-ocr page 1-
*
:lf{(jTj-c rn*ÏÏï?5
r *
» .
Iste VERVOLG
op de beschrijving zijner opsluiting
r
GEDURENDE 13 MAANDEN
KRAMZIIIJÉGESTICBT TE ZUTPHEN.
Voor rekening van den ach/rijver.)
AMSTERDAM,
BRINKMAN & VAN DER MEULEN,
1886.
-ocr page 2-
*i I
-ocr page 3-
jste VERVOLG
op de beschrijving zijner opsluiting
GEDURENDE 13 MAANDEN
IN HET
KRANKZINNIGENGESTICHT ÏE ZÜTPHËN,
DOOE
Dr. A. LU IJ TEN.
(Voor rekening van den schrijver.)
AMSTERDAM,
BRINKMAN & VAN DER HEULEN,
1886.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
VOORWOORD.
De voorstelling dat na het in het licht geven mijner beschrjj-
ving der opsluiting gedurende 13 maanden in het K. G.
te Zutphen, alles vervolgens over my in het openbaar zou
behandeld worden, was eene illusie. — Men zal dat in het
volgend hoofdstuk verduidelijkt vinden.
Van myne zjjde zal ik dus voortgaan alles in het openbaar
te behandelen.—
Men heeft verder ten opzichte van genoemd geschrift een
algemeen stilzwegen bewaard, dat m\\j zelven heeft verbaasd.
Wel is het boek door geheel ons vaderland gelezen en ging
het van hand tot hand, daarna zweeg een ieder. Met liefde
nam men een presentexemplaar aan, doch daarna zweeg men.
Het is m\\j zelfs niet mogelijk geweest de toezegging te ver-
krjjgen van het eenvoudigste referaat in het Weekblad van
geneeskunde.
Men wilde wel een present-exempl. aannemen, doch
zich niet verbinden daarvan een referaat te geven. Critiek of
beoordeeling was zelfs niet gevraagd.
Algemeen deinsde men waarschijnlijk terug voor het vree-
seiyke der zaak en de aanzienlijke menschen, die daarin be-
trokken zyn.
Zoo kwam weder alles tot rust. De heer v. Andel is
-ocr page 6-
IV.
geneesheer-directeur aan het Krankzinnigen gesticht te Medenblik
en de lieer Kamaeh steeds — steeds Inspecteur der krankzin-
nigeu, eene betrekking van zooveel vertrouwen.
Zelfs lijd ik volgens dien Inspecteur nog voortdurend aan
eene vervolgingsmanie, die tot dien graad zal stijgen of gestegen
is, dat ik ongelukken zal begaan ten opzichte van anderen of
mü zei ven.
Waarom zijn oordeel is, dat ik steeds moest opgesloten
zijn in een krankzinnigengesticht, en beschuldigt lift de Recht»
bank in Zutphen, die zijn gevoelen niet deelde, van onkunde;
terwijl het, volgens hem, zoo goed zou geweest zijn, dat die heeren
rechters aan de Academie eenigen t\\jd een liefhebberd-college
hadden waargenomen in psychiatrie.
De Minister Heemskerk neemt dit alles in vollen ernst
op en schijnt door de heeren Inspecteurs voldoende over mij te
zijn ingelicht. In het volgende Hoofdstuk vindt men dit alles
verduidelijkt.
Eveneens als men algemeen het stilzwegen had bewaard
ten opzichte van mjjn schreven, zoo was het ook ten opzichte
der rechterlijke macht.
Van niets had z\\j nota genomen:
Noch het in den blinde afgeven van het attest mijner
krankzinnigheid, op zeven uren afstand.
Noch het leugenachtig rapport aan de Rechtbank te
Amsterdam ingezonden.
Noch het terughouden van mijn schreven aan die rechtbank,
bfl het verloren gaan van zooveel stukken.
Noch de bijzondere inrichting door de Doctoren van mijne
correspondentie in het krankzinnigen gesticht.
Noch de vernietiging mijner brieven en het afweren van
elk bezoek, stelselmatig in de eerste zes weken voortgezet.
Noch de verschillende betoogen in dat geschrift voorko-
mende, waardoor het aannemen van krankzinnigheid voor den
minst ontwikkelden geneeskundige onmogelijk werd en het
-ocr page 7-
V.
by voortduring opgesloten houden door de psychiatrici ter
kwader trouw moest zijn.
Niets van dit alles had de rechterlijke macht zich aange-
trokken.
Nog kwam in dat boek voor de beschuldiging van eene
der grootste misdaden, die men zich denken kan; het toedienen
van schadelijke stoffen door de psychiatrici aan iemand in hun
gesticht opgesloten, ten einde hem een woord te ontlokken,
waardoor het voorwendsel van hun rapport meer gerechtvaar-
digd zou zijn.
Ook dit heeft de rechterlijke macht niet in beweging gebracht.
Zij heeft het als niet bekend gemaakt laten voorbijgaan.
Kon ik er niets aan doen om beoordeeling, mededeeling of
critiek van mjjn geschrift op te roepen, ten opzichte der
rechterlijke macht was dit niet zoo, voor mg bleef de weg
open om officieel eene aanklacht te doen.
Tot die aangifte heb ik besloten. Te meer heb ik dit
gedaan, omdat daarin de sleutel gelegen is tot het leveren van
bewn\'s voor al de boosheid, al de kwade trouw, waarmede in
dit gruwelstuk gehandeld is.
Daar ook deze poging vruchteloos was, vindt men het alles
hierachter medegedeeld, en laat ik het algemeen daarover
oordeelen.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
HET OORDEEL VAN DEN MINISTEE
HEEMSKERK.
Het was op den 9den December 1885, dat de
volksvertegenwoordiger Mackay in de Tweede Kamer
der Staten-Generaal, den Minister van Binnenlandsche
Zaken wees, op de zoo afkeurenswaardige handelin-
gen van den Inspecteur der krankzinnigen (Ramaer),
die acht a negen maanden gewacht had, voor hij een
bezoek aan het gesticht bracht, waarin zijn tusschen-
komst „dringend en herhaalde malen" door den betrok-
ken persoon was gevraagd, „en die daaraan slechts vol-
daan heeft nadat de patiënt, ten einde raad, zich tot
den Minister van Binnenlandsche Zaken had gewend
om diens tusschenkomst te verzoeken."
Hier volgt een zeer belangrijke verklaring van
den volksvertegenwoordiger, ik zal deze daarom woor-
delijk uit de Staatscourant in zijn geheel invoeren.
„Ik voeg hier eene zaak bij, die mij bekend is en
wellicht ook aan den eersten onderteekenaar van het
verslag, namelijk dat, wanneer die persoon zijne be-
williging had gegeven om onder curateele gesteld te
worden, hij niet in het gesticht sou gekomen of er
althans tijdens zijn verblijf aldaar weder uit ontslagen
zou zijn."
Dit laatste heb ik duidelijk in mijne „beschrijving"
1
-ocr page 10-
2
pag. 222 medegedeeld, doch van het eerste gecursi-
veerde was ik niet zoo zeker.
Zoo werd ik dan met een gezond hoofd in een krank-
zinnigengesticht opgesloten, om onder curateele gesteld
te worden!!
Het schijnt, uit de woorden van den heer Mao
kay te oordeelen, dat ook de psychiatricm Ramaeb
in volle bekendheid met deze afzichtelijke zaak was.
Nadat de volksvertegenwoordiger heeft medege-
deeld, hoe ik in weerspraak met de geneeskundigen,
door de rechtbank ontslagen ben, doet hij den wrevel
uitkomen, dien deze uitspraak bij den heer Ramaer heeft
opgewekt.
„In plaats nu dat de Inspecteur deze uitspraak niet
alleen eerbiedigt, maar er zich ook in verheugt in het
belang van den ongelukkige, ontvangt de rechtbank
een verwijt, dat zij heeft durven afwijken van het
gevoelen van den geneesheer, en een ongepaste critiek
nog daarenboven."
Die critiek bestaat in een aanval op de rechter-
lijke macht, door die — in zijn rapport aan den Minister
van Binnenlandsche Zaken — onbevoegd te verklaren
wegens onkunde.
Uitgaande van het beginsel, dat hij alleen de
wijsheid heeft, zijne diagnose, zonder eenige tegen-
spraak de ware is, schrijft die Inspecteur dit verschil
met zijn gevoelen aan onkunde der heeren rechters toe.
Van daar dat de heer Mackay er de volgende
woorden aan toevoegt: „Als de Inspecteurs (hier
worden ze beide genoemd) er ten slotte aan toevoegen,
dat uit dezen zaak gebleken is, dat het noodig zou zijn
dat de rechterlijke macht, als zij nu eenmaal de
macht heeft verkregen om in die zaken te oordeelen,
ook in psychiatrie en gerechtelijke psychologie behoorde
ondervezen te worden, dan vraag ik, als men weet
hoe moeielijk dat vak is en welk een langdurige stu-
-ocr page 11-
3
die het vereischt, of dat ernst kan geweest zijn van
de Inspecteurs, en of zij de uitspraken der rechters
met meer vertrouwen zouden tegemoet zien, als deze
eenigen tijd een liefhebberijcollege in psychiatrie en
gerechtelijke psychologie hadden bijgewoond."
Het zij mij vergund eene enkele rectificatie en
verder eenige opheldering aan deze woorden van den
afgevaardigde toetevoegen.
Het waren geen 8 a 9 maanden waarin door
den Inspecteur Ramaer aan mijn dringend verzoek
niet is voldaan, het waren elf maanden.
Zelfs had de Inspecteur zijne inspectie in dat jaar
van het gesticht niet gedaan. Jaarlijks deed hij die
inspectie in het voorjaar, Maart gewoonlijk, dit jaar
deed hij die inspectie niet, ofschoon hij in het bezit
was van mijn verzoek.
Ramaer heeft in een later schrijven voorgegeven
dat hij zoovele zulke brieven uit de krankzinigen-
gestichten ontvangt.
