-ocr page 1-
BE APOSTEL VAN ZUTD-AFRIKA.
NA H. O N" X> E R X) .TA.REN HKKDACHT
DOOR
W. VAN OOSTERWIJK BRUYN.
Overgedrukt uit het „Nederlandse!) Zendingstijdschrift".
UTRECHT,
C. H. E. B RE IJ E 11,
1896.
-ocr page 2-
***WÏ /083&
*
-ocr page 3-
t5 tf i: v
r • m
BE APOSTEL VAN ZUID-APRIKA.
N"A HONDERD J^VREN HERDACHT
DOOR
W. VAN OOSTERWIJK BRUYN.
Overgedrnkt uit het „Nederlandsch Zendingstijdschrift".
UTKKCHT,
C. H. E. BB E IJ ER,
1896.
f
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK 1
lIllllllINWIIIIIllllllli
A06000034916308B
3491 6308
-ocr page 4-
-ocr page 5-
INLEIDING.
Dat de Heere God zijn plannen uitvoert op zijn eigen tijd, door
de middelen, die Hij daartoe bereidt en bestemt; vaak op geheel
andere wijze als door menschelijke wijsheid en berekening wordt
verwacht, is nergens duidelijker zichtbaar dan in de geschiedenis dei-
uitbreiding van Gods Koninkrijk op aarde, inzonderheid door de zen-
ding onder de Heidenen.
Wij mogen de pogingen der Roomsche kerk, en, in navolging van
haar werk, die der Protestantsche, met name der Hollandsche Gere-
formeerde Kerken, om de Overzeesche Landen te christianiseeren, niet
gering achten. Er werden op dit gebied heldendaden van zelfop-
offering verricht, warme belangstelling betoond, en tengevolge van
onvermoeiden ijver en trouw duizenden Heidenen gedoopt. Maar de
methode was eene verkeerde. Niet naar oprechte bekeering of persoonlijk
geloof werd gevraagd. Men won de Heidenen in het algemeen niet
voor den Heer en zijn Koninkrijk, maar voor de Kerk. Wanneer de
bewoners der verre landen een weinig kennis van den Christelijker!
godsdienst hadden en wenschten gedoopt te worden, geschiedde dit met
groote scharen. In den regel, er zijn gelukkig uitzonderingen, bleek het
later, in tijden van vervolging, of als de voordeelen vervielen, die aan
het Christenworden verbonden waren, dat het volk bij hoopen terug-
keerde tot het Heidendom. Ook gebeurde het dat, waar b. v. de
Gereformeerde Hollanders de Roomsche Portugeezen verdreven, zooals
op het schoone eiland Ceylon, bij regeeringsbesluit de Roomsche door
de Gereformeerde religie werd vervangen, waartegen de bevolking
1
-ocr page 6-
De. Johannes Theodokus van der Kemp.
-ocr page 7-
2
natuurlijk geen bezwaar had. 1) Onder de naar onze Oost-Indiën
gezonden predikanten muntten sommigen door Godsvrucht en qver
uit, de meesten echter waren niet voor hun taak berekend, en de
Oost-Indische Compagnie, de alleenheerscheresse in onze Overzeesche
Bezittingen, liet nooit de Evangelieprediking verder toe dan het hare
geldelyke belangen, die voor alles gingen, gedoogden.
Het was voor een anderen tijd dan dien van den bloei onzer
republiek, van handel en scheepvaart, van kunst en letteren, het was
voor dien van ons diepst verval en onze schandelijkste vernedering
op elk gebied weggelegd, den zendinggeest ook in ons dierbaar "Vader-
land te zien ontwaken, en zulks langs den sedert deze eeuw door God
met de heerlijkste uitkomsten bekroonden weg, door het ontwaakt be-
wustzyn, dat het de roeping is van elk geloovig discipel des Heeren, om
persoonlijk het bevel zijns Meesters te behartigen: «Gaat dan henen
in de geheele wereld: predikt het Evangelie aan alle creaturen," en
1) Nergens scheen de zending der Gereformeerde Kerk, door de O. I. Compagnie begunstigd,
heerlijker vruchten te dragen dan op dit vruchtbare eiland, ons door Engeland later afhandig
gemaakt. Honderden Heidenen werden er gedoopt en als ledematen ingeschreven; en noch-
tans was dit niet veel meer dan louter schijn. Toen de oprecht Godvreezende ds. M. C. Fos,
dien wjj in den loop van de levensgeschiedenis van dr. Van der Kemp nader zullen ontmoeten,
als zendeling en beroepen predikant in het begin onzer eeuw derwaarts ging, vond hij een
toestand, die inderdaad ontzettend heeten moest. Met zijn wensch en voornemen, om Helde-
nen tot Christus te brengen, hun bekeering en vergeving van zonden te prediken, werd, niet
het minst door zijne twee collega\'s, openlijk den spot gedreven. De Singaleezen waren trouwe
vereerders van Boeddha en noemden zich Boeddschoes. Zn\' hadden allen »den Godsdienst der
O. I. Compagnie", zooals zij het Christendom noemden, aangenomen, omdat zij anders geen
•burgerrechten bü het Gouvernement konden verkrijgen. Zij werden gedoopt door de predi-
kanten, die daartoe het land doorreisden, maar geen Singaleesch verstonden, na opzegging van
het Gebed des Heeren, soms ook de Twaalf Artikelen des Geloofs en de Tien Geboden, waarbij
de schoolmeester als tolk diende, en werden dan aan de tafel des Nachtmaals toegelaten, zon-
der verder toezicht of tucht. Ds. ros, die dit alles met de diepste smart ervoer, getuigt er
van: »0, wat zu\'n wij in Holland, door de fraaie berichten van buiten in de Synodale acten,
menigmaal schandelijk misleid geworden." Zoo ging het met de zending onder het bestuur
der O. I. Compagnie, en geen wonder: niemand kan twee heeren dienen; ook zij konden niet
God dienen en den Mammon. De vrome Vos kon het te Colombo, de hoofdstad van Ceylon,
niet uithouden. H(j moest zyn ontslag nemen en vertrekken.
Zie: "Merkwaardig verhaal aangaande het leven en de lotgevallen van Michiel Christiaan
Vos"
te Amsterdam, by U. Hbveker, 2e deel, 1850, pag. 1S1 e. v.
In het «Evangellscbes Missions-Magazin" (Bazel, 1894) leest men hieromtrent:
"Die 300jiihrige Christenmacherei hatte keine Umwandlung des Herzens und des Lebens
ausgerichtet, und so konnte diese Christianisirung Ceylons auch keinen Bestand haben. Auch
die üussere aufgezwungene Religion, die schone Kirchengebiiude, die die Holliinder aut der
Insel erreichtet hatten — sle verdelen und sanken mit der Zeit in Trümmern.
»In Colombo wurdevondiesen Regierungs-Christen Buddba nichts minder angebetet als von
den erkliirten Heiden.
"Noch immer zehrt die mit vielen Kratten belriebene Arbeit dort In gewissem Sinnc von den
alten Zwangmassregeln der Holliinder."
-ocr page 8-
3
der erkentenis dat niet het leden winnen voor eene kerk, maar het
maken van zondaars tot «discipelen des Heeren", het doel is dezer
roeping.
Alzoo hadden het de eerste Discipelen des Heeren begrepen. Overal
waar zij kwamen, verzamelden zij uit Joden en Heidenen een kleine
schaar van geloovigen, en predikten het woord. Hieruit ontstond
eene Gemeente met de aan de gemeenschap verbonden zegeningen,
die de woede der vervolging kon weerstaan en zich uitbreidde naar
alle zijilen.
Door het Roomsche beginsel eener zaligmakende kerk, in plaats
van een éénigen Middelaar en Zaligmaker der wereld, was de indivi-
dueele roeping der geloovigen onderdrukt, en de Kerken der Hervor-
ming hadden in haar snellen overgang en ontwikkeling hetzelfde
beginsel, bij de toebrenging der Heidenen, grootelijks toegepast.
De 19e eeuw was door God bestemd om daarin een ontzaglijk
groote verandering teweeg te brengen. Zij is de zendingseeuw bij
uitnemendheid. Maar evenals de opgaande zon geregeld haar mor-
genrood en schemering vooraf zendt, aleer zij gloeiend en lichtend
aan de kimmen verschijnt, zoo komt het licht in Gods geestelijke
wereld niet op, voordat zijn komst door glinsterende stralen, als zoo-
vele voorboden, is aangekondigd. Dit zien wij ook in de geschie-
denis der zending. Reeds in de vorige eeuw werden er teekenen
gezien, die de naderende gebeurtenissen voorspelden.
In Denemarken was door koning Frederik 1V het eerste Luthersche
Genootschap tot bekeering der Heidenen in Oost-Indië gesticht. Twee
zendelingen, door den beroemden August Hermann Francke opge-
leid, werden den 9den Juli 1706 naar Tranquébar gezonden. Onder
het bestuur van den vromen koning Christiaan VI nam de belang-
stelling in dergelijken arbeid niet weinig toe. Het medelijden met
den nood en de ellende der arme Heidenen werd de drijfveer, die
de harten en handen tot handelen bewoog. Maar vooral de edele
Graaf von Zinzendorf wist in de Broedergemeente de levendige
overtuiging op te wekken, dat elk harer leden persoonlijk geroepen
was aan de zending onder de Heidenen mede te werken, en weldra
werden de boodschappers van goede tijding naar Oost en West gezon-
den, met verachting der schijnbaar onoverkomelijkste moeilijkheden
en bezwaren, en niettegenstaande de algemeene tegenwerking en
het wantrouwen zelfs der officieel e kerken.
-ocr page 9-
4
Ook Nederland ontving een deel van den zegen, dien deze trouwe
dienstknechten des Heeren overal verspreidden, en Suriname toont
nog heden de vrucht van hun Gode verheerlijkenden arheid.
In Engeland had de geestelijke opwekking door Whitefield en
Wesley, als middelen in Gods hand verwekt, niet alleen de doode
kerken doen herleven, maar het hart en den blik der geloovigen
verruimd. Wesley noemde de geheele wereld zijn arbeidsveld, en de
geloovigen begonnen in te zien, hoe schandelijk zij hadden verzuimd
voor het geestelijk welzijn der Heidenen, vooral in eigen koloniën,
te zorgen.
Toch werd dit gevoelen eerst aan het eind der vorige eeuw in
Engeland meer algemeen.
Ook hier geschiedde dit niet op de wijze, die de menschen daartoe
hadden voorgeschreven. Niet door de officieele kerken; maar, gelijk
altoos in Gods Koninkrijk, door de mannen, die God daartoe op zijn
tijd verwekt en met de noodige gaven toerust.
Hij, die daartoe in Engeland was bestemd, was de nederige en
geringe schoenmaker, of nog liever schoenlapper, William Carey.
Toen hij tot de overtuiging kwam, dat de belijders des Heeren
diens bevel schandelijk hadden vergeten, om aan alle creaturen het
Evangelie te prediken, was hij voorganger in eene Baptistische
gemeente, en had bewezen voor dit ambt beter geschikt te zijn dan
voor dat van schoenmaker of van schoolmeester, beide eerst door
hem beoefend. Hij werkte met zegen in zijn gemeente; maar
zijne denkbeelden omtrent de Zending vonden overal de grootste
tegenspraak, ja tegenwerking en verachting van alle kerkelijke en
wereldlijke machten. Dit schokte hem geenszins in zijne overtuiging.
In 1788 werden voor het eerst zendingbidstonden gehouden. Carey
besloot in 1793 zelf als zendeling naar Engelsch Oost-lndië te gaan;
twee vrienden vergezelden hem. Dit werk was, niettegenstaande alle
vijandschap en bespotting, zoo voorspoedig, dat de Bijbel door Carey
in onderscheidene talen werd overgezet en vele Heidenen voor den Heer
werden gewonnen. Dit alles werkte niet weinig er toe mede, om
de oogen der Christenen in Engeland voor hunne roeping tegenover
de Heidenen te openen, en werd het begin dier opwekking, om heinde
en verre de blijde boodschap te brengen, die zich nog steeds uitbreidt
en overal heerlijke vruchten draagt.
De nieuwe zendingseeuw wordt dan ook gerekend met 1788 te
-ocr page 10-
5
zijn aangevangen, en in 1888 werd in Exeter-Hall te Londen het
schoone Eeuwfeest der zending gevierd, dat 1400 afgevaardigden uit
alle deelen der aarde samenbracht, om uit den mond der ooggetui-
gen te vernemen, wat groote dingen de Heer gedaan had onder de
Heidenen, en de middelen en methodes te bespreken, die moesten
worden gebruikt, om met het beste gevolg den arbeid voort te zetten.
Zeker heeft tot verspreiding van de kennis der waarheid over de
geheele aarde niets meerder bijgedragen dan de oprichting in 1803
te Londen van het Britsch en Buitenlandsch Bijbelgenootschap,
dat ik niet kan nalaten nog te vermelden. Het heeft in de chris-
tenlanden den Bijbel onder ieders bereik gebracht, de oprichting van
andere genootschappen, ook van het Nederlandsche, bevorderd, en is
thans bezig om in meer dan 300 talen of tongvallen de verspreiding
der Schrift in alle werelddeelen te bezorgen. Voor de boodschappers
en voor het Boek met de boodschap zorgde de Heer op zijn tijd
overeenkomstig de door Hem gewekte behoefte.
Zoo was dan de zendingseeuw aangebroken. Maar in Nederland
werd gedurende langen tijd niets bemerkt, dat naar eene alge-
meene opwekking ten gunste der Evangelie-verkondiging onder de
Heidenen geleek. Wat de kerk in dit opzicht deed, vond weinig of
geen belangstelling bij hare leden, en zulks niettegenstaande de roep-
stem, die door de Hernhutters ook ons land had bereikt; niettegen-
staande hun voorbeeld, als die in onze plaats gingen verrichten,
wat wij, een der groote zeemogendheden, hadden verzuimd;
niettegenstaande zelfs in 1793 door de Broedergemeente te Zeist
een genootschap was opgericht, voornamelijk tot ondersteuning der
zending van de Moraviërs.
De omstandigheden waarin het vaderland verkeerde waren, helaas,
ook allerdroevigst, en schrikkelijke gebeurtenissen, als de vrucht van
een diep verval, op handen.
Om de wonderlijke wegen Gods en zijne vrijmachtige genade te
kunnen bewonderen, zooals die in de geschiedenis van den held van
dit verhaal, Dr. Van der Kemp, heerlijk uitblinkt, is het noodig
op de toestanden dier dagen een vluchtigen blik te werpen.
Wie de vaderlandsche historie iets meer dan oppervlakkig bestu-
deert, vindt dat inwendige verdeeldheid altoos de vloek is geweest
van ons volksbestaan.
-ocr page 11-
I
6
Wat al politieke en kerkelijke twisten hebben op onzen bodem
als onkruid gewoekerd! Dan alleen was de republiek groot, als een
verheven beginsel het volk bezielde en samenbond: indien het om
vrijheid van godsdienst, om de ware religie, die des Bijbels ging;
ook wel, maar zonder blijvende vrucht voor het christelijk leven, als
de machtige hefboom van geldelijk voordeel den koopmansgeest be-
zielde, en onze schepen op alle wateren deed zegevieren; onze drie-
kleur aan alle stranden der wereld deed wapperen; doch zulks, helaas,
niet zelden met vertreding van alle gerechtigheid, en bevordering van
allerlei ongerechtigheid onder de Heidensche volkeren, wier landen
werden in bezit genomen door de de machtige O. I. Compagnie.
De sterke arm en het verstandig beleid van een Prins van Oranje,
die gedurende eenigen tijd de Republiek wist te regeeren, en de
verschillende elementen te bewegen tot eendrachtige gehoorzaamheid,
had dikwijls redding gebracht. Maar deze samenbindende macht ont-
brak aan het einde der vorige eeuw.
Prins Willem V was geenszins opgewassen tegen de moeilijkheden
aan zijn regeering verbonden. Hij wist den tijdgeest niet te bezweren,
veel minder haar uitbarstingen te onderdrukken. Hij was te goed
voor zijn tijd, voor zijn volk, en zag zich in zijn verwachting, dat
hij door toegeven zou overwinnen, danig teleurgesteld.
En welke was die tijdgeest?
Om op deze vraag te antwoorden, moet een der donkerste bladen
onzer vaderlandsche geschiedenis worden opengeslagen.
Die tijdgeest was dezelfde, die in Frankrijk het revolutievuur ont-
stak, dat alles verteerde, wat het wist te bereiken. De geest, die
het goddelijk recht en het goddelijk gezag vertrapt, om daarvoor
de rede van den zondigen en verdwaasden mensch in de plaats te
stellen.
Wel was de Republiek der Vereenigde Nederlanden reeds sedert
meer dan een eeuw in macht en aanzien schromelijk achteruitgegaan.
Wel was het geestelijk leven, hoewel men in 1619 getracht had, het
in een sterke Calvinistische vesting tegen eiken vijand te beschutten,
veelal verloopen in doode orthodoxie; een ijveren voor de zuivere
uitlegging der Schrift, volgens het kerkelijk voorschrift, ging gepaard
met groote lichtzinnigheid van wandel en ruimte van geweten, en
eene strenge veroordeeling van alle openbaring van christelijk leven,
dat van de voorgeschrevene vormen verschilde. Intusschen was
-ocr page 12-
het zaad van twijfel en ongeloof welig opgewassen, ook binnen de
muren der kerk, al werd dit nog veelal, uit vrees voor het aan de
waarheid gehechte volk, door de voorgangers bedekt gehouden.
De bodem was echter bereid, en toen uit Frankiijk de denkbeel-
den omtrent de rechten van den mensch, om namelijk het gezag
van niemand dan van zichzelven te eerbiedigen en te erkennen, onder
de schoone leuze van vrijheid, gelijkheid en broederschap naar de
Nederlanden overwaaiden, vonden ze daar een groot aantal voorstan-
ders. De oude partijzucht ontwaakte tusschen Patriotten en Oran-
jeklanten,
maar de tegenstanders van Oranje verkregen hoe langer
hoe meer invloed, ja, men kan zeggen, dat, op weinige uitzonde-
ringen na, de geest der Revolutie algemeen het overwicht had.
Tegenover dien stroom kon allerminst een versteende kerk een dam
opwerpen; hij zou weldra, alles meêsleepend en verwoestend, het
arme vaderland met ondergang bedreigen.
Van 1795 tot aan de wederkomst van een Oranjevorst werd nu
een onnoemelijk aantal rampen door Gods rechtvaardig oordeel over
ons volk uitgegoten.
De geldmiddelen, reeds in benarden toestand, werden telkens en
telkens weder op de onrechtvaardigste en ondragelijkste wijzen uit-
geput door de meesters, die het volk, dat geen meester boven zich
erkennen wilde, met onverbiddelijke gestrengheid en onbarmhartig-
heid regeerden, sedert Prins Willem V den 18den Januari 1795 op
een visscherspink van Scheveningen naar Engeland was gevlucht.
Engelsche hulptroepen verbitterden het volk. De Franschen, als
reddende engelen ingehaald, zogen het uit en leefden te onzen koste. 1)
1) De navolgende Belastingen werden van 1795 tot 1808 geheven:
Foor Holland.
1795.    25 Maart. Opbrengst van goud en zilver.
17 Juli. Helling van 6 % op de bezittingen.
1796.    30 Juni. Helling op de inkomsten proportioneel (b(| klassen) van 3 tot 30%.
10 Aug. 6% op de bezitlingen.
1797.    12 Oct. 80ste penning: ll°/„ op de bezittingen.
1798.    18 Jan. Weder 1(\'|, als voren.
14 Febr. 1 % en i % » » ,
Bataafsche en algemeene heffingen.
1797.      5 Dec. 8 % op de inkomsten.
1798.    30 Nov. 4 °/„ op de bezittingen en 3 en 10 "/„ op de inkomsten.
22 Dec. Anticipatie van 57„ op de inkomsten.
1799.      1 Oct. 1 "/„ op de bezittingen.
1800.    19 April. 3% op de bezittingen.
30 Oct. 2, 4 en 7 % op de inkomsten.
5 Dec. 25jarige belasting van 3% op de inkomsten.
-ocr page 13-
8
Wat zij kochten betaalden zij met nietswaardig papier. Onze koop-
vaardijvloot, honderden schepen sterk, met al hun lading, viel den
Engetechen in handen, die ook onze schoone Koloniën in bezit namen.
