-ocr page 1-
DE GESCHIEDENIS DER ZENDING,
Dl M . \' l - - r - • J • -
^illiil;iiii-i:v\'^:";;;:::-:^;:
-ocr page 2-
^ a-n i c>&>/3
-ocr page 3-
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000035913874B
3591 3874
-ocr page 4-
-ocr page 5-
-«* J.D.M aan. «*-
- -
A_J_5c_
34,1
.
&&**
ADSJAI OF SAMÜEL CROWTHER.
\'
\' •
.
"-
•
•
•
• .
.
.
*
•
•
\'
•
•
\'C"fc
•
*
•
.
;
.
-ocr page 6-
.
.
.
M.
-ocr page 7-
-ocr page 8-
-ocr page 9-
.<
i
EEN VERHAAL
UIT DE GESCHIEDENIS DER ZENDING.
JkT.
". SAklutirt\\CcK,
czra S^q^ fisa
*o>
^«M
MET EEN PLAATJE.
-\\2>--------aes^sas--------^^
LEIDEN. — D. DONNER.
{itf
-ocr page 10-
INHOUD.
Blz.
I. In het ouderlijke huis.....................................     I
II. Geen Evangelie..........................................     8
III.   Als slaaf verkocht........................................   li
IV.   Op het schip............................................   19
V. Eene dubbele bevrijding....................................   25
VI. Twee gelukkigo dagen.....................................   82
VII. Nog oen woord...........................................   38
-ocr page 11-
I.
JJn liet ümterlijït lira».
Op de westkust van Afrika, daar, waar aan gene zijde van
het Kong-gebergte de rivier de Niger zien kromt naar het
Noord-Oosten, lag in het begin van onze eeuw de schoone
stad Osjogoen, met ongeveer 12.000 inwoners.
De stad geleek in het geheel niet op eene stad in Neder-
land, want regelmatige straten en grachten en fraai aangelegde
wandelwegen zocht men er tevergeefs. Het was niets anders
dan een menigte huizen, die verward door elkander stonden
met een driedubbelen houten muur er om heen. Ook wat den
bouw betreft, waren de huizen heel anders dan bij ons.
Wie arm was had eene hut, die veel geleek op een grooten
bijenkorf en wie wat meer met aardsche goederen was ge-
zegend had eene vierkante woning, wier wanden bestonden
uit gevlochten takken, met klei bestreken, terwijl het dak
zeer kunstig was vervaardigd uit bladeren van den palmboom.
Maar, ofschoon zij niet woonden in mooie huizen met
hoogen sierlijken gevel, en zij vele voorrechten moesten mis-
sen, die wij maar genieten alsof dat zoo behoort, gevoelden
de negers, die deze stad Osjogoen bewoonden, zich toch zeer
op hun gemak. Want terwijl hunne stamverwanten aan de
i.                                                                                                       1
-ocr page 12-
2
overzijde van den Niger gedurig met elkander in oorlog
waren, en daardoor hunne akkers woest en onbebouwd ble-
ven liggen, leefden deze negers in vrede met elkander, en
hadden door vlijt en arbeidzaamheid overvloedig genoeg om
in hun onderhoud te voorzien.
Om nu tot ons verhaal te komen, moet gij u die stad voor-
stellen, zooals zjj was op den 3en September van het jaar
1820. Het was een prachtige dag; wel wat heet, maar tegen
den namiddag was er een zachte koelte gekomen, die de bla-
deren der boomen deed ritselen alsof zij met elkander
fluisterden, en fijne rimpels plooide op het water der rivier.
De mannen waren van het land teruggekeerd en hadden zich
bijna allen vereenigd op de markt, die eiken avond in de
stad gehouden werd.
De vrouwen waren tehuis bezig met spinnen of voor het
avondeten te zorgen en de kinderen, dit spreekt als een boek,
waren buiten aan het spelen. Zij hadden wel geen tollen en
knikkers, of hoepels en vliegers, maar dat neemt niet weg
dat zij zich toch heel goed wisten te vermaken. Want zij
waren vroolijk en levenslustig, die zwarte negertjes, en zij
merkten het gemis van tollen en knikkers niet.
\'t Was ook maar goed dat zij ze niet hadden, want waar
zouden zij hun speelgoed hebben bewaard! In den broekzak,
meent gij ? Maar zoo rijk waren ze niet; zij droegen geen
broek, zelfs geen pet op het haar dat zooveel geleek op
zwarte gekrulde wol; zij liepen geheel naakt, zoodat hunne
moeders weinig tijd behoefden te besteden aan het verstel-
len van hunne kleederen.
Toen het tegen den avond ging, zaten in de schaduw van
een boom, die uit de helling van een heuvel was opgegroeid,
verscheidene jongens en meisjes in een kring bij elkander.
Na lang gespeeld te hebben, stelde één hunner voor nu nog
eens een raadseltje op te geven, en daar allen wel verlangden
-ocr page 13-
3
wat uit te rusten, werd dit voorstel dadelijk aangenomen en
zetten zij zich onder dezen boom neder.
Ziet gij daar dien knaap wel tusschen Oepoe en Jim, en
naar wien Asano, dat meisje, met zoo gespannen aandacht
luistert? Dat is Adsjai, die even elf jaren telt. Zooals hij
daar zit bij zijne speelmakkers kunt gij het wel aan hem
zien, dat hij een jongen is van meer dan gewonen aanleg.
Zijne levendige oogen, die bij het zwart van zijne huid nog
te meer uitkomen, getuigen al genoeg dat hij geen droomer
is, en al weet hij, evenmin als de anderen, van schoolgaan
iets af\', zoodat lezen en schrijven hem onbekende zaken zijn,
hij heeft voor zijne jaren een goed oordeel, eene levendige
verbeelding en een medelijdend hart.
Op zijn geboortedag, den 17en Juli van het jaar 1809, had-
den zijne ouders aanstonds den priester laten komen, om in
hunne bijgeloovigheid van hem te vernemen wat er van den
kleinen jongen worden zou, en de priester had gezegd dat
een groot man uit hem groeien zou, want dat de geest van
zijn overgrootvader in hem woonde, die, naar men zeide,
heel verstandig moest geweest zijn. Dat was natuurlijk eene
leugen- van dien priester, maar daar gaf hij niet om; hij loog
wel meer, als hij er maar wat meê verdienen kon.
Toen hij nu wat grooter werd, toonde Adsjai werkelijk
veel voor de toekomst te beloven; hij was gezond, sterk,
levendig, wel wat licht geraakt maar ook weer gewillig, en
hij had iets edels in zijn karakter, waardoor hij al spoedig
de lieveling werd van velen, vooral van zijne moeder Afala.
Die goede moeder! Wat had ze haren jongen lief en wat
zorgde zij voor hem, zooals maar eene heidensche moeder zor-
gen kan. Ja, zij had, behalve hem, ook nog twee dochtertjes,
die jonger waren dan Adsjai, en deze had zij óók lief, heel
lief zelfs, en als iemand haar gezegd had, dat zij hare liefde
niet al te gelijk tusschen hare drie kinderen verdeelde, zou
-ocr page 14-
4
zg er wel tegen opgekomen zijn, maar.......Adsjai !.....
Als zij, na het zware dagwerk verricht te hebben, aan
haar spinsel zat, en Adsjai naast haar, en hij zooveel gevat-
heid openbaarde in de antwoorden, die hij gaf op haar vra-
gen, of in de vragen, die hij zelf tot haar richtte, dan voelde
zij iets, wat zij niet onder woorden kon brengen; dan streek
zij met hare grove, zwarte handen door zijn dik, wollig haar
en zag hem soms langen tijd zwijgend aan, en was dan zoo
tevreden.
Zóó gingen eenige jaren rustig voorbij. Adsjai begon zijnen
vader, van lieverlede, aardig in de hand te komen, en daar
hij nu dikwijls mee naar het land en naar de markt ging,
en den overigen tijd gaarne met zijne speelmakkers door-
bracht, kon hij nu wel niet meer zooveel bij zijne moeder
zijn, maar hij bleef haar toch altijd kinderlijk gehoorzaam en
zij bleef hem liefhebben met al de dweepende liefde van
haar hart. Toen kwam er evenwel een zorgvolle tijd.
Gij weet, dat ten oosten van het land, waarin ook Osjo-
goen, de geboorteplaats van Adsjai lag, volksstammen woon-
den, die gedurig met elkander in oorlog waren, en in den
laatsten tijd waren zij begonnen ook roof- en strooptochten
te houden in de omstreken van Osjogoen. Wild en woest
trokken zij rond; roofden wat zij konden; staken de huizen
en zelfs geheele dorpen in brand; namen de mannen en
vrouwen gevangen en doodden, zonder eenig mededoogen, de
kinderen en grijsaards, die niet vlug genoeg loopen konden.
Dit was oorzaak, dat men in Osjogoen voor de toekomst
bezorgd begon te worden. Dat wil zeggen, de weerbare man-
nen niet; zij duchtten geen gevaar en lachten een ieder uit,
die aan de mogelijkheid van een vijandelijken aanval geloof
sloeg. Zij beweerden maar strak en stijf\': „de stad is sterk, onze
muren zullen den vijand wel tegenhouden en als dat niet genoeg
is, dan zal het slagzwaard onzer soldaten het overige wel doen."
-ocr page 15-
5
Maar zóó dachten de ouden, die wat meer hadden be-
leefd, niet.
