-ocr page 1-
^t*(*»t^t*t**r^t*^
III JÜE BOOD! HERDACHT
%
*.r" REDE,
gehouden te STIEKS, 11 November 189^^
TEE GEDACHTENIS AAN
\' \' \'•\'
J. K. WIJNGAARDEN,
Zendeling op Savoe en Sumatra,
DOOR
\' *
W. F. K. Klinkenberg,
Predikant te Leeuwarden.
- h
t-
Uitgegeven ten bate der Zending.
PRIJS f 0.20.
£
LEEUWARDEN,
J. S. BOUMAN.
t
UB-ZUID
PKE
324
•€J««j«»JMJftjjtó«jJ«tasjJ«ta04j^i«W
i
-ocr page 2-
jtf
wiw\\ \\o9o6>
-ocr page 3-
I
.
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000035653330B
3565 3330
-ocr page 4-
i
-ocr page 5-
\'f
II JONGE DDQDE DUDiC
m
REDE,
,:.3C\\^:
genouden te STIEHS, 11 november l^S&S^
OcGokScc
TER GEDACHTENIS AAN
i
J. K. WIJNGAARDEN,
Zendeling op Savoe en Sumatra,
-
•
DOOR
•
W. F. K. Klinkenberg,
Predikant te Leeuwarden.
Uitgegeven ten bate der Zending.
PRIJS f 0.20.
LEEUWARDEN,
J. S. BOUMAN.
üp.^3
-ocr page 6-
-
-ocr page 7-
Voorzang PSALM 103: 8.
Heiir. XI: 33. »die door het geloof koninkrijken veroverd,
gerechtigheid geoefend , de belofte verkregen hebben."
Eene ernstige en weemoedige taak is mij opgedragen,
Gemeente van Jezus Christus en \'t is met schroom, dat
ik die aanvaardde. Ik moet een woord spreken ter ge-
dachtenis aan den gestorven zendeling Wijngaarden.
En dat in de Gemeente, die hem zag opgroeien; die
hem gekend heeft en mede opgeleid door haar gebeden
en gaven; de Gemeente, die hem volgde met haar be-
langstelling, als hij uitging naar die verre heidenlanden
en voorts door zoovele brieven en berichten van zijne
hand op de hoogte bleef van zijn levensarbeid en grooten
arbeidszegen. Zoo zal dan te meer de tijding van zijn
plotseling heengaan u, als Gemeente, verschrikt en be-
droefd hebben! U vooral, die met hem opgegroeid, in
nauwere betrekking van vriendschap tot hem stondt. U
verschrikt en bedroefd hebben, terwille ook van de
ouders, die hem eens aan den dienst der Heeren geloovig
hebben afgestaan; die onder vele tranen hem naar het
land zijner bestemming zagen afreizen en zich al die
jaren van zijn werkzaamheid zoo dankbaar verheugden
in zijn voorspoed, gelijk zij deelden in zijne droefenissen;
de ouders, die nu den trouwen zoon missende, tasten
als in een duister raadsel, en het zich bijna niet kunnen
voorstellen, dat een zoo veelbelovend leven aoo op eens
is afgesneden, en het hun niet eens vergund is te staan
bij zijn graf! Ja, die doodstijding moet u allen verschrikt
-ocr page 8-
4
en bedroefd hebben, als gij in den geest u verplaatstet
naar dat Boeloe-Hawar, waar eene jonge echtgenoote
met een eenig kind dit haast ongeloofelij ke zag gebeuren
en doorleven moest en nu — hem daar achterlatende,
als weduwe met alle gebroken levensverwachting de
terugreis heeft te aanvaarden naar vaderland en familie.
Welk een terugkomst, welk een wederzien! — Behoef
ik u te zeggen, hoe het Nederlandsch Zendeling-genoot-
schap, dat hem opleidde en uitzond, een groot, zeer
groot verlies heeft geleden aan den door God met zoovele
gaven toegerusten man, op wien het — en met reden —
zoovele goede verwachtingen bouwde? Behoef ik het u
te zeggen, dat alle vrienden van het genootschap op \'t
smartelijkst zijn getroffen en behoefte hebben dit ook
uit te spreken ? De grijze Director Neurdenburg schreef
in de laatste aflevering van het tijdschrift „Mededeelingen"
een woord van gedachtenis en als medewerker van het
„Evangelisch Zondagsblad" stelde hij, die tot u spreekt
eene herinnering in het nummer van 28 October, waarin
eene eenvoudige en rechtmatige hulde aan den Evange-
liebode werd gebracht. Beeds had de „Deli-courant"
van 22 September een getuigenis van zijn persoon en
werk gegeven, gelijk ook het „Maandbericht" van No-
vember eene uitvoerige levensbeschrijving behelst. Dit
alles echter was den vrienden der Zending niet genoeg!
