-ocr page 1-
•PSGHIEDENISDER
LEIDEN. D. DONNER.
-ocr page 2-
yY\\f^ IC8\'?
-ocr page 3-
A-15C-36-1
-ocr page 4-
-ocr page 5-
p«r»i
A-15C-36-1
HEN\'; ;                   3
iNSTrruuï
Leidsestraatweg 11
2341 GR OEGSTQEEST
Seiftosjan, de Zwarte-9mii m
EEN VERHAAL
UIT BE GESCHIEDENIS DER ZENDING IN ZUID-AFRIKA.
.A. JL.TJK3ZIEN.
jm___9®*____«l.
MET EEN PLAATJE.
[UTRECHT
A06000035912421B
3591 2421
\'l&Ö
LEIDEN. - D. DONNER.
-ocr page 6-
I
*
INHOUD.
Blz.
I. Wie Skwoksjan was......................................     3
II. In de kerk..............................................     9
III.   Zand en water...........................................   18
IV.   De groote verdrukking.....................................   20
V. Botsjabelo...............................................   25
- l4
-ocr page 7-
I.
Wit Swwttsjan nras.
Alle smeden zijn zwart, zult gij zeggen; dat komt van hun
werk. — Wacht even, vrienden; wanneer de smid des Zon-
dags opgaat naar het huis des Heeren, is hij dan ook zwart?
Zijn zwarte kleur zit er maar van huiten op, die kan hij er
afwasschen; maar de smid, van wien ik u vertellen ga, was
niet alleen op de werkdagen, maar des Zondags ook zwart
en al wiesch hij zich ook drie uren achtereen, het hielp hem
niet, want hij had een zwarte huid.
Hij was echter niet alleen een smid, maar ook een toove-
naar; dat verbeeldde hij zich ten minste en dat geloofden
zijne landgenooten van hem. Gij moet namelijk weten, dat
Sewoesjan woonde in Zuid-Afrika, dicht bij de Transvaalsche
boeren, dat hij behoorde tot het groote volk der Beetsjoe-
anen en tot den stam der Bapedi\'s, dat hij onder de regee-
ring stond van koning Sekwati, natuurlijk ook een zwarte
vorst, voor wien hij de wapenen moest smeden. Ik zeide,
dat hij bij de Transvaalsche boeren woonde, eigenlijk lag
het land van Sekwati midden in Transvaal, maar toch was
hij oppermachtig koning. Zie zoo, nu weet ge iets van onzen
smid en van zijne woonplaats; laat ons nu eens met hem
zelven kennis maken.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
4
Op een avond zat Sewoesjan voor de deur zijner hut een
luchtje te scheppen, \'t Was een warme dag geweest en hg
had het in de laatste dagen nog al druk gehad met het
nazien van de assagaaien of werpspiesen en de schilden des
konings, daar er een oorlog op til was. Eensklaps meent
hij in den man, die hem voorbijgaat, eenen ouden bekende
te zien.
„Zijt gij het, Mafadi?" roept hij.
„Ja, Sewoesjan," is het antwoord, „is het wel met u?"
„Zeer wel," antwoordt de smid, „maar wien ik gedacht
had van avond nog te zien, u niet. Zijt ge dan nu terug
van de zeekust? Me dunkt, \'t is wel drie jaren geleden, dat
ik u gezien heb."
„Dat is waar," zegt Mafadi, „als het voorjaar wordt, is
het vier jaar geleden, dat ik vertrokken ben. Ik kom nu
juist terug en hoopte nog bij daglicht bij mijne moeder te
zijn, maar dat gelukt mij niet meer."
„Kom, ik loop een eindje met u mee, dan kunnen we nog
wat praten onderweg. Ik ben zoo blij, dat ik u weer zie."
Zoo sprekende was hij opgestaan en spoedig waren zjj
buiten de kraal.*) Mafadi was een jonge man, die buitens-
lands geweest was aan de zeekust, waar vele Engelschen
wonen. Dat deden de jonge Bapedi\'s wel meer; dan za-
gen ze eens wat van de wereld en verdienden tevens vrij
wat geld.
„Ik heb u veel te vertellen," zegt hij nu tot zijn vriend.
,Ik zou u kunnen spreken over groote schepen en vreemde
menschen met blanke gezichten, maar daar hebt ge wel al
eerder van gehoord. Ik weet echter iets, waar ik vroeger
nooit van gehoord heb en gij ook niet en nog bijna niemand
\') Een kraal is een dorp Tan dicht bijoenstaande hutten.
-ocr page 10-
5
van ons volk. Er is een God, Sewoesjan. Die schitterende
sterren daar boven en de aarde en de boomen en het vee
en de menschen zijn er niet altijd geweest, maar zij zijn
door God geschapen."
„Wat is dat, Mafadi, een God?"
„Ik zal u zeggen, wat ik er zelf van weet. Voor lange,
lange jaren was er niets, dan God alleen, en Hij woonde in
den prachtigen hemel daar boven ons. Toen heeft Hij de
aarde gemaakt en alles, wat er op is, menschen en dieren,
en de zon en de maan en de sterren. En die menschen, die
God maakte, waren goed en onschuldig. Maar dat duurde
niet lang, toen begonnen zij kwaad te doen en werden booze
kinderen. Nu had God de menschen wel dadelijk kunnen
dooden, maar dat wilde Hij niet. Hij wilde hen in Zijnen
hemel brengen na hun dood; daarom zond Hij zijnen Zoon
Jezus Christus op aarde en die heeft den menschen geleerd, wat
zij doen moesten om God te behagen. Eindelijk is Hij zelf
gedood om de straf te dragen, die de menschen eigenlijk
ondergaan moesten en Hij is weer levend geworden en naar
den hemel gegaan en allen die Hem liefhebben, brengt Hij
ook in den hemel, als ze sterven."
„Hoe weet ge dat alles, Mafadi?"
