-ocr page 1-
§2-
5ARI0EN * *
DE SOENDANEESCHE
EVANGELIST
ZENDINGSDRUKKERIJ,
ERMELO- ZEIST.
10 Ct. fr. p. p.; vanaf 100 ex. 77» Ct.
-ocr page 2-
lüSo?
-ocr page 3-
BIBLIOTHEEK
HENBftiK KRAEMER
ittrrrruvT
Lettittstra*tweg 11
2">A1 G* OEGSTGEfST
0033596
-ocr page 4-
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000035674328B
3567 4328
-ocr page 5-
Bibliotheek /\' A .,
MEDcSL ZESDiHGSHO\'-FSCH;r k*
---------•
^ARiOENK,..^
DE SOENDANEESCHE EVANGELIST.
©e opmerrCeiijlce bekeering van,
een ryavaan.
IN ACHT KAPITTELS.
Zendingsdrukkerij,
Ermelo-Zeist.
-ocr page 6-
,\'
-ocr page 7-
INLEIDING.
„De brieven en berichten der zendelingen
en de jaarverslagen der Zendinggenootschappen
mogen met allo recht genoemd worden: „ Ver-
volgen op de Handelingen der Apostelen",
heeft
iemand gezegd. Terecht, want de Zendings-
berichten geven ons te hooren en te zien de
groote werken Gods in Jezus Christus, ge-
wrocht door het Heilig Evangelie, vooral waar
dit geloovig wordt verkondigd, onder beschaafde
en onbeschaafde volken, onder Heidenen en
Mohammedanen. Zoo blijkt, dat het bijna 2000
jaren oude Evangelie nog niets van zijne oor-
spronkelijke verlossende, verzoenende, vrede-
brengende, vernieuwende kracht heeft verloren.
Ook brengen die Zendingsberichten ons gedurig
woorden onzes Heilands te binnen, als bijv.
deze: „Zalig, die hongeren en dorsten naar
de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd
-ocr page 8-
— 4 —
worden," en: „Zoekt, en gij zult vinden," enz.,
welke woorden des Hoeren mij te binnen
kwamen onder het lezen en herlezen van hot
verhaal van den bekeeringsweg van Sarioen,
den hooggeschatten helper van den plaatsolijken
zendeling te Sockabocmi op West-Java onder de
Soendaneezen. (Java\'s bevolking bestaat uit de
Javanen, die het Oosten en midden des eilands
bewonen, en de Soendaneezen in het Westelijke
gedeelte.) Java\'s bevolking belijdt den Moham-
medaanschen godsdienst, en zoo was ook die
Sarioen vóór zijne bekeering Mohammedaan
en het oenige kind eener innig vrome weduwe.
Het verhaal van de bekeering diens mans trok
mij zeer aan, zoowel, omdat het ons doet zien,
langs welke vreemde wegen — dwaalwegen
— de Heorc soms de ziel, die naar vrede ver-
langt, leidt, en tot zich brengt, ook omdat die
geschiedenis doet zien — zooals door den zen-
deling terecht werd opgemerkt, „hoe ongenoeg-
zaam de ülohammcdaansche godsdienst is voor
een menschenhart, dat uitgaat naarden Eeuwige,
en zich door den last zijner zonden diep be-
zwaard gevoelt." Dat verhaal trok mij ook
bijzonder aan, omdat het uit \'s mans eigen mond
is opgeteokend. Daarom wil ik \'t voor u, vrien-
den in Christus, wederom vertellen.
-ocr page 9-
— 5 —
Sarioen\'s jeugd.
„Mijne moeder, eonc weduwe, — ik verloor
mijn vader, toen ik nog hooi klein was —
wensehtc vurig, dat ik priester of geestelijke
zou worden, niet zoozeer om de achting, die
haar zoon zou toegedragen worden door alle
vromen, en do geldelijke voordooien, die mij
dat zou brengen, maar veel meer en bepaal-
delijk, om zich te verzekeren van hare eigene
zaligheid,
\'t Kon immers licht gebeuren, dat zij
om hare zonden in de hel kwam." — In den
Koran, don Bijbel der Mohammedanen, wordt
geleerd, dat dozen, na hunnen dood, voor Gods
Gericht moeten verschijnen, waar hun leven
streng onderzocht wordt, en al het goede en
al hot kwade, dat zij in hun aardsche leven
gedaan hebben, op Gods weegschaal tegen
elkaar wordt gewogen. Weegt het kwade
slechts één duizendste van een rijstekorrel
zwaarder dan het goede, dan gaat de ziel
onverbiddelijk de hel in. Maar al staat dat al
ongeveer zoo in den Koran, geon Javaan leest
dien anders dan in het Arabisch, wat slechts
zeer weinige Javanen goed verstaan.
Bovendien wordt er veelal onder de Moham-
medanen geleerd, dat de Mohammcdaanschc
-ocr page 10-
- 6 -
ziol, die slechts weinig goede daden kan
toonen voor Gods Gericht, toch zeer wel het
geluk van het Paradijs kan worden waardig
gekeurd, op grond der haar toegekende ver-
diensten van andere geloovigen, zooals hier
Saeioen\'s moeder door de ontzaglijk groote
verdiensten haars zoons, als deze priester werd.
Sarioen zelf zegt: „Had mijne moeder dan
een geestelijken zoon, zoo zoude deze door zijne
gebeden en groote verdiensten bij den Profeet
(Mohammed) en bij God, haar zeker uit de
plaats der pijniging kunnen verlossen, en haar
het Paradijs binnen leiden. Daarom moest ik,
nog zeer jong zijnde, reeds den Koran loeren
lezen." — (Dat beschouwen de Mohammeda-
nen op zich zelven reeds als hoogst verdien*
stelijk, al verstaat de lezer geen syllabe van
hetgeen hij leest. Dit komt er niet op aan,
\'t is de Heilige Koran, dien hij leest, het Boek
uit den Hemel neergedaald, en dat is genoeg).
„Ik had geen den minsten lust in die zware,
jarenlange voorbereiding, doch eindelijk volgde
ik toch den vromen hartewensch mijner moeder,
en werd leerling bij een\' goeroe (geestelijke
leeraar)." — \'t Gaat den Mohammedanen als
den Roomschcn, die hunne zonen totdeugees-
telijken stand dwingen, omdat zij meenen in
-ocr page 11-
— 7 —
hen „boomsterke voorsp-aken bij God te krijgen"
zooals een "Wcstfaalsche boer zich uitdrukte,
toen hij zijnen 20 jarigen zoon dwong, monnik
te worden.
„Zoo begaf ik mij tot een goeroe, en werd
zijn leerling, doch \'t beviel mij zoo slecht bij
dien man, dat ik reeds na drie maanden hem
verliet, en een anderen goeroe opzocht. Den
Koran las ik driemaal door" — (het loeren
lezen geschiedt op puur werktuiglijke wijze:
de leeraar zegt zijn leerling de woorden voor
zonder ze te verklaren, of indien hij dat soms
doet, op hoogst gebrekkige, dwaze wijze).
