-ocr page 1-
Vo
B
1
ti \'JOHNWILSON,
ZENDELING, PHILANTHROOP EN GELEERDE.
i /
UIT HET DTTITSCH
i
s». v. d. £ r
^iPIIRiNÉ
•
UBU
Een Brahmaan, zijne ({oden offerende (Itliidz.\'^aO).
UB-ZUID
PKE
630
NIJMEGEN. — P. J. MILBORN.
-ocr page 2-
i
7- J»
i
!
•
.
*4
\':ü
•
•
-ocr page 3-
A 4.1
458
•
-
•
.
.
•
f
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000035653322B
\'*
3565 3322
-ocr page 4-
I
PREDIKING OP REIS. (Blz. 28.)
EEN HINDOE, REIZENDE IN ZIJN PRACHTVVAGEN. (Bk. 77.)
-ocr page 5-
.3©
DR. JOHN WILSON,
ZENDELING, PHILANTHROOP EN GELEERDE.
• -
•
JIT HET
DÏÏITSCH
.
•
DOOR
1
W.
V.
0. S.
Met gravures.
Rbüothoek
IEKRL ZENCIN€8CH0P(
G€GSTGEFRT
NIJMEGEN,
P. J. MILBORN.
-ocr page 6-
I
"
1
Neerbosch. — Snelpersdruk der Weesinrichting.
,
*
-ocr page 7-
IITHOU JD.
—ww^-
Elz.
Dr. John Wilsons leven...............         1
I.     De boerenzoon wordt Zendeling..........        Z
II.     Het arbeidsveld van den jeugdigen Zendeling......      12
III.     Begin van den arbeid..............      17
IV.     Onder Brahmanen, Muzelmannen en Joden......      22
V. Reisavonturen. Het sterven van mevrouw Wilson ....      27
VI. Zendelingarbeid onder de Parsis..........      35
VII. Uitbreiding der zendelingwerkzaamheid........      40
VIII. Ervaringen op bet gebied der Oostersche Taal- en Volkenkunde.      50
IX.     Door de landen des bijbels naar Schotland......      54
X.     Wetenschappelijke werkzaamheid; tweede huwelijk; weder
in Bombay.................      fi3
XI.     De groote opstand en zijne gevolgen voor de zending Stiehr
ting der Universiteit te Bombay..........
      75
XII. Invloed op het maatschappelijk leven der Inlanders. Bouw
van een kerk en pastorie............      80
XIII. Naar het einde................      86
-ocr page 8-
\'
*:,
.
-ocr page 9-
Dr. JOHN WILSONS LEVEN.
nder de menschen, die goede dingen hebben tot stand ge-
bracht, waren er die lang moesten zoeken, eer zij na velerlei
dwaling en veelvuldige teleurstelling, den weg vonden,
^ waarin God hen wilde leiden. Doch men telt onder hen ook, die
door Gods genade terstond hun levensdoel in \'t oog vatten en in wier
leven van het begin eeneenheid van gedachten en streven heerschte,
die aangenaam aandoet, en steeds een onbedriegelijk voorteeken is
„van groote dingen."
Tot deze mannen behoort John Wilson, wiens leven door zijn
vriend dr. George Smitt in een lijvig boekdeel is geschilderd. Op
het titelblad van dit boek duidt de schrijver zijn held bloot aan
als: „Menschenvriend en Geleerde", doch in het werk zelf laat
hij aan zijns vriends zendingsarbeid volle recht wedervaren. Mis-
schien was het uit berekening dat hij dezen titel koos, nl. om de
zoodanigen, die eens zendelings levensbeschrijving niet zouden lezen,
1
-ocr page 10-
-
niet af te schrikken. Wilson zelf zou zulk een diplomatische han-
delwijze niet licht goedgekeurd hebben. Hij was en bleef steeds
een eerlijke Sc/iot en een volkomen zendeling.
I.
DE BOERENZOON WORDT ZENDELING.
^M^et is een krachtig geslacht, dat de zuidelijke grensgewesten
SöP^f van Schotland bewoont. De eigenschappen, die men steeds
£ in de Schotten prijst, nl. ondernemingsgeest, scherpzinnigheid
en taaie volharding, vindt men hier in verhoogde mate, en men
zou een geheele reeks van uitstekende mannen kunnen noemen,
wier wieg in het stroomgebied der Tweed heeft gestaan. Daar, in
het vlek Lauder, aanschouwde John Wilson den Uden December
1804 het levenslicht. Hij was de eerstgeborene van een zevental
kinderen. Zijne ouders waren welgestelde boerenlui, die zich hoofd-
zakelijk met veeteelt bezighielden, waartoe de uitgestrekte weilan-
den de bevolking uitlokt.
Van hen erfde John het sterke, gezonde gestel, dat het
moorddadig klimaat van Indië in latere jaren zoo goed verdroeg.
Zijn overgrootvader stierf 98, zijn grootvader 88, zijn beide ouders
overleden 82 jaren oud. Wat hij echter niet aan zijn lichamelijke
afstamming maar aan een bijzondere genadegave Gods te danken
had, was zijn Troom gomoed, dat zich toen hij nog een knaap
was reeds zoodanig openbaarde, dat hjj van zijn makkers den
schimpnaam van „den dominé" ontving. Zoo zag men hem een»
-ocr page 11-
op een zondagavond, op een boomstam geklommen, tot de huis-
waarts keerende lieden prediken. De knaap werd deswege door
zijne ouders bestraft, daar zij in de, zich zoo vroeg aankondigende
neiging tot het predikambt niets anders zagen dan lichtvaardige
scherts, die zich met den ernst van den godsdienst volstrekt niet
verdroeg.
Zijne eerste godsdienstige indrukken ontving hij van zijn groot-
vader. „Toen ik drie jaar oud was," verhaalt Wilson, „moest ik
bij mijn grootvader van vaders zijde slapen. Als ik mij wel
herinner, was hij de eerste die mij eenigszins met God en mijne
ziel bekend maakte.
Ik herinner mij den indruk zeer goed, dien zijne leeringen op
mijn gemoed maakten; die is bij mij nooit geheel uitgewischt.
Nimmer vergeet ik, met welk een innigheid hij zijn avondgods-
dienst hield, en evenmin het diep gevoel, waarmede hij bij deze
gelegenheden psalm 23 biddende uitsprak, en allerminst het slot:
„Immers zullen mg het goede en de weldadigheid volgen mijn
leven lang en ik zal in het huis des Heeren blijven tot in lengte
van dagen." Ik was reeds vroeg van mijne zondigheid overtuigd en
geloof, dat de Heer reeds in mijne kindsheid mij zijn heil ontdekte."
Ook wist John in de school zich de liefde en achting zijner
kameraden te verwerven. Een hunner, dr. ïairbairn, schrijft ito
zijn overlijden van hem: „Ik bezit nog de levendigste herinnering
van al mijne schoolmakkers, doch vooral van John Wilson; hy
was een bescheiden, vrome, liefderijke knaap, immer gereed den
zwakke in bescherming te nemen; niet twistziek of strijdlustig.
Hij was, zoo ik meen, de vlijtigste en arbeidzaamste van alle
scholieren. Daarbij was hy in hooge mate vertrouwend en waar. Op
zekeren dag waren wij in de uitspanningsuren met een geheele
troep gaan visschen. Bij het schoone weder letten wij niet op den
tijd en lieten het schooluur voorbijgaan. Nu werd er beraadslaagd,
wat wij tot onze veroutschuldiging zouden inbrengen: de een
-ocr page 12-
4-
sloeg dit voor, de ander dat. John Wilson brak eensklaps de
bespreking af en verklaarde : „Ik zal n zeggen, wat wij zeggen
zullen — wij zullen de waarheid spreken," en hij deed het, toen
en zijn gansehe leven door!"
Destijds ontwaakte ook in Schotland , evenals op het vaste land ,
een nieuw leven des geloofs. Toen na den slag bij Waterloo een
tijdperk van vrede volgde, was het alsof een geest van vemieu-
wing het Christendom doorademde: overal traden weer predikers
der gerechtigheid op, die getuigenis gaven van de oude waarheid
des Evangelies, en op verootmoediging en bekeering aandrongen.
Ook in Edinburg, waarheen de 14-jarige knaap zich begaf, ten
einde in de godgeleerdheid te studeeren , traden door God gezon-
den en gezegende mannen op, en Wilson, die te huis reeds bet
voorrecht had genoten, door een geloovigen leeraar onderwezen te
worden, was spoedig in de beweging betrokken.
De cursus aan de universiteit was berekend op acht studiejaren ;
in de eerste moesten de oude telen, philosophie en natuurweten-
schappen beoefend worden, later volgde de godgeleerdheid. Daarbij
stond het den studenten vrij, zich tusschenbeide ook buiten af
bezig te houden, en wanneer zij maar het opgegeven werk inlever-
den, werd deze tijd ook tot den studietijd gerekend. Wilson
maakte van deze vergunning gebruik. Eerst werd hij onderwijzer
aan de school te Horndeal en deed hier praktische bekwaamheid
en ervaring op, die hem later in Indië, waar hij de leiding van
hoogere en lagere scholen op zich moest nemen, zeer te stade kwam.
Van grooter beteekenis nog werd voor hem de betrekking van
huisonderwijzer in \'t gezin van dr. Cormack, predikant te Now.
Hier moest hij de kinderen des huizes en die van den neef des
huisvaders, den overste Rosé, onderwijzen. Deze kinderen waren
in Indië geboren en spraken de taal van hun geboorteland vaar-
dig. Ofschoon eerst 16 jaren oud, dacht de ernstige jongeling reeds
over de zending. Het lezen der berichten van het Bijbelgenootschap
-ocr page 13-
. hadden hiertoe de eerste aanleiding gegeven. In de pastorie richtten
zich zijne gedachten op een bepaald doel nl. Indië.
De oorlogsberichten uit de verre koloniën, de tijdingen van
Lord Hastings zegepralen, van de uitkomsten van den administra-
tieven arbeid van twee Schotten, met name Malkolm en den gouver-
neur Munro, werden met belangstelling in de pastorie ontvangen.
Daarenboven verkeerde de familie met generaal Walker en hield
later, toen hij stadhouder van St.-Hélena was geworden , briefwis-
ling met hem, — den man, die langen tijd als beambte van den in-
landschen staat Baroda, een veelheteekenenden invloed op Engelsch-
Indië had uitgeoefend, door bv. het dooden van jonge meisjes
onder de Hadsjpoeten tegen te gaan enz. De gesprekken , die zich
uit deze betrekking ontsponnen, deden allengs bij Wilson het
besluit rijpen, als Evangelieprediker naar Indië te gaan. Inmid-
dels zette hij zijne studiën met allen ijver voort. Destijds waren
de leerstoelen voor de Grieksche taal en de philosophie slecht
bezet en Wilson trok weinig voordeel van de lezingen. Daarentegen
deed hij veel kennis op van het Latijn, het Hebreeuwsch en inzonder-
heid van de natuurwetenschappen. Ook in lateren tijd verdiepte
hij naast den Bijbel zich het liefst in het boek der natuur en zijne
geleerdheid op \'t gebied der natuurlijke historie, stelde scherpe
wapenen in den strijd tegen de in Indië heerschende godsdienst-
stelsels te zijner beschikking. Voor de theologische vakken waren erin
dien tijd slechts zwakke leerkrachten. Hierin kwam eerst verbetering,
nadat Wilson de universiteit had verlaten. De professoren waren voor
\'t meerendeel tevens predikant, doch niet van de beste soort, en het
moest den studenten wel zwaar vallen, ond er zulke leermeesters goede
vorderingen te maken. Doch Wilson had een anderen onderwijzer,
den Geest van boven, die aan zijne ziel arbeidde om een uitver-
koren werktuig van hem te maken.
Laat het volgende, uit zijn dagboek overgeschreven , ons een blik
doen slaan in zijn innerlijk leven.
-ocr page 14-
„11 December 1824. Heden heb ik mijn 80e levensjaar vol-
bracht. God leere mij de vluchtige oogenblikken mijns levens wel
te besteden. Met een duren prijs, nl. het bloed van Christus,
gekocht zijnde, wil ik mij geheel naar geest, ziel en lichaam
wijden aan de roeping, Gods roem aan de zondige menschenkin-
deren, mijne broederen, te verkondigen." (Gelijk eens Oberlin,
de rijkgezegende prediker van het Steendal, reeds als student zich
geheel aan den Heer wijdde, deed ook Wilson dit als jongeling.
Het blad, waarop hij deze zijne gelofte nederschreef, bestaat nog,
en hij heeft haar zijn gansche leven, tot in zijn grijzen onderdom
gehouden.)
„Donderdag den 16 Dec. De dienstboden in de pastorie vroegen
inij verlof, mijn stichtelijk avonduurtje te mogen deelen. Ik gaf
hun daartoe de vrijheid, in de hoop, dat zij er onder Gods zegen
voordeel van zullen trekken."
„Vrijdag 24. Heden had ik een stichtelijk gesprek met Alexan-
der Kelly, den schaapherder van Lauder. Ik moest mij verwon-
deren over zijne kennis en zijn diepen blik in geloofszaken. In
het avondgebed had ik een lieflijke gemeenschap met God."
.„Dinsdag 28. Het verblijdde mij, van de groote vorderingen
des geloofs te vernemen uit de maandelijks verschijnende uittrek-
sels der Correspondentie van het Britsch en buitenlaudsch Bijbel-
genootschap. Welke wonderbare gevolgen heeft onder de levenwek-
kende beademing van den Geest Gods het eenvoudige lezen van
Gods Woord! Zedelijke wonderen bevestigen dagelijks de waarheid
van het Christelijk geloof."
„Vrijdag 31. Met dezen dag eindigt een jaar. Kan ik voorden
Heer verschijnen en tot Hem zeggen: Handel met mij naar mijne
werken in het afgeloopen jaar? Neen, mijn geweten veroordeelt
mij. Het zegt mij dat ik in mij zelven arm, ellendig blind, en
naakt ben. Het herinnert mij dat een groot deel van dit jaar,
dat nu weder ten einde spoedt, in Satans dienst is doorgebracht,
-ocr page 15-
(laar ik dikwijls mijn eigen lust opvolgde, mijne booze natuur
den teugel gaf en mijn eigeu verderf zocht."
„Donderdag 16 Januari 1825. Ik gevoelde mij heden namiddag
ternedergeslagen, daar ik in den loop van dezen dag niet veel
omgang met God had. Moge ik mij altijd ongelukkig gevoelen,
wanneer ik den Heer niet steeds voor oogen heb! Moge ik er
immer naar staan, het licht van zijn vriendelijk aangezicht te
zien, want wanneer het mij bestraalt, voel ik mij rijk en verkwikt.
Had ik aan aardsch geluk naar wensch, het zou toch mijn gemoed
niet verheugen, noch mijne ziel kunnen sterken. Moge ik hongeren
en dorsten naar de gerechtigheid en verzadigd worden met de
groote goederen van Gods koninkrijk."
„Woensdag 26. De driemaandelijksche vergadering van de hulp-
vereeniging van het Bijbelgenootschap te Now was heden niet druk
bezocht. Toen ik in dejongstverloopen dagen daarvoor collecteerde,
ontmoette ik velen die dit werk goedkeuren, doch voor \'t meeren-
deel niet geneigd waren, het met middelen te ondersteunen, schoon
zij deze toch als hun pond hebben ontvangen, waarvan zij den
Heer, den Gever aller goede en volmaakte giften, rekenschap
schuldig zijn. Intusschen herinner ik mij eene oude vrouw, die
mij zeide, dat zij liever zelf naar \'t lichaam wilde omkomen, dan
nalaten bij te dragen tot het heerlijke werk der verbreiding van
het woord Gods op aarde."
„Vrijdag 28. Ik begon heden den Zendbrief van Paulus aan
de Eomeinen in het Giïeksch te lezen. Hoe ontzettend is de toe-
stand dergenen die de Heer in hun eigen wegen laat wandelen!
Hoe afschuwelijk zijn de gevoelens en neigingen, welke het be-
dorven gemoed van den mensch pleegt te voeden! O, dat mijne
ziel geheel en al van alle boosheid gereinigd worde!"
„Zaterdag 6 Febr. 1821. Heden bezocht ik mijne waarde
ouders en verwanten te Lauder. Ik deelde hun mijn voornemen
mede, mij spoedig bij het Schotsche Zendelingsgenootschap aan
-ocr page 16-
te bieden als candidaat-zendeling, maar o, welk eene uitbarsting
der teedere liefde mijner waarde moeder. Nimmer zal ik vergeten
wat heden avond plaatsgreep.
Zij verzekerde mij, dat het scheiden voor haar smartelijker
zou zijn dan mij door den dood te verliezen. Toen ik hare tranen
zag vloeien, riep ik tot God, dat Hij haar mocht troosten en
de zaak tot een einde mocht brengen , dat hem verheerlijkt en
tot ons best strekt. Ik vermaande mijne moeder, de zaak in
\'s Heeren handen over te geven, en verzekerde haar, dat ik
haar niet zou verlaten, tenzij de Heer den weg voor mij effende,
doch voor het oogenblik achtte ik mij geroepen, het genootschap
mijn dienst aan te bieden. Zy omarmde mij en scheen kalmer te
zijn. Mijn vader liet zich niet veel over cle zaak uit, doch scheen
in diepe gedachten verzonken.
In den loop van den avond kwam mij het woord voor den
geest: „Wie zijn leven liefheeft, die zal het verliezen , en wie
vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig," en
dit weerhield mij iets te beloven , waardoor ik mogelijk van mijn
voornemen zou moeten afzien. Heere, die aller menschen harten
in uw hand hebt en ze neigt naar uw welbehagen, verleen mijne
ouders de genade, dat zij in \'t geloof aan uw woord en beloften mij on-
voorwaardelijk in alle opzichten te uwer beschikking stellen, en moge
ik U gewillig in alles gehoorzamen ter eere van Christus, amen."
Wilson verloor geen tijd ; 21 jaar oud, meldde hij zich bij het
Bestuur van \'t Zendinggenootschap aan, en in November 1825 werd
hij in het seminarium opgenomen. Zijn theologische studiën zouden
eerst over drie jaren volbracht zijn en gedurende dezen tijd woonde
hij in bij den Secretaris van het genootschap W. Brown. Met
«leze daad van zelfovergave was zijn ijver echter nog niet bevre-
digd. Hij stichtte onder de studenten eene Zendelingsvereeniging, waar-
van meer dan de helft der 120 theologen lid werden; een rijk
gezegende vereeniging, die tot aankweeking van belangstelling en
-ocr page 17-
9
liefde voor de zending van groote beteekenis werd, vele degelijke
zendelingen leverde en de kerkelijke verwarring, gedurende welke
•de Vrije Kerk zich van de Staatskerk afscheidde (1843) , overleefde.
De drie eerste jaren was Wilson de ziel der vereeniging; uit Indië
onderhield hij nog steeds briefwisseling met haar en, toen hij in
1870 zijn laatste bezoek bracht aan Schotland, was het hem een
waar genoegen , in de oude zalen der Universiteit, een voordracht
te houden voor de studenten, leden van de "Vereeniging der Vrije
Kerk, zoowel als voor die der Vereeniging, behoorende tot de Staats-
kerk. Hij stichtte een bibliotheek en stelde zich in schriftelijke
betrekking met de groote zendelingsgenootschappen, om zijn vrien-
den altijd de jongste berichten te kunnen doen toekomen. Daarbij
was hij wat zijn kerkelijke inzichten betrof volstrekt niet enghar-
tig; de voortdurende verdeeldheden in de Kerk keurde hij in zijn
vaderland reeds af, en daarbuiten in de heiden wereld berokkenden
ze hem nog veel grievender smart; immers hij was overtuigd, dat
de zending niet ten bate van de eene of andere kerk mocht gedre-
ven worden, maar dat men met vereenigde krachten behoorde te
arbeiden tot uitbreiding der gemeente Gods. Ook met de pen
diende hij de zaak, die hij met zoo vurigen ijver had aangevat;
o. a. gaf hij in 1828 een levensbeschrijving van John Elliot, den
apostel der Indianen, in \'t licht. Een woord van dezen man werd
hem een maatstaf voor zijn gansche leven als zendeling: „Zij, die
als predikers voor de Indianen willen optreden, moeten meer leeren
dan degenen, die voor beschaafde Christenen prediken; want de eer-
sten komen met vele spitsvondige vragen, tot wier beantwoording
alleen een uitgebreide kennis in staat stelt. Zonder deze kan men
hen niet onderwijzen; meer dan Indiaansche onwetendheid verblindt
dezulken, die geleerdheid als de vijandin des geloofs beschouwen."
Daar Wilson niet voornemens was in dienst van een kerk te
treden, deden zich eenige bezwaren op ten opzichte van zijn ordening;
zij werden echter weldra opgeheven en zoo stond hij dan gereed zich in
-ocr page 18-
10
het strijdperk te begeven, rijk aan innerlijk leven, rijk ook aan
kennis en wetenschap. In den laatsten tijd had hij nog voor-
lezingen over ontleed-, wondheelkunde en\'praktische geneeskunst
bijgewoond. Van zijne medestudenten nam hij afscheid met
eene toespraak, waaraan wij het volgende ontleenen:
„Het werk der Zending is moeielijk, zegt men. Doch de tijd
is voorts kort, wij worden welhaast bevrijd van al onze angsten,
bekommernissen en teleurstellingen; en wanneer wij met Christus
lijden , zullen wij ook eenmaal met hem heersenen. Aan het werk der
Zending zijn groote moeilijkheden verbonden ! — Zalige geesten
van Elliot, Brainard, Fisk en Hall! berouwt het n, dat gij om
Christus\' wil het land uwer vaderen, uwer jeugd verliet, om onder
een vreemden hemel te arbeiden? Neen! betuigt gij door de blijd-
schap , waarmede gij arbeiddet; door de beschaamdheid die u over-
stelpte, wanneer gij uw werk overzaagt, omdat het niet met meer
ijver en zelfverloochening was verricht; en als gij in het donkere
dal van de schaduwen des doods afdaaldet, dacht ge aan
uwe zorgen noch offers, maar aan zonde en genade. Sinds gij
onder de heerlijke schare der geloofsgetuigen werdt opgenomen,
hebt gij het gewicht van uwe roeping nog veel duidelijker erkend
en gevoeld, en uw getuigenis daaromtrent is, dat alleen de eeuwig-
heid hare draagkracht kan openbaren. Gij beseft, dat dit de roem
van het lied van Mozes en des Lams is, dat het gezongen wordt
door raenschen uit alle geslachten, talen, volken en natiën; en,
werd het u veroorloofd weder tot de aarde af te dalen, zoo zoudt
gy, als do engel in de Openbaring, over de aarde vliegen om
allen die daarop wonen, het Evangelie te prediken. Laten wij in
oprechtheid en ootmoed des harten spreken: Uwe beloften zijn
voor ons, o God! en wij willen U prijzen!"
Toen Wilson zoo sprak, had hij nauwelijks de jongelingsjaren
achter den rug; doch zijn besluit was niet genomen in de opgewon-
denheid van jeugdige geestdrift, maar bij het heldere besef van al
-ocr page 19-
11
wat er aan verbonden zou zijn. Hem bleef nog over eene levens-
gezellin te zoeken en hij vond die in Margaretha Bayne, een ju-
weel niet slechts op zichzelve, maar ook voor de zending. Zij was
uit een vrome predikantsfamilie gesproten en had te Aberdeen
velerlei kennis opgedaan, die in den regel het vrouwelijk geslacht
vreemd blijft: met het meeste gemak kon zij de geloofsleeringen
der Hindoes in hunnen samenhang voordragen, leerde zij de talen
van de westkust van Indiü, en stichtte en leidde daar de eerste
meisjesscholen, daarbij maakte zij schoone verzen, en bleef niet-
temin een huisvrouw en moeder vol liefderijke toewijding. Den
12den Augustus werd de echt gesloten en reeds den ïSOsten begaf
het jeugdige paar zich te Xewhaven scheep, om te Portsmouth
op de Sesostris, een schip der Oostindische Compagnie, over te
gaan, dat hen nader tot het vergelegen bestemmingsoord zou
voeren. De kapitein was lastig, de passagiers hadden geen begrip
van Wilsons zendelingsijver; doch de bescheiden vroomheid droeg
ook aan boord van het schip hare vrucht. De reisgenooten legden
al spoedig achting voor den jongen man aan den dag, en toen men de
linie passeerde, behandelden de matrozen hem zelfs met verschooning.