De eene ellende volgde op de andere, door geen welwillenden koning
Lodewijk Napoleon voor een tijd te keeren. Er bleef van al onze
oude heerlijkheid niets, letterlijk niets meer over: arm, veracht en
verachtelijk was de machtige Nederlandsche Republiek geworden.
Wie van kwade tijden spreken wil, spreke van die van voor 100
jaren. Maar wie van de wonderen van Gods almachtige goedheid
en trouw wil gewagen, bedenke hoe hetgeen onmogelijk scheen
geschiedde; hoe, nadat de zesde Prins van Oranje in 1813 tot
Souvereinen Vorst der Nederlanden werd uitgeroepen, datzelfde iVe-
derland toch weer opfleurde en bloeide, en een rijk, welvarend land
mocht worden, onder het welgemeend bestuur van koning Willem I.
Dat echter juist gedurende de barensweën der revolutie, gedu-
rende de algemeene verwarring, gedurende de opgewondenheid der ge-
moederendoor allerlei verdeeldheid en zich snel opvolgende gebeurtenissen,
de zendingsgeest in ons Vaderland zou ontwaken en zich openbaren in
het leven van een man, dien wij met recht den Apostel van Zuid-
Afrika
mogen noemen, en door wiens optreden de stoot werd
gegeven tot de oprichting van het eerste Nederlandsche zendeling-
genootschap,
dat kunnen wij niet anders noemen dan een wonder
Gods, Wiens wegen hooger zijn dan onze wegen en Wiens gedachten
beter zijn dan de onze.
Met het leven van dezen merkwaardigen man willen wij ons thans
bezighouden.
1801. 19 Juni.      2% op de bezittingen.
5 Sept.      4% op de inkomsten.
1808. 26 Febr.     .] % op de bezittingen en 2 7„ op de inkomsten voor 8 jaar.
8 Juli.       4 % 25jarige helling op de inkomsten (1801).
1803.                        2u/0 op de bezittingen. Nog in dit jaar r/, op de inkomsten; i% op de
bezittingen van 1802.
1804.    9 Juli. i"/„ op de bezittiugen en op de inkomsten hij classificatie. Nog T/, op
de inkomsten en ! 7, op de bezittingen, als in 1802—1803.
1805.    25 Maait. 2% op de bezittingen. Nog 1 termijn van 1804, behalve de 25 3 en8Jarige
hellingen boven vermeld.
Bovendien werd nog eene vrijwillige Negociatie-Loterlj gesloten in twee series, elk van 30
millioen gulden.
Zie: »JV. G. van Kampen, Verkorte geschiedenis der Nederlanden", 2e druk, Haarlem 1827,
2e deel, pag. 456.
Bij de komst der Franschen werd honderd millioen gulden schatting gevorderd. De 2300°
man Fransche troepen moesten van volledige kleeding worden voorzien, enz.
-ocr page 14-
HOOFDSTUK I.
IN DE DUISTERNIS.
Wij hebben getracht in onze inleiding de toestanden te schetsen,
waarin ons dierbaar Vaderland vóór honderd jaren zich bevond; hoe
algemeen en diep het verval was; hoe hart en geest werden bezigge-
houden door den ernst der politieke verwikkelingen, die elkander met
snelheid opvolgden, en telkens de omstandigheden verergerden, het
nationaal vermogen verteerden, onze macht en roem vernietigden.
Toch zou juist in dien tijd de zendinggeest ook in Nederland
ontwaken, en gepaard gaan met een herleving van den waren
Godsdienst; want God is vrijrnachtig en onafhankelijk, en het werk
zijns Geestes openbaart zich als de wind, »die blaast, werwaarts
Hij wil."
Het middel, door God gebruikt, om in deze sombere tijden zulk.
een liefelijk licht te ontsteken, was de held van dit opstel: Johannes
Theodorus Van der Kemp. 1)
Aan de te Rotterdam geachte en welgestelde echtelieden, den
doctor en hoogleeraar in de Godgeleerdheid Comelis Van der Kemp
en Anna Maria Van Teijlingen, dochter van den burgemeester
der Maasstad, werd den 47n Mei 1747 een zoon geschonken,
die Johannes Theodorus werd genoemd. In zijn voornamen lag
als een profetie van \'t geen zijn leven zou vertoonen. Hij zou
blijken een Johannes — van God beminde, een Theodorus —
gave Gods te zijn. Maar langs welke duistere en wonderbare
I) De meeste bijzonderheden van deze levensschets zgn door mü ontleend aan de uitnemende,
zeer lezenswaardige «Levensgeschiedenis van den Med. Doctor Johannes Theodorus van der
Kemp,
zendeling tot uitbreiding van het Evangelie onder de Heidenen van Zv,id-Afrika", door
Mr. D. C. Van der Kemp, procureur-generaal van het Provinciaal Gerechtshof van Noord-
Holland. Amsterdam, J. H. en G. Van Heteren, 1864.
-ocr page 15-
10
•wegen moest hij datgene worden, waartoe hij bestemd was! Zijn
vader schijnt een vroom man te zijn geweest; maar vooral uit de
brieven van zijn eenigen broeder, Didericus Van der Kemp, 16 jaren
ouder dan hij, blijkt welk een teedere liefde en bezorgdheid voor
het heil zijner ziel deze koesterde. Hij was Doctor en Hoogleeraar
en tevens predikant bij de Ned. Hervormde gemeente te Leiden.
Van de kinderjaren van onzen Van der Kemp is ons niets naders
bekend, dan dat hij vlug was van begrip, en, toen hij aan het leeren
kwam, een groote voorliefde voor de studie van talen openbaarde.
Wij zullen later bespeuren, hoe hij in alles en dus ook hierin door
God werd voorbereid en gevormd tot een werktuig in zijn hand, om
zyn naam bekend te maken onder de Heidenen. Hij studeerde,
nadat hij de school te Rotterdam had verlaten, te Leiden, om dokter
in de geneeskunde te worden.
Intusschen hielden ook Godsdienstige vraagstukken zijn geest bezig
en, gelijk op elk ander gebied, was hij ook op dit een voorstander van
zelfstandig onderzoek. Het schijnt ook, dat de leer der rechtvaar-
making uit het geloof hem eenigszins eenzijdig was voorgehouden.
Hij moest echter erkennen, dat de H. Schrift haar leert; en,
daar hij met zijn arm menschelijk verstand ze niet kon begrijpen,
deed hij, wat in alle eeuwen vele wijzen der wereld hebben gedaan,
hij verwierp om die reden geheel de leer des Bijbels. Hiermede ont-
zonk hem echter elke vaste grond onder de voeten. Wel vinden
wij bij hem, ook in den tijd zijner grootste afdwaling van den rechten
weg, een voortdurend ernstig zoeken naar de waarheid; maar na-
tuurlijk vruchteloos. Hoe kon hij levend water vinden, zoolang hij de
eenige ware Bron verachtte?
Zonder breidel holde hij nu den breeden weg op, en leidde een
losbandig leven. De studie verwisselde hij in 1766 voor den ruwen
krijgsmansstand. Daar was zedeloosheid geen hinderpaal om vooruit
te komen. Zijn meer dan gewone bekwaamheid bleef niet lang onop-
gemerkt, en in 1771 werd hij reeds tot kapitein bevorderd.
Hoezeer dit gedrag zijn vromen broeder, maar bovenal zqn eer-
waardigen vader tot bitter zielsverdriet was, kan men denken. Maar
de teederste vermaningen bleven vruchteloos. De jonge Van der Kemp
verhardde zijn hart, niettegenstaande de smeekbeden en de smart
zjjns vaders, die na den dood van zqn geliefde gade met recht uitriep:
»Ik ben de man, die gespaard word, om ellende te zien."
-ocr page 16-
11
Toen hij het voornemen te kennen gaf, om zijn ontaarden
zoon te onterven, ontwaakte deze een oogenblik uit zijn kille onaan-
doenlijkheid. Hij verzocht zijn vader dringend dit voornemen op te ge-
ven. Bij die gelegenheid schreef hij deze merkwaardige woorden, die ons
een blik doen slaan in de schuilhoeken van zyn hart, en ons leeren, hoe
ongelukkig de dienst der zonde altoos hare slaven maakt: »Ik geloof,
dat ik wel eenig medelijden verdien, al ware het slechts, omdat ik
mijn straffen, die bijna ondragelijk zijn, in mijn boezem met mij
rondvoer."
Van een droefheid naar God, van een ernstige begeerte om zich
te bekeeren, was echter nog niets te bespeuren. De eenige weg daartoe
had hij zich door eigenwijsheid afgesneden, er bleef hem dus niets
dan sombere wanhoop over.
Het was vooral zijn reeds genoemde broeder, die hem in dien toe-
stand zocht te bewegen tot het zoeken van den weg des behouds.
Aandoenlijk is het te lezen, hoe hij zijn »teeder geliefden broeder"
voorhoudt, «zoover te zijn gekomen, dat hij of terugkeeren, of in een
afgrond nederstorten moet." Doch het was alles vruchteloos. Van
der Kemp
bleef verkeeren in \'t geen hijzelf »een eigenlijk gezegde
slavernij" noemde. Ook het ontslapen zijns vaders, wellicht door
zijn goddeloosheid verhaast, bleef zonder een heilzamen indruk op hem
te maken, en hem uit den slaap der zonde te doen ontwaken.
Maar, en dit was altans nog een lichtpunt in zoo groote duis-
ternis: hij bleef zich ongelukkig gevoelen. Een welbehagen in de
ongerechtigheid had hij niet. Zelfs te midden zijner afwijkingen
bleef hij ernstig zoeken naar iets beters, en gaf zelfs, als vrucht zijner
overdenkingen, in 1775 te Leiden in het Latijn een godsdienstig-
wjjsgeerig boek uit, waarin altans het bestaan van een heilig en
onbegrijpelijk Opperwezen werd verdedigd.
Deze neiging, om zich met ernstige of altans diepzinnige vraag-
stukken bezig te houden, verhinderden hem echter niet zijn harts-
tochten den vrijen teugel te vieren, en zelfs in overspel te leven met
de vrouw van een barbier uit Rotterdam, die hij te Leiden huis-
vestte, en die hem een dochter schonk, welk kind hij als het zqne
aannam, en bij zich behield, ook nadat de zondige verbintenis was
afgebroken. Men zou te midden van dit alles zijn voortdurende
liefde voor wijsgeerige studiën onverklaarbaar kunnen noemen, als
men niet het menschelijke hart kende, dat bijna altoos nog een
-ocr page 17-
12
zuchten behoudt naar bevrijding en verlossing, ook al wordt het
door de macht der zonde verhinderd tot de vrijheid door te breken;
en als wij niet den verderen levensloop van dezen verloren zoon ken-
den, die op zoo schandelijke wijze zijn goed doorbracht.
De oude lust tot de studie deed hem in 1780, na veertienjarigen
diensttijd, besluiten een eervol ontslag uit den krijgsdienst te vragen,
dat hem dan ook verleend werd. Hij wilde zich naar Edinburg bege-
ven om daar in de wijsbegeerte, die er in hooge eere stond, te
studeeren. Aleer hij derwaarts vertrok, wenschte hij zich echter in
den echt te begeven, en toonde in de wijze, waarop hij trachtte dit
doel te bereiken, weder zijn verregaande lichtzinnigheid.
Op zekeren dag reisde hij van Amsterdam naar Haarlem, gelijk
het in die dagen de gewoonte was, met de trekschuit. Hij ontmoette
daar een vischvrouw, die bokking verkocht, en vroeg haar ten huwe-
lijk! Zij was echter verstandig genoeg om dit aanbod af te slaan.
Dit ontmoedigde hem echter niet. Zijn weg naar Leiden vervolgend,
werd hij in de Haarlemmerstraat aldaar getroffen door het liefelijk
gezang van een jeugdig meisje, dat bezig was met spinnen, en bleek
de dochter te zijn eener arme weduwe. Nu wendde hij zich met
het door de vischvrouw afgeslagen aanbod tot de spinster, en zietl
hier verkreeg hij zijn wensch. Korten tijd daarna, den 8sten Mei
1780, werd tusschen Helena Frank en onzen Van der Kemp een
wettig huwelijk gesloten. Dit was Gods hand. Helena was, niet-
tegenstaande haai- lichtzinnig huwelijk, een vrome vrouw, die op
haar man zulk een gezegenden invloed uitoefende, dat hij uitwendig
geheel veranderde, en met haar een gelukkig leven leidde. De echt-
genooten schijnen elkander hartelijk lief te hebben gehad.
Te Edinburg werd de naam van Van der Kemp weldra bekend
als dien van een uitstekend geleerde; een boek, Parmenides gehee-
ten, maakte hem algemeen beroemd. Hij bewees daarin tot de groep
van wijsgeeren van het laatst der vorige eeuw te behooren, die, met
stellige verwerping der Goddelijke openbaring en van de leer der
verzoening en verlossing door het bloed van Jezus Christus, nochtans
aan een almachtig God, Schepper der hemels en der aarde, gelooven,
die eenmaal ook het gevallen menschdom weder zou terechtbrengen.
Terwijl hij in Schotland studeerde, kwam nog een ernstige roep-
stem tot hem. Zijn eenige, hem zoo teeder liefhebbende broeder,
was ontslapen. En nu deelde de weduwe hem dit mede, hem zijn
-ocr page 18-
13
heerlijk ziek- en sterfbed meldend, en ernstig vermanend zich
tot denzelfden Heiland te wenden, die de rotssteen van \'t ver-
trouwen haai\'s mans was geweest. Doch het mocht niet baten. Er
waren harder slagen en roepstemmen noodig, om hem te doen ont-
waken uit den geestelijken dood.
Van der Kemp had ook de studie van zijn oud vak, de genees-
kunde, weder opgevat, en werd den 27sten Juni 1^2 op eervolle wijze
tot Doctor in de Genees- Heel- en Verloskunde bevorderd.
Daarna keerde hij naar het Vaderland terug, vestigde zich te Mid-
delburg
als geneesheer, was daar algemeen geacht, en werd ten
blijke daarvan tot kolonel benoemd der stedelijke schutterij.
Maar wij kunnen wat er verder geschiedde gevoegelijk rekenen
als te behooren tot het tweede tijdvak zijns levens, en het eerste als
afgesloten achten door zijn terugkomst in het vaderland, niet als
een bekeerd, maar toch als een fatsoenlijk man, van onberispelijken
wandel.
HOOFDSTUK II.
DE MORGENSTER GAAT OF.
Dr. Van der Kemp had nu het pad der losbandigheid en ong%-
rechtigheid geheel verlaten. Ja, zijn uitwendig leven muntte uit door
voortreffelijke eigenschappen, Hij onderscheidde zich als geneesheer
door buitengewone bekwaamheid en nauwgezetheid. Ook bleef hij
voortdurend met ernst naar den weg des heils zoeken. Merkwaardig
is het, met het oog op \'t geen verder zal geschieden, dat hij bij zijn
wijsgeerige beschouwingen steeds op den voorgrond stelde, dat God
rechtvaardig is, en dus het kwaad moet straffen. Op dezen weg zou
de Heere God hem ontmoeten; een ontzettende gebeurtenis zou hem
onder het gewicht van Gods slaande hand verbrijzelen — en behouden.
Wonderbaar zijn des Heeren leidingen met zijn uitverkorenen.
Allerlei omstandigheden moesten medewerken om zijn raad te volvoe-
ren, en Van der Kemp uit Middelburg te doen vertrekken.
-ocr page 19-
14
Van de binnenlandsche beroerten, die ons vaderland aan het einde
der vorige eeuw teisterden, is reeds met weinige regelen gewa. ge-
maakt. Ook Middelburg moest daarvan de treurige gevolgen sma-
ken. Zeeland was over \'t algemeen den Prins van Oranje zeer
genegen, en is het ook het meest en het langst gebleven. Alle
openbaringen van een tegenovergestelden geest gaven tot heftige volks-
manifestatiën aanleiding, en zooals gewoonlijk werden daarbij groote
onrechtvaardigheden bedreven; niet zelden kwam het tot oproer en
plundering bij het gepeupel. Van der Kemp werd, terecht of te
onrecht, dat is niet uit te maken, voor een patriot (ook keezen ge-
noemd). dat wil zeggen, een tegenstander van Oranje, gehouden.
Hijzelf verzekerde, dat dit niet het geval was; waarschijnlijk had hij
zich geheel buiten den strijd gehouden, en zich aan studie en prak-
tijk gewijd. Hoe dit zij, in 1787 kwam het tot een oploop, tenge-
volge van een bezoek van den heer Van den Zandheuvel uit Vlissin-
gen
te Middelburg, omdat deze op zijn jacht, behalve de Prinsenvlag
een klein rood vlaggetje liet wapperen, dat men voor een bewijs van
keesgezindheid hield, en hetwelk de schipper niet verkoos neer te
halen, hoewel het volk dit eischte. Dr. Van der Kemp werd onschul-
dig in de zaak betrokken en door het gepeupel zwaar mishandeld;
zijn huis werd geplunderd, zonder dat de Overheid, die helaas ook
toen reeds haar heerschappij had verloren, dit belette. Om verdere
moeilijkheden te voorkomen, legde Van der Kemp als kolonel der
schutterij openlijk de verklaring af, dat hij beloofde het oude staats-
bestuur getrouw te zullen blijven. Om dit te bewijzen, liet hij den
Magistraat van Middelburg verzoeken de vaandels van het corps,
die hij in bewaring had, van hem over te nemen. Het afhalen ge-
schiedde met krijgsvolk. In plaats van hierin een bewijs van onder-
worpenheid te zien aan de oranjegezinde Overheid, achtte het volk,
dat trouwens bij andere gelegenheden en elders, zooals blijken zou,
wel reden had de gezindheid zijner leidslieden te wantrouwen — dat
Van der Kemp, door deze vaandels zoolang zelf in bewaring te
houden, een tegenstander van Oranje moest zijn. Als het niet door
gewapende macht was verhinderd geworden, ware door de voor zijn
deur samengeschoolde menigte zijn huis opnieuw geplunderd. 1)
De dokter besloot toen de woelige hoofdstad van Zeeland te ver-
laten en zich in het onaanzienlijke, stille Zwijndrecht, niet ver van
1) Zie «Wagenaar, Vervolg der Vaderlandscbe Historie", deel XVIII, pag. 341 e. v.
-ocr page 20-
15
Dordrecht, te vestigen. Daar wijdde hij zich, naar de lust zijns
harten, aan de studie, en, weinig vermoedend hoe dit hem naderhand
nuttig wezen zou, vooral aan die der talen. Het Hebreeuwsch, het
Syrisch, het Ethiopisch en het Arabisch werd door hem onderzocht,
om het onderling verband dezer talen op te sporen. Doch van bin-
nen bleef het donker. En hoe kon het anders? Gelijk hij zelf
later verklaarde: »De Bijbel bestaat uit een aaneenschakeling
van de allerdesperaatste wartaal voor hem, die er den geheimen
sleutel niet van heeft." Alleen bij Gods licht, het licht des Heiligen
Geestes, zien wij het licht. Maar hoeveel is er dikwijls noodig om ons
de oogen daarvoor te openen en in ootmoed naar dien sleutel te
doen grijpen!
Wij zullen thans zien op welke wijze God hem daartoe bracht.
Dit geschiedde door een ontzettende gebeurtenis.
Op Maandag 27 Juni 1791 maakte hij met zijn vrouw en doch-
tertje een pleiziervaart in een zeilbootje op de Maas. Eensklaps
steekt er een windhoos op; het ranke vaartuig kantelt, keert onderst-
boven, en, zonder dat hij een hand kan uitsteken tot haar redding,
ziet hij zijn teêrgeliefde betrekkingen voor zijn oogen verdrinken.
Hij zelf werd op de meest wonderdadige wijze behouden. Hij had
zich vastgeklemd aan het omgeslagen vaartuig en dreef met
den stroom mede. Het noodweer maakte het dengenen, die aan den
wal dit hartverscheurend tooneel aanschouwden, volstrekt onmogelijk
hulp te bieden. Hoelang zou hij het in dezen toestand kunnen
uithouden? Waarlijk, hij was reddeloos verloren, zonder Gods won-
derdadige tusschenkomst. Maar niets is onmogelijk bij den Heere.
De rukwind brengt een der schepen, die in de haven van Hordt
vastgemeerd liggen, in beweging, slaat het los van zijn touwen en
drijft het den drenkeling tegemoet, die worstelend met den dood
door het scheepsvolk nog juist bijtijds wordt gered.
