-ocr page 1-
f
m
W0MW
}T)ePion/er der Ghineesche Zending
I }L^UUB^I/N.
lith x P. J.Mnlder 3 eiden.
UB-ZUID
PKE
295
EIDEN, D.DOSTNER.
-ocr page 2-
ft —"
7.
-ocr page 3-
289,1
BIBLIOTHEEK
HENDRIK
K R *:. 5 M E R
IWiTITUUT
©t«ST<StEST
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000034250906B
3425 0906
-ocr page 4-
?jr
a
\\c8o£
KvV>
ROBERT MOERISON.
DE PIONIER DER CHINEESCHE ZENDING.
M. SCHUURMAN.
/SBB
ffiTSl
.4 «en
aebli
*^>i
MET EEN PLAATJE.
"SBSf^AgïH-
m<
P
LEIDEN. — D. DONNER.
Cv. X^fl
tc
-ocr page 5-
I
tl
S
®
o
a
e
o
o
-ocr page 6-
INHOUD.
Blz.
I.  In den schoenmakerswinkel.................................     3
II.  Eene grootsche onderneming................................     7
III.   Het geheim ontdekt........................................   12
IV.  Het reuzenwerk voltooid.....................................   20
V.  Welkom en vaarwel......................................   30
VI.  Bloeiende graven..........................................   36
-ocr page 7-
I.
f n fan grfutnmafcnrajfrital.
Op een donkeren herfstavond van het jaar 1798 treden wij
den winkel binnen van baas Moerison, die, te oordeelen naar
wat er zoo dagelijks omgaat, zeker een van de beste, zoo
niet de voornaamste schoenmaker is van Newcastle. Het is
er druk geweest vandaag. Moeeison heeft met zijne knechten
en zijn zoon duchtig op het leder los geklopt, ten einde
zijne vele klanten, zooveel mogelijk, op tijd te kunnen be-
dienen, waarop hij steeds bijzonder gesteld is. Na gedaan
werk is evenwel de rust aangenaam, en zoo denkt ook onze
schoenmaker er over, die, nadat de knechten vertrokken zijn,
en hij zijn schootsvel afgedaan, de gereedschappen geborgen
en zichzelven gereinigd heeft, zich nu, op het oogenblik
dat wij binnentreden, heel gezellig bij zijne vrouw en kinde-
ren in de woonkamer heeft nedergezet. Het is algemeen be-
kend, dat het bij Morkison aan huis zeer ordelijk toegaat.
Hij en zijne vrouw zijn rechtschapen, godvreezende menschen,
die het met vlijt en zuinigheid zoover gebracht hebben, dat
zij een tamelijk onbezorgd leven hebben en aan hunne kin-
deren eene goede opvoeding kunnen geven. Z\\] hebben daarbij
in dit jaar een bijzonder groot voorrecht ontvangen, dat alle
waarlijk godvreezende ouders boven alle dingen voor hunne
kinderen van den Heere begeeren. Dit voorrecht betreft hun
zoon Robert, van wien wij in dit verhaal zullen spreken.
Hij was geboren den 5den Jan. 1782, toen zijne ouders nog
-ocr page 8-
4
te Morpeth in Northumberland woonden. Toen hij drie jaren
oud was, verhuisden zij naar Newcastle, waar Moreison, ge-
lijk gezegd is, zich al spoedig een goeden naam verwierf.
Van den kleinen Robekt was toen nog niets bijzonders te
zeggen. Hij was op zijn tijd naar eene school gezonden; had
zijn leermeester nu eens redenen gegeven om tevreden, dan
eens weer om bezorgd over hem te zijn, en zoo waren eenige
jaren voorbijgegaan, toen plotseling eene sterke begeerte
naar kennis in hem ontwaakte. Met reuzenschreden ging hij
nu vooruit. Hij werd een geliefd leerling van zijne onder-
wijzers en ook van Ds. Hutton, bij wien hij ter catechisatie
ging. Aan een sterk geheugen paarde hij een even sterken
wil, waarvoor als bewijs kan worden aangehaald, dat hij, als
knaap van twaalf jaren, op een Zondagavond in de kerk,
den geheelen 119den Psalm opzeide, zonder eene enkele fout
te maken. Dat zulks zijnen ouders zeer naar den zin was,
is licht te begrijpen en vader Mokeison dacht, dat er later
een flinke schoenmaker uit hem zou groeien. Althans, toen
hij veertien jaren oud was geworden, werd hij van de school
genomen en moest hij op het driestalletje in \'s vaders win-
kel plaats nemen. Helaas! al het goede, dat hij tot heden
had geopenbaard, scheen nu van lieverlede weer, als een
morgenwolk, weg te trekken. Het was, als werden de goede
indrukken, in zijne vroege jeugd ontvangen, onder den in-
vloed van slechte vrienden, geheel uitgewischt. Met groote
bezorgdheid sloegen zijne ouders deze verandering gade. Een
tijdlang dachten zij niet anders of hun zoon, op wien zij
reeds zulke grootsche verwachtingen hadden gebouwd, zou
een groote losbol worden. Intusschen, hoever hij ook af-
dwaalde, zij hielden niet op hem met tranen te vermanen.
Vurig baden zij den Heere om zijne bekeering, en hun gedurig
gebed werd dan ook niet beschaamd, want de gezegende dag
kwam, dat hun Robert van zijnen dwaalweg berouwvol terug-
keerde, en met eene hartelijke schuldbelijdenis zich aan den
-ocr page 9-
5
dienst des Heeren verbond. Die omkeering was voor eens en
voor goed. Terstond zeide hij zijn vrienden vaarwel, van
wie hij niets dan kwaad had geleerd. Hij koos zich anderen,
met wie hij, in zijne vrije uren, samenkwam om te bidden
of\' uitging om kranken te bezoeken, en zoozeer kwam nu
de lust tot onderzoek weer bij hem boven, dat hij zich nau-
welijks den tijd gunde om te eten of te slapen. Des daags
was de winkel zijne werkplaats, des avonds en vaak tot diep
in den nacht zijne studeerkamer. En het was niet alleen de
Bijbel, waarin hij zijne groote vreugde vond; alle boeken,
waaruit hij meende iets te kunnen leeren, werden letterlijk
door hem verslonden. Hij zocht kennis, kennis! zijn dorst
was onleschbaar. Uren aaneen kon hij daar liggen, op een
bank uitgestrekt, met het hoofd tusschen de handen en een
geopend boek voor hem. In die houding vinden wij hem ook
op het oogenblik, dat wij u het huis van Morrison hebben
binnengeleid. Het gedruisch van stemmen dringt uit de woon-
kamer tot hem door, maar het hindert hem niet. Hij hoort
het niet, hoe dikwijls daar binnen over hem gesproken wordt;
hoe Thomas, de andere zoon, het maar kwalijk verdragen
kan, dat hij zich steeds afzondert, om te lezen in boeken,
die voor hem geen aantrekkelijkheid bezitten; hoe zijne zus-
ter Hanna hem dan verdedigt, en hoe menigmaal zijn vader
en moeder zichzelven afvragen, waarop toch die leerwoede
van Robert nog eenmaal uitloopen mag? Dat alles weet hij
niet en schijnt hem ook niet te bekommeren. Maar ook zij
weten niet, wat er omgaat in het hoofd van dien jongen,
die het schoenmaken als eene bijzaak, en de studie, het ge-
bed, het bezig zijn in de dingen der eeuwigheid als de hoofd-
zaak beschouwt. Het mag bij hen vaststaan, dat de vreeze
des Heeren diepe wortelen in zijn hart heeft geschoten; en
dat de Voorzienigheid Gods een geheel bijzonderen weg voor
hem heeft uitgelezen, dit mogen zij somtijds vermoeden, maar
welke grootsche gedachten, eerst met nevelachtigen, maar
-ocr page 10-
6
straks met duidelijken en vasten omtrek, in hem woelen en
werken, dit is voor hen een geheim. Hij spreekt er niet van,
dat in zijn hart eene steeds groeiende begeerte leeft om den
Heere in het Evangelie te dienen, in plaats van zijns vaders
handwerk te leeren. Hij gelooft dat God regeert en dat het
beter is de toekomst aan Zijne handen over te geven, dan
zelf een weg te banen, waarvan hij nog niet zeker weet, of
hij dien bewandelen mag. Maar voor ieder, die het zien wil,
is het duidelijk, dat Rohekt voor schoenmaker niet in de
wieg is gelegd. Hij geeft zijn vader geen reden tot ontevre-
denheid; hij doet zijn werk zoo goed als de anderen, maar
zijn lust is toch in iets anders. Velen moge het nauwelijks
een zucht kosten, maar hem ligt het als lood op de ziel, dat
er zoovele tientallen in zijne stad, zoovele duizendtallen in
zijn Vaderland, zoovele millioenen in de wereld zijn, die Je-
zus Christus niet kennen als hun Zaligmaker, en daarom
zonder God en zonder hope voortleven. Zijn hart wordt
week, als hij er aan denkt. Zou hij.....? — de vraag komt
nog niet over zijne lippen, ofschoon zij er op brandt, maar
later las men in zijn dagboek, wat hij in die dagen geschre-
ven had: „Ik ben nu bezig Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch
te leeren. Ik weet niet, wat het einde er van wezen zal, God
weet het. Het is mijn verlangen, dat het Hem behagen moge
mij in het leven te sparen, en mij de gelegenheid te geven,
dat ik Hem moge dienen in het Evangelie. O Heere mijn
God, mijne hoop is op U en op U alleen. Wees mij zon-
daar genadig, door Christus mijn Zaligmaker, en geef, zoo
het U behagen kan, uw zegen op mijn pogen. Amen."
-ocr page 11-
IL
€ene grflfltgche onderneming.
