-ocr page 1-
!>
i
~
Dl NEDIRLANDSCHE ZEEMACHT
UOOIt
1
W, A, ARRIENS,
Kapitein ter p e e.
i
»
i
<
2V#* ƒ !,££.
•
•.
:
1
il
1
.
,
•
.
liOTTERDAM,
DUCROISSI GOETZEE.
1888.
-
-ocr page 2-
1
>
mm
:M<&^
-ocr page 3-
Dl NEDERLANDSCHE ZEEM
DOOR
W. A. ARRIENS,
J(apitein ter £ e e.
-«oojgoo->-
ROTTEEDAM,
DUCftOISSI GOETZEE.
1888.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000011752387B
1175 2387
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Naar aanleiding van het afstemmen der post voor ver-
bouwing in het Ministerie van Marine in de Zitting van
de 2e Kamer der Staten Generaal van 20 December jl.,
wordt door het Algemeen Handelsblad van 21 December het
volgende gezegd:
»Aan het einde der Zitting werd met 34 tegen 30 stemmen
»een post van ƒ 51.000 verworpen, bestemd voor verbou-
»wingen in het Ministerie van Marine, en zulks niettegen-
»staande de betrokken Minister zelf de noodzakelijkheid van
»nieuwe lokalen bij de uitbreiding van personeel voor zijn
»departement verdedigde. De Heer van Alphen heeft de eer
»dezer overwinning. Hij meende dat waar de Marine in
»zulk een slechten staat verkeerde, ook geen geld behoefde
»te worden toegestaan om de gebouwen te \'s Gravenhage
> zoozeer te verbeteren. Wij zullen daaromtrent niets zeg-
»gen, maar betreuren toch de wijze waarop deze afgevaar-
»digde zich in \'s lands vergaderzaal over den toestand onzer
»krijgsmacht ter zee, onder toejuiching van zeer vele leden,
»vroolijk maakte. Zulks is onverdiend en ware de bewering
»juist, dat wij ons over onze marine moesten schamen, dan
»behoorde een volksvertegenwoordiger over dit hoogst be-
»treurenswaardige feit op eene andere wijze te spreken dan
»de Heer van Alphen deed."
Alhoewel nu de Heer van Alphen zich bij zijne verklaring
>dat wij alle reden hebben om ons te schamen over onze
-ocr page 6-
4
marine ter zee," (deze laatste toevoeging is niet erg duidelijk)
beroept op de getuigenissen der deskundigen, waarop hij in
zijne eerste rede wees, zoo ligt in het feit dat zich geene
enkele stem verhief om tegen deze verklaring protest aan
te teekenen (de Minister van Marine liet haar zeer terecht
overeenkomstig hare waarde) eene stilzwijgende instemming
opgesloten. Voorwaar eene betreurenswaardige nalatenschap
voor de Kamer van honderd.
Onder deze omstandigheden zal zeker de hoop van ieder
Nederlander, die voor het vadterland eene goede zeemacht,
waarover wij ons niet meer zullen hebben te schamen, even
noodig als gewenscht acht, gevestigd zijn op het tegenwoordig
hoofd van het voor ons land zoo belangrijke Departement
van Marine en op de thans opgetreden Kamer.
Daartoe mede te werken, door aan te geven wat ik
daarvoor noodig acht, is de bedoeling dezer bladzijden. Zoo
min mogelijk zal ik daarbij in herhaling van het reeds
meermalen gezegde vervallen, hier en daar is zulks echter
onvermijdelijk.
De taak der Ned. Zeemacht kan verdeeld worden in twee
groote onderdeden, namelijk die welke zij in het Moeder-
land en die welke zij in de Koloniën te vervullen heeft.
Eerstgenoemde, welke tengevolge van veranderde tijds-
omstandigheden in algemeenen zin tot kleinere proportiën is
teruggebracht, splitst zich weder in 2 onderdeden, naarmate
zij betrekking hebben op oorlogs- of vredestijd.
Ten einde in oorlogstijd in staat te zijn het belangrijk
aandeel in de verdediging naar behooren te vervullen, moet
het daarvoor benoodigde materieel steeds gereed en het
personeel steeds beschikbaar en voldoende geoefend zijn.
