-ocr page 1-
>
—-*—
-— JT» /A
in nel Uwit,
VAN
-C. BREÏ T. Azn..
^^
^L
-ocr page 2-
• (
f
(
i
v
,"N . ,
•
A
,     7 \'                >                 Vi
• \\                • -, \'               ; - -.
\'.,,••                             - ... \'
•r , ,                                                                   \'•                   : \'}
-ocr page 3-
. \'
:
I
!
.*
I
\'
•;. .
k V.
1 \'T
>
•
\'11
!
--
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000035590375B
3559 0375
-ocr page 4-
" " r \'S
/
" U-i                 \' .                      .                           \'-
\',\' • ., . .. \' \' •* -
. />"\' : • • / , \'.                     \\              -                ,-rr
• . •• •<•                                        .                                                                                    —^
V \' i ! \\ f. .1 \'.
1 \'\'
1 £
.
y
;
.. .
i)\\
/)
... \' ,\' : 4 \' \'>
\'
r J
c
\' i \' * ,
s.
1
\'
; j
\'
1 )
V
\'.VS I r-^i J?
I
•
.
\'
\'
V
.
\'
~i
-ocr page 5-
^V O*
^
-ocr page 6-
:-A
CORNELIS BREET Azn
-ocr page 7-
Bibliotheek
MEOERL ZCNOiNGSHOGcSGHÖOl
OEG5TGEEST.
LZ
DE HAND DES HEEREN
IN HET LEVEN,
EN DEN 25-JARIGEN EVANGELIEARBEID
CB BR EBT JLzh.j,
Broodbakker-Evangelist
TE HELDER.
Met Portret.
NEERBOSCH,
STOOMSNEI,PERSDBUKKERIJ UHH WUKSIN RICHTING.
i \\hof)
-ocr page 8-
-ocr page 9-
INHOUD
Bit.
Inleiding................    1
Dit is Gods vinger............    4
De Kweekschool.............    17
Gaat dan heen, ik ben met u........    40
In het sterfhuis....... .....    60
In de ziekenkamer............    65
In de hutten der armen..........    78
Het blinde kind.............    84
De vondeling..............    88
Slotwoord..............,    102
-ocr page 10-
y bpengen onze japen doop als eene gedachte !
INLEIDING.
Vijf en twintig jaren zijn daarheen gesneld, sinds den
dag, waarop de Heere Jezus, mij genade verleende in Zijn
Naam voor de bewoners der z. g. Nieuwstad op te treden,
tot de prediking Zijns "Woords. Die datum, hij blijve mij een
onvergetelijke. Hoeveel toch hebben mijne oogen mogen aan-
schouwen in veler harten, en in vele woningen, van de zegen-
rijke uitwerking van het Evangelie der Genade Gods.
Onvergetelijk ook, dewijl hij voor mij zelf een Pniël werd
in mijne levensgeschiedenis, want hoe bang de nacht en hoe
zwaar de strijd ook was, die den dag van 2i Oct. 1869
vooraf ging, en welke machten ook nog aan den morgen
1
•
-ocr page 11-
2
van 24 Oct. mij trachtten te doen zwichten, toch werd
het mij in dien strijd duidelijk, dat Jezus leeft, dat Hij
doet zegevieren, en dat Zijne woorden: „Gaat dan heen;
Ik .ben met U," waarachtig en getrouw zijn. Vijf en twin-
tig jaren zijn sinds dien dag doorleefd, als eene nacht-
wake zü\'n zij heengesneld en voorbij gegaan, doch niet alzoo
de vele blijken van Gods gunst in die dagen ondervonden.
Neen! — die zullen blijven.
Ook blijven in de kronieken van het Rijk onzes Heeren,
als door \'t onuitwischbaar schrift, van den vinger Gods gegrift.
Al deze ervaringen gedurende dien 25jarigen arbeid in het
Evangelie in het geheugen terug te roepen, zal mij wel
niet gelukken, en ik acht dit ook zelfs niet nuttig, doch
er zijn geschiedenissen, die nooit vergeten kunnen worden,
maar mij altijd zullen bijblijven, als waren ze gisteren
geschied. Ook komt het mij goed voor, deze dingen aan
de vergetelheid te ontrukken. Ik ontving daartoe te meer
vrijmoedigheid, toen mijne vrienden mij hierom verzochten
en er op aandrongen.
De genade des Heeren Jezus in de wording, èn in de
bewaring, èn in den zégen van mijnen arbeid in het Evange-
lie, ook door dezen, te erkennen, acht ik mijne roeping voor
den Heer, en zeer zeker ook mijn plicht jegens de vele broe-
ders, zusters, vrienden en vriendinnen, welke tot dezen arbeid
hunne hulpe verleenden en daaraan hunne liefde betoonden.
Hoevele namen toch staan bij mij te boek, van personen,
die mij voor 25 jaren steunden en die tot den bouw
van een nieuw locaal (voor 15 jaren) met milde hand
hunne gaven voor dezen arbeid mij deden toekomen. En
onder deze zelfs één, mn\' geheel onbekenden vriend; die mij
-ocr page 12-
3
de kapitale som van elfhonderd en vijf en tachtig gulden
als gave toezond, en weder een ander, die mij zeven hon-
derd gulden renteloos voorschoot. Welnu, voor deze aan
ons betoonde liefde, waardoor in zeer korten tijd ons ruim
lokaal, groot 144 vierkante meter, bij een hoogte van 5
meter onder het plafond, met het noodige ameublement,
zoowel voor kerkgebouw als bewaarschool, geheel zonder
daarop rustende schulden, tot stand kwam, welk lokaal in
den dienst des Heeren, eiken dag der week gebruikt wordt,
acht ik mij verplicht eenige mededeelingen te doen van
de dingen, in den loop dier jaren geschied.
Voor ik echter over kan gaan tot mededeelingen, die
meer in \'t bijzonder den arbeid in het Evangelie betreffen,
eerst eene bladzijde over de barmhartigheid Gods aan mij
geschied in de toebereiding van mijn eigen hart tot de za-
ligheid, die in den naam des Heeren Jezus is. Vreest echter
niet, dat ik mij zal begeven op het spoor van „bekeerings-
geschiedenisschrijvers."
Ik zal niet uitweiden over de velerlei bijzonderheden,
mijn karakter eigen, ook niet, over de dagen mijner jon-
gelingsschap, doch wil mij in hoofdzaak bepalen bij die
dingen, die inderdaad oorzaak werden, van de toebrenging
mijner ziel tot de gemeente des Heeren Jezus. En daarna
ook tot den arbeid in het evangelie.
Dat de Heere het moge doen strekken tot verheuging
des harten, en tot dankzegging, voor allen, die mij tot dezen
arbeid hunne hulpe verleenden, is de bede mijns harten.
Helder — October 1894.                       C. Beeet. Azn.
-ocr page 13-
DIT IS GODS VINGER.
Zonder twijfel was bij de eerste daad door Mozes in
Egypte voor \'t aangezicht van Pharaö verricht, reeds de opge-
heven en waarschuwende vinger des Almachtigen aan Pharaö
en zijne Toovenaars getoond, doch zij erkenden het niet.
Slechts toen.... toen diepgevoelde ellende hen deed
sidderen, en de nood hen dwong, toen werden van bevende
lippen de woorden vernomen: „Dit is Gods vinger!"
Op deze bank, de bank der beschuldigden, moet ook ik,
zij het ook nu nog met gevoel van schaamte, eene plaats
beginnen in te nemen, om van daar de groote ontfer-
mingen Gods, ook mij betoond, aan het licht te doen treden.
Hoe menigmaal werd reeds in mijn jeugd mijn Geest
bezocht en bezig gehouden, met gedachten aan Gods per-
soonlijk wezen, aan Zijne alomtegenwoordigheid, en aan
Zijne macht.
En niet zelden peinsde ik reeds als kind over dit alles
ook met het oog op het vele roekelooze, dat in mij ge-
vonden werd. Het ging mij echter als Samuel, die de
-ocr page 14-
D
stem des Heeren niet kende, en als de Egyptenaars, die
den vinger Gods niet zagen.
Hoe menigmaal werd die stem in mijne jeugd vernomen,
hoe dikwijls Gods vinger aanschouwd en toch zij werd niet
gehoorzaamd en de weg, als door Gods vinger aangewe-
zen, werd niet ingeslagen. Tot .... ja tot de Engel des
doods op mijn 23ste jaar mijne woning binnentrad, en na
negen dagen van diepgevoelde smart, en vele wanhopige
gebeden, van mij wegnam de eersteling mijner kracht. Mijn
zoon, pas elf maanden oud, mij een oorzaak van vroeger
ongekende vreugd, werd mij na een vreeselijk Jobslijden, de
pokziekte, ontnomen.
Ik gevoelde mij verpletterd, doch niet verbroken. En
hoewel geheel vervuld met de bewustheid: dit is Gods
vinger, zoo oordeelde ik toch mijn levensgedragingen niet.
Het allerminst kwamen de gedachten in mij op: Het is
•de welverdiende roede die u trof: de hand des Heeren wil
u leiden, van de paden der zonde en des doods, op Zijne
wegen, want ach, ik was mij van geen dwalingen bewust.
Daarom bleef mijn arm hart, door groote ontevredenheid
voortgedreven, slechts vragen: Waarom?
Waarom ontnam Gods hand mij dit zoo teerbeminde
en met den naam mijns geliefden vaders op \'t voorhoofd
gedrukte kind?
Diep ellendig, en zonder antwoord te weten of te vin-
den, gingen dagen en nachten weenend, en soms bijna
krankzinnig van smart voor mij voorbij. Doch wat gebeurde?
Op zekeren avond, altijd nog door dat „Waarom" ver-
volgd, bladeren mijne vingers werktuigelijk door een Bijbel-
schen Almanak, en waarlijk daar vindt nüjn geprangd
-ocr page 15-
6
gemoed het antwoord. Bij dit verhaal was een plaat gevoegd
een herder voorstellende, die voor zijne schapen uitliep, met
een lam in zijn armen. Het was bestemd, om ouders, die
bij de graven hunner kinderen weenden, te troosten. Is het
wonder, dat ik het toppunt van belangstelling bereikte, en
weldra geheel verdiept was in deze lectuur? — En toen ik
las: „Ziet ge dien Herder, die een lam in zijne armen geno-
men- heeft om het mede te voeren ? Laat deze geschiedenis,
u tot vertroosting, en tot onderwijzing strekken;" werd
mijne ziel diep ontroerd. Waarlijk, hier was de vinger Gods,
welke in deze diepe ellende tot mij uitgestoken werd, ter
aanwijzing Zijner groote barmhartigheid.
\'t Verhaal luidde ongeveer aldus:
Daar was eens een herder, die tot moede wordens toe
zich beijverde zijne schapen te drijven over eene brug, langs
welke de weg tot hun nachtelijk verblijf moest worden
bereikt. — Tot moede wordens toe ? O, gewis, want eewmaal
en tienmaal, kwam het tot aan, en soms ook tot voor
de brug, doch telkens vlood de kudde daarop in snelle
vaart de brug voorbij. Moede, doch niet moedeloos, grypt
de herder, na zoovele herhaalde en vruchtelooze pogingen,
een lam uit de kudde, neemt het in zijne armen, en schyn-
baar de schapen aan zich zelf overlatende, gaat hij naar
de brug, en weldra ook daarover. Een oogenblik staat hy
stil, laat nog eens zijne stem helder klinkend hoor en, waarby
ook het lam blatend als om de moeder schreit. En?....
De arbeid werd met goed gevolg bekroond. De moeder
snelt het lam achteraan, en weldra gaan alle schapen de
brug op en bereiken tot vreugde des herders den veiligen
stal. O, hoe gevoelde mijne ziel, hoe ook vervreemd aan
-ocr page 16-
7
de arbeidende hand des Heeren, dat Zijn hand ook tot my
uitgestrekt was en wat als toepassing zou volgen. En toen
daarop mijne oogen de regelen lazen: zoo werkt Jezus, de
groote en goede Herder, op en in de gewetens der zondige
menschenkinderen, om hunne zielen te redden van den
weg der zonde en des~verderfs, zoo neemt Hij uwe kinde-
ren van u, opdat uw hart Zijn wegen zou leeren betreden,
toen werd het mij als hoorde mijne ziel: weent niet over
mij, maar weent over u zelven, en beken in uwe smart de
liefde des Herders.
En \'t was mij thans duidelijk:
Het was Gods vinger.
Deze voor mij zoo zeer droevige levenservaring, wekte
in mijne ziel de begeerte, mijne levenswijze te veranderen.
Ik stelde mij voor, dat daartoe in de eerste plaats behoorde
allen arbeid op den Zondag te staken, en een getrouw
bezoeker te worden der kerkelijke bijeenkomsten. En mocht
het mij, zoo dacht ik, dan ook nog gelukken overwinnaar
te worden van mijne kwaadaardige driften, dan, ja dan
zou ik zeker een ander, en dus ook veel beter mensen
wezen. En waarlijk, de toen ontvangen indruk, bleef gerui-
men tijd doorwerken, en het scheen mij, als was de dag nabij,
waarop ik met mij zelf volkomen tevreden kon zijn. Wat
toch wist myn hart van het Woord des Heeren, waar het
spreekt van vergeving der zonden? Van inwoning des
Heiligen Geestes, en van Jezus als den eenigen Naam, die
hope geeft in leven en in sterven? Dit was mij even vreemd
als den ryken jongeling, die aan Jezus vroeg: Wat onbreekt
mij nog? — En ganschelijk onbekend als ik was, met de
machten des Satans, zoowel als met de verdorvenheid
-ocr page 17-
s
mijner natuur, zou ook door mij niemand ter wereld geloofd
zyn geworden, die mij geantwoord zou hebben: Alles, ja
alles ontbreekt U.
Doch wat ik nooit zou geloofd hebben, en wat in mijne
blindheid onmogelijk geacht werd waar te zijn, is mij toch
waarheid geworden. De weg, waarop ik deze les leerde,
was ongetwijfeld de moeielijkste, waarop ooit mijn voeten
stonden. En de ellende, waarin ik toen verzonken was,
behoort tot de droevigste en beschamendste geschiedenis
van mijn leven. De verzoeking overwon geheel mijn hart,
en ware het niet, dat de ontfermingen Gods over mij
waren uitgestrekt geweest, ik was gewis in de kaken des
doods besloten geworden en voor eeuwig vergaan. Een jaar
lang had ik gebeden; den Bijbel onderzocht, de prediking
des Woords bijgewoond, en in den kring van Christenvrien-
den eene plaats ingenomen.
Zoo ging mijn gang in stille tevredenheid met mij zel-
ven daarheen.
Maar ach! ik wist niet van den snood gespannen strik
des boozen, en ook niet van de dringende noodzakelijkheid
om te bidden: o God, bewaar mijn hart, boven al wat te be-
waren noodig is. En zoo werd in oogenblikkelijke vervoe-
ring, alles verwoest, wat tot hiertoe mij zoo ernstig had
bezig gehouden. Wat geschiedde? Och, de zaak was niet
zoo bijzonder, althans niet zoo vreemd; want wie weet
niet dat in dit leven de ontrouw der menschen, als tot
de orde van den dag behoort. En zeker is, dat in de 35
jaren, welke sedert dien dag zijn voorbij gegaan, ook wel
35 maal grootere teleurstellingen met „vrienden?" door
mij zijn ervaren. Doch \'t werd mij tot een zeer diepen,
-ocr page 18-
9
ellendigen val. Sinds geruimen tijd, was door mij aan iemand,
wien ik gemeend had mijn leven wel te hebben kunnen
toevertrouwen, het grootste vertrouwen geschonken, met
betrekking tot de financiën in mijne zaken. Maar ach, op
zekeren dag kwam ik tot de heillooze ontdekking, dat deze
persoon, zoo bedriegelijk met mij omging, dat mijne nog pas
opgerichte zaak zeker te gronde gegaan zou zijn. indien
de diefstal niet ontdekt was geworden. Doch het was nog
maar vermoeden, en hoewel voor mij dit vermoeden vol-
komen zekerheid was, zoo viel er nog niets te bewijzen.
Daarom trad ik, in overleg met___om den persoon in kwes-
tie op heeterdaad te betrappen, en aldus bewijzen machtig
te worden. Doch tevergeefs. En meer nog dan tevergeefs.
Al spoedig werd mij verweten, dat ik zoo iets durfde den-
ken, en zoodanigen valstrik wilde plaatsen.
Daar stond ik. Mijn raadsman was mijn verrader gewor-
den en zoo vreeselijk was de uitwerking daarvan op mijn
bloed, dat in innerlijke woede, en helsche verontwaardiging,
mijne voeten zich keerden van de plaats en den persoon,
die mij bedroog. Waarheen? Mijne oogen brandden. Mijn hart
bonsde, en de overleggingen mijns harten, werden geheel
boosheid en zucht tot wraak. Nooit aan drank gewoon,
werd hij mij nu een toevlucht. En weldra werd en drank,
en slecht gezelschap oorzaak, dat mijn driftig bloed, kokend
door de aderen bruisend, het toppunt van woede bereikte.
O, vreeselijke machten des Satans! — Hoe vindt ge uw
bondgenoot in de menschelijke natuur, en hoe juist weet
ge de geschiedenissen van het dagelijksch leven te gebrui-
ken, tot verderving uwer prooi! Tenzij God het verhoede.
En dank zij Zijne genade. Hij, ja Hij heeft dit jegens imj
-ocr page 19-
10
verhoed. Noodlottige dag! Alles was als met een slag ver-
anderd, zelfs mijn zelfgenoegzame vroomheid was vernie-
tigd. Wie mij zag, trad verschrikt terug.
Wreken zal ik mij! Zoo spraken mijne oogen, en dat
toonde mijn telkenmale uitgestrekte arm en gebalde
vuist.
Maar neen! . . . . Een plotseling ontstane twist, met een
derde, bracht mij er toe, met vreeselijke krachtsinspan-
ning, door glasruiten heen te slaan, waardoor mij een ader
in de nabijheid van den pols werd doorgesneden en ik machte-
loos door \'t vele bloedverlies spoedig ineen zonk. Daar, ja
daar op den openbaren weg, en in zulk een allerellendigsten
toestand, zou ik door verbloeding het leven hebben verloren.
Alle krachten, zelfs het spraakvermogen, hadden mij reeds
begeven .... Door eenige vrouwen, die met windsels op mij
toetraden en mijn arm omwonden, werd, dank zij Gods
genade, het bloed in zooverre gestelpt dat de dokter, die
zich eenigen tijd wachten liet, niet te laat kwam. Met al-
geheele machteloosheid ging stilstand van het denkvermo-
gen gepaard, zoodat alle gedachten aan wraak uit mijn hart
gebannen werden en toen ik onder goed geleide naar mijne
woning gebracht en op \'t rustbed neergelegd was, sliep ik
weldra in. Bij \'t ontwaken verstond ik niet, dat ik mijn
arm en krachten had moeten verliezen, om bewaard te
worden voor grootere misdaad, en misschien ook voor ver-
wonding van den persoon in kwestie. Evenmin verstond ik
de woorden: De Heere regeert. Maar toen het morgenlicht
opnieuw voor mij aanbrak, en ik mij den toestand bewust
werd, waarin ik mij had bevonden, den toestand, waar-
van zoovele menschen getuigen waren geweest en waarin
-ocr page 20-
11
ik mij nog bevond, werd mijne ziel overmeesterd door
groote somberheid en diep gevoel van schaamte. Zelf-
veroordeeling, te voren nooit door mij gekend, nam thans
de plaats in van de vroomheid in eigen oogen. Het heeft
my veel moeite gekost, mij na verloop van vele dagen,
weder onder de menschen te durven vertoonen. Maar meer
dan dit, mijn vroomheid, mijn omgang met Christenvrienden
was, zoo dacht mij thans, voor altoos verloren. Ik schaamde
mij tot God te naderen. Naar zulk een zou nooit Gods
oor zich kunnen neigen, en zoo leefde ik zeer verlaten, on-
gelukkig en in droefenis en smart voort. Dit was de vin-
ger Gods, doch ik zag dien niet, en zoo ik hem zag dan
zag ik hem dreigend tegen mij opgeheven en ik vreesde.
O, hoe heeft mijn hart, hoe heeft mijn door zonden ver-
volgd en geprangd gemoed, met diepen ernst gesmeekt om
vergeving en gezocht naar rust. Ook sloop ik nu en dan,
als werd ik door allen veroordeeld, als ware ik een dief,
de kringen der Christenen binnen, om te luisteren naar
hunne gesprekken, over den naam des Heeren; en werd er ge-
handeld over de zondigheid der menschelijke natuur, en het
zalig worden alleen door de kracht van Gods genade, dan
ging ik na het bezoek aan zulk eene vergadering, tamelijk
welgemoed weder voor enkele dagen rustig mijn weg.
Toch gevoelde mijne ziel, ook in die zoogenaamde rust, maar
al te wel, dat mijn geweten niet was bevredigd. Kwam
daar dan, wat helaas maar al te vaak gebeurde, nog bij, dat
ontevredenheid op anderen met wien ik moest omgaan, my
tot drift vervoerde, ach, dan was zoo spoedig die lamp der hope
weer uitgebluscht, en kwam het mij voor, dat ik alle hoop
om zalig te worden moest laten varen. Want dit stond bij
-ocr page 21-
12
mij vast: Eerst moest ik geheel over mij zelf tevreden zijn,
en dan eerst kon ik zalig worden. — Wat toch wist ik van
Jezus? — En wat verstond ik van Gods genade? Dat de
Hemel bereikt werd door achteruitgang in zelfvertrouwen
was voor mij zotteklap. Mijn toestand was echter den
Christenen niet ontgaan, en weldra werd mij een klein
boekske van Goszner ter hand gesteld, en later nog een
getiteld: Bestuur en aanmoediging voor ieder, die ernstig
de zaligheid zoekt. — Hiermede gewapend, begaf ik mij,
zoo dikwijls mijn tijd dit toeliet, naar de eenzaamheid; haast
zou ik zeggen, naar de woestijn, om daar, in de duinen
verscholen, na mijn hart met al zijne nooden voor God te
hebben uitgestort, te lezen en weer te lezen, wat in deze
geschriften gezegd werd over het: Gelooven in den Heere
Jezus. Veel was mij daaromtrent reeds gezegd, en hoe wei-
nig mijn hart ook van gelooven verstond, toch kwam het
mij voor, dat dit de taal der Heilige Schrift was, daar
moest toch het toe komen.
Hoe dikwerf las ik de woorden: „Gij zult wel zeggen:
Gave God dat ik kon gelooven !" En als ik dat las, dan barstte
mijn gemoed in tranen los; deels uit vreugde, zoo verstaan
te worden door den schrijver, en anderdeels uit droefheid,
omtrent mijn ellendigen toestand. Ik gevoelde maar al te
goed, hoe ongelukkig ik was. Steeds had ik in den waan
verkeerd den inhoud der Heilige Schriften te verstaan en
te gelooven, doch daarbij was mij alles wat in mijne ziel
omging te eenemale onverklaarbaar, \'t Is mij dikwijls voor-
gekomen dat ik zoo geloovig was als de beste, maar....
het ontbrak mij aan de werken, waarvan ik gelezen had
in den brief van Jacobus en dan vestigde zich mijne hoop
-ocr page 22-
18
weer op een ernstig toezicht over alle uitgangen mijns
harten. Maar \'t ging mij als de blinde, die ondanks zich
zelf, zich overal stoot, en als de drenkeling, die zich aan
eiken stroohalm vastklemt, doch steeds met de droevige
ervaring geen rust te vinden. Hoe menigmaal heb ik mij
ter ruste gelegd, gekweld en gepijnigd door de gedachte,
hoe het kon gebeuren, dat ik niet weder zou ontwaken.
