-ocr page 1-
MM ///§f
/bi./óó/,ïï,J*-
^trtU4*nutflti|
BETREKKELIJK
De Familie ELOUT.
Gedrukt
bij C. BLOMMENDAAL
\'s-Gravenhage
1887.
-ocr page 2-
-ocr page 3-
AANTEEKENINGEN
BETREKKELIJK
DE FAMILIE E L O U T*
EL OUT (Francois). De eerste van het geslacht Elout,
die zich in het begin der zestiende eeuw voor goed te Gent
nederzette, was Lieven Jzn. de Hellaut. (*) Hij Avas van
Franschen oorsprong, hebbende zijn vader (jongere zoon van
den sedert 13G0 in Anjou gevestigden tak der sedert tijden in
(*) Eenigszins aangevuld, voor de familieleden overgedrukt uit v. d. Aa\'s
Biographisch Woordenboek, waarin het artikel «Elout» onder toezigt van
Jonkheer J. W. van StpBSTWH , in het bezit van vele familiepapieren, ge-
plaatst werd.
-ocr page 4-
2
Bretagne en Nbrmandie tehuis behoorende familie) gedurende liet
verblijf der Fransche troepen in de Vlaanderen, een huwelijk
aangegaan met Ahha Goethals van Gent, wier leen, de Hooge
Vennet
onder Baerle, overging eerst in 1506 op haar zoon
Gherolf, later in 15.51 op haar kleinzoon; en in de familie
Elout verbleef tot in het laatst der 17e eeuw. De naam van
zijn geslacht werd afwisselend Hellaut , Helot , H eliot , soms
ook zonder H gespeld en bleef lang met den dubbelen letter
r, geschreven; maar later is zoowel in Vlaanderen als in Hol-
land de tweede L en ook de h weggevallen. Lieven had uit
zijn huwelijk met Josina Goethals drie zonen, te weten
Jan, die, te oordeelen naar het «Bidt voor de SieJe» onder
het wapen op zijn grafzerk gesteld in de St. Maartenskerk te
Gent, zich niet aan de partij der Hervormden schijnt te heb-
ben aangesloten en die den 2Csten December 1000 overleed;
Willem, die in 1583 stedekiezer was en Gherolf, vader van
Fran^ois boven genoemd, derde Schepen van den Gedeele te
Gent en gehuwd met Elisabeth de Clercq. Gherolf overleed
te Gent den Uden November 1595 en werd aldaar met zijne
vrouw, die in KiOO stierf, in de St. Maartenskerk begraven,
alwaar hun stoffelijk overschot door eene sierlijke grafzerk
gedekt wordt. De in Vlaanderen gebleven tak stierf uit in de
familien van Coppenolle en van de Woestijne.
Francois Elout, te Gent in 1551 geboren, moet als jon-
geling naar Vallières bij Angers zijn gezonden, om met zijnen
neef, Francois de Hellaut Vallières, eenigen tijd te ver-
blijven; en, daar reeds vroeg het zaad der Hervorming diepe
wortelen bij hem had geschoten, genoodzaakt zijn geweest, toen
in 1572, na den St. Bartholomeus nacht, de bloedige vervolging
-ocr page 5-
3
zich ook tot Angers uitstrekte, zich heimelijk te verwijderen.