Ook las ik vele andere godsdienstige boeken.
Dikwijls vroeg ik mijnen goeroe naar de be-
teekenis van hetgeen ik las of hoorde voor-
lezen, doch ik wachtte meestal te vergeefs
op ecnig redelijk antwoord. Ook vroeg ik
hem meermalen: Indien ik nu alles volbreng,
wat gij mij leert, kan ik dan verzekerd zyn
van de vergeving mijner zonden ? Ach, hoe
bitter stelde zijn antwoord mij teleur. „Dat
moet God alleen,"
zeide hij. „Wij hebben niet
te doen, dan de bevelen van onzen grooten
Ïirofeet op te volgen. Wij zijn als visschers.
s \'t bij God bepaald, dat wij visch moeten
vangen, goed, dan vangen wij visch; indien
-ocr page 12-
— 8 —
niet, dan vangen we niets,"... Maar zulke
duistere, hoogwijze antwoorden bevredigden
mü in bei geheel niet Ernotig begon ik te
twijfelen aan de wijsheid mijns goeroe\'s, en
dacht: och, \'t is toch te vergeefs, dat ik me
van morgen tot den avond vermoei. Uit al de
wijsheid, die ik hoor en leer, verkrijg ik toch
geen zekerheid. De behoefte van mijn hart
wordt hier niet bevredigd, en \'t is clan beter,
dat ik een anderen goeroe zoek!
Goed, ik verliet mijnen goeroe, en trok
naar een anderen beroemden, vijf dagreizen
ver wonenden godsdienstleeraar, en werd zijn
leerling. Deze toonde veel knapper en behen-
diger te zijn in het beantwoorden mijner
vragen, en in het oplossen mijner bezwaren,
zoodat ik 6 jaren lang bij hem bleef wonen.
Maar hoe geleerd en knap hij ook was, ook
hij wist mij geen antwoord te geven op de
groote vraag, die voor mij eene levensvraag
geworden was: hoe verkrijg ik zekerheid, dat
mijne zonden vergeven zyn?"
Ontroerend niet
waar? een mensch, gepijnigd door schuld-
bewustzijn, snakkend naar den Zaligmaker,
na jaren zoekens wanhopig tot zich zelven
zeggende: „Al mijn zoeken is te vergeefs !
-ocr page 13-
— 9 —
Mijne leeraars heoten wijs, doch zij weten
niets, en zijn als blinden."
De wanhopige zwerver.
„Ganschelijk mismoedig, ja wanhopig, ver-
liet ik den goeroe, bij wien ik zes jaren
gewoond had, en ging op weg, ja... waar-
heen ?... Ach, \'k was als een man, die van
de stad Bantam naar Batavia (bijna 16 uren
van elkaar gelegen) wil gaan, doch den weg
niet kent. Het ergste voor mij was, dat ik
geld noch goed meer bezat. Wat zou ik
doen ? Tot mijne moeder terug koeren ? of
\'t nog eens beproeven bij een anderen goe-
roe? Misschien wist deze mij den waren weg
te wijzen! Ik besloot tot het laatste, maar
dwaalde toch doelloos voort, onderweg eten
bedelend, om mijn honger te stillen. Maar
dat ging mij slecht af, want meermalen had
ik een gansenen dag niets te eten. Bij
het doorwaden eener rivier verdronk ik bijna,
en slechts met inspanning van al mijne
krachten bereikte ik behouden den andoren
oever. Toen dacht ik plotseling terug naar
moeder! Een barmhartig man, die medelijden
met mij had, schonk mij een halven gulden,
en hiervoor kocht ik teerkost voor de lange
-ocr page 14-
— 10 —
reis naar moeders dorpje. Uitgeput, moede en
wanhopig kwam ik bij mijn moeder aan. Ik
vertelde haar alles, wat ik ondervonden had,
en stortte mijn hart voor haar uit. Zij hoorde
mij zwijgend aan, en weende." De wanhopige
zwerver wordt een zedelijk verlorene, maar onl-
moet op den weg des verderfs den liedder van
zondaren. Zoo was ik dan na eene afwezigheid
van negen jaren weder bij moeder thuis, maar
wat zou ik nu aanvangen? Vrede en zalig»
heid had ik te vergeefs gezocht, \'k Had veel
geleerd, doch geen wijsheid gevonden. Moed
en lust om naar de hoogere dingen te zoeken
waren me ontzonken, \'k Dacht zoo : Voortaan
bekommer ik me nergens meer over. Ik ga
mijn eigen weg!
Ja waarlijk, \'k schaam me bijna over mijn
bestaan in dien tijd te spreken, o God, wees
mij zondaar genadig! Mijne hartstochten en
booze neigingen ontwaakten. In werken voor
mijn dagolijksch brood had ik geen lust, en
daarom begon ik te stelen. Zoo nu en dan
verhuurde ik me als knecht, hoofdzakelijk
met het doel te kunnen stelen; maar ik bleef
even arm, want alles, wat ik langs dcrgelijken
oneerlijken weg verkreeg, verbraste ik
terstond weder. Zoo holde ik voort op den
-ocr page 15-
— 11 —
weg des verderfs, onverschillig over mijne toe-
komst, met wrevel terugdenkende aan mijn
verleden, tot, ja totdat God, die \'s zondaars
dood niet wil, in zijne groote barmhartigheid
en liefde mij iemand deed ontmoeten, die
mij de oogen opende voor het gevaar, waarin
ik verkeerde, en mij terzelfder tijd den
weg ter behoudenis aanwees."
De verlorene behoudeu.
Op roerend, eenvoudige wijze vertelt Sariocn,
hoe de Hemelache Vader hem tot stilstaan
bracht op zijnen dwaalweg, hem plotseling
Zijne Wet voorhoudende, waarin hij zijn beeld
van grooten zondaar zag; maar hem tenzelf-
den tijde tot den zondaarsvriend bracht, die
den wanhopigen zoeker en zwerver alles
schonk uit genade, waarnaar zijne ziel sinds
jaren hongerde en dorstte. Sarioen* zegt:
„Toentertijd bij zekeren Chinees als op-
zichter werkzaam zijnde, en voor hem werk-
lieden zoekende, wandelde ik zoo langs de
woning van den Evangelist of helper des
zendelings, vader Djimoen. Deze was niet thuis,
maar wel zijne vrouw. Ik groette haar, en
zij noodigde mij uit, even vóór haar huis te
gaan zitten. Wij kenden elkaar wel niet, maar
-ocr page 16-
- 12 —
zy vroog mij toch vriendelijk, wie ik was,
waar ik vandaan kwam, wat ik deed, enz. Ik
vertelde haar niet meer, dan dat ik in Bantam
thuis hoorde, en nu hier bij een Chinees in
dienst was. De vriendelijke vrouw hernam:
Ja broeder, \'t ie goed en noodig, dat wij
arbeiden voor ons dagelijksch brood, maar \'t
is ook en boven alles noodig, dat wij op
onze ziel acht geven," en daarop las zij mij
de 10 geboden voor. Die woorden Gods ver-
schrikten mij vreeselijk, want zij deden mij
denken aan mijn zondig leven. Of de trouwe
Christin dat van mij kon merken, weet ik
niet; misschien wel. Zij vervolgde met tot mij
te zeggen, dat er voor hem, die zijne zonden
gevoelt en belijdt, vergeving en verlossing was
door het geloof in den Zaligmaker, die \'s
werelds zonden op zich had genomen. Hadden
straks de woorden der Wet Gods mij doen
beven van vrees voor God, bij het hooren
dier liefelijke woorden, die ik indronk als
frisch, koel bronwater, kende mijne blijdschap
geen grenzen. Hier leerde en hoorde ik, waar
ik zoovele jaren hing naar gezocht had, en
dat niet één mijner goeroes had geweten."