Dan smeekte ik van den Heer, mij toch zoo niet uit het
leven weg te nemen.
Mijne gedachten waren echter steeds: Als \'t stervensuur
mocht aanbreken, en er is nog tijd tot gebed om de verge-
ving mijner zonde, dan zal ik niet verloren gaan. -
In dezen tijd van kommer en druk moesten wij van woning
veranderen, en \'t geval deed zich voor dat, onze woning zou
betrokken worden, door een in mijne schatting zeer vroom
man.
Wij dreven hetzelfde handwerk, en zijne hulpbehoevend"
heid, bereide mij dikwijls de vreugde hem de behulpzame
hand te kunnen bieden. Deze man werd mij in dien tijd tot
vraagbaak. Doch ongetwijfeld werden mijne vele bezoeken
en de telkens herhaalde vragen en klachten hem te las-
tig, zoodat hij op zekeren dag met eenigszins verstoord
gemoed mij toevoegde: Ben je daar weer! Kom je weer
met hetzelfde klaaglied van je ongeluk? Je weet toch
dat je gelooven moet in den Heere Jezus, en voorts ben
ik uitgepraat.
Ik ging heen. Thans was alles vernietigd. Ook door de
vromen was mii de deur gewezen! — De Satan wist van
deze gebeurtenissen gebruik te maken en fluisterde mij in;
"Waartoe nog langer te leven? En wederom: Alles hebt ge
-ocr page 23-
14
aangewend, alles wilt gij offeren, en het tegendeel vange-
lukkig te zijn, werd uw deel! Maak er maar een einde aan!
.... Maar ik had een goede vrouw, en twee lieve kinderen,
waaraan mijn hart gehecht was; wat moest er van hen
worden? — Neen! Dan nog maar liever, zij \'t ook heel
mijn leven door als een ellendige balling, door God en
menschen verworpen, om mijner zonde wil, wegkwijnen,
om te eindigen met ten verderve te gaan. Zoo kwam ik
mijne woning binnen. En nu in\' mijne ellende berusten?
Dit was onmogelijk. Als de gejaagdste mensch ter wereld,
werd mijn angstig hart vervolgd en steeds klonk het in
mijne ziel: Qyj vindt het nooit! Ten einde raad, moede en
mat, wierp ik mij zelf op mijne gewone zitplaats, bij de
tafel. Mijn bijbel lag voor mij, en meer uit wanhoop, die
elke bezigheid ter hand neemt om verademing te vinden,
dan om te lezen, en geheel werktuigelijk, sla ik den Bijbel
open. Ik begon ook in stilte te lezen: Komt allen tot Mij,
die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven!! —
Mijne oogen stonden stil. En \'t klonk mij in de ziel: Dat
heeft Jezus gezegd! — En toen was het imj, als sprak men
tot mij, als weleer tot den blinde: Sta op! Hij roept u —
......En in aanbidding zonk ik op mijne knieën, met de
aanroeping van den Naam des Heeren Jezus, smeekende
om de vervulling dezer woorden voor mijne zoo zwaarbe-
laste, en zoo zeer vermoeide ziel! En eeuwig bhjve deze
Naam erkend, als de oorzaak der oogenblikkelijke vreugde
welke mijn arm hart doorstroomde, door algeheele wegne-
ming mijner ellende en verdriet. ... Ik zag het: Jezus alleen
redt uit den nood. Hij is de van God gegeven Zaligmaker.
„Verlost!" — Ja, verlost uit de angsten der hel; verlost,
-ocr page 24-
15
door Jezus! En in heel mijn hart, en al mijne zinnen, werd
het mij duidelijk: Dit was de Vinger Gods. — Hij wees
mijne oogen en opende deze tegelijk, naar en voor Matth.
11 vers 28, waardoor ook mijne ziel het levenslicht aan-
schouwde, in den naam van Jezus. Door Hem was ik, hoewel
ik my dit toen nog niet bewust was, tot de gemeente des
Heeren Jezus ingelijfd. En was nu de strijd voleindigd? Voor
\'t oogenblik: ja. Doch het duurde niet lang, of vragen als
deze kwamen mij voor: Hoe kan God rechtvaardig zijn, en u
vergeving schenken? — En:... Als ge nu weer zondigt?
Hier zal ik echter niet op ingaan. Alleen nog dit: Ik had
verstaan: Jezus redt de verlorenen! En ook mijner heeft Hij
zich ontfermd. Volkomen was ik overtuigd het nooit gevon-
den te hebben, had Gods genadig bestier mij niet op Jezus
gewezen. En nooit zou daar voor mij rust zh\'n geweest, zoo
Jezus zich niet over mij had ontfermd. En wist ik ook al
niet veel van de leer, ik leefde, bij wat ik beleefd had, d. i.
de liefde van Jezus, ook aan mij geopenbaard. Mijn aandeel
met betrekking tot bestrijding bleef echter niet uit. Dikwijls
was dit zeer zwaar, doch nooit kon mij worden betwist,
dat Jezus ellendigen redt uit den nood. En leefde ook
mijne ziel geruimen tijd alleen als de krachten des Heili-
gen Geestes zich deden gevoelen, en verdween bijna ook
alle hoop als het gevoel verdween, een ding stond altijd
als een opgericht teeken voor myne oogen, namelijk: Mn\'
is ontferming wedervaren.
„Ontferming duizendmaal verbeurd," maar God heeft ook
wasdom gegeven. Hjj heeft mij verklaard, wat het zegt:
zondaar te wezen, evenals Hn\' mij leerde de beteekenis
van Jezus\' bloed, waardoor de genade Gods, krachtens Zijne
-ocr page 25-
16
rechtvaardigheid, den zondaar tegenstroomt. En de be-
lofte: Ik zal u den Trooster zenden, was ook voor mij
gekenmerkt met: Die zal u in alle waarheid leiden. Nooit
kon ik er toe komen, leerstellingen, door anderen gepre-
dikt, aan te nemen, of boeken van leerstelligen aard te
lezen. Geen kerk of merk had ooit voor mij eenige waarde.
De Bijbel, en daarin de persoon van Jezus als middel-
punt, is immer gebleven mijn eenige troost. En de ver-
breiding daarvan mijn eenig doel. Ik heb geleerd:
Geen naam op heel deez\' aarde,
Al klink\' hij nog zoo schoon,
Heeft Goddelijke waarde,
Dan die van \'s menschen Zoon.
Zjjn naam zal „Jezus" wezen,
Zoo klonk des Vaders stem,
En zalig die Hem vreezen
Geloovende in Hem.
-ocr page 26-
DE KWEEKSCHOOL.
Het woord des Heeren: Volg Mij! had weerklank in mijn
hart gevonden. Levende in de wereld, hoewel niet meer
van deze wereld, betuigde mijn hart en mond de onmoge-
lijkheid van zalig te worden, anders dan door de Genade
Gods, die Zijnen Eeniggeboorne als Eedder van verlorenen
had gegeven, en tot wien ieder zondaar zich biddend moest
wenden. Ziet wh\' worden om niet gerechtvaardigd, uit
Gods genade door de verlossing, welke in Christus Jezus
is, die een iegelijk verlost, die Zijnen naam aanroept,
was zoo diep in mijne ziel gegrift, en werd door mi] zoo
dikwerf besproken, dat weldra de ommekeer mijns levens
allerwegen bekend werd. Bespottingen en verwijtingen,
als rijpte ik voor Meerenberg, konden mij niet van mijn
stuk brengen. Ik wist maar al te goed: Jezus leeft in den
hemel, en heeft getoond mijn ontfermer te zyn, door de
openbaring Zijner waarheid in mijne ziel!
Al spoedig werd ik als lid der Vereeniging ter verbrei-
ding der waarheid ingeschreven en als medebestuurder
2
-ocr page 27-
18
aan deze vereeniging toegevoegd, \'t Was wel wat al te
streelend voor mijn zoo jong gemoed, onder zoovele oude-
ren van dagen als bestuurslid te fungeeren, doch ik wist:
Wat ik heb, en wat ik ben, werd ik door de liefde
van Jezus! — ik wist echter niet, dat deze functie m\\j
moest toebereiden tot de openbare optreding als Evange-
lieprediker. De taak, waarvoor men mij als medebestuurder
had gekozen, bestond in het terughalen van boekwerken,
ter lezing uit de bibliotheek afgegeven. Hierdoor nu werd
ik practisch opgeleid voor het doen van huisbezoek en dit
eenvoudig huisbezoek werd oorzaak, dat boodschap op bood-
schap tot mij kwam om kranken te bezoeken, eu bij begra-
fenisplechtigheden, als leidsman voor te gaan. De over-
heersching van het Modernisme in de kerk, en der onker-
kelyke volksklasse, in wier midden ik woonde, maakten
mijn arbeid gewenscht en noodzakelijk. Menigmaal heb ik
in dien tijd begeerd, mijn bedrijf als bakker vaarwel te
zeggen en dit te verwisselen met een grooten Bijbeltasch,
om eenig en alleen voor den naam des Heeren te werken.
Doch dit kwam nooit tot uitvoering, uit vreeze, daarin
zelf mijn weg te hebben gekozen. Intusschen werd door
getrouw bezoek der wekelijksche vergadering tot onder-
linge bijbelbespreking, mijne begeerte tot onderzoek der
Schriften zeer versterkt, dewyi ik er nooit toe over kon
gaan, de partij des eenen of des anderen te kiezen, tenzy
mij daarover licht opging, door den Bijbel zelve gegeven.
Mijn bedehuis was meestal een verborgen plek in het veld,
alwaar mijne ziel zich geheel alleen bezighield met het
Woord des Heeren en in uitstorting van al wat mij drukte.
Zoo gingen een paar jaren daarheen en: De vereeniging
-ocr page 28-
19
verkreeg van de Nederlandsche Evangelisch Protestantsche
vereeniging, den Heer D. "W. als haar Evangelist, tot
meerdere uitbreiding van haren werkkring. Dit was naar
mijn hart. Hij werd mij een warm vriend en \'t duurde
niet lang of de Zondagscholen breidden zich uit, en wat mij
bijzonder verblijdde: ik werd bij de openbare prediking tot
voorlezer, en voorzanger aangesteld. Zondagschoolonderwij-
zer te worden, o neen, daaraan viel voor mij niet te den-
ken en ik dacht er ook niet aan. De Heere dacht daar
echter anders over. Het gebeurde namelijk op zekeren
dag, dat een meisje, dat in onzen winkel kwam, door mijne
vrouw gevraagd werd: Gaat ge nog op de Zondagschool? en
ten antwoord gaf: Neen, dat is Zondag voor \'t laatst geweest.
De meester, een godsdienstonderwijzer in dienst der Moderne
kerk, zegt het is de moeite niet meer waard. Vroeger kwa-
men er wel honderd, maar nu slechts acht kinderen. Staande
voor mijn broodtrog, had ik dit gesprek afgeluisterd, en
sprak ik tot mij zelven: Neem gij nu die acht. — Doch
mijn hart bonsde. Zondagschoolonderwijzer! Hoe zult ge
dat doen ? In mijn verlegenheid sprak ik hierover met mijne
vrienden, die my kortweg antwoordden; Dit is van God,
dit moogt ge niet nalaten! — Aangezien ik er nog steeds
tegen opzag en dewijl het Kerstfeest naderde, verdaagde
ik de onderneming tot na de Kerstfeestviering, en tot de aan-
vang des Nieuwen Jaars. Dit zou worden Januari 1864.
Het achttal, wier namen mij waren opgegeven, werd door
mij opgezocht, en te mijnen huize genoodigd. Nooit zal
ik vergeten, hoelang het uur van mijn eerste Zondag-
schoolles mij duurde, en welke dikke Jzweetdruppelen mij,
hoewel het winter was, langs het aangezicht parelden. —
-ocr page 29-
20
Acht leerlingen! Doch ik had geleerd te bidden, en wist,
dat het hart des menschen woest en ledig was, gelijk
de aarde in den beginne. Ik begon mijne lessen met Gene-
sis 1. en wist, dat God alleen door Zijne stem leven en
vruchtbaarheid kon geven. Doch het scheen mij als werd
ik door een onbegrijpelijke macht weerhouden om weer te
geven, wat mij gewoonlijk geen moeite kostte. Geen vrien-
den of ouders der scholieren verkregen vrijheid de Zon-
dagschool bij te wonen. Ik blokte, zooals men dit noemt,
weldra zes avonden lang, en schreef, en bad tot voorbe-
reiding voor den Zondag met alle mogelijke inspanning.
En wie zich dit had durven voorstellen, ik in \'t minste
niet: mijn kamer moest weldra worden verwisseld met de
bakkerij, en kort daarop het getal in twee partijen worden
toegelaten, en bij \'t eerstkomende Kerstfeest mocht ik
reeds met een getal van 75 kinderen het Kerstfeest vieren,
\'t Was destyds gewoonte de leerlingen een soort van
examen af te nemen in tegenwoordigheid der ouders. Ik
had mijn volkje goed voorbereid, en de bijbelkennis mijner
scholieren scheen zoo uit te blinken, dat daarna tot drie-
maal schoolhouden moest worden besloten. Ik had intus-
schen mijne school gedoopt met den naam: Het Mosterd-
ziadje! Doch veeleer uit bewustheid der onbeduidendheid
diarvan, dan met de gedachte aan hetgeen de Heere
Jezus aan het Mosterdzaad in de gelijkenis verbindt. En
toch, waar kort daarop door mij ook op een der dagen
in de week eene school werd geopend, met name „de
Zendingschool," ten bate der zending, steeg het getal be-
zoekers tot p. m. driehonderd. Dank zij de genade des
Heere Jezus die mij met de school deed opgroeien, zoo in
-ocr page 30-
21
kennis, als in vrymoedigheid, en bovendien mij de gave
verleende, om de leerlingen niet slechts te beheerschen, maar
ook aan mn\'ne lippen te doen hangen, zooals men dit
noemt. Tot heden moet ik altijd in de Zondagschool wezen,
want de kinderen willen er mvj hebben, hoewel zij zonder
uitzondering voor my achting en ontzag bezitten. . . . Doch
ziet opeens betrekt de lucht. De storm breekt los en de
kille regendroppelen banen zich een weg naar beneên, en
allen, die zoo even daar rustig hunnen weg gingen, spatten
uiteen, om weldra, elk in zijn eigen hoekje, met zeer on-
aangenaam gevoel neder te zitten. Zoo werd het in onze
vereeniging! — En \'t slot van deze uiteenspatting werd
de wegneming van onzen Evangelist en zijne verplaatsing
naar eene andere stad. Wat moesten wij nu met de catechi-
santen beginnen ? Zie, dit werd een der eerste vragen, welke
daarop door het bestuur aan de orde werden gesteld. Ja!
Wat zullen wij daarmede aanvangen? — Al aanstonds
kwam het voorstel: Breet wordt zonder examen tot dit
werk aangesteld. Allen waren van oordeel, dat het hem
wel toevertrouwd was. Bij al de schuchterheid m^ns har-
ten, om mg ergens voor te geven, heb ik nooit durven of
kunnen weigeren, wanneer men mij tot eenige taak opriep,
zoodat ik ook thans met een hoofdknik en een stil gemoed,
deze benoeming aannam. Daar breekt de eerste Vrijdag-
avond voor dien arbeid bestemd voor mij aan, doch ik be-
zat geen horloge! — En ik moest driemaal catechiseeren!
Of liever ik bezat wel een horloge, doch \'t wilde sinds jaar
en dag niet loopen. \'t Was zes uur, en half zeven zouden
de eersten komen; ik ging er dus heen. Ik kon wel gissen,
dat het zoo ongeveer half zeven was en nadat ik de wyzers
-ocr page 31-
•22
aldus geplaatst had, opende ik deze eerste catechisatie
met gebed en vroeg daarbij ook, dat de Heer mijn horloge
zou doen loopen, al was het maar tot half tien, opdat alles
in orde kon geschieden. Toen ik gebeden had, liep mijn
uurwerk en het liep tot half tien. Dat deze ervaring mij
sterkte in de overtuiging, dat het goed was, ook in de
oogen des Heeren, dat ik dit werk aanvaard had, laat zich
zeer zeker verstaan en zal hen duidelijk zijn, die rekening
houden met de vraag: Wat wilt gij Heer e dat ik doen zal?
\'t Was mij in hooge mate een oorzaak van groote blijdschap.
\'t Kwam mij echter voor, dat het verstandig zou zijn,
om mijn uurwerk tot herstel aan een deskundige te over-
handigen, want ik mocht geene wondermacht des Heeren
vragen, waar de natuurlijke weg bestond. Maar helaas!..
\'t werd vergeten, tot de Vrijdag mij verraste. Plotseling
kwam ik tot bezinnen, maar te laat, om het verzuim goed
te maken, \'t Werd wederom avond, de klok gaf zes slagen,
ik moest de wandeltocht weer ondernemen. Ik ging, en
hoewel met beschaamdheid omtrent mijn verzuim, stak ik
mijn uurwerk dat nog op half tien stond weer in den zak.
Bij aankomst ter rechter plaatse zette ik, hoewel zeer
beschroomd, den wijzer op half zeven, en bad den Heere, als
de vorige week, het horloge te doen loopen, al was het
ook ditmaal slechts tot half tien.
O goedheid Gods nooit recht geprezen: na het amen te
hebben uitgesproken, liep het uurwerk, en het liep tot half
tien. — Doch toen heb ik het onverwijld voor een dat beter
liep verruild, en loofde Gods genade ook in deze zoo verblijden»
de gebeurtenis. Waar ik met vrijmoedigheid tot den Heer
gegaan was en Hem om gaven tot de uitvoering van dezen.
-ocr page 32-
23
arbeid gesmeekt had, was ik daartoe door Hem met kracht
aangegord geworden, en naar ik in vele jongelieden kon
bemerken, was dit catechiseeren hun tot grooten zegen.
Doch met dit al, er bleef veel van den vroegeren Evan-
gelisatiearbeid ongedaan, \'t Bestuur der Vereeniging oor-
deelde dan ook, dat het noodig was, eene anderen Evangelist
aan te stellen. En hiertoe meldden zich, na gedane oproeping,
tal van bereidvaardige personen, die zich Evangelist of cate-
chiseermeesters noemden aan. Proefpreeken werden door en-
kelen geleverd. En hoewel zeer tegen mijn advies werd
besloten, de keuze te doen vallen op zekeren Heer G. welke be-
halve Evangelist, geëxamineerd godsdienstonderwijzer was.
Waarlijk het was mij tot diepe smart, mijne met blijdschap
gedanen arbeid als catechiseermeester weer te moeten over-
geven, doch het kon niet anders. Hij was de man! Ik slechts
de noodhulp. En weldra brak dan ook het oogenblik aan,
dat ik geroepen was, den Heer G. het jonge volk voor te
stellen en afscheid in dezen, van hen te nemen. Metleede
oogen zag ik hen aan, dewijl ik zeker meende te zijn, in
dezen heer vergeefs te zoeken, niet alleen naar den Evan-
gelist, maar ook naar den uit God geborene, \'t Kwam my
voor, dat hier slechts rechtzinnigheid in de leer en behoefte
aan broodwinning gevonden werd. — Alweer pakten de
wolken zich saam, en onheilspellend deed zich het groot
geruisch der ontevredenheid in onze vereeniging hooren.
De Evangelist wierf lid bij lid ter uitbreiding der vereeni-
ging, en bovendien een talrijk gehoor bij zijne prediking.
Hij werd spoedig de gevierde man. Toch bleven enkelen
onvoldaan, en deze brachten tal van klachten, over zn\'ne pre-
diking, en omtrent \'s mans doen, bij bezoeken aan huis,
-ocr page 33-
24
aan myn adres. Natuurlyk was ik ook zelven een geregeld
bezoeker zijner prediking. Immers ik was voorzanger!
En mijn geweten drong my\\ tegen een arbeider als deze
te protesteeren. Ik heb toen voorgesteld: Ontsla den man,
doch met behoud van zijn traktement. Gij hebt gekozen,
en gy moet dus boeten, en niet hij. Ik zal met u lijden,
en hulpe verleenen tot \'s mans onderhoud, en bovendien
een gulden per week bijdragen voor een Godvreezend Evan-
gelist. Doch hoezeer ik het verkeerde van \'s mans prediking
en leven aantoonde, \'t was alles vergeefsch. En hoewel ik
sedert jaren een gewaardeerd medearbeider was, werd ik
toen, zoowel by bestuurders als bij leden, een zwartgallig
rebelmaker. Er werd een geheime raad gehouden, en met
meerderheid van stemmen, die men bijeenverzameld had
werd \'t oordeel geveld, \'t Was juist op den zoogenaamden
witten Donderdag, en trots een ingekomen brief, van toe
te zien, om denzelfden avond, waarin de Joodsche Raad
zitting had gehouden tot veroordeeling des Heeren Jezus,
tot veroordeeling over te gaan, werd besloten! . . . . Den
altijd beminden en immer begeerden C. Breet Azn. de ver-
eeniging uit te werpen, met kennisgeving, dat de toegang
tot het Evangelisatie lokaal hem werd ontzegd, dat het hem
verboden was om op de onderlinge vergaderingen voor te
gaan, en om in het lokaal school te houden voor de zending.
\'t Was Maandag, en hoewel door den bestaanden strijd
niet zonder ontroering des harten, zag ik toch verlangend,
naar den avond der onderlinge bijbelbespreking uit! De beurt
tot voorgaan was aan mij, en daarom waren mijne over-
leggingen bij uitsluiting van alle andere zaken, gevestigd op
het onderwerp, dat bij volgorde zou worden gelezen . . .!
-ocr page 34-
25
Doch daar kwam een brief! .... Ik opende hem en waar-
ïyk \'t was mij. als werd ik door een onweder getroffen.
Geteekend door een der bestuurders der vereeniging terwijl
de inhoud was: Uitgestooten uit de vereeniging. Waar-
ln\'k ik zweeg, als had ik mijn vader verloren, en hoe ook
overtuigd niets gewild te hebben, dan des Heeren wil, en
\'t heil der naasten, was het mij als was ik hierdoor tot
werkeloosheid gedoemd, en grootendeels voor \'t publiek
onteerd. — Sinds vijf jaren zocht men op Maandagavond
naar mij tevergeefs in mijne woning, doch nu, daartoe
gedwongen, zat ik zeer weemoedig, en in gevoel van ver-
latenheid, alleen te huis. Ik gevoelde mij ongelukkig in de
werkeloosheid waartoe ik, uitgenomen mijne Zondagschool
•en de zieken, die mij lieten roepen, veroordeeld was. Mij,
verzetten tegen zulk een wreed besluit, dat wilde er bjj
mij niet in, en daarom werd dien avond de somberste voorstel-
ling meester over mijne gedachten. Ik zag dan ook verlangend
uit naar de tehuiskomst van mijn knecht, opdat wij dezen
langdurigen, en vreemden, maar ook verdrietigen avond, door
nachtrust zouden kunnen vervangen. Gods weg is in de zee! en
Zijn pad in groote wateren, en Z\\jne voetstappen werden niet
bekend. O, hoe werd ik dit gewaar, nog in dezen avond.