Niet zonder moeite zoude het hem zijn gelukt, met andere Fran-
sche vlugtelingen, Vlaanderen te bereiken, en na veel zwervens,
(ook onder de Woud- of Bosch-geuzen, waarom hij bij hét
familie motto «.God laet t/roeien» het «in \'ttvout Eloittf voegde)
binnen Gent te zijn gekomen. Daar bleef hij behooren tot de
ijverige voorstanders der Hervorming, totdat de verovering dier
plaats door Parma, hem, ten gevolge zijner verbanning, nood-
zaakte geboorteplaats en betrekkingen te verlaten en naar Hol-
land te vlugten. Zijne goederen werden verbeurd verklaard en
hij zette zich te Haarlem neder, alwaar hij van 1589 tot 1596
ouderling was der Gereformeerde Kerk. Wij vinden hem daar
in betrekking met den beroemden Vlaamschen leeraar Philip
Andries, en, blijkens de Haarlemsche registers, middenpunt
der Vlaamsche uitgewekenen. Na het overlijden zijner eerste
huisvrouw Josina de Potter, huwde hij Catharina de Vos,
wier ouders reeds vroeger uit Vlaanderen naar Emden waren
geweken. Hij overleed den 209ten April 1615 te Haarlem,
waar zijne afstammelingen, uit zijne zonen Jacob, gehuwd met
Maria van Elsland, en Jan, gehuwd met Maria Hans-
dochter van Loon, verwant met vele aanzienlijke geslachten,
en van welken hierna enkelen worden vermeld, woonachtig
bleven, tot dat in 1811 de Minister Elout, ten einde Napo-
leontische aanstelling in de regering te ontgaan, zich te \'sHage
vestigde. Er berust bij de familie Elout een fraai geschilderd
levensgroot afbeeldsel van Francois Elout, van of uit de
school van Frans Hals, hetwelk later in plaat gebragt, doch
niet in den handel is. Onder de hier niet bijzonderlijk opgeno-
men afstammelingen behooren:
-ocr page 6-
4
a.  Francois Elout , zoon uit het eerste huwelijk van Fran-
901S hovengeuoemd, geboren te Haarlem 1589, bevorderaar
en beoefenaar der schoone kunsten, zie Ampzing 1628,
v. d. Willigen, enz.
b.  Steffen Elout geb. te Haarlem 1646 die met Houtman
en Bicker voor de uitbreiding van den Moscovischen
handel ijverde en daartoe zelf naar Archangel en Moskou
reizen ondernam. (Zie Scheltema, Rusland en de Neder-
landen).
c.   Theodorus Elout, geb. te Haarlem 1660, godgeleerde
en van 1706—1729, predikant te Haarlem.
Zie de Ii\'EsPINOY, Antiguit. de Flandre», p. 981, 932; de Jonöe, Gentsche
Gesch.
D. II. bl. 300; Te Water, Hut. der Hen. l-erk te Gent, bl. «4;
(lra/- en Gedenkschr. der Prnv. Oott-Vlaand. afl. VIII N. II; Archiv. de la
C/iambr. des Compt. Belg. Annot. de Gand
No. 18, 889, 1185; Staten en voor
Schepenen te Gent
1007, No. 170, 175, 179; Memorie Boek der Stadt Genth,
D.
III, bl. 75, 79, de Potter, Geschiedenis der gemeenten in Oost-Vlaan-
deren I bl. 119, Haar]. Kerk registers; uit familieberigten aangevuld.
ELOUT (CORNELIS), zoon van Jacob Elout en van
Eva, Cornelis dochter Akersloot Steyn, werd te Haarlem
geboren den uden Maart 1714, en was aldaar in verschillende
betrekkingen werkzaam, tot zijn dood die den 3den November
1779 plaats had. Hij was een man van studie en smaak, blijkens
ook zijne nagelaten verzamelingen van boeken, schilderijen en
natuurvoortbrengselen; en werd dan ook door zijn neef Pieter
Teyler van der Hulst, tot een der voorzittende leden van
Teyler\'s tweede genootschap benoemd. De inleiding eener
ageschiedenis door Cornelis Elout van de in 1748 te Haarlem
voorgevallen treurige gebeurtenissen», eindigt met deze woorden:
-ocr page 7-
6
«Zoo iemand mijner nakomelingen dit stuk moge lezen, laat
er hem deze lesse uit trekken, welke ik voor mij zelven heb
zoeken te betrachten: ««Vreest God, eert den Koning en ver-
mengt u niet met degenen, die naar verandering staan.»» Deze
woorden en geheel zijn omgang oefenden grooten invloed uit op
zijn kleinzoon, den lateren Staatsminister Elout. Zijn broeder
Jacob Elout, geboren te Haarlem den 2^n Julij 1717, was
aldaar mede in verschillende betrekkingen, ouder anderen in
1748 gecommitteerd tot den ontvang van den omslag in plaats
der afgeschafte pachten en accijnsen, en vervolgens Inspecteur
van des Gemeenenlands middelen. Uit zijne huwelijken met
Sara van Sittart en Maria du ViaxoN, liet Jacob geene
kinderen na.