-ocr page 17-
— 13 —
Sarioen, den Zalicmaker vindende, ge-
loovig geworden, keert tot zijne moe-
der terug, verhaalt haar hoe groot
zijn geluk is en brengt haar tot
den Heiland.
Sarioen* verhaalt: ., Terstond vroeg ik verlof
bij mijnen Meester, en keerde terug tot mijne
moeder. Ik vertelde haar alles, maakte haar
deelgenoote van mijn geluk en mijne vreugde,
en bad haar, mij te volgen, opdat ook zij
vrede des harten mocht vinden door het geloof
in Jezus Christus. Stemde zij hierin toe, dan
zou ik den Christenleeraar, die mij onderwezen
had, verzoeken hierheen te komen, om haar
te onderrichten. Tot mijne blijde verrassing
zeidc mijne moeder „ja," en zij verheugde
zich, dat ik eindelijk datgene gevonden had,
waarom zij dag en nacht den Heere had gebeden,
al ware \'t dan ook langs een\' anderen, haar
onbekenden weg. Toen keerde ik tot vader
Djimoen, \'s Zcndclings helper, terug. Och, \'t
was een onuitsprekelijk genot hem te hooren
spreken over de liefde Gods, zooals die ons
ontsluierd is in Jezus Christus, en mijn hart
werd vervuld niet blijdschap en dankbaarheid.
Nadat ik eenige dagen bij vader Djimoen
-ocr page 18-
— 14 —
vertoefd had, vergezelde hij mij naar mijne
moeder, om ook haar de Blijde Boodschap te
brengen. O, hoe blijde werd moeder, toen ik
haar vader Dji.moen voorstelde. Niet alleen
aan haar, maar ook aan 17 onzer familieleden
en buren verkondigde hij het Evangelie. Die
allen namen het met blijdschap aan, en werden,
na voorbereidend onderricht ontvangen te
hebben, gedoopt door den Heer Axtiiixg. Bc
ging weder terug met vader Djimoex en hielp
hem zes maanden lang bij zijnen arbeid naar
mijn beste vermogen, \'k Wilde hem zoo mijne
dankbaarheid toonen, want hij was immers
mijn geestelijke vader, die mij den waren
weg had gewezen, die uit de duisternis, waarin
ik leefde, leidt tot het licht, hetwelk de Hei-
lige Geest in onze harten doet schijnen, en
die ons Jezus Christus leert kennen en aan-
nemen, als onzen Zaligmaker."
Sarioen\'s geloof\' wordt op een zware
proef gesteld, maar hij volhardt in
zijne den Heiland gezworen trouw.
Na een half jaar lang bij vader Djimoen
gewoond te hebben als zijn zoon en helper,
ging ik mijne moeder weder bezoeken. Terwijl
ik bij haar vertoefde, werd mijn geloof op
-ocr page 19-
— 15 —
eene zware proef gesteld. Ik kreeg namelijk
hevige koortsen, en viel dikwijls in zwijm.
Eenige mijner bloedverwanten, die mij be-
zochten, wilden mij afvallig doen worden van
den Zaligmaker, door aldus tot mij te spreken:
„Wel Sarioex, wat is toch de oorzaak, dat
ge zoo erg ziek zijt ?... Ge beweert den
rechten weg der zaligheid te gaan. Hoe, is
\'t niet veeleer den weg des verderfs, dien ge
bewandelt? \'t Is nu immers zonneklaar dat
ge u zelven bedriegt, want vroeger waart ge
nooit ziek! Erken toch, dat \'t God zelf is,
die u straft, omdat ge dezen weg, den weg
der afvalligen van Allah (God) en zijn profeet,
volgt. Daarom, keert terug tot God en Zijn
Gezant.
„Wij vermanen u daartoe, omdat wij mede-
lijden met u hebben." Ik antwoordde hen
aldus: Och broeders, hebt veeleer mededoogen
met u zelven, want uw medelijden met mij
is zondig. Ik ben verzekerd van mijne
zaligheid; evenzoo van de trouw en liefde
mijns Heilands,laat ik gezond of ziek zijn.
Meent ge, dat mijne ziekte mij doet twijfelen
aan Gods liefde? Verre zij dat van mij!
Veeleer versterkt die ziekte mij in mijn geloof,
want ik ondervind de vreeze Gods in mijn
-ocr page 20-
— 16 —
hart, en vrees niet voor den dood. Voortaan
lieten die bloedverwanten mij met rust" —
Babioen begreep dus Paulus\' diepzinnig
woord, door zoo weinigen onder ons begrepen:
„Hen, die God liefhebben, moeten alle dingen
medewerken ten goede."
„Toen ik weer gezond geworden was, bleef
ik bij mijne moeder wonen, en zorgde voor
de kleine gemeente. Nu begon pas recht de
verzoeking voor ons die geloofden. Hoe meer
\'t bekend werd, dat er waren, die hot Chris-
tendom hadden aangenomen, des te heviger
werd de verzoeking. Voor vier dergenen,
die toegetreden waren, werd de verzoeking
te machtig, en zij vielen af. Groot was mijne
droefheid om hen, en mijne bezorghcid om
de overigen. Zouden zij volharden ? .... Op
zekeren dag van de markt terugkomende,
werd deze vraag op droevige wijze beantwoord.
De Panghoeloc (de hoofdpricster) was gekomen,
had hen bij de haren gepakt, en gedreigd,
het hoofd af te slaan, indien zij niet afvallig
weiden, en tot Mohammed terugkeerden.
Sidderend van angst hadden zij daarin toege-
stemd. Ik had zeer met hen te doen. Zij
waren toch als schapen zonder herder te
midden der wolven. In die dagen was er in
-ocr page 21-
— 17 —
Bantam nog geen zendeling, geen Bijbel, en
de lieden waren nog arm in do kennis van
het Evangelie.
