleven de Litthmters het Christendom vijandig. Verschil-
lende geestelijken uit de naburigen Christen-volken kwamen hier werken.
Eerst nadat hun vorst Jagello zich in 138G had laten doopen, waren
de Litthauërs voor de prediking van het Evangelie toegankelijk. Jagello
is de laatste heidensche vorst in Europa, die tot het Christendom overging.
En hiermede kunnen wij de zending in Europa als geëindigd beschou-
wen. Het volgende tijdvak zouden wij de overgangsperiode kunnen noemen
tot de zending buiten Europa, die, zooals wij vroeger reeds zeiden 1),
pas na de hervorming met ijver werd beoefend.
1) Zie bladz. 6.
-ocr page 100-
MIDDEL GESCHIEDENIS
2de Apdeeling.
Van de oprichting der bedelorden tot de zending nit Genève.
121G —1555.
1. DB MONNIKENORDEN.
Wij hebben bij herhaling gezien, dat het monnikenwezen van gezegen-
den invloed is geweest voor de zendingszaak. In de kloosters werden \\veten-
schappelijke en degelijke zendelingen gevormd, die over geheel Europa
het licht des Evangelies verbreidden. In den beginne kozen de monniken
uit eigen beweging den arbeid der zending tot hunne levenstaak, en gingen
zij meestal hun eigen weg, zonder de machtiging of goedkeuring vaneen
hooger geplaatst kerkelijk persoon te vragen. Bonifacius is een van de
eersten, die over zijn werk de goedkeuring van den paus vroeg. Latei-
werd dit algemeen gevolgd. Paus Innocentius III en zijne opvolgers ver-
hieven zedelijk deze gewoonte tot wet, door aan bepaalde monnikenorden
dezen arbeid op te dragen. Het zijn de Franciskaner en Dominikaner
monniken, aan wie deze pausen het zendingswerk toevertrouwden.
Doininicus, de stichter van de orde naar hem genoemd, is in 1170
in Castiliö geboren. Als student betoonde hij reeds zijne christelijke liefde.
Bij gelegenheid van eenen grooten hongersnood, verkocht hij zijne boeken
en gereedschappen, om de behoeftigen te kunnen helpen. Toen hij in 120(5
-ocr page 101-
&3
met zijnen bisschop Didacus eene reis door Spanje en Frankrijk deed,
leerde hij een groot aantal gevaarlijke secten kennen, die de Katholieke
kerk vijandig waren. Sedert dien tijd ontwaakte bij hem het voornemen
eene monnikenorde op te richten, om door haar de ketters in de kerk
terug te voeren. Dominicus begaf zich niet zijne plannen naar den paus,
en dezen was hij welkom. Keeds lang had de paus gevoeld, dat het steeds
toenemende aantal ketters zijnen zetel zoude doen waggelen. Paus In-
nocentius moet zelfs in oenen droom gezien hebben, dat Dominicus en
Franciskus het pauselijk paleis op hunne schouders droegen. In 12IC
werd do stichting van de Dominikanerorde door den paus bevestigd, en
wij laten daarom met dat jaartal dit tijdvak aanvangen.
Franciskus is in 1182 te Assisr geboren. Eene zware ziekte, die hem
op zijn vier en twintigste levensjaar trof, bracht hem tot ernstig nadenken.
Sedert dien tijd ontwaakte bij hem do lust, om zielen voor den Heere
te winnen, en wilde hij daartoe eene monnikenorde stichten. In den beginne
vond hij bij den paus geen toegenegen oor. Pas in 1223, vijf jaar vóór
zijnen dood, bekrachtigde paus Honorius III de stichting dezer orde.
Aan hare monniken werd evenals aan die der Dominikanerorde de zielszorg
toevertrouwd. Franciskus zeide onder andoren tot zijne monniken: »\\Vij
zijn geroepen de gewonden te genezen, de dwalenden terecht te brengen;
want velen, die u leden des duivels schijnen, zullen nog jongeren van
Christus worden."
Tweeledig was de taak van deze beide orden: do ketters te bekeeren,
en de Katholieke kerk te vestigen onder de niet-Christelijke volken. Zij
moesten dus voor do Katholieke kerk zijn, wat de Jezuïtenorde later voor
de Koomsche werd. Eigendommen mochten zij niet hebben, en daarom
werden zij bedelorden genoemd. In navolging van Christus en de Apostelen,
moesten hare monniken in volstrekte armoede rondtrokken, om door de
macht van het woord, en zoo hun dit niet gelukte, dan door martelingen,
de ketters binnen de Katholieke kerkmuren terug te voeren. Deze tak van
hunnen arbeid moeten wij laten rusten; wij hebben ons slechts te bepalen
bij hetgeen zij voor de uitwendige zending hebben gedaan.
Franciskus zelf heeft zich eenen naam onder de zendelingen verworven.
Tijdens de vijfde kruistocht was hij als boetprediker mede gegaan. Hij
trad zelfs als zendeling op in het Mohammedaansche leger, dat ter
verdediging van de stad Damiate was aangerukt. Hij werd gevangen
genomen en gezonden naar Malek-Al-Kamel, Sultan van Egypte. Maar
-ocr page 102-
!U
welk een wonder! deze was Franciskus gunstig gezind, en liet hem aan
het hof het Evangelie prediken, liet gelukte Franciskus zelfs den vorst
bijna tot het Christendom over te halen. Vrees voor zijne onderdanen
hield hem alleen van dezen stap terug. Franciskus stelde den Sultan voor
een groot vuur te doen ontsteken, waarin hij zich met do Mohamniedaanscho
priesters zou begeven, om zoo te weten te komen welke de ware godsdienst
was. Die God, die uit de vlammen redde, zou alleen gediend en vereerd
moeten worden. Toen de Sultan hierop te kennen gaf, dat zijne priesters
zich hiertoe niet zouden willen laten vinden, wilde hij zich alleen in de
vlammen werpen, op voorwaarde, dat, zoo het vuur hem niet schaadde,
de Sultan met zijn volk het Christendom zou omhelsen; doch, indien hij
in de vlammen omkwam, zulks aan zijne zonden moest geweten worden.
