-ocr page 1-
t>w /Od?^
-s«
VC>
fe
BRIEVEN ÜIT EENE GROOTE STAD
DOOR
C. J. L. RUIJSCH VAN DUGTEREN,
PREDIKANT DER HERVORMDE GEMEENTE
te AXEL.
Axel ,
F. DIÈLEMAN.
1889.
F:P \' Z
/AH»
PKE
628
*t*gm
ui
i
\\
-ocr page 2-
-ocr page 3-
1
A 17e
OEGSTGEEST.
TER DOOD GEGREPEN.
-
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000035871700B
3587 1700
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Bibliotheek
*oWL lENOiNGSHOGESCHC
*
           06GSTGÊ6SU
BEIEVEN UIT EENE GKOOTE STAD
DOOR
O. J. L. RUIJSOH VAN DUGTEREN,
PREDIKANT SER HERVORMDE GEMEENTE
te A. X E L.
Axel,
F. DIELEMAN.
1889.
-ocr page 6-
GEDRUKT BIJ ¥. DIELEMAN, TE AXEL.
-ocr page 7-
WOOKD VOORAF.
Dit boekske mijne waarde lezer of lezeres is geschreven vooral
met het oog op onze christelijke jongelieden en huisgezinnen, welke
hun strijd hebben tegen de verzoekingen en beproevingen, veroorzaakt
door het gebruik of misbruik van geesMjken drank.
Reeds als jongeling wenschte ik iets dergelijks te schrijven, maar
door allerlei redenen werd ik verhinderd werkelijk een begin te
maken.
Eindelijk in den voorzomer van 1888 toen D8- C. S. Adama
van Scheltema , die vurige apostel en onvermoeide stiijdei\' voor
het praclisch christendom in ons vaderland, veel te klagen had over
lauwheid en onverschilligheid, werd mijne vroegere begeerte in mij
wakker. Met Gods hulp was ik in betrekkelijk korten tijd met mijn
boekske gereed.
Ik was gelukkig onder het schrijven. Zij de lezing u lot rijken
zegen.
Met de beste wenschen
Uw Dien.
c. j. l. ruijsch van dügteren.
Nieuw Vennep ,
Aug. 1888.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
Waarde Vriend!
Zooals gij ziet ben ik behouden Ie X aangekomen. De ijzeren
wagen bracht mij. met snelle vaart ter bestemder plaats. Het is
wel aardig, dal drukke menschenleven builen de stille woonplaats
voor korten tijd eens op te nemen.
Als men alles op reis zoo gadeslaat, dan moet men onwillekeurig
zeggen : »wat is de mensch toch een taai, rusteloos en werkzaam
schepsel!" Wat al steden door zijne hand gebouwd, wat al wegen
met noeste vlijt aangelegd, wat al geheimen met groote inspanning
aan de natuur ontworsteld.
En dan dat gewoel bij de groole steden! Het krioelt daar alles
als mieren dooreen. Alles loopt en draaft in het zweel van het
aangezicht met allerlei onrust en onvoldaanheid in het hart. Die
Adamskinderen gevoelen het, dat zij geene koningen, geene kroon-
dragers zijn op aarde; zij welen het, dat zij tot den dood zijn
gegrepen en over eene eeuw niet meer zullen zijn. Straks gaan de
meesten heen om onder tabaksrook en bij couranlennieuws naar
den beker der bedwelming en der vergetelheid te grijpen, ofschoon
zij bij dat alles het leven niet zullen vinden, maar eene schrede
nader zullen komen tot den dood.
-ocr page 10-
8
Aan het station te V liep een beschonken huzaar ten spot van
allen over het perron, terwijl zijne sabel hem nasleepte.
» Al wederom een gevolg van den sterken drank", zeide een der
medereizigers. Deze deelde vervolgens mede, dat gisteren een oppassend
jongeling, die niet gewoon was om te drinken, door zijne vrienden
er toe gebracht was, om in ééne teug een bierglas brandewijn te
ledigen, en dat deze daarop onmiddellijk een hoogen graad van
uitputting en bleekheid van het aangezicht vertoonde, koud werd,
bewusteloos in elkander zonk en na zeven uur stierf. \')
Dit treffend geval gaf een ander aanleiding om te vragen: »is het
volk niet zedelijk deelgenoot aan zulke euveldaden en jammeren ?
Wordt er waarlijk genoeg gedaan lot bestrijding der dronkenschap
en tot bekcering van dronkaards? Wie geestrijke dranken misbruikt
is gewis en zeker tot den dood gegrepen; maar de dronkaard gaat
vrij rustig zijn eigen weg. Hem wordt gelegenheid gegeven zijne
roes uit te slapen en daarna wordt hij ontslagen , maar aan zijne
volkomenc genezing of bekeering wordt over hel algemeen niet
ernstig gedacht. *)
«Waarlijk er is veel goeds in ons dierbaar vaderland. In vele
opzichten is het een lust om te leven, als wij aanschouwen wat
gedaan wordt voor den lijdenden en bedreigden broeder.
»Onverbeterlijk goed is de brandweer in enkele groole sleden
ingericht.
» Nacht en dag staat deze gereed om bij het geroep van brand
\') Dr. Eduard Reicii , de oorzaken der ziekten waaraan de mensch
lichamelijk en zedelijk kan lijden (Tiel 1808) bladz. 19-1.
-) Hier en daar vindt de dronkaard eene toevlucht. Zie vragen des
lijds.
Afl. Juni 188-1 Mr. H. Goeman Borgesius: een bezoek aan
een dronkaards-asijl. Uitnemend maar boter ware zoo ieder huis,
of wel de gcheele maatschappij zulk een dronkaards-asijl konde zijn.
-ocr page 11-
9
uit Ie rukken, en alles aan te wenden om leven en goed van den
naasten te redden.
» Hoc treffend was die bewaring van dal jeugdige meisje, dat op
de hoogste verdieping van eene brandende woning nergens een
uitweg kon vinden en uilgenoodigd werd om van boven neer te
springen op een groot zeil, dat op straat strak uitgespannen werd
gehouden.
» Zij sprong naar beneden; het zeil zwiepte en de jeugdige dochter,
ofschoon een weinig zenuwachtig, werd behouden bij den nabij
zijuden apotheker ingebracht.
» Niet waar de redding van zulk een menschenkind, dat door de
vlammen tot den dood is gegrepen, is een triomf voor het mcnschenhart ?
» Ook verblijden wij ons, als een schip door onvoorzichtigheid of
storm in nood verkeert en de mannen, die door de maatschappij tot
redding van schipbreukelingen zijn aangesteld de bruischende golven
tarten, om in hunne reddingsboot eene schuilplaats te verschaffen
aan menschenkinderen , hetzij dan vriend of vijand, die op het wrak
in doodsnood verkeeren.
» Gij allen zult wellicht ook met mij denken aan de mannen van
het roode kruis. Niet waar ? Hoe wonderlijk schoon, ja! hoe
moederlijk teeder is alles uitgedacht en voorbereid om, zoo noodig,
den gewonden krijgsmakker, die bloedend op het slagveld nederligt
in het leven en voor de zijnen te bewaren.
»Die liefde, welke gaarne op den gewonden Turco en Barbaar
wordt toegepast, vinden wij ook allerwege geopenbaard in onze
ziekenhuizen en krankzinnigengestichten.
» In één woord, als wij dit alles en zooveel meer gadeslaan, dan
mogen wij trotsch zijn, om te behooren tot de kinderen der 19eeeuw,
dan mogen wij dankbaar zijn, dat de christelijke beschaving zulke
heerlijke vruchten heeft afgeworpen.
-ocr page 12-
10
» Daar waar de mensch in tijdelijke ellende is gedompeld en tot
den lichamelijke!) dood is gegrepen , daar wordt met stoffelijke mid-
delen het uiterste gedaan om hem op te richten en hem staande
te houden.
«Gaarne geef ik deze lofspraak aan mijne landgenooten, maar met
klem en nadruk spreek ik het uit, dal er voor de slachtoffers van
de dronkenschap en de slaven van den sterken drank, die niet
minder dan schipbreukelingen en gewonden tot den dood zijn gegrepen,
in de verste verte niet gedaan wordt wat mogelijk is."
Niemand antwoordde, maar op aller aangezicht was te lezen, dat
de conscientiekreet van dezen volksvriend hen diep in het hart had
gegrepen.
Het pijnlijk stilzwijgen werd weldra door hem zelvcn weder af-
gebroken, wijl zijne aandacht werd afgeleid door het gescheller van
trompetters en het geroffel van tamboers, die in de open lucht
werden onderwezen in het goed gebruik van hun muziekinstrument.
Naar hen ziende zag hij tevens een groot vierkant huis met een
niet alledaagsch voorkomen. Hij vroeg wat soort huis dat was.
»0!" was het antwoord, »dat is de militaire strafgevangenis."
»Wel! wel!" riep hij uit, »is dat de militaire strafgevangenis?
Als jongeling heb ik daarvan gelezen in een geschrift, dal mij nuttig
is geweest, namelijk het boekje van Ds. O. G. Heldring: » de jenever
erger dan de cholera \')"; daarin werd medegedeeld, dat een amb-
lenaar van het openbaar ministerie, tevens regent ecner militaire
strafgevangenis, verklaard heeft, dat onder alle militairen aldaar
gevangen, zich niet een enkele bevond wiens misdaad en straf niet
het gevolg was van sterken drank.
» Wie weel hoevelen achter die muren worden gevonden, die hun
\') Pag. 66.
-ocr page 13-
11
misbruik van sterken drank betreuren, nu zij beroofd zijn van hunne
vrijheid en een schoon gedeelte van hunne toekomst hebben verwoest."
»En daar ginds wordt ook niet weinig geleden door den middel-
lijken of onmiddellijken invloed van het gebruik van geestrijken
drank", — riep een ander — terwijl hij op twee groote gebouwen
wees aan de andere zijde, namelijk op hel academische ziekenhuis
en het militair hospitaal.
«Ongetwijfeld!", was het antwoord, wetenschap en ervaring ver-
kondigen beide, dat het getal der lijders in ziekenhuizen, hospitalen
en krankzinnigengestichten voor \'l3 minder zoude zijn, wanneer er
geene geestrijke dranken werden gedronken.
» Maar helaas ! Nederland en Europa willen niet hooren, zij zullen
moeten voelen. Christus zelf moet Koning worden. Hij wil dat de
zijnen al hunne vijanden zullen overwinnen door het bloed des Lams.
Waar dat geschiedt, daar heerscht de H. G. en is Zijne Hoogheid
alcohol: Koning — af.—"
De vrijmoedige man ging ons weldra verlaten. Hij droeg eenen
blauw-zijden knoop in het knoopsgat van zijnen jas. Zoo als ik
vernam was hij een Nederlander, die voor eenige jaren naar Noord-
Amerika
was vertrokken en nu zijn Vaderland eens kwam bezoeken.
Onwillekeurig had ik den man lief gekregen. Hij scheen mij een
levend Christen, die veel had gedacht en veel had geleden, en toch
yol levensmoed zeer goed wist wat hij zeide, als ook wat hij wilde.
Ik deed onderzoek naar de beteekenis van dien blauw-zijden knoop.—
Zoo als ik vernam, was deze het herkenningsleeken van hen, die
zich verbonden hadden tot geheel-onthouding van alle geestrijke dranken.
Geheel-onthouding! Dat woord greep mij aan. Het wilde mij
maar niet loslaten.
Voor mijn persoon — gij weet het — ben ik reeds lang zoo goed
-ocr page 14-
12
als geheel-onthouder. Maar nu stelde ik mij voor om het beginsel
van geheel-onthouding van alle geestrijke dranken onvoorwaardelijk
toe te passen in het huisgezin en de maatschappij overal, altijd en
voor allen.
Dat denkbeeld had voor mij veel aantrekkelijks. Maar hij eenig
nadenken zag ik bergen van zwarigheden opkomen uit de diepte en
dichte drommen van ontelbare tegenstanders op mij aandringen van
alle zijden.
Ik doorzag het duidelijk als in een punt des tijds, dat met dien
forschen Amerikaan mede te gaan vooreerst een onbegonnen werk
was in Nederland. Maar toch het zwaarste moest het zwaarste
wegen. De liefde van Christus gaf mij eindelijk moed om voor mij
zelven en in mijnen kring allen geestrijken drank vaarwel te zeggen.
Het oog der ergernis moet worden uitgerukt, het jenever-, wijn-
en bierglas moet worden terzijde gesteld, indien gij uw broeder
daardoor ergert. Het is beter zonder geestrijken drank het Koning-
rijk der Hemelen in te gaan en zielen te redden van den dood,
dan daarmede anderen aanstoot te geven of lot een valstrik te zijn.
Zoo droomde ik voort toen ik eensklaps voorbij een kerkhof
stoomde.
Daar lagen de Adamskinderen uit de groole stad, bedekt met
kransen, zuilen en zerken, of wel in een vergeten hoek weggelegd.
Daar lagen zij voor het grootste deel reeds overgegaan tot stof der
aarde, niets meer dan een dor geraamte, waarin geen oog, geen
tong, geen hart, geen maag meer werd gevonden.
Daar lagen zij. Zij rusten om straks te ontwaken en weg te
dragen, naar dat in het lichaam geschied is, hetzij goed, hetzij
kwaad.
Wie weet hoevelen van die dooden door geestrijke dranken, welke
niet ter eere Gods werden gebruikt, hun leven verkort, hunne ge-
-ocr page 15-
13
zondheid bedorven, hun levensgeluk verwoest hebben. Wie weet
hocvelen, die als dronkaards gestorven zijn, ontwaken zullen zooals
zij gestorven zijn, namelijk smachtende naar brandewijn, \') maar
niet dorstende naar Jezus. Wie weet hocvelen door hunne drink-
gewoonten den H. G. hebben bedroefd, en in den dag der dagen
zullen bespeuren, dat de voortdurende genegenheid lot zinnelijke
prikkels schade gedaan heeft aan de ontwikkeling van den geestelijken
mensch, en aan het dragen van blijvende vrucht, zoodat zij als
geloovigen zalig worden, maar niet die heerlijkheid verkrijgen zullen,
welke naar de mate hunner gaven en talenten in het liefdehart Gods
voor hen was weggelegd.
Gelukkig wie om Jezus wil den dood, die in hem werkt, met
Claudius trouwhartig de hand kan drukken als zijn » Freund Hain".
Wat de mensch is dat predikt het geraamte of beter nog het kruis
op Golgolha, waar Jezus den gemirrheden wijn had afgewezen, en
dorstende naar het heil van verlorenen en verlaten van God den
dood in plaats van zondaren stierf.
Als het leven Christus is dan is het sterven gewin.
De Heiland zelf zij mijn Gids en Leidsman in de groote stad.
Als altijd geheel de uwe.
C.
) De 1\' eau de vie, water des levens.
-ocr page 16-
Amice!
Ik ben hier bij de gastvrije en gulle vrienden geheel te huis.
Zoo als gij begrijpt wordt alles uitgedacht om mij het leven aangenaam
te maken. Na mij gehoord te hebben vallen zij mij met geene
geestrijke dranken lastig. Te zamen drinken wij thee, koffie of
chocolade. Wij bevinden er ons goed bij. Waarlijk wij hebben in
don huiselijken kring geen spraakwater noodig.
Gansch nuchteren te zijn is in deze drukke stad een iegelijk zeer
aan te bevelen. Wie een weinig onbedachtzaam is, loopt ieder
oogenblik gevaar onder een rijtuig of tram te geraken, zoo als die
beschonken man, welke dezen morgen onder den tram viel en aan
beide beenen zoodanig werd gekwetst, dat het allerergste is te
vreezen.
Op mijne wandeling was ik nog getuige van de treurige uitwerking
van geestrijken drank.
In eene der volkrijke straten zag ik een oploopje onder het volk.
Ik naderde om te zien wat daartoe aanleiding gaf. En zie! daar
stond de held van den dag.
In iiet midden zag ik een beschonken man, bloothoofds met verwarde
haren, in een blauw boezeroen en op zijne kousen. Daar stond hij
als een wezcnlooze met rood ontstoken oogen en met geopenden
mond uit welken een slijmachtig speeksel langs den ongeschoren kin
-ocr page 17-
15
vloeide, terwijl hij waggelde van de eene zijde naar de andere als
een verlamde aan al zijne leden. De ongelukkige leefde niet, hij
werd geleefd.
Op eenigen afstand aan den hoek van eene steeg aanschouwde ik
twee vrouwen, zonder twijfel de moeder en het dochtertje, met al
de kenteekenen der hevigste aandoening en der folterendste smart
in houding en gelaat.
Ik begreep hier alles. Deze man verwoeste den huiselijken vrede
en nu reeds in den morgenstond had hij na woordentwist in dolle
drift hel huis verlaten. Welk een ellende!
Onwillekeurig kwam mij een stille traan in de oogen, als ik
eenigermate het lijden van deze menschenkinderen medeleefde.
Het was mij als hoorde ik te midden van eene felbcwogene zee
den angstigen noodkreet: »een man overboord!" als zag ik in een
brandend huis moeder en kind van de buitenwereld afgesneden en
tot den dood gegrepen.
Hoe gaarne had ik dien man aan zichzelven willen wedergeven,
en met een reuzenarm die ongelukkige vrouwen in veiligheid gebracht.
Ik stond daar voor het oogenblik met onmacht geslagen. Ik kon
slechts den blik ten Hemel slaan, waar Hij zit Die een oor heeft,
dat alle hulpgeroep van iederen benauwde boort, als ook een sterken
arm, welke machtig is om alle ellendigen te redden.
Maar aan dien Heiland werd door vele omstanders wellicht niet
gedacht.
Onwillekeurig dacht ik aan de klacht van Kamphuiizen :
Ach! waren alle menschen wijs
En wilden daarbij wel:
Deze aard waar hun een paradijs,
Nu is ze meesl een hel!
-ocr page 18-
16
Een voorsmaak van de hel had die beschonkene reeds nu hier op
aarde.
Zoo als ik vernam van een der omstanders had hij vroeg in den
morgen uilgeroepen, terwijl hij zich met de vuist op den horst
sloeg: »ik moet drinken , anders heb ik geene rust, geene rust I"
De drankduivel heeft hem dan nu rusl bezorgd; bij de oude
onrust is eene nieuwe gekomen erger dan de voorgaande.
Hel was akelig om Ie zien, hoe die man al zijne krachten inspande
om staande te blijven, — maar het mocht hein niet gelukken. Als
een zinnelooze verloor hij alle zelfbewustheid en iedere zelfbehcersching,
hij slingerde als eene ledepop en viel eindelijk met een doffen slag
als een levend lijk ter aarde.
De gerechtsdienaars waren fluks bij de hand om dozen ellendige,
die tol icderen dood was gegrepen , als een misdadiger naar het
bureau van politie te brengen. Uitnemend goed, als deze vergiftigde
daarna aan de zorg van den geneesheer en deze verleide aan de
liefde der gemeente wordt toevertrouwd.
Moeder en dochter sloopen als schimmen, als droomenden, als
onbestorveno weduwe en wees in stilte weg naar hunne verlatene
woning.
Ik ben hen nagevolgd, ik heb met hen korten tijd gesproken en
daarna op mijne wandeling gelegenheid gehad een lid der familie,
als ook een dienstknecht der gemeente op te wekken, om zich over
deze menschenkinderen te ontfermen.
Wie weel!
Maar intusschen heb ik bij vernieuwing de overtuiging verkregen,
dat geestrijke drank waarlijk is een waler des doods on, zoo als
hier, in zedelijken zin den mensch in den mensch verwoest. Als
een lijk werd deze beschonkene weggedragen, en aan den rechter
overgeleverd.
-ocr page 19-
\'17
Reken nu maar op uwe vingers uit, en zeg daarna met mij: het
lichaam van dezen man is levend dood, zijn verstand staat stil, zijn
hart is gevoelloos, zijn karacter is uitgewischt, als mensen is hij
bankroelier; hij is niet iemand, maar hij is iets geworden. Koning
alcohol heerscht in zijn hloed , vermoordt de hersenen en zenuwen ,
verlamt de spieren en maakt alle zintuigen werkeloos. Onder den
invloed van den geestrijken drank is hij van geenerlei waarde als
vader van het huisgezin, als arheider in de maatschappij, als burger
in den staat, als lid der kerk. Hij brengt zich zelven en do zijnen
tot den bedelstaf ja! tot allerlei verderf op ieder gebied des levens.
Op mijne wandeling viel mijn oog op een huis waaraan een sierlijk
bordje was gehecht, waarop met gulden letters stond geschreven:
» Vergunning." Neem mij niet kwalijk, dat ik op dat oogenblik er
gaarne in roode letters zou hebben willen bijvoegen: lol verkoop
van hoogst gevaarlijke dranken of wel van vergift. Een ieder wachle
zich voor schade.
Gode bevolen door
t. t.
G.
-ocr page 20-
Geachte Vriend!
Dezen morgen heb ik mij vroegtijdig naar den dierentuin begeven.
In liet stille morgenuur wcnschle ik volop te genieten van de wonderen
der schepping en de liefelijkheid der natuur. Het was mij eene
wezenlijke behoefte des harten, om dat gewoel in de groote stad
een weinig te ontvluchten en eenigen tijd in rustige eenzaamheid
geheel mij zelven te zijn.
Ik beklaag die menschen, welke veroordeeld zijn steeds in die
drukte en dat gedrang te leven, bij het gebel der trammen en het
geraas van karren en wagens. Die drukte is de dood voor ieder
degelijk gesprek en voor alle kalm nadenken. Het wonen in eene
groote stad heeft niet weinig schaduwzijden, en toch willen de
menschen daar zijn te zamenkoppelende en roemdragende op het
werk hunner handen.
Een der voordcelen evenwel is, dat op zulke plaatsen tot stand
kan worden gebracht, wat elders niet zou kunnen geschieden, zooals
bijv. het oprichten en instandhouden van een dierentuin. Nu ik
ben de inwoners van deze groote stad recht dankbaar in de gelegenheid
gesteld te zijn, zooveel heerlijk genot daar te hebben mogen smaken.
In de stille eenzaamheid werden mij de gedachten vermenigvuldigd.
Daar was eene aarde in het klein. Daar liep de heerlijkheid der
vijf werelddeelen als in een brandpunt te zamen.
-ocr page 21-
19
Welk eene verscheidenheid van vormen was hier te aanschouwen
en dat alles tevens voortvloeiende uit één grondvorm, uit ééne
hoofdgedachte.
Die visschen der zee, die vogelen des Hemels, die viervoetige of
vierhandige dieren der aarde waren alle afzonderlijke loonen van
eene wondcrschoone symfonie en tevens fuge der schepping. Hoe
liefelijk en majestueus klonken mij de variatiën op het zeer eenvoudig
thema des heelals. Het heerlijk lied der wijsheid, der goedheid en
der almacht Gods werd al schooner en schooner, hoe meer ik
daarnaar luisterde. De diepte was niet te peilen, de hoogte niet
te melen, de volheid niet te vatten. Het was altijd, altijd weder
nieuw. \')
"Wie in de schepping rondwandelt en met eenige kennis het
inwendige leven, de eigenaardige levenswijze en de uitwendige
gestalten der dieren gadeslaat, die roept telkens bewonderend uit:
»ja waarlijk alles is goed 1 De heer schiep in klimmende ont-
wikkeling visschen, vogelen, viervoetige en kruipende dieren naar
hun aard uit het stof der aarde. En ten slotte afzonderlijk en
zelfstandig den bezitter, den heerschappijvoerder, den mensch
naar zijn beeld en zijne gelijkenis."
De kameel, dat lastdier der woestijn trok mij o. a. aan. Die
stompe pool zoo geschikt om in het zand te loopen; dat forsche
lichaam geheel gevormd om centenaars last te dragen; die geschikt-
heid om zekeren watervoorraad met zich mede te voeren, als ook
de soberheid zijner eisenen wat het voedsel aangaat; die gewilligheid
en getrouwheid jegens zijnen meester — dat alles en zooveel meer
maakt dat goede dier tot een lieveling van den Arabier. Dankbaarder
en schooner oog zag ik nooit in eenigen dierenkop op aarde, als
\') Ps. 8, 104, 148, 150. — Het boek Job.
-ocr page 22-
20
tóen ik hem onthaalde op een handvol versch gras, dat hij uit zijn
getralied hek niet kon bereiken.
De apen en den ourang-outang bracht ik ook mijn welkomstgroet.
Die gasten zijn eene ernstige studie waard. Toen ik hen verliet
riep ik hen luide toe: »apen waart gij, apen zijt gij en apen zult
gij blijven!" zonder dat zij er evenwel boos om werden.
De slangen opgesloten in glazen kasten kon ik niet voorbijgaan.
Ik trof het, dat een prachtig exemplaar wakker was en bijna
langs de glazen ruit onmerkbaar voorlschoof. Welk eene list en
voorzichtigheid in dezen salansknecht. Die spichtige schoongovormde
tong was voortdurend in (rillende beweging, die kleine schitterende
koraalvormige oogen zagen alles aan alle zijden, dat slanke veel-
kleurige lichaam geleek wonderschoon massief vloeizand, het stond
zoo goed als stil en het scheen toch voort te spoeden als de golfjes
eener beek.