Tot het oefenen van het personeel bepaalt zich hare taak
in vredestijd. Hiertoe moet gerekend worden te behooren
-ocr page 7-
5
zoowel het behandelen en vertrouwd worden met het ma-
teriëel, het bekend worden met de verschillende vaarwaters,
het opleiden van jeugdige schepelingen, het vormen van
geschikte onderofficieren, kanonniers, schutters enz., alsook
het opdoen van de zoo onmisbare zeemanschap buitengaats,
kunnende dit laatste tevens dienstig gemaakt worden aan
het vertoon der vaderlandsche vlag in verre gewesten en
aan aflossing van het in de Koloniën vertoevende personeel.
Is deze taak zoowel in oorlogs- als in vredestijd belangrijk
te noemen, niet minder is zulks het geval met dat gedeelte
hetwelk de Zeemacht in de Koloniën heeft te vervullen.
Niet alleen dat zij ook daar, alhoewel slechts op beperkte
schaal, moet medewerken tot de verdediging der Koloniën
tegen een buitenlandschen vijand, maar zij strekt zich aldaar
ook uit tot de handhaving van het gezag, bescherming van
personen en eigendommen, van handel en nijverheid.
Terecht zegt dan ook de oud Kapt.-Luit. Kniphorst in
zijne «Indische Marinediscussiën," voorkomende in de Juli-,
Aug.- en Sept.-afleveringen van de Indische Gids, jaargang
1887 (*) «dat de Nederlandsche Marine juist in de omstan-
>digheid dat Nederland eene Koloniale Mogendheid van den
«eersten rang is, haar grootste reden van bestaan heeft en
«dat het hare roeping is het uitgebreid Koloniaal eilanden-
«rijk niet slechts te helpen besturen, maar ook voor onze
«nakomelingschap te helpen bewaren."
Evenzoo wees de Heer Fransen van de Putte bij de be-
handeling der Marine-begrooting voor 1886 nog op de
noodzakelijkheid eener goede Zeemacht in Ned. Indië, er
bijvoegende: »Ned. Indië is niet te behouden zonder Marine
en onze Marine heeft geen recht van bestaan zonder Koloniën."
(*) Deze hoogatbelangrijke artikelen worden zeer ter lezing aanbevolen.
-ocr page 8-
6
En dit gedeelte van de taak onzer Zeemacht wordt vol-
gens mijne overtuiging hoe langer hoe belangrijker, wanneer
wij, lettende op hetgeen elders gebeurt en hetgeen hier en
daar verkondigd wordt, dat eilandenrijk ongeschonden willen
bewaren, ons gezag aldaar op afdoende wijze willen blijven
handhaven en zijne ontwikkeling zooveel mogelijk willen
bevorderen.
Wat de handhaving van ons gezag aangaat, zoo hebben
verschillende omstandigheden, die zich in het afgeloopen
jaar hebben voorgedaan, de noodzakelijkheid eener voldoend
sterke zeemacht opnieuw aangetoond; mijne in de laatste
jaren herhaald uitgesproken overtuiging is dan ook door de
verschillende gebeurtenissen volkomen bewaarheid.
In hoeverre nu deze omstandigheden (*), ik heb hier het
oog op het voorgevallene met de vorsten van Loewoe,
Boeton en Lombok, de voortdurende weinig vertrouwbare
toestand in Djambi, alwaar, terwijl er in vroeger jaren bijna
nimnw een oorlogschip noodig was, nu sints verscheidene
jaren voortdurend twee vereischt worden ter beveiliging der
vaart op de rivier en bescherming onzer nederzetting, in
meerdere of mindere mate zijn toe te schrijven aan den on-
gunstigen invloed die de voortdurende oorlogstoestand op
Noordelijk Sumatra op ons prestige daarbuiten uitoefent,
een invloed waarop door zeer bevoegde ambtenaren meer-
malen is gewezen, is moeielijk met juistheid aan te geven.
Waaraan deze feiten dan ook zijn toe te schrijven daar-
latende, zijn zij echter ernstig genoeg om de aandacht er
op te vestigen.
En wat Atjeh betreft, ook hier hebben de gebeurtenissen
(*) Op de gebeurtenissen in 1882 en volgende jaren in Indragiri, Z/O. en
W.afd. van Borneo zal ik hier niet andermaal wijzen.
-ocr page 9-
7
der laatste jaren mijne bewering opnieuw bewaarheid, dat
de Zeemacht aldaar onvoldoende sterk was om naar behooren
haar taak te vervullen, vooral ook in verband met den toe-
stand waarin sommige schepen verkeerden.
Uit de herhaalde aanvallen, soms op groote schaal,
op Poeloe Bras en andere voorvallen blijkt dat de on-
veiligheid ter zee aldaar zelfs zeer dicht nabij onze ves-
tiging geheel onvoldoende was, tengevolge van onvoldoende
bekruising.
