-ocr page 1-
VERSLAG der onderzoekingen, verricht aan de Nederlandsche
tafel in het Zoölogisch Station tan dr. Dohrn te Napels tan
15 Octóber 1886 tot 1 Februari 1887.
Daar de belangrijke vooruitgang die" de plartenphysiologie in de
laatste jaren ondergaan heeft, hoofdzakelijk het gevolg is van het
bestudeeren der levensverschijnselen aan landplanten, stelde ik mij
voor, gedurende mijn verblijf aan het\'Zoölogisch Station te Napels,
te onderzoeken in hoeverre de zeewieren in deze opzichten overeen-
komst vertoonden met de landplanten, daar het te verwachten was
dat de uitkomsten van eenig belang zouden zijn zoowel wanneer ver-
schillen, als wanneer overeenkomst waargenomen werd tusschen deze
in levenswijze zoo geheel verschillende plantengroepen.
In het bijzonder was een verblijf te Napels voor dit doel zeer ge-
schikt, omdat de Golf niet alleen zeer rijk is aan wieren in het al-
gemeen , maar in het bijzonder aan vertegenwoordigers der buitengewoon
interessante groep der eencellige wieren (Coeloblasten), welke ik in
hoofdzaak wenschte te onderzoeken, daar bij deze vele vragen zeer
vereenvoudigd worden, juist wegens hunne ééncelligbeid.
In de eerste plaats bestudeerde ik de protoplasmabewegingen bij
verschillende vertegenwoordigers der genoemde plantengroep.
Reeds dadelijk bood Caulerpa een opmerkelijk verschil met de be-
kende waarnemingen aan. In plaats toch dat het protoplasma in de
verschillende organen rotatie vertoonde, zooals in alle andere sterk in
de lengte gerekte cellen, als bijvoorbeeld bij Nitella, bij de wortel-
haren van Hydrocharis enz., dat wil zeggen zich in een breeden stroom
langs de eene wandhelft op, langs de andere neer bewoog, vond ik
bij Caulerpa dat de geheele wandlaag in rust was, terwijl de proto-
plasmastroomen evenwijdig met de as van het orgaan verliepen, en
uitgesrannen waren tusschen de talrijke, met een protoplasmalaag
bekleede cellulosebalken, die, dwars door de holte gaande, de tegen-
overgestelde wanden met elkander verbinden. In elk dezer stroomen,
die soms zeer dun waren, bewoog zich het protoplasma in tegenge-
stelde richtingen, kleine chlorophylkorrels (in bladeren en rhizomen),
of zetmeelkorrels (in rhizoïden) met zich medevoerende.
Aan de toppen, vooral van goed groeiende rhizomen en bladeren,
waar de chlorophylkorrels ontbreken en het protoplasma wit en zeer
-ocr page 2-
2
ondoorschijnend is, waren stroomingen niet of nauwelijks waar te
nemen.
Wegens hunne geringe dikte en hunne doorschijnendheid waren in
de rhizoïden deze verschijnselen het best te vervolgen, en het was ook
in deze organen dat ik waarnemingen deed die mij tot de meening
brachten dat de cellulosebalken in het inwendige der zeer dunne
protoplasmastroomen zouden ontstaan, en wel in het begin aan beide
einden vrij, en eerst later met de wanden vergroeiende, dus op de
wijze als bij de deeling ia vele cellen met den nieuwen celwand geschiedt.
Later nam ik in het celvoclit der rhizoïden lauge uiterst dunne
naalden waar (die na behandeling met verdund zoutzuur niet meer
zichtbaar waren, en dus waarschijnlijk rhaphiden van zuringzure of
koolzure kalk waren) en die in vorm veel overeenkomst hadden met
zeer jonge losse balken. Om deze reden wenschte ik mijne vorige
waarnemingen aan te vullen en te verifieeren, maar het was mij niet
meer mogelijk fj\\] goed groeieude wortelharen te verschaffen. Wel
groeiden de geheele planten in de proefaquariën uitstekend, en vormden
zij nieuwe bladeren en rhizomen, maar ongeschonden rhizoïden kon
ik niet meer vinden.