Die geheimzinnige slang had zeer eenvoudig het voorkomen als
ware zij geheel onzijdig, als hield zij zich mei niets bezig en toch
trok zij onwillekeurig zoo sterk de aandacht, dat men alles vergat
om op haar te zien en onafgebroken te blijven staroogen op haar
looverachtige gestalte.
Lach mij gerust uit. Een half uur heeft die slang mij vastgeketend.
In dat half uur was zij geen oogenblik stil geweest en nauwlijks
eene schrede voortgeschoven.
Ik dacht aan moeder Eva. Ik begreep alles, ik kon haar alles
vergeven. Eer dat zij, eenzame en onwaakzame het wist, was zij
gestallelijk los van het verbod en van God, en was zij door de leugen
van het in zich zelf goede schepsel Gods een echt Bclialsmensch
geworden. Ik wil geen sloen op haar werpen; ik wil met vader
Adam en moeder Eva liever Ireurcn over de zonde, loornen tegen
Salan en God verheerlijken, Die zijn Zoon als een leugenaar en
-ocr page 23-
21
moordenaar, als oen lasteraar en oproermaker heeft laten hangen
op het hout, opdat Hij Satan zou overwinnen op zijn eigen grond-
gebied en ons den weg zoude banen tot het Hemelsch paradijs.
Een korlslondigen voorsmaak van die paradijsvreugde genoot ik
verder in den sierlijk aangelegden tuin. Wat rijkdom van boomen,
planlcn en gewassen uil alle oorden der aarde. Nog eens wat strenge
eenheid bij zooveel rijke verscheidenheid. Alles is hier — om maar
iels te noemen min of meer tongvormig en het geheel is een jubellied
ter eere van Gods grootheid, goedheid en macht.
En daarbij wat pracht van tinten en kleuren al te maal open-
baringen van het wezen Gods! J) Dat helder wit herinnert aan de
heiligheid, dat schitterend rood aan de liefde, dat vorstelijk purper
aan de majesteit en gerechtigheid Gods. Dat groene grasperk, die
groene boomen verkondigen, dat de hoop, die uit God is nooit zal
beschaamd worden. Die blauive hemel, die overal over de aarde is
uitgespannen roept ons toe bij dagen en bij nachten: »de trouwe
Gods weet van wankelen noch bezwijken."
Hoe liefelijk schoon was mij dit alles als mensch en christen,
terwijl het geheel zich baadde in eene zee van zilver en van goud
door het prachtige licht der zonne, het middelpunt onzer met het
oog zichtbare schepping, en wel om Jezus wille, den eenigen Middelaar
Gods en der menschen, de zonne der gerechtigheid, van wien alle
licht komt en door wien wij alles in en builen ons eerst recht leeren
zien en kennen.
Helaas 1 die wilde dieren waren den mensch vijandig; doornen
en distels groeiden er op aarde; de dood velde zijne slachtoffers;
het kruis drukte zwaar op alle schouders. Maar zalig wie als een
\') 3. P. Lange. Vcrmischte schriften 18iO. ErstcrBand. pag. 1—48.
Die Symbolik der Farbcn.
-ocr page 24-
22
doodsschuldig zondaar in den Heere Jezus, den Gekruisigde gelooft,
die aanschouwt aan meidoorn, roos en cactus de geurigste, schoonste
en schitterendste bloemen, die weet dat alle dingen hem ten goede
zullen medewerken, die jubelt: »dood waar is uw prikkel", die ziet
met het geloofsoog het nieuwe paradijs waar geen slangengift, geene
boetetraan, geene stervenssmart meer wezen zal.
De geloovige Christen, mijn beste vriend, die vervuld met de
liefde Gods iets smaakt van die Paradijsvreugde der toekomst,
behoeft geene natuurlijke prikkels, geene kunstmatige opwinding.
Adam in hel Paradijs, de ware en gezonde mensch dronk geen
wijn of bier of sterken drank.
Petrus en de Apostelen waren nuchteren op den Pinksterdag.
De Nazirëers mochten geen wijn, geen druif, geen rozijn of azijn
gebruiken. Zij moesten zich verre houden van alles, wat van den
wijnstok kwam. \') Geen priester mocht wijn of sterken drank
drinken als hij den tempel inging. 2) De priester behoorde steeds
de gave te hebben het heilige van het onheilige, het reine van het
onreine te kunnen onderscheiden, want door het gebruik van geest-
rijken drank kan deze spoedig bedorven worden.
Het is ook ongerijmd ja ! zondig den nieuwen geestelijken mensch
Ie willen sterken met stoffelijke middelen. Wie zal het zonlicht steunen
met ecne gasvlam ? Wie zal den krachtvollen man uitnoodigen op
krukken te loopen, of den jongeling met goede oogcn aanraden
eenen bril te dragen ?
Wie Paradijsvreugde smaakt, wie zijn wandel heeft in Christus
in den Hemel, die wachte zich voor prikkels, welke op het zieleleven
•) Num. 6: 3,4.
*) Lev. 10 : 9.
i
-ocr page 25-
23
invloed uitoefenen. \') De middellaar des O. V. drinkt in de woestijn
geen wijn; de wegbereider van den Messias is geheel-onthouder; de
Messias zelf weigert in de beslissende ure den gemirrheden wijn,
als hij zijn leven offert, en geeft na zijne opstanding wel brood en
visch, maar geene geestrijke dranken aan zijne Apostelen.
De blijdschap in God is zichzelf genoegzaam. Zij zweeft op de
wieken des H. Geestes. Al wat aardsch is neemt haar het stofgoud
van de vleugels of bindt haar lood aan de voelen. Als de leeuwerik
zingt zij haar loflied boog in de lucht, de zon in het aangezicht.
Maar belaas bij dat loflied des geloofs en der genade wordt de
klaagzang der ellende vernomen, welken alle schepsel op aarde doet
hooren. Die arme dieren zijn daar ook in hokken opgesloten om
der zonde wil. Zij zuchten met alle vlcesch reikhalzend naar ver-
lossing ! 2) En toch daar is nog iets naïefs en kinderlijks in hun
treurzang. Slangen en leeuwen zijn wel om der zonde wil bedorven,
maar door geestrijken drank nog niet gekunsteld en onnatuurlijk
geworden. Die dieren der aarde, die vogels des hemels, die visschen
der \'zee hebben het voorrecht om geheel-onthouders te zijn en zich
in waren eenvoud te schikken in het moeielijkste lot. Wie weel
boe wonderlijk schoon het geroep van het zuchtend schepsel nog
eens door God zal worden verhoord. 3)
Mijn lijd om Ie vertrekken was gekomen. In feestelijke stemming
ging ik heen. Maar vertrekkende viel mijn oog op den muziektempel
en het schitterend buffet met allerlei karaffen vol geestrijke dranken,
\') Spreuken 20: 1. De wijn is een spotter, de sterke drank is
woelachtig; al wie daarin dwaalt zal niet wijs zijn. Hos. 4: 11.
Hab. 2 : 5.
s) Rom. 8: 20-25.
3) Jes. 11. Openb. 21: 5.
-ocr page 26-
24
terwijl een bediende mij een programma van liet aanslaande concert
toereikte.
Ik las: Zondag avond . . . Juli 188. . . zal ten gelioore worden
gebracht o. a.
Ouverture Freischütz.
Fanlaisie uit Robert Ie Diable.
Potpourri uit den Faust.
Wals van Strauss.
Aria uit de Herodiade.
Kaisermarsch van Wagncr.
Een en ander deed mij op dat oogenblik pijnlijk aan. Tot den
knecht, zeide ik oogenschijnlijk lezende van het papier : »gedenk
den sabbat, gedenk te sterven, gedenk den dood , de opstanding
en de wederkomst des Heeren." — Heengaande , zag ik dat de
arme man verbleekte, en dacht ik bij mij zelven : Is dat nu het
ware levensgenot op Zondagavond en wel onder het gebruik van
allerlei geestrijken en bedwelmenden drank ?
De heerlijke musica, die dochter des Hemels kruipt hier door de
stof en is dienstmaagd der aarde, terwijl de verkwikkende druif en
het voedzame graan hier omgezet zijn in prikkelenden wijn, in
koppig bier, in schadelijken drank, en dat op den dag des Heeren.
Welk eene lichtzinnigheid dat Adamskinderen zoo den tijd dooden!
Adamskinderen, die als gedooplen geen recht hebben om te leven
naar het vleesch, die als zondaars gegrepen zijn tot den lichamelijken,
den geestelijken, den eeuwigen dood, die als spolkoningen niet meer
als koning door leeuwen en tijgers worden erkend, ja! die in hun
zwijmelroes niet hooren, hoe de wormen der aarde in stilte mompelen:
»gij zijt weldra mijne gewisse prooi en dan wordt gij een geraamte
zonder inhoud , geest of leven."
Welk eene onwaakzaamheid om het vleesch te voeden, terwijl de
-ocr page 27-
25
vorst der duisternis rondgaat als een brieschcnde leeuw en schuifelt
als ecne slang tusschen de bloemen en hel geboomte ook van dezen hof.
Welk ecne dwaasheid om lichaam en ziel op te vullen met zooveel
wat geen nut doel, en des Maandags morgens de werktaak te aan-
vaarden met een loom hoofd , een mat hart en allerlei ijdele klanken
op de lippen, die geene vrucht afwerpen voor het leven en niets
nalaten voor de eeuwigheid.
Ik dacht aan het woord van Amos \'): »wee ! den genisten te
Zion, die op het geklank der luit kwinkeleren , en bedenken zich
zelven instrumenten der muzijk, gelijk David. Die wijn uit schalen
drinken en zich zalven met de voortreffelijkste olie, maar bekommeren
zich niet over de verbreking van Jozef."
Ik dacht ook aan het woord van Jesaia *): » wee! dengenen,
die, zich vroeg opmakende in den morgenstond, sterken drank
najagen, en vertoeven tot in de schemering, tot dat de wijn hen
heeft verhit! En harpen en luiten, trommelen en pijpen, en wijn
zijn in hunne maaltijden; maar zij aanschouwen het werk des Hoeren
niet, en zij zien niet op het maaksel zijner handen. Wee! dengenen
die helden zijn om wijn te drinken, en die kloeke mannen zijn om
sterken drank te mengen !"
Fac ut valeas!
G.
\') Hoofdst. 6:1,5,6.
\') Hoofdst. 5: 11, 12 22.
-ocr page 28-
Amice Carissime!
Heb ik ooit liet boek van den prediker verslaan, dan is liet hier
in deze groole stad. Hoe menigmaal zweven mij de woorden op de
lippen: ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid. Ik meen dat
mij dit al zoo veel malen is geschied als deze uitspraak in den
prediker wordt gevonden, namelijk 30 maal. Met toepassing op mij
zelven dacht ik nu en dan ook aan dat woord: het oog wordt niet
verzadigd met zien en het oor wordt niet vervuld van hooren. \')
Gedeeltelijk voor genoegen op reis zijn is nu en dan wezenlijk
een vermoeiend werk.
In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten ook op reis.
De christen weet dal dit zoo is. Zijn leven is strijd. Hij is pes-
simist en optimist tevens. Zijn leven is eene woeslijn-reize met
liefelijke oasen, en aan liet einde na bangen strijd de kroon en het
eeuwig jeugdig paradijs.
Vermoeid van het loopen, staan, hooren, zien en denken was het mij
aangenaam in hel midden der slad eene goede rustplaats Ie vinden op de
studeerkamer van uwe beide neven Johan en Frederik. Zij studeeren
hard voor het laatste gedeelte van hun arts-examen. Het zijn tlinke
en goed ontwikkelde jongelieden, die, zoo ik vertrouw na volbrachte
studie, als officier van gezondheid, de een in Oost-Indien , de ander
bij de Ned.-Marine met eer Koning en Vaderland zullen dienen.
Na de gewone welkomstgroeten vroegen zij mij, of ik iets begeerde
\') Pred. 1: 86.
-ocr page 29-
27
te nuttigen. Mijn antwoord luidde, dat ik dorst had en gaarne
iets verfrisschends wenschte te gebruiken.
»Uitnemend," riepen zij, »van vruchtensappen zijn wij goed
voorzien, maar geestrijke dranken wijn, bier of jenever worden
door ons niet geschonken of gedronken, tenzij als geneesmiddel,
en wel met groote voorzichtigheid in den hoogsten nood."
Het verblijdde mij, dat deze kloeke jongelingen geene knechten
waren van de heerschende drinkgewoonte en dat ik, als vrij man,
in hunne oogen geen zonderling behoefde te schijnen. Maar ik gaf
tevens mijne verwondering te kennen, dat zij als studenten en toe-
komslige mililaire-geneesheeren hel gebruik van alle bedwelmende
dranken hadden vaarwel gezegd.
Zij zagen elkander veelbeteekenend aan en riepen: »dat zullen
wij u zeggen. Het is een jaar of drie geleden, dat wij nog de
gewoonte hadden , om allerlei spirilualia te gebruiken. Op zekeren
dag, toen wij tot ernstige studie geroepen waren, hadden wij
\'s morgens gebitterd en \'s middags na den maaltijd Beiersch bier
gedronken. Maar toen wij daarna te zaam aan de studie wilden
gaan, stond ons hoofd tot alles, maar niet tot ingespannen arbeid.
» Eensklaps als bij ingeving zagen wij elkander aan, en met een
verwijl in de oogen en een blos op de wangen riepen wij elkander
stilzwijgend toe: als wij zoo doorgaan , dan drijven wij naar den
afgrond, dan zakken wij voor ons examen , dan worden wij mispunten
in de maatschappij en lastposten voor onze ouders, dan zijn wij op
dezen weg waarlijk tot den dood gegrepen.
» Frederik stond op. Hij wierp de spiritualia, die wij in huis hadden
in den kolenbak, en sloeg de glazen, waaruit hij gedronken had aan stuk-
ken en zeide: wij moeten geene ploerten, wij moeten mannen worden.
» Wij hebben met Gods hulp ons voornemen verwezenlijkt. Wij
hebben later meer en meer begrepen, dat wij als geneesheeren
-ocr page 30-
28
voorgangers moeten zijn op den weg van eenvoud, matigheid en
zelfbeheersching. Al wat riekt naar verwijfdheid en gebondenheid
moet verre van ons zijn. De arts in hel leger moet krachtdadig
medewerken , dal de bevelhebber soldaten bebbc, waarover bij, als
ware het zijn eigen lichaam, gebied kunne voeren. Gezondheid,
reinheid van zeden, heilige kalmte, vurige geestdrift, onverdeelde
toewijding moet in het leger gevonden worden, en de geneesheer
is veelzins de aangewezen man, om dit alles aan te kweeken en te
bevorderen, vooral door een goed voorbeeld.
» Wij moeten menschen worden !
» Wij hebben trouw woord gehouden. In alle opzichten is ons
dit lot zegen geweest. Schulden hebben wij niet gemaakt; onze
kostbare lijd is niet verbeuzeld; ons geweten is niet verontrust bij
het naderend examen."
» Rust uwc geheel-onthouding", zoo vroeg ik, »op wetenschappelijke
gronden ?"
»Voorzeker", riepen zij uit. »Experientia docet. Onze eigene
ervaring is reeds de beste leermeesteres; en daarbij durven wij
vrijmoedig onzen stelregel wetenschappelijk te verdedigen, namelijk :
dat geestrijke dranken voor den gezonden mensch overbodig zijn,
in geen geval behoefte voor den krachlvollen jongeling. *)
»Bij onze studiën en in onzen levensstrijd hebben wij geheel-
onthouding probatum gevonden.
»Zoo wij vermoeid zijn, dan gaan wij bij tijds rusten, om
\'s morgens vroeg frisch en versterkt weder te beginnen. En moeien
wij een enkele maal een weinig veel van onze krachten vorderen,
dan geeft een kop goede koffij opwekking genoeg om voorzichtig door
te gaan. Geestrijke dranken zijn in zulke omstandigheden een iegelijk
\') Dr. G. Delaunois. De ziekten en kwalen van den drinker.
Arasterdam A. van Klaveren, pag. 65.
-ocr page 31-
29
af Ie raden. Wij kennen een paar jongelieden, die met een keteltje
bisschop zalen te repeleeren. Die uilen zijn beiden gesjeesd.
»Al onze professoren zullen het met ons eens zijn , dat voor
verstandelij ken, rustigen en volhardenden arbeid alcohol volstrekt
geen voedingsmiddel is. \')
» Voor geniën, dichters en kunstenaars zijn die zinnelijke prikkels
ook niet weldadig. Hunne kunstproducten worden onnatuurlijk en
overdreven, zoodat zij voor de rechtbank der ware kritiek niet
kunnen beslaan, noch door de slem des volks als klassiek worden
vereeuwigd. De fijne kenner zal er een wijnsmaak en rumgeur aan
vinden, en ze bij de eerste kennismaking ter zijde zetten en vergelen.
»De kunstenaar doet zijn lichaamsgeslel ook veel kwaad. Hoe
moet het teedere zenuwleven en het slanke lichaam van Schiller
niet geschokt on benadeeld zijn, als hij diep in den nacht opgewonden
door champagne op zijne kamer rondliep al zwaaiende met de armen,
zooals zichtbaar was aan de schaduw op zijne venstergordijnen!
»Mozart, Burns , Byron en vele anderen hebben, door aan-
houdend met geestrijken drank hun zenuwstelsel Ie prikkelen, hunne
geestvermogens Ie veel ingespannen, en zijn daardoor vroegtijdig
uit dit leven weggenomen. *)
»De goede God", zoo luidde mijn antwoord, »schenke u een
lang en gezegend leven , mijne vrienden! tot blijdschap uwer ouders
en lot heil van ons dierbaar vaderland. Gij hebt u flink gedragen
door het oog der ergernis uit te rukken en de hand der ergernis
af te houwen. Zijl gij er nu niet trotsch op zulk eene macht over
u zelven te hebben uitgeoefend ?
» Waarom dat?" zeiden zij. »Wij beschouwen onze daad als
eene medische kuur. Geheel-onthouding achten wij raadzaam voor
\') Dr. A. J>.viiK. Der alcoholismus, pag. 103. Berlin 1878.
2) Dr. A. Baer. t a. p. pag. 103.
-ocr page 32-
30
ons welbegrepen eigenbelang. En deze is nu door de lange gewoonte
niet anders als eene temperamentsdeugd geworden. Wij willen,
wij kunnen niet anders.
»Geheel-onthouder te zijn en het goede te doen zijn niet hetzelfde.
» Garibaldi en Robespiebre dronken niets als water. Demos-
thenes de welsprekendste redenaar der oudheid, had geen spraakwater
noodig, want hij was geheel-onthouder, maar toch wordt van hem
verhaald, dat hij, na het slachten van eenen stier, het bloed in
een schaal heeft opgevangen, en na hetzelve opgedronken te hebben
dood is nedergevallen.
»Israël in de woestijn dronk wijn noch sterken drank, maar
Mozes getuigt van dat volk, waaronder een Korach, Dathan en
Abiram oproermakers in kerk en in staat werden gevonden: »ik
heb 40 jaar verdriet van u gehad."
»Hoe dit evenwel ook zij, zoo vragen wij toch met alle vrijmoe-
digheid: wanneer de geheel-onthouder nauwelijks het beloofde land
binnenkomt, wat zal dan eenmaal het einde zijn van een ijdelen
Nabal, een weelderigen Belzazar, een lichlzinnigen Herodes.
» Recht zoo", zeide ik, verblijd dat ik hier met gecne Farizëers te
doen had, » God vraagt van ons, dat wij ons onthouden zullen van alle
vleeschelijke begeerlijkheden en alle werken der duisternis, dat wij
heilig, rechtvaardig, Godzalig zullen wandelen voor zijn aangezicht."
Ik groette hen met de belofte nog afscheid te komen nemen voor
mijn vertrek.
Met de bede dat het ons gegeven worde ons te onthouden van
allen schijn des kwaads
Ubique Semper
Uw gelrouwe Vriend.
-ocr page 33-
Waarde Vriend!
Terwijl ik gisteren morgen en middag aanhoudend werd bezig
gehouden met velerlei, dat met het hoofddoel van mijn verblijf alhier
in betrekking staat, zoo was het mij aangenaam des avonds eene
openbare vergadering van de geheel-onthoudei\'s-jongelingsvereeniging
te mogen bijwonen. Het was mij aangenaam de inwoners van deze
groote stad op dit gebied eens rustig te kunnen gadeslaan in de
prachtige en goed verlichte spreekzaal.
Ter bestemder tijd trad de spreker op. Eenvoud en goedhartigheid
waren uit geheel zijne verschijning te lezen, terwijl zijn voorhoofd,
dat als eene rots omhoog ging, mij deed vermoeden, dat ik hier
gezonde en vaste spijs zoude ontvangen.
Dr. Adam , zoo heette de spreker wordt algemeen geroemd als
een kundig en menschlievend geneesheer. Men zegt, dat hij van
den stelregel uitgaat: de geneesheer moet trachten geene kranke
lichamen , maar zieke menschen te genezen. Hij leest in zijn huisgezin
dagelijks Gods woord en bezoekt geregeld de kerk, als zijne praktijk
het hem toelaat.
In zijne inleiding begon hij den lof te zingen der hooge vlucht
welke de natuurwetenschappen hebben genomen.
Hij zcidc o. a.: Wij verheffen ons in de lucht en dalen neder
op den bodem der zee; wij volgen in den geest de starren op hunnen
loop en aanschouwen door ons mikroskoop de geheime wonderen der
-ocr page 34-
32
schepping. Door telegraaf en telefoon spreken wij met den verafwezende,
en door de stoom verduizendvoudigen wij onze kracht en snelheid
te water en te land en op ieder gebied van nijverheid. Den nacht
veranderen wij in een dag. Wij verbinden zeeën met zeeën , en
herscheppen watervlakten en zandwoestijnen in vruchtbare velden.
Wij ontworstelen der natuur hare diepte geheimen en wenden deze
aan tot versterking der zwakken , tot genezing der kranken.
God is groot, die den mensch lot dit alles wijsheid en bekwaam-
heid gaf, ook is Hij goed, als Hij ons zooveel laat vinden on doen.
Ons levensgeluk wordt door dit alles niet weinig verhoogd, ook
worden vele nevelen door het ontstoken licht weggevaagd.
De verschijning van een komeet, zoo sprak hij, vervult ons niet
meer met angst; van heksenprocessen wordt niets meer vernomen.
Maar het licht, dat opgaat over de natuur, als ook de kracht,
welke wij verkrijgen om te doen, wal vroeger onmogelijk was,
vorderen met noodzakelijkheid, dal er ook wijsheid en liefde zij,
om van die kennis en dat vermogen een goed gebruik te maken.
Waar deze ontbreken daar ontstaan op groole schaal misbruik en
vervalsching. Vooral heeft dit plaats met de geestrijke dranken.
Schromelijk toch is het misbruik, dal in onze eeuw van den alcohol
werd gemaakt, en vreeselijk ook zijn de verwoestingen, welke door
dat misbruik nog worden aangericht.
Geen wonder, dat vooral in Amerika en Engeland en in ons
vaderland vele stemmen opgaan, die beslist geheel-onthouding van
alle geestrijke dranken voorschrijven. Ja! ik heb de eer en het
voorrecht heden eene spreekbeurt waar te nemen, daartoe uitgenoodigd
door eene jongelings-vereeniging, die geheel-onthouding van alle
geestrijke dranken als leuze in hare banier geschreven heeft.
Mij dunkt voor deze gemengde schare, die wellicht uil heele en
halve voorstanders, maar zonder twijfel ook uit heele en halve
-ocr page 35-
33
tegenstanders bestaat is het onderwerp mij aan de hand gegeven. En wel
de beantwoording der vraag: Is hunne leuze wetenschappelijk gerecht-
vaardigd, is geheel-onthouding met een rein geweten aan te bevelen?
Hierop is mijn eenvoudig en vrijmoedig antwoord:
1°- Het gebruik van alcoholische dranken is niet noodzakelijk.
2°- Integendeel het gebruik is hoogst gevaarlijk, het leidt tot gewoonte,
het voert tot misbruik.
3°- Hel misbruik is erger dan de lichamelijke dood,
1°- Als ik zeg (zoo ging de bescheiden man voort, die geen
schitterend redenaar was, maar onwederstaanbaar boeide door iets
kinderlijks en naïefs, dat over geheel zijn wezen was uitgespreid) hetge-
bruik
van alcoholische dranken is niet noodzakelijk, dan weet ik, dat gij
allen mij begrijpt, als ook, dat niet allen mij welwillend zullen bijvallen.
Gij begrijpt allen wat ik met alcoholische dranken bedoel. Dat
zijn dranken, die niet onmiddellijk, gelijk het water en de ongegiste
vruchtensappen door God zijn gegeven, maar die door menschelijke
kunst door laten gisten, door brouwen of stoken verkregen worden.
Zooals de wijn, het bier, de jenever, de brandewijn, rum, cognac,
kummel, absinth, wisky en allerlei bedwelmende likeuren.
Al deze dranken worden alcoholisch genoemd, omdat zij behalve
zekere hoeveelheid water en andere bestanddeelen ook alcohol of
wijngeest bevallen. Deze alcohol is eene lichte vloeistof, die in
meerdere of mindere mate in al onze kunstdranken gevonden wordt
en eene bedwelmende en dronkenmakende kracht bezit.
Dit verslaat gij allen, maar niet allen zult gij toestemmen, dat
het gebruik van deze alcoholische dranken niet noodzakelijk is.