Toen z\\j hem uitgeworpen hadden, vond hem Jezus, werd
ook jegens my, nog voor den nacht, zoo klaar als de zon! —
Myn kweekschool had ik doorgeloopen en nog een andere
wachtte mij, hoewel ik de voetstappen Gods niet bemerkte.
Ik moest deze vereeniging verlaten, en daardoor tot den
.arbeid gebracht worden, waartoe God my wilde roepen, en
wat naar den mensch, nooit in de vereeniging aan m\\) zou
vergund zyn geworden.
-ocr page 35-
26
Doch ter zake. Mijn knecht komt thuis, en begint met
te zeggen: Zou hiernaast iemand gestorven zijn? Alles is
reeds gesloten. Wij wisten daar niets van, en toch \'t was
ongetwijfeld iets vreemds, dewijl dit huis een bordeel was,
dat gewoonlijk tot in den nacht verlicht was. Ik ging naar
buiten, bezag het en ging ook weer naar binnen. Mijne ge-
dachten veranderden, mijn leed werd vergeten, en \'t naar
bed gaan, was voor mij nog niet mogelijk. Alleen ver-
vulde mij het woord: Gaat daar heen! — Toch durfde ik
niet, het was immers een bordeel met al zijn toebehooren.
Zou ik dan maar ter ruste gaan ? — Ja, ik wilde dit wel,
doch de uitvoering was mij onmogelijk. Eindelijk na lang
dralen, en tal van redeneeringen, zou ik dan toch maar
gaan! De achterdeur was mij de verkieselijkste. Maar wat
moest ik er doen? Ik wist hierop geen antwoord te geven.
Ik gevoelde slechts dat ik er heen moest gaan! — En ge-
wapend met een nieuw testament, trad ik de deur biddend
te gemoet. Op mijn zeer schroomvallig kloppen volgde een
diep stilzwijgen. Hoe gelukkig. Ik had mijn geweten bevre-
digd, en kon huiswaarts keeren. Als ontlast van een zwaren
steen, die op mijn hart lag, was ik spoedig weer in mijn
kamer. En nu ter nachtrust. — Doch \'t ging niet. Het zwaar
verwijt van zoo weinig moeite te hebben gedaan, om binnen
gelaten te worden, deed mij \'t hart als in de keel kloppen.
"Wee mij, zoo ik niet nog eens beproefde binnen gelaten te
worden. Ik moest en ik ging en klopte met vrijmoedigheid
aan de deur! Wie is daar? luidde met forsche stem het
antwoord van binnen! — Uw buurman zoo liet mijne stem
zich hooren! — En wederom was de vraag: Welke buur-
man? Uw buurman Breet! — En de deur werd ontgren-
-ocr page 36-
27
deld. Ik trad binnen, en de deur werd wederom gesloten.
Ook hier werd waar: God baande door de woeste baren
en breede stroomen mij een pad, en na het leed van den
vóóravond klonk het: Daar rees Zijn lof op stem en snaren,
nadat Hij mij beveiligd, en ook gezegend had. — Mh\'ne
operatie werd aangevangen, door de vraag? Is hier iemand
gestorven ? — Neen mijnheer! zoo antwoordde de nog jeug-
dige waardin, dat niet, maar ach ziet u, ik zeg maar op
zulk een affaire rust toch geen zegen! — ik bemerkte dat
deze lieden, hoe gewillig zij ook waren mij binnen te laten
toch met mij opgescheept waren, en een ietwat vrome
vertooning, achtte het moedertje zeker de beste weg, om
tegen over mij in te slaan. Zegen! op zulk een affaire ! Nu
dat was mij een uitstekend onderwerp. Ik had bij mijn vele
nachtelijken arbeid in de bakkerij zooveel gehoord en
gezien, achter en voor van het leven mijner buren, dat
het mij volstrekt niet zwaar viel, hunnen arbeid te tee-
kenen met sprekende gelijkenis, en waar ik de zwartste
kleuren koos, bij de vergelijking van Gods Heilig wezen,
en hun beider nog jeugdig leven, barstten man en vrouw,
(ik zag niemand anders) in heete tranen los, terwijl zij met
angst op het gelaat uitriepen: O mijnheer, wat moeten wij
beginnen? Ik nam een stoel, schikte bij de tafel, en noodigde
den man des huizes, welke nog steeds als op zijn plaats
genageld stond, om bij te schikken. Daarop haalde ik
mijn Nieuw Testament voor den dag, en stelde hun voor
naar het lezen van een kort verhaal daaruit te luisteren.
Wie zou zich zoo iets gedacht hebben? Ik had nu toch
de leiding der bijbelbespreking en ook in denzelfden avond,
al was het dan ook op geheel andere plaats, en by geheel
-ocr page 37-
28
andere menschen! — Ik begon te lezen, en wel wat ieder
in deze omstandigheid gekozen zou hebben, die weet wat
het zeggen wil, als zondaar aan Jezus\' voeten te hebben
geweend: de geschiedenis van Maria Magdalena uit Lukas
zeven en \'t woord: Vrouw, ga heen in vrede, uwe zonden
zijn u vergeven, uw geloof heeft u behouden! werd met
luid snikken aangehoord. Na een korte toespraak over de
vrouw, uit welke zeven duivelen waren uitgeworpen; haar
diep berouw, en den rijkdom der genade van Jezus den Heere,
besloot ik met bij dit echtpaar er sterk op aan te dringen,
om dit werk der hel prijs te geven, en in dit zelfde huis, waar
zooveel kwaads was bedreven, voor Jezus neder te knielen,
hunne gruwelen te belijden, en Hem te smeeken om verge-
ving hunner zonden en om voorziening hunner levensbehoef-
ten, op beteren weg.
Inmiddels was het zeer laat geworden, zelfs diep in den nacht
en na vurig gebed en met achterlating van mh\'n Nieuw
Testament, keerde ik bovenmate verblijd in mijne woning
terug. Alle leed was verbannen, en had plaats gemaakt
voor de vaste overtuiging: Niet gebonden; niet tot werke-
loosheid gedoemd en zij het ook bij de menschen veracht,
en verworpen, bij God toch uitverkoren, en om Jezus\' wil
ook dierbaar. Weldra begaf ik mij nu ter ruste, en ik sliep,
terwijl mijne buren waakten, en eer ik nog ontwaakte
uit den slaap, wekte mij mijne vrouw, die reeds vroeg was
opgestaan met den uitroep: Breet 1! .... Ze zijn al aan
\'t verhuizen. Jawel, ze zijn er als uitgevlucht. Spoedig
vonden zij een ledigstaand huis, en aanstonds liep de man
langs de straten, om door den verkoop van boter en eie-
ren in hun onderhoud te voorzien. Later zijn deze lieden
-ocr page 38-
29
onze plaats gaan verlaten, en verloor ik hen uit het oog,
doch ik vernam, dat de man een vaste betrekking had ge-
vonden, op een fabriek in een onzer steden. Een vriend
van bordeelhouders enz. neen, dat was ik niet, hoewel dit
volk mij toch zeer groote achting toedroeg. Men moet na-
melijk weten, dat op het p. m. honderd meter lange grachtje
zeven bordeelen gevonden werden, en een logement, waar-
tusschen onze woning gelegen was, zoodat de vermelde
geschiedenis, en mijne bemoeienissen in dezen, niet lang
verborgen bleven, en heel wat besprekingen omtrent dit
voorval, door de buren werden gehouden. Bovendien plaatste
ik voor mijn vensterraam, een opengeslagen Bijbel, met
wit geschilderd bordje, waarop met roode letters:
Zegt mij mijn vriend,
Ziet gij mij niet? —
Ik sta hier al zoo lang
en \'k bied
VJ \'t heil des Hemels
aan, om niet.
Kom koopt en onderzoekt
mij dan?
En zoo men niet betalen kan
Zegt wis mijn meester; daar! — korban.
„Onderteekend" de bijbel.
en waar dit volk bij dag zich dikwyls verveelde en rond-
liep, bleven zij niet zelden stilstaan, om \'t schriftgedeelte,
door mij opengeslagen, te lezen, \'t Gebeurde zelfs eenmaal,
dat een dier lieden in \'t hartje van den nacht mn\' opklopte
uit den slaap, en dewyl hij, zoo hij zeide, geen geld had,
mij vroeg om een bijbel. Wakker genoeg zijnde om mijne
-ocr page 39-
30
gedachten tot mijn dienst te hebben, bezon ik mij een trac-
taat te bezitten, waarvan de inhoud alle ellende uiteen-
zette, die uit bedwelmde dranken voortvloeien, \'t Was spoe-
dig bij de hand, en voor zijn verzoek werd ingewilligd, las
ik hem dit tractaatje voor. Daarna gaf ik hem een Nieuw
Testament, hoewel ik zeer goed bemerkte, dat hij afgevaar-
digd was om mij eens beet te nemen. Ik liet hem daarom
niet gaan zonder de noodige raadgevingen en vermanin-
gen. — Na zijn vertrek kleedde ik mij wat aan en aanstonds
stond ik met luisterende ooren voor het bordeel, vanwaar
hij gekomen was, en jawel, daar stond de held van het
stuk op het orkest, en las met forsche stem \'t een en an-
der voor. \'t "Was mij goed, te mogen weten: Het zal doen
wat God behaagt. En ik keerde huiswaarts. Dit Nieuw
Testament vond ik twintig jaren later geheel ongedacht by
een weduwvrouw weer. Ik bezocht namelijk een oude vrouw,
en deed de vraag: Heeft u een Bijbel? En \'t antwoord
luidde: Ja wel mijnheer, en O, daar ben ik zoo aan gehecht,
want weet u, mijn man, (het is al jaren geleden) kwam
eens op een nacht thuis, en bracht dien bijbel, en een erg
mooi tractaatje over den drank mee. Hij is nu reeds lang
niet meer, maar dit blijft mij steeds een gedachtenis. Hoe
mijn man aan dit bijbeltje kwam weet ik niet, maar veel
heeft hij daarin gelezen. Ik vroeg haar: Was uw man vroe-
ger muzikant in een der bordeelen bij de brug? Ja wel
mijnheer! Nu, dan staat hier de man voor u, die hem dit ter
hand stelde, en die zich gelukkig acht iets omtrent dit boek
te vernemen. Zoo vond ik werk, en het groot getal scho-
lieren van de Zondag- en zendingschool noopte mij weldra
eenige toebereidselen te maken voor het naderende Kerstfeest.
-ocr page 40-
31
Waar zal dit gevierd worden, was N° 1 mijner vragen.
In myne woning? Neen, dat kan niet. Ik overwon mij
zelven, en verzocht het bestuur der Vereeniging, dat mij
had uitgeworpen, met hen in vereeniging evenals voor-
heen, het kerstfeest met mijne kinderen in hun locaal te
mogen vieren, doch verkreeg tot antwoord: Als gij thuis
blijft, moogt gij uwe kinderen doen komen! — Dat ik hier
voor bedankte begrijpt zeker ieder. Nu kwam de gedachte bij
mij op: breek den muur weg, welke de bakkerij van de kamer
scheidt, en bouw dan een galerij in de bakkerij, en dan
kan het wel. En \'t duurde dan ook maar kort, of de muur lag
onderst boven, en twee draaiende glasramen, namen de open
plaats weder in, zoodat er vrij wat ruimte was gewonnen.
Maar nu de galerij. Dit kon ik niet in orde krijgen. De
gevaren daaraan verbonden brachten mij daarvan terug.
Naar den zolder dan? — Maar het graan? en het meel? —
Kom, dacht ik, pak maar aan; en alles werd in zakken
geschept, naar beneden gebracht, en opgestapeld, waar
maar een plekje open was. Al spoedig was de geheele op-
pervlakte ontruimd, en had ik zeventig vierkante meters
beschikbaar voor onze feestviering. Banken timmeren, de
hanebalken omwinden met vlaggendoek, het dakbeschot
bespijkeren met groene takken, en het plaatsen van een den-
neboom was \'t werk van een oogenblik. Ter voorkoming van
ongelukken, werden alle kinderen, als zoovele brooden, van
den een aan den ander over gereikt en naar boven gescho-
ten. Opgepakt als haring in de ton, en in zeer heete atmos-
feer, maar toch ook met opgewekt gemoed, vierden wh\'
feest. Een feest ter gedachtenis aan de Genade Gods, in de
geboorte van Jezus zoo ryk geopenbaard. Zoo doorliep ik,
-ocr page 41-
82
na eerst mijne theoretische lessen in het midden van vele
vrienden te hebben ontvangen, ook de school der prack-
tijk en leerde mij te behelpen, in de uitvoering van al-
les wat de uitbreiding van het rijk des Heeren Jezus
kon bevorderen. Toch gevoelde ik de noodzakelijkheid
van een eigen lokaal. Een klein houten gebouw zou
naar \'t mij voorkwam voldoende zijn. Dit kon op een
hoekje grond achter mijn woning worden gebouwd,, en
de Brandsteeg kon daarheen toegang verleenen. Maar
dit vereischte geld, en daar ik dit niet bezat, en een groote
vijand was van schulden maken, kwam mij dit plan
zeer bedenkelijk voor, en ik twijfelde, of het wel ooit zou
worden verkregen, \'t Was voorjaar. De houtaanvoer uit
Noorwegen werd gaandeweg meer en meer overvloedig.
Ik kon, zoo stelde ik mij voor, toch wel wat Noorsch
hout koopen! Misschien dat later ook nog het ontbrekende
werd verkregen. Een vijftig gulden zouden wel uit mijn
zaak gelicht kunnen worden. En aanstonds riep ik daarom
een gewonen houtsjouwer en zei: Jongen, als je eens een
bovenlastje hout kunt koopen, moest je mij waarschuwen,
want daar heb ik behoefte aan. Na ter nauwernood in de
tusschentijd gegeten te hebben, verscheen de sjouwerman
en riep mij toe: „Baas, ik heb 12 tuit *) voor je!" Dit wa-
ren alzoo honderd vier en veertig deelen. „Ze kosten acht
en veertig gulden," ging hij voort. „Doch ge moet ze zelf
uit het kanaal naar uw erf vervoeren." \'t "Was niet te
duur, naar onze schatting, zoodat ze gekocht werden, en
aanstonds ging ik aan \'t sleepen en sjouwen, \'t Was
\') Tuit is een dozijn.
-ocr page 42-
33
voor mij dezen avond nog meer dan gewoonlijk waar: na
gedaan werk is \'t goed rusten. Doch wie beschrijft myn
verwondering. Daar komt een vriend tot mij en legt een
banknoot van honderd gulden voor mij op tafel, \'t Was een
metselaarsknecht, en \'t kon dus van hem niet zijn! — Van-
waar dan en waarvoor? „Ik ben" zoo zeide mijn vriend,
„vandaag op karwei geweest bij Mejuffrouw K. en zoo
even vroeg zij mij, of ik ook wist wat Breet wou beginnen,
dewijl zij u aan \'t hout sjouwen had gezien. Toen heb ik ge-
zegd, dat ge een lokaaltje wildet bouwen voor de Zondagschool,
en Bijbellezing voor het volk. Zij vond dit zoo goed, dat ze
mij vroeg, u, daarvoor deze honderd gulden ter hand te
stellen. Ge moet maar spoedig maken, dat het klaar komt,
heeft ze mij gezegd." \'t Geld werd door mij gebor-
gen en ik dankte God, doch was met het geval ver-
legen, vooral met dat „maakt wat spoed." Want ik wist
zeer goed, dat 6 a 700 gulden noodig waren en ik had ze
niet. Ik sprak daarom tot mij zelf: \'t heeft den tijd wel
.... Ja zoo dacht ik, hoewel de gedachten des Hee-
ren anders waren. Twee, drie weken waren voorbijge-
gaan en daar kwam weder een bode met het bericht: „Hier
is ƒ100 van Mej. K. en waarom u nog niet zijt be-
gonnen met bouwen? Thans werd ik werkelijk in het
nauw gebracht. Ik had wel eens gehoord, dat men zoo
iets in \'t geloof kon doen, doch met dat al moest ik
toch al wat ik kocht, en liet werken, betalen. Ik had van
zulk geloof nog nooit iets in den bijbel gevonden. Daarom
werd het geld geborgen, en de aanvang verdaagd. Wat zou
ik doen ? Eindelijk viel mij iets in. Vraagt uw vriend en
broeder Ds. H. om voor u een circulaire op te stel-
3
\'
-ocr page 43-
34
len, en daarbij een woord van aanbeveling te schrijven,
en dan zal de rest van \'t geld wel komen. Doch \'t gebeurde
zoo niet. Ds. H. weigerde mijn verzoek en wel omreden,
hij geen aanstoot wilde geven, daar hij zoodanig verzoek
reeds aan velen geweigerd had en bovendien was ik de
persoon, met wien de arbeid stond en viel, ik stond geheel
op mij zelf en daarvoor zou toch geen geld worden gegeven.
Gelukkig voor mij, ja, nog zij de dag gezegend, waarop
deze weigering mij gewerd. Want al de strijd, die mij
wachtte en mij nu nog gansch onbekend was, zou alleen ge-
trotseerd kunnen worden, waar niets dan Gods eigen bestier
het kenmerk bleef der roeping, waartoe de Heere mij
roepen zou! Nog eenige dagen gingen voorbij, daar komt
nog eens een afgezant van Mej. K. Nu nog niet aan \'t
bouwen? Neen. — Dan moest ik u deze honderd gulden
geven, doch dan moet u beginnen! — Ik wilde niets belo-
ven. Dit durfde ik niet, maar ik bad den Heer om raad.
Een zekere drang om het werk maar aan te beste-
den vervulde mijn hart, doch vanwaar ik de ontbrekende
drie a vier honderd gulden zou bekomen, bleef mü een
raadsel. Toch was mij, om \'t zoo te noemen, het vuur zoo
na aan de schenen gelegd, dat eindelijk, hoewel met beving,
het besluit werd genomen, het lokaal te doen bouwen. Het
werk werd aangevangen. De grond, waarop een turfloodsje
stond, werd ontruimd, en spoedig werd een steenen fun-
deering gelegd.
Somwijlen brak het zweet mij door alle poriën heen, het
werk ging zoo snel vooruit, en waar bleef het geld? —
O, \'t was mij als David, waar hij zegt: Hierbij zal ik weten
dat gij, o Heer, lust aan mij hebt, zoo mijn vyand over
-ocr page 44-
85
my niet zal juichen! - Ik smeekte: Ach Heer, geef nu
uitkomst, en de uitkomst liet zich niet wachten. Neen, ze
was alreeds gekomen, doch hoe? Een koopman in meel,
had er bij mij op aangedrongen een meelsoort te koopen,
die niet tot den gewonen handel behoorde. Het was het zooge-
naamde witte grind, overschot uit een vermicellifabriek.
\'t Kostte weinig geld, \'t was zonder belasting, en van
uitstekenden bakaard en tal van aanbevelingen meer. Ik
wilde er eerst niets van hooren. Doch de koopman zeide,
het valt zelden voor, en ik wil daar niet overal mede ven-
ten; u weet nog al voor alles raad, probeer het eens!
Ten slotte liet ik mij bepraten, en een proefbaal van 100
K. G. kwam op den zolder, \'t Geleek wel wat op de
korenzakken, van vader Jacobs zonen. Ik deed den zak niet
aanstonds open en vond daarom ook niets. Ook was er geen
geld in. En toch al de kosten van het lokaal kwamen er
uit te voorschijn. Wij telden de zevende maand des jaars;
\'t was warm, en de zakken met meel moesten worden
gekeerd, ook deze „vreemdeling" kwam aan de beurt, en
\'t verbaasde mij zeer, toen ik tot de ontdekking kwam,
dat het meel in dien zak zou gaan broeien! — Dat is op weg
om te bederven, zeide ik en nu heb ik te kiezen, een van
twee, onverwijld verwerken of schade lijden. Natuurljjk
werd het eerste gekozen. Waarlijk, de koopman had gelijk.
Het meel bezat goede eigenschappen en met zware winst-
berekening, kon een groot en flink brood voor weinig geld
worden aangeboden. Zóó gretig als dit brood bij honderd-
tallen per dag werd weggehaald, hebben wy \'t nooit weer
beleefd. Duizend, na duizend kilo\'s werden verwerkt, een
flinke som gelds werd daarmede verdiend, en ... \'t lokaal
-ocr page 45-
36
kon bij oplevering tot op een cent toe betaald worden, terwijl
voldoende voor leeftocht werd overgehouden.
Zóó was het verloop en zóó moest het ook wezen. Want,
zoo ik niet had kunnen gelooven, dat Gods gunst en hulpe,
mij tot den arbeid gesterkt had, ik ware gewis in den strijd
bezweken. — Het is mij bekend geworden, dat de duivel
zeer tegen mijn arbeid gekant was, en alles verzon wat
hij kon, om het volk van mij terug te houden, of waar
hij dit niet kon mij uit te schilderen, als had ik hoornen
op mijn voorhoofd. Toch werd duizenden malen mijn moed
gesterkt door de haat, die de Satan mij toedroeg. Die
haat zeide mij: Er is meer goeds in uw arbeid, dan ge
denkt, want anders liet de Satan u wel begaan. — \'t Was
dan ook Gods bestierende hand, waardoor dit lokaaltje, met
stoelen en banken bezet, van zangboeken en bijbels voor-
zien, tot den dienst in gereedheid was gekomen. Dit werd
inzonderheid hierdoor bevestigd, dat toen \'t lokaal gereed
en ook betaald was, ook het meel op was. En nooit heb\'
ik dit meel, trots alle aangewende pogingen, weder kunnen
bekomen. Een flink bord, waarop met groote letters:
TOT HEIL DES VOLKS!
en leesbaar van den openbaren weg, kondigde aan, dat alle
dingen gereed waren.
Duizend aantrekkelijke uitnoodigingskaarten die behalve
eenige bijbelteksten als lijstwerk langs de randen in hun
midden het versje bevatten:
Kom! en zie de plaats is vrij!
Hoor! — Dat zoo voor u als mjj,
-ocr page 46-
37
\'t Lam van fiod aan \'t kruishout stierf
En ons oeuwig heil verwierf! —
•werden persoonlijk door mij rondgedeeld. De dag van toe-
wijding aan den Heer, was bepaald op den 249te October
1869. Die dag werd door mh\' met zeer groote zwaarmoedig-
heid te gemoet gezien. Op mijne uitnoodigingskaarten was
medegedeeld, dat eiken Zondagmorgen, en eiken Donderdag-
avond door mij het Evangelie van Gods genade verkondigd
zou worden. Mijne vreeze dacht ik weg te nemen, door
Ds. H. te vragen, de inwijding op zich te nemen. Bij stil en
ernstig nadenken bemerkte ik echter, dat dit zoo\'n soort
Jona\'s vlucht was, en al was het ook maar voor eenen keer,
ik deed het, om mij aan het werk te onttrekken. Daarom
dwong ik mij zelven, dit niet te doen, en den Heer aan te
roepen om gaven en krachten, en wegneming van mijnen
innerlijken strijd, en schrikbarende vrees. — Ik had nooit
gepredikt, en een soort van preek op te schrijven, dat
wilde er bij mij niet in. In den naam des Heeren moest het
werk aanvaard worden. Maar! En wederom: Maar! en zoo
brak de Zaterdag aan, die den Zondag van 24 Oct. vooraf-
ging. Ik had dien dag zooveel arbeid, dat eerst \'s avonds
om 12 uur, nog eens kon worden nagezien of elke stoel
zich wel op zijne plaats bevond. Alles klaar, maar nu de aan-
vaarding van den arbeid.