Achttien maanden, nadat Robekt Moerison had begonnen
Latijn te leeren, verliet hij zijn ouderlijk huis, om er nim-
mer weder geheel terug te keeren. Zijn gebed, dat de Heere
hem de gelegenheid mocht openen om voor den dienst des
Evangelies te worden opgeleid, was verhoord. Zijn vader,
ziende hoe begeerig hij was naar kennis, had de toestem-
ming tot zijn vertrek niet kunnen weigeren en blijde ging
hij heen, niet wetende wat God met hem doen zou, maar in
de vaste overtuiging, dat hij geroepen zou worden tot een
heerlijk werk. Hij kwam op eene school in Londen, waar
hij onder zijne leeraren mannen vond, die uitmuntten in ken-
nis en godsvrucht. Onder hunne zorg kon hij zijn dorst naar
kennis naar hartelust bevredigen. Maar — is niet de jeugd
van vele groote mannen gekenmerkt door strijd, door tegen-
stand, die hen van hun doel scheen te zullen terughouden,
doch die achterna bleek noodig en goed te zijn geweest, om
hunne kracht te stalen, hun geestdrift hooger te doen op-
vlammen, en hunne levenstaak duidelijker voor oogen te stel-
len? Zoo ging het ook met Robeet. Hij ondervond dat het
moeilijker gaat bergopwaarts te klimmen, dan over een effe-
nen weg voort te wandelen. Nog maar ééne maand was hij
te Londen, toen de tegenstand begon, en — dit was voor
hem zoo pijnlijk — hij kwam van de zijde zijner eigene fa-
milie. Zijn broeder schreef hem een niet zeer vriendelgken
-ocr page 12-
8
brief, waarin hij hem mededeelde, dat hun vader krank was
en dat het daarom was goedgevonden, dat Robert weder
thuis zou komen. Wat moest hij nu doen? Niet gaarne stond
hij den wensch zijns vaders tegen, vooral niet, sinds hij het
vorige jaar zijne moeder door den dood had verloren. Maar
mocht hij teruggaan, waar hij de stem des Heeren zoo dui-
delijk in zijn binnenste vernam, die hem het „Voorwaarts!"
toeriep? Bovendien, hij doorzag zeer goed, dat deze terug-
roeping minder het gevolg was van zijns vaders ongesteld-
heid, dan van zijns broeders onwil, en in het antwoord dat
hij naar huis zond, drong hij er ernstig op aan dat men toch
niet roekeloos met hem handelen zou, door hem af te trek-
ken van een werk, waartoe hij zoo duidelijk de roepstem
zijns Gods vernemen kon. De brieven, die hij sinds dien tijd
ontving waren minder hartelijk, dan hij verwachten mocht.
Een beslisten eisch legde zijn vader hem niet voor; eene
besliste weigering gaf hij niet, maar de verhouding bleef
eenigszins gespannen. Intusschen zette hij zijnen loop voort,
en op kennelijke wijze werd zijn pogen door den Heere ge-
zegend. Weldra begon hij in de dorpen om Londen te pre-
diken; hij bezocht de armen en kranken, en alle tegenstand,
dien hij ondervond, en die hem leerde, op God alleen zijn
vertrouwen te stellen, werkte niets anders uit, dan dat met
eiken dag de begeerte sterker in hem werd, om te mogen
zijn — een Zendeling onder de heidenen. Toen hij dit ver-
langen aan enkelen bekend maakte, stelde men hem al de
moeilijkheden voor oogen, die aan het zendingswerk verbon-
den waren. Men ried hem, in het vaderland te blijven; er
was immers werk genoeg; men bood hem eene kostelooze
opleiding aan eene van de Schotsche Universiteiten aan; dan
kon hij predikant worden, maar hoe uitlokkend dit aanbod
ook wezen mocht, hij wees het, na er ernstig over te hebben
nagedacht, met beleefde beslistheid af, en op den 27sten Mei
1804 schreef hij een brief aan het Londensche Zendeling-
-ocr page 13-
9
genootschap, waarin hij zich aanbood voor het werk der
heidenzending. Niet gering was de tegenkanting, die hij nu
van schier alle zijne betrekkingen ondervond. Zijn broeder
Thomas maakte zich weder bijzonder druk. Maar de vaste
overtuiging dat hij in Gods weg was, deed hem ook ditmaal
alle weerspraak overwinnen. Hij schreef hem: „Ik zal terug-
komen, ik zal mijn voornemen laten varen, ik zal mijn hart
met geweld het zwijgen opleggen en tot het bedrijf mijns
vaders wederkeeren, indien mijn vader of andere vrienden
zulke gewichtige redenen daarvoor kunnen aangeven, dat
mijn geweten mij, op het sterfbed, niet veroordeelen zal."
Konden zij zulke redenen noemen? Geene enkele. Hij ging
dus voort. Het examen, dat hij voor het bestuur van het
Zendelinggenootschap aflegde, was zóó bevredigend, dat de
vaste gewoonte om nog een tweede onderzoek in te stellen,
voor hem niet noodig werd gekeurd. Terstond werd hij aan-
genomen en naar Gosport gezonden om onder leiding van
Dr. Boque tot Zendeling te worden opgeleid. Ruim een jaar
daarna trok hij opnieuw naar Londen, om zich te oefenen
in de geneeskunde, sterrekunde en alle wetenschap, welke
hij maar bemachtigen kon. Het was nog niet bepaald, waar-
heen hij zou gezonden worden. Hij hoopte, dat men hem
voor Afrika bestemmen zou; maar God had voor hem een
ander land uitgekozen.
Zie, daar zit in de boekerij van het Britsche Museum een
jongeling, verdiept in zijne studie. Een heer, die hem reeds
eenigen tijd heeft gadegeslagen en nieuwsgiei-ig is geworden,
welk onderwerp hem toch zoo mocht boeien, nadert hem,
en, zich verontschuldigende over zijne vrijpostigheid, zegt
hij: „Vergun mij eene vraag: in welke taal is dat boek, met
zulke vreemde teekens, geschreven?" — „In het Chineesch,"
antwoordt hij bescheiden. — „Kent gij dan die taal?" — „Ik
beproef het te verstaan," zeide Moerison, „maar het is zeer
moeilijk." — „Wat beweegt u dan," vroeg de heer Buttee-
-ocr page 14-
10
worth, „eene taal te leeren, die zoo moeilijk is, dat geen
Europeaan, naar men zegt, ze bemachtigen kan?" — „Ik
kan moeilijk mijne beweegredenen noemen," merkte hij op,
„al wat ik weet is, dat mijn gemoed er mij onweerstaanbaar
toe dringt, en indien menschelijke ijver en volharding in staat
zijn de moeilijkheden te overwinnen, dan hoop ik die erva-
ring op te doen. Wat het gevolg er van wezen zal, moet
de tijd leeren, tot heden heb ik er geen bepaalde bedoeling
mede, behalve het verkrijgen van de taal zelve."
Neen, Morrison wist het nog niet en de heer Butterworth
nog minder, waarom hij zoo machtig gedreven werd om de
Chineesche taal te bestudeeren, maar spoedig zou het hem
duidelijk worden; het was — opdat hij de eerste protestant-
sche Zendeling in China zou zijn. Dat was waarlijk eene
grootsche onderneming! Wie had sinds eeuwen zich over
den geestelijken toestand van China bekommerd? Wie had
zich herinnerd dat ook voor dit land, met zijne meer dan
driehonderd millioen inwoners, dat de groote rijken der oud-
heid gekend en overleefd had, dat, ofschoon door een kolos-
salen ringtnuur van de andere volken afgescheiden, eene be-
wonderenswaardige hoogte van beschaving bereikt en zichzelf
in vele kundigheden geoefend had, dat ook voor dit merk-
waardige land het woord van Petrus gold: „Er is ook onder
den hemel geen andere naam, die onder de menschen gege-
ven is, door welken wij moeten zalig worden?" — Zeker, er
waren kooplieden, en er waren Roomsch-Katholieke Zende-
lingen, maar wie hunner kende de taal van het land, en
wien was het er om te doen, den Chinees te leeren, dat ook
voor hem geene zaligheid was te hopen, dan alleen, wanneer
hij gelooven wilde in Christus Jezus!
Het scheen een hopeloos ondernemen, maar Morrison zou
het beproeven. Eerst zocht het bestuur nog twee anderen,
die hem naar China zouden vergezellen, maar dezen waren
niet te vinden en hij nam de zware taak alleen op zich,
-ocr page 15-
11
blijde, dat de Heere hem riep tot een werk, dat moeite zou
kosten. Nog veertien dagen bracht hij te midden van zijne
betrekkingen en vrienden te Newcastle door, in welken tijd
hij dertien malen predikte. Hij vermaande allen hartelijk en
ernstig vóór alle dingen het ééne noodige te zoeken. Toen
zeide hij hun vaarwel, om velen op aarde niet weder te zien.
Op plechtige wijze werd hij, tegelijk met nog twee anderen,
die voor andere plaatsen bestemd waren, op den 8sten Januari
1807 geordend tot zijn werk, en den 27Bten van diezelfde maand
ging hij aan boord, niet wetende, wat hem ginds ontmoeten
zou, maar tot elk offer bereid, om de eere van God te zoe-
ken in de redding van arme zondaren.
-ocr page 16-
III.
fet geheim ontdekt.
Op een stok geleund, stond Moerison op het dek van het
schip, dat hem naar Amerika zou overbrengen, vanwaar hij
met een ander schip naar China zoude Varen. Zijn oog stond
zeer ernstig; groote gedachten doorkruisten zijn brein, maar
zijn hart wankelde niet. Vast stond hij in het vertrouwen,
dat God hem riep tot de taak welke hij nu ging onderne-
men. Wel ontveinsde hij zich de moeite niet, die er aan
verbonden was. De vijand, dien hij bestrijden zou, was tot
heden nog altijd ontzien; de groote akker, dien hij bearbei-
den zou, had tot heden de ploegschaar van Gods Woord
nog niet gekend; de macht van zonde en bijgeloof, die hij
wilde aangrijpen en nedervellen, indien het mogelijk ware,
was tot heden nog ongebroken — maar hij was op alles
voorbereid; \'t zij in het leven, \'t zij in het sterven, hij was
des Heeren. Met eerbiedige bewondering zagen de beide an-
dere Zendelingen tot hem op. Ook zij verlieten alles, wat
hun dierbaar was, om in verre landen het Evangelie der za-
ligheid te prediken, maar zij bekenden het toch zichzelf, dat
zij tot een reuzenwerk, als waartoe Morrison zich had aan-
gegord, geen moed zouden hebben. Zij erkenden hem als
hun meerdere; zij waren jaloersch op de kalmte van zijn
gemoed. En inderdaad, mochten anderen hem overtreffen in
gaven, die veel meer schitterden voor het oog van de wereld
dan de zijne, in godsvrucht, toewijding en ijver stond hij bij
niet velen ten achter, en dit maakte hem juist voor zijne toe-
-ocr page 17-
13
komstige loopbaan tot een geschikt werktuig in Gods hand.