Ik sprak tot hen aldus: Hoe broeders,
vreest ge den Panghoeloe meer dan God?
Vreest toch niet voor menschen, maar veel
meer Hem, die in den hemel woont. — Zij
antwoorden: „Maar wat moeten wij doen,
daar hij ons met den dood bedreigde? En
hij zeidc over drie dagen terug te komen;
als wij dan nog geloofden, zou hij ons zekerlijk
dooden." Ik hernam: Als gij vreest gedood
te worden, verbergt u zelven dan, ik zal hem
alleen afwachten.....Drie dagen later kwam
de Panghoeloe. De broeders hadden zich
verstoken. „Zijt go hier nog, Kafirs (ongeloo-
vigen) ?" schreeuwde de woedende priester.....
Geen antwoord. „Waar zijt ge nu?".... Geen
stem liet zich hooren. Nu kwam ik naar
voren tot den Panghoeloe, en deed, alsof ik
van de zaak niets wist, wat ik doen kon,
omdat hij mij niet kende. Panghoeloe: „ Waar
zijn die lieden, die Sarani (Christen) zijn ge-
worden?" — Ik: \'k Weet \'t niet. — Pang-
hoeloe: „Die halsstarrigen, die niet willen
luisteren naar hun ware voorgangers, maar
liever den godsdienst der Kafirs volgen. Ik
-ocr page 22-
— 18 —
wensch zeer ze nu te ontmoeten. Ik wil
weten, of zij voortgaan op dien weg of niet.
Ook wensch ik te weten, hoc die onderwijzer
van hen er uit ziet. Ik wil hem opzoeken
en \'k zal hem dooden!" —
Ik beefde van drift, doch bedwong mij. Ik
vroeg hom: Wel Panghoeloe, wat beteckent
dat woord: Kafir Sarani? Ik ken dat niet.
Panghoeloe: „Indien je niet weet, wat Kafir
Sarani
beteekent, dan zal ik \'t je zeggen:
Dat zijn menschen die Nabi (profeet) Moham-
med verloochenen, en in Nabi Isa (don profeet
Jezus) geloven, net als die lui hier, die Kapirs,
die ik thans zoek." Ik: aha, is dat zoo! —
Panghoeloe: „Juist". — Ik: Als dat zoo is,
ik weet \'t niet, maar dan ben ook ik een
Sarani. De Panghoeloe verschrikte, en keek
mij met groote oogen aan. — ik: ja, wij
worden door u voor Sarani gescholden; vroeger
deed ik ook alzoo. De Panghoeloe vor\\von-
derd: „Ei, ei, jij ook al. Hoe kom je daartoe,
ongelukkige?" — Ik: Wat is het nut van
uwen godsdienst, en welke is de macht van
uwen Profeet? — Panghoeloe, buiten zich
zelven van woede: „Wat, jij ongelukkige,
durf je mij ondervragen en tegenstaan?" —
Daarop greep hij oen\' rijststamper, en bul-
-ocr page 23-
— 19 —
derde me toe: „Ik wil je doodslaan!" — Ik
stak hem mijn hoofd toe, en zeide: Indien
ge lust en moed hebt, goed, ga uw gang!
— Maar hij durfde niet, waarop ik tot hem
zeide: Maak dat ge wegkomt, en laat u nooit
meer zien! — Hij vertrok. De broeders
kwamen uit hunnen scliuilhoek te voorschijn,
en zijn sedert door hem niet meer bemoeilijkt,
doch hieruit ziet go, hoe moeilijk \'t voor
ons is Jezus Christus te belijden, als den
eenigen Zaligmaker; Christen te worden, en
\'t te blijven. Wij ondervonden, dat \'t inder-
daad waar is, wat de Apostel Paumtb eens
zeide: „Door vele verdrukkingen moeten
wij het Koninkrijk Gods binnengaan".
„Zoo had dan Sahioen, na jaren lang zoe-
kens en dolens, gevonden wat hij zocht: de
ware kennis, namelijk: de zekerheid, dat
„zijne zonden vergeven waren," zegt zendeling
va.v Ek.ndenbukg. „Hoe diep en sterk de be-
hoefte aan vrede en kennis uit God in zijne
ziele had geleefd, blijkt eigenaardig uit een
interessanten droom, dien hij eens had, en
dien hij mij vertelde, \'t Zal u zeker aangc-
naam zijn, dien droom te hooren," zooals
Öakiokn dien vertelt:
-ocr page 24-
— 20 —
Eene merkwaardige droom en nog merk-
waardiger uitlegging.
„Lang vóór ik mot Christenen in aanraking
kwam, en hunnen godsdienst, die ook de mijne
werd, leerde kennen, droomde ik zekeren
nacht aldus: \'k Zag mij zelven in een\' aller-
ellendigsten staat. Mijn lichaam zag er ver-
vallen uit, en was bedekt met lompen, die
mij in flarden om de leden hingen, \'k Zag
er zoo jammerlijk uit, dat allen, die mij
ontmoetten, mij op een\' afstand passeerden.
Niemand wilde mij naderen, en alle pogingen,
die ik van mijne zijde aanwendde, bleven
vruchteloos. Terwijl ik in wanhoop om mij
heenzag, bemerkte ik daar ginder oen persoon,
in schitterende kleeding en met blinkend
aangezicht, \'k Wilde hom naderen, om hem
mijne verontschuldigingen aan te bieden
wegens mijn armelijk en jammerlijk uitzien.
Doch ziet! hij kwam tot mij, strekte de handen
naar mij uit, on hing mij een\' kris mot toe-
bchooreii om de lenden, welks glans en heer-
lijkhcid die van goud overtrof. Onderwijl sprak
hij: „Indien u armoede en jammer treft,
kleedt u dan slechts met dozen kris, leg hem
nooit af, maar draag hem altijd!"
-ocr page 25-
— 21 —
Ik stond versteld, en kon vanwege mijne
groote blijdschap geen woord uitbrengen. Ik
zag, dat de glans van dezen kris zich mede-
deelde aan mijn gansche lichaam, zoodat ik,
even te voren nog vuil, arm en naakt, nu
schitterde als de zon in vollen luister. Ik
ontwaakte, zocht naar mijnen machtigen,
kostelijken kris, doch .... te vergeefs!
\'k Had gedroomd] Ik begaf mij tot ouden en
verstandigen onder mijn volk, en verhaalde
hun mijnen droom. Heinde en ver liep ik,
doch niemand kon mij eenc bevredigende
uitlegging geven. Nog ééne hoop bleef mij
over. Op eenigen afstand van mijne woonplaats
leefde een honderdjarige wijze, beroemd om
zijne geleerdheid.