In de „beschrijving mijner opsluiting heb ik dat
schrijven medegedeeld en de waarschijnlijkheid geopperd,
dat deze bewering eene onicaarheid zou zijn, thans
zeg ik het openlijk, het is eene opzettelijk geschreven
onicaarheid
, omdat het eene onmogelijkheid is, dat
hij dergelijke logisch geschreven brieven, goed van
stijl, juist van inhoud, zoo in menigte uit de krank-
zinnigengestichten kan ontvangen. Voorzeker meer over-
eenkomstig de waarheid moet het zijn, dat geen enkele
krankzinnige bewustheid heeft, dat er een Inspecteur
Ramaer bestaat.
Verder geeft Ramaee in zijn schrijven nog op
als reden waarom hij aan mijn verzoek niet heeft vol-
daan, dat hij mij in het krankzinnigengesticht „wel
wat wilde laten zitten". Die Inspecteur wilde mij daar
wel wat laten zitten, ofschoon hij mij niet gezien
had. Die Inspecteur, die juffr. Hoffman, om wat geld
te verdienen, in zijn gezin opnam, ten einde haar
-ocr page 12-
4
daar niet te laten zitten, — dat geld verdienen, dat de
dood is geweest van die beklagenswaardige dame. (*)
Na op last van den Minister mij bezocht te heb-
ben , na drie uren met mij te hebben gesproken, wilde
hij in zijn rapport mij daar tot op den hnidigen oogen-
blik „laten zitten", omdat ik volgens zijne diagnose
ongelukken moest veroorzaken.
De rechtbank van Zutphen had eene andere
diagnose gemaakt, zij had bij mij geen spoor van
krankzinnigheid ontdekt, en dientengevolge geoordeeld
dat ik daar niet moest blijven zitten.
In zijne domme verwatenheid — indien hij ter
goeder trouw is — schrijft Ramaer dit afwijken van
zijn gevoelen in het rapport uitgedrukt, aan onwetend-
heid toe, waarom hij ook in dat rapport den wensch
te kennen geeft, zooals de volksvertegenwoordiger dit
juist heeft gezegd, dat de rechters eenigen tijd een
liefhebberij-college zouden bijwonen in psychiatrie en
gerechtelijke psychologie.
Men stelle zich voor menschen zonder eenige
anatomische, zonder eenige phijsiologische kennis, lief-
hebberij-college houden in psychiatrie en psychologie.
Schoone raadgeving! ....
Welk een oordeel, welk een inzicht!! ongeveer
„waar zit het?\'! (f)
Laat ons thans zien wat de Minister daarop antwoordt.
De Minister begint met te verklaren, dat deze
zaak nog in onderzoek is, en Z. E. daarover in cor-
respondentie is.
Opnieuw zal dus mijne zaak achter mij om en
in diepe stilte behandeld worden. Men weet het hoe
ik zelfs geene inzage van een rapport kon verkrijgen,
over mij gesteld.
Dit is dan de eerste slag die door den Minister
(*) Zie mijne „Beschrijving" Pag. 270 waar dit feit meer uitvoerig
is beschreven.
(f) 1. c. Pag. 277.
-ocr page 13-
5
mij wordt toegebracht. Van den dag af, dat ik het
boven aangegeven geschrift heb uitgegeven, dacht ik
hiervoor bewaard te zullen zijn. Hierdoor nu was
ik in mijn vertrouwen, dat alles in het daglicht be-
handeld zou worden, geheel teleurgesteld.
Bittere teleurstelling, opnieuw wordt over mij eene ge-
heime correspondentie gevoerd! De Minister verklaarde
wel later dat hij het „hoor en wederhoor" zou in acht
nemen, doch heeft niets hiervan volbracht, ik ben geen en-
kele maal gehoord, de Minister heeft alleen in deze corres-
pondentie de Inspecteurs gehoord. Dit „hoor en wederhoor"
was voor mij een ijdel woord, niets werd hiervan vervuld.
Ik heb het ondervonden wat men mededeelt, wan-
neer alles in stilte, in het geheim en zonder eenige
controle kan medegedeeld worden, wat al onwaarheden,
wat al scheeve voorstellingen op die wijs worden
gegeven!
Deze eerste woorden van den Minister benamen
mij dus de illusie, dat van nu af alles over mijn per-
soon in het heldere daglicht zou behandeld worden.
Verder gaat de Minister voort: „Het zou mij ook
zeer leed doen als een gesticht, dat in vele opzichten
goede resultaten oplevert, zou moeten Avorden ontvolkt."
Het is mij niet duidelijk wanneer de Minister mij
recht had laten wedervaren, waarom dit gesticht zou
moeten worden ontvolkt. Niet de zieken hebben iets
met mijn persoon uitstaande gehad. De Doctoren die
aan dat gesticht geplaatst zijn en geplaatst geweest
zijn, de Inspecteur Ramaer, die zoo ontrouw was aan
zijn plicht, zij zijn de schuldigen, zij alleen. Een onder-
zoek intestellen naar hunne handelingen, was de zaak
geweest van den Minister, en het gesticht had onder
andere Doctoren en onder ander opzicht kunnen blijven
wat het was.
Maar dit juist was het, wat de Minister wilde
vermijden en wat hij niet noemt.
De misdadigers moeten in eer en aanzien blijven
-ocr page 14-
(i
leven, al moet op mij — den mishandelde — het cachet van
krankzinnigheid blijven drukken. Dit is het doel.
Het is in denzelfden geest van de handelingen
der Doctoren, zij hielden mij gedurende de laatste zeven
maanden alleen in het gesticht, om den algemeenen
goeden afloop te bevorderen. Wanneer ik mij slechts
onder curateele had doen stellen, dus zelve verklaard
had, dat ik een onmondig mensch was, dan zou men
mij den volgenden dag hebben ontslagen.
Even als het bij die psychiatrici niet de vraag
was: Is die man krankzinnig? ten einde hem te ontslaan
of niet te ontslaan; maar alleen: „Hoe kan alles ten
goede terechtgebracht worden?"
Zoo ook is het bij den Minister niet de vraag:
„Wat is recht, wat moet geschieden, opdat recht zal
gedaan worden?
De bijzaken en de groote gevolgen besturen des
Ministers handelingen.
En dewijl het niet mogelijk is, in het antwoord\'
aan den heer Mackay, niets te zeggen over den persoon
(Ramaee), over wien al het gesprokene van den heer
Mackay handelde, begint de Minister zich te ver-
ontschuldigen dat Z. E. „de Staatscourant niet bij zich
heeft, waar dat rapport in voorkomt." Als of hij zich
bij voorbaat reeds wilde verontschuldigen, hierover
zich weinig te kunnen uitlaten. Hierdoor verviel onge-
veer al het gesprokene door den heer Mackay, dat
grootendeels handelde over dit rapport en over dien
Inspecteur.
Hierdoor kon de Minister kort zijn, en behoefde
Z. E. zich in geene afdoende zaken intelaten. Zonder eenig
antwoord kon die rede echter niet blijven en ofschoon
de Minister de Staatscourant niet bij zich had, wilde
Z. E. toch „wel gaarne gelooven dat de Inspecteurs
zich wellicht" (wellicht!) „in te sterke bewoordingen
over eene rechterlijke uitspraak hebben uitgelaten."
Ziedaar de afkeuring van de handelwijze van dien
-ocr page 15-
i
7
Ram a er door den Minister, — dien Ramaee, diederecht-
bank van Zutphen heeft durven beschuldigen van onkun-
de, omdat zij met eerlijkheid en standvastigheid, alleen
vragende: „Wat is recht, wat is goed ?" zonder zich door
eenige bijzaak te laten bewegen, alle leden afgaande
op hun gezond oordeel, in tegenspraak kwam met den
heer Ramaee.
Dit is dan alles wat over dien Inspecteur door den
Minister gesproken wordt o;> de klacht door den heer
Mackay over hem in de Tweede kamer ingebracht!
Nadat de Minister op die wijs de belangen van
den heer Ramaee tot de zijne gemaakt had, gaat hij
over tot de rechtbank van Zutphen en kon natuurlijk
de rechtbank niet geheel en al voor het hoofd stooten.
„De rechter-commissaris te Zutphen," zegt Z. E.
verder, „heeft zeer wel gedaan gebruik te maken van
het artikel der nieuwe wet, hetwelk voorschrijft dat,
ingeval voortduring van opsluiting gevraagd wordt,
de patiënt zelf kan gehoord worden. Het geval schijnt
in hooge mate twijfelachtig te zijn geweest"
Deze laatste\' zin van het gesprokene, doet reeds
den overgang kennen, welke de Minister maken wil.
Het is duidelijk, de Minister neemt hier reeds het
beweren der Doctoren aan. Na eene onvermijdelijke
goedkeuring der handeling van den rechter-commissaris,
dingt Z. E. zooveel als mogelijk is daarop af en besluit
deze beaming der handeling van den rechter met de woor-
den, dat de zaak „in hooge mate twijfelachtig was".
• Na dezen overgang gemaakt te hebben, schaart
zich Z. E. verder aan de zijde der Doctoren. „Er
bestond althans een groot verschil van opinie over, en
dit is blijven bestaan ook na het- dictum der recht-
bank, dat natuurlijk als gewijsde zaak moet worden
geëerbiedigd.\'*
Geen aannemen dus door den Minister dat het
vonnis der rechtbank het juiste is, die uitspraak van
de rechtbank is in strijd met dat der psychiatiïci, en
-ocr page 16-
8
duidelijk schaart zich de Minister aan hunne zijde,
wanneer hij zegt: „natuurlijk als gewijsde zaak moet
dat vonnis worden geëerbiedigd".
De Minister had dan wel het tegenovergestelde
gewild, even als de psychiatrici, doch in de gewijsde
uitspraak der rechtbank moest men berusten!
Zoo stelde zich dan de Minister Heemskerk aan
het hoofd der psychiatrici Ramaer, van Andel, van
der Chijs en van der Lee. (*)
En nu moet de slag volgen.