Omtrent de aankomst in Indië leest men in Wilsons dagboek:
„Den 1 Febr. (1829) dook kaap Comorin, het zuidelijkste punt
van Indië, voor ons op, en mijne gevoelens waren van zeer ern-
stigen aard. Wanneer ik aan den tegen woord igen toestand van het
land dacht en aan mijne, daarmede in verband staande voornemens ,
gevoelde ik mij tot den troon der genade gedreven. Mijn lieve
Margaretha en ik, wij vereenigden ons in het gebed, en smeekten
dat God ons bekwamen mocht voor al wat ons te doen stond en
tevens onze zielen sterken; dat Hij steeds het licht zijns aanschijns
over ons verheffen, ons voornemens, gevoelens, gedachten en krach-
ten schenken mocht, welke aan het heilige werk dat wij onder-
namen bevorderlijk zouden zijn; dat Hij ons bekrachtigde tot ver-
vulling der belofte door ons afgelegd; dat Hij ons vrucht mocht schen-
-ocr page 20-
12
ken in de bekeering van zondaren en eenmaal het genadeloon,
dat dengenen is toegezegd, welke er „velen rechtvaardigden." Het was
Zondag, zoodat de aard van den dag met onze afzondering over-
eenstemde; wij hadden reden, God te danken voor de zaligheid
die wij smaakten. De gewaarwordingen onzer harten lieten zich
niet uitdrukken door den klaagtoon van den psalmist: „Hoe zullen
wij een lied des Heeren zingen in een vreemd land ?" — maar veeleer
door het blijmoedig slot: „Van de einden der aarde zal ik U
aanroepen, want mijn hart is overstelpt."
Hij voeren nog 13 dagen langs de kusten van Malabar, Canara
en Concan. Het land is zeer bergachtig en toch zeer verschillende
van mijn geboorteland Schotland. De steden hebben een ellendig
aanzien, doch zijn zeer volkrijk. Wij kwamen den 14den Februari in
den avond te Bombay aan en den volgenden morgen kwam de
heer Laurin, een der predikanten van de Schotsche Kerk, met een
boot om ons aan land te halen.
II.
HET ARBEIDSVELD VAN DEN JEUGDIGEN
ZENDELING.
!^||jhans moeten wij een blik werpen op hot arbeidsveld, dat
Wilson zich zag aangewezen. Men heeft Bombay niet ten
onrechte met ïyrus en Alëxandrië vergeleken. Op de west-
kust van Voor-lndië gelegen, biedt het voor de handelsschepeneen
veilige haven aan, de rijkdommen van den wereldhandel worden
daar uitgevoerd. De vlucht die deze stad nam was buitengewoon.
-ocr page 21-
-
13
Toen de Portugeezen haar in 1668 aan de Engelsche O. C. afston-
den, was het een onbeduidende plaats met ongeveer 5000 inwoners;
toen Wilson er aankwam, telde zij 250,000 , toen hij stierf 650,000
zielen. Door verdragen en veroveringen kwam allengs de geheele
kust onder de heerschappij der Engelschen, die hun best deden,
de welvaart des lands te bevorderen, vooral do or het aanleggen
van katoenplantages en door industrie. Men moet met roem gewagen
van de verdiensten van verscheiden stadhouders; juist voor den
tijd van Wilsons aankomst waren het Mountstnart Elphinstone
1819—1827) en John Malkolm (1827—1831). Aan den laatste werd
Wilson voorgesteld.
En hoedanig was de zedelijke, en geestelijke toestand der groote
stad en van het uitgestrekte land dat onder haren invloed stond,
wat was er voor beschaving en vooral voor evangelisatie gedaan ?
Angstig vermeed de O. I. C. het, de heidensche vooroordeelen
der Hindoes te kwetsen, en daarom beperkte zij den zendingarbeid.
Wat zij deed, bepaalde zich hoofdzakelijk tot schoolopvoeding en
dat wel over \'t geheel in heidenschen zin.
In 1718 had men eene inrichting geopend, waarin blanke
kinderen en kleurlingen, verweesden en verwaarloosden werden
opgenomen. Tot 1807 bestond zij bloot van de openbare lief-
dadigheid. Eerst in dit jaar besloot de Compagnie haar met
regeeringsmiddelen te ondersteunen.
In het jaar 1813 regelde het Parlement den kerkelijken toestand
in Indië; er werd een bisschop, alsmede aarts-diakenen en
kapelaans, benoemd en 10,000 pond sterling jaarlijks beschikbaar
gesteld tot verbreiding der wetenschap. In 1815 werd er eene
vereeniging tot onderwijs van inboorlingen opgericht en deze
opende, door de Kegeering ondersteund, eenige scholen. Terstond
nadat Elphinstone het stadhouderschap had aanvaard, stelde zij
zich een ander doel voor oogen: de uitgave van schoolboeken
in de landstaal en in 1840 werd zij officieel als een soort
-ocr page 22-
Sm
<
n
c
2
5
B
m
o
-ocr page 23-
14
sohool-autoriteit erkend. Door majoor Jewis werd een dochter-
vereeniging in \'t leven geroepen, die zuidelijk Concan tot haar
arbeidsveld koos, en toen Poena Engelsch werd, opende de heer
Chaplin daar een College voor het Sanskriet, dat terstond met
een inkomen van 35000 ropijen in het jaar beschonken werd,
zijnde de rente van een kapitaal, door de heidensche regeering van
Dekan voor de opvoeding van Brahmanen uitgezet. Ondanks deze
rijke dotatie geraakte de inrichting niet tot bloei, want zij was
op oostersche leest geschoeid, terwijl elke Europeesche methode
was uitgesloten.
Men wilde de inboorlingen niet afschrikken en het onderwijs
was daarom geheel naar hunne vooroordeelen gefatsoeneerd ; alleen
brahmaansche wetenschap werd geleeraard, al het Europeesche
streng vermeden. Zoo heerschten in dese school de polytheïstische
Veda\'s en de pantheïstische Vedanta-philosophie met onbeperkt
gezag. Men liet uitsluitend Brahmanen toe en de schooltaal was
het Sanskriet; —• alles onder Christelijke (?) heerschappij! Beter
slaagde de voornaamste school der vereeniging in Bombay;
zij bestaat nog heden als regeeringshoogeschool.
Toen Elphinstone Bombay verliet, hadden de inlanders vooreen
kapitaal van 21000 pond ingeteekend, waarvan de renten volgens
hun uitdrukkelijken wensch zouden gebruikt worden tot bezoldi-
ging van Europeesche leermeesters, „totdat de gelukkige tijd
zou aanbreken, dat inlanders het leeraarsambt zouden kunnen
bekleeden." Hun wensch, betreffende de aanstelling van Europeanen
tot onderwijzers, bleef echter tot 1835 onvervuld. In dit jaar
namen in Bombay slechts 1026 van de 210,000 inwoners deel
aan het onderwijs en in de geheele provincie maar 5018 meer.
Het oude stelsel ging te niet en Wilson brak de baan voor een
nieuw. Zijn doel was de christelijke wetenschap, naar de nieuwere,
westersche methodes in de taal van Indië onderwezen, ingang te doen
vinden. De Parlementsakte van 1833 gaf aan zijn streven meer
-ocr page 24-
speelruimte dan hij tot hiertoe had gehad. „Tot 1835 geleek
Bombay een wit blad; daarop heeft Wilson spoedig letters vol
licht en leven geschreven, die nimmer zijn verbleekt."
De zending kon tot dezen tijd nauwelijks op eenige vrucht
wijzen. Amerikaansche zendelingen waren de eerste Protestanten,
die sinds 1813 het oude, lang afgebroken werk der Nestorianen
weder opvatten.
A.an hen had Wilson — en dit erkende hij met lof — een voortref-
felijke vertaling van het Nieuwe Testament in de taal der Mahratten
te danken. In dezen arbeid waren zij de opvolgers geweest van
de zendelingen in Sirampoer, wier uitgave in 1811 het licht zag;
voorts had dr. Drummond een spraakleer en een woordenboek van
de Goedsjerati- en Mahratta-taal uitgegeven (1808) en in 1810
volgden de spraakleer en het woordenboek van dr. Carrey. Ook
de Portugeesche katholieke zendelingen hadden verscheiden boeken
in de landstaal uitgegeven.
De Amerikaansche zendelingen waren in 1812 door de Kegeering
uit Calcoetta verdreven. Twee hunner, Hall en Nott, staken toen
over naar Bombay. De vreesachtige Stadhouder ried hun dit af,
met het oog op de inlanders.
Intusschen overreedde men hen, de Parlementsakte af te wachten,
waarbij de Oostindische aangelegenheden in 1813 geregeld werden.
Het Londensch Zendelingsgenootschap herhaalde in 1815 te Soerate
en later te Belgaoem de proefneming tot vestiging van een station,
wat in 1807 mislukt was. Het Kerkelijk Zendelingsgenootschap begon
in 1802 op de westkust van Indië het werk, dat voor Afrika
zoo goede vrucht heeft opgeleverd, en in 1822 noopte de
uitbreiding van het Britsche gebied ook het Schotsche Zendelings-
geuootschap, dat sinds 1796 in Afrika arbeidde, haren eersten
zendeling, Donald Micheld, naar Bombay te zenden; verscheiden
anderen volgden hem, eindelijk ook Robert Nesbit, Wilsons vriend
uit Edinburg. Uit vrees, de Brahmanen te ergeren, verbood de
-ocr page 25-
overheid de eerste Schotsche zendelingen, zich te Poena neer te
zetten, dat eerst kortelings Engelsch geworden was. Zelfs werd
een inlander, die in de Ghats Amerikaansche traktaten verspreidde,
in hechtenis genomen en verwijderd. Dus waren de Schotten beperkt
tot Bombay en den omtrek. De vruchten van hun arbeid waren
schaarsch en de overgang van een Hindoe tot het Christendom
was zeldzaam en niet te vertrouwen, zoodat van wel slagen geen
sprake kon zijn. De eerste bekeerling (1823) liep eenige wekeu
na zijn doop van den nachtmaalsdisch, als de heer Hall het brood
brak, weg, onder den uitroep: „Neen, ik wil mijne kaste (stand)
toch niet verliezen!"
Wat de maatschappelijke verhoudingen te Bombay betreft, zij
waren dezelfde als in andere koloniën. De blanke bevolking
bestond voor de eene helft uit beambten en kooplui, voor de
andere uit avonturiers, die in het moederland tevergeefs het geluk
«hadden nagejaagd en het ook hier in deze verre streken niet
vonden. Een dagbladschrijver, die in 1873 te Bombay zijne herinne-
ringen uitgaf, teekent den toenmaligen toestand niet zeer schoon:
„De Maatschappij op dit onaanzienlijke, kleine eiland — zegt
hij — had een zeer hoogen dunk van zichzelf, doch was inder-
daad zeer onbeduidend. Zij bestond hoofdzakelijk uit potsierlijke
voorname lui, welke gasterijen gaven , en uit arme lieden, die er
aan deelnamen....
Doch het voor de maag opgedischte was bijna evenzoo smakeloos
als het onderhoud. Niets kan laffer zijn dan het gezwets der gasten,
tenzij een schandaleuze geschiedenis, de eere eener vrouw of de
eerlijkheid van een beambte rakende, het gesprek een beetje peperde.
Er was bijna geen gelegenheid om te dansen, waar de thermometer
bestendig 80—100° Kahrenheit aanwees en groot gebrek aan dames
heerschte. Een onschuldige discussie met een rechtsgeleerde of een
officier van den koninklijken staf, die over Engelsche aangelegen-
heden kon spreken, of een billartpartijtje in het oude hotel of
-ocr page 26-
jn het casino tier officieren waren behalve de boeken de eenige
genoegens voor de lieden in het presidentschap, die eenige be-
schaving bezaten en zich verledigden om te denken."
Men kan zich voorstellen, dat zulke toestanden onder de Euro-
peanen in eene heidensche stad niet bevorderlijk zijn konden aan
de Zending, en dat voor alle dingen juist hierin verbetering moest
komen. Wat Wilson in den loop van 40 jaar in dit opzicht heeft
gedaan, behoort tot de rijkste vrucht zijns levens.
III.
BEGIN VAN DEN ARBEID.
S^ilson was nu op de plaats zijner bestemming, midden onder
fs» de Heidenen, gloeiende van ijver om hun het Evangelie te
verkondigen. Reeds den eersten Zondag na zijne aankomst had
hij in de zendingkerk in het Engelsch gepredikt; doch om de heide-
nen te kunnen bereiken, moest hij eerst hunne taal leeren kenuen
en dat deed hij nu met zulk een toewijding, dat zijne vrienden
bezorgd werden voor zijne gezondheid. Eerst had hij zichteBan-
kote en daarop te Harni teruggetrokken om de taal der Mahratten
te leeren en reeds den 18 Augustus begon hij met de Hindoes
gesprekken aan te knoopen en den 2 7 September predikte hij voor
het eerst in de volkstaal; een korte zomer was voor hem vol-
doende geweest om er vaardigheid in te verkrijgen. Sedert dit
oogenblik was hij onverpoosd werkzaam; volgens zijne aanteeke-
ningen ging er geen dag voorbij, dat hij niet nu eens in het
2
-ocr page 27-
IS
18
Engelsch, clan weder in het Mahrattisch predikte, in de huizen
zoowel als op de straten,. of hij bezocht de scholen of was op reis
in \'t belang der Zending. Zoo doortrok hij Concan, de streek ten
zuiden van Borabay. Tegen het einde van November keerde hij naar
de hoofdstad terug, waar voortaan zijn ijver in den dienst zijns Hee-
ren een uitgebreid arbeidsveld en veelvuldige werkzaamheden vond.
Dagelijks predikte hij het Evangelie voor de heidenen, \'s Zondags
buitendien voor de matrozen in de haven en voor de Europeanen
in de Schotsche kerk.
Tot Kerstmis woonde hij bij den kapelaan Laurin, daarna in
zijn eigen huis in het fort. Den 28 Januari schrijft hij in zijn
dagboek: „Des Zondags predik ik voor eene vergadering van
40—50 inlanders. Het zijn bijna voor de helft dienstboden, door
hunne heeren gezonden om onderwezen te worden. De overigen
komen voor \'t meerendeel uit nieuwsgierigheid of om tijdelijk belang.
Christus zelf predikte en leerde dezulken , die hem slechts volgden ,
omdat zij van de brooden hadden gegeten. Bij gelegenheid treed
ik op in de Schotsche kerk en om de drie weken predik ik aan
boord van een der schepen in de haven. Ik houd geregeld gods-
dienstoefening in de Mahrattische taal en geaf in mijn eigen huis
\'s morgens om 9 uur eene korte verklaring van een schriftuur-
plaats. Mijn gehoor wisselt, doch menigmaal wordt ik bemoedigd,
\'s Namiddags om 4 uur ga ik de straat op om de blijde boodschap
des heils bekend te maken .... Dinsdags en \'s Vrijdags predik
ik bij inlanders in huis.
Ofschoon met vele moeilijkheden gepaard gaande, verschaft
mijn arbeid bij deze gelegenheden mij groote voldoening. Wanneer
de vuile Schastra \'s en de godsdienstige legenden aan het volk
....
worden voorgelezen, ben ik te gelijker tijd op mijn post. Wegens
de gebrekkige luchtverversching in de huizen is de zaak niet zonder
gevaar, \'s Zaterdagavonds vergader ik met de Joden. Ik ben met
Bombay als zendingstation zeer tevreden, en wanneer ik denk
-ocr page 28-
, --. > . -
19 -
dat de deur mij hier zoo wijd geopend is, dan beef ik soms
vanwege mijne zwakheid. De wezenlijke moeilijkheden van een
zendeling zijn het Christenvolk weinig bekend. Er is veel geloof,
moed, erbarming, wijsheid, volharding en gebedskracht noodig
om ze te boven te komen. Kan er leven komen in deze dorre
doodsbeenderen? is de vraag, die zich telkens aan mij opdringt,
wanneer ik de boodschap des heils breng. De houding mijner
toehoorders getuigt van trots, domheid, bijgeloof, onverschilligheid.
Mijne prediking verwekt toorn en dwaasheid.
Mijn heengaan geeft de lieden gelegenheid hunne booze lusten
den teugel te vieren. Kom ik terug, zoo vind ik nauwelijks meer
dan afkeer. Wel is waar gaat het niet altijd zoo en menigmaal
zijn de arme Hindoes oplettend en nadenkend; doch over\'t alge-
meen mag men wel vragen: „Wie is tot deze dingen bekwaam ?"
Zijne prediking verschilde voor \'t overige van die der meeste
zendelingen van zijn tijd. Terwijl dezen de nietigheid van den
afgodendienst trachtten in \'t licht te stellen, verwachtte hij meer
vrucht van de eenvoudige belijdenis van het Evangelie.
In het begin van het jaar 1831 besloot hij tot het doen van
een beteekenisvollen stap; hij stichtte namelijk den 4 Februari
met acht gedoopte heidenen eene gemeente naar presbyteriaansche
wijze ingericht en vierde met haar den 6en daaraanvolgende het H.
Avondmaal. Dit was een eenigszins eigenmachtige handeling.
Tot dien tijd waren alle bekeerden (hun getal was 42) in het
gemeenschappelijke register der kapelaans te Bombay ingeschreven,
zij maakten eene gemeente uit, die, over het geheele zending-
gebied verspreid was. Hieruit knipte Wilson zich nu eene gemeente,
wier herder en leeraar hij alleen was. Zijne collega\'s in Indië had-
den daar niets tegen, wel echter het Zendelingsgenootschap in het
vaderland. Het beschouwde zijne zendboden als zijne beambten en
zich zelven als de gemachtigde van al degenen die iets voor de
zending gaven. De geest van onafhankelijkheid, die zich in Wil-
-ocr page 29-
20
sons gedrag openbaarde, maakte een onaangenamen indruk, en eerst
mettertijd leerde men zich daarnaar voegen. Daarenboven was het
niet het eenige lichaam, dat de zending in Indië behartigde, de
Kerk van Schotland had eveneens hare boden derwaarts gezonden
(l)uff, E wart en Mackay in Calcoetta) en kort na de stichting der
gemeente van Wilson, werd ook de zending te Bombay door de
Schotsche Algemeene Synode officieel erkend.
Van den beginne had Wilson zijn aandacht op de scholen geves»
tigd, en hij vond in zijne vrouw, die hij, helaas! slechts zes
jaren mocht behouden , een zeer verstandige hulpe. Ofschoon reeds
lijdende, had zij drie meisjesscholen gesticht, waarvan zij de onder-
wijzeressen minstens eenmaal per week bij zich ontving, om hun
de noodige wenken te geven, terwijl zij persoonlijk opzicht hield ,
zooveel hare gezondheid maar toeliet. Hij zelf had twee jongens-
scholen geopend, die hij naar Schotsch model inrichtte. In het eerst
had hij, ten gevolge der al te sterke concurrentie van de instel-
lingen der Vereeniging voor Onderwijs van Inboorlingen in Indië,
maar weinige leerlingen. Hij liet zich intusschen niet afschrikken
noch ontmoedigen, maar ging hopende op een betere toekomst
zeer bescheiden op den ingeslagen weg voort. Eeeds in Maart
1832 breidde hij den kring zijner scholen uit, daar er onder
zyn invloed een Engelsche school in \'t leven werd geroepen, die
reeds in het eerste jaar 415 Hindoes en 3 Parsis trok.
Hier moest voor alles gezorgd worden, voor onderwijzers zoowel
als voor schoolboeken. Van hare geboorte af trad het Christelijk
karakter der instelling op den voorgrond; zoo werd b.v. een prijs
van 60 gld. uitgeloofd voor het beste werk „over het geestelijk
bestaan van God." De methode, die Wilson te Bombay toepaste,
verschilde geheel en al van die, welke Duff in Calcoetta volgde.
Deze legde het gewicht op de Engelsche taal, gene op die des
lands; dit verhinderde echter niet dat beiden [elkander meer %
en meer naderden en oprechte vrienden werden. (Toch bleef
-ocr page 30-
• y.
21
er altijd een zekere naijver tussehen beide mannen bestaan).
Al deze werkzaamheden putten intusschen de ondememingskracht
van den ijverigen man niet uit; ondanks de dagelijksche openbare
voordrachten, de zorgen voor de scholen, de correspondentie met
de zendingvrienden in het vaderland , een aangroeiend gezin (hem
waren 4 kinderen geschonken) en de wankele gezondheid zijner
vrouw, vond hij nog tijd voor litteraiïschen arbeid. Hij richtte
de „Oriental Chrisüan Spectator" op, het oudste Christelijk tijd-
schrift in Indië, waarvoor hij, sinds het verscheen, steeds be-
langrijke bijdragen leverde. Hierover schrijft hij dd. 13 Nov. 1830 :
De Spectator wordt heinde en ver in Indië gelezen en ik heb
grond te hopen, dat er veel goeds door gesticht zal worden,
daar zij degelijke kennis omtrent de gewichtigste onderwerpen
verspreidt. Ik hoop, dat het op deze wijze zal gelukken, het
monsterachtige stelsel van boosheid, dat Hindoe-godsdienst heet,
te ontsluieren en de dienaren des Heilands zoodoende gesteund
zullen worden in de verkondiging des Evangelies. In het Novem-
ber-nommer zult ge een kort artikel van mijne hand vinden over
de vertaling van theologische uitdrukkingen in \'t Sanskriet en
\'t Mahrattisch.
Ik stel mij voor de behandeling van dit onderwerp voort te
zetten en zoodanige aanteekeningen op de Indische bijbelverta- *
lingen te maken, die tot verbetering kunnen strekken. Het vol-
gende artikel is van den heer Law, een burgerlijk beambte, die
een buitengewone taalkennis bezit. Hij is door ons op onze reis
naar Indië tot ernstiger gedachten gebracht. Hij heeft onlangs een
maand bij ons doorgebracht en zijn geloof heeft ons zeer gesticht.
„Door de genade des hemelschen Vaders breidt zich onze invloed
op de Europeanen, vooral op degenen die tot de hoogere stan-
den behooren, steeds uit."
-
-ocr page 31-
\'
22
IV.
ONDER BRAHMANEN, MUZELMANNEN EN
JODEN.
P*j&ij zÜne veelvuldige taalstudiën was het Wilson niet te
vp^f doen om den roem van een taalgeleerde, hoewel hij dien
Jf ook in niet geringe mate verworven heeft, maar om de gron-
dige navorsching van de godsdienstbronnen der Hindoes. Van het
begin reeds brak hij met den ouden sleur, en ging hij volgens
een nieuw, rijpelijk overwogen plan het heidendom in zijn eigen
sterkten aangrijpen. Hij schrijft daarover in een brief in 1831:
„De zaken gaan, dacht ik, al te rustig voort; ik zie maar weinig
van hetgeen in de Handelingen der Apostelen wordt vermeld, dat
het wereldrond bewogen werd enz. Men bad, men leerde in de school,
men predikte, doch men beproefde niet op de geheelebevolking
van eene stad of provincie in te werken. Maar kalm en rustig,
dat was de leus. Ik dacht aan de tijden, dat Paulus op den
Areopagus stond. Ik dacht aan de dagen van een Luther; Knox,
Calvijn en begon in te zien, dat zij het doel juist hadden getroffen.
Zij predikten onverschrokken, in \'t openbaar en in de huizen,
onversaagd in gevaar, onder allerlei moeilijkheden, voor hoog en
laag, rijk en arm, jong en oud, en — ik besloot te doen als zij.
Ik daagde dienvolgens Hindoes, Parsis en Brahmanen tot den
strijd uit. De eersten vochten voornamelijk met de tong, de laatsten
\'met de pen. De ontsteltenis was groot, en, ik vernam dat nu
honderden in plaats van ettelijke tientallen het Evangelie hoorden.
Tegenwoordig voer ik een tijdschriften-oorlog met Parsis en Mahom-
medanen."
-ocr page 32-
23
Reeds in 1830 had Wilson een openbaar twistgesprek met de
Hindoes aangekondigd. Barna Tsjandra, een bekeerde Brahmaan,
was van Bankote naar Bombay gekomen, om aan de lieden van
zijn kaste de verklaring te geven, waarom hij den doop had
begeerd. De geleerde Laksjman trad tegen hem op. Rama Tsjandra
wenschte een openbaar onderhoud en de Pandit nam den voorslag
aan. Ken Amerikaansch zendeling en Wilson woonden het gesprek
bij , dat plaats vond onder het voorzitterschap van den heer VVebb,
een hoog staatsbeambte. Er verschenen vele toehoorders, waar-
onder meer dan honderd Brahmanen waren. Wilson opende de
debatten, die in de Mahratta-taal gevoerd werden, terwijl
hij het nut van een gedachtenwisseling met betrekking tot geloofs-
zaken in \'t licht stelde. Hij vermaande de strijders, alles in liefde
te doen , en de toehoorders, afstand te doen van hunne voor-
oordeelen, en kwam op tegen de bewering, dat God verscheiden
godsdiensten had geopenbaard, door de tegenwerping te maken,
dat, wanneer God de Vader aller menschenis, Hij geen, elkander
tegensprekende geboden voor zijne kinderen heeft kunnen geven.