„Dat hebben de menschen mij verteld, bij wie ik gewerkt
heb. Zij lazen alle dagen in een boek, dat zij het Woord
van God noemden en dan knielden ze samen neder en baden
tot God. In het eerst begreep ik er niets van, maar daar was
ook een Kaffer, die een Christen was, en mij er veel van
verteld en uitgelegd heeft. Daarna ben ik vele malen naar
een leeraar geweest, die ons in het Woord onderwees en nu
kort geleden ben ik gedoopt en ook een Christen geworden,
want ik heb Jezus lief, die voor mij gestorven is en nu wil
ik gaarne alles doen, wat Hij geboden heeft. Dat staat alles
in het Woord van God. Maar zie, hier zijn we bij Moeders
-ocr page 11-
6
huis. Ze zal wel vreemd opkijken, als ze me daar zoo laat
nog ziet aankomen. Gaat ge nog mee binnen?"
„Neen," zegt Sewoesjan, „ik zal maar terugkeeren tot mijne
vrouw. Komt ge spoedig eens bij mij, Mafadi, om mij nog
meer van God te vertellen? Ik ben er nieuwsgierig naar ge-
worden, maar ik begrijp er nog niet veel van."
„Ja, dat zal ik doen," antwoordt Mafadi, en na afscheid
genomen te hebben van zijn vriend, stapt hij naar binnen.
In gedachten verdiept, wandelt Sewoesjan naar huis terug.
Zoo iets had hij nog nooit gehoord. Hij was wel een wijs
man, een van de wijsten uit zijn volk, want hij was een
toovenaar, maar hij geloofde van zijne tooverijen zelf niet
veel. Wanneer er in langen tijd geen regen gevallen was,
zond de koning de boodschap tot hem, dat hij regen maken
moest. Dan mengde hij verschillende kruiden door elkaar,
stak ze in brand en prevelde eenige woorden, die niemand
verstaan kon, om daarmede den hemel te betooveren, opdat
er regen zou komen. Had iemand eene zieke koe, dan moest
Sewoesjan komen om de koe te onttooveren, opdat ze ge-
nezen zou. Was er een aanzienlijke gestorven, dan moest
Sewoesjan den persoon aanwijzen, door wiens schuld het ge-
beurd was, opdat die gestraft werd. Hoe hij tooveren moest
had hij vroeger van zijn vader geleerd. Maar zie, hij had
dikwijls opgemerkt, dat er niet altijd regen kwam, als bij
tooverde en dat het zieke vee wel eens stierf, al had hij het
ook onttooverd en hij was zoover gekomen, dat hij het met
tegenzin deed, maar het verschafte hem eer en aanzien onder
het volk en bij den koning, en daarom ging hij er mee voort.
Nu echter vernam hij gansch andere dingen van zijn vriend
Mafadi. Den geheelen avond dacht hij er over na; des nachts
kon hij er niet van slapen en de zon was nog pas opgegaan,
of hij was al weer op weg naar de naburige kraal, waar
zijn vriend woonde. Deze vertelde hem alles, wat hij wist,
-ocr page 12-
7
toonde hem ook den Bijbel in de taal der Bapedi\'s, dien
hij van den leeraar ontvangen had, maar dien hij niet lezen
kon, omdat lezen tot dusver bij de Bapedi\'s eene onbekende
kunst was.
Zoo ging het vele dagen en hoe meer Sewoesjan van het
Woord Gods hoorde, hoe meer eene stem in zijn hart zeide,
dat het waarheid was. Dat was de stem van den Heiligen
Geest, die Sewoesjan voorbereidde tot een discipel van den
Heere Jezus. Eindelijk kwam hij zoover, dat hij met zijn
vriend nederknielde en ze samen op eenvoudige wijze, maar
met een vurig hart den Heere baden, dat Hij hun toch
meer van Zichzelven zou laten weten, dat Hij hun leer-
aars zou zenden, opdat zij mochten weten, wat goed of
kwaad was.
Van dien tijd af was de smidse van Sewoesjan des Zondags
gesloten, want Mafadi had de dagen onthouden en telkens
telden ze zes dagen, om dan den zevenden den Heere te
heiligen. Kwamen er nu voortaan menschen om de hulp van
Sewoesjans tooverkunst in te roepen, dan vertelde hij hun
kort en goed, dat hij niet tooveren kon, maar dat regen en
droogte van God den Heere komen.
Onder het volk der Bapedi\'s werd er veel over gesproken.
De meesten schudden het hoofd en zeiden: „De toovenaar
heeft zichzelf betooverd;" anderen beklaagden de beide Chris-
tenen, die liever wilden bidden, dan zich dronken drinken
en vechten. Er waren er echter ook, die zeiden: „Indien een
man zoo wijs als Sewoesjan, die dingen gelooft, dan zal er
ook wel wat van waar zijn." Onder deze laatsten behoorde
Kathedi, een blinde, die zeer goed met Sewoesjan bekend
was, omdat hij ook tooveren kon. Toen deze door de twee
vrienden met den Heere bekend gemaakt was, voegde ook
hij zich bij hen, want zijn hart werd tot den Heere bekeerd.
Des Zondags kwamen de drie vrienden geregeld bij elkander.
-ocr page 13-
8
Dikwijls weenden zij als zij zagen hoe hunne makkers werk-
ten of zich aan dronkenschap en woestheid overgaven, en
geen grooter genot kenden dan eten en drinken en oor-
log voeren. Dan knielden ze neder en baden: „Heere, geef
ons leeraars, want ons volk is duisternis!"
We zullen zien, hoe de Heere dit gebed verhoorde.
!
-ocr page 14-
II.
f n &t Jtcrtt.
\'t Is Zaterdagavond 12 Oct. 1861. Wanneer ge weder met
mij naar Zuid-Afrika gaat, zult ge daar niet in een der
kralen, maar er tusschen in aan den rand van \'t gebergte
een nieuw huisje zien staan, dat wel geheel gebouwd is als
de huizen der Bapedi\'s, maar toch duidelijk toont, dat er
geene Bapedi\'s wonen. Wel is het gebouwd van dikke boom-
takken, waartusschen de openingen gevuld zijn met dunne
takjes en dichtgestreken met aarde, maar alles ziet er veel
netter en zuidelijker uit. \'t Is geen wonder, want de twee
mannen, die hier wonen, zijn blanken, zijn Duitsche Zende-
lingen. Wat is er gebeurd?