De Minister van Buitenlandsche Zaken van Kar-
nebeek heeft de gewoonte de dingen rondweg tenoe-
men, al zijn ze nog zoo leelijk. Ongelukkig dat de
Minister zulke woorden — zooals elk fatsoenlijk man dat
gewoon is te doen — niet terug neemt, of die verdedigt,
wanneer Z. E. op het onvoegzame daarvan attent is
gemaakt, en daartegen protest is aangeteekend.
De Minister Heemskerk spreekt op geheel andere
wijs. Wanneer die Minister iets wil zeggen dat heel
leelijk is, dan zegt Z. E. dit, zonder het te zeggen.
„De bedoelde lijder", zoo gaat de Minister voort,
heeft over zijne ervaringen een boek in het licht ge-
geven ; ik zou den geachten afgevaardigde, die zoo veel
belang in die zaak stelt, bescheiden en vriendschap-
pelijk willen aanraden het eens te lezen."
Voorzeker, dan zou die geachte afgevaardigde wel
overtuigd zijn, dat de „lijder" krankzinnig is!
De „lijder" — toen ik dat woord voor het eerst
hoorde, was het mij alsof ik uit een droom ontwaakte
en iets hoorde uit de „duizend en een nacht."
(*) „Een Minister die nerrbukt en opstaat, die wegschuilt en
weder voor den dag komt, die wegloopt en terugkeert."
Woorden van den heer Sciiaepman , gesproken in een voordracht
gehouden Ie Arnhem 26 Mei; deze woorden werden algemeen toege-
juichl, als ecu zoo treffend beeld gevende van den mau, van wien er
sprake was.
-ocr page 17-
9
Tegenover de psychiatrici kwam mij dat ook niet
voor; slechts eenmaal heb ik dat woord van een hunner
gehoord, en nog wel van hem — die door mij altijd als
de imbecile werd aangeduid. Die eene keer heb ik dit
echter met zulk een spottenden glimlach beantwoord,
herhalende op sardonieken toon het woord „patiënt",
alles met zulk eene bespotting, dat de psychiatricus
genoodzaakt was het woord terug te nemen. „Nu ja"
was zijn antwoord, „zijne woorden moesten meer be-
schouwd worden als gesproken uit bijzondere belang-
stelling" dus niet als geneesheer tegenover zijn patiënt.
De psychiatrici schaamden zich dat woord te
noemen. Niet zoo de Minister, die zich aan hun hoofd
heeft gesteld. Flink weg zegt Zijne Exc. „de bedoelde
lijder".
Ik was daar niet tegenwoordig om dien Minister
publiek uit te lachen — hij kon gerust zoo spreken.
Wat nu de eigenlijke zin is van die woorden
„dat de geachte afgevaardigde" dat boek eens moest
lezen, waartoe Z. E. „bescheiden en vriendschappelijk"
wilde aanraden, is vrij onduidelijk, doch onaangenaam
voor den schrijver — dit is zeker.
Wat bedoelt dan hiermede de Minister?
Wanneer de heer Mackay dat boek zou gelezen
hebben, zou hij dan daardoor overtuigd zijn dat ik
krankzinnig was, een krankzinnige, die opgesloten moest
worden, zooals de phychiatrici dit verlangden, waarbij
zich nu de Minister heeft aangesloten?
Of wel kan er eene andere ongunstige bedoeling
in liggen. Is het te duidelijk geschreven? Noemt het
de zaken te veel bij hun naam? Maakt het niet vol-
doende onderscheid ten opzichte van personen ? Of wel
nog iets anders ? Ik weet het niet. Het is alles duister;
en de Minister kan ten allen tijde eene uitlegging
geven, welke hij zal verkiezen.
Temeer daar de heer Mackay zich bepaald heeft
tot het antwoord, „dat hij dat boek had gelezen".
-ocr page 18-
10
Had de volksvertegenwoordiger er slechts de een-
voudige vraag op laten volgen, — of de Minister uit
dat boek de overtuiging verkregen had, dat de schrijver
een krankzinnige was — een krankzinnige die in een
gekkenhuis moest opgesloten worden?
Wat zouden Avij veel meer geweten hebben! Om
de overtuiging te geven, dat de schrijver geenkrank-
zinnige was, — daarvoor alleen was dit boek ge-
schreven ; daarvoor alleen was zoozeer in dat boek tot
in kleinigheden afgedaald, opdat op elke pagina het
cachet der waarheid zou rusten, bij eene onomstoote-
lijke overtuiging zelfs geen tegenspraak mogelijk zou
zijn; — dagen heb ik het soms in beraad gehouden,
of dit of dat woord niet kon weggelaten worden, doch
telkens kwam ik tot het besluit, de beschrijving moet
plastisch, moet aanschouwelijk wezen, zonder dat
laten onwilligen zich niet overtuigen; (*) geheele hoofd-
stukken zouden door mij gaarne weggelaten zijn, doch
telkens kwam ik na beraad tot de slotsom, dat
alles door mij moest worden opgeofferd. Op die wijs
alleen zou eene onweersprekelijke en .onomstootelijke
overtuiging gevestigd worden.
Al dien strijd, al die opofferingen — ze werden zelfs
door den Minister Heemskeek niet gevoeld! de woor-
den der psychiatrici, waarvoor zij zich tegenover mij
schaamden, maar wel altijd in stilte gebruikten, maakt
hij tot de zijne en spreekt openlijk over den „lijder". (-}-)
In eer en aanzien leven de bewerkers van mijn
ongeluk, evenals in vroeger dagen. Integendeel ver-
sterkt in hunne verantwoording, nu de Minister Heems-
keek zich aan hun hoofd heeft gesteld.
Hoeveel heeft het mij niet gekost hoofdstuk 2 in
(*) „Zij die niet hooren villen kan men niet overtuigen". Wooiden
van den heer Schaapman in vroeger gemelde rede voorkomende.
(f) De Minister, die mij gezegd heeft: „Hoe zou ik u op uw leef-
tijd een post kunnen geven?" hiermede waarschijnlijk willende zeggen,
„ik zon u een post geven wanneer gij jonger waart." Die minister
uoemt mij nu ecu krankzinnige — „den lijder"!
-ocr page 19-
11
dit geschrift intevoeren! Bekend te maken — voor de
geheimhouding waarvan ik eer en aanzien, al het
maatschappelijk geluk van mijn leven heb opgeofferd.
Niets heb ik daardoor verkregen. De Minister
noemt mij openbaar een krankzinnige.
En nu ten opzichte dier minachting, waarmede door
den heer Heemskeek over dit boek is gesproken.
Het past mij niet te wijzen op de sporen van
wetenschap en kennis, daarin te vinden, het gevolg
van een goed besteed leven; dat alleen wil ik er van
zeggen.
Wanneer de heer Heemskeek zal vergaan zijn,
wanneer over al het kwaad dat hij gedaan heeft, overal
het goed, dat hij nagelaten heeft te doen, niet meer
zal gesproken worden, dan zal dat door hem verachte
boek nog historische waarde hebben.
En verzekerd kan de Minister zijn, dat de nako-
meling die dat boek zal lezen, niet spreken zal van
den „lijder," maar wel van den vreeselijk mishandelden
man, mishandeling — die nog ongestraft kon plaats
hebben in het einde der 19 eeuw.
Mijn voorbeeld heeft het bewezen, men kan onder
onze tegenwoordige wetgeving een ieder in het krank-
zinnigen gesticht opsluiten; iemand met een gezond
hoofd en helder oordeel kan men daarin opsluiten en
daarin opgesloten houden. Ja, al beschuldigt men zoo
iemand van eene krenking zijner geestvermogens lijn-
recht in strijd met zijn wezen en zijn.
Noch helderheid van geest, noch gezond oordeel,
noch bedaardheid van handelen en spreken doet iets
af om ontslagen te worden; dit laatste •— door de woorden
van een psychiatricus bevestigd, daar zoo iemand han-
delt overeenkomstig den wil der betrekkingen, die den
patiënt aan zijne zorgen hebben toevertrouwd.
Men houdt zoo iemand opgesloten en hij wordt
daardoor machteloos als het pas geboren kind, met dat
-ocr page 20-
12
onderscheid, dat het pas geboren kind altijd in de han-
den is van zijn moeder, terwijl zoo iemand in de han-
den is van den psychiatricus!
Men verandert het gesticht in een van buiten ge-
sloten en van binnen levend graf, niemand wordt toegela-
ten, geen oog wordt aanschouwd van een hart dat den
opgeslotene genegen is. Geen enkele letter schrift waarin
zijn naamlooze smart vermeld staat zal zijn vriend toe-
komen, en hij ontvangt niets van hetgeen, wat voor
hem belangrijk is.
Op die wijs hoopte men door dit vreeselijke lijden
het weerbarstige hart van dien man wel te vermur-
wen en hem gedwee te doen wTorden om zijn lot ge-
duldig te ondergaan, terwijl men het voornemen had
hem voor zijn leven opgesloten te houden, of wel —
toen hij daartoe niet gewillig werd — hem onder curateele
te doen plaatsen, terwijl men dit eerste voornemen had
moeten opgeven.
Er zijn echter harten die eer breken, dan dat ze
vermurwen!
Wanneer zoo iemand nu het gesticht heeft ver-
laten, zou men meenen, dat dan het uur der vergel-
ding zou geslagen hebben. Niets van dat alles. De
psychiatrici dekken elkander en wanneer zich dan de
Minister van Binnenlandsche Zaken aan hun hoofd
plaatst, kunnen zij in eer en aanzien blijven leven.
Het slachtoffer is op nieuw machteloos. Bij de
rechtbank moet het boos opzet bewezen worden; het
moet bewezen wrorden dat het geen dwaling kan zijn,
om den misdadiger te doen straffen; bij het Burgerlijk
bestuur wordt alles door den Minister gedekt.
Zoo is dan voor den wederrechtelijk opgesloten
gezonden man in de gewone omstandigheden geen recht
te verkrijgen, en hij moet al die mishandelingen — meer
dan de dood — in stilte en gelaten dragen.