Tot hem ging ik, en vertelde hem mijnen
droom. Na eenig nadenken riep hij uit:
„Welk een wonderlijke droom! — Geeft mij
uwe hand". — Deze beschouwde hij oplet-
tend, en sprak: „O, gij gelukkige! gij zult
eene wetenschap vinden, die zeker, schoon
en wonderlijk is De kennis, die gij zult vinden,
is nieuw, en ons volk kent haar nog niet.
Die kennis xal u echter niet geworden door of van
ons volk, maar xal u worden medegeilecld door de
Koelit poetih (ivithuiden =z Blanken).
Ziet toch!
-ocr page 26-
— 22 —
in den aanstaanden tijd zullen de Kafirs (on-
geloovigen) Islamieten (geloovigen), doch de
Islamieten Kafirs worden, maar gij zult vinden
de kennis, die waarlijk gelukkig en zalig
maakt. Wanneer, in welk jaar of in welke
maand, weet ik niet, maar zij zal uw deel
worden, zeker en gewis".
Merkwaardige woorden, die eene profetie
waren, reeds heerlijk vervuld in den droomer
zelvcn!
Sarioen wordt helper des Zendelings.
„In Octobcr 1875 kwam Sarioen bij mij",
verhaalt Zendeling Gijsman te Soekaboemi,
om mij in mijn werk behulpzaam te zijn. Een
jaar later bezocht mijn collega Verhoeven mij
en op hem maakte Sakioen een zeer gunstigen
indruk. Hij schreef om hem naar het Vader-
land : „De bekeerde en door den heer Anthing
gedoopte Hoendanoes Sarioen, die door mijnen
medearbeider Gijsman tot helper of Evangelist
wordt, heeft een aangenaam en eenigszins
ernstig voorkomen. Zijne gepaste vrijmoedig-
heid, en zijn open blik zijn tolken van een
oprecht gemoed. Dat hij zich \'s Zondags
niet van Evangeliearbeid onthouden kan, vind
ik een veelbelovend verschijnsel. Van hem laat
-ocr page 27-
- 23 —
zich iets verwachten voor hot Koninkrijk onzes
Heercn." Terzelfder tijde kon ik niet anders
spreken in een\' brief over Sarioen dan aldus:
„Met zijne opleiding gaat \'t naar wensch.
Zijne kennis van het Christendom is zeer
toegenomen, en in evenredigheid daarmede
de blijmoedigheid zijns geloofs. Zijn denk-
vermogen is merkbaar vooruitgegaan, en er
is cene leergierigheid bij hem ontwaakt, die
hem vroeger geheel vreemd was. Ik moet \'t
bekennen: in den beginne koesterde ik weinig
verwachting van Sarioen ; maar hij is zeer
in zijn voordeel veranderd. Zijn voorbeeld en
zijn woord maken op iedereen een\' goeden
indruk, en zulken, die met hem in intieme
aanraking komen, gevoelen zich tot den Zalig-
maker heengetrokkeu.
Dat zag ik in het bijzonder bij de Soenda-
neesche familie Ainan, bij wie Sariokn zeer
veel komt. Al de leden van dat gezin luis-
terden met groot genoegen naar zijne woorden.
Van lieverlede ontwaakte bij hem besef van
zonde en schuld. Zij begonnen te verlangen
naar de verlossing, die in Christus Jezus is,
en eerlang bekeerde het gansche gezin zich
openlijk tot den Heer en werd gedoopt. Vader
Ainan nam Sarioen ook dikwijls mede naar
-ocr page 28-
— 24 —
do woning zijner nog onbekccrdc moeder, om
ook daar van don Zaligmaker te verhalen, en
dat niet alleen voor het kleine gezin, maar
ook voor vele Mohammedaansche vrienden en
buren, die dan kwamen luisteren.
Tot heden toe — 1877 — was mijn Sa-
rioen nog ongehuwd gebleven. Steeds had hij
zich in zedelijk opzicht voorbeeldig gedragen,
ik meende, dat in den laatsten tijd \'t hem
veel strijd koste de verzoekingen te weer-
staan. Daarom sprak ik met hem over het
huwelijk als cene instelling Gods, en gaf ik
hem den raad en de vrijheid oene vrouw te
zoeken. Eenigen tijd later huwde hij met
Ami, cene stille, innige Christin, eene dochter
van den bovengenoemden Ainan.
Zoolang Sarioen vrijgezel was, woonde hij
met Saloe, mijn anderen helper, samen in een
huisje. Maar nu hij — en ook Saloe —
huwde, moest hij eene eigene woning hebben.
Daarom schoot ik hem de som van f 74 voor uit
ons gemeentehuisje, die hij behoefde, om een
eigen huisje met erf te koopen. Daarop leeft
hij gelukkig met zijne jonge vrouw, en heeft
me reeds f 10 terugbetaald op het voorschot.
Nadat hij eene poos gehuwd was, spoorde
ik hem aan eens te beginnen met buiten de
-ocr page 29-
— 25 -
hoofdplaats Soekabcemi, in do omliggende
dorpen en gehuchten te prediken. In gezel-
schap metSALOE deed hij dat, en met veel zegen.
Sarioen is in vele opzichten mijne rechter-
hand geworden. Stil, kalm, onder goed en
kwaad gezicht, gaat .hij onafgebroken voort
met het Evangelie te verkondigen, ofschoon
zijn ervaringen daarbij lang niet altijd bc-
mocdigond zijn."
Nu wil ik u, in zendeling Gijs.mans\' woor-
den een tooneel schetsen, waarin ge Sarioen
aan het werk ziet, als Evangelist in den
besten zin des woords.
Sarioen, aan het ziek- eii sterfbed van een
zeer geliefd lid der kleine gemeente.
„Oembing, Ainan\'s moeder, sinds 2 jaar
gedoopt, ecne eenvoudige, stille Christin, werd
plotseling zwaar ziek. Sarioex bezocht haar
trouw gedurende hare ziekte en sprak en bad
veel met haar. Eens vroeg hij haar: "Wel
Ma! geloof je in den Hoero Jezus, en heb
je Hem lief?" Zij antwoordde: „Ja, ik heb
Hem bepaald lief, en geloof, dat de Heore
Jezus mijne zonden gedragen heeft; ook denk
ik
veel aan den Zaligmaker." Daarop beleed
-ocr page 30-
— 26 —
zij geheel uit eigen beweging haar geloof,
door het half luid opzeggen der 12 Geloofs-
artikclen, en bad ook het gebed des Hoeren.
Sarioen vertroostte haar vervolgens aldus:
Vertrouw toch vast op dien Zaligmaker, twijfel
volstrekt niet, en wees niet kleinmoedig.
Ge moogt den Heer in uw hart niet willen
verloochenen, omdat Hij u deze ziekte gegeven
heeft. De Heere God heeft u zeer lief, en
daarom wil Hij u tot nadenken brengen door
middel dezer ziekte, opdat gij u vaster aan
Jezus zoudt hechten." De kranke antwoordde:
„Ja, dat geloof ik."