Den eersten dag spraken alleen Laksjman en Rama Tsjandra. De
drie volgende dagen bepleitte Wilson zelf de zaak van het Evim-
gelie, terwijl een Hindoe, Nirbhaja Rama en ook Kisoendas, advo-
caat bij \'t opperste gerechtshof, den Indischen godsdienst verde-
digden.
De Brahmanen werden in \'t nauw gebracht. Men weet, hoe
spitsvondig de Hindoes zijn zoowel in het verdedigen van hun
eigen leerstellingen, als in \'t bestrijden van die hunner tegen-
partij. Het was een zegepraal voor de Zending, dat zij beschaamd
werden; een gedrukt verslag van het dispuut werd twee maal
uitgegeven en snel verspreid. Daarin werd gehandeld over drie
vraagstukken: het wezen Gods, de verhouding van de zedelijk-
heid tot den godsdienst, en de oorsprong zoowel als de verzoe-
ning der zonde. De Brahmanen wilden echter de schande van de
-ocr page 33-
•
24
neerlaag niet lang dragen en in de lente van 1831 nam een zekere
Mora Bhatta Dandekara de handschoen, door Wilson den Hindoes
toegeworpen, weer op. Zijne aanhangers brachten hem op een
wagen ter bestemder plaatse; hij zelf was met bloemkransen
getooid. De gesprekken duurden zes avonden, en ook ditmaal
bracht Wilson zijn tegenpartij tot zwijgen. Volgens overeenkomst
moesten de Hindoes het bericht hiervan openbaar maken; doch
Bhatta wendde voor, dat hij geen aanteekeningen had gemaakt
en liet eene verhandeling drukken onder den titel: Onderzoek
van den Hindoe-godsdienst
, waarin hij tot weerlegging uitnoodigde-
Wilson beantwoordde dit met zijn uitstekende „Weerlegging van
den Hindoe-godsdienst,
waarvan in 1834 een omgewerkte uitgave
verscheen. Beide drukken vonden tal van lezers. Zelfs ontving
Wilson velo brieven van inlanders, die verzekerden, dat hun
geloof aan den godsdienst hunner vaderen aan het wankelen was
gebracht, en door overzetting in andere Indische talen werd het
werk ver boven verwachting verspreid.
Terzelfder tijd vond Wilson zich genoopt, op dezelfde wijze
den godsdienst der 1\'arsis aan te tasten; ja ook met de Maho-
medanen werd hij in een strijd gewikkeld, dien hij met even
veel ridderlijkheid en frischheid van geest ten einde bracht. De
hadsji Mohammed Hasjim van Ispahan had hem uitgedaagd,
de zedeloosheid en het bedrog, waarvan de Christenen den profeet
beschuldigen, te bewijzen. Het gold vooral de veelwijverij en
de echtscheiding, en de strijd werd van de zijde van den Muzelman
met weinig tact gevoerd. Nadat er in dagbladen verscheiden
brieven gewisseld waren, gaf Wilson een geschrift in het licht:
Antwoord op Hadsji MoJiammed Hasjims Verdediging van den
Islam
, dat, wat grondigheid en scherpzinnigheid van gedachten
betreft, eene waardige plaats inneemt naast zijn geschrift over
den Hindoe-godsdienst. In October 1838 kon Wilson den eersten
Mahomedaan doopen. Het was een fakir (bedelmonnik), wiens
_
f
-ocr page 34-
-
-
V*
25
bekeering een buitengewone opschudding teweegbracht. Op dezen
volgde een geleerde Molla (wetverklaarder), die gedurende den
strijd de trotschtste tegenstander van het Evangelie was geweest
en nu ootmoedig om opneming in de Christelijke gemeente ver-
zocht.
Van het begin bad Wilson veel belang gesteld in de inland-
sche Joden te Concan. Volgens hunne mededeelingen waren , 1600
jaar geleden, zeven mannen en zeven vrouwen, na schipbreuk te
hebben geleden, op de Indische kust geland en hunne nakomelingen ,
die voor een Mahomedaansche secte werden gehouden, hadden
er een verblijfplaats en bescherming gevonden. Zij noemen zich
„Kinderen Israels," willen geen Joden heeten en nemen de vader-
lijke inzettingen streng in acht. Op het platteland zijn het vlijtige
landbouwers; te Bombay vindt men ze als handwerkslieden,
kramers of schrijvers. Zij onderscheiden zich zoowel van de zwarte
Joden uit Cochin, die uit Arabië afkomstig zijn, als van de
blanke uit dezelfde streek, die waarschijnlijk eerst na de Joden-
vervolgingen in Spanje daarheen de wijk hebben genomen. Wilson
wenschte ook deze leden van het oude Bondsvolk met het Evan"
gelie bekend te maken. Onder de 1300 kinderen, die in 1836
zijne scholen bezochten, waren 200 „B\'ne Israël," knapen en
meisjes. Voor dezen in de eerste plaats gaf hij een Hebreeuwsch-
Mahrattische spraakkunst in \'t licht.
Destijds was er te Bombay eene zeldzame persoonlijkheid aan-
gekomen nl. Joseph Wolif, de bekende proseliet en reizende
prediker.
Uit Midden-Azië komende, betrad hij op zekeren dag het Indisch
grondgebied, doch meer als een derwisch dan als een Christelijk
prediker. Te Simla, waar hij lord W. Bentinck ontmoette, had
hij de Europeesche manieren weer aangenomen en was over
Madras en Goa naar Bombay getrokken.
Wilson liet hem alle inrichtingen van de Zending zien; hij
-ocr page 35-
26
zelf hield openbare voordrachten en liet zich ook tot de „B\'ne
Israël" leiden. Eens bezocht hij met Wilson een beroemd heilige.
Deze lag in den zonneschijn op de straat, de nagels van zijne
vingers waren in zijn vleesch gegroeid en hij droeg een vogel-
nest op zijn hoofd. Wolff vroeg hem: „Hoe kan men tot kennis
geraken ?"—
„Vraag mij niet", antwoordde de heilige, „zie mij aan ; ik ben
God." — „Gij zult ter helle varen met uw taal," sprak WoliF
ontroerd: Deze was voor het overige zelf in de oogen zijner
geloofsgenooten, een niet minder vreemd verschijnsel dan de arme
Hindoe-heilige het voor hem was.
Lady Bentinck had veel moeite, haren gemaal te overtuigen,
dat Wolff geen waanzinnige, maar een geestdrijver was; en Wolff
had er vrede mee. „Ik verblijd mij," schrijft hij aan zijne bescherra-
ster, „dat ik een geestdrijver, of, zooals de Perzische Soefi\'s
zeggen , dronken van de liefde Gods ben."
In hetzelfde jaar kwamen twee andere zwervende zendelingen
door Bombay; Anthony Groves van Exeter en Francis William
Newman. De eerste had zijn gansche vermogen prijsgegeven om
het woord: „Vergadert u geen schatten op de aarde," en was over
Petersburg in 1831 naar Bagdad gereisd, waar hij eene zending
had begonnen, die echter ten gevolge van eene reeks van land-
plagen weer te niet ging. In 1833 bezocht hij Indië, om met
Duif en Wilson een onderhoud te hebben, met wie hij het echter
niet eens kon worden. Hij was namelijk van meening, dat geen
zendeling langer dan vijf jaar op dezelfde plaats mocht vertoeven ,
opdat het Evangelie voor het einde nog aan de gansche wereld mocht
worden gepredikt. Er. W. Newman was de jongere broeder van den
bekenden Tractariaan J. W. Newman , die later Katholiek is gewor-
den. Hij was bij den heer Groves te Bagdad gekomen in de hoop,
de Mahomedanen tot het Arianisme te bekeeren en dat minder door
prediking dan wel door het voorbeeld van Christelijk leven, zooals
-ocr page 36-
\'%\\
EEN INDISCHE BOETELING. (Blz. 26.)
-ocr page 37-
27
•
dat door een Christen-kolonie, waarvan hij droomde, zou worden
geopenbaard. Na verloop van twee jaren keerde hij naar Engeland
terug, waar hij de aanhangers van het ïractarianismus in twist
en tweespalt vond en van meening werd, dat van een verdeeld
Christendom geen zendingarbeid kon uitgaan.
Voor Wilson strekten deze bezoeken tot verheldering zijner
inzichten met betrekking tot de Zending, evenals de verhandelin-
gen der Vereeniging van Zendelingen te Bombay, waarin hij zelf b.v.
over de wetten der Hindoes ten opzichte van eigendoms- en
erfrecht, over echt en echtscheiding bij de bekeerden , over besti ij-
ding van het kasten-wezen enz. referaten voordroeg. Daarbij leerden
de zendelingen elkander persoonlijk kennen en de geest van waar-
achtige catholiciteit, zooals Wilson dien reeds uit Schotland had
meegebracht, werd onder hen aangekweekt en gevoed.
REISAVONTUREN.
HET STERVEN VAN MEVROUW WILSON.
e zendelingen hebben het met menschen te doen," zoo
luidt een uitspraak van dr. Chalmers, die Wilson dik-
wijls herhaalde. De kennis van de menschen, in wier midden
hij wegens roeping en naar keuze verkeerde, scheen hem te recht
een noodzakelijk vereischte voor een gezegende werkzaamheid. Hij
wdde geen kamergeleerde zijn, noch een hoofdzakelijk bespie-
gelend leven leiden; een zendeling in den vollen zin des woords
wenschte hjj te wezen, wel vertrouwd met den bodem dien hij
-ocr page 38-
28
te bearbeiden had. „Zoo trad hij frisch het leven door," en maakte
jaarlijks eene reis naar Oosten, Zuiden of Noorden in het hart
van Indië, naar Goa en de hoven der ïtadsjpoeten, tot hij
boeren en vorsten, zich zelf kwellende asceten, priesterlijke Brah-
manen en trotsche Maulwi\'s beter kende, dan eenig regeerings-
beambte ver in \'t rond.
Zulke reizen waren destijds (1830—\'40) niet zoo gemakke-
lijk als thans, nu er spoor- en straatwegen bestaan, en men op
zoovele plaatsen openbare logementen vindt. Destijds was een
behoorlijk ingericht posthuis of een geschikte pleisterplaats nog
een zeldzaamheid. Op deze reizen was Wilson in velerlei opzicht
werkzaam. Hij nam de natuur en de menschen waar, hij predikte ,
sprak en ondervraagde dag aan dag; hij onderhield briefwisseling
met Bombay, om allerlei vragen van zendelingen, beambten en
geleerden te beantwoorden. Altijd had hij eenige boeken of manus-
uripten bij zich over de plantenkunde, aardkunde en de politieke
toestanden van de landen die hij bereisde, en verrijkte gestadig
zijne talrijke natuurhistorische en oudheidkundige verzamelingen.
Hij reisde zelden alleen, en zijn veelvoudige kennis en zijn onuit-
puttelijken humor maakten hem tot een allerprettigsteu reisgezel.
Hij zelf smaakte daarbij een veelsoortig genot en vond op deze
wijze lichamelijke en geestelijke ontspanning en verkwikking.
De eerste reis ondernam hij in \'t midden van Januari 1831 in
gezelschap van den anglikaanschen zendeling Farrar; zij bezochten
Nazik, een heilige stad der Brahmanen, gelegen aan denboven-
loop van de Godavery.
Hij werd hier destijds met steenen begroet, en toen hij 40
jaar later voor korten tijd van Indië afscheid nam, richtten de
voornaamste burgers dezer stad een zeer vleiend adres van dank-
betuiging aan hem.
De tweede reis had de rotstempels van Elora ten\'doel. Hierbij
kwam hij herhaaldelijk in aanraking met Dsjaina \'s. Toen eens een
-ocr page 39-
29
Brahmaan getuige Was, hoe Wilson met deze lieden sprak, liep
hg, in drift ontstoken, weg en zeide: „Het zou goed zijn,
wanneer gij tegenover geleerden uwe meeningen uitkraamdet; onwe-
tenden zult gij zonder twijfel overtuigen." Wilson sprak zijne hoop
uit, dat de vertoornde man waarheid profeteerde. Te Toka kwamen
zij in het huis van een rijken Brahmaan, waar zij eene aanzien-
lijke vergadering aantroffen. Zij mochten hiervoor in \'t kort de
hoofdfeiten en waarheden des Evangelies voordragen alsmede de
bedenkingen der Christenen tegen het Hindoeïsme. Al wat tegen
hunne redenen ingebracht werd , was de opmerking, dat de Euro-
peanen zelf den afgodendienst onderstevinden: August Brookes
was te Benares openlijk tot het Hindoeïsme overgegaan; de Oostin-
dische Compagnie verleende rijke bijdragen tot het bouwen van
tempels; de groote Sahib, de Gouverneur Elphinstone, had geld
uitgedeeld onder de Brahmanen en aan de afgoden een geschenk
gegeven van 120 gld.; de collecteurs hadden de gewoonte, Brah-
maansche regenmakers aan te stellen enz.
Wilson kon niets anders doen, dan de hoop uitspreken, dat
de tijd weldra mocht aanbreken, dat gezonder ideeën bij de Euro-
peanen de bovenhand mochten verkrijgen.
In den rotstempel te Elora hadden hij en zijn reisgezel Mitchell
dertig inlanders tot toehoorders. „De stichters van dit wónder-
volle gebouw hebben gewis een gebeurtenis van dezen aard niet
voorzien. Wij zijn waarschijnlijk de eersten geweest, die hier den
wil Gods bekend maakten. Eenige onzer toehoorders wezen ons
naar de prachtige gewelven en de wonderbare beelden rondom
ons, als waren dit de werken van Gods eigen hand; wij echter
toonden hun de sporen van de metselwerktuigen, de tallooze
teekenen van verval en bepaalden hen bij de dwaasheid en het
godonteerende der beelden. Wij vestigden hunne aandacht op
„Dien, die daar zit boven den kloot der aarde, bij wien hare
bewoners zijn als sprinkhanen, die den hemel uitbreidt als een
-ocr page 40-
;
30
kleed en welfde als eene tent;" wij vermaanden hen „hunne oogen
naar boven te slaan en te zien, wie al deze dingen geschapen
heeft en ze alle bij name roept, dat er geen enkele van gemist
wordt." Zij konden niets tegen ons inbrengen ; doch waarschijnlijk
hadden zij ons nauwelijks verlaten, of zij logenstraften metter-
daad, al wat zij ons hadden toegestemd."
„Te Dsjalna predikten wij voor een menigte tierende toehoorders ,
en deelden vele boeken uit, die gretig werden aangenomen. Een
daarvan, Aanmerkingen over liet Maliomedanisme, werd door eenige
Engelsche officieren aan den kommandeerenden overste getoond,
en deze werd zoo angstig, dat hij bevel gaf geen exemplaren
meer te laten uitreiken; ja, hij liet verscheiden dezer boekjes
ophalen en verbranden, waarna hij de verspreiding ten strengste
verbood."
Had Wilson tot hiertoe ridderlijk gestreden met heidenen en
Mahomedanen, te Goa kreeg hij het met Eoomsche priesters te
doen. Menig twistpunt werd in het Latijn tusschen hen verhan-
deld en hij schonk hun bijbels en andere boeken. Zij waren voor
\'t overige zeer vriendelijk jegens hem en veroorloofden hem de
talrijke kerken, kloosters en bibliotheken der Portugeesche neder-
zetting te bezichtigen. Na een kort oponthoud voerde zijn weg
hem weder tot de heidenen. Laten wij hier nog kortelijk verslag
geven van een bezoek, dat hij bij een inlandsch vorst aflegde.
„25 Febr. 1834. \'s Namiddags om twee uur kwamen er
twee Sirdars met 40 soldaten om ons in het paleis te brengen.
De straten, waar wij doortrokken, waren zoo met menschen
opgepropt, dat het scheen alsof de koning van Engeland er door-
trok. Wij waren verlegen met al de eerbewijzingen, die men ons
aandeed. Toen wij in het paleis kwamen, werden wij door een
der opperste Sirdars ontvangen. Men leidde ons daarop naar een
ruim vertrek, dat wij, volgens heerschend gebruik, blootsvoets
binnentraden. Eenige honderden mannen, benevens alle Sirdars,
-ocr page 41-
31
vormden op den grond zittende een geheele omheining. "Wij werden
uitgenoodigd om bij den koninklijken haard neer te hurken. Toen
de Kadja binnenkwam, groette hij ons beleefd en verzocht ons
te gaan zitten. Na eenige gemeenplaatsen vestigden wij zijne
aandacht op de Heilige Schrift en gaven hem een overzicht van
den inhoud. Ik bood hem daarbij een fraai gebonden Nieuw
Testament aan, alsmede mijne „ Weerlegging van liet Hindoeïsme,"
eenige evangeliën van Mattheüs, in zijde gebonden, alsmede eenige
exemplaren van de Weerlegging en andere boeken voor zijne Sirdars ;
dit geschenk beviel hem wel. Ik verhaalde hem de bekeering van
Engeland en zeide, dat Engeland zijn macht en grootheid aan
het boek te danken had , waarvan hij een exemplaar had ontvangen.
De heer Mitchell beval hem het onderwijs van zijn volk aan.....\'
Reeds bij het begin van de reis was Wilson aan een aanval
van roovers gelukkig ontsnapt, en het einde daarvan werd door
een Goddelijke bewaring gekenmerkt. „Wij verlieten — zoo.verhaalt
hij — Nagotana even voor zonsondergang. Onderweg ondervond
ik een wonderbare bewaring, waarvoor ik den Vader aller genade
innigen dank verschuldigd ben. Ik bemerkte, dat de heer Mitchell
onder het rijden door een bosch plotseling zijn paard deed stil-
staan; ik meende hem te hulp te komen en wilde mijn paard
omwenden, toen ik ongeveer zes ellen voor mij een reusachtigen
tijger zag. In plaats van door te gaan, kwam het monster sprin-
pend op mijn paard af. Ik schreeuwde zoo luid ik kon om het
verschrikt te maken — en tot mijn blijdschap zag ik het eenigs-
zins terugdeinzen, ik galoppeerde nu zoo snel mogelijk naar den
heer Mitchell en de vier of vijf inlanders, die bij hem waren, en
bereikte hen gelukkig.
Wij doorreden nu de plaats waar ik de onverwachte ontmoe-
ting had gehad, doch vonden van den vijand geen spoor meer."
Een milddadig vriend schonk kort daama aan Wilson een land-
huis in het Mahablesjwar-gebergte. Bij het klimmen zijner jaren
i
-ocr page 42-
vonden Wilson en zijne zendeling-broeders daar gedurende de
schoolvacantiën in het heetste van Mei en Juni een aangenaam
toevluchtsoord. Dit zijn woonhuis werd dan het middelpunt van
ijverige werkzaamheid , hier werden verachterde correspondentiën
weder bijgebracht, voor den kleinen uitgelezen kring van Europea-
nen, die zich om hem verzamelden, voordrachten gehouden, en
nog allerlei dingen gedaan , die juist niet voor ontspannende bezig-
heden konden gelden.
Door de bovenvermelde reizen was Wilson met de oostelijke
en zuidelijke streken van het presidentschap Bombay bekend
geworden; nu moesten de noordelijk gelegen contreien doorvorscht
worden. Daar waren het de drie, nog niet door de Engelschen
geannexeerde staten Baroda , Katiawar en Katsj, met hunne rijke
katoenplantages , met hunne bevolking van Parsis en Dsjnins en
met hunne merkwaardige afgodstempels, die hem aantrokken. In
de laatste weken van 1834 begaf hij zich op weg in gezelschap
van zijne vrouw — die echter te Soerate terugkeerde — en zijn
vriend, dr. Smyttan , een beambte, ditmaal niet te paard , maar ,
ter wille van zijne vrouw , per bescheiden eenspan, zooals destijds
onder de inlanders algemeen gebruikelijk was. Te Daman kocht
hij op een publieke veiling een manuscript in vijf deelen, dat al
de heilige schriften der Parsis in de oorspronkelijke taal, bene-
vens do vertaling er van met commentaar in de Goedsjerati-taal
bevatte. Te Soerate moest hij tot zijn smart opnieuw ervaren, dat
de Oostind. Comp. de afgodendienst in de hand werkte. De hoofd-
tempel der vuuraanbidders was met hare medewerking gebouwd:
de nieuwe-maanfeesten der Mahomedanen werden met kanonschoten
aangekondigd en jaarlijks werd er 2400 gulden uitgekeerd ten
behoeve van hunnen eeredienst. De overste en de Britsche rechter
te Soerate wierpen aan het einde van den regentijd het offer van
kokosnoten volgens landsgebruik zelf in zee enz. enz. Te Baroda
werd Wilson bij den Vorst *en gehoore ontvangen. De minister
-ocr page 43-
83
werd geroepen en tusschen hem en den zendeling ontspon zich
een godsdienstig gesprek, waaraan wij hier het een en ander
ontleenen. De minister verklaarde, dat Jezus, gelijk Kama en
Krisjna, wel een incarnatie Gods zou zijn, die van God de gave
had ontvangen om zalig te maken , die aan hem geloofden. Wilson
voerde daartegen aan, dat Barna noch Krisjna incarnaties Gods
konden zijn, aangezien zij zich aan groote zonden schuldig maakten.
11e Minister. Beweer toch niet, dat de slecht schijnende daden
onzer Goden zonden zijn; God kan doen wat Hij wil, en wie zal
Hem ter verantwoording dagen?
Wilson. God is niemand rekenschap schuldig, doch Hij handelt
immer naar zijn wezen en dit is heilig.
De Minister. God kan zondigen, want Hij is de oorsprong dei-
zonde.
Wilson. Laster niet!
De Minister. Dit is geen lastering; waar komt de zonde uit
voort, als God er niet de oorsprong van is?
Wilson. Uit het schepsel.
De Minister. God, in de gestalte van een mensch, is baarblij-
kelijk zwak. Stel u de Godheid voor als een boom, dan zijn de
menschen de bladeren van den boom. Nu zijn de bladeren onder-
scheiden van de takken, den stam en den wortel; zoo zijn ook
de menschen niet de Godheid zelve.
Wilson. Ik beweer daarentegen, dat de menschen in geenen
deele, deelen der Godheid zijn; hunne zwakheid, onwetendheid ,
zonden, smarten enz. bewijzen zulks. Zij zijn bloot schepselen, het
werk, maar niet deelen der Godheid.
De Minister. Wat is de schepping anders dan eene ontplooiing
der Godheid?
Wilson. Zij is door het woord en de macht Gods in \'t aanzijn
geroepen; ik kan mij geen oogenblik een God denken, die zich
ontplooit en weer samentrekt.
3
-ocr page 44-
Zoo ging het voort, als in een tweegevecht van geoefende kam-
pioenen, tot de Vorst een einde maakte aan het gesprek. Wilson
bood hem een fraai gebonden Testament aan, dat hij wel voor
het oogenblik van de hand wees, doch later liet opvragen. Hij
had het bij de openbare audiëntie niet kunnen aannemen, om
niet den schijn op zich te laden, als neigde hij tot het Chris-
teudom.
Te Palitana bezocht Wilson den berg met de beroemde Boed-
dhistische tempels, na de rotstempels van Elora de schoonste van
.Indië. Het binnentreden werd hem slechts veroorloofd op voor-
waarde , dat hij zijn lederen tegen stoften schoeisel verwisselde.
Hij vond echter verkeerd , zelfs op deze wijze aan de Boeddhis-
tische vooroordeeleu voet te geven.
„Hoevele dierenlevens," vroeg hij op deze reis aaneen Boed-
dhist, „bevat een pond water?" — „Ontelbare." — „Hoevele
levens bezit een jonge os?" — „Welnu, dan verwoest gij duizen-
den levens, terwijl de Mahomedaansche slager er maar één doodt."
(Men moet weten, dat het verstoren van leven de grootste zonde
is bij de Boeddhisten.)
Te Dsjoenagar onderhield hij zich tot na middernacht met
geleerde Hindoes en Muzelmannen , en bezocht den drie uren van
de stad gelegen heuvel, waar in een granietrots het, tot dien tijd
nog niet ontcijferde, Asoka-schrift ingegrift is. Wilson vergeleek
er eenige oude Sanskriet-alphabets mede, die hij meegebracht had
en kon tot zijn blijdschap en die der aanwezige Brahmanen werkelijk
eenige woorden lezen.
