-ocr page 1-
DE PEINS VAN SHIPOER
*C..
I
Bh. lil.
EEN YERTELLIKG
VAN
A.. J. HOOOEITEIRK.
MSTERDAM. — HÖVEKEft & ZOON.
\' \\
-ocr page 2-
8/fT
lO
,V>*v>
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
•
(-i Bibliotheek
\'__.<L ZEflDINGSHOGESCHOO
r
lfPriiisi)aitS|tptferEKT,,:-
EEN VEKTELLI3STG TJia\' HIJNTDOSTA-ISr
DOOR
A. J. HOOGENBIBK.
Uitgave van de SÊalfstuiversvereeniging voor de /Ajnsc/te Zending.
AMSTERDAM,
HÖVEKER & ZOON.
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000035896012B
3589 6012
-ocr page 6-
-ocr page 7-
9
p een zonnigen morgen van het .jaar 1794 gingen twee
wandelaars met. langzame schreden een breed voetpad
op, dat van een prachtig en rijk versierd gebouw in een
heerlijken tuin leidde. De een, een knaap, die zoo om en
bij de negen jaar oud scheen, droeg een luchtig wit kleed,
dat tot de knieën reikte, terwijl zijn beenen verder geheel
bloot en alleen de voeten met sierlijke goudkleurige pantof-
fels bedekt waren. De ander, een flink gebouwd man, droeg
een blauwen zeer dunnen mantel, en op zijde een lange
kromme sabel, terwijl een puntige muts hem nog veel groo-
ter deed schijnen, dan hij was.
De lezer zal reeds bemerkt hebben, dat het in \'t land, waar
die twee zich bevonden, niet heel koud kon zijn. En als hij
verder eens den tuin had kunnen zien met zijn hooge palm-
boomen en dichte heesters, waartusschen bonte vogels hup-
pelden en kleine apen rondsprongen, dan zou hij misschien
begrepen hebben, dat hij in Indië was, het land, waardelndusen
de Ganges vloeien, waar ffalles heerlijk is, behalve de mensch".
De knaap liep een poos zwijgend voort, terwijl de man,
die hern volgde, een groot rood zonnescherm boven het hoofd
van den kleine hield, en in de linkerhand een korfje droeg
met rijstkorrels gevuld. Van tijd tot tijd stonden zij even stil als
het kind de bloeiende witte en roode rozen afplukte, die langs
den weg stonden, en gingen dan weder voort, tot zij stil
stonden voor een huisje geheel tusschen de bladeren ver-
-ocr page 8-
I
scholen, en welks deuren evenals het spilse dak, rijk ver-
guld in den zonneglans schitterden. Bij het huisje stond een
oud man. Een lange mantel hedekte hem bijna geheel. In
de eene hand droeg hij een staf van ivoor met goud versierd,
in de andere een veelkleurigen waaier.
Het knaapje, dat wij daar zoo zien wandelen, was de tweede
en jongste zoon van een IndÏ3chen vorst, den rajah1) van
Shipoer. Het jonge prinsje heette Tippo-Hahad. Als een
koningskind opgevoed, had hij tot hiertoe niels dan vreugd
en heerlijkheid gekend. Thans echter was het anders ge-
worden. De oude rajah, zijn vader, was den vorigen dag ge-
storven. De speellieden, die eiken avond hun liederen in den
tuin lieten hooien, waren weggezonden, de vier vrouwen van
den vorst liepen weenend door het paleis, en den geheelen namid-
dag van den vorigen dag waren prinsen en edelen op olifanten
gezeten, uit de naburige plaatsen gekomen, om den gestorven
vorst nog eenmaal te zien. Dit alles had Tippo-Habad voor \'t
eerst in zijn leven recht treurig gemaakt. Ook had hij geen moe-
der om hem te troosten, want deze was reeds vele jaren dood.
Zoodra dan de oude man, die een priester van den afgod
Brama was, den prins en zijn bediende zag aankomen, opende
hij de deur en ging binnen, gevolgd door de twee anderen.
Het huisje zag er ook van binnen prachtig uit. Tegen den
achtermuur stond een soort van troon rijk met paarlen ver-
sierd, en daarop was een groot bronzen beeld geplaatst. Dit
beeld had het lichaam van een mensch, een paar beenen, die
veel op bokspooten geleken en in plaats van een hoofd een
olilantskop met een langen snuit.