Een paar dagen vóór haren dood kwam
eene vrouw haar bezoeken, die, haar ver-
zoekende, zeide: „Val af van den godsdienst
der Christenen, en dan zult ge beter worden."
De zieke gaf der verzoekster beslist ten ant-
woord: „Liever zou ik geslacht, en aan stukken
gesneden willen worden, dan dat ik van den
Heere Jezus zou afvallen. Neen, dat doe ik
niet, want ik vrees dan verloren te zullen
gaan."
\'t Bleek me onnoodig do Christenen aan
te sporen de kranke Ma Ainax te bezoeken,
wat zij deden uit hun eigen. Sarioex vertelde
me: „Doordat Ma Aixan zoo erg ziek en
-ocr page 31-
— 27 —
dikwijls buiten kennis was, kon ik niet veel
van haar vernemen.
Yrijdag, Zaterdag en Zondagavond vóór
haren dood had zij \'t erg benauwd, en \'t was,
alsof \'t haar moeite kostte de aarde te vei-
laten, zoodat ik met al de broeders en zusters
bad, dat haar hart toch door niets bezwaard
mocht zijn, opdat zij geen zwaren doodstrijd
mocht hebben, en tevens, dat haar nog vóór
haren dood een helder oogenblik mocht ge-
geven worden, teneinde nog eens met ons te
kunnen spreken, en ook, omdat ik haar nog
wat wenschte te vragen. Zondag, na de kerk,
waren wij allen weder bij haar, zij kwam bij
volle kennis, zat zelfs overeind, en wilde
weder wat eten. Zij keek ons vriendelijk aan,
en zeide: „Hoe jammer, dat gij mij niet hebt
genoodigd, om mede naar de vergadering te
gaan."
Vervolgens zeide zij tot hare nog
jeugdige dochter Saemat (bij verkorting Emot):
„Emot, heb je me lief?" Bewogen antwoordde
zij: „Hoe zou ik anders kunnen! Ik kan niet
anders, dan u altoos innig lief hebben."
Daarop zei Ma Aixan: „Ja, ik heb je ook
lief." Nu kuste zij hare kleinkinderen I\'goed
en Martha, was opgeruimd en lachte, ja \'t
-ocr page 32-
— 28 —
scheen, alsof zij weder gezond zou worden,
zoodat de Christenen zoowel als de familie-
leden weer naar huis wilden gaan. Zelfs haar
zoon Ainan ging weer naar huis. Doch ik
hleef, en zeide: Laat ons liever bij do zieke
blijven waken tot morgenochtend, want, voor-
waar, zij keert ons haar aangezicht nog maar
even toe, maar zij zal stellig tot God terug*
keeren (sterven). Wees niet al te blij, dat Ma
weder in staat is met ons te spreken, want
dat is ons vergund op ons gebod. De broeders
en zusters geloofden mij, en ook Ma Ainan
zeide: „Wel zeker, ga maar allen naar huis,
als gij niet van mij iiuudt," hen beproevende,
omdat zij gaarne wilde hebben, dat zij bleven.
Vervolgens vroeg ik aan Ma Ainan: Hoe zal
\'t nu met u gaan, ingeval do Heere God u
wegneemt? Zijt gij bereid? Is uw hart door
niets meer bezwaard? Verlangt Ma misschien
om nog wat op aarde te leven? Is uw hart
misschien bezwaard over Emot, of over uwe
kleinkinderen ? Zij antwoordde: Belijdt Ma
eene zondares te zijn? „Ik heb mij geheel
overgegeven aan den Heere God en aan den
Heere Jezus, en ik gevoel mij door niets be-
zwaard, want Emot hoeft Mijnheer (zendeling
Gijs.man) en Sarioen, die voor haar zorgen
-ocr page 33-
— 29 —
zullen." Daarop beleed zij weder haar geloof
en bad het ,Onzc vader." Toen zij gebeden had,
vertroostte ik haar aldus: Ma! nu moet ge
niet bezorgd zijn. Uwe zonden zijn vergeven
door God den Heer, want \'s Heeren Jezus\'
bloed, vergoten op Golgotha, is eene bedek-
king voor uwe zonden, en is oorzaak dat Ma
niet meer zal sterven in der eeuwigheid. Als
Ma dus werkelijk wordt weggenomen door
Hem wien gij toebehoort, pas dan op, en
geraak niet op een\' dwaalweg, maar volg
onzen Heer. De zieke zeidc: .Hartelijk dank,
Sarioew" Xu zweeg Ma Ainan, en heeft niet
meer gesproken. Yan Zondagmiddag 4 uur
tot Maandagmorgen 11 uur lag zij in dood-
strijd. Rustig lag zij daar neder, alsof zij sliep,
zonder opgesperden mond, noch wijdgespalkte
oogen. Ook sloeg zij niet wild met de handen
om zich heen, noch trapte vervaarlijk met
hare voeten, zooals gewoonlijk het geval is
met stervenden, doch die zich niet, zooals
Ma Aixax, volkomen aan God hebben over-
gegeven.
En tot den allerlaatsten strijd hoorde men
haar, als zij een oogenblik bij kennis was,
telkens verzuchten: „Heeue Jezus!" —\'Nau-
welijks had Ma Ainan den jongsten snik ge-
-ocr page 34-
- 30 —
geven, of de stem des geweens werd gehoord,
maar Sarioen tioostte allen, en sprak: „Als
gij een Aikan liefhebt, en haar weder wenscht
te ontmoeten, gelooft dan evenals zij in den
Zaligmaker, wiens naam Jezus Christus is.
SLOT.
In 1880 verliet zendeling Gijsman Soeka-
boemi.
Sarioen ging voort met zijnen arbeid en
werd om zijnen ijver geprezen. Maar helaas,
het alleen, zelfstandig arbeiden bleek zelfs
voor een\' man als hij te zwaar, te veel van
hem gevergd te zijn, want zendeling Sciiilstra,
die tijdens Br. G.\'s afwezigheid een tijd lang
te Soekaboemi arbeidde, liet zich ongunstig over
Sarioen uit, namelijk, wat zijne naarstigheid
en zijn ijver betreft, \'t Was niet te loochenen;
zijn ijver was beginnen te verslappen. Hoog-
noodig had hij de vermaning: „Richt op de
trage handen, en maak de slappe knieën
vast!" Er zijn menschen, voor wie \'t minder
vergeeflijk was, dat zij deze vermaning noodig
hadden. Een man, als Sarioen, een Christen,
omringd door Mohammedanen, vaak alleen
staande met zijne overtuiging, geen steun
hebbende in de gemeenschap der heiligen,
loopt groot gevaar van verslapping. Maar de
-ocr page 35-
— 31 —
Heer vergoot Zijno getrouwen niot. Ter rechter
tijd weet Hij tot den moede een woord to
sproken, en zijne aamechtige ziel te verkwikken.
