-ocr page 1-
»        rV
• \' >. \\;-.
T\' l »             . \'
»                                                                                    •          *
1                 , \\
\\ *
!
• \\ s
i < *
-ocr page 2-
^
2?3
€
r CF
Gr
-ocr page 3-
D. J. VAN DER LINDEN,
;
als Zendeling op West-Java,
(5 Januari 1863—5 Augustus 1885).,
DO«R
H. H. MEULENBELT.
^^-^*<-
ÉBfclïoth«*>k
mm, zENoiNeseHöoL
: QgGSTGËEST
-ocr page 4-
-!fjt rr
--;-
\'t ,
.,\' t
-ocr page 5-
?icf m
Itettsrtia.
i
In het Bataviaasch Handelsblad van den 13den November 1885
kon men het volgende bericht lezen:
«Met genoegen en warme sympathie voor de vrienden en ver-
eerders van den te vroeg ontslapen zendelingleeraar D. J. Van der
Linden, vernemen wij, dat gisteren door hen een eenvoudig, maar
sierlijk gedenkteeken op diens graf is geplaatst. Is er ooit een
welverdiend blijk van hulde, van vereering, van liefde aan de na-
gedachtenis van een eenvoudig, maar in zijn kring hoogst verdien-
stelijk man opgericht, het is dat, \'t welk thans prijkt op de groeve
van Van der Linden, die gedurende meer dan twintig jaren te
Buitenzorg en elders met de meeste toewijding werkzaam was in
het belang van veler geestelyk heil, en voor allen een toevlucht,
dikwijls een raadsman en weldoener is geweest.
Zyn leven, denken en werken blijve lang in gezegende herin-
nering?"
Het gebeurt niet dikwyls, dat Indische\'bladen op zulk eene wn\'ze
spreken van eenen zendeling en diens arbeid. Dat Van der Linden
deze lofspraak ruimschoots verdiend had, werd ons duidehjk, toen
wjj uit aanteekeningen in diens dagboek en van gevoerde corres-
pondentie, en uit de brieven aan het hoofdbestuur der Ned. Zend.
Ver. gericht, hem nader hadden leeren kennen dan mogeln\'k was
geweest uit het Orgaan der Vereeniging, welke hg had gediend.
Gegevens genoeg waren voorhanden om eene persoonlykeid als de
J l INIVFRSITEITSBIBUOTHEEK UTRECHT
A06000034249122B
3424 9122
-ocr page 6-
2
zijne te schetsen, die zich in een land als Indiè\', waar het mate-
riëele leven den boventoon voert, en zoo weinig menschen zich-
zelven zijn, vertoonen moest in scherp belijnde trekken." En het
kwam ons voor, dat uit zjjne ervaringen voor anderen wijsheid te
leeren is, daar zijn leven eene practica der Christelijke zending in
handeling was, en het eene goede getuigenis geeft voor de zuiver-
heid der bedoelingen van getrouwe zendelingen.
"• Dirk Johannes Van der Linden, den 31sten Dec. 1837 te Diemer-
brug geboren, getuigt ergens van zichzelven en van zijne ouders:
„Ik ben een eenvoudig dorpeling van geboorte, onder strenggods-
dienstige leiding eener vrome moeder grootgebracht, zoon van een
vader, die, met alle inspanning zijner kracht, zich alle genoegens
des levens ontzeggende, gearbeid heeft om zijn huisgezin te onder-
houden." Aan den zwakken knaap, die verschillende broeders en
zusters had, werd in het ouderlijk huis niet byzonder veel oplet-
tendheid bewezen, en hh\' werd door niemand verwend. Hy had
een open oog voor hetgeen in dien kring voorviel. De tegenheden
des levens, die zijne moeder wel eens deden verlangen „naar God-
delijk ontslag," ontgingen hem evenmin als den strijd om het
dagelijksch brood, dien zijn vader alsplattelands-geneesheer onver-
droten streed. Kleine voorvallen uit het kinderleven maakten een
diepen indruk op hem, en groote gebeurtenissen, zooals het afscheid
van zijn oom, Ds. A. C. Van Kaalte, ,, den niet gewonen, alle-
daagschen man," B den man van daad en kracht," die in 1846 ons
land verwisselde met Amerika om de moeielükheden, den „Afge-
scheidenen" aangedaan *), werden nooit door hem vergeten. En
ontgaat aan de blikken van volwassen meestal, wat de Heer aan de
harten der kleinen doet, zn\'ne moeder ontdekte het wel by hem, en
hij erkende later, dat de Heer hem reeds vroeg bij de hand had ge-
nomen. Zijne moeder had op hem een groot vermogen, en in menig
voorval van het dagelijksche leven nam hij voor zichzelven de proef
op de som van haar geloof. Spoedig geprikkeld tot vlh\'mende
scherpheid, moedig om onverholen oprecht te zijn, werd luj door
\') Verg. «de allerbelangrijkste brochure » (Da Costa), van Brummelkamp en v. Raalte:
Landverhuizing, of waarom bevorderen wij de volksverhuizing naar Noord-Amerika
en niet naar Java? Amst. 1846, en Dr. M. Cohen Stuart, Zes maanden in Amerika,
blz. 217.
-ocr page 7-
3
haar duizendmaal gewaarschuwd tegen den „snerpenden" toon van
zn°n spreken, en als „ eene andere Cassandra" voorspelde „die goede
moeder", dat hem dit de hron van veel harteleed zou worden. In
zijne jeugd stond hem de illusie voor oogen om eerst examen te
doen als genees-, heel- en verloskundige, en dan zich aan de zending
te wijden. De geldmiddelen lieten dit niet toe, en hij sprak niet
veel over zijn vurige begeerte, die hu\' met smart prijs gaf, tot
zichzelven gekeerd als hij dikwijls was. Toen zijn schooltijd voorbij
was, werd hij te Amsterdam — koekbakkersjongen!
„Recht en slecht" bracht hij de dagen zijner jongelingschap
door. Trouwe vrienden werden zijn deel, die hem lief hadden om
zijn fiksch, open, trouw karakter, waarover de bekoring van eene
kinderlijke naïveteit was uitgestort, die hem lang is bijgebleven
en later in ironie van goeden huize omsloeg. Hij was tot zijn
leedwezen in zijn jeugd niet in de gelegenheid geweest „ om de
fijnheden van het stadsleven te bestudeeren," maar hij verheugde er
zich op rijper leeftijd in, dat hij daardoor ook vrij was, „van de akelige
gevolgen der verfijning." De lente zyns levens was heilig, en met
ernst ging hij voort om God te zoeken. In schouwburg of concertzaal
was hij een vreemdeling, hij had in die uitspanningen geen lust.
Een gesprek met zijne ouders, en vooral met zijne moeder, een
wandeling met zijne vrienden, van wie hij niet vele, maar goede
had, bekoorde hem veel meer. De jaren 1857—1859 waren de tüd
van zijnen, hem bewust geworden overgang van de duisternis tot het
licht. Ofschoon daarna vele verstands- en gemoedsbezwaren hem
kwelden, hij had de goede keuze met beslistheid gedaan. Naar-
mate hij ruimer blik kreeg in de waarheid Gods, en zijn hart meer
de liefde van Christus smaakte, werd ook zijne begeerte levendiger
om te arbeiden aan de uitbreiding van het Koninkrijk der hemelen
over deze aarde, waarop hij zich nooit recht thuis gevoelde, hoewel
h;j er gewerkt heeft met kracht, zoolang het dag voor hem was.
Door den heer J. Esser werd hij kweekeling van het Seminarie
der Vrije Schotsche kerk te Amsterdam. Op deze instelling, die
den wensch niet vervuld heeft, dat zij „zich langzaam, maar met
vastheid en statigheid verheffen mocht, en een steunpunt worden
tot oprichting en vereeniging van allen, die de Gereformeerde kerk
liefhebben," zou h\\j „op den grondslag der Ned. Herv.Belüdenis-
schriften, door middel van wetenschappelijke opleiding" gevormd
-ocr page 8-
4
worden tot zendeling, want deze inrichting die zelve „ geene arbei-
ders uitzond, noch zich belastte met hunne plaatsing," gaf alleen
opleiding tot een te kennen gegeven doel \'). De mannen, die er
aan verbonden waren, werden hem „lief en waard." Onder hen
waren er, die hy „ mocht begroeten als zijne vaders in Christus."
Aan Ds. Schwartz hing hij „met geheel zijn hart," en toen in 1860
tusschen dezen en de N. Z. V. moeielijkheden gerezen waren, \') en
daarbij de goede verstandhouding geleden had, bleef Van der
Linden, bij al de oprechtheid zijner positie tegenover de Vereeni-
ging, aan hem gehecht, hetgeen niet door ieder begrepen, noch
vergeven werd. Da Costa stond bij hem eveneens hoog in eer,
en in zijne brieven uit Indië haalt hij dikwijls uit zijn goed, hem
nooit in den steek latend geheugen diens gezegden aan. 3) Maar
toen in Januari 1859 eene advertentie namens de N. Z. V. jonge-
lingen opriep tot den zendingsarbeid onder de Soendaneezen, was
hij onder de veertien, die zich hiervoor aanmeldden. Bij een vijftal,
tot een vergelijkend examen uitgenoodigd, behoorde ook hij, en
na afloop ervan werd hij met C. Albers en D. Licht als de aan-
staande zendelingen der nieuwe Vereeniging aangenomen. De kwestie
hunner opleiding werd verdaagd tot eene algemeene vergadering.
Het eerste halfjaar waren zij te Rotterdam op eene Christelijke
school werkzaam in het praktisch gedeelte van het lager onderwijs,
terwijl zy in de lessen deelden, die de aankomende onderwijzers
ontvingen, en een weinig studie maakten van het Javaansch. De
mogelijkheid bleef nog bestaan, dat, indien de Vereeniging eene
eigene opleiding niet ter hand mocht nemen, hunne vorming aan
het Seminarie zou worden voltooid. , Het beginsel der N. Z. V.",
zoo schreef hij later, „dat zij (nl. hare oprichters) open lyk hadden
uitgesproken, en dat in die dagen inderdaad eene getuigenis was,
had mij aangetrokken," en in alle oprechtheid werd door hem naar
Art. 1 der bepalingen de verklaring afgelegd, dat de Heer Jezus
Christus, wiens waarachtige en eeuwige Godheid hij erkende, zijn
\') Brieven van Mr. da Costa, meegedeeld door Mr. Gr. v. Pr., Dl. II, blz. 114.
») Gedenkschrift der N. Z. V., Rott. 1883, blz. 26.
3) Gelijk het voor de kweekelingen van het Seminarie een voorrecht was om
d. C. als leermeester te bezitten, was het onderwijs aldaar voor d. C. eenige tegemoet»
koming in de teleurstelling van een professoraat, «het ideaal van zijn leven,» dat
hem ontgaan was, en waarvoor hij reeds zijne collegies op het papier had gereed
gemaakt. Zie Schimsheiiner in de narede op diens bijbellezingen. Dl. VII. blz. 97.
-ocr page 9-
5
Zaligmaker was, en dat het zijne begeerte was om dit in zijnen
wandel te toonen. 1)
De opleiding werd te Rotterdam op touw gezet, en beheerscht
door de overlegging: „De zendeling is geen predikant, die in som-
mige opzichten een dienaar der wetenschap is, de zendeling is een
Evangelist en niets meer
, en tot zijne voorbereiding behoeft hij eene
leerschool, geen Academie, weinig, maar goed onderwijs." \') Taai-
en bijbelstudie, geschiedenis en natuurkennis, waarbij later genees-
en heelkunde gevoegd werden, stonden aan de orde van den dag.
De H.H. Grashuijs, Ds. Schwartz, nl. de Rott., en Chirurgijn G. P.
Kruyff namen hieraan een zeer werkzaam deel. Niet lang daarna
moest het Bestuur zijn kweekeling voor eenigen tijd missen. In
April \'60 werd hy tot den krijgsdienst opgeroepen, waarvan zijn
onvoldoende lengte hem nog had vrijgesteld, doch welgetroost zag
men hem naar Bergen-op-Zoom vertrekken. In de kazerne, waar
„drank de god der soldaten, en vloeken hun gebed" was, bevond
hij zich niet op zijn gemak. Bij het exerceeren, en eigenlijk niet
alleen toen had hij moeite „ om met anderen in den pas te bly ven."
Dit veroorzaakte hem veel verdriet, maar langzamerhand won hij
vrienden en genoot hij meer welwillendheid. Reeds den Uden Sept.
keerde hy met groot verlof naar R. terug. Toen getuigde hij van
het leven onder den „ soldatenhemel", waar h\\j zich het Evangelie
\') Den 16den April 1869 schreef hij hierover in een vertromvelijkenbrief: «Art. 1
onzer bepalingen is in zich zelf zeer schoon, maar — niet volledig. Volledig zou het
zijn, indien er meer aan de woorden van Petrus was gedacht: « Gij zijt de Christus,
de Zoon des levenden Gods.» Het antwoord van den Hoogheerlijke is dan: «Vleesch
en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is.»
Johannes, gedreven door den Geest Gods, verklaarde: «Een iegelijk, die gelooft,
dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren.» En vijf verzen verder zegt hij:
«Wie is \'t, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon Gods?»
«Hij gaf daarin ook Ds. Stuart gelijk, die het standpunt der N. Z. V. onbijbelsch
noemde. En verder schrijft hij: « Philippus doopt den Kamerling — op welke geloofs-
belijdenis? — op deze: «ik geloof dat Jezus Christus is de Zoon van God.» Wat is
nu grooter lid te zijn van Christus\' lichaam of van de N. Z. V. ?» Ondanks alle
veranderingen, die toen in de Vereeniging waren voorgevallen, schreef hü echter:
«Wat mij betreft, ik ben zendeling.....zoolang gij mij op denzelfden voet laat
voortgaan, zooals gij mij tot nu toe hebt laten begaan — hoop ik mijn weg met
blijdschap verder te betreden.»
s) Verg. de rede van den Heer B. J. Grashuijs, bij de openfng van hot eerste
zendinghuis, Orgaan 1861/62, blz. 61—69.
-ocr page 10-
I
6
geenszins had geschaamd: „En nu ben ik blijde en zeer verheugd,
dat ik in dienst ben geweest. Want veel heb ik daar gezien, veel
heb ik daar geleerd, en zooals ik onlangs in de „Heraut"\' las:
God heeft zijn plan met ieder man, zoo is het. Met dit plan staan
de omstandigheden in verband, waarin Hij ons plaatst. Alles komt
te pas, jongen, was altijd het woord van mijne moeder, en het
is ook zoo. Men verkrijgt in dienst eene zekere fermeteit, vergeef
mij het gebruik van dit bastaardwoord, eene zekere zelfstandig-
heid, die men in het burgerlijke zoo niet kan verkrijgen. En waarom?
Omdat men in dienst voor zichzelven moet zorgen. En dan die
menschenkennis, die men opdoet. Een half jaar in dienst staat met
het oog op dit punt gelijk met vier jaar in de gewone samen-
leving. "
De gestaakte arbeid werd ijverig hervat, en aangenaam vond ook
h\\j het, toen de ruime woning van den heer A. Meijer, densecre-
taris der N. Z. V., te klein was geworden om het klimmend aantal
zendingkweekelingen langer te herbergen, en den 3den Oct. \'61
het eerste zendingshuis werd ingewijd. Maar lang zou hu\' er niet
vertoeven. Vroeger dan hij verwacht had, door de ziekte van Licht,
werd besloten om in diens plaats Van der Linden met Albers, den
verloofde van eene zijner zusters, uit te zenden. De laatste leer-
cursus was weldra omgevlogen, de bekwaamheid der kweekelingen
voldoende gekeurd, en met hen beiden zou hun leermeester Gras-
huijs uitgaan als mede-dienstknecht, belast met de vertaling der
Heilige Schriften in het Soendaneesch.
Het laatste half jaar voor zjjne uitzending was hem een tn\'d van
wolken en duisternis. Een sterk verlangen om gehuwd naar Java
te vertrekken was verijdeld, en veel droefheid had hem de dood
zijner moeder veroorzaakt, die zijne vertrouwde in alles was. Het
waren wonden, die lang wonden bleven. Sommigen, die— „harde
beoordeelaars, maar moeielijke vertroosters" — niet begrepen hoe
diep z\\jn leed ging, en dat zijne droefheid hem spaarzaam maakte
in woorden, verklaarden zyne teruggetrokkenheid uit geheel andere
oorzaken, uit onverschilligheid zelfs, beproevingen, die hem in zyne
sombere gemoedsgesteldbeid te menigvuldiger de nabijheid Gods
deden zoeken. En het was hem goed, dat hij het juk droeg in zyne
jeugd. Jaren daarna schreef h\\j: Bij God vond ik toen den besten
troost en, zelf getroost, werd het te meer myn grootste genot,
-ocr page 11-
7
om anderen van dien troost deelgenoot te maken." Zijne verdruk-
kingen werden hem „ liefdeleidingen des hemelschen Vaders, waar-
voor hij mocht danken, geenszins executiën van den oppersten
Rechter, waaronder hij moest buigen."
Den 3den Mei \'62 werd hij geordend in de Eng. Presbyteriaansche
Kerk. Op dien eersten, heerlijken zendingdag der , Rotterdamsche
Vereeniging" geschiedde deze plechtigheid door zijn Rotterdam-
schen leermeester Schwartz, nadat Ds. W. Sypkens eene rede
gehouden had. Eenige weken van reizen en trekken volgden nog
om betrekkingen te groeten, afdeelingen der N. Z. V. te bezoeken,
om te spreken over en belangstelling te wekken voor den arbeid,
waar het kon. Den 16den Aug. ging het zeilschip „ Wilhelmina
Johanna" uit Brouwershaven in zee, en de eerste heilboden voor
de Soenda-landen waren op weg naar hunne bestemming.
Het verblijf aan boord, 142 dagen lang, stond V. d. L. niet bn\'ster
aan, mede omdat hij zich na zu\'ne ordening steeds bewogen had
onder gelijkgezinden, en h\\j evenmin als zn\'ne metgezellen met
de andere passagiers vertrouwelijk was geworden. De aankomst op
Batavia\'s reede, 5 Jan. \'63 maakte een geweldigen indruk op hem.
Daar lag het land zyner gebeden en wenschen vóór hem, en, onder
het gevoel zijner verantwoordelijkheid zoowel als van de grootte
en de moeielykheid zn\'ner taak, beefde zijn hart, zoodat zelfs een
der reizigers getroffen werd door zijne plotselinge bleekheid, en
h\\] naar zijne hut sloop om b\\j God sterkte te zoeken. Zijne broeder
Hendrik, die de zending had verlaten, maar tot V. d. L.\'s vreugde
niet van Christus geweken was, haalde hem af. De ontvangst op
Batavia was vriendelyk en gastvry, maar toch meende hü, dat
onder degenen, die er belang stelden in de dingen van Gods
Koninkryk, velen niet kloek genoeg waren in de belijdenis van
den eenigen Naam. Hij vond het meerendeel der Christenen geen
„ Hollandsche " Christenen. Het drukkend klimaat, de afmattende,
ongodsdienstige omgeving, de lauwheid, zoo niet erger, der Indische
predikanten had ook op hen invloed geoefend. Het stelde hem te
leur, maar leerde hem tevens om te waken tegen , doorvloeien".
Ontmoette hij iemand, met wien hy spreken kon van hart tot hart,
en die niets had van de gestalte derzulken, , die zichzelven in
hunne vroomheid op een stoel, maar anderen op eene stoof plaat-
sen", het maakte hem goedsmoeds en blijmoedig.
-ocr page 12-
8
Vooreerst liep het drietal te Batavia zonder bepaalde werkzaam-
heid rond. De vereischte stukken, die hun vrijheid zouden geven om
zich metterwoon te.Bandong, in de Preanger, te vestigen, waren nog
niet ontvangen. Daarom was het eene uitkomst voor V. d. L., toen
onderling besloten werd, dat hij eenigen tijd naar Semarang zou
gaan, om zich bij zijnen zwager, den zendeling Kruyt, vaneenen
ander op de hoogte te stellen. Hij gevoelde zich in zijne positie , als
de recruten ten tijde van Napoleon, die, met haast afgeëxerceerd, de
wapens niet konden voeren met beleid en overleg," en hy achtte
niets beter voor een aankomend zendeling, dan om eens poolshoogte
te gaan nemen bij een ander, die reeds eenige jaren praktyk had.
Het weerzieD zijner zuster na eene scheiding van vijf jaar verschafte
hem genotvolle oogenblikken. Op deze reis heeft hij veel geleerd, en
ze gaf hem meer nut dan het bezoek zijner betrekkingen alleen.
Waar hy kon, bezocht hij scholen, en hij zag, „hoe eene goede
methode toch maar alles is bij het onderwijs ," zoodat de overtuiging
by hem veld won, dat de vruchtbaarste wijze van werken voorals-
nog schoolhouden zou zyn. Wel hield hij het voor veel gemakkelijker
om nu en dan eens te prediken voor den inlander, maar hij besefte
tegelijk, dat men hem al zeer goed behoorde te kennen, om het
naar zijne behoefte en vatbaarheid te doen. Onderwys scheen
hem het beste middel toe om in zn\'nen geest in te dringen, en door
huisbezoek wilde hy de verborgenheden van het huiselyk leven
der ouders van schoolkinderen ongemerkt aan den dag brengen.