Wat moet er in dien korten tijd zijn omgegaan in zijn ziel! Dat
was Gods hand; de hand van Hem, die de zonde straft. Op eenmaal
ontneemt Hij hem alles, wat zijn aardsche geluk uitmaakt. Hoe
hij het gebeurde beschouwde, beschrijft hij zelf aldus: »Ik merkte
dit schrikkelijk ongeval aan, als de gestrengste strafoefening, welke
aan mij kon uitgevoerd worden; en, dewijl ik den volgenden dag
zoo klaar als de zon zag, dat zij geen het minste vermogen had
om mij te verbeteren, zoo min als al het voorgaande, vreesde ik, dat
-ocr page 21-
16
het met mij wanhopig moest staan, en dat God mij wel, als door geen
strafoefeningen te verbeteren zijnde, aan mijn lot zou overlaten."
Hoe leerzaam is dit getuigenis! Ziedaar, voor dengene, die het
met de zonde ernstig neemt, de uitkomst der meest diepzinnige
wijsgeerige bespiegelingen: wanhoop, troostelooze wanhoop! Geen
kennis of wetenschap baat het verbrijzeld zondaarshart; geen oor-
deelen en strafoefeningen vernieuwen het, hoewel ze het verbrijzelen.
Van der Kemp zou het nu eindelijk inzien: wat het hart behoeft, vindt
het alleen in \'t geloof aan de onuitsprekelijke liefde en barmhar-
tigheid Gods, die zich openbaart in de zending en overgave zijns
Zoons. Om tot dat geloof den afgedwaalden zondaar te bewegen, diende
de ontzettende tuchtiging, die hem verbrijzelde. Daarna zou die
hartsvernieuwing volgen, die lust geeft in \'s Heeren geboden en kracht
om die te bewaren, naar welke hij vruchteloos had gezocht.
Toch kwam hij tot dit geloof ook weder op gansch merkwaardige
wijze. Van der Kemp was, niettegenstaande zijn liefde voor de studie,
een gevoelsmensen. Als zijn gevoel sprak, zwegen zijn redeneeringen,
en handelde hij daarnaar. Dit maakte hem later onverschrokken en
moedig in allerlei gevaren.
Nu dreef het gevoel van behoefte aan iets, dat hem troosten kon,
hem den volgenden Zondag naar het bedehuis. Het Avondmaal werd
er gevierd. Zou hij daaraan deel nemen? Voor hem was het Sacra-
ment zonder beteekenis; immers, aan een voor de zonde der wereld
vergoten bloed geloofde hij allerminst. En toch ging hij. Dat zulk
een openbaar en bekend bestrijder der waarheid tot de tafel des
Heeren werd toegelaten, is wel een bewijs, dat er van uitoefe-
ning der kerkelijke tucht, behalve die, welke aan het eigen geweten
der toetredenden wordt overgelaten, weinig sprake was. Het behaagde
nochtans den Heere dit gaan voor hem ten zegen te doen worden.
Terwijl hij aan den Nachtmaalsdisch was gezeten, was hij bezig met
zijn zielstoestand. Hij kwam tot onderwerping onder Gods straf-
fende hand, en zeide in zichzelven: «Mijn God! tot hiertoe heb
ik in Uw wegen met mij niet kunnen berusten, noch mij aan Uw
wil onderwerpen; maar nu kan ik het doen. Ik verkies van mijn
vrouw en kinderen beroofd te zijn, omdat het Uw welbehagen is.
Ik vertrouw ze volkomen aan U toe." Dit gezegd hebbende was het
hem, alsof hem met zachte stem werd geantwoord: • «Vertrouw ze
niet aan God, maai- aan mij, en onderzoek mijne leer nog eenmaal.
-ocr page 22-
17
IK zal u leeren. Gij zijt overtuigd van de rechtvaardigheid der toe-
rekening van Adam\'s misdaad aan zijn nakomelingschap, en de
wijze waarop Ik mijn volk behoud, is juist dezelfde. Doch eet nu
van het brood en gedenk aan uw nieuwen Meester." 1)
Dat dit de stem des Heeren Jezus was, die hem hier, als eenmaal
Paulus op den weg naar Damaskus tegemoet kwam, betwijfelde de
dokter geen oogenblik. Naar huis teruggekeerd, waar hij zich het
voorgevallene nauwkeurig herinnerde, geraakte hij, wellicht door
overspanning, in een staat van bewusteloosheid, die eenige uren aan-
hield. Toen hij daaruit ontwaakte, gevoelde hij opnieuw het ontzag-
lijk gewicht der door hem vernomen woorden. Al zijn wijsbegeerte
achtte hij nu niets waardig, en hij heeft haar nooit weer beoe-
fend. Wat troost kan ze den verloren zondaar ook brengen? Hjj
besloot den Bijbel te onderzoeken, en had nu den sleutel gevonden,
die hem den toegang opende tot zijn onwaardeerbare schatten. De
brief van Paulus aan de Romeinen werd het voorwerp zijner onder-
zoekingen. Daar vond hij, wat hij zocht, wat hem troosten en be-
vredigen kon: een rechtvaardiging om niet, die ons wordt toegere-
kend door het geloof in de liefde Gods.
Zijn ervaringen in die dagen beschrijft Van der Kemp aldus:
»Door de liefde van Christus weggerukt, gevoelde ik nauwelijks de
aanvallen van het ongeloof, de aanvechtingen van den verzoeker, de
heerschappij der zonde in mijn ziel. En wat zoovele anderen b\\j
ondervinding gekend hebben: het gewicht van den vloek, die op onze
hoofden drukt, onze natuurlijke vijandschap tegen God, onze onwe-
tendheid eindelijk, kende ik bijna slechts bij naam. De Heere oor-
deelde het niet dienstig, mij door redeneeringen over de dwaling en
de waarheid tot de kennis van Hem te brengen; Hij viel mij op de
wijze der krijgsknechten aan: Hij wierp mij neder door de kracht
van zijn arm; Hij spreidde zooveel van zijn Koninklijke Majesteit
ten toon, als noodig was om mijn hart te onderwerpen. En zoodra
deze zegevierende Opperheer mijn ziel aan zich onderworpen had,
werd Hij haar geneesmeester en profeet." 2)
Wel was het waar, wat de vrome ds. Vos, reeds hiervoren ver-
1) Zie: "Zegepraal der waarheid over het ongeloof, hiykbaar in de bekeering van Doctor
Joh.Theod. van der Kemp, enz.", door dr. Herm. Is. Krom, prof. te Middelburg; te Dordrecht
liij A. Blussé Jr., 1801, pag. IC e. v.
4) Zie: «Het leven van den eerwaarden Henri Martin", Amsterdam. H. Höveker, 1861,
pag. 485.
2
-ocr page 23-
18
meld, getuigde: »Wie is een leermeester gelijk Jezus? Deze won-
derbare Profeet leert, wanneer het Hem belieft, door zijn Geest
in één uur meer, dan alle akademiën der wereld in duizend jaren
leeren kunnen." 1)
De morgenster was opgegaan in zijn hart. Een heerlijke dag
zonder avond zou daarop volgen; \'t was het begin van het eeuwige
leven.
Evenals bij vele andere groote mannen in het Koninkrijk Gods, volgde
er nu voor dr. Van der Kemp een tijd van stille afzondering, die twee
volle jaren duurde. Hij vermeed allen omgang met de wereld, en wijdde
zich onverdeeld aan het onderzoek der Schrift in gemeenschap met
zijn God, en werd meer en meer bevestigd in het geloof en voor-
bereid voor den gezegenden werkkring, die hem in zijn volgend
leven wachtte.
In 1793 werd hij echter onverwacht uit de stille eenzaamheid tot
het nieuw woelig openbaar leven geroepen, door een benoeming
tot geneesheer bij het leger in Staats-Vlaanderen, die hij vermeende
te moeten aannemen. Daar diende hij gedurende twee jaren niet
alleen zijn vaderland, maar ook zijn getrouwen Heer en Meester, die
hem in die jaren, zooals hijzelf het uitdrukt, »door een aanscha-
keling van de wonderlijkste gebeurtenissen op de bloedige oorlogs-
tooneelen leerde verstaan, wat zijn macht, teedere zorg en raadgeving
vermocht, ter besturing, bewaring en ten beste dergenen, die op Hem
vertrouwen in de grootste gevaren en meest bekommerende omstan-
digheden."
Na deze twee jaren werd hem een arbeidsveld van niet minder
gewicht geopend, zoowel op het gebied der geneeskunde als op dat
der zielzorg. Te Feijenoord, tegenover Rotterdam, was een groot
militair hospitaal ingericht, dat in die oorlogstijden meer dan twee
duizend kranken en verwonden kon bevatten. Onder Van der Kemp\'s
bekwame leiding werd voor \'t lichamelijk en geestelijk belang der ver-
pleegden uitnemend zorg gedragen. De inval der Franschen. die ons
arme, diep gezonken vaderland in bezit namen, en, als redders ingehaald,
weldra bewijzen zouden, welke harde meesters zij waren, deed het
hospitaal sluiten. Van der Kemp vestigde zich toen te Dordt en
1) Zie: «Merkwaardig verhaal, aangaande het leven en de lotgevallen van Miehiel
Christiaan Vos,
enz.", te Amsterdam, b(j H. Hóveker, 2e druk, 1850, pag. 11. Een helangryk
boek, voor wie de toestanden vóór honderd jaren wil leeren kennen.
-ocr page 24-
19
wijdde zich weder onverdeeld aan zijn geliefkoosde studiën. Een
uitgegeven werk over de leer van den Apostel Paulus was daarvan
de vrucht.
De tijd was echter nu nabij, dat God hem den weg zou aanwijzen,
als het antwoord op \'t geen in zijn ziel, als eens in die van Paulus,
leefde, namelijk den wensch om te weten, wat de Heere Jezus wilde,
dat hij nu doen zou?
HOOFDSTUK III.
DE ROEPING TOT DE HEIDENEN.
Wij hebben reeds opgemerkt hoe de tijden, waarin onze Dokter
leefde, hoogst ongunstig waren voor alle geestelijke opwekking. Dit
was het meest het geval, toen sedert liet vertrek van Prins Willem V
uit ons vaderland een zee van rampen het overstroomde. Zoo ooit,
dan werden toen alle gemoederen bezig gehouden door den alge-
meenen, dagelijks stijgenden nood.
Toch zou ons ook thans weder uit Engeland, in de politiek onzen
gevaarlijksten vijand, geestelijk de heerlijkste zegen toekomen.
In 1795 werd daar hetLondenscheZendelinggenootschap opgericht. 1)
1) Op 21 September 1895 viert het Londensch genootschap zg\'n eeuwfeest. Het mosterd-
zaadje door 8 mannen uit onderscheiden kerkgemeenschap: 2 Episcopalen, 2 Presbyterianen,
l Independenten of Congregationallsten, was een boom geworden, die zijn takken naar alle
hemelstreken bad uitgebreid, en uit allerlei volk en tong de arme Heidenen onder zijn scha-
duw een nest en toevlucht had doen vinden.
Het beginsel, om alle discipelen des Heeren, die Hem als hun Borg en Zaligmaker, hun
Heer en God erkennen, samen te doen werken aan de uitbreiding van zg\'n Rgk, werd trouw
bewaard, en met Gods hulp elk bezwaar overwonnen en wonderlijke uilkomsten verkregen.
Groote mannen heeft het onder zgn zendelingen geteld, zooals onze Van der Kemp, Morrison,
Williams, MolTat, Livingstone e. a.
Thans heeft het in Azië, Afrika en Australië 190 mannelijke en 02 vrouwelijke zendelingen
onder zijn bestuur. Verder uit de inboorlingen U70 ambtelijk aangestelde zendelingen en
6758 evangelie-predikers. Het aantal leden zijner kerken bedraagt ongeveer 93,000; dat der
schoolkinderen (in 1891) bijna 120,000.
De gemeenten uit de Heidenen brachten in bet vorig jaar £ 27,000 op voor de zending;
{ van het totaal bedrag.
Men is voornemens, ter eere van het eeuwfeest, te trachten het jaariyksche inkomen van
£ 110,000 tot £ 150,000 te doen toenemen en een jubiléfonds van £ 100000 te verzamelen.
(1894).
-ocr page 25-
20
Een leeraar der Broedergemeente overhandigde in 1797 aan Dr. Van
der Kemp
een Hoogduitsche vertaling van een gedrukte toespraak
van dit g enootschap. Zoodra de Dokter bekend werd met den inhoud,
werd zijn hart vervuld met medelijden voor allen, die den troost des
Evangelies missen; hij werd aangegrepen door de lust om aan het werk
der Evangelie-verbreiding onder de Heidenen mede te arbeiden. Daartoe
besloot hij de zes leerredenen, bij de inwijding van \'t Genootschap ge-
houden, in het Hollandsch te vertalen. De kennismaking met den
inhoud vermeerderde niet weinig zijn belangstelling in den arbeid
onder de van het Goddelijk licht verstoken volken. Nu vond hij ergens
de woorden (Richt. V. 23) aangehaald: »Vloekt Meroz, zegt de
engel des Heeren, vloekt hare inwoners geduriglijk, omdat zij niet
gekomen zijn tot de hulp des Heeren, tot de hulp des Heeren, met
de helden." Deze woorden maakten zulk een geweldigen indruk op
zijn gemoed, dat hij op de knieën viel en uitriep: »Hier ben ik,
Heere Jezus! Gij weet, dat ik geen eigen wil meer heb gehad, sedert
ik mij aan U heb overgegeven, opdat ik in uw dienst moge worden
gebruikt naar uw welbehagen. Verhinder mij slechts om iets te
doen in dit groote werk in een vleeschelijken en zelfgenoegzamen
geest, en leid mij in den rechten weg, indien er bij mij een ver-
keerde is." 1)
Dit geschiedde in April 1798.
Wij moeten bij deze gewichtige gebeurtenis, die zulke groote ge-
volgen had, een oogenblik stilstaan.
In deze woorden toch van onzen Van der Kemp openbaren zich
op merkwaardige wijze de kenmerken van den in die dagen ook
onder de Protestanten in menig opzicht ontwakenden zendingsgeest.
De kerkelijke hiërarchie had ook onder de Protestanten in menig
opzicht het individueele leven, de rechtstreeksche persoonlijke gemeen-
schap van den Heere Jezus met zijn discipelen, aan banden gelegd.
Tusschen het Hoofd en zijn leden stonden de ambtsdragers, die
zich geestelijken noemden; tusschen Gods Woord en het geweten
plaatste zich de kerkelijke belijdenis en uitlegging, die zich boven-
menschelijk gezag aanmatigde. Nu brak de Heilige Geest door en
verbrak die kluisters. De discipel en zijn Meester stonden tegen-
over elkaar, en zijn gebod: »Predikt het Evangelie aan alle
1) Zie: »Memoir of tbe Rev. J. T. van der Kemp, M. D. late missionary of South Afrlca",
Londen 1813.
-ocr page 26-
21
creaturen", achtten zij ook tot hen gericht, evenals dit in de eerste
tijden na des Heeren heengaan was geschied. De zendingszaak werd
beschouwd als eene, die elk lid der gemeente persoonlijk heeft te
behartigen, hetzij door henen te gaan, hetzij door het henengaan
van anderen te bevorderen.
Toch scheen de weg voor Van der Kemp, om zelf heen te
gaan, gesloten. Immers was daarvoor toenmaals een gansch andere
opleiding dan de zijne en een kerkelijke ordening noodig. Aan
zendeling-dokters dacht toen nog niemand. Daar hij echter zich
tot dien arbeid innerlijk geroepen gevoelde, bood hij zich aan bij
het Bestuur van het Engelsche genootschap, om te worden uitge-
zonden.
Dit aanzoek vond niet aanstonds een gunstig onthaal. De inge-
wonnen informatiën omtrent zijn verleden waren ongunstig. Boven-
dien was er iets zonderlings in de persoonlijkheid des Dokters, iets
mystieks in zijn christelijk leven, dat voor overspanning deed vreezen.
Om nader te worden ingelicht, wendden zich nu de Engelsche broe-
ders tot een achtingwaardig Christen te Rotterdam, met name Cor-
nelis Brem,
en door Gods wonderbaar bestel was deze niet alleen
met des dokters geheele vroegere leven wel bekend, maar had hij hem
gedurende zijn praktijk in het hospitaal te Feijenoord nauwkeurig
gadegeslagen, en de volle zekerheid verkregen, dat hij een oprecht
bekeerd, ootmoedig en toegewijd kind van God was, met zeldzame
gaven bedeeld en tot zoodanig werk wel geschikt.
Den 2den Juli ontving dan ook Van der Kemp het bericht, dat
het Bestuur hem met algemeene stemmen tot zijn zendeling had
aangenomen, en dat hij naar Londen werd ontboden, ter verdere
samenspreking en voorbereiding.
Wanneer men bedenkt, dat juist in dien tijd Engeland Hollands
grootste vijand was; dat de beide landen met elkander in oorlog
waren, en Engelsche schepen onze koopvaarders met hun lading
buit maakten, is het dubbel merkwaardig, dat de geloovigen van
beide landen broederlijk bleven samenwerken op het gebied der zen-
ding; zoodat dan ook Van der Kemp uitriep, na het lezen zijner
aanstelling: »Welk een heerlijk schouwspel! Onderdanen van twee
verschillende natiën ziet men thans in wederzijdsche liefde strijden
voor de zaak van het Christendom, terwijl hun wederkeerige land-
genooten roof en moord tegen elkander afkondigen, en zich gelukkig
-ocr page 27-
22
achten, wanneer zij om wereldsche belangen en aangelegenheden
elkander mogen verwoesten en vernielen."
Üe overtocht naar Londen was onder zulke omstandigheden ook
zeer bezwaarlijk. Maar ook dit bezwaar werd voor hem opgeheven.
Immers, al viel het Hollandsche schip, dat hem moest overbrengen,
in de handen der Engelschen, voor hem zou dit niet anders zijn
geweest dan bij zijn vrienden terecht komen. Hij kwam echter
zonder tegenspoed over.
De groote vraag was echter, waarheen hij het Evangelie brengen
zou? Helaas, de keuze was moeilijk, omdat het braak liggend veld
zoo ontzaglijk uitgestrekt was. Van der Kemp wenschte daarheen
te gaan, waar de Blijde Boodschap nog nooit was vernomen, en de
kennis der Etiopische taal vestigde zijn aandacht op Afrika. Er
waren vele redenen, die het Genootschap bewogen met deze keuze
geen genoegen te nemen; maar men gaf eindelijk toe, en Zuid-
Afrika
werd het land zijner bestemming.
Wij willen nu met dit land, en met hetgeen er op het gebied
der zending geschied was, eenigszins nader kennis maken.
Het zuidelijkst gedeelte van Afrika, door de Portugeezen ontdekt,
was door de Hollanders in bezit genomen, die er eerst een handels-
station voor de vaart naar Oost-Indië en later een bestuur
vestigden. Hun macht breidde zich hoe langer hoe verder uit, en hun
heerschappij kenmerkte zich, helaas! door een gruwelijke en schan-
delijke onderdrukking der arme inboorlingen : de Hottentotten, Kaffers
en Boschjesmannen.
Geldelijk gaf de kolonie groote winsten, en wierp nieuwe schatten
in den schoot der machtige Oost-Indische Compagnie. De hoofdstad,
aan de Kaap de Goede Hoop gelegen en de Kaapstad genoemd, de
zetel van het Gouvernement, bloeide, en de kolonisten onderscheidden
zich over \'t algemeen door strenge rechtzinnigheid in de leer.
Daar de meesten in het binnenland zich vestigden, en daar
boerderijen aanlegden met talrijke kudden vee, werden de Kapenaren
algemeen met den naam van Boeren aangeduid, welken naam zij
nog heden dragen. Behalve vele Hollanders, en daaronder vaak niet
van de beste soort, vestigden zich aan de Kaap, na de herroe-
ping van het Edict van Nantes, ook vele Fransche Hugenoten. Zij
onderscheidden zich boven de andere inwoners door een mildere
opvatting der heilswaarheid en door een betere behandeling der
-ocr page 28-
23
inboorlingen. Dezen waren verdeeld in onderscheidene stammen, die
zeer verschilden van aard. Er waren woeste, roofgierige, moord-
dadige, maar ook vredelievende en zachtaardige. Deze laatste soort
werd vaak door de eerste wreedaardig verjaagd, van have en goed
beroofd en gruwelijk mishandeld. Maar de grootste vijanden der
arme zwarten waren de meedoogenlooze blanken. Daar het hart
de beste advokaat en het geld de hoogste meester is voor den na-
tuurlijken mensch, was het regel, dat naar niets werd gevraagd dan
naar het voordeel, dat men van deze weerlooze slachtoffers kon ge-
nieten, en om dit goed te maken werd uit den Bijbel bewezen, dat
de Negers, als afstammelingen van Cham, ook nog onder de bedee-
ling des N. Verbonds, bestemd waren om de blanken als slaven te
dienen. Welk een bitteren tegenstand de verkondiging des Evangelies
onder hen van die zijde heeft ondervonden, zullen wij, helaas, in ons
geschiedverhaal telkens ervaren. Zij wei-den niet mensehen, maar
bchepsels genoemd, veelal met honden gelijk gesteld, niet zelden
minder goed dan deze behandeld. Recht was voor hen niet te ver-
krijgen, en dat men hen wederrechtelijk hun grond en bezit had
ontnomen, hen dwingend tot een zoogenaainden afstand, zoo goed als
om niet, achtte niemand diefstal; gelijk het trouwens altoos door de
koloniale Staten is geschied, die zulke landen zoogenaamd in bezit
namen en als hun eigendom beschouwden; gelijk ook geheel Midden-
Afrika
in onzen tijd door de Mogendheden als eigen goed is verdeeld.