Uit vrees voor oproer durfde Malek-Al-Kamel ook dit voorstel niet aan-
nemen. Hij bood hem geschenken aan; doch Franciskus weigerde deze
aan te nemen. De vorst stelde hem nu in vrijheid, en zond hem naar zijn
volk terug met de woorden: »Bidt voor mij, dat het God moge behagen,
mij te verlichten, en bij dien godsdienst te laten hlijven, welke Hem het
meest welgevallig is."
2. AZIË.
In het begin der elfde eeuw had de koning van Kerdit in Tartartjë
ten noorden van China het Christendom door Nestoriaansche kooplieden
leeren kennen. De vorst zond gezanten naar den bisschop van Maru
in Persië, met het verzoek herwaarts te komen, om hem te doopen, of
daartoe iemand te zenden. De bisschop gaf hun geestelijken mede, die
den vorst en tweeduizend zijner onderdanen den doop toedienden. Hij
werd tevens tot priester gewijd en nam den naam van Johannes aan,
waarschijnlijk wel naar den toenmaligen patriarch der Nestorianen, die
mede dien naam droeg. Deze nieuwe naam is op zijne opvolgers over
gegaan, die, even als hij, de koninklijke en priesterlijke waardigheid in
zich voreenigden. Onderscheidene geestelijken kwamen hier werken; doch
de meesten hunner waren Nestorianen. Den vierden dezer priester-koningen
werd in 12Ü2 kroon en leven ontnomen door Tsjingis-Khan, den stichter
van het groote Mongoolsche wereldrijk. Deze huwde vervolgens met de
-ocr page 103-
05
dochter van den vermoorden koning, en gaf aan zijne onderdanen eenen
nieuwen godsdienst. Volgens dezen godsdienst moest ieder gelooven aan
éénen God, als Schepper der wereld, en aan hem, den grooten Khan, als
zijnen zoon, dien Hij tot stadhouder over de geheele wereld had aangesteld,
en waaraan al de koninkrijken dezer aarde gehoorzaamheid verschuldigd
waren. De Christelijke staat Tartarijo werd bij dit wereldrijk ingelijfd,
en zoo was het hier niet allen zondingsarbeid gedaan.
Oktai-Khan, de opvolger van Tsjingis-Khan, viel mot een machtig
leger in Oostelijk Europa, en dreigde Eusland, Polen en Bohème te
veroveren. Dit deed den paus Innocentius IV besluiten, om twee gezant-
schappen naar het Mongoolsche rijk te zenden, die den vorst in naam
van den paus alle vijandelijke ondernemingen tegen de Christenen moesten
verbieden, en trachten de Mongolen voor het Christendom te winnen.
Het eene gezantschap, dat uit vier Dominikaner monniken bestond niet
Ascelinus aan het hoofd, vertrok in 1245 naar Persië om daar den
Opperveldheer der Mongolen op te sporen. Al dadelijk bij hunne aankomst
gaven zij eenen onaangenamen indruk aan dezen hooggeplaatsten persoon,
dien naar den wil van den grooten Khan dezelfde eer moest bewezen
worden, die hij voor zich zelven oischte. Ten eerste hadden zij verzuimd
overeenkomstig de Oostersche zeden geschenken mede te nemen, en vervolgens
weigerden zij ter verkrijging van audiëntie driemaal eene kniebuiging
voor hem te doen. Het was voor de Mongolen een raadsel, dat zij, die
een kruis van hout en steen aanbaden, weigerden diezelfde eer te bewijzen
aan den vertegenwoordiger van den machtigen Khan. En toen de monniken
spraken over de macht van den paus, vroegen zij vertoornd: »Heeft dan
de paus zoo vele en zoo groote rijken aan zich onderworpen als de groote
Khan, de zoon van God, en is do naam van den paus zoo ver verbreid
als de naam van den grooten Khan, die van het Oosten tot het Westen
wordt gevreesd?" Te vergeefs putte Ascelinus zich nu uit, om hun door
beelden en vergelijkingen duidelijk te maken, »dat de paus, als de opvolger
van Petrus, aan wien Christus het bestuur der geheele kerk had toever-
trouwd, de grootste macht onder de menschen bezat." Eindelijk werd
de brief van den paus den Veldheer overhandigd, na vooraf in het
Persisch en Tartaarsch vertaald te zijn. De Veldheer antwoordde hierop:
»dat, gelijk God onveranderlijk besloten had, allen, die den grooten Khan,
dien God tot eenen Heer over de geheele wereld had aangesteld, in
persoon kwamen huldigen op hunnen grond en bodem zouden blijven;
-ocr page 104-
00
maar dat de overigen zouden verdelgd worden, en dat de paus, zoo hij
zijn land wenschte te behouden, dit ter harte zou moeten nemen." Met
dit onvriendelijke antwoord werden zij naar Rome terug gezonden.
Drie Franciskaner monniken begaven zich in hetzelfde jaar naar het
Mongoolsche hof. Johannes De Plano Carpiui, die aan het hoofd van dit
gezantschap stond, was beter voor zijne taak berekend dan Ascelinus.
Hij bood de hofgrooten geschenken aan, bewees hun de noodige hulde,
en knoopte gemeenschap aan met de Nestoriaansche Christenen, die zich
aan het hof bevonden. Toen zij aankwamen was echter Oktai-Khan reeds
gestorven, en zij woonden het krooningsfeest van zijnen opvolger Gajuk
bij. Gajuk was hun bijzonder genegen, doch zond hen naar Rome terug,
zonder dat zij hunne wenschen vervuld kregen.