Door de jeugd, de hope der toekomst, werden als vanzelf de aan-
knoopingspunten voor evangelisatie gevonden. Als sehoolmeester
of als dokter moest z. i. de zendeling optreden. Deed h\\j noch het
een, noch het ander, al zijn werk zou haspelenen knoeien blijven,
en, werd hy schoolmeester, zy\'n onderwijs moest goed, minstens con-
curreercnd zijn met dat der Gouvernementscholen. Zijne kennis
van land en lieden vermeerderde V. d. L. dagelyks, en hjj bezocht
verschillende zendiugposten, waardoor hij zag hoe de practn\'k
zich huwde met de theorie, en menigmaal uitte hy den wensch,
dat elk regent zich meer met het schoolwezen bemoeien zou, opdat
alzoo van Java de ban der onwetendheid 7.ou worden opgeheven,
en gaandeweg de baan voor het Evangelie bereid. De oud-hindoesche
gewoonten, de mohammedaansche gebruiken, en de algemeene zede-
loosheid deden hem zien, hoe vast de macht des boozen stond. maar
-ocr page 13-
9
toch, het gezicht van een zendingschool, van een kerkje als dat te
Kajoe Apoe, waar hij op den dag des Heeren den dienst bijwoonde,
voorspelde hem de triomf van het Licht der wereld over het schijnsel
der Halve Maan. De eerbied van den inlander voor den zilveren of
gouden petband viel hem bijzonder in het oog, en wekte bij hem de
overtuiging, dat de zendeling alleen invloed moet oefenen door zijne
persoonlijkheid. Langzamerhand trok hij met vastheid de lijnen van
zijn program van actie, en door voorlichting van zijnen zwager werd
hij gewaarschuwd „tegen klippen, die door het voorzichtig besturen
van het roer van overleg te vermijden zijn, en waarop vele anderen
schipbreuk hebben geleden." Spoediger dan hij verwacht had, maar
niet te spoedig naar zijn\' zijn, werd hij teruggeroepen naar Batavia,
daar de toestemming gekomen was, om zich te Bandong te vestigen.
Den 16den Mei was het drietal in dit plaatsje der Preanger.
Waarom zij zich juist naar die zoo diep in \'t binnenland, 115
palen van Batavia gelegen stad begaven, \') wellicht is dit het
eenvoudigste te verklaren uit het verblijf aldaar van Dr. Koorders,
die er zich op last der Ned.-Ind. Regeering bezig hield met de
studie der Soendaansche taal, en van wien Grashuijs veel steun
verwachtte bij zijne pogingen; en bovendien, Bandong lag in het
hart der Soenda-landen. Zij waren er nog wel niet gelijk zij het
wenschten, maar zij waren er dan toch. Het eerste werk, dat z\\j
onder gebed ter hand namen, was het indienen der verzoekschrif-
ten om, naar Art. 123 van het Regl. op het beleid der Ned.-Ind.
regeering, vergunning te ontvangen tot uitoefening van hun heilig
dienstwerk. Een antwoord liet lang op zich wachten. Zij waren
er over getroost, want zij vroegen: „ Wat zou het ons baten,
al hadden wy nu reeds de toestemming ontvangen? Zouden wij
nu al werkzaam kunnen zijn in dien zin, zooals de Vereeniging
wil, en wij het bedoelen? Immers neen! De Heer geeft alles op
Z\\jn tijd. Eerst moeten wij de taal leeren, en, kennen wij die, wie
weet wat Hij dan zal doen! Onze Heer verrast gaarne." Zij be-
gonnen alvast met zich te ontfermen over een hoopje Ambonsche
Christenen, gedeeltelijk leerlingen van den ouden, vromen Kam,
die meer dan 2 jaar herderloos waren geweest, en, hoe trouw ook,
toch slechts gebrekkig onderwas hadden genoten. Eene school
\') Het motief voor de keuze is niet duidelijk. Verg. S. Coolsma, West-Java, blz. \'228
en Gedenkschrift, blz. 55.
-ocr page 14-
10
mochten zy onder hen oprichten, en zy zagen reeds in de toekomst —
the wish was father to the thought — dat handjevol aangegroeid
tot eene bloeiende gemeente, ijverig in goede werken! Zoo goed
mogelijk richtten zij hunne gehuurde woning in, verdeelden den
tijd van arbeid en rust, en zy zagen uit naar de dingen, die komen
zouden. Toen de Europeanen te Bandong bemerkten, dat de nieuw
aangekomenen zendelingen waren, lieten zij hen links liggen, en
onder elkander jaagde het drietal den vrede na, die voor deze
zelfstandige, veel tijd hebbende „broeders des gemeenen levens"
een begeerlijk goed was, en hun wel eens ontvluchtte, alsbijv.de
oudste niet steeds de wijste was, of de eerste in eene twistzaak de
minste niet werd, of de onderwijzer van vroeger vergat, dat zijne
oud-leerlingen zijne gelijken waren geworden. Van der Linden
had weldra eenige geneeskundige praktijk, die hij, gelijk vanzelf
spreekt, gaarne uitoefende, en waarbij hij de ervaring opdeed, dat
instrumenten den inlander afschrikken, terwijl ze, door gebrek aan
handigheid, den zendeling over het algemeen weinig baten, zoodat
hij uit zijn kistje alleen kiezentrekker en klisteerspuit in dienst
stelde. Een hadji was een der eersten, die des kapirs hulp inriep
voor zijn dochtertje, en de natuur deed gaan boven de leer. Na
de genezing van dat kind had V. d. L. onophoudelijk patiënten,
en by zijne bezoeken bemerkte hij, dat de inlander niet met zieken
kon omgaan, geenszins uit hardvochtigheid, maar uit onkunde.
Met beide handen greep hij de gelegenheid aan, en de gunst Gods
was op hem, om te genezen. „ Zij zien dan", zoo schreef hij in
zijn dagboek, en aan zijn bestuur, dat ten minste niet alle Hol-
landers op hun zweet leven. Liefde moet den armen, schuwen
inlander trekken, opdat hij, de uitwerking van de liefde onder-
vindende, naar de bron ervan leere vragen." Hadden anderen hem
de Soendaneezen afgeteekend „ onaandoenlijk als de steenen leeuwen
op de Rotterdamsche Koningsbrug", met blijdschap zag hij, hoe
ook zij een hart hadden, voor niets menschelijks vreemd. Welk
een smart ging hun door de ziel bij het verlies hunner dierbaren;
hoe trotsch was ook onder hen de ouder op zijn kroost, dat door
de moeder getroeteld, en door den vader geliefkoosd werd! En
toen hem eens eene arme moeder, wier dochtertje hij bevrijd had
van hevige koortsen, een kleine gave der dankbaarheid gebracht
had, riep hy, met dat gemoed voor allerlei soort van indrukken
-ocr page 15-
11
zoo vatbaar, juichende uit: „Neen, in Zyne kracht is het niet
onmogelijk om hen op te leiden tot den Vader onzes Heeren. Niet-
tegenstaande al hunne walgelijkheid, heb ik hen lief, en ik denk
met verrukking aan den dag, dat wij van God vergunning kry gen
om hun het Evangelie te brengen. De volheid huns tijds zal ook
komen!" Evenwel, door het bezwaar der Regeering, om hun de
gevraagde toestemming te verleenen, zoolang zy niet meerdere
kennis van land en volk hadden, en in de vreeze dat het „ voorals-
nog niet" der missive van den Gouverneur-Generaal misschien
beteekende: „ nooit in de Preanger", gevoelden zy zich te Bandong
weinig op hunne plaats. Op eene door hen gehouden conferentie
werd besloten, dat Albers zich met den pas geordenden Cusell te
Buitenzorg zou vestigen, en dat Van der Linden zich met Dijkstra,
die eveneens kort te voren gereed was gekomen, te Tjirebon eenen
werkkring zou zoeken; twee plaatsen, hun van regeeringswege
aangewezen, terwyl de heer Grashuijs te Bandong zou blijven. Van
der Linden, die gaarne voorzichtiglijk wandelde, bracht later be-
denkingen hiertegen in. Hij aan het hoofd van zoo gewichtige post,
maar dat ging evenmin, als zijne inwoning bij het echtpaar Dijkstra
hem nut, en hun aangenaam zou zijn, en dan, de Heer had hem
te Bondong reeds eene soort van werkkring geopend, hij had reeds
toegang tot huizen en harten.....De vestiging van nieuwe posten
begon hij later noodzakelijk te achten, en toen durfde hy het
wagen. Hij geloofde niet, dat voornamelijk geldelyke bezwaren de
N. Z. V. mochten weerhouden, om er toe over te gaan; zij leefde
toch uit het geloof, in geenen deele uit de kapitalen. De gunstige
omstandigheden te Tjirebon, waar Ds. Krol geplaatst was, die der
waarheid en der zending genegenheid betoonde, en de aanvankelyke
werkzaamheid van den Geest des Heeren bij een paar Chineezen
deden hem besluiten om den weg daarheen te volgen, en terecht
meende hij: „ Zoolang wij in de Preanger geen vergunning kunnen
kry gen, kan niet beter gedaan worden, dan te werken in die
plaatsen, welke het dichtst by het doel zyn." Nieuwe patiënten
nam hy niet meer aan, en toen zyne laatste zieke, eene vrouw van
ruim 70 jaar, van hare opene beenen genezen was — eene gene-
zing, die al zyne hemden geeischt had, en de Vrouwenvereeniging
tot uitrusting van zendelingen had er hem 24 mede gegeven! —
ging hy over Batavia naar Tjirebon. Te Batavia vertoefde hy slechts
-ocr page 16-
12
kort, maar niet te kort om er met den zendeling Michaëlis het
hospitaal en met Ds. Kiug de gevangenis te bezoeken, en hjj
hoorde en zag er veel met een medelijdend hart.
Te Tjirebon, waar hij in het laatst van November\'63 aankwam,
werd hij spoedig in kennis gebracht met de weinige Chineezen,
die eenige belangstelling koesterden voor het Evangelie. Maar meer
nog dan tot hen gevoelde hij zich getrokken naar de kleine ge-
\'" meente van Christen-Chineezen te Indramajoe, wier geschiedenis
hij reeds te Semarang had vernomen \'). Door de welwillendheid
van Ds. Krol, die daarheen op bezoekreis ging, was h\\j in de
gelegenheid om hen te leeren kennen. Hij vond er veel opgewekt-
heid voor de dingen van Gods Koninkrijk, en zij hadden hem wel
willen dwingen om zich onder hen te vestigen, en hunne kinderen
te onderwijzen. Daar de Heer zelf onder hen, evenals onder hunne
landgenooten te Tjirebon, een begin had gemaakt, vond hij vrijheid
om den 28sten December zijn verzoekschrift in te zenden, opdat h\\j
zich in hun midden zou mogen neerzetten. Zoowel de resident van
Tjirebon als de assistent-resident van Indramajoe ondersteunden
het rekwest, want daar, zoo adviseerden zij, was de komst van
een zendeling gemotiveerd, ook tegenover de fanatieke inlanders,
omdat een begin van Christendom bij de Chineezen bestond. Na
• 5\'/i maand wachtens, ontving hij den Uden Mei \'64 zijne toelating
voor de geheele afdeeling, hetgeen hem met lof en dank vervulde.
Gedurende die maanden had hij geen bepaalde werkzaamheden
kunnen vinden. Daar het kostbare hötelleven, dat hij had verkozen
boven inwoning b\\j iemand, die eene „ huishoudster" hield, hem
niet hokvast maakte, was hij, als een trekvogel, nu hier, dan
daar. Hij deed dit reizen nochtans niet om te reizen — wie vindt
het in Indië op den langen duur een genot? — hij stelde zich
zoodoende op de hoogte van het terrein zijner werkzaamheid. H\\j
maakte overal kennis met verschillend slag van menschen, inder-
daad „vogels van diverse pluimage", en hij hoorde de gangbare
denkbeelden over de zending en de zendelingen. Reeds te Tjirebon
had een fabrikant hem doen dreigen, dat, indien hij den moed
had om op zyne fabriek te komen, hij hem er uit zou smyten, en
\') Over het ontstaan dezer gemeente zie Orgaan 1864/65, en Coolsma\'s West-Java,
blz. 242 enz.
-ocr page 17-
13
eene dame lachte hem bij een bezoek te Indramajoe openlyk uit,
om de dwaasheid van zich te willen inlaten met de Javanen, „ die
minder waren dan het redelooze vee". Een derde gaf hem den
p\\jnhjken raad om liever in Gouvernementsdienst te treden, geljjk
ook zijn broeder had gedaan, eene handeling, door V. d. L. tot in
het diepst van zijne ziel afgekeurd; een vierde meende, dat het al
te onpraktisch was om voor zulk werk iemand te betalen, zelfs
met het geringste loon, en dacht er bij: „ de arme ziel, hij had in
Holland zeker geen brood om te eten, of te weinig verstand om
het tot predikant te brengen", en toen hij eens in gezelschap ge-
weigerd had om mede naar de sociëteit te gaan, hoorde hij achter
zich fluisteren door een.....predikant: „Zijn traktement is heel
gering, als hij speelt en verliest, merkt hij het dadelijk in zijn zak",
en een andere beweegreden werd niet eens vermoed. Hij bewaarde
bij dat alles zoo goed mogelijk het stilzwijgen, maar hij dacht:
„Als de Heer mij getrouw maakt, hoop ik het hun wel duidelijk
te maken wat de zending is en wat de zendeling bedoelt", en het
artikel: „Ik geloof in den Heiligen Geest" kreeg voor hem dage-
lijks meer waarde.
Dat bij al dit reizen en trekken, dit plannen maken en plannen
verwerpen het Hoofdbestuur niet altijd kon worden gekend, ziet
ieder in. Ook aan V. d. L. werd hierover wel eens de vraag voor-
gelegd of hij zich alzoo niet te veel vrijheid veroorloofde; maar
met vrijmoedigheid hield hij dan tegenover zijne bestuurders staande,
dat het alleen zóó, en niet anders kon. Hij meende, dat aan het
zelfstandige lichaam der zendelingen na rijp beraad de uitvoering
moest overgelaten worden van de denkbeelden der Vereeniging, en
van de keuze der beste middelen daartoe strekkende. Hij rekende
het als zijne groote, zijne eenige verplichting „ om in den geest der
Vereeniging werkzaam te zijn," en beweerde , dat aan de conferen-
tie der zendelingen, in vrijheid van het bestuur, de beschikking
moest blijven over de ontginning of het verlaten van een zending-
akker , daar zij het best bekend waren met het terrein; en de voor-
en nadeelen er aan verbonden. En indien wij niet vergeten, dat
hier eene pas gevestigde Vereeniging, met bestuurders zonder veel
ervaring, eene onbekende streek aanvaardde, is het begrijpelijk, en
te verdedigen, dat hare zendelingen dikwyls op eigene wieken dreven
en moesten dry ven, hetgeen in eene oudere vereeniging en bjj
-ocr page 18-
14
andere omstandigheden minder zal en mag voorkomen \')• De zendeling
Dijkstra en diens vrouw waren inmiddels te Tjirebon aangekomen.
V. d. L. had hen daarheen begeleid, nadat hij hen van Batavia
had afgehaald, waar eene conferentie zou zijn, die allen wenschelijk
scheen, en, toen Mevrouw D. door ziekte en zwakheid gekweld
werd, besloot hij zyn vertrek naar Indramajoe zoolang uit te stellen,
totdat alle gevaar geweken was en zij zich in hunne nieuwe omge-
ving een weinig gewend hadden. Ds. Krol had wederom de goed-
heid om hem naar I. te vergezellen, nadat V. d. L. hersteld was
van eene lichte, doch pijnlyke ongesteldheid, die door het klimaat
veroorzaakt was, en, ruim eene maand na de ontvangst der toe-
stemming, was hij door Ds. Krol aan de Chineezen voorgesteld als
hun pandita. Twee-en-twintig maanden na zijn vertrek uit Holland
had hij zijn B land der belofte" betreden. B Reeds lag menige traan
op den afgelegden weg, was menige zucht geslaakt, en had menig
uur van moedeloosheid de stonden van blijde, van hoopvolle ver-
wachting afgewisseld". Inzonderheid betuigde Angboenswy, de
oudste en meest bespraakte der Christenen, de man, die er den
eersten stoot gegeven had, hem zijne hooge ingenomenheid met
zijne komst.
Een zeer klein winkelhuisje in het Chineesche kamp was V. d. L.\'s
eerste woning, en hij moest er zich goedschiks, kwaadschiks mede
tevreden stellen. Er was niets anders. Meubelen werden voordeelig
overgenomen; de eigenlijke woning kreeg de bestemming van slaap-
vertrek, de winkel zou dienst doen als school. Met een kloppend
hart vroeg hij van den logementhouder, by wien hij 14 dagen had
doorgebracht, zijne rekening, die minstens f 70 hoog zou zijn, en
luj had nog slechts eene som van f 5.25" in kas. Deze was zoo gul
om hem die te schenken, indien V. d. L. zijn\' zoon eenig onder-
richt wilde geven, maar, al was dit een groote uitkomst, hij wist
nog niet hoe het gaan moest met zijne kleine huishouding. Zijne
weinige guldens durfde hy niet aan te spreken, en hij was te fier
om met geldleenen te beginnen, terwijl het nog verscheidene dagen
zou duren, voordat hg zijn traktement kon ontvangen. Die buiten-
gewone uitgaven! . . . Doch God kende züne behoeften, en tot
*) Verg. J. C. Neurdenburgh, Proeve eener handleid. b. h. bespreken der Zending-
wetensch., Rott. 1879, blz. 114.
-ocr page 19-
15
den lsten Juli, toen hy zijn traktement in handen kreeg, werden
hem \'s morgens en \'s middags zyne benoodigdheden in vriendschap
gezonden door de vrouw van den logementhouder, die evenmin als
haar echtgenoot iets wist van zijn benarde omstandigheden. Het
is derhalve geen wonder, dat hij , die deze uitredding in vertrouwen
aan zijne bestuurders mededeelde, hun schreef: B Ik werd er klein
over, ik zou wel in de post van myn deur hebben willen gaan
staan, en roepen: Elia\'s God is ook mijn God!" Die geldzaken
maakten hem in gewone omstandigheden echter ook wel eenskor-
relig. Et pour cause! Reeds te Bandong had het drietal nu en dan
zonder geld gezeten, zoodat V. d. L.\'s eigene penningen waren
ingeboet, en, als er dan geld kwam, was het niet voldoende voor
hunne behoeften. Het Bestuur scheen nl. zijne maatregelen nog
niet juist genoeg genomen te hebben om tijdig in hun nood te
voorzien en nog niet voldoende bekend te zijn met der zendelingen
noodzakelijke uitgaven. Dit hinderde V. d. L. ontzettend, vooral
toen hij eens gedwongen was geweest, om een inlander, die hem
iets geleverd had, en op dadelijke betaling wachtte, met een praatje
van de deur af te schepen. Nolens volens was hij met zijn huis-
en lotgenoot Albers tot het besluit gekomen om verhooging van
het tractement der ongehuwde zendelingen (f 1000) te vragen,
B waarlyk niet, omdat hy eene geldwinning (!) wilde maken van de
zending, maar omdat hy duidelijk zag, dat door te kleine bezol-
diging de zaak zelve schade zou ly\'den". „Beter was het", zoo
drukte hij het uit, „twee zendelingen aan het werk, goed bezol-
digd, dan twintig die gebrekkig werden onderhouden, of die by
elke bete den wrangen nasmaak proefden, dat hun traktement van
liefdegaven bijeenkomt". En, toen verhooging was gekomen, maar
dit niet zeer grif was toegestemd, zeide hij rondweg, dat der zen-
delingen bezoldiging behoorde te zijn als van een arbeider, en niet
als van een bedelaar, en dat een vaderlijk bestuur loon moest geven
niet als een procenten berekenende koopman, maar als de rent-
meester van den grooten God, Wiens het goud en het zilver is.
Hij begeerde, „dat de zending met waardigheid zou gevoerd wor-
den, met meer waardigheid en onbekrompenheid dan gewoonlyk
geschied was, dan zou zy ook beteren indruk maken ". B Een goede
bezoldiging toch was den zendeling, die alreeds veel moeite en
stryd had, zoo broodnoodig, opdat deze tydelyke zorgen hem niet
-ocr page 20-
1G
zouden dwingen zyn weg onder zuchten te gaan, of zouden ver-
leiden tot de kunstgrepen der wereld om geld te maken; opdat hij
zijne onafhankelijkheid zou kunnen bewaren, en de gunsten der
wereld missen en hare diensten betalen". Had V. d. L. fortuin ge-
had , zekerlijk hij zou zendeling gebleven zijn, maar tractement zou
hij niet hebben aangenomen. En ook hij heeft tijden gehad, dat
de begeerte in hem opkwam, om eene onafhankelü\'ke zg. geloofs-
zending te beginnen.