Uit eene voor weinige jaren gepubliceerde verhandeling van professor
De Vries was het waarschijnlijk geworden, dat de protoplasmastroomen
in de cellen in hoofdzaak dienen voor het voedseltransport. Ik wenschte
nu ook aan Caulerpa deze meening te toetsen, voor welk doel deze
plant juist bij uitstek geschikt is, wegens hare grootte, hare ééncellig-
heid en de omstandigheid dat zij toch verschillende organen vormï,
geheel alsof zij meercellig ware.
Inderdaad bleek zij aan de verwachting te beantwoorden, daar in
de bladeren (en in deze organen laten zich deze waarnemingen het
beste volbrengen) de protoplasmastroomen altijd in hoofdzaak evenwijdig
met de as loopen, en dus den meest geschikten weg kiezen om een
snelle stofwisseling te veroorzaken. Draagt een blad eene prolificatie,
zoo gaan de krachtigste stroomen, die men reeds onmiddellijk met het
bloote oog als donkergroene lijnen in het blad ziet loopen, van den
bladsteel naarde aanhechtingsplaatsder prolificatie, wederom in hoofd-
zaak volgens rechte lijnen. Snijdt men een zoodanige prolificatie af
zoo verdwijnen deze sterke stroomen na eenige dagen geheel; zoodra
de voeding dus ophoudt, houden ook de stroomen op.
Werden door eene daartoe aangebrachte dwarsche wond de stroomen
onderbroken, zoo werJen deze ook gaandeweg zwakker, terwijl andere
stroomen die recht naar de wondranden heenliepen allengs krachtiger
werden. Deze verandering was in hoofdzaak reeds na 3 a 4 dagen af-
geloopen.
Werd de wond echter zoo gemaakt, dat daardoor de stroom genood-
zaakt zou zijn over eene geringe lengte in tegengestelde richting te
gaan als te voren, zoo hielden de stroomen langs de wonden geheel
op en gedroeg het blad zich juist alsof het geheel afgesneden was.
-ocr page 3-
3
Bij Bryopsis en Codium tomentosum is al het protoplasma wand-
standig, en in deze laag liggen ook de chloropbylkorrels. De proto-
plasmastroomen zijn bij deze planten zeer zwak en moeilijk zichtbaar,
maar steeds gaande van den eenen chloropbylkorrel naar den anderen.
Deze laatste ondergaan daarbij voortdurende langzame plaatsverande-
ringen.
Bij Valonia, waar de chlorophylkorrels, tegen elkander afgeplat,
ook in het waudstandig protoplasma liggen, kon ik geen strooming
van het protoplasma waarnemen.
Reeds sedert verscheidene jaren is het bekend dat bij den groei der
organen van hoogere planten, de turgoruitrekking van den wandeene
belangrijke rol speelt. Ik wenschte nu ditzelfde ook aan de eencellige
wieren na te gaan, omdat de omstandigheden bij dezen veel eenvou-
diger zijn dan bij de eersten, daar de turgorkracht door de geheele
eencellige plant dezelfde is.
Tot dit doel bepaalde ik in de eerste plaats de turgoruitrekking
der verschillende organen van Caulerpa in verschillende toestanden van
ontwikkeling, en vond daarbij dat, terwijl de turgoruitrekking in
volwassen bladeren en rhizomen ongeveer 4-6 pet. bedraagt, deze in
groeiende deelen tot 10 h 15 pet. stijgt, terwijl zij in elk orgaan af-
zonderlijk naar den top toe toeneemt, waar zij bij rhizomen zelfs tot
25 a 30 pot. stijgen kan. Onregelmatigheden bij eenzelfde blad kwamen
echter herhaaldelijk voor.
In aansluiting aan deze uitkomsten heb ik ook getracht de groei-
snelheid van eenzelfde orgaan , blad of rhizom, op verschillende punten
te bepalen, maar niettegenstaande ik dit nagenoeg gedurende mijn
geheele verblijf aan het Station op de meest verschillende wijzen be-
proefcle, gelukte het mij niet daaromtrent eenig gegeven te verkrijgen.
Bij Valonia kon ik aan zeer jonge exemplaren, evenmin als aan
oudere eenige turgoruitrekking constateeren, of hoogstens eene van
niet meer dan 1 pet.