Toen Lodewijk IX koning van Frankrijk zich tijdens de zevende of
laatste kruistocht op het eiland Cyprus bevond, hoorde hij van vreemde-
lingen en reizigers, dat de Mongolen zeer begeorig waren naar de predi-
king van het Evangelie. Dit gaf aanleiding, dat deze vorst in 1253 den
Franciskaner monnik Willem van Rubruquis met nog eenige anderen
herwaarts zond. Rubruquis bezocht den Mongoolschon veldheer Sartach,
reisde vervolgens door de landstreken, waar vroeger de priester-koning Johan-
nes zijnen zetel had gehad, en vond daar nog overblijfselen van het Christen-
dom. Het waren hoofdzakelijk Nestorianen, die hij hier ontmoette, en die
volgens zijne berichten, in eenen dooden vormendienst waren ontaard. In de
stad Karakorum, de vroegere residentie der Tartaarsche priester-koningen,
zag hij behalve twaalf afgodstempels en twee moskeen, ook eene christe-
lijke kerk. Hier waren door handelsverkeer en andere oorzaken vele Chris-
tenen uit onderscheidene landen saamgevloeid, die zich over zijne komst
verblijden. Hij diende hun op Paasch-Zondag het heilige avondmaal toe,
terwijl niet minder dan zestig personen zich door hem lieten doopen.
Hij begaf zich vervolgens naar Mangu, den grooten Khan der Mongolen,
en vroeg hem vergunning hier het Evangelie te prediken. Dit gaf aanlei-
ding tot een godsdienstgesprek tusschen Rubruquis en eenige hofbeambten
van den Khan, die onderzoek naar hot doel van zijne komst moesten doen.
Rubruquis gaf hun te kennen, dat hij het Woord Gods aan de Mongolen
wenschte te prediken Op hunne vraag, welke woorden Gods hij hun te
brengen had, antwoordde hij: »Het Woord Gods, \'t welk ik verkondig,
is dit: Hoe meer God aan iemand gegeven heeft, des te meer, maar hoe
minder hom gegeven is, des te minder zal van hem geëischt worden, en
-ocr page 105-
97
hij, aan wien het meeste is toevertrouwd, is ook de meest geliefde. De
Khan nu heeft zeer vele goederen van God ontvangen; want van al zijne
grootheid en macht heeft hij niets aan de afgoden, maar alles aan den
almachtigen God te danken. Hij is de Schepper van hemel en aarde, en
heeft allo koninkrijken der wereld in Zijne hand, en geeft hen, om de
zonden der menschen, van het eene volk aan het andere. Daarom zoolang
de Khan God lief heeft, zal hem niets ontbreken. Doch handelt hij anders,
zoo moge hij zich verzekerd houden, dat God hem over alles, tot den
laatsten penning toe, ter verantwoording roepen zal." — »Is er dan
eenig mensch op de wereld, die God niet lief heeft?" vroeg één hunner.
Wie God lief heeft" — hernam Kubruquis — «onderhoudt Zijne geboden,
en wie Zijne geboden niet onderhoudt, heeft Hem ook niet lief." Ze
trachtten hem nu door eene strikvraag te vangen, daar men van hem
wenschte te weten: »Of de Khan Mangu, naar zijn oordeel, de geboden
Gods al of niet onderhield?" Wijs en voorzichtig antwoordde Rubruquis
hierop: »Ik ben bereid den Khan, wanneer het hem behaagt, al de ge-
boden van God bekend te maken, en daarna moge hij zelf oordeelen, of
hij ze onderhoudt of niet." En hiermede eindigde dit gesprek.
Terwijl de Heidenen, Mohammedanen en Christenen hier bekeerlingen
trachtten te maken, besloot de Khan te onderzoeken welke van de drie
godsdiensten de ware was. Hij belegde daartoe eene vergadering, waarin
Rubruquis de voornaamste woordvoerder was. Tegenover de Heidenen
verdedigde hij het ééngodendom. De Mohammedaansche geestelijken ont-
weken wijselijk den strijd, daar zij wel gevoelden hem in kennis niet te
evenaren. En daar de Khan zich tot een nader onderhoud niet liet vinden,
bereikte ook dit gesprek zijn doel niet. De Khan zeide bij deze gelegen-
heid tot Rubruquis: »Wij Mongolen gelooven, dat er maar één God is,
door Wien wij loven en sterven en op wien geheel ons hart gericht is".
»God verleene u die genade" — hernam Rubruquis — »want zonder
Zijne genade kan dat niet geschieden". — «Gelijk God aan de handen
vele vingers gegeven heeft," — vervolgde de Khan — »zoo heeft Hij
aan de menschen onderscheidene wegen ter zaligheid voorgeschreven. Aan
de Christenen heeft Hij de Heilige Schrift geschonken, en zij onderhouden
haro geboden niet. Ons heeft Hij onzo waarzeggers gegeven, en wij doen
wat zij ons voorschrijvon, on leven in vrede met elkaar." Uit deze woorden
van den grooten Khan , merken wij duidelijk, dat hij niet genegen was
het Christendom te omhelzen. Hij zond Rubruquis dan ook weldra naar
V
-ocr page 106-
98
Frankrijk terug, en weigerde hem hier het Evangelie te laten prediken.
De staatkundige omwentelingen in Azië deden daar in het midden der
13de eeuw twee nieuwe rijken ontstaan. Het eene werd omstreeks 1258
door Hulagu, eenen broeder van den Khan, in Persië gesticht. Hier was
van ouds de zetel van de Nestoriaansche kerk. Zijne belangstelling voor
het Christendom nam nog toe, toen hij met eene Nestoriaansche Christin
huwde De pausen zonden af en toe Dominikaner en Franciskaner mon-
niken derwaarts. Deze konden hier echter weinig uitrichten, en hadden
veel te lijden van de Mohammedanen. Toen deze laatste de overhand
kregen, werden de Christenen op vreeselijke wijze vervolgd, en was het
hier met allen zendingsarbeid gedaan.