Te Indramajoe begon hij zijn arbeid „ als geroepen van God, als
beroepen door menschen". De bevolking van dit 12 uur gaans van
/ Tjirebon gelegen stadje, die op een zeer lagen trap van ontwikke-
ling stond, was samengesteld uit vele bestanddeelen. Soendaneezen
waren de inwoners eigenlijk niet, doch Javanen, en wederom ook
dit niet uit bloed, van vreemde smetten vrij. De spreektaal week
er in veel af van het Javaansch, en was een echt patois van
Maleisch en Javaansch en Soendaneesch. Het kwam hem toen uit-
nemend te stade, dat hij van het Maleisch sinds lang zijne hoofdstudie
gemaakt had, dewijl men er overal in Indië mede terecht kon, en
dat hij in het Javaansch geen vreemdeling was, daar hij met het
oog op het groote doel, „ in deze dorheid en droogheid" ijverig
gewerkt had. Zelfs toen hij reeds een paar jaren te Indramajoe
was, won hij nog op zijne drukke Zondagen \'s avonds laat uren
tot taaistudie uit. Bleef hij in het Soendaneesch wat achterlijk,
Maleisch en Javaansch sprak hij daarentegen naar veler getuigenis
even vloeiend als sierlijk. Den diepgaanden eerbied, dien de Javaan
elders voor zijne hoofden koestert, vond hij er niet zoo sterk ge-
worteld, ook niet de haast spreekwoordelijk gewordene gedweeheid
tegenover den Europeaan. Over het algemeen was het gebruik van
amfioen gering, maar destemeer waren de inwoners aanbidders
van Venus, die de merkteekenen van haar slavernij in veler vleesch
had achtergelaten. Verder vertoefden in dit plaatsje, dat uit de verte
,, op hem steeds den indruk maakte van een Hollandsch dorpje, vele,
grootendeels arme Chineezen en een aantal Arabieren. Omdat hy
bemerkt had, dat er dikwijls aanleiding was tot partijschappen
tusschen de Europeanen, en de afstammelingen van Europeanen,
die in Gouvernementsdienst stonden, en de administrateurs der
particuliere landen, die de rijstkultuur behartigden, begon hij zn\'ne
kracht te zoeken in isolement, en in den loop van zijn verbluf
-ocr page 21-
17
aldaar gelukte het hem, die eerst buiten alles stond, om zich boven
de partyen te verheffen door zyne begeerte om allen alles te zyn
en tegenover ieder zyne zelfstandigheid te bewaren. Toen V. d. L.
de leeraar der kleine Chineesch-christelyke gemeente was geworden,
greep hy zonder talmen zyn werk met kracht aan. Des Zondags
vergaderde hy met hen geregeld tweemaal, bovendien eiken Vrydag-
avond, waarbü later ook die van Woensdag kwam. In het huis
van Angboenswy, dat, na diens zeer betreurden dood in Aug. van
hetzelfde jaar, op zyn zoon Andjigowan overging, waren de
broeders gewoon te vergaderen, en een gedeelte ervan wasuitslui-
tend voor de godsdienst-oefeningen bestemd. Hij gevoelde er zich
wel op zijne plaats, en schikte zich in veel naar hunne gewoonten
en tyden, waarvan hy liefst niet afweek omdat daaraan dierbare
herinneringen verbonden konden zyn. Bovendien werd er iederen
eersten Maandag der maand bidstond gehouden voor de uitbreiding
van het Godsrijk. Hij ontveinsde nochtans niet, dat samenkomsten
by particulieren gevaar loopen iets van hare wyding te verliezen,
en dat zij de godsdienstige beweging te veel vasthechten aan per-
soonlyke gunst of ongunst. Zijne wyze van evangelie-verkondiging
bepaalde zich tot het houden van bijbellezingen, omdat „ de ge-
meente meer behoefte had aan bijbelkennis dan aan de bespiegeling
van dogmatische onderwerpen," en hy vond er zich niet alleen in den
beginne, maar ook later zeer wel by. De evangelie-verkondiging
kon z. i. niet te eenvoudig geschieden, en, daar hij zich behoorlijk
rekenschap gaf van de eigenaardige moeielijkheden, waarmede zy
op Java te worstelen had, dacht hy meer na over de middelen
om voor de evangelisatie den akker te bereiden, dan over die,
welke by den oogst konden dienen. Voorop stelde hy den eisch
van behoorlyke voorbereiding, ook met het oog op de vreemde
spreektaal, en den wil om zich zoover mogelijk te verplaatsen in
den toestand der hoorders, en dan, mocht in een Christenland een
en ander als bekend geacht worden, in zijne omgeving kon dit nog
niet geschieden. Hy stelde zich daarby dus telkens de vraag, niet, of
hy opgewekt had gesproken, maar ofzyne woorden binnen den kring
hunner kennis of vatbaarheid waren geweest. Een goed middel om
tegen te hooge vlucht te waken, meende hy gevonden te hebben
in zyne gewoonte om de waarheden des Christendoms by wyze
van samenspraak te behandelen, en zich soms tot een bepaald
-ocr page 22-
18
persoon te richten. Zoo werd hy tevens meer gewaar of hy be-
grepen was en hoedanig de behoeften waren dergenen, met wie
hy- te doen had. Voordat hy- met zy\'ne bijbellezingen begon, had
hy zich gewend om zy\'ne gemeenteleden vroegtijdig op te wachten,
en, onder het zelden begeerde, maar uit fatsoen nooit geweigerde
gebruik van thee c. a., richtte hy- dan het gesprek in naar het
onderwerp, dat hy- wenschte te behandelen, opdat zy\'ne hoorders
een weinig Toorbereid zouden zy\'n. Na afloop der besprekingen
van het hoofdstuk, vertoefde hy nog eenigen tyd onder de vrien-
den, en onderzocht hij met beleid of iets van het gesprokene
was bly\'ven hangen, en of het juist was onthouden. De Chineezen
bleven gaarne nog wat praten, en kwamen dan ook wel met
tal van andere vragen voor den dag, die hy beantwoordde zoo
goed en zoo kwaad het ging. Nam het gesprek niet altyd een
godsdienstige wending, hy vond het onoordeelkundig om de ge-
sprekken met kracht en geweld in hunnen loop te dwingen, en
met geduld hoorde hij dan alles aan. „ Met voordacht", deelt
hy ergens mee, „ maak ik myn spreken zelden lang, daar ik dik-
w\\jls in de kerk verveeld ben geworden en bang ben om myne
hoorders te vervelen, en in myn spreken — hij was een even goed
spreker als traag schrijver — maak ik zelden de toepassing. Me dunkt,
de verkondiging des Evangelies moet zoo helder, zoo eenvoudig zyn,
dat de hoorders zelven in staat zyn de noodige gevolgtrekkingen
te maken, en het is my gebleken, by verschillende gelegenhe-
den, dat dit de heerlijkste uitwerkingen heeft. Hierdoor wordt elk
hoorder voor zichzelf verantwoordelijk, en het resultaat, dat
hy verkrygt, is verkregen door eigen nadenken, strijd en gebed.
Deze wyze van doen heeft my meer met gemeenteleden bekend
gemaakt dan wel anders het geval zou zyn. Want hierdoor zyn
zy steeds onzeker wat hun voorganger van hen denkt. Daar nu
onzekerheid steeds pynlyk is, houden zy zich steeds dicht aan hun
voorganger, waardoor deze ongemerkt met alles bekend wordt en
hunne behoeften recht goed leert verstaan ". Dikwijls werd hy getrof-
fen door goede opmerkingen, die zyne hoorders maakten. Zoo zeide
eens een Chinees tot hem: „ Ik heb overwogen en overwogen,
maar de Christelijke godsdienst is veel schooner dan die der
Chineezen. De Chineesche wyzen zeggen: , de godsdienst bestaat
uit drie hoofdeischen: hebt uwen koning lief, bemint uwe ouders,
-ocr page 23-
19
hebt achting voor uwen leermeester". De Christelijke godsdienst
heeft ook drie hoofdeischen: hebt God lief, dit is de allergrootste,
hebt uwen vader en uwe moeder lief, bemint uwen naasten als
uzelven. Dit is yeel verstandiger, want hebben wy God lief, dan
volgt al het andere als vanzelf." Op een anderen tyd hadden een
paar hunner de evangeliën onderling vergeleken, en zij hadden
wel degelyk opgemerkt hoe in de verhalen afwijkingen waren.
Zoo zaten zy eens weer te zamen, toen een der aanwezigen, die er
nog niet over gedacht had om Christen te worden, opstond en
sprak: „Ik heb nu tweemaal het (Javaansche) O. en N. Test.
gelezen, en het is mij zeer opgevallen dat, terwyl al de profeten
in den naam van God spreken, Jezus altyd in Zyn eigen naam
spreekt, en Zyn woord steeds begint met: „Voorwaar, Ik zeg u."
En als ik goed overweeg, dan kan ik eigenlijk niet zeggen dat
Jezus een profeet is. — Hy is veelmeer — Hy is God." Een ander
hield de Wy zen uit het Oosten voor Chineezen, omdat volgens de
kaart China oostelyk van Kanaan gelegen was. Zoo waren er meer
bewyzen, dat zij „zoo heel dom niet waren," en het was er ver van
af, dat zy hem maar gelijk gaven, of blindelings volgden; afwy-
kende overtuigingen verdedigden z\\j tegenover hem met hand en
tand. Door die samensprekingen werd hy eveneens geleid tot de
behandeling der gelijkenissen des Heeren, ten deele, omdat Oos-
tersche volkeren zich sterk tot beeldspraak aangetrokken gevoelen,
maar ook, omdat hy bemerkt had, dat sommigen, ondanks zich-
zelven, verkeerde denkbeelden er van hadden opgevat, die, by ge-
brek aan hulp en voorlichting omtrent de strekking, tot latere
moeielykheden aanleiding zouden kunnen geven. „Ik geloof niet,"
zoo schreef hy over zyne prediking nog uit Buitenzorg, „dat het
voorts raadzaam is om de lieden, met wie wy in aanraking komen,
aan te spreken als Mohammedanen of als Chineezen. Wel moet
men by een mogelyke tegenwerping, of by nader vragen om in-
lichting, in \'t oog houden wat zy zyn. De hoofdzaak, die hun
worde voorgehouden, is: „Mensch, gy zyt zondaar, God is recht-
vaardig, het eeuwig oordeel wacht een elk, die niet verzoend is met
God." En by hen, by wie in waarheid het zondaarsgevoel is ont-
waakt, zal Jezus eene herberg vinden. Controversen acht ik niet
wenschelyk. Zy geven aanleiding tot twist, en de gevatste is er
dikwyls de verwinnaar." In zyne prediking te Indramajoe gebruikte
-ocr page 24-
20
hy nooit ter aanwyzing van den Heiland het Mohammedaansche
Isa, steeds Jesoes. \'t Gebruik van het woord Isa had hem eigen-
aardige bezwaren, daar hy van oordeel was, dat het gemakkelijker
is met iets nieuws op te treden, dan ingewortelde dwalingen te be-
stryden, en omdat in de werkelijkheid de Isa der Mohammedanen
een ander wezen is dan de Jezus der Christenen. Voor eenvoudigen
vooral achtte hij het een groot voordeel, dat zij hierin als \'t ware
reeds op den klank, het onderscheid van bedoeling en beteekenis
konden vatten. Wat in \'t begin slechts een kwestie van gevoel was,
werd het hem later van nadenken, en den nieuwen naam prees hy
voor den Christeninlander bovendien aan, omdat Hij, die is boven
allen, ook den naam niet gemeen mocht hebben met den aan
Mohammed zoo ondergeschikten Isa.
Zijne gemeente gaf hem veel reden tot blyde dankbaarheid. Wel
was de dood van haar eersteling, Angboenswy, en later die van
haar aanzienlykste, Lim Keng Ho, haar tot zware beproeving, maar
zy leerde er door af om vleesch tot haren arm te stellen, en God
gaf haar genade. Toen V. d. L. op Indramajoe kwam, telde het
kleine kuddeken 17 leden: 6 mannen, 3 vrouwen en 8 kinderen;
in \'t laatst van \'65 had hy er 28 ingeschreven: 10 mannen, 10
vrouwen en 8 kinderen, en het verblijdde hem, dat de vrouwen
dergenen, die vroeger waren overgaan, de mannen waren gevolgd,
zoodat de gemeente meer vastigheid had gekregen. In het laatst
van \'67 waren er 34 leden: 10 mannen (onder wie 5 Javanen),
13 vrouwen en 11 kinderen, en, indien iemand gesteld is op de
lezing van „treffende" bekeeringsgeschiedenissen uit Indramajoe,
in de brieven van V. d. L., die het Orgaan der N. Z. V. heeft op-
genomen, is wel een en ander te vinden. Soms had hy een getal
van 35 hoorders, meestal Chineezen. Bleef eerst zyne gemeente
uiterlyk byna op dezelfde hoogte, innerlyk kreeg zij meerwaarde,
en elk lid was „een evangeliseerend Christen." Had hy willen loven
en bieden, hy had het getal zeker kunnen vergrooten, o. a. met Am-
bonsche Christenen, maar hy deed het niet. Nauwkeurig lette hy op
het gehalte dergenen, die na belydenis des geloofs wenschten gedoopt
te worden. Daar de Chinees zoowel als de Javaan geneigd is om
in den doop een voorbehoedmiddel te zien tegen allerlei, bey verde
ook V. d. L. zich om dengenen, die tot de gemeente wenschten toe
te treden, de beteekenis ervan tot de meest mogelyke klaarheid
-ocr page 25-
21
te brengen. Als hij dan daarover in het breede gehandeld had,
zond hy gemeenlyk den doopcandidaat naar huis, met eenigentijd
uitstel, en de vermaning om God licht te vragen. In dien tusschen-
tyd bezocht V. d. L. hem nu en dan, en dit deden ook de broeders,
die zich daartoe opgewekt gevoelden. Waren zy overtuigd, dat het
voornemen ernstig was, dan werd hy in de vergadering gevoerd en
openlijk de vraag gedaan of er bezwaren tegen zyne aanneming be-
stonden. Werd geen bezwaar te berde gebracht, dan stond V. d. L.
op en sprak hem aan, zeggende: „Luister, gij staat thans voor
God en Zyne heilige gemeente. Wy zijn zwakke menschen, wy zyn
verplicht uwe woorden te gelooven, omdat wy U niet in het hart
kunnen lezen. Gy vraagt om gedoopt te worden. Dit is een zeer
ernstige vraag. Gelooft gij in den Heer Jezus, dan kunnen wij het
water niet van u weren. Gelooft gij niet — zie toe en haal geen vloek
over u." Dan liet men hem heen gaan, en, meldde hij zich daarna
aan, dan werd hij acht dagen later gedoopt. Meestal geschiedde
dit \'s avonds, omdat er dan \'s morgens nog gelegenheid was, .om
hem gemeenschappelijk in den gebede te gedenken. Bij den doop,
die nieuwsgierigen trok, stonden alle leden op, en, na de belijdenis
des geloofs van den doopeling, die knielend werd afgelegd, werd
het doopwater hem op \'t voorhoofd gesprenkeld, en werd hy plechtig
Gode opgedragen. Van lieverlede voerde V. d, L. zyne gemeente
tot grooter zelfstandigheid, en hy was tevreden in het besef, dat
de werken Gods klein beginnen om groot te worden. Met groote
wysheid hoedde hy de schapen zijner weide. In hunne zeden en
gewoonten en vooroordeelen liet hy hen zoo vry als het mocht.
Toen Angboenswy gestorven was, had hy zich met opzet onthouden
van eenige op- of aanmerking over de begrafenis, om met zekerheid
het peil hunner Christelijke overtuiging te bepalen, en het deed hem
goed, dat de familieleden zich naar de landsgebruiken schikten,
om allen noodeloozen aanstoot te voorkomen, in zooverre er geen
godsdienstige beteekenis aan te hechten was. En toen Lim Keng Ho,
die nog al eens amfioen schoof, en zeer gehecht was aan de urn,
gevuld met de afgodisch vereerde asch zy ns vaders, hem daarin raad
vroeg, gaf hy hem niet regel op regel, maar sprak hy alleen
„Heb Jezus lief, en tracht hem meer en meer te leeren kennen".
Had hyzelf niet ervaren, dat, hoe beter de liefde van Christus
begrepen werd, des te eer de liefde tot Christus toeneemt, waar-
-ocr page 26-
22
door alleen de kracht der zonde gebroken wordt? En toen Ong
Boegèl, die 2 vrouwen had, wenschte toe te treden, vroeg hy- hem
eerst na eenigen ty\'d: „Maar hoe is het met die twee vrouwen?" en
ontving toen het antwoord: „Vroeger zag ik daar geen kwaad in,
maar thans zie ik, dat ik goddeloos heb gehandeld", zoodat hy de
jongste reeds uit eigen beweging by hare ouders had teruggebracht,
en haar een maandelyksche som gelds toegelegd, tot zij hertrouwd
zou zy\'n. Hoewel het velen verwonderde, dat luj iemand, die een
deugdelyk evangelist was, niet aanstelde tot helper, V. d. L. liet
het na, geenszins omdat deze de goede verwachtingen had teleur-
gesteld, of omdat hij van zijne helpers een zelfde behandeling
(juister wellicht: mishandeling) vreesde als Vermeer te Tagal onder-
vonden had, maar omdat in diens leven antecedenten waren, die
dit nog bezwaarlijk maakten met het oog op hen, die buiten waren.
En toen een zijner gemeenteleden met een Europeesch Christen een
twistgesprek gehad had, daar deze weigerde Abraham eenen profeet
te noemen, keurde hy dit laatste af, omdat het aan vroegere Moham-
medanen noodeloos ergernis gaf en het tegen de Oostersche wetten
van beleefdheid streed, om een groot man eenvoudig bü den naam
te noemen, en hij het beter oordeelde om van den Aartsvader,
wiens biografie alleen zuiverder moest worden, zoo te spreken als
reeds onder het volk gewoonte was. \') Het afgedwaalde schaap
zocht hy op in de struiken en heggen, zooals dien man, die der
gemeente ernstige bekommering gaf door zich geheel te verliezen
in de dingen der wereld, maar die, door het inslaan van den blik-
sem in zyne woning weer tot inkeer gekomen, nu met vrouw en
schoonmoeder tot de gemeente teruggevoerd werd. Een groot ge-
schenk in grond voor een kerkgebouw, dat eerst tydens den zen-
deling Zegers verrees, aanvaardde hy pas van den schenker, toen
het hem duidelijk was geworden, dat het alleen uit liefde tot den
Heer was aangeboden, en op gaven of legaten voor zyne Vereeni-
ging wilde hy nimmer speculeeren, daar hem volkomen onbaat-
zuchtigheid in de Indische omgeving en by Chineezen de beste
aanbeveling was voor de louterheid van eens zendelings bedoelin-
gen. De gemeente was hem zeer aanhankelijk, en zy had hem lief
\') Eene vingerwijzing naar Gen. XX : 7 zou hier echter in eens afdoende zijn
geweest.
-ocr page 27-
23
om zyne trouw en belangeloosheid, zoodat, toen hy in Nov. \'66
zeer ongesteld was door zware koortsen, hy zoowel van die zyde
als van die der Europeanen, met wie hy op goeden voet was geko-
men, de meest mogelyke hartelijkheid ondervond. Na zyne her-
stelling schreef hy dan ook: „Eiken dag kwamen er twee van de
edelste uit het midden der Chineezen, om my op te passen — en
hunne gesprekken waren voor my een rechte zielsverkwikking. Ja,
goedertieren is de Heer; te midden der kastyding laat Hy zien,
dat Hy een Vader is".
Terstond na zyne vestiging te Indramajoe had V. d. L. ook eene
school geopend, zoowel voor Europeesche als voor Chineesche kin-
deren, en, indien het gelukte, ook voor die van inlanders. De Euro-
peanen waren hierover zeer verblyd, en hy deed het om aan hunne
kinderen tegenwicht te geven by den verderfelyken omgang met de
Javanen, en hen op te voeden in de vreeze des Heeren. De ouders
moesten het zich getroosten, dat hy zyne lessen met gebed begon, en
daarna een gedeelte der H. Schriften besprak. Tevens maakte hy het
tot eene verplichting, dat de kinderen der Europeanen, die de school
bezochten, des Zondagmorgens geregeld naar de kinderkerk (catechi-
satie) zouden gaan, die hy dan in de school hield. Dit ging niet
altyd even voorspoedig. Soms waren er slechts 2 kinderen, maar later
lieten de moeders en anderen zich daar ook wel eens zien. Hij zag
zich weldra van de Europeesche jeugd omringd, en den weg tot het
ouderhart vond hy door de kinderen. Naar zyn beste weten onder-
richtte hy iederen morgen van 8 tot 12 uur zyn volkje in de vakken
van gewoon lager onderwys, en zyne discipelen, wier aantal nu en dan
tot 12 klom, waren inderdaad op eene school „met", hier ook
„naar" den Bybel. De beginselen der Vereeniging C. N. S. bracht
hy in toepassing, en menigmaal slaakte hy den wensch, dat zy
zich ook over Indië ontfermen mocht. Zelfs meet- en stelkunde
behandelde hy met de verstgevorderden. De kleinijes kregen er
tot geheugen-oefening, in plaats van zoutelooze versjes, psalmen
en gezangen te leeren; de oudsten maakten, naast opstelleu over
vaderlandsche geschiedenis, ze ook over personen des Bijbels, en
eerst aan hen, die vlot konden lezen, gaf hy de Heilige Schrift
in handen, daar deze, als leerboek tot lezen gebruikt, allicht tegen-
zin zou verwekken, en omdat hy het bovendien gruwelyk vond, om
de namen van God en Christus al haspelend te hooren uitspreken.
-ocr page 28-
24
In den tyd van 12 tot 3, later slechts tot 2 uur, gebruikte hy zijn
middagmaal, dat hy uit het logement tegen vergoeding ontving, rustte
hy een weinig uit, of ging hij totkranken, of maakte hy geneesmidde-
len gereed, of zag hy wat na voor de middagschool, die tot 6 uur
duurde, en door Chineesche kinderen werd bezocht. Ditnioeielyke
en vermoeiende werk getroostte hij zich voornamelijk met het oog
op de toekomst. Met 3 kinderen begon hij, tot 17 groeide hun getal
allengskens aan. Daar de meesten uit de min gegoede klasse waren,
en niet tot zijne gemeente behoorden, moest hy hen met kunst en
vliegwerk by elkaar houden. Zij mochten niet door te strenge tucht
worden afgestooten, hoe noodig soms ook doortastende maatregelen
bleken om orde en reinheid te bevorderen; geduld moest hij oefenen,
om hen door lankmoedigheid en vriendelykheid te behouden; de
ouders, die alleen oog hadden voor hetgeen dadelijk profijt gaf,
zonden de kinderen meestal niet gaarne, en om hen te winnen,
en zijne leerlingen niet te verliezen, gaf hy zelfs aan ouders, wier
zonen anders met koopwaar liepen, eenig geld om hen schadeloos
te stellen voor het schoolbezoek. De avonden hield hy, zoo goed
hij kon, een weinig vry om te studeeren en om op de hoogte te
blyven van het nieuws van den dag. Liefst nam hij dan boeken
over werktuig» en natuurkunde ter hand, om later den inlander
allerlei dingen duidelijk te kunnen maken, terwyl hy om den Chinees,
die „de wetenschap der wereld" hoog achtte, de aardrijkskunde niet
vergat. Maar huis- en ziekenbezoek, dat hy byna alleen in den avond
kon doen, daar hy anders bezet was, en godsdienstoefeningen namen
vele uren in beslag. Europeanen zoowel als anderen lieten hem reeds
spoedig bij hunne kranken roepen. Zware dagen doorleefde hy te
Indramajoe, als epidemiën van kinkhoest, die hem eens dwong om
zyn school te sluiten, of van mazelen, of van pokken, of van cholera
er heerschten. Omdat de geneesheer van Indramajoe dikwijls van huis
was, om toezicht te houden op de vaccinatie in die afdeeling, werd
V. d. L. van alle zijden om hulp aangeloopen. Hy deed steeds wat zyne
hand vond om te doen, en hij had in dat drukkende, alle kracht
afmattende klimaat van Indië tyden, dat hy in 10, 12 dagen niet
uit de kleeren, niet op zijn bed kwam. „Ik ben hier èn zendeling,
èn schoolmeester, èn dokter, èn ziekenbezoeker," dus berichtte hy,
„en ik heb haast geen gelegenheid om te schryven." Ten laatste
had hy zelfs niet één\' enkelen avond meer vry; maar, hoe meer
-ocr page 29-
25
hy te doen kreeg, des te meer kon hy verrichten. Overal kwam
Dy, en waar hy kwam, als geneesheer, of schoolmeester, of vriend,
V. d. L. liet den zendeling nimmer te huis. Hoe menig zondaar heeft
hy met tranen vermaand tot hekeering, aan hoevele ziekbedden
gewaakt en gebeden, en de Hjdenden gewezen op den Medicyn-
meester der zielen. Zyn gedurig gebed in die dagen was: „Heer, geef
mij toch een krachtig lichaam, maak mij getrouw, geef mij den geest
van bedachtzame wijsheid."