De prins eu zijn volger knielden neder en de priester of
Bramien sprak:
l) Spreek uit: ratzja.
-ocr page 9-
5
„Prins Tippo-Habad, breng het offer aan den groofen god
Gaudama, die uw vader heeft beschermd, opdat Iiij uw broeder,
die hem zal opvolgen, een gelukkige regeering geve, en uws
vaders ziel moge wondelen in het paradijs van Brama, den
opperste aller goden."
Ue kleine prins nam de rozen, die hij had meegebracht en
strooide ze voor het beeld op den grond. Daarna zette hij
het korfje met rijst, dat de bediende hem aangaf, op een
tafel, terwijl de priester op een zilveren schaal vuur legde,
en daarop een handvol gestampte kruiden wierp, waarvan de
geur weldra het geheele verlrek vervulde. Toen de wierook
was opgebrand, ontving de knecht van den prins twee goud-
stukken, en gaf die aan den priester. Daarna verlieten alle
drie het huis en hintten den tuin weder in.
Gij ziet wel, vrienden, dat prins Tippo-Habad, met al zijn
rijkdom en pracht toch eigenlijk een ongelukkige knaap was.
Hij kende God niet, en had reeds als kind geleerd allerlei
valsche goden, zooals Brama en Vischnoe en nog vele anderen
te aanbidden en te dienen. Niemand had hem ooit gesproken
van den Heiland Jezus Christus, die zichzelf tot een offer
voor onze zonden heeft gegeven, en van ons geen andere
offers vraagt dan ons hart. Daarbij waren de Bramienen, gelijk
alle heidensche priesters, ijverig bezig den jongen prins veel
van de goden en hun macht te vertellen, want, zoo dachten
zij, als Tippo-Habad veel aan de goden geeft, omdat hij hen
vreest, dan komt dat ten slotte (och in onzen zak. En daar
hadden zij volkomen gelijk in, al was hun wijze van doen
nu juist niet heel oprecht.
Den dag nadat Tippo-Habad het offer aan Gaudama ge-
bracht had, werd hij op een witten olifant van het paleis
naar een groot plein gevoerd, dat opgepropt was met menschen.
-ocr page 10-
t;
Vóór hem reed zijn oudste broeder, die nu koning was, en
achter hem kwamen een menigte edellieden en bedienden
allen op olifanten of paarden gezeten. Nieuwsgierig keek ons
prinsje in het rond. Midden op de vlakte was een hooge stapel
van stukken hout en takkebossen gemaakt meteen klein prieel
er op. In dat prieel lag iets wits, en toen Tippo-Habad vroeg
wat het was, vertelde hem een bediende, dat daar het lijk
van zijn vader lag.
„Maar waarom heeft men het daar gelegd\'.\'" vroeg de knaap.
„Wel," antwoordde de knecht, ,/het moet verbrand worden.
En twee van de vrouwen van uw machtigen vader zullen
met het lichaam zich laten verbranden."
„Zijn die dan ook dood\'?"
„Neen, prins, maar dat gaat altijd zoo. Het zou een schande
zijn, wanneer een aanzienlijke vrouw na den dood van haar
man leven bleef. Niemand zou haar meer aanzien."
Wat de bediende zei was volkomen waar. Het heidendom
is, gelijk ons de Bijbel leert, vol gruwelen en wreedheden.
Evenals men in Afrika de kinderen levend begraaft, verbrandt
men in Indië, dat misschien nog het meest beschaafde land
van Aziü is, de weduwen met het lijk van haar man. Gelukkig
hebben de Engelsehen, die tegenwoordig over Indië regeeren,
dat schandelijk gebruik streng verboden.
He volksmenigte werd nu plotseling doodstil. Een rij van
priesters, in witte kleederen en spelend op iluiten en harpen,
trok door het volk heen, dat eerbiedig plaats maakte. In het
midden van de rij liepen twee jonge vrouwen, met bloemen
omkranst. Hun lichtbruine gelaatstrekken waren doodsbleek
en hun oogen bijna geheel gesloten. Men bracht hen naar de
kleine deur beneden in den brandstapel, en een oogenblik
later zag Tippo-Habad de twee vrouwen in het prieel zitten
-ocr page 11-
7
aan weerszijden van zijns vaders lijk. AI liet volk juichte, de
priesters staken liet hout in brand, en weldra kon men niets
meer zien dan de hooge vlammen en den dikken rook, waarin
twee menschen levend verbrand werden ter eere van de
houten en steenen afgoden der blinde dienaars van Brama.