Koblai-Khan, de stichter van het andere rijk, dat in China gegrondvest
werd, toonde belangstelling voor alle godsdiensten, maar vooral voor het
Christendom. Eene ontmoeting met twee aanzienlijke Christelijke kooplieden
had tengevolge, dat Koblai den paus van Eome om honderd geleerde
geestelijken vroeg. Daar destijds de pauselijke zetel onbezet was, werd
eerst in 1274 aan dit verzoek voldaan, en wel in zooverre dat paus
üregorius X hem slechts twee bekwame Dominikaner monniken zond.
Markus, een zoon van één der bovengenoemde kooplieden, ging met hen
mede. Niettegenstaande Markus toen pas vijftien jaar was, verwierf hij
toch in die mate de gunst van den vorst, dat deze hem aan het hof
aanzienlijke betrekkingen verleende. Nadat hij in 1295 naar zijn vaderland
was teruggekeerd, schreef hij een werk over deze gewesten, waaruit wij
den toestand der Christenen in die landen het best kunnen leeren kennen.
Markus maakt daarin onder anderen ook melding van iemand, die zich
voor Christen uitgaf en aan het hoofd van velen zijner geloofsgenooten
tegen Koblai opstond. Toen de vorst dezen oproermaker aan zich onder-
worpen had, gingen zijne Joodsche en Saraceensche krijgsknechten allerlei
lastertaal tegen de Christenen uitspreken. Zij zeiden: »Hier ziet gij de
onmacht van Christus, die niet in staat is geweest, aan zijne dienaren
de overwinning te schenken." De Christenen beklaagden zich hierover bij
den Khan. Deze verbood nu den God der Christenen verder te lasteren,
en zeide: »Dc oproermaker heeft wel de hulp van den God der Christenen
ingeroepen, maar deze heeft als een goed en rechtvaardig God geweigerd
het kwade te ondersteunen."
De voornaamste zendeling hier in China is de Franciskaner monnik
Johannes de Monte Corvino, die ook in Oost-Indië is werkzaam ge-
-ocr page 107-
99
geweest. Wij volgen hem nu slechts naar Peking, de hoofdstad van den
grooton Khan, waar hij zich in 1292 nederzette. Deze voortreffelijke
man, in wien wij het beeld van eenen waren zendeling aanschouwen, is
in 124G geboren en werkte hier elf jaar lang geheel alleen. Hij maakte
zich de volkstaaal eigen en predikte daarin het Evangelie. Voor de jeugd
richtte hij scholen op, terwijl hij jongelingen uit het volk zelf tot
zendelingen opleide, die als zijne vleugeladjudanten werkzaam waren. Hij
vertaalde het Nieuwe Testament en de Psalmen in het Tartaarsch. Van
tijd tot tijd kocht hij meer dan honderd knapen beneden de zeven en
elf jaar, doopte hen, en onderwees hen in het Latijn en Grieksch en leerde
hun het kerkgezang. Deze knapen waren in den beginne bijna uitsluitend
zijne hoorders, zoodat hij in één van zijne brieven schreef: »Ik houd de
godsdienstoefening met eene schaar van kinderen en zuigelingen." In het
nette kerkgebouw, dat woldra verrees, hing hij zes schilderijen op, die
geschiedenissen uit den Bijbel voorstelden en van onderschriften voorzien
waren, die in de Latijnsche, Persische en Tartaarsche taal opgesteld waren,
en dienen moesten om de onkundigen aangaande de beteekenis dier tafe-
reelen te onderrichten. De rijke Christelijke koopman Petrus de Lucalongo
kocht voor hem een stuk grond, in de nabijheid van het vorstelijk paleis,
waarop in 1305 een tweede kerk verrees. Monte Corvino verdeelde nu do
knapen, die de Liturgie zongen, in beide kerkgebouwen. De Chineesche
vorst luisterde met belangstelling naar hun kerkgezang, dat hij in zijn
paleis kon hooren. Deze zegen zagen de Nestoriaansche Christenen met
leede oogen aan. Zij verspreidden allerlei valsche beschuldigingen tegen
hom. Doch, toen zijne onschuld bleek, werden zij door Timur-Khau, den
opvolger van Koblai, met verbanning gestraft. Monte Corvino wist zelfs
den vorst Georgius, eenen nakomeling van den meermalen genoemden
priester-koning Johannes 1) van de Nestoriaansche tot de Katholieke kerk
over te halen. Velen zijner onderdanen volgden zijn voorbeeld. Georgius
hielp hem nu ijverig in de verbreiding van het Katholieke geloof. Hij
liet een prachtig bedehuis bouwen, waaraan hij den naam van Itoomsclw
kerk gaf. Zelfs was Georgius van plan de Roomsche Liturgie in de
volkstaal te laten vertalen, en haar in de kerken van zijn rijk in te
voeren. Doch zijnen dood in 1299 beletten hem dit voornemen te volvoeren.
Na den dood van Georgius kregen de Nestorianeu hier weer de overhand.
1) Zie bladz. 94.
-ocr page 108-
100
Monte Corvino had dringende behoefte aan hulp. Hij schreef in 1305
aan de leden zijner orde: »Daar ik alleen ben, en den keizer niet verlaten
mag, zoo kan ik mij ook niet naar die twintig dagreizen verwijderde
kerk begeven, maar als er eenige goede medearbeiders komen, zoo hoop
ik in God, dat alles weder goed gemaakt zal worden; want ik bezit nog
het privilegie, hetwelk de overleden koning Georgius mij gegeven heeft."
Volgens zijne brieven zou het hem met behulp van goede medearbeiders
waarschijnlijk gelukken den keizer te doopen. Van zich zelven schreef hij:
»Ik ben oud en grijs geworden, hoewel meer door arbeid en vermoeienis,
dan door het getal mijner jaren; want ik tel er pas acht en vijftig." —
De paus zond hem zeven Franciskaner monniken ter hulp, en gaf orders
te Peking een aartsbisdom te stichten, waarmede Monte Corvino werd
begiftigd. Johannes de Monte Corvino stierf in 132G, op den gezegenden
leeftijd van 80 jaar.