Een vurig gebed ontlastte mijn bang gemoed. Ik smeekte:
Heere Jezus! "Waarmede moet ik beginnen. Ach, verlaat
mij niet. Een oogenblik achtte ik mij gelukkig, toen de
woorden van Cornelius in Handelingen 10: „Wij zijn dan
.allen hier tegenwoordig voor God, om te hooren, wat God u
bevolen heeft," my als openingswoord in het hart gegeven
-ocr page 47-
38
werden, om daarna over te gaan tot prediking naar aanlei-
ding van het woord: Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat
Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een
iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige
leven hebbe. Joh. 3: 16. Doch het was ook slechts voor
één oogenblik. Mijne gedachten, ik zou zeggen mijn hart
verliet mij. Mijn zenuwen, waar ik toch gewoonlijk veel
van te lijden had, overmeesterden mij, en denken was mij
totaal onmogelijk. Als ik nu eens steken bleef, wat dan?
Als ik daaraan dacht, werd mijn gemoed hevig geschokt.
Zoo, ging ik ter ruste. Maar neen, ik kon rusten, noch slapen,
en telkens weerklonk het in mijn hart: „Wat zijt gij be-
gonnen ?"
Meer dan mijne pen kan beschrijven was het, alsof alle
duivels uit de Hel op de been waren, om mij te verpiet-
teren. En tal van verwijtingen, en de voorspelling van mijn
ondergang, doorkruisten mijne bange ziel, tot ik eindelijk,
mij zelven er maar aan zou geven, hoe het ook zou toe-
gaan. Alles, en daarbij ook dit besluit, was slechts van
korten duur, en storm op storm, woedde den ganschen nacht
tot dat de tijd mij riep om op te staan, ten einde mij tot
den arbeid te schikken.
Maar ach! Ik was werkelijk ziek, lichamelijk krank.
Krank door afmatting, doch veel meer door den bangen
strijd en ik moest weer naar mijn bed. Ik kon niet op
mijn beenen staan, \'t Was mijn laatste examen, om de les
te leeren: Stel alleen op Jezus uw hoop. Maar ik wist
dit niet. Daar lag ik weder, tot negen klokslagen mij kwa-
men zeggen: haast u! — Wederom stond ik op, en met
moeite kleedde ik mij aan. Ik gevoelde mij juist zoo, zoo
-ocr page 48-
39
al niet erger, als toen ik naar ruste zocht en Jezus nog
niet kende. Letterlijk vernietigd in mijzelven.
De poort, die toegang gaf tot het lokaal werd geopend,
er gingen tamelijk veel bezoekers naar binnen. Zwoegend,
met langzamen tred, en doodsbleek ging ook ik derwaarts.
Daar stond ik. De eenige vriend die mij hielp las Johannes
3. Alles was één ernst, en ademloos stil.....En ik be-
zweek van vreeze. Ik liep de katheder af, en ging naar
mijne kamer. Even stond ik stil. De klok gaf tien slagen.
Het zweet brak mi] overal de ledematen uit, en ik zeide:
O God, ze wachten mij, beschaam mij niet. En wederom
ging ik henen. Direct opende zich mijn mond, met de
woorden: Laat ons bidden. ... En \'t was, of de duivel geen
tijd had kunnen vinden mij nogmaals met angstige gedach-
ten te verschrikken. De Heere gaf mij te bidden, en deed
alles van mij weg, met betrekking tot mijzelve, zoo dat
na \'t amen te hebben uitgesproken, en nadat wii samen
een psalmvers gezongen hadden, mijne mond zich opende,
met de woorden: Wh\' zyn dan nu allen hier tegenwoordig
voor God, om te hooren, wat God u bevolen heeft. Mij
zelven was ik kwijt, en alleen vervuld met de verantwoor-
delijkheid zoowel van de hoorders, als van den spreker.
Het vroohjk lied: ik was uitgeteerd, maar God zag op mij
neder, sloot na blijmoedige dankzegging deze eerste pre-
diking op dien angstigen morgen.
-ocr page 49-
76084
GAAT DAN HEEN, IK BEN MET U!
Zoo werd en zoo was dan mijn eigen hart veroverd,
door de overwinnende kracht des Heiligen Geestes, en
naar Jezus heengeleid. En evenzoo was ook mijn hart ge-
vormd tot Zijnen dienst, en rechtstreeks tot de openbare
prediking. De laatste nacht voor en de vroege morgen
van den 24sten October van het jaar 1869, was die mijner
ordening tot den heiligen dienst. Toen moest door mij ge-
leerd worden de beteekenis van het:
Ik sta hier in den naam van den Heere Jezus; in den
Zijnen alleen! En deze les was volkomen gelijk aan die,
welke mijne zaligheid betrof, namelijk om door vernieti-
ging van alles in mij in Jezus de liefde Gods te aan-
schouwen, en Zijne genade voor belaste en vermoeide zon-
daars.
Hem zij de eer! Ook bij deze ordening was Hij mijnont-
fermer en stelde mij, van dezen eersten dag af tot een rij-
ken zegen. En was mijne prediking ook niet in bewe-
gelijke woorden van menschelijke wijsheid, zij was het
-ocr page 50-
41
wel in betooning des Geestes en der kracht, en aldus wilde
•God zich openbaren. Enkele geschiedenissen, waarin de
werkelijkheid daarvan voor mij aan \'t licht trad, geef ik
hier thans een plaats." Levende in de bewustheid, dat de
Heere wist, wie de prediking zouden komen hooren, en
dat Hij, de kenner der harten van allen, alleen wist, wat
voor hen noodig en goed was, deed zulks mij immer mijne
preek afbidden van den Heere, en al was het na uren bid-
dend wachten, of onderzoek der Heilige Schrift; nooit ver-
liet ik mij op eenig onderwerp, dan na de bewustheid, dit
is het woord, dit wil de Heere, en dit zal mijn onder-
werp zijn. Zoo gebeurde het, kort na de opening van ons
lokaal, dat ik sprak over de liefde van Jezus, betoond
aan Maria Magdalena dat ik voor de volgende predik-
beurt bad:
„Ach Heer geef mij Uw weg te kennen. Doe mij spreken
naar de behoeften der hoorders, en geef mij een onderwerp.
En hoe onaannemelijk het mij ook voorkwam, dat dit Gods
weg zou wezen, ik kon maar niet los komen van Lucas
zeven, waarin dezelfde zaak behandeld werd als de vorige
week. Mijne hoorders zullen zeker zeggen: Hij. weet niet
anders, was de eerste uiting mijner gedachten als vrees
voor eigen roem en eer. Doch wat ik ook bad of dacht,
er kwam niets anders. Ik ging, om over Lucas 7 te spre-
ken. Mgn inleidend woord kwam hierop neer: Hoe \'t komt
weet ik niet, ik moet dezelfde woorden spreken als ver-
leden week. Ik veronderstel, dat hier iemand moet zijn,
voor wien dit noodig is, en God dit wil, opdat ook de zoo-
danige tot Jezus geleid zal worden, \'t "Was mij niet ver-
drietig hetzelfde te spreken, en goedsmoeds dankte ik
-ocr page 51-
42
den Heere bij het einde. Maar!___daar komt den volgenden
dag eene vrouw voor onze toonbank en vroeg: Mag ik
mijnheer eens spreken? Nu, mijnheer komt van voor den
oven naar voren, en hem worden op zulke eene ruwe
manier een vloed van woorden naar \'t hoofd geslingerd,
als: gemeene ploert, huichelaar, lasteraar en nog veel meer,
dat het mij waarlijk voor een oogenblik verbaasd deed
zwijgen. Maar wat bedoelt ge dan toch vrouw? Dat weet
jij wel, en het zou weer denzelfden weg opgegaan zijn, zoo ik
haar niet in de rede had gevallen en tot bedaardheid had
aangemaand. Toen vervolgde zij heftig: Ik was gisteren voor
\'t eerst in je kerk, en schande noem ik het, mij zoo voor ieder-
een aan de kaak te stellen. Over mij alleen heb je \'t gehad en
dat heeft mijn zuster je verteld, en nooit, nooit zie je mij weer.
\'t Was mij duidelijk: Voor deze vrouw had ik hetzelfde
woord van de vorige week tot onderwerp moeten nemen.
De pijl had geraakt, en of het later ook doel getroffen
heeft, zal de eeuwigheid zeer zeker aan het licht doen
komen.
Dit was echter zeker, dat hoewel ik de zuster dezer
vrouw de week te voren in ons lokaal had gezien, door
haar aan mij niets gevraagd of gezegd was geworden. Zeer
kort daarna stond ik bn\'na voor een soortgelijke geschie-
denis. Bijna zeg ik, aangezien ik gespaard bleef voor zulk
een ruwen aanval. Een zeker echtpaar onder mijne hoorders
had zich den avond te voren zoo allerellendigst door boos-
aardigen drift laten vervoeren, dat ze er toe gekomen waren,
elkander af te ranselen. Toch gingen ze samen ter kerke! En
wel in ons lokaal. En hoewel de vrouw geen enkel bewijs
hiervoor had, zoo verweet zij toch bij tehuiskomst aan hare
-ocr page 52-
43
man: Dat heb jy aan hem verteld! — Want hoe kon hij het
anders weten? — De man vertelde mij later met diepe
schaamte het gebeurde. En ook hoe treffend de prediking
hun toestand geschetst had als was deze alleen voor hen
bestemd.
Hoe menigvuldig werden de ervaringen op, dat gebied
door mij gemaakt! — Waar de een met toorn vervuld, mij
hierdoor belaagde en haatte, zoo werd dit voor anderen tot
ware bekeering. Zoo ontglipte het mijne aandacht niet, hoe
eene jonge vrouw, kort na \'t begin der prediking, reeds bij
hare eerste komst in ons midden, de kracht van het Evan-
gelie zeer diep gevoelde in hare ziel. Mijne ziel verheugde
zich, haar van week tot week weer te zien, doch meer
nog door de verwachting, dat ook zij tot bekeering zou ko-
men.
Gods getuigenis bleek dan ook voor haar een scherp-
snijdend zwaard. En hoewel de verbrokenheid harer ziel,
door mij duidelijk werd gezien, zoo hield ik mij toch, in
hare oogen,
alsof ik in haar weinig belang stelde. Trouwens
ik zag wel, dat haar voet geplaatst was, op den Konink-
lyken weg. Want warsheid van zelfvertrouwen, en diep
gevoel van zonden werd door mij als in hare oogen gelezen.
Nu was ik voor geen zaak meer bevreesd, dan voor toerei •
king van den troostbeker voor volkomen de les geleerd was:
Hopeloos verloren! — God heeft echter Zijn licht laten
doorbreken en tot prijs Zijner genade, werd deze ziel meer
en meer bevestigd in de waarheid van het evangelie, zoodat,
na bangen strijd, het woord des Heeren voor haar waar-
heid werd: Ik wil barmhartigheid, en geen offerande! Dit
was er een. En gaf mij nieuwen moed. Eeeds een in
waarheid arme zondares, in de liefde van Jezus gelukkig, en
-ocr page 53-
u
met liefde jegens Hem vervuld, dat deed mij hopen, op een
rijken oogst.
En hoevelen mij ook in deze 25 jaren verlieten, zy
bleef, en geniet nog altijd voor hart en huis, den rijken
zegen van Gods Woord, ook waar het luidt: De Godzalig\'
heid is tot alle dingen nut, hebbende beloften, zoowel voor
dit tegenwoordige, als voor het eeuwige leven. Ook had
ik een hoorderes, die door niemand ooit werd gezien. Eene
jonge vrouw „een lichte meid," zooals men het noemt, by
onze buren, in het bordeel in de banden der zonden geketend,
wist eiken Donderdagavond haren intrek te nemen op ze-
kere plaats, staande recht tegenover de deur van ons
lokaal, en slechts daarvan gescheiden, door een straatje
van anderhalven meter; zij hoorde daar voor korteren, of
langeren tijd, al naar haar dit mogelijk was, de prediking van
het Woord des Heeren: tollenaars en (hoeren) gaan de
vrome Farizeën voor. Welk een ongelukkige! En welk een
plaats diende haar tot kerk! en dan nog wel om aanstonds
in hoerengewaad, zich te moeten beijveren, om anderen te
verleiden, en zich zelf aan de zonde der onkuischheid te moe-
ten overgeven. En dat — met een ontwaakt geweten! —
Wat bitter lijden! Toch bleef ik voor een tijd van dit alles
onkundig. De slavernij werd echter voor deze ziel onuitstaan-
baar, en het schuldgevoel voor God steeds pijnlijker, zoodat
openbaar moest worden gemaakt, wat daar omging in haar
binnenste. Zij nam daartoe den moed onzen winkel binnen
te komen, haren nood te klagen, en te smeeken om raad
en hulp.
Ik stelde daarop aan haar voor, hare opname te verzoe-
ken in de Heldringsgestichten te Zetten. En na enkele
-ocr page 54-
45
dagen kon aan haar de blijde tijding worden gebracht: Daar
is plaats, ook voor u. Een oogenblik dacht ik: zij zal toch
haar leven bestendigen. Maar neen ! — op haar ingebrachte
bezwaren dat huis niet te kunnen uittreden van wege
hare schulden, was mijne aanbieding om deze voor mijn
rekening te nemen, haar een waarlijk blijde tijding. Zij
kwam op vrije voeten. En nooit zagen mijne kinderen meer
verwonderd op, dan toen deze gast in haar wonderlijk cos-
tuum aan onze tafel zat. Daarna vergezelde ik haar naar den
trein, en zag met dankbare blijdschap deze Maria G. heen-
gaan om onder den adem van het Woord des levens te
Zetten te vertoeven. Menige brief, dien ik later van haar
hand ontving, getuigde van werkelijke boetvaardigheid.
En wat mij de kroon op dat werk van des Heeren Woord,
helder te aanschouwen gaf, was het getuigenis van Ds.
Pierson, geschreven in een zijner verslagen. Niet onaardig
was voor mij de wijze, waarop de waardin van \'t door
deze meid verlaten huis zich op mij zocht te wreken! —
Ik was nauwelijks van het station teruggekeerd of daar
komt ze aan! En met groote oogen, en brutalen mond,
schreeuwt ze mij toe: Wil je al mijn meiden hebben? —
Ik hield mij, als begreep ik volstrekt niets van deze boos-
aardige bedoeling, en zeide zoo onnoozel mogelijk: Als uw
meiden allen willen, wat Maria wilde, en ook naar Steen-
beek wenschen heengeleid te worden, zegt hun dan, dat
ze allen voorloopig bij mij kunnen binnentreden. Maar ze
begreep mij, en ging heen. Zoo werd den duivel ziel na
ziel ontroofd. En wat ook werd verzonnen en aangewend
om mij den arbeid onmogehjk te maken, door de lieden
tegen mij op te zetten, toch breidde de arbeid zich uit,
-ocr page 55-
46
en werd ze door God gesteld tot bekeering ten leven voor
menige ziel. En al werd ook door mij met droefheid ge-
zien, dat eenigen met een waas van Godzaligheid overtrok -
ken, en onder het snoodst bedrog mijn arbeid begonnen
tegen te werken, toch werden anderen getrouwe belijders
van Jezus, en medearbeiders in Zijnen wijngaard. En wat
mijzelve betreft: ik bleef steeds gelooven: De Heer heeft
mij gezonden, om het Evangelie te verkondigen. Geen Kerk,
geen gemeente, geen merk van welke keur of kleur ook, maar
Jezus\' naam en de Zijne alleen. Mijn werk was de menschen
tot Jezus te brengen. Nooit is dan ook myne prediking be-
vonden, als te zijn naar den mensch, of geschikt voor hem,
die te hoogmoedig bleef, om zich te willen laten vernede-
ren. Wie niet waarachtig als zondaar, zijn eigen leven
leerde beweenen, kon van mij de vertroosting van deelgenoot
der hemelsche erfenis door de vergeving der zonde, niet ont-
vangen. En hoe ook deze prediking, den eigengerechtigen
een ergenis. en den wereldwijzen een dwaasheid is, toch blyf
ik rmj bewust, dat geen menschenkind, in Gods genade,
door Jezus bloed verkregen, gelooft, tenzy hij waarachtig
door \'t licht des Heiligen Geestes bestraald, tot ootmoedig
besef van schuld en onwaardigheid komt en in verle-
genheid leert uitroepen: Wat moet ik doen, opdat ik zalig
worde, en tevens, waar het geloof tot volkomen rijpheid ge-
komen is: Bij mij onmogelijk. Juist dan openbaart zich de
Heiland en vervult Hij de beloften des Heiligen Geestes. Hier-
door dan ook wordt Zijn naam verheerlijkt; de Z\\jne alleen.
Zoo velen, als door den Geest van God geleid worden, —
zoovelen zijn kinderen Gods. — En zoovelen als er kinderen
z\\jn, zijn ook erfgenamen Gods en medeërfgenamen van
-ocr page 56-
47
€hristus. Erfgenaam, wordt men uit kracht der geboorte,
niet door waardigheid, al wordt die waardigheid vermeend
te bestaan uit zoogenaamde echte belijdenis, of in tal van
levensveranderingen. Des doods schuldig ! En aan dit von-
nis kunnen de hartsveranderingen niets afdoen. Want de
natuur is verdorven, — en daarom buiten staat ooit iets
voort te brengen, dat waarde zou bevatten in Gods
oogen. En wie ooit zegge: Ik ben bekeerd! dat hij dan
ook zegge: ik ben vernietigd. En wat ik leef, dat leef
ik Christus, die mij liefheeft, en zich zelven voor mij heeft
overgegeven.
En nu zijn daar 25 jaren voorbijgegaan, sinds den dag,
dat des Heeren woord mij tegenklonk: Gaat dan heen! En
Gode zij dank, steeds kon ik heen gaan, mij vastklem-
mende aan des Heeren belofte: Ik ben met u. Altijd had
ik noodig vóór de prediking van den Heer te smeeken:
Vervul toch aan mij Uw woord: Ik ben met u! En was
er, wat mij maar al te vaak gebeurde, een zware strijd
te strijden, dan wist ik gelukkig, dat er geschreven stond:
Alle dagen, ook tot den laatsten toe! Wat de duivel ook
vermag, en hoe brutaal hij ook durft aanvallen, voor een:
„Daar staat geschreven," is hij immer gaan loopen. Nim-
mer ben ik heengegaan met een klaargemaakte preek,
ook niet in gedachten. Jaar in en jaar uit, was en bleef
mij de prediking des Woords, een arbeid in diepe afhan-
keüjkheid, van de leidende hand des Heeren, altijd smee-
kende: Geef, o Heer, woorden, en ook vrijmoedigheid, om
ze uit te spreken.
Hoe menigmaal ook door allerlei tegenwerking door
den duivel als gemarteld, en hoe soms als door een doo-
-ocr page 57-
48
delijken angst aangegrepen, zelfs, dan als ik mijn plaats
op den katheder reeds had ingenomen, nooit, neen nooit
heeft hij mij kunnen verwijten, al verweet hij mij ook
nog zooveel, waarbij ik zwijgen moest, nooit heeft hij den
moed gehad te zeggen: Waar zijt gij nu met uw: „Ik ben
met u."
Geloofd zij de naam des Heeren Jezus, welke mij nooit
beschaamd deed uitkomen, maar altijd Zijn Woord beves-
tigde. En ware dit ook niet het geval geweest, nu ja wei-
licht ware ik een keer als prediker opgetreden, doch dan
ook zeker om mijn laatste woord uit te spreken. Geleerd-
heid was nooit mijn deel, en veel minder had ik weten-
schap. Vrijmoedigheid was mij te eenen male vreemd.
Schrijven, was voor mij den Heere het werk uit de handen
nemen, en \'t mij beter toe vertrouwen, dan Hem, om het
volk te zeggen wat tot hunnen vrede noodig was. Voor
studeeren kon ik geen tijd vinden. Hoewel te dezen opzichte,
mij eenmaal duidelijk gemaakt werd, dat door mij, hoewel
mij zelven daarvan onbewust, wel degelijk gestudeerd werd.
\'t Was namelijk op een Zaterdagavond, tijdens den bouw
onzer nieuwe school, dat ik als gewoonlijk bad: Och Heere,
geef mij Uw woord te verstaan, en zeg mij wat Gij het
volk wilt doen hooren. Maar ach! Ik kon mijn arm hart
niet bij het woord of werk des Heeren houden.
Van Maandag tot Zaterdagavond was mijne geheele ziel
als begraven geweest onder hout en steen, en niets dan
bouwen en sjouwen vervulde mijn hart en gedachten. Hoe
stond ik verbaasd en verlegen! Hoe zou ik mij uit al die
zware steenen loswerken. Geen enkele gedachte voor de
prediking was in mij overgebleven, en voor altoos leerde
-ocr page 58-
49
ik daardoor verstaan het verschil tusschen studeeren, en
een doorloopende studie in het leven. En wat mij duidelijk
werd, was dit: Altijd vervuld te zijn met de belangen van
des Heeren werk en mij zelve onbesmet van de wereld
bewaren moet mijn eerste zorg zijn en blijven. Is dit mijn
deel, zoo heb ik niet noodig om te studeeren. Terwijl op
de vraag: Studeert dan gjj niet ? geantwoord kan worden:
Ja! en wel van Maandag tot Zondag steeds door.
Daardoor heb ik kunnen prediken en zijn er krachten
geoefend.
Honderden, zoo niet duizenden, hebben in den loop der
jaren mijne prediking gehoord. De toegang tot het lokaal was
steeds vrij. Nooit werd er bij de prediking gecollecteerd. Ook
de zitplaatsen werden niet verhuurd. En toch was komen en
gaan bij de meesten het geval. Sommigen hadden genoeg
bij de eerste maal. Anderen hielden langer vol, doch \'t
was bij de meesten: Deze rede is hard, wie kan dezelve
hooren! Toch waren er enkelen, die zich blijvend om mij heen-
schaarden, en wilden belijden: Wij hooren van u de woor-
den des Eeuwigen levens. Ook stond de evangelieprediking
behalve aan zijne vele bestrijders daar buiten, voortdurend
aan de vreeselijkste bestrijding binnen in mij bloot. Een-
maal zou het bijna den booze gelukt zijn, mij van den
preekstoel terug te houden. Dat bijna was echter slechts
voor mijn gevoel, maar geenszins naar den wil des Heeren.
Had Jezus ook niet voor mij gezorgd, door over mij te
waken, en voor mij te bidden, mijn geloof zou zijn opge-
houden, want schrikbarend hebben de machten der hel mij
geschokt in zake de prediking des Woords. En hoewel
daardoor mij somtijds de vreugde bereid werd om te ver-
4
-ocr page 59-
50
staan, dat mijne prediking de hel in beweging bracht — en
de haat, des Satans mij een zeker bewijs was, dat de arbeid
uit God, en hem tot schade was, toch was daar eens een dag,
dat ik bijna viel, en zelfs reeds meende gevallen te zijn. Wee
mij, zoo ik het durfde ondernemen nog eenmaal het spreekge-
stoelte te beklimmen. Wat was het mij bang en duister
in de ziel. Voor mijn Bijbel neergezeten, en in stille ge-
dachten daarheen lezende, nader ik de geschiedenis der ver-
spieders naar het land der belofte uitgezonden. Bij hunne
mededeelingen en het oordeel daarop volgende stond ik
stil. Zonder het te vermoeden, en ook zonder dit te kunnen
verhoeden dringt zich des Zaterdags met kracht de gedachte
aan mij op: Zulk een prediker zyjt gij! En werkelijk, ik gaf
toe. Ik bemerkte den vijand niet, doch zag hierin een oor-
deel Gods! dat mij naar ik meende aangekondigd werd.