Op de najaarsvergadering der onderafdeeling in een der
naburige plaatsen werd de wensch uitgesproken, dat in
de eigen gemeente, waar Wijngaarden als kind geleefd
en geleerd had, namens het genootschap en de afdeeling
een gedachteniswoord zou worden gesproken; dat in
overleg met den kerkeraad dier gemeente daartoe een
-ocr page 9-
5
Zondags-godsdienstoefening zou worden aangevraagd,
terwijl tot mij de vraag gericht werd, of ik die taak
wel op mij zou willen nemen. — Welnu, ik betuigde
terstond, daartoe bereid te zijn. "Was hij niet korten
tijd mijn leerling? Had ik niet het voorrecht gehad
hem met zijn mede-kweekeling Hulstra intezegenen tot
zijn ambt? "Was ik niet als lid van het Hoofdbestuur
dubbel in de gelegenheid om van zijn werken en willen
kennis te nemen? Zoo achtte ik mij dan verplicht aan
die uitnoodiging gevolg te geven. En sta ik dan nu
in uw midden, Gemeente! laat mij beproeven de her-
inneringen aan dat nu gesloten leven samen te voegen;
niet om alzoo doende menschen te verheerlijken, maar
om daarin te vermelden de eere van Hem, die ons ook
door zulke stemmen roept tot Zijne gemeenschap; roept
tot de ware vertroosting der zielen, Jezus Christus; roept
tot dat geloof, dat koninkrijken verovert, gerechtigheid
oefent, de belofte verkrijgt.
PSALM 73: 13.
Wat beteekent het reeds veel, dat zijn leermeester,
uw vroegere beminde voorganger Brugsma, mij over
hem schrijvende, deze woorden gebruikt: „als knaap,
als jongeling maakte hij op mij steeds den aangenaam-
sten indruk en bezat ik zijn volle vertrouwen.\'" Zoo be-
hoorde hij dan toen reeds tot die uitgelezen zielen,die
als Timotheus, van kind af „een hart hebben voor God
en Goddelijke dingen"; die niet hun eigen weg willen
gaan, maar zich vasthechten aan hun geestelijke leids-
lieden, omdat zij het diep en dankbaar gevoelen, dat
-ocr page 10-
6
dit het beste en noodigste is. "Uit zulke harten bouwt
zich God — ik zeg niet de „groote", maar de goede
en edelemenschen, de kern van Jezus\' gemeente op aarde!
Als leerling van de normaalschool te Leeuwarden, die
hij Tan hier uit dagelijks bezocht, hoe zag hij zich
teleurgesteld, in zijn pogen, om aan de Rijks-kweekschool
te Maastricht geplaatst te worden. Maar juist die teleur-
stelling was hem onder hooger leiding tot een zegen.
Werd toen een jongman uit Hallum door uwen leeraar
voorbereid tot het toelatingsexamen aan de Zending-
school, ook in het gemoed van Wijngaarden — niet te
huis in de koude verstandslucht der toenmalige onder-
wijzerswereld — ontwaakt de begeerte, om nu op een
anderen weg zijn leven tot een zegen te maken en met
toestemming zijner weldenkende ouders, aan wie hij zich
het eerst over deze plannen uitte, voegde hij zich bij
den jeugdigen Hulstra en — voldeed aan den eisch van
het examen te Rotterdam. In dien kring, waar zoowel
aan de behoeften des verstands, als aan die van het gemoed
werd voldaan, ontwikkelt zich het beste in zijn karakter.