De reis naar Amerika duurde lang en bracht zijn leven
in het grootste gevaar. Er stak een woedende storm op,
waarin vele schepen vergingen, en ware het schip, waarop
Morrison zich bevond, niet zoo sterk gebouwd geweest, dan
had hij, naar den mensch gesproken, China nimmer gezien.
Eindelijk toch kwam hij behouden in New York aan. Hier
bleef hij eenigen tijd, ten einde van verschillende hooge per-
sonen, die in de Chineesche handelsplaatsen betrekkingen
hadden, brieven van aanbeveling te vragen. Dit gelukte hem
ook volkomen, maar hoezeer men zijn doel, om aan China
het Evangelie te brengen, ook prees, nergens gaf men hem
eenige hoop, dat zijn voornemen voor uitvoering vatbaar
was. Zij, die China kenden, zeiden tot hem: „ga rnaar terug,
gij kunt u geen denkbeeld vormen van de moeilijkheid om
de Chineesche taal te leeren, want het is den Chineezen,
zelfs op straffe des doods verboden, de vreemdelingen met
de geheimen hunner taal bekend te maken." Dit klonk ont-
moedigend. Evenwel liet Morrison er zich niet in het minst
door uit het veld slaan. Toen een rijk koopman hem vroeg:
„Ei zoo, mijnheer Morrison, verwacht gij dan wezenlijk, dat
gij den afgodsdienst van het Chineesche keizerrijk afbreuk
zult doen?" gaf hij ten antwoord: „Néen, ik verwacht, dat
God het zal doen." Dit was zijne hoop en zijne sterkte te-
vens. Wat maakte het uit of menschen tot hem zeiden: het
is onmogelijk, daar toch de Heere, bij Wien geen ding on-
mogelijk is, gezegd had: „Gaat dan heen in de geheele we-
reld, predikt het Evangelie aan alle creaturen?" — Geen
nood! Hij stak de aanbevelingsbrieven, die men hem bereid-
willig had gegeven, in den zak, nam gemoedigd afscheid
van zijne medezendelingen en van de vrienden, die hij zich
hier verworven had, en ging zijns weegs, het oog ten hemel
geslagen. Na eene voorspoedige reis van niet minder dan
vier maanden kwam hij behouden op Macao, een eiland dicht
-ocr page 18-
14
bij de Chineesche kust, aan. Tot zijne groote vreugde vond
hij hier al spoedig eenige Amerikaansche handelaren, die,
na zijne aanbevelingsbrieven gelezen te hebben, hem hartelijk
verwelkomden, maar ook allen het hoofd schudden over zijn
stout ondernemen. Hieraan was Moeisson al zóó gewoon ge-
worden, dat hij er nauwelijks meer op lette. Het was hem
genoeg, dat men hem beloofde, waar hij het noodig mocht
hebben, hem met raad en daad bij te staan. Hij reisde ver-
der naar Canton, waar hij door den Consul van de Vereenigde
Staten van N.-Amerika werd \'ontvangen, en in huis opgeno-
men, maar hoe vriendelijk en voorkomend zijn gastheer ook
wezen mocht, de onkosten, die hij hier noodwendig maken
moest, liepen zoo hoog, dat hij nog voordeeliger zelf eene
woning kon huren, zoo hij meende. Nu, het huis, waar
hij kort daarna zijn intrek nam, was er dan ook naar. Het
was zóó slecht, zóó open, dat hij ook bijna even goed op
straat had kunnen gaan zitten. Maar het was Moebison ge-
noeg. Hij vroeg niet naar genot, zoo hij maar eene plaats
mocht hebben, waar hij aan zijne plannen een begin van
uitvoering kon geven. Daar zat hij nu, eenzaam, in het
vreemde land, waar hij, naar veler voorspelling, niets dan
teleurstelling oogsten zou. Eenzaam, ja, maar gemeenzaam
met zijnen God; en is Hij niet machtig om alle menschelijke
berekeningen te schande te maken? Men had Moerison ge-
zegd, dat hij niemand zou vinden, die hem wilde onderwijzen
in het Chineesch, maar weldra kon hij aan zijne vrienden in
Engeland schrijven: „ik heb er al twee. De eene is Le Seën-
sang, een geleerd man, en die niet zoo bevreesd is als de
kooplieden, en de ander is Abel Yun, een agent van de
Roomsche Zendelingen, die ook vloeiend het Latijn spreekt."
Wat was Mokkison blijde, dat hij zulk eene goede tijding
hun melden kon! Zijn hart sprong in hem op, zooals blijkt
uit hetgeen hij in dienzelfden brief er aan toevoegde. Hij
schreef: „Het is wel eene gevaarlijke onderneming, maar het
-ocr page 19-
15
is niet twijfelachtig of wij hier met het Evangelie op de
rechte plaats zijn. De Zendeling van Jezus zal zichzelven
wel verwijten, dat hij zijnen Heere niet beter heeft gediend,
maar niet, dat hij een Zendeling was. O Golgotha, Golgotha,
als ik het bloed van Jezus zie, stroomend uit zijne zijde, dan
ben ik verbaasd, hoe ik zoo koel kan zijn en zoo traag in
het volbrengen der plichten, welke de liefde van Jezus op
mij legt. Ja, o Vader, uwe liefde in het zenden van uwen
Zoon, en o mijn Heiland, uwe liefde in het geven van Uzelf,
en o Heilige Geest, uwe liefde in het toepassen van Jezus\'
verlossing voor mijn schuldig geweten, zij vervulle mij en
dringe mij te leven, niet voor mijzelf, maar voor U."
Zoo schreef, zoo bad hij, en bij het gebed voegde hij van
stonden aan het werk. In zijne kleine kamer, laag van ver-
dieping, waar hij studeeren, eten, slapen, alles doen moest,
liet hij zich, zooveel en zoo dikwijls door zijne beide leer-
meesters onderrichten, als zij slechts wilden. Hij vertoonde
zich zoo weinig mogelijk op straat; vertelde nooit, dat hij
uit Engeland kwam en las zijn Bijbel steeds met gesloten
deur, want, kwam men den eenen dag te weten, wat hij in
het schild voerde, hoogstwaarschijnlijk zou hem den volgen-
den dag reeds bevolen worden het land te verlaten. Om dit
te voorkomen moest hij zoo voorzichtig mogelijk te werk
gaan en veel voor lief nemen, wat anders niet weinig zijne
verontwaardiging zou hebben opgewekt. Men liet hem zijn
armoedig huis peperduur betalen; evenzoo zijn maaltijd; niet
minder de lessen, die hij ontving; daarbij kwamen nog vele
andere uitgaven, die hij noodzakelijk doen moest, ook be-
droog men hem op allerlei wijze, zoodat de Zendingskas in
Engeland weldra gevoelig kon merken, dat er in China een
Zendeling woonde, hetgeen voor kwaadwilligen den schijn
gaf, alsof Moerison zijne leefwijze op tamelijk weelderigen
voet had ingericht. En toch leefde hij zuinig, armoedig zelfs,
want die groote uitgaven waren niemand meer een doorn in
-ocr page 20-
16
het oog dan hem zelf. Doch, wat kon hij er aan doen? Ter
wille van de groote zaak, aan wier welslagen zooveel gele-
gen was, en die in waarde immers bij goud niet kon verge-
leken worden, moest hij wel zwijgen en verdragen, daar de
minste fout voor hem noodlottig kon zijn. Men mocht, vooral
in den eersten tijd, niet weten, wie hij was en wat hij kwam
doen. Hij was een verspieder van Koning Jezus, uitgezon-
den, om te verkennen, op welke wijze het best de aanval op
China geschieden kon, en gelijk een verspieder zich zooveel
mogelijk verbergt, zoo ook hij. Zelfs, hoe groot deze opof-
fering ook voor hem wezen mocht, hij ging er toe over, de
kleeding en de gewoonten der Chineezen aan te nemen. Zoo
wilde hij de aandacht van zich afleiden. Den Chineezen een
Chinees! Dat was immers ook naar het Woord, dat hij hun
brengen kwam? Hij liet zijn haar afscheren, behalve op eene
plek aan het achterhoofd, waar hij een staart liet groeien,
die naar Chineesche gewoonte, als een touw ineengedraaid,
op den rug afhing; ook liet hij zijn knevel groeien en de
nagels aan zijne handen; vervolgens kocht hij zich groote,
breede schoenen, terwijl het witte kleed en de strooien hoed
zijne uitrusting voltooide. Wonderlijk zag hij er nu uit; hij
herkende nauwelijks zichzelven, maar zou hij zich dit offer
niet gaarne laten welgevallen, zoo hij hierdoor beteren toe-
gang kon verkrijgen tot dat volk, dat er niet alleen even
wonderlijk uitzag, maar dat ook daarenboven zoo diep ellen-
dig was in geestelijk opzicht? — In zijne kamer gezeten,
kon hij ze zien, de afgoden en hunne dienaars. Daar zag hij,
hoe een Chinees een groot steenen beeld naderde. Hij wierp
er zich op de knieën voor neder; rekte zich het lichaam uit;
liet zich dan met uitgestrekte armen voorover vallen en ver-
borg zijn aangezicht in het stof. Dan stond hij op, herhaalde
dezelfde beweging, tot twee, tot drie, soms tot zesmalen toe,
al naardat hij er behoefte aan gevoelde. Zoo aanbad dat
volk, dat alle andere volken barbaren durfde noemen. Hoe
-ocr page 21-
17
diep waren zij gezonken! O, toen Morrison dit zag, riep hij
uit: „Dierbare Bijbel, die den ïnensch weder de kennis brengt
van den waren God. Gezegende Jezus, die in den schoot des
Vaders waart, en die Hem ons hebt verklaard I"
Vurig verlangde hij naar het oogenblik, dat hij tot de
menschen zou kunnen spreken om hun te verkondigen den
onbekenden God. Zou die tijd ooit komen? Hij wist het niet.