Toen Wilson van deze reis terugkwam, vond hij zijne vrouw
in bedenkelijken toestand. Den Ssten April schreef zij aan haar in
Schotland vertoevend zoontje den laatsten brief en zeide daarin:
„Nu ben ik bereid om te sterven;" zij leefde evenwel nog 10
dagen, tot zij Zondagmorgen den 19den April (1835) in vrede
ontsliep. Tot het laatste was zij in hare gedachten met hare Marattha-
-ocr page 45-
meisjes bezig, en even voor haar dood hoorde men haar zeggen:
„Het vooruitzicht van te sterven is zoet I" Haar man stichtte haar
eenigen tijd na haar benengaan een gedenkteeken, door haar
leven naar waarheid te schetsen in een boek, dat sinds verscheiden
drukken heeft beleefd.
VI.
ZENDINGARBEID ONDER DE PARSIS.
... r-^^a
Hfc.
lat Wilsons verdiensten ten opzichte van de navorsching der
•$PP? Indische talen en godsdiensten in het vaderland op prijs
^ gesteld werden, bleek wel, toen in 1836 de Universiteit
van Edinburg hem vereerde met den titel van doctor in de theo-
logie. Hij zelf ^ag in die onderscheiding echter bovenal een aanspo-
ring tot nieuwen ijver en vlijt zoowel als tot meerderen ootmoed
en trouw.
Aan nieuwe werkzaamheden ontbrak het hem nooit. Zoo begon
hij nu weer zich het lot der Parsis aan te trekken. Dit belang-
wekkend volkje, dat ten getale van 70,000 vooral in Britsch-
indic leeft, is in het jaar 717 na Chr. naar het Indische schier-
eiland verhuisd, toen de kalif Omar hen uit Perzië had verdreven.
Tot hiertoe had men nog weinig werk gemaakt van hun taal
(Zend) en godsdienstleer; het beste en vertrouwbaarste daarom-
trent\' was te vinden in de werken van een Pranschman uit het
laatst der vorige eeuw. Haar wel het derde deel van dezen stam
in Bombay woonde en hier gedeeltelijk hoog in aanzien stond ,
had Wilson ruimschoots gelegenheid, er kennis mee te maken.
Zoo vinden we in een zijner rapporten aan het Schotsche Zende-
liugs-genootschap (21 Juli 18^1) de eerste aankondigingen van
-ocr page 46-
36
een strijd, die weldra fel zou ontbranden. „Ik hield gedurende
de laatste zestien weken eiken Woensdagavond eene lezing over
stelselmatige godgeleerdheid. Mijne toehoorders, Europeanen
zoowel als inlanders, waren zeer talrijk. In tien voorlozingen behan-
delde ik de natuurlijke openbaring; in twee betoogde ik de moge-
lijkheid en noodzakelijkheid eener bovennatuurlijke openbaring.
Thans houd ik mij bezig met de vraag, waar eene zoodanige mag
te vinden zijn, en vier avonden wijdde ik aan de toetsing dei-
aanspraken van den godsdienst der Parsis. Men heeft mij drin-
gend uitgenoodigd, mijne aanmerkingen dienbetrell\'ende in druk
te geven.....Ik hoop, zoo God wil, aan dit verlangen mijner
vrienden te voldoen, en ben bezig een werk gereed te maken,
dat den hoofdzakelijken inhoud van de heilige boeken der Parsis
zal bevatten, alsmede een overzicht van de geschiedenis van
hunnen godsdienst en een beschrijving hunner zeden en gewoon-
ten." Voor dat dit werk gereed was, schreef Wilson een uittrek-
sel uit een geschiedenis van den Parsischen godsdienstoorlog en
dit gaf aanleiding tot een scherpen pennestrijd in de dagbladen
of tijdschriften, terwijl de godsdienstige overheid der Parsis er
zich in mengde. De heidensche geleerden kwamen zoover, dat zij
toegaven, dat Ormnzd en Ahriman slechts personificatiën waren van
de beide beginselen van goed en kwaad en beweerden, een geheime
leer te bezitten, die zij aan geen onwetenden meedeelden, /ij
riepen den zendeling op trotschen toon toe: „Wat de bekeering
van een Parsis betreft, gij behoeft er zelfs niet van te droomen;
een Parsi-kind, dat nog in de wieg ligt, gelooft reeds vast aan
den eerwaardigen Zoroaster." Wilson antwoordde : „Het is waar, de
bekeering van een Parsi is voor mij een te moeilijke zaak, de
bekeering van een mensch in \'t algemeen gaat mijne macht te
boven; doch zij is niet te moeilijk voor den Geest van God.
Mijne roeping is het, het ware geloof te verkondigen, te verde-
digen en aan te bevelen; het is Gods zaak den zegen te schenken."
-ocr page 47-
%
-
37
Kn dit vertrouwen is niet beschaamd. De strijd duurde verscheiden
jaren, doch in 1837 meldden zich drie jonge Parsi: Dsjandsjibai
Naurodsji, Hormasdsji Pestondsji en Framdsji Bahmandsji aan,
om den heiligen Doop. Dit veroorzaakte onder de vuuraanbidders
een vreeselijke opschudding. Een der drie had nog niet den leef-
tijd van 17 jaar bereikt en volgens de heerschend e wetten verloor
een bekeerling van zoo jeugdigen leeftijd al zijne erfrechten. Dit
gaf aanleiding tot een rechtzaak, waarbij Wilson de burgerlijke
en godsdienstige rechten van inlanders boven de 16 jaar verde-
digde. De Parsis hielden hunne kinderen van de zendelings-
scholen terug en beproefden een eigen school op te richten; een
tijdlang werden Wilsons scholen slechts door een gering getal
scholieren bezocht; allengs herstelden zij zich echter en waren ten
slotte bloeiender dan ooit te voren. Ja, men beproefde den doop
der drie jongelingen met geweld te beletten. Wilson schrijft daar-
over onder dagteekening van 7 Mei 1839:
„Toen het gerucht van afval van Zoroaster zich onder de in-
landers verbreidde, begonnen de wolken zich samen te pakken.
Onze eerste zorg was natuurlijk voor de persoonlijke veiligheid onzer
kinderen in het geloof, en wij vereenigden ons in het gebed,
dat God hen voor alle gevaren mocht behoeden. Des avonds van
18 April waren zij alle drie bij mij in het zendelingshuis tot stich-
teb\'jke oefeningen, en Hormasdsji en Pramdsji zeiden bij het henen-
gaan tot mij, dat zij zeer een kwade bejegening van den kant hunner
bloedverwanten duchtten. Ik bood hun een toevluchtsoord , voor het
geval dat zij het noodig mochten achten, zich onder mijne bescher-
ming te stellen. Dsjandsjibai bleef bij mij, om mij bij het door-
bladeren van eenige manuscripten in de Goedsjerati-taal behulpzaam
te zijn, en daar het na volbrachten arbeid voor ons te laat was,
om naar mijne woning op de heuvelen van Malabar te gaan, waar
wij sinds het aanbreken van het heete jaargetijde gewoon waren
te gaan slapen en waar Dsjandsjibai eenige dagen logeerde, ten
\\
-ocr page 48-
- -          •
38
einde een onzer vrienden bij diens studiën behulpzaam te zijn,
zoo besloten wij in het zendelingshuis te blijven. Gedurende den
nacht bleef alles rustig; doch de morgen bewees ons duidelijk,
dat alles in beweging was wegens de vrees en bekommering van de
familiebetrekkingen der jongelingen. De eene bode kwam na den
anderen om Dsjandsjibai naar zijne vrienden terug te brengen,
en de eene poging na de andere werd in \'t werk gesteld, om
hem uit mijn huis te lokken. Men begon zich bij troepen op de
voorplaats te verzamelen , en eenige schildwachten werden uitgezet.
"Wij kregen bericht, dat er onder de Parsis in het fort een groote
opgewondenheid heerschte en wij waren ernstig beducht voor
Hormasdsji en Framdsji, die daar woonden. Toen onze angst het
toppunt had bereikt, verscheen de eerste met een man, die voor
hem zijne kleeren droeg en vertelde ons, dat hij vernomen had ,
dat Framdsji door zijne verwanten in verzekerde bewaring was
gebracht; hij zelf had nauwelijks kunnen ontsnappen. Pas had ik
hem mijne bescherming toegezegd , toen twee Parsis het vertrek
waar wij zaten binnenstormden, hunne handen sloegen aan hem
en aaa mij, en hem met geweld poogden weg te voeren. Mijne
bedienden hadden de grootste moeite hen meester te worden,
doch ten slotte gelukte het, den onwettigen aanval af te slaan
en hen het huis uit te drijven. Aan Dsjandsjibai werd onder de
bescherming der politie des avonds van den laten Mei de doop
bediend, en Hormasdsji doopte ik jl. Zondag in het Zendelings-
huis....... Des morgens van den 29en April werd Framdsji
voor eenige leden van den Hoogen Kaad der Parsis gebracht,
welke zich alle moeite gaven om hem tot verloochening van Christus
te bewegen. Trots alle bedreigingen zoowel als beloften bleef hij
echter standvastig, en toen hij in zijn vaderlijk huis terugkwam,
sloegen al de vrouwelijke leden der familie zich op de borst en
hielden een weeklacht als over een doode.
Eenige dagen later werd hij onder bedekking van Bombay wegge-
f
-ocr page 49-
39
bracht. . . ." — Na verloop van zeven maanden schrijft Wilson in een
ander bericht over hem : „Ik heb een onderhond gehad met Framdsji.
Hij had zich onder onze inrichting in een kelder verstoken, en
gaf teekens om mijne aandacht te trekken. Ons gesprek duurde
bijna een uur, en ik bekwam van hem een omstandig verhaal over de
behandeling, die hij om zijne tegenwoordige gevoelens en voorne-
mens met betrekking tot het Christendom had ondervonden. Dreigend
zijn de gevaren voor hem; toch zeide hij, dat hij door Gods genade
evenwel in de Kerk wenschte opgenomen te worden. Hij waarschuwde
mij voor sommige zakeu en, naar ik vrees, niet zonder grond."
Wilsons positie was buitendien niet gemakkelijk, maar ver-
eischte al zijn volhardeuden geloofsmoed en al zijne vlugheid van
geest. Hij moest tegen de Parsis optreden door den Zend-gods-
dienst aan te vallen en het Evangelie te verdedigen; hij deed het
in den geest der Christelijke liefde, zoodat zelfs zijne tegenstau-
ders hem hunne achting, ja, hunne toegenegenheid niet konden
onthouden. Het is een schoon getuigenis voor hem, dat verschef-
den der voornaamste kooplieden en priesters onder de Parsis zijn
innige vrienden bleven. Daarenboven moest hij de openbare meening
voorlichten, en dit was vooral bij zijne landslieden geen geraak ~
kelijke taak. De Oostindische Compagnie en vele harer beambten
hadden het tot hun stelregel gemaakt, de inboorlingen niet in
hun geloof te storen.
Hierbij kwam nog, dat hij zich dikwijls onwel gevoelde, doch
zijn door \'t geloof gestaalde wil kwam ook de lichamelijke zwak-
heid te boven, gelijk een blik in zijn dagboek ons te zien geeft.
In het jaar 1842 verscheen zijn werk, waardoor hij de baan
brak: „De Farsi-godsdienst, zooals die in de Zend-Avesta (d. i.
het levende woord) en door de aanhangers van Zoroaster in Indië
en Perzië geleerd wordt, ontwikkeld, weerlegd en met het Chris-
tendom vergeleken door dr. Wilson."
-ocr page 50-
•]•<>
VII.
UITBREIDING DER ZENDINGWERKZAAMHEID.
JÜk15 Bombay zaS men meer en meer, hoezeer de door Wilson
^W&l Se^e^e school uitmuntte; de door hem opgestelde grondregels
2 met betrekking tot de landstaal en het godsdienstonderwijs
bleken de ware te zijn.
Achttien der hoogste beambten brachten de noodige gelden
bijeen, om een tweeden zendeling te beroepen, die zich onder de
leiding van dr. Wilson geheel aan de aangelegenheden der school
zou kunnen wijden.
Doch ook ver buiten Bombay wist men Wilsons verdiensten
en de uitkomsten van zijn arbeid te waardeeren, en zijn goede
raad werd dikwijls ingewonnen. Toen de jonge Elphinstone gou-
verneur werd van Madras, wendde deze zich tot hem, ten einde
zich zijne ondervindingen ten opzichte van de inrichting der scholen
aldaar ten nutte te maken.
Wij ontkenen aan het schrijven, dat Wilson aan hem richtte,
eenige gewichtige passages (1839): „Wie tot onze inrichting
wenscht te worden toegelaten, moet zijn moedertaal vloeiend kunnen
lezen. Het is een groote fout in vele regeerings-seminariën in
Indië, dat men sommige kweekelingen alleen Engelsche litteratuur
en wetenschap leert en anderen enkel Oostersche litteratuur en weten-
schap. Daar kan geen gemeenschap ontstaan tusschen leerlingen van
zoo verschillende vorming. De schatten van Europeesche wetenschap
vinden zoo geen natuurlijke bedding, waardoor zij den inlanders
kunnen toevloeien, ten beste van het land, en de Oostersche
geleerdheid, onttrokken aan den zuiverenden invloed van het Wes-
tersche, werkt nadeelig in plaats van weldadig.
-ocr page 51-
>
41
13e kweekelingen betalen bij hunne opneming in de school
ƒ1,20 en op onze gymnasiale afdeeling /"2.40 voor een toegangsbiljet
en moeten zelf voor papier en boeken zorgen. Wij achten het van
groot belang, dat de ouders de opvoeding leeren waardeeren; en
de geringe eisch dien wij stellen, heeft dit ten doel. Deze is niet
zóó hoog, dat degenen die moad en lust hebben om Engelsch te
leeren er door afgeschrikt worden en strekt toch eenigszins
om dezulken te keeren, die bloot uit ijdele berekening komen.
In onze inrichting wordt de kade in geen opzicht ontzien;
vastheid, hoffelijkheid en onpartijdigheid doen alle moeilijkheden,
daaraan verbonden, te boven komen, gelijk wij in het eerste
jaar reeds hebben ondervonden. Wij deelen onzen kweekelingen
en hunnen betrekkingen reeds van te voren mede, dat wij geen
ander onderscheid in aeht nemen, dan wat op talent, zedelijk
gedrag, vlijt en vordering in het leeren berust.
Wat de feestdagen der inlanders betreft.....wij geven geen
verlof ze te vieren, noch bestraffen het, wanneer zulks geschiedt.
Wanneer wij lezingen houden voor onze kweekelingen, blijven
wij niet in gebreke, later een onderzoek in te stellen naar het-
geen daarvan is onthouden en we laten daarover opstellen maken
in het Engelsch of in de landstaal. Tot vele dezer lozingen is de
toegang vrij."
In Maart 1842 namen 1446 leerlingen, 723 jongens en 268
meisjes deel aan het onderwijs. Hiervan waren 155 op het
gymnasium (college), n.1. 78 Hindoes, 38 Joden, fi Muzelman-
nen en 33 Christenen.
De bestrijding van den Afrikaanschen slavenhandel bracht
Wilson omstreeks dezen tijd in betrekking met het zwarte wereld-
deel. De Indische vloot maakte gedurig jacht op slavenschepen
en bracht de bevrijde negers over naar Bombay. Waren er kin-
deren bij in de schooljaren, dan werden dezen op de zendelings-
school gedaan. Zoo kreeg Wilson er 16 op de school te Bombay
-ocr page 52-
42
en 5 te Poena (1836) en hij hoopte ze later voor de zwarte be-
volking van Indië of voor Afrika zelf te kunnen gebruiken.
Ook over Abessynië breidde zich zijn gezichtskring uit. Ten
gevolge eener staatsomwenteling vluchtte een Abessynisch generaal,
Michael Warka met zijne twee zonen, Gabroe en Maricha, tot den
Britschen consul te Massowa. Vandaar kwamen zij naar Bombay en
werden de gasten van Wilson. Over de vorderingen en de leergie-
righeid van Gabroe vooral was Wilson zeer tevreden en hij koe-
sterde groote verwachtingen van hem. Twee jonge Mahomedaan-
sche prinsen kwamen eveneens naar Bombay als gasten der ïtegee-
ring. Dezen werden bij den Cadi ingekwartierd ; doch zij zeiden
in hun gebroken Engelsen: „Dat willen wij niet; wij zijn hier
gekomen om de blanken te zien, en de stadhouder bezorgt ons
een te huis bij een kleurling!" en zoo keerden zij op het schip
in de haven terug.
Men verzocht Wilson, hen in huis te nemen; hij deed dit
en zij vertoefden drie maanden bij hem. Ofschoon zij met het
Christelijk geloof bekend werden, hielden zij toch vast aan den
Koran, doch namen een Arabischen bijbel mee naar hun vader-
land. Wilson bracht hen op zekeren avond in eenige tempels van
de Hindoes, en toen zij bij hunne terugkomst in het huis van den
zendeling daar een Hindoe aantroffen, zeiden zij tot hem: „Wij
zijn met dr. Wilson uit geweest, maar het spijt ons zeer, dat de
Hindoes zoo dom zijn, steenen goden te aanbidden. Waarom zet
de Gouverneur hen niet altemaal in de gevangenis? Kwaamt gij
in ons land, wij zouden u eens duchtig laten afranselen." De
Hindoe antwoordde: „Ik aanbid geen afgoden." De Afrikanen wezen
op zijn kaste-teeken en zeiden: „Dan zijt gij dubbel slecht; gij
komt bij een Engelschman en spreekt: „Ik ben verlicht en aanbid
geen beelden meer!" Dan gaat gij naar huis en maakt het teeken
voor uw god juist boven uwe oogen." (De Hindoes toch dragen
een teeken van hun god op het voorhoofd.)
-ocr page 53-
Schoon Wilson zooveel werk maakte van buitenlanders, zoo
verloor hij toch de belangen van Indië niet uit het oog; telkens
zocht hij nieuw terrein te ontginnen en wist de zendinggemeente
te zijnent daarvoor belangstelling in te boezemen.
Op zijn aandringen werden in 1836 de eerste Sohotsche zen-
delingen naar Madras gezonden. Toen de Kerk van Schotland
zendingposten onder de destijds nog onafhankelijke Sikhs wilde
vestigen, ried Wilson aan, zulks eerst te beproeven onder de
staten in de Pendsjab, die onder Engelsche protectie stonden, en
hij bood zich aan een reis derwaarts te ondernemen tot het boven-
stroomgebied van den Indus en onderweg het Evangelie te ver-
kondigen. Wat hij echter voor zijn eigen Kerk niet raadzaam
vond, daartoe spoorde hij ook anderen niet aan. De zendingreis,
die hij naar Kathiawar ondernam, zoowel als de toespraken van
dr. üuff, die toen zich nog in Ierland ophield, noopten de Synode
der Presbyteriaansche Kerk te Ulster, eene zending in Indië op
touw te zetten, en hierover werd de raad van dr. Duff inge-
wonnen.
Ook de opvoeding van het vrouwelijk geslacht in Indië lag
hem steeds na aan \'t hart. Wel had hij door het overlijden zijner
vrouw zijn beste hulp in dit werk verloren; doch in 1837 liet
hij hare beide jongere zusters overkomen en gaf de meisjesschool
als een kostelijk zusterlijk erfdeel aan haar over. Van de zuivere
geldelijke opbrengst van zijn letterkundigen arbeid en die van
eenige juweelen, hem door eene dame tot dit doel geschonken,
bracht hij ƒ2400 bijeen, waarmede hij hare reiskosten kon dekken.
In het zendelingshuis te Ambrolia ontplooide zich nu weder een
liefelijk huiselijk leven. De eene der beide zusters huwde met
den zendeling Nesbit, een vriend van Wilson, en overleed in 1848 ;
de andere vond in 1841 een laatste rustplaats naast het graf
harer zuster Margaretha op het Schotsche kerkhof te Bombay.
Bij al zijn practische werkzaamheden en zijn zorgen vond Wilson
-ocr page 54-
44
immer nog tijd tot letterkundigen arbeid; eensdeels waren zij
van bloot taalkundigen aard , zooals zijne „taaioefeningen;" ander-
deels hadden zij de verbreiding van het Evangelie ten doel. Zoo
liet hij een traktaat in de Goedsjerati-taal voor de Dsjain-priesters
te Palitana en een Engelsche predikatie voor de Parsis (1838)
drukken.
Bestendig was hij in correspondentie met het comité van
\'t Bijbelgenootschap, dal voor vertalingen moest zorgen. Hij wist
voor alle noodige dingen den tijd te vinden, dewijl hij den tijd
„uitkocht," en bij zijn veelvuldige werkzaamheden toch steeds
maar een doel voor oogen had: de eere Gods en de uitbreiding
Zijner gemeente.
In Februari 1837 besloot Wilson het oude zendingstation te
Harni te bezoeken, en daaraan tevens een tweede bezoek te Goa
te verbinden. Bij zulke bezoeken ging hij de regeeringsscholen even-
min voorbij als die der zendelingen. Hoe humoristisch hij daarbij
veelal te werk ging, moge uit de volgende rekenkundige opgave
aan een Mahratten-knaap (een zonaanbidder) blijken: „Wanneer
het geluid 333 Meter afstands in één seconde doorloopt en de
zon 21,000,000 mijlen van de aarde verwijderd is, hoelang duurt
het dan eer eens menschen gebed , dit hemellichaam bereikt?"—
Aan het tolhuis der Portugeeschc nederzetting werden Wilsons
boeken in beslag genomen, omdat zulke geschriften niet zonder
verlof van den Bisschop mochten worden ingevoerd.
Op zijn ernstig aandringen werden ze hem wel teruggegeven,
doch eerst zoo laat, dat hij er geene kon uitdeelen. Aan den
Vicaris-generaal werd een Portugeesche bijbel aangeboden, hij
wees de aanbieding van de hand, omdat, volgens zijn zeggen,
het gebruik van onbetrouwbare vertalingen verboden was. Wilson
daagde hem uit, verkeerd vertaalde plaatsen aan te wijzen, en
toen hij er tevergeefs naar gezocht had, verschanste hij zich achter
het voorwendsel, dat de apokriefe boeken niet in den bijbel
-ocr page 55-
I
/
45
voorkwamen. Voorts trof Wilson nog twee personen aan, n.1. een
beambte en een priester, die het met de Roomsche Kerk niet
konden vinden.
De Januari-vacantie van J838 besteedde hij aan eenereis naar
Ajoenta en Dsjalna. Hij deelde in de bazar tractaten uit „Over
het Wezen Gods," en had een zeldzame ervaring ten opzichte
van de uitwerking. Hij schrijft daarover in een brief aan zijne
schoonzusters:
„Toen ik des avonds predikte, stormde een man op zoo luid -
ruchtige en onstuimige wijze het vertrek binnen, dat hij den
doctor (Smytton), mij zelf en alle aanwezigen deed schrikken. Hij
riep op den allerplechtigsten toon: „Het is alles waar, alles waar,
alles waar! Gij zijt mijn goeroe, mijn goeroe, mijn goeroe!" en
wierp zich toen met zulk een heftigheid op den grond, dat wij
vreesden, dat zijn hersenpan zou splijten! Spoedig kwam hij
weer tot zichzelven, en omvatte nu mijne beenen met zulk een
geweld, dat ik de menschen verzoeken moest mij te verlossen ,
waarin zij niet dan met groote moeite slaagden. Ik trachtte hem
tot bedaren te brengen, doch zijne opgewondenheid weerstond al
mijne pogingen. Stuiptrekkend vloog hij heen en weder en draaide
rond op een ontzettende wijze.
Alle anderen overlaadde hij met scheldwoorden; mij prees hij ,
zooals men God alleen prijst, en roemde mij als den Heer van
Pandarpoer en andere afgodstempels. Hij schreeuwde, dat hij tot
zijn dood, die hem nog dezen avond zou overvallen, mij nimmer
verlaten zou. De man was krankzinnig geworden en werd den vol-
genden morgen naar zijn huis gebracht. — Wilson bezocht nu nog
de Boeddhistische spelonk-tempels te Ajoenta en keerde toen naar
Bombay terug.
In het najaar van 1839 vinden wij hem te Poena, waar hij
den beroemden afgodstempel bezocht. „Ik vroeg den priesters y
waarom zij een afgod aanbaden. Zij antwoordden met de weder-
-ocr page 56-
46
vraag, waarom de Regeering hun daarvoor betaalde en maandelijks
1800 gnlden voor den tempel uitkeerde." Wilson schrijft telkens
bittere artikelen over zulk een gedrag van een Christelijke
regeering. „Waarom toch overtreedt zij Gods geboden? Door de
godsdiensten der ingeborenen te steunen, hoopt men hunne toe-
genegenheid te winnen, terwijl men in werkelijkheid, tot zijn eigen
groote schade, hun afkeer voedsel geeft."