Ik weet, dat er menschen gevonden worden, welke meenen, dat
deze dranken de spijsvertering bevorderen, dat zij een weldaad zijn
bij zwaren arbeid en bij uitputting na groole krachtsinspanning.
-ocr page 36-
34
Ik weet, dat er zijn, die deze dranken hoog ophemelen, omdat
zij eene aangename opgewelde stemming geven in hel gezellige leven,
en een blijmoedig weltevreden zelfgevoel bij den mensch verwekken.
Ik weet, dat er zijn, die roepen, dat daaraan te tornen een
onbegonnen werk is. Het gebruik is algemeen in het volksleven
ingedrongen, en vaders zoowel als zonen eene tweede natuur
geworden. IJdel is het pogen, om eene geliefkoosde gewoonte uit
te roeien, welke in alle standen der maatschappij is doorgedrongen.
Die bezwaren, wij erkennen het, zijn niet gering. Het is geene
kleinigheid eene verouderde volkskwaal, welke bijna alle leden der maat-
schappij heeft aangetast, te willen genezen. Terwijl er ook zijn, die met
het glas in de eene en den Bijbel in de andere hand u komen
verzekeren: dat zij vrijheid hebben alles te drinken ter eere Gods.
Wat nu deze bezwaren betreft, zoo schroom ik niet te beginnen
met de verklaring af te leggen: dat alcoholische dranken de spijs-
vertering niet bevorderen.
Onze beroemde hoogleeraar Dr. F. C. Donde rs
getuigt: »Elke druppel alcohol is voor den mensch vergif." En
zijn onvergetelijke ambtgenoot Prof. J. L. G. Schroeder van der Kolk
vraagt naar aanleiding van deze woorden: Hoe zou nu eene zekere
dosis vergif ooit goed zijn voor den gezonden mensch en de spijs-
vertering kunnen bevorderen 1 \')
Wanneer dit waar ware, dan zoude de dronkaard een ontzaggelijke
vraat moeten zijn; wat hij wezenlijk niet is en ook niet zijn kan.
De spijsvertering van den onmatige is slecht. Bier en wijn zelfs
met mate gebruikt vertragen de spijsvertering merkbaar en brengen
daarin stoornis te weeg. J)
\') Prof. J. L. C. Schroeder van der Kolk. Voorlezing over den
invloed van sterken drank op het lichaam. Utrecht 1850, pag. 11.
[ 3) Prof. G. Bunge. Do alcohol-kwestie in hot licht der wetenschap.
Amsterdam 1887, pag. 12.
-ocr page 37-
35
Dit is zeer begrijpelijk. Met eigen oogen zelfs kunt gij u daarvan
overtuigen.
Het is mogelijk om in een glas kunstmatig de spijsvertering te
bewerkstelligen, even goed als dit in de maag zelve geschied.
Het maagsap vooral verteert de spijzen. "Welnu kunstmatig maagsap
kan verkregen worden door \'/i v*»n het slijmvlies van de maag van
een kalf te nemen, dit in water uit te trekken en daarbij eene zeer
geringe hoeveelheid azijnzuur en zeezoutzuur te voegen. Men verkrijgt
dan het zoogenaamde stremsel der boeren, waardoor zij de melk doen
stollen, even als dit in het levende lichaam in de maag geschiedt.
Indien wij nu dit maagsap in een glas doen met eiwit of vleesch
en eene geringe hoeveelheid zuur, en dit aan eenen warmtegraad
blootstellen, welke dien van het levend lichaam evenaart, dan kunt
gij zien, dat gekookt eiwit of vleesch weldra zal verleren, terwijl
gelijke hoeveelheid maagsap en gestold ei waarbij eenigen sterkeu
drank is gevoegd onveranderd zal blijven. \')
Overtuigend blijkt het ons, dat de sterke drank de spijsvertering
niet kan bevorderen, integendeel hij vertraagt de spijsvertering en
houdt haar tegen.
Het eigenaardig beginsel in het maagsap, hetwelk de spijsvertering
zoozeer bevordert is eene stof, welke men pepsine pleegt te noemen.
Sterke drank stolt deze stof en verhindert hare verdere omzetting,
en dus ook de oplossende werking van dit beginsel in het maagsap.
Zoo werkt de sterke drank niet alleen nadeelig op het maagsap
en de spijsvertering, maar deze maakt daarbij ook vele voedsels
\') Glazen met eiwit, maagsap en brandewijn, die bijna 20 uren aan
bloedwarmtc waren blootgesteld geweest werden vertoond, en ook
met eiwit en maagsap zonder brandewijn. Bij de eersten was het
eiwit nagenoeg onveranderd, bij de laatsten was dit geheel verteerd.
-ocr page 38-
36
ongeschikter voor de oplossing en dus zwaarder te verteren. •)
Voegt gij bij vloeibaar eiwit sterken drank, dan wordt dit gestold
en dus moeielijker verleerbaar.
Bevorderaar van de spijsvertering is de alcohol niet, ook geen
hersteller van de krachten
bij zwaren arbeid of bij uitputting na
groole krachtsinspanning.
Alcohol is geen voedingsmiddel, dat versterkt, maar een prikkel
die tijdelijk opwekt en werkt gelijk de zweep op het paard en de
pook op den haard.
Het afgetobde, opgejaagde paard verkrijgt geene nieuwe krachten
door den zweepslag, maar valt straks dood neder, of is voor den
volgenden dag geheel bedorven. De opgepookte haard flikkert tijdelijk
op, om des te spoediger uitgedoofde sintels over te laten.
Bij zwaren arbeid drinke men goede koffij met een ei of wel
bouillon. Bij groote uitputting neme men rust 2), men bidde tot
God 3) en roepe — zoo noodig — den geneesheer.
Van die aangename en opgewekte stemming in het gezellige leven
zullen wij niet veel spreken. Het smart ons, dat er menschen zijn,
wier hart zoo arm en wier hoofd zoo ledig is, dat zij kunstmiddelen
noodig hebben, om het hart warm en den tong los te maken.
Woorden en daden, welke door deze middelen verkregen worden,
zijn even vluchtig als een roos en ijdel als eene lentebloem. Zij
laten niets na voor het hoogere leven.
Het beroep op het gevoel van zelfbehagen, dal door het gebruik
van alcohol gewekt wordt, is dan ook het werk van een advocaat
in kwade zaken.
Salomo noemt den wijn een spotter.
\') Prof. SciIROEDEU VAN DER KOLK t. 8. p. pag. 11.
2)     Prof. Miller. Alcohol. Zijne plaats en zijn vermogen. Pag. 102.
3)    Jes. 40: 89—81.
-ocr page 39-
37
Ja! waarlijk! Hij is een bedrieger, een vleier, een grootspreker.
Hij doet een lediglooper, die zich verveelt, zich zelven een bewijs
geven van goed gedrag, van een groot, een edel en voornaam
persoon te zijn. Hij geelt den lafaard de inbeelding wezenlijk een
held te zijn. Ongelukkig de mensch wiens ziel zit in het glas, hij
kan geen echte christen zijn. \')
"Wie christen wenscht te zijn sloore zich dan ook niet aan de
gebruiken in het volksleven, aan de macht van eene slechte gewoonte.
Hij behoort de wereld niet na te volgen. Als bederfwerend zout
moet hij in de wereld optreden en toezien, dat zijn zout niet
smakeloos wordt.
Maar de Bijbel zal men zeggen, die is toch wel tegen de geheel-
onthouding.
Wij lezen in het O. T. van wijn en sterke dranken, die dronken
makende kracht bezaten. Denkt maar aan Nabal en zoovele anderen.
Voorzeker! dit is niet te loochenen. Maar laat ons wel onderscheiden.
Vooreerst stond de wijn van den ouden lijd niet gelijk met de
vervalschte wijnen van onze eeuw. De distillecrkunst, welke in de
9de eeuw onzer jaartelling eerst is uitgevonden, verslonden de ouden niet.
Zij wisten uit aardappelen geen focselolie en uit zaagsel geen houlgeest
te bereiden, en hunne broeders daarmede letterlijk te vermoorden.
Deze kunst doet nu zulke groole wonderen, dat er vaten wijn worden
gemaakt en gedronken, welke vergiftigd zijn door allerlei alcoholische
vochten en waarin geen drup druivensap wordt gevonden. •)
De sterke dranken waren alzoo geen rum, jenever of brandewijn,
want deze dranken kende men toen nog niet, maar waren dadel
palmwijn of egyplische gerslewijn. \')
\') Prof. Pkuijs van der Hoeven.
2) P. J. van Eldik. Thieme. Wijn. Eigenhaard 1887, pag. 286,296, 298.
;i) K. F Keil. Handboek der Bijb. archeologie. Utrecht 1860, pag. 500.
-ocr page 40-
38
Daarbij dronken zij den wijn niet onvermengd. Wie dat deed
heette een dronkaard. De ouden waren gewoon voor 3/4 of 3/s
hunnen wijn met water te vermengen.
Ik ben geen Godgeleerde, maar het O. T. baart mij op dit gebied
overigens niet de geringste moeite. Voor ons, als Christenen, zijn de
Israëlitische spijswetten opgeheven. Christus-zelf is het einde van
geheel het O. T., en hij zegt: Mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn
bloed is waarlijk drank. J) Wie als menscli en zondaar waarlijk dorst
en hongert, die vinde in Christus alles. Hij zelf, Hij geheel, Hij
alleen is Leidsman in alles ook op dit gebied. Dit is des Vaders
wil. En deze roept ons van den Hemel toe : » Hoort Hem ! "
Deze Jezus kwam als jood den joden alles wordende, opdat Hij
eenigen winnen mocht. Hij zorgde te Kana *) naar joodsche levens-
behoefte voor wijn en vierde paaschfeest als Jood met zijne
Apostelen. 3)
Toen de Bruidegom op aarde was moesten de Apostelen met Hem
eten en drinken. Maar als Hij heengegaan was dan zouden zij vasten,
dan zouden zij in en door Hem eten en drinken.
Na zijne opstanding is Hij-zelf hunne blijdschap, hun leven geworden
en heeft Hij den II. Geest gegeven, die in alle waarheid zoude
\') Joh. 6: 55.
3) Was de wijn te Kana niet ongegist, gelijk de wijn waarvan wij
lezen Gen. 40: 11?
3) Londens opperrabijn, de geleerde Dr. Adler, verklaarde in eene
vergadering van geneesheeren en scheikundigen, dat de rechtzinnige
Israëlieten altijd bij voorkeur ongegisten wijn hebben gebruikt,
en dat in elk geval nooit andere Paaschwijn wordt gebezigd, dan
die kerkelijk onderzocht geheel zuiver druivensap bevat en afge-
leverd in van het kerkelijk zegel voorziene flesschen.
-ocr page 41-
39
leiden en in de eerste plaats liefde, blijdschap, vrede en ten slotte
ook matiglieid zoude geven. \')
En wat nu heeft de Heiland door den H. Geest aan zijne Apostelen
geleerd aangaande wijn en sterke dranken 9
Wel in het N. T. worden de sterke dranken eenvoudig dood-
gezwegen. En over wijn is er o! zoo weinig te vinden. "Wij lezen
o. a. Rora. 14: 21. Het is goed geen wijn te drinken als uw
broeder daarin zwak is.
Efez. 5: 18. Wordt niet dronken in wijn.
1 Tim. 8:3; Tit. 1: 7. Een opziener moet zijn niet genegen
tot den wijn.
1 Tim. 3: 8; Tit. 2:3. De diakenen en de oude vrouwen
moeten zich niet tot veel wijns begeven.
Terwijl Timotheus (1 Tim. 5: 32) wordt aangeraden een weinig
wijns in zijn water te doen om zijne maag en zijne menigvuldige
zwakheden.
Timotheus dronk alzoo geregeld niets als water. Hij was dus
feitelijk geheel-onthouder.
Een wijndrinkend Apostel, die roemt in het kruis van Christus
en waarlijk vervuld is des H. Geestes is mij dan ook oprecht ge-
sproken zedelijk ondenkbaar.
Met een rein wetenschappelijk geweien en met den Bijbel in de
hand mogen wij dus aannemen, dat het gebruik van alcoholische
dranken niet noodzakelijk is voor den gezonden mensen. Van den
Heer zelf kunnen wij gewis en zeker volkomen vrijheid verkrijgen
om ons van alle geestrijke dranken te onthouden.
>) Gal. 5: 23.
-ocr page 42-
40
Alcohol is niet noodig voor onze gezondheid of voor onze zaligheid. \')
De Reehabiten werden door God beloond met een Messiaanschen
zegen, omdat zij gehoorzaam aan hun vader weigerden in groole
verzoeking wijn te drinken. *)
Toen God zelf de Leidsman was voor zijn volk Israël, toen heeft
dat volk, dat in Egypte het Pascha gegeten had, in de woestijn
\') Prof. G. Bünge. De alcohol-kwestie in het licht der wetenschap
pag. 2. Er is niet de minste grond om wetenschappelijk vast te
stellen, dat alcohol als wekker van kracht ons spicrvaatstelsel
of onze zenuwcellen in iets ten goede komt.
!) Jerem. 35. Spreuken 31: 4, 5. Lezen wij ook: Het komt der
Koningen niet toe, O Lemuül! wijn te drinken, en der Prinsen,
sterken drank te begeeren; opdat hij niet drinke, en het gezette
vergete, en de rechtzaak van alle verdrukten verandere.
De kantteekenaars op de statenvertaling voegen eigenwillig bij:
// het komt niet toe etc.": — »te weten onmatelick." De oude Joden
lazen eenvoudig wat er stond. Immers moesten de 71 raadsheeren
van de Sanhedrin zich op straffe van ontzetting van hunnen post,
van alle gebruik van wijn of ander geestrijk vocht ten strengste
onthouden. (Dr. H. M. Duparc. Het gebruik en misbruik der
geestrijke dranken, pag. 156.)
Hier schijnt het Germaansch instinct, dat door de wijn- en
bierdrinkende voorvaderen eeuwen lang bedorven is, in botsing
te komen met het meer reine Semitische instinct.
Opmerking verdient wat Prof. G. Bunge t. a. p. schrijft pag. 25, 26:
Algemeen wordt erkend, dat de nuchterheid en de matigheid van
het Semitische ras een der sterkste wapenen is, waardoor zij
tegenover Europa\'s volken machtig hlijven. Zal het verzet en de
strijd der antisemieten iets bcteekenen, dan moeten zij beginnen
het verfoeielijke en walgelijke bierzuipen na te laten.
Ook schrijft Dr. Eduard Reich t. a. p. pag. 188. Dat het
onmatig genot van zwaar bier nadeelig is, ziet men hoofdzakelijk
in Gotha, Coburg en Beijeren; daar heeft het bier de zucht naar
hoogere belangen volkomen vernietigd.
-ocr page 43-
41
niets als water gedronken. \') Ware dat geschied op dezen dag in
deze groote stad, dan zou niet weinig kwaad zijn voorkomen.
(Toen hij dit zeide fonkelden zijne zachte blauwe oogen en verhief
zich met fierheid zijne hreede en door de jaren eenigzins gehogene
gestalte). — Hij vervolgde: Toen ik mij herwaarts begaf, zag ik
een oploop van menschen. Ik vroeg wat er gaande was. Het
antwoord luidde: een matroos in beschonken toestand is zijne muts,
die in het water was gevallen , nagesprongen en verdronken. J)
Ontzettend! Tusschen hem en den dood was alzoo moedwillig
wezenlijk maar ééne schrede. Onvrijwillig werd hier feitelijk zclf-
moord gepleegd. Met eene verwensching op de lippen werd een
beschonken mensch eensklaps voor zijnen Rechter gedagvaard, om
voor die Hoogste Rechtbank wellicht te verstommen.
Straks wordt het lijk uil de diepte opgehaald. De officier van
gezondheid zal lijkschouwing houden. De familieleden zullen worden
opgeroepen. De moeder, wellicht eene weduwe, zal staan bij het
lijk van haren zoon, dien zij zoogde met hare borsten en troetelde
op haren schoot. Broeders en zusters zullen jammeren over de
vernietiging van een veelbelovend leven, over de schandvlekking
van hun goeden naam. De herbergier zal het hooren: de man
dien gij hebt gediend met uwe verlammende 3) en dolmakende
dranken (jenever, wijn en bier) is dansende den eeuwigen afgrond
ingesprongen. De Minister van Marine zal het rapport ontvangen,
\') Deut. 29: 5, 6.
s) Utrechtsen dagblad 5 Juni 1888.
3) De met de uiterste zorg door velen genomen proeven stellen ons
in staat, om het als eene wetenschappelijke waarheid uit te spreken,
dat alle werkingen van den alcohol, waaraan men in het gewone
leven een opwekkend karactcr toeschrijft, in den grond slechts
verlammingsverschijnselen zijn. Prof. G. Bunge t. a. p. pag. 3, 4.
-ocr page 44-
42
dat een Nederlandsen zeesoldaat vergunning had van de regeering,
om alcoholische dranken te drinken, en dat hij in uniform daardoor
als een dwaas met een sprong zijn levensdraad heeft afgebroken en
daarna als een ezel begraven is zonder militaire eer.
Wel mijn vriend! Deze woorden vielen als hamerslagen op ons neder.
Alles luisterde met ingehouden adem. Het waren woorden uit het hart,
en dat hart maakte den eenvoudigen man waarlijk welsprekend.
Hij wilde er nog meer bijvoegen. Maar eensklaps werd hij door
iemand aangesproken, en na eene wijle dezea te hebben aangehoord,
zeide hij op weemoedigen loon: »Mijne Heeren ! ik moet eindigen.
Mijne hulp wordt aan de overzijde ingeroepen, waar een beschonken
zoon zijn ouden vader met een mes doodelijk heeft verwond.
» Morgen avond D. V. op hetzelfde uur het vervolg mijner toespraak."
Nu het vervolg hoop ik u mede te deelen.
Steeds uwe u toegenegen vriend
G.
P. S. Ik heb ten geschenke ontvangen: Sir Jaspers verhoor.
Zedeprint naar het Engelsch van S. C. Hall door C. S. Adama
van Scheltema. Amsterdam. L. J. Eckel. Als ik te huis
kom moet gij het zien en lezen. Het is prachtig.
-ocr page 45-
43
Waarde Vriend!
Ter bestemder ure zat ik weder onder het gehoor van Dr. Adam
om het laatste gedeelte van zijne toespraak te hooren.
Mijne Hoeren! — zoo begon hij. Ik heb u gisteren aangetoond,
dat alcoholische dranken voor gezonde menschen niet noodzakelijk
zijn. Van ganscher harte beaam ik de uitspraak van Dr. Frank
Hamilton in betrekking tot het leger van Amerika\'s vereenigde staten:
wie onbevooroordeeld let op de lessen der ervaring, kan niet anders
dan ten volle overtuigd zijn, dat het gebruiken van alcohol door
gezonde personen in niet één geval voor hen eenige nuttigheid heeft.
Op den regel laten wij geene enkele uilzondering toe. Geen koude,
hitte of regen wettigt het gebruik van alcohol, en wie tot daartoe
drinkers waren, zullen er niet dan voordeel bij hebben, wanneer
hun als soldaten alle drankgebruik ontzegd wordt. \')
Dr. G. Delaunois zegt volkomen naar waarheid s): » de alcohol
is niet noodig voor den gezonden mensch."
Dit is eene onbetwistbare
waarheid, waarvoor het bewijs reeds lang geleverd is. Er bestaat
eene stad, waar men noch wijn, noch bier, noch likeuren drinkt.
Deze stad ligt in den Staat Vermont, grenzende aan dien van New-York.
Zij heet St. Johnsbury. De brandewijn, het bier, de wijn worden
er zorgvuldig achter slot gehouden. Hun gewone drank is water,
\') Prof. G. Bünge t. a. p. pag. 8.
*) t a. p. pag. 65.
-ocr page 46-
44
hun hartstocht thee. De bevolking is proper, goed gehuisvest en
gevoed. De kinderen zijn goed gekleed en zien er frisch en gezond uit.
Dit alles is te danken aan de toepassing van de wel, die den
verkoop van sterke dranken verbiedt.
Ontelbare proeven zijn genomen met ploegen van arbeiders, welke
eene gelijke taak moesten volbrengen, terwijl aan de eene ploeg alle
sterke drank werd onthouden en aan de andere eene bepaalde hoe-
veelheid daarvan werd uitgereikt. Wiskundig werd bewezen, dat
de hoeveelheid verrichte arbeid van de onthouders veel aanzienlijker
was dan van hen, die een malig gebruik van sterken drank maakten.\')
2°- Wij herhalen dus, het gebruik van geestrijke dranken
is in geen enkel geval voor eenig mensen noodig.
a. Integendeel dit is hoogst gevaarlijk.
De alcohol is slechts iets stoffelijks en werkt slechts opwindend of
wel verlammend op den mensch.
Het gebruik geeft geen verstand of wijsheid, geene zedelijkheid of
Godsvrucht, geene zelfkennis of zelfbeheersching, geen rijkdom,
welvaart of kracht. Op den bodem van het wijn-, bier-of jenever-
glas kunt gij van dat alles niets vinden. Het gebruik vraagt eene
uitgave van geldelijk vermogen, schenkt aan het lichaam een stoffelijken
en zeer bediiegelijken prikkel en wekt op alles wat daar zinnelijk is
in den mensch. Bij het gebruik is er geen winst van datgene,
wat hem waarlijk tot mensch maakt, maar wel van datgene wat
hem tot dier maakt.
Geen wonder, dat het overvloedig gebruik op allerlei feestdagen
soms ontzaggelijke gevolgen kan hebben.
\') Dr. Delaünois t. a. p. pag. 66. Prof. Scheoedeb van dek
Kolk. t. a. p. pag. 38, 39.
-ocr page 47-
45
Wie zal de onheilen opsommen door de praatzieke, lasterende,
snoevende tong veroorzaakt, welke door alcohol is ontbreideld en
eindelijk is gaan doorslaan ?
Wie zal ze tellen de jongedochters en de jongelingen, die door
onbedachtzaam en roekeloos gebruik op den weg des verderfs zijn
gebracht, tot een diepen val zijn gekomen, of een liefdeband hebben
aangeknoopt, welke is gaan knellen als een juk aan slaven opgelegd ?
Volgens eene overlevering in den Talmud zou de satan, toen
Noach den eersten wijnberg geplant had, den wijnstok met het
bloed van een schaap, eenen leeuw en een zwijn gemest hebben,
welke dieren hij na eikanderen over den wijnstok geslacht had.
De kracht van het bloed drong er door heen en komt nog in
deszelfs gewas te voorschijn. Wanneer de mensch een beker wijn
drinkt, zoo is hij zacht en vriendelijk als een lam. Drinkt hij
daarvan twee, dan wordt hij moedig als een leeuw en trotseert alles.
Drinkt hij nog meer, zoo verliest hij zijn verstand en wentelt zich
tevens gelijk een zwijn in het slijk. Het is daarom dat de wijzen
zeggen: »wanneer te veel wijn gedronken wordt is het verstand
verloren." l)
b. Te veel wordt lichtelijk gedronken door den gebruiker.
Daarom is ieder gebruik gevaarlijk, het voert zoo lichtelijk tot
gewoonte om te diitiken.
\') Zie Dr. Dutarc t. a. p. pag. 95.
De oude llomeinen zeiden ook: welk een schouwspel vertoont
ons een dronken mensch\'? Een onzer evenmenschen, die allereerst
zich vcrhoogvaardigt als een pauw, — die daarna grimassen maakt
als een aap, — die iets later zich als een leeuw opzet en woedt
en — die eindigt met zich als een zwijn in het slijk te wentelen. —
Zie Joseph Liveseij\'s woord over moutdranken vertaald en toe-
gelicht door J. E. Beunen , Gepd\' Kapitein-ingenieur pag. 110.
Utrecht 1886, C. H. E. Breijek.
-ocr page 48-
46
Wie geestrijken drank gebruikt kan er toe komen daarin smaak
te verkrijgen en ze begeerlijk te vinden.
Wie belust is op alcoholische dranken is geestelijk bedorven, hij
kan niet recht meer bidden: leid mij niet in verzoeking. Zijne
onheilige genegenheid brengt hem voortdurend in verzoeking.
Zulk een gencgene tot den alcohol is gelijk aan een mensch, die
gedachteloos in een bootje op de snelvlietende Niagara voortdrijft.
Hij wordt door den stroom al sneller en sneller medegesleept. Als hij
niet spoedig aan wal stapt, dan wordt hij door den vloed voortgezogen
naar den bruischenden afgrond, dan is zijn val onvermijdelijk.
Aan het gebruik van alcohol is eene noodlottige climax verbonden.
Wie heden voldoende heeft aan een teug, die vraagt telkens al
meer en meer.
De mensch, die gewoon is dagelijks iets te gebruiken, is gelijk
aan hem, die in de loterij speelt. Hij moet alle klassen doorkropen
en meer bijpassen, wil"hij volhouden. Het eindigen wordt moeielijk.
De inzet wordt al hooger en hooger, om aan het slot te vinden
— hier gewis en zeker — een niet: zoo nog maar een niet. —
Bij iedere teug wordt hij niet armer aan allerlei levensgoederen,
ai! neen! hij verliest meer en meer zich zelven.
De scherpzinnige Japanners zeggen dit recht duidelijk in een
spreekwoord: eerst neemt de man een borrel, dan neemt de borrel
een borrel en daarna neemt de borrel den man. \')
c. Ja! zoo is het. Gebruik voert tot gewoonte en gewoonte leidt
tot misbruik
, tot slavernij.