Toen het voorttrekken van den roofzuchtigen vijand hun
ter oore was gekomen, hadden zij bedenkelijk het hoofd ge-
schud, en konden door de snoevende taal der jonge mannen
maar niet gerust worden. Ook Afala, de moeder van Adsjai,
deelde de vrees der ouden van dagen en kon niet meer zoo
opgeruimd haar werk verrichten als vroeger. Zij trachtte wel
vroolijk te zijn, als haar man van zijn werk tehuis kwam,
maar als deze weg was, dan zuchtte zij vaak, en de bezorgd-
heid groef diepe rimpels op \'t voorhoofd.
Zoo gebeurde het, kort vóór wij Adsjai aantreffen bij de
jongens en meisjes onder den boom, dat hij, thuis gekomen,
zijne moeder alleen vond, neer gehurkt in een hoek op den
grond. Het teenen mandje, dat zij bezig was te vlechten,
was haar uit de hand gevallen en dikke tranen rolden over
hare wangen. Zij wischte ze niet af, en deed ook geene enkele *
poging hare tranen te bedwingen, want zij was zeer bedroefd
en moedeloos.
Vol medelijden kwam Adsjai zachtkens nader, drukte zich
tegen haar aan, en zeide fluisterend: „moeder, waarom schreit
gij zoo?"
Op die zachte aanraking sloeg zij hare oogen op, en ter-
wijl zij haren zoon tot zich neer trok, antwoordde zij met
iets trillends in hare stem: „jij daar Adsjai, mijn jongen;
och, ik kan je niet zeggen wat mij scheelt; ik ben wat be-
nauwd; — ik wou maar dat ik nooit geboren was, en jij
ook niet, en je zusjes ook niet."
„Maar moeder" — vroeg Adsjai zacht, want hij durfde haast
niet — „wat is er dan gebeurd; wil iemand ons kwaaddoen?"
„Kwaaddoen! ja dat is het, zij willen ons zeker kwaaddoen;
zij willen ons weghalen, en ons van elkander scheiden, en dan
verkoopen, en heel ver wegvoeren, en ons dan slaan, en mar-
-ocr page 16-
6
telen, zoolang, tot onze knieën knikken, en wij dood er bjj
neervallen."
„Wat! moeder, wie willen ons slaan en martelen?" vroeg
Adsjai.
„Dat willen onze vijanden doen — zeide Afala. Uw vader
verzekerde van morgen, dat zij ons niet aandurven, maar ik
geloof het wel, zij zullen komen Adsji, en dan zullen zij ons
verkoopen aan de gevloekte blanken, en wij zullen elkander
nooit wederzien.....nooit.....maar je moeder zal toch
wel de zweepslagen hooren, mijn jongen, die je rug zullen
doen bloeden."
Op dit oogenblik hoorden zij voetstappen, die naderden.
Haastig droogde Afala hare tranen af, nam haar mandje op
en begon weder te vlechten. Het gesprek was afgebroken,
maar Adsjai kon niet vergeten wat zijne moeder gezegd had.
Hij droomde \'s nachts van een blanke, die zijne moeder sloeg,
terwijl hij haar niet helpen kon, en toen hij \'s morgens wak-
ker werd, waren zijn wangen nat.
Het scheen evenwel, alsof de nachtelijke droefheid geene
plooi in zijne ziel achtergelaten had. Even frisch en vroolijk
als altijd, verrichtte hij het werk, dat zijn vader hem had
opgegeven; maar toen hij tegen den avond met andere kna-
pen en meisjes daar zat onder den boom en de beurt aan
hem was om een raadsel op te geven, toen vroeg hij: „waar
is het land, daar de lucht altijd zwart ziet, en men nooit
vroolijk is?"
En de een antwoordde: „bij de zee," en een ander: „in
het graf," maar niemand kon het raden en toen zij het allen
opgaven, zeide Adsjai: „dat land is daar, waar de blanken
wonen."
„Waarom?" — vroeg Jim — „ben jij er dan geweest?"
„Neen," antwoordde Adsjai, „maar moeder heeft mij gister
verteld, dat onze vijanden, die over de rivier wonen, spoedig
-ocr page 17-
7
hier zullen komen om ons gevangen te nemen. En als zij
ons gevangen hebben, dan verkoopen zij ons aan die blan-
ken, die ons meenemen over de zee om ons dan dood te
slaan. En als nu hier de lucht al donker is, als wij kwaad-
doen, kan dan, waar zulke menschen wonen, de zon wel
schijnen, en kan men daar wel vroolijk zijn?"
„Is het daar dan altijd nacht?" vroeg Asako.
„Dat geloof ik wel," zeide Adsjai, want ach, die negerknaap
wist niet beter.
-ocr page 18-
II.
@een fuangelie.
„Is het daar dan altijd nacht?" had Asano gevraagd, en
Adsjai had „ja" geantwoord, want hij wist niet beter. Nooit
was hij onderwezen, en wat hij van de blanken wist of meende
te weten, dat kwam hoofdzakelijk neer op dit weinige, dat
zij geen zwarte maar eene blanke huid hadden, dat zij ver
over de zee woonden, en dat het zeer slechte menschen wa-
ren, die veel geleken op booze geesten. Hoe het land der
blanken heette; dat ten noorden van Afrika een ander wereld-
deel lag onder den naam Europa, en dat dit werelddeel be-
schenen werd, niet alleen door het natuurlijke zonlicht, maar
ook daarenboven nog door een Licht, veel lieflijker en ;heer-
lijker dan dat van de zon, als zij hoog aan den hemel
staat, — daarvan wist Adsjai niets. Wat zou hij groote
oogen opgezet hebben, als hij eens geweten had, dat hier
de kinderen op school gaan, om van een onderwijzer scbrij-
ven en lezen en rekenen te leeren; of als hij eens eene
Zondagsschool had kunnen bezoeken, waar de kinderen lui-
steren naar wat hun verteld wordt van Jezus, en waar zij
zulke heerlijke liederen zingen, en waar gebeden wordt ook
om de bekeering van den blinden Heiden.
Maar Adsjai wist niet wat eene school, en wat een meester,
-ocr page 19-
9
en wat een Zondagsschool is; en van kinderen, die uit liefde
tot de Heidenen wel eens wat uit hun spaarpot geven aan
de Zending, had hij ook nooit gehoord. Als hij dat geweten
had, zou hij wel betere gedachten van de blanken hebben
gekoesterd, maar wat hij van hen hoorde, was altijd kwaad.
Ach, die arme Negers kenden geen Evangelie. Zij wisten
niet, dat daar hoog boven de wolken, God woont, Die een-
maal zwoer bij Zichzelven, dat Hij geen lust heeft in den
dood des zondaars. De blijde boodschap, dat Jezus Christus
in de wereld gekomen is om zondaren en ook negers zalig
te maken, werd hun nooit verkondigd.
De tijding, dat in het land der blanken Christenen waren,
die om hunne toebrenging en vrijmaking worstelden bij God,
had hen nog niet bereikt; zwart was de nacht van onkunde
en bijgeloof, waarin de negers omdoolden, en geen enkele
lichtstraal schoot door die donkerheid heen.
Al had Afala haren Adsjai nog zoo lief, nooit had zij
hem verteld, dat het hart van den mensch van nature boos
is, en eerst veranderd moet worden zal men iets goeds kun-
nen doen en eindelijk den hemel kunnen binnengaan, want
de arme vrouw wist er zelf niets van.
Dat wil nu niet zeggen, dat die negers in het geheel geen
godsdienst hadden. O neen, maar zij waren afgodendienaars.
Zij geloofden wel aan een hoogsten god, die alle dingen ge-
schapen had, maar die god, meenden zij, bemoeide zich niet
met de menschen, en daarom aanbaden ze hem niet en brach-
ten hem ook geene offers, want dat gaf niets; hij hoorde
hen toch niet. Zij hadden geen last en geen voordeel van
hem. En behalve aan dezen god, geloofden zij nog aan eene
menigte andere goden, die zij geesten noemden, en die bijna
overal inzaten, in boomen en planten; in steenen en ijzer;
in heuvelen en muntstukken; in storm en onweer; in han-
den en voeten.
-ocr page 20-
10
Maar helaas! dit geloof bracht hen ook al geen vreugde
aan. Het was geen stil vertrouwen des harten, dat hen kalm
deed berusten in het lijden, en dat hen met blijmoedigen
glimlach om de lippen de donkere toekomst deed tegengaan.
Integendeel, dat geloof berokkende hun veel verdriet; want
de priesters leerden hen, dat de geesten meestal boos waren
op de menschen, en dat zij dus maar vele offers moesten
brengen als zij met de geesten bevriend wilden worden.
Dat geloofden de menschen, en zij stelden alle pogingen in
het werk om met de booze geesten op goeden voet te
blijven.
Bij voorbeeld, om zich te vrijwaren voor ongelukken, hin-
gen zij een knoop, of een verroesten spijker, of een steentje,
aan een koord om den hals, waarvoor zij aan den priester
veel geld moesten betalen. Als iemand ziek was, haalden zij
geen dokter, want dien hadden ze niet; maar dan kwam de
priester van lfa, die den lijder heel wat martelde met zijne
toovermiddelen, en hem het voorhoofd bestreek met het
bloed van een schaap, dat men slachtte, om als dit niet
hielp, hem maar aan zijn lot over te laten en hem te laten
sterven als een hond. Als een onweder boven de stad los-
barstte, gingen allen naar buiten, al was het ook midden in
den nacht, en brachten alweer offers aan hunne goden, omdat
zij vertoornd waren.