Ongekend moeilijk was de taal; van zijne leermeesters moest
hij veel onaangenaams verdragen om ze in het humeur te
houden; het gevaar van uit China verbannen te worden, hing
hem steeds als het zwaard van Damocles, dreigend boven
het hoofd, en door ontbering, overmatige studie en zorg viel
hij ten laatste in eene gevaarlijke ziekte. Er was niets aan
te doen; hij moest Canton verlaten en op Macao herstel van
zijne gezondheid zoeken. Doch die tijd van gedwongen rust
was voor hem tegelijk een tijd van groote verkwikking, want
bij de familie Morton ontving hij zulk een vriendelijk ont-
haal en zulk eene teedere verzorging als hij slechts wenschen
kon. Kennelijk was de Heere met hem. Hij zegende zijn ver-
blijf in dit huis, want de zoon en de dochter van den heer
Morton werden beiden, door middel van hem, tot den Heere
Jezus geleid, en in deze dochter vond hij straks eene lieve,
trouwe echtgenoote, met wie hij den 20sten Febr. 1809 in
het huwelijk trad.
Intusscben waren de moeilijkheden zoo toegenomen, dat
het scheen, als zou hij zijn arbeid niet kunnen voortzetten.
De bitterheid van de Chineezen, die bemerkt hadden, dat hij
bezig was hun het taalgeheim te ontfutselen, en de vijand-
schap der Roomsch-Katholieke Zendelingen en van eenige
kooplieden, tegen hem, was zóó groot, dat hij reeds voor-
nemens was China voor een tijd te verlaten en zich te Pe-
nang, op Java, te vestigen, toen hij juist op den dag van
zijn huwelijk, het aanbod ontving van de Oost-Indische
Compagnie om de betrekking van tolk te vervullen, tegen
B. M.                                                                                                                                  2
-ocr page 22-
18
een jaarlijksch inkomen van 6000 gulden. Dat was waarlijk
eene uitkomst! Met beide handen greep hij dit voordeelige
aanbod aan. Het ontlokte een psalm des lofs aan zijne ziel,
vanwege de teedere zorg, welke de Heere daarin toonde,
voor hem te dragen. Want zijne vijanden mochten daarvan
zeggen, wat zij wilden; zij mochten hem verwijten, dat hij,
die geroepen was Zendeling te zijn, zich met den handel in-
liet, door zich te verbinden aan de Oost-Indiscbe Compagnie,
maar hij, wiens hart naar niets anders hunkerde dan om
dienaar van Jezus Christus te zijn, hij zag daarin de gunstige
beschikking des Heeren, die hem alzoo den weg baande om
zijnen arbeid te kunnen voortzetten. Immers als tolk van de
Compagnie mocht niemand hem kwaad doen of verjagen;
het verschafte hem de gelegenheid met alle vormen en eigen-
aardigheden van de Chineesche taal op de hoogte te komen;
door zijn inkomen behoefde hij voortaan de Zendingskas in
Engeland minder lastig te vallen, en het werk, dat hij voor
de Compagnie te verrichten had, liet hem nog tijd genoeg
over om het doel steeds voor oogen te houden, waartoe hij
in China gekomen was. Meer en meer stelde de uitkomst
hem dan ook volkomen in het gelijk. Neen, de Zendeling
ging niet op in den koopman. De vrijheid, die hij nu bezat,
om ongehinderd met de Chineezen te verkeeren, werd door
hem goed gebruikt. Hij had een ander huis gehuurd, dat
zijne gezondheid minder in gevaar bracht, en al kon hij zijne
vleugelen nog niet uitslaan zooals hij begeerde, hij had zich
toch reeds zooveel van het Chineesch eigen gemaakt, dat hij
tot degenen, die bij hem wilden komen, kon spreken van
den eenigen Zaligmaker, Wiens bloed machtig was, tot rei-
niging, ook van den Chinees. Soms had hij er tien bij zich
in de kamer. Dan sprak zijn mond, dan bad zijn hart en al
wat in hem was worstelde om het behoud van eene enkele
ziel. Doch dit was nog het minste. Aan een grooter werk
legde hij de hand, dat, eenmaal ten uitvoer gebracht, onge-
-ocr page 23-
19
twijfeld meer vrucht zou afwerpen voor Gods Koninkrijk,
dan wanneer hij aan duizend Chineezen het Evangelie kon
prediken. Hij begon aan de vertaling van den Bijbel, en aan
de samenstelling van een Engelscb-Chineesch Woordenboek.
Toen hij het plan daartoe aan zijne vrienden in Engeland be-
kend maakte, lachten velen ongeloovig, en zeiden dat hij dit
reuzenwerk nooit zou kunnen tot stand brengen of hij moest
wel tien levens hebben, maar toen weldra de eerste vertaling
van de Handelingen der Apostelen in Engeland aankwam,
waarvan Mobrison duizend exemplaren had laten drukken,
om ze onder de Chineezen te verspreiden, toen kwam de
beurt aan zijne vrienden om te juichen en de vijanden wer-
den stil. Groot waren de vorderingen die hij maakte in zijne
taalkennis. Om zijne onwaardeerbare gave van vertolken, ver-
dubbelde de Compagnie zijn inkomen, maar niet meer dan
het hoogst noodige behield hij daarvan voor zichzelf; het
overige stelde hem in staat, de stukken van den Bijbel, die
hij vertaald had, te laten drukken, waartoe eene enorme som
noodig was. En wat baatte al de tegenstand, die zich in het
verborgen of in het openbaar, tegen hem verhief? De keizer
van China mocht een edict uitvaardigen, dat niemand zijner
onderdanen den Christelijken godsdienst mocht aannemen, of
geschriften lezen die daarover handelden; de Roomsche bis-
schop mocht een anathema, een banvloek slingeren tegen
ieder, die met Moeeison omgang had; China mocht schier
wanhopige pogingen aanwenden om zijn invloed te doen
verminderen, maar zoo men de Compagnie niet wilde tref-
fen, dan moest men Morrison laten begaan, en, was het ook
met leede oogen, men moest het aanzien, dat Morkison woe-
kerde met den tijd, zooveel zijne krachten het hem toelieten,
want hij wilde niet, dat hij zich eens zou moeten verwijten,
dat hij de meest gunstige gelegenheid, om China\'s taal vol-
komen machtig te worden, roekeloos had laten voorbijgaan.
-ocr page 24-
IV.
f|et vtnztnmrk voltooxL
De stille wensch, dien Moeeison reeds lang had gekoesterd,
dat toch iemand hem mocht bijstaan in het verwezenlijken
van de groote gedachten, die door zijn hoofd woelden, werd
eindelijk vervuld. Het was den 4den Juli 1813, toen hem de
tijding gebracht werd, dat de heer Milne en zijne vrouw, uit
Engeland, te Macao waren aangekomen en zeer verheugd
zouden zijn, als zij hem spoedig mochten ontmoeten. Natuur-
lijk liet Moerison er geen tijd over voorbijgaan. Zoo snel
zijne voeten hem konden dragen liep hij naar het schip om
zijn medehelper te verwelkomen, en al hadden zij elkander
te voren nooit gekend, hunne eerste ontmoeting was reeds
zoo hartelijk en vertrouwelijk, alsof zij broeders waren. Er
was dan ook veel te vertellen, veel te hooren, veel te laten
zien en veel in orde te brengen. Moerison had reeds een uit-
gewerkt plan in zijn hoofd, dat door beider vereende kracht
zou worden uitgevoerd, en Milne, in wien hij alles vond,
wat hij meende noodig te hebben, was vol goede hoop en
stelde zich geheel te zijner beschikking. Vóór alle dingen
evenwel moest aan de autoriteiten van Macao verlof worden
gevraagd voor den nieuwen Zendeling, om zich daar te mo-
gen vestigen, en — helaas! hierop stuitte alles af. Moreison
deed wat hij kon, om den Goeverneur tot toegeeflijkheid te
bewegen, maar deze durfde, onder den invloed van den
Roomsch-Katholieken bisschop en andere tegenstanders der
-ocr page 25-
21
Zending, niets toegeven, maar deed hem met beslistheid we-
ten, dat de heer Milne binnen achttien dagen weder vertrek-
ken moest. Er was niets aan te doen; het bevel moest wor-
den gehoorzaamd; er was in China geene plaats voor een
tweeden Zendeling die den Christus kwam verkondigen.
Wat nu?..... Dit was voorzeker eene moeilijke vraag;
en dat onze beide Zendelingen elkander in het eerste oogen-
blik met bezorgdheid aanzagen, is licht te verstaan. Voor
den heer Milne en zijne echtgenoote was het vooral eene
groote teleurstelling. Het sterke verlangen om in China voor
Gods Koninkrijk te arbeiden, werd door de weigering, om er
te mogen wonen, nog sterker. Maar — was er aan deze be-
proeving ook niet eene keerzijde? Was dat strenge verbod
ook niet een teeken van den machtigen invloed, dien Mok-
rison zich reeds verworven had? Was het niet een bewijs
dat het woord des Heeren, door Moeeison gesproken, reeds
werking had gedaan, en zou dan de Heere zijn werk laten
varen? Dat zal Hij niet! — antwoordde Mokrisons ziel, en
weldra was hij weer de oude, geloovige, moedige dienstknecht,
die zijn medebroeder troostte met de gedachte, dat God mach-
tig was uit dit kwade nog iets goeds te doen voortkomen.