Eenige zendelingen, die in een ander deel van Zuid-Afrika
woonden, hadden gehoord, dat koning Sekwati een groot
volk had, dat nog nooit van den Heiland gehoord had. Ze
hadden innig medelijden met deze ongelukkigen en vroegen
den Heere om hen te leiden, dat ze ook aan dezen het Evan-
gelie mochten brengen. Daarop trokken twee hunner uit en
reisden te paard naar koning Sekwati, om hem verlof te
vragen, dat ze in zijn land mochten wonen en prediken. Hij
stond het hun toe en de twee zendelingen gingen heen, maar
keerden spoedig terug met alles, wat ze voor hunne huis-
houding noodig hadden. Den 289ten Aug. 1861 trokken zij
-ocr page 15-
10
over de rivier de Steelport en kwamen in Sekwati\'s land. Pas
waren ze hier, of de koning stierf en zijn zoon Sekoekoeni
volgde hem op. Er waren er wel onder de Bapedi\'s, die dezen
niet als hunnen koning wilden erkennen, maar spoedig waren
zij onderworpen en in October was het gansche land rustig.
Men had den zendelingen geen leed gedaan, omdat de vroe-
gere koning hen verlof gegeven had, om in het land te wonen.
Ondertusschen hadden Sewoesjan en Mafadi voor de zende-
lingen een huis gebouwd, wat grooter dan waarin ze zelf
woonden, opdat het tevens voor kerk kon dienen.
\'t Is dan Zaterdagavond. De zendelingen Merensky en Nach-
tigal zien nog eens uit en een aardig schouwspel vertoont
zich aan hun oog. Hier en daar zien ze in de duisternis een
vuur branden, waaromheen een aantal mannen en vrouwen
gelegerd zijn, sommigen met kinderen bij zich. Wat willen
die menschen daar? Wel, zij komen om het Woord Gods
te hooren en omdat ze zeer ver moeten loopen, zijn ze reeds
dezen dag van huis gegaan, hebben spijs meegenomen en
leggen zich nu hier op den harden grond te slapen om mor-
gen tijdig klaar te wezen. Hiermede hebben ze niet veel
werk: hunne daagsche kleeren kunnen des Zondags ook wel
dienst doen, want ze dragen niets dan een schortje, dat om
het middel is vastgemaakt en nog niet tot de knieën reikt,
terwijl ze een dierenhuid om den rug geslagen hebben.
\'t Werd een aangename Zondag voor de zendelingen. Er
kwamen meer dan honderd Heidenen om het Woord Gods
te hooren. Wel konden die allen geene plaats vinden in hun
huis, maar de deur werd opengezet en wie er niet in kon
luisterde buiten. Nu was Mafadi een belangrijk man. De
zendelingen kenden de taal der Bapedi\'s nog niet, maar hij
kende de taal der Hollandsche boeren in Transvaal en wat
nu de zendelingen in onze taal zeiden, vertaalde hij voor de
hoorders. Zoo duurde de preek wel wat lang, maar het ging
-ocr page 16-
11
toch, en vele Heidenen begonnen weldra belang te stellen
in het Woord des Heeren.
Zoo ging het voort. Eiken Zondag predikten de zendelin-
gen, zoodra mogelijk in de taal des volks; in de week kwamen
de drie vrienden, om lezen te leeren en onderwijs te ontvan-
gen; bovendien gingen de zendelingen dikwijls naar den ko-
ning of bezochten de inboorlingen in hunne huizen. Den
14den Januari \'62 werden Sewoesjan en de blinde Kathedi
gedoopt en vele anderen kwamen bij de zendelingen om on-
derwezen te worden.
En de koning? Betoonde ook hij zooveel belangstelling?
Luister! Het was een zeer heete en droge tijd in \'t begin
van 1862. Daar, aan de andere zijde van de linie, is het dan,
zooals ge weet, zomer, en deze zomer was zeer droog. We-
ken aaneen viel er geen druppel regen. Het koren ver-
schroeide bijna op het veld; het vee loeide, omdat er geen
gras was. Toen kwam het volk tot den koning om regen.
„Ach!" smeekten zij, „vraag toch de zendelingen om re-
gen!" — En wat antwoordde de koning? „De zendelingen
zijn niet gekomen om regen te maken, maar om ons te leeren.
Maar gij zegt, dat uwe toovenaars regen maken kunnen, en
zij maken er geen; me dunkt ze liegen." Sewoesjan, die als
des konings wapensmid ook een zijner raadslieden was, zeide:
„Regen en droogte, o koning, komen van God den Heere, en
en wanneer wij Hem bidden, wil Hij genadig ons gebed ver-
hooren."
„Wel, Sewoesjan," zeide koning Sekoekoeni, „ga gij dan
naar de zendelingen en vraag ze uit mijn naam, of ze God
willen bidden om regen."
Sewoesjan kweet zich van zijn plicht; de zendelingen had-
den innig medelijden met het arme volk; zij baden den Heere
om water en zie, de Heere verhoorde hen. Na eenige dagen
viel er een overvloedige regen.
-ocr page 17-
12
Koning Sekoekoeni was hierdoor en door alles, wat hij
hoorde en zag, diep getroffen. Zijne beste raadslieden, som-
mige hoofden van dorpen en velen van het gewone volk gin-
gen ter kerk en hij hoorde dikwijls over den Heere spreken,
zoodat hij gevoelde en begreep, dat wat de zendelingen zeiden,
waarheid was. Hij gaf daarom bevel, dat overal des Zondags
het werk gestaakt moest worden. Dat was vooral een geluk
voor de vrouwen. Bij de Bapedi\'s worden namelijk de vrou-
wen, evenals bij vele andere Heidenen, niet veel beter behan-
deld dan werkdieren. Zij moeten niet alleen voor hare kinderen
zorgen, maar ook het vee hoeden en het veld bearbeiden,
terwijl de mannen den tijd doorbrengen met drinken en spe-
len, jagen en oorlog voeren.
Was Sekoekoeni dan een Christen geworden? Helaas, neen!