Met de Europeanen, onder wie zijn goed gerucht uitging, kwam
hy steeds meer en beter „ en pays de connaissance." Had V. d. L.
begrepen, dat, zou de zending het worden, de zendeling moest
trachten om zich populair te maken, hy had dit van den beginne
mogelijk geacht, zoo de zendeling er slechts naar streefde om prac-
tisch te zijn, en hy was er van overtuigd, dat het ware Christendom
steeds practische lieden vormt. De publieke opinie, wij zagen het reeds,
was in de Indo-Europeesche maatschappy der zending en haren
jongeren niet gunstig. Dat zy zoo in kwaad gerucht stond, schreef
V. d. L. echter niet alleen toe aan de ongodsdienstigheid van Insu-
linde\'s bewoners, die onverschillig moesten worden tegenover het
Evangelie, dat zij niet begeerden te kennen, en b\\j wie het nuttig-
heidsbeginsel veelal de drijfkracht was van hun rusteloos en ongerust
jagen naar geld of positie of eer, maar hij weet het ook aan „deuit-
wassen aan den heerlijken boom der zending, die openbaar waren ge-
worden in mannen als Harthoorn, Ten Zeldam Ganswijk en anderen."
Bovendien meende hy, dat het heimely k zelf bedoelen, \'t welk tot
in de berichten van z.g. „goede" zendelingen wel eens doorstraalde,
dat de speculatiegeest van zendingscorporaties naar eigene uitbrei-
ding, meer dan naar die van het Koninkryk Gods, dat de ophef, die
van bekeeringen gemaakt werd, der wereld niet verborgen kon blijven,
en gereede aanleiding gaf tot minachting van het goede werk. Noemde
hy de snfadelyke houding zyner landgenooten tegenover de zende-
lingen, die door hen behandeld werden als paria\'s, onverantwoor-
delyk, hy zag tevens hoe dergeln\'k gedrag een verkeerden indruk
moest teweegbrengen op den slimmen Chinees en den oplettenden
Javaan. Dat gemis aan eenige welwillendheid, aan een weinig ver-
trouwen tegenover, die volslagen impopulariteit van de zending hin-
derden hem, en althans aan hem heeft het niet gelegen, zoo de
meening over de zendingszaak niet veranderd werd. Hij heeft ge-
-ocr page 30-
26
tracht om het vertrouwen te winnen, en het te Indramajoe gewonnen
ook. Echter deed hü daarin z. i. niets anders dan „ den plicht
van een\' zendeling, die elke gelegenheid hehoorde aan te grijpen
om met anderen in contact te komen, zonder zich ooit te assimi-
leeren; die waarlyk populair moest zyn en het zou worden, als h\\j het
inderdaad goed meende met zijn\' evenmensch, als hü diens heil
wenschte te bewerken met opoffering van zichzelven."
Zonder leven te maken ging V. d. L. te I. zyns weegs, en hü
liet overal een lichtend spoor na. Ofschoon h\\j in zyne houding
deed uitkomen, „dat, geluk de zending niet van deze wereld is,
ook de zendeling er buiten staat, om op de wereld te werken,"
en dat hij „ zich niet met haar vermengen mocht," hü stelde het
zeer op prüs, als de „grooten der aarde" hem welwillend
behandelden en zyn werk waardeerden. Bezoeken van ambtenaren
op zyne school wachtte hy\' gaarne af, en hun lof deed hem goed;
erkenning van verdienste door een ass.-resident als de heer Servatius
stelde hü op hoogen prüs. En toen deze züne hulp ingeroepen had tot
nieuwe regeling van het Goevernements-onderwys; en hü later tot
lid der commissie voor het klein-ambtenaars-examen benoemd was,
nam hü deze onderscheidingen met dankbaarheid aan. Hü op züne
beurt bleef nooit achter om eere te geven, wien eere toekwam,
terwyl hü wederkeerig eischte, dat men hem vrüheid zou laten in züne
beschouwingen, die hem bijv. verboden om ooit des zondags naar
recepties van hooggeplaatste ambtenaren te gaan, al werden zü
ontstemd door zyn wegblüven. Door zy\'ne vele bezigheden moest
hij zich bü zün Hoofdbestuur telkens verontschuldigen om züne
nalatigheid in briefwisseling. Groote gebeurtenissen had hy niet mede
te deelen, en de „ kleine " voorvallen waren gewoonlük aan elkander
geluk. Tevens schreef hü hierom niet veel, omdat, by de herhaalde
mededeelingen van het kleine, waarin hy\' als Christen het wolkje
als eens mans hand zag, dat het teeken was van milde piasregens,
de zaak der zending zoo spoedig op den achtergrond kan treden,
en de persoon des zendelings op den voorgrond." Open, rond en man-
nelük was steeds de toon van züne blieven. Hy hield niet B van de
staatkunde, om in züne brieven een\' slag om den arm te houden."
In de correspondentie van bestuur en zendelingen moesten zü el-
kander lezen in het hart. Derhalve was hy\' steeds verlangend naar
brieven aan hem persoonlük gericht, met antwoorden op zy\'ne
-ocr page 31-
27
vragen, met raad over zy ne bezwaren, en toonde hy zich weinig inge-
nomen met algemeene zendbrieven, die van post tot post gingen.
Daarvoor konden de zendelingen wel dankbaar zyn, maar niet
één hunner was voldaan er mede. In het Orgaan zijner Vereeniging
schreef hy niet veel. By voorkeur schreef hy vertrouwelyk. In
die mededeelingen jaagde liy, zooveel hy kon, , naar groote voor-
zichtigheid," en, berichtte hy iets in het Orgaan, hy stelde het „met
eene dubbele mate van waarheidsliefde " op. Van veel, van ondoor-
dachte publiciteit was hy een groot vyand, omdat zy de zending te
zeer schaadde. Zelfs in zyne eigene omgeving sprak hy weinig over
de gesteldheid zyner gemeente, en over hare uitbreiding, en hy deed
het uit bedachtzaamheid, „omdat het zuurdeeg stilte entydnoodig
heeft, om het deeg te doortrekken." Beschouwingen over de toekomst
leverde hy uiterst zelden, want hy begreep zoo dikwyls zelfs niet eens
het heden; tegen onberaden yver waarschuwde hy telkens, opdat „de
schyn niet zou worden aangenomen van den Almachtige te dwingen;"
„langzaam en organisch" wilde hy de ontwikkeling van het uit-
gestrooide zaad. „In volharden ligt kracht," zoo luidde zyne leuze.
Met kalmte, meer nog door „ doen" dan door „ zeggen " begeerde
hy het Evangelie bekend te maken, met geestdrift, doch zonder op-
winding ; geen stap mocht voorwaarts gezet worden, dan als de zen-
deling zich volkomen rekenschap gegeven had van die daad en
hare waarschijnlyke gevolgen. „Wel zegt ieder, die zending zegt,
stryd, en deze stryd zal ook op Java niet uitblyven, maar — eerst
kracht krygen, dan vechten." Hy wenschte „te handelen, als
handelen noodig was, anders — wachten." Over het algemeen
had men, zoo meende hy, in Holland eene verkeerde voorstelling
van de evangelisatie op Java, en die verkeerde voorstelling, welke
alleen door een paar jaren praktyk kon worden weggenomen,
maakte, dat men den zendeling veel moeite berokkende. Wat
gezegd werd van de Tweede Kamer: „Zy regeert den Javaan
zonder hem te kennen," was z. i. ook wel eens de fout van zendings-
besturen ten opzichte der evangelisatie. Onverdeeld wydde hy zich
aan den dienst van zynen Heer, en hy sloeg geene gelegenheid
af, om van Hem te getuigen. By Europeanen werd hem nu en dan
de pendoppo (overdekte veranda) der woning ter godsdienstoefening
ingeruimd by Christelyke feestdagen, of op Oud- en Nieuwjaar, en
hy liet zich nooit te vergeefs uitnoodigen om te spreken. De opkomst
-ocr page 32-
28
was dan gewoonlijk uitnemend, al wist men, dat hy spreken kon
met macht, en harde waarheden in het publiek en onder vier oogen
durfde te zeggen, waarbij echter de oprechtheid zijner bedoelingen
door niemand werd in twijfel getrokken. Zoo Terzocht hy ook wel
Europeanen bij zich aan huis en las dan met hen de werken van
onze beste dichters. Maar het liefst was hy bezig met zijnen eigenleken
arbeid, en had hij vroeger, met de meesten in Holland, te veel „in de
poëzy der zaak" geleefd, in Indiè\' had hy het „proza" leeren kennen.
Hij beklaagde het, dat de zendingsvrienden er al te lang in het tijd-
perk der jeugd bleven en bij droomen en bespiegelingen leefden. Ook
hij had bij zijne voorbereiding Romeinen I gelezen, en bij de over-
peinzing ervan over de zonden der heidenen gegruwd, terwijl hunne
ellende zijn gebed had vermenigvuldigd, maar, toen hy eenigen tijd op
Java geweest was, en den inlander niet langer van het papier, maar in
werkelijkheid kende, huiverde hij nog meer voor hunne zondigheid.
Toen had hij moeite om die menschen, die hy niet, zooals gewoonlijk
geschiedde, wilde behandelen op een\' toon van gezag, te blijven
liefhebben, niet met „sentimenteel e liefde, die hen aanmatigend en
brutaal maakt," maar met nuchter, sterk medelijden. Bij zijn werk
vergat hij niet, „welk een wonderlijken indruk het op de inlanders
moest maken, dat een Europeaan zich onder hen neerzette met het
uitgesproken doel, om zielen te winnen voor zy\'n\' profeet, een indruk
even wonderlijk voor hen, als het bijv. voor Hollanders zou zy\'n,
indien een Turk hen riep tot bekéering naar Mohammed." Naar
resultaten der zending wilde hy liever nog maar niet gevraagd hebben,
doch naar trouw, naar methode! „Och, dat ik niet meer kan doen,
en dat ik myn werk niet beter doe!," zoo zuchtte hij dan, al naden-
kende. En aandoenlyk is het om op te merken, hoe in V. d. L.\'s dag-
boek, dat hy\' zeer ongeregeld, slechts voor zichzel ven bijschreef, en
dat hy\' inderdaad „Dagboek myner goede werken" had mogen noemen,
gebed op gebed wordt aangetroffen om vergeving van zonden, om
grooter volharding, om het wy\'ze hart, dat zijne dagen telt; hoe hy
zich telkens verootmoedigt voor God, als hy zich geneigd gevoelt om
zich op het kleinste te verheffen. Met hart en ziel was hij zendeling,
en, al had hy tyden van groote zwaarmoedigheid, van bangen ziele-
stry\'d, al worstelende won hij in krachten. Na iederen nacht, hoe
zwaar, hoe dicht, ging hem als Jakob te Pniël de zon weer luister-
ryk op. Steeds beter begreep hy\' Gods wegen met hem, zoodat hy\'
-ocr page 33-
29
eens in de blydste verrukking uitriep, niettegenstaande hy in zyne
eenzaamheid zooveel ontbeerde: „Thans heb ik geene wenschen
meer voor myzelven; alle krachten van geest en ziel en lichaam
zijn op dit ééne punt gericht: de verheerlyking van Gods naam
in de zending. Hierin gevoel ik my gelukkig, gelukkiger dan ooit."
Ook onder de inlanders had V. d. L. een\' goeden naam. Niet
minder dan door zyne hulpvaardigheid zonder ophouden, om hen tot
in hunne ellendigste, besmettelijke krankheden te verzorgen, was
hy in hunne achting gerezen door een bijzonder voorval. In \'67 nl.
zouden om een\' moord een dertiental personen hun vonnis onder-
gaan; 12 waren ter dood en 1 tot dwangarbeid veroordeeld. Nau-
welyks had hy vernomen, dat er 12 ter dood veroordeelden in de
gevangenis te Indramajoe zaten, of hy verzochten verkreeg toegang
tot hen. Zoo dikwijls zyne bezigheden het hem verloofden, ging hy er
heen, en trachtte hy hun aan het verstand te brengen, dat het eenige
middel om nog aan het doodvonnis te ontkomen bestond in de aan-
bieding van een verzoek om gratie aan den Gouverneur-Generaal.
Zy verzochten bem ten laatste, om dit op te maken, en met haast
spoedde hij zich naar huis om de 12 „zegeltjes" te schrijven. Maar toen
hy den volgenden dag er mee terugkwam, wilde de eene vóór, de
andere na niet teekenen. Lodan, hun hoofd, had hun wys gemaakt,
dat het rekwest slechts een valstrik was om een bewijs van schuld-
erkenning te verkrygen. Intusschen was de termyn om gratie te
vragen byna verstreken. „Ik had meer dan met Lodan diep medely\'den
met de overigen," zoo verhaalt V. d. L., „vooral met zeven van hen,
die nog jong waren en aan den moord geen feitelyk deel hadden gehad,
maar alleen de rystschuur van den in huis vermoorde hadden leegge-
plunderd, en die me in eenvoudigheid des harten vraagden: „Maar
moet ik dan voor het stelen van eenige bossen padie gehangen wor-
den?" Buiten hen om, vroeg hy, per telegraaf, toestemming van den
G.-G. om in hunne plaats genade te vragen, en toen ditnabloot-
legging der redenen, waarom zij het niet deden, was toegestaan, kregen
het 11 van de 12, en werd de straf in dwangarbeid verwisseld niet
een half uur tentoonstelling onder de galg. Alleen voor Lodan bleef
het fiat executie gehandhaafd. By de voltrekking van diens doodvon-
nis gaf V. d. L. een groot bewys van onversaagdheid. De assistent-
resident en de voornaamste Europeesche en inlandsche autoriteiten
waren ter rechtplaats tegenwoordig, en V. d. L. was mede verzocht.
-ocr page 34-
30
Deze, die toen geheel onder en met het volk leefde, en alzoo
meer dan anderen hoorde van de stemming der bevolking,
had gisting in de gemoederen bespeurd en na onderzoek vernomen,
dat men van plan was om eene paniek te doen ontstaan, en Lodan
te bevryden. Terwijl dan alles rondom het schavot geschaard is,
en de pradjoerits (inlandsche soldaten) nauw aaneengesloten de
strafplaats omringen, ziet de op alles voorbereide V. d. L. van z\\jne
verhevenheid een\' der pradjoerits in het gras vallen, zyne piek breken
en eene soort van toeval krjj gen, een meermalen voorgekomen geval
by beraamde opstootjes. V. d. L. springt onverwijld van zijnen zetel,
dringt door de menigte naar den soldaat, geeft hem een klinkenden
klap om de ooren, levert hem over in de handen van de wacht,
grijpt de gebroken piek en legt ze op de tafel van den ass.-resident
neer. Dit alles moet in een ommezien zyn geschied, en slechts door
z\\jn moed en zyne tegenwoordigheid van geest had de lont der kwaad-
willigheid den tijd niet om het buskruit der hartstochten des volks
te ontsteken. Een oogenblik later was de beruchte hoofdman niet
meer. Zijne vrouw wilde het lijk niet eens in haar huis ontvangen;
zyne oude moeder ontfermde zich z\\jner en liet hem begraven. Op
den dag, dat V. d. L. gratie voor de 11 ontvangen had, verzekerde
de ass.-resident hem, dat deze daad meer voordeel aan de zending
zou brengen dan 15 jaar arbeids, waarop V. d. L. eenvoudig ant-
woordde: „Toen ik de zaak op touw zette, dacht ik niet aan voor-
deel, dacht ik alleen aan het lot der veroordeelden." Had de heer
Servatius te sterk gesproken, de daad zelve was den gemeenen
inlander nochtans niet verborgen gebleven. Terzelfder t\\jd toch hield
/ men elkander het raadsel voor: „Wie is de rijkste man te Indra-
majoe?" en het antwoord er op luidde: „De zendeling V. d. L.,
want hjj heeft elf menschenlevens gekregen." En op zijne tochten
in den omtrek ondervond hij daarna dikwijls groote voorkomendheid.
Zoo hielp hem kort daarop onder moeielijke omstandigheden een
Moslemsch wadana (districtshoofd) aan postpaarden en maakte de
opmerking: „Och ja, menschen als h\\j behooren altijd geholpen
te worden; z\\j z\\jn wel op aarde, maar hun hart is den hemel."
Evenwel, de geringe resultaten der zending op Java en onder
de Javanen konden ook hem niet ontgaan. Hij schreef dit aan de
eene z\\jde toe aan eene liefde, die op menige plaats gehandeld had
zonder verstand, zonder plan en zonder orde, maar aan den anderen
-ocr page 35-
31
kant, zoo vroeg hy- zichzelf af: „Hoe zou er ook hoop kunnen
zijn van voorspoedig slagen by- den inlander, terwijl de Europeaan
verwaarloosd wordt, en de afstammelingen der Europeanen ver-
onachtzaamd zy\'n?" H\\j vond het „o zoo partijdig, o zoo snood om
den een boven den ander te trekken, daar allen den Zalig-
maker behoefden," en hij kon het maar niet goedkeuren, dat zen-
delingen werden uitgezonden met de bepaalde instructie: „Gaat en
brengt het Evangelie aan Soendaneezen of Batta\'s". „Welke aanspra-
ken," zoo was hierby zy\'ne vraag, „welkeaansprakenkunnenbyv.de
Soendaneezen laten gelden boven de Javanen, de Javanen boven de
Chineezen, de Ohineezen boven de Afstammelingen, om als meer
gerechtigd tot de kennisname van het Evangelie te worden beschouwd ?
Het hart van den Christen moet gelijke mate van liefde en mede-
lyden hebben voor en met een iegelijk, die buiten Christus leeft.
Een zendeling legge zynen hengel in alle wateren, en of een
visscher een voorntje of een\' baars, dan wel een\' karper aan den
haak krijgt, dat moet hem hetzelfde zyn: een visch is een visch,
en voor eenen zendeling is — eene ziel eene ziel." Een verkeerden
weg noemde hy het, om scheiding te maken tusschen menschen
en menschen, voor wie God dezelfde zon deed opgaan en dezelfde
zaligmakende genade had. Hy zag het ook wel, dat er nog weinig
verschijnselen waren, die bewezen dat de zoo onaandoenlijke Javaan
rn\'p was voor het Evangelie, maar hoopte tevens, dat, als de Javaan
ryp was, de apostel van Java zich niet zou laten wachten. Hy- be-
schouwde „het als een grooten misslag, dat de Afstammelingen voor-
bijgezien werden by de evangelisatie." „Uit den aard der zaak toch,"
zoo zeide hij, „verkeert de Europeaan bezwaarlijk met den Javaan, die
tegenover hem achterdochtig is. Het inlandsch kind daarentegen, dat
tusschen Javaan en Europeaan staat, vormt den overgang tusschen
beiden. Zooals de Afstammelingen gewoonlijk waren, werkten zij wel
zeer nadeelig op den inlander, en was hun Christendom zonder eenige
waarde — had hij niet, om één staaltje bij te brengen, een\' ouder-
ling ontmoet, die het onderscheid tusschen Islam en Christendom
niet begreep, en na de uitlegging met onverstoorbare kalmte zeide:
„Nu vat ik het, de Javanen zeggen Mohammed en de Europeanen
zeggen Jezus" —, bracht hun wandel het Evangelie integendeel in
nog slechter reuk, maar hy had hoop, dat zy bij verandering van hun
treurigen toestand der zending van onberekenbaar nut konden worden.
-ocr page 36-
32
„Vergeet daarom de Afstammelingen niet," zoo vermaande hy, „acht
niynen raad in deze zaak niet gering. Ontferm u over hen. Waak tegen
Rome, dat zich hun lot aantrekt, en in stilte reeds menigeen hunner
heeft gewonnen. Nog een 25tal jaren, en al de klerkjes en mindere
ambtenaren zyn Roomsch. Ik heb meer gezien dan anderen, daarom
weet ik ook meer van deze dingen. Zij hebben wel weinig veer-
kracht, de meesten zyn zelfs de negatie van hetgeen goed is, maar
er kan van hen iets goeds worden gemaakt. Door onderricht kan men
hen op de hoogte der ontwikkeling van Europeanen brengen, en
zyn zij voor Christus gewonnen, het zal eene aanwinst zyn voor
de zending." V. d. L. had dan ook in \'68 te Batavia den heer Cornelis
hooren prediken. Hoe wist deze, naar zyn oordeel, de harten zijner
gelijken te roeren, en hunne aandacht te boeien; met welk een kracht
en gloed en tevens hoe zacht en liefelijk was zyn woord! Iets had
ook V. d. L. voor hen kunnen doen. In \'66 reeds was hy begonnen
met aan 2 hunner des avonds les te geven, (natuurlek gratis, gelijk
al wat hij deed), opdat zij niet geheel aan zichzelf zouden zijn over-
gelaten. Toen hij later tot lid der examencommissie was benoemd,
en er te Indramajoe niemand was, die gelegenheid of genegenheid
had om de aspiranten te helpen, had hy, ofschoon met de handen
overvol, hun al zyn beschikbaren tijd geschonken, en zoo zaten
dan \'s avonds na zes uur bij hem op de schoolbanken de commies-
ontvanger, en de zoutverkooper-pakhuismeester, de deurwaarder en
verscheidene klerken van den assistent-resident. Bovendien kwamen
er af en toe Chineezen en Javanen bh\'. Wat waren zy hem erkente-
lyk voor zyne onbaatzuchtige hulp; hoe rees die nederige, Euro-
peesche zendeling in hunne schatting! En hem was het tot groote
blijdschap, dat hij op die wy\'ze een middel gevonden had omver-
scheidene jongelieden uit eene diepte van zedelyke ellende op te
heffen Met dank aan God mocht hy zien, dat van degenen, die
hy geholpen had, allen, op één na, maatschappelijk terecht zn\'n
gekomen, en uit den mond van een hunner vernam hy zelfs
het oprechte getuigenis: „Voordat gy hier waart, mynheer, was ik
steeds op verkeerde plaatsen; maar gy hebt my geleerd om te
bidden, en nu heb ik kracht om de verleiding te ontvlieden." Voor
niet weinigen hunner was hy als een biechtvader. Al zeide hy hun
met forschheid de hardste dingen, al wondde hy hen op de ge-
voeligste plaatsen, zy bogen voor hem het hoofd, daar zy* ge-
-ocr page 37-
33
voelden, dat althans hij het wel met hen meende. Dat zy, die
gewoonlijk hun eigen weg konden gaan, afweken van het rechte
pad, het verbaasde hem niet, want hy had zelfs voor leerjongens,
die bü hem woonden, te waken dat zü \'s nachts niet heimelyk
wegslopen. Hy loofde er God voor, dat hy\' nog iets meer had dan
kennis van den weg der zaligheid, dat hij ook inhetonderwyskon
van dienst zijn met het „weinigje wetenschap," dat zijn eigendom was.