En gaf hun dit alles dan rust en vrede? Ach neen, zij
loefden in bestendige vreeze dat de booze geesten hen kwaad
zouden doen; in hunnen lijdensbeker proefden zij geen enkelen
druppel vreugde, en over hunne graven ruischte niet het woord
der vertroosting: „Zalig zijn de dooden, die in den Heere
sterven!"
Het was een nare nacht, waarin die negers verkeerden; en
de gruwelen, die onder hen bedreven werden, gaan bijna alle
beschrijving te boven.
-ocr page 21-
11
Wij kannen niet alles verhalen, wat Adsjai alzoo beleefd
had; maar een enkel treurig voorval, dat hij nog onlangs
had bijgewoond, kunnen wij niet stilzwijgend voorbijgaan.
Zooals wij u in het vorige hoofdstuk gezegd hebben, waren
er in den laatsten tijd slechte berichten gekomen aangaande
het toenemend rooven en plunderen van de vijanden, aan
de overzijde van de groote rivier. Ofschoon nu de mannen
van Osjogoen niet bevreesd waren, omdat zij vertrouwden
op hunne soldaten en op de sterke muren hunner stad; achtten
zij het toch niet verkeerd, een offer te brengen aan den god
des oorlogs, want als deze god vóór hen was, dan waren zij
toch altijd zekerder van hunne zaak. Algemeen had men het
voorstel, om een slaaf in het naburige bosch op te hangen,
toegejuicht, en het duurde niet lang of men was het eens
over het slachtoffer, dat gekozen, en over den dag, wanneer
het offer gebracht zoude worden.
Toen de morgen van den bepaalden dag kwam, waren alle
inwoners reeds vroeg op de been. Helder rees de zon aan
den wolkeloozen hemel, en de negers zagen daarin een tee-
ken, dat hunne goden zeer met hun plan waren ingenomen.
Allen beijverden zich, de stad en het bosch, waar het offer
gebracht zou worden, te versieren, en toen het afgesproken
uur naderde, trokken allen, mannen, vrouwen, kinderen en
strompelende grijsaards, naar de markt.
Daar stond, midden op de markt, de arme slaaf. Toen de
mannen, die hem moesten halen, hun voornemen bekend
maakten, had hij wel erg tegengesparteld; had hg wel ge-
beden en gesmeekt, dat zij hem toch mochten vrijlaten, maar
het baatte niet — hij moest meê, en eindelijk had hg zich
in zijn droevig lot geschikt.
Evenals bij ons de slagers, tegen Faschen, de koeien, die
zij slachten zullen, versieren en langs de straten leiden om
ze te laten zien, zóó deed men ook met dezen armen slaaf.
-ocr page 22-
12
Men trok hem — als ging hij ten feeste — een kleed aan
van blauw katoen, met rood afgezet; men wond hem een
tulband om de slapen van dezelfde stof, en daarna leidde men
hem, gevolgd van eene groote schare, door de straten der stad.
Welk een gejubel, toen de stoet eindelijk het bosch be-
reikte, waar de offerande geschieden zou! Hoe meer het
angstzweet afdrupte van het gelaat van dien beklagenswaar-
digen slaaf, des te wilder werden de kreten. De een verdrong
den ander, om zijne angstige blikken te kunnen opvangen;
totdat de priesters met hunne bezweringen gereed waren, en
het sein gaven om tot de voltrekking van het vonnis over
te gaan.
Adsjai begon te beven, maar zijn vader zeide: „Jongen,
je behoeft niet bang te wezen; ze zullen jou niet ophangen,
schreeuw maar meê!" — en Adsjai schreeuwde meê, maar
de angst sprak uit zijne oogen. Want zie, daar voerde men
den slaaf op eene kleine hoogte onder een boom; de strop
van het koord, dat men aan een dikken tak van den boom
had vastgemaakt, deed men hem om den hals, — toen stiet
men hem van de hoogte af, en terwijl die slaaf daar stuip-
trekkend hing tusschen hemel en aarde, ging uit de menigte
een vreugdegeschrei op, zóó lang, als zou er nooit een einde
aan komen; want nu zouden de goden, zoo meenden zij, wel
tevreden zijn, en nu zou hun de overwinning niet ontgaan
als de vijanden komen mochten.
Zóó droevig en donker was de geestelijke toestand der
inwoners van Osjogoen. Zij riepen tot de afgoden, maar hun
roepen was tevergeefs! Zij offerden met onderdrukking van
hun gevoel, zelfs menschen aan de booze geesten op, maar
het baatte hun niet; zij werden er niet beter maar wel gaande-
weg slechter van, en zij ontvingen geen rust, maar bleven
onrustig, zonder God en zonder hope in de wereld.
-ocr page 23-
13
Wat goeds zou er van Adsjai hebben kunnen groeien, zoo
hij daar altijd in dat heidendom en bij die afgoden gebleven
ware? Maar God, die zoowel het lot van den zwarten Afri-
kaan als dat van den blanken Europeaan bestuurt, had anders
en beter over hem gedacht. Hij kende Adsjai, en had be-
sloten hem nog eenmaal te stellen tot een getuige van Zijnen
Naam, doch, geluk Hij veelal de zijnen eerst door de diepte
heen naar de hoogte leidt, zoo zou het ook met onzen
Adsjai gaan — eerst lijden, daarna heerlijkheid!
-ocr page 24-
III.
JUs slaaf verkocht.
Het is het jaar 1821. In den gloed der morgenzon ligt
daar de stad Osjogoen en hare inwoners droomen van geen
gevaar. Toch is het nabij. Of, wat beteekent die dikke stof-
wolk, die daar in de verte opstuift voor eene onafzienbaar
groote bende, gewapend met zwaarden, bijlen en pieken, die
recht op de stad afgaat? Dat is onraad! Een man, die het
heeft bemerkt, terwijl hij buiten de poort aan het werk was,
ijlt doodsbleek de stad in, de straten door, en roept met
holle stem, uit al zijne macht: „De vijanden! de Mohamme-
danen! brand! moord!"
Als een donderslag treft allen dit bericht. In een oogwenk
zijn alle mannen gewapend bij elkander; de vrouwen ontvan-
gen bevel met de kinderen te vluchten; de poorten worden
aan de zijde des vijands gesloten en met kloppend hart wordt
de aanval afgewacht. Nog weinige oogenblikken, en — de
strijd begint.
De vijanden trekken zich nu eens te zamen, verdeden zich
dan weder over eene groote lengte en vallen met verschrik-
kelijk geweld op de poorten en muren aan. De pijlen snorren
door de lucht en doen menigen krijger in het zand bijten.
De Mohammedanen vechten met leeuwenmoed, maar ook de
belegerden verdedigen zich met de kracht der wanhoop. Een
paar uren wordt alzoo met afwisselende kans gestreden, maar
-ocr page 25-
15
eindelijk is toch het voordeel aan de zijde der vijanden, die
grooter in getal en meer geoefend zijn in den oorlog. Op
eens stijgt een vreeselijk angstgeschreeuw op uit de stad;
want de poorten bezwijken voor \'t geweld. De vijanden drin-
gen naar binnen; zij maaien rechts en links om zich heen;
over de lijken der verslagenen rukken zij voorwaarts; de be-
legerden deinzen terug; de moed ontzinkt, en — na 4 uren
hardnekkigen wederstand geboden te hebben, moet men de
stad aan de Mohammedanen overlaten.
Verschrikkelijk is het bloedbad, dat thans wordt aange-
richt! De grijsaards, die niet meer vluchten konden en de
zwakken die achtergelaten zijn, worden zonder eenig mede-
doogen vermoord; de weerbare mannen, die nog overgebleven
zijn, gevangengenomen en daarna de gansche stad in brand
gestoken, zoodat, als de avond valt, van de bloeiende stad
Osjogoen niets, dan eene ruïne meer overig is.
Waar is Adsjai? In gindsche bosschen, waarheen de vrou-
wen met de kinderen gevlucht zijn, en waar zij meenen, dat
de vijanden niet komen zullen, zit Adsjai naast zijne moeder
en beide zusters, achter kreupelgewas, verscholen. Afala kan
niet nalaten telkens te zuchten: „Heb ik het niet gezegd,
dat zij komen zouden?" — maar overigens wordt er weinig
gesproken. Met angst in de oogen tuurt ieder door het ge-
boomte naar de stad, of zij ook iets van den strijd kunnen
zien en ja, zien zij daar niet de dikke rookkolommen kron-
kelen ten heniel,1 ten teeken dat de stad reeds in brand is
gestoken ?
Toen kreet Afala, want zij wist, wat er nu volgen zou.
En toen eene vrouw, die op den uitkijk had gestaan, het
bosch weer insnelde, met het geroep: „Daar komen ze al!"
toen was er in den blik, waarmede Adsjai zijne moeder aan-
zag, iets, dat wij niet goed weten of het getuigde van wan-
hoop, of wraak.