-ocr page 21-
13
Met mij echter heeft iets buitengewoons plaats
gehad. Bij de heldere geestvermogens, de bedaarde
houding, het geregeld en onderworpen gedrag, terwijl
niet anders dan oordeelkundige woorden van mij werden
gehoord, was het wel van groot gewicht, dat door mij
eenig bewijs den doctoren in handen werd gegeven,
dat ik aan vergiftigingsmanie leed, onder welken vorm
men mij in het krankzinnigengesticht had doen op-
sluiten.
Volstrekt noodig was het dus, dat ik in het
gesticht eenig bewijs daarvan gaf.
Dit buitengewone feit aan de Justitie officieel
aantegeven bleef mij nog over.
Wel heb ik in mijne beschrijving, pag. 135—138
mededeeling hiervan gedaan, voldoende zooals ik meende
om de Justitie aanleiding te geven een onderzoek in
te stellen, wanneer ik mij verzekerd hield dat alles
aan het licht zou komen.
Deze beschuldiging toch was van het hoogste
gewicht, dewijl het feit tevens oplossing geeft voor
zoovele andere zaken.
Na zes maanden te vergeefs gewacht te hebben,
besloot ik tot dien maatregel over te gaan.
Ik stelde dientengevolge de memorie op, hierachter
medegedeeld, om die aan den Procureur-Generaal van
het Hof in Arnhem te doen toekomen.
-ocr page 22-
INLEIDING TOT DE MEMORIE VAN
BESCHULDIGING.
In het vreeselijke drama, dat met mij gespeeld is,
is een leidende gedachte duidelijk waartenemen.
Zelve sta ik verbaasd, hoe die alles heeft door-
weven, hoe sluw zij van den aanvang af is opgevat
en doorgevoerd.
Temeer moet het verwondering wekken, dat dit
mogelijk geweest is aan een niet geneeskundige.
Welk een omvang van kennis heeft de bewerker
in die geheele zaak aan den dag gelegd!
Hij moet geheel en al op de hoogte der weten-
schap geweest zijn, ten\' opzichte van het speciaal ge-
deelte der psychologie, waarmede dit afzichtelijk treur-
spel gespeeld is; volkomen moet hij bekend geweest
zijn met de physiologische werking van het medica-
ment, dat hiervoor in gebruik is genomen, met de
wijze van aanwending daarvan zelfs beter bekend dan
vele doctoren, zelfs van de bekwaamste van ons
vaderland. (*)
Dat iemand bedeeld met goede geestelijke ver-
mogens, helder oordeel, sluw en arglistig, alleen ach-
(•) In mijne „beschrijving" is mededeeling gedaan, dat de ab-
sorptie van het medicament door de met opperhuid bedeelde huid door
meerdere geneeskundigen ontkend wordt. Pag. 277—278.
-ocr page 23-
15
tende wat van deze wereld is; vrij dus in zijne han-
delingen om eenig doel te bereiken, door geene wetten
dan die van den menschelijken wetgever gebonden,
geplaatst in geëerde maatschappelijke positie; — dat
zoo iemand den onkundige medevoert en geheel en al
in zijne richting brengt, dit is te verklaren.
Geëerd en geacht in zijne famielje is het begrij-
pelijk hoe langzamerhand die famielje geheel en al in
zijne richting wordt medegesleept, vooral wanneer de
moeder zijne hulp is.
Doch — dat hij geneeskundigen, menschen van
het vak, naar zijn wenschen weet te doen handelen,
zelfs geheel en al den loop te doen volgen, die hij
afgebakend heeft, leidende tot het doel, dat hij zich
heeft voorgesteld, is minder begrijpelijk, bijkans on-
verklaarbaar.
Dat de Doctoren psychiatrici, zoogenaamde speci-
aliteiten in dit gedeelte der wetenschap, zich geheel
en al hebben laten leiden door dien wil. wordt bewezen:
in de eerste plaats, door het ondoelmatige motief om
mij in een krankzinnigengesticht te doen opsluiten
en opgesloten te houden, en in de tweede plaats, door
de onwetenschappelijke zaken, die men bijbracht en
die geheel in strijd waren met de wetenschap.
Men heeft mij in het krankzinnigengesticht doen
opsluiten wegens angst en vrees bij eene vervolgings-
manie, en op hetzelfde motief mij daarin opgesloten
gehouden.
Angstig of vreesachtig heeft mij niemand gezien.
En toch heeft die ellendige afzichtelijke geneesheer,
wiens inborst nog afschuwelijker is dan zijn pokdalig
gelaat met groeven en naden bezet, — daarvan een
attest afgegeven en hebben de specialiteiten in psycho-
logie op dien grondslag voortgebouwd, ofschoon zij
niet de minste vrees voor iets ter wereld bij mij ondekten.
De bewerker der zaak had het in deze richting
-ocr page 24-
16
gestuurd. Reeds van het begin af is dit blijkbaar,
alle handelingen mijner naaste betrekkingen drukken
dit uit, nauwkeurig in het aangehaalde werk beschre-
ven, pag. 40 en 41.
Het is duidelijk het was den niet geneeskundige
bekend, dat vervolgingsnianie is aangegeven, ofschoon
zeldzaam voorkomende in die mate dat daarvoor opna-
me in een krankzinnigengesticht gewettigd is, (*) hem
moet bekend geweest zijn dat die manie stijgende tot
den hoogsten graad, zoo als de meeste maniën, leiden
kan tot zelfmoord, of wat ik niet aangegeven gevonden
heb in een speciaal daarover handelend werk, tot vervol-
ging van anderen.
Deze vreemdsoortige manie zoo zeldzaam in de
werkelijkheid voorkomende, vroeger zoo onbekend, werd
geheel en al door de psychiatrici overgenomen en zij bleven
daarin voortgaan buiten hunne eigene waarnemingen.
Alles was lijnrecht in strijd met mijn inborst,
lijnrecht in strijd met mijn karakter, lijnrecht in strijd
met hunne waarneming.
De wetenschap eischt het, dat men eenig bewijs
ziet van hetgeen men betuigt. De wetenschap eischt
het dat men eenig bewijs ziet, waarom men iemand
in een krankzinnigengesticht opgesloten houdt.
Niets van dat alles. — Dit gaat zelfs zoo ver, dat
de Inspecteur Ramaer dit nog volhoudt, zelfs na mijn
ontslag uit het gesticht.
Men staat verbaasd over deze eenvormige handeling
tegen alle wetenschap in, en men vindt daarvoor alleen
verklaring, dat alles het gevolg is der leidende gedachte
van iemand, die wel van deze ziekte gehoord heeft,
(*) Reeds is er op liet theater een paskwil opgemaakt, in het
stukje „Pleizier" waar een gezond man wegens vervolgensmanie in een
krankzinnigengesticht wordt gebracht. Alleen met dut onderscheid
ten mijnen gezichte, dat hij met groot misbaar daar gebracht werd,
terwijl ik mij gelaten daar liet plaatsen en dat het op het looneel
slechts 24 uren duurde, toen de „lijder" er werd uitgenomen en bij
mij 13 maanden.
-ocr page 25-
17
misschien gelezen heeft, doch geen geneeskundige is;
die den algemeenen blik mist, die alleen de studie der
algeheele geneeskundige wetenschap geven kan.
Een tweede bewijsgrond is, dat de psychiatrici
meermalen zaken aanvoerden, die geheel en al met het
aannemen van hersenaandoening in strijd zijn.
In mijn bovenaangehaald geschrift heb ik, pag.
84, reeds gewezen op deze dwaze handeling der psy-
chiatrici, voorafgegaan door mijn schoonzoon, die blijk-
baar geheel en al onder denzelfden indruk was. Zij
voerden juist bewijzen aan voor het tegenovergestelde
van hetgeen wat zij wilden bewijzen.
In mijn boven opgegeven geschrift heb ik dat
medegedeeld als een bewijs van onkunde alleen strek-
kende om iets lasterlijks mede te deelen, doch de ver-
klaring werd daarvan niet gegeven.
Alleen de leidende gedachte van een niet genees-
kundige kan hiervan de oorzaak zijn.
Het is niet mogelijk, dat zoo iets tegen alle weten-
schap in, oorspronkelijk bij een geneeskundige ontstaan is.
Alleen de leidende gedachte van een niet genees-
kundige kan de oorzaak zijn van het ontstaan van
zulk een denkbeeld, waarmede men wel voldoet aan
een kwaadwillige en booze inborst, doch geheel en al
in tegenspraak is met zich zelf, en juist het tegenover-
gestelde bewijst, van hetgeen, waarnaar men streefde
om te bewijzen.
Moesten wij tot hiertoe alles toeschrijven aan
eene leidende gedachte van een niet geneeskundige,—
hier moet ik verder attent maken op iets oorspronkelijks
der psychiatrici in dit treurspel.
Het sein was gegeven, er bestond bij mij vervol-
gingsmanie.
Nadat het attest in den blinde was afge-
geven, geheel en al steunende op praatjes, zooals de
hoogleeraar Donders dat noemt, werd dit zooals we
2
-ocr page 26-
IS
zagen, verder gewillig door de psychiatrici overge-
nomen. Vrees voor vergiftiging was schering en inslag.
Er was echter eene moeielijkheid in deze zaak,
namelijk — dat door mij geen enkel woord over vergif-
tiging was gesproken.
Hiervoor nu vond men het woord uit van dissi-
muleeren
— een onding dat in de ivetenschap niet
bestaat. (*)
Vroeger heb ik aangenomen dat het dissimuleeren
onder de duizende gevallen een enkele maal kan voor-
komen. Welnu — ik heb daarin gedwaald, ik was in
tegenspraak met de wetenschap, ik was in tegenspraak
met de rede. Evenals Rauch neem ik aan dat dissi-
muleeren bij een krankzinnige niet mogelijk is en
alleen kan plaats hebben in de lucida^ intervalla (-J-)
dewijl kritiek, nadenken en overwegen bij krankzinnig-
heid niet bestaanbaar is. (-|-)
Door dit aannemen van dissimuleeren was deze
hinderpaal uit den weg geruimd, men weet het alge-
meen, eene monomanie is den monomaan als in den
mond bestorven, en wanneer zijn verward brein, hem
een oogenblik rust laat, is er slechts een enkel woord
noodig, om opnieuw den mond te doen overvloeien
van de ziekelijke redelooze gedachte.