Tippo-Habad had niet meègejuicht. Toen hij de twee
vrouwen, die altijd heel goed voor hem waren geweest, daar
zag zitten bij het lijk van zijn vader, was hij uitgebarsten in
tranen. Niemand kon hem troosten, en toen hij niet ophouden
kon te weenen, kwamen eenige edelen bij hem en reden zoo
spoedig zij konden met den snikkenden prins terug naar het
paleis, waar Tippo-Habad op een rusthank werd gelegd en
na al den schrik en de ontroering weldra gerust insliep.
De zon ging reeds onder toen hij ontwaakte, doordat een
zachte hand hem de lokken van het gezicht wegstreek. Hij
zag op, en voor hem stond een vrouw, die hij kende, daar
haar man de bediende was, met welken wij Tippo in den
tuin ontmoet hebben. De vrouw reikte den prins eenige
broodkoeken toe, die hij gretig opat en wenkte hem haar te
volgen, terwijl zij den vinger op den mond legde, om te
beduiden dat hij niet spreken moest.
Het paleis van Shipoer \') had geen trappen. Men kwam van
boven naar beneden langs kronkelende zacht afbellende gan-
gen, \'t geen wel heel langzaam ging, maar ook volstrekt niet
vermoeiend was. Eindelijk waren zij beneden. Daar wachtte
reeds de bediende. Hij zat te paard, en zoodra hij den prins
zag bukte hij, zette den knaap voor zich in den zadel en
reed eerst langzaam, en toen in vollen draf met het kind weg.
,/Waar brengt gij mij heen?" vroeg de prins toen zij in
een dicht woud waren gekomen, en wat zachter reden.
l) Spreek uit: Sjie-poor.
-ocr page 12-
8
„Luister eens goed/\' hernam de bediende. „Gij weet dat uw
broeder thans rajah geworden is in de plaats van uw va.Ier. Nu
zijn de priesters daar zeer boos om, want uw broeder is hun
vriend niet en geeft weinig aan de goden. Zij hadden gewild
dat gij koning zoudt worden, en denken dat liet vroeg of laat
nog wel zal gebeuren. Uw broeder heeft dat bemerkt, en daar
hij tegen de Bramienen niets durft doen, wil hij u in stilte
laten vermoorden. Daarom ben ik met u gevlucht; want ik
houd veel van u, en zal u op een plaats brengen, waar gij
veilig leven kunt.\'
De trouwe knecht reed den geheelen nacht met den prins
voort, tc\'t eindelijk het paard niet verder kon. Zij stegen af
en wilden zich neerzetten, toen eensklaps iets ritselde in de
bladeren. Een pijl snorde en de bediende stortte met een gil
dood neder. Tegelijk sprongen zes ruiters tevoorschijn, die
door den broeder van den prins hem achterna waren gezon-
den, om hem levend of dood terug te brengen. De mannen
omsingelden den knaap en wilden hem aangrijpen; maar deze,
die wel begreep wat hem te wachten stond, keerde zich om
en vluchtte in het dichte kreupelhout. De soldaten renden
hem achterna en zouden hem zeker gekregen hebben als er
niet onverwachts een redder was gekomen, en wel een vier-
voetige. Ken groote tijger, die zeker juist van zijn nachtelijken
rooftocht was teruggekomen, werd wakker van \'t gedruisch,
en sprong met woest gebrul op de krijgslieden aan. Nu ont-
stond er een woedend gevecht, en de kleine prins, die gelukkig
niet bleef staan kijken hoe \'t afliep, had zoo gelegenheid
om zijn vervolgers ta ontvluchten.
Den ganschen dag dwaalde hij in \'t woud rond en zocht
vruchten om zijn geweldigen honger te stillen. Ten laatste
kwam hij weder op een grooten weg, die hem geheel vreemd
-ocr page 13-
g
was. Een man wandelde dicht bij hem en zoodra (leze don
knaap zacr, wiens kleederen op zijn vlucht gescheurd en met
bloed bevlekt waren, ging hij naar hem toe en vroeg hem
wat hij daar zoo alleen op den weg deed.