Met zeldzame vlijt en onbezweken volharding werkt de
nu 16-jarige den ganschen zevenjarigen cursus door,
en Goddank! hij houdt zijn ziel rein van het lage en
laffe, waaronder zoo menige jonge man zichzelf, zijn
God en zijn toekomst verliest. „Hij kwam," dus schrijft
mijn ambtgenoot Brugsma, „in zijn vacantie veel in de
pastorie; mijne vrouw en kinderen hielden van den be-
scheidenen, leergierigen, vrolijken jongen. Trouwens,
wie hield niet van hem, die hier ook steeds de Jonge-
lings-Vereeniging bezocht en menige bijdrage op hare
samenkomsten leverde."
-ocr page 11-
7
Zoo kwam de dag der inzegening. Op het onvoor-
waardelijk
gunstig getuigenis hunner leermeesters komen
de heide Friesche jongemannen in de volle jaarverga-
dering, om hunne gelofte te doen. En \'s avonds: nog
staat mij die heilige ure voor den geest, toen ik — juist
in dat jaar 1888 voorzitter dier samenkomst van Direc-
teuren — geroepen was, hen met gebed en toespraak
te wijden tot den dienst des Heeren, en het woord
koos, waarmee eens David (2 Chron. 28: 20) zijn zoon
tot den tempelbouw riep: „wees sterk en heb goeden
moed en doe het en vrees niet en wees niet verslagen»
want de Heere God, mijn God, zal met u zijn. Hij zal
u niet begeven of verlaten, totdat gij al het werk ten
dienste van het huis des Heeren zult volbracht hebben!"
Vergezeld en gedragen door vele gebeden reist de nu
23-jarige — na een kort verblijf op de Ambonsche
eilanden en te Modjo-Warno op Java — naar het
eiland Savoe, met zijn 20.000 inwoners, zijn 7 zendings*
posten, door de welmeenende goeroes bediend, die sinds
het heengaan van den zendeling Teffer, met hun kleine
gemeenten verlangend uitzagen naar den lang verwach*
ten voorganger. Welk een akker en — met welk een
trouw heeft hij dien bearbeid. (April \'89.) Er was, er
kwam nieuw leven. Men moet lezen, wat hij schreef
over zijne eerste ontmoetingen; over zijne moeite om de
taal des lands te leeren; over zijn bezwaren envreugde-
uren. Daar kwam in November van datzelfde jaar zijne
Echtgenoote, Dina Berg, om in zijn arbeid te deelen.
En als nu alles zooveel beter gaat door hare vriendelijke
en geheele en verstandige medewerking — hoe donker
zijn de wegen Gods! — midden in de blij ds te verwach-
-ocr page 12-
8
ting valt de zwaarste slag: zijne vrouw, die weldra
hoopte moeder te worden, werd van hem weggenomen!
Goddank! zijn geloof houdt hem staande. Onder de deel-
neming van honderden wordt de gestorvene aan de aarde
toevertrouwd en zijn eenvoudige brieven getuigen van
zijn strijd en gebed, van zijn tranen en zijn overwinning.
Was het daarom voor hem noodig, dat op eens hem
een andere werkkring wordt aangewezen? Hij althans
eert daarin den weg, de hand van zijnen God, en als
het Genootschap hem roept om van het naakte, heete
Savoe te gaan naar de koele Battak-landen, op den door
Kruijt verlaten zendingspost van Noord-oostelijk Sumatra,
dan gaat hij, hoeveel het afscheid hem kost, als eens
Paulus op Malta, uitgeleid door den handdruk en de
tranen van oud en jong. Want hoe dringend de brieven
der Savoeneesche Christenen waren, om hun toch den toe-
wan pandita te laten, het Genootschap, dat tegenover
de Bestuurders der Deli-Maatschappijen bindende ver-
plichtingen had, kon niet anders; maar het wist ook,
dat het Wijngaarden zendende, den rechten man zond.—
Dan, niet alleen gaat hij den nieuwen werkkring in.