Met zijn nieuwen collega dr. Murray Mitchell wilde hij in
\'t voorjaar van 1840 de streken van Boven-Indië bezoeken , alwaar
hij de sporen van het oudste Hiudoeïsinus hoopte te vinden. Doch
de aankomst van dr. Duff vertraagde de afreis. Zoo besloot
men dan de ongemakken en vermoeienissen van zulk eene reis ge-
durende het heete saizoen te trotseeren. Wel voorzien van aan-
bevelingsbrieven van den Gouverneur, begaven Wilson, Duff en
eenige anderen zich op weg met het doel, eene reis van 15 25
Eng. mijlen te doen. Te Baroda vernam Wilson tot zijne blijd-
schap, dat ten gevolge van zijn eerste bezoek aldaar de Gaikwar (de
iidandsche vorst) de verbranding van weduwen in zijn gansehe
uitgestrekte gebied had afgeschaft. Hij besprak met den Engelschen
llesident het nemen van maatregelen tegen het dood en van meisjes
en de oprichting van een Engelsche school. Hij werd met zijn ge-
heele gezelschap bij den Vorst ten ontbijt genoodigd. „Victoria zelf,"
schrijft hij, „had ons met behulp van al hare Eransche, Duitsche
en Walesche koks nauwelijks op zulke spijzen kunnen tractesren;
en wat de daaropvolgende tentoonstelling betreft, ik weet Vaarlijk
niet hoe ik ze zal beschrijven."
Zij bestond in het vertoonen van allerlei klingen van Damascus,
Chorassan , Iran , Arabië en Turkije; zwaarden, sabels , dolken,
bajonetten, lancetten enz.; van allerlei kanonnen, karabijnen, buksen,
musketten, pistolen en geweren; van alle mogelijke vogels en wilde
dieren, van den patrijs tot den tijger, die alle in de verzamelingen
van den Nabob waren te vinden. Verder zagen wij hoekah, tjilams,
-ocr page 57-
47
pijpen en andere rooktoestellen; rozenwater, attar, aral en an-
dere reukwerken; bloemen, waaronder veel rozen; vruchten en
wortelen, zoowel bittere als zure en zoete, ja zelfs die walging
verwekten.
Hoe kon ik dat alles verdragen ? Hoe kon ik een rustig toeschou-
wer blijven, toen deze heele kraam uitgepakt werd. Ik beweer wel
niet, dat er iets kwaads geschiedde ; toch kon ik toch niet nalaten
te verklaren, dat wij vredeboden waren, te wijzen op den tijd
dat de zwaarden in ploegscharen en de speren in sikkelen ver-
auderd zullen worden , en ik stelde den Vorst het Woord ter
hand van Hein, „die niet riep, noch zijne stem verhief op de
straten, maar die zich als een lam naar de slachtbank liet lei-
den en als een schaap, dat stemmeloos is voor dien, die het
scheert."
Van Baroda trokken Wilson en zijne metgezellen door de ge-
westen van Goedsjerate. Hier had hij een onderhoud met de
Djains, waarvan één hem beloofde, een antwoord te zullen geven
op Wilsons brief aan de priesters van Palitana. Dikwijls onder-
hield hij zich met de inboorlingen en kwam daardoor tot de
ontdekking, dat er „in Goedsjerate minder bijgeloovigheid heerscht
dan elders in Indië." In Disa examineerde hij de leerlingen eener
regimentsschool. „Een aantal jeugdige krijgslieden ," schreef hij bij
deze gelegenheid, „zijn ten gevolge der discipline en de inrich-
tingen bij het leger in hun geloof aan het Hindoeïsme aan het
wankelen gebracht. Zij letten zeer nauwkeurig op den wandel
hunner officieren en hebben grooten eerbied voor degenen, die
zich door Gods Geest laten leiden. Eene eigenaardige verrassing
was voor hem de ontmoeting van inlandsche Christenen, die zon-
der tusschenkomst van een zendeling tot het geloof gekomen
waren. Een hunner, Narotam geheeten, verzekerde, dat hij het
Evangelie verkondigde aan allen die hem wilden hooren en dat
hij door dezen werd onderhouden. Zijne kennis hart hij uit boeken
-ocr page 58-
48
en uit den omgang met een Bengaalsch bekeerling geput; hij
had van geen Europeaan raad ontvangen.
„Ik vond bij nadere kennismaking, dat hij met de Nieuw-
testamentische geschiedenissen goed bekend was; zijne begrippen
over de Drieëenheid schenen eerst wat verward, doch bleken
bij een voortgezet gesprek juister te zijn, dan ik gemeend had."
Op eenen Zondag ontving hij brieven uit Bombay.
„De ziekte mijner lieve kinderen en hunne genezing," schrijft hij,
„hebben mij zeer aangedaan en ik gevoelde meer dan ooit te voreu ,
dat zij het eigendom des Heeren zijn en ik hen blijmoedig in
Zijne hand moet stellen." De brieven bevatten ook de tijding , dat
de Calvinistische Methodisten voornemens waren, eene zending
in Indiö te ondernemen. „Ik vond daarin de vervulling van een
lang gekoesterden wensch," schrijft hij.
In \'t laatst van 1841 landden te Bombay de zendelingen J.
Glasgow en J. Kerr, die door de Synode van Ulster tot de
inlanders der vrije staten van Indië gezonden werden. Dit was
dus eene groote schrede voorwaarts.
Tot heden had men zich bepaald tot de landen, die onder
Britsche heerschappij stonden. Thans overscjireedt men, op aan-
spoiïng van Wilson, de grenzen van \'t Engelsen gebied, om voor-
eerst te arbeiden in den vasalstaat Kathiawar. Wilsons reizen en
de betrekkingen, die hij daar had aangeknoopt, baanden daar-
voor den weg.
De tijd van reizen was voorbij; doch trots al de waarschu-
wingen zijner vrienden liet Wilson zich niet afbrengen van zijn
voornemen, om zijne Iersche spitsbroeders in het strijdperk in
te leiden. Helaas, de zendeling Kerr overleed aan de koorts, terwijl
Wilson doodelijk ziek werd. Nadat hij een weinig hersteld was,
liet hij zich, hoewel nog uiterst zwak, naar Bombay vervoeren.
Hij hoopte, dat zijn tweede, nog ongehuwde schoonzuster hem
mocht verplegen; maar Gods gedachten waren anders dan de zijne;
-ocr page 59-
zij ging tien 4en October tot de rust in, nadat zij cenige jaren
in ootmoed, des harten hot werk van de opvoeding van inlandsohe
ineisjes, door hare zuster begonnen, had mogen behartigen.
Wilson trok zich, ten einde nieuwe krachten te bekomen, op
het bovengenoemde landgoed in Mahablesjwar terug, waar hij
zijn werk over den Parsi-godsdienst voltooide.
Daar werd hij met nieuwen levensmoed bezield.
,,lk leef thans op het aangenaamste plekje, dat gij u knnt
voorstellen," schrijft hij. „De omstreken zijn grootsch, schoon,
verheven, zoo als ik nog op geen van mijn reizen hel) gezien. Mahal>-
lesjwar is een gedeelte der hooge westelijke Ghats, 4700 voet
boven de oppervlakte der zee, alzoo veel hooger dan de bergen
van Schotland. De plantenwereld deelt in de schoonheid der tropi-
sche gewesten, en herinnert toch in menig opzicht aan die van ons lieve
Vaderland. Het gebergte biedt door zijne bazaltmassa\'s, zuilen en
steile wouden, zoowel als door zijne dalen en afgronden de
verbazendste vergezichten. De provincie Concan met hare bergen
en dalen, haar onmetelijke bosschen en rijke velden ligt diep in
de laagte; in de verte strekt zich de zee uit als een witte, onaf-
zienbare, blinkende spiegel, waarin het uitspansel weerschijnt.
De wolken spotten met alle beschrijving. Hare wisselende
kleuren, hare veelsoortige vormen, wanneer zij dalen om de
toppen der bergen te kussen, of in de hoogte blijven zweven
als een wolachtig kleed , of zich tusschen ons en de hemelsche licht-
dragers stellen om hunne stralen op te vangen , en hare kleurenpracht
te vertoonen, vervullen het gemoed met het innigste welgevallen.
Het geheele tafereel wekt op om God te loven.
Wilson gaf eindelijk gehoor aan den dringenden raad zijner
vrienden om verlof te vragen, ten einde naar het Vaderland te
mogen terugkeeren; doch ook nu wilde hij niet enkel reizen
voor zijn herstel. Reeds lang had hij den wensch gekoesterd,
Arabic en Syrië, die nog immer hoogst merkwaardige bakermat-
-ocr page 60-
50
ten der Israelietische, Christelijke en Mahomeclaansche godsdien-
sten te bezoeken. Dit verlangen, den zendeling even waard als
den geleerde, zou nu vervuld worden.
VIII.
ERVARINGEN OP HET GEBIED DER OÜSTERSCHE
TAAL- EN VOLKENKUNDE.
pf l^óór Wilson de reis naar het Vaderland ondernam, had hij
•qf«f ook afscheid genomen van het „Aziatisch Genootschap te Bom-
2f bay," waarvan hij gedurende zeven jaren president was geweest.
Het lidmaatschap dezer geleerde vereeniging was voor hem bij zijn
eigen navorschingen van groot nut, deels wegens de aansporing
die hij door het gelijke streven van zijne collega\'s ontving, deels
om de rijke bibliotheek, die het eigendom der vereeniging was.
In het jaar 1830 werd hij als lid aangenomen en reeds in 1835
tot president gekozen.
Bij deze gelegenheid hield hij eene rede, waarin hij een over-
zicht gaf van al wat reeds door de vereeniging was verricht, en
een plan voor verderen arbeid ontwikkelde. De geest, die hem
bij zijne Oostersche studiën bezielde, en de heilige doeleinden,
die hij daarbij beoogde, kenschetste hij in de woorden: „])e
godsdienststelsels, die zoo langen tijd in deze landen hebben
geheerscht en de letterkundige voortbrengselen, die wel is waar
niet den smaak, veredelen, zooals de Grieksche en Romeinsche,
doch de verhouding tusschen den godsdienst en het maatschappelijk
-ocr page 61-
-
l
51
en openbaar leven aanwijzen, moeten nagevorscht worden, üe taal
is even rijk in haar woordenschat, als in hare grammatische
vormen. Zoolang ons de kennis dezer stelsels en der geschriften
waarin zij neergelegd zijn ontbreekt, zullen wij nimmer het eigen-
aardige van den toestand der inlanders recht kunnen beoordeelen;
wij zullen den sleutel missen, om het gemoed der inlanders te
openen; wij zullen het middel niet kennen, om bij het volk een
verstandige en rechtvaardige wetgeving , het Evangelie en algemeene
beschaving ingang te doen vinden.
Het Evangelie moet met onwankelbare getrouwheid gepredikt
worden; alle hoop op een vruchtbare verkondiging daarvan be-
rust op haar innerlijke kracht, op haar algemeene geldigheid
en op den bijstand der Goddelijke genade, doch de predi-
king moet ingericht zijn naar de vatbaarheid en de gods-
dienstige begrippen der toehoorders. Ofschoon de groote waar-
heden, die de apostel Baulus verkondigde, onder alle omstan-
digheden dezelfde zijn, zoo worden zij toch op zeer verschil-
lende wijze verkondigd aan de Joodscho leeraren, het volk en
de Atheensche wijsgeeren. Ik ben verzekerd, dat het dwaas zou
zijn, in Indië tot een pantheïst op dezelfde wijze te spreken
als tot een polytheïst en omgekeerd ; een Boeddhist te behande-
len als een Brahmaan; op goed geluk aan te grijpen, wat voor
de inlanders iets vreemds is, en theologische uitdrukkingen en
termen te bezigen, zonder te weten , hoe zij door de inlanders
worden opgevat. Hoe beter een onderwijzer de godsdienstleer
en letterkunde der Hindoes kent, des te geduldiger en opmerk-
zamer zullen de lieden naar hem luisteren en te geschikter zal hij
zijn, om de voortreffelijkheid en de heerlijkheid van het Christendom
aan te toonen."
Wilson beschouwde de geleerdheid die hij verwierf niet als een
doel op zich zelf, maar als het middel om een hooger doel te
bereiken, nl. het Evangelie onder de inlanders te verbreiden.
-ocr page 62-
52
En dit oogmerk schaadde in geen enkel opzicht aan zijne studie
in dit vak, noch den roem, dien hij zonder hem te zoeken, ver-
wierf. Zijn roem is onafscheidelijk verbonden aan den vooruitgang
der Indische wetenschap, aan de nauwkeuriger kennis der Oos-
tersche godsdiensten en de ontdekking en ontcijfering van gewicht-
volle inscriptiën. Wij hebben reeds vroeger gelegenheid gehad,
te wijzen op zijn bezoeken van de Girnarrots en op de hoop,
die hij hierbij verkreeg , dat de inschriften daarop ontcijferd kouden
worden. Deze hoop werd werkelijkheid; met medewerking van
Wilson gelukte het den jeugdigen geleerde J. Prinsep, den inhoud
daarvan te verklaren. Deze inschriften beslaan ongeveer honderd
vierkante voet van een granietrots, die twaalf voet hoog en 75
voet in omtrek is. Zij bevatten veertien edicten van koning
Asoka, dien men reeds den Boeddhistischen Constantijn heeft ge-
noemd, en hebben voor de Indische wetenschap dezelfde waarde , als
de inscriptiën van Itosette voor de Egyptische. Nadat Prinsep het
alphabet had vastgesteld, werden door Wilson en zijne reisge-
nooten nog vele andere inschriften gelezen.
Wij kunnen natuurlijk niet in bijzonderheden treden; doch de
bloote opsomming van al zijn geleerde werken zou minstens eene
bladzijde beslaan.
Deze. vruchtbare werkzaamheid werd ook bekend. Den 18den
Juni 1836 werd Wilson benoemd tot lid van het Koninklijk
Aziatisch Genootschap in Groot-Brittanje en Ierland. Hij onderhield
briefwisseling met de uitstekendste oriëntalisten van Europa , zooals
Eugenius Bnrnouf van Parijs, Chr. Lassen te Bonn en vele an-
deren. Ook de Kegeering verlangde dikwijls zijn raad in gevallen,
die een nauwkeurige kennis der wetten en overleveringen der
inlanders vereischte. Zoo vroeg het Opperste Gerechtshof zijn
meening over zekere rechtsvragen , die de Parsis aangingen.
Zelfs wendde zich een lid van het Engelsen Parlement tot
hem om een yerslag van de betrekkingen der Oostindische Com-
-ocr page 63-
53
pagnie tot de heidensche godsdiensten, wijl hij voornemens was,
de ondersteuning, die de ltegeering aan de heidensche tempels
verleende, in het Parlement ter tafel te brengen. Het behoeft
nauwelijks gezegd, dat Wilson, die zoo dikwijls in de politiek
der Compagnie een hinderpaal voor zijn zendingarbeid gevonden
had, terstond bereid was aan dit verlangen te voldoen.
Den iJOen December 1842 nam Wilson zijn ontslag als president
der Aziatische Vereeniging van Bombay en ontving een vlei-
end schrijven ten antwoord, waarin hem zijn benoeming tot eere-
voorzitter werd meegedeeld. Hij dankte van harte voor deze
nieuwe onderscheiding, terwijl hij beloofde, zijne oostersche
studiën te zullen voortzetten en evenals bij zijne intreerede,
stelde hij ook nu in dezen afscheidsbrief met nadruk de waarde
dezer studie voor het voornaamste doel zijns levens, de zending,
in \'t licht. „Deze navorschingen zijn volkomen in overeenstemming
met het groote doel, door mij beoogd : de beschaving der Indiërs,
hunne bekeering tot onzen heiligen godsdienst en de mededeeling
van al de voorrechten en zegeningen, die wij als Christenen genie-
ten. De groote Apostel der heidenen, wiens geest ontstak, toen
hij Athene geheel aan den afgodendienst overgegeven zag, nam
op den Areopagns het opschrift boven een altaar tot tekst en
haalde een grondwaarheid, door een heidensch dichter uitgespro-
ken, hierbij aan. Het onderricht moet zich aan de heerschende
dwaalleer aansluiten, en dikwijls moet men aanvangen met te
wijzen op het overblijfsel eener zuivere overlevering, op*de uit-
spraak van het geweten en op de vruchtelooze pogingen der men-
schen, die geene openbaring bezitten, om de groote vragen der
zedelijke wereldorde op te lossen."
-ocr page 64-
\'
\'
54
IX.
DOOR DE LANDEN DES BIJBELS NAAR
SCHOTLAND.
ISÜoen Wilson (\'en ^den Januari 1843 Bombay verliet, kon hij
t|5py zonder zelfverheffing met voldoening op zijn vijftienjarigen
jf arbeid terugzien; hij had de Kerk van westelijk Hindostan ge-
grondvest, het Brahmaïsme, het Mahomedanistne en het Farsiïsine
op eigen gebied bekampt; hij had aan zijn eigen werk te Concan,
Boena en Bombay de Iersche zending van Goedsjarat en die der
Vrije Kerk in Midden-Indië en Gondwana verbonden; hij had
den evangeliearbeid onder de Joden, Arabieren, Armeniërs, Nes-
torianen, Abessiniërs en de Negers langs de zee van Arabië voorl>e-
reid; hij was het zout geweest van de Engelsche maatschappij in
zijne provincie. Men begrijpt, dat hij slechts met weerzin gehoor
gaf aan den raad der geneesheeren, die hem naar het vaderland
terugwezen. Met weemoed scheidde hij van al den begonnen
arbeid, en ging, vergezeld van de zegenwenschen van landge-
nooten en inlanders. Met hem scheepte zich op de Cleopatra ook
Dsjandsjibai Naurodsji in, welke bekeerde Parsische jongeling
te Edinburg in de theologie studeeren, en daar tevens de verta-
ling van „de Parsi-godsdienst" in de Goedsjaratisehe taal in litho-
graphischen steen zou schrijven.
De beide Abessiniërs, Gabroe en Maricha, deden hen tot Aden
uitgeleide, vanwaar zij naar hun vaderland terugkeerden, om
daar, zooals Wilson hoopte, het zaad des Evangelies uit te strooien.
Te Aden bezocht Wilson de Joodsche gemeente, die meer dan
duizend zielen telt. Hij had van de Joden te Bombay een aan-
-ocr page 65-
55
bevelingsbrief meegekregen, die hem overal bij de synagogen een
vriend elijke ontvangst bereidde. Over Suez begaf .hij zich naar
Caïro, waar hij de landsinrichtingen en gebouwen van Mehemed
Ali met ingenomenheid bezichtigde. Hij werd aldaar tot eere-iid
van het „Egyptisch Genootschap" benoemd en had er veel omgang-
met I/mant de, Beliefonds en Lepsius. Met hen bezocht hij de
pyramiden en de sphinx, waar juist opgravingen gedaan werden;
in zijn bijzijn werd de mummie van een kind gevonden.
Ook kocht hij hier belangrijke uitgaven van oostersche werken ,
die Mehemed Ali liet drukken.
Den 7 den Februari verliet hij Caïro; het reisgezelschap vormde
met hare zeven en veertig kameelen een zeer aanzienlijke karavaan ;
een rijk koopman van Bombay, de heer J. H. Smith had zich
belast met haar geheele inrichting.
Het doel der reis was nu het schiereiland Sinaï, waar Wilson
de overtuiging verkreeg, dat de Djebel Musa werkelijk de berg
is, waarop eenmaal de Wet gegeven werd. Op den Djebel Musa
vonden zij sneeuw; in de laatste vijftien jaar had Wilson die niet ge-
zien en zijn Parsische reisgenoot zag ze voor \'t eerst. In de onder-
aardsche heiligdommen te Pelva maakte hij vergelijkingen met
dergelijke gebouwen, die hij in Tudié\' had gezien. Men had
hem opgedragen, in het Heilige Land de geschiktste plaats te
zoeken voor de vestiging van een presbyteriaanschen zendingpost.
Hij koos Damascus hiervoor, hetwelk nog binnen de grenzen
ligt, die Ezechiël en Zacharia voor het Beloofde Land aangeven,
en dat een Joodsche bevolking heeft van 5000 zielen ; daarbij
waren andere plaatsen reeds door zendelingen bezet, of voor
zendingstations niet geschikt.
„Mijn oostersch gewaad is dat van een Becloeïnen-sheik, doch
ik draag het zelden.
Het woord Engeland is de beste reispas, zoowel in de woestijn
als in de steden. Door de tooverkracht van dit woord, of lie-
\\
/
-ocr page 66-
56
ver onder de bescherming van den lieer der heirscharen, reisden
wij drie weken lang ongehinderd door het gebied der Bedoeïnen,
ofschoon de Turksche ambtenaren ons verzekerd hadden, dat wij
ongetwijfeld zouden uitgeplunderd of vermoord worden."
Jeruzalem werd tweemaal bezocht; vanhier maakte Wilson een
reisje naar de Jordaan en de Doode Zee. Te Nablos, het oude
Sichem, maakte hij kennis met de Samaritaansche gemeente, men
beantwoordde met welwillendheid al zijne vragen omtrent het
geloof en de godsdienstige gewoonten, ja, een oude priester toonde
hem zelfs liet aloude handschrift van de vijf boeken van Mozes,
dat nog slechts door één Christen vóór hem was gezien.
In eene bijeenkomst vraagde hij hun naar hunne Messiaansche
verwachtingen en wees hen op Genesis 49 : 10.
De Samaritanen noemden Salomo den Silo, wien alle volken
gehoorzamen en vreezen zouden en na wiens dood de scepter van
.Tnda zou wijken; de Messias zou uit Jozef voortkomen. Men
onderzocht hier ook de Jakobsbron ; een jonge Samaritaan werd
er in neergelaten aan een koord, met een fakkel in de hand
en haalde er het overblijfsel van een bijbel uit op, die er vier
jaren geleden ingevallen was. Van Sichem ging de reis naar het
meer van Gennezaret, welks oever door Wilson nauwkeurig onder-
zocht werd; en waar hij de vervulling aanschouwde van het
„wee ui" door Jezus over Bethsaïda, Chorazin en Kapernaüm
uitgesproken. Te Tiberias trof hij geleerde Joden aan, met wie
hij belangrijke gesprekken voerde. Den loop der Jordaan volgende,
kwam hij aan het meer Merom en zocht de bronnen der rivier op.
Drusen en Maronieten kwamen bij troepen herwaarts, en meer
dan honderd verklaarden zich bereid, protestant te worden, wan-
neer zij slechts krachtige bescherming vonden. Wilson schreef
deze beweging toe aan de Amerikaansche zending, die in den
Libanon arbeidt.
Over Beiroet en Smirna bereikte het gezelschap Constantinopel,
-ocr page 67-
57
waar een rusttijd van veertien dagen, — van 30 Juni tot 10
Augustus — genomen werd.
Wilson had het voorrecht, hier twee Joodsche proselieten,
daarbij van de Hebreeuwsche taal gebruik makende, te doopon:
de eerstelingen van de zending der Vrije Kerk.
Ook bezocht hij de Sofia-kerk en wel zonder zijne laarzen uit
te trekken. Wel riep een mollah hem dreigende woorden toe,
doch het antwoord in \'t Persisch gegeven : „Zij zijn immers rein,"
<leed hem zwijgen. De twee reizigers scheepten zich op een Oos-
tenrijksche stoomboot in naar "Vama en Kustendjo en stoomden
vervolgens met een rivierboot den Douau op tot Pesth.
Te Orsowa kwamen zij op Christelijk grondgebied.
„Nadat wij," zoo verhaalt Wilson, „door het Mahomedaan-
sche gebied, van Bab-el-Mandeb tot de IJzeren Poort gereisd
hadden, werden wij door het Christendom met een smerige gevan-
genis verwelkomd, onder het kluchtige voorwendsel van gezond-
heidsvoorzorgen. Onze gevangenschap duurde echter slechts eenige
uren en het werd ons spoedig duidelijk, dat men meer uit een
politiek dan een geneeskundig oogpunt ons dus behandelde. Nadat
onze passen het bewijs hadden geleverd, dat ik geen voortvluch-
tige Italiaan en Dsjandsjibai niet de voorbode van een Barbaren-
horde uit Midden-Azië was, die nieuwe, groene weiden voor hare
schapen zocht, nadat onze verklaring omtrent den inhoud onzer
kisten ontvangen was en al onze boeken uitgezonderd een bijbel,
«en geneeskundig woordenboek en een portefeuille met Duitsche
samenspraken, die wij bestudeerden, verzegeld waren om door den
•Censor onderzocht te worden, werden wij in vrijheid gesteld. Bij
deze gelegenheid klom Dsjandsjibai tot den rang van Indisch
•vorst, terwijl ik door de schrandere politie als zijn adjudant
beschouwd werd."