-ocr page 26-
16
Aan vluchten viel niet te denken. In een ommezien hadden
de vijanden de vluchtelingen opgespoord, en honden ze aan
elkander met de handen op den rug. Wie zich verzette, of
niet vlug genoeg loopen kon, werd op eene dracht slagen
onthaald, waardoor velen onderweg hezweken en zoo ging
het voort, als schapen, die ter slachting geleid worden, naar
het vijandelijke kamp.
Wat moet er in de harten dier arme gevangenen hebben
omgegaan, toen zij de rookende stad voorbij trokken! In
stomme smart zagen zij om en zochten de plaats, waar zij
vele jaren rustig hadden gewoond, — \'t was alles verwoest!
Een verschrikkelijke nacht volgde! Ondanks de vermoeidheid
konden hunne leden toch geene rust vinden, want de gedachte,
wat er nu van hen worden zou, en de vraag: „Waar zijn nu
onze mannen en vaders?" weerde den slaap uit de oogen.
Den volgenden morgen ging het vroeg weer op marsch,
tot zij eindelijk het kamp bereikten, waar de opperbevelhebber
zijne tente had opgeslagen, en waar, onder de gevangenen
die hier verzameld waren, eene onbeschrijfelijke verwarring
heerschte. Want de mannen zochten hunne vrouwen en kin-
deren, en de vrouwen zochten hare mannen, maar velen moesten
de droeve tijding hooren: „Zij zijn niet meer!" Ook de vader
van Adsjai was reeds vroeg in den strijd gevallen, en toen
Afala dit vernam en het haren kinderen mededeelde, toen
weenden zij lang en bitter. O, allen weenden en men riep
om wraak, en men smeekte om hulp, maar — er was geen
helper!
En toch, wat zij nu hadden ondervonden, was nog maar
een beginsel der smarten. Toen al de gevangenen in het
kamp bijeen waren, begon de verdeeling. Het opperhoofd
ging de rijen langs, en zocht eerst diegenen uit, die hij als
slaven wilde behouden voor zichzelven. Hij kwam ook bij
Afala, die als wezenloos voor zich heen stond te staren, met
-ocr page 27-
17
hare drie kinderen bij zich. Haar breede schouders en sterke
lichaamsbouw getuigden, dat zij geschikt was voor zwaren
arbeid, en daar het opperhoofd zulke vrouwen wel gebruiken
kon, voegde hij haar op barschen toon toe: „Zeg eens, hebt
ge nog meer kinderen, dan hetgeen ge daar op den arm hebt ?"
„Ja, massa," antwoordde Afala, „deze beiden zijn ook van
mij," en zij wees op Adsjai en zijne zuster, die zich tegen
hunne moeder aandrongen.
„Neem dan dat kleinste meê en volg mij!" zeide de hoofdman.
„Massa, massa, neem ons ook meê" — smeekte het andere
zusje, terwijl zij met beide handen zich aan hare moeder
vastklemde — maar zij ontving geen antwoord; een dienaar
van den hoofdman duwde haar ruw ter zijde, en beval Afala
zich wat te haasten. Nog eenmaal omhelsde de moeder hare
beide kinderen; nog eenmaal streek zij haren lieveling door
zijn wollig haar — toen ging zij weg en keek niet meer om.
Intusschen stond Adsjai daar, met een gevoel, alsof hij
sedert eergisteren jaren ouder was geworden; zijn zusje
schreide, maar zijne oogen waren droog; hij kon niet schreien;
het hart zat hem in de keel, en hij balde zijn kleine vuist,
als broeide er wat in zijn binnenste. Evenwel, zijne gedachte,
dat hij zijne moeder nu nooit weer zou zien, werd gelukkig
vooreerst nog niet bewaarheid. De meester, die hem en zijne
zuster medenam, woonde niet ver van den hoofdman, waar-
door zij nog dikwijls in de gelegenheid waren hunne moeder
te zien. Zelfs konden zij elkander nog een enkele maal spreken,
en al mochten deze oogenblikken dan ook maar heel kort
zijn, zij brachten althans nog eenige verzachting in het lijden,
zoodat Adsjai, te meer, daar hij zijne zuster dagelijks bij
zich had, zich eindelijk in zijn lot begon te schikken.
Maar ook van zijne zuster werd hij gescheiden, want zijn
meester gaf hem aan een ander in ruil voor een paard. Wel
kon hij ook nü zijne moeder nog zien en als dit gebeurde,
i.                                                                                                       2
-ocr page 28-
18
sprak zij hem gedurig moed in, hoewel haar eigen hart
dreigde te breken; maar naarmate alles hem stuk voor stuk
ontnomen werd, week de lust van zijn leven en de vroeger
zoo vroolijke jongen werd langzamerhand stil en afgetrokken.
Wat deed die goede Afala veel moeite, om, zoo vaak het
maar eenigszins kon, hare kinderen te zien. Voor zichzelve
wenschte zij niets liever dan te sterven, maar zij leefde nog
voor hare kinderen, en getroostte zich, om hunnentwil, meni-
gen zweepslag. „Het kon nog erger" — dacht zij maar bij
zichzelve — „het had ook kunnen wezen, dat zij ons aan
de blanken verkocht hadden, en dan ware de ellende nog
veel grooter geweest!"
Helaas! — ongeveer een half jaar had deze toestand voort-
geduurd, toen zag zij haren Adsjai niet meer. Alle pogingen
om te weten te komen, waar hij zijn mocht, waren vruchte-
loos; niemand wist haar eenige inlichtingen te verschaffen;
Adsjai was weg, wellicht naar de blanken; nu zou zij hem
wel nooit wederzien en zij jammerde: „O, mijn kind, mijn
Adsjai, waarom mocht ik niet eenmaal afscheid van u nemen?"
Die arme moeder; bij menschen vond zjj geen deernis en
een God, aan Wien zij haren nood kon klagen, kende zij niet!
-ocr page 29-
IV.
©p Tiet stfüp.
Langs den ongebaanden zandweg, die uit het binnenland
naar de Westkust voert, schreed op een vroegen Meimorgen
van het jaar 1822 een troep slaven voort, vergezeld van eenige
slavenleiders. Het was, voorwaar, een treurig gezicht, wel
in staat diep medelijden te wekken voor die ongelukkige
negers, die weerloos prijs gegeven aan wat de hebzucht der
onmenschelijke slavenhandelaars uitvond, gedoemd waren, hun
ijzeren slavenketen, zonder tegenspreken, te torsen.
De meesten onder hen waren krachtvolle mannen, maar
ook knapen deelden in dit lot, en voor dezen was de tocht
uiterst moeielijk, want, daar zij allen aan elkander vastge-
bonden, en door de zware regens van de laatste dagen, de
weg zeer week was geworden, zakten zij telkens, tot over de
enkels, in den modder, en konden maar nauwelijks bijblijven.
Eén van die beklagenswaardigen was Adsjai. Gelijk hij
den vorigen dag wel vermoedde, toen hij een slavenhande-
laar het huis van zijnen meester had zien binnengaan, zóó
was het geworden; hij was weder verkocht. Tegen den avond
had zijn meester hem uitgezonden om een boodschap te doen,
maar nauwelijks had hij het erf verlaten, of hij werd aange-
grepen en naar eene hut weggesleept, waar hij, met de andere
slaven, die opgekocht waren, den nacht moest doorbrengen.
-ocr page 30-
20
Langen tijd lag hij daar op den grond te snikken, denkende
aan zijne lieve moeder en zusters, van wie hij zoo wreed
werd gescheiden, doch ten laatste, door droefheid overmand,
viel hij in eene lichte sluimering. In zijn droom verscheen
hem zijne moeder, maar o, hoe geheel anders nu, dan zooals
hij haar in den laatsten tijd had gezien. De vreugde blonk
haar op het aangezicht; zij huppelde als op de maat van
de muziek, en zij zong een lied, waarvan hij evenwel maar
alleen het slot van elk vers kon verstaan, dat zij telkens
met eenige verheffing van stem uitjubelde:
„Toen viel mijn keten mij af."
Helaas, het was maar een droom en die droom was een
leugen. Neen, Adsjai had zijn lijdensbeker nog niet leeg;
het bitterste lag nog op den bodem en ook dit moest wor-
den uitgedronken.
Met de eerste schemering werd hij uit zijn zoeten droom
tot de akelige werkelijkheid teruggebracht, en weinige oogen-
blikken later was de stoet reeds op weg. Waar ging het
heen? Dat wist Adsjai niet; wat maakte het ook uit; het
was toch overal eenzelfde lijden. Toen zij het huis voorbij-
trokken, waar zijne moeder woonde, durfde hij niet vragen
of hij haar nog eenmaal mocht zien, want een andere knaap
die even te voren eenzelfde verzoek had gedaan, had tot
antwoord eenige harde slagen met de karwats gekregen, en
Adsjai dacht: „Ik zal mij die slagen maar besparen; het
geeft toch niet." Hij vergenoegde zich daarom, met slechts
een schuinschen blik naar het huis te werpen, tegelijk bin-
nensmonds zeggende: „dag moeder!" en ging toen zjjn
Egypte der harde dienstbaarheid te gemoet.
Na een afmattenden tocht van verscheidene uren, kwamen
zij eindelijk in eene stad, waar halt werd gehouden. Dat was
goed ook, want, zoo de tocht nog langer had moeten duren, zou
Adsjai, die door en door vermoeid was, wellicht spoedig be-
-ocr page 31-
21
zweken zijn. Kreeg hij dan nu wat rust voor zijne afgetobde
leden? Och neen, want wie dacht er aan, dat ook een slaaf
wel wat rust noodig zou hebben?