De psychiatrici konden nu in dezelfde gedachte
voortgaan, zoo als die was aangegeven.
Voor ik hier verder ga, moet ik nog nader dan
ik dit in mijn vroeger schrijven gedaan heb, eenige
rekenschap geven van dit stilzwijgen.
Men weet uit mijn vroeger schrijven (1. c.) dat
ik eene eervolle betrekking, en eene eervolle maat-
schappelijke positie opofferde, ten einde over alles een
sluier te werpen, dien ik van plan was mede in het
graf te nemen.
(*) Rauch. Die primordiale verrücktheid. Leipzig 18S3.
(f) Rauch. 1. c. Pag. 45.
-ocr page 27-
19
Ik had gedurende een lang leven gewerkt, ge-
werkt voor mijn gezin.
Voor allen des morgens in beweging, werkte ik
in de geneeskundige practijk, in de raadkamer der ge-
meente of in mijne studeerkamer, want geen dag ging
voorbij, dat ik daarvoor niet een a twee uren afzonderde.
Geëerd en geacht geneesheer, (*) had ik in de
magistratuur een hooge positie verkregen.
Behalve de afkeer die bij mij bestond, van eene
aanklacht te doen tegen mijne naaste betrekkingen, was
het een vreeselijke zaak zulk eene algemeene rucht-
baarheid hieraan te geven en mij en mijn gezin op
die wijze op de lippen van allen te brengen, terwijl
er daarna een vlek op dat gezin zou kleven , op dat ge-
slacht — waarvoor ik gedurende mijn geheele leven
zoo gearbeid had.
Welnu — wat mij persoonlijk was, dat alles heb
ik opgeofferd, om al het verkregene voor mijn geslacht
te bewaren.
Opnieuw nu — in mijne afzondering — werd ik
vervolgd door den oorspronkelijken bewerker en hoofd-
bewerker van de geheele ramp, door toeval in mijne
nabijheid geplaatst.
Zou ik voor deze voorbijgaande zaak al mijne
opofferingen doen verloren gaan?
Geen aangifte w.erd door mij gedaan en het kwaad
werd zoo veel mogelijk door mij ontweken.
Juist het tegenovergestelde van hetgeen, waarvan
men mij beschuldigt, is mijn ongeluk geweest.
Afwezigheid van alle vrees was mijn ongeluk.
Had ik gedurende die maanden mij elders gevestigd,
waarschijnlijk zou door mij volbracht zijn, hetgeen ik
had voorgenomen.
Het noodlot heeft het anders gewild en ik moet
nu een andere taak volbrengen, alles bekend maken
(*) Ik mag dit zeggen, dewijl ik meen — bij de publieke be-
kendlieid der zaak — dat dit door niemand zal weersproken worden.
-ocr page 28-
2U
wat hielen kan de misdaden aan het licht te brengen
en boosheid te doen straffen. Even zeker als ik was,
dat het den booswichten niet gelukken zou, mij voor
mijn leven opgesloten te houden, even zeker houd ik
er mij van overtuigd, dat eenmaal alle misdaad aan
het licht zal komen. Doch daarvoor moet ik doen alles
wat ik doen kan.
Zoo hadden dan de psychiatrici voor eene onmo- .
gelijke zaak het woord simuleeren gevonden, vooral
de botte Ramaeb, maakt hiervan gebruik en beschul-
digt zelfs op dien grondslag anderen van onkunde.
Eenmaal meegaande in het spoor dat was aange-
geven, is men zeker tot de overtuiging gekomen dat
men vervolgen moet, wanneer men is begonnen; mis-
schien wel heeft de oorsprong van alles die pscyhiatrici
in eene positie weten te brengen, dat terugtreden
onmogelijk was.
Opmerkelijk is het mij steeds voorgekomen, dat
men toen eerst is begonnen met mij onder curateele
te willen ontslaan, toen Dr. v. Andel door Dr. v. d. Chijs
was vervangen en wel zoo spoedig mogelijk als dit
kon plaats hebben; — terwijl het zeer duidelijk pri-
mitief in de bedoeling van den heer v. Andel lag mij
gedurende mijn leven opgesloten te houden (1. c.
pag. 166) zoo als ook door den Mijn-Ingenieur na mijne
wegvoering met de grootste zekerheid werd verkondigd:
„Hij is naar het krankzinnigengesticht gebracht en
hij komt er nooit weder uit." (1. c. pag. 70.)
Toen men een zwaar hoofd kreeg in het volvoe-
ren van het gruwzame feit, vertrok de heer van Andel
naar Medemblik, werd vervangen door den heer van
der Chijs en begon nu de onderhandeling om mij onder
curateele te ontslaan. (1. c. pag. 198—202.)
Zoolang het voornemen bestond mij gedurende
-ocr page 29-
21
mijn leven opgesloten te houden, was terugtreden on-
mogelijk; het uiterste heeft men willen beproeven om
het doel te bereiken.
Hierdoor is het te verklaren dat men tot een
feit, — hierna medetedeelen, — is overgegaan, waar
de menschheid van gruwt.
Ik heb alle gegevens verzameld, en onder een
geheel gebracht, die het feit konden kenbaar maken.
Deze heb ik als aanklacht en beschuldiging aan den
Procureur-Generaal van het Hof te Arnhem, Jonkheer
Meijier op den 6den April 1883 overhandigd.
-ocr page 30-
Aan
den Edel Groot Achtbaren Heer PROCUREUR
GENERAAL bij het Hof te ARNHEM.
Edel Groot Achtbare Heer!
Na zes maanden te vergeefs gewacht te hebben
op het onderzoek, dat naar mijn vast vertrouwen zou
plaats hebben, na de uitgave van mijn geschrift: Zijne
opsluiting gedurende 13 maanden in het ltrankzinni-
gengesticht te Zutphen,
vind ik mij verplicht de alge-
heele mededeeling der feiten te doen van een misdaad
aan mijn persoon in dat gesticht bedreven.
Onmogelijk kan eenig rechterlijk onderzoek heb-
ben plaats gehad, daar in dit geval zeer zeker ont-
dekking zou gegeven zijn van een misdaad, zooals slechts
zeldzaam voorkomt, ja — waarvan misschien geen
voorbeeld in de geschiedenis gegeven is.
Na gedurende enkele dagen in het gesticht opge-
sloten te zijn, deed ik den heer Van Andel, 1ste
geneesheer van het krankzinnigen gesticht te Zutphen,
opmerken de algemeene afwezigheid van vrees bij mij
voor vergiftiging.
„Maar gij ziet toch wel, dat bij mij niet de
minste vrees voor vergiftiging bestaat."
Het was in den eersten tijd nog maar alleen ver-
giftigingsmanie, waaraan ik leed.
-ocr page 31-
23
„O Ja" antwoordde de heer Van Andel, „maar
dat komt weerom."
Dit zoo resoluut gesproken woord, trof mij zeer
en heeft bij mij een onvergetelijken indruk nagelaten.
Hoe kon iemand, die van mij niets dan gezande
redenen hoorde, zoo iets zoo bepaald zeggen, tegen
iemand — van wien hij die gezonde redenen reeds gedu-
rende dagen gehoord had. Iemand — wel is waar
op de gewone wijze opgenomen, doch van wien hij
niets zag dan bedaarde — wijze handelingen, niets
hoorde dan bedaarde — wijze gezegden.
In plaats van daardoor wantrouwen te verkrij-
gen, of wel ooit vrees voor vergiftiging bij mij bestaan
had, zoo beslist aantenemen: „O! dat komt weerom".
Ik hoorde die woorden met verbazing!
Ik gaf op dat woord geen antwoord, doch het
bracht mij tot ernstig nadenken.
Ik deed mij eenige vragen voor de toekomst, en
de gedachte en de vraag ontstond bij mij: Zon het
ook mogelijk zijn
, dat ik ook hier eene vergiftiging
zal ondergaan?
Ik wierp die gedachte verre van mij, — ik vérwierp
die als iets zoo ongehoords, dat daaraan geen denken was.
Intusschen in cle sombere gemoedsstemming, waarin
ik mij bevond, in het duister verschiet dat voor mij
stond, nam ik mij heilig voor, dat — wat er ook
gebeurde, wat ik zou gevoelen, wat mij overkwam,
men nimmer van mij het woord vergiftiging zou
hooren.
Het was toch oneindig gelukkiger te sterven, dan
voor mijn leven onder krankzinnigen opgesloten te
blijven!
Spoedig rukte ik mij uit die mijmering los, en
verwierp elke gedachte aan die zaak voor het ver-
volg; ofschoon het woord door den heer Van Andel
op zoo stelligen toon gesproken, onherroepelijk in mijn
geest gegrift bleef.
-ocr page 32-
24
Tot tweemalen toe zou die zoo ver weggeworpen
gedachte bij mij ondervinding worden!
Slechts de eerste daarvan is in mijn boven vermeld
geschrift aangehaald, mij voornemende — de tweede bij de
rechtsvervolging bekend te maken, te meer daar ik
voor deze laatste minder gegevens had, en wanneer
de eerste bewezen zou zijn — deze van zelve aan den
dag zou komen. Ik heb van die laatste vergiftiging
niet gesproken ofschoon deze mijn gestel het meest
heeft ondermijnd, daar zij zoo lang is voortgezet. Twee
kiezen heb ik daardoor verloren, zij worden door mij
nog steeds bewaard, als de treurige overblijfsels van
die vreeselijke zaak.
De eerste vergiftiging had plaats tegen den tijd,
dat een verslag moest ingeleverd worden door den
lsten geneeskundige van het krankzinnigengesticht
bij de Arrondissement-rechtbank te Amsterdam, of het
verzoek mijner echtgenoote kon toegestaan worden om
mij nog gedurende een jaar in het krankzinnigenge-
sticht opgesloten te houden.