Dat men ook aan deze schepsels, als men ze in een anderen zin
onder alle creaturen rekent, het Evangelie moest brengen, deze over-
tuiging leefde in het hart van onzen Van der Kemp; hoewel het
hem wel bekend was, dat nergens hem grooter bezwaren zouden in
den weg staan dan in Afrika, dat toen vooral wel het Donkere
Afrika
mocht heeten.
Tot op dien tijd waren de pogingen om in het binnenland de
Blijde Boodschap te brengen jammerlijk mislukt.
In 1737 was, op verzoek van een vermogend Amsterdammer, een
vriend van den Graaf van Zinzendorf, een der Moravische broeders,
Georg Schmidt 1) geheeten, naar Afrika gezonden en in de Tafel-
baai aan land gezet: een vreemdeling in een vreemd land. Hij was
toen 27 jaar oud, doch reeds in Bohème om des geloofs wille vervolgd
1) Zie voor zjjn levensgeschiedenis o. a.: »Die gute Botschaft, Missionstractate der BrUder-
gemeine No. 8: Gnadenthal H. J. Schneider." Stuttgart, Verlag von R. Roth.
-ocr page 29-
24
en in den kerker geworpen, waar de bekende Melchior Nitschmann
in zijn armen stierf. Hij verkreeg, na zesjarige gevangenschap, de
vrijheid weder en kwam in 1734 te Hermhut. Nadat hij zich een
jaar in Amsterdam had voorbereid, met handenarbeid zijn brood ver-
dienend, kwam hij arm, vreemd, zonder eenigen steun dan zijn God,
in wien hij zich rijk gevoelde, in Zuid-Afrika aan; en toen men
daar het doel zijner komst vernam, was algemeene verachting zijn
deel. Doch dit schrikte hem geenszins af. Hij vond in zekeren
Afrikaan, een Hottentot, een tolk, en begon den Hottentotten het
Evangelie te verkondigen; eerst in de Kaapstad, later 120 Engelsche
mijlen ver in het binnenland onder de Hottentotten, met nog twee
helpers. Hij leerde daar de landstaal en onderwees de kinderen in het
Hollandsen. Een dorp werd door hem gesticht, dat Gnadenthal, Dal der
genade, werd genoemd en God verheerlijkte zijn genade onder dit volk.
De Hottentotten, waaronder hij arbeidde, behoorden tot de vrede-
lievende stammen; maar zij hadden dit met de andere inboorlingen
gemeen, dat zij op den laagsten trap der menschelijke beschaving stonden
en in menig opzicht weinig van de dieren verschilden. Zij waren on-
gemeen leelijk, ontzettend vuil, gruwelijk verzonken in onzedelijkheid
en allerlei zonden. Hun godsdienst bestond in pogingen om den
boozen geest te verzoenen, dien zij voor meester van het heelal
hielden; zelfs kinderen werden hem geofferd. Daar nu deze beschrij-
ving toepasselijk is op alle inboorlingen van Zuid-Afrika, en zij boven*
dien een alleronaangenaamsten stank van zich gaven, wat zelfs van
bekeerlingen, die zich behoorlijk reinigen, nooit geheel wijkt, moge
dit altans eenigszins tot verontschuldiging strekken van de wijze,
waarop zij door de blanken werden beschouwd en behandeld in een
tijd, waarin het Bijbelsch Christendom nog zoozeer door allerlei voor-
oordeelen werd beheerscht, en de verlichting, die alleen door den
Heiligen Geest ook in dit opzicht kon worden geschonken, de menigte
der belijders nog niet had bereikt. Dat echter sommige harten met
dat licht waren bevoorrecht, zooals wij het in Georg Schmidt mogen
zien, zal ons telkens blijken. Onder zulk een volk toch, afgescheiden
van geheel de beschaafde wereld, alleen met zijn God, sterkt hij
zich in den Heere en begint blijmoedig zijn werk. De verbinding
met het moederland was in dien tijd zóo bezwaarlijk, dat het wel
eens geschiedde, dat een brief twee jaar onderweg bleef, eer hij
zijn bestemming bereikte!
-ocr page 30-
25
Toch mocht Schmidt niet rustig voortwerken op dezen eenzamen en
afgelegen post, waar slechts eenmaal het bezoek van twee zendeling-
broeders, David Nitschmann en Dr. Elder, op weg naar Ceylon,
hem een heerlijke verkwikking was. Toen na jaren geduldig zaaien
de eerste vrucht werd gezien, eenige Hottentutten werden gedoopt,
en de mare daarvan de Kaapstad bereikte, ontwaakte de vijandschap
der Boeren, die vreesden, dat de Hottentotten, als zij beschaafde
Christenen werden, hen niet meer als slaven zouden willen dienen,
en die in de kerkelijk-politieke Overheid getrouwe hulp vonden tot
bereiking hunner schandelijke plannen.
Schmidt werd ter verantwoording geroepen. Het verkondigen van
het Evangelie aan de inboorlingen werd hem verboden, en hij keerde
in 4744 naar Europa terug, hopende daar de toestemming te ver-
krijgen tot voortzetting van een arbeid, die de schoonste vruchten
begon te dragen. Van zijn hem dierbare gemeente, die uit 47
zielen bestond, nam hij een hartroerend afscheid. De gehoopte
toestemming werd echter niet gegeven. De kleine gemeente, aan
zich zelf overgelaten, kwijnde en ging te niet. Georg Schmidt
kon niets voor zijn geliefde Hottentotten doen, dan voor hen bidden.
In 4795 vond men hem op zekeren dag, neergeknield tot het gebed,
ontslapen.
Zoo scheen dan de toeleg der vijanden gelukt, en de deur der
Zending onder de arme zwarten in Zuid-Afrika gesloten. Toch opende
de Heere haar nog tijdens het leven van Schmidt. In 1792 ver-
trokken weder twee Moravische broeders, met verlof der Oost-Indische
Compagnie,
naar de Kaap. Zij begaven zich naar Genadedal. Wel
ontwaakte weder de oude vijandschap der Boeren; maar gelukkig
vond de zending van dien tijd af in de Regeering, hoewel die, door
den oorlogstijd, herhaaldelijk verwisselde, en van Hollandsch Engelsch
werd en omgekeerd, voortaan voldoende bescherming.
Ook is het verblijdend te mogen vermelden, dat er aan de Kaap
enkele predikanten waren, die zich warme vrienden betooonden van
de Evangelie-verkonding aan alle creaturen, dus ook aan de Negers.
Twee hunner, wier namen wel waard zijn te noemen, muntten hierin
uit: zij waren Ds. van der Been (1750) en Ds. van der Lier, (1784).
Eerstgenoemde had daarvoor zelfs vervolging te verduren.
Later (1794) betoonde zich de ons reeds bekende Ds. Vos een
warm vriend der zending onder de Zuidafrikaansche Heidenen. Hij
-ocr page 31-
26
preekte bij zijn intrede als beroepen predikant te Rodezand over
de bekende woorden (Markus XVI: 15), «Predikt het Evangelie aan
alle creaturen," enz., en wees er zijn hoorders op, dat zij dit had-
den toe te passen op al hun onderhoorigen. Eerst verwekte dit
groote ontsteltenis, maar Vos wist den tegenzin zijner gemeentenaren
door zijn voorbeeld en wandel te overwinnen. Hij hield zelf toe-
spraken tot de Heidenen, en Rodezand werd een lichtgevende ster
in dezen donkeren nacht.
HOOFDSTUK IV.
HET NEDERLANDSCH ZENDELINGGENOOTSCHAP.
In het vaderland teruggekeerd, vol vurigen ijver voor het heer-
lijk werk der Evangelieverkondiging aan de blinde Heidenen, met
•een geopend oog voor het schandelijk verzuim der Christenheid
ten opzichte van het duidelijk gebod des Heeren, wist V. d. Kemp
vele vrienden voor zijn overtuiging te winnen en doorreisde daartoe
geheel het land. En waarlijk, de omstandigheden maakten het naar
menschelijke berekening onmogelijk, om in Nederland tot stand te
brengen, wat sedert 1795 in Londen bestond: een Zendeling-
genootschap,
dat opgericht uit onderscheiden Kerkgemeenschap alle
Christenen samenbracht, ten einde boden uit te zenden om den
Heidenen, overeenkomstig de leer der Schrift, bekeering en vergeving
van zonden te prediken, en te doopen degenen, die bewijzen zouden
in waarheid in den Heere Jezus Christus te gelooven. Dit toch
was het kenmerk der zendingbeweging, die thans ongeveer een eeuw
bestaat, en waardoor, niet in schijn, maar in waarheid, meer is
uitgericht dan in de vorige eeuwen, toen er niet gevraagd werd
naar geloot en bekeering, maar duizenden alleen door den doop
zoogenaamde Christenen werden, om, óf in het Heidendom voort te
leven, öf zoodra er vervolging of nadeel aan verbonden was, weder
af te vallen.
De denkbeelden van Van der Kemp waren inderdaad toen ter
tijd uiterst ongewoon, en schenen velen onzinnig, ja ook in Enge-
-ocr page 32-
27
land bij de streng-kerkelijken laakbaar. Daarenboven, gelijk wij
reeds zeiden, was iedereen in het fel geteisterde en zwaar bezochte
Nederland met bezorgdheid vervuld omtrent den politieken toestand.
En toch — want voor den Heere God bestaan immers geen hinder-
palen — toch ontstond er door Van der Kemp\'s optreden een heerlijke
opwekking, vooral in zijn geboortestad Rotterdam, en bezielde de
groote gedachte velen: wij moeten het Evangelie aan de Heidenen
brengen, zooals onze Engelsche broeders ons zijn voorgegaan, namelijk
door de stichting van een Genootschap op Bijbelschen grondslag,
waarvan elk Christen van onderscheiden kerkgemeenschap lid kan
worden. 4)
Nadat nog in November 1797 door Van der Kemp een oproeping
aan de Christenen van het Engelsche genootschap in het Nederduitsch
was uitgegeven, kwamen op den 19en December op zijn uitnoodi»
ging te Rotterdam 40 mannen te zamen om over de oprichting van
een Nederlandsch Zendelinggenootschap op denzelfden grondslag te
handelen. De samenkomst had plaats ten huize van den predikant
Verster, onder voorzitterschap van den hoogleeraar H. J. Krom, die
zich steeds een warm vriend van Van der Kemp betoonde, en hem
ook, toen hij werd aangevallen wegens onrechtzinnigbeid in de
gereformeerde leer, openlijk daarvan vrijpleitte.
Het doel werd door Gods goedheid bereikt. De dag der samen-
komst, wel waardig onder de Christelijke gedenkdagen onzer vader-
landsche historie te worden gerekend, werd die der geboorte van
het Nederlandsch Zendelinggenootschap, waarvan wij onzen Van der
Kemp
den stichter noemen mogen, en koos zich den lieflijken tekst
tot motto: Vrede door het bloed des kruises. Het noemde zich
«Nederlandsch Zendelinggenootschap ter voortplanting en bevordering
van het ware Christendom, bijzonder onder de Heidenen.\'\' Het plan
was zich niet alleen te bepalen tot de zoogenaamd Uitwendige zending
maar ook de Inwendige te behartigen. \'2)
Merkwaardig veel instemming, als men de tijden en omstandig-
heden in aanmerking neemt, vond het nieuwe plan, maar ook grooten
tegenstand en menigvuldige tegenspraak.
1)    De Engelschen hebben daarvoor het karakteristieke woord Undenominational. In 1796
werd te N.-York een dergelijk Genootschap gesticht. De beroemde David Bogue, predikant
bij de Presbyteriaansche Kerk, was medestichter van het Engelsche.
2)    De geschiedenis van zjjn ontstaan en ontwikkeling vindt men in "Gedenkschriften van
het Nederl. Zendelinggenootschap", enz. in 1801 en later uitgegeven bh\' N. Couvéete Rotterdam.
-ocr page 33-
28
Laat ons, om doel en strekking van het Genootschap goed te leeren
kennen, uit den mond der oprichters zelf daaromtrent een en ander
vernemen.
Het titelvignet der uitgegeven Gedenkschriften bevat den tekst
(Col. IV : 20): »Vrede door het bloed des kruises", en naar de ge-
woonte dier dagen prijkt daaronder een toepasselijk gedicht. Het
luidt:
»Gesehenk van Gods gena, beminnelijke Vrede,
Gekocht door \'t kostlijk Bloed van \'s Vaders eigen Zoon,
Wat groote zaligheid deelt gij den sterv\'ling mede,
Wat glans van hemelvreê spreidt gij alom ten toon!
Gij, door Immanuel aan Adams kroost hergeven,
Gij wilt van vreeze en schrik \'t beroerd gemoed ontslaan,
En biedt vergiffenis, verlossing, eeuwig leven,
Geheel de wereld door, het schuldig menschdom aan."
Tegen de ernstige beschuldigingen, waaraan de oprichters bloot-
stonden, verdedigden zij zich op waardige wijze. Hun drijfveeren
waren in waarheid geen andere dan »een gevoelig medelijden met der
Heidenen hoogst beklagenswaardigen toestand, schaamte over het
langdurig verzuim van een zoo gewichtigen Christenplicht, hoogachting
en liefde voor den eeuwig geprezen Zaligmaker, die ons zoo uitne-
mend heeft liefgehad, en om zondaars te redden en te zaligen zich tot
den verachtelijken kruisdood zoo willig vernederd heeft, en een
hartelijke zucht tot de zalige behoudenis dier medelijdenswaardige
schepselen, die toch ook onze natuurgenooten, ook met ons bestemden
voor de eeuwigheid zijn."
In welken zin het »Vrede door het bloed des kruises" werd be-
doeld, namelijk in den Bijbelschen, dat alleen door het geloof in
het voor onze zonden vergoten bloed des Heeren Jezus voor den
verloren zondaar vrede is te vinden, werd duidelijk uitgesproken, en
openlijk verklaard, dat »alle leden instemden in \'t geloof des harten
in den Heere Jezus Christus, als den Goddelijken Verlosser, die voor
ons en in onze plaats onze zonden heeft gedragen in zijn lichaam
op het hout." Als grondslag van het Genootschap werden het
O. en N. T. en de Twaalf Artikelen des algemeenen Christelijken
geloofs gekozen.
-ocr page 34-
29
Het is een verblijdend lichtpunt in die donkere dagen, dat een
honderdtal hoogleeraren, predikanten, benevens een groot aantal leden
van onderscheiden kerkgemeenschap, zich aansloten aan het Neder-
landsch Zendelinggenootschap.
Inderdaad werd nu ook in ons Vader-
land voor het eerst de voet gezet op een geheel nieuwe baan, die der
Evangelisatie door de discipelen des Heeren, in gehoorzaamheid aan
hun Meester, ter bevordering van zijn Koninkrijk.
Het Nederlandsche Genootschap, dat nu bijna 100 jaren heeft
bestaan, heeft met uitnemenden zegen gearbeid, vooral in de Mina-
hasse
van Menado. Langen tijd bleef het zijn kenspreuk getrouw;
maar ook hier is het bewezen, dat menschelijke voorzorgen niet bij
machte zijn het insluipen en de overhand nemen van de gevaarlijkste
dwalingen te verhoeden. Onder leeraars en zendelingen van het
Genootschap openbaarde zich later het voor het geestelijk leven doo-
delijk rationalisme, dat van geen plaatsbekleedend lijden, geen losprijs
door het bloed des kruises, ja van geen Zaligmaker weten wil, dien
wij als onzen Heer en onzen God aanbidden; en omstreeks de helft
onzer eeuw gevoelden zich vele leden daardoor genoopt het Genoot-
schap, dat zijn grondslag niet getrouw was gebleven, vaarwel te
zeggen. Later is echter hierin verbetering gekomen.
Wanneer het weder geheel en beslist de goede belijdenis zijner
vrome grondvesters zal handhaven, dan zal ook voorzeker de zegen ten
volle wederkeeren, dien het in menig opzicht heeft ondervonden en
gesticht 1).
1) Het Nederlandsche Zendelinggen. heeft thans in onze O. I. Bezittingen 11 zendelingen
onder zijn bestuur, waaronder 1 zendeling-dokter, met 130 inlandsehe helpers, behalve die op
Savoe, wier aantal in hel laatste jaarverslag niet werd vermeld. Het heeft sedert den
aanvang zijner werkzaamheden 106 Evangelieboden uitgezonden.
De ontvangsten bedroegen in het laatste boekjaar f 75,791.62", de uitgaven ƒ79,977 49. De
ontvangsten der beide vorige jaren waren belangrijk hooger, voornamelijk door een legaat van
f 50.000 In 1893, door extra-giften voor het tekort in 1892.
Vooral de arbeid op Menado in de Minahasse is een uiterst gezegende geweest. De bevolking be-
staat thans uit 134.277 Protestanten, 4082 Roomschen en nog slechts 11.039 Heidenen. Onder de
leiding van 10 hulppredikers en 1 leeraar, die met het Genootschap In betrekking staan, zijn
er bovendien 67 inlandsehe helpers werkzaam.
Er z(jn thans in het Zendelinglmis te Rotterdam, waarvan Dr, C. J. Weyland Director Is,
8 kweekelingen. (1894)
-ocr page 35-
30
HOOFDSTUK V.
REIS NAAK ZTJID-AFRIKA; aankomst en eerste arbeid aldaar.
Van der Kemp keerde nu naar Londen terug, om zich verder
voor zijn nieuwe, gewichtige betrekking voor te bereiden. Daartoe
behoorden het aanleeren van die kundigheden, die hem onder de
Heidenen zouden te pas komen, zooals het boekdrukken, maar ook het
bakken van steenen, om zijn eigen huis te kunnen bouwen. Met
onverdroten ijver legde hij zich op het een en ander toe.
Den 16den November 1798 werd hij door de Presby teriaansche
Schotsche Kerk
te Londen plechtig geordend tot predikant en tot
zijn dienstwerk ingewijd. Het is van belang hierop te letten, met
het oog op den tegenstand, dien hij later zou ondervinden, en die
daardoor nog minder gewettigd was, dan wanneer hij eenvoudig als
zendeling was uitgezonden zonder een kerkelijk ambt te bekleeden.
Van der Kemp gevoelde zich intusschen inwendig hoogst gelukkig
en was vervuld met ingenomenheid met zijne schoone roeping; en
God, die hem geroepen had, toonde hem zijn hulp en trouw op
velerlei, vaak zeer merkwaardige wijze. Telkens werd hij door zijn
wonderdoende hand voor gevaren bewaard, of daaruit gered. Reeds
bij zijn tweede vertrek naar Londen geschiedde het, dat een Fransche
kaper op de loer lag, om het schip, dat hem overbracht, prijs te
maken. Tegenwind hield het echter zeven dagen op, en de vijand,
het vruchteloos wachten moede, was weggezeild, éer zij voorbij
kwamen,
Het voorbeeld van onzen Dokter had intusschen ook anderen, het
waren drie jongelingen, bewogen, om zich voor den dienst onder de
Heidenen beschikbaar te stellen. Een hunner was Johamies Jacobus
Kicherer,
uit Utrecht; twee waren Engelschen: zij heetten James
Edmond
en WiMam Edwards.
Wij kunnen ons in den tegen woordigen tijd, waar de stoombooten gere-
geld naar Oost en West de passagiers in weinig dagen of weken naar de
plaats hunner bestemming brengen, moeilijk voorstellen welk een gewich-
tigfeit een zeereis was van Engeland naar de Kaap de Goede Hoop, terwijl
-ocr page 36-
31
nog bovendien de oorlog het schip en de schepelingen blootstelde
aan het gevaar van in de handen der kapers te vallen; maar
Van der Kemp was inderdaad een geloofsheld: zwarigheden telde hij
volstrekt niet. »Met zijn God sprong hij over een muur, en liep hij
door een bende".