Zijn verstand was wel overtuigd, dat het Christendom waar-
heid was, maar daar was hij volstrekt niet blij om. Want
hij had, evenals velen van zijne aanzienlijkste onderda-
nen, meer dan ééne vrouw. Werd hij nu Christen, dan
moest hij ze allen op ééne na, wegzenden; dan mocht hij
zich ook niet meer dronken drinken, maar moest matig en
zedig leven en hiertoe kon hij niet besluiten. Hoe meer hij
nu in zijn geweten overtuigd werd, dat het Evangelie geloofd
en gehoorzaamd moest worden, hoe meer zijn zondig hart
er zich tegen verzette. Den eersten tijd was hij dus vriende-
lijk jegens de zendelingen en de Christenen van zijn eigen
volk, maar hij zelf hield zich, alsof \'t hem niet aanging, Dit
kon echter zoo niet blijven. Wie het Woord des Heeren
hoort, doet een van beiden, hij neemt het aan, of hij ver-
werpt het; onverschillig blijven kan men niet. Zoo ook Se-
koekoeni. Hij moest ccn Christen worden of de Christenen
vervolgen. Hij koos het laatste.
-ocr page 18-
III.
Jand tn wateit.
„Neen, machtige koning Sekoekoeni, ik zeg het u nog een-
maal, zoo kan het niet blijven. Deze Christenen worden hoe
langer hoe stouter. Als dat zoo voortgaat, worden de zende-
lingen straks geheel de baas in uw land; dan maken ze
uw broeder, die hen ook al naloopt, koning in uwe plaats
en jagen u weg. Dat zal niet! Daar moet wat aan gedaan
worden!"
„Dat weet ik ook, mijn oude trouwe raadsman," zegt de
koning, „maar wat zullen we doen?"
„Wel, sla de Christenen allemaal dood, dan zal er voortaan
van ons volk geen een meer naar de zendelingen durven
gaan en dan zullen zij wel weer vertrekken over de zee."
„Maar dan moet het ock dadelijk wezen," herneemt de
koning. „De voornaamste leeraar Merensky is juist op reis
en kan hen dus niet opstoken, om ongehoorzaam te zijn.
Me dunkt, als we enkelen doodslaan, vragen de anderen ons
om vergeving."
„\'t Kon wel wezen," zegt de raadsheer, „maar daarin hebt
ge gelijk, o vorst, het moet dadelijk wezen, \'t Is niet langer
te dulden, dat die Christenen hier nog langer rondloopen
en nog steeds tegen ons zeggen, dat wij branden zullen in
-ocr page 19-
14
de hel. Ja, dan zouden zij ons uitlachen, hé ? Maar \'t zal
niet gebeuren! Als de koning mijn raad opvolgt, dan wordt
morgen het volk samengeroepen en alle Christenen worden
gedood."
Dit wordt afgesproken en de raadsheer gaat naar huis.
Sekoekoeni heeft het na zijn vertrek zeer bang. Boosheid en
wraaklust voeren strijd tegen de overtuiging der waarheid
in zijn binnenste. Zijn toorn zegt: „Roei hen uit!" zijn vrees
zegt: „De God der Christenen is machtiger dan gij en zal
u straffen!" Het is zeer laat in den avond geworden en nog
altijd zit Sekoekoeni in diep gepeins. Daar vertoont zich een
boodschapper aan de deur zijner hut en brengt hem bericht
dat zijn raadsheer, die hem straks verlaten heeft, ernstig
ziek is. Geen wonder dat Sekoekoeni hevig ontstelt, want hij
beschouwt dit als de voorbode van de bezoekingen Gods,
die hem te wachten staan, als hij vervolger wordt. De sluwe
raadsheer heeft reeds op zulk een indruk gerekend en daarom
zendt hij de boodschap: „Ik ben ziek, maar gij vergeet
daarom onze afspraak toch niet?" — De koning vermant
zich dan ook en zendt nog dienzelfden nacht dienaren naar
de verschillende kralen, om de bevolking aan te zeggen, dat
alle mannen morgen, als de zon op \'t hoogste is, moeten
verschijnen in des konings kraal. In deze kraal is eene ronde
ruimte, door palen afgezet, waarin des konings vee des
nachts gedreven wordt/ en hier worden des daags verga-
deringen gehouden. Den anderen morgen echter komen de
dienaren des konings weder door de kralen met de bood-
schap, dat het pitsjo, de vergadering, niet doorgaat. Wat
is er gebeurd? De raadsheer, die den koning aanzette, om
de Christenen te vervolgen, is in denzelfden nacht reeds
gestorven, en Sekoekoeni merkt dit sterfgeval aan als een
teeken van Gods straffende gerechtigheid en durft de ver-
volging\' nrèt.doorzetten.
-ocr page 20-
15
Zoo waren dan de Christenen vooreerst weer uit den nood.
Helaas! \'t was voor korten tijd. Toen de eerste schrik voorbij
was, kwam de neiging om zich tegen het Woord des Heeren
te verzetten, weer boven; de Heidenen stookten den koning
op en na eenige weken, \'t was in Juni 1864, werd de verga-
dering weer samengeroepen.
\'t Was Donderdag. Sekoekoeni, die veel bier gedronken had,
stelde zich aan als een razende, \'t Werd eene groote verga-
dering. Van heinde en verre uit de omliggende kralen kwa-
men de Bapedi\'s opdagen. Onze smid Sewoesjan nam zijn
zoontje Job op den rug en zijn blinden vriend Kathedi bij
de hand en ging ook naar de vergadering. Toen hij er kwam,
waren de meesten reeds aanwezig en ook Sekoekoeni vertoonde
zich buiten zijne hut en naderde zijn volk. Overal weerklonk
de kreet: „Wees gegroet, machtige koning! Wees gegroet,
sterke leeuw! Wees gegroet, wild dier!" De koning, die zich
anders door zulke eerenamen nog al gevleid gevoelde, stoorde
er zich thans niet veel aan, maar riep: „Komt nu eens voor
den dag, gij Christenen, dan zullen we vechten! Waar is nu
uw God? Hebt ge Hem wel eens gezien of gehoord? Waar
is Hij nu? Wie is Hij? Ik, ik ben God, ik ben God!"
En de Heidenen riepen met luider stemme: „Ja, koning,
zoo is net, zoo is het! Sekoekoeni is God!"