Een tak van Bryopsis daarentegen trekt zich onmiddellijk na het
afsnijden elastisch te zamen, en verkort zich daarbij ongeveer 14 pet.,
terwijl dit in den loop van het volgende halfuur tot 16 pet. klimt.
Ook bij deze plant is de turgoruitrekking aan den top het grootst,
en neemt van daar naar beneden toe af.
Mijn vermoeden dat de meercellige wier, Dictyota dichotoma, zich
als de meercellige organen der hoogere planten zou gedragen, vond ik
bewaarheid, daar bij beide de plaats der grootste turgoruitrekking
niet aan den top, maar op eenigen afstand daarvan ligt.
Door de onderzoekingen van professor De Vries van de laatste jaren,
was men bekend geworden met de grootte die de turgorkracht in
groeiende en uitgegroeide cellen hereiken kan, evenals met eene me-
thode }m deze kracht gemakkelijk en met voldoende nauwkeurigheid
te meten. Deze methode heb ik nu ook op zeewieren toegepast, teu
-ocr page 4-
4
einde te weten te komen hoe deze planten zich in dit opzicht ge-
droegen, die zich voortdurend, in plaats van in de lucht, in een krachtig
wateraantrekkende oplossing, zeewater, bevinden.
Nadat het mij na eenig zoeken gelukt was geschikt materiaal voor
deze proeven te vinden in de groene draadwier Chaetormorpha aerea,
trachtte ik volgens de bedoelde methode de zoogenaamde plasmolytische
grensoplossing te bepalen, dat wil zeggen de oplossing van salpeter,
hier in zeewater, die met even groote kracht water aantrekt als het
celvocht der gebruikte cellen.
Hoewel het bleek dat deze grensconcentratie ongeveer 0.14 aeq. be-
droeg, was het mij niet mogelijk deze met de gewenschte nauwkeu*
righeid te bepalen, daar de uitkomsten van verschillende proeven
dikwijls niet onaanzienlijk van elkander afweken.
Het scheen mij van groot belang toe de oorzaak van deze afwijkingen
op te sporen, en ten slotte bleek mij, dat deze daarin gelegen was,
dat de vacuolenwand der cellen van genoemde wier (en zeer waar-
schijnlijk ook die van eenige andere, als Dicfyota, Lomentaria e. a.)
voor salpeter permeabel is, en dus in dit opzicht een belangrijk ver-
schil vertoont met ditzelfde orgaan in de tot nu toe onderzochte cellen
van landplanten en zoetwaterwieren. Uit verder voortgezet onderzoek
hleek mij later dat diezelfde permeabiliteit ook voor keukenzout en
bovendien voor rietsuiker bestaat.
Overtuigd dat eon verder onderzoek nog meer belangrijke resultaten
op kon leveren, had ik dit onderzoek gaarne voortgezet, doch met
het oog op mijn naderend vertrek moest ik daarvan afzien, zoodat dit
tot later moest uitgesteld worden.
Ten slotte vermeld ik dat ik in de volwassen cellen van Chaetomor-
pha aerea, evenals in die van Codium tomentosum het voorkomen van
meerderevacuolen naast elkander constiteeren kon, welke bij eerstge-
noemde plant tegen elkander afgeplat zijn.
Aan het einde van mijn verslag wenscli ik mijnen dank te betuigen
aan de Nederlandsche Regeering, die mij toestond en iu staat stelde
aan de Nederlandsche Tafel van het Zoölogisch Station te Napels
werkzaam te zijn, evenals aan de commissie uit hoogleeraren die mij
daartoe bij Zijne Excellentie den Minister voorstelde, overtuigd dat
deze gelegenheid om kennis te maken met de rijke flora van de Na-
pelsche Golf, en om de belangrijkste dezer vormen meer in het bijzonder
te bestudeeren, mij van groot nut zal zijn bij mijne verdere weten-
schappelijke ontwikkeling. .Ook aan Curatoren der Rijks-Univirsiteit
te Leiden, en aan den hoogleeraar dr. W. T. R. Suringar mijnen
dank voor de welwillende ondersteuning van mijn verzoek aan Zijne
Excellentie den Minister tot verkrijging van verlof in mijne betrekking
als adsistent aan genoemde Universiteit, gedurende den tijd van mijn
verblijf in Napels.
Leiden, 15 Februari 1887.
Dr. J. M. Janse.