Dat eene sterkte van 4 schepen in een station, welks
kruisgebied zich uitstrekt van Singkel aan de West- tot
Deli aan de Oostkust (*), vooral wanneer zich bijzondere voor-
vallen voordoen waarvoor het optreden van een gedeelte
dier scheepsmacht noodig is zooals bijv. bij het gebeurde
te Troemon, en hun bovendien de bescherming en controle
der peperuitvoer wordt opgedragen, behoeft geen betoog en
strekt slechts tot bestendiging van den thans bestaanden
toestand. Het onvoldoende dezer sterkte trad nog zeer dui-
delijk in het oog bij de gebeurtenissen van 1 en 2 Oct. jl.
Uit de bij de Indische Regeering ingekomen rapporten in
dd. 4 en 7 Oct. blijkt toch dat toen op den 1 Oct. besloten
was den vijand op den volgenden morgen uit zijne stellingen
te verdrijven en het noodzakelijk bleek daarbij de Kw. Gigien
nauwkeurig te doen bewaken, ten einde te voorkomen dat
3 groote met vijanden bemande sampangs naar buiten kwa-
men om versterking aan te brengen, er geen oorlogschip ter
reede aanwezig was
om daarmede belast te worden, zoodat
deze taak moest opgedragen worden aan een Gouv. S. En
dit was het geval niettegenstaande er reeds gedurende eenige
(*) Bekruising van de verdere kuststreek der Res. Oostkust van Sumatra is
evenzoo noodig, op grond der gevallen van zee- en strandroof, welke daar nu en
dan voorkomen, doch had bijna nimmer plaats in de laatste jaren.
-ocr page 10-
8
dagen min of meer vertrouwbare berichten omtrent Toekoe
di Tirou\'s aanvalsplannen waren ingekomen.
Zeer gelukkig mag het dan ook genoemd worden, dat
nog in den avond van dien dag eerst Z. M. Bali en daarna
de Batavia ter reede kwam, waardoor het mogelijk werd
zoowel genoemde Kwalla nauwkeurig te bewaken als 2 ge-
wapende sloepen op de Kw. Atjeh te posteeren; aan deze
afsluiting en aan het succes der in de berichten genoemde
hinderlaag moet toegeschreven worden, dat de vijand in stede
van 800 a 1000 man slecbts 400 a 500 sterk was.
Feiten zooals dit, en de zooeven genoemden kwamen dan
ook bijna nimmer voor, toen het station door een grooter
aantal schepen was bezet.
Zoolang de toestand te Atjeh niet verbeterd is, mag de
reede van Oeleh-leh m. i. nimmer van een oorlogschip ont-
bloot zijn en ik blijf van oordeel dat eene krachtige zee-
macht een der beste hulpmiddelen is om in dien toestand
verbetering aan te brengen, vooral wanneer niet telkens een
ander stelsel wordt beproefd en getracht wordt onzen invloed
zooveel mogelijk te doen toenemen op de belangrijkste kust-
plaatsen, die zeer ten onrechte bij de concentratie zijn
verlaten.
Van verschillende zijde is reeds gewezen op de uitmun-
tende ligging van Atjeh op de groote route van Europa
door het Suezkanaal naar China en Australië. Wil men in
afwachting der pacificatie van Groot Atjeh reeds nu voordeel
trachten te trekken van de gunstige gesteldheid welke som-
mige aangrenzende eilanden, zooals bijv. P. Way opleveren
bijv. voor het oprichten van een kolenstation, dan is ook
hiervoor volledige veiligheid der omliggende kusten en vaar-
waters een eerste vereischte.
En dit geldt niet alleen voor Atjeh\'s kusten, maar in
-ocr page 11-
9
even sterke mate voor het overige gedeelte van ons uitge-
breid eilandenrijk.
De verdere ontwikkeling en bloei onzer O. I. bezittingen
zal toch volgens mijne meening voor een groot gedeelte
moeten gezocht worden in het productief maken van zoovele
thans nog nagenoeg geheel braak liggende gronden. Reeds
meermalen heb ik op de bloeiende Oostkust gewezen als het
lichtpunt der geschiedenis dier Koloniën in de laatste jaren.