Fijnheid van beschaving, juistheid van vormen niet minder dan
kennis van moderne talen achtte hy bovendien gewenscht voor
den zendeling, die onder alle standen moest verkeeren, en tegen-
over niemand fiasco mocht maken. Wist hy ook wel, dat men in
de zending dikwijls te veel ziet op intellectueele gaven, en dat
hoofdvereischte is getrouwheid, als uitvloeisel van een hartelijk,
eigen geloof, hij toch zou wel doctor hebben willen zijn in alle vakken
van wetenschap. En even geestig als afdoende is zijne bestrijding
van hen, die geen behagen hadden in een\' wetenschappelyk gevormden
zendeling, en durfden vol te houden, „dat de arbeid van een ge-
leerde als Medhurst minder gezegend is geweest dan die eens on-
geleerden Grims." ,Zeker," zoo zeide hij, „voor \'t aangezicht Gods
zijn geleerd en ongeleerd allen gelijk, maar in de praktijk van het
leven is het me toch steeds voorgekomen, dat er een groot onder-
scheid bestaat tusschen een woord van prof. Doedes en dat van een
oefenaar. Als ik ziek ben, heb ik liever prof. Tilanus bij my dan
een scheepsdokter, maar daarom ontken ik nog niet dat de smid
van Feyenoort een specifiek middel heeft tegen beenwonden. Ik
geloof zelfs, dat het kan gebeuren, dat het woord van een kind
meer uitwerking heeft op \'t gemoed eens verharden zondaars dan
al de diepzinnige gedachten van vele geleerde heeren. Maar daarom
zou ik noch den smid van Feyenoort willen maken tot eersten ge-
neesheer in het ziekenhuis, noch het kind willen aanmerken als
een boven allen uitnemend middel tot uitbreiding van Gods Konink-
rijk. Weet gij, wat mij leed doet? \'t Is dat ik niet meer kennis
heb; elk oogenblik gevoelde ik dit gebrek. Neen, om onderwijzer
te spelen moet men meer weten dan een gewoon mensch, en om
een goed zendeling te zyn, moet men een levende catechismus
zyn, met dit onderscheid dat de inlander en de leerling vraagt,
en de zendeling antwoordt. Eerlyk gezegd, \'t spyt me, dat myn
opleiding niet beter is geweest, dat ik niet met meerder yver ge-
3
-ocr page 38-
34
bruik heb gemaakt van de middelen om mij te bekwamen."
V. d. L.\'s zenuwgestel werd door al zijn afmattenden arbeid
dikwyls zeer geschokt, en, al veroorloofde hij zich de hem gaarne
toegestane weelde van een bendy met paard, zijn schoolonderwys,
zn\'n krankenbezoek, zijn herderlijk werk, zijne buitengewone les-
uren noopten hem nu en dan tot gedwongen rust, als zyne krach-
ten „strike" maakten. Dan deed een kort verblijf te Batavia of elders,
waar de rust den vorm aannam van gewijzigden arbeid, hem goed.
Zoo ging hij dan ook in November \'68 onverwachts eenige weken
naar Batavia. Zijn vriend Dr. Van Waesberge had hem dit reeds lang
aangeraden, omdat V. d. L. in een toestand van ziekelyke over-
spanning verkeerde. Maar V. d. L., die daartegen om financieële
redenen bezwaar had — „zet eens een vuist, als gij geen hand
hebt"— kreeg het aanbod om iemands familie daarheen te geleiden,
en toen volgde hy den door God hem gebaanden weg. Te Batavia
logeerde hij bh\' den heer Mr. Anthing, wiens vrijwillige werkzaam-
heden hem niet onbekend waren, en in wiens plaats hij toen bybel-
lezingen hield voor Chineezen, Javanen en Maleiers. Beter dan
vroeger kwam hij er op de hoogte van de christelijke inrichtingen,
die er bestonden. Hij bemerkte ook hoe groote behoefte er was aan
iemand, die als het hoofd van alles zou kunnen optreden en de ver-
spreide en verbrokkelde krachten verzamelen, eene taak, even zwaar
en veelomvattend, als dringend noodzakelijk. „Eenheid, eenheidbe-
hoort daar en elders te komen; anders breekt zoo gemakkelijk de een
af wat de ander opbouwt en Batavia moet voor Indiè\' worden wat
Jeruzalem voor Israël was: het brandpunt van den godsdienst. Daar
legt Rome het voor zich zelf reeds lang op toe." De liefde, hem
betoond om zijns werks wil, en het gemeenschappelijk geloof ver-
kwikten hem er naar lichaam en ziel, zoodat hij, toen hy wilde terug-
keeren, en door veranderden stoombootdienst gedwongen was er
nog eene halve maand te vertoeven, daarover niet zeer verslagen
was. Doch weldra vernam hij , dat de cholera te Indramajoe woedde,
en dagelijks 20 en meer slachtoffers velde. Toen verlangde hij sterk
naar zyne post terug, eerst dan, onder de broederen, zou weer
zijn geweten volkomen gerust zijn. Te Indramajoe teruggekeerd,
vond V. d. L. er de verslagenheid groot, „lijden en stryd begonnen op-
nieuw ," en hij was spoedig weer midden in al zyn werk. Zyne ge-
meente vertroostte hem door het leven des Geestes, dat er gezien
-ocr page 39-
35
werd, en in verscheidene voorbeelden kon hij aantoonen, dat het
geloof inderdaad meer was dan „ eene aangeleerde les." Van een
Arabier, die hem, wonder boven wonder! geneesmiddelen kwam
vragen voor zijn kind, hoorde hij het merkwaardige getuigenis, dat
het gemakkelijk was om met de Ghristen-Chineezen handel te dry-
ven, omdat zij bang waren voor den eed, maar dien ook hielden,
als zy gezworen hadden. Op zijne school brachten zelfs een paar
inlandsche hoofden hunne zoons, en de wadana zond hem ook zn\'n
dochtertje, eene daad toen op West-Java eenigin haar soort, omdat
de inlander weinig op heeft met het onderwijs van jongens, geheel
niets met dat van meisjes. Door het vertrek van Dr. Waesberge
naar Madioen, werd ook zijne geneeskundige practijk nog drukker dan
te voren, en leed V. d. L. een belangrijk verlies, omdat deze mannen,
bij veel dat hen van elkander scheidde, elkander hooge achting
toedroegen. Bovendien verstrekte de geneesheer den zendeling
tegen eene som van f120 \'s jaars, door V. d. L. uit eigen zak
bekostigd, alle noodige medicijnen, en bood hem in moeiehjke ge-
vallen hulp, terwijl hij den armen der gemeente ter wille was, indien
zij hem prefereerden boven V. d. L. Maar zoo doende, werd V. d. L.
weer spoedig o zoo moede, en „ gelijk een daglooner hijgt naar
den avond," — het waren zijne eigene woorden—„zoo hygiknaar
rust, en zie ik met verlangen uit naar eene oase in de woestijn
mn\'ns levens." Wel had hij nu en dan verkwikkingen, die hem
wat opbeurden, als hij bijv. den zoon van eenen Christen-Chinees,
die door een losbandig leven in hevigen graad besmet was geworden,
in zijne woning eigenhandig had opgepast, aan de maatschappij
mocht teruggeven en onder geestelijk toezicht kon houden, of als
hij geestverwanten ontmoette, maar de moedige, onvermoeide man
van vroeger werd hij ook na zijn laatste uitstapje niet meer. Geen
wonder!... \'t Was zonder zelfverheffing, dat hy mocht schrijven, en
ook van dit vertrouwelijk schrn\'ven kan het zegel nu wel worden
verbroken: „Had ik m\\jzelven willen zoeken, mannen broeders,
ook dat had ik kunnen doen, maar, al was \'t dan ook zeer,
zeer van verre, ik heb getracht Paulus na te volgen. En ronduit
gezegd, ik heb hier om mijn werk honger geleden, en een hoofd-
oorzaak van mijne zwakte in de laatste jaren is gebrek aan behoor-
hjke voeding." Te Indramajoe vermoedde men het ook wel, dat
hjj zich het noodigste onthield, om der N. Z. V. uitgaven te
-ocr page 40-
36
besparen, en om zich over ellendigen te erbarmen, maar hy
wilde het voor niemand weten. Zelfverloochening was zijn
dagelijksch brood geweest, en de vele kleine verdrietelijkheden
hadden hem afgemat. „Een groot gevaar, eene groote ramp hebben
iets dat den moed opwekt, iets dat aandrijft om met alle stand-
vastigheid te worstelen; die kleine onaangenaamheden des levens
maken zenuwachtig en troosteloos, en men heeft bewaring noodig
om niet uit te roepen: „Wat voordeel heeft de mensch van al
zijnen arbeid, dien hij arbeidt onder de zon?" Hij begon te
verlangen naar Holland, naar de Bestuurders zijner Vereeniging,
aan wie hij zooveel te verhalen had, naar betrekkingen en vrien-
den uit vroeger dagen, naar nieuwe kracht en frisscher bloed!
Toen men in \'69 hem nog eens weer gepolst had over de plaat-
sing van een\' tweeden zendeling te I., herhaalde hü zijne bezwaren
van vroeger nog wel, en noemde hij zich — gelijk ook zyn zwager
Albers hem had gezegd — te forsch van gesteldheid om het voor
een ander begeerlijk te maken, om met hem samen te werken,
„maar" — ging h\\\\ voort — „wilt gij het doen, laat mij dan een
jaartje naar Holland komen, één jaartje maar." \'t Had hem meer
dan vleesch en bloed gevraagd om zendeling te zijn met eere.
Zijn verzoek werd toegestaan, en toen zijn aanstaand vertrek naar
Holland bekend was geworden, had de wereld te Indramajoe haar
oordeel daarover spoedig uitgesproken. Hoe griefde het hem, dat
zü\'ne bekenden het doel der zending en zh\'ne bedoelingen toen nog
zoo slecht hadden begrepen, dat een hunner hem kon zeggen: „Zoo,
gij gaat naar Holland ? Alsof wy u niet begrepen!... G\\j zult
juist doen, als Grashuis en anderen gedaan hebben!"... En, waar
over zn\'n vertrek gesproken werd, en over zijnen arbeid, was de
rondgaande opmerking: „Nu, gij moet bedenken, hij deed nog
al veel, om goed aangeschreven te staan bij zijn Bestuur!"... \')
De laatste Kerstdagen met zyne gemeente waren liefelijk; de
1) Zoo was V. d. L. eens in Batavia, en ontmoette daar iemand uit Indramajoe, aan wien
hij niet minder verplichtingen had dan deze aan hem. Nadat hij dien heer had ver-
laten, hadden anderen dezen gevraagd, met wien hij had gesproken. En toen het
antwoord was geweest: «Met den zendeling V. d. L.," waren zij in schaterend ge-
lach uitgebarsten. Dit werd door hem later aan V. d. L. uitvoerig verhaald met de
opmerking: «Ik heb \'t nog niet ondervonden, maar. indien ik \'t ondervind, dat mij
de omgang met u nadeelig zou worden in mijn zaken, wees er dan van overtuigd,
dat ik alle gemeenschap met u afbreek.» O humaniteit!....
-ocr page 41-
37
laatste Oudejaarsavond en Nieuwejaarsmorgen met de Europeanen
niet ongezegend. Van der Linden\'s roem mocht zijn: „Ik heb het
geloof behouden!" en hij had het in Indiè\' behouden na ,verschrik-
kelijke aanvallen van ongeloof, in vreeselijken stryd en benauwd-
heid der ziel." De zendeling Zegers, die zich nog in \'70 te Indramajoe
met zijn vrouw had gevestigd, was aangewezen als zijn opvolger,
en werd van een waardigen voorganger een waardige plaatsver-
vanger.
Een aangenaam bewys van waardeering ontving Van der Linden
nog enkele dagen voor zn\'n vertrek, dat op den 31sten Jan. \'71
bepaald was. B Vele ingezetenen waren saamgekomen in de woning
van den ass.-resident, den heer Stierling Kuneman. Ook V. d. L.
was uitgenoodigd. De heer Kuneman richtte daar het woord tot
den zendeling en bracht in de vleiendste bewoordingen hulde
aan de trouw, waarmee hü zijn roeping had vervuld, aan de
liefde in \'t helpen van lidenden betoond, aan den ijver in het
onderwijzen van\' kinderen uit Europeesche en inlandsche ouders
aan den dag gelegd; en overhandigde hem daarop, als een bewijs
van hoogachting, vriendschap en dankbaarheid van Indramajoe\'s
Europeesche ingezetenen, een kostbaar geschenk in goud."
Met vochtige oogen vierden niet lang vóór V. d. L.\'s vertrek
voorganger en gemeente hun laatste Heilig Avondmaal. „ Schooner
loon dan getuigenis en geschenk" was hem de toestand zijner
gemeente \'), en de zegen genoten in het vinden van het verlorene,
dat hij gezocht had waar lnj kon, tn\'dig en ontijdig.
1) Zie Coolsma, West-Java, blz. 250.
-ocr page 42-
II.
Het was Van der Linden tot groote blydschap, toen hy zich
den 17den Maart \'71 aan boord van „De Nederlander" bevond,
om de reis naar het dierbare vaderland te ondernemen. Een zoontje
van den hotelhouder uit Indramajoe ging met hem mede. Hy
gevoelde zich verbazend zenuwachtig en terneergedrukt, als hygende
naar frissche lucht. Maar tevens was hy innig dankbaar voor de
barmhartigheden Gods, die zich over het kleine ontfermt, en
hopende op een\' zegen by de broeders in Holland. Hoe goed deed
hem het weerzien van zyn\' ouden vader, en van vele verwanten
en vrienden! Met de bestuurders van de N. Z. V. kon hy toen
van allerlei bespreken en verklaren, en gelyk het gewoonlyk met
de in het vaderland „uitrustende" zendelingen gaat, weldra trok
hy het land door, sprekende en collecteerende. Maar toch, hy was
niet meer „een zoon der lauwe Westerstranden". Zyn gestel was
niet langer bestand tegen ons koud en vochtig klimaat, zoodat
hy zich hier meestal dof en soms zeer onwel gevoelde . en hy deed
mede de bijna algemeene ervaring op, dat het weerzien teleurstelt,
daar hier dan zooveel anders is geworden dan vroeger en de mensch
zelf eveneens niet weinig is veranderd. Hy vergeleek zich dan ook
al spoedig by een stukje uit eene legkaart, dat, eindelyk weerge-
vonden, nergens volkomen meer past. De „zonde van het Westen"
was hem eene gestadige ergernis; eene doorn in het vleesch was
-ocr page 43-
39
hem de kleingeestigheid van menigen Christen, die hem gehoord
had en den eenvoudigen man vervolgde met allerlei aanmerkingen,
zelfs om zijnen gouden horlogeketting, of om knevel en baard.
Toen hy eene vrouw had gevonden, van wie hij geloofde, dat
God haar hem „als met Zijne eigene hand had toegebracht", en
h\\j den 3den Oct. \'72 met Mejuffrouw J. M. C. J. Van Gorkum te
Driebergen was gehuwd, verlangde hij o zoo sterk terug naar het
schoonste land der tropen, en naar onverpoosden, geregelden
arbeid. Hij bleef den tijd van zijn verlof niet eens uit. En al werd
hem in die dagen eene plaats als predikant te Antwerpen aange-
boden, hij wist te goed, dat zijne roeping elders lag, dan dat hü
eraan zou hebben gedacht om een\' anderen werkkring te aan-
vaarden. In het laatst van Januari \'73 vertrok h\\j met zijne echt-
genoote naar Java. Na eene buitengewoon slechte zeereis, waarop
de woorden van den Catechismus „... en u alzoo bewaart, dat
zonder den wil uws hemelschen Vaders geen haar van uw hoofd
vallen zal" hen zeer hadden vertroost, bereikten zij den 14den Mei
Batavia. Te Buitenzorg zou V. d. L.\'s nieuwe post zijn. H\\j moest
er den zendeling S. Coolsma vervangen, die zich met goedvinden
van de N. Z. V. had belast met de vertaling van het N. T. in het
Soendaneesch, een werk, dat hem door het Ned. Bybelgenoot-
schap was opgedragen, en de inspanning van alle krachten
eischte.
Het begin van het Koninkrijk Gods te B. was zeer klein en
nietig. De zendingsgemeente telde er nog slechts twee gedoopten.
Sedert \'69 had Coolsma er geëvangeliseerd. Maar evenals op de
andere posten der N. Z. V., met uitzondering van Jndramajoe,
was er in de eerste jaren weinig vrucht gezien op de werkzaam-
heden. Het gedrag der op zeldzame uitzondering na haast alleen
voor deze wereld levende Europeanen gaf aan het Evangelie geene
getuigenis. De vele duizenden Chineezen, „die rationalisten van het
Heidendom", die er zich aan landbouwondememingen wijdden en
aan den handel, dienden alleen den Mammon. Inlandsche Chris-
tenen, van elders derwaarts gekomen, brachten het Christendom
telkens in opspraak. En de inboorlingen, die „den godsdienst der
Hollanders" zeer wantrouwden, en als de zwakkeren geree-
delijk het slechtere hadden overgenomen van de o verheer schende
rassen, terwy\'1 zü het betere lieten liggen, omdat de over-
-ocr page 44-
40
name ervan inspanning van zedelyken aard zou hebben gevergd,
waren er in menig opzicht nog dieper gezonken dan de lieden
uit de Preangerregentschappen en uit de Afd. Indramajoe, onder
wie V. d. L. weleer had gewerkt. De zendingsschool daarentegen
was in bloeienden toestand, en bezat eene uitnemende lokaliteit,
die tot stand was gekomen door de goede zorgen van wijlen
Mevrouw Mijer, de echtgenoote van den Gouv.-Generaal van dien
naam. Zij werd bezocht door een tachtigtal leerlingen (72 Chineezen
en 8 Soendaueezen), en de leerlingen bleven er meestal langer
dan elders wel het geval was, en bekostigden uit eigen zak hunne
benoodigdheden. Gedurende de eerste weken zijner vestiging te B.
had hij drukte genoeg in zn\'ne voorbereiding tot de taak, die
hem wachtte.
Het aanvaarden van eens anders arbeid was voor V. d. L. „eene
uiterst kiesche en teedere zaak, daar men zoo gemakkelijk iemand,
wiens plaats men overneemt, vlymende smart veroorzaakt door
het nemen van verkeerde maatregelen, of door het niet genoeg-
zaam verzorgen van het reeds bestaande", en hij wilde zich tegen
iets dergelyks gaarne beveiligen. Hy achtte het buitengewoon
moeielijk om in die nog zoo vreemde omgeving het voor hem
geschikte aanvangspunt te ontdekken, en hy wist, dat voor het
vervolg van een goed begin zooveel afhing. In gedruktheid des
geestes, met angstige spanning zag h\\j den lsten Juli naderen,
wanneer hy als Coolsma\'s plaatsvervanger zou optreden. In zyne
verbeelding was het hem reeds, of de school was leeggeloopen,
en daarbij hoorde hij zich door vrienden vijand toeroepen: „Gebrek
aan yver, gemis van tact, minder geschiktheid dan zyn voor-
ganger!" Toen hem na zyne komst aan het hoofd der school,
gelyk C. voorspeld had, de hoogste klasse geheel verliet, en het
getal der overige leerlingen, die hü, niet tot hun leedwezen, in
het Maleisch zou onderwazen, gelyk C. het in het Soendaneesch
had gedaan, in eenige weken tot 43 was gedaald, kon hy menigen
nacht van hartzeer niet slapen. Immers, bij het weinige, dat de
zendelingen op West-Java en voornamelyk te B. konden doen,
was de school hem eene levensvraag. Zij was haast het eenige, dat
hem eene reden gaf tot zyn verblyf, dat het verklaarbaar en —
verschoonbaar maakte in de oogen der menschen. Hy wandelde
getrouw voort in het spoor, hem door C. gebaand, en terwyl deze
-ocr page 45-
41
„in taaistudie verdiepte broeder" J) zich te Soemedang had geves-
tigd, deed V. d. L. wat hü kon, om zyne positie te behouden.
En God, die het gebed hoort, bewees hem spoedig groote ge-
nade. De eerste verkwikking viel V. d. L. te beurt, toen de vrouw
van den luitenant der Chineezen uit Tjirebon, eene bekeerlinge
van den zendeling Dykstra, die tijdelijk te B. vertoefde, hem
verzocht om haren Benjamin, Jozef genaamd, op school en in huis
te nemen. Eenigen tijd daarna kreeg hij onder zijne discipelen een
knaapje van den Buitenzorgschen luitenant»titulair, en „waar
duiven zyn, vliegen duiven toe", weldra werden hem van den
luitenant-effectief vier jongens gezonden, terwy\'1 ook de kapitein
hem zyn\' zoon toevertrouwde. Deze verandering deed V. d. L.
niet weinig genoegen, te meer daar deze leerlingen eerst op de
Gouvernementsschool waren geweest, en hunne ouders nu zyne school
voortrokken. Het wekte echter in niet geringe mate den nijd van
anderen op, en gaf aanleiding tot hatelyke verdachtmaking van
zijne bedoelingen en handelingen. Zelfs was het in die dagen geene
zeldzaamheid, dat beleedigende uitdrukkingen op de muren der
school werden geschreven, en dat de deurknop werd verontreinigd,
of dat onder zijn onderwys de deur met steenen werd gebombardeerd.