De gelegenheid om een moeilijk zendingswerk te beginnen werd
hem reeds dadelijk geopend en door hem gretig aanvaard.
Voor Engelsche misdadigers was de Botany-baai tot strafkolonie
bestemd. Niet minder dan 240 boeven zouden juist met een trans-
portschip derwaarts worden gebracht. Het waren woestelingen, die
reeds vóór hun vertrek hadden bewezen, dat men niet zonder levens-
gevaar onder hen kon verkeeren. De zendelingen namen het aanbod,
om met deze gelegenheid mede te varen, aan, onder voorwaarde van
als Godsdienstleeraars onder hen te mogen arbeiden ; doch men waar-
schuwde hen, met hen vooral op hun hoede te zijn.
Den 12den December 1798 vertrok de Hilsborough uit Portsmouth.
Van welken geest de gevangenen waren bleek weldra uit een door hen
gemaakt, maar gelukkig verijdeld plan, om de scheepsofficieren te
vermoorden, naar Frankrijk te stevenen, dan het schip te doen zin-
ken, en, met de sloepen ontkomend, hun vrijheid te herkrijgen.
De zendelingen, voorzien van Bijbels en traktaten, laten zich echter
door niets terug houden. In het scheepshol, donker en benauwd,
waar zij bewaard worden, gaan zij tot de arme veroordeelden, en
brengen hun de Blijde Boodschap, die ook voor dieven en moordenaars
bestemd is, en ziet — zij worden met vriendelijkheid en vertrouwen
begroet! Toen nu, tengevolge van hun ellendig verblijf, rotkoortsen
onder hen uitbraken, die 34 hunner ten grave sleepten, en dit de
zendelingen niet wederhield, hen te bezoeken en hun de vertroostingen
des Evangelies te brengen, werden zij daardoor zoozeer bewogen, dat
er, door de werking des Heiligen Geestes, een heerlijke opwekking
onder hen plaats greep, zoodat de Dokter met innige blijdschap kon
schrijven: »De meeste der gevangenen hooren het Fvangelie met
eerbied en ontzag, en sommige met blijkbare overtuiging en waar-
achtige bekeering tot God, op hun geboeide knieën vallende en
God om genade aanroepende. Onderling houden zij bidstonden, welke
door éen hunner, Brown geheeten, geregeld en bestuurd worden."
De ontembare booswichten werden nu ook gehoorzaam en onder-
worpen.
-ocr page 37-
32
Zoo werden de kenmerken eener geestelijke opwekking hier heerlijk
aan den dag gebracht, en wat van dit alles het schoonste is, het was
geen uitwendig, maar een waarachtig, goddelijk werk. Toen de
gevangenen aan de plaats hunner bestemming werden ontscheept.
volhardden zij in hun nieuwe woonplaats in hun Cïnistelijken wandel
en brachten vruchten voort, der bekeering waardig. Hartroerend was
het afscheid van hun geliefde leeraars, toen zij van elkander moesten
scheiden.
Voordat de reis was volbracht, werd echter nog een wonderdadige
bewaring ondervonden. Door een hevigen storm kreeg het schip
veel water binnen, dat niettegenstaande het pompen voortdurend toe-
nam, zoodat het schip in groot gevaar verkeerde van te vergaan. In die
benauwdheid riepen de zendelingen den Heere God aan, daartoe zich
in het gebed vereenigend; en — de storm bedaarde, de spui- en
geschutgaten werden dicht gestopt, en nu kon het schip door pompen
van het water worden bevrijd.
Den Sisten Maart 1799 landde men behouden in de Taf el-baai
aan. Van daar ging men naar de Kaapstad, waar de Regeering
was gevestigd.
Met zeer verschillende gevoelens werden de zendelingen ontvangen,
zoodra het doel hunner komst werd vernomen; haat en vijandschap
namen echter algemeen de overhand, vooral van de in de kerkleer wel
rechtzinnige Boeren, maar die gewoon waren, evenals de O. I. Com-
pagnie,
in de praktijk hun godsdienstig leven afhankelijk te maken
van het geldelijk belang, dat dreigde benadeeld te worden door elke
emancipatie der Heidenen. Doch er waren, Gode zij dank! ook lofïe-
lijke uitzonderingen op dezen regel: niet alleen sommige predikanten,
maar ook vele inwoners van de Kaapstad verheugden zich hartelijk
over de komst der zendelingen; nochtans vormden dezen een kleine
minderheid.
.Onder degenen, die met de grootste ingenomenheid Van der Kemp
en zijn medearbeiders begroetten, behoorde de vrome Ds. Vos. Hij
reist, op het bericht hunner aankomst, terstond van Rodezand naar
de Kaap, vindt daar Van der Kemp reeds volijverig bezig om vrien-
den en voorstanders voor zijn plannen te winnen, en zulks met een
verblijdende uitkomst; en beschrijft wat hij gezien en ervaren heeft
na de blijde begroeting en ontmoeting aldus: »De oudste zendeling,
Van der Kemp, vol vuur, wilde ook in dit Land, en wel in de hoofd-
-ocr page 38-
33
plaats, een Godsdienstig Genootschap oprichten. Ik maakte veel zwa-
righeid, vooral om op den duur Directeuren te vinden. Zijn Eerw.e,
door benden kunnende dringen, en over muren kunnende springen,
wist van geen zwarigheid. Wij moesten slechts beginnen. Daar ik
mij nu hieraan geenszins wilde onttrekken, stond ik hem bij; en
spoedig was het Zuid-Afrikaansch Genootschap gevestigd."
De broeders gingen nu met Ds. Vos naar Rodezand, en de beide
Engelschen werden daar door hem kerkelijk geordend.
Kort daarna werd te Stellenbosch een Hulpgenootschap gesticht.
Voordat Van der Kemp definitief zijn werk aanvaardde, besloot
hij een bezoek te brengen aan het door de Broedergemeente ge-
stichte Genadedal. Op dien tocht werd zijn leven weder wonderlijk
bewaard. Hij verdwaalde, en maakte toen kennis met de plaag der
binnenlanden van Zuid-Afrika, het verscheurend wild gedierte. Hij
moest zich onder den blooten hemel te slapen leggen, en bemerkte
weldra, dat huilende wolven hem omringden, ja zij vielen een der
paarden van den nabij hem staanden wagen aan, en verscheurden
het; doch hem raakten zij niet aan. — Hoe verblijd de drie Moravische
zendelingen
waren, toen zij Van der Kemp en het doel van zijn komst
leerden kennen, kan men denken. Hij keerde naar de Kaapstad
terug met drie gedoopte Hottentotten, zoovele zegeteekenen van het
zendingswerk, en behield deze ook later bij zich, om als gidsen en
tolken te dienen.
De groote vraag, die boven alles de zendelingen bezig hield, was
nu: «Werwaarts zullen wij gaan?" Ook daarin zou de Heere hun
den weg wijzen.
HOOFDSTUK VI.
ONDER DE HEIDENEN.
Terwijl de zendelingen te Kaapstad afwachtten, werwaarts hun
God hen zou leiden, kwam zekere Floris Visser, een Veldkornet, d. w. z.
een officier der regeeringstroepen, die in het binnenland de orde
bewaarden, met een zonderling gezelschap de stad binnen. Hij was
3
-ocr page 39-
34
uitgezonden geweest om een eindo te maken aan de roof- en moord-
tochten van de meest woeste van alle stammen onder de inboorlingen,
nl. de Bosjesmannen, zelfs door de Kaffers gevreesd, en had zijn
opdracht meesterlijk vervuld, zoodat er met hen een verdrag was ge-
sloten ; maar hoezeer was deze man, die God vreesde, verwonderd,
toen deze Bosjesmannen hem verzochten, om hun leeraars te zenden, die
hun den weg leerden verstaan om God te dienen! Hij stelde hun
voor, twee hunner stamhoofden af te vaardigen, om dit verzoek aan
de Regeering over te brengen. Toen een andere volksstam, de Ko-
runna\'s,
dit vernamen, vroegen zij voor zich hetzelfde. Ook zij vaar-
digden een hunner af, om met Visser mede te gaan; en de wach-
tende zendelingen vernamen de aankomst dezer drie mannen, die hun
als \'t ware van Godswege toeriepen: »Komt over, en helpt ons!"
Niet minder dan de aankomst van deze vreemdelingen, werkten an-
dere omstandigheden mede, om de leden van het nieuw opgerichte
Kaapsche Zendclinggenootschap te bemoedigen, en zelfs onder de
kolonisten een gunstiger stemming ten behoeve der Evangelisatie
onder de inboorlingen op te wekken. Zij zagen, hoe gretig dezen ge-
brui k maakten van de gelegenheid, in de Kaapstad voor de slaven
en slavinnen geopend, om godsdienstig onderwijs te ontvangen, zoodat er
geen plaats was in de voor hen opengestelde zaal, om allen te bergen;
zij bemerkten, hoe Heidensche stammen begeerig waren naar het
Woord Gods; zij vernamen, hoe ook in andere landen de zendingsgeest
ontwaakte, en de Dokter mocht, opgetogen van blijdschap, schrijven :
»Ik ben niet in staat de blijken van Gods genadige goedkeuring op
onze onderneming naar eisch te vermelden. Ze zijn zoo zichtbaar en
tastbaar, dat genoegzaam het geheele land ze opmerkt.\'\'
Nu werd besloten, dat Edwards en Kicherer zich onder de Bos-
jesmannen
zouden vestigen. Van der Kemp zou voorloopig onder de
Kaffers wer ken, doch met het plan, ook de Bosjesmannen naar ver-
mogen te dienen; Edmond vergezelde den Dokter.
Toen op 22 Mei de af reize naar het Kafferland plaats had, moch-
ten de zendelingen reeds ontwaren, dat het geen ondankbaar werk
was, den verachten Hottentotlen het Evangelie te verkondigen. Met
de betuigingen van de warmste genegenheid en met bittere droefheid
namen de arme Zwarten afscheid van hun vrienden en weldoeners.
Wie zou voortaan zich om hun zielenheil bekreunen? Maar het
licht begon te dagen, ook voor hen. Het zaad, door Van der Kemp
-ocr page 40-
35
uitgestrooid om liefde voor de zending aan de Kaap op te wekken, zou
opwassen en vruchten dragen.
De reis, die onze broeders aanvaardden, was geen gemakkelijke.
Eigenlijke wegen bestonden slechts tusschen enkele hoofdplaatsen.
Naar de binnenlanden moest men zich overal een weg banen door dichte
wouden en over gevaarlijke stroomen. De wilde gedierten, leeuwen en
wolven, waren overal de schrik der inboorlingen. In groote wagens,
door osssen getrokken, werd gewoonlijk de tocht ondernomen, en men
moest alles met zich voeren, wat men noodig had, ook voor den aan-
staanden zendingspost midden onder de wilden. Wie levensgevaar,
ontbering of vermoeinis vreesde, moest liever tehuis blijven; wie
niet tegen de grootste teleurstellingen bestand was, verloor ongetwij-
feld den moed. Maar onze Dokter wist, door Wien hij was gezonden,
en de kracht zijns Heeren werd in zijn zwakheid volbracht; Gods
genade was hem genoeg.
De waardige predikant Vos werd op dezen tocht bezocht; Ki-
cherer
en Edwards bleven te Rodezand achter. Edmond en Van
der Kemp
zetten hun reis naar het Ka/ferland voort. Weldra
maakten zij kennis met de onnoemelijke zwarigheden daaraan ver-
bonden, met stortregens en sneeuwjachten, en de ontzettende plaag
der woestijnreizigers: gebrek aan drinkwater. Toch ontbrak het
reeds toen niet aan bemoediging; en hoogst verblijdend was het,
tegenover hetgeen voortdurend van de Boeren werd ervaren, een
gezin te ontmoeten, waar Gods Geest in het hart van den huisvader
de vooroordeelen had overwonnen, en een warme liefde voor de Evan-
gelieverkondiging onder de Heidenen had gewekt.
Inde Kweeki\'allei, waar de reizigers den Men Juni aankwamen,
woonde Samucl De Beer op zijn boerderij, en ontving hen met
gastvrijheid; maar toen hij vernam, met welk doel de zendelingen
deze verre reis hadden ondernomen, werd hij vol blijdschap.
Zijn liefste wensch was vervuld, zijn innigst gebed verhoord, de beste
troost hem geschonken in de bitterste droefheid. Hij riep zijn gansche
gezin, waaronder ook de zwarte slaven en slavinnen, samen, deelde
hun de heuglijke tijding mede, dat deze mannen door God waren
gezonden om het Heidenvolk tot den Heere Jezus te bekeeren, viel opzijn
knieën, en riep uit: »0 God ! Gij hebt mij bedroefd met een on-
uitsprekelijke droefheid, door mijn kind, hetwelk ik op dezen zelfden
dag begraven heb, van mij weg te nemen; doch nu verblijdt Gij mijn
-ocr page 41-
36
ziel met nog grooter blijdschap, dan mijn droefheid is geweest, daar
Gij toont mijn gebeden voor de bekeering der Kaffers gehoord te
hebben, en mij vergunt op dit oogenblik het begin der vervulling
Uwer belofte te aanschouwen." 1)
Vijf dagen mochten de broeders het goede in dit huis genieten,
maar moesten toen verder. Het eerste doel hunner tocht was
Graaf Reinet, het verstafgelegen dorp, dat onder het bestuur stond der
Koloniale Regeering.
Aldaar kwamen zij den 29en Juni aan. Nu zouden echter de grootste
moeilijkheden en gevaren eerst aanvangen, waar zij, zonder be-
scherming, weerloos en verlaten, zich te midden der roof- en moord-
zuchtige Heidenen zouden vestigen. Wel ondervonden zij, zoowel van
de Regeering, als van de te Graaf Reinet gevestigde bevolking, de
meest mogelijke medewerking. Men beijverde zich om de koene zen-
delingen van al het noodige te voorzien: levensmiddelen, paarden,
ossen, Hottentotsche helpers, alles werd hun in overvloed aangeboden ;
maar hun plannen achtte men onuitvoerbaar. De verhouding tusschen
inboorlingen en kolonisten was zeer gespannen; elk oogenblik kon een
oorlog uitbreken. Wat zou er dan van een paar weerlooze Blanken
worden te midden der woeste vijanden? Maar niets kon hen terug-
houden. »God zou hen geleiden", en den 4Oen Juli trokken zij op.
Nu waren er echter onder de Kaffers vreedzame stammen, Stille
Kaffers
geheeten ; en aan de Groote Vischrivier werden er eenigen van
die soort gevonden, die de vreemdelingen vriendelijk ontvingen, en
twee hunner te hunner beschikking stelden om als tolken dienst te
doen, en bij den Koning des lands, Geika geheeten, verlof te vragen,
om zich in zijn land te vestigen als predikers des Evangelies. Koning
Geika beloofde hun zijn bescherming; maar van een anderen kant
kwamen nu onverwachts dreigende onweerswolken opzetten. Door de
1) Dat onder de harde schors der Boeren toch vaak een toegankelijk hart klopte, bleek
eenmaal uit de ontmoeting van den liekenden zendeling in 7.uid-Afrika, Robert Mo/fat, met
een hunner. Toen hy op weg naar Groot Namaquaiand bij hem gastvrij werd ontvangen, en
men hem vroeg bij den huisiyken godsdienst voor te gaan, vroeg Mo/fat om het dienstperso-
neel te laten binnenkomen. De Boer begreep niet, wat hy meende. Toen echter Moffat de
Zwarten, de llottentotten noemde, werd hg zoo verontwaardigd, dat hy voorstelde dan liever
de honden te roepen! Moffat antwoordde niets; men zong tezamen; hy sloeg den Hij hel op
en las: »Ja Heere, maar de bonden eten ook van de kruimkens, die daar vallen van de tafel
huns heeren." De boer was getroffen; hy liet de llottentotten binnenkomen, en zeide later tot
Moffat: »Gy hebt met een harde hand een hard hoofd verbrijzeld; ik zal my voortaan nooit
meer verzetten tegen de prediking dos Evangelies aan de Hottentotten."
-ocr page 42-
37
vijandelijke Kaffers verjaagd, kwamen talrijke kolonisten zich bij
hen voegen, en dezen verdachten en beschuldigden hen van allerlei
booze voornemens. Bovendien was men ieder oogenblik in gevaar
door de Kaffers aangevallen, van alles beroofd of vermoord te wor-
den. Reeds werd eenmaal de legerplaats door hen overvallen. Men
besloot daarom, zoowel de kolonisten als de zendelingen, te trachten
door de vlucht het gevaar te ontkomen; dit gelukte in zooverre, dat
aller leven gespaard bleef, maar bijna al hun vee viel den vijand ten
buit. "Weldra gingen de kolonisten een anderen weg dan de beide
vrienden; zij bleven toen alleen in het midden des vijands. Daar
bouwden zij zich een woning, die Van der Kemp aldus beschrijft:
»Ons huisje is van klei, zonder vensters en zonder schoorsteen om
den rook door te laten; de deur van riet, het dak van stroo; een
koffertje onze stoel, een mat onze tafel; de aarde onze rustbank en
een hol in den grond ons haardijzer."
Wie meent, dat zendeling te zijn een baantje is, waarin belangrijke
ontmoetingen, zonder daarmee verbonden ontberingen, hem wachten,
kan uit deze levensschets leeren, hoe dikwijls het tegendeel het geval
is. Was het dan wonder, dat de jonge Edmond den moed verloor,
en wilde weggaan om een ander arbeidsveld te zoeken? Maar
niet alzoo onze Van der Kemp. God was zijn leidsman, Hij zou hem
op zijn tijd aan het werk stellen.
Die tijd kwam eerder dan men had kunnen verwachten. Inderdaad
het gansche leven des Dokters was vol heerlijke uitkomsten en won-
derbare leidingen! Toen namelijk in den omtrek bekend werd, dat
er twee zendelingen waren aangekomen, stroomden vele hier ver-
strooide Christenen van allerlei natie, met hun slaven en slavinnen,
en ook andere Heidenen, vaak langs ongebaande wegen, tot hen;
en zoo vereenigde zich om hun woning een allervreemdst gehoor,
dat echter éen was in vurige heilbegeerte om den weg der zalig-
heid te vernemen, en weldra werden er zelfs godsdienstoefeningen
met gezang gehouden.
Maar ook dit zou slechts van korten duur zijn. De aanvallen der
oproerige Kaffers maakten steeds het verblijf onveilig, en bedreigden
de vluchtelingen ook hier met vernieling. Ja, op zeker oogenblik
scheen hun alle hoop om behouden te worden benomen; maar juist
verschenen toen de afgezanten van koning Geika, en maakten aan de
bedreigingen der Kaffers een einde.
-ocr page 43-
:J8
Deze Geika speelt nu voortaan in de geschiedenis van onzen Van
der Kemp
een groote rol. Zijn macht was uitgebreid; hij was ver-
standig, en had, hoewel wispelturig zijnde, vele goede eigenschappen. Voor
Van der Kemp vatte hij een groote genegenheid op, en was het
middel in Gods hand, om hem den weg te banen tot het bereiken
van zijn doel. Ook nu had hij zijn mannen gezonden, om den vrede te
sluiten en de zendelingen uit te noodigen, tot hem te komen.
Het kostte echter aan Van der Kemp de grootste moeite, om
Edniond, die den moed geheel had verloren, en zijn klein geleide
te bewegen, den gevaarlijken en moeilijken tocht langs ongebaande
wegen, door dichte wouden en over breede stroomen, te ondernemen ;
en tot zijn verwondering weigerden bovendien de afgezanten van Geika
halsstarrig zijn gidsen te zijn. Van der Kemp behield nochtans goeden
moed, vertrouwende op zijn God.
Den \'28sten Augustus werd dan ook opgebroken; doch het scheen,
alsof men roekeloos zich gewaagd had tot het ondernemen van een tocht,
die bovenrnenschelijke kracht vereischte. Eerst trok men langs ver-
woeste dorpen en boerderijen, waarvan het puin nog rookte. Daarna
geraakte men geheel verdwaald, zonder gids, zonder voedsel. Met
de bijl moest men door de oerwouden zich een weg banen; geen
mensch ontmoette men, maar des te meer roof gedierte; de rivieren
moesten soms zwemmende, of over boomstammen als bruggen wor-
den o vergetrokken. En ziet! al deze zwarigheden werden overwonnen.