In Pesth, waar zij den 20sten Augustus aankwamen, ontmoette
ïdj landgenooten, Schotsche zendelingen onder de Joden, bij wie
-ocr page 68-
58
zij tot het einde der maand hun intrek namen en met wie zij
zich over den vooruitgang des werks verheugden.
Zij werden tot het bijwonen van een zitting van het Hongaarsch
Nationaal Letterkundig Genootschap uitgenoodigd. Men stelde hun
Zigeuners voor niet het verzoek, te onderzoeken of hun taal van
Indischen oorsprong was, hetgeen beiden bevestigden.
De Aarts-hertog Jozeph, Palatijn van Hongarije, ontving hen
in audiëntie en onderhield zich met Wilson in de Latijnsche taal
over Indische toestanden en de vorderingen van het Christendom
in het Oosten.
Van Pesth reisden zij naar Zuid-Duitschland aan den "Rijn, dien
zij tot Keulen afvoeren, waarbij zij telkens in gezelschap kwamen
met een tal van Engelschen. Den 23sten September kwamen zij
te Londen, den 4den November te Edinburg aan. „Gij kunt be-
grijpen , welk eene ontroering mij aangreep, toen na zoovele gevaren
en ondervindingen gedurende een lange afwezigheid en on verpoos-
den arbeid onder een vreemden hemel, na eene reis door tal van
landen, verschillende door eigenaardigheden en gewijde of ongewijde
historische herinneringen, ik voor eenigeu tijd den pelgrimsstaf
mocht uit de.hand leggen om in het vaderland te rusten inden
schoot der Cliristelijde liefde en trouw. Slechts de goddelijke taal
van Ps. 107 kan mijne gevoelens wedergeven."
Den 18den Mei 1843 was op de Algemeene Synode van
Schotland te Edinburg de kerkelijke scheiding voltrokken.Onder
aanvoering van Ghalmers verklaarden 470 predikanten hunne ver-
binding met de Staatskerk voor opgelost en voortaan vormden
zij met hunne gemeenten de Schotsche Vrije Kerk. Het was op
denzelfden dag dat Wilson op den rug van een kameel voor de
tweede maal Jeruzalem binnenreed. Hij was door zijne vrienden
van den loop der zaken onderricht en aarzelde geen oogenblik,
zich evenals zijne zendeling-broedere in Indië bij de beweging-
tian te sluiten en voor de Vrije Kerk partij te kiezen, terwijl de
-ocr page 69-
59
kapelaans te Bombay het met de Staatskerk hielden. Van Smirna
zond hij aan dr. Ckalmers zijne verklaring, dat hij als lid der
Vrije Kerk wenschte aangemerkt te worden, en aan dr. Brunton,
den secretaris van het kerkelijk zendeling-genootschap, een schrijven,
waarin hij zijn uittreden uit de oude betrekkingen aankondigde.
Uit laatste viel hem bijzonder zwaar; jaren lang had hij in eenheid
van gevoelen en streven met dr. Brunton geleefd en nu bevonden
zij zich in twee tegenovergestelde kampen! „Onder deze otnstan-
digheden," schrijft hij, „is het mij een pijnlijke plicht, u mijne
uittrede uit de Staatskerk van Schotland te melden, waarmede
ik toch — wat ik als een eere en voorrecht beschouwde — als
leeraar en zendeling zoolang verbonden was. Ik doe dezen stap
met den wensch, mijn geweten voor God en menschen rein te
bewaren , en zonder daarbij de liefde afbreuk te doen, die mij be-
taamt tegenover de zoodanigen, die met mij van meening verschillen.
Ik gevoel hierbij een onuitsprekelijke smart, daar ik zoodoende
de ambtelijke betrekkingen verbreek, die mij verbonden met u,
die mij altijd met vaderlijke welwillendheid behandeld en mijne
handen gesterkt, mijn hart bemoedigd hebt tot het werk des
Heeren, meer dan ik onder woorden kan brengen."
Den 17den October vergaderde de constitueerende synode der Vrije
Kerk voor het eerst. In vijf maanden tijds was de laatste zeer gc-
wassen; zij telde 754 gemeenten, 730 predikanten , en 20 zendolin-
gen, waaronder 13 in Indië; er waren 3\'/, millioen gulden voor
de behoeften der jeugdige kerk bijeengebracht. Dr. Gordon ver-
tegenwoordigde bij deze vergadering het zendingwerk, waarvoor
evenwel nog maar 3824 gulden beschikbaar was; doch onder bid-
dend opzien tot den Heer ging men moedig voort en de Heer
liet zich niet onbetuigd; de 13 zendelingen zijn tot een 40-tal aan-
gegroeid en de ƒ3824 waren voor het eind van het jaar geklom-
men tot ƒ76824, terwijl thans de jaarlijksche inkomsten/"360.000
bedragen. Op de eerstvolgende synodale vergadering van de Vrije
-ocr page 70-
60
Kerk hield Wilson eene rede, waarin hij een overzicht gaf van
zijne werkzaamheden, en het werk in Ind-ië krachtig aanbeval; de
indruk zijner woorden werd zeer versterkt door het bericht, dat
juist aankwam, dat een geleerde Brahmaan, met name Narayan
Sjesjadri, den doop had begeerd.
Wilson had in hem het fondament zijner nieuwe overtuiging
mogen leggen. Nesbit en Mitchell hadden daarop voortgebouwd
en het werk voltooid.
Zijn jongere broeder was wel gezind hem te volgen; doch hij
had den leeftijd van 16 jaren nog niet bereikt, en door de
bestaande gewoonterechten werd hem de beslissende stap onmo-
gelijk gemaakt. Hij liet zich allengs weer tot het heidendom terug-
troonen. Met de kaste had hij evenwel gebroken, doordien hij
met zijn gedoopten broeder had gegeten ; dientengevolge deed zich
de vraag aan de Hindoes voor, of er voor deze verontreiniging
verzoening was of niet. Een oude priester nam op zich, dit te
bewerkstellingen en gaf den jongeling de vijf producten van de
koe (urine enz.) te slikken. Sedert heeft het Brahmaïsme nog al
wat water in den wijn gedaan, en er wordt veel veroorloofd,
wat vroeger op het verlies van de kaste te staan kwam.
In bovengenoemde rede had Wilson de noodzakelijkheid aange-
toond van een zending te beginnen in Midden-lndië, te
Nagpoer.
Deze hoofdstad van een staat onder Engelsche heerschappij ligt
ongeveer 700 Engelsche mijlen van Bombay, Madras en Cal-
coetta, en de daar gestationeerde Engelsche beambte, sir W. HUI,
wenschte vurig, dat Christelijke zendboden derwaarts gezonden
werden. Goszner had ongeveer 200 mijlen vandaar onder de Gonds
eene zending begonnen, doch de afstand was te groot. Toen de
vrouw van HUI stierf, bood hij het d oor haar nagelaten vermogen
ƒ24000, waarbij hij nog ƒ6000 voegde, aan tot vestiging van een
station en verzocht Wilson de zajik op zich te nemen. Het Comité
-ocr page 71-
61
der Vrije Kerk wees op het gebrek aan geschikte krachten; doch
Stephan Hislop bood zich zelf hiervoor aan.
Een geloovig Christen M\'Leod , in later tijd gouverneur van du
Pendsjaab ondersteunde het niouwbegonnen werk met kracht. Een
der Sikhs (oen heiden) betnigde: „Wanneer alle Christenen waren
zooals sir Donald M\'Leod, zoo zonden er weldra geen Hindoes
en Mahomedanen meer zijn."
Ook tot nieuwe ondernemingen in Afrika toonde het Zending-
Comité der Vrije Kerk zich geneigd; er werdeu twee zendelingen
naar de Kaapstad gezonden, hetwelk aanleiding gaf tot destich-
ting van Livingstonia aan het meer Njassa.
Wilson deed daarna tal van reizen door Schotland, Engeland
en Ierland , overal predikende en te gelijk de belangen der Vrije
Kerk en die der Zending op de harten bindende. Te Oxford pre-
dikte hij voor de universiteit en vond hier algemeene instemming.
Van Engeland spoedde hij zich weder naar Schotland om de Alge-
meene Synode zijner kurk (] 844) bij te wonen, vandaar begaf
hij zich naar de Algemeene Vergadering van Presbyterianen te
Londonderry, in 1845 naar die der Engelsche Presbyterianen te
Birmingham, werwaarts hij inet nog iemand anders als afgevaar-
digde der Schotsche Vrije Kerk gezonden was. Ook hield hij te
Edinburg eene rede voor het geneeskundig zendelings-geuootschap.
„Ik herinner mij ," zoo sprak hij o. a., „dat sir Robert Grant,
de voormalige gouverneur van Bómbay, mij eenmaal vroeg , welken
indruk de plaatsing van een lijk in het Sanskriet-College te Poena
zou maken.
„Het eerste uitwerksel," zeide ik, „zou zijn, dat de Brahmanen
de ramen uitsprongen; het tweede, bij hun terugkomst, zou zijn ,
dat hunne goden denzelfden weg gingen, met andere woorden:
hunne vooroordeelen met betrekking tot het godsdienstige zonden
verbroken worden." Deze voorspelling is sedert grootendeels in
vervulling getreden.
-ocr page 72-
Wilsons reisgezel, Dsjandsjibai, had intnsschen zijne theologische
studiën bijna volbracht: men bad hem meermalen op den kansel
toegelaten en hij had met goed gevolg gepredikt. Nu was de vraag
op welke voorwaarden hij de ordening zou ontvangen. Wij hebben
reeds meermalen van Wilsons ruimhartigheid gerept; ofschoon van
harte zijne kerk toegedaan, erkende hij toch gaarne het recht van
andere benamingen, en het was bovenal zijn innige overtui-
ging, dat het niet goed was, den Christenen uit de heiden wereld
de Kuropeesche belijdenissen en kerkvormen op te dringen. Hij
hoopte dat daarginds op Bijbelschen grondslag eene Christelijke
Kerk zou verrijzen, in overeenstemming met het eigenaardige van
volk en land. Zoo had ook Dsjandsjibai bij zijn examen aan de
commissie van onderzoek verklaard , dat hij niet tot de Vrije Kerk
wilde behooren en Wilson viel hem bij en wilde, dat hij in de
eerste plaats zendeling en evangelist zou worden. Ook ten opzichte
der gebouwen voor de zending deden zich moeilijkheden op, ten
gevolge der scheiding van de Staatskerk. De gebouwen te Poena
bleven buiten de kwestie; die te Madras waren gehuurd; doch
die te Bombay, ter waarde van ƒ96000 en die te Calcoetta ter
waarde van/12000 moesten aan de Staatskerk worden afgestaan.
Wilson en dr. Mackay van Calcoetta brachten voor de oprichting
van nieuwe huizen ƒ240,000 bijeen. Ja Wilson deed nog meer:
hij verwezenlijkte een uitnemend vruchtbaar denkbeeld, doordien
hij twee gemeenten bewoog, het onderhoud van twee zendelingen
onder de Parsi op zich te nemen, in de hoop dat meer vermogende
gemeenten, dit voorbeeld zouden volgen, zoodat niet slechts het
centrale comité, maar een bepaalde gemeente voor iederen zendeling
instond. Kwam dit plan tot algemeene uitvoering, dan zouden de
onmetelijke streken , waar heidendom en Mahomedanisme heerschen ,
weldra rijkelijk van boden des geloofs voorzien zijn.
-ocr page 73-
.. ...
63
r
X.
WETENSCHAPPELIJKE WERKZAAMHEID;
TWEEDE HUWELIJK; WEDER IN BOMBAY.
ffE&ot herstel üijner gezondheid was Wilson naar Schotland
teruggekeerd, en uit het verhaalde zal het den lezer wel
duidelijk zijn geworden, hoe hij zijn vaoantietijd besteedde.
Het is verbazend, dat hij daarbij nog op letterkundig gebied
zulk een drukke werkzaamheid kon ontwikkelen en gelegenheid
vond zoovele en zoozeer verschillende onderwerpen te behandelen.
Onderwijl hij bezig was met zijne reisbeschrijving, die hij onder
den titel, „de Landen des Bijbels" in het licht gaf, was hij
voortdurend de medewerker van den Indischen hoofd-ingenieur
T. B. Jervis, die een Oostersche Keisbibliotheek wilde uitgeven,
waarvan echter maar een deel is verschenen. Verder werkte hij
inede aan de „Noordbritsche ltevue," een driemaandelijksch tijd-
schrift, waarin behalve politieke en algemeen wetenschappelijke,
ook kerkelijke en theologische vragen behandeld werden; het eerste
nommer verscheen in Mei 1844. Tevens onderhield hij de in Bombay
aangeknoopte vriendschappelijke betrekkingen met den Deenschen
oriëntalist Westergaard. Hij leende dezen kostbare Zend- en Peh-
levi-handschriften en stond hem op alle wijze met raad en daad
ter zijde. Deze veelvoudige werkzaamheid deed hem de erkenning
van de hoogste kringen des lands, tot zelfs van de koningin
verwerven. Hij werd tot lid van vele geleerde genootschappen in
Brittanje, Duitschland en Denemarken benoemd en verscheiden
natuuronderzoekers traden met hem in verbinding.
-ocr page 74-
64
In dezen tijd werd Wilsons tweede huwelijk voltrokken. Zijne
bruid heette Isabella Denistoun en behoorde tot een zeer aanzien-
lijke, adellijke familie, die zelfs met het koninklijke geslacht der
Stuarts verwant was.
In Juni 1846 had de inzegeniug plaats. Het was een buiten-
gewoon gelukkige keus; de tweede vrouw van Wilson deed voor de
eerste niet onder in offervaardige liefde en trouwe werkzaamheid. Hij
maakte zijnen zwager met deze verbintenis bekend met de woorden :
„Ik dank u voor uwe goede wensehen, welke gij ten opzichte
van mij, en mijne vrouw uitdrukt. Ik twijfel niet, of gij zult in
haar alles vinden, wat van eene vriendin en medearbeidster kan
verlangd worden. Onze echt is onder de beste omstandigheden
en met volkomen goedvinden van alle leden der familie gesloten.
Wij hebben van de zijde der talrijke betrekkingen de aangenaamste
behandeling ondervonden en allen schenen van harte verblijd."
Ook in dezen brief vergeet hij de zending in Indië niet; hij
verlangt van zijn zwager voor de „Noordbritsche Kevue" en voor
„Lowe\'s Magazijn" bijdragen, die met 168 en 120 gld. het
vel gehonoreerd werden, en hij voegt er bij: „Zulk eene winst
zal ons in staat stellen, onze bibliotheek te vermeerderen."
In Sept. 1847 waren beiden, Wilson en zijne vrouw, op weg
naar Indië. Zij reisdan over Noord-Frankrijk, België, langs den
Rijn, door Zwitserland, Italië en over Malta. Aan Wilson was
daarbij door de Kerk, waartoe hij behoorde, opgedragen, den gods-
dienstigen toestand van het vasteland te onderzoeken en de ver-
schillende evangelisatie-posten te bezoeken, welke de vrije kerken
in Frankrijk en Italië onderhielden. In Bonn maakte hij kennis
met den geleerden Sanskriet-kenner Lassen , die hem het eerste vel
...
van zijne „Indische Oudheidkunde," dat juist gedrukt was, ver-
eerdè. In Cairo kocht hij van Kareërs een handschrift van den
•
Bijbel, op 1386 bladen perkament. Met den zendeling Lied er door-
trok hij nog eens het land Gozen en vond zijne vroegere ineeningen ,
-ocr page 75-
uitgesproken in zijn werk over de landen des Bijbels, bevestigd.
In blijde stemming stapten zij eindelijk te Bombay aan wal. Zij
werden hier verwelkomd door dr. Miller, de zendelingen Mitchell,
Henderson, Dsjandsjibai, Hormasdsji en de Abessiniërs. Nesbit
was afwezig en begroette hen eerst later; ook zijne heidensche
tegenstanders gaven hunne blijdschap over het wederzien te kennen.
„Ik heb nu," schrijft hij, „mijn gewonen Zondagsarbeid , predi-
ken en catechiseeren , weder aanvaard; in de week houd ik twee
lezingen, in \'t Engelsen en Mahrattisch, die uitstekend bezocht
worden.
Ik onderzoek thans de schoolzaken met het doel, mijne werk-
zaamheden op dit gebied onmiddellijk weer op te vatten. Bidt
zonder ophouden, dat Gods genade ons sterke, om onze taak
naar behooren te volbrengen; dit is onder alle omstandighedeu
van veel belang, maar in \'t bijzonder in het uitgestrekte land
vol duisternis en schaduwen des doods.
De zendelingen , die zich op aansporing van Wilson te Nag-
poer hadden neergezet, stieten alras op moeilijkheden. In \'t jaar
1848 werd een bekeerde Brahmaan in de gevangenis gezet,
bloot omdat hij zijne eerste geloof had verzaakt. Kerst sinds
1813 , toen Engeland na den dood van den laatsten Radja den
hoofdeloozen staat in bezit nam, verkreeg ook de Zending hier
meer vrijheid.
Gedurende Wilsons afwezigheid was het Sindh-land , aan den be-
nedenloop en den mond van den Indus, geannexeerd; hij zag
terstond in, dat het nieuwe gebied een veld voor de Zending-
aanbood en besloot in vereeniging met dr. Dutt\', die zich daar
bij hem zou voegen, het terrein te verkennen. Voor hij echter
de verre reis ondernam, geraakte hij in de onmiddellijke nabij-
heid van Bombay, op het eiland Salsetta, in doodsgevaar en dat
wel — door wilde bijen! Hij had zich met een voormalig onder-
wijzer aan een regeeriugsschool derwaarts begeven, om de merk-
-ocr page 76-
66
waardigheden van het eiland in oogenschouw te nemen. Een
bijenzwerm, dien men op onverstandige wijze woedend had ge-
maakt, viel op het geheele gezelschap aan. „Ik sprong een boschje
in om mij te beveiligen, doch vond er geen beschutting. Bij
mijn pogingen om de beesten van mij af te weren, gleed ik in
een kloof naar beneden, veertig voeten diep, en scheurde mijne
kleeren en huid, doordien ik met scherpe doornstruiken in aan-
raking kwam. De bijen vervolgden mij in tallooze menigten en,
had God mij niet geholpen, het ware met mijn reizen uitge-
weest. Ik had een doek in de hand, waarmede ik den heer
Henderson had willen te hulp komen , en daar ik niet kon op-
staan , breidde ik dien over de struiken uit en dook daaron-
der weg..... Ten gevolge der venijnige steken begon ik te
braken, mijne pols werd zwakker en mijn hart was mat; daar
ontdekte mij een inlander, die mij uit het struikgewas te voor-
schijn haalde en een zoo luid geschreeuw aanhief, dat mijne
vrienden kwamen toesnellen." Onder geneeskundige verpleging
herstelde hij allengs, zoodat hij naar Bombay vervoerd kon wor-
den, waar hij volkomen genas. JJoch tegen het einde van dit
jaar deden zich opnieuw verschijnselen voor van de leverziekte,
die hem zooals gezegd is naar Europa had gedreven. Dit was"
voor hem eeu ernstige vermaning tot voorzichtigheid, zoodat hij
eerst in \'t begin van 1810 in gezelschap van twee inboorlingen
de voorgenomen reis kon ondernemen. Hij was de eerste protes-
tantsohe zendeling, die het Evangelie predikte aan de boorden
van den Indus. Den len Januari was hij te Karatsji, waar hij
terstond in de bazar optrad om de boodschap des heils te ver-
kondigen. Hij trof in de stad verscheiden inlandsche Christenen
aan, die een invloedrijke positie bezaten. Zij waren te Calcoetta
in de scholen van dr. Duif onderwezen en gedoopt, hieronder
was ook een neef van de eerste Hindoesche vrouw, die hij zelf.
in de Christelijke Kerk had opgenomen, voor wien het natuur-
-ocr page 77-
.     \'-                              •V.\' ;
67
-
lijk een vreugdevolle verrassing was, hem in deze verre ge-
westen te ontmoeten. Vandaar trok hij door de bergachtige wilder-
nis, welke het Sindh-land van Beloedsjistan scheidt, naar de
oude stad Sehwan. De eerste dag van de reis bracht hem tot
den Muggur-vijver, waarin onwetende Mahomedanen tamme kro-
kodillen houden; vijf en zeventig dezer dieren , groot en klein,
leefden in dezen poel. „Zij schenen zeer tam, lieten toe dat wij hen
bij den staart gevat hielden en draaiden rond op bevel van de
fakirs in de verwachting, dat men ze een geit of eenig ander
ongelukkig offer zou toewerpen. Wij vonden Mor Saheb slapend ,
doch wekten hem met onze stokken. Hij opende zijn muil on-
geveer een el en blies en snoof als een smids blaasbalg." De
Hindoes aanbidden het dier en brengen den fakirs rijke ge-
schenken.
Den 10en Januari waren zij getuige van het neerdalen van een
sprinkhanenzwerm, waarvan de inlandsche gidsen met gretigheid
aten; daarop verzamelden zij vele versteeningen en deden allerlei
waarnemingen met betrekking tot de dieren- en plantenwereld ah-
ïnede betrekkelijk het klimaat en de weersgesteldheid van het land.
Op zekeren dag zagen zij den rook van twee stoom booten , waarvan
de eene den Gouverneur-generaal aan boord had, en zij verheug-
den zich, in het woeste land nog een ken teeken der zich verbrei-
dende beschaving te zien. Den 19en bereikten zij Sehwan, waar
zij door den Engelschen bevelhebber vriendelijk ontvangen werden.
Reeds den volgenden dag vergeleek "VVilson, wat Arrian bericht
omtrent den krijgstucht van Alexander naar den Indus, met de
plaatsen, waar nog puinhoopen verrijzen. Daar brak de Zondag aan.
„Ik heb bijna den geheelen dag met verscheiden inboorlingen ge-
sproken , hun gepredikt en boeken en traktaten uitgedeeld." Hij
las niet den geleerden Brahmaan Kakaldas een gedeelte der ver-
taling van Mattheüs\' Evangelie in de Sindhi-taal van den hoofd-
man Stack. De Brahmaan vond de taal zeer juist, en luisterde
-ocr page 78-
68
ook aandachtig naar Wilsons verklaringen. Onder zijne toehoor-
ders bevond zich een afgevallen Roomsen "katholiek uit Bassein, die
berouw scheen te gevoelen over zijn afval en gaarne met Wilson
naar Bombay ware gereisd om weer Christen te worden, had
de zendeling niet verklaard, dat hij Christus juist daar moest be-
lijden, waar hij Hem verloochend had. Den 31en Januari schrijft
hij: „Ik vertaalde de beide eerste hoofdstukkeu van een mijner
traktaten in het Persisch, hier in mijne tent aan den oever dei-
rivier. Na volbrachten arbeid nam ik mijn verrekijker en noord»
waarts over den Indus ziende, ontdekte ik de boot van dr. Duff,
die langzaam stroomaf gleed en de plaats naderde, waar ik mijne
tent had opgeslagen.
Mijn vurigste wenschen waren vervuld en weldra begroetten
wij elkander met hart en hand. Ons gevoel bij deze ontmoeting
aan dit eind der wereld na een scheiding van tien jaren was o ver-
stelpend ! De beide zendelingen trokken over Tatta en Katsj,
waar zij de Iersche stations bezochten, naar Soerat, waar zij plaats
namen op de stoomboot naar Bombay.
Ondertusschen verwekten de uitkomsten der Zending een storm
van twee zijden. De plaatselijke pers en zekere onderwijzers aan
regeeriugsscholen vielen de zendelingen op bittere wijze aan, en
beweerden, dat dezen zich niet met onderwijs moesten afgeven. Van
de andere zijde bemerkten de Parsis en anderen, die hunne kin-
deren van de zendelingsscholen genomen en op die der Regeering
geplaatst hadden, dat de waarheid ook daar nog haar kracht en
invloed deed gevoelen, zoodat sommige leerlingen zelfs tot het
Christendom overgingen. Juist in dezen tijd, nu het eerste geslacht
van leerlingen de zendelingsscholen verlaten had, zag men de wer-
king van het zuurdeeg. Daarbij kwam dat de voortdurende twist-
gesprekken, prediking , zendelingsreizen , de bijbelvertalingen en
andere boeken het bestaan van vele genootschappen in gevaar
brachten, vooral doordien deze reeds door den geestelijken invloed
-ocr page 79-
69
van de toenemende beschaving, herhaalde schokken hadden onder-
vonden. In het Oatechetenhuis ontbrak het nooit aan personen,
die onderricht verlangden. Zelfs tegenstanders brachten hunne doch-
ters naar de scholen van mevrouw Wilson, waar wel in de eerste
plaats het breien en naaien aanlokte, doch het kostelijke toegift
des Evangelies aan de kleine arbeidsters ten beste gegeven werd.