Tippo-Habad vertelde eerlijk al wat gebeurd was, en hoe
het kwam dat hij er zoo uitzag. Gelukkig was de man geen
verrader, maar kreeg hij hartelijk medelijden met den vor-
stenzoon, die reeds zoo jong zijn leven niet zeker was.
„Tippo-Habad", zeide bij, toen de knaap had uitverteld, „gij
ziet aan mijne kleeding wel dat ik maar een arm man ben.
Ook kan ik u geen prachtig paleis en sierlijke kleéren geven.
Maar dat is ook niet noodig om gelukkig te zijn. Ik ben
thans op reis, wilt gij nu met mij meegaan, dan zal ik voor
n zorgen, en gij kunt bij mij blijven zoolang gij zelf maar wilt."
Dat onze vriend hier niets tegen had is wel te begrijpen.
Zeker was het een groote verandering zoo in éen dag van
een koningszoon een arm reiziger te worden. Maar de Heere,
die alle dingen leidt, bestuurde het juist zoo tot nut en zegen
van Tippo-Habad, gelijk wij straks zullen zien.
Een paar dagen waren de prins en zijn beschermer op
reis geweest toen zij dicht bij de rivier de Ganges kwamen,
welke de Hindoes voor heilig houden. Oude menschen worden
dikwijls aan dien stroom neergelegd om er te sterven en door
wilde dieren verslonden te worden. Ook werpen de ouders
er hun kleine kinderen in tot offer aan de goden. Toen
Tippo-Habad dicht bij den oever kwam, zag hij een man, die
er zeer vermoeid uitzag, terwijl lange scherpe naalden in het
vleesch zijner armen en beenen waren gestoken. De knaap
gaf een schreeuw van ontzetting en vroeg zijn geleider wat
dat beteekende. „Dat is een fakir, mijn zoon/\' was het
antwoord, „een heilige noemen hem de dienaars van Brama.
-ocr page 14-
10
Hij pijnigt zichzelf en gaat zich in den Ganges baden, opdat
zijn zonden vergeven worden. Ga eens mef."
Beiden liepen nu op den fakir toe en groetten hem. De rnan
liep echter voort totdat de reiziger hem vroeg wat hij doen ging.
„Ik wil mij baden in den heiligen vloed/\' antwoordde de
fakir, naar het water wijzend, „dan worden mijn zonden
vergeven, en ik ben rein."
De metgezel van den prins gaf geen antwoord, maar ging
ter zijde van den weg, en plukte een kleinen pompoen. Dezen
reikte hij den fakir toe en verzocht hem dien op te eten.
„Dat kan ik niet/\' was het antwoord, „hij is te bitter."
„Juist," hernam de andere, „maar neem hem meê, doop
hem zevenmaal in den Ganges, en eet hem dan op."
„Maar dan zal hij nog even bitter zijn," sprak de fakir.
„Zoo," hernam de reiziger ernstig, „en denkt gij dan zelf
door uitwendig wasschen rein te worden, als het niet eens
helpt om een bittere vrucht zoet te maken?"
Gij bemerkt al, vrienden, dat de reismakker van Tippo-Habad
recht snedig iets zeggen kon. Misschien denkt ge wel dat
hij een Christen was. Hierin bedriegt ge u echter. Daar zijn
onder de Hindoes velen, die best begrijpen dat in hun gods-
dienst velerlei dwaasheid is, zooals gij straks nog beter zult
kunnen zien. Maar met al hun wijsheid vinden de Hindoes
toch den waren weg naar den hemel niet. Want. die wordt
alleen gevonden, wanneer God zelf ons hem wijst in hel Evangelie.
De fakir wendde zich knorrig om, en de twee wandelaars
gingen daarop verder. Langen tijd, zelfs jaren achtereen bleef
nu de prins bij zijn vriend, en had het daar zeer goed.