De stille huisselijke genoegens verliezen voor den genegene tot den
alcohol de oude aantrekkingskracht. Het bedehuis waar reinheid des
\') Zie ook Dr. B. W. Richardson. Volksonderwijs over alcohol.
Amsterdam, bij H. W. Mooy, 1879, pag. 135, 136.
-ocr page 49-
47
harten wordt gezocht en gevonden wordt allengs schaarscher bezocht.
Men zoekt drinkgelegenheden, men maakt feesten ook des Zondags.
Het drinken wordt een roem. Men drinkt tegen elkander op.
Onmerkbaar wordt de drinker geboren. Op alle uren van den dag
wordt weldra de beker der ijdelheid en der ongerechtigheid welkom
geheeten. De onmatige wordt eindelijk een dronkaard, die zich
lichamelijk ja! soms zedelijk bedrinken moet.
Het ontzenuwde en verslapte lichaam van den ontnuchterde vraagt
nieuwe prikkels, om wederom een weinig bruikbaar te zijn. Het
geweten van den ongelukkige, dat kermt en schreeuwt over velerlei
ellende in en builen hem, vraagt naar rust, — rust, welke hij in
zijne salansche begoocheling alleen meent te kunnen vinden in ver-
nieuwde en verhoogde bedwelming en verlamming door geestrijken drank.
Arme dronkaard! Als God hem niet genadig is speelt hij zijn
persoonlijk leven gewis en zeker uit.
3°- Zijn misbruik van geestrijke dranken is waarlijk erger
dan de dood.
Lichamelijk, zedelijk, huiselijk, maatschappelijk ,
kerkelijk, godsdienstig ja! ten slotte persoonlijk is hij aan alle verderf
en ellende blootgesteld. De onbekeerde dronkaard is aan den laatsten
eindpaal van zijn ijdelen weg menschelijk eene ruïne I Eene ruïne
van hel schoonste wonderstuk en den heerlijksten tempel.
Iedere natuuronderzoeker, die met een geestelijk oog het schep-
pingswerk Gods gadeslaat en al meer en meer de gedachten van
den schepper, welke in de schepselen opgesloten zijn, zoekt na te
denken, zal overal met aanbiddende bewondering stilstaan, vooral
ook tegenover het zamenstel en het leven van het menschelijk lichaam.
Al staat hij tegenover een menschelijk geraamte, en hij denkt na,
09
hoeveel liefde, wijsheid, voorzichtigheid, spaarzaamheid, eenvoud
en scheppende wondermacht in de afzonderlijke deelcn en in het
-ocr page 50-
48
geheel is ten loon gespreid , dan acht hij dat geraamte, zooals het
langzaam geworden en eindelijk bij voortdurende verandering alzoo
gebleven is, oneindig hooger dan de kunstwerken der menschen.
Ja! waarlijk een geraamte is voor den man der ware wetenschap
geen dor en doodsch gebeente. In dat geraamte leeft een geest;
dat geraamte getuigt en spreekt ja! het jubelt een geheimzinnig loflied
op de diepte van Gods wezen, op de gerechtigheid van Gods troon,
op zijne herscheppende genade in Christus. Dat geraamte heeft eene
ondoorgrondelijke geschiedenis in het verledene, een welsprekend
beslaan voor het heden en eene grootsche verwachting voor de toe-
komst. Men moet mannen gekend hebben als Prof. Schroeder
van der Kolk en Prof. Jan van der Hoeven om te begrijpen,
hoe iemand, grijs geworden als onderzoeker der natuur, met den
geestdrift van den jongeling tegenover een geraamte eerbiedig kan
uilroepen : » Ziedaar bet schoonste kunstgewrocht op aarde."
Mijne Heeren! de beenderen spreken , dat de aarde zwijge! —
(Toen hij dit zijde meende ik iets vochtigs Ie zien in zijne oogen
en zekere trilling waar te nemen in zijne stem.)
Maar hij vervolgde: — Wanneer die beenderen reeds zoovele
kostbare schatten en wonderen bevatten, wat moeten wij dan niet
getuigen van het geheele menschelijke lichaam, dat leeft.
Ach! welk eene heiligschennis om dit door de zonde min of meer
te verderven! Welk een misdaad om dit roekeloos te verwoesten,
terwijl alles in de schepping wenscht voort te bestaan en zich zoekt
voort te planten.
De onmatige maakt zich als mensch schuldig aan eenen langzamen,
volslagenen zelfmoord. Zoo hij niet ophoudt met drinken, maar
daarmede doorgaat met ijzeren volharding, dan kunnen wij gerust
voorspellen, dal hel hout voor zijne doodkist reeds is geschaafd en
dat de vierschaar ter zijner veroordeeling reeds is gespannen.
-ocr page 51-
49
Ongelukkige dronkaard! Hij is begonnen alcoholischen drank te
gebruiken onder allerlei schoone leuzen, maar eer dat hij het wist
had hij de werkzaamheid van zijne maag bedorven.
De wijngeest toch, zooals ik gisteren avond zeide, \') gaat de spijs-
verleering tegen en veroorzaakt eene overvloedige slijmafscheiding
in de maag. Maar bij dit slijm wordt ook het verteringsprincipe
of de pepsine afgescheiden en deze verliest dan door den alcohol
grootendeels hare kracht. Er ontstaat maagverslijming en ontsteking
der slijmvliezen. Allengs komen dan door de herhaalde prikkeling
van het slijmvlies maagzweren en kanker te voorschijn.
Dit alles is evenwel slechts het begin van het einde, of liever een
deel van het geheel.
Op het voorhoofd van het lichaam des dronkaards staat in vlammend
schrift geschreven: met versnelden pas draaft gij naar de groeve der
vertecring.
De alcohol, welke in de maag is ingebracht, wordt zeer spoedig
onveranderd door de bloedvaten opgenomen
en door het geheele lichaam
verspreid. s) Alle deelen des lichaams worden gevoed door dit
gealcoholiseerde bloed, vooral de lever en de hersenen, wijl deze zeer
bloedrijk zijn.
Dit gealcoholiseerde bloed begint te stollen en wordt donker van
kleur; de bloedkleurstof scheidt zich van de bloedlichaampjes en
wordt in bloedserum opgelost.
Het levensbloed wordt alzoo bedorven.
Daarbij oefent de alcohol eenen nadeeligen invloed uit op de zui-
vering van het bloed bij de ademhaling.
\') Zie pag. 34 en vlgg.
-) l\'/j minuut na het gebruik wordt deze in het aderlijke en slag-
aderlijke bloed gevonden. Dr. A. Baek. t. a. p. pag. 25.
-ocr page 52-
50
De alcohol, welke overvloedige koolstof bevat, onttrekt een gedeelte
zuurstof of levensstof, welke bij de ademhaling wordt opgenomen,
aan het bloed. Deze zuurstof of levenslucht maakt de voedingsstof
uit de spijzen getrokken geschikt tot voeding en is tot vorming van
de spieren onontbeerlijk. :) Wij kunnen de werking van het zuur-
stof op ons bloed niet missen, want hierdoor ontstaat de spierstof,
welke noodig is voor de vorming en den groei van onze spieren,
dit is: voor onze lichaamskracht.
Een onmatige alzoo bederft zijn levensbloed en doet aan geheel
zijn spierstelsel
te kort. Lichamelijk verzwakt hij. Deze lichamelijk
verzwakte is bij ingespannen arbeid spoediger vermoeid dan een ander.
De arbeid, welke de spierstof verteert of ongeschikt maakt tot
verdere inspanning, vraagt bloed, dat van zuurstof is voorzien en
ook nieuwe vezel- of spierstof om de spieren te herstellen; maar de
door alcohol belemmerde spijsvertering, welke minder voedingsstof
geeft, en het verarmde bloed, dat minder vezelstof bevat, verhinderen
eene gewenschte herstelling van krachten.
Het lichaam van den onmatige is alzoo gelijk aan een huishouden,
waar het inkomen verre blijft beneden de gemaakte begrooting, en
waarin het huisraad aan mot en roest is prijsgegeven. Een lichamelijk
bankroet is allengs te wachten.
Niet gering immers is ook de werking van den alcohol op het
zenuwstelsel en de hersenen.
Aanvankelijk werkt de alcohol opwekkend, maar daarna neder-
drukkend.
\') Prof. Sciiroeder van DER Kolk t. a. p. pag. 18. Ook bij matig
gebruik van alcoholische dranken wordt er minder koolzuur uit-
geademd; dit blijft voortgaan zoolang de werking van den alcohol
duurt. Dr. A. Eaer t. a. p. pag. 28.
-ocr page 53-
51
In den beginne is er een gevoel van behagelijkheid. Het voor-
stellingsvermogen is geklommen. Het denkvermogen is vlugger. Het
zelfbewustzijn is verhoogd. Het gevoel van eigenwaarde is toegenomen.
Maar daarna wordt de gedachtengang bemoeielijkt en onzamenhangend.
Vatbaarheid voor zinsbedrog is mogelijk.
De bewegelijkheid in de willekeurige spieren is eerst vermeerderd;
— van daar het luide spreken en de levendige bewegingen. —
Maar spoedig kan de wil de spierbeweging niet geheel meer beheer-
schen. Men begint te stotteren, te wawelen. De gang wordt
onzeker, tuimelend. De beenen willen het lichaam niet meer dragen,
zij gehoorzamen den wil niet.
Op dit tijdperk van opgewektheid volgt dat van neergedruklheid.
Het waarnemingsvermogen stompt af. Het denkvermogen is traag.
Een geregelde gedachtengang is niet meer mogelijk. Losse gedachten
worden onduidelijk uitgesproken. Het bewustzijn verdwijnt. De
beschonkene wordt onontvankelijk voor uitwendige indrukken. Hij
zinkt slaapdronken ineen. Het leven des gevoels, des willens wordt
allengs opgeheven. Het geheele hoofd met al zijne hersenen, alsook
het ruggemerg slaan ondel1 den verdoovenden en verlammenden
invloed van koning alcohol. \')
Zoo gaat het den drinker van geestrijke dranken in de verschillende
tijdperken van dronkenschap. Bij het eerste glas staat hij op die
gladde baan aan wier eindpaal hij omvalt perinde ac cadaver. \')
Laat u niet misleiden door die drinkebroers, die daar statig en
welgedaan voortstappen. Hunne gezetheid is niet gezond, niet
natuurlijk. Wegens hunne belemmerde ademhaling heeft er eene
rijkelijke en schadelijke vetvorming plaats.
\') Dr. A. Baeb, t. a. p. pag 30, 31.
s) Even als een lijk.
-ocr page 54-
52
In liun bloed wordt niet genoeg zuurstof opgenomen om de vet-
deelen daarin te ontleden, of als \'t ware langzaam te verbranden, en
nu hoopt zich dat vet in het bloed op en zet zich af in verschillende
deelen van het lichaam, waar het niet behoort.
Hierdoor ontstaan vetleuers, welke eene vermindering van gal-
afscheiding
ten gevolge hebben. Door deze vermindering van gal-
afschciding kan bel overvloedige vet niet genoegzaam worden verwijderd,
en nu wordt dit overtollige vet in alle deelen van het lichaam afgezet,
en ondergaan deze ook eene vetachtige ontaarding.
In bet algemeen zijn leverziekten, die ten slotte in den dood
eindigen, geene zeldzaamheden bij misbruikers van sterken drank.
Ook is vergrooting van het hart bij hen, die de gewoonte hebben
zich te bedrinken, een vast bepaald verschijnsel. \')
Dat arme dronkaardshart heeft wat te lijden. De alcohol jaagt
het bloed door het lichaam, de polsslagen nemen toe en het hart,
dat middelpunt des licbaams, wordt, ook door allerlei verstoringen
in den bloedsomloop, in klimmende mate tot dwangarbeid veroordeeld.
Het wordt afgebeuld en moet eindelijk bezwijken. Te meer wijl de
aderen door het misbruik van spiritualiën hunne veerkracht verliezen
en aan verdikking ja! aan verkalking onderhevig zijn. Te meer wijl
keel en longen ziekelijk worden aangedaan en wegens velerlei oorzaken
de ademhaling belemmeren, en wederom de longen daardoor ver-
binderd worden genoegzaam mede te werken tot zuivering van het
bloed en gewenschte zuivering van de stof des licbaams. \')
Ook lijden de dronkaards niet zelden aan ontsteking en ontaarding
\') Dr. A. Baee t. a. p pag. 66.
2) De drinker verkrijgt zeer spoedig eene schorre stem, die niet
zelden in voortdurende heesculicid overgaat. Dr. A. Baek t. a. p.
pag. 70.
-ocr page 55-
53
van de nieren, vooral ook , omdat bij den invloed van geestrijke
dranken, allerlei omstandigheden komen, welke deze helpen ontslaan
of bevorderen, zooals: slechte kost, onvoldoende voeding, ongezonde
woning, oponthoud in vochtige lucht, invloed van natheid en zoo
al meer.
Maar bovenal hebben — zooals wij reeds bespeurd hebben — de
zenuwen en de hersenen ontzaggelijk te lijden. Juist op dezen oefent
alcohol zijne verwoestende kracht.
Bij bet gebruik van alcohol wordt hel bloed door de verhoogde
werkzaamheid van het hart in groote hoeveelheid naar de hersenen
gedreven. Uit de opeenhooping van bloed, vooral wanneer deze
dikwijls voorkomt of lang wordt volgehouden, kunnen de jammer-
lijkste onheilen te voorschijn komen: hoofdpijn, stompheid, zins-
begoocheling , verlamming, beroerte, krankzinnigheid, wijl het
hersenvlies begint te ontsteken en uil te zeilen, en de ontaarde
bloedvaten van een scheuren. Of wel de hersenen zelve worden
aangetast, wijl soms eene ziekelijke vergrooting, maar vooral eene
ongeneeslijke vermindering der hersenen plaats grijpt. \')
Wij kunnen nagaan, dat de oogen van den onmatige veel te lijden
hebben. Bij velen wordt het oog verzwakt ja! als door nevelen
geheel verduisterd. J)
Ook is de huid van den drinker in geen gewonen toestand. De
bedorven bloedmenging gepaard met onreinheid en slechte voeding
roepen allerlei puisten en uitslagen te voorschijn. Karacleristiek is
de roode puist op den neus van den dronkaard, welke den drager
\') Dr. A. Baek t. a. p. pag. 86.
2) Het daltouismus of kleurenblindheid dat bij het spoorweg-personeel
niet zelden voorkomt, is mede een gevolg van het misbruik van
geestrijken drank en van tabak. Dr. A. Baer t. a. p. pag. 90.
-ocr page 56-
54
als een uithangbord dient, waarop met rooskleurige letters staat
geschreven : » hier drinkt men te veel alcohol." Of liever met allen
ernst gesproken: » de man, die dit teeken draagt is bezig den schoonsten
tempel af te breken en zich zelvcn als mensch te vernietigen."
Met Salomo mogen wij vragen: Bij wien is wee ? bij wien och
arme? bij wien gekijf? bij wien het geklag? bij wien wonden zonder
oorzaak ? bij wien de roodheid der oogen ? Bij degenen, die bij
den wijn vertoeven; bij degenen, die komen om gemengden drank
na te zoeken. Zie den wijn niet aan , als hij zich rood vertoont,
als hij in den beker zijne verw geeft, als hij recht opgaat; in zijn
einde zal hij als eene slang bijten, en steken als eene adder. Uwe
oogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerd-
heden spreken. En gij zult zijn, gelijk een, die in het hart van
de zee slaapt; en gelijk een, die in het opperste van de mast slaapt.
Men heeft mij geslagen, zult gij zeggen, ik ben niet ziek geweest;
men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik
opwaken ? ik zal hem nog meer zoeken I \')
De onmatige zoekt den alcohol, zullen wij hem schenken, van
hem eene teug ontvangen, met hem drinken of klinken ?
Zegt uw geweten niet: neen I Is hij niet, wat lichaam en ziel
aangaat, ter dood gegrepen, en alzoo ballast op ieder levensgebied?
Zou het niet wenschelijk zijn, als deze man kon tegengehouden
worden op zijn heilloozen weg, welke voert tot allerlei misdaad, tot
krankzinnigheid, tot zelfmoord ? Zou het niet een heerlijke triumf
zijn, als deze man uil de draaikolk des levens kon worden gered ?
Voorzeker! En daartoe is maar een afdoend middel: Onthouding
van alle geestrijke dranken. %)
\') Spreuken 23: 29—35.
^ Prof. G. Bunge t. a. p. pag. 24. Dr. Delaünois t. a. p. pag. 71.
-ocr page 57-
55
Gelooft liet vrij, in zijn geweten is hij daarvan overtuigd. Zoo gij
hem beluistert, dan zult gij van hem hooren, dal hij den sterken drank
vervloekt en het oogenblik vcrvvenschl, dat hij den eersten druppel
brandewijn heeft gedronken.
Met woorden kunt gij niet alles bij hem tot stand brengen. Uw
voorbeeld moet hem trekken, hem behouden voor zich zelven, voor
zijn huisgezin, voor de kerk en de maatschappij.
Vergeet niet, dal de onmatige doorloopend zijn lichaam ja! zijn
leven laat doortrekken van alcohol en als mensch ten slotte opgaat
in alcohol.
Prof. Schroeder van der Kolk zeidc mij eens, dat hij het
hoofd geopend had van een drinker die in het krankzinnigenhuis te
Utrecht aan delirium tremens \') gestorven was en dat hij in de
hersenpan van dien man gevonden had — een lepel vol alcohol.
Hoe vreeselijk ! De laatste gedachte van zulk een man of vrouw
is alcohol. Te vergeefs klopt zulk eene ziel aan de poort des hemels,
waar geene vraag is naar alcohol, maar wel naar het bloed des
kruizes.
Mijne Heeren! Laat ons vragen naar den Heer en breken met de
drinkgewoonten, welke zulke slachtoffers velt.
Doet het heden. Legt Gods woord niet ter zijde. Het kan morgen
in betrekking tot u zelven of anderen te laat zijn.
Denkt aan Archias en Philippus de Spartanen , die in het ver-
overde Thebe aan een slempmaal zich te goed deden, terwijl
Pelopidas, de Thebaan in stilte eene zamenzwering smeedde om hen
te dooden. Aan den disch wordt hem door den overpriesler te Athene
een brief overhandigd, waarin de geheele zamenzwering ontdekt werd.
\') Dronkaards-waanzin.
-ocr page 58-
50
Maar de dronken Archias lachte en knikte met hel hoofd, als de
bode hem den brief gaf met de woorden: t> Het zijn zaken van
gewicht gij moet den brief terstond lezen."
»Zaken van gewicht voor morgen \\" mompelde Archias en legde
den brief ter zijde.
» Recht zool" riep Phyllidas zijn gastheer, die in dezamenzwering
betrokken was, — »nu is het tijd om te drinken en vrolijk te zijn,
ik heb ook danseressen besteld, die zullen terstond verschijnen." —
De danseressen verschenen al te spoedig. Het waren zaamgezwo-
renen, die onder vrouwenkleederen den dolk des verraads verborgen
hadden. Deze naderden de jubelende Spartanen, trokken hunne
dolken en stielen hen neder.
Legt heden den brief niet Ier zijde, welken uwe Koninklijke
Hoogepriester uit den Hemel u toezendt: »Zie, ik kom haaslelijk;
houd dat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme." \')
En zoo gij heden waakt en staat, ziet toe dat gij morgen niet valt.
Denkt aan Alexander de Groole! Deze bevond zich op zijne
zegetochten in Aziën strijdende tegen Darius met zijn leger in eene
zandwoestijn, waar geen water was. Eindelijk vind een ruiter een
weinig en brengt hel in een helm tot den Koning. Maar als deze
zag, dat zijne krijgslieden smachten naar water even als hij, zeide
hij: »zal ik de ecnige zijn, die drinkt?" en goot het water op de
aarde. Als nu de soldaten zulk eene onthouding van hunnen Koning
zagen, riepen zij vol geestdrift uit: » Geleid ons verder, wij zijn
niet moede , niet dorstig, ook niet sterfelijk, wanneer zulk een
Koning ons geleidt."
Alexander de geheel-onthouder is waarlijk Alexander de Groole!
>) Openb. 3: 11.
-ocr page 59-
57
Eenigen tijd daarna.is land op land, ook Pcrsiën veroverd. Rus-
lende op zijne lauweren werd Alexander weelderig. Hij gaat leven
als een Pers. Op zekeren tijd aan eene smulparlij gezeten durft
Klilus, \') een trouwe Macedoniër hem te zeggen, dat Philippus
zijn vader hem nog overtrof in heldendaden. Op dat woord grijpt
de door wijn benevelde Alexander de lans uit de hand van een der
trawanten en doodt Klilus. Alexander sloot zich drie dagen en drie
nachten in eenzaamheid op zonder iets te gebruiken.
Alexander de wijndrinker was toen wezenlijk klein vooral in eigen
oog en.
Wie heden slaat, zie toe dat hij niet valle.
"Wie den Hellespont en den Granikus overtrekt, kan verdrinken
in een badkuip o! neen in een wijnglas.
Wie waarlijk onthouder is, bidde dat hij volharde tot den einde.
Verloochent u zelven om den wil uwer broeders. Laat door
alcohol geene zonde gepleegd worden, waaraan gij middellijk of
zijdelings medeplichtig zijt.
Weest geneesheer in uwen levenskring.
De geneesheer behoort a.llijd gereed te zijn, om iederen feestdisch
onaangeroerd te laten staan, als hij bij een drenkeling ol\' een gewonde
geroepen wordt. Welk eene blijdschap als hij een mensch gered
heeft van den dood.
Weest gij allen bereid om van het banket des levens alleen den
\') Deze Klitus redde bij den Granikus het leven van Alexander aan
den aanvang van zijne zegetocht. In den strijd waagde de jeugdige
Alexander zich te veel vooruit en zie! het zwaard van een Perzischen
veldheer flikkerde dooddreigend boven zijn hoofd. Doch een slag
van Klitus deed arm en zwaard van den Pers tegelijk ter aarde
nederstorten.
-ocr page 60-
58
bedwelmenden beker weg te nemen voor u zelven en voor uw huis.
Welk eene voldoening als liet u gegeven wordt een zondaar te
bekeeren van den weg des doods.
Mijne vrienden! weest geneesmeesters op uwe levensreize. Tracht
door geheel-onthouding velerlei kwalen bij onmatigen te genezen en
te voorkomen bij u zelven en uw huis. — Ik heb gezegd !
De christelijke jongelingen zongen ten slotte nog een geheel-ont-
houderslied als antwoord op het gesprokene. Het werd goed , met
gloed en moed gezongen. Geen wonder!
Nu en altijd
Uw Vriend C.
-ocr page 61-
Amice!
Gisteren middag werd ik in de gelegenheid gesteld de schilderij-
verzameling van den Heer Israël te zien. Deze man is schatrijk
en beoefent de kunst enkel uit liefde. Wat hij schildert, dat ver-
koopt hij niet en geeft hij ook niet weg. Hij laat alle stukken,
welke hij vervaardigt ophangen in eene zaal in zijne woning met
het doel, om ze na zijn dood aan de stad of aan eene kunstvereeniging
ten geschenke te geven onder voorwaarde, dat gezorgd worde, dat
zijne schilderijen kosteloos zullen worden ten toon gesteld voor het
publiek.
Al zijne kunstgedachten zijn door eene hoofdgedachte bezield en
deze is: onthouding van alcohol.
Men zegt, dal hij vroeger een matige drinker, zoo als zoo velen,
op treffende wijze gewonnen werd voor den geheel-onthoudingsstrijd \')
\') Als kunstenaar en vriend eener schoone natuur bezocht de Heer
Iskaël Ierland. Om eene schoone rotspartij goed te zien had hij
een jongen Ier tot gids genomen. Na een uur wandelens haalde
de Heer Iseaël zijne jaehtflesch met whiskey voor den dag, dronk
daaruit en bood dien toen ook aan zijn geleider aan. De jonge
man bedankte, op zeer beleefden maar tevens beslisten toon. Die
weigering klonk den reiziger vreemd en hij bood den jongen man
geld, als hij eens meeproefde. Een telkens vermeerderd aanbod
had geen invloed, tot eindelijk den armen Ier een gouden twaalf
gulden stuk tegenblonk. Toen ving zijn lichaam aan te beven ,
minder door begeerte dan door verontwaardiging, en op vasten
-ocr page 62-
60
en sedert dien tijd gedwongen werd zijne buitengewone talenten
daarvoor geheel dienstbaar te stellen.
Hij is een man begaafd met diep gevoel en groole zielskracbt, en
predikt op zijne wijze door sterksprekende tegenstellingen.