Zie Vrucht, iugezam. door de Rederijkkam. de Wijugaardrank. D. II. bl.
44; Catalogus Verzameling Elout, gedrukt Haarlem N. Beets 1780 enz.
ELOUT (Cornelis Pieter), zoon van Cornelis Elout
Ik>vengenoemd en van Maria Dom van Wijnandts, werd te
Haarlem geboren den 3lsten October 1742. Zijne betrekkingen
van Eaad in de Vroedschap, Schepen, Thesaurier en Hoofd-
Officier legde hij, bij de verandering der regering, in 1788
neder, doch nam de laatste in 1796, het jaar van zijn dood,
weder voor korten tijd waar. Hij was een man die om zijne
persoonlijke hoedanigheden de algemeene achting en het ver-
trouwen genoot. Uit zijn huwelijk met Sara Salome van Orsoy,
werden hem drie zonen geschonken, van welke de oudste Cornelis
Theodorus hier volgt; de tweede, Jacob Nicolaas, trad, na
volbragte regtsstudien te Leiden, in de krijgsdienst, welke hij in
1809 als kapitein der Gardes van koning Lodewijk eervol ver-
-ocr page 8-
6
liet; hij werd vervolgens Griffier der Eegtbank te Haarlem,
iu 1815 Referendaris bij den Raad van State, en stierf den 4<len
Februari]\' 1830 als lid der permanente commissie van het Amor-
tisatie Syndicaat, ongehuwd te Amsterdam alwaar hij in het
moederlijk graf der Orsoy\'s werd begraven; de jongste, Jan
Salomo, overleed als cadet der marine op jeugdigen leeftijd.
C. P. Elout was Heer van Schooten en Hoofd-Ingeland
van het Hoogheemraadschap «de Houdsbossche» voor de stad
Haarlem.
Zie Xeil. Jaarb. 1771—1788; Staati-Mmanak 181(>—1880, voorts uit familie-
berigten bijeengebragt.
ELOUT (Cornëlis Theodorits), zoon van den voorgaande,
werd geboren te Haarlem den 22*ten Maart 1767. Deze stad
bleef hem dierbaar en hij was gelukkig in 1814 te kunnen
medewerken tot de vestiging aldaar van den zetel der provin-
ciale regering; (Zie dankbrief Burgemeester Hoeufft 9 April
1814 bl. XVIII Bijdr. 1805) en in 1825 als Minister o. a. van
Nijverheid tot het doen houden te Haarlem van de eerste Natio-
nale Tentoonstelling. — Met de vrienden zijner jeugd, allereerst
met Baron VAN Leijden van Westbarendrecht (wiens vader
met Elout\'s vader zitting had in de stedelijke regering); voorts
met J. P. van Wickevoort Crommelin, J. van Styrum,
Reuvens enz. werd de* betrekking trouw aangehouden. Elout
genoot eene zorgvuldige opleiding en volbragt zijne regtsgeleerde
studiën aan de Leidsche Hoogeschool, waar hem het onderwijs
van de beroemdste mannen dier dagen te beurt viel. Na zijne
bevordering tot Doctor in de Regten, vertrok hij, ter ui toefe-
ning der Regtsgeleerde praktijk, naar Amsterdam onder leiding
-ocr page 9-
7
o. a. van Prof. Cras en Mr. E. J. Schimmelpenninck, en
werd iu 1793 benoemd tot Baljuw, Dijkgraaf en Opperstrand-
voogd van Texel, welke post, naar zijne verzekering hem door
het ongenaakbare soms van het vaste land en de noodzakelijk-
heid alzoo van zelfstandig te besluiten en te handelen hem
voorbereidde voor de gevvigtigste betrekkingen, waartoe hij
later, bijv. in Indië werd geroepen. Het was op Texel dat hij