Slechts eenmaal hoorde hij van zijn broeder den rajah. Deze
had namelijk zoo slecht geregeerd dat er een oproer wasuit-
gebarsten. De Engelschen waren toen gekomen en hadden
-ocr page 15-
11
het land Shipoer voor goed ingenomen. Daarbij was de rajati
gedood en Tippo-Habad, die nu zestien jaar was, en nog altijd
hoopte op den troon te komen, weende tranen van spijt toen
hij dit alles vernam.
Zijn vriend echter wensehte er hem geluk meè. „Denk eens,
mijn zoon/\' zeide hij, „hoe goed het is, dat gij al de rijkdommen
van uws vaders land nooit zult krijgen. Die zijn maar hin-
derlyk bij liet denken aan de toekomst. De groote Boeddha,
dien wij vereeren, was zelf een prins. Maar hij gaf al zijn geld
weg. Overal waren de menschen in zijn tijd van elkaar ge-
scheiden, de krijgslieden minachtten de kooplieden en deze
de boeren, zoodat zij niet met elkaar omgingen."
„o, Gij bedoelt de kasten," zeide de prins, «maar die zijn
er toch nog.//
„Ongelukkig ja,// antwoordde de man, //hier in Indië zijn ze
nog, omdat de priesters, die van Boeddha\'s nieuwe leer niets
wilden weten, hem verjoegen. Maar in de landen, die zijn leer
volgen, is dat alles niet. Hij leert ons allen gelijk zijn, en ons-
zelf te reinigen door bet goede te doen en de dingen der
aarde te verachten. Wie het zoo ver brengt, zal tot loon in
de andere wereld al hooger opklimmen en eindelijk ophouden
Ie bestaan.»
/\'Maar dan is hij er niet meer,* riep Hippo-Habad.
//Juist,// was het antwoord. //Het leven is maar een straf,
en niets is heler dan wanneer het ophoudt. Dit noemen wij
de vernietiging en die zoeken wij.//
De eerste dagen, die op dit gesprek volgden, was de prins
zeer stil, en sprak weinig. Hij dacht aan zijn verloren konink-
rijk, maar ook aan \'t geen hij, duidelijker dan ooit tevoren,
over Boeddha gehoord had. De goden van mijn land, zoo
sprak hij in zichzelf: Brama en Kali en Gaudama, kunnen
-ocr page 16-
12
de ware niet zijn. Allerlei dwaze, ja slechte dingen vertelt
men dat ze gedaan hebben. Grijsaards en kinderen worden van
ben vermoord en weduwen verbrand. Dat kan niet goed wezen.
En toch vind ik dat Boeddha ook zoo iets vreemds zegt, dat
ik moet wensehen voor goed weg te zijn. Ook moet ik mijn
best doen om braaf en onschuldig Ie zijn. Ik wil bet wel,
maar het gaat niet. Ik doe telkens kwaad, er zijn leugens
en toorn en kwaad in mijn hart en mijn mond; ik haat mijn
broeder, die dood is, en de Engelschen, die mijn land hebben.
Ik zou groot en rijk willen zijn inplaals van arm. Hoe kan
Boeddha zulke dingen zeggen en waarom zou ik het gelooven\'?
Zoo redeneerde onze vriend bij zichzelf. Hij wist niet dat
de; lleere .lezus zegt: //Wie in Mij gelooft heelt het eeuwige
leven." Dat wij zalig worden om niet en uit genade had
zijn vriend hem niet kunnen zeggen. Boeddha zelf bad dit
ook niet geweten. Kn daarom kon hij wel tot zijn navolgers
zeggen dat zij volmaakt moesten worden, maar h o e zij daartoe
zouden komen was hem onbekend. Zoo kan dan ook Boeddha
niemand recht gelukkig maken of van zijne zonden verlossen.
Hoeveel goede dingen er ook in zijn leer zijn, zoo gelijkt
Boeddha toch veel op een dokter, die wel zegt wat u scheelt,
maar geen goed drankje geven kan.
Van dit laatste begon Tippo-Habad ook iets te begrijpen.
Zijn verzorger had veel met hem over zonden en deugd en
Boeddha gesproken, waarover de prins in de laatste dagen
dikwijls had nagedacht. Hij begreep, met zijn flink verstand
dat hij van zijn zonden moest verlost worden. Toen hij echter
zijn vriend ronduit vertelde dat hij niet geloofde dat Boeddha
volkomen gelijk had, werd deze een weinig boos.