God beschikt hem eene andere gade, eene nicht zijner
eerste Echtgenoote, Dina Guittart. Op denzelfden datum
als het eerste wordt te Modjo-Warno het tweede huwelijk
gesloten en ingezegend en op 3 Dec. \'92 komen de
jonge menschen, in God vereenigd, op Deli aan! —
Hebt gij, mijne Hoorders, hem met uw belangstelling
en gebed daar ook gevolgd in zijne onvermoeide pogin-
gen om, de taal aanleerende met behulp van de reeds ge-
vestigde Minahassische onderwijzers, in goede verstand-
houding te komen met de heidensche inwoners van dat
-ocr page 13-
9
groote land? Zij willen, zij kunnen maar niet gelooven,
dat deze Europeër uit belangelooze liefde in hun midden
staat. Als hij hun medicijnen toereikt of toovermiddelen
weigert; als hij hen voorgaat in lichamelijken arbeid of
hun kinderen zegent; als hij hunne woorden naspreekt
of naar hun gewoonten vragende, alles opschrijft om het
niet te vergeten, altijd vermoeden zij, dat hij het om
aardsch voordeel en tot hunne schade doet. Eerst lang-
zaam wijkt het wantrouwen, en wel was het een dag
van vreugde en dank, toen op den 20en Aug. \'93 de
6 eerste heidenen onder een toeloop van vele belang-
stellenden den Heiligen Doop ontvingen en in dit teeken
zich nauwer aansloten aan dat Evangelie der genade,
waarvan de zendeling en zijne helpers de vertegenwoor-
digers waren. Vol moed en gebed zetten zij den moeie-
lijken arbeid voort, \'t best te vergelijken met een ont-
ginnen van den geheel steenachtigen akker, die voet
voor voet, en dan nog met de gebrekkigste werktuigen
moet worden toebereid voor het zaad. Ook zijne latere
en laatste brieven geven getuigenis van zijn onverzwakt
geloof, van zijn helder gemoedsleven, van zijne vaste
overtuigingen. Ach! hij zelf had wel allerminst kunnen
denken, dat aan hem het woord zou vervuld worden:
„een ander is het, die zaait en een ander, die maait!"
Nog schonk zijn God hem de vervulling der blijdste
aardsche verwachting: een kind wordt hem geschonken
en zijn huis tot een Bethel gemaakt. Hoe hij zich ver-
heugt in het herstel der dankbare Moeder, in den voor-
spoed van zijn kleine! Uit een brief van 30 Augustus
(3 weken vóór zijn dood), in het Maandbericht van No-
vember afgedrukt, blijkt nog eens de adel van dezen
-ocr page 14-
10
Christen, als hij „het kind van eene in hare ure ge-
storvene Battaksche moeder tot zich neemt, omdat het
anders levend met de doode moest verbrand worden."
Hij neemt het openlijk als zijn kind aan; noemt het
Si Sangap, de gelukkige, „omdat het geluk brengen
zal; het moet tegelijk met zijn eigen kind gedoopt wor-
den als een teeken van den band, die heiden en Christen
voor God verbindt!"
Daar grijpt eene krankheid hem aan; hij wordt naar
Medan, de hoofdplaats, overgebracht. En zijn ons de
bizonderheden van dit scheiden uit zijn ambt en kring
slechts voor een deel bekend, „zijne laatste gedachten,"
(zoo schrijft de Deli-courant) „waren aan zijn werk ge-
wijd; kalm en moedig ging de 29-jarige den dood in,
door zijn geloof — voor hem het leven — in Gods wil
berustend, hoe schoon en lief de aarde hem ook was
voor zoo velerlei goeds." Niet waar, wij zien hem op
zijn legerstede, bewust van \'t dreigend gevaar, velerlei
beschikkingen nemende, vrouw en kind groetend, maar
in God getroost het einde tegemoet gaande; om — als
de laatste strijd volstreden is, bij zijnen God en Heer
die kroon der rechtvaardigheid te ontvangen, die in
\'s hemels zalen „weggelegd is voor degenen, die Chris-
tus verschijning waarlijk hebben liefgehad." In den
geest staan wij met die diepbewogen weduw, met die
Minahassische helpers bij dat graf, waarin zijn stof is
neergelegd en — die schare overziende ook der inlan-
ders, die in hun ontroering hem een zwijgende hulde
brengen, en \'t nog niet gevoelen, dat in dezen man een
hunner edelste vrienden hun is ontnomen — heffen wij
onze harten op tot den Vader der lichten, en wel verre
-ocr page 15-
11
van met Hem te twisten, "Wiens doen enkel Majesteit
is, herhalen wij de belijdenis onzer beperktheid: „Wie
heeft den zin des Heeren gekend en wie is Zijn raads-
man geweest?" maar wij beseffen uit dit leven en ster-
ven, hoe de Heilige Schrift met rede van \'t geloof ge-
tuigt, dat het „koninkrijken verovert, gerechtigheid
oefent, de belofte verkrijgt." Komt, Geliefden, staande
rondom die groeve, zingen wij het pelgrimslied des vre-
des en des wederziens:
GEZANG 182: 1 en 4.