In de stad, waar zij aangekomen waren, was eene slaven-
markt; Adsjai werd met de anderen daarheen gevoerd, en
daar stonden zij, te kijk en te koop, evenals op onze mark-
ten het vee. Het duurde maar even of daar kwam al een
kooper aan; hij bekeek Adsjai van onder tot boven, sprak
met den eigenaar over den prijs, die wel wat hoog scheen
te zijn, doch na eenig loven en bieden werd de koop ge-
sloten, en Adsjai was weer het eigendom van een ander.
Zoolang de markt duurde werd hij opgesloten in een vun-
zige hut, en toen ging het weer voort; altijd maar voort;
nu eens wat rechts; dan eens wat meer links; nu eens over
vlakten; dan over bergen; dan weer door bosschen, maar
altijd naar het Westen, tot eindelijk de kust was bereikt en
Adsjai verwonderd was over zichzelven, dat hij niet onder-
weg gebleven was. Alweder — o, het is een eentonige ge-
schiedenis, die lijdensgeschiedenis van Adsjai, maar is zij
daarom minder welsprekend? — alweder werd hij naar de
markt gevoerd en te koop aangeboden. En, terwijl hij daar
stond, en het hem was in die groote stad met hare vele
duizende inwoners, als had hij een benauwenden droom, daar
viel hem op eens zulk een schrik op het lijf, dat hij een
luiden gil gaf, hetwelk toch geen andere oorzaak had, dan
dat een blanke op hem afkwam, en Adsjai had nog nooit
een hlanke gezien. Hij beefde over al zijne leden als een blad
aan den boom, want hij dacht dat nu zijn einde wel nabij
zou zijn, en toen de blanke Portugees, die het met zijnen
eigenaar over de koopsom eens werd, hem eens duchtig in
den arm kneep, en hem eenige vloeken toeduwde, waarvan
hij de beteekenis niet, maar de strekking toch wel begreep,
toen werd het met de verlegenheid van onzen jongen slaaf
-ocr page 32-
22
nog al niet beter. Was het wonder? Pijlsnel vloog hem door
de gedachte, wat zijne moeder hem van de blanken verteld
had, en ook op hetzelfde oogenblik had hij al berekend, dat
hem nu niets anders te wachten stond, dan over de zee ge-
voerd en doodgemarteld te worden. Was hij op wat vriende-
lijker toon toegesproken, zijn angst zou ongetwijfeld niet zoo
groot zijn geweest, maar hij werd behandeld als een stuk
vee, neen, nog minder, want het greintje medelijden, dat nog
voor het vee wordt gevoeld, bestond niet voor een slaaf, die
niet eens als een dier, die maar voor een ding werd geacht.
Voor Adsjai geen traan; geen deelneming; geen woord van
opbeuring en troost; alles wat hij ondervond was ruwheid,
wreedheid, terging, en zoo hij maar even zich verzette of
tegensprak, dan was de zweep gereed, hem tot kruipende
onderwerping te brengen.
Wat voelde hij zich vermoeid, toen hij geboeid, met een
ijzeren ring om zijn hals, en met andere jongens en mannen,
vastgeklonken aan een keten van 36 voet lang, daar in de
slavenbewaarplaats lag te wachten op het schip, dat hen
over de zee voeren zou! Vermoeid was hij naar het lichaam,
maar ook benauwd en bedroefd naar den geest, nu alle hoop
op bevrijding voor goed was afgesneden, en zijne lieve moeder,
naar wie hij meer dan ooit verlangde, zoo verre was. En
zoo lag hij daar — niet slechts één dag; niet maar ééne
week; niet ééne maand, maar volle vier maanden in eene
stinkende schuur, met schraal voedsel en eene akelige toe-
komst voor oogen. Vier maanden, waarin zijne boeien niet
werden losgemaakt, en de keten niet werd afgenomen, en de
ring zijn teederen hals al spoedig had opengereten. Vier maan-
den, waarin hij eiken morgen naar den avond, en eiken avond
weer naar den morgen wenschte; waarin de uren hem om-
kropen als waren het dagen, en waarin hij zooveel leed, dat
elke pen weigert dit te beschrijven. Vier maanden! — Toen
-ocr page 33-
23
kwam, midden in den nacht, de handelaar weer; toen eerst
werd zijn keten losgemaakt, en toen nam deze ellende een
einde, maar om na weinige oogenblikken door nog droeviger
ellende te worden vervangen.
In groote haast werden de slaven naar den oever gebracht;
in booten geladen, en daarmede overgebracht naar het schip,
dat voor de kust ten anker lag. Wat huiverde Adsjai, toen
hij die breede zee voor zich zag, met hare hooggaande,
schuimende golven; doch tijd om daar lang bij stil te staan
werd hem niet gegund, want nauwelijks waren de slaven
aan boord of zij moesten, door een kleine opening, in het
ruim afdalen, en daar, man tegen man, op den rug gaan
liggen. Zoodra was de lading niet binnen, of het schip lichtte
het anker; de zeilen werden geheschen en daar ging het
over den waterspiegel voort.
Aan den buitenkant had het schip wel een vroolijk aan-
zien; het danste luchtig over de baren, als droeg het een
last, waarop het trotsch wezen mocht, maar daarbinnen
heerschte eene onbeschrijfelijke ellende. Als gij u toch in-
denkt, dat, ten gevolge van de schommeling van het schip,
alle slaven zeeziek werden; dat de ruimte, waarover ieder
beschikken kon, zóó beperkt was, dat zij zich nauwelijks
konden omkeeren; dat zij in de eerste dagen evenmin versche
lucht als eten kregen; en dat zij daarbij leefden in de onder-
stelling, dat zij spoedig één voor één door de blanken zouden
worden opgegeten, dan zult gij kunnen begrijpen, dat die
arme slaven liever op hetzelfde oogenblik wilden sterven,
dan ééne ure langer te leven.
O, Adsjai was zoo doodsbenauwd; hij kermde en wrong
zich, en riep om zijne moeder — en daarboven op het dek
wandelde de gezagvoerder van het schip heen en weder, en
hij hoorde wel dat gekerm, maar hij gaf er niet om; neen,
hij gaf er niet om, want het waren immers maar slaven.
-ocr page 34-
24
Slavernij!.......welk een gruwelijk monster zijt gij. Aan
millioenen bij millioenen hebt gij het dierbaarste ontnomen,
wat zij hadden, dat is: de vrijheid; gij hebt hen geperst,
zóó lang en zóó zwaar, tot de tranenbron was opgedroogd,
en de borst geen kreet meer kon uitbrengen; gij hebt wonden
geslagen, waarvoor geen balsem te vinden was; gij hebt uwe
slachtoffers vernietigd en tot dieren verlaagd; slavernij....
gij zijt uit den duivel!
-ocr page 35-
V.
€en* AnbMt kurijding.
Twee dagen had Adsjai met de andere slaven, in het ruim
van het schip doorgebracht, aan allerlei ellende ten prooi,
toen zij eensklaps eene buitengewone drukte hoorden op het
dek. Het was een gedraaf en geschreeuw, dat u hooren en
zien zou vergaan; de kapitein bulderde boven alles uit en
keek met woedenden blik naar één punt, ver in zee. Wat
hij daar dan zag?
O, hadden de slaven geweten, wat er op komst was, zij
zouden ongetwijfeld, al waren zij halfdood, nog kracht heb-
ben gevonden om een lied der bevrijding aan te heffen. Want
hun geschrei was opgeklommen tot in de ooren van Hem,
Dien zij niet kenden, maar Die den verdrukte recht doet en
den verdrukker verbrijzelt, en de ure was geslagen, dat Hij
deze gevangenen uit hunnen somberen kerker verlossen wou.
Hoe Hij dit deed?
Een paar engelsche oorlogsschepen kruisten daar langs
de kusten, met het doel, om elk slavenschip, dat zij ontmoetten,
te bemachtigen en aan de slaven hunne vrijheid weder te
geven. Op het ééne schip „de Myrmidon" geheeten, was de
menschlievende Heney Leeke, kapitein, aan wien reeds menige
slaaf zijne redding te danken had. Geruimen tijd had hij door
-ocr page 36-
26
zijn verrekijker over de zee getuurd, of hij niet ergens een
schip ontdekken kon, toen hij eensklaps uitriep: „Mannen,
daar is er een!" Dit bericht bracht onder zijne manschappen
groote vreugde; oogenblikkelijk werd aan het andere oor-
logsschip geseind; alle zeilen werden bijgezet, en als een pijl
uit den boog, vloog nu de Myrmidon over de wateren voort.
Zoodra had de kapitein van het slavenschip niet bemerkt,
dat het op hem gemunt was, of hij wendde zijn schip en
trachtte zijnen vervolgers te ontkomen; doch tevergeefs! De
Myrmidon won met elk oogenblik, en na een korten strjjd,
haakten de matrozen onder een donderend hoera! den slaven-
haler aan het oorlogsschip vast. Kapitein Leeke en zijne
manschappen stapten met getrokken zwaard op het slaven-
schip over; sloegen den eigenaar in boeien; openden daarna
de luiken, en gaven aan de bevende gevangenen bevel op de
oorlogsschepen over te gaan.
Adsjai met nog een anderen jongen kwamen bij kapitein
Leeke aan boord, de overigen bij den anderen Engelschen
kapitein.