//Mijn zoon,// zeide hij, //wij moeten niet bijeen blijven.
Ik hoopte u een discipel van den grooten Boeddha te maken,.
-ocr page 17-
13
zooals ik. Ik wil niet met u twisten, want ik heb u lief.
Het best is dat gij de wereld ingaat en alles goed onderzoekt.
Dan zult ge zien dat de godsdienst van Boeddha de beste is.
Neem dit geld van mij, en deze juweelen, die gij bij u liadt
toen ik u als klein kind bij den weg ontmoette. Ik heb ze
bewaard, en gij kunt er langen tijd het noodige voorkoopen.
Als ge ooit weer lust gevoelt om bij mij terug te keeren
staat mijn huis voor u open.*
Met tranen in de oogen nam Tippo-Habad afscheid van zijn
redder en vriend, die trouw hem luid verzorgd en steeds goed
voor hem geweest was. Hij nam zich voor zijn vaderland,
waarvan hij nog niet veel gezien had, te doorreizen, en zoover
mogelijk van het vorstendom .Shipoer Ie gaan wonen, dat toch
nooit meer hem zou behooren.
Ik kan u, waarde lezers, moeielijk alles vertellen wat hij
aanschouwde, hoe hij door de vlakte van het binnenland
reisde, en over steile bergen trok, waar meer wilde dieren
dan menschen waren. Hij zag de pracht der groote steden
Delhi, Agra en Allahabad. Maar wat hij ook zag, en hoe
hij ook alles onderzocht en doorzocht, nergens was iemand,
die hem recht wist te zeggen, hoe een mensen van zijn zon-
den bevrijd, en rein en goed en heilig, ja voor altijd gelukkig
worden kon.
Op een avond reed Tippo-Habad langs de rivier, die naar
de groote stad (\'alculta leidt, de hoofdstad van het uitgestrekte
Engelsch-Indische rijk. Daar wonen veel Europeanen en zijn
duizenden Christenen.
Terwijl de piins, van zijn reisknecht vergezeld, daar zoo
eenzaam voortreed, bemerkte hij een klein vaartuig, waarin
een blank man zat te lezen. Het scheepje zou juist van wal
steken en de roeiers grepen reeds de riemen, toen de blanke
-ocr page 18-
14
in een taal, welke Tippo-Habad niet verslond, hun iets toeriep
en meteen weer aan den oever sprong, waar hij op den grond
wit scheen te zoeken. De prins keek ook omlaag en bemerkte
iets schitterends. Snel sprong hij van \'t paard, raapte het op en
reikte het den vreemdeling toe. Het was een zilveren schrijfpen.
De Europeaan dankte hem vriendelijk in de landtaal, en
vroeg hem of hij misschien lust zou hebben bij het smoorheele
weer inplaats van te rijden, naar het land te varen. Gaarne nam
de prins dit aan ; en terwijl hij zijn paard den knecht overliet,
stapte hij in en dobberde weldra op de kleine golfjes der rivier.
Al spoedig was het tweetal in een druk gesprek. De Euro-
peaan was zeker een geleerd man; althans de prins, die zelf
ook vrij wat gelezen en onderzocht had, stond verbaasd over
de kennis en wetenschap van zijn reisgenoot.
„Gij zijt zeker een dokter, mijnheer," riep hij eindelijk uit,
en wierp meteen een blik op den stapel boeken, die in \'t
schuitje lagen.
„Ik ben wel een dokter," antwoordde de Europeaan, „maar
misschien niet zooals gij bedoelt ; want ofschoon ik mijn best
doe zooveel mogelijk het lichaam te genezen van hen, die ziek
zijn, geef ik toch vrij wat beter geneesmiddelen voor een nog
erger kwaal."
„Dat begrijp ik niet," antwoordde Tippo-Habad verwonderd.
„Mijn vriend," hernam de andere zeer ernstig, «de ergste
ziekte, die iemand hebben kan, is de bedorvenheid van zijn
eigen hart, dat vol zonden is."