Langzamerhand steeg het cijfer der leerlingen, en V. d. L. heeft zelfs
eenigen tijd het geluk gehad om er 111 bij elkander te hebben.
Voordat h\\j het wist, had h\\j de kinderen van alle Chineesche
officieren op éen na op de banken zitten, terwyl hy niet naar
de herkomst der jongens onderzocht, arm en ruk was hem
even welkom. Het onderwijs werkte gunstig, en de luitenant-titu-
lair wachtte niet lang met aan V. d. L. te vragen om zn\'n\' zoon
geheel onder leiding te willen nemen, omdat zyne vrouw zoo
gelukkig was, „dat haar kind zoo handelbaar was geworden".
Toen dit was toegestaan, bracht deze knaap ongevraagd een neefje
mêe, den zoon van een der Bataviaasche kapiteins. En nauwe-
lyks was dit aan den ouden Buitenzorgschen luitenant meegedeeld,
of hij hield aan op dezelfde gunst voor zijn\' kleinzoon. Ook dit
werd door V. d. L. goedgekeurd, waarna zich nog een andere
Chinees, een gewezen leerling van Medhurst, by hem aanmeldde,
die hetzelfde voorrecht voor zyne beide zonen begeerde, „opdat z\\j
1) Zie Ds. J. A. Schuurman, in een\' briet, Orgaan N. Z. V. 187-1/72, blz. 51.
-ocr page 46-
42
beveiligd zouden zijn tegen de verleiding, die hen van alle zijden
aangrimde". Het was maar goed, dat V. d. L. zyn eerste, kleine
huis had verwisseld met de ruime en geriefelijke woning, door 0.
verlaten. Zoo had hij spoedig 5 Chineesche jongens by zich, die
hem en zyner echtgenoote „lief werden als hunne eigene kinderen",
en hen eerst in \'78 verlieten. Hoeveel verantwoordelijkheid deze
opvoeding van hen beiden vroeg, weet ieder, die maar
eenigszins op de hoogte is der Indische maatschappy, waar
de vroegrijpheid de gevaarlykste vijandin der jeugd is. In Li Kim
Hok, eveneens een zoon van „het Hemelsche Rijk", had hy al
dien tyd op school een gewilligen helper. Dagelyks bewoog zich
V. d. L. van 8—12 uren in het midden zijner scholieren, later
nog wel tot een ure, en hy deed het veelal met lust en opge-
wektheid. Zelden had hy een troepje inlandsche knapen in de
school. De meesten waren steeds Chineezen, voor wie het zoo
profijtelijk was om een en ander te leeren, en die te B. door de
Europeanen niet met die minachting werden behandeld als te
Indramajoe. Alleen in \'84 gaf hij ook een vyftal meisjes (4 Chineesche
en eene Soendaneesche) onderricht. Tegen schoolverzuim, waarover
hij nu en dan had te klagen, had hy reeds aanstonds den maat-
regel ingevoerd, dat ieder, die zonder wettige verhindering weg-
bleef, éene cent boete moest betalen voor eiken verzuimden school-
tijd, welk geld hy beheeren liet door 3 der oudste jongens, en
waarvan hy byv. de eerste maal eene kaart van Europa kocht. Al
de jaren, die V. d. L. te B. mocht arbeiden, bleef hem de school
de voornaamste bezigheid, „hoe ontzettend eentonig, hoe afmat-
tend naar lichaam en geest dit werk ook ware". En had eene
Gouvernementsschool bij elke 30 leerlingen recht op een\' geëxa-
mineerden hulponderwyzer, en genoten deze „meesters" hun salaris
voor eene arbeidzaamheid van half acht tot een ure, na het
uitgaan zyner school begon V. d. L.\'s (altyd kosteloos) onderricht
aan catechisanten, of helpers of kweekelingen of leerlingen voor de
tuinbouwschool, dat dikwyls geregeld iederen dag werd gegeven
van half drie tot half zes, terwyl des avonds zyn eigenlyke zen-
dingsarbeid hem riep tot huis- en ziekenbezoek en bijbellezingen.
Hoewel de school aan V. d. L. niet dadelyk „in de zichtbaarheid"
gunstige uitkomsten bracht, uit het oogpunt van evangelisatie was
zy niettemin zeer nuttig. Vruchteloos wilde hy dien arbeid dan
-ocr page 47-
43
ook niet genoemd hebben. „Welk eene groote hoeveelheid," —
zoo zeide lnj in \'79 — „om dit maar alleen te noemen, van Christe-
l\\jke lectuur is door middel der school niet verspreid? Zou het
zonder de Buitenzorgsche zendingsschool denkbaar zijn geweest,
dat er reeds zoo spoedig een tweede druk van Coolsma\'s vertaling
van het evangelie van Lukas en van Johannes zon noodig worden,
en dat van dien tweeden druk reeds meer dan de helft is ver-
kocht V Het is reeds veel waard, dat het Evangelie wordt be-
sproken, of zooals men hier zegt, de godsdienst van Jezus Christus.
Ik heb goede hoop, dat het zaad in de jeugdige harten gestrooid,
vruchten zal voortbrengen 1). En tot hoe menig gesprek had ik
door myne leerlingen aanleiding met hunne ouders!" Wat h}j
begeerde, was „aan zijne leerlingen een liefelijken indruk te
geven van Christus", en hij rekende zijne moeite beloond, als de
drie uren onderwys in „wereldsche" zaken betaald werden met
een uur luisteren naar Bijbelsche Geschiedenis c. a.. Zeker is het
ook niet toevallig, dat, toen het Soendaneesche N. Test. in zijn
geheel was verschenen, bij hem „de aanvragen talryk waren om
ook het Soendaneesche O. Test. te koopen". Van veler hart won
h\\j de liefde, en dit kwam soms treffend uit in de teedere deel-
neming, die leerlingen toonden in z\\jn lief en in zgn leed. En
het ontzag, dat zij voor hem behielden, gaf eene goede sprake van
de orde en de tucht, die h\\j oefende. Een zwaar kruis was hem
echter het gebrek aan geschikt hulppersoneel, en dat de bezoldi-
ging der helpers de uitgaven der zendingsvereeniging zoo be-
zwaarde. Hy van zijne zyde zocht er zooveel mogelyk in tege-
moet te komen, en zijne echtgenoote liet hem in zijne pogingen
niet alleen staan. De opbrengst van pianolessen, door Mevrouw
V. d. L. gegeven, en die haar vaak veel opoffering en moeiten
veroorzaakten, werden geheel of gedeeltelijk besteed om hen te
salariëeren, en de N. Z. V. niet lastig te vallen met die tochnood-
zakehjke uitgaven. Tevens had zy eenigen tijd in een lokaaltje op
het erf een schooltje van 14 inlandsche meisjes, echte kampong-
kinderen, aan wie z\\j lezen, schr\\jven en handwerken leerde. Daarbij
had zü het van den beginne tot goeden regel gesteld, dat de ouders
1) Dat deze verwachting niet ijdel is, blijkt uit eene mededeeling van den zende-
ling Tiemeisma, Orgaan N. Z. V., \'89 blz. 172.
-ocr page 48-
44
het onderwijs moesten vragen om alzoo meer vat op de kinderen
te hebben. Het stond geschapen, dat dit getal zou toenemen,
omdat verscheidene moeders de vraag deden of ook zy hare doch-
tertjes mochten zenden, doch eene ongelukkige verhuizing en
overmaat van vermoeienis verstoorden „die liefelijke werkzaamheid."
Had de gedachte V. d. L. aanvankelyk gepijnigd: „De Heer wil
mij niet meer gebruiken", na den zegen in de school was het hem
ook een lichtstraal op zijn pad, toen hy ongeveer 2 jaar te B.
gevestigd zijnde, voor het eerst aan het ziekbed van eene Euro-
peesche dame werd geroepen, bij wie hü Ds. Schuurman ont-
moette. Hoe verraste het V. d. L., toen deze hem, gedurende de
nachtwake by de kranke, vroeg, of hij wellicht de redactie van
de Bintang Djohar (De Ster van het Oosten) op zich wilde nemen.
Het was het eenige Christelijk Maleische blad, en wei-d het
orgaan genoemd van de Vereeniging voor In- en Uitwendige zending
te Batavia. De uitgave ervan was in het begin van \'75 tijdelyk
gestaakt door het aftreden der redactie, en het had toen V. d. L.
leed gedaan, dat dit was geschied. Na veel weifeling zijnerzijds,
na menig gebed tot God, nam hij op vernieuwd aandringen van
Ds. S. dit verzoek aan. Daarbij werd afgesproken, dat de een zou
zorgen voor het Maleische gedeelte, en de ander voor het Holland-
sche. Toen zy\'n besluit eens vaststond, greep h\\) zyne taak met
ingenomenheid aan, als een werk, door God hem op de handen
gezet. Den lsten April verscheen de B. Dj. op nieuw. Nu had
hij ten minste wat meer werk te doen. Vooral de eerste twee
jaren van zyn „opsteller"schap brachten hem veel ergernis. Slechts
zelden verscheen het blad op ty\'d, hetgeen doodelyk was voor het
debiet, de correctie was steeds slordig en de druk liet veel te
wenschen over, daar de uitgever de afhankelijkheid der redacteurs
van zijne pers misbruikte. Hierdoor was by V. d. L. de gedachte
opgekomen aan eene eigene drukkerij. Doch hy liet dit voor het-
geen het was, omdat hy geloofde, dat, zoo deze zaak uit God
ware, alles als vanzelf in orde zou komen. Toen hy\' kort daarna in
de bladen las, dat nu wylen Ds. King wegens a.s. vertrek zijne
pers te koop aanbood, draalde hy niet lang, maar droeg hy aan
zijn\' broeder te Batavia op om te onderzoeken tegen welke voor-
waarden Ds. King deze wilde afstaan. Het antwoord luidde, dat,
indien V. d. L. het recht op de uitgave van „De Opwekker" voor
-ocr page 49-
45
ƒ 1000 kocht, hy die z.g. zendingspers in bruikleen zou ont-
vangen met de bepaling, dat, mocht V. d. L. onverhoopt door
sterfgeval verplicht worden zg\'n werk te staken, hem het recht
verbleef iemand aan te wyzen, die de zaak zou overnemen. Ronduit
gezegd beviel aan V. d. L. die beschikking niet, maar hy sloeg
eindelijk toe en aanvaardde hetgeen naar zijne meening God hem
gaf, vooral ook omdat dit blaadje steeds eene lectuur had verstrekt,
„zooals ieder kon aanbieden, die eenige stichtelijke boeken bezat."
De ƒ 1000 werden den heer King contant betaald. Deze deed
daarmede eene schuld af, die nog op de Rehoboth-kerk te Batavia
drukte, en maakte tevens aan V. d. L. duidelijk, waarom hy
„De Opwekker" en niet de pers had verkocht. De eerste toch was
het eigendom van den redacteur zelven. Bij verkoop van de
pers zou hij zedelijk verplicht zijn geweest om de opbrengst ervan
te zenden aan de dames in Schotland, die ze hem hadden geschonken
ten behoeve van des Heeren zaak. Handelende, als hu\' nu had
gedaan, bleef de pers toch aan hare bestemming gewijd. Daar de zen-
deling Jansz in het begin van \'76 met V. d. L. gecorrespondeerd
had over een zendingsblad voor Indië, besloot deze om door
„De Opwekker" het plan van Jansz in de hand te werken. Velen
beloofden hem hulp, o. a. ook de heer Mr. L. W. O. Keuchenius,
„de advocaat der zendelingen", „die echter niet over politiek zou
mogen schryven". De nieuwe redacteur-uitgever was goedsmoeds
en hoopte met dit Maandblad ziï\'n toeleg te bereiken om „tegen-
over de brutaliteit der Indische pers, die beide gaarne bespottelijk
maakte, zending en Christendom in het juiste licht te plaatsen,
en de onkunde van betergezinden weg te nemen." „My bluft slechts
de zorg van correctie en administratie", — zoo deelde hü aan zn\'ne
Bestuurders mede —, „en daarmede houdt de zaak op. Wil ik wat
schrijven, dan doe ik het; wil ik het niet, dan laat ik het. Er zal
copie genoeg zyn." Later zuchtte hy wel eens onder den last van
copie te weinig!...
Toen aan V. d. L. de zendingspers was overgedragen, en hij op
zijn erf een klein gebouwtje als drukkerü\' had doen inrichten
(Aug. \'76), moest hy tot zijne smart bespeuren, dat die overname
by sommigen aanleiding had gegeven tot niet zeer edelmoedige
beoordeeling van zyne bedoelingen. Dit werd nog erger, toen hy
besloot om ook de B. Dj., waarvan de drukker was gestorven, uit
-ocr page 50-
46
te geven. Vele, vele elleude veroorzaakte hem de druk dezer
bladen wegens de ongeoefendheid, en de veelvuldige verwisseling
en het gedrag van zijn personeel, dat hy- hoog genoeg moest be-
talen, en wegens de zorg voor passende leesstof, terwijl hij
„nooit belooning van eenigen aard" heeft genoten. Integendeel, voor
de B. Dj. moest hy zich al dadelijk eenige plaatselijke Maleische
courantjes, en een Indisch dagblad in de Nederlandsche taal
aanschaffen, en dan had hij de gewoonte, om toen dit blaadje nog
elders werd gedrukt, zy\'ne copie steeds te doen aanteekenen ter
voorkoming van verwarring en misverstand, als zijne artikelen
eens wegraakten. Wel ontving hy later van het Genootschap tege-
moetkoming in de kosten, en van zb\'n\' broeder eene maande-
lijksche ondersteuning, maar toch — in plaats van voordeel heeft
de B. Dj. hem honderden guldens schade gedaan, en nooit heeft de
uitgave er van zooveel opgeleverd, dat de inkomsten de uitgaven
ook maar eenigszins dekten. Toen hy- de beide bladen bij zich ter
perse leide, dwong dit hem ook nog om een\' nieuwen letter-
voorraad in te slaan, die eene uitgaaf vorderde van ƒ536.—, eene
som, die hy evenals de/1000.— aan den heer King, voldeed uit eene
erfenis zijner vrouw, welke voor zijne plannen haar kapitaaltje met
liefde opofferde. Al kwam de contributie van , De Opwekker" iets
beter in dan die van de B. Dj., zijne drukkerij had een doorloo-
pend „te kort", dat hij altijd weer uit eigene middelen aanvulde.
Zoo leefde deze drukker, wat zijne pers aangaat, „in droeven druk",
maar zijne leuze was: voortgaan! Verloor hy voor\' verafstaanden
naar den schijn zijne roeping uit het oog, hij bleef ze niettemin
getrouw in zijn hart. Zijn hoofddoel was „om door deze bladen
te evaugeliseeren." „Bovendien" — zoo schreef hij — „de pers hier
is nog uit een ander oogpunt nuttig. Ten eerste toch zijn reeds
enkele jongelieden naar Batavia vertrokken, die by mij het letter-
zetten eenigszins hebben geleerd, en nu daar een bescheiden stuk
brood verdienen, terwijl zij anders .nog in de kampongs zouden
rondslenteren. En ten tweede vinden op die drukkerij eenigen
hun werk, die vroeger bij my ter school gingen, zoodat zij onder
mijne leiding blijven. Daarbij — de pers werkt goed naar buiten,
zy geeft zoo den indruk, dat onze zending werkelijk gevestigd is,
en dat tydelyke, dat zoo snel voorbijgaande karakter verloren
heeft, \'t welk dikwyls een en ander in Indië kenmerkt, en het
-ocr page 51-
47
vertrouwen belemmert." Nog in \'82 deelde hij mêe: „Wij hebben altyd
door bij de zaak moeten bijleggen." „ Ware evenwel ons materieel
meer compleet, dan zou ik wel kans zien om de pers vrij te krij-
gen." Hoe verlangde hij menigmaal, dat hij in deze op den steun
had kunnen rekenen van een\' Europeeschen zendeling-werkman!
„ \'t Denkbeeld, voor eenige jaren over Christelijke werklieden
geuit, was zoo kwaad niet", zoo beweerde V. d. L. ervan, „maar
het is, naar \'t mij voorkomt, wat al te onbekookt uitgevoerd.
Eerst de zendeling, en verblijdt deze zich in eene zekere mate
van invloed, dan hem toegevoegd een werkman van beproefd
Christelijke beginselen! Zoo behoorde het geweest te zijn, en dan
zou er van die nu opgegeven plannen nog wel wat goeds zyn te
maken geweest." l)
Zijne school en zijne pers namen dan zeer veel van zijn\' tijd in
beslag. Hoewel V. d. L. zich gaarne aan eigenlijke, directe
evangelisatie gewijd zou hebben, te B. ging dit niet, en de
Heer gaf hem geene duidelijke aanwijzingen om anders te handelen,
dan h\\j deed. Hij gevoelde zich in dit „ Versailles" van Batavia
dan ook eerst niet zoo op zyne plaats als te Indramajoe. De ge-
dwongenheid in het verkeer, het dure leven, de aanwezigheid van
het hof van „ den grooten Heer" hinderden hem dikwijls in zijne
bewegingen, en de autoriteiten negeerden hem en zijn werk aan-
vankelijk met koele minachting. Zij deden, alsof er te B. geen
zendeling en geen zending bestond. Wel had men niets tegen hem
persoonlijk, maar de verschijning van den zendeling V. d. L. bracht
toch dikwijls in een gezelschap een doodelijk stilzwijgen te weeg. Lang
scheen het, of de drempel zijner woning behekst, de atmosfeer
van zyn huis besmet was, en de „fijnheid" op bezoekers aan-
stekelijk zou werken. Hij zocht daarom liefst niet hetgeen „iets"
was in eigen schatting, maar hij voegde zich gaarne by hetgeen
„ niet" is. De samenkomsten, die hij in den beginne des zondags eens,
later tweemaal bij zich aan huis leidde, namen in de eerste maanden
evenmin toe als de school. Later besloot hy, om ze ook des
1) Hoe ingenomen men indertijd mei het denkbeeld van zendeling-werklieden was,
blijkt wel uit een woord van Da Costa, gesproken bij het vertrek van de eersten
hunner: «Dit is een heerlijk idéé. De Javanen zullen dan nu een wandelend Christen-
dom zien; zij zagen tot heden nooit anders dan een zittend.»
-ocr page 52-
48
Woensdagsavonds te houden by dezen of genen belangstellenden
inlander of Chinees. Eindelijk werd ook de ruime zendingsschool
tot dit doel bestemd. Naarmate de opkomst zich uitbreidde, en
zijne gemeente toenam „ in kennis en genade", moest hy zich
echter voor die bijbellezingen beter voorbereiden. Op dezelfde
wyze als in zijne eerste standplaats ging hij er by te werk, en de
armen, de eenvoudigen van geest, die van eigenlyke preeken, in
de kerk gehoord, niets meenamen, getuigden van hem: „Die
mijnheer spreekt zoo, alsof hij ons ry st met de hand voert." Had
hij in \'79 nog niet meer dan 6 volwassenen gedoopt, in \'84 telde
zijne gemeente in haar geheel 52 leden. In dit jaar en in het vol-
gende had hy wekelyks 5 samenkomsten, drie in de school, eene
ten huize van welgezinde niet-Europeanen, en eene ten behoeve
van Europeanen. Met statistieke opgaven van zielental en werk-
zaamheden hield V. d. L. zich evenwel maar liever niet op. Vele
aanteekeningen maakte hij niet, en op de aansporing: „ Geef nu
toch eens een nauwkeurig verslag", was zijn antwoord: „Ach, ver-
slagen! wat verslagen? Is dat alleen het werk van een zendeling,
\'t welk men kan nagaan? De statistiek, die zuiver is, wordt door
de engelen gehouden. Als wij later in den hemel zijn, zien wy
hunne aanteekeningen na, en wordt ons tevens meegedeeld, aan
welke lagen van Satan en zijn rijk wij onwetend hebben blootge-
staan." Tydens zyn verblyf te B. was er eene eigenaardige gewoonte
ontstaan, die hem menig uur in dienst stelde. Mede door het
houden zijner bijbellezingen by belangstellenden, die dan vrienden
en geburen noodigden, was V. d. L. meer en meer onder de be-
volking bekend geraakt. Deze vergaderingen werden in den regel
druk bezocht, zoodat er soms in de woning geen plekje onbezet
bleef. Liet men hem weleer aan zijne plaats, toen werd hy bij de
minste ongesteldheid by hem onbekende zieken geroepen, en by
herstel vroeg men hem ten huize van den opgerichten kranke eene
Maleische godsdienstoefening te houden. Bij redding uitmoeielyke
omstandigheden verzocht men om zyne voorbede en ook wel eens
by beweldadigden om de viering van het Avondmaal. In wonin-
gen, waar een sterfgeval had plaats gehad, was men vaak gesteld
op eene bybellezing of bidstond. V. d. L. ontveinsde zich het
gevaar niet, dat in deze dingen verborgen was, doch hij verblydde
zich, dat onder menschen van zeer lagen stand, levende in
-ocr page 53-
49
ongerechtigheid, een open oor kwam voor de verkondiging des
Woords. Gewoonlijk werden die buitengewone samenkomsten door
een telkens afwisselend gehoor van inlanders en Chineezen en
Afstammelingen bijgewoond, zoodat er nu en dan tot een getal
van 60 personen bijeenwaren. „ Bij de beoordeeling van den Chris-
telyken zin dezer lieden, wier wil meestal te krachteloos is om
tot eene besliste keuze te komen, maar die zich alzoo eenigszins
aan de gehoorzaamheid des Evangelies onderwerpen " — zoo merkte
hy ervan op — „ houde men in het. oog, dat iemand zelf reeds
eenige vorderingen op den weg des levens behoort te hebben ge-
maakt, om in zulke lieden iets te kunnen ontdekken van het
ontwaken van geestelijk leven, en in allen gevalle, zy worden
bewerkt." Van het eene kwam hy, zonder de dingen te zoeken,
op het andere, en hy liet niet na om te trachten op alle moge-
lijke wyzen met de bevolking in aanraking te blijven. Hoeveel
teleurstelling hij daarbij opdeed, hoeveel exploitatie van den zendeling
hij bemerkte, laat zich niet beschrijven. Dikwijls kon hy moede-
loos worden, als hy zag dat zelfs lieden, die hy by epidemiën
van cholera of anderszins had bygestaan, hem later poogden te
ontwaken en deden, alsof zy hem niet kenden. Ook nog te B. weet
hij de schuld van die zoo onvruchtbare werkzaamheden soms alleen
aan zichzelven, en dan werd hy uitermate mismoedig. By zonder
in de eerste periode van zijn\' arbeid sprak hy dan aldus: „Een
menschenhart is toch een menschenhart; het eene juist met dezelfde
nooden en behoeften als het andere. Ieder menschenhart heeft
eene gevoelige plek. Kon ik die maar raken, dan was ik er." Der-
halve legde hy zich dan opnieuw met de borst toe op menschen-
kennis, en ging het hem als zoo menigen zendeling. „Op ieder,
met wien ik in aanraking kwam, deed ik proeven. Geen woord,
geene daad, geene onwillekeurige beweging ontsnapte my, of ik
ook de gevoelige plek kon uitvinden. Maar jawel! dan bleek dik-
wyls, dat die plek vereelt was, dat de snaar, die moest en zou
trillen, geen geluid gaf! En dan stond ik verlegen, ondanks al
m\\jn vernuft, en sprak ik in myn hart: „ Gy deugt niet voor uw
werk, gy weet de juiste snaar niet te treffen." Dat gevoel van
machteloosheid heeft my in de practijk haast krankzinnig gemaakt
van zelf beschuldiging. Zeg tot eene moeder, wier zoon met volle
zeilen naar de hel vaart: „Gy hebt de juiste snaar niet weten te
4
-ocr page 54-
50
treffen;" zeg hetzelfde tot een1 zendeling over de bevolking, wier
geestelyk heil hem is toevertrouwd, en gij maakt hem radeloos,
indien er maar eenige trouw en oprechtheid by hem is. Het is
een vervloekt, een wreedaardig woord! Goddank, ik ben later
hiervan teruggekomen. In groote somberheid had ik maanden by
maanden doorgebracht, en eindelijk zeide ik tot mijzelven :„Ellen-
deling, gij zijt onbekwaam voor uwe roeping, verdoe uzelven maar."