Zelfs voor spijze zorgde de trouwe God door overvloed van wilden
honig, struisvogelveren en steenbokken.
En waartoe was het nu noodig, dat. men geheel was verdwaald ?
Dat zou blijken, als men weder op den rechten weg was teruggekeerd.
De blanke kolonisten, die Christenen heetten, maar wier haat tegen de
zending onder de zwarte Heidenen wij kennen, hadden besloten de
zendelingen van kant te maken. Zij hadden daartoe vier Engelsche
deserteurs omgekocht; en dezen hadden zich op den weg, dien de zen-
delingen moesten volgen, in hinderlaag verborgen, om hen, bij hun
voorbijkomen, neder te schieten. De beramer van het plan, Piet
Prinslo
geheeten, had ook de Kajfersche afgevaardigden omgekocht,
die daarom geweigerd hadden Van der Kemp en de zijnen te ge-
leiden. Hij had al zijn maatregelen met de meeste zorg en bekwaam-
heid genomen; zij konden menschelijk gesproken niet verijdeld wor-
den; en toch mislukten zij volkomen, omdat de verdwaalde zwervers,
-ocr page 44-
39
van deze moordplannen onbewust, een anderen weg volgden.
Daarna werden zij gevonden door een zekeren Sonkhinkoe,
opnieuw door Geika afgezonden, om hen op te sporen en
tot hem te brengen. Den 20sten September kwam men in de
koninklijke residentie, een Kafferdorp, aan, en werd door de inwo-
ners vriendelijk ontvangen.
EdmoncTs moed begon nu te herleven. Hij zag, hoe God met
hen was, en hoe het geloof bergen kan verzetten!
Maar de ontvangst, die hun van Geika te beurt viel, was weder
zeer teleurstellend. De koning zelf, in binnenlandsche twisten ge-
wikkeld, verklaarde hen niet te kunnen beschermen. Zelfs werd hij,
door valsche aantijgingen van den reeds genoemden Piet Prinslo,
zoo wantrouwend, dat alweder een wonderlijke bewaring alleen ver-
hinderde, dat men Van der Kemp niet op de gebruikelijke wijze, dat is
door speersteken doodde; een bij dezen vorst zeer gewone handelwijze.
Het gedrag van Van der Kemp, die onder alles telkens gerust en
kalm bleef, maakte intusschen weldra een diepen indruk op den
Koning en zijn omgeving, en toen diens tolk, een uit het Kaapland
gevluchte blanke, Buis genaamd, die eerst zeer vijandig was, zelf
de Godsdienstoefeningen kwam bijwonen, was de Dokter weder zeer
verheugd, en schreef aan zijn vrienden, dat Gods weldaden
onuitsprekelijk groot jegens hem waren. Een nieuwe poging van
denzelfden Prinslo om den Dokter verdacht te maken, bracht intus-
schen alweder zijn leven in gevaar, waaruit hij ook weer door
God werd gered. Ja deze laatste bevrijding was zelfs de aanleiding,
dat hem Geika eindelijk de langgewenschte toestemming gaf om zich
in zijn land te vestigen, en hem den naam van Tinkhanna schonk,
dien hij in \'t vervolg voortdurend onder de Kaffers zou dragen.
Dat geven van een naam is een zeer eigenaardige gewoonte onder
de Kaffers. De beteekenis van dien naam is een geheim, ook voor
dengene die hem draagt; niemand dan de gever kent haar. Maar
het is een teeken van groote genegenheid, als de Koning daartoe
overgaat; en bij Geika ging dit gepaard met de betuiging, in
tegenwoordigheid van een talrijke schare, dat hij voortaan den zen-
deling als een vriend zou beschouwen en behandelen.
Nu werd de tocht ondernomen naar het land, dat den zendelingen
tot woonplaats was aangewezen, \'t Was een heerlijk schoone en
vruchtbare streek. Hoog geboomte gaf schaduw en timmerhout;
-ocr page 45-
40
groene weiden voedsel voor het vee; een kronkelende rivier, de
Goua, koel en helder water; prachtige bloemen versierden de beem-
den. Hoe zal het hun te moede zijn geweest, na zooveel tegenspoed
en zoo langdurig wachten, toen zij daar begonnen met het bouwen
van een eigen woning, en nederknielend den Heere Jezus baden, dat
zij van daar uit noordwaarts over geheel Afrika het Evangelie
mochten helpen verbreiden!
De omtrek was ruim bevolkt door Kaffers. Ook vond de Dokter er een
voortvluchtig Engelschman, Thomas Bentley geheeten, die hem be-
leed, hoe hij een dergenen was geweest, die in hinderlaag had ge-
wacht op zijn voorbijgaan, om hem dood te schieten. Nu bleek hij
een overtuigd zondaar te zijn, die genade zocht, en den Dokter met
raad en daad bijstond.
Hoewel nu de naastbij wonende Hottentotten de zendelingen
met welwillendheid bejegenden, was hun leven een samen-
weefsel van boosheid: zij waren vuil en slecht, en alleen
liefde tot het winnen hunner harten voor den Heiland en zijn
Koninkrijk kon iemand het leven onder hen doen uithouden. Gelijk
wij gezien hebben, was deze liefde bij Edmond op verre na niet
zoo warm en oprecht als bij den Dokter. De wensch om terug te
keeren kwam bij hem telkens weder op, en hoe smartelijk het
Van der Kemp mocht vallen, hij kon noch wilde beletten, dat zijn
metgezel hem geheel alleen in \'t midden der woeste Heidenen
achterliet.
Den 13den December was Edmond reisvaardig, toen er juist een uit-
noodiging kwam van den Commissaris van Graaf Reinel, Maynier, om
met den Dokter een samenkomst te hebben in de kraal van Geika.
Door deze ontmoeting werd het vertrek van Edmond eenige dagen uit-
gesteld. Een aanbod van den Commissaris aan Van der Kemp, om
ook zijn post te verlaten en als predikant te Graaf Reinet of elders
werkzaam te zijn, wees hij, hoe aanlokkelijk ook, van de hand. Hij
gevoelde, dat het zijn roeping was den Heidenen het Evangelie te
verkondigen.
Intusschen had het afscheid van Edmond op 22 December
1799 werkelijk plaats. Hoe aandoenlijk dit moest wezen, kan men
zich voorstellen, als men bedenkt, wat deze mannen samen hadden
doorleefd. Hoeveel geloofsmoed was er noodig, om alleen, omringd van
tallooze gevaren, van geheel de beschaafde wereld afgescheiden, onder
-ocr page 46-
41
deze woeste Kaffers te willen en te durven achterblijven! Maar
alle dingen zijn mogelijk, dengene die gelooft.
Nadat zij samen hadden gebeden en Van der Kemp zijn jongen
vriend had gezegend, vertrok deze. De Dokter oogde den stoet, zoo
ver hij \'t vermocht, omtrent een half uur lang na; nu verdween
Edmond met zijn geleide voor goed uit de oogen van den trouwen zende-
ling. Doch hij wist, hoe veilig hij was, door zijn God en diens engelen
bewaard. Hij schreef in die dagen: »Jezus is mij genoeg, en door
zijn kracht vermag ik alles. Ook zal Hij mij de noodige hulp niet
laten ontbreken, maar die, al ware het uit steenen des velds, te voor-
schijn brengen." Hij had »een uitstekende hoop, dat God zijn vrije
genade onder dit volk zou verheerlijken. Zijn hand was zoo zicht-
baar om hem te bewaren en te besturen uitgestrekt, dat hij haar
medewerking in zijn pogingen niet kon in twijfel trekken,"
Deze verwachting werd niet beschaamd.
HOOFDSTUK VIL
ONDER DE HEIDENEN. (Vervolg.)
De moeilijkheden, die onze geloofsheld thans alleen met zijn God
had te overwinnen, mag men bijna bovenmenschelijk noemen. Het
volk stond op zulk een lagen trap van beschaving, dat het onmoge-
lijk scheen uitdrukkingen te vinden, vatbaar voor hun verstand, tot
verkondiging van het Evangelie. Het eenigst denkbeeld, dat zij zich
van het Hoogste Wezen hadden gevormd, bleek uit den Hem gegeven
naam van Thiko, \'t geen Smartverwekker beteekent. De oorzaak
van alle ellende was dus het voorwerp hunner hoogste vereering 1
Welk een duisteren nacht verkondigt dit! Noch alphabet, noch let-
terschrift, noch spraakkunst bestond in het Kaffersch. Alles moest de
Evangeliebode vormen en scheppen. Maar niets was hem te veel. Hij
bracht het alles tot stand. Er werd een school geopend, en jong en oud
uitgenoodigd daar te komen om onderwezen te worden. Inderdaad
kwamen er eenigen; en ziet, het bleek, dat zij zeer vatbaar waren
-ocr page 47-
42
om te leeren. Dat ook dit weder een moeilijk werk was, kan men
denken; te meer daar er leerlingen uit verschillende stammen kwa-
men. Toen koning Geika op zekeren dag die school bezocht, en zag,
hoe zijn onderdanen van het onderwijs profiteerden, wilde hijzelt
ook mede les nemen!
Maar al deze gunstige omstandigheden waren van korten duur. Het
bleek, hoe weinig de zendeling op de bescherming van den wispelturigen
Geika kon rekenen. Zijn leven bleek telkens bedreigd, en hij zag in,
dat hij zich niet langer zon Ier volstrekte noodzakelijkheid aan zoo
groot gevaar mocht blootstellen. Zoo moest de plaats, waar de koorden
hem liefelijk schenen gevallen, waar hij aanvankelijk eenige vrucht
meende te zien, weder worden verlaten. Met diepen weemoed ging
hij den 27sten April van het jaar d800 van daar, en trok weder de
wildernis in.
Aan de Debe, waar hij zich nu vestigde, vond hij een menigte,
die het uitvaagsel der menschheid moet genoemd worden. Zij be-
toonden hem de bitterste vijandschap, en alle deuren schenen onder
hen gesloten voor de prediking des Evangelies. Ook hier werd een
aanslag op zijn leven beraamd. »God heeft mijne wegen toegemuurd
en al mijne beraamde plannen verijdeld", zoo klaagde hij. Maar hij
voegt er bij: «Hierin is mijne hoop, en dit vertrouw ik zekerlijk,
dat ik, indien ik geloof, Gods heerlijkheid zien zal." En er kwam
weder uitkomst. Onverwacht, acht dagen na deze ontboezeming,
vestigden zich eenige Hottentotten onmiddellijk in de nabijheid zijner
woonplaats. Onder hen de beruchte Piet Prinslo, die vroeger een
aanslag op zijn leven had beraamd, en die nu met schuldbelijdenis
tot hem kwam, en scheen heilbegeerig te zijn geworden. Maar ook
deze verademing was van korten duur. Hij werd genoodzaakt weder
naar elders te vertrekken met een troep kolonisten, terwijl ook de
Hottentotten werden verdreven uit hun woonplaats.
Nu behaagde het echter den Heere, als door een liefelijke morgenster,
die opgaande den dageraad verkondigt, zijn hart te verheugen en te
versterken, doordien een der Heidensche vrouwen, door hem onder-
wezen, blijken gaf, dat haar hart door den Heiligen Geest was ge-
opend, om de blijde boodschap der behoudenis aan te nemen. Zijn
blijdschap over deze eerste vrucht van zijn langdurigen, zwaren arbeid
moet onuitsprekelijk groot zijn geweest. Zij deed hem uitroepen:
»Misschien zal ik de woorden op mjj mogen toepassen: i>De Winter is
-ocr page 48-
43
voorbij, en de tortelduif wordt gehoord in het land." O, dat ik
met een dankbaar hart en op eene gepaste wijze de eere daarvan
moge toebrengen aan mijn God en Koning, Wien dezelve alleen toe-
komt." — Deze vrouw had van hem de letters geleerd en een Bijbel
gekregen, en zichzelve, zooveel zij vermocht, onderwezen. Toen 30
jaar later in de plaats harer woning een zendingspost werd gevestigd,
vond men haar nog, en mocht bemerken, dat zij volhard had in haar
geloof. Zoo was het gebed van den trouwen arbeider verhoord.
Maar op nog merkwaardiger wijze zou de Heere bewijzen, hoe Hij
Dezelfde blijft, die eenmaal Elias gebed om regen verhoorde.
De schrikkelijke plaag van Zuid-Afriku, de droogte, teisterde ook
de streek, waar hij woonde. Alle toovermiddelen, waartoe de Heide-
nen in zulke omstandigheden de toevlucht nemen, bleven vruchte-
loos. Geika en zijn Kaffers wendden zich nu herhaaldelijk tot den
Dokter, opdat hij regen ver wekken mocht. Natuurlijk antwoordde
hij daarop, dat God alleen regen en droogte beschikt, en dat
hij niets vermocht. Geschenken hem aangeboden wees hij beslist
af. Maar nadenkende over de beloften der gebedsverhooring, en
vertrouwende, dat zijn God hem niet zou beschamen, antwoordde
hij eindelijk tot de afgezondenen : vJezus Christus, de Zoon van God, is
Koning des Hemels. Ik zal tot Hem spreken; Hij is het, die regen
geven zal op zijn tijd." Des avonds knielde hij in veler tegenwoor-
digheid neder en bad om regen.
Den volgenden morgen betrok de lucht; donderwolken kwamen
op, en een ontzaglijk onweder, vergezeld van regenstroomen, ont-
lastte zich boven de kraal van Geika. De indruk, dien dit wonder
Gods maakte, was echter slechts voorbijgaand. De moeilijkheden om
bij hem te blijven vermenigvuldigden, en eindelijk werd besloten met
de kolonisten naar elders te trekken. Hoewel dit eerst niet het doel
was van den tocht, richtte men zijn schreden naar de eigenlijke
Kaapkolonie. Door vergiftigde pijlen van vijandige stammen, door
roofgedierte en onnoemelijke hindernissen verloor men bijna al het vee,
en sommige Hottentotten verloren ook het leven. De Dokter was
eens op het punt van te verdrinken; windvlagen vernielden zijn tent,
en na een reis van vier maanden kwam hij den 14den Mei des vol-
genden jaars behouden te Graaf Reinet terug, waar h\\j twee zende-
lingen vond, de broeders Read en Van der hingen, bestemd tot
hetzelfde werk, als waartoe hij was uitgezonden. Schijnbaar was al
-ocr page 49-
44
zijn moeite en arbeid bijkans vergeefsch geweest; maar niemand meer
dan hij was er van overtuigd, dat hij wandelde op \'s Heeren wegen,
en dat Hij, op zijn tijd, licht en vrucht zou schenken.
Dat onze dappere strijder te Graaf Reinet niet zou stil zitten,
maar met hart en ziel de eeuwige belangen der zoo schandelijk
behandelde inboorlingen behartigen, spreekt van zelf. Merkwaardig
is het, hoe steeds de wereldlijke Overheid hem steunde in zijn werk,
en daarentegen de kerkelijk rechtzinnige Blanken overal zijn hevigste
vijanden waren. Ondertusschen maakte zijn prediking, toen de kerk
hem door den Commissaris Maynier was afgestaan, op velen zoo
diepen indruk, dat hij werkelijk tot predikant der Hervormde gemeente
werd benoemd. Maar dit wees hij weder beslist van de hand, ook
volgens zijn eigen getuigenis, »wegens verschil van overtuiging der
waarheid, in velerlei opzichten, van de aangenomen leer der gere-
formeerde kerk", en daartegenover: »het schandelijk verwaarloozen
der kerktucht." Waarin deze afwijking van de kerkleer heeft bestaan,
heb ik niet kunnen vinden. Zijn rechtzinnigheid werd in het moeder-
land met warmte verdedigd. Waarschijnlijk was het zijn meening,
dat de dood van Christus een verzoening is voor geheel de wereld,
(1 Joh. II : 2) en dus ook voor alle Kaffers en Hottentotten; en zeker
stond hij met zijn overtuiging rechtstreeks tegenover degenen, die de
Negers beschouwden als enkel bestemd hen als slaven te dienen, en
van de gemeente van Christus te worden uitgesloten.
Vooral ontwaakte de bitterste vijandschap weder, toen hij weldra
een getal van niet minder dan 200 Hottentotten op belijdenis des
geloofs mocht doopen. Dat Hottentotten de kerk bezochten, werd
als een verontreiniging van het bedehuis, hun doop als heiligschennis
gebrandmerkt, en weldra verkeerde de tegenstand tegen den Com-
missaris, die Van der Kemp beschermde, in een gewapenden opstand.
De zendelingen stemden er in toe, ten einde den vrede te herstellen, de
Heidenen buiten het kerkgebouw te onderwijzen, en het gelukte den
Dokter door groote toegeeflijkheid een vergelijk tot stand te brengen.
Kort daarna werd hij, met den zendeling Read, op verzoek van
Geika, naar het Kafferland afgevaardigd, om met de inwoners aldaar
een vredesverdrag te sluiten; wat echter zonder belangrijke gevolgen
bleef.
Belangrijker was, na zijn terugkeer, zgn besluit, om op een stuk
-ocr page 50-
45
gronds, hem door den weigezinden commissaris Maynier afgestaan,
in de nabijheid van Graaf Reinet, een zendinggemeente van Hotten-
totten
te stichten. Er werd een kerkje, een school en een woning
voor den zendeling gebouwd. De zegen, ook in het dorp en onder
de Blanken op de prediking des Woords geschonken, was groot; maar de
tegenstand werd nu ook te heftiger. Op nieuw brak een gewapend
oproer uit, en Van der Kemp en Read ontkwamen slechts door Gods
wonderlijke tusschenkomst aan een gewissen dood. Eenmaal werden
twaalf geweerschoten op den Dokter afgevuurd, die zich midden in
den strijd waagde, om zijn arme Zwarten te redden, zonder dat er éen
hem raakte. Hij werd door een regen van kogels achtervolgd,
»alsof hij een springbok of jakhals ware; maar zijn Bewaarder slui-
merde niet". Het einde van den strijd was, dat de muitelingen door
de vrienden van de zendelingen overwonnen werden, en zich onder-
wierpen, nadat hun vergiffenis werd aangeboden. Maar de vijand-
schap tegen den Dokter duurde voort. Ook de pastorie mocht hij
niet langer met zijn Heidenen en nieuw bekeerde Christenen ge-
bruiken. God voorzag echter ook nu weder in den nood; een ander
huis werd gevonden en tot den dienst des Heeren geheiligd, »terwijl",
zoo schreef de Dokter, »de satan het genoegen had van te zien, dat
de opzieners eener Christelijke gemeente het huis sloten voor de gods-
dienstige bijeenkomsten der Heidenen, welke hongerden om Gods Woord
te hooren."
Wat Van der Kemp zoo vurig verlangde, werd hem nu ten gevolge
dezer wederwaardigheden door den Gouverneur van de Kaapkolonie,
die van alle gebeurtenissen had kennis genomen, aangeboden. Deze
wilde een einde maken aan den onhoudbaren toestand, en, aan de
eene z\\jde de kolonisten bevredigen, aan den anderen kant de arme
Hottentotten buiten het bereik brengen hunner barbaarsche mishan-
delingen. Van der Kemp gaf in een uitvoerig schrijven aan den
Gouverneur zijn denkbeelden hieromtrent te kennen, en verzocht hem
bij de Algoa-baai met zijn Hottentotten een dorp te mogen stichten
om van daar het zendingswerk onder de omliggende Heidensche be-
volking te drijven. De Gouverneur beloofde en schonk zijn toestem-
ming en steun aan deze onderneming, die hg «lofwaardig en mensch-
lievend" noemde.
Dit alles geschiedde in de dagen, toen ons vaderland en Engeland
in oorlog verkeerden. Maynier en de gouverneur Dundas waren En-
-ocr page 51-
46
(jelschen; maar, en dit bewijst opnieuw hoe God voor zijn dienst-
knechten zorgde, beide Engelsche en Nederlandsche autoriteiten kozen
voor de zendelingen tegen de kolonisten, partij.
De belangrijke tocht werd den 20sten Februari 1802 met 109
Hottentotlen ondernomen, welk getal echter spoedig tot 235 aan-
groeide. De afscheidspreek, door Dr. van der Kemp gehouden, was
over Gen. XXXV : 2, 3: »Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin en
tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in
het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uwe kleederen;
en laat ons ons opmaken, en optrekken naar Bethel, en ik zal daar
eenen altaar maken, dien God, die mij antwoordde ten dage mijner
benauwdheid, en met mij geweest is op den weg, dien ik gewandeld heb".