Nadat de eerste tien dagen van mijne opsluiting
in het krankzinnigengesticht waren voorbij gegaan,
was het mij duidelijk, dat de doctoren van het gesticht
mij bij voortduring zouden opgesloten houden.
Met een vast vertrouwen, dat het nooit mogelijk
zou zijn, dit te volvoeren, nam ik in afwachting alle
maatregelen om mijne gezondheid te bewaren en te
steunen. Van daar dat ik met genoegen het aanbod
van den lsten geneesheer had aangenomen, om ver-
gezeld van een suppoost, dagelijks wandelingen te
doen, hoe beleedigend en grievend zulke wandelingen
op die wijze voor mij ook waren.
Mijne gezondheid was dan ook in de eerste maand
na mijne opneming in het gesticht zeer goed, en ik
gevoelde mij op die wandelingen zeer krachtig.
-ocr page 33-
25
Zoo duurde het ongeveer een maand en de tijd
begon te naderen dat de heer Van Andel zijn rapport
aan de rechtbank moest inzenden.
Met bevreemding ontwaarde ik eene omkeering
in den gezondheidstoestand, waarin ik mij tot nu toe
in het gesticht had mogen verheugen.
Ik voelde mij verzwakken. Ik merkte dit en was
nu meer attent op alles wat mijne gezondheid aanging.
Ik merkte op, dat de afscheidingen van de huid
en het slijmvlies vermeerderd waren, ook de klieren
waren overvloediger van secretie, de urineloozing werd
zeer ruim en ik zweette des nachts sterk.
Het waren de verschijnselen zooals ik die vroe-
ger ondervonden had.
Nu kwam mij het gezegde van den heer Van
Andel in herinnering: „O! die gedachten aan vergif-
tiging komen terug." Ik lette nu op alles zeer nauw-
keurig en kwam spoedig tot de vaste overtuiging, dat
ik dezelfde vergiftiging van vroeger onderging.
Ik doorzag al het vreeselijke van mijn toestand!-----
Ik begon den suppoost die mij op de wandelin-
gen vergezelde, meermalen te doen opmerken, hoe
spoedig ik zweette, terwijl de medewandelaar en de
suppoost (*) niets daarvan bij zich zelven merkten;
tevens deed ik hem opmerken, welk een omkeering
dit was in mijn gestel, voor eenige dagen noch zoo
krachtig.
Ik deed dit, om aan den bewerker zijn werk ken-
baar te maken en ook eenigszins met het doel, om
eenige genade van hen aftesmeeken.
Verder trachte ik nauwkeurig op te sporen,
waarin en hoe mij het vergif werd toegediend. Ik
(*) De bediende was de adsistent-huismeester Vuegenthakt.
De raedewnadelaar een kypochondriacus, niet krankzinnig.
-ocr page 34-
26
kende toch zoo goed den bitteren smaak daarvan door
de groote ondervinding in deze opgedaan.
In de koffie was het door mij niet te herkennen,
doch ik proefde het duidelijk in de thee en op de ge-
smeerde boterhammen, vooral op het sneetje krente-
brood dat daarbij was, en ook in het bier werd het
door mij waargenomen, ofschoon het ook hierin niet
was te proeven; doch tot dit laatste had ik beslo-
ten wegens de hevige vergiftigingsverschijnselen, die
ik op het gebruik daarvan des nachts ondervon-
den heb.
Het feit kon op die wijze ook zeer gemakkelijk
plaats hebben; alleen behoefde aan de oppassers in de
algemeene zaal 1ste kl. en den beiden huismeesters het
medicament verstrekt te worden en de wijze worden
aangeduid, hoe dit medicament buiten mijn weten moest
gegeven worden. De boterhammen werden in de keuken
gereed gemaakt en daarna in de algemeene kamer ge-
bracht onder de hoede van den oppasser Dommeeholdt,
aan wien het zetten van thee en koffie eok was op-
gedragen; ook het bier kwam in die kamer, voor het
des middags bij het eten werd verstrekt.
Niets was dus gemakkelijker dan op bovenge-
noemde wijze het feit te volvoeren; het is echter niet
mogelijk, dat het door gemelden oppasser kon bewerkt
worden, zonder dat deze zaak ook aan de beide overige
oppassers Seéisee en Veiesekolk bekend werd, zelfs
moet dit onder toezicht hebben plaats gehad van de
huismeesters Jacobs en Vliegenthaet.
Het spreekt van zelve dat het geringste gerech-
telijk onderzoek aan het licht zal brengen, of het hier
medegedeelde de waarheid is.
Het zal ook de vraag zijn in welke rol de heer
v. i). Lee wil optreden, of als medeplichtige als hij
ontkent, of als zwak geneesheer, wanneer hij alles
mededeelt, Dat de adsistent-huismeester Vliegenthaet
-ocr page 35-
27
hiermede bekend moet zijn, hiervan heb ik op zeer
eenvoudige wijze de zekerheid verkregen.
Wanneer des middags in de biljartzaal de thee
gebracht werd, was mijn kop steeds zonder theelepel;
de suiker was door \'mijn thee waarschijnlijk voldoende
geroerd.
Niettegenstaande dit teeken, presenteerde de be-
diende (Sleiser) mij de thee nog op eene bijzondere wijs.
Op een theeblaadje waarop in de breedte twee
koppen met hunne schoteltjes konden staan, werd de
thee twee aan twee door den bediende gepresenteerd.
De keuze van den kop, was dus voor den eerst
gepresenteerde geheel vrij; bij mij had dit op een an-
dere wijs plaats. Om mij te presenteeren, nam men
het theeblaadje in de lengte, zoodat de kopjes achter
elkander stonden, en er voor mij geen keus was; alleen
het vooraanstaande kopje was door mij te nemen.
Behalve het ontbreken van het theelepeltje was
ook deze voorzorg genomen.
Zoodra ik van deze zaak volkomen zekerheid en
kennis verkregen had, besloot ik een proef daarvan
te nemen.
Op een middag dat mij door den bediende Sleiser
op de bovengenoemde wijze de thee op nieuw gepre-
senteerd werd, nam ik den achtersten kop.
Nauwelijks strekte ik mijn hand daarnaar uit
of de bediende zeide: „Neen Mijnheer, neen". Ik zag
dien bediende daarop bedaard aan en zeide: „Het zal
toch wel hetzelfde zijn, welken kop ik neem."
Hij kon er niets tegen zeggen , en ging met den
tweeden kop, eigenlijk voor mij bestemd, naar den adsis-
tent-huismeester Vliegenthart.
Daar hoorde ik een zacht gesprek, en onmiddellijk
daarop volgden eenige harde schreeuwen van den huis-
meester Vliegenthart „Dommerholdt! Dommerholdt!"
(Vliegenthart is een angstig man in ziekten, hij schreit
-ocr page 36-
28
daarbij veelal, ik kon mij dus voorstellen, hoe verschrikt
hij geweest is, bij de mededeeling van den bediende,
even verschrikt waarschijnlijk, als door mij de zaken
bedaard en met kalmte werden opgenomen.)
Hoe het verder gegaan is en wat er verder is
verhandeld kan ik niet zeggen; niet inziende het
gewicht dezer zaak op dat oogenblik, lette ik niet op
hetgeen verder voorviel. Ik had deze zaak als een
soort grap uitgevoerd, en was door het geschreeuw
„ Dommerholdt" Dommcrholdf" zoo zeer over mijn werk
tevreden, dat ik niet op het gevolg heb gelet, en
dit niet met den ernst, dien het verdiende, heb nagegaan.
De vergiftiging had dus plaats door middel van
de koffie, thee, het overboteren van het brood en het bier.
Ik nam dus zoo veel mogelijk maatregelen, om
die vergiftiging te ontgaan, te meer daar het niet in
de bedoeling kon liggen mij het leven te benemen,
alleen kon het doel zijn, mij de woorden te ontlokken,
dat ik aan vergiftiging bloot stond, ook hier in het
gesticht.
De tijd kon verder niet lang duren, die daarvoor
gegeven was, daar na groote acht dagen het verslag
door den eersten geneesheer aan de rechtbank te
Amsterdam moest opgezonden worden.
Met het bier was ik spoedig geheel in orde, daar
ik des avonds een glas daarvan aanbood aan den
huismeester Vliegenthaet en den opzichter ValoIs,
met wien ik des avonds kaart speelde.
De koffie smeet ik geregeld weg in het stilletje
of liet die staan.
De thee nam ik zoo spaarzaam mogelijk, en liet
ze staan, wanneer die meer dan gewoon bitter smaakte,
ik maakte daar geen uitzondering mede in de biljartzaal.
Met het brood was het moeilijker, ik handelde
naar omstandigheden.
Dat alles neemt niet weg, dat mijn gestel meer
en meer ondermijnd werd.
-ocr page 37-
29
Veel vergif moet mij zijn toegediend, daar bij die
voorzorgen deze uitwerking is voortgebracht, en hier-
van houd ik mij overtuigd, dat deze regels door mij
niet zouden gesebreven zijn, wanneer alles door mij
was genomen, wat mij is toegediend.
Opmerkelijk is ook, dat de oppasser die mij be-
diende, en die niet vertrouwd werd (Ter Huizen),
zoozeer aan ziekelijk zweeten en verdere ongesteldheid
begon te lijden, dat hij daarvoor in het gasthuis moest
opgenomen worden. Deze oppasser had zeer zeker van
het door mij overgelatene genomen, als in het begin
van het bier, en verder de thee en het fijnere brood.
Ik kon dien oppasser geene mededeeling doen.
Dagelijks kwam Dr. van der Lee, de 2de ge-
neesheer, mij bezoeken, vroeger deed hij dit om den
anderen dag. Ook de heer van Andel bezocht mij in
die dagen meermalen. Zoo gebeurde het, bij zulk een
gelegenheid, dat hij mij vroeg „of ik niet aan iets
bijzonders dacht ?" Ik antwoordde met het eenvoudigste
gelaat en alsof ik eenigszins verwonderd was: „Wel
neen, waarom dat?" „Omdat ge zooveel urine loost."