Zijne schilderstukken als zoodanig zijn waarlijk schoon. De onder-
scheidene kleuren, ook licht en schaduw zijn naar de eischen der
kunst aangebracht. Het geheel leeft en spreekt en trekt u aan ja!
houdt u vast, en drukt eene verheffende en zedelijke gedachte diep
in uwe ziel. Hij streelt uw oog, hij verheldert uw verstand , of
bevestigt uwe overtuiging, hij roert en reinigt uw hart. Hij teekent
niet slechts schoone bloemen, kleederen, gelaatstrekken en zoo al
toon en met de natuurlijke welsprekendheid van zijn landaard
zeide hij: »Mijnheer, gij weet zelf niet hoeveel kwaads gij mis-
dadig zoekt te stichten. Zoo jong als ik ben, was ik reeds een
dronkaard. Menig daalder, die ik als gids verdiende, verdween
reeds in de kroeg. Reizigers leerden mij, door dezelfde verkeerde
gulheid als u drijft, drinken; en ik verdronk alles wat ik verdiende
en, wat bijna nog erger was, ik liet mijne arme oude moeder
broodsgebrek lijden. Dat alles is nu veranderd. Vader Mathew
heeft mij den drank doen afzweren. In zijne handen heb ik de
onthoudersbelofte gedaan en ik zal die houden ook. Ik heb nu
een knap daagsch pak, zooals gij ziet. Te huis heb ik nog een
veel beter zondags kleed, en mijn oud moedertje heeft alle mogelijke
gemakken en wij hebben te zamen het heerlijkste leven. Al dat
geluk poogt gij nu door uwe omkooping in duigen te slaan. Door
uw goud wilt gij mij een woord verbreker, een mijneedige, een
slechten zoon, een dronkaard maken. O Mijnheer! gij weet niet
wat gij doet; maar voor al uw goud zal ik geen drop van uw drank
proeven." Nooit te voren had de Heer Iseaèl de zaak beschouwd,
zooals het ernstig woord van den jongen Ier hem die zien deed.
Hij erkende in hem den held en boog zich voor de macht van
zijn geest. Den jongeling de broederband reikende beloofde hij
hem zijn voorbeeld te zullen volgen en wierp als teeken zijner
welmeenendheid terstond zijn jachtflesch in de diepte des meers.
-ocr page 63-
61
meer, maar geeft voor uw zedelijk leven ook leêrkost op den weg.
Zijne kunst is in mijn oog de ware. Zij voldoet niet slechts in de
hoogste mate aan uw schoonheidsgevoel, maar ook aan uw zedelijk
gevoel. Naar den eisch der ware kunst richt de Heer Israël zich
tot uw hart als mensch. Zijne kunst is rein — menschelijk.
Het was mij een onuitsprekelijk ziels- en levensgenot in die ruime
zaal rond te wandelen, waar zoovele meesterstukken waren opgehangen.
Het was een heldere en zonnige dag. Het licht kwam door een
glazen venster van boven. Alles was levensgroot geschilderd. De
stukken hingen paarsgewijze.
Boven het eerste van het eerste tweetal stond met gouden letters:
valsche vrede. Dit stelde voor het binnenste van eene herberg vol
jolende gasten. Een hunner heeft triumfantelijk zijne porte-monnaie
uitgestort op tafel. Hij schijnt uit te roepen: »komt herwaarts: ik
zal wijn halen, en wij zullen sterken drank zuipen; en de dag van
morgen zal zijn als deze, ja grooter en treffelijker." \')
Dit Was de profetie van een leugengeest.
Boven het volgende stuk stond geschreven:. ware twist. Alles is
hetzelfde gebleven, behalve dat de glazen omgeworpen of gebroken
liggen, en de vroolijke aangezichten voor nijdige en hatelijke hebben
plaats gemaakt, zooals alleen de alcohol den pauwentrots en de apen-
zotheid in leeuwenwoestheid kan doen overgaan, en het menschelijke
in den mensch kan verdierlijken en misvormen.
No. 3 had tol opschrift: dolle blijdschap.
Op deze schilderij zag men een hoop door alcohol opgewonden
mannen, die uitdagend op een persoon zien, welke wrokkend van
nijd en brandend van toorn zijne wraakgierige oogen op een satirieken
\') Jes. 56: 12.
-ocr page 64-
62
plaaggeest gevestigd houdt. Men gevoelt het, die gesarde is als een
vuurspuwende berg, straks barst hij los en brengt hij naar buiten,
wat in zijn binnenste spookt en kookt. Straks vliegt hij op, om met
ijzeren vuist de flesch op te nemen en daarmede zijn tegenstander
de hersenpan te verbrijzelen.
Op den tegenhanger stond geschreven: stomme smart.
Hier zien wij denzelfden man, die tot mikpunt diende voor zijne
tafelvrienden, maar nu niet ziedend van toorn te midden zijner
uitgelalene drinkinakkers. O! neen wij treffen hem nu als veroor-
deelde in de gevangenis, terwijl hij door zijne gade en zijn kind
aldaar bezocht wordt, en de cipier bezig is het slot te doen op het
ijzeren hek.
Daar zit hij met afgewend gelaat, met wanhoop in het oog, met
vastgesloten mond, terwijl duizend pijnlijke gedachten over zijn
mannelijk gelaal zijn uitgespreid.
Daar staat zijne schoone, kloeke, zielvolle gade met een zakdoek
voor den mond, als wilde zij de aandoeningen terugdringen, waarvan
haar hart overloopt.
Daar staat zij met hare sprekende, heldere oogen, waarachter eene
zee van tranen zich schuil schijnt te houden, en waarin niet alleen
eene onuitsprekelijke droefheid, maar ook eene onveranderlijke trouw
te lezen staat.
En nevens deze zwijgende, maar sterksprekende gestalten staat het
4-jarig kind dat moederlief bij haar kleed vasthoudt. Kinderlijk naief
zet dat kind een paar groote oogen op, als ware het een onrustig
vraagteeken, als gevoelde het met onbewust instinct: een groot
onheil staat mij te wachten. — Die sombere kerker was niet zijne
speelplaats; aan vader en moeder had hij op dat oogenblik zoo
letterlijk niets. Het arme kind gevoelde zich een wees in gezelschap
zijner ouders.
-ocr page 65-
63
Boven No. 5 las ik: de zwakheid van den sterken drank.
Men zag daarop een woesten dronkaard, die alles wat breekbaar
was in het huis aan stukken had geslagen en bezig was zijne vrouw,
welke hij op den grond had geworpen, een trap in de lendenen te
geven met zijn voet, terwijl twee kinderen handenwringend jammeren
bij dit ontzettend tooneel.
Boven den tegenhanger prijkte in gulden letteren: de kracht van
het zwakke Evangelie.
Het was dezelfde binnenkamer, hier waren dezelfde huisgenoolcn,
man, vrouw en kinderen. Maar in- en uitwendig hadden allen eene
wedergeboorte ondergaan.
Het huisvertrek werd gekenmerkt door orde, netheid, welvaart.
De aangezichten blonken van stille blijdschap, liefde en vrede aan
den welvoorzienen disch. Een zwartrok zat ter zijde en wees met
den vinger op een boek op den boekenhanger waarop het woord
Bijbel te lezen stond, alsof hij zeggen wilde: »het Evangelie van
Christus heeft door Gods genade hier wonderen gedaan."
Treffend was ook de indruk der beide volgende kunststukken.
Op het eene stond: een bloem op het pad.
Daar zag men het liefste kind ter wereld biddend met gevouwen
handjes op den school van de allergelukkigste moeder. Welk een
schouwspel! Het was een paradijs van "moedervreugde en moeder-
weelde. Dit kind is hare hoogste blijdschap en roem op deze aarde.
Straks legt zij haar kind ter ruste, en dan droomt zij een liefelijken
droom van de schoone toekomst, welke ongetwijfeld voor haren
eerstgeborene is weggelegd.
Maar de tegenhanger gaf te lezen: Een doorn in het vleesch.
Wij zien weder dezelfde huiskamer, niet op een zonnigen zomer-
avond, maar op een buïegen herfstdag. De moeder des huizes zit
-ocr page 66-
04
op dezelfde plaats, maar haar haar is wat grijs geworden en de
glimlach der zieleblijdschap heeft plaats gemaakt voor den pijnlijken
trek van innig smartgevoel, vooral nu, als zij ziet hoe haar zoon,
haar eerst- en schijnbaar eeniggeborene volwassen geworden, als
een echte losbol beschonken het vertrek binnenwaggelt.
Al deze stukken werden met gespannen aandacht door mij gade-
geslagen , want zij verhaalden waarheid en geschiedenis op eenvoudige
wijze. — Zoo was het ook met de beide volgenden.
Het een had tot opschrift: uit vaders glas gedronken en hel andere
door vaders glas verdronken.
Daar stond een vader, als mensch in zijne beschonkenheid de
persoonlijke lafheid en (lauwheid, tegenover zijn 11-jarig kind, dat
hij dwingt uil zijn glas sterkedrank te drinken, terwijl de moeder,
eene rechte zottinne door den drank, met onverholene blijdschap
dit akelig schouwspel gadeslaat.
Maar deze knaap is op het volgende als jongeling en ook als
drenkeling voorgesteld, die des avonds bij het licht van eene fakkel
door den vader herkend wordt. Dronken was hij in het water ge-
loopen en had hij daar een akeligen dood gevonden.
Schoon was de voorstelling van hel licht, dat op den verdronken
jongeling en den verschrikten vader, als ook op het gelaat van
den gerechtsdienaar viel, terwijl deze den diepgeschokten vader aanzag
alsof hij zeggen wilde : » als kind heeft hij tegen zijn wil uit uw glas
gedronken,
als jongeling is hij tegen uw wil door uw glas verdronken."
Wonderlijk schoon was ook die lichtmengeling, veroorzaakt door
den rossen gloed van de fakkel en het zachte licht der volle maan,
die prijkte aan den bewolkten hemel. Die ongelukkige vader stond
daar, ter zijde en van achteren nog beschenen door het genadelicht
des hemels in den nacht der zonde en des doods. Dat heldere maan-
licht weerkaatsing van de zonne der gerechtigheid scheen nog eene
-ocr page 67-
65
roepstem des hemels, die hem toefluisterde : » het einde is nabij!
Laat u bekeeren door den schrik des Heeren. Ach! mocht de liefde
Gods in Christus u nog lieden doen pleiten op het verbond der
genade, u doen bedenken wat tot uwen vrede dient!"
Met veel genoegen had ik bijna 2 uur in dit kunstkabinet door-
gebracht. Ik mocht daarna door do goedgunstigheid van den bewaker
nog een kijkje nemen in het atelier. Daar zag ik aan den muur
nog eene menigte schetsen, welke allen op zijn onderwerp betrek-
king hadden. Die schetsen verraadden reeds de meesterhand. Twee
stukken, die bijna afgewerkt waren trokken zeer mijne aandacht.
De bewaarder zeide, dat boven het een zal geschreven worden:
»Breed is de tueg", en boven het andere: » die ten verderve leidt."
»Breed is de weg!" Dat behoort boven een stuk te staan,
waarop een jonge man en eene jonge vrouw zijn voorgesteld, die
luchthartig en lichtzinnig des avonds een huis binnentreden, waarop
in vurige letters te lezen staat: café chantant.
-»Die ten verderve leidt" zoo moet. het opschrift luiden boven
eene andere schilderij. Daarop ziet men dezelfde jonge dochter,
maar nu verbleekt, uitgeteerd en in zeer slordige kleeding. Zij
bevindt zich nu in eene kamer van hare woning tegenover dat
café chantant. Een half gekleed kind van eenige weken heeft zij
op den schoot. Zij ziet door hel venster naar buiten en aanschouwt
haren caf\'é-cliantant vriend, die keurig uitgedoscht met eene dame
aan zijn arm voorbijgaat. Het ongelukkige schepsel verstijft van
schrik en laat, niet alleen door hare verwardheid en ontsteltenis,
maar ook met zekere gevoellooze onverschilligheid de arme kleine
van haren schoot langzaam op den grond glijden.
Die ongelukkige jeugdige moeder is wellicht waarlijk eene verleide,
die onder den invloed van alcohol haar lichaam prijs gaf, en nu, in
de hitte der beproeving door de verzoeking van satan, gevaar liep
God geheel te verlaten, en hare ziel te verderven tot in alle eeuwigheid.
Gode bevolen door
t. t.
• G.
-ocr page 68-
Waarde Vriend!
Mijne belofte heb ik gehouden. Ik heb uwe neven Johan en
Frederik nog eens bezocht en met genoegen een uurtje bij hen
doorgebracht. Onwillekeurig sprak ik over de volksvoorlezing van
Dr. Adam , alsook over hel volksmuseum van den heer Israël.
» Het ware te wenschen", zeide ik » dat dergelijke voorlezingen
overal des winters werden gehouden, en dat iedere groote stad in
het bezit kon komen van dergelijk kunstkabinet."
» Zekerlijk!" anlwoorde Johan, » de onwetendheid en de gehechtheid
aan voorvaderlijke gewoonten is verbazend groot onder de volks-
klasse ja ! zelfs onder meer ontwikkelde burgers en landbouwers.
Deze oefenen hunnen verkeerden invloed uit op de zonen des volks,
welke mede op hunne beurt, wanneer zij als militair in dienst treden,
hunne wanbegrippen toepassen, of zich klakkeloos laten medesiepen
door mannen, die van oordeel zijn, dat in vredes tijd de krijgsman
zijn moed behoort te toonen door diep in het glas te kijken."
Ik knikte toestemmend, maar alles was mij nog niet recht duidelijk,
dat namelijk de krijgslieden te water en te land in alle omstandigheden
alcoholische dranken z,ouden kunnen missen. Daarom vroeg ik op
den man af: » Zoudt gij beiden wenschen, dat ten allen tijde en
overal het geheele leger waart gelijk gij: geheel-onthouder ?"
»In dit opzicht zouden wij beiden wenschen, dat allen waren
gelijk wij, en wij doen dit met een zuiver wetenschappelijk geweten."
-ocr page 69-
67
»"Wel!" riep Johan, » ik hoop straks als officier van gezondheid
bij de marine land en koning te dienen, maar ik verzeker u, ik
zou vurig begeeren, dat alle manschappen er in berustten, dat geen
druppel alcohol aan boord werd medegenomen als in de apotheek.
In 1695, toen wij zedelijk ons hoogste toppunt reeds hadden
bereikt, is men begonnen om dagelijks een soopje sterken drank aan
de matrozen op Neêrlands vloot uit te reiken. Die kwade gewoonte
bestaat nog. Dagelijks verkrijgt iedere zeesoldaat 5 vingerhoeden
jenever. Het moet soms akelig zijn om te zien, hoe sommigen,
die genegen zijn tot den drank naar het uur zitten te hunkeren,
dat zij een weinig vergift zullen ontvangen, dat, voor den maaltijd
gegeven, voor gezonde mannen volstrekt niet noodig is.
»Duizende matrozen zijn bij de Engelsche en Amerikaansche
marine, die geheel-onthouders zijn, en zij varen er wel bij waar en
wanneer zij ook zwerven op de wereldzee. Hunne gezondheidstoestand
is veel beter, hunne geschiktheid om te gehoorzamen is veel grooler."
» Het doet mij genoegen ," zeide ik, » dit te vernemen. Maar,"
zoo vervolgde ik, »is alcohol bij hevige koude op wacht dan niet
aan te bevelen."
»In geen geval", hernam Frederik. Alcohol verwarmt niet.
Dit schijnt zoo te zijn, maar is zoo niet. Onmiddellijk na het gebruik
is er voor het persoonlijk gevoel, eene verhooging van de lichaams-
warmte, maar dit gevoel duurt slechts korten tijd en ontstaat niet
door werkelijke vermeerdering der warmte, maar door de prikkeling
op de zenuwen in de maagstreek en de verhaasting van den bloeds-
omloop. Alcohol houdt de stofwisseling tegen en is daarom nadeelig
voor de ontwikkeling van warmte. \')
»Bij groote koude is geestrijke drank gevaarlijk, wijl dezelve
\') Dr. A. Baer. t. a. p. pag. 106. Prof. G. Bunge. t.a. p. pag. 3.
-ocr page 70-
08
weldra een verdoovenden, neêrdrukkenden en slaapwekkenden invloed
uitoefent, en alzoo in liet lichaam niet zooveel warmte verwekken
kan, als het lichaam aan de koude lucht afstaat, zoodat bedwelming
en den dood door bevriezen te wachten staat."
Dr. Hookeu, arts bij de Zuidpool-expedilie van Sir James Ross
zegt: Het glas grok is bij groote koude zeer aangenaam, het ver-
warmt den mond en de ingewanden, maar het doet nooit iets goeds;\')
de uiterste ledematen worden niet verwarmd, en wanneer ook werk
moet volbracht worden, zoo is de spiritus nadeelig; want een
kwartier of half uur na het gebruik is men kouder en vermoeider
dan voor hetzelve. Hetzelfde verzekeren Sir J. Richardson, kapt.
Kennedij de gezagvoerders der Noordpool-expeditie, welke de Britsche
regeering daarna uitgezonden heeft. Het stelsel der geheel-onthouding
was bij deze beide ondernemingen met het beste gevolg in practijk
gebracht. s)
»Karel XII verloor in Rusland 3 a 4000 man door bevriezen,
wijl de soldaten verkeerdelijk zich hadden ingebeeld, dat zij hunne
verstijfde ledematen door het genot van veel brandewijn warmte en
kracht verleenen zouden en juist daardoor des te zekerder een
spoedigen dood veroorzaakten.
»Wie zal de Fransche soldaten van Napoleon\'s leger lellen, die
na den ongelukkigen veldtocht in Rusland door brandewijn hun dood
in de sneeuwvelden hebben gevonden. — In het Russische leger is
dan ook op marschen in koude streken het gebruik van geestrijke
dranken verboden."
\') It never did me one atom of good.
5) Dr. W. B. Carfenter on the use and Abuse of Alcoholic Liguors
in Health and Disease. London. 1850. Aangehaald door Prof.
Schroeder tan der Kolk t. a. p. pag. 46, en door Dr. A. Baer
t. a. p. pag. 557.
-ocr page 71-
69
«Krachtige veltc spijzen, goede koffij met veel suiker zijn de beste
middelen om Ie verwarmen. Alle deskundigen zegt Dr. Parkes ,
verwensenen hel gebruik van spiritualia zelfs van wijn en bier tegen
de koude. De alcohol is in koude te verafschuwen, als hel te doen
is om zwaren arbeid of groote marschen."
Ik had vooreerst genoeg van den brandewijn als dienstig tegen
de koude. »Maar bij groote hitte tijdens den oogst of in het Oosten",
vroeg ik, »is de alcohol dan niet goed om het zweeten wat tegen
te gaan? Bij veel warmte hebben de menschen toch last van over-
vloedig zweeten en van matheid des lichaams."
»Dat is zoo" hernam Frederik,\'" maar dat zweeten is voor hel
lichaam zeer weldadig. Het onttrekt aan het lichaam eene groote
hoeveelheid warmte. Eene dunne kleeding kan hel overvloedig zweeten
een weinig tegenhouden en een verfrisschende drank is het beste
middel om het lichaam weder genoegzaam van waler te voorzien.
Maar alcohol is in geen enkel opzicht in groote warmte aan te
raden.\') De alcohol in kleine hoeveelheid bevordert de zweetafscheiding,
en grootere giften zijn wegens de latere verlammende werking zeer
te mijden. Vooral in het Oosten, waar ingewands- en leverziekten
zoo menigvuldig voorkomen, is alcohol een hoogst gevaarlijk huismiddel.
Deskundigen verzekeren, dat onthouding van geestrijke dranken het
beste voorbehoedmiddel is tegen de vele ziekten, waaraan de Europeaan
in het Oosten bloot slaan, zooals moeras- en typheusekoorls.
Larrey merkt op in zijne berichten over den gezondheidstoestand
der troepen gedurende den veldtocht in Egypte, dat wijn en andere
spiriluosa in die streken de vreeselijkste gevolgen hebben en prijst
derhalve de voorschriften van den Koran, welke het genot van deze
dingen verbiedt." \')
\') Dr. A. Ba bh. t. a. p. pag. 98.
!) Dr. A. Babk. t. a. p pag. 557.
-ocr page 72-
70
» Na alles, wat ik van Dr. Adam en heden gehoord heb," zeide
ik, » zal de alcohol zeker ook door u niet verlangd worden bij
zwaren langdurigen arbeid."
» Goed gezien!" riep Johan op vasten toon, » bij zwaren arbeid
hebben onze zee- of geniesoldaten, zoo min als eenig werkman
geestrijke dranken noodig.
Aan het paard, dat eene zware wagenvracht tegen eene hooge
sluis moet optrekken, geven wij ook geen alcohol.
Goede voeding en gepaste rust zijn voor iederen gezonden mensch
de eenige vereischten, om in staat te worden gesteld dagelijks zwaren
arbeid te volbrengen of groote marschen af te leggen. Krachtig voedsel
wekt op en versterkt, alcohol prikkelt en put uit. Alcohol belemmert
het verteringsvermogen en verhindert den arbeider zooveel voedings-
stoffen op te nemen als hij lot volvoering van zijn arbeid noodig heeft.
» De brandewijn is een groote bedrieger."
» Prof. Liebig zegt: hij stelt den arbeider in staat door deszelfs
werking op de zenuwen de ontbrekende kracht op kosten van zijn
lichaam aan te vullen, dien voorraad heden te verbruiken, welke
volgens de orde der natuur eerst den volgenden dag had mogen
worden aangewend. Het is een wissel getrokken op de gezondheid,
welke steeds moet worden uitgesteld, wijl hij uit gebrek aan middelen
niet kan worden ingelost. De arbeider verteert alsdan het kapitaal
in plaats van de renten. Een onvermijdelijk bankroet zijns lichaams
staat te wachten."
» Dr. Baer zegt: de brandewijn dagelijks of meermalen gebruikt
is wezenlijk een langzaam maar zeker werkend vergift, dat des te
eerder den arbeider de lichamelijke en zedelijke energie ontrooft,
hoe meer dezelve de plaats van de gewone voeding inneemt."
»Bij den arbeid alzoo geen druppel alcohol. Iedere teug doet
kwaad, is schadelijk. Duizende proeven hebben dat bewezen. Op
-ocr page 73-
71
marschen, bij zwaren arbeid zullen de gehecl-onthonders blijven staan
en volharden, terwijl de mannen van den alcohol weldra blijven
liggen of het opgeven.
» Maar in het algemeen is bij allen arbeid water de van God gegeven
drank voor zieken en gezonden. Het water verkoelt het lichaam,
verdunt en verdrijft de scherpten, vermeerdert de huiduilwaseming,
drijft schadelijke vochten uit, weert het bederf af, bevordert de
spijsvertering en versterkt de maag."
» Dat wist de beroemde Franklin ook. Toen hij als jongeling
in de drukkerij van Watts te London met een vijftigtal andere
knechts arbeidde, was geen letlerzelter of arbeider vlugger of nauw-
keuriger dan hij. Doch desniettegenstaande werd hij, vooral in den
beginne, bespot, omdat hij niet toegaf aan de schadelijke gewoonte
der Engelschen, die het veelvuldig drinken van zware bieren tot
onderhoud hunner lichaamskrachten noodzakelijk rekenen. Wel
verre van zich door deze spotternij te laten overhalen, toonde hij
zijne makkers, bij verschillende gelegenheden, dat hij hen in spier-
kracht overtrof en trachtte hij hen uit den aard van hel voedsel
zelve te overtuigen, dat zij van gezond brood en water meerder
kracht dan van het bier konden erlangen."
»Velen volgden zijnen raad op, bleven gezond, waren meer
geschikt lot den arbeid en spaarden wekelijks de aanzienlijke
som van vier of vijf Engelsche schellingen, dal is te zeggen
f 150 \'sjaars."
»Wal op de drukkerij goed is, dat geldt ook in het veld en op
de zee voor het leger."
In tijd van oorlog zijn alcoholische dranken vooral te mijden.
De gruwelen van den oorlog zijn vreeselijk genoeg, maar komt de
alcohol (in den vorm van wijn, bier of sterkedrank) er bij, dan is
het einde niet te zien.
-ocr page 74-
72
»Een dronken soldaat was verkoren, om, tegen het bevel van
Tilus, de brandende fakkel te werpen in den tempel te Jeruzalem.
» Jenevermoed is lafhartigheid.
» Simson was de dapperste van alle soldaten en Elia de grootste
van alle volksbedwingers, maar deze mannen bogen de knieën voor
God en dronken water, toen het er op aan kwam lichaam en ziel
boven mate in te spannen en een slag te slaan, zooals geen soldaat
of veldheer voor of na hen gedaan heeft.
»Dr. Baer zegt terecht: *) In hooger graad is de alcohol
verderfelijk voor de militaire lucht en orde, verderfelijker en gevaar-
lijker dan voor het lichamelijk welzijn van den soldaat. Hij onder-
mijnt de zedelijkheid van den soldaat, de liefde voor zijne eer en
de achting voor zijn beroep; hij vernietigt den goeden geest der
troepen in vrede en in oorlog. De alcohol deze wilde demon van
onbeleugelden, boestachtigen lust maakt het leger tot eene ontzetting
en schrik voor vriend en vijand. De alcohol is de grootste vijand
van soldatendeugd.
»Van ganscher harte stem ik in met Dr. Pabkes , als hij ant-
woordt op de vraag, of er in het soldatenleven ook gelegenheden
zijn waarbij het gebruik van spiritualiën wenschelijk is: mij dunkt
er is slechts een antwoord te geven. Wanneer spiritus het lichaam
geene kracht bijzet, hen voor ziekte niet bewaart en ook niet tegen
koude en hitte, wanneer hij de werking der hitte meer verzwaart
dan vermindert, wanneer zelfs het matige gebruik de misdaden doet
toenemen, de tucht bemoeielijkt, wanneer de grootste ongemakken
van den oorlog zonder spiritus beslist lichter verdragen worden,
wanneer het bewezen is, dat hij tegen moeraskoortsen en andere
\') t. a. p. pag. 107.