De reis was een bezwaarlijke; maar de Heere geleidde hen veilig.
Hij deed hen genade vinden in het oog van een beruchten oproer-
maker, Klaas Stuurman genaamd, die het land onveilig maakte met
zijn benden. Eenige Hottentotten verlieten hem onderweg. Het land
was in menig opzicht een onherbergzaam, onvruchtbaar oord. De
tochtgenooten zouden zich hebben te onderwerpen aan de regelen
van Christelijke orde en tucht, en met handenarbeid hun brood moe-
ten verdienen. Hoewel Fort Frederik, met een kleine bezetting,
hen zou beschermen, stonden de bewoners aan aanvallen van mach-
tige vijanden bloot. Een enkele hoeve was hen ten gebruike afge-
staan, maar het geheele dorp moest van het eerste begin af worden
gesticht.
Op den 17den Maart op Botha\'s plaats, zoo heette zij, aangekomen,
toog men echter met moed en lust aan het werk. Een bestaande loods
werd tot bedehuis gewijd, de grond onder de Hottentotten verdeeld,
de gelegenheid tot onderwijs geopend, en daartoe door den Dokter
een Hottentotsch spelboekje vervaardigd en gedrukt.
Aanvankelijk gelukte het werk, door Van der Kemp zelf »zwaar-
wichtig" genoemd, naar wensch. Het volk vertrouwde zijn leidsman
volkomen, en hij scheen een zeldzame geschiktheid te bezitten, om
hen te besturen en te beschaven, waartoe inderdaad gansch buiten-
gewone eigenschappen werden vereischt.
God voorzag soms op wonderdadige wijze in hun behoeften. Een
klok was onmisbaar noodig, om het verstrooide volk ten kerkgang
te verzamelen, en nu geschiedde het, bij een schipbreuk, dat juist
een scheepsklok op het strand werd geworpen.
-ocr page 52-
47
Het grootste bezwaar der plaats lag echter in haar ongezondheid.
De Dokter zelf werd door rheumatische koortsen aangetast en voor
een jaar bedlegerig. Zijn medezendeling Read was hem echter tot
grooten steun en volvoerde, zoo goed mogelijk, zijn plannen.
De vijandschap der kolonisten bereikte hen zelfs in dit ver gelegen
land. Zij wisten, door Van der Kemp te belasteren en van ver-
standhouding met oproerige stammen te beschuldigen, van den Gou-
verneur een verbod te verkrijgen, dat geen vluchtelingen mochten wor-
den opgenomen in de gemeente; hoewel juist de goedgezinden, die
zich van de roofzuchtige Kaffers losmaakten, in Bothas plaats een
toevlucht zochten!
Een nog grooter gevaar bedreigde na korten tijd de nederzetting
van onzen Van der Kemp.
Bij den vrede van Amiens van 25 Maart 1802 kwam de Kaap-
kolonie weder in het bezit der Nederlandsche Republiek. Deze
verandering van bestuur had ten gevolge, dat de bezetting van
Fort Frederik naar de Kaapstad werd ontboden, en Botha\'s plaats
weerloos bleef tegenover de aanvallen van de woeste, roofgierige Hei-
denen in den omtrek. Van der Kemp kreeg verlof het Fort te be-
trekken, doch verklaarde dit slechts in den uitersten nood te zullen
doen. Op den raad, hem door den Gouverneur gegeven, om, tot
redding van zijn leven, mede te vertrekken, antwoordde hij echter:
»Ik hoop getrouw te zullen blijven aan de roeping, waarvoor mij
God geroepen heeft. Zoo ik wist, dat mijn verblijf bij ons volk
mij het leven kosten zou, en dat ik hetzelve behouden kon met hen
te verlaten, ik zoude niet schroomen het voor het kleinste kind
onder ons op te offeren." Zoo weigerde hij dit met beslistheid. Ook
zijn trouwe lotgenoot, de zendeling Read, verklaarde zich bereid te
blijven, om met de Hottentotten te leven of te sterven.
De Engelsche soldaten vertrokken, en zij bleven alleen onder Gods
bescherming achter.
Wat gevreesd werd, geschiedde weldra.
Nauwelijks was de bezetting weggetrokken, of de vijandelijke Hot-
tentotten
uit den omtrek, met musketten gewapend, vielen de neder-
zetting der zendelingen aan, en begonnen met al hun vee te rooven;
toen trokken zij op het dorp aan en joegen een hoop vee vooruit,
als bedekking tegen de schoten der aangevallenen. Maar Gods be-
scherming bleek weder voldoende. Door een hoop planken, door Read
-ocr page 53-
48
zonder bepaalde bedoeling daar neergelegd, verschrikt, wilde het
vee niet voorwaarts, en hoewel het nacht en dus duister was, trof een
kogel den aanvoerder der bende doodelijk. Den volgenden dag werd
een tweede aanval moedig afgeslagen. Maar Van der Kemp bemerkte,
hoe deze schermutselingen den ouden mensch in de Hottentotten bij-
zonder behaagde, en hoogst schadelijk waren voor zijn plannen, om
hen voor de Christelijke beschaving te winnen. Hij besloot daarom,
in het Fort Frederik een tijdelijke schuilplaats te zoeken.
Helaas waren zij ook daar nog blootgesteld aan bittere vijandschap;
te pijnlijker, omdat ze van de zijde der zich noemende Christenen
kwamen. De blanke kolonisten betoonden hun den felsten haat;
zij bedreigden hun leven en beroofden hen van hun goederen.
Niemand was er, die het voor hen opnam of hen beschermde, en toch
gevoelden zij zich veilig: immers zij waren in \'s Heeren hand!
Gelijk Van der Kemp zelf getuigde, was deze vijandschap enkel
het gevolg daarvan, dat hij de booze daden dezer naamchristenen,
bestrafte en verfoeide.
Op werkelijk satanische wijze werd het werk der Zendelingen
tegengewerkt door de Heidenen tot allerlei zonden te verleiden, en
velen hunner werden zelfs gruwzaam vermoord.
Zij waren ten einde raad; maar nu daagde er redding.
Op den 17en April 1803 kwam er een Hollandsen schip met krijgs-
knechten aan boord, om het Fort te bezetten. Hiermede nam het
rijk der boozen een einde; tucht en orde werden gehandhaafd, en de
Zendelingen en hun volk beschermd.
Deze aankomst der Nederlandsche troepen, die gevolgd werd door
de komst van den Gouverneur, had voor de geschiedenis der Zending
in Zuid-Afrika de zegenrijkste gevolgen.
Waarlijk, toen de nood op het hoogst was gestegen, was de
schoonste uitkomst nabij!
Wij zullen dit uit het vervolg van ons geschiedverhaal zien.
-ocr page 54-
49
HOOFDSTUK VIII.
BETHELSDORP;
Terwijl de Kerk door haar leden in Zuid-Afrika de bitterste vijand-
schap betoonde jegens de Zending onder Kaffers en Hottentotten, mag
het wel een verwonderlijke leiding van liet Godsbestuur heeten,
dat de Overheid, gelijk wij reeds opmerkten, zoowel de Engelsche
als de Hollandsche, telkens beslist partij koos voor de vervolgde
zendelingen en hen met raad en daad bijstond. Zonder deze hulp
ware er zeker niets van de schoone plannen van Van der Kemp
verwezenlijkt, en de vrucht van al zijn arbeid met wortel en tak
uitgeroeid.
Deze welwillende gezindheid en erkenning van het werk bleek
ook nu weder. Zij was te opmerkelijker bij al de beschuldigingen,
die de Regeering door de kolonisten tegen de zendelingen en hun
volgelingen vernam.
De nieuwe Gouverneur, J. W. Janssens, kwam den 8sten Mei 1803
te Algoa-baai aan. Dadelijk na zijn aankomst bezocht hij den kranken
Dokter, en liet zich alle gewenschte inlichtingen geven omtrent diens
arbeid en dien van zijn mede-zendeling Read.
Het gevolg daarvan was, dat hij nu met eigen oogen zag, hoe
alles vuige laster was, wat tegen deze onderneming door de kolo-
nisten was verspreid ; en zijn ingenomenheid met het werk werd
zoo groot, dat hij besloot het met alle kracht te ondersteunen.
Daartoe was verhuizing naar een ander oord allereerst onvermij-
delijk noodig. Een geschikte plaats ter vestiging hunner gemeente
uit de Heidenen werd daarom den zendelingen beloofd, en het aan
Van der Kemp overgelaten het te doopen met den naam, dien hij
zou verkiezen. Hij besloot, naar aanleiding van de laatste te Graaf
Reinet
gehouden preek, gelijk wij hiervoren zagen, de nieuwe neder-
zetting Rethelsdorp te noemen.
Onmiddellijk toog men uit, om een geschikte verblijfplaats te vin-
den, en vond die bij de kleine Koper-rivier, twee uur van Fort Fre-
derik,
onder welks bescherming Rethelsdorp zou worden gesteld.
Den 31sten Mei werd door den gouverneur Janssens het land aan
Dr. van der Kemp in erfpacht afgestaan, als »Hoofd van het Insti-
4
-ocr page 55-
50
tuut tot bekeeiïng en onderwijs der Heidenen", onder een voorloo-
pige «ordonnantie en regel voor het beheer der vestiging", waarin
den Hottentotten bescherming en recht werd beloofd. Deze ordon-
nantie werd den 12den Mei 1804 door den Commissaris-generaal der
Bataafsche Republiek, B. A. de Mist, geratificeerd, en aan het Insti-
tuut te Bethetsdorp dezelfde rechten en vrijheden verzekerd, die
door de Moravische Broeders te Baviaans-kloof werden genoten. Op
denzelfden 31sten Mei verhuisde de Dokter met zijn volkje naar de
toegezegde plaats.
Wie had zulk een uitkomst voor mogelyk gehouden; hoe werd ten
laatste het vertrouwen der broeders op de hulp huns goddelijken
Meesters heerlijk beloond!
Wij zullen weldra zien, dat ook thans de weg van deze dienst-
knechten des Heeren vaak moeilijk bleef; maar keeren eerst nog
voor eenige oogenblikken naar Fort Reinet terug. Tot groote erger-
nis der Blanken waren daar sommige GhY\\sten-Hottentotten overge-
bleven, die den Zwarten het Evangelie verkondigden. Tegen deze
keerde zich nu hun woede. Twee hunner werden door hen in een
ijzeren kooi opgesloten; de eene bovendien gegeeseld, en het prediken
werd hun verboden. Ook thans betoonde zich de Regeering echter welge-
zind. Zij kwam tusschenbeide en verloste de beide arme slachtoffers uit
de handen hunner vijanden, die voortaan beter zouden worden beschermd.
Toen de Hottentotten met hun leidslieden aankwamen ter bestemder
plaats, vonden zij daar natuurlijk niets, wat voor huisvesting en levens-
onderhoud kon dienen. Het klimaat was er beter dan in Botha\'s
plaats; er waren goede weiden voor het vee; er was uitmuntende •
pot- en kleiaarde, doch niet voldoende timmerhout en water om in
de behoeften te voorzien, wat tot eenige bezorgdheid aanleiding gaf.
Dapper toog men aan den arbeid om een dorp te stichten, waarin
vooral Read goede diensten bewees. Een vierkant vak werd voor wo-
ningen bestemd. Elk bewoner kreeg een stukje grond in eigendom.
De kleine Koper-rivier, die het vierkant doorsneed, werd Bethelsfontein
genoemd. Een kerkje verrees in het midden van het dorp, en den
2den Juli mocht Van der Kemp zelf, zoover hersteld dat hij weder
kon preeken, het wijden tot den dienst des Heeren.
Er geschiedden toen groote dingen. De Geest des Heeren begon
te werken onder de inwoners van Bethelsdorp. In het volgende jaar
-ocr page 56-
51
bemerkte men ingrijpende veranderingen onder zijn bewoners. Read
getuigde hieromtrent: »De Heidensche donkerheid is geweken voor het
heerlijk Evangelielicht, en de kracht der bekeerende genade heeft
gezegepraald in de harten der Heidenen, tot welke wij geroepen zijn
om hun het Evangelie van Christus te verkondigen".
Uit onderscheidene stammen vergaderde zich het volk rondom
de zendelingen in Bethelsdorp. Een bekend hoofd vertrouwde hun
twee zijner zonen ter opvoeding toe, en hoe het hart van den trou-
wen arbeider in \'s Heeren wijngaard met blijdschap en dank vervuld
was, laat zich denken; »het ging", zooals de Dokter zeide, »zijn
begrip te boven!"
De vijand sliep intusschen niet. Nog eenmaal zouden de kolonisten
alle krachten inspannen, om den gehaten verstoorder hunner rust bii
het uitzuigen en mishandelen der arme Zwarten, den vriend en voor-
spraak der verdrukten, uit den weg te ruimen. Ook ditmaal zou het
echter blijken, hoe de wonderdoende God uitkomsten geeft in eiken
nood. en uit het kwade der menschen het goede doet voortkomen
voor zijn kinderen.
Nu Holland weder meester was aan de Kaap, was het gemakke-
lijk de zendelingen, door Engeland uitgezonden, als vrienden der
Engelschen verdacht te maken. Zoodra er weder oorlog kwam, zou
dan in het hart des lands een vijandelijke macht tegen de Republiek
worden gevonden. Dit middel gelukte. Er stak zulk een storm op
tegen Bethelsdorp, dat de gouverneur Janssens zich genoodzaakt zag,
Van der Kemp ter verantwoording naar de Kaapstad te ontbieden.
In April 4805 werd daaraan voldaan.
Read verkoos mede te gaan; ook een der zonen van genoemd
opperhoofd, de Kaffer Tjani vergezelde den Dokter. Het afscheid van
zijn teedergeliefde gemeente was hartverscheurend. Wat zou ervan
de arme schapen zonder herder worden? Van der Kemp schreef er
van: «Onder een hartbrekend afscheid verlieten wij op den 29sten April
hen, die wij boven het licht onzer oogen liefhadden. De menschen
volgden ons zoolang zij konden; en toen zij allen, de een na den
ander waren teruggegaan, bleef ons een meisje naloopen, dat, toen
wij haar wilden noodzaken naar haar moeder weder te keeren, zeide
zich liever onder de wielen oan onzen wagen te willen laten ver-
pletteren, dan ons te verlaten,
zoodat wij ons eindelijk gedrongen
zagen haar mede te nemen."
-ocr page 57-
52
De liefde en aantrekkelijkheid door dit kind betoond, was een
liefelijk beeld van \'t geen de harten der zwarte bevolking van Bethels-
dorp
vervulde. Hun genegenheid vergoedde inderdaad veel, bij alle
ontberingen, teleurstellingen en tegenstand door de zendelingen
ondervonden.
Zoo scheen aan alle verwachtingen de bodem ingeslagen en de
vijand te triomfeeren. Doch de Wachter Israëls waakte over zijn
Gemeente, en reeds was door Hem gezorgd voor alles, wat noodig
was om Bethelsdorp te behoeden en voorspoedig te maken.
Het Nederlandsche Zendelinggenootschap te Rotterdam, op aanzoek
van Dr. van der Kemp, gelijk wij hiervoor zagen, gesticht, moest
het middel zijn om deze uitkomst aan te brengen.
Weinige weken voor des Dokters vertrek was te Bethelsdorp een
zekere Godfried Ulbrecht aangekomen, door het Genootschap als
Zendeling uitgezonden, die nog juist den tijd had gehad zich met de
omstandigheden der plaats genoeg bekend te maken, om den arbeid
voort te zetten. Een uitnemend echtpaar, Barend Tromp en Jetje
Bakker,
mede in denzelfden dienst, doch elders in Zuid-Afrika werk-
zaam, kreeg bevel naar Bethelsdorp te verhuizen om daar te
arbeiden.
Tromp aarzelde eerst, omdat de Dokter hem in een brief verze-
kerde, dat hem het sdeelen in de ongemakken van levensgevaren,
armoede, gebrek, koude, honger, smaadheid en belastering, onder het
genot der onuitsprekelijke vertroostingen Gods" stond te wachten;
doch hij besloot later te gaan, en kwam juist bijtijds om den Dokter
te vervangen.
Op weg naar de Kaapstad ontmoetten de Zendelingen nog een
jongen man, Erasmus Smit genaamd, in het Aalmoezeniersweeshuis
te Amsterdam opgevoed, die als onderwijzer onder de Heidenen
wenschte te arbeiden, en op weg was naar Bethelsdorp.
Op de plaats hunner bestemming aangekomen, werden zij opnieuw
verrast en verblijd door een bewijs der goddelijke trouw huns He-
melschen Vaders. Een bejaarde vrouw, Machteld Smith genaamd,
niettegenstaande haar 62jarigen leeftijd nog krachtig van gestel, had
kennis gemaakt met Hottentotsche vrouwen uit Bethelsdorp, die zeer
merkwaardige toonbeelden waren van de macht van Gods genade,
door een Hem gewijd leven, hetgeen op haar zulk een diepen indruk
maakte, dat zij, door deze daartoe aangezocht, besloot derwaarts te
-ocr page 58-
53
verhuizen. Zij verkocht haar hoeve, en reisde alleen naar het vèr-
gelegen dorp, om aan de vrouwen en kinderen onderwijs te geven,
zoowel in den godsdienst als in vrouwelijke handwerken.
Zoo was in alles, wat Bethelsdorp van noode had, voorzien.
Om nog andere redenen moest echter Van der Kemp persoonlijk
naar de Kaapstad, en wat de vijanden ten kwade gedacht hadden,
zou ook daar het werk ten goede komen.
Van der Kemp hegon, met zijn gewonen vurigen ijver, in de
Kaapstad tegen den slavenhandel te getuigen.
Dat hierdoor de verbittering der kolonisten nog feller aanwakkerde,
zal ons niet verwonderen. Zij werd niet weinig vergroot, toen hij
in 1806 een moeder met drie dochters voor een aanzienlijke som
vrijkocht en een der dochters zelfs tot vrouw nam. Zij was uit
Madagaskar afkomstig, werd door hem in de Christelijke leer onder-
wezen, en is hem tot aan zijn dood een trouwe hulpe geweest. Hun
echt werd met drie kinderen gezegend.
Tegenover deze vijandschap ontwaakte echter ook in velen door zijn
ernstig getuigenis een betere geest. Vele welgezinde, onbevooroor-
deelde Christenen begonnen in te zien, dat het niet recht kon zijn
voor God, dat de eene mensch alzoo den ander behandelde; en de
afschaffing van den slavenhandel, door Engeland in 1808 ook voor
de Kaap geproclameerd, en aldaar door de zendelingen met hun
volkje door een plechtigen dankdag gevierd, was zeer zeker mede het
gevolg van des Dokters ijverig pogen.
Een niet minder gewichtig werk werd door hem gedurende zijn
verblijf iu de Kaapstad volbracht. Een spraakkunst voor de Kaffer-
sché
taal werd door hem reeds vroeger gereed gemaakt; nu stelde
hij een woordenboek samen, en verzamelde aldus de grondstoffen voor
de later verschenen vertaling van den Bijbel in het Kaftersch.
Op nog merkwaardiger wqze verkreeg de Dokter verhooring van
een zijner liefste wenschen. De oorlog tusschen Holland en Enge-
land
brak uit; de Kaap werd door de Engelschen heroverd. Een
groot aantal Hottentotten, die tegen hen ten strijde waren getogen,
viel den vijand in handen, en bracht den Engelschen generaal Baird
in geen kleine verlegenheid. Wat moest hij met deze arme wilden,
meest Heidenen, aanvangen? Hij besloot den Dokter om raad en
hulp te vragen. En nu kreeg deze niet alleen vrijheid om naar
Bethelsdorp terug te keeren, maar hij ging naar zijn geliefd
-ocr page 59-
54
arbeidsveld met een rijken buit van inwoners terug, en dit met mede-
werking en onder bescherming der Regeering! Wie had zulk een
afloop kunnen voorzien, na de pogingen zijner vijanden om hem met
Bethelsdorp te vernietigen?
Read en Van der Kemp keerden nu naar hun dorp terug. Eerst
kwam Read, die over zee gegaan was, ei\' aan; den 2en Maart de
Dokter. De blijdschap, waarmede hij werd ingehaald en ontvangen,
laat zich niet beschrijven. Maar hoe hoog moest die blijdschap stijgen,
toen hij bemerkte, hoe, onder de trouwe leiding van Ulbrecht en
Tromp, de Gemeente was toegenomen, niet alleen in aantal, maar
bovenal in geestelijk leven, en niet minder in uitwendige welvaart.