„Dat weet ik," hernam de prins, //maar kunt gij dat beter
maken\'.\'"
„Ik kan dit niet. Maar een ander is er, die dat doen kan
en doen wil. Hij heeft ons het middel daarvoor gegeven, en
ik heb ondervonden dat dit helpt, zoodat ik nu weet dat ik
-ocr page 19-
15
gereinigd ben van alle zonden, en Hem zal gelijk worden,
die mij dat middel heeft gegeven."
„o," Zeide Tippo-Habad, „gij bedoelt zeker wat Boeddha ge-
zegd heeft: dat wij ons best moeten doen om rein en goed te
leven. Dat heb ik vele jaren lang gehoord. Maar ik weet niet
hoe ik zoo volmaakt worden zal."
„Neen vriend," antwoordde de vreemdeling. „Ik spreek niet
van Boeddha, die maar een mensch was zooals wij. Die kan
ons niet helpen. Maar de eeuwige God, de Schepper van alle
dingen, die niet woont in een tempel met handen gemaakt,
maar die den hemel en de aarde vervult. Hij heeft zijn Zoon
gezonden in de wereld om de zonden weg te nemen. Hij kan
volkomen reinigen allen, die door Hem tot God gaan."
„Maar hoe weet gij dat?" vroeg Tippo-Habad.
„Uit dit boek," hernam de andere, terwijl hij eenderboek-
deelen opnam en opensloeg. „Dit is het Woord des Heeren,
dit spreekt de waarheid en wijst een weg naar het land der
heerlijkheid, waar allen komen, die verlost zijn van hun
ongerechtigheid."
„En reist gij rond om dit aan allen te vertellen\':\'"
„Juist. Men noemt mij een zendeling, dat wil zeggen een
die gezonden is om een boodschap te brengen. Die boodschap
heet de blijde boodschap, het Evangelie van Gods genade.
Jarenlang heb ik reeds in Indië gereisd, ik vertel den menschen
overal, dat zij hun houten en steenen afgoden moeten weg-
werpen om Hem te aanbidden en in Hem te gelooven, die
de waarachtige God is. Ik wenschte zoo vurig dat zij allen
den Redder van zondaren leerden kennen, den Zaligmaker
Jezus Christus, die betere dingen geeft dan Brama en Boeddha,
welke niemand kunnen verlossen."
Zoo sprak de zendeling. De prins luisterde zeer opmerk -
-ocr page 20-
16
zaatn. Toen het schuitje aan land gekomen was en zij afscheid
namen reikte de zendeling hem een Bijbel toe.
„Vriend," zeide hij, „ik bid u, neem dit boek en lees het.
Ik zal God bidden dat Hij u leert het te verstaan en als gij
mij, na het gelezen te hebhen, nog spreken wilt, kunt gij mij
hier in Calcutta vinden. Ik heet Henry Wilson en woon aan
den havenkant."
Drie maanden gingen voorbij. De heer Wilson was weder
van een reis teruggekeerd, toen een vreemdeling hem verzocht
te spreken. Het was Tippo-Habad.
„ Welnu," sprak de zendeling, „hebt gij het boek gelezen\'?"
/r!a," antwoordde zijn bezoeker, „ik heb het gelezen en
geloofd en lief gekregen. In het eerst begreep ik er weinig
van, maar ik heb niet opgehouden. Ken van uw vrienden, dien
God mij deed ontmoeten, heelt dikwijls met mij gesproken
en mij veel verklaard wat ik niet begreep. Gods Geest heeft
mij de oogen geopend. Ik weet thans dat Brama noch Boeddha
mij verlossen kunnen, en vertrouw alleen op dien Heere Jezus,
wiens bloed ook mijn zonden heeft uitgewischt. Hem heb ik
lief, voor Hem wil ik leven."
Hoe blijde de zendeling was kunt gij licht begrijpen. Toen
Tippo-IIabad kort daarop werd gedoopt ontving hij den naam
van Jonathan, naar den Israelielischen prins, die Davids vriend
was. Met het ontvangen van zijn nieuwen naam begon de
jonkman ook een nieuw leven. Want hij volgde het voor-
beeld van den heer Wilson, en besteedde al zijn krachten
-om het Evangelie te prediken in Indiü aan hen, die nog
knielden voor de afgoden. En ten laatste heeft hem de Heere
voor een aardsche de onverderfelijke kroon gegeven, die allen
is weggelegd, welke Christus waarlijk liefhebben.