-ocr page 75-
73
ziekten niet beschermd, — dan geloof ik, dat de militaire arts het
gebruik van geestrijke dranken in geen enkel opzicht goedvinden kan. \')
«Uitnemend" riep ik, «terwijl hel zoo gesteld is, blijft er niets
overig dan als mensch en christen in beginsel aan geheel-onthouding
vast te houden en deze met Gods hulp ook toe te passen, zooveel
gij kunt."
»Gij plaatst dus den alcohol onder de vergiften", zoo vroeg ik
verder, » en geell hem zijne plaats onder de geneesmiddelen ?"
» Juist zoo," zeide Johan, » wij doen dit met de bede, dat God
ons wijsheid en liefde moge schenken, om er op den juisten tijd een
goed gebruik van te maken. Wij begrijpen Prof. Miller , als hij
zegt: de toediening van den alcohol vcreischt eene bekwame en teedere
hand. Ook als geneesmiddel moet men voorzichtig met den alcohol
omgaan. 2)
»Voor zichzelven is hij overtuigd, dat menig geval van hopelooze
onmatigheid, voornamelijk ook in de meer gegoede klassen, moet
geweten worden aan eene kwalijk geregelde toediening van alcohol-
houdende dranken. 3)
»In hopelooze gevallen of bij het wegkwijnen van de levensvlam
schrijft hij onthouding voor. Wijn of brandewijn zoude dan dronken
maken. Hij oordeelt, dat de mensch nuchteren van hier moet gaan.
»Prof. Miller slaat in deze overtuiging niet alleen. Voor weinige
jaren hebben 250 der beste artsen van Londen en Engeland aan
hunne ambtgenoolen eene verklaring gericht, waarin zij protesteren
tegen het ondoordachte menigvuldige voorschrijven van groote hoeveel-
\') Dr. Parkes , A. Manuel of practical Hygiëne etc fourth edition.
LondoE 1873. Churchill pag. 284. Dr. A. Baer, t. a. p. pag. 108.
s) t. a. p. pag. 92.
3) Prof. Miller. t. a. p. pag. 47, 57.
-ocr page 76-
74
heden alcohol der arlsen aan hunne zieken, wat in vele gevallen niet
weinig bijdraagt, om menigeen in eene onmatige drinkgewoonte te
doen vervallen. \')
» Ja! als bij terugslag hebben anderen te Londen een » Temperance-
Hospital" gesticht, waarin de alcohol als middel tol behandeling van
ziekten geheel is buitengesloten.
» Ook heeft het internationale congres der geneeskundige weten-
schappen te Brussel in het jaar 1875 eene resolutie genomen,
waarin o. a. wordt uitgesproken: dat de sectie oordeelt, dat het
gebruik van alcohol bij de meeste zieken beperkt en veeltijds na-
gelaten kan worden. J)
»Wij gelooven het ook, dat voorzichtigheid in het voorschrijven
van alcoholische dranken niet genoeg kan worden aanbevolen.
» Alcohol is geen onschuldig geneesmiddel. Het is geene koepokstof,
geen chloroform, welke in de gegevene gevallen altijd en maar voor
eens kan worden toegepast.
» Onbedachtzaam voorgeschreven kan de alcohol, als geneesmiddel,
soms erger zijn dan de kwaal. Om het lichaam en niet zonder
gevaar 3) wat te sparen, worden soms de tijdelijke en eeuwige levens-
belangen in de weegschaal gesteld."
Er was licht genoeg opgegaan. Ik had bij mijn bezoek meer
ontvangen dan gegeven. Ik gevoelde behoefte mijn hart nog eens
\') Dr. A. Baer. t. a. p. pag. 564.
s) Ik zeg als eenvoudig ervaringsman hierop Amen! — Verbeeld u
een lichamelijk ingezonken Jacob, een bezwijmenden Stephanus
een ter dood gaande Elia , Johannes d. Doopeb, of Paulüs. —
Niet waar, dan zegt gij met mij tot koning alcohol; Geest-
verdoover wat doet gij hier ?!
3) Dr. A. Baee. t. a. p pag. 37.
-ocr page 77-
75
uit Ie storten en zeide: » Wel mijne vrienden! welk eene schoone
levensroeping is u door de voorzienigheid geschonken. Hoe vruchtbaar
aan veel wat goed is kan uw arbeid zijn als christelijk arts te midden
der mariniers of onder de krijgslieden in onze Oost-Indién. Uit
een geestelijk d. i. echt menschelijk oogpunt is het leven van die
arme jongens dor en ellendig, als zij drijven van zee tot zee of
zwerven van plaats tot plaats in dat verre Ooslen, afgesneden van
hunne betrekkingen en vrienden, levende in een kring waar Gods-
lastering, zedeloosheid , onmatigheid verheerlijkt worden, als waren
deze de goden van den dag. Zij zijn opgenomen in een wilden
stroom en moeten voort op den weg van velerlei ongerechtigheid en
ellende, als zij door Gods hand niet worden uitgerukt of staande
gehouden.
» Mijne vrienden! Uwe aangewezene taak is heerlijk aan het ziek-
bed van die kinderen des Vaderlands, aan welken onze Nederlandsche
vlag is toevertrouwd in den vreemde. Door woord en voorbeeld
kunt gij matigheid, rechtvaardigheid en Godzaligheid prediken en
voor menigen stervende aan boord of in het hospitaal tot een vader
en moeder ja 1 tot een prediker van eene blijde boodschap zijn.
»Ik sprak onlangs een scheepsdoctor die op reis naar het Vaderland
eenen Engelschen matroos aan boord had, welke doodelijk krank
werd en zoude gaan sterven. Hij rekende zich verplicht den armen
lijder mede te deelen, dat geene herstelling was te hopen en dat
hij zich behoorde voor te bereiden, om straks te verschijnen voor
den Rechter van Hemel en van aarde.
»Bij die woorden werd de jonge man diep ontroerd en zeide:
»AchI doctor voor mij is er geene zaligheid weggelegd ik heb te
zwaar gezondigd."
» Houd moed 1" was hel antwoord — » bij God is voor den grootsten
zondaar genade te vinden, als deze met oprecht berouw tot Hem
-ocr page 78-
76
zijne toevlucht neemt. Voor zondaars, die treuren over hunne
ongerechtigheid en over hun verderf is God een volmaakte, heilige
en rechtvaardige Vader der liefde in Christus Jezus, zijnen Zoon.
(Joh. 3: 16.) Christus zoekt het verlorene, Christus roept alle
vermoeiden. Wie met een gebroken hart door Gods liefde gedrongen
in Hem gelooft, die zal gerechtvaardigd, geheiligd en gezaligd worden."
» Ach ! doctor," zoo riep de kranke wederom — » ik heb zoo
schandelijk overtreden." —
»Toen deelde deze jeugdige Engelschman, die daar in zich zelven
lag als tot den dood gegrepen, mede, dat hij tegen den zin zijner
moeder, eene weduwe, het ouderlijk huis had verlaten, om te gaan
varen als matroos. Na vele wederwaardigheden was hij eindelijk als
matroos op een Hollandsch schip gekomen, en nu lag hij daar als
een groot zondaar voor God en voor de menschen, als een ellendige,
die den goeden raad zijner moeder met beide handen had in den
wind geslagen, die de trouwe liefde zijner moeder met beide voeten
had vertreden.
»0! doctor!" — zoo zeide hij — »toen ik heenging, zonder
naar hare smeekingen te hooren, en met een ijdel hart mijn zin door-
dreef , toen bergde mijne moeder nog een Bijbel in mijn koffer:
»kind!" sprak zij, »lees dagelijks in dit boek op uwe verre reizen."
— »Doctor! doctor! — de Bijbel ligt nog op den bodem mijner
kist, maar nog nooit heb ik een enkelen blik daarin geslagen."
» De koffer werd geopend; de Bijbel van moeder kwam voor den
dag. Het heilig woord Gods werd meermalen gelezen en besproken,
en — ongetwijfeld ook op hel eenzaam gebed der treurende
moeder — door den H. Geest aan het arme zondaarshart levend
gemaakt. De ongelukkige zwerveling doorleefde de geschiedenis van
den verloren zoon; als een onwaardige zocht hij vrede en genade
in Christus, den Gekruisigde, en smaakte hij uren van ongekende
-ocr page 79-
77
zaligheid op zijn eenzaam ziekbed in gezelschap van zijn scheepsdoclor,
die hem den weg gewezen had naar het eeuwige Vaderland.
» Deze troostte den stervende, die in zijn hart schreeuwde om zijne
diep gegriefde moeder, dat hij, zoo spoedig hij in Holland aankwam,
aan zijne moeder alles zoude schrijven; — ook van zijn berouw
en van den Bijbel, en hoe hij als een boetvaardig zondaar gestorven
was met eene levende hoop op de genade Gods in Christus.
» De jeugdige Engelsman stierf in vrede; verre van de moederlijke
woning werd zijn zielloos lichaam aan de zee toevertrouwd."
»Aan de treurende moeder werd het sterven van haren zoon
bekend gemaakt. En weldra ontving de geneesheer en Evangelist
van den predikant van het plaatsje in Engeland, waar de weduwe
woonde, namens haar, een hartelijk dankbaar schrijven voor hetgeen
hij aan haren zoon in zijne laatste levensdagen had gedaan."
» Mijne vrienden ! weest goede Engelen voor uwe kranke soldaten.
Als de apotheek moet worden gesloten, en de verlatene en eenzame
tot den dood gegrepen nergens heulsap vinden kan , o! predikt dan
Hem, Die water des levens kan schenken, als alle aardsche bronnen
zijn uitgedroogd."
» En al moge uw borst voor uwen stillen arbeid der liefde niet
versierd worden met kruisen en ridderorden ja! wellicht uw hoofd
met spot en smaad worden overladen. Eén is er, Die u ziet,
Eén is er, Die uwe goede werken in zijn naam volbracht, in\'t openbaar
zal verheerlijken. Welnu de Koning der Koningen leide en volmake
U, en doe U in den dag der dagen het nieuwe Jeruzalem aan-
schouwen waar geen zee, geen spotter, geen vuurspuwende berg,
geen alcohol, geen oorlog, geen hospitaal meer wezen zal, want
de driemaal Heilige God zelf zal dan alles zijn in allen, die gelrouw
waren tot in den dood. Eu in dat nieuwe Jeruzalem zij er althans
-ocr page 80-
78
eene enkele ziel die jubelt voor den troon: »Lam Gods! Deze
doctor bracht mij door de liefde des Vaders tot den troon der
genade."
Ons afscheid nemen was recht hartelijk. Wees gegroet van
Johan en Frederik en vooral van uwen gelukkigen en oprechten
vriend
C.
-ocr page 81-
Geachte Vriend!
Ik heb gisteren den avond in den huiselijker» kring van mijnen
gastheer doorgebracht. Hij had nog een vriend Neander genaamd
uitgenoodigd, die mij overvloedig stof heeft gegeven om u weder
te schrijven.
Deze was een weduwnaar, nog in de kracht van zijn leven, een
lieve christen , die, langs diepe wegen geleid, in de practijk des
levens Christus had leeren liefhebben als alles en in allen.
Hij woonde op een eenvoudig bovenhuis. Terwijl zijn zoon, die
voor weinige jaren gehuwd was, beneden woonde in de goedbeklante
handelszaak, welke deze van zijn vader had overgenomen.
Mijnheer Neander is des morgens en des middags op het kantoor
van zijn zoon werkzaam, om des avonds geheel vrij te zijn. Vele
avonden in de week en vooral den Zaterdag avond besteedt hij,
om huisgezinnen te bezoeken in de achterbuurt en vooral dezulken,
waar slachtoffers gevonden worden van den sterken drank.
Op eenvoudige wijze heeft de Heer hem daartoe gebracht.
»Op zekeren tijd," zoo vertelde hij ons, «wandelde ik buiten de
stad aan den oever der rivier, en zie, daar werd eensklaps mijne
aandacht getrokken door een\' man, die in alle opzichten inkleeding,
houding en uitzicht een allerellendigst voorkomen had. Ik nader en
waarlijk, ik meen hem te erkennen als een man, die vroeger een
goed burger was geweest, maar die wegens dronkenschap uit zijne
betrekking was ontslagen en van wien ik later niets meer had gehoord.
-ocr page 82-
80
»Ik naderde hem en vroeg hem: » Zijt gij niet Jan in de wereld ?"
»Ja!" zeide hij »die hen ik."
»Maar man," zoo klaagde ik, »hoe komt gij hier in zulk een
treurigen toestand? Gij dwaalt hier rond als iemand, die niet het
goede zoekt. Gij ziet er zoo onheilspellend uit."
»Ach!" zoo luidde zijn antwoord. »Ik heb geen brood in huis.
Ik heb geene kleeding en geene verschooning meer, en nu dwaal ik
hier wanhopig rond met de gedachte, ol\' het niet het beste ware,
om mij hier in de rivier te verdrinken."
» Deze man was mij van Godswege als een Macedonische man,
die mij toeriep: »kom over en help ons." Ik moest hier helpen.
Deze man was wezenlijk lot iederen dood gegrepen. Hij was op nul
gedaald als gedoopte, als burger, als huisvader, als mensch. Dat
alles was nu hoofdzakelijk het werk van Koning alcohol.
» Die ongelukkige Jan in de wereld verhaalde mij verder zijne
geschiedenis.
» Sedert zijn ontslag uit zijne betrekking wist hij geen raad. Hij
kwam er eindelijk toe, om niet eenige koopwaar langs de huizen
te gaan zwerven, en, half bedelende zooveel mogelijk in de tijdelijke
levensbehoeften van zich zelven en van zijne vrouw en drie kinderen
te voorzien. Maar met dien handel ging het ten slotte niet vooruit.
Zijn marsjc was eindelijk ledig. Bij de gegoeden der aarde, welke
hij reeds zoo dikwijls met schoone beloften had misleid, durfde hij
zich bijna niet meer verloonen. Het huisraad werd tot het laatste
stuk verkocht. Iets nieuws ook voor eigen kleeding kon niet worden
aangeschaft. Hij schaamde zich, om onder de menschen te komen,
en zond zijne jeugdige kinderen uit, om hier of daar wat brood of
eenige penningen op te halen.
» Het einde was dat zijn huisgezin gebracht werd aan den rand
van den afgrond. Hij had geene wijsheid en geene macht meer
-ocr page 83-
81
om zich zelven op te richten en de zijnen voor ondergang te bewaren.
Zonder geloof in God verviel hij tot wanhoop, en zoude hij onder
den invloed, des satans tot de grootste zonde, tot zelfmoord, zijn
vervallen, als de Heer mij niet als een reddenden Engel uit genade
tot hem gezonden had.
»Ik ging met hem naar de kamer, waar hij woonde en daar zag
ik niets als een paar stoelen en eene oude tafel; en verder was alles
ellende en gebrek, ook bij zijne vrouw en kinderen.
» Hier was alles noodig. Mijne gedienstige schoondochter hielp mij
met liefdevolle zorg. "Wat klcedingslukken waren spoedig te vinden.
Voor een weinig leeftocht werden geene schatten vereischt. Het
woord des levens had ik voor niet en konde ik gemakkelijk om
niet geven.
» Deze man moest zoo mogelijk door Gods liefde lot zichzelven worden
teruggebracht, en met de zijnen aan de kerk en de maatschappij
worden teruggeschonken.
» Met geld alleen was hier niets te beginnen. De Heer moest hier
alles doen. Wederkeerig moest het Koningrijk Gods en zijne gerech-
tigheid worden gezocht, dan zoude wederkeerig op Gods tijd alles
worden toegeworpen.
»Ik gevoelde mij gedrongen deze menschen \'menigmaal een bezoek
te brengen, hun het Evangelie te verkondigen, hen van goede lectuur
te voorzien, als ook van allerlei levensbehoeften.
» Jan in de wereld veranderde zichtbaar. Zijne geschikte kleeding
werkte eenigermate op zijn zelfgevoel. De aanhoudende zedelijke
steun, dien hij van mij ondervond, deed zijnen moed herleven. Op
mijn dringend sineeken nam hij het besluit geen drank meer te
gebruiken.
» Het was duidelijk, door het gebruik van alcohol was al die jammer
gekomen over hem en zijn huis. En door de liefde van Christus
-ocr page 84-
82
had er, althans uitwendig, eene volslagene omkeering plaats
gegrepen.
» De Bijbel kwam op tafel en werd geregeld gelezen. De kerk
werd bezocht. De kinderen werden naar de diaconieschool gezonden.
Weldra verkreeg hij door mijn invloed een geschikt postje; ook be-
zorgde ik hem nog wat schrijfwerk, waarmede hij des avonds kon
bezig zijn. In een woord: met weinig geld, met geringe moeite en
wat liefderijk huisbezoek was daar werkelijk een gewichtig keerpunt
in het leven van het geheele huisgezin.
» Ik begreep duidelijk, dat iedere droppel alcohol voor dezen man
een doodelijk vergift was, eene dommekracht om hem naar de herberg
en eindelijk weder naar het water te duwen. Ik raadde hem dringend
aan den Heer te vreezen en te gehoorzamen met zijn gansche hart,
als een doodschuldig en verdorven zondaar genade te zoeken in Christus,
en vooral om zich geheel te onthouden van allen geestrijken drank.
» Ook begreep ik, dat ik uit liefde tot hem het gebruik van allen
alcohol moest vaarwel zeggen. Zouden mijne woorden, welke hem
geheel-onthouding oplegden, kracht doen, als nu of dan de alcohol-
geur van genuttigden wijn, bier of cognac hem werd toegeblazen ?
Door mijn adem zoude ik wellicht den man beneveld maken en de
stille lust bij hem doen ontwaken naar de verbodene wateren.
» Verloochen u zelven!" alzoo klonk het woord Gods in mijne
ziel. Dat woord ben ik met Gods hulp gehoorzaam geweest, en —
zoo als altijd — ik heb daarop heerlijke vruchten ingeoogst èn voor
mij zelven èn voor mijne naasten.
»De welvaart, de vrede is in het huis van Jan in de wereld
wedergekeerd. Hij is waarlijk een ander man geworden. Zijne
kinderen beginnen nu al eenig geld te verdienen. Hij zelf leidt sedert
dien tijd doorloopend een ordelijk leven, ofschoon het een paar malen
is geschied, dat hij nog drank heeft gebruikt.
-ocr page 85-
83
» Nu en dan vertoon ik hem mijne gedaante, en dan behoef ik niet
veel woorden, om hem te houden waar hij staat. Door mijn ont-
houdingsvoorbeeld heeft mijn woord een onbepaald gezag.
» Door dezen man", zoo ging de Heer Neander voort, die er
slag van had om in den huiselijken kring u Ie boeien door zijne
mededeelingen, » ben ik onwillekeurig in die buurt nog met andere
menschen in aanraking gekomen o. a. met een timmerman, die ook
vreeselijk verslaafd was aan den drank. Als hij des Zaterdagsavonds te
huis kwam met zijn weekgeld, dan gaf hij aan zijn vrouw een zesde
deel om huis te houden, terwijl hij het overige voor zich zelven
behield. De Zaterdag avond en de gansche Zondag werden door
hem in de herberg of op zijne legerstede doorgebracht.
»\'s Maandags morgens ging hij met loome schreden naar zijn werk
en ook daar wist hij, als er nog drinkpenningen voorhanden waren,
zijne gezellen te verleiden, om jenever te laten halen, \'s Morgens
om 10 uur ging het glas daar lustig rond, en kreeg ook de krulle-
jongen, een knaapje van 44 jaar, zijn behoorlijk deel.
» Wel! wel!" — zoo riep de Heer Neander — » welk eene
moeite heb ik met dezen man gehad. Hoe menigmaal moest ik als
vrederechter tusschen hem en zijne vrouw optreden. Bij allerlei
twist en tweedracht was hij tegenover zijne zachtmoedige vrouw een
heftig man ja! nu en dan had hij lust om haar te verlaten en te
gaan zwerven , voor eigen rekening brood zoekende bij de groote
werken. Met het formulier van het huwelijk voor mij herinnerde ik
hem aan zijne belofte, waarmede bij eenmaal aan God beloofd had
zijne vrouw nimmer te zullen verlaten.
» Mijne woorden hadden goeden invloed, hij bleef bij vrouw en
kinderen.
» Ontelbare avonden heb ik hem na zijn arbeid bezocht en met
hem gesproken. Als hij mij zag, dan was hij mak en verdroeg hij de
-ocr page 86-
84
strengste woorden, welke ik tegen hem zeide. Goede dagen heeft
hij nu en dan beleefd, terwijl hij in zijne ledige uren niet weinig
genoegen had in de nuttige lectuur, welke ik hem bezorgde. Rust,
vrede en zegen hcerschten in zijn huis soms wel een half jaar lang.
Maar wonderlijk, eensklaps gebeurde het, dat dan schijnbaar een
booze geest over hem vaardig werd. Drie weken achtereen leefde
hij dan in bandeloosheid en dronkenschap voort. In die dagen was
hij niet te temmen. Tot dat eindelijk de verdiende spaarpenningen
weder waren doorgebracht en allengs weder eene ordelijke levenswijze
werd begonnen.
»"Verderfelijk was voor dezen man het open zijn der kroegen
\'s Zondags morgens. Gewoon om als arbeider vroeg op te staan,
zocht hij \'s Zondags morgens de buitenlucht. Zijne ledigheid was
hem dan een duivels oorkussen, want onwillekeurig werd hij alsdan
soms getrokken naar de herberg. — O! die borrel in den vroegen
Zondagmorgen was dien man zoo noodlottig. — Het wordt tijd, dat
\'er eene wet kome, dat nergens \'s middags voor 12 uur worde getapt
en vooral niet des Zondags. — Moge de tijd eens aanbreken, dat
er geene gelegenheid meer zij om sterkendrank te koopen, maar
dat deze geplaatst worde waar hij behoort, namelijk in de vergiften-
kast van den apotheker.
»De man heeft onder vallen en opstaan nog jaren geleefd. Hij is
eindelijk rustig in zijn huis gestorven, omringd van vrouw en kinderen.
In zijne laatste levensdagen (die verkort werden door kanker in de
maag als straf op zijne onmatigheid) stelde hij alleen zijn vertrouwen
op de genade van Christus. Naar den mensch gesproken houd ik
mij overtuigd, dat de Heer mij gebruikt heeft, om dezen man te
bewaren voor een ellendig einde ja! om hem te doen ingaan in die
rust, welke God voor de zijnen bereid heeft van voor de grond-
legging der wereld.
-ocr page 87-
85
»Ik begrijp, hoe zalig het zielsgenot is van den zendeling, die
een heiden tot Christus brengt en aanschouwt, hoe deze bij Christus
in vollen vrede sterft; alsook, hoe groot de blijdschap is van den
geneesheer, die een blindgeborene, door de kunst hem van God
geleerd, de oogen opent en dezen de juichkreet hoort slaken: »ik zie!"
terwijl deze dankbaar zijne handen kust. Voorwaar! niet minder
aandoenlijk zijn mijne ervaringen onder mijne dronkaards, die gedoopte
heidenen, die tot den dood gegrepenen, als zij door woord en daad
uitroepen: »aan uwe bediening der verzoening heb ik van Christus
wege door God de rust te danken, welke ik heden stervende smaak."
»De kinderen van den overleden timmerman werden voor onder-
gang bewaard. Zij zijn allen nuttig werkzaam en onderhouden
hunne goede moeder, die met dankbaarheid herdenkt, dat de liefde
van Christus in haar huis groote zegeningen heeft aangebracht."
Met groote belangstelling luisterde ik naar den Heer Neander.
Als hij sprak, dan luisterde een iegelijk, klein en groot.
Ik dacht zoo bij mijzelven: eenvoudige dorpbewoners, die hunkeren
naar bet leven in eene groote stad, weten waarlijk niet aan hoeveel
verzoekingen zij zich blootstellen. Van den vroegen morgen lot
diep in den nacht heeft de boosheid overal hare netten uitgespreid.
In deze groote stad is het eene dagelijksche kermis met al de onge-
rechtigheden, die gewoonlijk daaraan zijn verbonden.
Intusschen verblijdde ik mij met den gelukkigen Heer Neander,
en begrijpende, dal hij niet zelden te vergeefs het net in de wateren
van deze stad uitwierp, zeide ik hem: »Gij hebt zonder twijfel
ook van teleurstelling te spreken bij uw liefdewerk."
» Uit den aard der zaak", antwoordde hij. Daar zijn menschen,
bij welke men zich in geen schitterenden uitslag mag verblijden.
Maar al kan de zondeboom niet geheel worden uitgeroeid, zoo is
het snoeien van de grootste lakken toch altijd voordeelig. De kwade
-ocr page 88-
86
vrucht vermindert en de gewassen, welke er bij slaan, verkrijgen
meer ruimte en licht.
» Onbeschrijfelijk zwaar is de strijd van den slaaf van den sterken
drank, om zich zelven te verloochenen en de verleiding overal weder-
stand te bieden. De verzoeking zit hem tot in de toppen van de
vingers en huist als rheumatiek in alle geledingen der maatschappij;
ja! tot in den slaap gunt de duivel hem geene rust.