werd belast met de bewaking en verzorging der Fransche krijgsge-
vangen officieren, van welke opdragt een verslag op \'s Rijks archief
berust. — In 1874 was het een\' zijner zonen een voorregt op
Texel te mogen medewerken tot verlevendiging van het gods-
dienstig element en ter oprigting van Christelijke Bewaar- en
Zondagschool. In 1794 trad Elout in het huwelijk met Hen-
riette Josina van Eybekgen (een naam door Koeverden
en Senef met eere bekend). Deze voortreffelijke vrouw, god-
vreezeud, zachtmoedig en nederig stond bij Elout\'s herhaalde
afwezigheden met waardigheid aan het hoofd van haar talrijk
gezin. Zij stierf 17 Januarij 1853 in hoogen ouderdom, diep
betreurd door de haren, alom geëerd en bemind. Ten jare 1796
werd EiiOUT benoemd tot Raad in het Hof van Holland en
Zeeland, waarin hij tot in 1802 zitting had, toen hij tot Pro-
cureur-Generaal bij het Nationaal Geregtshof werd aangesteld.
Het was eerst in deze betrekking dat hij zich meer zag ge-
roepen tot bemoeijing met zaken van staat, waaraan hij zich,
vóór en na de omwenteling van 1795, zooveel mogelijk had ge-
zocht te onttrekken, zoowel uit overtuiging\' dat de gebreken
van den vroegeren regeringsvorm geleidelijk hadden kunnen
worden verbeterd, als uit weerzin tegen allen geweldigen om-
mekeer en tegen het inroepen van vreemde hulp. In 1804 ge-
-ocr page 10-
8
raadpleegd over eene wet op het lager onderwijs waarschuwde
hij tegen het ontaarden van Staatszorg in Staatsmonopolie.
Kort daarna werd hij met de Heeren C. A. Ver-huell en J.
W. Jaxssexs, door den Aziatischen Raad voorgedragen tot
Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, welks belangen hij
meer had bestudeerd sedert hij in 1791 de Heeren Commis-
sarissen-Generaal Nederburgh en Frijkexius als Secretaris
naar Java zoude hebben vergezeld. Die voordragt bleef buiten
gevolg, maar in 1805 werd Elout, na het Ministerie van
Binnenlandsche Zaken te hebben geweigerd, door den Raad-
pensionaris Schijdieu\'EXXIXCK, aangesteld tot Commissaris-
Generaal over Nederlandsch-Indië, werwaarts hij in 1806, om
de moeijelijkheden met Engeland, de reis over de Vereenigde
Staten aanvaardde. Kort vóór zijne inscheping naar Java, na
een belangrijk verblijf van eenige maanden iu de Vereenigde
Staten ontving hij te New-York, waar hij de gewigtigste
papieren in bewaring liet, zijne terugroeping, met de tijding
van koning Lodewijk\'s troonbeklimming, en van zijne ver-
vanging door Daexdei.s in het bestuur over Indië. Na zijne
terugkomst in het vaderland werd hem, met de Heeren Rev-
vens en van Musschexbroek , de vervaardiging opgedragen
van een crimineel Wetboek, waartoe het aandeel door hem
genomen aan dat van 1804 (door Cras en Kemper zoo uit-
nemend geprezen) hem bijzonder aanwees. Daarop volgde zijne
benoeming tot lid van den Staatsraad en tot President dei-
derde sectie. Meer dan ééne belangrijke taak werd hem opge-
dragen (Zie Bijdragen 1874 uit Elout\'s nagelaten papieren).