Zendeling van Eenden-burg, die in Maart
1883 te Soekaboemi kwam, zegt: „Ik leerde
Sarioen kennen als een onbesproken Christen-
mensch, doch niot als een wakker, ijverig
Evangelist, veeleer het tegendeel, \'t Baarde
ook hem al weinig gewetenswroeging, soms
uren lang op zijne rustbank te liggen. Trou-
wens, \'t maakt altijd een punt van overweging
uit voor elkon Soondanecs, met hoe weinig
arbeid hij volstaan kan. Wat nu Saiuoex aan-
gaat, onder mijne leiding en mijnon invloed
toonde hij eerlang zoo oprecht on overtuigend
ontwaakt te zijn, en opgewekt, on bereid tot
het doen van zijnon plicht als een levend
Christen, en een wakker Evangelist, dat ik
de vrijmoedigheid had, hem en nog een ander
lid mijner gemeente, tot ouderlingen aan te
stellen. Beiden zijn, voor zoover ik kan oor-
deelen, oprecht in hunne belijdenis en hunnen
wandel en mot bewustzijn Christen.
In 1885 bogon ik do evangelisatie te ver-
binden aan landontginning. Met goedvinden
van mijn Bestuur (de Ned. Z. V.) vroeg en
verkreeg ik van de Regeering een groot stuk
-ocr page 36-
— 32 -
grond in erfpacht, bij Pangliarejmn, cenige
uren van Soekaboemi af. Een aantal mijnor
Christenfamilie\'s van hier vestigden zich daar,
en Sarioen plaatste ik aan het hoofd dier
Christen-kolonie. In 1888 begreep ik, dat \'t
noodig werd mij zelf met mijn gezin er te
vestigen. Ieder huisgezin bebouwt daar zijn
eigen stuk grond. Er is nu cene uitmuntende
kerk en eene goede school, en de maatschappij
is gevestigd op Christelijkon grondslag.
Ook mijn helper-ouderling, Sabiobn, heeft
er zijn aandeel van den grond, waarop hij
voor zich en zijn gezin verbouwt, wat noodig is.
„Schoon, uitnemend!" roept ge uit. Goed,
doch onze bekoorde Soondaneezcn vonden dat
in den beginne volstrekt niet „schoon", nog
minder „prettig". Waarom? Och, eenvoudig,
omdat op ons Pangharepan gewerkt moest worden,
aanhoudend zwaar gewet kt.
Ik wist dat, de
Christenen gevoelden dat ook, en ik geloof
bijna, dat ze mij er om haatten.
Dat oen Zendeling de Christenen hielp,
meenden ze, zijn plicht te zijn; maar dat hij
hen in de gelegenheid stelde, ja hen nu drong,
zich zelven ie helpen; ziet! dat was hun een\'
doom in het oog. En dan nog wel zich zelven
te helpen door te arbeiden! Toch moest dat.
-ocr page 37-
- 33 —
Ik poogde hun \'t duidelijk te maken, en
liet daartoe geen gelegenheid ongebruikt
voorbij gaan. Zelf werkte ik mede, en dus
moest mijn helper Sarioen er ook wel toe
komen. Lang echter volgde hij echtfr met tegenzin.
Ik trachtte hem te doen gevoelen, dat \'t beter
was, den arbeid der anderen door zijn voor-
beeld te leiden, dan zijnen tijd in ledigheid
door te brengen. Zóó alleen kon hij anderen
ten zegen zijn. Hij volgde, maar.... mees-
muilend, zelfs mijne bedoelingen verdacht
makend bij de Christenen. Meermalen open-
baarde zich een goed georganiseerd verzet,
en meende men mij schrik aan te jagen door
de bedreiging, dat allen zouden heengaan en
mij alleen laten zitten. Hoe men over mij
dacht, mijne bedoelingen beoordeelde, ver-
moeddc ik toen, doch werd mij eerst later
beleden. Ik wil aan die werkelijke bange
dagen niet meer terugdenken, doch liever
constateeren, dat diezelfde Sarioen, die als
mijn helper eene gage van f 17.50 per maand
genoot, dit jaar (1892) bij mij kwam en de
volgende verklaring aflegde:
„Mijnheer! ik heb uwe bedoelingen lang
miskend, doch God heeft mij de oogen ge-
opend. Gij hebt ons vrij willen maken van
-ocr page 38-
— 34 —
de hulp van menschen; ons loeren kennen de
gave Gods, ons geschonken in het vermogen
om te kunnen werken, om te genieten do
vrucht van den arbeid onzer handen. Ik dank
u daarvoor, en ik dank God, die tot op dezen
oogenblik geduld met mij gehad heeft.
Voortaan wil ik arbeiden, anderen ten voor-
beeld. Voor mijne gage van f 17.50 per
maand bedank ik. Help mij slechts den eersten
tijd nog een weinig, en ik zal voortaan door
eigen arbeid in het onderhoud voor mij en
de mijnen voorzien. Niettemin zal ik blijven
doen, wat ik tot hier toe deed, zoolang God
mij daartoe de kracht verleent. Ik zal u ter
zijde staan in al uwen arbeid. Ik zal de ge-
meente blijven voorgaan, als gij afwezig zijt,
doch verlang daarvoor geen betaling meer.
Ik hoor Sarioex zelden spreken, daar hij
dit alleen doet als ik afwezig ben! Treffend
is menigwerf, wat mijne vrouw mij van zijn
bidden en spreken mededeelt. Zoo bad hij laatst
aldus: „Heer! als wij tot u naderen, gevoelen
wij ons als een zuigeling. Dikwijls weten we
niets te zeggen, wat ons ontbreekt, doch wij
kunnen slechts weenen voor Uw Aangezicht.
Gy echter weet, wat wij behoeven, evenals eene
moeder het schreien van haar kind verstaat."
-ocr page 39-
— 35 —
„De veranderde gezindheid, bij Sarioen
waargenomen, stond niet op zich zelven, doch
openbaarde zich ook bij de meeste gemcen-
teleden, die nu pas begonnen te toonen, Chris-
tenen te willen zijn in al hun doen en laten."
Tot besluit wil ik u nog Sakioen voorstellen
als zendeling, door de gemeente xelve uitgezonden
om kei Evangelie te prediken onder de Moham-
medanen in den wijden omtrek van Pangharepan.
Na afloop van de godsdienstoefening op
Nieuwjaarsmorgen (1 Jan. 1893) verzamelde
zich de gansche gemeente bij ons aan huis,
om ons met het Nieuwe jaar geluk te wen-
schen. Saiuoen sprak namens de gemeente
eerst een hartelijk en treffend woord tot ons,
en zich daarop tot de gemeente wendende,
zeide hij: „Broeders, gij hebt \'t gehoord; God
zelf wil met ons medegaan; ook waar wij ons
aangezicht keeren tot de Mohammedanen, zal
Zijn Aangezicht met ons mede gaan." Dit woord
vooral verraste mij op de aangenaamste wijze.