Wat moest ik beginnen ? De deuren sluiten ? O, ik wierp
mij voor Jezus neder, mijn geheele geschiedenis droeg
toch het kenmerk van Zijne vriendelijke leiding. Had
ik het volk misleid, o, dat mij alsdan vergeving mocht ge-
schieden, en wijsheid geschonken mocht worden! Ten
einde raad en in grooten angst, worstelde ik met God.
Wat moest ik doen? Daar komt plotseling de gedachte
in mijn ziel: Wee mij! indien ik het Evangelie niet ver-
kondig. Afgemat en moede begaf ik mij ter ruste, en sliep
ook tot aan den morgen. Ik zou en moest prediken, ik
kon niet anders. De strijd was hevig___totdat op\'t oot-
moedig smeeken, om des Heeren woord te weten voor
dien morgen, mij in de ziel klonk: Hoe vele brooden hebt
gy? Natuurlijk was mijn korte antwoord: „Niet een o
Heer!" \'t Werd mij duidelijk: over dit woord moest ik pre-
-ocr page 60-
51
diken over Jezus als de Ontfermer, en als de Machtige om
•door ontferming te voeden, al wat hongert. Ik ging dus
heen, en: Ik ben met U, werd ook dezen morgen onder-
vonden. Ik at en gaf te eten, en hield over, en loofde
•God. — Ik had leeren verstaan, meer nog dan ooit te
voren: God heeft mij tot dezen arbeid geroepen, en immer
bekrachtigd en al beraamde ook de Satan middelen, ja,
bouwde hij muren, en groef hij grachten, om den weg
naar de harten der zondaren, zoo \'t maar kon, mij onmo-
gehjk te maken, het: „Gaat dan heen," bleef mijne roe-
ping, het: „Ik ben met U," bleef mijne sterkte. Na ons
lokaal twee jaren gebruikt te hebben, bezwaarde het mij,
dat het slechts voor prediking en Zondagschool gebruikt
werd. Het aan te moeten zien, dat ons gebouw de geheele
week doelloos stond, werd mij bepaald ondragelijk. Daar
kwam ik op de gedachte: Kan er geen bewaarschool in
gehouden worden ? Een korte samenspreking met een broeder
uit H. had ten gevolge, dat mg geld werd gegeven tot
aanschaffing van het noodige ameublement, en al spoedig
werd eene juffrouw aangesteld, \'t Was de 4de Maart van
1871, dat de opening plaats had en de zes\' en vijftig be-
schikbare plaatsen, allen door kinderen, tusschen drie
en zes jaren oud, werden ingenomen. Het duurde slechts
een korten tijd of wij moesten reeds kinderen afwijzen,
tenzij wy de kleine ruimte tusschen lokaal en woonhuis
gebruikten voor vergrooting der school. De opbrengst der
collecten bh\' de prediking in de bus geworpen, maakte het
mogelijk tot het laatste te besluiten. Maar nu werd het
slimmer dan ooit te voren. Overal verspreidde zich de th\'-
ding: De school is vergroot! En \'t was, als regende het
-ocr page 61-
52
kinderen. Niet minder dan tweehonderd dier kleinen hadden
wij ons laten opdwingen, en \'t was noodig geworden, dat
ik ook zelven aan den arbeid deel nam. Ik werd dus be-
waarschoolonderwijzer, en nu was het: vóór acht uur
\'s morgens bakken, van negen tot vier uur \'s namiddags
schoolhouden, om daarna den arbeid in de bakkerij, de ad-
ministratie, en den arbeid voor eigen gezin te bezorgen,
\'t Is waar: dat ik mij wist te vereenigen, met den profeet
Jeremia, als hij zegt: Het is goed voor een man, als hij
het juk in zijne jeugd draagt, maar toch: Het werd my>
te zwaar. Honderd en twintig kleine kinderen beheeren
en leeren, waarvoor ik persoonlijk eene ruimte bezat van
38 vierkante meters en naast my het soms oorverdoovend ge-
schreeuw der 80 kleinen, aan de Juffrouw toebetrouwd, slechts
door een duims beschot van mij gescheiden, maakten mij
spoedig zoo moede, dat ik besluiten moest, de school te
verlaten, of het bakkersbedrijf neer te leggen. Met zoo spoe-
dig was deze kwestie tot een goed einde. Ik kon mijne
broodwinning niet missen en de kinderen kon ik ook niet
wegzenden. Een tweede juffrouw konden wij niet bekostigen.
En kinderen bij kinderen aanstellen, dit kwam met mn\'ne
beginselen niet overeen. Eindelijk meende ik het gevonden te
hebben. Ik had namelijk becijferd, dat door broodverkoop,
het onderhoud voor \'t lichaam nog wel zou gevonden wor-
den, al hield ik op het zelf te bakken. Mijn kinderen konden
dit aan de afnemers bezorgen, en ik zou in de school
kunnen blyven. En zoo legde ik dan ook het bakkersbe-
drijf neder en wijdde mij geheel aan de belangen der jeugd
in de bewaarschool. Dit was naar mijn hart. En hoewel
ook eenigen tijd later mij ten duidelijkste bleek, dat myne
-ocr page 62-
53
\'becijfering foutief was geweest, in zake mijne finan-
•tiën, en ik waarlijk, wat men wel eens noemt doodarm
werd, en somtijds voor een failliet vreesde, toch was mij
deze arbeid een oorzaak van groote blijdschap, zoo dikwerf
wij bij stervende kinderen, de kinderlijke eenvoudigheid
des geloofs vonden, waardoor deze met vreugde, en verlan-
gen naar Jezus de aarde verlieten. „God heeft mij gelukkig
ook weder uit alle financieële nooden gered." Maar \'t werd mij
toch onmogelijk om zoo voort te gaan. Ons kindertal met
die der Zondag- en zendingschool te zamen, vormden een
legertje van vier honderd, \'t Gebeurde bij \'t openen der
deur dikwerf, dat de kleinen als erwten uit den zak naar
buiten tuimelden. De atmosfeer bleek, en voor hen, en
voor ons schadelijk te zijn wat vrijmoedigheid gaf, om
om ruimte te bidden. Een nieuwe offerbus, geplaatst aan
de ingang der school, en waarop de woorden: „Voor
de Nieuwe School" kondigde het genomen besluit aan.
Door advertentiën in Christelijke bladen, en verzending
van een circulaire baande deze thding zich een weg door
heel ons land. En dag by dag kwamen de meest moedge-
vende antwoorden mij in handen, zoodat binnen één jaar
een plek gronds van zes honderd vierkante meters kon
worden aangekocht, en wel in een der volkrijkste buurten
der zoogenaamde Nieuwstad. Daar zou de nieuwe school
verrijzen. Ja! Als er geld genoeg was. Tenminste zooveel,
dat het geacht kon worden uitvoerbaar te zyn. De Heere
was ons genegen ook in deze zaak. Een brief gewerd imj,
toen de grond betaald was, met een gift van duizend gulden
met by schrift: „De voorwaarden van teruggave zijn: Nu
miet. Dan niet. Nooit niet." En behalve deze rijke gave nog
-ocr page 63-
54
zoovele kleinere sommen, zoowel uit onzen\' kring, als van
vrienden daar buiten, dat weldra bestek en teekening gereed
gemaakt konden worden. Steen, hout en kalk, werd door
mij aangekocht. Twee metselaars en een timmerman wer-
den door mij aangesteld. Het opzicht zoowel als de omloo-
pende arbeid werd door mij, en sommigen mijner vrienden
verricht. Een flink lokaal, met zeer ruim erf tot speelplaats,
werd ons ten deel. En reeds den 20sten Juli 1879 werden, na
circa 10 jaren in de engte te hebben verkeerd, onze voeten
in de ruimte gesteld, en kon dit gebouw in een openbare sa-
menkomst tot Evangelieverkondiging ingewijd worden om
alzoo ook voor de menschen te belijden: G-od heeft groote
dingen aan ons gedaan, dies zijn wij verblijd. Een flink
getal hoorders vernieuwde mij, trots blijvenden strijd den
moed. En evenals voor 10 jaren in ons, eerste lokaal, was
ook hier het eerste woord: Alzoo lief heeft God de wereld
gehad. Joh. 3 :16. Den volgenden dag werd er op feestelijke
wijze aan onze 200 bewaarscholieren, en \'s avonds aan onze
70 brei- en naaistertjes, een ruime plaats gegeven.
Onder al deze bezigheden was het mij gelukt, gedurende
de zes wintermaanden in een klein gehucht, op een uur
afstand van onze plaats, een huisje in huur te nemen,
waar één avond in de week voor tal van hoorders door
mij met zegen het Evangelie der genade des Heeren Jezus
werd verkondigd. Den volgenden winter trok ik heen naar
de Anna Polowna Polder, en altijd weer met dezelfde
hope: Zijn woord zal niet ledig tot Hem wederkeeren, maar
doen wat Hem behaagt. Tot dat ook hier, en voor de nabij-
zijnde gehuchten, een Evangelist werd gestationneerd. Tal
van verblijdende, doch gelijk altijd in deze wereld, ook vele
-ocr page 64-
55
bedroevende geschiedenissen, werden in deze jaren door-
leefd. Ik weet dat voor velen — mijne prediking een
oorzaak van deelgenootschap aan de erve der Heiligen
werd, waarvan sommigen ook medearbeiders werden, en
mij stof tot danken bereidden, terwijl anderen te vroeg
de school ontliepen, in waanwijsheid heengingen, en schip-
breuk leden in hun geloof. Wederom anderen, en daarvan
is het getal niet het geringste, kwamen, zooals het zich
althans voor \'s menschen oog laat aanzien, tot achting voor
ons, en hoogachting voor het Evangelie, doch lieten steeds
tevergeefs uitzien naar de merkteekenen, van een berouwvol
zondaarshart, en wat daar mede gepaard gaat, dat is: de
inwoning des Heiligen.Geestes. \'t Is mijne ervaring geweest,
sinds jaar en dag, dat zij, die meenen lief te hebben, het
stilzwijgen bewaren, als het er op aan komt te belijden,
dat zij bemind worden.
En omgekeerd, dat zielen, die wegsmelten in aanbidding
voor God, van wege de liefde hen betoond, nooit over eigen
liefhebben roemen, maar altijd over zichzelven onvoldaan
zijn. Voor mij echter is het nog altijd: Gaat dan heen! En
predikt het Evangelie: Ik ben met u! al de dagen, ook tot
den laatsten toe. En al deze jaren door deed de Heere God
mij ervaren den grooten rijkdom van Zijne goedertierenheid,
gaande ook over alle belangen mijner levensbehoeften, zoo
wel voor het lichaam als voor het leven. Zijne daden zijn mij
steeds gebleken wonderbaar te zijn, in, en tijdens mijne
25 jarige loopbaan in den dienst des Evangelies. Immers
had.ik bij de opruiming mijner bakkerij, in de berekening
voor mn\'n levensonderhoud misgezien. Daarbij werd mij
mijne goede vrouw door den dood ontnomen en bleven
-ocr page 65-
56
mij behalve mijne zes kinderen, vele onvoldane schuldbrie-
ven over. Ik zat dikwijls diep te zuchten en smeekte om
uitkomst. En ziet wat gebeurt! — Geheel onverwacht
en ook ongedacht, kwam een mijner vrienden mij mijne
woning te koop vragen. Ik verkocht mijn huis. Spoedig
zat ik daarop weder tusschen steen en hout, en bouwde
voor ons nieuw lokaal, een woon- en winkelhuis, en behield
als overschot niet minder dan vier en twintig honderd
gulden tot betaling mijner rekeningen.
Rust mijn ziel, uw God is Koning, klonk het toen uit volle
borst. Goedsmoeds kon de arbeid worden voortgezet, of-
schoon ik wel inzag, dat wij geene genoegzame inkomsten
voor ons onderhoud ontvingen.
Tot overmaat van onbegrijpelijkheden ontmoette ik in
dezen tijd een jonge vrouw, en wel onder zulke treffende
overeenstemming, met meermalen uitgesproken gebeden,
dat het in mijne ziel klonk: Deze geeft u de Heer tot eene
vrouw. Toch kwam het mij zoo niet goed voor. Ik smeekte
hiervan verschoond te mogen blijven. Maar neen, \'t baatte
niets. Eindelijk gaf ik toe en weldra was ik hertrouwd-
Een goede vrouw is een gave Gods, bleek mij eene volko-
men betrouwbare waarheid te zijn. En gelukkig als wij
waren, vreesden wij geen bezwaren. Toch bleven deze niet
uit. Want het bleek al heel spoedig waar te zijn, dat mijne
vrouw een vruchtbare wijnstok was. En de gedachte:
daar konden nog wel zes kinderen ter verzorging by komen,
bleek niet ongegrond. Eene zaak stond echter bij mij vast.
En deze was: \'t Was mijn wil niet geweest. Wel, was het
mijn wil geworden, dewijl \'t gebleken was, Gods wil te zijn.
Gods weg is in de zee! O, hoe menigmaal had ik dit niet
-ocr page 66-
57
•ervaren! En jaar en dag reeds had ik gepredikt: Het licht
komt uit de duisternis, en het leven uit den dood. Dit was
zelfs hoofdzaak in al mijn prediking geweest, en toch was
het niet zonder vreeze, dat wij gaandeweg den achteruit-
gang onzer financiën gevoelden. De vraag, wat hieraan te
doen, konden wij alleen beantwoorden, door in stil gebed
den Heere alles te kennen te geven, en licht ook, in deze
van Hem af te smeeken. Geloovende, dat alle dingen mede-
werken ten goede, bleven wy wachtende op Hem. Had
•de Satan geweten, dat de ellende, ons in dien tijd door
hem berokkend, ons de deur zou wijzen, waarachter in
letterlijken
zin, onze nooden vervulling, en meer dan ver-
vulling zouden vinden, zoo had hij ons zeker gaarne met
rust gelaten.
Zoo gebeurde het, dat wij samen gekomen waren om
te bidden, dat opeens een vreesehjk gegil, en geroep van
moord, ons door de ziel sneed, en deed trillen tot in \'t
gebeente toe. Ik sprong van den katheder, en door een
draaiende ruit, zag ik den onverlaat, met van bloed drui-
pende vingeren staan voor onze ramen, terwn\'1 zijne bijzit
brullende ter aarde lag.
Onze prediking moest worden gestaakt, en weldra was
politiemacht ter plaatse. Welk een ellende! En waar deze
buurtjes ons al zoo menigmaal tot groote moeielijkheden
waren geweest, stond ik nu bepaald voor de vraag: Hoe
zal daar een einde aan worden gemaakt?
Ik begaf mij op weg, naar den eigenaar dezer woningen,
drie van dat soort onder een dak, en begon met de meeste
bescheidenheid dezen in te lichten omtrent den overlast,
ons aangedaan, en hem te verzoeken, deze lieden de woning
-ocr page 67-
58
uit te zetten. Doch de eigenaar zat met deze woningen
opgescheept, en gebruik makende van de ellende, die z#
ons bezorgden, stelde hij mij voor: Koopt ze, dan kunt gij
zelf daarover beschikken. Koopen? — Ja, dat was wel goed.
Maar vanwaar de koopsom ? En dan, wat moeten wij met
deze woningen doen ? Ik kwam thuis en sprak er met mijne-
vrouw over doch de groote kwestie was en bleef: het geld.
Nu, zeide mijne vrouw, mijn......zal het ons wel wil-
len voorschieten, en weldra was de koop gesloten.
Daar ging licht op. Mijne zeventienjarigen zoon fun-
geerde als bakkersknecht, en reeds lang was zijn leven
mij veel te veel een leven van slavernij, en nu kwam
mij voor: in deze woningen en op zijn naam een bakkerij op
te richten.
Ik dacht bij de oprichting bijna uitsluitend aan de belangen
van mijn zoon.
En wie zou het vermoed hebben? Hier plaatste ik een
oven, en hierin werd brood gefabriceerd, en zoo groot wer-
den Gods barmhartigheden, dat weldra niet minder dan 30
zak graan per week aan brood werd verkocht. Dit stelde
ons natuurlek gerust, al zou zelfs nog een heel dozijn kin-
deren ons worden toebetrouwd.
Wat zal ik, met Gods gunsten overlaan, dien trouwen
Heer voor Zijn gena vergelden? Onuitsprekelijk zijn Zijne
goedertierenheden, en onbegrijpelijk is Zijne wijsheid.
Al steeg ook daarna mijn aartsvaderlijk erfdeel tot ne-
gen dochters, behalve acht zonen, wij hadden voor allen
overvloed. Ja behielden over, zoodat we ook nog kon-
den uitdeelen aan behoeftigen. Dit kwam mij goed ta
-ocr page 68-
59
stade bij het huisbezoek, waartoe velerlei gelegenheden zich •
voor deden.
Zoo redde God, uit \'t bangst gevaar
En toonde Zijn genade
Het meest, als niets dan groot bezwaar
Mijn ziel had overladen.
Zoo zorgde God, en zorgt nog steeds
Voor ziel en lichaam beide
Voer mij, voor ons, voor \'t kindertal,
Waarmee Hij ons verblijdde.
-ocr page 69-
IN HET STERFHUIS.
In tyden van welvaart, en in dagen van gezondheid,
kan het Evangelie en de prediker best worden ge-
mist, en niet zelden ook worden bespot. Maar!— By
ziekten en dood! Dan wordt om hulp geroepen. Zoo
werd nüj, ik weet niet hoevele malen, maar zeer menig-
vuldig, de uitnoodiging gedaan ten sterfhuize te komen,
op den dag van ter aarde bestelling. Iedereen wist
het: Breet weigert niemand. Of het dag is of nacht, bij
ziekten of begraven, hij komt altijd. Een dier menigvuldige
bezoeken aan sterfhuizen, geef ik hier een plaats, \'t Was
nu wel niet rechtstreeks in een bordeel, doch het scheelde
maar weinig, dewijl deze lieden bordeelhouders tot hunne
boezemvrienden hadden. En deze lieden noodigden mij ,een
Evangelist, die tevens ook broodbakker was, om mede
een hunner dooden te begraven? Ja, dat was zoo. Voor
zoover ik kon nagaan, was het volgende hiervan de
oorzaak. Wy woonden deur aan deur. Op zekeren dag,
terwyl de man afwezig was, liep de arme herbergier-
-ocr page 70-
ster, als een byna wanhopige te zoeken naar de dienstbode, ,
een flinke 2 a 24 jarige meid, doch de angst deed de waar-
din tot alle plaatsen doordringen. En jawel, het was niet
zonder reden, zij opent de monding van den put, en!___Daar
ziet ze hare dienstmaagd tot den hals toe in het water,
en dat in dien engen put. Hoelang had die wanhopige meid
daarin vertoefd? Blauw, en bewusteloos, als ze was, had zn"
slechts haar hoofd achterover te neigen, om het leven te
doen eindigen. Help! help! zoo klonk de angstkreet over
de erven der buren. Aanstonds waren drie, vier vrouwen bij
den put. Maar ach, de put is diep, en \'t schepsel verroert geen
vin, wat raad!! — Ik had niets gehoord, daar ik juist in
den trog stond, doch daar klinkt het uit alle macht....
Breetü! En barrevoets sta ik aanstonds voor den put. Ik
bemerkte wel, dat het vermogen om te grijpen voor haar
niet meer bestond. Dralen van eene minuut zou haar het
leven kunnen kosten. "Welaan, zoo sprak ik tot de vrouwen,
ik zal mijne armen naar haar uitstrekken, en gij houdt mij bij
de beenen vast! Maar: Vasthouden! Want mijn leven hangt
er aan. Tot op mijne dijbeenen hing ik direct in de mon-
ding, met mijn rechterarm uitgestrekt naar beneden, ter-
wijl mijne ziel bad: O God, doe my haar redden van den
dood. Nog dieper! En!! — Mijn voorste vinger raakt en
haakt in den halsboord van haar hemd. Ik beet mij op de
tanden, en een tweede vinger volgt......En geloofd zij
God! ze licht, en ik rijs, en waar bovennatuurlijke krachten
mü voor dit werk geschonken werden, trok ik haar, niet-
tegenstaande zij tot bijna aan de knieën in de modder zat
en ongeveer 160 a 180 ponden gewicht telde, naar boven
en ook er uit, en droeg haar de woning binnen. Deze ge-
-ocr page 71-
62
1 schiedenis bleef deze buren immer een oorzaak van groote
achting jegens mij. Niet langen tijd daarna vernamen wy:
De vrouw hiernaast is ernstig ziek. En ik vervrijmoedigde
mij zelven om, oogenschijnlijk uit buurschap, haar te bezoe-
ken, doch natuurlijk met het doel, haar van Jezus te spre-
ken, die zondaren redt. Zelfs nog ter elfder ure! —
Helaas, het was hier te laat! Wel beproefde ik enkele
Schriftwoorden, omtrent Gods genade, haar in \'t oor te
fluisteren, doch alle vermogens waren reeds geweken, en
weldra blies deze vrouw den laatsten adem uit. Daar zijn
twee dagen voorbijgegaan. En ? Daar komt de z. g. lijkbe-
zorger of aanspreker mij uit naam van den herbergier uit-
noodigen ter begrafenis. Ik begreep niet zoo dadelijk waar-
toe, en daarom stelde ik de vraag: Hoe wil men mij daar
hebben ? Als drager geef ik m\\j niet. Als buur heb ik geen
tijd te missen. Als Christen, om Gods Woord te spreken,
kan en wil ik komen. De man gaat heen, hij komt ook
weer terug, en zegt: Neen! Het is om de begrafenis te
leiden, zoo als U dat gewoon zijt. \'t Was niet zonder schroom,
dat ik mij den volgenden morgen derwaarts begaf, want ik
kon wel berekenen, wie, en wat daar te zullen aantreffen.
Immers waren deze lieden geheel buiten de burgerklasse, en
ingelijfd bij al wat bordeelhouder of waardin heette. Maar
ik bad, en trad binnen. Daar stonden de mij alle bekende
vertegenwoordigers der hoerenwinkels met hunne vrouwen
rondom de doode! De man der overledene weende luid
en bitterlyk. Zoo u het gewoon zijt! was mij gevraagd.
Maar daartoe, bleek my, was de tyd te kort. Daarom in de
plaats van rond de tafel of lijkkist te gaan zitten, een
gedeelte der Schrift te lezen, en daaraan mijne toespraak
-ocr page 72-
63
te ontleenen, stelde ik mij in hun midden, en nam de
doode tot mynen tekst. Daarop begaf ik mij mede naar
het kerkhof, en hield een korte toespraak. Maar nu? Te-
ruggekeerd van de rustplaats der dooden, stapten allen het
sterfhuis binnen. Ook mij werd een plaats, en wel aan het
vooreinde van de lange tafel, aangewezen. De tafel werd
onder diep zwijgen gedekt, en allerlei gerechten werden
opgezet. Alles was weldra gereed, en hoe groot de vry-
moedigheid dezer lieden gewoonlijk is, zoo zaten allen ne-
der met gebogen hoofden en gesloten mond. \'t Bleek mij,
dat het voor allen een pijnlijk oogenblik was. Ik stond op
van mijne zitplaats, en met de bede in de ziel om wijsheid,
opende ik deze stille en plechtige bijeenkomst door te
zeggen: Mijne vrienden! ! . . . . Ja, dat zijt gij immers he-
den ? Hebt gij niet op dezen dag mijne vriendschap gevraagd ?