Maar juist toen ik in zulk een\' allerwanhopigsten toestand ver-
keerde , was het my, alsof ik den Zoon des menschen zag, en wel
op het oogenblik, dat Judas Hem een\' kus gaf, en alsof eene stem
tot my zeide: „Zou ook Hij de juiste snaar niet hebben weten te
treffen?" en — daarna was ik van die zelf beschuldiging volko-
men gered."
Met groote getrouwheid bleef V. d. L. op zijne post. Wel
kwamen er allerlei aanbiedingen tot verandering van positie, maar
hij kon niet bewogen worden om B. te verlaten, of iets van zyn\'
arbeid prijs te geven. Te vergeefs was het, dat zyn zwager, de
zendeling Kruijt, hem den wensch liet blijken: „Kom over naar
Modjo-Warno en help ons;" te vergeefs, dat een Gouv.-Generaal
hem eens deed uitnoodigen om zyne beide jongste kinderen
tegen eene belooning van ƒ 150.— \'smaands dagelijks 2 uren te
onderwijzen; te vergeefs, dat men hem aanspoorde om hulppredi-
ker te worden, en hem in de Minahassa eene benoeming voor-
spiegelde; te vergeefs, dat wijlen Dr J. P. Esser hem dringend
verzocht om met hem onder de Madoereezen te werken; te ver-
geefs, dat hij en zyne echtgenoote in \'83 werden benoemd tot
regent en regentes van een gesticht te Jokjokarta, waar kinderen
van Europeesche beambten der omliggende landbouw-ondernemin-
gen werden verzorgd en de scholen bezochten, ofschoon dit
behalve vrye woning en voeding een maandelijksch tractement van
ƒ 175.— meebracht. Alles sloeg hy onvoorwaardelijk af. Hij be-
greep zelfs niet, waarom men hem zulke voorslagen deed. Hij wilde
het te B. uithouden, soms op hoop tegen hoop. Doch hy kon het
dan ook niet dulden, als by het bestuur der N. Z. V. de gedachte
wel eens opkwam om die zoo dure post op te heffen, waar de
zaaier wel uitstrooide, maar de maaier geen\' oogst vond. Hy zag
in zyne zich steeds vermeerderende bezigheden het bewys, dat
God er hem had geplaatst. Zeide men hem: „Maar gy neemt.
-ocr page 55-
51
te veel hooi op uw vork," dan antwoordde V. d. L. gerust-
stellende: , Neen, neen, God heeft mij een lichaam gegeven, dat
veel moet uitvoeren. Heb ik niet te werken, dan denk ik te zeer
over dingen, die toch niet tot klaarheid komen, en daarom geeft
God mij zooveel te verrichten, dat ik geen\' tijd heb voor dat
peinzen en wroeten in mijzelven. Toen ik pas te Buitenzorg kwam,
had ik geen eetlust, was ik altyd ziekelijk en somber en moede.
Ik had toen alleen \'s morgens school, en éene godsdienstige bgeen-
komst \'s weeks. Maar hoe volhandiger ik het krijg, des te beter
vlot mijne taak, en ik groei onder de drukte." Nochtans, bij dit
alles verloor hij voor zijn eigen hart het éene noodige niet uit het
oog. Ook door beproevingen en moeiten in zijn\' huiselijken kring
werd hij telkens dichter tot God gebracht. Treffend waar is dan ook,
wat hij eens na donkere dagen schreef: „Werken, werken, werken,
zoo zeggen wij dikwijls, en dat werken is goed, maar ach! in
de drukte des dagelijkschen levens lijdt onder al dat werken aan
anderer heil soms onze eigene ziel honger. En dan komt de Heer
ons tegemoet, en dwingt ons om tot ons zelven in te keeren. Gehjk
het dien dichter ging, van wien Kingsley verhaalt, zoo gaat het
ook wel eens met hem, die in het Evangelie arbeidt. Hoorde gene
een verhaal, gretig luisterde hij toe; zag hij iets buitengemeens,
met inspanning sloeg hij het gade, „ want", was zijn woord, „ in
dat verhaal ligt eene schoone gedachte, in dat voorval is veel be-
langryks: hoe zal ik het in den schoonsten vorm gieten, om er
auderen mede te dienen?" Zooals die dichter steeds met anderen
was vervuld, zou de prediker kunnen vergeten, dat de inhoud
znner prediking ook voor hem persoonlijk is bestemd, en, zijne
naasten leerende, zelf verwerpelijk worden bevonden. Dus is het
zoo gelukkig, als God ons nu en dan tegenstaat, en ons toont,
dat Hij ons liefheeft." „ Wat gevoelt men zich in nood en droef-
heid toch nietig en ellendig! Maar wat is het dan tegelijk eene
bron van vertroosting, dat men met een\' God te doen heeft, die
het gebed hoort. Terwijl de ziel zich in smeekingen verheft,
ondergaat zij een zuiveringspi-oces. Roepende tot Hem, bespeurt
men eerst waarlijk, of de weg goed open is, en of er ook be-
letselen zn\'n, die de toenadering verhinderen."
Zoo stil ging V. d. L. zyn\' weg, dat menigeen in den waan
leefde: „Die zendeling voert niet veel uit." „Voorzichtig wandelen"
-ocr page 56-
52
was ook te B. zijn stelregel, opdat hy de zending niet door een\'
verkeerden stap in opspraak zou brengen. Van ophef was en bleef
hy\' een vy\'and, „ want wat gemeenschap heeft Christus met Barnum,
en het woord der bekeering met humbug?" Evenmin als te I.
kon hü\' hier een groot aantal gedoopten aanwijzen. „Maar",
zoo meende hy\', „dit heeft aan de eene zijde zyn\' oorzaak hierin,
dat het Evangelie zich op Java nog niet in zy\'ne overweldigende
kracht heeft geopenbaard. De zendeling is er nog als een scheeps-
kapitein, die naar ankergrond zoekt. En aan den anderen kant
schiet by mij de overtuiging dagelijks dieper wortel, dat, hoewel
ik meerderen had kunnen doopen, dan ik gedaan heb, hetdoopen
van niet waarachtig bekeerde inlanders eerder eene stremming dan
eene bevordering van het Christendom is." „Welk eene moeielijk-
heid is het tevens, dat in de Indische maatschappij n°g niet die kern
van heilige mannen en vrouwen gevonden wordt, voor wie zonde
zonde is. Dat dit heilzaam correctief, dat in alle Europeesche
landen in mindere of meerdere mate aanwezig is, hier by\'na geheel
ontbreekt, is eene ellende. In den stryd des levens is er voor die
zwakke, inlandsche Christenen geene gemeente, die hen opneemt,
geene gemeenschap der heiligen, die hen steunt." En dan, „als een
bekeerling op nieuw in de zonde valt, zyn de Europeesche
„ Christenen" dadelyk bn\' de hand om te roepen: „Zie nu eens...."
Alsof een pas bekeerde aanstonds een volkomen man in Christus
is! Alsof de tot hebbelijkheid geworden zonde van onoprechtheid
en hartstocht in eens is verdwenen! Alsof de „ Christenen" ook
maar in de verste verte het recht zouden hebben, om een Inlander,
die niet meer is, die hu\' was, al werd hy\' nog niet, wat hy\' zyn
moest, met steenen te werpen!" Telkens stond hy ten behoeve van
lieden, die tot het Christendom waren overgegaan, voor de vraag:
„Maar hoe zal ik hen toch een stuk brood doen verdienen? Hoe zal ik
hen aan het werk kry\'gen en houden?" En dat hy\' althans zijne
bekeerlingen niet te hoog aansloeg, bly\'kt wel hieruit, dat hij
schreef: „ Merkwaardig is het op te merken, dat zelfs tamelyk ontwik-
kelde inlanders na hun\' bekeering haast op dezelfde hoogte blijven,
wat hun zedelyk en maatschappely\'k standpunt betreft, waaruit
het wederom duidely\'k wordt, dat de verheffing van het zedelyk
bewustzyn niet een werk is van jaren, maar van geheele gene-
raties. Ik heb tot nog toe slechts weinige Christeninlanders ont-
-ocr page 57-
53
moet, bij wie werkelijk in alles heiliging des harten waarneembaar
was. Dikwijls vraagt men nog zich van hen af: „ Maar hebt gij wel
een hart?" „Het is ook voor de zending eene ramp, dat hier de nood-
zakelijkheid ontbreekt om zich in te spannen voor het dagelijksch
brood! Daarom kent men de groote dryfveer tot plichtsbetrachting
niet, en maatregelen tot verbetering zouden zeker baten, als wij hier,
zooals de heer Umbgrove het eens zeide tot den Gouv.-Generaal
Duymaer van Twist, „drie maanden winter hadden." „Ziet, ik
kan veel dragen, en heb reeds veel gedragen, en daarover zal ik
geen tranen storten. Maar verkeerdheden in Christeninlanders
maken mij zoo benauwd, dat ik zou kunnen uitbarsten in geween.
Dan heb ik het gevoel, dat mijn hart gebroken is. Het grieft
mij zoo, als ik uit den mond van Mohammedanen hoor: „ Ik
geloof, dat die mensch nog eens gebaad (gedoopt) moet worden."
„Evenwel, als er een beginsel des nieuwen levens in een menschen-
hart is, houd ik altijd moed. Laat iemand zijn humeur tegen zich
hebben, of wat nog erger is, zijn karakter, ja, laat hij af en toe
door dezen of genen hartstocht zoo beheerscht worden, dat hij onder
de macht der zonde bezwijkt, indien er ook maar een beginsel des
nieuwen levens is, komt hij ten laatste nog te recht." Met groote
lankmoedigheid hield hij dan ook aan in het vermanen en in
het onderrichten, en was hiervan de nadeelige zijde, dat nu en
dan iemand, dien hij op zyn nommer had gezet, verbitterd tegen
hem werd, h\\j won anderen door zn\'ne trouw in het waar-
schuwen. Merkwaardige voorvallen van de kracht der waarheid
aan de conscientiën werden hem soms openbaar. Moest h\\j ook wel
eens schrijven: „Gaarne zou ik zien, dat de eenvoudige lieden
mijner gemeente zelfstandiger werden, dat zij met meer onbe-
vangenheid oordeelden over goed en kwaad;" had lüj zelfs tijden,
dat hy met een bezwaard hart over zb\'ne gemeente klaagde: „ De
geheele vergadering vertoont zich aan mijn oog als eene massa
klei, levenloos en taai, en ik gevoel ten eenenmale mh\'ne onbe-
kwaamheid om in die massa bezieling te brengen," het geloof aan
de almachtige werking des Heiligen Geestes hield V. d. L. staande,
en deed hem „ de klei" ploegen en bezaaien op hope. De cate-
chisaties, die hy met doopcandidaten hield, gaf hij gewoonlijk
in hunne huizen, omdat dan de huisgenooten als vanzelf gedwongen
waren ze aan te hooren, en zijne kweekelingen in de beruchte
-ocr page 58-
54
Buitenzorgsche regens geen voorwendsel tot verzuim konden vinden.
Aan geheugenwerk liet hy zich daarbij met veel gelegen liggen.
De persoon des Heeren werd door V. d. L. steeds tot het middel-
punt der besprekingen gemaakt, en, uitgaande van een der evangeliën,
spande hy al de krachten zyns geestes in, opdat zyne leer-
lingen Dezen getuigenis zouden geven. Om op tyd overal te zyn
en om de groote afstanden moest hy zich dikwyls uitgaven voor
paard en kar getroosten. En zoo nauwgezet gaf hy acht op de leden
zyner gemeente, dat, byv. indien een hunner des Zondagsmorgens
niet in de vergadering was geweest, deze vóór des middags 12 uur
V. d. L.\'s aangezicht in zyne woning zag, om „naar de aanleiding
te informeeren en verslapping te voorkomen." Het huis van den zen-
deling werd dagelyks meer eene toevlucht voor „alle ziel, die benauwd
en verslagen was." De inlanders, die op zijn erf woonden of hem
dienden , vonden er des Zondagsavonds meestal open hof. Menigeen
dergenen, die de samenkomsten geregeld bezochten, is er uit
gehuwd. Ofschoon dit vooral aan zyne echtgenoote veel beslom-
mering gaf, het geschiedde met een volkomen hart. „Wy pogen,"
— zoo schreef V. d. L. — „by zulk eene gelegenheid zooveel
plechtigheid aan den dag te leggen, als mogelyk is, om daardoor
de tegenstelling tusschen een eerlyk huwelyk en dat samenhokken
in een te helderder licht te stellen." Mevrouw V. d. L. had daar-
enboven veel verkeer met Chineesche vrouwen, en was door
haren echtgenoot ingewyd in al zyne plannen en voornemens. Het
gedurig verhuizen was hun echter een groote hinderpaal in het
zendingswerk. Het verbrak meer dan eens den kring van kennissen
en vrienden, die rondom hunne woning waren gewonnen, en
die door hunne welwillende buren onder allerlei omstandigheden
waren geholpen. In eene vreemde buurt werden zy in het eerst
weer met wantrouwend groote oogen aangezien. Niet zelden
werd dan ook het verlangen uitgesproken, dat er toch een
eigen zendelingshuis mocht zyn! Dat huren maakte zoo afhanke-
lyk van de menschen; een eigen huis gaf tevens meer vastheid
onder de bevolking, en zou dit het huis doen worden, aan
het kleinste kind bekend. En als het nog eens zoo ver komen
mocht, dat zy dezen wensch verkregen, dan moest die woning
in het centrum zyn gelegen, maar een weinig van den weg,
by zonder geschikt tot de ontvangst van Nikodemussen, met
-ocr page 59-
55
een groot erf, opdat er zich eene kleine kolonie van inlandsche Christe-
nen zou kunnen vormen, en de zending ruimte hebben om er
zich ongemerkt uit te breiden!
In den regel zag men V. d. L. niet aan als iemand, van wien
zooveel kracht uitging; „de meestal sjofel gekleede man" werd dik-
wyls gehouden voor een\' militair in politiek of voor een\' scheeps-
kapitein. Die hem echter leerde kennen, bleef gehecht aan dat
onbaatzuchtige, oprechte karakter. Zijn verkeer onder menschen
van allerlei rang en stand had hem groote gemakkelijkheid van
omgang verschaft, zoodat hij by den inlander een inlander kon
zijn, en aan het hof te B., waar hij later af en toe genoodigd
werd, „ quite a gentleman." In den loop der jaren toch was de
strakke houding der Europeanen tegenover hem geheel gewijzigd.
Al vond men het wel jammer, dat juist hij zendeling was, zy n
gezelschap en de gezelligheid van zijn\' huiselijken kring werd
gezocht. Soms liep dit zoo druk, dat het hem en zijne vrouw
eene verademing was, als hy schrijven kon: „Gelukkig heden
avond geen bezoek gehad, wij waren alleen." Zijne woning, waar
men steeds welkom was, werd als „ de zoete inval." Vreemden
waren er haast altijd over den vloer. Zieke en herstellende vrienden
en kennissen, naar wier kerkelyke attestatie niet werd gevraagd,
vonden er herberg. Dikwyls moest door gebrek aan ruimte de
dringendste vraag worden afgewezen „ om kost en inwoning en
huiselijk verkeer." Hoe goed deed beiden, bijzonder in dagen van
krankheid en rouw, die vriendschap van menschen! Toen dan ook
in den nacht van den 268ten op den 27sten Sept. \'76 hun oudste
zoontje, hun „zonnestraaltje." na weinige uren lydens wasbezwe-
ken, namen Buitenzorg\'s ingezetenen zoo deel in dit verlies, dat,
„ware het by menschen geweest om vergoeding te geven, het zou
gebeurd zyn." Uit zyne kleine gemeente genoot hy eveneens groote
hartelijkheid, en aandoenlijk was het, zooals zyne leerlingen met
hem mede gevoelden. Lang te voren had V. d. L. een voorgevoel
gehad van dezen slag, en reeds had hy het plan opgevat om
hierover aan een\' vertrouwden vriend te schrijven, toen zyn
jongsken ongesteld werd. Zyne vrouw was tot het laatste oogen-
blik vol hoop. Hü schreef echter: „\'t Was my alsof eene stem
my\' toeriep: „Opgeschreven ten doode..." Hoe heerlyk was het
voor myn gevoel, dat wy onzen Hendrik door den doop aan den
-ocr page 60-
56
Ontfermer hadden opgedragen. Om beterschap heb ik niet gebeden,
maar wel, dat wy bekwaam gemaakt mochten worden, om indien
er een offer geëischt zou worden, dat te geven met bereidwillig-
heid, al was het met een verbryzeld hart." En deze belangstelling
in hunne wederwaardigheden vernauwde niet weer. Integendeel,
toen den 5den Mei \'79 hun eenig dochtertje gestorven was bij de
gastvrije familie Haag te Batavia, waarheen Mevrouw V. d. L.,
ten einde raad, met de kleine was gegaan, opdat misschien
klimaatverandering haar goed zou doen, was de belangstelling
nog meer overvloedig. En zoo berichtte hy in die dagen: „ Myne
stemming is, dat ik eigenlek niet durf te klagen, want de
smarten, die anderen te lijden hebben, zyn van dien aard, dat
mij onze smarten daarby slechts als kleinigheden voorkomen. Ja,
lijden is er genoeg op aarde, en dan is er nog zooveel verborgen
leed. Wezenlijk men heeft bykans geene vryheid om over eigen
ellende te zuchten. Heerlyk, dat wy niet voor deze wereld leven!
Nu, ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs
kunnen wy nog wel eens een loflied aanheffen ter eere van Hem,
die den dood heeft verslonden tot overwinning."
Gelyk vanzelf spreekt, kwam V. d. L. te B. meer dan telndra-
majoe in aanraking met predikanten. Over het algemeen stonden
zy bü hem niet hoog aangeschreven. Hy meende, dat niet weinigen
hunner der Indische wereld al te gelijkvormig waren. De moderne
beginselen der meesten verachtte hij bovendien met groote ver-
achting, als leidende tot verwerping van den Christus der Schriften,
en anderen zwegen hem te veel van hetgeen zyn leven was, van
, den Vrede door het bloed des Kruises." Dit nam echter niet
weg, dat hy, die steeds personen zooveel mogelyk ontzag,
zonder ooit den moed zyner overtuiging smaadheid aan te doen,
meer dan sommigen een oog had voor hunne moeielijke positie, en
de uitgebreidheid hunner ambtsbezigheden *). Met degenen, die
tydens zijn verblyf te B. er dienst hebben gedaan, heeft hy niet
veel samengewerkt. Er was gewoonlyk te veel onderscheid van
wereldbeschouwing. Bittere droefheid veroorzaakte het hem, toen
hy ongeveer 2 jaar te B. geweest zynde, op een\' Zaterdagmiddag
1) Verg. zijn opstel over de Evangelisatie onder de Europeanen, Versl. 3de
Zend. Conf. 1883.
-ocr page 61-
57
werd bezocht door Dr. Van Hasselt (f Juni \'89), en deze hem zeide,
dat hy voortaan ook Maleische godsdienstoefening zou houden.
Des Zondagsmorgens daarop lieten hem zyne gemeenteleden, die
door V. H. waren bezocht buiten zyne voorkennis, alleen zitten,
„en niemand, niemand kwam." Zelfs de trouwsten, die 2 vrouwen,
nog door Coolsma gedoopt, hadden zich naar „de groote kerk" be-
geven. Dit duurde zoo maanden. En al kwamen zij \'s avonds tot hem,
het was voor V. d. L. een tijd van angstige spanning, van duizend
vreezen, zoodat het leven hem bijster zwaar viel. Hy nam het dien
lieden wel niet kwalijk, dat zij al te zeer aanzagen hetgeen voor
oogen was, en dat zij naar de zienswyze der Ambonsche Christe-
nen den invloedrijken predikant gingen beschouwen als No. 1, en
den zendeling als No. 2; maar het deed hem opnieuw kennis
maken met de verregaande Indische karakterloosheid. Eindelijk,
toen die eerste vlucht wat bedaarde, ook en voornamelijk, omdat
zij den predikant niet half zoo goed begrepen als V. d. L., nam
deze het besluit om alleen den laatsten Zondag der maand aan
deze vrijwillig aanvaarde taak te wijden. Langzamerhand echter
begon de opkomst in de kerk te verminderen. Was de predikant
niet gediend met die verslapping, ook V. d. L. begreep, dat dit
schadelijk moest werken op zijne avondvergadering, daar de hoor-
ders, die \'s morgens waren weggebleven onder het voorwendsel van
lichte ongesteldheid, des avonds evenmin tot hem konden komen.