Dat was eene heerlijke uitkomst voor die uitgeteerde sla-
ven, zou men zoo denken. En ja, het eerste gevoel dat Adsjai
bezielde, was ook dat van vreugde. Als een uitgehongerde
wolf vloog hij op de vruchten aan, die daar zoo uitlokkend
voor het grijpen lagen op het dek, maar toen hij van zijn
eerste verwarring een weinigje bekomen was, en zijne maag
hem niet meer zoo pijnigde, kreeg de vrees weer de over-
hand. Want, daar hij de kanonskogels, die vooraan waren
opgestapeld, aanzag voor de schedels van menschenhoofden,
en de stukken spek, die in den mast hingen, voor menschen-
vleesch, bekroop hem opnieuw de angst, dat de blanken,
hen zouden opeten. Had hij nu maar de Engelsche taal ver-
staan, dan zou hij al heel spoedig begrepen hebben, dat die
blanken heel andere gedachten hadden, maar hij verstond
-ocr page 37-
27
hen niet en sloop daarom angstig weg in een hoek, om te
wachten op de dingen, die er nu gebeuren zouden.
Toen alles weer in orde en de kapitein zijne verdere be-
velen gegeven had, wilde hij eens met de beide negerknapen
kennis maken. Hij ging naar hen toe en trachtte hen aan
het praten te brengen, maar of hij hen ook al zoo vriende-
lijk mogelijk aansprak, het baatte niet, hij kon er geen woord
uit krijgen. Want, daar zij niet verstonden, wat de kapitein
zeide, meenden zij, dat hij hen vermoorden wilde, en zij rilden
over heel het lijf, en durfden niet tot hem opzien.
„Daar moet toch een einde aan komen," dacht de kapitein;
hij haalde wat brood met eenige vruchten; zette ze voor
hen, en in de meening, dat zij wel spoediger gewend zouden
worden, als zij alleen werden gelaten, ging hij zelf weg. En
werkelijk dit middel hielp. Uit de woorden van den kapitein
hadden zij niets kunnen opmaken, want die verstonden zij
niet, maar uit zijne daden begonnen zij langzamerhand te
begrijpen, wat er met hen gebeurd was. Met groote oogen
zagen zij nu eens elkander aan en dan weer naar de spijzen
die voor hen stonden; ten laatste scheen het alsof beiden
een licht opging; zij begonnen te eten, en toen de kapitein
na een poos terugkwam, zag hij, dat de angst uit hunne
oogen en dus ook de grootste vrees uit hun binnenste, weg
was. Nadat hij hen nu eens flink had laten reinigen, nam
hij hen mede, om hun het een en ander van het schip te
laten zien, waardoor hij gaandeweg meer hun vertrouwen
won; en toen zij even daarna, door het vriendelijk gezicht
van den kapitein aangemoedigd, zijne mooie kajuit binnen-
traden, begreep Adsjai ten volle dat er ook goede blanken
in de wereld waren en dat hij in de handen van zulke goede
menschen gevallen was.
Den eersten dag kon hij evenwel nog niet recht vroolijk
zyn; de overgang van lijden tot verlossing was te plotseling
-ocr page 38-
28
en te groot; maar o, gij hadt hem den volgenden dag eens
moeten zien, toen hij, na heerlijk geslapen te hebben, weer
op het dek verscheen en de matrozen hem vriendelijk toe-
lachten. Hij sprong en danste en zong en liep den geheelen
dag den kapitein achterna, als om hem dankbaarheid te be-
tuigen voor zijne bevrijding. Zóó vlogen de dagen, als in een
schoonen droom voor onze beide negerknapen voorbij. Wel
had Adsjai zijne moeder en zijne beide zusters niet vergeten,
en zag men hem nog gedurig in somber gepeins verzon-
ken, terwijl dan dikke tranen over zijne wangen rolden; maar
het nieuwe leven, de frissche zeelucht en de toegenegenheid
van den kapitein en van al het scheepsvolk, deden hem zóó
goed, dat hij er al spoedig veel beter begon uit te zien, en
hij zijne opgeruimdheid van vroeger wederkreeg.
Twee maanden waren sedert hunne bevrijding verloopen,
toen de kapitein koers zette naar Sierre Leone, eene kolonie
voor vrijgelaten slaven op de westkust van Afrika, om aldaar
de beide negerknapen aan wal te zetten. Dit beviel Adsjai
maar weinig. Veel liever was hij op het schip gebleven om
zijn leven lang den kapitein te dienen, maar toen deze hem
beduidde, dat dit niet ging, en hij aan de kust een groote
menigte vrijgemaakte negers zag, die bij de aankomst van
het schip een oorverdoovend gejubel aanhieven en hem een
vroolijk „welkom!" toeriepen, in zijn eigen taal — toen nam
Adsjai gewillig en met tranen in de oogen, afscheid van zijn
edelen redder en vriend. O, wat was het hem wonderlijk te
moede, toen hij, zonder boeien of kluisters aan wal stapte;
van de negers die hem omringden, allerlei verhalen hoorde
van de goedheid en vriendelijkheid der Engelschen, en in
optocht door de straten der stad werd geleid.
„Is het wel waar?" — zoo vroeg hij zichzelven telkens
af — „ben ik nu werkelijk vrij? Zullen die handen nu nooit
meer slavenwerk behoeven te verrichten? Zal mijn rug nooit
-ocr page 39-
29
meer, tot bloedens toe, worden gegeeseld? Zal ik nu altoos
kunnen doen wat ik wil, en zullen die Engelsche blanken
voortaan ook vriendelijk blijven jegens mij ?".... Ja, Adsjai,
gij zijt vrij; geen keten wacht u meer; uwe slavernij heeft
een einde; uw zuchten heeft uit — maar toch!.....Ach,
hij juichte wel en gevoelde zich zoo gelukkig, dat hij dacht
nu nooit meer te kunnen schreien, en waarlijk, er was ook
wel reden voor hem, om blijde en dankbaar te zijn, maar
hij wist niet, dat nog eene andere, veel knellender keten
hem omklemde. Die keten namelijk, die zelfs niet door den
sterksten mensch, die alleen door God kan verbroken worden,
wij bedoelen de keten der zonde, en zou het goed met hem
worden, dan moest ook deze hem nog worden afgenomen,
want wat baatte het hem nog veel of hij al vrij was naar
het lichaam, zoo hij gebonden bleef naar de ziel. Maar ge-
lukkig, ook dit had de Heere reeds voor hem voorzien. Hij
bestuurde het alzoo, dat Adsjai te Bathurst, eene stad, meer
noordelijk aan zee gelegen, werd opgenomen in het huis van
een vromen catechiseermeester, die al spoedig veel van onzen
negerknaap hield en alle zorg besteedde aan zijne opvoeding.
Dat was, zooals te begrijpen valt, geene gemakkelijke taak.
In de eerste plaats kende Adsjai de taal niet van dit land
en dit veroorzaakte reeds vele moeielijkheden; dan wist hij
hoegenaamd nergens van, want hij had nooit school gegaan
en eindelijk was hij door de droevige ondervindingen gedu-
rende zijn slavendienst, eenigszins achterdochtig en wantrou-
wend geworden.
Maar al deze bezwaren hoopte zijn brave weldoener, met
Gods hulp te overwinnen. Hij deed hem op school, waar
Adsjai, wien het aan leerlust en vermogens niet ontbrak,
het al gauw zoover bracht, dat hij tamelijk goed lezen en
schrijven kon, en ofschoon hem het spreken in de vreemde
taal natuurlijk nog al veel moeite kostte, — ook dit kreeg
-ocr page 40-
30
hij ten laatste in zijne macht, en nu kon met zijne geestelijke
verzorging een goed begin worden gemaakt. Een heerlijke
tijd brak daarmede voor Adsjai aan! O, wat vond hij die
geschiedenissen mooi, welke de catechiseermeester hem uit
den Bijbel vertelde; wat dronk hij de woorden in, als deze
hem sprak van Jezus, die op aarde gekomen was om zondaren
zalig te maken; om slaven, niet slechts lichamelijk maar ook
geestelijk te bevrijden, en hoe Hij daarvoor zoo bitter gele-
den had in den hof van Gethsemané en aan het kruis op
den heuvel Golgotha! Hoe geheel anders was dit, vergeleken
bij hetgeen zijne ouders hem hadden geleerd van geesten,
die schier altijd naijverig en boos op de menschen waren!
Wat kon zijn oog weer, evenals vroeger, schitteren, wanneer
hij met de kinderen van den meester alleen was en hij hun
dan vertelde van zijn land, van zjjne moeder en zusters en
van het lijden, dat hij al geleden had, en zij hem weder-
keerig vertelden van hetgeen zij wisten uit Gods Woord!
Wel begreep Adsjai in den beginne lang niet alles wat
hem van den Heiland werd medegedeeld; wel maakte hij soms
opmerkingen, die bewezen, dat hij nog veel leeren moest en
riep hij soms midden in het gesprek uit: „O, massa, massa,
laat mij toch Jezus eens zien!" — maar hij maakte toch
zeer snelle vorderingen, en de Heere geliefde het onderwijs
van zijnen dienstknecht zoodanig te zegenen, dat Adsjai, toen
hij vijf jaren bij hem in huis was geweest, eenvoudig maar
vrijmoedig, belijdenis deed van zijn geloof in Jezus Christus
als zijn Zaligmaker, en hij door den doop in de Christelijke
Kerk werd opgenomen.