Zie, wij zitten aan, aan eene tafel, voor denzelfden Bijbel,
en gereed denzelfden zondaarsvriend aan te roepen. Ja!
wij zijn heden vrienden! gü hebt dit alzoo begeerd. En
waarlijk, dit is mij een oorzaak van vreugde, en dank aan
God! — Wij zullen eten! Maar ge weet het wel, door mij
wordt dit niet gedaan, zonder aanroeping van den Naam
des Heeren. Doch voor wij! ... en ik bleef hen daarbij
aanzien, gaan spreken tot God, zegt mij, wilt ge mijne
vrienden blijven? Of zyt ge morgen weer, wat ge tot nu
toe waart en bedacht op eens anders ongeluk? En de ge-
nade des Heeren Jezus verleende mij zulk teeder gevoel
van barmhartigheid en zoo groote vrijmoedigheid, dat vóór
ik bad, mijne toespraak allen deed vergeten, dat wij eigenUjk
aanzaten om te eten. Naar heden ik volgens mijnefee dachten
gissen kan, zaten veertien personen, uitsluitend bordeel»
-ocr page 73-
64
houders en "houdsters, bijeen, en toen ik sprak over Jezus
en Zijne genade, en over hun zondig leven, was daar een
zeer groot geween, zoowel bij de mannen als bij de vrouwen,
wat voor mij op nieuw een bevestiging der waarheid
was, dat Gods Woord een scherp zwaard is. Toen bad
ik. — Ook at ik van hunne spijzen, en.......ja, ook
zii aten...... hoewel bij oogenblikken in tranen uitbar-
stende, en soms werd nujn hart zoo geroerd, en week,
dat ik mede schreide. Na den maaltijd opende ik mijnen bij-
bel, en las: En ziet, een vrouw in de stad, welke eene zon-
dares was, zoekende naar Jezus, en verstaande waar Hem
te kunnen vinden, kwam en staande aan Zijne voeten, ween-
de!......Ziet ge wel, vrienden, ge zijt nu zoover als die
vrouw, en wacht gij nu ook op dat zegenrijke Woord: Uwe
zonden zijn u vergeven ? En zal waarachtige liefde voor Jezus
vandaag in u worden geboren ? . . Ik ben er zeker van, dat
uw geweten zegt, dat ik er beter aan toe ben, dan gij. Maar !
.... mij is barmhartigheid geschied, en u wordt die heden
gepredikt. Daarna besloot ik den maaltijd met dankzegging,
niet het minst voor Gods groote erbarming mij in zulk
een sterfhuis, en bh\' zulk gezelschap te hebben gebracht.
Daarna ging ik, na allen een goeden handdruk te hebben
gegeven, heen, doch vergat niet nog eens te herhalen: Zult
gh\' mijne vrienden blijven? En uwe bordeelen opheffen ?
Eens zal de blijde morgen dagen,
Dat alles treedt aan \'t licht,
En ook zal wis dat Licht gewagen,
Van \'t werk door ons verricht.
Door ons? O, neen \'t was steeds de Heer,
En daarom ook aan Hem de eer.
-ocr page 74-
IN DE ZIEKENKAMER.
Zonder mij in anderer leed te verblijden, acht ik toch,
dat ziekten en smart onder het volk dikwijls gelukkig te
achten is, voor den arbeid in het Evangelie. Voor mij althans
hebben zij menige deur, en menig hart ontsloten. Het
volk toch, hoe goddeloos ook, en onverschillig, weet, ja ge-
voelt nog altijd: Gods hulpe en Zijne genade is voor ons
noodig.
Waar de kerk ten onzent uitsluitend in moderne han-
den was, ondervond het volk te allen tijde de onver •
schilligheid hunner predikanten, die, of niet kwamen, of
en dit vreeselijke weet ik, dat gebeurde met de arme zielen,
die met ernst hunne nooden met het oog op de eeuwigheid
klaagden, openlijk den spot dreven. Zoo kwam het dan ook,
dat de eene buur, den anderen hielp aan mijn adres. En
zeide men soms: Ik durf hem niet te laten vragen. Ik
ben Luthersch of Doopsgezind, of ik behoor bij geen kerk,
en nooit kwam ik in de kerk bij Breet, dan dorst de buur-
vrouw zich wel te leenen tot boodschapster en sprak:
5
-ocr page 75-
66
L.
„Mensen, denkt ge dat Breet daarnaar vraagt ? Ieder kan
hem roepen, en overal gaat hij heen. „\'t Was werkelijk
wel iets wonders in mijne oogen, deze menschen te zien
handelen, alsof ze veronderstelden, dat ik in een leuning-
stoel gezeten, wachtende was op bezigheid. Ze wisten zeer
goed, dat ik met handenarbeid voor mijn groot gezin het
brood verdiende, en dat school en kerk mij dag en avond
en altijd door geheel innamen. Ze wisten echter ook, dat
bij mij vast stond: Wat \'t zwaarste is, moet ook het zwaar*
ste wegen, \'t Is mij onmogelijk, de vele uren aan ziekbedden
doorgebracht in den loop van 25 jaren, mij te herinneren.
Ook zou de beschrijving hiervan op zich zelven een lijvig
boekdeel kunnen vullen, en hiervoor rest mij geen ruimte,
terwijl het ook niet noodig geacht kan worden.
Slechts enkele gevallen wil ik ter neer schryven. — Mijn-
heer, zou u zoo goed willen zijn te komen bij Juffrouw...
aan de Zuidstraat N°.....? Is daar een zieke ? Ja Mijnheer,
de Juffrouw is gevaarlijk ziek. \'t Was niet in mijne buurt
en daarom rees bij mij de vraag: hoe komen ze daar aan
my? Spoedig was ik gereed, en weldra bevond ik mij in
de ziekenkamer. Daar vond ik eene nog jeugdige vrouw,
en aanstonds vernam ik de bittere klacht: Ach mynheer,
ik moet sterven! — Ik heb een hartziekte en daarbij het
water. Ik moet daaraan sterven, \'t Was in de woning zeer
deftig, en alles had het aanzien, van wat men noemt eerste
klasse burgerstand. Ik sloeg een blik van innig medelijden
op deze p. m. 40 jarige lijderes, en kon het met mijzelven
maar niet eens worden, van welk allooi deze vrouw was.
Zij kwam mij zoo verdacht voor. Ik begon met haar te
vragen: Hoe is u er toch toe gekomen, mij aan uw ziek-
-ocr page 76-
67
•
bed te roepen! .... behoort u niet bij eenig kerkgenoot- •
schap ? Ja mijnheer, ik ben Luthersch, maar ik heb zoo veel
van u gehoord, en daarom liet ik u roepen. Ik liet de
gedachte varen wie zij was, en het deed er ten slotte ook
weinig toe. Ik sprak haar aldus toe: Gij moet sterven ?
Ja mijnheer! Kunt u in vrede sterven? Ach neen! En
hierop begon deze vrouw bitter te weenen. Waarom
weent u zoo ? Ach, wat zal ik u zeggen. Mijn vader was een
vrome man, hij heeft mij zoo menige goede les gegeven.
Maar!! Ach, nu moet ik sterven. Hierop verkondigde ik
haar het Evangelie van Gods groote zondaarsliefde, en
bevond, dat deze ziel daarvoor volkomen rijp was. Een
•diep gevoel van schuld deed hare oogen van tranen glin-
steren, doch waar ik van Jezus sprak, als den Redder van
verlorenen, merkte ik, dat hare ziel zich vol belangstelling
opende. Verheugd als ik was, deelde ik bij mijne tehuis-
komst mijn huisgenooten daarvan iets mede, want waarlijk
deze zieke maakte een gunstige uitzondering bij de velen,
die door mij bezocht waren. Toch kwam weer de vraag
in mij op: Wie is deze vrouw toch ?
Bij een tweede bezoek, kon ik niet nalaten weer te vra-
gen: Ik begrijp toch maar niet, hoe u zoo tot mvj zijt
gekomen? En? .... Na eenig aarzelen, na enkele diepe
verzuchtingen begon de vrouw te vertellen. Ze zeide:
„Ach mijnheer, toen u nog woonde daar tusschen de groote
huizen, dat wilde zeggen bordeelen, en in dat houten
lokaaltje predikte, kon ik u altijd hooren spelen op het
orgel en zingen, en als ik dan het raam open schoof, hoorde
ik veel van uwe prediking. Want weet u, u begrijpt my
wel, daar zat ik als .... En o! als ik u dan hoorde, dan
-ocr page 77-
68
• dacht ik aan mijn vader, en dan smeekte ik God, mij nog
eens daaruit te verlossen. En \'t is ook zoo gebeurd. Een
zeeman heeft mij getrouwd, en nu woon ik hier sinds....
Daardoor nu kende ik u, en geloofde, u zoudt mij wel wil-
len bezoeken." Ik had iets dergelijks vermoed, en vond nu
ook gereede aanleiding, om deze waarlijk boetvaardige zon-
dares op Jezus te wijzen, als de rustaanbrenger voor het
zwoegend hart, dat steeds nog werd vervolgd, door een
kloppend geweten. Hoewel ik afwezig was, toen zij na
enkele dagen stierf, zoo is toch mijne verwachting haar
weer te zullen vinden voor den troon des Lams, als eene,
die door de stem des goeden Herders uit den doolhof dei-
zonden gered, aan Zijne voeten was neergezonken.
Een ander geval, \'t Was reeds laat in den avond, toen
een meisje bijna buiten adem geloopen, en roepende: of
u dadelijk bij mijn vader wil komen! tot mij kwam. Zonder
een oogenblik te toeven, volgde ik dit kind, dat schreiende
vooruit liep, op den voet, en weldra stond ik een vreese-
lijk tooneel gade te slaan. Ik kwam slechts tot in de por-
taaldeur der kleine woning, waar het zeer groote gezin
vreeselijk huilde en jammerde. Ik zag den vader van het
gezin staan, met de handen vastgeklemd aan de leuning
van een stoel, wit als een lijk, terwijl groote droppels, het
geleek mij doodzweet te zijn, langs zijn aangezicht parelden.
Hier was doodsangst en doodsstrijd in al hare verschrikking
waar te nemen. Ik wist en durfde ook geen woord te spre-
ken. Ook begreep ik niets van het lijden in zulk eenposi-
tie. Naast mij stond een marinier, eveneens in angstige
spanning, tel, wachten. Zacht fluisterend vraagde ik hem:
wat scheelt deze man? En hij antwoordde: Hij staat op
-ocr page 78-
69
\'t punt om te barsten. Hij kan niet wateren! En o, wat»
bitter lijden zagen mijne oogen en toch, wat hier te doen?
Daar vliegt de deur open en eene huilende stem doet ons
vernemen: De dokter is niet thuis, en de apotheker kan
niet komen. De laatste ster moet eerst verdwijnen om
plaats te maken voor de zon des Heils. Ik zeide daarom:
de Heere Jezus is wel thuis! En Hij kan wel komen! Ik
zal het Hem vragen. En tusschen benauwde angstkreten,
en luid geween van allen, baande mijne bede zich een weg
naar het hart van Jezus. O, wie beschrijft de verlossing!
Nog nauwelijks is het amen uitgesproken, of daar ligt de
vader met het aangezicht op den vloer, en roept, onder
een vloed van tranen der vreugde: Dat mag verlossing
heeten. Ja, terwijl ik bad stroomde den armen lijder het wa-
ter af, hoewel hy uit eerbied staan bleef op dezelfde plaats.
Met dankbare blijdschap in den Heer, mocht ik daarna
ook hier het Evangelie van Zijne zondaarsliefde prediken
en goedsmoeds wederkeeren.......
God is een Hoorder der gebeden. Hoe menigvuldig mocht
ik dit ondervinden. En daardoor telken male gesterkt, was
het my niet zwaar, altijd vol moed te blijven in den arbeid.
Daarbij wetende, dat niemand gerechtvaardigd wordt door
de werken der wet, wel door de prediking des geloofs,
bleef ook de hope gestadig in mijne ziel, dat ook onder alle
bestrijding de vrucht eens zou worden aanschouwd; ware het
niet hier, althans niet altijd naar wensen, eenmaal toch zeker,
zou den naam van Jezus eer en heerlijkheid gegeven wor-
den. Een dergelijke geschiedenis, beleefde ik met eene
vrouw.
Te midden mijner drukke bezigheid bij een trog met
-ocr page 79-
70
roggebrood, werd ik dringend verzocht, bij een stervende
vrouw te komen. Altijd komt men, zoo dacht ik, als de
dood zich reeds heeft laten gevoelen. Wat ellendig toch.
Ik antwoordde, dat ik wilde komen, doch mijn brood moest
eerst in den oven. Na een paar uren, dan kan ik bij uw
moeder zijn. Ach mijnheer, was, het antwoord, dan is zij gewis
dood. De dokter was zoo juist bij ons en zeide: Er is geen
hoop meer, wilt ge nog iets bestellen, dan moet ge u haas-
ten. Een uur kan uw moeder misschien nog wel leven.
Och, als het u belieft, ga toch dadelijk mede. Ik waschte
mijne handen, schoot mijn jas aan en ging meê. Ik behoefde
toch zoo lang niet weg te blijven. En één uurtje kon al-
licht worden ingehaald, door alle krachten in te spannen.
De zeer armoedige stulp was spoedig bereikt. Behalve de
zieltogende vrouw vond ik daar een jongen man, den 20
jarigen zoon en twee buurvrouwen, die bij het bed stonden.
Ik voegde mij bij hen, greep de hand der zieke vrouw, en
zag haar aan. Niet het minste besef of gevoel was echter
meer aanwezig; zij leefde, doch was niet in staat een en-
kel woord te verstaan. Daarom sprak ik tot de aanwezigen,
over het vreeselijke van zoo, onverzoend met God de
eeuwigheid te moeten ingaan.
Ik zeide hen, dat ik voor deze vrouw niets kon doen. Ik
wist wel, wat in hunne harten omging: Zou u niet eens-
voor haar willen bidden ? Maar ik was hun hierin voor, en
sprak: Zóó te sterven, o dat is ontzettend. Ik wil daarom
Gods naam aanroepen, opdat zij weder tot bewustzijn
kome, en het Evangelie kan hooren en zalig worden. Ik
knielde neder, en ook de aanwezigen knielden om mij heen.
Ik bad, en zeide: Heere Jezus, laat deze vrouw heden niet.
-ocr page 80-
71
sterven. Herstel haar, opdat zij het Evangelie van Uw ge;
nade kan hooren. Amen.
Daarna groette ik hen, en spoedde my heen, naar mijn
roggebrood. Ik hoorde dien dag niets van haar toestand.
Den volgenden dag vond ik tijd om er heen te gaan. \'t Is
wonderbaar: men bidt, men hoopt, en ?.....Als des Hee-
ren macht en genade worden gezien, gelooft men bijna
zijne oogen niet. Waarlijk daar zit de zoo den dood nabij
zijnde vrouw bij de tafel voor \'t raam kousen te stoppen.
Barmhartig is de Heer, en zeer genadig. Schoon zwaar
getergd — deze vrouw was door een jeneverberoerte,
tot zoo nabij den dood geweest, — lankmoedig en welda-
dig. Ja, Hij is groot van goedertierenheid. Op mijn vraag,
of zij wel wist, waartoe of ze weer opgericht was gewor-
den, antwoordde zij ontkennend. Niets hadden de man of
kinderen gezegd, dan dat ik gebeden had. Daarom gaf ik
haar een kort verslag van het doel, waarmede God haar
van den dood gered had en predikte haar de onuitspreke-
hjke genade Gods, om haar te redden, ook van den eeuwi-
gen dood. God is goed, Hii bewijst geen lust te hebben in
den dood des goddeloozen. De zondaar daarentegen is boos,
en onbarmhartig jegens zich zelven. Wel ontving ik hier
de belofte van de prediking te zullen gaan bijwonen, maar
deze werd niet vervuld. De arme vrouw ging wederom
aan het drinken, en bij een volgende beroerte verloor zij
het leven.
O, vreeselijk ontwaken, als ook door dezulken zal wor-
den verstaan, wat al niet door Gods aanbiddeljjke liefde,
tot hunne behoudenis, door Hem aan hunne zielen werd
gedaan. En wie ooit moge twijfelen aan de woorden in
-ocr page 81-
72
, ï Timotheüs 2 vers 4, alwaar wij lezen: God wil dat alle,
niet allerlei, neen in waarheid, dat alle menschen zalig
worden, en tot kennis der waarheid komen, neme nota van
al den arbeid der goddelijke liefde, en van het vele, dat Hij
voor den zondaar doet, zoo bij leven als in sterven. Mij aan-
gaande, het is mij honderden malen aan ziek- en sterfbedden,
zoo in gasthuizen, als in het hospitaal der marine, en van den
burgerstand, gebleken, dat de reddende liefdehand van Jezus
overal zichtbaar is. Zichtbaar in de verhooring der gebe-
den, en in den samenloop der omstandigheden, als een
bewijs, dat het Evangelie des Heeren waar is. En al ware ook
altijd mijne prediking afgestooten op hardnekkig ongeloof,
en al zou mijn ziel zich immer teleurgesteld gevoeld heb-
ben in de schoonste verwachtingen, zoo zullen toch mijne
lippen, zoo lang er adem in my is, belijden, dat Jezus niet
op aarde kwam, om de zielen der menschen te verderven,
niet om de wereld te veroordeelen, maar opdat de wereld
door Hem zou behouden worden. Gelukkig dat het Evan-
gelie waarlijk een kracht Gods tot Zaligheid is, voor allen
die gelooven. Dat wil zeggen: Alleen voor hen, die geloo-
ven. Een zeer verblijdende ervaring mocht ik daarvan op-
doen aan het ziekbed van een teringlijderes.
Deze vrouw was wat men noemt doopsgezind. Bij de
achteruitgang harer krachten, ontbood zij den dominee, ten
einde zijn Eerw. te raadplegen omtrent haren zielstoestand.
En gelukkig: aanstonds werd zij met des dominee\'s bezoek
vereerd. Ach dominee, ik ben zoo ongerust, bij de gedach-
te aan het sterven. Zou u mij iets willen voorlezen, of
voor mh\' bidden? En wat was het antwoord? Wel vrouw,
ben je nog zoo dwaas, om je te bekommeren over den
-ocr page 82-
73
dood, en over een z. g. eeuwigheid? Kom, kom, stel je* ,
maar gerust hoor, want dat alles is te eenenmale nut-
teloos. Wilt u asjeblief maar heengaan, Dominee? U heb
ik ni&t noodig, was haar korte antwoord. De vrouw klaagde
daarop haar nood, aan eene buurvrouw, die haar bezocht
•en zeide: Och, ik wenschte toch zoozeer, dat er iemand
was, die voor mij wilde bidden. Deze buurvrouw wist den
weg wel te vinden, en zeer kort daarop trad een vreem-
deling de ziekenkamer binnen met de woorden: Is het u
te doen vrouw, om de vergeving uwer zonden? En wenscht
u zalig te worden?
Na enkele mededeelingen omtrent hare teleurstelling met
den Dominee, en de oorzaak mijner komst, bleek het mij,
dat hier honger en dorst naar Gods genade was. Met groote
blydschap, putte ik voor haar uit de fontein des levenden
waters en reikte ik haar de wateren des levens toe. \'t Was
haar aan te zien, dat het gehoorde haar als Hemelmuziek
in de ooren klonk. Zwijgend staarden hare oogen ten Hemel,
terwijl een blijde glimlach haar aangezicht verhelderde.
Den volgenden dag haastte ik mij zooveel mogelijk met
mynen arbeid, verlangend haar spoedig te bezoeken. Toch
was het reeds twee uur in den namiddag, voor ik mij
gereed kon maken, en juist ter zelfder ure komt weer de
buurvrouw, doch thans in naam der zieke, met de bood-
schap, of ik zoo spoedig mogelijk nog eens wilde komen,
want zü verlangde zoo naar mij. Met meer dan gewonen
spoed snelde ik derwaarts. Hare oogen zagen mij vriende-
lijk en dankbaar aan en hare lippen bewogen zich. Toch
hoorde ik haar stem niet. Ik merkte, dat de levensgeesten
uitgeput waren, en zeide haar: Het bloed van Jezus Chris-
-ocr page 83-
74:
t\'is, Gods Zoon, reinigt van alle zonden. Ja ik sprak
en onderwijl was de ziel reeds ontvloden.
Niet den minste doodsstrijd had ik bij haar kunnen bemer-
ken. \'t Was mij zelfs moeielijk te gelooven, dat de dood
werkelijk was ingetreden. Hier werd dan ook vervuld: Die
in Mij gelooft, zal den dood niet zien in der eeuwigheid.
Want het Evangelie des Heeren Jezus, had haar gegeven,
om op Hem te staren, die sterven wilde, om stervenden
het leven te geven. Met blijdschap kon ik deze ziel nasta-
ren. En al behoorden zulke ervaringen bij bezoeken aan
kranken ook tot de uitzonderingen, gelukkig dat toch ook
zulke dingen werden beleefd. Want! .. . . Zou ik de ellende
gaan beschrijven, die bij kranken werd aanschouwd, en
tot welke moedeloosheid mijn hart daardoor soms werd
vervoerd, waarlijk daar was aan mijn schrijven in dezen nog
niet zoo spoedig een einde.
\'t Is gebeurd, dat bij \'t zien mijner schaduw, een kran-
ke mij gierend en kermend trachtte te ontvluchten. Som-
mi gen krompen ineen van angst, als ik binnentrad, en den
naam van Jezus op de lippen nam, zoodat ik zelf van zenuw-
aandoening trilde. Toch hield ik steeds vol en wilde den
Satan zijn prooi niet laten behouden.
Eén geschiedenis voeg ik hier nog aan toe, dewijl ze zoo
treffend de genade des Heeren Jezus, ook over mn\' zelven
openbaarde.
\'t Was reeds laat in den avond. De Evangelieverkondi-
ging, — \'t was op een Donderdag, — was reeds eenigen
tijd afgeloopen en het weer was koud en guur. Daar komt
een p. m. 12 jarige jongen, met de boodschap:
Vader is ziek, of u bij hem wilt komen!
-ocr page 84-
75
Wat scheelt uw vader, ventje? Hij is ziek! Zoo, is hei;
erg? Doch wat ik vroeg, het korte antwoord bleef: Hij is
ziek. Goed! ik zal meegaan. Waar woont ge ? In de Visch»
straat. Kom, dan gaan wij samen, gij kunt mij dan den
weg wijzen. Wij kwamen spoedig in de Vischstraat. Een
wonderlyk gevoel maakte zich van mij meester. Bang was
ik niet, en toch, het was mij, alsof mij inderdaad iets bui-
tengewoons te wachten stond. Daarom beval ik mij dan
ook meer dan gewoonlijk in de hoede des Heeren aan.