Paar trad Sewoesjan naar voren en zeide: „0, koning,
voor tijden was er ook een vergadering, toen leefde Sekwati
nog en die zeide tot ons: „Daar staan de zendelingen, die
moet ge hooren!" Sekwati is dood, maar wij allen hebben
het gehoord en nu zijn wij de menschen, die naar Sekwati\'s
woord gedaan hebben. Wij hebben naar de zendelingen
gehoord en wij gelooven in God onzen Schepper en in
Jezus Christus onzen Zaligmaker. Maar daarom zijn wij uwe
vijanden niet, "o "koning, we blijven uwe trouwe onderda-
nen. Gij kunt op ons rekenen, als ge te strijden hebt; zooals
• 9L.
-ocr page 21-
16
Mafadi *) reeds voor u gesneuveld is, zoo willen we allen
voor u sterven. Maar we willen niet tegen u vechten."
De koning antwoordde niet. Hij kon er niets tegen zeggen,
want wat Sewoesjan zeide, was waarheid. Toch wilde hij \'t nu
niet meer opgeven en toen bovendien de Heidenen riepen:
„Weg met de Christenen I" besloot hij hen te kwellen zoo-
veel hij kon. Hoe hij \'t aanleggen zou, wist hij zelf nog niet.
„Ik bedenk me nog!" riep hij verscheidene malen. Eindelijk
zeide hij: „Al de geloovigen moeten blijven zitten. Wie geen
Christen is, sta op en ga met mij!" De meesten stonden op;
een vijftig mannen bleven zitten: \'t waren de gedoopten en
zij, die naar de catechisatie gingen en spoedig gedoopt zou-
den worden.
Daarna sprak Sekoekoeni het vonnis uit. De Christenen
moesten hun kleed afleggen en hun hoed afzetten. „Hier
blijft ge zitten!" werd hun gezegd.
Dat was geen lichte straf, \'t Was in Juni, de wintermaand
in Zuid-Afrika. Dan kan het des daags nog wel warm wor-
den, maar des nachts vriest het. En nu moesten de arme
Christenen op het droge zand zitten, zonder kleeren, zonder
vuur, zonder eten en drinken; des daags gekweld door de
zonnestralen, des nachts gepijnigd door de koude. De koning
maakte echter uitzonderingen. Zijnen broeder, die ook was
blijven zitten, zond hij naar huis en Sewoesjan riep hij tot zich.
„Hoor eens, mijn kind," zeide hij tot hem, „kom gij bij
mij en stoor u niet langer aan de zendelingen. Werp het
Woord weg, dan wordt gij mijn voornaamste raadsman en
met mg bestuurt gij het gansche volk!"
Zoo sprak de koning, niet omdat hij Sewoesjan meer liefhad,
maar omdat hij hem vreesde. Hij wist wel dat deze de voor-
*) Deze was in \'t jaar \'63 gesneuveld in een gevecht tegen een ande-
ren stam.
-ocr page 22-
17
naamste der Christenen was, en daarom wilde hij juist hem
verleiden; dan zouden de anderen in de dagen van verdruk-
king geen raad en troost hebben. Maar hij was aan \'t ver-
keerde kantoor. Sewoesjan wilde liever met het volk Gods
kwalijk gehandeld worden, dan voor een tijd de genieting
der zonde en der wereld hebben; daarom antwoordde hij:
„Gij, o koning en geheel ons volk zegt vandaag zoo en
morgen anders, maar zoo doet een Christen niet. Als wij
eenmaal verklaard hebben dat wij het Woord niet zullen
wegwerpen, dan doen wij \'t ook niet, niet om straf en niet
om loon." Sekoekoeni werd boos en joeg hem naar de andere
Christenen terug.
Die hadden zich intusschen in hun lot geschikt. De blinde
Kathedi had hen er op gewezen, hoeveel de Heere Jezus ge-
leden had, om de straf hunner zonden te dragen en toen nu
ook Sewoesjan terug kwam en zijn woord bij dat van zijn
vriend voegde, hoorde men geen klacht meer.
\'t Werd avond, \'t werd nacht. Helder fonkelde de sterren-
hemel, maar tevens werd het zeer koud, vooral op het droge
zand, waarop de Christenen neerlagen. Zij kropen dicht tegen
elkaar aan, maar \'t baatte niet veel. Toen kregen een paar
van de Heidenen, die hen bewaken moesten, medelijden. De
eene nam een kostbaar parelsnoer, de andere eene koe; ze
boden ze Sekoekoeni aan en vroegen hem, of er vuur mocht
worden aangelegd. De koning nam de geschenken aan, maar
stond geen vuur toe. De Heere heeft het den beiden Heide-
nen vergolden, want niet lang daarna zijn ze Christenen ge-
worden. Eindelijk tegen den morgen gaf de koning verlof
om één vuur aan te leggen, maar wat baatte dat weinige
voor vijftig mannen in de open lucht!
\'t Werd Vrijdag. De koning stoorde zich niet aan hen.
Wel kwamen er vele Heidenen, sommigen om hen te be-
spotten, maar anderen om hen te troosten.
ii.           •                                                                     a
-ocr page 23-
18
„Zegt toch tegen den koning, dat ge \'t Woord weggewor-
pen hebt," zeiden ze, „dan kunt ge later immers wel weer
bidden." Maar de Christenen antwoordden: „Neen, dat zou
\'t zelfde wezen als verloochenen."
Daar stond Sewoesjan op en zeide: „Mannen! voor vele
jaren waren Petrus en de andere apostelen in de gevangenis
gezet en de Engel des Heeren leidde ze er uit; toen gingen
ze dadelijk in den tempel en predikten het Woord Gods.
En zie, daar staan nu zoovele Heidenen om ons heen, zullen
wij hen niet bekend maken met den weg des levens?" —
En vele Christenen begonnen, een ieder op zijne wijze, de
Heidenen te vertellen van den eenigen Zaligmaker.
Zoo ging de Vrijdag en de Zaterdag voorbij. Vriendelijke
Heidenen brachten des nachts soms brood en water en zeiden
tot de Christenen: „Houdt maar vol. Wij gelooven ook, dat
het Woord waarheid is."
Toen Sekoekoeni zag, dat hij niet vorderde, besloot hij een
aanval op de Christenvrouwen te doen. Hij zond des Zon-
dagsmorgens zijne dienaren uit, om alle vrouwen, die niet
werkten, te halen. Alle Christinnen werden dus gebracht. Ook
zij werden ondervraagd en bespot over hun Christendom, maar
zij antwoordden: „Er is één God en wij bidden dien God aan!"