En die gedachte mocht eene profetie worden genoemd.
In de weinige dagen, die onze beide Zendelingen samen
mochten doorbrengen, rees een nieuw plan op, dat voor uit-
voering zeer vatbaar scheen en later de zegenrijkste gevol-
gen had. „Lieve broeder," zeide Mobeison tot den heer Milne,
„laat ons maar goeden moed houden. Men wil u in China
geene plaats geven, goed, gij zult toch voor China werken.
Van de Chineezen zijn er tienduizenden verspreid over de
eilanden; ga ze bezoeken, verspreid onder hen het Nieuwe
Testament, dat ik reeds vertaald heb, en als gij dan overal
komt, dan kunt gjj overal goed uit de oogen zien of er niet
ergens eene plaats is, waar onze Zending rustig hare hoofd-
tente kan opslaan, om vandaar uit het vaste land te bewer-
-ocr page 26-
22
ken, en, onder Gods zegen, zonder dat iemand het verhin-
deren kan, ons doel te bereiken."
Zoo gezegd, zoo gedaan. Binnen den hem gestelden ter-
mijn was Milne reeds vertrokken, voorzien van een groot
aantal Testamenten, in de Chineesche taal gedrukt. Hij reisde
naar Malacca, Java, Penang en andere plaatsen; deed overal
onderzoek naar de gesteldheid des lands, naar de zeden
der bewoners, naar de gezindheid der hoofden, knoopte be-
trekkingen aan waar hij dacht, dat ze hem van nut konden
zijn, en toen hij eindelijk bij Moeeison terugkwam, om hem
zijn wedervaren mede te deelen, toen kon hij het blijde be-
richt brengen, dat het zuidelijk gelegen Malacca de plaats
was, die voor het hoofdkwartier der Zending als voorbestemd
scheen. De ligging was uitstekend: het klimaat was er goed;
de bewoners waren rustig; de hoofden vriendelijk; men zou er
voor verbanning niet hebben te vreezen. Met innige dankbaar-
heid aan zijnen God hoorde Morkison deze berichten aan. Zulk
een land had hij juist noodig, want gelijk gezegd is, hij had
groote plannen, die hij noch te Macao, noch te Canton kon
uitvoeren. Thans wilde China aan het Evangelie van Jezus
Christus nog geen toegang verleenen; de Europeesche koop-
lieden waren er tegen, want zij waren bevreesd voor hunnen
handel; de Roomsch-Katholieken waren er tegen, want zij
waren bang dat hun invloed zou minderen; de Chineesche
geleerden waren er tegen, want zij zagen met diepe minach-
ting op de Zendelingen van een gekruisten Verlosser neer;
de Regeering was er tegen, want zij duldde geen nieuwen
godsdienst. Allen waren er tegen, maar, met Gods Woord in
de hand, wist Morkison, dat op den dag van des Heeren heir-
kracht die tegenstand zou gebroken worden en de tijd zou
komen, dat ook dit land met zijne vele millioenen inwoners
zich zou buigen onder den vredescepter van den Koning
aller koningen en den Heer aller heeren. Daarom moest de
Zending krachtiger dan tot dusver worden aangevat. Meer
-ocr page 27-
23
Zendelingen moesten er komen; scholen moesten opgericht;
de kinderen vooral moesten onderwezen worden; jongelieden
moesten, in eene afzonderlijke inrichting, tot Zendelingen
worden opgeleid; helpers moesten aangesteld en van uit een
hoofdkwartier worden uitgezonden; er moest eene wijkplaats
zijn voor oude Zendelingen; voor hunne weduwen en wee-
zen moest worden gezorgd, en — wat het minste niet was —
er moest eene plaats zijn, waar men Bijbels en andere gods-
dienstige boeken, bij menigten kon drukken, zonder in ge-
vaar te zijn, dat telkens alles door de hand van den vervol-
ger zou worden verwoest. Welnu, zulk een land was Malacca.
En — Grode zij dank! — terwijl hij zelf in Macao en Can-
ton moest blijven, vond hij in Milne juist den man, die de
geschiktheid bezat, om aan dit groote werk voor Malacca de
eerste hand te slaan. Alzoo verliet Milne zijnen vriend voor
de tweede maal, en met een welvoorzienen buidel, waarvoor
Morrison, die immers zooveel te missen had, goed had ge-
zorgd, reisde hij naar Malacca terug, om in de kracht zijns
Heeren te beproeven, wat hij in het voordeel van China
kon doen.
Intusschen bleef Moerison trouw op zijn post. Hij diende
de Oost-Indische Compagnie en genoot haar volste vertrou-
wen, maar het doofde geen oogenblik zijnen ijver voor de
taak, waartoe hij was uitgezonden en waarvoor hij alles had
verlaten, wat hem op aarde dierbaar was. Had hij geheel in
den handel willen opgaan, hjj zou voorzeker een rijk en ge-
makkelijk leven hebben kunnen leiden, maar dan had de
liefde van Christus hem niet moeten dringen, gelijk zij deed.
Het ééne noodige stond bij hem bovenaan; China voor Jezus
te winnen, was en bleef de vurigste begeerte zijner ziel. Het
schokte hem niet, dat alle middelen werden aangewend om
zijnen zendingsarbeid te bemoeilijken, dat al zijne helpers
verbannen en heel zijne drukpers in beslag genomen en ver-
nield werd; hg maakte eene nieuwe. Het deed hem niet wan-
-ocr page 28-
24
kelen, dat zijne lieve vrouw, die aan eene slepende ziekte
leed, hem voor een langen tijd verlaten moest om in Enge-
land herstelling te zoeken voor hare gezondheid. Zijne ziel
mocht zich onder dat alles voor eene wijle nederbuigen in
smart, gelijk de kruin van een boom onder den druk van
den stormwind, zij werd niet geknakt. Zij hief zich telkens
weder op aan den staf des geloofs en met onbezweken ijver
bleef hij volharden in het werk, dat hij had ondernomen:
den Chineezen eenen Chineeschen Bijbel te geven, en voor
anderen een weg te bereiden om in betrekkelijk korten tijd
de taal zich eigen te maken.
Men kan zich nauwelijks een denkbeeld vormen van de
moeilijkheden, welke Morkison had te overwinnen. Ieder, die
ooit zijne krachten beproefde aan het overzetten van de
H. Schrift in eene vreemde taal, heeft iets groots verricht,
maar den eersten Chineeschen Bijbel te schrijven mocht waar-
lijk een reuzenwerk heeten. Velen waren dan ook van oor-
deel, dat Mokeison een al te groot vertrouwen stelde in zijne
kracht en dat zijne onderneming wel mislukken of halver-
wege zou blijven steken. Maar zij die zoo dachten en spra-
ken kenden hem niet. Hij vertrouwde niet op zichzelven;
zijn God was zijne hulpe, zijne kracht, zijne wijsheid, zijn
alles, en de zekere overtuiging, dat hij geroepeu was om den
Chineezen den Bijbel te geven in hunne eigene taal, deed
hem met stoere volharding alle moeilijkheden bestrijden en
te boven komen. Een tijdlang hoorde men in Engeland bijna
niets van hem; voor briefwisseling gunde hij zich geen tijd
dan met zijne eigene vrouw. Maar wie schetst de vreugde
zijner ziel, toen hij in November van het jaar 1819 aan zijne
vrienden schrijven kon, dat het werk voltooid en de geheele
Bijbel nu in de Chineesche taal was overgezet? Daar lag
het nu voor hem, het groote Boek met die vreemde teekens,
dat hij in zijne stoutste droomen verlangd had te zien! Kost-
baar boek! Het had hem veel moeite, veel inspanning, veel
-ocr page 29-
25
nachtrust gekost, maar hij dankte den Heere op zijne knieën,
dat hij het had kunnen en mogen voltooien, want, niet lang
meer, en het zou gedrukt en bij duizenden exemplaren onder
het volk verspreid zijn en dan zou het niet nalaten rijke
vruchten af te werpen. Ja, het zou, door goddelijke kracht
gedreven, zondaren behouden voor de eeuwigheid, het zou
in de donkerheid der onkunde en zonde, die hier heerschte,
het licht ontsteken van de kennis der verlossing, het zou bij
toeneming, grooten afbreuk doen aan het rijk des satans en
het koninkrijk des Heeren in China doen komen met groote
kracht. In een langen brief drukte hij zijne vreugde over het
welslagen van zijn pogen uit, en het is bijna overbodig te
zeggen, dat deze vreugde een meer dan duizendvoudigen
weerklank vond in de harten van alle zendingsvrienden. Uit
Engeland, uit Schotland, uit Amerika regende het geluk-
wenschen met zijne volbrachte taak. Men dankte hem in de
meest hartelijke bewoordingen, waarbij het hem ook niet
ontbrak aan tastelijke bewijzen dat die dankbetuigingen op-
recht gemeend waren, zooals bijvoorbeeld van het Britsch
en Buitenlandsch Bijbelgenootschap, dat hem eene som van
twaalf duizend gulden schonk, ter gemoetkoming, zooals men
zeide, in de kosten van het drukken en verspreiden van den
Chineeschen Bijbel. — Maar, had de Heere zijnen dienstknecht
deze genade gegeven, dat hij zijne dierbaarste hoop in ver-
vulling mocht zien, Hij liet het ook aan bittere beproevin-
gen niet ontbreken.
Zooals wij weten was hij langen tijd van zijne vrouw en
twee kinderen gescheiden geweest. Krank naar het lichaam
was zij naar Engeland gereisd, niet wetend of zij haren echt-
genoot ooit op aarde zou wederzien. Doch de Heere had
hunne gebeden verhoord; langzamerhand waren hare krach-
ten teruggekeerd, en den 238teD April 1820 scheepte zij zich
weder in om naar China terug te keeren, waar zij den 238ten
Augustus te Macao aan wal stapte, vol verlangen opgewacht
-ocr page 30-
26
door haren man, die hoopte, dat nu de gouden tijd van hui-
selijk geluk voor hen zou aanbreken. En dat scheen ook
eerst zoo. De eerste weken bleef hij rustig bij haar en de
kinderen tehuis, en geen wolkje dreef er aan hunnen hemel.