Die jongen was zoo terughoudend en vreemd, dat ik
moest denken: Daar zit bepaald iets achter. Hoewel onbe-
vreesd voor hetgeen komen zou, bad ik den Heer mij nabij
te zijn, vast geloovende: hier is kwaad te duchten. Daar
is de deur! zeide de jongen. Maar hij roerde ze niet aan,
liep eenige schreden verder, en bleef daar staan. Natuur-
lijk werd mijn angstig gevoel daardoor niet minder en \'t
spoorde mij aan tot waakzaamheid en ernstig gebed. Ik
vatte daarop de kruk der deur, doch daar \'t slot blijkbaar
verloopen was, ging de deur niet spoedig open. Daardoor
werd den Satan daarbinnen tijd gegeven, zich met spoed
achter de deur te posteeren. Dit was zoo stil in zijn werk
gegaan, dat ook het minste niet door mij kon worden ge-
hoord. Nog eens gedraaid, en zie de deur ging open. Geluk-
kig, dat mijn gevoel mjj gewaarschuwd had. Daar staat
in de geopende deur, vlak voor mij, een vreeselijk verwoede
kerel, bh\'na geheel naakt, en terwijl zjjn ruwe haren hem
over de oogen hingen, strekt hij in minder dan een oogen-
blik zijn gespierden arm met gebalde vuist, naar mij uit,
en schreeuwt met duivelsche woede mij toe: Ik kom in
den naam van Beëlzebul. Maar de Genade Gods was over
-ocr page 85-
76
( Efij. Met denzelfden spoed gaf ik ten antwoord: En ik kom
in den naam van Jezus Christus! Met dit woord zette ik
hem den vinger op zijn ontbloote borst. Ik stapte op den
drempel, en hij trad achteruit. Met den vinger op zijne
borst uitgestoken, volgde ik hem, tot hij aan zijn gewone
zitplaats was genaderd. Dood bedaard ging hij zitten. Ik zag
hem slechs in zijne oogen en sprak niet. Daar valt hij voor
mij op zijne knieën, vouwt krampachtig zijne handen, en
prevelt eenige onverstaanbare woorden; doch ik beval: Sta
op, mij moogt ge niet aanbidden. Hij stond op......En
mij met een angstigen blik aanziende, vroeg hij. Bid voor
mij! waarop ik antwoordde: Ik wil aan des duivels verzoek
niet gehoorzamen. Heden zal ik voor u niet bidden. Ik zal
u zeggen, wat ge doen moet. Gij gaat onverwijld naar bed! —
En! !......Je komt er niet uit voor morgen, als het
dag is! . . . . begrepen ? En het antwoord luidde: Ja Mijn-
heer! Dadelijk stond hij op van z\\jn stoel, maar toen ik
zeide: morgen hoop ik weer te komen, en dan zal ik voor
u bidden, sprong hij in \'t bed, en haalde de dekens over
zijn hoofd, opdat hij mij niet langer behoefde aan te
zien. Ik sprak nog eenigen tijd met zijne vrouw, en daarna
ging ik heen. Toch kon de man niet nalaten aan zijne
vrouw te zeggen, voor ik de kamer had verlaten:
Dat zijn heilige menschen, vrouw! Maar hoe kon dat
jongentje nu zeggen: Vader is ziek ? Ja; ze begrepen wel,
dat door te zeggen, hoe moeder en kinderen, voor dien
door sterken drank tot een bezetene gemaakten vader, vrees-
den, mijne komst allicht uitgesteld zou worden, en daarom
maar kortaf: hij is ziek. Natuurlijk was ik den volgenden
dag aan deze woning, doch de woesteling had zich reeds
-ocr page 86-
77
verwijderd, en kort daarna heeft hij onze plaats verlaten
voor beroepsbezigheden.
\'t Was niet de laatste maal,
Dat mij des duivels taal:
Ik kom, klonk in de ooren.
Maar voor mijns Heilands naam
Kan Satan niet bestaan
En gaat zijn macht verloren.
*
-ocr page 87-
81899
IN DE HUTTEN DER ARMEN.
Evangelieprediking en arm verzorging dagteekenen reeds
van de dagen der apostelen als twee bijeenbehoorende
werkzaamheden. En welke Evangelieverkondiger komt
niet in de eerste plaats met de armen dezer wereld in
aanraking? En waar de armen ook het spreekwoord
verstaan: Ieder vischt op zijn getij! Daar is zeer dikwijls
hun begeerte naar het Evangelie slechts de wegbereider
naar de beurs of broodkast van den Evangelist. Nu mogen
zulke beginselen afkeurenswaardig zijn, zoo blijft toch de
prediker geroepen, om te verstaan, dat het niet aangaat
een lange of korte rede te houden voor menschen, die ge-
brek lijden, en hun niet te geven, wat tot de nooddruft
des lichaams behoort. En ook de arbeider in het Evange-
lie zal ondervinden, dat de weg naar het hart der armen
door zijne maag loopt. Wat my betreft, ik behield deze
spreuk immer in \'t oog, bij de ontmoeting van behoeftigen.
Ja \'t werd bij mij regel om bij het doen van huisbezoek
bij armen, een roggebrood mede te nemen, en bleek het
-ocr page 88-
79
noodig te zijn, dan ook een gave in geld hier aan toe tè •»
voegen. Jaren aaneen bleef het mijne meening, dat de be-
hoeftigen, die ik ontmoette, voor mijne rekening waren.
Hierdoor was het dan ook, dat door mij voor de zoodani-
gen nooit de hulp van anderen werd ingeroepen; mijne
ondervinding, ook bij onderhouding van vele gezinnen,
gedurende weken en soms maanden, was, dat ik niet de
minste achteruitgang in mijne zaken bemerkte. Euimschoots
werd mij de waarheid van \'s Heeren Woord bewezen: Geeft!
•en u zal gegeven worden. Daarom dan ook is dit mij geen
roem, maar wel een oorzaak van innige dankzegging, de-
wijl het genade van God was, ook by vele zorgen voor
eigen groot gezin, en zonder geldelijk vermogen, zonder
omzien, ook de armen te mogen gedenken, tot bereiking
van hunne harten, opdat deze voor Jezus zouden geopend
worden. Wat gij wilt, dat u de menschen doen zullen,
was mij dikwijls tot een koord, hetwelk mij tot de hutten
der armen henentrok. Zoo zat ik eens op een Zaterdagavond
te peinzen over de vraag: Wat zal ik morgen tot uitgangs-
punt moeten hebben voor mijne prediking, toen opeens
mijne gedachten naar buiten traden, en stil stonden voor
de hut eener oude, alleenwonende weduwe.
Hoe \'t kwam, kon ik niet verklaren, doch\'t was my, als
zou die oude ziel den Zondag in kommer en honger moe-
ten doorbrengen, \'t Was byna tien uur. Daarom greep ik
zonder dralen een mand, deed daarin provisie van
allerlei benoodigdheden, en spoedde mij, door de nauwe
gang tot haar afgelegen woning. Ik klopte en \'t arme
mensch, dat zich zoo iets onmogelijk kon voorstellen, kwam
met barre stem, tot nabij de deur en beproefde door scheld-
-ocr page 89-
80
^voorden, dien onverwachten bezoeker te verjagen. Maar neen,
ze bleef met mij opgescheept. — Ja opgescheept, want
ook mijne goede woorden, en schoone beloften, kwamen
haar voor slechts bedriegelijke middelen te zijn, ter be-
reiking van een misdadig doel. En bijna zou ik mijne
mand weder opgenomen hebben en heengegaan zn\'n, want
niets scheen in staat om de deur voor mij te doen ont-
grendelen, toen \'t volgende gebeurde.
Daar komen een, twee, drie buurvrouwen naar buiten;
ze hebben het rumoer daar op de plaats nabij hunne wo-
ning gehoord. Wie zijt gij ? Vroeg een hunner. Ik liet hun
de mand, en daarenboven ook mijn aangezicht zien. Wacht
maar, zeide de eerste, ze liep daarop naar de voor mij
gesloten deur, en sprak: Buurvrouw! Ja dit ging beter.
Deze stem was een bekende. Doe maar open hoor. \'t Is
goed volk! \'t Gelooven viel nu niet zwaar. Oogenblikkelijk
was de grendel weggeschoven en het: O Mijnheer, ver-
geef, och vergeef mij mijn brutale scheldwoorden, enz.
enz. waren de eerste [uitingen harer ziel. En toen ik de
mand uitpakte, rolden de tranen des berouws over het in
onwetendheid afwijzen dezer weldaden, gelijktijdig met die
der innerlijke vreugde, langs hare kaken. Want de gave
was daar noodig. Met blijdschap keerde ik weer. En zoolang
ik deze vrouw gekend heb, vond ik bij haar een geopend
oor voor het Evangelie en de wetenschap, hoe dwaas men
handelt, als onwetendheid de ziel vervult.
Ook gaf deze geschiedenis mij aanleiding tot het schrij»
ven van een tractaatje, waarvan in een korten tijd 2000
stuks hun weg vonden, \'t Ware zeer zeker voor eiken
Evangelist eene oorzaak van groote kracht, wanneer deze
-ocr page 90-
81
in staat werd gesteld overal de armen ook van levensbe*"\'* ,
noodigdheden te kunnen voorzien. Want daar zijn toestan-
den te over. waar het letterlijk onmogelijk is ook maar
één woord te kunnen spreken met verwachting dat dit
ontvangen wordt, indien niet eene gave als sleutel in de
hand zij, tot ontsluiting van de deur der ziel. Zoo ging
ik eens op een zeer strengen kouden winteravond de straten
door, tot voor een huisgezin, waarvan ik de wetenschap
bezat; geen verdiensten, en een groot gezin. Ik trad bin-
nen, en legde mijn roggebrood op de tafel. Natuurlijk werd
mij een zitplaats aangeboden en weldra zat een gedeelte
van het gezin met luisterende ooren rondom de tafel te
luisteren naar het Evangelie.
Voor ik deze woning verliet, kwam het mij goed voor,
eenig onderzoek in te stellen naar de bestaande behoeften
aan hulp. En nooit te voren was ik ooggetuige geweest,
van zoo diepe ellende. De vader van het gezin, een goed
man, bracht mij voor de slaapplaats zijner kinderen, en
toonde mij een zeer versleten molton deken, waarmede
deze gedekt werden. Met een gevoel van schaamte, ont-
blootte hij zijn borst en zeide: Zie mijnheer, dit is mijn
eenige kleeding, wijzende op zijn boezeroen, en als nu voor
ons de tijd tot slapen aanbreekt, zie, dan leggen wij onze
kinderen op den vloer, en dekken hun met mijn boeze-
roen, enz. en gaan wij onze naakte leden met dien deken
dekken, \'t Was mij genoeg. Ik spoedde mij huiswaarts.
Geld had ik niet, en dekens ook niet over. Maar, ik be-
zat een tamelijk groot en zwaar kleed op onzen vloer,
en daar mijne goede vrouw er niets tegen had, werden
daar vier flinke dekens uitgesneden, waarvan twee direct
6
-ocr page 91-
I
82
, \'ie hunner beschikking gesteld werden. Een paar dagen
later werd ik genood bij een zieke. Ik volgde mijn gelei-
der en vond een p. m. zeventigjarigen verarmden man in
een onder de pannen getimmerde afschutting, met een hand
vol wier of zeegras op den zolder, en daarin lag deze oude,
zieke man ter neder, te zuchten en te kreunen. Wat zal
daar gepredikt worden? Ga uit van dit varkenshok, en
word warm ? Neen! Hier doen woorden geen nut. Ik ging
dan ook heen, en zeide: Ik kom aanstonds terug. En waar
te dezer plaatse een vloerkleed-deken bijwijze van laken,
en een voor dekking werd verstrekt, werd ook de weg
gevonden om met de boodschap van de liefde van Jezus
te komen tot het hart. Wat ons betrof, wij hebben nooit
met zooveel genot op een vloerkleed geloopen, als toen op
de planken. En hoewel de vruchten, die geoogst worden
op den akker der armverzorging, meestal bestaan in on-
dankbaarheid, dewijl velen werkelijk meenen, dat het hun
toekomt, geholpen te worden, en hunne belangstelling voor
het Evangelie, slechts zoogenaamde belangstelling is, zoo
blijft toch waar, dat de kennis van eigen ondankbaarheid
in \'t licht van de ontvangen weldadigheden Gods, in de
vergeving der zonden, en vervulling aller nooden, kracht
geeft de armen wel te doen en hun ondank te ver-
dragen, terwijl de waarheid, dat de weg naar het hart
der armen door de maag loopt, bevestigd wordt waar
geschreven staat: Wat baat de prediking des Vredes
aan onze arme medemenschen, indien niet in hunne nood-
druft ook wordt voorzien. Jac. 2 : 16.
Zeer veel heb ik ook op dit gebied mogen ervaren,
en niet zelden de onbegrijpelijkste listen aanschouwd, waar-
-ocr page 92-
83
•
mede deze soort van menschen te werk gaan om door cfv
wekking van medelijden hun doel te bereiken. Dikwerf
kwamen velen getrouw in ons lokaal, alleen om in de be-
deeling te deelen. Eenmaal zelfs hield bij het einde der
prediking eene vrouw zich alsof ze den geeuwhonger had,
doch door een bestraffing, welke ik haar toediende, werd
zij van den zoogenaamden geeuwhonger genezen. Toch
blijve: Gedenk den Armen! zoo al niet voor, dan toch on-
middellijk achter de woorden onzes Heeren: Predikt het
Evangelie aan alle creaturen in onze harten gegrift.
-ocr page 93-
HET BLINDE KIND.
De Heere Jezus heeft niet opgehouden, Zijne macht en
genade te bewijzen aan hen, die op Hem hopen, sinds Hij
deze aarde heeft verlaten. O, Neen — ! En hoe velen ook
daarvan het zekere en gewisse in zich om dragen, zoo-
komt het mij toch voor, de geschiedenis met een blind
kind, tot vermenigvuldiging dier bewijzen hier een plaats
te moeten geven.
\'t "Was Kerstfeest. En de kerstfeestCTermg\' in onze Zondag-
school was immer voor groot en klein tot groote vreugde.
De bevolking onzer Zondag- en bewaarschool, telde zoo
ongeveer 350 a 400 kinderen. Om nu deze groote kinder-
schaar feest te doen vieren, deelden wij deze in twee helften.
En na uitneming van deuren en ramen in ons lokaal, bouwde
ik gewoonlijk een soort van loofhut daar tegen aan, om er de
ouders en belangstellenden te plaatsen. Alles was gereed en
op den middag van den eersten kerstfeestdag stroomde ons lo-
kaal meer dan vol. Naast den katheder, stond onze welbevrach-
-ocr page 94-
85
te kerstboom met zyn vele lichten. Alles en allen teekendeff ,
een recht blijden dag! Allen? Neen! Eén was daarvan buiten-
gesloten; en toch was daarvan niemand zich bewust; ook m\\j
was dit niet bekend. De tijd riep mij het feest te openen,
•en ik stapte den katheder op. Maar toen door mij een lied
zou worden opgegeven, tikt eene vrouw met haar zesjarig
zoontje, een vroegeren leerling van de bewaarschool op den
arm, mij op den schouder, en zegt: Och mijnheer, mijn
Hendrik is reeds lang blind, maar hij hield niet op te vra-
gen, om het kerstfeest bij u te mogen vieren; zie hier heb
ik hem maar ach, hij kan u niet zien en niets van alles
wat hier is. Maar....
Hij heeft gevraagd, of ik u wilde vragen, voor hem te
bidden, en hij zegt: „Dan zal de Heere Jezus zijne oogen
openen 1"
Deze laatste woorden, ik wil dit bekennen, grepen mij
geweldig aan. \'t "Was direct in mijne ziel: Och kind, wat
stelt ge een verwachting in mijne bede! En als ge nu
teleurgesteld wordt! En wat zal dan \'t publiek zeggen?
Gelukkig echter, ik herstelde spoedig, en waar de me-
nigte wachtende was, deed ik mijn mond open, en zeide:
Hier onder den kerstboom zit een jongsken, dat niemand
en niets van al wat hier is, kan zien; zijne oogen zijn reeds
lang gesloten, en tevergeefs hebben doctoren beproefd
hem het licht te doen aanschouwen. Toch is hu\' hier, en...
Hij zegt, als ik voor hem bid, dan zal de Heere Jezus
zyne oogen openen. Laat ons dan, voor alle dingen, eerst
voor dezen kleine bidden.
Alles bevond zich onder een werkelijk machtigen in-
vloed, en een ademlooze stilte vervulde ons lokaal. Ik
-ocr page 95-
I
86
, ITad gebeden, en op onze gewone wijze werd — ik moet
zeggen zonder om \'t bewuste kind te denken, dewijl zulke
feestvieringen alle gedachten in beslag nemen, met blijd-
schap feest gevierd. De tijd was voorbij. Allen waren
voldaan en gereed tot vertrekken, en na dankgebed
werden de deuren geopend. Ook de moeder, met haren
blinden Hendrik treedt naar buiten. Maar wie wordt niet
ontroerd? Daar springt die jongen op, en klapt met
de handen, en verheft zijne stem, als die van een ba-
zuin, en roept:. . . . Mijne oogen zijn open! Van schrik
zonk de moeder in een, terwijl haar Hendrik, als buiten
zijn zinnen, huppelde van vreugde. Dat deze dingen als
een loopend vuur zich heinde en verre een weg baanden,
laat zich begrijpen, en vooral uit de straat, waar deze vrouw
woonde, liepen tot zeer laat in den avond de lieden in en
uit, om zich van deze geschiedenis te overtuigen. Den
volgenden kerstfeestdag konden wij beginnen met te zeggen:
God heeft groote dingen bij ons gedaan. Dies zijn wij verblijd.
Gisteren vingen wij aan met gebed, voor dien armen
jongen. Nu mogen wij beginnen met den naam des Hee-
ren Jezus te loven, dewyl Hij, dien kleinen Hendrik niet heeft
beschaamd, maar gegeven heeft, wat hij begeerde, en ook
verwachtte. Ja Jezus leeft. En wh\' mochten in die dagen
werkelijk iets beleven van hetgeen wij lezen in vers 8 van
Handelingen 8. Dat luidt: En daar werd groote blijdschap
in die stad. Een paar dagen later kreeg ik bezoek van
een echtpaar, waarvan de vrouw steeds lijdende was aan
hare oogen. Op mijne vraag: Wat is er van uwe orders?
heette het: Och mijnheer, wy hebben gehoord van dat,
jongentje, kan u ook iets doen aan mh\'ne oogen? — Ik:
-ocr page 96-
87
liet deze lieden in mijne kamer komen en zeide: Denlii
u, dat ik een wonderdokter ben? Gelooft mij, ik kan het
niet helpen, dat die jongen genezen is. Maar ga bij dat
ventje ter school, om als hij, te leeren, dat de Heere Je-
zus goed en machtig is. Na deze vermaning gingen deze
stumperds ietwat verstoord weer heen.
-ocr page 97-
DE VONDELING.
\'t Was ja een vondeling, doch niet in den gewonen zin.
Want het was een flink gebouwde, ongeveer dertig jari-
ge zeeman, welke door mij gevonden werd. \'t Was na
afloop van het eerste baksel brood, dat ik mijn broodwa-
gen van achter mijn huis, door de straat, tot voor de
deur zou brengen, toen een groote menigte menschen,
de straat bijna geheel had ingenomen. Ik zette mijn brood-
• wagen, zoo ik meende, even neer, en nieuwsgierig als ik
was, drong ik tusschen dit volk in en onderzocht naar de
oorzaak van dezen oploop. Men wees mij, tot aan den muur van
een huis, en daar stond het voorwerp van aller diep be-
klag. Een jonge kerel, maar! blauw als een lei, en klap-
pertandend van koude, terwijl het water hem van al zijne
kleederen afliep. Op mijn vraag: Waarom brengt ge dien
man niet in eene slaapsteê? werd mij van alle kanten
geantwoord: Zijn geld is op, en niemand wil hem opne-
men; daarom heeft hij van morgen al driemaal beproefd
-ocr page 98-
89
^ich te verdrinken. Nu is hij half dood, maar als het vofl> ,
heengaat, zult ge zien, hij springt zoo weer in \'t kanaal.
Ik sprak geen woord, doch drong naar voren, en nam dezen
ongelukkige bij den arm, en hoewel hij mij niet kon ver-
staan, (\'t was een Engelsche matroos) zeide ik: ga maar
meê. Met waggelende beenen met mij gaande, bracht ik
dezen vondeling in mijn huis, en dat tot groote verbazing
4er ons volgende menigte. Machteloos als de man was,
die tot driemalen toe bijna in de kaken des doods was,
waaruit hij slechts met groote moeite telkenmale kon ge-
red worden, liet hij zich, als een kind, alles welgevallen,
wat ik deed. Ik bracht hem in de bakkerij, en zette hem
op een stoel voor den oven neder. Daarop trok ik zijn
borstrok en hemd uit, en deed hem een droog hemd en
borstrok aan, vervolgens zijn broek, onderbroek en kousen
en spoedig was hij, wat het uiterlijke betrof, mijn afdruk.
Geen enkelen klank, liet de man hooren, en niet de minste
beweging werd door hem gemaakt. Ik haalde een bedpeul.
met kussens en dekens, en in een hoekje tegenover den
oven legde ik hem neder, na hem vooraf een flinken hee-
ten kop koffie te hebben toegediend. Onder al deze bedrij-
ven echter, wierpen de buitenlui, mijn deur open, en
schreeuwden mij toe: Past maar op hoor! Want die kerel
is gek. Nu, ik dacht: dat is slechts om mij schrik en vrees
aan te jagen, en hem de deur te wijzen, opdat hij zou om-
komen en ik lachte er om. Mijne vrouw, die met alles tevre-
den was wat ik deed, geloovende, dat het mij wel toe-
vertrouwd was, bad mij echter, niet met den broodwagen
wit te gaan, maar thuis te blijven, en vooral bij dezen von-
•deling op post te bhjven." Daarom bleef ik thuis, haalde
-ocr page 99-
.ete\'hig schryfwerk, en hield mij daarmede in de bakkertf,
bezig. Geen gevaar duchtende, rustten mijne oogen en
toefden mijn gedachten slechts op en bij den arbeid......
Wip!___Daar staat onze vondeling als met vernieuwde
krachten, springt op de tafel toe, waaraan ik gezeten was
grijpt naar het daarop liggend broodmes (doch ik was in
dezen hem voor) en ziet mij met een vreeselijken woesten,
en wanhopigen blik aan. Hierna sprak hij — voor mij on-
verstaanbaar — eenige naar alle waarschijnlijkheid moord-
zuchtige woorden. Gelukkig was ik meester van het mes
en bergde dit voor zijne oogen weg. Daarna hief ik mijne
vinger op naar boven, en sprak hem aan met de woorden:
Wanhopig ? — Bij Jezus is uitkomst, voor alle ellende!
En hierop legde ik hem weer neder op zijn peluw, terwijl
ik op mijne knieën naast hem nederzonk, en mijn handen
samengewrongen zeide: „Bij God is redding, ook voor U.
En: hier in huis, heb ik alleen wat te zeggen. De man
verstond zoo min Hollandsch, als ik Engelsen, doch Je-
zus, welke ons beiden verstond, legde zoodanig iets in
mijne oogen, en in mijne stem, dat de man mij heel ver-
legen begon aan te zien, om daarna het hoofd op zijn kus-
sen neder te leggen. Toch was het maar voor een oogenblik.