In het jaar 1850 maakt Wilson melding van twee zonderlinge
kostgangers. „Mijn beid e jonge Abessiniérs schonken mij twee jonge
leeuwinnen , die zij van hunnen koning hadden gekregen. De beesten
zijn voor de inboorlingen te Bombay voorwerpen van de grootste
nieuwsgierigheid; honderden komen er naar kijken. Ik vind ze
intusschen dure gasten; want zij verslinden voor iederen maaltijd
een geit. Men heeft er mij ƒ 1200 voor geboden en ik zal ze ver-
koopen om het geld te besteden voor evangelisatie in Abessinië.
Zij zijn buitengewoon mak en liepen Gabroe en Maricha dagen
lang na als honden; kwamen zij in een bosch en waren zij moede,
dan liepen zij er dieper in en legden zich neer, totdat men ze
met stokslagen voortdreef. Hun gebrul is verschrikkelijk. Ik bezit
nog twee andere merkwaardige dieren: een eekhorentje zoo groot
als een kat, met een staart zoo groot als een stalbezem, en een
miereneter met hoornachtige schubben op den rug als dakpannen."
Toen Wilson van een reis naar Kathiawar terugkwam, ontving
hij een bezoek van den geleerdste onder de Parsis, met name
Bamantsjidosabhai; hij was de zoon van een anderen geleerde,
wien door de Parsis was opgedragen, de aanvallen van Wilson
op het Parsisme af te slaan. Op raad van een Europeeschen vriend
had hij het twistgeschrift doorgelezen en was tot de overtuiging
gekomen, dat de waarheid aan de zijde des Evangelies.was. Hij
overhandigde Wilson een langen brief in \'t Engelsch, waarin hij
de gronden ontwikkelde, waarop hij het Christendom aannam en
den doop begeerde.
Een huisvader, die Wilson dertien jaar te voren in Ajoenta
-ocr page 80-
70
•
gehoord had , zocht hem te Bombay op en keerde daarop naar
huis terug om zijn gezin te halen. Een jonkman uit Beloedsjistan,
die Wilson op zijn laatste reis gehoord had en door zijne woorden
getroffen was, werd kort daarop gedoopt, hij was de eersteling
nit die streek. Een brief uit Nablos, het oude Siohern , van Amram
ben Saleemah, den priester der Samaritanen , vernieuwde de ver-
binding met dien stam, terwijl verseheiden leden daarvan, zich
bij een der zendelingen in Palestina vervoegden om verder onder-
wijs te ontvangen. Uit deze voorbeelden blijkt wel, hoezeer zijn
invloed zich uitbreidde en dat niet alleen bij de massa van het
onwetende volk, maar ook bij de kringen der geleerden , die door
zijne wetenschappelijke meerderheid gewonnen werden. De zen-
ding onder zijne leiding telde in \'t jaar 1853 2150 school!eerlin-
gen, waarvan 41 behalve de landstalen ook het Engelsch beoefen-
den;\'daarbij waren er 41 op de meisjesscholen. De Kerk of ge-
meente, waarvan wij het bescheiden begin boven hebben gezien,
bestond thans uit 126 volwassen leden, waaronder 55 avond-
maalgangers.
In het jaar 1855 mocht hij verscheiden der beste leerlingen
van zijn college (gymnasium) doopen , o. a. één Brahmaan en den
eersteling der Bohora\'s (eene Mahomedaansehe sekte), wien hij
als colporteur hoopte uit te zenden.
Van een anderen proseliet betuigt hij: „Hij leeft in Gods woord
en in het gebed en is machtig in de heilige Schrift. Hij wordt
door de inlanders met zekere nieuwsgierigheid beschouwd en wordt
toegelaten in kringen, waar anders niemand binnendringt. Hij
draagt het getuigenis van Jezus Christus met zich, waar hij gaat
en knoopt met velen in het zendelingshuis godsdienstige gesprek-
ken aan."
Te midden dezer voor hem zoo aangename ondervindingen
raapte de dood zijn jarenlangen medearbeider en zwager Nesbit
van zijn zijde weg, als om hem aan het onbestendige van al het
-ocr page 81-
71
ondermaansche te herinneren. Robert Nesbit had dien dag, ja
eenige uren voor dat hij als een otter van de cholera viel, nog
onderwijs gegeven.
Het volgende jaar had Wilsoii weer een zeer blijde ervaring; vier
Parsis, leerlingen van het college Elphinstone, een dier regeerings-
scholen, waar het den onderwijzers streng verboden was zelfs
bij de verklaring van Engelsche schrijvers van den Christelijken
godsdienst te spreken, meldden zich in het zendelingshuis aan
om onderwijs, en het was een goede schrede voorwaarts, dat de
Regeering tengevolge van de moeilijkheden, die hieruit voort-
kwamen, dat verbod matigde. Verscheiden andere bekeeringen
volgden nog.
Ook aan het werk der Bijbelvertaling werd in dezen tijd ijverig
gearbeid. Door Dsjandsjibai en Hormasdsji geholpen, onderwierp
Wilson de vertaling van het Nieuwe Testament in de Goedsjerati-
taal aan een zorgvuldige herziening.
De Roomsche Kerk heeft al dikwijls den draak gestoken met
de protestantsche zending, omdat deze wordt toevertrouwd aan
getrouwde mannen, alsof niet een vrome vrouw de beste troosteres
en steun ware in de nooden, den strijd en de zorgen, die aan
het leven van den zendeling verbonden zijn. Wilson althans vond
dit alles ook in de tweede vrouw, die God hem toegebracht had.
Laat ons hooren, wat hij zelf dienaangaande zegt :
„Mijne vrouw mag zich • in Indië in buitengewonen welstand
verblijden. Zij heeft reeds goede vorderingen gemaakt in de taal
der Mahratten. Zij heeft hier een ruim veld van werkzaamheid ;
want wij hebben meer dan 500 meisjes op onze scholen voor inlan-
ders." Zij zelf echter schrijft: „Mijne werkzaamheid als onderwij-
zeres neemt toe; ik besteed daaraan dagelijks vier uren, nl. van
12—4; bovendien is er tijd noodig tot voorbereiding. Daarbij
komt eiken morgen van 10—11 een les in het Mahrattisch, waarop
oud en jong in het lezen wordt geoefend; om 11 uur komt mijn
-ocr page 82-
72
Moensji om mij Hindostanseh te leeren. Uit is gemakkelijker dan
Mahrattisch, doch ik zal uiet snel vorderen, daar ik zoo weinig
tijd tot eigen studie heb. Verder heb ik de meisjes van eene
hoogere klasse; die komen om naaien en Engelsch te leeren ; wij
lezen samen in den Mahrattischen bijbel en zij leeren den Engelschen
evangelischen catechismus. Zij teekenen schoentjes voor hare broer-
tjes en hebben veel lust in Kanefaswerkjes naar eenvoudige patronen.
Sommige meisjes mijner school zijn zeer goede naaisters en knnnen
heel aardige kousen breien."
Opnieuw was Wilsons aandacht op de rotstempels van Indië
met hunne talrijke beeldwerken en inschriften gevestigd. Er
kwam geen nieuwe Gouverneur-generaal, geen lid van den Raad
van Indië te Bombay, of Wilson moest hen bij het bezoeken der
onderaardsche heiligdommen vergezellen; ook de reizigers uit
Europa en Amerika waardeerden het zeer, ze onder zijne leiding
te bezichtigen.
Met dezelfde heuschheid en welwillendheid greep hij telkens
veel schoons en wetenswaardige uit de schatten zijner kennis en
geleerdheid en verrukte allen door zijn vriendelijkheid , zijn histo-
rische en oostersche kennis, zijn aanhalingen uit de werken van
dichters en geleerden, zijn geniale of humoristische opmerkingen,
zoodat zijn gasten, zooals b. v. lady Canning, verklaarden, dat
zij nog nooit zulk een man hadden ontmoet.
Tot dezen tijd waren de prachtvolle bouwwerken prijsgegeven
aan het vandalisme van touristen; onder het voorwendsel, een
aandenken mee te nemen, had menigeen de zuilen en bas-reliefs
geschonden. Om de baldadigheid te keer te gaan werd er een
oppasser aangesteld op het eiland Elephanta, omdat de over-
oude kunstwerken altlaar, in de onmiddellijke nabijheid van
Bombay, het meest aan berooving waren blootgesteld. Wilson dacht
evenwel niet alleen aan de bewaring der aloude gedenkteekenen,
maar wenschte er partij van te trekken voor de geschied" en oudheid -
-ocr page 83-
73
kunde van Indië. Op zijn voorstel benoemde de Regeering eene
commissie, waarvan hij president werd, en die de opdracht ont-
ving, de tempels, liet beeldwerk en de inscriptiën nauwkeurig
op te nemen, er photographische afbeeldingen van te nemen en
te zorgen, dat hunne geschiedenis, architectuur en godsdienstige
beteekenis in \'t licht gesteld werd. Wilson schreef hierover twee
gedenkschriften (1848 en 1852). Met den geleerden Lassen van
Bonn onderhield hij voortdurend briefwisseling over Indische , met
professor Goldstucker te Londen en met Westergaard te Kopenhagen
over Zend-litteratuur. Toen na de annexatie van Satara een groote
Arabische bibliotheek in handen der Engelschen viel, verlangde
men van Wilson een verslag over hare waarde. Van de examen-
commissie voor beambten in de landstalen moest hij voorzitter
worden, en hij beloofde bij gelegenheid hare vergaderingen bij te
wonen; doch hij bedankte voor de betrekking van Regeerings-
overzetter of vertaler. Hierover laat hij zich in een brief aan den
Secretaris der Zendingvereeniging in Edinburg aldus uit:
„Bij deze gelegenheid meld ik u, dat de nieuwe gouverneur,
lord Elphinstone, mij voor eenige weken aanbood de betrekking
van eersten vertaler der Regeering, waardoor maar een deel van
mijn tijd in beslag genomen zou worden, en mij een bezoldiging
werd verzekerd, die mij in staat zou stellen, nog een paar zen-
delingen te onderhouden. .. . Zonder hierover met iemand te raad-
plegen, wees ik dit aanbod van de hand; want ik ben overtuigd ,
dat geen dienaar des Evangelies een wereldlijk ambt mag aan-
vaarden, hoe voordeelig zulks ook in geldelijk opzicht voor de
zaak van Christus moge zijn, zoolang ten minste de Christelijke
Kerk gewillig is hem te ondersteunen.
.....De heer Molesworth, de schrijver van het Mahrattisch
"woordenboek, is het met mij eens: „Gij hebt recht gehandeld ; geen
geldelijk voordeel kan opwegen tegen uw algeheele overgave aan
het zendingwerk!" zegt hij. — En ik denk, dat het Comité van
-ocr page 84-
\' "
74
hetzelfde gevoelen zal zijn; voor de uitbreiding van dit werk
behoeven wij te huis en in den vreemde geloof aan de beloften,
aan de voorzienigheid en aan den Geest Gods."
De afschaffing van den meisjesmoord lag hem steeds na aan
\'t hart; sinds de lang vervlogen dagen, dat hij in het huis van
dr. Cormack met de bemoeiingen van generaal Walker bekend\'
was geworden, had hij daartoe al zijn invloed aangewend, en
hij zag met blijdschap, dat zijne philantropische pogingen met
immer grooter gevolg bekroond werden. Thans schreef hij een boek
onder den titel: Geschiedenis der onderdrukking van den meisjesmoord
in westelijk Indië onder het Bestuur van Bombay
, benevens aantee~
keningen over de landen en volksstammen
, waarin hij geheerscht heeft.
1855." Twee jaren daarna verscheen een nieuwe druk van het
Mahrattisch woordenboek van Molesworth , dat door Wilson verrijkt
was met de kennis dezer taal, die hij op zijne reizen verzameld
had; een meesterlijke voorrede van zijne hand geeft een overzicht
van de taal en letterkundige geschiedenis der Mahratten. Hij
ging toen zwanger van de gedachte een nieuwe verklaring van
het Mahomedanisme te schrijven; doch het kastenwezen, dat hem
overal belemmerend tegentrad , lag hem nog nader. Hij ondernam
het, daarvan eene geschiedenis te schrijven; doch de grondigheid
waarop hij zich toelegde, veroorloofde hem slechts één deel het
licht te doen zien. (1817.) Het werk bleef onvoltooid. Nauw daar»
mede verwant is zijn werk: „Indië voor drie duizend jaren," dat
in 1858 verscheen en den maatschappelijken toestand van den
ouden Ariër beschrijft.
-ocr page 85-
75
. XI.
DE GROOTE OPSTAND EN ZIJNE GEVOLGEN
VOOR DE ZENDING. STICHTING DER
UNIVERSITEIT TE BOMBAY.
|j|ff§et jaar van den grooten militairen opstand 1857—58 was
voor Indië van beslissende beteekenis. Zoo ontzettend
de schanddaden der muiters waren, zoo zegenrijk warende
vruchten, die uit het bloed-en-tranen-zaad voortkwamen. Het
monopolie der Oostindische Compagnie werd vernietigd en ten
zegen voor de Zending aanvaardde de kroon van Engeland hare
nalatenschap. Zooals bekend is bleef de opstand hoofdzakelijk tot
het noorden van Indië bepaald; Bombay werd er nauwelijks door
bewogen; de inlanders moesten de weldaden der Europeesche
beschaving erkennen en de bekeerden hadden met de rebellen
niets gemeen. Wilson schrijft over hen in dezen tijd: „tiet zal u
verblijden te vernemen, dat de geest onzer jonggeboren gemeente
voorbeeldig is en blijft. De jongelieden en de anderen, die zich
het vorige jaar hebben aangesloten, zijn waarlijk eene aanwinst
voor haar, en liefde en eensgezindheid heersenen in het midden.
Wel poogden de oproerlingen ook aan de westelijke kusten hun
kwaad zaad te zaaien, doch slechts op twee of drie plaatsen kwam
het tot een snel onderdrukten opstand. De politie liet dan ook
de verdachte brieven op de post aanhouden en openen, en daar
zij slechts geheim schrift bevatten, dat niemand kon lezen, wer-
den zij aan Wilson ter hand gesteld. Deze, die zijn scherpzinnig-
heid aan de tempelinschriften geoefend had, vond er den sleutel
by. Men kan denken, welk een gewichtigen dienst hij de Regeering
door de ontcijfering der geheime correspondentie bewees. Hij
-ocr page 86-
7(5
haastte zich zijne familie in Schotland omtrent zijne positie ge-
mst te stellen. „De muiterij der Sipahis in Bengalen," zoo schrijft
hij aan zijne zuster (30 Juli ] 857), „duurt nog voort en men
begint nu eerst de moorddadige aanvallen af te weren. Velen onzer
landslieden, mannen, vrouwen en kinderen zijn verraderlijk ver-
moord. Onder hen zijn vijf of zes zendelingen. Met innig leedge-
voel deel ik u mede, dat ook Thomas Hunter, de zendeling der
Schotsche Kerk te Sialkot in de Pendsjaab tot hun getal behoort.
Hij is den 9den dezer met vrouw en kind omgebracht. Zij hebben
nog, voordat zij zich naar hun station begaven , eenige maanden te
mijnent vertoefd; wij kenden hen van nabij en hielden veel van hen.
Omtrent het lot van twee bekeerlingen, die bij hen waren, hebben
wij niets vernomen..... Te Bombay is, Gode zij dank! alles
rustig, zoodat ik mij kortelings sterk maakte, in \'t holst van den
nacht door de straten te gaan zonder eenig verdedigingsmiddel.
Hoe lang deze toestand van veiligheid nog duren zal, hangt van
de genadige voorzienigheid Gods af. In Poena schijnt een samen-
zwering te zijn gesmeed tot vermoording der Europeanen, doch
zij werd nog tijdig ontdekt.... Bidt voor ons en voor de zaak
van Christus in Indië." Zóó weinig oproerig waren de gemoed e-
ren te Bombay, dat de inlanders tegen het einde van 1858 zestig
duizend gulden opbrachten tot stichting van een staathuishoudkun-
dig en natuurhistorisch museum.
Het oproer deed intusschen het geweten der Engelschen ontwa-
ken; men begreep, dat de Kegeering zwaar gezondigd had door
de grondstellingen des Christendoms te verloochenen en het hei-
dendom te begunstigen. De Vereeniging voor onderwijs van inlan-
ders, de Bijbel-, traktaat" en zendelingsgenootschappen werden
met nieuwen ijver bezield. De Amerikaansche zending vestigde
een nieuw station te Audh en de Vereenigde Presbyteriaansche
Kerk van Schotland (eene door een vroegere scheiding van de
Staatskerk ontstane gemeenschap) begon haar zegenrijken arbeid
-ocr page 87-
V
77
onder de Kadsjpoeten; Wilson, die het land en volk bij gelegen-
heid van vroegere reizen had leeren kennen, werd daarbij ge-
raadpleegd. In het laatst van Ootober 1860 kwamen de twee
eerste zendelingen Shoolbred en Steele aan; Wilson en zijne vrouw
geleidden hen naar de plaats hunner bestemming. Deze onderne-
ming, zoo kort na het oproer, scheen velen angstigen gemoederen
zeer gewaagd en men vermaande tot voorzichtigheid. Wilson wist
niet van zoodanig zich in acht nemen en de uitkomst bevestigde
zijne verwachtingen.
Men moest per ossenkar een streek van 1500 Eng. mijlen door-
trekken en dat wel voor de helft gedurende het heete jaargetijde ;
Steele stierf onder weg, nadat hij door Wilsons vrouw op het
zorgvuldigst verpleegd was. Wij laten eenige uittreksels uit brie-
ven en het reisjournaal hier volgen.
Mevrouw Wilson schrijft aan eene harer zusters: „Mijn man
heeft een zeer lang gesprek gehad met den Gaikwar (den vorst
van Baroda) en schonk hem een bijbel, nadat hij zijne opmerk -
zaamheid op eenige waarheden der Schrift gevestigd had. Hij ver-
maande hem, scholen te stichten en voor het volksonderwijs in
zijn land te zorgen. De vorst antwoordde, dat niemand verlangde
iets te leeren. Ik vrees, dat hij zelf\' geen goed voorbeeld geeft;
want zijn grootste genoegen vindt hij daarin, dat hij wilde dieren
tegen elkander ophitst. Bij de laatstgehouden dierengeveehten
heeft hij f 120,000 verspild. De tolk van zijne Hoogheid is een
voormalig kweekeling onzer inrichting te Bombay en een ander
onzer leerlingen geeft den broeder Vcin den vorst onderwijs in het
Engelsch.....Deze beiden verheugden zich ons te zien en waren
ons zeer van dienst. De laatste reed ons in een der vorstelijke
wagens naar het landhuis van den Gaikwar. Het is eene kleine
villa in een grooten tuin met fraai snijwerk bezet; aan alle
wanden van het gebouw hangen tal van spiegels en prachtige
lampen; ook vindt men er eene zeldzame verzameling drinkvaten,
-ocr page 88-
muziekdoozen, wanduurwerken met zingende vogels en dansende
figuren."
Wilson zelf schrijft dd. 6 Februari: „Mijn voornaamste zende-
lingswerkzaamheid bestond in \'t voeren van gesprekken met ruiters
uit het leger; het zijn meest Sikhs, die goed Hindostansch ver-
staan , doch maar enkelen lezen het.....Zondag den 22en Ja-
nuari heb ik in de open lucht een Brahmaan uit den Himalaja, met
name Tsjintarim , gedoopt. Hij was pas drie en twintig jaar oud , en
was met ons van Bombay afgereisd , waar hij gedurende anderhalf
jaar de openbare godsdienstoefeningen der Zending had bijgewoond.
Hij was in regeerings- en zendelingsscholen in het Hindostansch
onderwezen en bezat veel degelijke kennis. Toen de familie Hun-
ter te Sialkot vermoord werd, ontfermde hij zich over een be-
keerling, met wien hij weder naar Bombay kwam. Hij had
mijne „Verklaring van liet Hindoeïsme" gelezen en was begee-
rig, kennis met mij te maken. Zoo volgde hij ons van Bombay
met het voornemen, van het Evangelie in zijn vaderland te ge-
tuigen. Enkel ten gevolge mijner prediking op deze reis, meende
hij den doop niet langer te mogen uitstellen. Ik heb een hooge
gedachte van zijn Christelijk karakter."
\'De terugreis geschiedde weer per ossenwagen en wel op een
gewone boerenkar met een dak van bamboesriet, waarover dekens
waren uitgespreid; deze toestel was zoo laag, dat de reizigers
genoodzaakt waren, voortdurend te liggen. Over een groote streek
van den weg was geen huis voor reizigers te zien; zij moesten
als Zigeuners onder de schaduw der boomen legeren.
Te Mohw huurden zij een grooteren wagen met een hooger
verdek; doch het onderstel was van ijzer en maakte een vervaarlijk
alarm. Het was letterlijk onmogelijk er in te slapen. Wilson was
totaal uitgeput en kreeg de koorts, tien dagen voor het einde
der reis. Daarbij joeg een wervelwind het stof zoodanig op, dat
beiden „zwart zagen als bezembinders."
-ocr page 89-
5
79
Te Indor woonden zij een zoogenaamde „doerbar" bij, dien
<le vorst Holkar gaf, om het verlof feestelijk te vieren , dat hij ge-
kregen had, een erfgenaam te mogen aannemen. „Holkar," schrijft
Wilson , „verlangde uitdrukkelijk een twistgesprek naar den eisch
tusschen de Brahmanen en mij. Hij zelf nam het voorzitterschap
op zich en kweet zich op onpartijdige wijze van zijne taak.....
Hij ergerde zich aan de jammerlijke rol, die de Brahmanen
speelden.
„Zij richtten verscheiden vragen tot mij, die de Maharadsja
voor kinderachtig verklaarde. Hij nam daarop zelf het woord en
vroeg mij: „Waarom slacht gij dieren?" — „Mahradsja, dit is een
vraag zoowel voor u als voor mij. (jij slacht ook dieren, al zijn
het dan kleinere, maar alleen geen koeien. Om dezelfde reden
als waarom gij vogels, geiten, schapen enz. slacht, doe ik het
koeien, daar zij mij eene goede spijze opleveren, die God niet
heeft verboden. Ik bewonder de heilige taal, het Sanskriet. Het
beste woord vooi\' mensch is manuschja, d. i. een bezield wezen.
Het woord voor dier is puxJiu, dat is, wat gedood mag worden.
J)e mensch is alzoo een verstandelijk en zedelijk wezen, geschapen
om God te dienen; de dieren zijn geschapen ten dienste der
menschen. De Veda\'s bewijzen, dat de oude Hindoes ze aten. He
dood is voor de dieren niet, wat hij voor ons is." De Brahmanen waren
geheel overbluft, als YYilson zulke gronden tegen hunne stellingen
aanvoerde. In het jaar 1854 regelde een Parlements-acte, de school-
zaken in Indië; hierbij werden voor iedere plaats volksscholeu
erkend als de grondslagen van het onderwijs; dan middelbare
scholen deels met Engelsen onderwijs in elk district en daarenboven
drie universiteiten, te Galcoetta, te Madras en te Bombay één.
Al de bestaande colleges, regeeringsscholen, privaat-inrichtingen,
Hindoe-, Mohamedaansche, Parsi- en Christelijke scholen werden
in het verband opgenomen en daaraan bijdragen uit de publieke
kassen toegekend.
-ocr page 90-
80
Wilson werd eerst tot lid van den akademischen Senaat, later
tot vice-kanselior van de universiteit van Bombay benoemd. Met
blijde verwachting had hij deze nieuwe ontwikkeling van zaken
begroet, en aan zijn invloed is hot te danken , dat onder de voor-
lezingen aan de nieuwe hoogescholen ook lezingen over Christelijke
philosophie en Bijbelkunde werden opgenomen. Het kenmerkte
den geest der inlanders, in dezen tijd, dat der universiteit van
hunne zijde de rijkste giften toevloeiden ; schenkingen van 120 , ja
240 duizend gulden en ook geringere kwamen in tot oprichting van
een universiteitsgebouw, tot stichting van eene bibliotheek, voor
beurzen ten einde reizen naar het Westen te bekostigen, voor prijs-
vragen, tot oprichting van leerstoelen voor verschillende weten-
schappen. Wilson verheugde zich in het vooruitzicht, dat aan de
oude leerstelsels van Indiö door de verbreiding van Europeesche
wetenschap mettertijd den doodsteek zou worden toegebracht.