Toen moest hij voor eenigen tijd naar Canton om er zijne
plichten waar te nemen. Maar de lente van 1821 was weder
een tijd van onvermengde vreugde. In de brieven, welke hij
naar Engeland schreef, stortte hij het dankbare gevoel zijns
harten uit over het geluk dat de Heere hem gaf te smaken.
Zijne vrouw was volkomen hersteld; de kinderen waren uit-
stekend gezond; de toekomst was zoo helder mogelijk ge-
kleurd — helaas! den 8sten Juni stortte zij eensklaps weer
in, en niettegenstaande alle middelen, die aangewend werden,
ontsliep zij, reeds na twee dagen, in de armen van haren
man. Als een verslagene stond Moeeison daar bij het lijk
van zijne teederbeminde Maey. Dezen slag, en dan zoo plot-
seling, had hij niet verwacht. Zijne ziel beefde als een riet,
hoewel hij God niet van onrecht beschuldigde. En wel kon
hij in de eerste dagen na haren dood nog alles bezorgen
voor hare begrafenis, waarin hij zeer werd bemoeilijkt door
de Roomsch-Katholieken, die wisten te bewerken, dat het
lijk niet op de algemeene begraafplaats mocht begraven wor-
den, zoodat hij voor een prijs van twaalf duizend gulden
een stuk lands moest koopen — maar toen deze pijnlijke
drukte voorbij was, scheen het een tijdlang alsof al zijne
veerkracht gebroken en zijn leven voor goed geknakt was.
Werktuigelijk deed hij zijn dagelijksch werk. Bevreesd dat
hij ook zelf spoedig zou heengaan, zond hij zijne beide kin-
deren naar Engeland terug en bleef alleen achter, om op
zijn post te blijven, zoolang het de Heere hem zou vergunnen.
En bij deze beproeving bleef het nog niet. Daar kwam
het volgend jaar het bericht dat zijn medebroeder Milne ge-
vaarlek krank was. Reeds geruimen tijd was deze niet zoo
gezond geweest als hij wel wenschte. Hij had veel van zijne
-ocr page 31-
27
krachten gevergd. Hij had in Malacca eene inrichting in het
leven geroepen, die inderdaad het Jeruzalem van de Oost
mocht worden genoemd. Vele Chineesche jongelingen had
hij onderwezen. Aan Mormsons vertaling van den Bijbel had
ook hij een aandeel geleverd en was daarvoor door de Uni-
versiteit van Oxford tot Doctor in de Godgeleerdheid be-
noemd. Waarlijk hij had zijn tijd in China nuttig besteed,
maar de krankheid, die hem had aangegrepen, sloopte zijne
krachten. Hij deed juist in het belang van zijne inrichting
eene reis, toen hij plotseling veel erger werd. Met haast
ging hij naar zijne woonplaats terug, want hij wenschte te
sterven, waar hij gearbeid had, en nauw was hij daar aan-
gekomen of hij volgde zijne vrouw, die hem reeds in de
eeuwige ruste was voorgegaan, vier kinderen als weezen
achterlatend, nog te jong om te beseffen, wien en wat zij
in hunnen vader verloren.
Daar stond Moerison nu alleen. Zijne vrouw was gestor-
ven; zijn vriend was gestorven; zijne kinderen had hij naar
Engeland doen terugkeeren, en zijne vijanden hoopten dat
hij nu ook zelf spoedig van het tooneel aftreden en China
met rust laten zou. Ja, — doch daar staat een woord van
den Apostel Jakobus, dat zich nog altijd bevestigt. Het is
dit: „Acht het voor groote vreugde, mijne broeders! wan-
neer gij in velerlei verzoekingen valt; wetende, dat de be-
proeving uws geloofs lijdzaamheid werkt." En dit mocht ook
Morkison ondervinden. Alles scheen hem toe te roepen: „leg
uw werk neer; gij hebt genoeg gedaan; laat het aan ande-
ren over het werk voort te zetten!" — Maar was deze stem
uit God? Onmogelijk! Zoo de Heere geen werk meer voor
hem had, zou Hij hem ook wel oproepen tot zijne rust. Dat
Hij dit niet deed was een teeken, dat er nog meer gedaan
moest worden. En gelijk de dappere soldaat in den oorlog,
ziende het gevaar van den vijand, weer grijpt naar het zwaard,
dat uit zijne vermoeide vingeren viel, en het opnieuw met
-ocr page 32-
28
leeuwenmoed om zich heen slingert, tot het signaal voor de
rust geblazen wordt, zoo stond ook Mokeison uit zijne droef-
heid weder op, en al kon men op zijn aangezicht zien, dat
hij leed, hij vatte, als met nieuwen ijver toegerust, zijne taak
weder op. Eerst deed hij eene reis naar Malacca om te zien,
hoe het daar stond met de stichting van zijn overleden vriend.
Het was noodig, dat terstond een ander de opengevallen
plaats vervulde, daar anders die schoone inrichting gevaar
zou loopen om te niet te gaan. Toen hij er kwam stond hij
verbaasd over de vorderingen, welke de jonge Chineezen,
onder de leiding van den heer Milne reeds gemaakt hadden.
Zij zongen bij zijne komst den honderdsten Psalm, die door
zijn vroegeren leermeester Ko-Seen-Sang in het Chineesch
was overgezet, en tot zijne groote vreugde mocht hij zien,
dat het zaad des Woords hier reeds wortel begon te schie-
ten. Dit alles sterkte zijn hart. Neen, de zaak der Zending
was niet uit de inenschen, zij was uit God. Ook de bood-
schappers van de Goede Tijding moesten kruisdragers zijn
en waarom ook niet, zij waren immers predikers van het
kruis! Zoo dacht Morrison, en blijde dat hij ook een dienaar
van het kruis van Jezus Christus mocht zijn, keerde hij naar
zijne woonplaats terug. Nog geen jaar was hij weer met
zijne studiën bezig, of hij verbaasde de geleerde wereld met
de voltooiing van een nieuw werk, n.1. een Engelsch-Chineesch
Woordenboek. Professoren van verschillende Universiteiten
spraken onverholen hunne bewondering uit voor den man,
die in zoo korten tijd van verblijf in China, behalve de ver-
taling van den Bijbel en behalve al het andere werk, nog
zulk een degelijk, uitgebreid en duidelijk Woordenboek had
kunnen samenstellen. En dat iemand, die eens een arme
schoenmakersjongen geweest was! Is het wonder, dat het
Bestuur van het Zendingsgenootschap hem het voorstel deed,
dat hij nu nog eens zijne oude vrienden in Engeland zou
komen hezoeken, ten einde door zijne persoonlijke mededee-
-ocr page 33-
29
ringen de liefde voor de Zending in China aan te wakkeren?
Neen, dit was geen wonder; zulk een man nog eens de hand
te drukken en hem te toonen, hoezeer men zijnen volbrach-
ten arbeid op prijs stelde, dit moest wel een meer dan alle-
daagsch genot zijn. Welnu, aan Morrison was dit voorstel
niet onwelkom. Zijn hart trok naar zijne lieve kinderen; ook
zijne betrekkingen en vrienden zou hij nog gaarne weder-
zien. Bovendien kon een bezoek aan zijn Vaderland nog nut-
tig zijn om bij vele lauwen van hart een ijver te verwekken
voor de Zending in China, en dit alles deed hem besluiten
het voorstel dankbaar aan te nemen en in December 1823
vertrok hij naar Engeland, waar hij in Maart van het vol-
gend jaar aankwam.
-ocr page 34-
V.
Wie was de man, om wien heel het Christelijk Engeland
feestvierde? Bij wiens aankomst rijken en armen, grooten
en kleinen, geleerden en eenvoudigen, geloovigen en onge-
loovigen zich verdrongen om hem eene welkomst te berei-
den, met meer, met heiliger geestdrift nog, dan wanneer het
een prins uit het vorstelijk stamhuis gold? Wie vermocht
zoozeer, in alle rangen en standen, de harten voor zich in
gloed te zetten en zelfs tot in het koninklijk paleis het ver-
langen te wekken, om hem te zien en te hooren? Die man
was dezelfde, van wien velen, in zijne jeugd, gedacht hadden,
dat er nooit iets van hem terecht zou komen, en die toen
door een vriendelijk woord van eene eenvoudige Zondags-
schoolonderwijzeres was getroffen geworden. Het was Robert
Mobeison. Eene tijdruimte van dertig jaren lag er tusschen
zijne vroege jeugd en den dag van zijne terugkomst uit China,
en waarlijk, daarin was veel gebeurd, daarin was ook veel
veranderd. Toen een jongen, die reeds door allen was opge-
geven als een deugniet, die onredbaar verloren was, thans
een man, die in de volle kracht zijns levens, door allen werd
bewonderd om den rijkdom zijner gaven; toen een knaap,
die niets wist en ook niets wilde leeren, thans een geleerde,
die met zijn Bijbel en het Woordenboek, op het gebied der
kennis, aan zijn Vaderland onsterfelijken roem had geschon-
ken ; toen een kind der wereld, dat vervuld scheen van een
-ocr page 35-
31
ontembaren lust in de zonde, thans een Christen, die in
vurige dankbaarheid voor zijne verlossing uit de macht der
zonde, zijn gansche leven ootmoedig had nedergelegd aan
de voeten van zijnen Heiland. Waarlijk, God had groote din-
gen aan hem gedaan, en hij had groote dingen voor Gods
Koninkrijk mogen ondernemen. Allerwege was men dan
ook nieuwsgierig iets van China te hooren. Reeds in de
eerste dagen na zijne aankomst regende het brieven uit
alle oorden van Engeland, om een woord over zijnen arbeid
te komen spreken. Zooveel hij kon, wilde hij daaraan vol-
doen, zoodat hij al spoedig bemerkte, dat zijn verblijf in
Engeland voor hem in stee van eene verkwikkende ontspan-
ning, eene voortdurende inspanning zou zijn. Toen de eerste
officieele begroetingen bij verschillende hooge personen wa-
ren afgeloopen, zocht hij de plaats op, waar hij zijne jeugd
had doorgebracht. Ook Newcastle was veel veranderd en toch
was er ook veel, dat herinneringen bij hem opwekte, die
hem beurtelings met weemoed en vreugde vervulden. Zijne
oude vrienden ontvingen hem met verklaarbaren trots. De
jongen, die eens als een vagebond door hunne straten liep,
had nu den naam hunner stad beroemd gemaakt, en al wa-
ren er benijders, die hem zijn naam misgunden, zij hielden
zich in de weinige dagen, die hij er doorbracht, allen schuil.