„Wel neen, wat zou dat?" Hiermede liep het gesprek
af. Het viel voor zeer in het begin van het hier
medegedeelde feit. Gedurende den nacht, die dit gesprek
vooraf ging, was door mij een zeer groote hoeveelheid
urine geloosd, waarschijnlijk was hem dit medegedeeld.
Hierdoor alleen is dit gesprek te verklaren, daar ver-
meerderde urineloozing, in de gewone omstandigheden,
niet het eerste en voornaamste verschijnsel is van
het medicament, dat voor de vergiftiging gebruikt
werd.
Dagelijks dan werd ik door den heer van der
Lee bezocht. Ik klaagde dan telkens over mijn gezond-
heidstoestand. Herhaalde malen zinspeelde de heer van
der Lee dan op vergiftiging; herhaalde malen vroeg
hij mij: „waaraan ik die kwijning van mijn gestel
moest toeschrijven? Of ik niet aan iets bijzonders
-ocr page 38-
3U
dacht?" „Aan wat bijzonders zou ik denken?" was
dan mijn antwoord.
Bij het rijzen en los staan mijner tanden, knaagde
mijn tandvleesch weg en door het ontblooten der wor-
tels leed ik aan kiespijn, waarvoor ik hem verzocht
een mondspoeling te mogen hebben van Creosoot met
Laudanum, hetgeen hij mij toestond en door mij zelve
werd voorgeschreven,
voor den Apotheker met zijn
naam herhaald.
Het was blijkbaar, de heer van der Lee ver-
keerde in eene pijnlijke positie, door zijne inschik-
kelijkheid te mijwaarts bevestigd. In deze dagen brach-
ten de beide geneeskundigen van het gesticht mij een
bezoek te zamen.
Ik herhaalde al de klachten ten opzichte van mijne
gezondheid, klaagde in het bijzonder over het verlies
van eetlust, het was kort na het ontbijt en toonde
hen het overgeschotene daarvan. Men kwam er nu weder
op, hoe dat alles mogelijk was en ik zeide hen opnieuw:
„dat ik alles toeschreef aan mijn gedrukten zieletoe-
stand, in cle omstandigheden waarin ik mij bevond."
Ook na dit bezoek bleef alles hetzelfde, mijn gezond-
heid verslimmerde voortdurend.
Het zweeten nam meer en meer toe, en mijne
krachten begonnen zeer aftenemen, wandelingen deed
ik niet meer, ik gevoelde mij daartoe te zwak, en er
voegde zich eindelijk daarbij een misslag in de pols.
Daar ik mij vast voorgenomen had, ten doode
toe het woord vergiftiging in het krankzinnigengesticht
niet te doen hooren; hoopte ik door de mededeeling
mijner ziekte, matiging of wel ophouding der proef-
neming van de heeren geneeskundigen te zullen ver-
krijgen.
Bij de verzwakking, die ik ondervond, de weinige
eetlust die ik had, legde ik mij na het ontbijt op de
canapé neder, die in mijn zitkamer zich bevond.
De heer Van der Lee zag mij bij zijn bezoek
-ocr page 39-
31
met verbazing, zoo niet met schrik, daar liggen. Hij
plaatste zich op een stoel voor de canapé.
Ons gesprek was zeer belangrijk.
Ik vertelde hem opnieuw, hoe ik mij steeds meer
en meer verzwakt gevoelde. Na meerdere woorden
gewisseld te hebben, kwam eindelijk de groote vraag
er uit, waar steeds in de gesprekken om heen ge-
dwaald was.
„Of ik niet aan vergiftiging dacht?" Vervolgende:
het waren toch dezelfde verschijnselen, waar ik over
klaagde, die ik vroeger gevoeld had in Gouda en
Amsterdam."
Ik gaf daarop een even resoluut antwoord, als
de vraag duidelijk gesteld was.
„Wanneer de Doctoren van het krankzinnigen-
gesticht monsters waren, zoo groot, als God ze slechts
enkele malen op de aarde duldt, dat ik dan aan zoo
iets zou kunnen gelooven, dit nu was niet mogelijk."
Na eenige besprekingen, deelde ik verder mede,
„dat het waarschijnlijk spoedig met mij gedaan zou
zijn." Ik stelde mij voor, zooals ik hem verder mede-
deelde, dat er wegens de atonie, waaraan ik leed, wel
spoedig uit het een of ander deel eene bloedvloeiing
zoude ontstaan, die dan ook om dezelfde rede niet te
stelpen zou wezen.
Ik voegde daaraan de volgende onvoorzichtige
woorden toe: „Ik zal dit leven dan verlaten met de
woorden op de lippen: „Adieu edele doctoren, adieu
edele vrouw."
De heer van dek Lee stond daarna verschrikt
op en zeide weggaande: „G-ij zijt heden zeer sarcas-
tisch."
Hiermede liep dit gesprek af; er was nog in voor-
gekomen, het voorstel om mij dagelijks een kop bouillon
te geven. Ik stelde mij voor die zeker te moeten
nemen, waardoor zij mij geheel in hun macht zouden
hebben. Ik bedankte daarvoor.
-ocr page 40-
32
Van dezen dag af trad mijne beterschap in, en
bij mijn van nature zoo gezond en krachtig gestel,
herstelde ik spoedig van deze mijne ziekte.
Wel bleven nog eenigen tijd de wortels der van
het tandvleesch ontbloote kiezen gevoelig, doch ook
dit herstelde langzamerhand, bij gebruik van de voor-
geschrevene mondspoeling.
Tot het laatste oogenblik toe had ik dus alles
genegeerd en men kon er zich volstrekt niet op steunen,
dat ik ook in het krankzinnigengesticht aan vergifti-
ging had geloofd. Dit neemt niet weg dat de 1ste
geneesheer van Andel aan mijn neef Gei/pke, com-
missaris van politie te Amsterdam, bij zijn bezoek,
dat eenige dagen later plaats had, mededeelde: dat
ik ook al dacht, dat mij hier in het gesticht in thee
en koffij enz. vergift iverd gegeven,
en liet daarop de
vraag volgen: „Waar moet dat eindelijk heen?\'\'\'
Het is waar er kon geen schoonere reden zijn om
mij opgesloten te houden. Wanneer ik reeds hier in
het gesticht aan vergiftiging dacht, waar zou dat heen
moeten in de maatschappij?
Was door mij alles ontkend tegenover de doctoren
ten opzichte der vergiftiging, inwendig hield ik mij
daarvan zoo zeker, dat die plaats had, als men van
iets ter wereld zeker zijn kan en blijft bij mij die
vaste overtuiging steeds bestaan.
In het hevigste tijdperk der verschijnselen, of wel
— nadat eene goede hoeveelheid vergif, op eene mij
onbekende wijs, door mij was genomen, zoodat daarop
zeer hevige verschijnselen wTaren gevolgd, heb ik daar-
van aanteekening gehouden. Ik heb die verschijnselen
zeer nauwkeurig opgeschreven even als een geneesheer
zulks doen kan aan het ziekbed. Ik heb die aanteeke-
ningen geschreven op twee blaadjes papier, om ze ter
grootte van een duim in het vestzakje te kunnen ber-
gen; meenende — aan welke aanrandingen ik ook ten
doel zou staan — dat men op die plaats geen brieven
-ocr page 41-
•ó\'d
of aanteekeningen zou zoeken. Zij zijn mij echter ont-
roofd, in mijn bovengenoemd geschrift pag. 179—182
beschreven.
Daar er steeds een vast geloof bij mij bleef
bestaan, dat het den Doctoren nooit gelukken zou,
mij voor mijn leven in het gesticht opgesloten te hou-
den, dat ik eenmaal zou ontslagen worden, had ik die
aanteekeningen gemaakt, om die na mijn ontslag aan
de rechtbank overteleggen, zij zijn mij echter ontroofd
op de in mijn geschrift, zijne opsluiting enz., medege-
deelde wijze. Uit het rapport door heeren Inspecteurs
der krankzinnigen aan den Minister van Binnenlandsche
zaken ingediend over het 4de kwartaal van 1884,
blijkt het, dat die aanteekeningen nog steeds in het
bezit zijn van den heer v. And-el.
Uit hetgeen bekend is van dit rapport, blijkt het
tevens, dat de heer v. Andel deze aanteekeningen
gebruikt, om aantetoonen, — zoo als hij met mijne
woorden zou gedaan hebben, wanneer ik het vermoe-
den van vergiftiging\'had geuit, — dat ik steeds aan
vergiftigingsmanie leed, daar ik zelfs in zulk een
onmogelijke zaak daaraan geloofde.
Het is waarschijnlijk deze reden en deze reden
alleen, die mij de laatste vergiftiging deed ondergaan
voor de misdadiger naar Medemblik vertrok.
Mijne aanteekeningen waren hem in handen
gevallen ; onmiddellijk schijnt hij het plan te hebben
opgevat, van dien buit partij te trekken en deze ter
zijner rechtvaardiging te doen strekken, om aantetoo*
nen , dat hij mij terecht in het krankzinnigengesticht
opgesloten gehouden heeft, dewijl ik steeds — bij
simuleering der zaak — aan vergiftigingsmanie leed.
Het was van groot belang, dat hij dit bewijzen
kon ten opzichte van iemand, die niets dan heldere
gedachten had geuit.
Van niet minder belang was het, dat hij bewijzen
3
-ocr page 42-
u
kon, dat ik steeds aan die manie leed, tot op het
laatste oogenblik, dat hij zijne betrekking als genees-
heer in Zutphen waarnam.
Het schijnt mij toe, dat zeer kort na het ver-
krijgen mijner aanteekeningen, dit denkbeeld in zijn
geest is opgekomen en spoedig dien omvang heeft ver-
kregen , dat hij tot de uitvoering daarvan is overgegaan.
De getuigenis van gedachte aan vergiftiging, hem
thans in handen gekomen, dagteekent van half No-
vember \'83.