Bij den afstand van Koning Lodewijk ontving hij de op-
dragt om der Koningin Hortense het regentschap aan te
-ocr page 11-
9
bieden; hij weigerde die, in de overtuiging dat de Keizer geene
andere bedoeling had dan Holland\'s inlijving. Die opdragt werd
daarop door den Baron van Spaen vervuld. Elout werd lid der
commissie, belast om te Parijs Hollands belangen te behartigen
en leerde Napoleon van de meest ongunstigste zijde kennen;
zijnde zijne aanteekeningen daaromtrent op het Rijksarchief
gedeponeerd. Na de inlijving onttrok hij zich daarom aan alle
dienstbetrekkingen ofschoon men hem steeds bereid vond de
belangen van het arme Holland door inlichtingen en adviezen
te dienen; hij vestigde in 1811 zijn verblijf te \'s Gravenhage,
waar hij in nauwere betrekking kwam tot de eerbiedwaar-
dige mannen, aan wier moed en beleid onder Gods zegen de
heugelijke en geheel nationale zelfstandige ommekeer van zaken
in 1813 is te danken. Van den aanvang af oefende hij grooten
invloed uit op de grondslagen van den nieuwen regeringsvorm, en
werd hem eene plaats gegeven in de commissie, bestemd tot
het ontwerpen der staatsregeling, waarop de Souvereine Vorst de
Nederlanden zoude regeren. Elout won spoedig het vertrouwen
van zijnen Vorst, werd lid van den Raad van State en van de
vereenigde Noord- en Zuid-Nederlandsche commissie tot herzie-
ning der grondwet, in welke beide betrekkingen hij (getuige ook
Hogendorp, Falck en Raepsaet) uitnemende diensten bewees,
het vertrouwen wist te winnen der Belgen, onder anderen van
den Graaf de Merode, en zich als een der beste hoofden van
Holland, warsch betoonde van centralisatie en albemoeijenis
van den staat in godsdienst, onderwijs, wetenschap, handel,
nijverheid, en gezet op ware vrijheid en een krachtig bewind.
Bepaaldelijk ijverde hij met vrucht voor vrijheid van drukpers,
openbare beraadslaging der Staten-Generaal, uitsluiting van alle
-ocr page 12-
10
monopolie in de overzeesche bezittingen. Intusschen was Elout
reeds in September 1814 nevens de Heeren van der Capellen
en Buyskes benoemd om als Commissarissen-Genevaal, onder
welke hem de eerste rang was toegekend, Nederlandsch-Indië
uit de handen der Engelschen over te nemen, en er de zaken
te regelen. Door Napoleon\'s landing vertrok de vloot eerst in
October 1815 onder bevel van den Schout bij nacht Buijskes,
terwijl het linieschip de Evertsen voor de heen en weder reize,
ter beschikking van Elout werd gesteld. Elout volbragt zijne
taak op uitnemende wijze; geen punt van gewigt werd uit het
oog verloren, blijkens de minuten der gewigtigste stukken van
zijne eigene hand in Indië berustende; elk waar belang, ook
der inlanders, alle redelijke vrijheid werd behartigd, en, na
eene briefwisseling met Wilberforce, hoopte hij ook aan de
slavernij door de resolutie tot vrijverklaring van de uit de slaven
geboren kinderen, een einde te zien. De resolutie werd niet uit-
gevoerd en zoo werd die afschaffing eerst in 1864 tot stand ge-
bragt. — In Januarij 1819 wijdde hij met een sierlijke rede
de hooge regering van Indië in en aanvaardde de terugtogt op
de Evertsen. Die bodem bleek echter spoedig in het heete
klimaat veel te hebben geleden. Lek op lek openbaarde zich;
elf dagen lang was het schip in groot gevaar van zinken. Elout\'s
beradenheid en berusting in hoogeren wil verlieten hem niet, en
kwamen ook den Schout bij Nacht Buijskes te stade, door
wiens beleid en ervarenheid het schip tot bij het eilandje Diëgo
Garf ia
werd gestuurd, waar een Amerikaansche brik de equi-
page redde, terwijl de Evertsen met alles wat het ook voor
Elout kostbaars inhad, een prooi werd der golven. Over St.