De gemeente was gekomen tot de erkenning
van de genade en de gave, haar geschonken.
Eenigc dagen later kwam Sakioen tot
mij, en zeide, dat hij en Akoeng, zoo
God wilde, do volgende week zouden
uitgaan, om het Evangelie te prediken in de
-ocr page 40-
- 36 -
omliggcnde dessa\'s. Hunne Zending was thans
eene Gemeentezaak. Zij gingen niet op last van
den zendeling, noch door dezen bezoldigd,
maar uit gehoorzaamheid aan het bevel huns
Heilands, gesteund en gedragen door de Ge-
meente. Zij hadden thans iets te boodschap-
pen. Zi) gevoelden zich gelukkig, en wenschten
dat geluk ook anderen deelachtig te doen
worden. Dat dit hun mogelijk was, erkenden
zij eene vrucht te zijn onzer vestiging hier.
Hier leefden en werkten zij zamen, en \'t ging
niet boven de krachten der Gemeente, hunne
Zending te bekostigen. Telkens als Sakioen
en Akoeng afwezig waren — zoo was de
Gemeente overeengekomen — zou de te ver-
richten arbeid op hunne akkers dooi\' de Ge-
meente worden besteld. De vrucht daarvan
bleef hun gewaarborgd tot verzorging van
zichzelven en hunne gezinnon.
Ik toonde me mot hun voornomen en die
regeling hooglijk ingenomen. Beiden ge-
tuigden van een\' gezonden, geestelijken
wasdom, van oen helder zich bewust wor-
den, wat de roeping der Gemeente is.
Zóó moot \'t gaan, zal \'t goed gaan. In mijne
blijdschap over wat ik had vernomen, riep ik
des avonds de Gemeente in ons bedehuis
-ocr page 41-
- 37 -
zanien, om met haar God te danken, en
Zijnen zegen af te smecken op haar pogen.
De eerste Zendingsreis van Sarloex en zijn
metgezel duurde 10 dagen. Zij hadden vele
dessa\'s (dorpen) bezocht; eene menigte per-
sonen ontmoet; waren vriendelijk ontvangen
of ruw bejegend; men had hen uitgenoodigd
te spreken, of... hun te verstaan gegeven
liever te zwijgen, — geen enkele was hen
gevolgd. — Die eerste reis werd door menige
andere gevolgd. Interessante mcdedeclingen
werden mij en der Gemeente gedaan over
ontmoetingen en ervaringen. Vergelijkingen
werden gemaakt, en dikwijls moesten zij er-
kennen, dat menig Mohammedaan hun en der
Gemeente een beschaming was. Dit was eene
eerste vrucht hunner Zending voor de Ge-
meente, want zij maakt zich de haar zoo
gegeven wenken in menig opzicht reeds ten
nutte. „Menigmaal" zeiden Sarioen en zijn
broeder, „begonnen unj met te leeren, en ein-
digden met onderricht te worden. Toch werd
\'<
ons, bi) wat wy zagen en hoorden, meer en meer
duidelijk, dat God te kennen in het Aangezicht
van Jezus Christus, het Eeuwige Leven is."
Reeds 2 maanden zijn zij nu bezig, en
menige teleurstelling werd hun deel. By menig-
-ocr page 42-
— 38 —
een, die hen had uitgenoodigd, terug te komen,
vonden zij bij een volgend bezoek de deur
gesloten, en wel eonigszins ontmoedigd kwamen
Sarioen en zijn metgezel deze week bij mij,
om hun wedervaren te verhalen: „Nog geen
enkele heeft zich bereid verklaard, ons te volgen,"
zeiden zij tot mij met eenc zucht. — Ik ant-
woordde hun: „Meent ge daarom dat uw werk
te vergeefs zou zijn? Luister eens Sarioen!
Toen Jezus sprak, ziende op de Joden en de
Samaritanen: „De velden zijn al reeds wit om
te oogsten", vergistte Hij zich toen? Slechts
een twaalftal mannen is Hem gevolgd, en ook
die verlieten Hem in de bangste uren zijns
levens. Begrijpt go nu, dat Jezus woord : „ Wit
om te oogsten"
niet eensluidend is met „Bereid
Hem te volgen
P" Neen, Jezus zag de ellende
zijner tijdgenooten, hunne zorgen, ziekten,
zonden, kwalen naar lichaam en geest, voort-
spruitende uit het niet kennen
van Hem, die
Israël had betuigd: rlk ben de Heer, uw Heel-
meester".
Kennis omtrent Hem te verspreiden, door
woord en daad hun Zijne wegen te openbaren,
dat was voor Jezus het ingaan in den wijn-
gaard. Dat hebt gij ook kunnen doen. \'t Is
slechts de vraag, of gij den Socndanees genoeg
-ocr page 43-
- 39 —
lief hebt, om hem als zoodanig de oorzaak
van uw leven en uwe zaligheid to doen kennen.
Gij vcrhaalder me straks van dien Mohamme-
daanschen goeroe (godsdienstleeraar), wien gij
voor de eerste maal in zijn leven iets van
het heerlijk Evangelie deedt liooren. Gij
spraakt van den indruk, dien \'t op hem
maakte. Volgens zijne eigen woorden had hij
tot heden toe de Christenen en het Christen-
dom bespot en gelasterd. Meent ge, dat hij
dat voortaan nog zal kunnen, zonder zijn
geweten geweld aan te doen ? Neen, ga maar
voort met te getuigen, spreek den menschen
van Hem, die ons Gods liefde openbaarde.
Laat men Hem kennen, en men zal in Hem
geloven, Hem liefhebben, Hem volgen. Denk er
aan: „Die gehoven, liaasien niet".
Onze vrienden zijn er weer op uit, gemoe-
digd en gesterkt. Hun werken is hun, dei-
Gemeente en onzer Mohammedaansche om-
geving, ten zegen. Waren slechts alle ge-
meenten onder de Soendanoezen een licht en
zout voor hare omgeving, wij zouden met
meer overtuiging ook van do naaste toekomst
zingen: „Zóó, zóó zien wij\'t Godsrijk komen."
Onwillekeurig rijst in mijne ziel gedurig de
verzuchting des Geloofs op:
-ocr page 44-
— 40 —
„Wachter op de heil\'ge muren,
Wachter! wijkt nog niet de nacht ?
Ach! wij tellen rust\'looa d\' uren
Tot ona d\' ochtend tegenlacht,
Als \'t gestarnte gaat verbleeken,
Als het duister is geweken
En de zon op berg en dal
Warme stralen werpen zal."
„Ruische ons maar voortdurend het woord
onzes Heilands door de ziel: „Heb Ik u niet
gezegd, dat, zoo gij gelooft, gij de heerlijk-
heid Gods zien zult?"
Rotterdam.                            H. BETTINK.