Met 1 Mei \'84 zou hij vertrekken, het
zou hem dus nog van veel belang zijn nog eene be-
kentenis te hebben van geloof aan vergiftiging in het
krankzinnigengesticht van latere dagteekening.
Kort na de ontrooving mijner aanteekeningen,
die in den nacht van 3 op 4 Maart \'84 plaats had,
gevoelde ik mij weder minder goed, opnieuw zweeten,
verheffing van tanden, wegknaging van het tandvleesch,
kiespijn, enz.; in een woord herhaling van hetgeen
boven is medegedeeld.
Geen letter echter kwam van deze zaak op het
papier.
De heer Van der Lee bezocht mij weder dage-
lijks, en hulde moet ik hier brengen aan het medege-
voel dat in zijn vragen doorstraalde.
Zoo gebeurde het dan ook, dat op de steeds toe-
nemende klachten, de beide heeren Doctoren Van Andel en
Van der Lee mij op den 18 Maart \'84 bezochten.
Ik leidde aan de heeren opnieuw mijne klachten bloot,
en klaagde zeer over de knagende kiespijn, wegens
het verloren gaan van het tandvleesch, waardoor de
wortels meer bloot kwamen. De heer Van der Lee
verzocht mijn tandvleesch te zien en betuigde toen
dat het waar was. Mijn tandvleesch was verloren ge-
gaan in een hooge mate om de wortels der kiezen,
hij zag dit ten duidelijkste.
-ocr page 43-
35
Na deze visite nam mijne ziekte weder een keer
en verminderden de ziekelijke verschijnselen, zoodat ik
4 a 5 dagen na dit bezoek aan den heer Van der
Lee verklaarde: „Dat de kiespijn nu niet erger werd
en mijn kiezen weder meer vast stonden."
De kiespijn hield na deze laatste vergifting zeer
lang aan, een der achterste kiezen werd niet weder
vast en ging verloren, terwijl de overige niet weder
de stevigheid verkregen van vroeger, zoodat ik later
nog een tweede kies heb verloren.
Men heeft hierna alle pogingen gedaan, die men
doen kon, om alle aanteekeningen van mij machtig te
worden. Dit zoeken is deze keer zelfs zoo ver gegaan,
dat men de matras waarop ik sliep, heeft verwisseld,
meermalen mijn kleeding uit de slaapkamer heeft ge-
haald om die te onderzoeken; zekerheid heb ik hiervan
door het verlies van een klein voorwerp, dat nog des
avonds in mijn vestzak was, en later — door het breken
van een potlood; waarschijnlijk dit alles veroorzaakt
door de groote haast waarmede men alles gedurende
mijn slaap naging; zelfs heeft men de tafel uit de
slaapkamer weggenomen en in het lokaal voor de
kerk bestemd, uit elkander geschroefd, om te zien of
niets tusschen die schroeven verborgen was.
Vraagt men mij nu, welk vergift is het geweest,
dat mij is toegediend?
Dan kan ik hierover alleen uit de verschijnselen
oordeelen, doch deze waren zeer duidelijk en sprekend,
zij waren geheel en al dezelfde, die mij vroeger voor-
kwamen en door de chemische onderzoekingen ben te
weten gekomen, te zijn voortgebracht door de murias
pilocarpini
De gevolgtrekking hieruit moet zijn, dat er ge-
meenschap heeft bestaan tusschen mijn zoon den Mijn-
-ocr page 44-
36
Ingenieur en den eersten geneesheer óf rechtstreeks
óf wel door een tusschenpersoon.
Het vergif is toch iets zoo buitengewoons, de
wijze van vergiftiging zoo bijzonder, de verschijnselen
zoo karakteristiek, dat het niet mogelijk is iets anders
aantenemen.
Bij deze mededeeling heb ik de eer UEdel Groot
Achtb. de meest verschuldigde hoogachting aantebieden.
Uw Edel Groot Achtb. Dw. Dienaar,
De. LUIJTEN.
-ocr page 45-
GEVOLG.
Het was op den 2 6 sten Mei, dat ik mij bij den
Procureur-Generaal van het Hof te Arnhem vervoegde,
om eenige inlichting te ontvangen, ten opzichte der
ingediende memorie van beschuldiging; vermeenende
dat er thans tijd genoeg verloopen was sedert de
indiening — (6 April) — om dit onderzoek te wettigen.
Na meer dan een uur gewacht te hebben, werd
ik bij den heer Proc-Gen. toegelaten; de ontvangst
was wellevend, zelfs waren de eerste woorden die
gesproken werden een excuus voor het lange wachten
dat zijn H.E.A. mij had laten doen. Ik antwoordde,
dat wanneer men de reis gedaan had van Amsterdam
tot hier, men dit wachten wel als zeer gering kan
beschouwen.
Hierna maakte ik het doel van mijn bezoek be-
kend, — het verlangen om te weten welk gevolg mijne
ingediende memorie gehad heeft.
Er was geene vervolging ingesteld, werd mij bekend
gemaakt. Er was naar het inzien van den Proc-Gen.
geen voldoend bewijs in de memorie aanwezig, om eene
vervolging intestellen.
-ocr page 46-
38
Ik kon hierop eene uiting van verwondering niet
terughouden.
Er was, verklaarde verder de Proc-Gen. hem geen
vergift ter hand gesteld, waarop hij eene vervolging
zou kunnen instellen.
Ik betuigde opnieuw, dat ik dit alles met groote
verwondering hoorde. „Wanneer door mij als genees-
heer," antwoordde ik, „eenvoudig een vermoeden aan
de Justitie te kennen wordt gegeven, dat er eene ver-
giftiging heeft plaats gehad, wordt er eene vervolging
ingesteld, hoe is het dan mogelijk dat dit thans niet
plaats heeft, terwijl ik dit gevoelen met ontvouwing
der redenen heb bekend gemaakt?"
Opnieuw verklaarde de Proc.-Gen. dat hij uit de
memorie de overtuiging niet verkregen had om daarop
eene vervolging in te stellen.
Ik deed daarop de opmerking, dat vervolgen geheel
iets anders is, als een onderzoek instellen, wanneer
de Justitie het vermoeden heeft van een misdaad.
„Voorzeker" zeide daarop de Proc.-Gen. „wanneer
ik bij vermoeden van vergiftiging door een lijk te doen
opgraven in het bezit van het vergif kon komen, bij
metaalvergiftiging, zou ik dit doen."
„Dit is het juist", antwoordde ik, „waarop ik in
dit geval gehoopt had, dat er een onderzoek zou wor-
den ingesteld naar hetgeen ik heb medegedeeld, of
dat de waarheid was, en zouden zoo vele getuigen
het bewijs geven, wat het vinden van het vergif bij
het lijk zou zijn."
„Het zou misschien de vraag zijn", ging ik daarna
voort, „of niet de 2e geneesheer algeheele inlichting
in de zaak zou geven."
De Proc.-Gen. had geene overtuiging genoeg ver-
kregen om dit onderzoek in te stellen.
De Proc-Gen. raadde mij in ons verder gesprek,
dat steeds in den wellevendsten vorm plaats had, de
-ocr page 47-
39
zaak verder te laten rusten, en zoo min mogelijk aan
die verleden zaak meer te denken, dit zou voor mij
het gelukkigst zijn.
Ik antwoordde dat dit niet juist gezien was, in
rust is voor mij geen geluk. „Telkens komt bij mij de ge-
dachte op „ „in het helderste oogenblik van mijn leven (*)
hebben ze mij in een krankzinnigengesticht geworpen
en daarin 13 maanden opgesloten gehouden.""
Er volgde een oogenblik stilte en ik vervolgde:
„Ik kan in die mishandeling niet berusten."
„Wanneer ik bedenk dat men mij zoo straffeloos
heeft kunnen mishandelen, dan is er voor mij geen
geluk mogelijk."
„Ik zal alles in het licht geven. Ik zal alles bekend
maken, misschien dat het algemeen anders dan U zal
oordeelen."
De Proc-Gen. erkende mij daartoe het recht,
ofschoon hij steeds in denzelfden geest bleef spreken.
Hierna verliet ik de kamer, zoo als men gewoon
is zulk een hooggeplaatst en overigens achtenswaardig
man te verlaten.
Berusten — altijd berusten — berusten moet men
in een zaak die niet meer te herroepen is, zoo zegt
men altijd. En men meent zoo als men dat ook uit
de woorden van den Proc-Gen. gezien heeft, dat ik
daarin het geluk zal terug vinden. Dwaling, niets dan
(*) Dit is de letterlijke waarheid, het was het helderste tijdperk
van mijn leven. Ik wijdde mij in die dagen geheel ea al aan de weten-
schap, nam daarbij alleen zoo veel uitspanning als voor de ontspanning
van mijn geest noodig was. Bij het herzien mijner geschriften, maakte
jk eene nieuwe studie, die ik — voor het op de wetenschappelijke hoogte
brengen van onzen tijd van mijn werk, noodig had. Ik maakte bij
mijn werken eene nieuwe studie der Physiologie Histologie en microscopische
Anatomie.
(Landois 3te Auflage.) Men moet dit werk kennen om te
kunnen beoordeelen welk een taak ik mij zelven had opgelegd.) Zoo
werd ik uit die werkzaamheid plotseling, zonder eenig flauw begrip
der zaak weggehaald, zoo onverwacht, zoo onbegrijpelijk, zoo oninogo
lijk, als het voor iemand is, om bij helderen hemel door een bliksem-
straal getroffen te worden.
-ocr page 48-
40
dwaling. In rust is voor mij geen geluk. In werken,
steeds werken is mijn geluk, en voor het werk dat
ik doen moet, het werk zooals ik dat deed, hebben
de booswichten mijn geest verdorven.
In de zaak berusten, terwijl zij die de mishan-
deling hebben volbracht in eer en aanzien voortleven!
Neen al de kracht die mijn geest nog heeft, heb
ik aangewend en zal ik aanwenden, om het geheele
gruwelstuk in al zijn omvang te doen kennen.
Dit alleen geeft mij tevredenheid, dit alleen geeft
mij kalmte, hierin alleen vind ik rust,