En dan richtte hij zich in zittende houding op. Want nu zat
ik voor hem, en liet niet toe, dat hij opstond, en dan balde
hij zyne vuisten, en sloeg met knersing op zijne tanden, zich
zelven, woedend van toorn op zijne knieën. Doch telken-
male wees ik naar boven, en daarvoor toonde hij ontzag,
en ging weder liggen. Zoo verliep grootendeels de dag
zonder eten, terwijl mijne vrouw en kinderen in de kamer
bleven. Het was een dag van groote spanning. Tegen den
-ocr page 100-
schemeravond kwam echter hulp zooals ik dacht, daar eef? ,
Engelschman mijn huis binnentrad. Door een tolk vertelde
deze vreemdeling, den man wel te kennen. Hij was immer
een goed man geweest, doch door verleiding was hij dron-
ken geworden, van zijn monstergeld, en alle zijne kleêren
beroofd, en zoo was hij wanhopig geworden. Zijn naam
was William Fox. Maar met dat al ging de man weer
heen, en ik zat met mijn vondeling alleen.
Wat zou ik doen? De avond was nabij. Ik had mijn
gezin en ook mijn arbeid. Laten loopen ? Neen nooit, tenzij
de man herstelle. Dat stond bij mij vast. En hoewel ge-
heel zonder vreeze, peinsde ik toch over het zoeken van
hulpe. Daarom, ik zond mijne zuster naar het politie bu-
reau en ja wel, daar kwamen drie mannen, met hunne,
zou men meenen, schrikaanjagende gedaanten, en den
sabel op zij. Wat? Hebt gh\' dien kerel? Wij hebben hem
van nacht in \'t politie bureau gehad, want gisteren avond,
zoodra hij per spoor hier aankwam, sprong hij te water,
en van den nacht heeft hij beproefd, zich te worgen aan
de deur. Wat wilt ge nu van ons? — Ik zeide: wel, dat
gh\' hem overneemt, en hem bewaakt! Dan moet gij zelf,
dit aanvragen bij den Burgemeester, anders mogen wij dit
niet doen. G-oed. Maar dan blijft gijlieden zoolang in m\\)n
huis? Ja, dit zullen wy doen. Mijn vondeling lag onder dit
alles heel stil op zijn bed, doch myne beweging, zooals
wasschen en kleeden en heen en weder gaan, volgde hy
met arendsblikken. Voor mijn heengaan, vermaande ik de
agenten vooral voorzichtig te wezen, doch ietwat spottend
lachten zij, alsof zy wilden zeggen: zouden wy, drie man sterk,
vreezen, voor wat gij alleen zonder vreezen doet? — Ik
-ocr page 101-
.
92
, Verliet toen mijn huis, en liep voort, als gevoelde ik: gij
kunt eigenlijk niet weg. Ik was dan ook spoedig aan de
deur van den burgervader, en deed mijn verzoek. Wat hij ant-
woordde ? Och, wat geeft de eene duivel om den anderen ?
Hij lachte mij recht vroolijk uit, over mijne dwaasheid,
zulk een vreemdeling te hebben opgenomen, en met de
verzekering, den man niet te nemen, en den raad, om hem
zich zelven te laten verzuipen, wierp hij de deur voor mij
dicht. Dit was mij hard. Maar daar scheen mij nog eenen
weg
open te zijn. De consul! Die zou hem zich aantrekken.
En met meer dan gewonen spoed had ik weldra ook hier
ue deur voor mij geopend. Maar ach! wat hadden deze
heer en een pret, toen ze zoo iets van de moeielijkheid vande-
zen vromen man ontwaarden. En niets dan: „Maak er u vroolijk
meê!" was het loon voor mijne moeite. Als met looden
schoenen, ging ik toen weer naar huis. Mijn zenuwgestel
was geducht van streek, en bovendien was ik zeer ver-
moeid. Toch ging ik tot mijn vrouw, die reeds ons huis met de
kinderen ontvlucht was, met de boodschap: wij mogen hem
houden. Ik begaf mij daarop naar mijne bakkerij. En! . . .
Daar gaan de monden open! De een toont mij een dik
blauw oog, als gevolg van opname en nedersmakking tegen
den ovenmuur, terwijl de ander zich beroemde den Engelsch-
man onverhoeds een strik om den hals geworpen te hebben,
waardoor ze hem onder de voet kregen en konden kneve-
len. Ik vertelde hun mijn wedervaren bij den burgervader,
en den consul, waardoor de arbeid voor de agenten afge-
loopen was. Welk een tooneel! Ternauwernood was ik
heengegaan of William sprong als een jonge leeuw, van
zijn leger op; brullende viel hij deze drie kerels aan, ter-
-ocr page 102-
93                                                        »
wijl de meest beruchte held onder hen het eerst wewj
opgenomen, en tegen den muur gegooid werd. Spoedig
rolden zij met hun vieren over den vloer en wierpen alles
onderste boven, totdat eindelijk de arme ongelukkige man
met een koord gevangen werd en aan handen en voeten
werd vastgesjord op een stoel, terwijl mijne vrouw, met
de kinderen, in den grootsten angst naar de buren gevlucht
was.
Toen ik een weinig van den schrik was bekomen, gin-
gen de agenten heen. Ik plaatste mij voor mijn vondeling,
en zag hem aan. „Wel William" aldus sprak ik, „wat heb-
ben zij u gedaan? Ik zal u van uwe banden bevrijden. En
dan gaat ge stilletjes liggen." Ik streek hem daarbh\' zacht
over het hoofd. O ik zag het wel: hij begreep mij, al
kende hij onze taal niet. — Daarop maakte ik zyne boei-
en los, nam. hem bh\' de hand en leide hem naar zijn peluw.
Gewillig en volgzaam als een kind gaf hij zich aan mij
over. Hoe lang zou \'t duren ? En wat moest er van mijn
werk worden? Ik wist daarop geen antwoord, als dit:
Maar de Heer zal uitkomst geven. Met goeden moed ging
ik bij den man zitten, en elke vlaag van waanzin werd
door mijne oogen afgeweerd: Ja de hand des Heeren was
blijkbaar over mij uitgestrekt, dewijl geen de minste poging
door hem werd aangewend, tot verzet of geweld. Reeds
sloeg de klok half twaalf; ik kon er op rekenen, dat van
slapen geen sprake wezen kon.....
Daar ging de bel, en mijn vrouw vond voor de toon-
bank twee deftig gekleede heeren, met een ons welbeken-
den scheepssjouwer. De laatstgenoemde deed het woord,
doch in hun naam. Is hier een Engelschman ? Ja, Mijnheer.
-ocr page 103-
94
^Jogen wij hem eens zien? Jawel Mijnheer. Mijne vrouw
leidde deze heeren door de gang, en spoedig was de bak-
kerij bereikt. Met een diep gevoel van medelijden zagen
zij op den ongelukkigen man neder, en bij \'t vernemen
hunner stem richtte hij zich op. Ja dat waren bekenden.
Het was zijn kapitein, en de stuurman, waarmee hn\'
gevaren had en het Nieuwediep was binnengeloopen.
Heel te Amsterdam was hun het wedervaren van dezen
matroos ter oore gekomen. Alles hadden zij aangaande
hem onderzocht, en nog met den laatsten trein waren zij
naar den Helder gekomen om hem te zoeken. Met groote
blijdschap betuigden zij mij hunnen dank, voor zijne op-
name, en de zorg aan hem besteed. Hierop gaven zij de
volgende inlichtingen: William is een onzer beste matrozen,
hij is getrouwd, en heeft één kindje. Met afmonstering en
kist, zou hij van Kotterdam naar Engeland, zijne vrouw
te gemoet gaan. Maar.....te vroeg voor de boot, bleef
hij wachten in een hem onbekende herberg. Daar is hy
dronken gevoerd, en met een plaatskaart 3de klasse in zijn
zak gestoken, in den trein gezet, waarmede hij \'s avonds
te Nieuwediep kwam.. Toen eerst bemerkte hij, dat hij
van alles beroofd was en zich in deze plaats bevond. Van-
daar zijn plotselinge waanzinnigheid. Wij zullen u echter
helpen. Deze tolk zal bij u blijven, onderwijl zullen wij
naar het Marine Hospitaal gaan, in de hoop hem nog he-
den voor onze rekening daar geplaatst te krijgen. En spoe-
dig trokken zij daar heen. Wat was ik blijde.
Ja, de Heere wist wel, waar ik woonde, en ook, hoe ik
er voor zat. Na een half uurtje waren kapitein en stuur-
man terug, \'t Is reeds te laat. En ook zal men daar een
-ocr page 104-
95
zoodanigen woesteling niet willen opnemen. Maar!___"Weeg
zoo goed, met behulp van den tolk, nog dezen nacht onzen
William te bewaken, wij zullen morgen wel raad schaffen.
Thans was mijn taak mi], eene zoo gemakkelijke en blij-
moedige geworden, dat ik den Heere dankte, met dezen
vondeling te mogen strijden, en lijden. O, welk een onver•
getelijke nacht, bracht ik met dezen ongelukkigen man door.
Van oogenblik tot oogenblik beet hij, als een razende op
zijne tanden, en sloeg met woesten blik zich zei ven op de
borst, of de knieën, daarbij op zeer schrikwekkenden toon
mompelend. Toch liet ik hem niet eene enkele maal toe
om op te staan. Eens vroeg ik den tolk: Wat mop-
pert hij toch? Och zegt hij, wat scheelt u dat? Och,
ik wil het wel gaarne weten. Waarop hij mij ten slotte
vertelde: Hij zou u wel te lijf willen! En hoewel mij
zelven goed bewust, dat het slecht vechten zou wezen
tegen een bezetene, zoo werd mij toch van den Heere
gegeven, niet het minst voor hem te vreezen. Eenmaal,
begon de man echter te lachen, en nooit zal ik het ver-
geten, hoe daardoor, mijn bloed als stilstond in mijne ade-
ren. Met moeite bleef ik op mijn beenen. Ik keerde mijne
oogen van dat allerellendigste, duivelsche gezicht af, dat
steeds bleef doorschateren. Ook deed ik dit, opdat hij mijne
ontsteltenis niet zou bemerken, en mh\' zou aanvallen,
want alleen mijne oogen waren hem te machtig. En hier-
voor zwichtte hij. De klok sloeg twee, en riep mij, om
mijne zitplaats, welke steeds voor hem was, te verlaten,
en een aanvang te maken met mijn arbeid. Ik stak daarom
den oven in brand! Nu echter was hejjf als dacht mijn von-
deling: O, daar zal ik in moeten. Mijn heen en weder loopen
-ocr page 105-
96
m om te werken, en om hem te beletten op de beenen
te komen: nam zooveel tijd in beslag, dat slechts met
groote moeite dit brood zijn plaats in den oven verkreeg.
Een warm broodje, goed geboterd, met een flinken kop koffie,
plaatste ik voor ons drieën op de tafel. En thans stond
ik ook William toe om op te staan en bij ons plaats te
nemen, \'t Ging goed. Hij ging zitten. Ik smeekte desHeeren
genade voor hem en ons af, en wees hem zijn bescheiden
deel. En waarlijk, daar komt de man, als tot zichzelven.
Hij opent zijn broodje, hij riekt er aan, beziet het om en
om, en zoo groot was zijn vrees, naar ik vermoedde van
te worden vergiftigd, dat hij het weder nederlegde. Daarop
nam ik zijn brood, deed daarin een goeden beet, at, en
reikte het overige hem weder toe. En nu begon hij te
eten. Zijn gelaat veranderde. Hij zag met eenige verwon-
dering op zijn borstrok en broek, waarop ik fluks zijn
eigen, reeds droge kleederen te voorschijn haalde, en
hem duidelijk maakte, dat hij mijne kleederen aan had.
Ik wisselde dus deze weer voor de zijne. Zijn kalme, en
goedaardige blik deed deed mij denken: Hn\' is van den
duivel verlost. Daarna kwam de kapitein, met een vigilante
voor onze deur. Reeds in den vroegen morgen had hij
een plaats voor hem gevonden in het gemeente zieken-
huis. Wij stapten in, mijn vondeling werd aldaar op kos-
ten van den kapitein opgenomen en met blijdschap keerde
ik tot mijne huisgenooten terug.
Mijn arbeid was geëindigd, maar toch niet geheel. De
directeur van dit ziekenhuis, bevreesd voor een vernieuwden
aanval van dezen ongelukkige, had bevolen: Sluit dezen man
in \'t gekkenhok! Daarop werden zijne kleederen, tot op het
-ocr page 106-
97
noodigste ondergoed na uitgetrokken, en de deur gegreu»
deld. Wat werd William nu woedend. Hij brieschte als
een leeuw, doch moest eindelijk al zyn pogingen, tot ver-
breking zyner gevangenis, afgetobd opgeven, en vleide
zich op zijn yzeren kribbe neer. Toen ik hem daar bezocht,
werd my, hoewel ik beweerde niet voor mijn leven te
vreezen (ik wist trouwens wel, hy zou my niet aanvallen)
geweigerd tot hem te gaan met de verzekering: Hy ver-
scheurt u! Gelukkig echter was er een schuifje in de dikke
deur en op myn herhaald verzoek werd mij toegestaan
dit te openen, om hem dan toch daardoor te kunnen zien.
Ik schoof de schuif weg, en den ziekenverpleger als be-
vreesd, dat de man door dit kleine gat naar buiten zou komen,
maakte zich spoedig uit de voeten. Ik zag hem. Rustig en
verlaten lag de stumperd op zyn ledikant. Met myn oogen
rechtuit, riep ik: William! Hij richtte zich op: bemerkte
my, en met één sprong staat hy voor de deur. Medelydend
streek ik over zyn hoofd en met hartelijke gevoeligheid,
voegt hy my toe: „the Baker!" Hy herkende my als de
bakker. Opeens grypt hij door het gat met beide handen,
hij kromt zich met alle mogelyke inspanning, en.....„Niet
zoo, William, lig neder en slaap wat!" En William ging
terug, en legde zich blykbaar met weemoedigheid op zijn
krib. Onze kapitein had zich zeer beijverd, zijn kennissen
en vrienden te bewegen met hem de verloren waarde,
aan geld en goed byeen te brengen. En koninkly\'k werd
dit volbracht. Alles, wat den man was ontstolen, kwam by-
een. En wy smeekten den Heer, zich over dezen ongeluk-
kige te ontfermen. Den eerstvolgenden Zondag wendde ik
ix41 wederom . naar het ziekenhuis, en___ik werd in
7
-ocr page 107-
c                                                                                                                                                                                               .
98
zfjn celletje toegelaten. Ik had nu weer een tolk, en kon
met hem spreken. Op mijn verzoek, verkreeg hij ook zijne
kleeding en vrijheid, tot een wandeling door \'t ziekenhuis,
en waarlijk zijne vermogens waren vrij gunstig. Daar hoort
hij: William! Uw geld is terug! en ook uw goed! De kapi-
tein zal het uw vrouw doen toekomen, en morgen zal uw
kapitein u van hier komen afhalen en moogt ge met zijn
schip mede naar Engeland naar uw huis. William zwijgt.
Ja, hij weent en onderwerpt zich, om ook nog dien eenen
nacht in zijn hok te worden opgesloten.
Den volgenden morgen werd hij gehaald.
En daar, op zijn eigen schip, vond ik hem weer, gekleed,
en wel bij zijn verstand.
Dewijl het schip spoedig zou afzeilen, verzocht ik den
kapitein om mijn vondeling de vrijheid te geven, noch
eenmaal in mijn huis te komen.
\'t "Was best. Maar!......Niet alleen mag hij gaan, nog
komen. U moet hem geleiden. Nu trad William weldra
onze kamer binnen. Eenige vrienden vormden een kring
om hem henen, de orgeltonen deden zich hooren en uit
volle borst werd een loflied aangeheven. William weende,
en riep met diep geroerd gemoed, terwijl hij de hand op
mijn schouder legde: You are Bichard Wever] *)Mijnpor-
tret lichtte hij van den muur, en stak dit tusschen zijne
kleeding. Wij dankten den Heer en nu moest William naar
het schip.
Toch ging dit niet zoo gemakkelijk. Hij wilde bij ons
bujven. Doch ik zeide: Ga heen tot de uwen, en vertel
*) Bichard Werer was oen« mij welbekende Kngelsche str&atprediker.
-ocr page 108-
99
hun wat groote dingen, de Heer aan u heeft gedaan, en
hoe Hij zich uwer ontfermd heeft. Zoo ging hij heen. Wrj»
vergezelden hem naar het schip en keerden weer groo- s
telijks verblijd zijnde, door den Heer waardig geacht te zijn,
dezen ongelukkige op te nemen, om hem alzoo van den
dood te redden.
God heeft Zijne wonderen ook jegens mij eene gedach-
tenis gemaakt. En hoewel wars van stelselmatige geloofs-
genezing, tenzij men de gave der gezondmaking heeft
ontvangen, (doch in dat geval kome men met een: Wat
ik heb, dat geef ik u) zoo werd mij toch de genade des
Heeren Jezus, ook in betooning van Zijnen almachtigen
arm, ten opzichte der genezing dikwijls bewezen, \'t Is
waarheid, dat Zijne heerlijkheid, ook in dezen zich paart
aan kinderlijk geloof. De ervaring heeft mij evenwel ge-
leerd, dat dit geloof, zich niet laat maken, en veel min-
der namaken. Het wordt meestal door de omstandigheden
geboren. Niet te voren zal men \'t weten, maar wel daarna
maakt de Heere openbaar, dat werkelijk geloovig tot Hem
werd geroepen. Zoo gebeurde \'t eens, dat ik dagen aaneen
zware pijn leed door een eeltzweer, in den bal van mijne
rechterhand. Tot schreiens toe zat ik \'s avonds te beven
van pijn, en ook van angst, met het oog op mijn arbeid.
Het kwam mij voor, dat ik mijn arbeid niet zou kunnen
verrichten, dan met vreeselijke smart. Ik riep tot den Heere,
en zeide: Och Heere Jezus, stel mij in staat, mijn werk
te kunnen doen en verminder daartoe mijne pijn. Mij ge-
schiedde naar mp bede. Toen mijn arbeid gedaan was,
-ocr page 109-
100
zftte echter myn hand op nieuw geweldig op, en werd de
\' pijn bijna ondragelijk. Des avonds trad ik met dezelfde
bede voor het aangezicht des Heeren en Hij hoorde, en
deed mij op dezelfde genadige wijze hulpe toekomen. Dit
geschiedde tot driemaal toe. En toen mij ten derden male
Gods ontferming was bewezen, bleven mijne gedachten
stilstaan bij de vraag: Waarom bidt ge om vermindering
van pijn ? Waarom niet om wegneming van alles ? En voor
ik mijn arbeid weder aanvaardde, knielde ik neder, en
zeide: Heere, neem alles weg uit mijne hand, en maak
hem gezond.
Ja, Jezus leeft. Hij is des armen zondaars vriend en
redder. Ik gevoelde de wegtrekking der booze bron in
mijn hand. Alles er uit! Geen spoor meer daarvan zicht-
baar. En vroolijk ging mijn werk nu van de hand. Toen
mijne vrouw des morgens opstond, was hare eerste vraag:
Hoe is het met je hand? En toen ik haar deze van alle
kanten liet bezien, en zeide: Zoo goed, en groot is onze
Jezus, waren wij beiden dien dag, als hadden wij den Heer
gezien van aangezicht tot aangezicht.
Eenigen tijd daarna hielden wij eenen knecht, doch de
arme jongen kreeg de koorts, en behield deze, trots alle
daartegen aangewende middelen.
Op zekeren Zaterdagavond, zat ik voor mijn Bybel, toen Jan,
vermagerd en bleek als hij was, in onze kamer kwam.
Met diep gevoel van medelijden zag ik hem aan en zeide:
Jan! ik lees hier van een baas, welke voor zijn zieken
knecht, tot Jezus ging, en door Hem werd verhoord (Matth. 8).
Wat dunkt je, wil ik dat ook doen voor TJ? De jongen
schreide, en antwoordde: Als het u belieft baas. Wij baden,
-ocr page 110-
101
en Jan ging ter ruste, doch daar komt hij des Zondag&s
morgens naar ons toe met den vroohjken uitroep: Geen koorts!
Ik ben geheel beter. En Jan werd een vurig belijder van
de waarheid, van des Heeren Woord. Neen, de hand des
Heeren is niet verkort. En door die hand gezegend of be-
schermd te worden, is het leven, en vrede! Want toen
mij eens gezworen werd mij te zullen verzuipen; (dit was
des woestaards taal) en in snelle vaart op mij werd aan-
gehouden, kon ik er toch niet toe komen, aan den loop te
gaan, en ook niet om nnj\' te verdedigen met eigen krachten.
Toen ik bemerkte, (\'t was laat in den avond) dat de boos-
wicht mij genaderd was, keerde ik imj naar hem toe, en
zeide met uitgestrekte hand naar den hemel wijzende:
Daar woont een God, die voor mij zorgt! Van aanvallen
of aanranden thans geen sprake meer. Het eenig antwoord
was: Dan ben jy een zwavelstok, *) waarop de booswicht
zijn weg; en ik den mijne vervolgde, terwijl mij bn\' ver-
nieuwing bleek, dat mj, die op God vertrouwt niet be-
schaamd wordt.
*) Gewone scheldnaam voor vromen.
-ocr page 111-
< aia.^^^fg&^^j3tei.)^j&&j3ia,)&B,gia&&&&gg&^Ë,^i&&i&,
SLOTWOORD.
Zoo mochten wij arbeiden voor den naam des Heeren. Ja w|j
mochten. Mij was het en is het niet tot eenigen roem.
En hoewel nog vele geschiedenissen van des Heeren macht,
en genade in verhooring onzer gebeden, hieraan toegevoegd
zouden kunnen worden; en deze arbeid in de oogen dei-
vrienden beteekenis heeft, zoo ben ik toch mij zelven maar
al te zeer bewust, veel meer en ook veel meer, zelfverloo-
chenend, te hebben kunnen arbeiden, dan in deze 25 jaren
door mij gedaan werd.
En wist ik niet, in Jezus een barmhartigen Hoogepries-
ter te bezitten, ik zou door zelfveroordeeling met moedeloos-
heid geslagen zijn geworden. Daarom dan ook: wat ik ben,
ben ik door de genade des Heeren Jezus tot op dezen dag.
En Gode zij dank, ik sta nu niet meer alleen. Mijn arbeid
heeft ook medearbeiders geteeld, en gevormd. Daarom
wij staan tot op dezen dag, en mogen arbeiden door openbare
Evangelieverkondiging, Zondagschool, bewaar-, brei- en naai-
6chool; zang- en onthoudersvereeniging, zonder dat deze
-ocr page 112-
108
arbeid ten laste komt van \'t algemeen, dewijl al wat moge->j
lijk is, door eigen handen, zoowel als door Gods genade-
gaven, tot in de kleinste zaken wordt verricht.
En wat mij betreft, ik acht imj gelukkig, het Evangelie
te mogen prediken om niet, en dank Gods genade, welke
mij, zoo frisch en krachtig doet zijn als voor 25 jaar. En
daarom: Alle roem is uitgesloten. Toch zullen de krachten
eens vergaan, en weldra de eindpaal worden bereikt. En
dan? — Ja dan zal het wezen, ook voor my:
Het leven was mij Chkistus.
Het sterven is mij gewin.