Paus Johannes XXII wilde dezen rijk gezegenden arbeid niet aan zijn
lot overlaten, en benoemde daarom de Franciskaner monnik Nikolaus tot
zijn opvolger, die hij met nog 26 andere monniken naar China zond.
Het is echter onzeker of zij hun bestemmingsoord hebben bereikt. De
Christenen in China ten minste beklaagden zich in 1338 bij den paus,
dat zij acht jaar lang van Evangeliedienaars verstoken waren geweest.
Omstreeks dienzelfden tijd zond de groote Khan een gezantschap naar
Eome, door hetwelk hij »des Pausen zegen en priesterlijke voorbede vroeg";
doch het schijnt dat dit gezantschap ook weinig gevolg heeft gehad. De
Christenen hier, die voor het meei\'endeel Nestoriaansch gezind waren,
bezaten te weinig levenskracht in zich zelven, om zich tegenover de
vijandige machten staande te houden; terwijl de Katholieke kerk verzuimde
derwaarts degelijke Evangeliedienaars te zenden.
De Portugees Vasco de Gama ontdekte in 1498 den weg ter zee naar
Oost-Indië. Kort daarna vestigden de Portugeezen hunne macht in bijna
geheel den Indischen Archipel. Franciskaner en Dominikaner monniken
werden derwaarts gezonden, om er de Katholieke kerkleer te verbreiden.
Van hunne pogingen is ons te weinig bekend, om daarbij stil te staan.
Do Jezuïeten namen daar weldra hunne taak over. En aangezien de arbeid
der Jezuïeten niet behoort tot de Katholieke maar tot de Roomsche zending,
valt die buiten ons tijdperk.
-ocr page 109-
101
3. AFRIKA.
a. De Noordkust.
En hiermede meenon wij Azië te kunnen verlaten, en richten onze
blikken naar Afrika. Wij hebben daar reeds vroeger Pranciskus van Assisi
werkzaam gezien 1); en na hem heeft het in Afrika ook niet aan zendings-
pogingen ontbroken.
De wapenen, van oude dagen af en tot op dezen dag door zendelingen
gebruikt, tot verdediging des Christendoms en bestrijding des Heidendoms,
zijn zeer verschillend.
Karel de Groote meende daartoe het zwaard te mogen en te moeten
gebruiken. Na hem ontstonden er zelfs geestelijke ridderorden, als die
der Zwaardbroeders en die der Duitsche ridders, die met dat wapen in
de hand tegen het Heidendom te velde trokken. Ook in de kruistochten
zien wij deze wijze van werken, al openbaarde zij zich daarin ook in
eenigszins anderen vorm. Onder ons zal het echter geen tegenspraak vinden
dat het ongeoorloofd en onbijbelsch is, om den «vrede door het bloed des
kruises" met het strijdzwaard te verbreiden.
Het machtigste wapen om het Evangelie ingang te doen vinden is de
dienende liefde. Zij, die naar de Heidenen gingen, niet om »gediend te
worden, maar om te dienen", hebben het meest tot stand kunnen brengen.
Toen Napoleon op St.-Helena gevangen zat, zeide hij ongeveer het vol-
gende: »Alexander, Caesar, Karel de Groote en ik, wij hebben groote
rijken gesticht; maar waar zijn zij gebleven? Ze waren op geweld gegrond,
en daarom zijn zij weer in het niet verzonken. Maar het rijk van Christus
is een rijk der liefde, en er zijn nog millioenen, die voor hem willen
sterven. Zijne heerschappij zal zich dan ook over de geheelo wereld uit-
strokken." Dit woord heeft groote beteekenis, vooral in den mond van
Napoleon. Omdat het rijk van Christus op liefde gegrond is, kan zijne
komst ook het best bevorderd worden door liefdedienst.
De wetenschap is ook van groot belang voor den arbeid der zending.
De Christelijke godsdienst toch is en blijft een redelijke godsdienst, en de
prediking van het Evangelie mag het karakter van ondertvyxeti (Matth.
1) Zie bladz. 93.
-ocr page 110-
102
28:19) niet verliezen. De zendelingen, die een warm hart en een helder
hoofd in zich vereenigen, zullen ongetwijfeld het best in hunne pogingen
slagen. Wel zouden wij een tal van zendelingen uit het eerste gedeelte
der middeleouwen kunnen noemen, die eene algemeene kennis bezaten;
maar zelden zien wij hen met het wapen der wetenschap het Heidendom
bestrijden. De algemeene onkunde der Germaansche volkeren maakte dit
ook niet bepaald noodzakelijk. In dezen tijd is het echter heel anders.
De Mohammedanen beoefenden met ijver de wetenschap; zoodat zij daar-
door nog het best tot andere gedachten konden gebracht worden. In dezen
tijd vertoonde zich een man op het tooneel der zendingsgeschiedenis, die
de Mohammedanen op wetenschappelijk terrein trachtte aan te vallen. Die
man is Baymund Lullus.
Iiaymimd Dullus is in 123G op het eiland Majorka geboren. Tot zijn
dertigste levensjaar was hij de hofmaarschalk van den koning der Balearische
eilanden, en leidde een wereldsch leven. Zijne schoone geestesgaven gebruikte
hij in den dienst der wereld, en zijn dichterlijk talent wijdde hij aan
zinnelijke liefde. Het behaagde God echter hem van het dwaalspoor terug
te brengen. Terwijl hij op zekeren nacht bezig was een minnedicht te
maken, zag hij plotseling het beeld van den gekruisigden Christus voor
zich. Dit maakte zulk een indruk op hem, dat hij zijn lied niet voort kon
zetten. Toen hij eenigen tijd later weder met dat gedicht wilde beginnen,
vertoonde datzelfde beeld zich opnieuw aan zijnen geest. Hij liet nu den
zondedienst varen, en koos den zendingsarbeid tot zijne levenstaak. Maar
hoe zou hij, onkundige leek, die reeds den leeftijd van dertig jaar had
bereikt, zijn voornemen vervuld krijgen? Terwijl hij hier ernstig over
nadacht, besloot hij een boek te schrijven, waarin hij het Christendom
tegenover het Mohammedanisme zou trachten te verdedigen, en dan wilde
hij tevens er bij den Paus op aandringen, dat er in de kloosters gelegen-
heid mocht gegeven worden tot het aanleeren van do Arabische taal;
opdat wanneer hij straks zijn boek klaar had, er ook mannen zouden
zijn, die de Saracenen in hunne eigene taal zouden kunnen aanvallen.