Aangenaam was het hem, eenige avonden met zijne vrien-
den in kalm gesprek te mogen doorbrengen en vooral was
het hem een onwaardeerbaar genot, dat hij des Zondags
voor eene stampvolle vergadering het Evangelie mocht pre-
diken. Doch, niet lang kon Mokeison in hun midden blijven.
Eer de volgende Zondag aanbrak, was hij reeds vertrokken,
om nu hier, dan daar, deel te nemen aan feestelijke bijeen-
komsten, die te zijner eere gehouden werden, en het behoeft
nauwelijks gezegd te worden, dat hij zijne beide kinderen
steeds met zich nam. Behalve dat hij in Engeland bijna van
plaats tot plaats trok, bezocht hij ook Schotland, Ierland en
-ocr page 36-
;{2
Frankrijk, en trachtte overal de belangstelling voor China
te verlevendigen. Dit was voor hem niet bijzonder moeilijk.
China was voor velen een onbekend land; men wist dat het
bestond, maar veel meer ook niet. Hij kon daarom uit den
rijken voorraad zijner kennis en ervaring niededeelen zonder
telkens hetzelfde te moeten zeggen, en er heerschte eene
ademlooze stilte, als hij, na allerlei verhalen aangaande de
zeden, gewoonten, karakters, leefwijze en misbruiken der
Chineezen, ten laatste bij zijne hoorders begon te pleiten
voor dat volk, dat aan hoogmoed, eigenliefde en stomme
beeldendienst overgeleverd was. China voor Jezus! was de
kreet, dien hij allerwege deed hooren, en zijne toespraken,
die steeds hiermede eindigden, waren voor zijne belagers, die
beweerden dat hij aan zijne zending ontrouw geworden was,
het treffend bewijs, hoe weinig in den dienaar van de Oost-
Indische Compagnie, de Zendeling was ondergegaan. Met
vertrouwen brachten de zendingsvrienden dan ook hunne ga-
ven aan zijne voeten, verzekerd, dat hij ze slechts besteden
zou tot verspreiding van de H. Schrift en tot zulke doelein-
den, als met de Zending in het allernauwste verband ston-
den. De duizenden en tienduizenden vloeiden hem toe. Wie
kon ook onaangedaan blijven en de hand op zijne beurs hou-
den, als hij daar dien man op het platform zag staan, met
den Chineeschen Bijbel onder zijn arm en zijn kleinen zoon
naast zich, die later tot den arbeid zijns vaders zou ingaan?
Wie kon dien man hooren spreken, die bij al zijne geleerd-
heid, toch zoo waarlijk Christelijk eenvoudig was, en in
wiens woorden zulk eene ongekunstelde, volkomene toewij-
ding zijns harten trilde, zonder de verplichting op zich te
gevoelen, om hem in zijnen heerlijken arbeid te steunen door
gaven en gebed? Maar — het sterkste gestel zou de ver-
moeienissen van Morrison niet kunnen doorstaan; hij werd
ziek, alleen van overspanning. Dit was oorzaak, dat zijn ver-
blijf in Engeland langer duurde, dan oorspronkelijk zijn plan
-ocr page 37-
83
was. Tegen het einde van 1825 was hij evenwel volkomen
hersteld, en nu begon hij weer sterk naar China te verlan-
gen. In het begin van 1826 trad hij voor de tweede maal in
het huwelijk. Juffrouw Eliza Akmstrong verbond haar leven
aan het zijne, en reeds den 218ten April van datzelfde jaar,
stapten zij te Gravesend aan boord om naar China te ver-
trekken. Eene talrijke menigte van vrienden en kennissen
stond daar om hen uitgeleide te doen. Menig goed woord
van bemoediging en hoop werd bij het afscheid gesproken,
en toen het anker gelicht werd, rees uit honderd harten een
stil gebed op tot God om eene voorspoedige reis voor dezen
geloovigen, moedigen, ijverigen Zendeling.
Half September was hij in Canton terug en terstond vatte
hij zijn afgebroken arbeid weder op. Zijne afwezigheid had
aan het Zendingswerk, ten deele kwaad, ten deele goed ge-
daan. Het had kwaad gedaan, want van degenen, die deze
zaak voorstonden, waren sommigen teruggegaan, anderen in
hunnen ijver verflauwd en de vijanden der Zending hadden
zich van nieuwe wapenen voorzien om hen te bestrijden.
Maar ter anderer zijde was het toch ook weer goed, dat hij
zijn werk, een tijdlang, geheel aan anderen had moeten over-
laten, want bij de weinigen, die hem getrouw waren geble-
ven, was er ook meer standvastigheid en zelfstandigheid ge-
komen, daar zij nu op Mokkison niet hadden kunnen leunen
en naar eigen inzicht hadden moeten handelen. Droevig was
het evenwel te moeten ondervinden, dat de vijandschap der
Roomsch-Katholieken en der Engelsche kooplieden, die hem
het eerst hadden moeten helpen, eer verergerd dan vermin-
derd was. Welken indruk moest de godsdienst van Mokkison
op de Chineezen maken, als zijne eigene landgenooten zijne
felste bestrijders waren? Zelfs wisten zij te bewerken, dat
hg moest ophouden met in het openbaar het Evangelie te
prediken. Zoo kon hij dan voor China slechts nog werken
door middel van de pers, en hiervan maakte hij dan ook een
B. M.                                                                                                                                 3
-ocr page 38-
34
druk en nuttig gebruik. Hij drukte zooveel Bijbels als zijne
helpers maar konden, en begon ook de hand te leggen aan
eene Chineesche Bijbelverklaring, wederom een grootsch werk,
dat hij evenwel niet mocht voltooien. Ondanks allen die
tegen hem waren, was de Heere steeds kennelijk met hem.
Het mag toch wel een wonder heeten, dat al de vijanden
samen niet bij machte waren, Morkison van zijn post weg
te dringen. Hoe gemakkelijk, zou men anders zeggen, moest
dat voor hen geweest zijn! De hand van allen tegen één
vreemdeling. Maar — als God voor ons is, dan baat geen
tegenstand. Als Hij wil dat wij blijven zullen, dan is zijne
hand beschermend over ons uitgestrekt en niemand kan ons
aanraken. En als Hij ons eeren wil, dan is al de laster der
vijanden verlamd. Het baatte dan ook weinig of men van
Moerison kwaad sprak, openlijk in geschrifte zijne daden
verkleinde en zijn ijver aan verkeerde bedoelingen toeschreef;
voor het aangezicht zijner tegenstanders werd Mokisson ver-
hoogd. Hoezeer was in Canton alles veranderd, sinds hij er
voor de eerste maal in 1807 aankwam! Eene school met
Chineesche leerlingen; Chineesche studenten, die door hem
werden opgeleid om als Zendelingen werkzaam te zijn; druk-
persen, de Bijbel en verscheidene godsdienstige boeken in de
Chineesche taal, openbare godsdienstoefeningen voor Euro-
peanen en Chineezen — dit alles vond men er in 1832, trots
allen onwil van de vijanden des Heeren.
En wel scheen het nog voor een oogenblik, als zou des
vijands wensch gelukken, want de Portugeesche Gouverneur
van Macao haalde de Oost-Indische Compagnie over om
Moreison los te laten en hem zelfs te doen verstaan, dat hij
met schrijven en spreken moest ophouden, en de ongelegen-
heid, waarin Mokeison nu kwam, was wel zeer groot, waarbij
nog kwam dat zijne kranke vrouw naar Engeland moest en
ook zijne eigene gezondheid niet meer was als vroeger —
maar nog eenmaal deed de Heere deze wolken scheuren. Een
-ocr page 39-
35
geschil tusschen China en het Engelsche Gouvernement was
oorzaak dat Engeland een gezant zond naar het hof van
China. Die gezant was Lord Napier. Daar deze een secretaris
noodig had, die tegelijk tolk kon zijn, zoo was voor die taak
niemand beter geschikt dan Zendeling Mokrison, die door
Lord Napier, terstond na zijne aankomst in Canton, werd
gevraagd of hij deze benoeming wilde aannemen tegen een
jaarlijksch inkomen van vijftienduizend zeshonderd gulden.
Met de bede tot zijn God, dat hij getrouw mocht blijven
aan de zaak zijns Heeren, nam Moreison dit voordeelig aan-
bod aan, geen ander oogmerk daarmede hebbend, dan om,
zonder geld uit Engeland te behoeven, de zaak der Zending
met kracht te kunnen doorzetten. Deze uitredding was hem
wonderlijk, maar zij was ook de laatste — of neen — de
allerlaatste zou nu spoedig volgen, want kort daarna kwam
de Heere om zijn dienstknecht op te roepen tot de groote
Rust, die daar voor Gods volk, aan het einde van den strijd,
overblijft.