» Opmerkelijk was hetgeen mij gisteren een wonderlijk en waarachtig
bekeerde dronkaard, die vroeger zelfs een hevigen aanval van delirium
tremens doorstaan heeft, mij mededeelde. Hij zeide: ik droomde,
dal iemand tot mij kwam met een glas, waarin zich zeker vocht bevond.
»Drink hieruit" werd hem toegeroepen, »dat is goed voor u."
Doch nauwlijks had hij eene kleine teug in den mond, of hij werd
gewaar, dat het jenever was. Terstond spuwde hij het uit, en werd hij
alleen door den wansmaak van jenever zoo misselijk, dat hij daarvan
begon te braken. *) De H. Geest werkte ten goede, wat de booze
geest ten kwade had gedacht. Daarom dringt de liefde van Christus
mij, om vele aangevochtenen door zeven booze geesten, met woord en
voorbeeld en voorbede te hulp te komen. Een enkel mensch kan
hier veel, maar niet alles. Het zoude wenschelijk zijn, dat alle
Godsdienstleeraars, alle onderwijzers van alle scholen, alle ouderlingen
en diakenen hier tegen deden wat zij konden, en dat in iedere stad
een dronkaards-toevluchtsoord werd opgericht. Voor sommige menschen
toch is het een dringend vereischte voor zekeren tijd uit hunnen werk-
en levenskring te worden uitgerukt.
»Niet iedere huwelijksband is eene gezegende. Er zijn mannen
en vrouwen, welke niet weten met elkander om te gaan. Ook zijn
er vrouwen, welke hunne echlgenooten het leven verdrietig maken
\') Hoe treurig, dat alkricege geesten rondgaan, welke den Nazireërs
alcohol te drinken geven.
-ocr page 89-
87
door heftigheid, slordigheid, verkwisting en overtollige weelde.
"Waarlijk menige vrouw is voor den man, al is hij ook welwillend,
een struikelblok.
»Menige man vindt soms geen te huis. Daar zijn vrouwen, wier
huisgezin altijd in wanorde ligt, die menigmaal verzuimen het eten
ter bestemder tijd gereed te hebben, en den Zondagmorgen in een
hel veranderen, als de man geen schoon goed vindt of bespeurt,
dat hier een knoop en daar een band ontbreekt.
» Gezegend de man, die eene vrouw heeft van den Heer, welke
voor hem bidt, hem dient en niet veel houdt van een »lekker slokje."
»Ik ken zulke vrouwen, die er op sludeeren, hoe zij haren man
uit de kroeg zullen houden, en haar te huis zoo lief en zoo aan-
genaam mogelijk maken. Zij hebben in huis altijd een goed boek
met platen, eene schoone pijp en een zakje beste tabak, ook een
mandje met goede zure appels, of eene of andere versnapering of
lekkernij, waar manlief veel van houdt.
» Maar helaas! zoo zijn alle vrouwen niet.
»In ernst christelijke vrouwen uit den beschaafden stand mochten
even als Mevr. Wightman en andere, wel eens rondgaan om sommige
huismoeders in liefde hare heilige roeping voor oogen te houden.
» En daarbij is het volk schromelijk onkundig wat de waarde of
liever de onwaarde van alcoholische dranken aangaat, en hebben
slechts weinige menschen het woord zelfverloochening in hun levens-
boek opgeteekend.
» Ook zijn er niet weinig instellingen, waar de directeur of opzichter
geen nauwkeurig toezicht houdt, en waar dagelijks de jeneverflesch
lustig rondgaat.
» Van waar zal de slaaf van den sterken drank, die in zulk een
kring verkeert, kracht verkrijgen, om zich boven de plagerijen en
-ocr page 90-
88
geweldenarijen van zijne makkers Ie verheffen ? Als God hem niet
wonderlijk bijstaai, dan kan hij uit den toovercirkel niet komen,
dan durft hij niet te weigeren. Een enkel glas op zijn kantoor of
in zijne werkplaats genuttigd is hein de dood. Want zal de dronkaard
worden terecht gebracht en voor Gods Koningrijk of althans voor
zijn huisgezin worden gewonnen, dan moet hij alle alcoholische
dranken onverbiddelijk ter zijde zetten.
» Er zijn patroons en hecren, die hun volk zoeken te trekken en
aan te moedigen door sterken drank te beloven of toe te dienen.
"Wie weigert wordt uitgelachen of ter zijde gezet. Een dronkaard,
die zwak is in zichzelven, gaat onder zulk een arbeid verloren.
» Tegen de zonde der onmatigheid is er in onze wetenschappelijke
en veelzins bedorvene eeuw maar een redmiddel, en dat is: dat
alle dienaren van de Kerk en alle ambtenaren van den Staat nu als
noodzakelijk geneesmiddel voor de groote volkskwaal der onmatigheid
voor zich zelven en voor hun huis de geheel-onthouding aanvaarden,
en vrijwillig en openlijk hiervan getuigenis afleggen door het dragen
van een blauwen knoop.
» Waartoe toch moet dagelijks de wijn- en bierflesch rondgaan ?
Onze klassieke en geniale Prof. Donders staat in ons midden met
de uitdrukkelijke verklaring: ik kan mij met geene mogelijkheid
overtuigen, dat hel dagelijksch gebruik van wijn en bier voor den
gezonden mensch aanbevelenswaardig is!1) De dichters, die in opge-
togenheid den wijn bezongen, de geleerden, die het geurig vocht
aanprezen, zij hielden eenzijdig het oog op de primaire werking,
die zich \'t duidelijkst openbaart, terwijl de secundaire zich in eene
duurzame gemiddelde daling naar geest en lichaam verbergt; of zouden
matige hoeveelheden wijn op eene andere wijze werken, dan volle
\') Prof. P. C. Donders. Grondslagen eener algemeene voedingsleer.
Gebr. Campagne. Tiel 1852, pag. 105.
-ocr page 91-
89
bekers van welker verderfelijke!) invloed de treffende bewijzen maar
al te menigvuldig zijn. \')
» Acli! mochten alle menseben uit liefde tot God en hunne naasten
als tot zich zelven toch nalaten, om uit gewoonte \\\\ijn- of bierflesch
voor den dag te halen ; mochten allen den goeden strijd strijden
tegen zooveel, wat vloekt tegen de wetenschap ja! legen alles en allen.
»Gij hebt gelijk" sprak onze waardige gastvrouw. »Mij dunkt
het zal heerlijk zijn, mocht ooit zulk eene levensverandering tot stand
komen, deze te mogen beleven en daaraan te hebben medegewerkt."
«Inderdaad" riep de Heer Neander uit, » van de distels en nelels,
welke overal groeien weten wij genoeg, maar op dit veld zijn bloemen
te plukken en vruchten in te oogsten."
Hij werd warm toen hij dit zeide. Onwillekeurig stond hij op
van zijne zitplaats en vervolgde: »mijne zaligste levensuren heb ik
in mijn eenvoudigen stillen liefdearbeid moge doorbrengen.
» Er is een man, zekere Piet Hartoplong, die nog leeft en eertijds
buitengewoon roekeloos was in zijne dronkenschap. Hij ging dan
met zijne makkers eene weddingschap aan om 3 borrels, wie den
zwaarsten vloek kon zeggen. Dit vloeken geschiedde evenwel niet
ten volle door hem. Op hem was cum grano salis van toepassing
wat die stille en zachte man, welke, als bij dronken was, steeds
zich een kwaadaardig vechter betoonde, antwoordde op de vraag van
Mevr. Wightman : » hoe dat toch kwam" — die man antwoordde:
» zie! Mevrouw, dat was ik niet maar de drank." *)
Op mijn aanraden bezocht hij \'s avonds in eene kermisweek de
\') Prof. F. C. Donders, t. a. p. pag. 107.
3) Mevr. 3. B. Wightman. Uit de achterbuurt. Mededeelingen
eener predikantsvrouw. Uit het Engelseh door C. S. Ada.ua. van
Suikltu.ua pag. 92.
-ocr page 92-
90
kerk. De prediker had tot tekst Ezechiël 21: 9 en 10. Hij liet van
Ps. 26 het 4de en 5de vers zingen, en toen deze versjes werden
afgelezen , toen wist onze Hartoptong zich niet te bergen. Hij dacht,
dat is op mij gemunt, ieder ziet mij aan en roept: » gij zijt die man 1"
» Genoeg, van dat uur werd die man door God zelf krachtdadig in
het hart gegrepen. En nu is hij zichtbaar een wonder van Gods
genade. Hij is later elders gaan wonen en heeft mij jaren achtereen
geschreven. Het is de moeite waard de brieven van dien oprechten
man eens door te lezen. Men ziet hem groeien van bloesemknop -
tot vrucht, van kleine onrijpe tot rijpe, volwassene vrucht.
» De dronkaard-vloeker van weleer is nu een welgesteld man, jure
voorganger in het gezelschap zijner vroome vrienden. Hij is een
oprecht man, een uitverkorene des Heeren.
» Zoo leeft er nog een man, zoo ging de Heer Neander voort,
niet op aarde, maar in den Hemel bij zijn Jezus, dien hij liefhad,
ook in zijn stervensuur. Deze man verwoestte alles door misbruik
van sterken drank. Niet zelden begon hij te drinken reeds vroeg
in den morgen. Zijne zonde was hem nu en dan een zware last.
Hij treurde er over. Hij bad om verlossing. Hij worstelde om
bevrijding. Alles te vergeefs.
Ofschoon ik geen voorstander ben van eene belofte te teekenen,
zoo beproefde ik in mijne radeloosheid toch met hem ook dat middel.
Met tranen in de oogen werd de belofte geteekend en toch ....
hij zonk weer in. Dit duurde geruimen tijd, tot dat hij eindelijk in
hevigen graad door een delirium tremens werd aangegrepen. Zijn
leven hing aan een draad. Hij herstelde boven verwachting. En nu,
groolelijks verzwakt en uit de bedrijvigheid des levens weggerukt,
was die afzondering voor hem als een asyl of toevluchtsoord door
God zelf hem gegeven. Dal delirium tremens was hem eene weldaad
Gods.
-ocr page 93-
91
» Zijn brave vrouw had geheel zijn hart. En nu, ontwend aan den
drank, werd hij door hare wijze zorg, en vooral door Gods genade,
geheel daaraan onttrokken.
»Hij heeft nog eenige jaren geleefd, geen druppel drank meer
gedronken. Als een waarachtig bekeerde dronkaard, als een verloste
door het bloed des Lams triuinfeert hij nu in den Hemel, waar de
alcohol is buitengesloten en waar de H. Geest is alles en in allen."
Wij spraken nog te zaam tot verre over middernacht. Wij waren
het onderling goed eens met hetgeen Spurgeon de geheel-onthouder
gezegd heeft: dat, zoo iemand meent te staan, hij toezie dat hij niet
valle; als ook: dat, wie alle drankgebruik mijdt zich nooit in een
toestand zal brengen, waarin beneveling van zijn brein hem zijn
maat doet vergeten en meer gebruiken dan hij anders gewoon was. \')
Ook begonnen wij iets te verstaan van dat rijke woord van
Jacobus (5: 20): dat wie een zondaar van de dwaling zijns wegs
bekeert, eene ziel van den dood zal behouden, en menigte der
zonden zal bedekken.
Moge de gansche wereld worden als de Heer Neander, opdat er
vrede zij op aarde.
Met vredegroet
Uwe C.
\') Stem der liefde. Mei 1888, pag. ?.
-ocr page 94-
Amice!
De tijd van mijne terugkomst nadert, maar voor mijn vertrek
wensch ik u nog mede te declen, dat ik gisteren avond gekerkt heb
onder het gehoor van Ds. Paulus. Het was biduur voor de zending.
De kerk was niet geheel vol. Doch bij zulke gelegenheden moet
men wegen en niet lellen. Ik zag uwe neven, Dr. Adam, de Hh.
Israël en Neander, eenige jongelingen van de geheel-onthouders-
vereeniging, als ook mijn Amerikaan met den blauwen knoop in den jas.
Opgewekt door het zien van zulke mannen, die door hunne ver-
schijning reeds zoo welsprekend waren zonder woorden, genoot ik
onder den voorzang reeds onuitsprekelijk veel. Het was Ps. 143 :10.
Ds. Paulus trad op. Hij was een man in de kracht van zijn
leven, slank van gestalte, doodsbleek met gitzwart haar, met nog
al scherp geteekende trekken, maar toch met iels kinderlijks en
trouwharligs in het oog, waaraan men onmiddellijk den Christen
kon onderkennen.
Na een kort voorgebed, waaronder ik in mijne onwaardigheid
wegzonk, en met blijmoedig geloof ook weder alles in mijn Jezus zocht
en vond, gaf hij zijne tekst: Spreuken 24: 11. Red degenen, die
Ier dood gegrepen zijn, want zij wankelen ter dooding zoo gij u
onthoudt.
Eene rijke tekst, zoo begon hij, te rijk voor een enkel uur.
Ter dood gegrepen zijn alle onbekeerden, is de geheele menschen-
-ocr page 95-
93
wereld in zooverre deze leeft buiten Christus en niet wedergeboren
is door den H. Geest.
Iedere mensch is door zijne levensvereeniging met Adam tot
iederen dood gegrepen.
De geheele menschheid is in zedelijken zin een gewonde, die ligt
te zieltogen op het slagveld; een drenkeling , die worstelt in de
golven van de zee; een verloren zoon, die zijne erfenis doorbrengt,
om straks gansch beroofd tot iederen dood te zijn gegrepen.
Van nature zijn wij allen verdoemelijk voor God, kinderen des
toorns, dood in zonden en in misdaden.
In dien algemeenen zin wenschen wij dit woord thans niet op te
vatten, maar wij zullen thans stil slaan bij een deel van dat geheel
en wel bij de slachtoffers, welke door Koning alcohol worden neêr-
geveld, en u opwekken tot zelfopofferende liefde jegens de slachtoffers
van den alcohol.
1°- Menigvuldig zijn de slachtoffers van den alcohol.
2°- Redt ze, gedreven door de liefde Gods.
3°- Zoo gij u liefdeloos onttrekt, dan gaan zij ook door uwe schuld
verloren.
1°- Menigvuldig zijn de slachtoffers van den alcohol.
Als wij beginnen met vader Noach, die den wijn leerde bereiden,
dan worden wij onmiddellijk gewaarschuwd: gebruik den wijn niet
als een levensdrank gij krachtvolle Noach , gij vurige Cham ! De
wijn, als zoodanig genuttigd, ontbloot uwe naaktheid en maakt ueen
spotter. De wijn is geen drank voor den gezonde, maar eene
artsenij voor den zwakke. \')
De wereld is doof voor die roepstem Gods. Treurig vooral in
\') Prof. F. C. Donders t. a. p. pag. 107.
-ocr page 96-
94
onze dagen is het misbruik, dat van den alcohol door alle standen
en beroepen in alle landen der wereld gemaakt wordt. *) ,
Overal is gelegenheid om zich te vergiftigen en te bedwelmen
door allerlei moorddadige dranken. Door de gewoonte wordt de
alcohol voor sommigen eene behoefte vóór, bij en na den disch.
Ik vraag bij dat alles in alle oprechtheid met de hand op het
geweten: is dat nu waarlijk een eten en drinken ter eere Gods ?
De gevolgen blijven dan ook niet achterwege. In Nederland worden
jaarlijks f 40.000000 (zegge veertig millioen guldens) alleen aan
sterken drank besteed, terwijl in klimmende mate stroomen van bier
en wijn worden gedronken. De eenvoud en de nuchterheid van
het volk gaan spoorloos weg. De karacters, de groote mannen worden
zeldzamer. De oppervlakkigheid, de lichtzinnigheid, de ontevredenheid
nemen toe. Er verschijnt een geslacht, dat, reeds gealcoholiseerd *)
op den moederschoot, in weelde en zingenot wordt grootgebracht
en meer en meer vervreemdt van huiselijkheid en goede zeden.
De wereld wil bedrogen worden. Dit weet koning alcohol, die
waarlijk staat in den dienst van den leugengeest. »Gij zult niet
sterven" riep Satan tegen moeder Eva, en werkelijk zij meende,
dat de vrucht goed was om verstandig te maken.
»Gij zult wijs, vroolijk en krachtvol worden, hier is »aquavitae,"
hier is de ware levensdrank." Zoo roept de leugenaar bij den
gevulden beker. En waarlijk de bedrieger schijnt gelijk te hebben.
\') Dr. Cauderlier , bestuurder van de Ligue patriotique contre
1\'alcoolisme, deelt mede dat in België op 10 huisgezinnen of 43 per-
sonen één herberg of koffiehuis gevonden wordt. Axelsche courant,
6 October 1888.
*) De alcohol, die onveranderd in het bloed is opgenomen komt ook
in de melk en werkt onmiddellijk op de hersenen van den zuigeling.
Dr. A. Baeb t. a. p. pag. 48 en 111.
-ocr page 97-
95
Bij de eerste teug meent men helderder te zien en in sterkte te
zijn toegenomen, maar weldra komt er verduistering en verslapping,
en het geweten zegt: »ik ben veelzins beroofd; beter is het den
beker met aardschen kunstdrank niet te drinken."
Ongelukkig is evenwel de mensch, welke onder deze satanische
betoovering blijft. Hij kan ijveren voor de vrijmaking van alle slaven
en luide jubelen: »wij leven vrij, wij leven blij", — in waarheid
is hij een slaaf van den alcohol, die steeds vuriger moet worden
begeerd, sleed overvloediger moet worden gedronken.
Ellendig is de mensch, die daaraan verslaafd raakt, hij is tot den
dood gegrepen naar lichaam, ziel en geest op ieder gebied des
levens, voor tijd en eeuwigheid.
Ontelbaar zijn de Adamskindercn , die zich zelven zedelijk ver-
moorden door den beker met alcohol op te nemen, en die zich
langzaam lichamelijk vermoorden door denzelven dagelijks al grooter
en grooter te ledigen; die het huisgezin, waar vrouw en kinderen
wegkwijnen zonder verzorging of opvoeding, misvormen tot een
distelveld ja ! tot een voorportaal der hel. \')
Nevens deze landgenooten hebben wij een blik te slaan op de
heidenwereld.
Maar waar zullen wij beginnen en eindigen, wanneer wij de
liefhebbers van den alcohol als roofvogels, hardvochtig en hebzuchtig
zien uitgaan in de wijde wereld om winst te behalen.
Wij zien in 1839 Engeland den Chinezen, die in het godsdienstige
al onverschillig genoeg zijn, een oorlog aandoen om opium in te voeren,
wat de Keizer van China niet wilde.
\') Prof. F. C. Donders. Is het niet overbodig den toestand van
vergiftiging te schilderen, die met een zedelijken zelfmoord begint
en met een lichamelijken zelfmoord eindigt, t. a. p. pag. 99.
-ocr page 98-
96
"Wij liooren , dat Nederland millioenen trekt door liet verpachten
van opiumkitlen, waarin de Javaan zich in alle opzichten komt
verderven. \')
Wij vernemen, dat op ieder zendingsgebied baatzuchtige handelaars
de jeugdige christengemeente door hunnen brandewijn onberekenbare
afbreuk komen doen.
Voorwaar ! de brandewijn veroorzaakt, dat menig Neger in West-
Afrika vrouw en kinderen, ja! zelfs zijne vrijheid daarvoor prijsgeeft.\')
Onberekenbaar is de verwoesting, welke door den alcohol onder
de inwoners op Tahiti, op de Sandwichseilanden en overal elders
aangericht wordt. 3) Helaas die invloed is, in vereeniging met
andere oorzaken zoo verderfelijk, dat wij kunnen spreken van weg-
stervende
volken. 4)
Wegstervende zijn de Zwarten in Australiën, de Maoris op Nieuw-
Zeeland, de Kanaka\'s op de Hawaïi-eilanden, en vooral de Indianen
in Noord-Amerika, voornamelijk door misbruik van alcohol, dat
vergift, dat door Europesche handelaars met list of wel ter sluiks
wordt ingevoerd.
Arme Indianen in Noord-Amerika!
Van 14.000000 zijn zij geslonken tot 2.000000. Die edele natuur-
menschen zijn door den blanken man steeds verder opgedrongen naar
het westen, en als volk tot den dood gegrepen, vooral door den
alcohol, het vuurwater, zoo als zij denzelven noemen.
\') Een noodkreet andermaal aangeheven door P. Jansz. rustend leeraar.
Stemmen voor waarheid en vrede. Maart 1888.
s) Joseph. Schlier, Missionsstunde II pag. 91.
3) Prof. W. Hofemann. Merkwaardigheden uit de geschiedenis van
de vestiging en uitbreiding des Christendoms in verschillende
werelddeelen pag. 145—148, 165—168.
«) Joseph Schlier, t. a. p. V pag. 201, 212, 244—248.
-ocr page 99-
97
Dat vuurwater beviel hen aanvankelijk niet. Zeer natuurlijk,
want alcohol is geen voedsel of lekkernij voor den gezonden mensen.
Maar zij beproefden het meermalen. Het vuurwater begon te smaken,
zij gingen het begeeren en konden het drinken eindelijk niet meer laten.
Ziet de Indiaan de brandewijndesch bij den handelaar, dan geeft
hij daarvoor zijne schoonste dierenhuiden, ja! ten slotte alles wat
hij bezit. Dan drinkt hij zoolang als hij nog heeft, en zijne vrouw
en kinderen drinken dan met hem. Alzoo worden geheele huisgezinnen
slaven van den brandewijn. De eene familie steekt de andere aan
en eindelijk worden geheele stammen slachtoffers van den alcohol. \')
Als hijena\'s sluipen de drankverkoopers rond. Zij reizen met
hun vergift de Indianen na, die al verder en verder worden opge-
drongen, want drinkt een Indiaan alcohol, dan is hij met alles, wat
hij heeft, de gewisse buil van den gewetenloozen mammondienaar. *)
Slechts een voorbeeld uit velen. J)
In 1832 reisde een schoolmeester in Canada en moest een
\') Joseph Schlier. t. a. p. I pag. 59, 68. Zelfs de schoolkinderen
worden soms stelselmatig tot dronkenschap verleid.
2)    De Hoogleeraar W. Moll schetst in zijne kerkgeschiedenis van
Nederland vóór de Hervorming, deel I pag. 20, volgens Tacitus
de zeden der oude Germanen en zegt o. a.: »Dag en nacht over
te drinken achtte niemand schande, en onder de dronkaards was
veel getwist, dat zelden met scheldwoorden, meermalen met
doodslag afliep. Gaf men hunnen drinklust toe, door hun voor
te zetten zooveel zij begeerden, dan achtte de Romein hen ligter
te verderven door hunne eigene ondeugd dan door wapenen."
Hij vraagt in eene noot: wie denkt hier niet aan het *flre water",
waarmede de Europeanen menigen stam der roodhuiden in Amerika
uitroeiden?
3)    Tafercelen uit de geschiedenis der zending onder de Heidenen,
uitgegeven door de Calwer-vereeniging pag. 350, 351.
-ocr page 100-
98
onderkomen zoeken. Hij vond een jongen man en zijne vrouw in de
ruime hut, die in alle opzichten van welvaart getuigde. Hij werd
gastvrij ontvangen, op visch, hertenvleesch en gekookte maïs ont-
haald. Ook des morgens bij het ontbijt toen forellen werden opgezet
knielde de jeugdige Indiaan neder, en sprak het morgengebed. De
jeugdige Indiaansche gastheer had op eene Engelsche volkplanting
het Evangelie leeren kennen; hij was een man, die verstand paarde
aan vlijt en daarbij een afschrik had van geestrijke dranken. Hij
kon door jacht, visscherij en suikerbereiding overvloedig in zijn
levensonderhoud voorzien. Ja! hij bezat een aardigen voorraad pelzen,
welke hij nog niet wilde verkoopen, omdat hij voor het heden verder
geene behoefte had.
In den zomer van 1834 zocht onze schoolmeester zijn vriendelijken
gastheer weder op. Maar hij bespeurt dat de zomerwigman is ver-
laten en dat er rook stijgt uit de ongezellige winterwigman tusschen
de rotsen. Hij treedt binnen. De man is afwezig. De vrouw zit
bleek, vermagerd, uitgehongerd en half naakt in eene walgelijke
vuilnishoop, beneveld door den alcohol.
Huisraad, kleederen, sieraden alles was verdwenen. Weldra kwam
ook de man in ellendigen toestand aanwaggelen, zichtbaar naar
lichaam en ziel neergebogen.
Deze deelde mede, dat hij in \'t voorjaar van 1833 zijne pelzen
bij den pelshandelaar had gebracht om die te verkoopen. Brandewijn
werd ingeschonken. Maar hij bedankte. De pelshandelaar wist hem
op te houden en hem een glas appehnost te doen drinken, dat hij
sterk met brandewijn had aangemengd. Dat steeg hem naar het
hoofd. Een tweede, een derde glas volgde weldra, en nu was de
brandewijn drinkende Indiaan geheel in zijne macht.
Drie weken bleef de man in zijn huis en moest al zijne kostbare
pelswaren achterlaten. Hij keerde terug met eenige linten en strikken
en een llesch brandewijn.
-ocr page 101-
99
Nu begon de vrouw ook te drinken, en werden allengs sieraad,
huisraad, kleederen en jachtgereedschap voor brandewijn verkocht.
De onderwijzer sprak een goed woord en gaf bij het afscheid een
thaler om meel te koopen. Na twee uren. komt hij evenwel terug,
daar hij gedrongen werd hem nog krachtiger in hel hart te grijpen.