Welk een blijde dag dit voor den catechiseermeester was,
behoeven wij wel niet te zeggen; maar wie zal de vreugde
beschrijven, die Adsjai gevoelde, toen hij in de kerk, te
midden eener groote schare nederknielde, en het water des
Doops in den naam van den Drieëenigen God op zijn voor-
-ocr page 41-
31
hoofd druppelde, waarbij hem den nieuwen naam gegeven
werd van: „Samuel Ckowther?"
„Nu vrij!" — zóó juichte hij, toen hij van de plechtigheid
weder tehuis kwam — „nu naar ziel en lichaam vrij! Vroeger
een slaaf\', arm en ellendig; ik kende geen God; wist niet
van zonde; had nooit van den Heiland gehoord — nu ken
ik Hem; nu weet ik dat mij de zonden vergeven zijn en nu
reis ik ook naar den hemel; o, hoe gelukkig, ik kan het
niet uitspreken!"
Ja, nu was Adsjai vrij; in dubbel opzicht was hij vrijge-
maakt. God had eerst de keten om zijne handen, daarna
ook de boeien zijner ziele verbroken; was het wonder, dat
Adsjai eene vurige begeerte gevoelde, om nu ook zelf aan
andere negers, die nog in slavernij en afgodsdienst leefden,
dien Heiland te prediken, die hem had verlost?
-ocr page 42-
VI.
%mt pittïttoge rtapn.
Een tijdperk van 17 jaren gaan wij voorbij, om in den
geest getuige te zijn van een indrukwekkend tooneel, dat op
een Zondag in Januari van het jaar 1844 plaats greep te Free-
town of Vrijstad, eene stad, ten zuiden van Bathurst, gelegen
aan de zee. Ondanks de heerlijke sabbatbsruste, heerschte
er toch eene ongewone drukte in deze stad. Niet, dat de
menschen zich aan hun werk begaven of handel dreven, vol-
strekt niet, de inwoners van Freetown waren stipt op den
Zondag en toonden, dat zij het gebod van zes dagen arbeiden
en één dag rusten, zeer goed verstonden. Maar heden zag men
buitengewoon veel menschen van verschillende kanten samen-
komen in een groot gebouw, en als wij met hen binnentreden,
bemerken wij aan alles, dat wij ons in de kerk bevinden. Daar
de kerk, nog eer het uur der godsdienstoefening geslagen is,
reeds eivol is, moeten wij aan den ingang bljjven staan, maar
kunnen vandaar dan ook het best de menigte in oogenscbouw
nemen. De meesten van die zich hier bevinden zijn negers,
op wier gelaat te lezen staat, dat er iets bizonders gebeuren
zal; iets, waarnaar zij met vreugde verlangen en als wij we-
ten wat dat is, zal ons die geestdrift zeker niet verwonderen.
Gij moet dan weten, dat het vandaag voor de eerste maal
zal zijn, dat zij hèt Evangelie zullen hooren verkondigen in
-ocr page 43-
33
hunne eigene taal. Tot hiertoe werd voor hen altijd in het
Engelsch gepredikt, waarbij, zooals licht te begrijpen is, veel
hun ontging van wat de prediker sprak; maar nu zal dat
anders worden, de blijde boodschap zal hun nu worden ge-
bracht in de taal der negers, en wat de vreugde nog ver-
hoogt — zij zal ook door een neger verkondigd worden.
Wie die bevoorrechte neger wezen mag? Zie, daar komt hij
aan! Hij bidt; hij beklimt den kansel en als hij zijne blikken
even laat rondweiden, dan verhoogt het gezicht dier opge-
drongen schare blijkbaar de ernstige stemming, waarin hij
verkeert. Herkent ge hem reeds? Het is Adsjai Samuel Ceow-
ther, wien heden voor de eerste maal, het groote voorrecht
te beurt valt, van het Evangelie te mogen verkondigen aan
zijne landgenooten, die met hem door de Engelschen zijn be-
vrijd geworden. Aller oogen zijn op hem gericht; eene
diepe stilte heerscht in de vergadering. Na een eenvoudig
gebed, waarin hij zijne ontroerde ziele voor den Heere heeft
uitgestort, begint hij te spreken over de menschwording van
den Zoon van God. In het begin schijnt hij soms moeite te
hebben om zijne woorden te vinden, maar hoe verder hij
komt, des te sneller vloeien hem de woorden van de lippen.
Met onverdeelde aandacht en hartelijke instemming wordt
zijne rede aangehoord; tranen van dankbaarheid ontspringen
uit menig oog en ook de prediker zelf schijnt maar nauwe-
lyks zijne aandoening te kunnen bedwingen. „Lieve vrienden"
— zoo roept hij aan het slot zijner rede uit — „ik ben aan
het einde. Ik heb tot u gesproken van den Zoon van God,
die mensch geworden is om zondaren gelukkig te maken.
Vroeger wisten wij daar niets van. Toen bogen wij onze
knieën in het afgodshuis en onze landgenooten, die achter-
gebleven zijn, buigen ze daar nog, tot stram wordens toe.
Maar gij allen weet, dat die afgoden ons niet konden helpen.
O neen, dat kan Hij alleen, over Wien ik u heden gespro-
l                                                                                                                     8
-ocr page 44-
34
ken heb. Hij heeft ons uit de handen der slavenhandelaars
gered en onze boeien losgemaakt. Hij kan ons ook uit de
slavernij der zonde verlossen en den vrede tusschen God en
onze ziele herstellen. Ik weet, sommigen uwer hebben dat
reeds, door genade, ondervonden en verheugen zich in eene
dubbele bevrijding, maar indien er in deze vergadering nog
zijn die dit niet kennen, o dan wenschte ik, dat zij heden zich
allen tot den Heiland mochten wenden. Niemand zegge: „Ik
ben zwart", de Engelschen hebben daar niet op gezien, toen
zij uitgingen om ons te bevrijden; ook Jezus ziet daarop niet.
Niemand zegge ook: „Ik ben niets waard!" want dat is voor
Jezus geene verhindering om iets van u te maken. Ik zelf
was ook niets waard en Hij heeft mij toch tot een prediker
van de blijde boodschap gemaakt. O, gaat dan tot Hem; zijn
bloed reinigt van alle, alle zonden; bidt, dat Hij ons allen
zalig make, en dat Hij ook onze ongelukkige landgenooten
verlosse. Ke oh sjee! Ke oh sjee! Zoo zij het! Zoo zij het!"
Aan den avond van dien dag knielde Adsjai Samuel Ceow-
thee in zijne kamer neer; hij gedacht in een vurig dank-
gebed de genade, die hem bewezen was, en schreef in zijn
aanteekenboek: „De dag van heden is voor mij een der ge-
lukkigste dagen mijns levens geweest. Gode alleen de eer!"
Wij kunnen ons de dankbare stemming van Adsjai zeer
goed begrijpen, want o, hoe wonderlijk toch had de Heere
hem geleid, wat had Hij alles ten beste gekeerd! Maar nu
hij dan zelf den Heiland had leeren kennen en prediker van
het Evangelie geworden was, bleef hem nog deze begeerte
over, dat hij dit Evangelie nog eens verkondigen mocht in
hetzelfde land, waar hij vroeger als slaaf had verkeerd. Meer-
malen had hij dezen wensch aan den Heere bekendgemaakt,
doch een tijdlang scheen het alsof dit de wil des Heeren niet
was. Eindelijk evenwel. 23 jaar na de verwoesting van de stad
Osjogoen, en dus een jaar nadat wij hem te Freetown voor
-ocr page 45-
35
\'t eerst hebben zien optreden, werd ook deze bede verhoord.
Tegelijk met een Zendeling werd hij, ofschoon nog niet
tot Leeraar geordend, uitgezonden om in zijn vaderland de
blijde boodschap des heils bekend te maken en van de ge-
beden veler vromen verzeld, scheepte hij zich, met zijne
vrouw, tot de zendingsreis in. Met zijne vrouw?
O ja, dit hebben wij nog vergeten te zeggen. Toen Adsjai
te Bathurst op de schoolbanken kwam, vond hij daar — welk
eene vreugde! — ook zijn vroeger vriendinnetje Asano weer,
met wie hij in Osjogoen zoo dikwijls had gespeeld en die
zoo gehuiverd had toen hij van de blanken vertelde. Welnu,
de genade welke de Heere aan Adsjai bewezen had, ver-
heerlijkte hij ook in Asano. Zij ook had de bitterheid der
slavernij ondervonden, maar na verscheidene malen verkocht
te zijn was zij evenzeer door de Engelschen vrijgemaakt, en
de Christelijke opvoeding, welke zij daarna genoot, werd
haar niet minder ten zegen, zoodat ook zij Jezus lief kreeg en
blijken gaf van oprechte bekeering. Later trad zij met haren
vroegeren speelmakker in het huwelijk, en zoo stapte dan
Samuel Ceowthbr met zijne Suzanna — zooals zij na haren doop
genoemd werd — aan boord, terwijl de vreugde op beider aan-
gezicht blonk, bij de gedachte, dat zij nog eens dezelfde plaats
zouden wederzien, waar zij hunne jeugd hadden doorgebracht.