Toch was de vijand weder bezig om aan al die schoone verwach-
tingen, kon het zijn, den bodem in te slaan. Eerst trachtten de
Blanken de bevolking tot allerlei zonden en afval te bewegen; maar
deze duivelsche toeleg mislukte volkomen. Toen werd een ander middel
te baat genomen. Door de snelle vermeerdering der bevolking bleek het
land, waarop zij woonden, te klein. De kolonisten, daarvan verwittigd,
vestigden hierop de aandacht van generaal Baird, en sloegen hem
voor, de nederzetting naar elders te verplaatsen. Zij wezen daartoe,
als bijzonder geschikt, een stuk land aan de Plettenbergs-baai aan.
De Generaal achtte het voorzichtig deze streek eerst door den Dokter
zelf te doen onderzoeken. Daarop hadden de listige vijanden echter
niet gerekend. Eerst onderschepten zij een brief aan den Dokter,
waarin de opdracht daartoe voorkwam; maar een tweede kwam toch
in zijn handen.
Met een Landdrost, die aldaar woonde, werd nu het district Plet-
tenbergs-baai
onderzocht, en wat vond men? Waarlijk, men kan
zulk een verregaande boosheid van gedoopte Christenen tegenover
zulk een heerlijk werk van Gods genade nauwlijks gelooven! Het
was een onbewoonbare streek, bijna ontoegankelijk, geheel ongeschikt
voor een talrijke nederzetting; er heerschte een bijna totaal gebrek
aan water; voor landbouw was de grond onbruikbaar; het klimaat
was hoogst ongezond; en het ergste van alles was, dat in den
omtrek een volk woonde, om zijn ongebondenheid berucht, en uiter-
mate geschikt om de nieuwe bewoners tot allerlei ongerechtigheid
te verleiden.
Ook nu weder had dit booze opzet een tegenovergestelde uitwerking,
als die welke werd verwacht. De Dokter zag hierin Gods hand om
-ocr page 60-
55
te Bethelsdorp te blijven, dat, in menig opzicht verbeterd, thans ook
overvloed van goed drinkwater bezat; en de Generaal schonk aan
de bewoners nieuwe gronden, zoodat het dorp een omtrek verkreeg
van twee uren gaans.
De woningen van riet en klei werden door steenen huizen vervangen;
uitgestrekte velden met graan bebouwd. De Gemeente werd betrek-
keiijk welgesteld en voorzag uit eigen middelen in het noodige, zooals
een nieuwe kerk, en later, na Van der Kemp\'s ontslapen, een doel-
matig gasthuis.
Eindelijk kon de plaats het aantal inwoners niet meer bevatten,
en in het jaar 1812 werd van uit Bethelsdorp een nieuw zendings-
dorp gesticht, dat den naam Theopolos (Godsstad) verkreeg.
Gelijk wij gezien hebben, had zich de arbeid van Van der Kemp
en zijn vrienden voornamelijk bepaald tot de Hottentotten. Het
verbod om de Kaffers liet Evangelie te verkondigen, was nog niet
opgeheven, maar de invloed van de bewoners te Bethelsdorp op de
in den omtrek vertoevende Kaffers liet zich telkens bespeuren. Bekeerde
Kaffers brachten aan hun stamgenooten de Blijde Boodschap en
telkens kwamen uit hun midden roepstemmen tot den Dokter:
»Kom over en help ons!" Op zijn herhaald verzoek en tot zijn groote
blijdschap werd het verlof, om onder hen het Evangelie te predi-
ken, in 1810 gegeven. Een uitgebroken oorlog tusschen hen en
de kolonisten verhinderde voorloopig de uitvoering van het plan, om
tot hen te gaan. Eerst in 1816, dus na des Dokters dood, ging
Read, met zekeren Williams, een zendeling die later werd afge-
zonden, naar hun land. Zij werden er met open armen ontvangen.
Het bleek, dat de Kaffers hun ouden, trouwen vriend Tinkhanna
niet hadden vergeten: zij noemden de zendelingen, als zijn opvolgers,
Tinkhanna\'s.
Het levensdoel van Van der Kemp scheen thans door hem bereikt.
Het Evangelie werd den Heidenen in Zuid-Afrika onverhinderd ver-
kondigd. De toestand van Bethelsdorp was zoo bevredigend, dat hij
vermeende aldaar het werk aan zijn medearbeiders te kunnen overlaten.
Twee plannen hielden hem nog bezig, die beide even nuttig en
noodig schenen; en de keuze tusschen beide, of althans de vraag :
waartoe h\\j het eerst zou overgaan? bracht hem in zulk een ern-
stigen tweestrijd, dat men vermeent, dat daardoor het einde z\\jns
levens is verhaast geworden.
-ocr page 61-
56
De afschaffing van den slavenhandel had een deel van de blanke
bevolking van de Kaapkolonie met bitterheid vervuld. Zq gaf aan-
leiding tot allerschandelijkste tooneelen. De arme slaven werden
harder dan ooit behandeld, ja vele Hottentotten meedoogeloos ver-
moord ; en de woede der vervolgers keerde zich voornamelijk tegen
degenen, die gedoopt waren en in Bethelsdorp een toevlucht hadden
gevonden. De Overheid bleek buiten machte om dit kwaad genoegzaam
te keeren, en de Dokter besloot zelf naar Londen te gaan, om bij
het Engelsche Gouvernement hulp te zoeken.
Het tweede plan was het zendingswerk aan de Kaap te verwisselen
met dat op het eiland Madagaskar.
Van beide voornemens is echter niets gekomen. God had wat beters
voor zijn dienstknecht bestemd.
In het begin van het jaar 1814 vertrok Van der Kemp met zijn
trouwen broeder Read naar de Kaapstad, en bracht aldaar zijn klach-
ten over de behandeling der Hottentotten voor de Regeering, die
beloofde het mogelijke te doen, om verdere schanddaden te voorkomen.
Men vertoefde daar geruimen tijd. Toen op 2 December deszelven
jaars een aardbeving schrik en ontsteltenis in de stad verspreidde,
traden de zendelingen als boetpredikers op, en vonden bij velen een
gewillig gehoor.
Op den 7n December, terwijl hij zich gereed maakte voor zijn
vertrek naar Londen, werd de Dokter plotseling ongesteld, en voorzag
dadelijk, dat zijn einde naderde.
En zoo was het. Zijn krachten namen schielijk af. Men hoorde
hem nog eenmaal zuchten: »Ik sterf met een gebroken hart, wegens
de onderdrukking mijner Heidenen."
Toen men hem vraagde, hoe
het met hem gesteld was, sprak hij met zachte, stervende stem:
»Licht! Alles is licht!" en ontsliep, om te ontwaken daar, waar
geen duisternis is, noch onderdrukking, noch zonde, noch gekrijt, als
een kind des lichts in den eeuwigen lichtglans van Gods vriendelijk
aangezicht.
Zoo eindigde het leven van een van Nederland\'s grootste mannen.
Een man, dien de beroemde zendeling Moffat, die onder de noordelijker
wonende stammen van Zuid-Afrika arbeidde, de schoonvader van den
niet minder beroemden Livingstone, onder al de zendelingen »den
merkwaardigste bij uitnemendheid" noemde, en dit met volle recht.
-ocr page 62-
57
Wat onmogelijk is bij de menschen, achtte hij mogelijk bij God, en
hij werd niet beschaamd. Hq twijfelde nooit een oogenblik aan zijn
goddelijke roeping, al waren alle omstandigheden hem tegen ; hij was
een apostel, «geroepen, niet van menschen, maar door Jezus Christus,
den Heer, den Zaligmaker der wereld." De naam van Apostel van
Zuid-A/rika verdient hij ten volle, omdat hij, op elk gebied de eerste,
zijn tijd en omgeving altoos vooruit was. Hij wist de algemeene
opinie te trotseeren, maar ook ongemerkt om te keeren. De Boeren
ontwaakten uit hun valschen droom, en men begon het voor mogelijk
te houden, dat men de Heidenen niet alleen als medeschepselen,
maar ook als medemenschen moest beschouwen. Hij verkreeg van
de Regeering niet alleen het verlof om hun het Evangelie te ver-
kondigen, maar werkte er krachtig toe mede, dat zij beschermd
werden. Zijn ernstig pleidooi won de harten, en bereidde de moge-
lijkheid voor, om hun dezelfde rechten toe te kennen als aan
andere menschen; en op de afschaffing van den slavenhandel volgde
in 1835 die der geheele slavernij, tegen vergoeding aan de slavenhouders.
De verhouding tusschen Blanken en Zwarten werd langzamer-
hand beter. Er waren, Gode zij dank! onder de Boeren ook ware
Christenen, die zich over hun bekeering verheugden, en de zendeling
Kicherer hiervoor genoemd, mocht bij den doop van Hottentotsche
vrouwen getuigen: »Het onderscheid tusschen Blanken en Zwarten
werd vergeten. De Christenvrouwen omhelsden de nieuwe zusters,
en riepen uit: »God doet wonderen in deze dorre woestijn; o, wat
tqd beleven wij! Wat is Gods goedheid niet oneindig, die ons de
vreugde schenkt om te mogen zien, dat Hij zich over dit arme,
verblinde volk ontfermt!" Wie had dit tien of twintig\'jaar te voren
voor mogelijk geacht?
De goedertierenheid Gods, zijn liefde in Christus voor verloren zon-
daren, was het element, waarin deze zendelingen leefden. Hun leven
veroordeelde niet alleen de doode rechtzinnigheid der Boeren, zij
maakten ook velen begeerig naar iets beters, en brachten hen aan
de voeten van den Vriend van tollenaren en zondaren uit alle volken
en natiën.
Evenals Wüliam Carey in Engeland, was Van der Kemp de baan-
breker op den Zendingsweg, dien God wilde, dat zijn volk in deze
onze eeuw zou betreden, en waartoe hjj alle deuren opende en alle
hinderpalen uit den weg ruimde.
-ocr page 63-
58
Hij was bovendien een echte Nederlander, en wel van de edel-
ste soort. Geen man, die lust had om zich te mengen in theolo-
gische of kerkelijke twisten, daar hij op dit gebied het gevoelen van
den broeder eerde, en het aan hem overliet te handelen naar zijn
eigen overtuiging. Hij kende uit ervaring de beteekenis van den
omgang van een verlost zondaar met zijn Heiland, en had daarom
een afkeer van het heerschappijvoeren over de gewetens der men-
schen. Waar de heilswaarheden als werkelijkheden worden ervaren,
daar hecht men aan de menschelijke opinies daaromtrent weinig
waarde! Hij was onverschrokken, koelbloedig, vasthoudend, onbeweeg-
lijk van karakter. Wat de Geuzen in den krijg, de voormalige
kooplieden in den handel, de zeelieden op koopvaardij" en oorlogs-
vloot betoonden — waar zij vaak door twijfelachtig goede, niet zelden
door bepaald onchristelijke middelen, met onverzettelijken moed en
volharding een plan ondernamen en hun wenschen verkregen —
zocht hij het goede, en zette het volhardend door op het gebied
van Gods Koninkrijk, doch enkel en alleen in de kracht en in den
weg zijns Meesters. Hij was een man uit éen stuk, en een voor-
stander van die eenzijdigheid, die Lodeioijk Hofacker eens aan zijn
vriend en broeder Albert Knapp als het kenmerk van den waren Christen
aanprees: hy stond geheel en onverdeeld aan de zijde des Heeren,
desnoods tegenover geheel de vrome of goddelooze wereld. Hij doet
ons denken aan een Elias, die svoor God stond," en ook op zijn ge-
bed stroomde de regen in overvloed op een verschroeid en verdroogd
aardrijk neder. Maar Elias werd nog moedeloos, toen alles hem tegen
scheen, Van der Kemp nooit. Al wat hij getuigd heeft omtrent zijn
wedervaren, vloeit over van blijden dank aan zijn God, die hem ver-
waardigd had tot een werk, waarin vervolging, berooving van goe-
deren, krankheid en doodsgevaar zijn deel waren; en het smartelijkst
van alles was wel de smaad, verachting en haat van hen, die zijn werk
in Zuid-Afrika hadden moeten waardeeren en steunen. Zijn liefde tot de
arme Kaffers en Hottentotten kon niet worden uitgebluscht; zij nam
toe, naarmate hij hen in hun ellende meer en beter leerde kennen.
Dank vroeg of verwachtte hij van geen mensch, allerminst van hen;
maar welk een vreugde vervulde zijn ziel, als hq bemerkte, dat
Gods genade zich in hen verheerlijkte 1
De zendeling Schmidt, uit Zuid-Afrika verdreven, vond men knie-
end ontslapen. Hij had zeker niet opgehouden voor de arme onder-
-ocr page 64-
59
drukte inboorlingen te bidden. Ook de ziel van Livingstone, wiens
hart met gloeiende liefde voor de bewoners van Centraal\'Afrika
was vervuld, maar die voor het oogenblik al zijn plannen zag ver-
ijdeld, hoewel God bezig was ze te vervullen, ging biddend van
hier naar zijn eeuwig huis; men vond hem dood op de knieën ; en
onze Van der Kemp stierf met een gebroken hart van wege de
jammeren zijner geliefde Hottentotten.
Welk een heerlijke ontmoe-
ting zal het Daarboven geweest zijn, toen deze drie samen kwamen
in het Huis des Vaders!
Dat zij daar onbekend zijn gebleven met den heerlijken dageraad,
die op den nacht van Afrika is gevolgd, en waarvan Van der Kemp
althans in Bethelsdorp de eerste stralen met blijden dank mocht
begroeten, kan ik niet gelooven.
Immers Mozes en Elias bespraken met onzen Heer op deze zelfde
aarde zijn uitgang, lijden en sterven?
Doch hoe dit zij, wij, die het weten, wij danken God, dat Hij aan
ons dierbaar vaderland zulk een man heeft geschonken: »den merk-
waardigsten zendeling van zijn tijd", »den Apostel van Zuid-A frika".
Bethelsdorp is nog heden een post van het Londensch Genoot-
schap. Het telde in 4881 620 bewoners 4). Toen de heer C. J.
Latrobe
voor de Broedergemeente in 4816 2) een inspectiereis deed,
om haar nu bloeiende zending van nabij te leeren kennen, bracht
hij ook een kortstondig en oppervlakkig bezoek aan Bethelsdorp. Read
was afwezig. Het schijnt, dat na den dood van haar bekwamen
stichter de bloei der Gemeente niet was toegenomen. Ook bleek
het, hoeveel volharding en kunde er noodig waren geweest, om in
die streek zulk een stichting tot stand te brengen.
1) Zie: Die Evangelische Mission, thre I.iinder, Völker und Arbeiter, von J.Gundert.Calw
und Sttittgart 1881, pag. 50.
ï) Zie: Journal of a visit to South-Africa in 1815 en 1816 bij the Red. C. d. Latrobe. Imden
1818, pag. 205/9.
In dit zeer belangrijke werk, met fraaie platen, wordt slechts in het voorbijgaan van Bethel$-
dorp
gewag gemaakt. Even vluchtig als het bezoek, dat nog geen dag beert geduurd, is het
oordeel van den schrijver over de nedorzetting. Als bij de geschiedenis van Van der Kemp
had gekend, zou hü zich niet er over verwonderd hebben, dat deze niet een vruchtbaarder
streek voor zijn dorp had gekozen, daar h(j in de keuze immers zeer beperkt was, en overal
werd verdreven, waar h(j een goed terrein vond? Ook meende Latrobe de terughoudendheid der
inwoners tegenover vreemdelingen aan schuwheid te moeten toeschrijven; de oorzaak was dat
Van der Kemp, die wist hoe de omgang met Blanken hen in verleiding bracht tot gruwelijke
zonden, hen geleerd had de aanraking met hen zooveel mogelijk te vermijden. Men leert hieruit
weder, hoe voorzichtig men wezen moet in zijn oordeelvellingen, zonder de noodlge kennis
van zaken.
-ocr page 65-
fiO
In 1819 werd door het Genootschap Dr. Philip naar de Kaap
gezonden, die Van der Kemp als inspecteur of directeur der zending
in Zuid-Afrika opvolgde. Daar de mishandeling van Kaffers en Hot~
tentotten
steeds voortduurde, vertrok hij in 1827 naar Londen, om
persoonlijk hun belangen te bepleiten en hun nood bekend te
maken. Dit had inderdaad voor hen zeer heuglijke gevolgen; de
kroon van alles was echter de door ons reeds gemelde algeheele
afschaffing der slavernij.
Zeker heeft niemand meer dan Van der Kemp er toe bijgedragen,
om den grond te bereiden, waarin het later uitgestrooide zaad zoo
opwassende heerlijk mocht vrucht dragen.
In 1888 werd, gelijk ik reeds mededeelde, in Londen een groote
Conferentie gehouden en daarop van het Eeuwfeest der Zending
gewaagd. Het was m\\j een voorrecht daarop tegenwoordig te mogen
zijn. Waarom werd juist toen een eeuwfeest gevierd, daar toch de
Zending onder de Heidenen even oud is als de Christelijke Kerk?
Omdat vóór 100 jaren William Carey de baanbreker werd op den
weg, thans door honderdduizenden betreden, door te verkondigen
dat het behartigen der Zending, hetzij door te gaan, hetzij door
anderen, die gaan, te steunen, de roeping is van eiken geloovigen
discipel des Heeren.
William Carey, de schoenmaker, die een apostel werd, die zeld-
zame gaven bezat en ontwikkelde, en die in Engélsch Oost-Indië
de toegegrendelde deuren voor de Zending wist te openen, was
inderdaad een groot man in Gods Koninkrijk.
Maar onze Johannes Theodorus Van der Kemp was niet minder
groot; hij was een held Gods bij uitnemendheid.
Hoe komt het dan, dat, terwijl geheel het geloovig Christenvolk
in Engeland zijn Carey eert en op hem roem draagt, onze Van der
Kemp
zoo weinig onder ons bekend en geëerd is?
Ik vrees, dat het daarvan komt, dat men in Nederland zich gewend
heeft grootheid alleen te zoeken en te eeren daar, waar zij zich open-
baart in de vormen, die men zich nu eenmaal als het toppunt van
voortreffelijkheid heeft voorgesteld.
Wat echter de macht des vooroordeels kan uitwerken, heeft ons
de geschiedenis van onzen Van der Kemp geleerd; evenals de
schaduwzijde van een eenzijdig geestelijk en kerkelijk leven, dat ach
met zooveel wereldsgezindheid kan samengaan.
-ocr page 66-
61
Zoodra het menschelijke wordt verheven en groot gemaakt ten
koste van het goddelijke, moeten de gevolgen schadelijk en treu-
rig zijn.
Doch hoe dit zij, wij hebben recht om op onzen Van der Kemp
trotsch te zijn, als op een Nederlander van den echten stempel: trouw
aan eed en plicht, aan roeping en werk; een man zonder vooroor-
deelen en nevenbedoelingen; een moedig dienstknecht van onzen Heere
Jezus Christus,
die in Hem alles zocht en vond, wat hij voor het
leven en de Godzaligheid, voor tijd en eeuwigheid behoefde.
Wij leeren uit zijn geschiedenis, hoe het geloofsvertrouwen van
Gods kinderen nooit wordt beschaamd, al zien zij in dit leven de
vruchten daarvan niet, of slechts ten deele; en hoe de Vrij machtige
en Almachtige naar zijn welbehagen zijn werktuigen bereidt en
gebruikt tot uitvoering zijner heerlijke plannen.
Op geen gebied leeren wij dit beter verstaan, dan op dat der
Zending. En geen levensgeschiedenis is hierin rijker aan leering
dan het schoone, rijke, Godgewijde leven van onzen Dokter Van
der Kemp.
Worde hij in ons vaderland meer en beter gekend, bemind en
nagevolgd, en brenge deze korte en gebrekkige levensschets ook
daartoe het hare bij, Gode tot eer en velen tot opwekking en
bemoediging!
-ocr page 67-
i hst k: o tj td.
Blad*.
Inleiding..................1
HOOFDSTUK I.
In de duisternis................9
HOOFDSTUK II.
De Morgenster gaat op..............13
HOOFDSTUK III.
De roeping tot de Heidenen............19
HOOFDSTUK IV.
Het Nederlandsch Zendelinggenootschap........26
HOOFDSTUK V.
Reis naar Zuid-Afrika; aankomst en eerste arbeid aldaar . . 30
HOOFDSTUK VI.
Onder de Heidenen...............33
HOOFDSTUK VII.
Onder de Heidenen (vervolg)............41
HOOFDSTUK VIII.
Bethelsdorp..................49