De Indiaan was intusschen uitgegaan en kwam niet terug.
De onderwijzer doet onderzoek bij den meelhandelaar en verneemt
dat de Indiaan met den daalder bij dezen was gekomen, en voor
\'/j thaler een flesch brandewijn en voor \'/ï thaler zes pond meel
gekocht had. De flesch brandewijn werd geledigd en toen hij om
zijn meel vroeg, werd hem voor zijn meel een tweede flesch brandewijn
aangeboden. Ook deze dronk hij uit en daarop was hij, volgens de
eigene verklaring van den pelshandelaar, zoo dol en vol, dat men
hem de deur uitwerpen moest.
Er werd onderzoek naar hem gedaan, en men vond hem, weinige
schreden van dat huis, dood op zijn aangezicht liggen. — De arme
vrouw werd door de genaderijke voorzienigheid Gods nog gered.
Bij de kennis van zulke daadzaken kan zeker niemand, die nog
eenig menschelijk gevoel heeft, zonder ontzetting en geschoktheid
den klaagtoon en de bede lezen, die voor meer dan dertig jaren
de Indianen aan het Rijsmeer uitten:
» De vijf dorpen Alnwick, Rice Lake, Mud Lake, Sogog en Credit,
zijn alles wal er van de Mississaugie-Indianen overgebleven is. Redt
ons ! Gij, onze blanke broederen , redt ons!"
»Voor langen lijd kwaamt gij tot ons en badt ons om eene
plaats, ten einde uw wigwan daarop te bouwen. Wij gaven u een
stuk gronds, zegt zelven of het een dankenswaardig geschenk was!
Wij bidden u, om ons van een vijand te bevrijden, dien wij zelven
niet bedwingen kunnen; hij is ons evenals alles, wat van den blanken
man komt, veel te sterk af. Wij beminnen ons land en onze haard-
-ocr page 102-
100
steden en strijden tegen den indringer, die onze have ons ontnemen
en ons land verontreinigen wil; maar onze gelederen worden hoe
langer hoe dunner, onze doodvijand dringt verwoestend, vernielend,
verpletterend als overwinnaar naar het Westen.
»Mijne blanke broederen! konde de zielen der doode Chippeway\'s
en Mohawks, die door het vurige water gestorven zijn, uil het land
der schaduwen te voorschijn komen en zich voor de deuren der
brandewijnverkoopers legeren, van de Rotsstad af tot aan de bronnen
van het Groote Meer zouden steden en dorpen dicht opeengedrongen
vol zijn van de bleeke ellendigen, die niet meer rood, maar verzengd
zijn van de blauwe vlammen. Zij zijn geene krijgslieden meer, de
tolums hunner vaderen zijn hopeloos verloren! Op de wateren ziet
men nergens eene kanoe meer, die de golven ploegt, of de vlucht
van een adelaar in de wolken. Zoo sterft\'de arme dronken Indiaan
uit. Zijne kanoe drijft den stroom af, verpletterd door het gift, dat
de blanke man gebracht heeft. Zijn geest zweeft in eene sombere
wolk rond. Hij is weg! Wie bekommert er zich over ? Na weinige
winters zal ons geheele geslacht verdwenen , verstrooid, verzwakt,
verstompt, vertwijfeld zijn! Wie bekommert er zich over!
» Geeft ons onze wouden en ons wild terug! Geeft ons onze
wigwans en de dapperheid onzer vaderen weder!
» Redt ons! Gij onze blanke broederen, redt ons! Een wegstervend
geslacht smeekt het u! Bluscht de blauwe vlammen, die ons verteren!
Gij kunt het." \')
2°- Redt ons! Gij kunt het!
Ja! Redt degenen die ter dood gegrepen zijn, gedreven door de
liefde Gods.
\') ïafereelen uit de geschiedenis der zending onder de Heidenen,
uitgegeven door de Calwer-vereeniging pag. 408 vlgg.
-ocr page 103-
101
Arbeidt aan de dronkaards met welken do Heer u in aanraking
brengt.
Een enkele jongeling, of jonge dochter kan voor een geheel huis-
gozin tot een rijken zegen zijn gelijk Jozef voor het huis van Potifar.
Onberekenbaar groot kan de invloed zijn van opzieners en arm-
verzorgers in de gemeente, van onderwijzers op allerlei scholen,
van geneesheeren , kunstenaars, dichters en dienstbaren.
Ook de kranke op het ziekbed kan nog bidden: » Heer! bekeer
gij den zondaar, red gij den Indiaan!"
Doet wat gij kunt!
Predikt, zooals de goede Herder het verloren schaap roept, dat
daar dwaalt in de woestijn onder het gehuil van den wolf.
Zoekt met het oog der liefde, gelijk de vrouw ziet naar den verloren
penning, die vertreden ligt in het slijk.
Reikt den hulpbehoevende de hand der redding, gelijk de Vader
de armen uitbreidt voor den verloren zoon , dien hij had geroepen
door zijn woord en gadesloeg met het oog zijner barmhartigheid en
genade.
Laat de liefde van Christus u dringen. Vergeel het niet, dat er in
den Hemel blijdschap is voor de Engelen Gods over iederen dronkaard,
die zich tot God bekeert. Vergeet ook niet, dat hij wie hervormer
wenscht te worden en zielen te redden van den dood, beginne met
zichzelven, bidde dat er plaats kome voor Jezus en hij lust hebbe
in een heilig, genadig, Godegewijd leven des geloofs.
Wie den dronkaard zal bekeeren neme als stelregel: dat Christus
is de Almachtige in Hemel en op aarde, en ook, dat geen dronkaard
wordt gered, tenzij hij zelf zich onlhoude van allen geestrijken drank.
Daarom, verloochent u zelven met den dronkaard, worstelt en strijdt
met den dronkaard.
-ocr page 104-
402
Beginl, zoo gij een christen zijl, met God in het verbond te treden,
dat gij geen geestrijken drank zult drinken, tenzij alleen tereereGods
en tot waarachtig heil van uwe naasten.
Strijdt voor u zeken en voor uwe huisgenooten.
Gelooft mij, zulk een christelijk gezin van geheel-onthouders kan
door Gods goedheid den steen gelijk zijn, welke in het water ge-
worpen al grooler en grooter kringen veroorzaakt, die eindelijk
breken op het strand; — zoo ook kan zulk een huisgezin beweging
en leven wekken, dat voortwerkt tot aan den jongsten dag.
Getuigt in uwen levenskring door woord en daad, door handel
en wandel.
Hebt den moed een blauwen knoop te dragen in uw kleed, opdat
gij gedenkt en gedenken doet, dat alle Adamskinderen de roeping
hebben Gods wil te doen en in oprechtheid en heiligheid voor zijn
aangezicht te wandelen.
\')
Laat de liefde van Christus u dringen om allen alles te worden,
zoo als Paulus deed. Hij werd den Jood een Jood, den Griek
een Griek.
Die liefde is nog dezelfde. Bijv: in 1732 vertrokken de Hernhutters
Leonard Dober en David Nitschmann naar het eiland St. Thomas.
Zij lieten zich als slaaf verkoopen, om aldus het Evangelie onder de
Negers te kunnen prediken.
Ook in onze dagen gaan de Hernhutters als geneesheeren en
Evangeliepredikers naar de steden der melaatschen in Zuid-Afrika
en in Suriname, om zich met de melaatschen te laten opsluiten hun
leven lang. Als de poort achter hen is dicht gevallen, zijn zij als
levende melaatschen begraven in die stad en komen nooit meer
daarbuiten.
\') Nuro. 15 ; 37—41.
-ocr page 105-
103
Zoo dringt de liefde die trouwe broeders om slaaf te worden met
de slaven, melaatsen met de melaatsclien, opdat Christus gepredikt
worde en zielen gered worden van den dood.
Dringe de liefde van Christus ook ons om met den dronkaard
een dronkaard te worden.
Wie den dronkaard zal bekeeren, die worde geheel-onthouder.
Gij kunt niet anders. De nood wordt u opgelegd.
Geen dronkaard is te redden, als met terzijdeslelling van alcoho»
lischen drank.
En waarom zouden wij zulk een nietig offer niet willen brengen
om een gebondene te helpen vrij maken , die naar lichaam en ziel
is geketend en soms met tranen worstelt om vrij te komen.
Wat zullen wij den Heer Jezus zeggen, als Hij ons eenmaal
vraagt: wat hebt gij voor Mij gedaan ?
Hoe treurig als wij dan geen beker vergift hebben willen ter zijde
zetten, om een ter dood gegrepene te willen redden, die een vloek
was voor vrouw en kinderen.
Vergeten wij evenwel niet, zoo wij ons aangorden tot den strijd,
vooral Markus 9 te lezen. Daar zegt de Heiland (v. 29): dit geslacht
kan nergens door uitgaan dan door bidden en vasten.
Wie den strijdt aanbindt tegen Satan hij kome vastende d. i. met
zelfverloochening, met wereldverzaking, met geheel-onthouding in
het geloof d. i. in den naam des Heeren.
In Markus 9 lezen wij ook van den vader, die als een zvvakgeloovige
tol Jezus kwam biddende voor zijn zoon en zeggende: (v. 17). »Ik
heb mijn zoon tot u gebracht, en (v. 22) zoo gij iets kunt,
wees met innerlijke ontferming over ons bewogen en help ons."
Help ons! — Zoo moet het zijn met al uwe medezondaren. Gij
moet met den dronkaard mede leven, mede lijden, mede strijden.
-ocr page 106-
104
Met innerlijke ontferming moet gij bewogen zijn, als ware zijn nood
uw nood, zijne zonde uwe zonde.
Onze eenige Heiland is hierin voorbeeld en voorganger. Hij lijdt
en sterft voor ons. Hij is Plaatsbekleeder ja! zelfs Plaatsvervanger,
opdat Hij de zijnen alles zoude worden.
Die Heiland worde of zij alles in u.
Hij worde of zij een almachtige Jezus door u.
Voorwaar I dan zal de Heer wonderen werken. Dan zullen dronkaards
worden bekeerd.
En al kunt gij persoonlijk de Mauri\'s of de Indianen niet voor
uitsterving bewaren, gij kunt bidden : Heer ! stoot arbeiders uit,
Heer! zegen de zendelingen !
Duitsche, Amcrikaansche, Engelsche zendelingen werken onder
de Indianen. Er zijn christelijke gemeenten van Indianen, waar
brandewijn en ontucht zijn afgeschaft, waar de geboorten toenemen,
en waar het zwervend leven voor het ordelijke leven der landbouwers
heeft plaats gemaakt. \')
3°- Een rijk gezegend werk is de liefdearbeid onder de
slachtoffers van den alcohol en van allerlei zonde. Redt ze! Gij kunt!
Want zoo gij u onthoudt wankelen zij ter dooding, zoo gij u
liefdeloos onttrekt, maakt gij u zedelijk schuldig aan broedermoord.
Dan zijt gij den Priester en Leviet gelijk, die voorbijgaan, terwijl
de uitgeschudde man in zijn bloed ligt te wentelen.
Weest barmhartig ook jegens u zelven, want alcoholische dranken
zijn zeer spoedig nadeelig voor uwen omgang met God, voor uwe
trouw in uw beroep, voor uwe zedelijkheid.
\') Joseph Schlier t. a. p. V pag. 261.
Dr. Warkeck und Dr. Grundkman. Missionsstunde. Band II.
Zweite Abteilung, pag. 220—225. Eiu Sountag unter Rothauten.
-ocr page 107-
105
Zoo gij bespeurt, dat de alcohol over u begint te heersenen.
Haast u om uws levenswil. De alcohol is als een bloed wreker,
die u achtervolgt, totdat bij u geveld heelt. "Vlucht als arme
zondaars tot de vrijstad, welke Jezus is.
Ziet hem niet aan dien beker met bedwelmend vocht, zoo hij u
ergert om het Koningrijk der Hemelen in te gaan en het eeuwige
leven te grijpen. "Werpt hem op den bodem der zee.
Doet dat ook uit liefde tot den naasten. Met vasten en bidden
alleen kunt gij uwen broeder of zuster redden uit de kaken der hel. \')
Waarlijk er zijn slaven van den sterken drank, die worstelen
om van hunnen tyran bevrijd te worden, maar hunne gealcoholiseerde
ziel roept dwingend om alcohol, hunnen vijand en moordenaar.
Strijdt voor en met dezulken. Laat het bij u worden: om des
dronkaards wil is de nood mij opgelegd geheel-onthouder te zijn.
Wee mij! zoo een druppel alcohol mijne lippen bevochlige. "Wee mij!
als ik door mijne drinkgewoonte mijnen broeder verhinder om in
te gaan.
De liefde van Christus is toch zoo machtig. 2)
Ik las onlangs van eene liefdezusler, die bij een kind waakte, dat
leed aan eene besmettelijke keelziekte en ademde door eene zilveren
buis. De buis geraakte vol met ziektestof. De liefdezuster ziet,
dat het kind zal bezwijken. — Wat zal ze doen? — De liefde
dringt om het verstopt buisje ledig te zuigen en het kind gelegen-
heid te geven, om te blijven ademen.
O! gedenkt wat de Heiland voor u deed in Gethsemane, als zijne
ziel geheel bedroefd is tot den dood toe, en verder op Golgotha waar
\') Mark. 9: 184. De Apostelen, welke dat toen niet deden, hebben
niet gekonnen.
2) 1 Cor 8: 13.
-ocr page 108-
106
hij zich voor ons zonde liet smaken; en ook, wat gij als rentmeester
doet voor hem ? \')
Te beklagen zuil gij zijn, als gij in den dag der dagen gered zijt,
als een brandhout uit het vuur, maar door uwe genotzucht verhinderd
zijt een enkelen dronkaard, als een parel te mogen voegen in de kroon
van Christus. Integendeel, als gij door uwen slordigen levenswandel
en door uwe onverschilligheid wegstervende huisgezinnen en uitster-
vcnde volkeren van uwe zijde hebt verhinderd om in te gaan.
Beproeft u nauw voor het oog des Heeren, die al uwe werken
kent en alleen den Overwinnaar zal kroonen. s)
Wat moet Hij de Alwetende van u getuigen in betrekking tot
den alcohol en de slaven van alcoholische dranken ?
Weet Hij, dat gij genegen zijt tot den wijn ? Ziet! dan zijt gij
in zijn oog de rechte opziener niet in uw huis of in de gemeente,
dan zijt gij niet de ware verzorger zijner weezen en weduwen ;
want zedelijk verstorvene weezen en weduwen zijn de kinderen en
vrouwen van den dronkaard, de heidenen in Afrika, Amerika en Azia.
In de weegschaal des Heeren wordt gij dan te ligt bevonden.
Dat roept Hij u toe door den Apostel Paulus, 3) van wien wij niet
lezen, dat hij bij zijne gevaren te land of ter zee, of bij zijn verblijf
in de gevangenis alcohol noodig had.
Leefde Paulus in onzen tijd, naar mijne heilige overtuiging zoude
hij beslist de zijde der geheel-onthouders kiezen, maar ons tevens
vermanen: »Broeders! wacht u voor eigengerechtigheid. Het
koninkrijk Gods is niet het onthouden of het gebruik van spijs en
drank, maar vrede, liefde en blijdschap door den H. Geest."
\') Matth. 24: 49—51.
») Openb.: 2 en 3. 2 Tim. 2: 5.
a) De brieven aan Timotheus en Titus.
-ocr page 109-
107
Den Apostel Paulus mij voor te stellen, met een glas alcohol ischen
drank in de hand om dezen te drinken uit gewoonte of lekkernij, is
mij in alle oprechtheid gesproken zielkundig onmogelijk, want Christus
was zijn leven, en Lukas, de medicijnmeester was zijn vriend.
Strijdt den goeden strijd en bedenkt dat een enkel mensch veel
vermag.
Een Jona keerde Ninevé om. Een Elia gaf Baal eene doode-
lijke wond.
En zoo gij strijdt, houdt moed en weest geduldig.
Jezus, die door Jeruzalem uitgeworpen was, kwam na zijne op-
standing in Jeruzalem terug met hel »vrede" op de lippen.
Houdt moedt! In en door Jezus is de overwinning gegeven en
verzekerd.
Hoe heerlijk in zijn naam het kruis te dragen. Hoe zalig eenmaal
na uwen dood, al was het maar door eene enkele ziel, in den Hemel
met gejuich te worden ontvangen. Hoe liefelijk, al was het maar
een enkele verloste, die eenmaal bij uw graf kon getuigen: hier ligt
een lieveling Gods, die om Jezus wil zooveel goeds deed als hij kon.
Gelooft mij de Indianen en Negers gaan ons voor.
In eene voorstad van Sedan een half uur builen de poort staat
op het kerkhof een zwart kruis, waarop in \'tFransch te lezen slaat:
de goede zwarte doctor.
De man, die daar rust is een neger geweest, die als arts in de
omgeving van Sedan de verwonde soldaten, vooral de Beiersche en
ook vele andere noodlijdenden in den omtrek aldaar zich aangetrokken
heeft, totdat hij ten laatste in den dienst der barmhartigheid zijn
leven heeft verloren.
Zijn naam is doctor Davis.
Oorspronkelijk woonde hij als kind met zijne geheelc familie in
-ocr page 110-
108
Afrika, maar werd geroofd en als slaaf verkocht op het West-Indisch
eiland Bardahos. Hij geraakte weldra vrij. Hij werd als negenjarige
knaap gedoopt en kwam later in Engeland, ik weet niet hoe.
Deze gedoopte neger had den Heer Jezus lief, en zijne liefde tot
den Heiland vergezelde hem op al zijne schreden.
Door een getrouwen dienstknecht des Heeren in Londen werd hij
als kind opgenomen., en als deze zijne uitstekende gaven leerde kennen,
zond hij hem naar de Hoogeschool, waar hij in de geneeskunde zoude
studeren. Hij studeerde goed en had ook lust om zijne jongelings-
jaren den Heer Jezus te wijden, dien hij lief had.
Na volbrachte studie werd hij als geneesheer aan een hospitaal
te Londen geplaatst. En even 28 jaar oud als professor der heel-
kunde beroepen aan het Barlholomeus-hospitaal te Londen.
Nauwelijks heeft de 28-jarige D.wis zijne benoeming lot professor
verkregen, of hij leest de beschrijving van den vreeselijken nood
rondom Sedan. Zoo spoedig onze jonge Davis dit gelezen heeft
staat zijn besluit vast: hij geelt zijne schitterende stelling op en
spoedt zich naar dit oord van ellende.
In September 1870 komt hij bij Sedan. Nacht en dag deed hij
wat hij kon om in allen lichamelijken nood te voorzien, maar hij bad
ook voor en met de kranken en zorgde voor goede lectuur. — Hij
heeft zijnen Jezus, dien hij vurig liefhad, gelrouw beleden in woord
en wandel.
Het gebeurde wel, wanneer Beiersche artsen in die streek een
kranke reeds opgegeven hadden, dat hij dikwijls nog raad wist.
Geen wonder. Hij stond met zijn Jezus in levendige gebedsgemeenschap
en hij zou niels doen zonder den Heer daarover gevraagd te hebben. —
De Beieren hadden hem waarlijk lief. Als zij den goeden zwarten
doctor maar bij zich hadden, dan waren zij gerust en tevreden.
-ocr page 111-
•109
Hij trok weldra van plaats tot plaats. Hij liet soep koken voor
het arme landvolk, waaronder er waren, die door brand alles
verloren hadden.
Hij arbeidde weldra in het hospitaal te Sedan onder poklijders.
Hij zelf werd door de pokziekte aangetast. Zijne ziekte nam hevig
toe. Hij werd geheel blind en aangegrepen door zware koortsen.
Als men hem vroeg of zijn toestand hem niet zwaar viel, was
zijn antwoord: » Neen ! ik heb God lief, ik heb God lief."
Als een ander hem zeide: » gij zijt ziek lieve broeder! de Heer
heeft zijne hand zwaar op u gelegd, maar zijn arm blijft u onder-
steunen ," antwoordde hij snel: » o ! ja en dat is genoeg, dat is
genoeg." — Daarop vouwde hij de handen op den borst en zeide:
»ik wil nu ook slapen."
Het was zoo, hij sliep in en was binnen weinige oogenblikken
daarboven bij zijn Heer. Het was den 27 Nov. 1870, dat de gelrouwe
knecht des Heeren in den dienst voor zijne broeders zijn leven overgaf.
De soldaten en de bewoners der omstreek klaagden als ware er
een vader gestorven.
Bij zijne begrafenis werd hij meer geëerd dan eenige burger van
Sedan. De Burgemeester van Sedan riep den raad te zamen en sloeg
voor, uitgenoodigd of niet, het lijk grafwaarts te geleiden. Hij
verzocht om de gunst eene slip van het lijkkleed te mogen dragen.
Sedan liep uit, als ook alle dorpen in den omtrek. Fransche en
Duilsche soldaten gingen in vrede naast elkander. De Duilsche
commandant had de poorten van Sedan laten openen, ofschoon dit
zelfs bij de begrafenis van Duitsche officieren niet geschiedde. Drie
Evangeliedienaren een Engelsche, een Duitsche en een Fransche
spraken aan zijn graf, ook de Burgemeester van Sedan sprak een woord
van dank: » Vaarwel! Doctor Davis !" zoo riep hij ten slotte uit,
terwijl al de aanwezigen daar stonden met de tranen in de oogen, —
-ocr page 112-
110
» vaarwel of liever tot wederziens! wanneer namelijk God eenmaal
over ons, zij het ook van verre, een einde beschikt gelijk aan het uwe."
In de lente van 1871 zag men een groote optocht het kerkhof
van Sedan naderen. Het waren de vrouwen en kinderen uit de
omgeving, bij welke zich ook vele mannen hadden aangesloten. Zij
droegen hunne beste Zondagskleederen. Zoo ging het naar het kerkhof;
en als de menigte daar aankwam, zocht men het eenvoudige
zwarte kruis van den goeden Doctor op. Dit kruis versierden zij
met bizonder schoone grafkransen , terwijl op iederen krans den
naam van een der dorpen uit do omstreek geschreven stond. Zij
hadden hunnen weldoener niet vergeten en wilden hem hunnen dank
bewijzen, ook nog na zijn dood; ja! waarlijk de gedachtenis van
den rechtvaardige blijft in zegen.
De asch van dezen goeden zwarten Doctor, een neger, een echte
zoon van Gham ruste in vrede. \')
Zijn voorbeeld worde door ons nagevolgd.
De Heer geve ons vele geneesheeren , die naar Oost en West
uilgaan, en zoo leven en lieven, dat ook de zwarte broeders en
kleurlingen gedrongen worden een kruis op hun graf te zetten met
het opgeschrift: de goede blanke doctor. Hij geve, dat nu en altijd
door Hem van ons allen kan worden getuigd: » zij doen wat zij kunnen."
Laat ons heengaan als Dr. Davis , opdat eenmaal bij ons graf,
al is het slechts oene enkele ziel moge getuigen: door Jezus heb ik
aan u het behoud mijns levens te danken. Opdat wij te zaam in
den dag der dagen iedere kroon mogen nederwerpen aan de voeten
van Jezus en dankbaar mogen juichen: Gij hebt ons Gode gekocht
door uw bloed. Gij hebt ons koningen en priesters gemaakt lot in
alle eeuwigheid. Amen!
\') Josefh Sculier. Missionsstunde. IV pag. 109.
-ocr page 113-
111
Amen! ik mocht dat zeggen ook op het gebed, dat daarop volgde.
Bij het heengaan zocht ik mijn Amerikaan nog een enkel woord
toe te spreken. Hij zelf dreef mij naar de kerkeraadskamer en wachtte
op Ds. Paulus. Toen deze naar buiten kwam greep hij zijne hand
en zeide o. a.: »Dominé! hartelijk dank voor het gesprokene.
In Nederland wordt het Evangelie van Paulus , het Evangelie der
zelfverloochening in verhouding lot de slachtoffers van den alcohol,
ik wil gelooven uit onkunde en ongewoonte, op dergelijke wijze
zoo weinig verkondigd. Het ware te wenschen, dut de toekomstige
predikers leidslieden hadden als Spurgeon den geheel-onthouder,
en getrouw hunne volgelingen mochten zijn."
Ds. Paulus stond in gedachten, en zonder eigenlijk te antwoorden
aan mijn Amerikaan, sprak hij zijn eigen denkbeeld uit en zeide:
»Mijn broeder is Professor in de theologie, ik zal hem eens vragen,
of de alcohol-kwestie niet een plaatsje verdient in de practische
theologie. Wie weet".....maar hij werd in de rede gevallen door
den koster, die hem toeriep: » Dominé! er staat eene vigelante voor
de deur, gij wordt buiten de stad verwacht bij een stervende zieke."
Met mijn Amerikaan had ik al wandelende nog een belangrijk
gesprek over den vloek van onze drinkgewoonten, alsook over
Openb. 12: 11. En zij hebben hem overwonnen door het bloed
des Lams en door het woord hunner getuigenis; en zij hebben hun
leven niet liefgehad tot den dood toe. (Hand. 20: 24. Luk. 14: 26.)
Ook schonk hij mij een boekske: Koning dood en zijne dienaren.
Een getuigenis uit Afrika, met eene narede door J. H. Gunning Jr.
Over een en ander later als ik tehuis kom.
Gode bevolen door uwen u toegenegenen
G.