De toestand werd zoo steeds ellendiger. Hoewel V. d. L. er door
gelegenheid had gekregen om dan \'s morgens te Meester Cornelis
te preeken in de plaats en op aandrang van Ds. King, hetwelk
veel van het vertrouwen der Afstammelingen, door K. genoten,
op hem overbracht, toen Dr. V. H. op een zekeren dag over de
slechte opkomst kwam spreken, en den zendeling verdacht, dat
hy de lieden had opgezet, stelde deze hem voor om dan eeni-
gen tyd samen huisbezoek te doen. Dit scheen hem, die anders
„ afkeer had van onheilige verbonden," uitermate geschikt om zich
met dezen te rechtvaardigen. Hy begeerde althans éene lijn te trekken
in het yveren tegen zedeloosheid en onverschilligheid. Dies gingen zy
er samen op uit in de vroege morgenuren. Dikwn\'ls waren zij reeds
te zes uren op het pad, en overvielen wel eens de menschen, als
zij nog pas uit het bad waren. Dit werkte gunstig, zoodat er meer
oprechtheid by de inlanders kwam, en vooral de samenkomsten
-ocr page 62-
58
van V. d. L. namen in bloei toe. Intusschen gingen die twee
mannen later weer ieder zyns weegs, en ontstond er tusschen hen
zelfs eene ernstige kwestie over de geldigheid van den doop, door
V. d. L. bediend. Hy\' toch had zijn oudste zoontje gedoopt, en
een zestal kinderen van Europeanen, die, als hy\' zich niet over
hen hadde ontfermd, onder de macht van Rome zouden zjjn geraakt.
Dr. V. H. weigerde echter beslist om de namen dier kinderen in de
boeken der Prot. Gem. in te schrijven, omdat hy V. d. L., die
niet door de zg. Haagsche Commissie was geordend, het recht
ontzeide om zich „ geordend" zendeling te noemen, en de genade-
middelen der kerk te bedienen. Omdat zoowel op Java als in de
Buitenbezittingen deze kwestie telkens aanleiding had gegeven tot
onaangenaamheden, wenschte V. d. L. zeer, dat Dr. V. H. zijne
bedreiging zou doorzetten, en hem aanklagen bij het Hooge
Kerkbestuur van Indië. Tot zyne teleurstelling bleef dit in de
pen, en hij betreurde het wel eens, dat die zaak van der
zendelingen bevoegdheid tot het bedienen van doop en avondmaal,
en tot de inzegening van huwelijken van Europeanen en inlanders
maar niet tot een goed eind werd gebracht.
Diep smartte het V. d. L., dat het Europeesche element ook
te B., enkelen uitgezonderd, zoo afkeerig was van allen godsdienst.
„ Alleen op Oudejaarsavond," zoo schreef hy\', „ wanneer de kerk
stampvol is, bespeurt men iets van godsdienstige behoefte. Zoo
ook in dagen van ziekte, en by\' begrafenissen. Vooral ziet men
niet gaarne, dat de overledene in de groeve wegzinkt, zonder dat
een ernstig woord is gesproken. Ik heb dat ondervonden, daar ik
er telkens toe uitgenoodigd word. Hoe onverschillig men is voor
zichzelf, men tracht toch dikwyls naar iets beters voor zyne kin-
deren, zooals bly\'kt uit de druk bezochte catechisaties van den
predikant en den bloei der Zondagschool, door my\'ne vrouw be-
gonnen. Oppervlakkig is dit zeer verbly\'dend, maar my\' ergert en
bedroeft het, als men dan aan die kinderen steenen geeft voor
brood." Zonder zich op te dringen, of aan te bieden, werd hy ook
hier voor vele Europeanen de geestelyke leidsman. De verlatenen
riepen hem tot zich in hunne eenzaamheid, en hy was hun tot
een\' trooster. Menigeen bewaarde hy\' voor „wilde wanhoop," toen
zy\' in dat vreemde land werden overvallen door beproevingen, en
hy\' sprak hun van Hem, die nooit plaagt uit lust tot plagen.
-ocr page 63-
59
„Is echter het beschrijven van intieme zaken door den zendeling
eene teedere zaak, en zou een zendeling zijn vertrouwen verliezen
en daardoor onmogelijk worden in de plaats zijner werkzaamheden,
indien hy zijne ervaring wereldkundig maakte," het zy dan ook
hier genoeg om te zeggen, dat hy voor velen ten zegen was. Nog
ruischt te B. in menige woning de nagalm van zijne gebeden, die
waren met macht, en menig benauwd geweten werd na zyne
priesterlijke vermaning en voorbede rustiger en stiller. Kinderen
heeft hy weer tot hunne ouders gebracht, en de harten van echt-
genooten, wier liefde niet bestendig van duur was geweest, op
nieuw vereenigd in Gods naam, soms b\\j de baar van een gestorven
kind. En opmerkelijk is het, hoe zelfs de waanzin gebreideld werd
door zyn woord; hoe hy in betooning van Geest en van kracht
radeloozen verzekering kon doen van de vergeving der zonden in
Jezus\' bloed; dat ook door den geneesheer opgegeven e zieken
herstelden op zyn gebed des geloofs, waarbij hij den adem des
Heiligen Geestes in zich bespeurde. #Als iemand tot hem kwam,
hoorde hij hem nooit uit, maar wachtte hij, totdat diens hart hem
werd geopend, en zoo won hij als vanzelf het vertrouwen. Ballasten
der maatschappij klemden zich aan hem vast, en tegenover dezulken
stond hij als een oudere broeder, wiens liefde weinig van ver-
maningen, maar veel van gemeenschappelijk gebed verwachtte.
Jeugdige ambtenaren zochten onnoodig allerlei vonden om tot
hem te gaan, en rekten zijn gezellig theeuur gewoonlijk tot laat in
den avond, daar zij van hem ongedwongen raad op raad ontvingen.
En kwamen zy met „wetenschappelijke\'" bedenkingen tegen het
geloof en den Christus, van Wien zij zoo weinig wisten, of metbezwa-
ren tegen de zending, hy had het korte, kernachtige antwoord gereed,
dat hij hun met zijn\' vriendelijken glimlach in het geweten poogde
te doen dringen. Hij was nooit over zichzelven tevreden, wanneer
hy in een gezelschap had vertoefd, en er de gelegenheid niet had
gevonden tot een ernstig gesprek, waarby hy zonder aanzien des
persoons zyne meening blootlegde. Een Christelyk begrafenisfonds
voor Europeanen had aan hem het ontstaan te danken, en voor Chris-
ten-inlanders bracht hy het eveneens tot stand. Hy had den wil om
alles te doen, \'t welk men ook maar eenigszins van hem mocht
verwachten, Waar hy kon, ging hy met iemand, die hem tot
éene myl dwong, gaarne twee mylen. Het Comité der Zending-
-ocr page 64-
GO
conferenties, te Batavia en Depok te houden, wist dan ook wel
wat het deed, toen het hem in \'83 uitnoodigde om de vraag in
te leiden: „Wat kan de zendeling doen voor de geestelijke be-
langen der Europeanen?" „De moeielijkheid voor mjj is," — dus
was dikwyls zijn zeggen.— „hoe zal ik hiervoor of daarvoor weer tijd
vindenV" Wat V. d. L. by al zijne inspanning, die zich bijv.
gedurende eene cholera-epidemie als die van \'83 niet weinig ver-
meerderde, in groote mate van zijne bestuurders begeerde, was
vrijheid en vertrouwen. Een paar regels schrift, die hem van hunne
erkentelijkheid spraken, waren hem zelfs nog meer welkom dan
eene onverwachte gratificatie, die hem eens bij de vele uitgaven
voor zyne zending en drukkerij zoo uitmuntend te stade kwam.
God deed hem, mede door de lessen, die zijne vrouw in hare
woning aan Europeesche kinderen gaf, altijd hebben het dagelij ksch
brood. „ Klom het water wel eens aan de lippen, dan was ook
de redding steeds nabij." „God is goed," in dit stervenswoord
zijner moeder drukte ook hij zijne ervaringen uit van des Heeren
zorg voor hein en de zijnen, die hem altijd bewaarde „tegen ver-
nedering voor menschen." Vacanties nam hij zoo spaarzaam mogelijk,
alleen als het moest door buitengewone vermoeienis of ongesteld-
heid. „Waarlyk, ik heb ruimschoots myn deel van beslommeringen,
ja, ik heb het zoo druk, dat ik mij gedurende myn leven als
zendeling altyd moede heb gevoeld." „Ik ben altijd gejaagd en
geplaagd door de gedachte: „Wat voert gy toch uit?" En die
gedachte heeft my steeds belet om eenig genot te smaken van
myn werk." „ Ik gebruik te veel kracht bij hetgeen ik doe, en
ach, \'t is eigenlyk lydzaamheid, die wy behoeven, en niet kracht."
„Met het klimmen mijner jaren, en by het grijzen van mijn haar
trekt myn hart meer naar rust dan naar arbeid, maar de taak
wordt my opgedragen, en dan durf ik er my niet aan te ont-
trekken." „ Die zendeling wil worden, mag zich wel tienmaal be-
denken." Voldaanheid met zichzelven bleef hem nochtans geheel
vreemd. „Meer dan iemand ben ik overtuigd van myne ongeschikt-
heid voor het werk, waarmee ik bezig ben. Gelooft niet, dat het
eene ydele phrase is, als ik dit zeg. Zag ik na bijna \'20jarigen
arbeid my den weg gewezen om my van den last der verant-
woordelykheid voor anderer zielen te bevryden, ik deed het, en
zou er niet tegen op zien om my met nederigen arbeid te geneeren.
-ocr page 65-
61
Maar dien weg vind ik my niet gewezen. Blijft voor my bidden.
Ik ben in den toestand van: „ Wee my, indien ik het Evangelie
niet verkondig." Wat hem boven veel vooral ergerde, was het dwee-
pen van Protestanten met Roomsche priesters, die te B. in een
door Jesuiten gekochte huizinge kerk hielden, en er een herstel-
lingsoord hadden. Bij hen prees men met uitbnndigen lof alles als
zelfverloochening, zelfs wanneer men den eenen of den anderen Mon-
seigneur, die een tractement genoot van ƒ 800.— \'s maands, gezien
had zijne kousen stoppende, en van wien men o zoo gretig
een op Palmzondag gebenedeid palmtakje aannam. Dan werd
het v. d. L. , al te eng om het hart," en zulke toestanden deden
het verlangen bij hem bovenkomen „ om maar afgelost te wor-
den." Sprak men er met hem over, dat in ouze „verlichte, liberale
negentiende eeuw" die priesterheerschappij in Indië zoo toenam,
hij gevoelde dan soms wel iets als ijverzucht op Rome\'s organi-
satie, maar bovenal ontvlamde hij in verontwaardiging over het
gebrek aan ijver en beginselvastheid van Protestanten, die vooral
wat van Rome kwam de trompet staken, en de kleinste harer
„ goede werken "*beschouwden .door het vergrootglas hunner voor-
ingenomenheid, maar in hooghartigheid de nederige Prote-
stantsche zending over het hoofd zagen. De verklaring ervan zocht
hij mede in de godsdienstloosheid van vele Europeanen, welke de
minste aspiratie naar iets hoogers dan het aardsche hadden ver-
loren in eene omgeving, die de zenuwen overprikkelt en ten
laatste geest en spieren verslapt. Hy wist zoo goed, dat, hoe
sterk menigeen zich waant in zyne loochening van God, ieder
in zyn leven oogenblikken heeft, dat het afhankelyksgevoel aan
het woord komt, zoodat, indien daarbij het schuldbesef zyne
stem doet hooreh, de ,, vleeschelyke" mensch gedreven wordt
om met ontzag op te zien tot den priester, die vergeving van
zonden belooft by gehoorzaamheid aan het gezag zijner alleen-
zaligmakende kerk. Met instemming haalde hy dan het woord aan:
„Wanneer het gemoed arm is geworden, en de kracht is vergaan,
en het hart moede is van de dingen dezer wereld, buigt zich de
sterke voor het brutaalste autoriteitsgeloof, en menigeen, die op
het lichtzinnigste allen godsdienst verwierp, werpt zich dan in de
armen van eene soeur de charité, om door haar vertroost te
worden." Droefheid der wereld voerde z. i. tot Rome, terwyl
-ocr page 66-
02
alleen droefheid naar God deed „ hervormd" worden naar Joh.
III : 3, 5 en Rom. XII : 1, 2.
Alsof zijne gewone werkzaamheden nog niet voldoende waren,
zoo werd in \'84 zyne drukte nog aanmerkelijk verhoogd door zijne
bemoeiingen met de inlandsche gemeenten, door den Heer Mr.
P. L. Antingh gesticht. Reeds van vroeger was V. d. L. bekend
met diens evangelisatie, en het gehalte van „zyne" Christenen en met
diegenen onder hen, die iets beteekenden. Zy- wisten hem te
B. o zoo goed te vinden in tyden van nood en moeite. Meermalen
ook hadden eenigen hunner, doorgaans niet tot zijne voldoening,
op zijn erf gastvrijheid genoten. Toen de heer A., in \'82 naar
Holland vertrokken, het volgend jaar was overleden, meende
V. d. L., dat het zyne taak was om zich het lot van diens lieden
aan te trekken, vooral omdat Goenoeng-Poetri, de woonplaats
van den inlander Leonard, dien Mr. A. op Irvingiaansche
wijze tot „apostel" en opvolger had gewijd met oplegging der
handen („den droogen doop", zooals de inlanders zeiden), het
dichtst bij zijne zendingpost was gelegen. Het Genootschap van
In- en Uitwendige Zending had zich echter reeds met die Chris-
tenen in betrekking gesteld. V. d. L. voorzag wel, dat dit weinig
zou baten, omdat de tegenzin van Mr. A. tegen het „Kenootskap"
wel door zyne volgers was overgenomen, maar hij wachtte,
totdat hy bemerkte, dat men niet verder kwam. Toen be-
greep hij, dat hy de hand aan den ploeg mocht slaan. Leonard,
een weinig ijverzuchtig op zijne positie, zag eerst in die aanbie-
ding van hulp geen heil. Doch langzamerhand veranderde hij van
houding, zoodat hij ten laatste V. d. L. per brief kennis gaf, dat
hy diens bystand verzocht namens al de gemeenten, „en dat ik
mijnheer verkies, opdat mijnheer de herder worde van Uw dienaar,
in de plaats van den WelEd. Heer Anthing". Toen dit verzoek was
gedaan, nam V. d. L. het aan, maar onder voorwaarden, die
hy zou stellen. Hy eischte toen losmaking der banden met
de Irvingianen te Amsterdam, en vernietiging der ingevoerde
dwalingen, terwyl hij aan de gemeenten zelfstandigheid en aan
de helpers handhaving van hun recht tot het bedienen der
„Sacramenten" beloofde. Het duurde eenigen tyd, voordat Leonard
hem uitnoodigde eene godsdienstoefening te G.-P. te houden, maar
toen sprak hy na veel strijd de belijdenis ruiterlijk uit, dat hy met
-ocr page 67-
63
zyn apostelschap had gedwaald, en den Heer in nederigheid wilde
dienen. Tusschen het Genootschap en V. d. L. als vertegenwoor-
diger der N. Z. V. was onderwijl de overeenkomst getroffen,
dat al de gemeenten, met uitzondering van die, welke te Batavia
was, in haren werkkring zouden worden opgenomen. Aan V. d. L.
verbleef voorloopig de leiding dezer aangelegenheden, en nadat
in de gemeenten zelve eenige verdeeldheid was overwonnen, ver-
trouwden zich Goenoeng-Poetri, en Pondok Gedeh, en Poeloe
Gehang (land Tjakong) en Pasar Kliki enz., eindelijk ook Tang-
geran aan hem toe. Zoo spoedig mogelyk zorgde hij overal voor
school onderwijs, \'t welk er niet zeer was behartigd, en aan de
helpers leide hy de verplichting op, om aanteekening te houden
van de behandelde onderwerpen, en er eene korte toelichting by
te voegen, „opdat de voorgangers tot studie zouden genoodzaakt
worden". De N. Z. V. kreeg door dit alles een getal van 263 -""
gedoopten meer ter verzorging, een grooter aantal, dan op hare
overige posten werd gevonden, en hy had hoop dat mettertijd
velen hunner beschamen zouden het gezegde van dien regent:
„Eer maakt gij van een\' buffel een Soendanees, dan van een\'
Soendanees een Christen".
Het deed hem goed, toen deze zaak eindelijk in orde was ge-
komen. Hij zag er in, „dat al was het leven van een\' zendeling
geen spelevaren, de Heer het hem niet aan bewijzen Zyner liefde
en trouw deed ontbreken". Nog in het begin van Juli \'85 maakte de
voortvarende man met Leonard afspraak tot eene generale rond-
reis om de gemeenten nauwkeurig te leeren kennen. Ook was hy
met zijne echtgenoote overeengekomen, dat zij hare school voor
Europeesche kinderen en de baten ervan zou opgeven, en dat
zij zoude uitzien naar eene behoorlyke plaats om inlandsche kinderen
kosteloos te onderwijzen. Maar — „de mensch wikt, God beschikt."
Het was voor hem reeds „tegen den avond geworden, en zyn dag
was gedaald". Eigenlyk was V. d. L. al maanden lang telkens onwel
geweest. Daar er in de helft dier maand voor hem gelegenheid was
om zich eenigen tyd naar Tjiandjoer te begeven, raadde zyne
vrouw hem dit aan, meer om zyne zenuwen, dan om het buik-
lyden, waaraan hy sukkelde. Toen hy er een paar weken was
geweest, kwam hij over Soekaboemi terug. Daar wilde hy Dr. Weiss
raadplegen, die eerst geen gevaar duchtte. Maar in éénen dag
-ocr page 68-
64
verergerde V. d. L.\'s toestand zoo, dat deze hem levensgevaarlijk
verklaarde. Met moeite keerde hy van die „ vreeselyke" reis huiswaarts.
Een hevige aanval van dysenterie sloopte in weinige dagen zijn
anders zoo sterk lichaam. Met geduld droeg hy het. Tot in zijne
laatste uren gingen zyne gedachten over zyne gemeente. De zynen
vertroostte hy, en naar zijne gewoonte in zichzelven sprekende,
prees hy voortdurend Gods barmhartigheid en liefde. En toen zyn
zwager Albers den stervende nog ten overvloede vroeg, of hy\'
rustig kon sterven, was het eenvoudige, heldere antwoord:
«Rustig, alles in orde, alles in orde, hoor." Den 5den Augustus,
des avonds omstreeks 5 uur, ontsliep hy in des levens volle
kracht, als aan het hart van den Eeuwige. Daar hy in zijne
ziekte vermagerd was, had hij iets jeugdigs over zich, doch hy
had een\' diepen, vermoeiden trek op het gelaat. Zyn heimwee naar
het Vaderland, dat Boven is, was, spoediger dan hij had gedacht,
vervangen door de rust van het volk Gods.
Zyne weduwe bleef met drie kinderen achter. Zijn dood bracht
alom groote verslagenheid te weeg. „ Niemand," zoo schreef de
zendeling Albers, „ niemand heugt het, ooit zulk eene algemeene
deelneming onder rijk en arm, onder jong en oud te B. te hebben
gezien bij eene begrafenis, als bij die van onzen broeder."
Op het beste gedeelte van het kerkhof staat zijn graf. Een sier-
lijk monument van marmer, omgeven van een fraai y\'zeren hek,
is er op geplaatst door zijne talryke vrienden uit inlanders en
Europeanen.
Op de voorzyde ervan leest men:
D. J. VAN DER LINDEN,
f 18§85.
Zyn leven was Christus
en het sterven gewin.
Op de achter zy de staat:
Zyne Vrienden
en
Vereerders.
Na V. d. L.\'s verscheiden werd de drukkery dadelyk gesloten.
Jan Hess, zyn «uitstekende helper," nam de school met pi. m. 96
leerlingen onder zyn opzicht en hield de gewone vergaderingen.
-ocr page 69-
65
De Zondagschool en het huisbezoek werden door Mevrouw V. d. L.
aanvankelijk voortgezet, zoover dit in haar macht stond, en zij
schreef ervan: „Myn hart is verbryzeld," maar ik heb behoefte
om zijne voetstappen te drukken. Ik gevoel mij slechts kalm als
ik zijn werk doe." Hoe goed was het voor de regeling der zaken
door Albers, die ook de nieuwe gemeenten onder zijne hoede nam,
dat de weduwe ervan geheel op de hoogte was. Zij hield het werk
gaande, totdat het Bestuur haar vrijheid gaf naar Holland terug
te keeren. De zendeling Tiemersma werd eenigen tijd V. d. L.\'s
opvolger. Door diens verplaatsing naar Tanggeran is deze post
van veel gebeds en van veel strijds onbezet.....
Toen in \'69 de zendeling Cusell was overleden na zeer korten
dienst in het Evangelie, schreef V. d. L., wien dit verlies diep
smartte: „De zending echter moet het zijn, die onze harten ver-
vult en niet de personen, die het werk der zending doen." Het
zij zoo. Doch dit neemt niet weg, dat voor de zending de betee-
kenis van de persoonlijkheid eens zendelings uitermate gewichtig
is. Wanneer wij dan terugzien op een leven als dat van Van der
Linden, en pogen om den indruk ervan in één woord samen te vatten,
zoo komt ons als vanzelf het woord des Zaligmakers in de herinnering:
„Het goede zaad zijn de kinderen des Koninkryks."
H. H. MEULENBELT.
Houten, Nov. 1889.