Helena (waar hij Napoleon\'s uitval, ten jare 1810 hem toe-
-ocr page 13-
11
gevoegd: «Comment! s\'opposer a moi! il faut bien que mon
char marche» zoo vernederend zag beantwoord). In Octo-
ber 1819 in het vaderland teruggekeerd, werd hij daar
met veel hartelijkheid en onderscheiding ontvangen. Nog
vóór zijne wederkomst had hij een vereerend bewijs van ver-
trouwen ontvangen, door zijne benoeming voor Holland tot
lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; hij meende
echter dat eerbewijs niet te mogen aannemen, deed verslag van
zijne zending en bedankte voor het hem toekomende pensioen
van f 6000. Zijne diensten werden gedurende Falck\'s verblijf
te Weenen ten behoeve van het Departement van Koloniën
ingeroepen, totdat in het volgend jaar Elout als Plenipoten-
tiaris naar Londen vertrok, om nevens den Ambassadeur Fagel
met de Britsche Commissarissen Lord Castlereach en Can-
ning de wederzijdsche aangelegenheden in Indië te regelen;
hierdoor werden de grondslagen gelegd voor het tractaat van
1824. In Mei 1821 benoemd tot Minister van Finantiën, had
hij het voorregt dadelijk tot een beter handel- en belasting-
stelsel mede te werken; in het beheer wenschte hij eenheid en
openbaarheid met eene wijze en spaarzame besteding van \'s lands
penningen te paren, hij ving aan het muntstelsel te verbeteren
en de loterijen gedeeltelijk af te schaffen, gedeeltelijk in te krimpen.
In 1824, na FALOK\'s benoeming tot Ambassadeur te Londen, ver-
wisselde Elout het departement van Finantiën met dat van
Nijverheid en Koloniën. In 1825 werd dat van Marine daarbij
gevoegd. Moeijelijk en gewigtig was de taak in beide takken
van beheer. De Marine eischte groote inspanning en uitgaven.
De toestand der W.-I. Bezittingen vorderde buitengewone maat-
regelen en, in 1827, de zending van den Gen. van wen Bosch.
-ocr page 14-
12
Oost-Indië bood niet meer de gunstige resultaten aan, bij Elout\'s
vertrek zoo zigtbaar het gevolg van het aangenomen stelsel.
Nederland had bijna opgehouden de markt te zijn van Java\'s
producten, en de invoer op Java geschiedde grootendeels voor
Engelsche rekening. De oprigting der Handel-Maatschappij op
Elout\'s voordragt, moest voorzien in hetgeen de particuliere
handel niet deed of niet vermogt, zonder echter dien handel
te benadeelen. Belangrijke geldleeningen, toegestaan vooral ten
gevolge van Elout\'s ronde mededeeltogen en toezeggingen,
moesten het Indisch bestuur in zijne verlegenheid te gemoet
komen, terwijl de Javasche oorlog sedert 1825 de uitzending
van talrijke militaire versterkingen vereischte. De instructien
voor den Commissaris-Generaal nu Bus de Ghisignies, de
intrekking der publicatiën van den 6den en den 20sten Mei
1823 bewijzen Elout\'s veerkracht, gezonde staatkunde, en zijne
voortdurende zucht om Java door hechte banden aan het
moederland te verbinden en daartoe Europeesche bevolking
en kapitaal te bezigen (gelijk o. a. door de Wilde en
Money). Aanvankelijk vleide hij zich zijn stelsel te zien
omhelzen door den op zijne voordragt in 1829 benoemden
Gouverneur-Generaal van den Bosch. Het bleek echter anders
te zijn, en op de verklaring des Koniugs, dat de omstan-
digheden van \'s lands finantiën voorschreven, met terzijde-
stelling van politieke en commercieele beschouwingen, voor
\'s hands de voorstellen van den nieuw benoemden Gouverneur-
Generaal te volgen, onttrok Elout zich, niettegenstaande de
waarlijk vleijende en dringende pogingen van den Koning, van
sommige zijner ambtgenooten, van den Gouverneur-Generaal
van den Bosch zelven, van het Bestuur der Handel-Maat-
-ocr page 15-
115
schappij en anderen, aan de verdere behandeling van zaken,
en achtte hij, dat er in \'s Konings dienst genoegzaam zoude
worden voorzien, door de benoeming van den toenmaligen
Directeur Baud tot Hoofd van een afzonderlijk departement
van Koloniën.