Vergunt mij, M. G.! een woord nog te spreken tot
de ouders en den eenigen broeder, tot bestuurders en
vrienden der Zending, om met eea vraag in den naam
van mijnen Zender te besluiten.
Tot de ouders! Wat valt mij dit zwaar! Zal ik u
van mijne, van ons aller deelneming verzekeren? Dat
is waarlijk, deze groote schare overziende, niet noodig.
Toch doet dat rouwbeklag van zoovelen u goed aan het
hart, omdat het eene veelzeggende hulde is, zonder
voorbehoud gebracht aan uw dierbaar kind; eene hulde,
beter dan voor geld gekochte kransen en grafversierin»
gen. Maar er is een betere vertroosting voor u, dan
die van menschen. O, als gij straks in uw stille wo-
ning teruggekeerd, alles nog eens, ook van dit uur, met
diepe beweging des harten \'overdenkt, dan staat daar
onzichtbaar uw en zijn Heiland bij u, en zegt gelijk eens
tot die diepgebogene Moeder te Kaïn: „ween niet;" en
wijst u, gelijk eens Zijn verschrikte en ontruste jonge-
ren aan Zijn Avondmaalstafel, met opgeheven hand naar
-ocr page 16-
12
„ het Yaderhuis met vele woningen, waar Hij is voorge-
gaan, om allen Zijnen vrienden, uw zoon ook, plaatste
bereiden." En is het niet tegelijk tot u gesproken, dat
woord uit hetzelfde hoofdstuk van dezen brief aan de
Hebreen, waarin ons tekstwoord staat, dat „Abraham
daarom gewillig zijn éénige heeft geofferd, overleggende
dat God machtig was, hem uit de dooden op te wekken,
waaruit hij hem ook bij gelijkenis weder ontvangen
heeft?" Zij en — blijve dit Abrahamsgeloof het uwe!
God trooste u met al de kostelijke, vriendelijke herin-
neringen van dit jonge, rijke leven en met al de lich-
tende vooruitzichten van weder ontvangen en wederzien,
waarvan Jezus Christus ons het onuitsprekelijk vertroos-
tend en zeker onderpand is. Veel hebt gij verloren,
maar wij weten: uit de puinhoopen der liefste aardsche
verwachtingen bouwt zich in stilte des Christens hoop
haar heiligdom en wascht zich de handen en zalft zich
het aangezicht en treedt er binnen en dankt en bidt en
wacht.... totdat de laatste sluier wordt weggenomen en
de ziel in ongeschapen licht alle Gods werken en wegen
doorschouwend, haar volle Hallelujah zingt.
En gij, eenige broeder, met zoo trouwe banden aan
uw begaafden, edelen broeder verbonden, het is zoo, gij
zult zijn aangezicht hier op aarde niet meer zien, maar
gij wilt wel een zijner laatste gebeden vervullen: dat gij
„als hij er niet meer zijn zal" een ware trooster en hei-
per voor zijn ouders wezen zult, en hun den last der
droefenis door uw woord en door uwe liefde zult ver-
lichten. Zie, gij hebt met hem meegeleefd al die jaren;
gedeeld in al zijn lief en leed; gij gevoeldet onder het
lezen en hooren van zijn brieven, hoe \'t geloof „zijn
-ocr page 17-
13
eere, zijn kracht, zijn vreugde" was. Welk een aan-
wijzing, als van een, „die spreekt, ook nadat hij gestor-
ven is," om in den kring, waarin gij geplaatst zijt, dien
weg ook zelf te gaan, en het hoogste goed te zoeken,
waar het te vinden is, in Jezus Christus en in Zijne
gemeenschap. Hij, die uit visschers Apostelen maakte,
uit uw huis zulk een dienaar van Zijn Evangelie zich
koos en vormde, zette u en ons eens dien éénen naam
op het voorhoofd, die tot in alle eeuwigheid blinken zal
in de kroon onzer hemelsche eere!
Een woord tot bestuurders en vrienden der Zending.