Sekoekoeni was woedend. Toch durfde hij geen bloed ver-
gieten, want hij vreesde, dat de Heere hem straffen zou. Ook
voor de vrouwen bedacht hij evenwel eene marteling. Daar
was bij zijne veekraal een kuil met water, waarin het vee
gedrenkt en gewasschen werd. Hierin liet hij de vrouwen
drijven, alsof ze eene kudde schapen waren, die geschoren
moesten worden. Dit was een ontzettende toestand. De arme
vrouwen stonden sommigen tot aan de borst in het water.
Vooral des nachts werd haar toestand vreeselijk, want de
koude was scherp. Maar zij dachten aan het woord van den
profeet Jesaja: „Gelijk een schaap stom is voor het aange-
-ocr page 24-
19
zicht van dien, die het scheert, alzoo deed Hij zijnen mond
niet open," en zij verklaarden later, dat zij in het water vol-
strekt geen koude hadden geleden, hoewel zij er den ganschen
nacht in hadden doorgebracht.
Eindelijk des Maandagsmorgens zond Sekoekoeni bevel, dat
de Christenen naar huis moesten gaan.
„Voor heden is de vervolging uit," verklaarde hij, „maar
wanneer de tijd van het zaaien komt, zullen we eens weer
kijken."
Toen had hij dus reeds het duivelsche plan in het hart,
dat hij in den zomer zou uitvoeren.
-ocr page 25-
IV.
Ile gitoote uettdttttJttung.
Het bloed der martelaren is het zaad der kerk. Dat bleek
ook in het land der Bapedis. De Heidenen hadden de stand-
vastigheid der Christenen gezien en wel begrepen, dat dezen
andere menschen waren geworden. De gevolgen bleven niet
uit. Honderd en vijftig Heidenen kwamen tot de zendelingen
om ook onderwezen te worden in het Woord des Heeren.
Sekoekoeni hield zich rustig, ofschoon hij de Christenen wel
in \'t oog hield. Vooral om Sewoesjan was het hem te doen.
Eenmaal droomde deze, dat er een bode van den koning
kwam om hem te halen. Hij vertelde zijn droom aan zijne
vrouw en deze zeide, dat ze denzelfden droom gedroomd had.
„Dan wordt het tijd om te vluchten," zegt hij en in den
nacht staat hij op en gaat naar de bergen om zich daar
schuil te houden tot den avond. Des middags kwam werke-
lijk de bode des konings.
„Waar is Sewoesjan?" vroeg bij.
„Sewoesjan is uitgegaan," was \'t antwoord, waarmede de
bode tot den koning terugkeerde. De smid kwam \'s avonds
thuis en de koning vergat hem.
In \'t begin van den zomer echter, in November, riep Se-
koekoeni eene van zijne vrouwen, die eene Christin was en
-ocr page 26-
21
zeide tot haar: „Hoor eens, in dezen winter heb ik u allen
reeds willen dooden, maar ik heb het niet gedaan. In den
winter had ik lust, om van het zand waarop gij laagt, vuur
te maken, maar ik dacht, neen. In den winter reeds wilde
ik het water, waarin gij vrouwen stondt, in bloed veranderen,
maar ik deed het niet. Nu echter zal \'t wezen. Nu zal er
bloed vloeien. Nu heeft mijn geduld een einde. Gij zult uwe
akkers niet meer bereiden, gij zult niet zaaien."
En werkelijk gaat Zaterdag den 13den Nov. een heraut des
konings door de kralen, om overal den vrouwen der Chris-
tenen aan te zeggen, dat zij niet mogen spitten of zaaien.
Een tweede volgt hem met een troep gewapende krijgs-
lieden. Zij dringen in alle huizen der Christenen en nemen
het koren mee, dat nog van den vorigen oogst overgebleven
is. Een e derde afdeeling soldaten volgt om het vee der Chris-
tenen bijeen te drijven en naar des konings kraal te voeren.
Zij komen ook in \'thuis van Sewoesjan. Zijn oom, een
Heiden, verklaart, dat twee geiten den smid niet toebehooren,
en fluistert Sewoesjan in, dat hij dit moet bevestigen, dan
kan hij ze misschien behouden. Maar Sewoesjan antwoordt:
„Indien gij al mijn vee niet vinden kunt, dan zal ik het u
wel wijzen."
Men ging dus een zwaren tijd te genioet. Geen koren in
huis en geen vee, niet spitten en niet zaaien, waarvan zou
men leven?
Des Zondags verzamelen de Christenen zich voor de laatste
maal in hun kerkje. De zendelingen Meeensky en Nachtigal
(wien men ook thans nog geen leed aangedaan had, omdat
zij Sekwati\'s zendelingen waren) ze gevoelen het, welk een
donkeren tijd hunne gemeente tegengaat en zjj bidden met
hen ernstig den Heere, dat Hij hen allen standvastig moge
maken, zelfs in de ure des doods. Gesterkt en bemoedigd
verlaten de Christenen hun bedehuis.
-ocr page 27-
22
Tegen den Maandag had Sekoekoeni zijn volk weer samen-
geroepen. Toen echter het verhoor beginnen zou, zond de
Heere een geweldigen piasregen, zoodat ieder naar zijne hut
vluchtte of naar het dichte bosch in de nabijheid. De Chris-
tenen verzamelden zich grootendeels in Sewoesjans huis. Daar
baden ze samen en zeiden: „Wanneer morgen de Heidenen
hunne wapenen nemen, zullen wij ook de onze gebruiken.
Wanneer zij namelijk vechten, zullen wij bidden."
Toen de zon des anderen morgens opging, zat Sekoekoeni
reeds in de vergadering zijner raadslieden, waar de bierkruik
druk rondging. Sommigen raadden aan, de geloovigen te
slaan; anderen riepen: „Slaatze dood!" Nog anderen zeiden:
„Drijft ze in \'t gebergte." Dit laatste plan leek den koning
het beste toe. In \'t gebergte namelijk groeide hoegenaamd
niets, daar was zelfs bijna geen water te vinden en er was
geen andere uitweg dan over de rivier de Steelport, die thans
gedurende den regentijd, vol water was en niet overgetrok-
ken kon worden. Daar zouden ze dus allen eenen langzamen
dood moeten sterven of terugkeeren en den Heere verlooche-
nen. Nu werden de Christenen geroepen. De vrouwen bleven
in de hutten, de mannen kwamen. Sekoekoeni ging ook in
zijne hut; hij vertrouwde zijne Heidenen wel. Met lange,
dikke stokken gewapend wachtten ze de Christenen af. Een
oude man wordt naar voren geroepen. Een jonge Heiden
slaat hem met den stok op \'t hoofd, dat hij ter aarde stort.