Toen hij een paar maanden later, op den vierden October, den dag,
waarop het gedachtenisfeest van Franciskus werd gevierd, de prediking
over de zelfverloochenende liefde van dien heilige aanhoorde, kwam zijn
plan tot volkomen rijpheid. Hij besloot het voorbeeld van Franciskus te
volgen. Daartoe verkocht hij zijne bezittingen, waarvan hij slechts zooveel
overhield, als tot onderhoud van zijne vrouw en kinderen kon strekken,
-ocr page 111-
103
en verliet zijne woning met het besluit haar nimmer weer binnen te
treden. Met onvermoeiden ijver leide hij zich nu op de studie toe.
Hij kocht een Saraceenschen slaaf, die hem het Arabisch leerde. Nadat
hij zijne studie voltooid had, hield hij overal voorlezingen over zijne
wetenschapsleer. In 1275 keerde hij naar zijn vaderland terug en wist
den koning van de Balearische eilanden te bewegen, dat hij op Majorka
een klooster stichtte, waar dertien Franciskaner monniken in het Arabisch
zoudon onderwezen worden, die na volbrachte studiën als zendelingen
onder de Saracenen zouden moeten werken. Hij wenschte, dat in allo
landen zulke zendingsscholen zouden verrijzen. Daartoe\'reisde hij in 1286
naar Eome; maar bij den paus vond hij geen toegenegen oor.
Het volgende jaar, 1287, besloot hij zelf als zendeling naar Noord-
Afrika te gaan. Hij reisde daartoe naar Genua. Terwijl het schip reeds
ter afvaart gereed lag, en zijne boeken al aan boord waren, deinsde hij
terug voor het vreeselijk lot, dat hem, naar hij meende, onder de
Mohammedanen te wachten stond. Het schip ging zonder hem in zee.
Doch nu beschuldigde zijn geweten hem in zoo hevige mate over zijne
ontrouw, dat hij daardoor lichamelijk ongesteld werd. En hij bleef ziek,
totdat hij in 1291 naar Afrika overstak. In het begin van 1292 kwam
hij te Tunis aan. Hij vereenigde een groot aantal Mohammedaansche
geleerden om zich heen, en gaf hun te kennen, dat hij het Christendom
met het Mohammedanisme wilde vergelijken, om, ingeval de gronden,
waarop het Mohammedanisme rustte, sterker waren dan die van het
Christendom, Mohammedaan te worden. Met eene bewonderenswaardige takt,
die van eene grondige kennis getuigt, bepleitte hij voor hen de Drieóenheid,
en de noodzakelijkheid van de menschwording van Christus. De eigen-
schappen Gods nam hij hierbij tot uitgangspunt. Hij zeide onder anderen:
»Iedere wijze moet dien godsdienst voor de ware erkennen, die aan God
de hoogste volmaaktheid toekent, van zijne afzonderlijke eigenschappen de
meest juiste begrippen geeft en op de beste wijze de gelijkheid en overeen-
stemming tusschen deze in het licht stelt." Lullus moest zijn stout optreden
echter weldra boeten met gevangenisstraf. Op voorspraak van eenen edelen
Mohammedaan werd hij wel weder in vrijheid gesteld, doch het gebied
van Tunis werd hem op straffe des doods verboden. Hij vertrok nu naar
Napels, waar hij voorlezingen hield, en begaf zich vervolgens naar Eome,
waar hij opnieuw, doch zonder gevolg, den Paus voor zijne plannen
trachtte te winnen. Tijdens zijn verblijf te Eome voltooide hij het boven-
-ocr page 112-
104
genoemde boek. Op meesterlijke wijze heeft hij daarin den Christelijken
godsdienst voor het verstand gerechtvaardigd, en de bezwaren der Moham-
medanen tegen hot Christendom ontzenuwd. En daar het juist den avond
voor het feest van Johannes den Dooper was, toen hij de laatste hand
aan dit belangrijke werk leide, zeide hij aan het slot: »Gelijk dit boek
voltooid is op de vigilie van Johannes den Dooper, die de heraut was
van het licht on met den vinger wees op Dengene, die het ware licht
is, zoo behage het den Heere Jezus Christus een nieuw licht voor de
wereld te ontsteken, opdat het de ongeloovigen tot hunne bekeering moge
verlichten en zij te zamen met ons komen tot den Heere Jezus Christus,
wion eer en prijs zij tot in eeuwigheid!"
Nadat hij vervolgens eenigen tijd op Majorka, Cyprus en in Armenië
had geleefd, waar hij Joden en Mohammedanen voor de waarheid van
het Christendom trachtte te winnen, stak hij in 1300 andermaal naar
Afrika over. Hij vestigde zich in de stad Bugia, en verklaarde aan een
ieder te willen bewijzen, dat het christendom de eenige ware, maar de
leer van Mohammed een valsche godsdienst was. Dat woord bracht veel
volk bij elkaar, dat hem niet zelden met eene hagelbui van steenen be-
groette. Een Arabisch wijsgeer vorderde van hem, dat hij zijne bewijzen
voor het Christendom en tegen het Mohammedanisme zou ontwikkelen.