U een groet en den dank der gemeente, waardige sub-
director van ons Zendingshuis, die de moeite der reis
u getroost hebt, om in dit plechtig avonduur, aan zijne
nagedachtenis gewijd, tegenwoordig te zijn. Hoe gaarne
zag ik nu, Gem.! uw vroegeren leeraar hier, aan wien door
\'t Genootschap de moeielijke taak was opgedragen, de
ouders van den plotselingen slag in kennis te stellen,
en zich persoonlijk van dien last met zooveel mededoogen
heeft gekweten. Maar ik zou hem ook willen danken
voor alles, wat hij hier voor de zending heeft beproefd
en gedaan; willen danken, dat hij door zijn woord in
het hart van zijn leerling die begeerte heeft gewekt, om
den Heer in de heidenen te dienen. Toch was hij het
niet alleen; de groote kring van zendingsvrienden in
deze gemeente heeft er onder Gods zegen haar deel aan
gehad. Op uwe jongelingsvereeniging, in uwezendings-
bidstonden en samenkomsten zijn de eerste zaden van
deze liefde gestrooid en het lezen der berichten deed het
nadenken, de belangstelling vermeerderen, totdat in ern-
stige zelf beproeving het groote plan rijpte. O, gij allen,
-ocr page 18-
14
die iets van uwen Heiland hebt gegrepen, al was het
maar „den zoom van Zijn opperkleed," blijft in uwen
ijver met ons volharden! Het is Zijn stellig bevel: pre-
dikt Mijn Evangelie aan alle creaturen!" En zoo diep
mag geen Christen het hoofd buigen over zijn aardsche
belangen, in den kleinen kring zijner eigene of maat-
schappelijke bemoeiing, dat hij niet het hoofd opheft,
om over dat alles heen te zien naar die verre heiden-
landen, waar het morgenrood van een nieuwen en bete-
ren dag is opgegaan. Indien, Gemeente van Stiens!
deze jonge man een eere was en is voor de plaats uwer
inwoning en gij geleerd hebt, aan de vruchten den boom
te beoordeelen, ik durf niet vragen: „wie uwer jonge-
lingen zijn plaatsvervanger zou willen zijn" (God kiest
zich op Zijn tijd Zijn werktuigen), maar wel mag ik,
tot zijne nagedachtenis sprekende, in zijnen naam u toe-
roepen: „houdt het zendingwerk in eere en bedenkt,
dat niemand waarlijk Christen is, die niet met de 2e
bede van het „Onze Vader" een hart heeft voor Chris-
tus koninkrijk en voor Zijne heerlijke en zalige weder-
komst!"
Ten slotte een vraag in den naam van mijnen Zender-
Wij herdenken in dit stille Zondagavonduur te zamen
een 29-jarige. "Welk een kort leven! Slechts 6 jaren
arbeids zijn hem toegemeten. De overige 23 waren er
de toebereiding van. Maar dat zelfde korte leven, hoe
rijk en gezegend, in aanleg en vrucht! — Hoevelenzit-
ten hier neder, jonger dan hij, hoevelen ouder? En
als dan nu heden of morgen - op het alleronverwachtst -
midden in dl ons streven en werken, de oproeping kwam,
en dit uw leven of het mijne werd afgesloten, wat zou
-ocr page 19-
15
voor u, voor mij de slotsom wezen? Hoe staat het met
de rekening van uw leven?
Wat kan, wat mag er van
geboekt worden? Hoeveel er van afgetrokken? Wat
moet nog uitgewischt, ingehaald, verrekend worden....
met de menschen.... met God, den onzienlijke Getuige?
"Wat blijft er voor u, voor mij over? — "Welk een
vraag, als het ons niet volstrekt aan nadenken en leveng-
ernst ontbreekt! Welk eene verootmoediging, om er
stil, zeer stil bij te worden; om er de handen bij te
vouwen; om er het hoofd bij te buigen; om er de tol-
lenaarsbede bij te fluisteren! In het beste geval, om
op dat: „ik heb den loop geëindigd", met diep en innig
dankgevoel aan God, te laten volgen: „ik heb \'t geloof
behouden" ; dat geloof, „ dat koninkrijken verovert, ge-
rechtigheid oefent, de belofte verkrijgt!"
Daartoe sterke
en heilige ons God allen te zamen. Amen!
Slotzang GEZ. 249: 6 of 158: 7.