Op de meest eervolle wijze en met behoud van den rang
en titel van Minister van Staat, toen zelden geschonken, werd
het bij herhaling gevraagd ontslag verleend. Ook na het ver-
laten van het departement hielden hem nog gewigtige werk-
zaamheden bezig. Eerst die betrekkelijk de nieuwe organisatie
der Marine, vervolgens verschillende anderen, onder welke het
hem met de HH. Minister van Buitenl. Zaken Verstolk van
Soelen en den Chef van den Generalen Staf de Constant
Rebecque opgedragen onderzoek der Canada -quaestie, waar-
van de beslissing door Groot-Brittanniën en de Vereenigde
Staten aan den Koning der Nederlanden was opgedragen;
terwijl den 29 April 1833 op \'s Konings last een hoogst ge-
wigtig en uitgewerkt verslag, 319 folio bladzijden groot, opge-
volgd den 10 Junij door een ander, groot 193 folio bladzijden,
van zijn bestuur der Koloniën door Elout werd ingediend.
Kunsten, letteren en wetenschappen vonden in hem, ofschoon
door de menigte zijner bezigheden belet door eigen schriften
tot hare bevordering mede te werken, een gastvrij en ijverig
voorstander, en Elout verdient geteld te worden onder de
eerlijkste, verlichtste, welsprekendste en tot heil des vaderlands
meest onvermoeid" werkzame Staatsmannen, op welke Nederland
in de laatste zestig jaren roem mogt dragen. Behalve boven
bereids genoemde, mogen onder Elout\'s meest vertrouwde
vrienden worden aangewezen, zijn neef Mr. D. J. van Lennep,
-ocr page 16-
14
wien bij Eloüt\'s zending naar Indiê de zorg voor zijn zonen
werd opgedragen, Mr. A. E. Falck, Jonkhr. Everard van
Weede van Dijkveld, J. A. van Lennep. — Zijne laatste
levensjaren bragt hij afwisselend op zijn landgoed Voorlinden
of te \'s Hage door, en hij ontsliep ter laatstgemelde plaatse op
den 3den Mei 1841. Zijne laatste woorden waren: «Ja, genade
alleen!" Hij was Ridder-Grootkruis der orde van den Neder-
landschen Leeuw, waarvan hij, bij de oprigting dier orde, tot
Kommandeur benoemd was. Hij was voorts lid van de Maat-
schappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden en Directeur
der Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem.
Vier dochters, allen in den Heer ontslapen, werden hem uit
zijn voormeld huwelijk geschonken. De oudste Süzanna Sara,
trouwde den Luit.-Kolonel Th. Gevers ; (*) de tweede, Jacoba
Petronella, huwde het Haarlemsche raadslid J. J. de Bruijn
Prince. Beide lieten kinderen na. Van vijf zonen werden er
hem twee door den dood ontrukt. Een zoon, Arend Jan,
van uitstekende begaafdheden, ontsliep in 1822 als Candi-
daat in de Regten aan de Hoogeschool te Leiden. Een ander,
Jacob Nicolaas Jan, aangesteld als President van den Raad
van Justitie te Padang, stierf aldaar in den geloove, onder de
trouwe toespraak van den Zendeling Hartig, op 10 Junij 1834.
De levensschets des oudsten zoons, Cornelis Pieter Jacob
volgt. De twee andere hem overlevende zonen zijn :
(*) Hun zoon Jonkheer T. Gevehs gep. majoor, oud-Burgemeester van
Doesburg, is thans Directeur ter Thesaurie des Konings.