Hij ontvouwde hem nu de leer der Drieëenheid, en zeide onder anderen:
»De goedheid van God kan niet werkeloos gedacht worden. Weigert men
echter de leer der Drieëenheid aan te nemen, zoo moet men zeggen,
dat Gods goedheid tot het begin der schepping werkeloos en dus onvol-
maakt is geweest. Tot het wezen van het hoogste goed behoort de mede-
dceling van zichzelven; maar deze kan niet dan in de leer der Drieëenheid
als volmaakt en eeuwig worden gedacht". De Mohammedaansche ge-
leerde trachtte tevergeefs zijne verdediging van het Christendom te weder-
leggen. Hij werd in de gevangenis geworpen. Men trachtte hem tot
het Mohammedanisme over te halen door de belofte van hooge eereposten
en groote rijkdommen, maar hij antwoordde: »En ik beloof u de grootste
schatten en het eeuwige leven, als gij dezen valschen godsdienst verlaten
en in Jezus Christus gelooven wilt." Na een halfjaar in den donkeren
kerker te hebben gezucht, werd hij uit het land verbannen. Het schip
dat hem naar Pisa over zou brengen werd een prooi der golven, en hij
redde met zijnen tochtgenoot nauwelijks het leven. En nu hield hij te
Pisa, Genua en andere plaatsen voorlezingen, waarin hij belangstelling
-ocr page 113-
105
voor de zending trachtte te wekken. Hij kreeg zelfs gedaan, dat aan de
universiteiten van Parijs, Oxford en Salamanka leerstoelen voor het Ara-
bisch werden opgericht.
Blakende van ijver voor de zendingszaak, en ook uit zucht naar de
martelaarskroon, begaf hij zich in 1314 voor de derde maal naar Afrika,
en vestigde zich weder in de stad Bugia. Zoolang hij zicli onder de
kleine kring van Christenen bewoog, die tijdens zijn vroeger verblijf aldaar
tot bekeering waren gekomen, kon hij onopgemerkt zijn werk verrichtten.
Doch zoodra hij openlijk met de verklaring voor don dag kwam, dat hij
dezelfde was, die men vroeger uit het land had verbannen, en van ieder
eischtte het Mohammedanisme te laten varen, werd hij op bevel des konings
gesteenigd. Alzoo stierf deze geloofsheld den marteldood in het jaar 1315,
op den leeftijd van 79 jaar. Het werd aan Majorkaansche kooplieden ver-
gund zijn lijk onder de steenhoopen vandaan te halen, on liet naar zijn
vaderland over te brengen.
b. De Westkust.
Behalve op de Noordkust van Afrika, werden er ook zendingspogingen
op do Westkust ondernomen, en men trachtte zelfs in do binnenlanden
van dat werelddeel door te dringen. Deze zending draagt echter weer een
geheel ander karakter. Men ziet hierbij dikwijls zending en politiek,
christianiseering en koloniseering nauw met elkaar verbonden.
De zending op de Westkust van Afrika vangt aan mot de ontdokkings-
reizen der Portugeezen. In 1364 werd de eerste tocht derwaarts onder-
nomen; doch naar het schijnt met weinig gevolg. Ongeveer eeno halve
eeuw later schonk paus Martinus V al de landen, die ontdekt mochten
worden tusschen de kaap Bajador en Indië, aan den Portugeeschen troon.
Dit gat\' aanleiding, dat de Portugeesche vorsten zich met onvermoeiden
ijver tooleidden op kolonisatie. De eene expeditie werd na de andere nit-
gezonden, en zij ontdekten achtereenvolgens Porto Santo, Madera, do
Kaap-Verdische en de Azorische eilanden, overschreden in 1471 zelfs
de linie, en bereikten in 148G Kaap de Goede Hoop. Kn ook de binnon-
landen van Afrika werden door hen bezocht. Overal waar zij kwamen knoop-
ten zij handelsbetrekkingen aan; terwijl zij ook niet zelden vorsten van
hunne tronen rukten, om Portugal met hun gebied te verrijken. Doch
naast dat .alles waren Franciskaner en Dominikaner monniken ijverig
-ocr page 114-
IOC
werkzaam, om daar de Katholieke kerkleer te verbreiden. Slaven werden
door hen geroofd en naar Lissabon gezonden, waar zij werden gedoopt
en tot geestelijken opgeleid. Zelfs verrezen op enkele plaatsen nette kerk-
gcbouwen.
De ontdekkingsreiziger Diego Cam voer zelfs de Kongo-rivier op. Hij
zond eenige inboorlingen naar Lissabon, waar zij vriendschappelijk ont-
vangen, gedoopt en met rijke geschenken naar hun vaderland terugge-
zonden werden. Toen de koning van het Kongoland dit hoorde, zond hij
een gezantschap naar den koning van Portugal, om een verbond met
dien vorst te sluiten, en verklaarde zich te gelijkertijd bereid het Chris-
tendom aan te nemen. In 1491 kwam hier nu eene Portugeesche vloot,
die een groot aantal zendelingen medenam. De koning Mani-Sogno liet
zich doopen, welk voorbeeld door velen zijner onderdanen, zoowel aan-
zienlijken als geringen, werd gevolgd. En zoo druk hadden de zende-
lingen het met doopen, dat «hunne handen moede en mat werden." De
invloed der Portugeezen nam nog meer toe, doordat zij eenen gevaarlijken
vijand van het Kongorijk mede hielpen verslaan. De zoon en opvolger
van Mani-Sogno, Alfonso geheeten, trachtte met gewold het christendom
in zijn rijk in te voeren. Overal hieuw hij do afgodsbeelden omver, waar-
voor kruisen verrezen. Hij besteeg zelf den kansel, en zoo meende hij
krijgsman en leeraar tegelijk te kunnen zijn. Duizenden lieten zich nu
uit vrees doopen. Het Christendom was bij hen echter niet meer als
een dun vernis, waardoor het heidendom nog zichtbaar doorschemerde.
Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat zij na den dood van
hunnen koning Alfonso in 1425 weer tot het heidendom terugvielen.
Het opgedrongen Christendom wilde hier niet tieren. Later namen de
Jezuieten het werk der Franciskaner en Dominikaner monniken over. Diego
Cam heeft ook Neder-Guinea ontdekt, met het gevolg dat de koning Inovo
van Angolo handelsbetrekkingen met Portugal aanknoopte en om chris-
telijke leeraars vroeg. Doch eerst de Jezuieten hebbon hier iets van be-
teekenis tot stand gebracht.
De zendingsarbeid der Franciskanen en Dominikanen in Oost-Afrika is
te onbelangrijk, om daarbij stil te staan, zoodat wij hiermede de Mid-
delecuwsche zendingsgeschiedenis in Afrika als afgehandeld kunnen be-
schouwen. Nu rest ons Amerika nog.
-ocr page 115-
107
4. AMERIKA.
Kort na do ontdekking van Amerika in 1492 trachtten do onderschei-
dene Europoesche mogendheden grondbezit in de nieuwe wereld te krijgen,
terwijl do Franciskaner en Dominikaner monniken derwaarts werden ge-
zonden, om daar do Katholieke kerkleer te verbreiden. Wij kunnen echter
weinig van hunne pogingen mededeelen. omdat zij slechts de voorloopers
van de Jezuïeten waren, wier arbeid niet behoort tot ons tijdvak. Maar
wij zien daarin dan toch, dat er ook toon nog zondingsgeest in de Katho-
lieke kerk was; al moet ook toegestemd worden, dat die zendingsgeest
evenals de kerk zelf in een dooden vormendienst was ontaard; en dat men
ook ten sterkste moet afkeuren dat het zendingdrijven met staatkundige
bedoelingen gepaard ging.
Toen Columbus in 1493 van zijne eerste reis weder naar Spanje terug-
keerde nam hij ook eenige inboorlingen uit de nieuwe wereld mede. De
koning Fordinand liet hen tot zendelingen opleidden. Nog in hetzelfde
jaar vertrok Columbus opnieuw naar Amerika, en nam twaalf priesters
mede; waarvan de Franciskaner monnik Juan Perrez de voornaamste was.
Deze bouwde in West-Indië het eerste kerkgebouw, en wel op het eiland
Hispaniola. Columbus wilde, dat die geestelijken eerst do taal der Indi-
anen zouden leeren, om hun het Evangelie te prediken in hunne eigene
taal; doch het schijnt dat zij hiertoe weinig genegen waren. In 1502 wer-
den er niet minder dan tien Franciskanen naar Hispaniola gezonden.
Bijna al deze mannen misten de geschiktheid om voor de Indianen ten
zegen te kunnen zijn. Eén man komt hier echter werken, waarin wij het
beeld van een waren zendeling aanschouwen. Die man is Franciskus Bar-
tolomeus de las Casas.
Bartolomeus de las Casas is in 1474 geboren. Na volbrachte studie
begeleiddo hij in 1502 Ovando naar St. Domingo. Acht jaar later werd
hij tot priester gewijd en werkte hier met grooten zegen. Zijn arbeid
beperkte zich echter niet tot St. Domingo, maar strekte zich uit tot Cuba,
Nicaragua, Peru en Mexico. De indianen noemden hem hunnen vader
en beschermer. Als vader heeft hij hen dan ook beschermd tegen de
onderdrukkers. Meermalen reisde hij naar Spanje om bij do regeering voor
hun welzijn te pleiten, en haar aan te sporen tot verdraagzaamheid jegens
de Indianen. Met de macht van het woord streed hij tegen de slavernij
-ocr page 116-
108
met het gevolg, dat Karel V den slavenhandel der Indianen verbood. Hij
heeft onderscheidene werken geschreven, waarvan »de Unico vocationis
modo" 1) het voornaamste is. In dit werk toonde hij aan, dat de heidenen
niet met geweld, maar door de Evangclieprediking voor het Christendom
moesten gewonnen worden. De Franciskaner en Dominikaner monniken,
die met het zwaard in de vuist den Indianen het christendom wilden op-
dringen, waren alles behalve gesticht over een zoodanig optreden van
Las Casas. Tot aan zijnen dood in 15G6 was hij onvermoeid als zende-
ling werkzaam.
Het schiereiland Florida, dat door een zekeren Cabot in 1492 ontdekt
is, en Florida genoemd werd, omdat men aankwam op Palmzondag —
Pascua Florida —; of ook om don schoonen indruk, die men kreeg van
de bloemrijke kusten, is ook door onderscheidene monniken bezocht. Doch
nauwelijks hadden zij voet aan wal, of de marteldood nam hen weer
weg; zoodat hier in dien tijd niets tot stand was te brengen.
Van de verschillende staten van Zuid-Amerika, werd vooral Peru in
dezen tijd door Evangeliedienaars bezocht.
Toen Pizarro in 1531 de beide hoofdsteden van Peru bezocht, trof
hij daar eene beschaafde staat aan. Volgens de volkssage had de zonnegod
zich voor 400 jaar ontfermd over den wilden en ruwen toestand dezer
bevolking en zond twee van zijne kinderen, namelijk Manco en üapak
met hunne vrouwen naar de aarde, om den zonnegodsdienst in te voeren.
Van dezen zouden hunne koningen afstammen.
Tegelijk met Pizarro kwamen hier Franciskaner en Dominikaner mon-
niken werken. De voornaamste van hen was Thomas de Santo Martino,
die hier met onvermoeiden ijver heeft gewerkt. Nadat Pizarro om het leven
was gebracht, werd hij eenparig tot onderkoning benoemd. Later werd hij
bisschop van Plata. en plantte met ijvor de banier des kruises.
De andere staten van Amerika leveren ons te weinig belangrijks om
daarbij stil te staan, zoodat wij hiermede onze zendingsgeschiedenis eindigen.
1) Over de eeitige wijze vftn roeping.