-ocr page 40-
VI.
f lonende graum
Het is mogelijk, dat door hetgeen wij in de vorige hoofd-
stukken van Morrison en de Zending in China gezegd heb-
ben, de gedachte is ontstaan alsof vroeger, in geen enkel
opzicht, iets is gedaan om Christus\' Kerk ook in dit groote
„hemelsche rijk" te planten. Wij willen het laatste hoofdstuk
aanvangen met deze gedachte weg te nemen. Reeds meer
dan tien eeuwen voor dat Morrison de grond van China be-
trad, was er eene Zending begonnen door de Nestorianen,
van wie wij weten, dat zij ook in de twaalfde en dertiende
eeuw nog aldaar arbeidden. Maar door de stormen der tijden
en de verschrikkelijke revoluties, die het land hebben ge-
teisterd en waardoor somtijds al het bestaande werd omver-
geworpen, ging het werk der Nestorianen te niet en bleef
er nauwelijks meer dan de herinnering van over. Ook uit
Holland werd in de zeventiende eeuw een prediker derwaarts
gezonden, maar met nog veel minder gevolg, waarbij wij het
in het midden zullen laten, of deze ijver der Hollanders voor
China voortsproot uit een zelfzuchtig handelsbelang dan wel
uit een oprecht en zuiver gevoel van erbarming over de hei-
denen, die in hunne blindheid aan Buddha en Confucius
hunne aanbidding brachten, in plaats van aan Jezus Chris-
tus, den eenigen Heiland der wereld.
En wat den arbeid der Roomsche Kerk betreft, waarvan
wij reeds op blz. 10 melding maakten. Het is waar, toen
-ocr page 41-
87
Moreison in China kwam, vond hij er eene Roomsche Zen-
ding. Reeds in 1245 had deze Zending een aanvang genomen,
toen Paus Innocentius IV twee gezantschappen derwaarts
zond. Door den Franciskaner Monte Cokvino werd te Peking,
toenmaals Kambalu geheeten, eene kleine gemeente gesticht,
en het kan dus niet worden gezegd dat de Roomsche Kerk
geen tijd heeft gehad, om de kennis van Gods Woord in het
Chineesche rijk te verbreiden. Maar — de geschiedenis der
Roomsche Zending in China is even treurig als die in andere
landen. Men was tevreden, zoo men slechts de alleenheer-
schappij had, men liet de heidenen voor wat zij waren, en
toen Mokkison te Macao kwam, toen wisten de dienaren van
Rome hem wel te bestrijden en zelfs met nog feller verbit-
tering, dan hij van de Chineezen te verduren had, maar van
eene wedergeboorte van China was nog niets te bespeuren,
het gansche land was over heel zijne uitgebreidheid nog een
heidensch land.
Het is daarom, dat de geschiedenis der Christelijke Zen-
ding in China eigenlijk met de komst van Robeet Moekison
aanvangt. Hij was de man, in wiens ziel het woord van
Paulus, den Apostel, een helderen weerklank had gevonden:
„Ik heb onder u niets willen weten dan Jezus Christus en
dien gekruisigd!" en die de eerste Europeaan genoemd mag
worden, die in de theetuinen van Macao en Canton de stem
van het ongerepte Evangeliewoord zuiver en onvermengd
hooren deed. Het is dan wel geen wonder, dat de vijandschap,
die in elk menschenhart van nature, hetzij heidensch of
christelijk, tegen God en zijn Woord verscholen ligt, zich
tegen dezen dienstknecht des Heeren begon te openbaren,
zooals nooit te voren. Dat kon niet anders! Jezus is geko-
men om de wereld te overwinnen; dat sluit in, dat Hij haar
bestrijdt. En heeft de wereld Hem daarom gehaat, geslagen,
uitgeworpen en schuldiger nog geacht dan de schuldigste
misdadiger, die in zijne dagen gevangen zat, zou men kun-
-ocr page 42-
38
nen verwachten, dat de wereld jegens de dienaren van Jezus,
die zijn werk voortzetten, vriendelijk zou zijn? Neen, het
woord van den Oversten Leidsman tot zijne knechten: „In
de wereld zult gij verdrukking hebben!" is vervuld aan al
degenen, die onder de vlag van dezen grooten Koning ge-
streden hebben, en ook Morkison heeft het ondervonden, al
is het in mindere mate dan menig ander Zendeling, dat men
Jezus niet dienen kan of men wordt ook een vijand der we-
reld geacht. Maar is hij het geweest, die het eerst de hand
heeft durven leggen aan het bewindsel des ongeloofs, waar-
mede de harten der Chineezen bewonden waren, om het, in
de kracht des Heeren, af te rukken, zonder hetwelk geene
bekeering tot zaligheid mogelijk is, op den strijd, die door
hem is aangebonden, zijn ook overwinningen gevolgd, waar-
over Gods Kerk op aarde gejubeld heeft en waardoor het
getal van Jezus\' onderdanen met niet weinigen is vermeer-
derd geworden. Moekison heeft zelf van deze vrucht van zij-
nen arbeid niet veel aanschouwd, maar dit verhindert niet,
dat hij onder de helden des Heeren geteld mag worden.
Want in het Koninkrijk Gods is niet in de eerste plaats hij
groot, die veel heeft geoogst, maar hij die veel heeft gear-
beid, en daarin heeft Moeeison slechts bij weinigen achter-
gestaan. Vergelijk het begin met het einde zijns levens! Zie
daar dien knaap, die met het schootsvel voor en een pikdraad
in zijne hand in den winkel zijns vaders, zijne kunst beproeft
op een versleten schoen, wat hem niet weinig moeite schijnt
te kosten. Zie veertig jaren verder dien Zendeling in China,
die om zijne verbazende werkkracht en kennis door al wie
geleerd is, bewonderd, en om zijne oprechte, trouwe gods-
vrucht door al wie den Heere vreest, hooggeacht en bemind
wordt. En als gij dan vraagt, aan wiens hulp het te danken
was, dat de arme Robeet Morrison het zoover brengen mocht,
dan is het antwoord: „dat heeft God gedaan!" God, die niet
zelden, met voorbijgang van het groote, het geringe opheft
-ocr page 43-
39
en hetgeen niets is, tot iets maakt, opdat niemand zal roe-
men in zichzelven, maar alle vleesch roemen moge in Hem,
Hij heeft dezen knaap, van wien geene verwachting was,
verwaardigd, om te worden, wat hij geworden is, een der
rijkste en gezegendste Zendelingen van onze eeuw — Hij
heeft hem groot gemaakt! De prijs van dit vruchtbare leven
komt dan ook eeniglijk toe aan den Heere, die Mohrison
riep en bekwaamde, die den tijd had bepaald, waarin hij ge-
boren zou worden, en ook het uur, waarop hij, midden uit
den arbeid, zou worden opgeroepen van zijn post.
Dat uur zou nu spoedig slaan. Hoe groot Mokbison ook
mocht zijn, welke werkkracht hij ook mocht ontwikkeld heb-
ben, hij was toch niet meer dan een dienstknecht, en de Heere,
die tot zijne knechten zegt: „Komt!" en zij komen, riep,
terwijl eigenlijk niemand op zijn heengaan voorbereid was,
Moiïeison eensklaps tot Zich. Zijn lijden duurde niet lang. Met
Lord Napier op reis zijnde, was hij in een open boot, bloot-
gesteld aan afwisselende hitte en koude, en werd ten gevolge
daarvan ongesteld. Den Zondag daarop, den 27sten Juli 1834,
predikte hij nog voor de Chineezen, en als wilde de Heere
hem nog vóór zijn dood doen zien, dat zijn werk niet ijdel
was geweest, had hij nog nimmer zoovelen onder zijn gehoor
gehad als op dezen dag. \'t Was zijn Nebo geweest, vanwaar
hij in de verte iets van het beloofde land mocht aanschouwen.
In die week nam zijne ziekte zeer snel toe. Met den dag
werd hij zwakker, de middelen baatten niet meer en in het
bijzijn van zijnen zoon, ontsliep hij reeds op Vrijdagavond,
zacht en kalm, en in vast vertrouwen op zijnen Heere en
Heiland, dien hij in zijn leven had liefgehad en gediend.
Kwam het sterven voor hem vroeg, en had hij naar men-
schelijke berekening nog wel wat langer op aarde kunnen
toeven — immers hij had nog maar den leeftijd van twee-
envijftig jaren bereikt — de Heere, die het al overziet en
voorziet, weet alleen wanneer de taak zijner knechten is af-
-ocr page 44-
Uit f) \'
40
geloopen en voor Moreison was het sterven slechts gewin.
De wensch: „dat ik werkend bezwijk, als een knecht van
uw rijk, die zijn dienstwerk geloovig volbracht heeft," was
aan hem vervuld; midden in zijn werk werd hij afgelost.
Zijn stoffelijk overschot werd te Macao begraven naast dat
van zijne eerste vrouw, en op hunne graven werd een klein
eenvoudig monument opgericht, waarop in korte woorden
zijn veelzijdige arbeid vermeld wordt. Die graven van den
eersten Zendeling in China, en zijne eerste vrouw, die hem
zoo trouw heeft geholpen — zeg er niet van dat zij somber
zijn! Dat zijn zij niet, zij zijn bloeiend. Want al is dè hand
verlamd die den eersten Chineeschen Bijbel schreef, een reu-
zenwerk, waarover blijdschap moet geweest zijn onder de
engelen Gods in den hemel — hoor toch, daar ruischt eene
adem des levens over die graven, eene stemme die spreekt:
„Mijn Woord zal niet ledig tot Mij wederkeeren, maar het
zal doen, waartoe Ik het zende!" — Dat Woord heeft ge-
sproken, het spreekt nog, zijne stem wordt in China steeds
duidelijker gehoord. Het is opgenomen door tientallen, door
honderdtallen andere Zendelingen die tot den arbeid van
Morkison zijn ingegaan en in klimmende mate zijn de be-
richten gunstig, die aangaande den goeden voortgang des
Evangelies uit China tot ons komen. Wat maakt het dan
uit of Moueison bij zijn leven niet zooveel vrucht zag op
zijnen arbeid, in bekeeringen van zondaars, als vele anderen?
Hij moest den onderbouw, het fondament leggen, en anderen
moesten op dat fondament bouwen. Welnu, dat heeft hij
gedaan, en op dat fondament rijst nu het gebouw van Gods
Koninkrijk in China heerlijk opwaarts, en in de geschiedenis
van China\'s toebrenging zal de naam van Mokmson steeds
genoemd worden als de naam van den man, die verwaardigd
werd, het eerst de kruisbanier te planten in dat henielsche rijk.