Nu kent hunne woede en moordlust geene grenzen meer.
Wild vallen ze op het arme hoopje Christenen aan en deze,
ze vallen op hunne knieën en bidden, ze bidden ook voor
hunne vijanden. Twee mannen vallen op Sewoesjan aan en
slaan hem, tot twee stokken op zijnen rug gebroken zijn.
Een brengt hem een slag op bet hoofd toe, dat hij bedwelmd
wordt. Dat ziet zijn vriend Moekir, een Heiden. Met nog
twee mannen snelt bij toe op de plaats van \'t gevecht en ont-
-ocr page 28-
23
rnkt Sewoesjan aan de handen zijner beulen. Als hij tot
zichzelf komt, ziet hij, dat men Kathedi slaat en hoort hij,
dat de Heidenen den hlinde toeroepen: „Zij hebben allen
verloochend."
Dat kan hij niet verdragen. Tranen komen hem in de oogen.
Hij scheurt zich los van zijne vrienden, die hem willen tegen-
houden en werpt zich over zijn vriend Kathedi heen, om
met zijn lichaam den armen blinde te beschermen. De beulen
hebben juist hun laatsten stok stukgeslagen en loopen naar
het bosch om nieuwe te snijden. Van dat oogenblik maakt
Sewoesjan gebruik, om zijn vriend, die door de pijn en het
bloedverlies bewusteloos geworden is, op te nemen en weg
te voeren. Hij sleept hem naar den voet van \'t gebergte en
legt hem onder een paar struiken. Daar fluistert de blinde:
„Dorst." Sewoesjan haalt uit eene naburige beek met de hand
wat water en geeft verder de zorg voor Kathedi over aan
een paar andere Christenen, die naar dezelfde plaats gevlucht
zijn. Sewoesjan haast zich terug naar \'t slagveld, waar een-
endertig lijken den bodem bedekken. Eén enkele, die nog
leeft, kan hij nog een woord van troost en bemoediging
toespreken, maar veel is er voor hem niet meer te doen.
Sommige Christenen waren nog in hunne huizen gebleven,
ook de vrouwen. Nu echter liet Sekoekoeni de boodschap
door de kralen zenden: „Ik wil geene Christenen meer in
mijn land hebben. Ze moeten naar \'t gebergte en wie hun
daar te eten of te drinken brengt, wordt met den dood ge-
straft. Wie hier echter blijft, van dien reken ik dat hij geen
Christen meer is."
Dit laatste vooral noopte de Christenen om te vluchten
naar \'t gebergte. Bleven ze, dan hadden ze den Heere ver-
loochend.
Thans besloten de zendelingen eene laatste poging te wa-
gen om de koning in een andere stemming te brengen. Zij
-ocr page 29-
24
waren in hun huis gebleven, daar zij niet geroepen waren
en dit was gelukkig voor hen en hunne gemeente; want
waren ze gekomen, de Heidenen hadden hen in hunne woede
zeker niet gespaard.
Mebensky sprak den koning aan: „Wat wilt gij, Sekoekoeni,
dat gij uw volk doodslaat en verdrijft? Ge doet uzelven de
grootste schade, door het beste deel van uw volk weg te
jagen en dat alleen, omdat ze in God gelooven!"
Sekoekoeni antwoordde niet, maar zeide: „Nu gij. Nachtioal !"
„Koning, gij hebt ons bedrogen! Gij hebt uw woord niet
gehouden. Gij hebt ons vrijheid gegeven om uw volk te
leeren en nu jaagt ge ze allen weg, of laat ie doodslaan.
Dat hadden we niet van u verwacht."
Nog zweeg Sekoekoeni eene poos; toen barstte hij uit:
„Gij, gij zendelingen, gij zijt van alles de schuld. Gij maakt
mijn volk afvallig. Gij wilt mi.j dooden en mijn broeder koning
maken. Toe, geeft mij maar dadelijk vergif. Hier is mijn
hals, slaat mij \'t hoofd maar af!"
\'t Bleek wel, dat er met den koning niets meer aan te
vangen was. Daarom sprak Mekensky: „Koning Sekoekoeni,
gij hebt Gods Woord verworpen; eens komt de tijd, dat God
u verwerpen zal."
„Weg! weg! weg!" brulde de woestaard.
Toen schudden de beide mannen het stof van hunne voe-
ten en keerden naar hun huisje terug, waar ze hunne boeken
en dingen van waarde bijeenpakten, om hunne zwarte broe-
ders en zusters in het woeste gebergte te volgen.
-ocr page 30-
V.
frtsjaMo.
\'t Zag er treurig uit in \'t gebergte. Het weinige voedsel,
dat de Christenen hadden kunnen meenemen, was spoedig
verteerd; planten groeiden er niet op de naakte rotsen. Hevige
piasregens stroomden dag op dag uit den grauwen hemel,
maar dit had toch ook weer een gelukkige zijde, want hier-
door kreeg men geen behoefte aan drinkwater.
Sewoesjan, die als altijd ook hier de leidsman was en de
anderen zocht te troosten, als de zendelingen er niet waren,
Sewoesjan moest toch nog terug naar zijn dorp. Vele schatten
had hij niet achtergelaten, maar toch, zijn eenig kind was
achtergebleven, Job was nog bij zijne Heidensche grootmoe-
der. Hem te halen was een waagstuk van belang, want werd
hij ontdekt, dan kostte het hem het leven, maar wat doet
een vader niet voor zijn kind ? In \'t diepst van den nacht
toog hij heen, vond zijue hut, stootte de deur open, nam
het slapende jongetje op den arm en snelde terug naar \'t ge-
bergte. \'t Was gelukt en Sewoesjan dankte den Heere!
Wat moest men nu echter beginnen? Hier blijven kon
men niet. Langzamerhand waren er tachtig volwassenen en
dertig kinderen aangekomen; waarvan zouden die allen leven ?