XII.
INVLOED OP HET MAATSCHAPPELIJK LEVEN
DER INLANDERS. BOUW VAN EEN
KERK EN PASTORIE.
fllllet Brahmaïsme h^eft in den looi) der eeuwen in leer en
•SjpPy gebruiken vele veranderingen ondergaan en over \'t geheel
|* niet tot verbetering; het is in velerlei opzicht ontaard en in vele
zijner uitloopers in een modderpoel van de ruwste zinnelijkheid
geëindigd. Zoo verbreidde zich sinds het einde van de 15de eeuw
-ocr page 91-
81
de dienst van Krisjna, wier priesters aanspraak maken op goddelijk
eerbewijs en koningen (Maharadsja) genoemd worden. De godsdienst
bestaat in ontuchtige uitspattingen : gehuwde en ongehuwde vrouwen
moeten hare eer aan de priesters geven. Bovendien betalen de
vereerders van Krisjna een belangrijke schatting aan de priesters,
bestaande in een aantal procenteu van het inkomen. In Bombay
bracht een enkel handelsartikel aan de priesterschap/ 63 ,600 in het
jaar op. Dit onrecht was zoo schreeuwend, dat een inlander, die
zelf tot deze gemeenschap behoorde, het in een nieuwsblad, dat
hij uitgaf, openlijk bekend maakte (21 Oct. 1860). Eenige maanden la-
ter diende de Maharadsja, wien het gold, een aanklacht wegens laster
tegen hem in, nadat hij zijne aanhangers op straffe van uitban-
ning verboden had, voor het gerecht getuigenis af te leggen.
Wilson, die wegens zijn nauwkeurige kennis van de zeden der
inboorlingen ook in de kwestie gewikkeld werd, ontving de
uitnoodiging van de rechters om als getuige op te treden, en aan
zijn getuigenis, gegrond op geschriften en gesteund door eigen
waarneming, was het te danken , dat de beschuldigde werd vrijge-
sproken. Daardoor ontving de afschuwelijke sekte een slag, dien
zij niet gemakkelijk te boven kwam. De dagbladschrijver zelf be-
sloot, na afloop van het proces eene reis naar Engeland te onder-
nemen. Volgens Indische begrippen was dit een verschrikkelijke
ketterij, en dit veroorzaakte deswege een vreeselijke opschudding
onder de inlanders.
De meer verlichten riepen eene vergadering bijeen, ten einde
de reiskosten voor den „nieuwlichter" saam te brengen. In deze
vergadering hield Wilson een toespraak, waarin hij betoogde,
dat aan het oorspronkelijke Hindoeïsme het verbod van reizen
buitenslands geheel vreemd was, dat in oude tijden de Hindoes
op alle kusten der Indische Zee handelsbetrekkingen hadden
en overal kwamen, aan de Eoode Zee, de Persische Golf, de
kusten van Afrika tot Mozambique. Den zelfden dag woonde hij
6
-ocr page 92-
het examen bij, dat de gouverneur sir Bartle Frere hield, in een
Parsi-school, en toonde op die wijze, hoezeer hij, de vurige be-
strijder van laet Parsisme, belang stelde in den bloei eener lieidensche
school. Zijn geloofsijver was vrij van elk fanatisme en, was het
zijn ernstig streven, de dwalenden op den rechten weg te brengen,
hij kon toch elke poging aanmoedigen, welke de beschaving en
verlichting der lieidensche bevolking beoogde. Zoo stond hij b. v. m
oprechte vriendschapsbetrekking tot véle heidensche familiën, wier
leden hij in zijne scholen had opgevoed en werd door hen kortweg
Oom Wilson genoemd. Zulk eene familie was die van den rechter
aan \'t gerechtshof te Bombay, Ilao Badahoer Tirmal, van welke
hij reeds vier geslachten tot leerlingen had gehad , en wier hoofd ,
de genoemde rechter, hem een schoon getuigenis zijner dankbare
gehechtheid gaf____Hij verhaalt o. a., dat hij als knaap niet van
wiskunde hield. „Toen," zegt hij, „verklaarde Wilson mij de
vijfde stelling van Euclides\' eerste boek zoo duidelijk, dat ik sinds
dien dag van wiskunde begon te houden. Hij leerde mij meer
aardrijkskunde, sterrenkunde, dierkunde, algemeene geschiedenis
in zijne gesprekken te huis dan bij het geregeld schoolonderwijs.
.... Zijn wijze van leeren was zoo onderhoudend, dat wij van
de moeilijkheid der studie weinig merkten, maar meenden met
hem te spelen. Hij behandelde ons als een vader. Waren wij ziek,
hij verpleegde ons zelf. Mijne vrouw was tot hiertoe geheel onwetend.
Hij overtuigde mij van de voordeelen van vrouwelijke beschaving,
zoodat ik haar lezen en schrijven leerde.... Nadat ik de school
had verlaten, beval hij mij den Gouverneur aan en daaraan heb
ik de betrekkingen te clanken, die ik later mocht bekleeden."
De moeder van Tirmal Kao leerde hij in haar zestigste jaar
nog lezen. Zulke kennissen had Wilson er vele, niet alleen onder
de particulieren, maar ook onder de inlandsche vorsten. Doch het
innigst bleef hij verbonden met degenen, die door zijn invloed
tot bekeering waren gekomen en die onder de talrijke stammen
-ocr page 93-
EEN VOORNAME HINDOE-VROUW. (Blz. 82.)
-ocr page 94-
heinde en ver verstrooid waren. Op den veertigsten verjaardag-
van zijn aankomst te Bombay ontving hij dan ook een adres van
hen, waarin zij hem hunnen dank en hunne blijdschap betuigden.
Zij lieten het echter niet bij woorden blijven, maar opperden de
gedachte, eene kerk voor inlanders en eene pastorie te bouwen
en droegen daartoe aanzienlijke sommen bij. Zoo ontving Wilson
een schooner gedenkteeken, dan eenig monument had kunnen
zijn, een gedenkteeken , dat voordurend getuigt van zijn gezegende
werkzaamheid, die zich bijna over een halve eeuw uitstrekt.
Eene reeks van gebeurtenissen oefenden op Bombay in dezen
tijd een grooten invloed uit en brachten den handel op nieuwe
wegen , die na een tijd van onbegrensde zwendelarij tot een onver -
mijdelijke crisis voerden. Onmiddellijk na het dempen van den
opstand was Bombay overstroomd met vertrekkende soldaten, en
weduwen en kinderen van gevallenen. Gedurende den opstand
waren er leveranciers voor het leger, paardenhandelaars en derge-
lijk slag van volk saamgestroomd en de aankomelingen werkten niet
mede om het peil van zedelijkheid te verhoogen. Nu reeds stegen
alle prijzen van levensmiddelen en ook de Zending, onder Wilsons
leiding, werd daardoor getroffen. Wilson had namelijk tot dusver
in de wijk Ambrolie een woning in huur gehad. Nu verhoogde
de eigenaar zijn eisch tot ƒ360 in de maand, en daar deze huur-
prijs ongehoord hoog was, besloot Wilson het huis te verlaten,
waarin hij gedurende dertig jaren zooveel leed en vreugde had
ondervonden en gesmaakt. „Niet zonder weemoed," schrijft hij,
(1862) „verlieten wij voor veertien dagen eene woning, waarin
wij zoolang geleefd en in vereeniging met dierbare en trouwe vrien-
den des Heeren naam zoo dikwijls hebben aangeroepen; waarin wij
onzen uitgebreiden, veelvoudigen zendingarbeid begonnen en voort-
gezet hebben onder den zegen Gods, tot onderrichting van velen
en tot bekeering van niet weinigen; waarin wij het eerste optreden
van belijders Christi uit eiken stand, van allerlei godsdienst bijge-
-ocr page 95-
i
84
woond en om hunnentwil, vaak met eigen levensgevaar, een zegen-
r.\'jken strijd voor godsdienstvrijheid gevoerd hebben; waarin
wij de eerste tot hot Christelijk leeraarsambt geordende inlanders
voor hun heerlijk werk ingezegend hebben ; waarin zoo menige ver-
gadering van Christenen of van dezulken die het wenschten te
worden, is gehouden in tegenwoordigheid van Hem, die beloofd
heeft, dat, waar twee of drie vergaderd zijn in Zijnen naam, Hij
in het midden zijn wil. Wij ondervonden bij deze gelegenheid veel
liefde van onze vrienden, alsmede van de bekeerden en van vele
heidenen."
Doch ook door de gedachte aan de zegenende voorzienigheid
des Heeren werden de onaangenaamheden van het vertrek veel
dragelijker en deze was hierbij op kennelijke wijze merkbaar. Juist
waren de lieden van de Zending vertrokken, toen de pest uitbrak
en in den eerstvolgenden nacht 40 a 50 slachtoffers maakte in de
omringende woningen, llondom het opvoedingsgesticht werden voor
Wilson en zijn collega Stothert niet de hunnen, voor de inlandsche
catechisten alsmede voor de bibliotheek tenten en hatten opgeslagen
en ingericht. Verscheiden jaren geleden had dr. Smytton aan de
familie Wilson een landhuis op Malabar HUI ten geschenke gegeven
en tot heden had de zendeling\' aan het verlangen zijner vrouw om
derwaarts te trekken, weerstand geboden ; hij achtte het zijn plicht
onder de inlanders te leven en veroorloofde zich slechts van tijd
tot tijd een kort oponthoud te Poena of Mahablesjwar. Nu echter
betrok hij, bij het aanbreken van het heete jaargetijde, dat huis.
Hij richtte hier een logeerkamer in , waarin tal van Europeanen en
inlanders vriendelijke opname vonden. Hier vergastte hij zich, wan-
neer hij vermoeid van den last des daags en de hitte thuiskwam,
of vroeg in den ochtend aan het heerlijke uitzicht over de haven op de
West-Ghats. Hier arbeidde hij in het studeervertrek of voerde belang-
rijke gesprekken met zijne vrienden.
Het verkeer in Bombay nam steeds grootere verhoudingen aan,
-ocr page 96-
. 85
vooral door den juist uitgebroken burgeroorlog in de Vereenigde
Staten van Noord-Amerika. De Indische katoenhandel, welke dien
van Amerika moest vervangen, ging hoofdzakelijk over Bombay en
leverde verbazende geldsommen op. Achttien maatschappijen werden
ei\' opgericht; eene daarvan wilde de Back-baai, waar men nauwe-
lijks met visschersbooten kan varen , in een handelshaven herschep-
peu en, daar Wilsons huis op Malabar Hill lag, bood een speku-
lant hem daarvoor het twintigvoud van de waarde. „Ziedaar nu,
hoe ver wij het in Bombay gebracht hebben," riep Wilson uit;
„doch ik geef de dolzinnigheid een jaar tijd, dan is het er mee uit!"
Hij sloeg het aanbod af en zijne voorspelling werd vervuld.
Weldra kwamen er tal van bankroeten voor, fabelachtige sommen
werden verloren; bankiers, beambten, geestelijken werden in
den algemeenen val meegesleept; maar drie personen kwamen er,
zoo men zegt, heelshuids af en onder hen was Wilson. Bombay bleef
iutusschen als uitgangspunt _der Indische spoorwegen en der haven,
waar de schepen bij elke postreis tal van vreemdelingen uit Europa
aan land zetten ; en velen van dezen namen hun intrek op Malabar
Hill of verzochten Wilson , hun de oudheden der stad en omstreken
te toonen, o. a. de eerste onderkoning van Indië, lord Canning,
en eindelijk de Prins van Wales. Ook Livingstone vertoefde meermalen
in de gastvrije woning van dr. Wilson, besprak met hem het vraag-
stuk der zending in Afrika en liet ook zijn beide zwarte reisge-
zellen, Tsjoema en Weikatani door hem doopen (10 Dec. 1865).
Twee jaar later (1867) rustte sir Napier in Bombay zich toe
voor de expeditie tegen Abessinië, die met de inneming van Magdala
en de bevrijding der gevangenen van koning Theodorus zoo roemvol
eindigde; en weder werd Wilson geraadpleegd. De beide Abessinische
evangelisten Gabroe en Maricha waren destijds in hun geboorteland
werkzaam; Wilson beval hen bij den generalen staf aan als personen,
die gewichtige diensten konden bewijzen, en zij hebben dit werkelijk
gedaan, niet slechts in \'t belang van\'t Engelsche leger, maar ook voor
6*
-ocr page 97-
86
koning Johannes, die den ledigen troon in bezit nam. Zoo strekte zich
Wilsons invloed door zijne „kinderen in het geloof" ook tot Afrika uit.
XIII.
NAAR HET EINDE.
Ye ambten aars wereld in Indië vernieuwt zich elk oogenblik; het is
?? een voortdurend komen en gaan, en Wilson had het al dikwijls
bejammerd, dat mannen, die door hunne ervaring eerst recht
in staat waren het land te dienen, het verlieten; hoogst ongaarne
zag hij sir Bartle Frere vertrekken, met wien hij door de innigste
vriendschap verbonden was. Doch eene andere scheiding stond hem
te wachten, die hem nog dieper zou smarten. Toen de maand
September 1867 kwam, de onverdragelijkste maand in Bombay,
werd Isabella Wilson weggeraapt door den dood. Twintig jaren
lang had zij haren man ter zijde mogen staan; inderdaad een lange
arbeidstijd, slechts door een verblijf van zes maanden in Schotland
afgebroken. Zij heeft op het veld der Zending in Bombay eene
diepe voor getogen en er goed zaad in gestrooid; zij was lid van
het Dames-comité voor het Schotsche weeshuis en de Bijbelvrouwen-
vereeniging en had, zooals geen andere Europeesche dame ,
toegang in de familiën van Hindoes en Mahomedanen, Parsis en
Joden. Een talrijke rouwstoet vergezelde haar lijk naar het Schotsche
kerkhof te Bombay. Een nicht van Wilson, mej. Taylor.namde
leiding van des zendelings huishouding op zich.
Een moeilijke vraag voor de Indische zending is, zooals men
weet, de verloving en het huwelijk. Wat zal men doen, wanneer
-ocr page 98-
I
87
ten gevolge van de bekeering van den man of de vrouw de heidensch
gebleven wederhelft weigert bij den bekeerde te blijven ? Mag de eer-
ste verbinding als opgelost beschouwd en een tweede aangegaan
worden? Wilson werd hierover naar zijn gevoelen gevraagd
door het rechtsgeleerd lid van den Regeeringsraad en gaf een
duidelijk gemotiveerd , bevestigend antwoord. Een wet in dezen zin
werd uitgevaardigd en zoodoende een hinderpaal voor menigen be-
keerling uit den weg geruimd.
Boven is reeds bij gelegenheid dat er sprake was van den bouw
eener kerk voor de inlandsohe gemeente, melding gemaakt van
het jubilé, dat den 14en Februari 1869 den oud wordenden zen-
deling ter herinnering aan zijn aankomst te Bombay, nu 40 jaar
geleden, werd bereid. Ondanks de zware verliezen tijdens de crisis,
werd hem door een deputatie uit de inlanders op een kunstig be-
werkte zilveren schaal ruim 55000 gld. als geschenk overhandigd.
Wilson bekostigde met dit geld een jaarlijksche voorlezing aan
de Universiteit over taalwetenschap.
Een jaar later werd hij door de Kerk, waarvan hij lid was,
naar Schotland ontboden om eerst als president de algemeene
Synode te leiden en tot de naastvolgende vergadering de algemeene
leiding der kerkelijke zaken op zich te nemen. Den 17den Februari
1870 hield het Aziatisch Genootschap te Bombay een druk bezochte
feestelijke vergadering, waarbij de verdiensten van den eerevoor-
zitter ten opzichte der wetenschap naar behooren erkend en ge-
roemd werden. Twee dagen later was hij op weg naar Kdinburg.
De groote vraag die destijds de Vrije Kerk in beweging bracht was,
of men zich met de vroeger van de Staatskerk gescheiden (Ver-
eenigde en Gereformeerde 1\'resbyteriaansche Kerk) vereenigen, dan
of men zou afwachten , of de Staatskerk haar onrecht weer zou goed-
maken. De nieuwe president was persoonlijk geneigd den eersten
stap te doen, doch leidde de verhandelingen met de grootst
mogelijke onpartijdigheid.
-ocr page 99-
Toen het verslag omtrent de Uitwendige Zending afgedaan moest
worden , verliet hij den presidentszetel, om zijne ervaringen gednren-
de zijn veeljurigen arbeid mee te deelen en eindigde met de verklaring,
dat, al werd hij zoo oud als Methusalem, het steeds zijn hoogste roem
zou zijn, leven en krachten te wijden aan de wedergeboorte van
Indië. De volgende maanden riepen hem tot veelvoudigen arbeid :
ïm eens moest hij hier of daar prediken, dan een pas gestichte
Kerk hulp bieden om zioh behoorlijk in te richten, dan weder
aan eene zusterkerk in Engeland , Ierland of op het vasteland een
broederlijke groete overbrengen; hij hield soms toespraken voor
de studenten, leden der Zendelingsvereeniging behooronde tot de
Staatskerk, de vereeniging in 1825 door hem zelf in het leven
geroepen, en aan de Universiteit gaf hij een college over Indische
letterkunde en geschiedenis. Tot aandenken aan dezen veelzijdigen
arbeid werd zijn beeld in de Aula van \'t New College van Edin-
burg opgehangen.
Ook het Engelsch Parlement profiteerde van Wilsons aanwezig-
heid in \'t vaderland en verlangde van hem, dat hij zijne meening
zou zeggen over den opiumhandel en daarmee in verband staande
belastingkwestiën. Van een Christen-philanthroop als Wilson was
wel niet anders te verwachten, dan dat hij de schadelijkheid van
het opiumplanten voor de zedelijkheid en den landbouw met kracht
betoogde, het regeeringsmonopolie bestreed en aanbeval den ver-
derfelijken verbouw en den verkoop van het gift ten minste aan
de verantwoordelijkheid van private personen over te laten.
In den herfst van dit jaar ondernam hij de terugreis naar
Indië. In \'t voorbijgaan groette hij professor Christlieb te Bonn,
hield zich nog korten tijd op te Munchen, Alexandrië enz. en kwam
den 9den December te Borabay aan, waar hij door Dsjandsjibai
en den Nawab van Nasik met blijdschap verwelkomd werd, toen
hij aan wal stapte.
Toen na liet dempen van den opstand velen verlangden, dat er
-ocr page 100-
89
verregaande schrikinboezemende maatregelen genomen werden, had
Wilson in \'t belang der inenschelijkheid zijne stem verheven. Twee
moorden schenen in dezen tijd echter te nopen, met on verbid de-
lijke gestrengheid te werk te gaan. In den nazomer van 1871 had
een Wahabiet (Mahomedaan) den opperrechter Noman vermoord,
toen deze juist de gerechtzaal te Calcoetta binnentrad en den 8sten
Februari 1872 had een Afghaansch misdadiger op de Andamanen
(eilanden) dezelfde misdaad gepleegd op den Onderkoning, lord
Mays. De openbare meening stelde daarvoor de gansche Mahome-
daansche bevolking aansprakelijk. Getrouw aan zijne menschlievende
gevoelens, wees Wilson in verscheiden openbare vergaderingen op
de onbillijkheid van zulk een algemeene aanklacht. „Voor den
moordenaar," sprak hij bij eene vergadering van \'t Bijbelgenoot-
schap, „voor den moordenaar moet men bidden, gelijk Christus
ons geboden heeft, te bidden voor degenen die ons onrecht doen,
ik ben voor mij zelf innig overtuigd van de trouw der Mahome-
daansche bevolking in het algemeen."
In de jaren 1872 en 1873 reisde Wilson eene keer naar Nagpoer,
om de zendingstations te bezoeken en eens naar Allahabad ter alge-
meene zendelings-conferentie. Beide keeren geleek zijne reis een
triomftocht. Aan ieder station van den spoorweg was telkens eene
talrijke menigte vergaderd, heidenen zoowel als Christenen, die
allen den beminnenswaardigen ouden leeraar wenschten te zien en ve-
len vergezelden hem veertig mijlen ver om zijn gezelschap langer te ge-
nieten. Te Allahabad waren 136 zendelingen, Europeanen en inge-
borenen, van 19 verschillende genootschappen bijeen. Wilson was
•een der voorzitters; hij predikte over de heerlijkheid van Jezus
Christus en hield eene voordracht over de prediking on dei-
de Hindoes. Hij betoogde met klem, dat de kennis der land s-
talen voor den zendeling noodzakelijk is, terwijl de Engelsche taal
volgens hem was, wat de Grieksche geweest was na Alexan-
der den Groote en de Latijnsche onder de Bomeinsche kei-
-ocr page 101-
90
zers, nl. de taal van het algemeen verkeer en der beschaving.
Wilson was allengs een grijsaard geworden, en hem was de
vreugde bereid, het door zijne hand uitgestrooide zaad tot velerlei
vrucht te zien rijpen.
Een jonge Parsi, Sjapoersdji, uit een der beste familiëu, meldde
zich aan om den doop en bleef onfier alle aanvechtingen en ver-
volgingen bij zijn voornemen volharden; een voorname Hindoesche
dame deed hetzelfde. Aan zijne schoonzuster schreef Wilson in
1874: „Het verloopen jaar nam ik 18 zielen in de Christelijke
Kerk op, allen welbegaafd en van een goede opvoeding, en dit
jaar belooft een even overvloedigen oogst." Onder Wilsons leiding
zijn 1071 heidenen bekeerd. De Maharadsja Holkar schonk 600 gld.
om voor de schoolbibliotheek boeken in de volkstalen en het Sans-
kriet aan te koopen.
Wilson schreef eens een lijst van alle heidensche gruwelen , die ge-
deeltelijk onder zijne medewerking door de flegeering waren afge-
schaft: oudermoord , kindermoord , zelfmoord, menschenoifersenz. Er
zijn in die lijst vier en dertig soorten van zoodanige zonden en gruwe-
lijkheden opgeteld. Ook van het rein menschelijk standpunt moet
men de Zending zegenen, die op zulke zegepralen over ontzettende
afdwalingen mag wijzen. Toen de Eugelsche kroonprins in Bombay
kwam , was Wilsons gezondheid reeds in die mate aangetast, dat hij
Z. K. H. niet kon ontvangen; de prins kon bij de bezichtiging
der oudheden slechts gebruik maken van de schriftelijke inlichtin-
gen des zendelings.
Veelvuldige koortsaanvallen sinds 1871 en sinds 1875, een
hartkwaal in verband met aamborstigheid verzwakten den ouden
strijder van Christus. Toen hij zich naar zijn landhuis op Maha-
blesjwar wilde begeven, noodzaakte zijne krankheid hem ouder
weg terug te keeren. Zoo zat hij in een leuningstoel, een gezang-
boek in de hand meestal opgeslagen ter plaatse, waar een lied
e lezen stond, met het opschrift: „Troost bij liet naderen van den
-ocr page 102-
dood." Tot een Amerikaansch zendeling sprak hij kort voor zijn
einde: „Ik heb volkomen vrede en verheug mij , geheel over-
gegeven te zijn aan den wil des Heeren." Kr kwamen zelfs heidensehe
Hindoes om den zegen des stervenden te ontvangen. Mahomedanen
brachten hem een arts, die den Sjach van Perzië genezen had.
De beide Parsis Dsjandsjibai en Sjapoerdsji verlieten hem nauwe-
lijks. Nog in de bewusteloosheid van zijn doodstrijd spraken zij
hem in Bijbelspreuken woorden van troost toe. Zoo stierf hij in
den avond van den lsten December 1875.
Wij hebben zijn leven eenvoudig verteld, zooals het zich voor
menschenoogeu afspon; veel meer daarvan is God alleen bekend.
Wij willen hier geen lofspraak aan toevoegen. Toen hem bij zijn
veertigjarig jubilé zulk een groote eer werd aangedaan, sprak
hij: „Ik ben meer beschaamd, dan vereerd."
Den Heer zij djnk ook voor dezen arbeider, dien Hij in zijn
grooten oogst gezonden en zoolang daarin heeft staande gehouden !
Hij verwekke steeds meer degelijke mannen en vrouwen, die bereid
zijn, Hem even gewillig te dienen onder de heidenen als de nu
zalige dr. Wilson.