Ongelukkig kregen zij onderweg een oponthoud, dat ander-
half jaar duurde. Dit was wel eene teleurstelling voor hen,
maar het ontmoedigde hen toch niet. Ceowther gebruikte
dezen tijd om den Bijbel in zijne moedertaal over te zetten,
en toen de Augustusmaand kwam van het jaar 1846, toen
werd hun brandend verlangen vervuld en zetten zij den voet
op vaderlandschen grond.
Ach, nog waren allerwege de sporen te zien van de ver-
woesting, welke door de vijanden van vroeger was aange-
richt. Niets hadden zij gespaard; geen huis was staande ge-
-ocr page 46-
36
bleven; zij hadden alles verbrand; maar de menschen, die
hun ontkomen waren, hadden, na zich eerst langen tijd in
eene rotskloof verborgen te hebben gehouden, een nieuwe
stad gebouwd, die den naam Abbeokoeta droeg en thans
100.000 inwoners telde.
Hoe popelde het hart van Adsjai, toen zij de poorten dezer
stad binnengingen en honderden hun het welbekende: akoe,
akoe! welkom, welkom! toeriepen. Onrustig zocht zijn oog
onder de schare of er ook iemand bij was, die hij onder
duizenden zoude herkend hebben; maar hij scheen niet te
vinden. Wel vond hij vele bekende gezichten en kon hij zich
van sommigen nog flauw iets herinneren, maar neen, wie
hij van allen het vurigst begeerde te zien, was er niet. Toch
moest zij er zijn, want men had hem reeds in het oor ge-
fluisterd, dat zij nog leefde. „Wie?" vraagt gij misschien.
Maar neen, dat vraagt gij niet meer; gij hebt reeds aan het
kloppen van Adsjai\'s hart gevoeld, dat hij zijne moeder zocht.
Ja, zij leefde nog, Afala, die goede moeder, die zoo mee-
doogenloos wreed van haren lieveling gescheiden was; maar
zij was niet onder de menigte, die Adsjai, bij zijne aankomst,
kwam verwelkomen. Zij woonde een eindweegs buiten de
stad, met hare twee dochters, de beide zusters van Adsjai,
en toen men baar berichtte dat haar zoon was wedergekomen
en dat hij zich te Abbeokoeta bevond, ging het haar als
Jakob; haar hart bezweek, want zij geloofde hen niet. Al te
lang had zij om haren zoon getreurd, dan dat zij dadelijk
dit bericht aannemen kon. Maar toen Adsjai, die, wegens
zijne drukke bezigheden zelf de stad niet verlaten kon, een
bode tot haar zond om te vragen of zij toch haastig wilde
komen, toen werd ook haar geest levendig en zij zeide:
„Het is genoeg; mijn zoon Adsjai leeft nog; ik zal gaan en
hem zien, éér ik sterve!"
Daar kwam zij dan den 21Bten Augustus aan. Toen zjj de
-ocr page 47-
37
kamer binnentrad, bleef zij eenige oogenblikken stilstaan en
zag haren zoon met strakken blik aan, bevend over al hare
leden. Eindelijk kon Adsjai het niet langer uithouden. Hij stond
op; liep naar zijne moeder toe; omhelsde haar lang, zeer lang,
en nu rolden ook groote tranen langs hare magere wangen.
Roerend was het zien, hoe zij zijne handen vasthield, en met
van aandoening trillende stem hem nog eens weer noemde
bij die welbekende namen, waarmede zij hem genoemd had,
toen hij nog kind was op haren schoot., Adsjai, mijn jongen" —
zeide zij ten laatste — „het is nu 25 jaar geleden dat ik u
voor de laatste maal zag. O, wat heb ik gezocht en wat
heb ik geweend, toen ik u nergens vond. Ik wou zoo gaarne
sterven, maar ik mocht niet. Ik werd verkocht van den een
aan den ander, en menige stok is op mijn rug stukgeslagen,
maar o, dat is niets, dat is alles niets; wij zijn nu vrij en heb-
ben elkander weer; als ik nu maar bij u blijven mag".....
„Ja, moeder," zeide Crowther, „gij zult b$j mij blijven."
En zij bleef bij hem, nog verscheidene jaren, waarin ook
zijne zusters met hare kinderen hem dikwijls kwamen bezoe-
ken. Tot zijn groote smart evenwel had Adsjai reeds zeer
spoedig bemerkt, dat zijne moeder nog aan den dienst der
afgoden had vastgehouden. Het was daarom zijne dagelijksche
zorg haar met het Evangelie van Jezus Christus bekend te
maken; vurig bad hij om haar behoud, en de Heere nam ook
dit gebed aan, zoodat hij er den 5den Februari 1848 getuige
van mocht zijn, dat zijne moeder den heiligen Doop ontving.
Nog 36 jaren bleef zij bij hare kinderen, Adsjai en Asano,
inwonen en toen zij eindelijk tot hoogen ouderdom geklom-
men, het tijdelijke met het eeuwige verwisselde, vreesde zij
niet meer, maar ging met een juichtoon op de stervende
lippen, den hemel in en is nu voor eeuwig van alle ljjden
verlost.
-ocr page 48-
VII.
Jtog ttn mart
Wij kunnen deze geschiedenis niet eindigen, zonder nog
eene enkele ontmoeting te hebben medegedeeld, welke plaats
had tusschen twee mannen, die, hoe kort hun omgang ook
was geweest, elkander toch zeer lief hadden gekregen. Toen
Adsjai Samüel Cbowthee vijf jaren het Evangelie des kruises
in zijn Vaderland verkondigd had, en hij blijken had gegeven
van oprechte godsvrucht niet alleen, maar ook van grondige
kennis, werd hij naar Engeland geroepen, om als leeraar ge-
ordend te worden. Op Vrijdag, den laatsten October 1851,
knielde hij daartoe in het gebouw van het Kerkelijk Zende-
linggenootschap neer. Ten aanschouwe van eene groote
menigte belangstellenden, werd hij tot zijn ambt als leeraar
van Afrika ingewijd, en toen de plechtigheid bijna was af-
geloopen trad een man op hem toe, die, hem de hand gevende,
vroeg: „Kent gij mij nog?" — Crowther zag den vreemdeling
aan, zeide haastig: „Ja zeker!" en begon daarna luide te
weenen van blijdschap. Want de man, die daar voor hem
stond, was niemand anders dan de edele kapitein HenkyLeeke.
Negenendertig jaren waren voorbij gegaan, sedert Adsjai
door hem te Sierre Leone aan wal was gezet, maar al die
jaren hadden de gelaatstrekken van zijnen redder en vriend
-ocr page 49-
39
niet uit zijn geheugen kunnen wisschen. Met warmte drukten
zij elkander de hand en Crowthee zeide: „Zie eens, kapitein,
wat Gods genade van een armen slaaf heeft gemaakt!"
Nog een poos bleven zij daar staan en spraken met elkander
over het verleden. Maar het samenzijn kon slechts van korten
duur zijn; met een: „Tot weerziens hierboven!" scheidden
zij; de kapitein moest weer naar zee, en Adsjai trok opnieuw
naar zijn Vaderland, om zijn Evangeliearbeid aldaar voort
te zetten.
Wat nu eindelijk dezen arbeid aangaat — hij mag waarlijk
rijk gezegend worden genoemd. Vele negers zijn door middel
van hem, die eens zelf een arme zwarte slaaf is geweest,
aan de voeten geleid van Hem, die geen zwarten in zijn
Koninkrijk veracht.
In 1880 verloor hij een sterken steun door den dood van
zijne trouwe Asano, en dit was voor hem een zware slag;
maar nog, ofschoon hij een grijsaard is van bij de 80 jaren,
werkt hij in Afrika met onbezweken ijver voort. Trouw
staat hij op zijn post; met innige blijdschap spreekt hij nog
altijd van het heil, dat in Jezus Christus te vinden is, en
wachtend op de ure, dat de Heere hem oproepen zal tot
zjjne ruste, werkt hij voort en zegt:
\'k Was eens een arme slaaf, met folterende pijnen;
Geen sterv\'ling bood mij hulp, hoe zwaar mijn keten woog;
Mijn hart werd toegeschroefd; mijn vreugde ging verkwijnen;
\'t Was lijden, anders niet, waar ik mij heen bewoog.
Mijn keel werd droog en heesch van al dat droeve klagen,
Ik zocht een vroegen dood; hij scheen zoo goed voor mij;
Mijn goden bleven stom op al mijn kermend vragen,
Maar God, dien ik niet kend\', zond redding mij ter zij.
Hij kwam, de blanke man, verscheurde mijne keten;
Hij wiesch mijn striemen af; goot balsem in mijn smart;
Hij nam mij vriendlijk op, en aan zijn voet gezeten,
Leerd\' ik des Heilands Naam, genas mijn kranke hart.
-ocr page 50-
40
Nu ben ik weder vrij; het lijden ia vervangen,
Ik juich weer als voorheen, maar \'t ia een andre toon;
Ik kniel aan Jezus\' voet, om, in mijn dankbre zangen,
Te roemen voor altoos, Goda hooggeloofden Zoon.
O, ziet ook op tot Hem, mijn zwarte landgenooten,
Die no"g om redding schreit, bij uwen fetischboom;
Wanneer gij vrij wilt zijn, Hij zal u niet verstooten,
Want hoort, Hij roept ook u: „die arm is, dat hij koom\'I
•
.