Men besloot naar de rivier te gaan. Treurige aanblik! Van
oever tot oever stond het water, dat kokend en schuimend
-ocr page 31-
26
daarheen bruiste, daar het gevoed werd door de aanhoudende
piasregens. Een enkele van de sterksten zou er misschien
door kunnen zwemmen, maar voor de ouden, de zwakken,
de vrouwen en kinderen was daar geen denken aan.
„Ik zal doen, wat ik kan," zeide Sewoesjan. „Niet zeer ver
van hier woont de Hollandsche boer Heemanus Stein en die
weet van ons. Met Gods hulp zal ik hem halen." Dit zeg-
gende wierp hij zich in de rivier en kwam gelukkig aan de
andere zijde. Toen hij bij den boer kwam, was deze dadelijk
bereid om te doen, wat in zijn vermogen was. Hij laadde
zijnen wagen vol brood en koren, spande de twintig ossen
er voor en snelde met Sewoesjan naar de Steelport. Toen de
armen hem zagen, dankten zij God en grepen moed. Toch
was \'t nog niet zoo gemakkelijk om de overzijde te bereiken.
Stein dreef zijne ossen in de rivier, de wagen volgdo, maar
de stroom wierp den wagen op zijde en de ossen tegen den
oever aan. Daar vallen de Christenen op hunne knieën en
bidden: „Heere, houd toch op met regenen!" En zie, wat
gebeurt? Als door een wonder daalt het water, de stroom
wordt minder, Stein waagt het met God, om de ossen nog
eens in de rivier te drijven en — de Heere laat het geluk-
ken. Wel was \'t brood, dat hij bracht, nat geworden, maar
\'t
smaakte den hongerigen er niet minder om.
Er mocht echter geen tijd verloren gaan. Na een haastigen
maaltijd bestegen de vrouwen en kinderen den wagen, ter-
wijl de mannen zich gereed maakten om op zijde van den
wagen door de rivier te waden. Toen allen gereed waren,
dreef de boer zijn ossen weder in \'t water en zoo trok de
geheele gemeente der Christenen veilig de Steelport over.
Weldra stonden ze op den anderen oever, zonder dat er een
enkele gemist werd en nu waren ze op Transvaalschen grond
en dus buiten het bereik van Sekoekoeni\'s geweld.
De wreedaard zond nog wel een afdeeling soldaten uit»
-ocr page 32-
27
om hen de vlucht te beletten, maar deze kwamen door Gods
goedheid te laat.
Sedert dien tijd heeft Sekoekoeni in menig opzicht Gods
straffende gerechtigheid ondervonden. Het vee, dat hij de
Christenen ontnomen had, stierf aan de longziekte, zoodat
er geen enkele van overbleef. Kort daarna liepen drie zijner
vrouwen, die Christinnen geworden waren en daarom door
hem mishandeld werden, van hem weg. Verder had hij veel
verdriet van een groot aantal zijner onderdanen, die het land
verlieten en nooit wederkeerden. Hij zag daardoor zoowel
de macht van zijn leger als het getal zijner onderdanen ver-
minderen. Eindelijk kwamen de Engelschen, in den tijd der
Engelsche overheersching van Transvaal, en namen v...jn land
in en zetten hem gevangen. Na een gevangenschap van drie
jaren werd hij weer losgelaten, maar van die vrijheid be-
leefde hij weinig vreugde, want toen hij in zijn land terug-
keerde, werd hij door zijn eigen broeder vermoord. Hij stierf\',
verhard in de zonde, wier dienst hij vrijwillig had verkozen
boven den dienst Gods. Zoo bleek aan hem Gods gerech-
tigheid.
En vraagt ge nu eindelijk hoe het met Sewoesjan en de
overige gevluchte Christenen is gegaan, dan kan ons ant-
woord kort zijn. Eerst moesten ze zich verspreiden om bij
de Transvaalsche boeren den kost te zoeken. Spoedig echter
werd Merensky door de Duitsche zendingsvrienden in staat
gesteld, om eene boerderij te koopen van een uur lang en
breed, en daar verzamelden zich langzamerhand al de Chris-
tenen uit de Bapedi\'s; daar sloegen ze hunne hutten op,
daar bebouwden zij het land en vormden er een Christelijk
dorp. Voortaan was het werk voor de mannen; de vrouwen
verzorgden het huis en hare kinderen. Des Zondags werd er
niet gewerkt. Dan luidde de klok, niet in den toren, maar in
een boom bij het kerkje, dat zij gebouwd hadden. Dan ging
-ocr page 33-
28
oud en jong heen om het Woord Gods te hooren. En toen
na eenige jaren de zendelingen vertrokken om thans aan
andere Heidenen het Evangelie der zaligheid te verkondigen,
toen was Sewoesjan, de zwarte smid, als predikant geordend
en leerde de gemeente zijner landgenooten. Hun dorp heet
tJotsjabelo, dat wil zeggen: Toevluchtsoord.
En nu, mijn lezer! Wilt gij ook wel zooveel lijden voor
den Heere Jezus? Daartoe is één ding noodig, dan moet Hij
in uw hart wonen en heerschen. Dan hebt ge niet alleen uw
geld en goed, maar ook uw leven over voor Hem, die u ge-
kocht heeft met Zijn bloed. Maar dan wilt ge ook gaarne
voor de zendelingen van het uwe iets afzonderen, opdat overal
aan de\'v/linde Heidenen het Evangelie moge worden gebracht;
en dan bidt gij den Beere, dat Hij de prediking moge zege-
nen, opdat spoedig die blijde tijd kome, dat alle knie voor
Hem zich buigt en alle tong Zijnen naam belijdt.
Och, mocht die tijd toch spoedig komen,
Dat overal, van Zuid tot Noord,
Van Oost tot Westen werd vernomen
Het dierbaar Evangeliewoord.
Dat Kaffer, Neger en Chinees
Den Naam van Koning Jezus prees 1
Bekwaam, o Heer, Uw zendelingen,
Die uitgaan om in Uwe kracht,
De zielen aan den dood te ontwringen,
Gebonden in der zonde macht.
Des Satans laatste troon bezwijk\' 1
En koom\' Uw Oodlijk Koninkrijk!
*