Evenzoo heeft de Britsche Noord Borneo Compagnie (*)
sedert haar kortstondig bestaan getoond wat er ten minste
van dat gedeelte van Borneo te maken is, ten gevolge waar-
van dan ook reeds verschillende aanvragen om grond van
wege Hollandsche maatschappijen bij haar zijn ingekomen (f)-
Wil zich echter ook in de streken tot ons gebied behoo-
rende en aan genoemde maatschappij grenzende, of zich
verder zuidwaarts langs onze kust uitstrekkende, een der-
gelijk gunstige toestand ontwikkelen, dan is ook daar
afdoende bescherming en volledige veiligheid ter zee noodig
en deze kan vooral in den eersten tijd op geene betere wijze
verkregen worden dan door een veelvuldig vlagvertoon en
kruisen onzer oorlogschepen.
En van hoeveel belang dit laatste in die uitgestrekte en
verafgelegen kustlanden is, waar onze invloed nog zoo ge-
ring is om den slavenhandel te doen ophouden, moge blijken
uit het volgende. Ten gevolge der zeer actieve bekruising
(*) Het artikel »de Noord Borneo Compagnie," Indische Gids, afl. Jan. geeft
eenige bijzonderheden, ontleend aan het verslag der 10e halfjaarlijksche verga-
dering, op 7 Dec. \'87 gehouden, eu verdient daardoor zeer de aandacht.
(t) Nog onlangs vermeldden de dagbladen de oprichting der Noord Borneo
Tabakmaatschappij, bevattende p.m. 4000 heet., gelegen op het gebied der B. N.
B. Cï. met de afgetreden Min. van Koloniën als een der commissarissen!
Welk eene tegenstelling met de vooruitgang in ons gebied aldaar, ook onder
het vierjarig bestuur van dezen Minister.
-ocr page 12-
10
dezer kusten gedurende de jaren 1878—1884, kwamen sla-
venliandel en zeeroof aldaar blijkens de K. V. aan het
einde van dit tijdperk nagenoeg niet meer voor. Toen
echter na opheffing van het station aldaar in Juli 1884
deze streken in de daaropvolgende jaren ten gevolge van
gebrek aan oorlogschepen zelden meer werden bezocht, na-
melijk slechts in Oct./Nov. 1884, Dec. 1885 en Juli/Sept.
1886, bleek het uit de rapporten betreffende laatstgenoemde
reis, welke toestand aldaar weder was ingetreden en van
hoe weinig uitwerking de plaatsing van een controleur aan
de Tawao, niet voorzien van voldoende hulpmiddelen, was
geweest.
Heb ik reeds vroeger gewezen op de belangrijke en ver-
rassende mededeelingen betreffende laatstgenoemde reis, voor-
komende in het Jaarboek 1885—1886, welke een duidelijk
licht op den toestand aldaar werpen, zoo kan nn nog ver-
meld worden dat op latere tochten, n.1. April/Mei, Juni en
Aug.- 1887 respectievelijk 6, 19, 5 eenige slaven, sla-
vinnen en kinderen bevrijd werden, waaruit genoegzaam de
juistheid mijner bewering blijkt, zoomede dat de reeds ver-
kregen goede resultaten weder grootendeels verloren gegaan
waren.
Bovendien zal het feit dat andere Mogendheden in de
laatste jaren aan ons gebied grenzende en dus in onze on-
middelijke nabijheid gelegen streken in bezit genomen hebben
of indirect tot koloniën hebben verheven, zooals op Nieuw
Guinea en Noord Borneo, ons wel in moreelen zin ver-
plichten op ons eigen gebied afdoende op te treden tegen
slavenhandel, zeeroof, onderlinge oorlogen enz. (*)
(*) Omtrent den toestand op Nieuw Guinea verspreiden de nu en dan door
zendelingen in de nieuwsbladen geplaatste artikelen eenig licht. Hoogst gebrekkig
is daar nog de uitoefening van ons gezag en veelvuldig bezoek van ambtenaren
-ocr page 13-
11
Men lette verder op de teekenen des tijds; artikelen zooals
»Geen recht zonder feitelijk bezit," voorkomende in de
Straits Times van 20 Sept. 1887 en overgenomen uit het
Bat. Handelsblad in de Indische Gids van Januari dezes jaars,
zoomede het artikel »Duitsche Koloniën," in ditzelfde num-
mer voorkomende, verdienen niet onopgemerkt te blijven;
dit is evenzoo het geval met hetgeen betreffende onze grens
ter Noordoostkust van Borneo in Engelsche geschriften ge-
zegd is. Eene beslissing in deze aangelegenheid is dan ook
zeer gewenscht.
Om al deze redenen geloof ik dat de taak der Zeemacht
in ons Oost-Indische rijk eerder zwaarder dan lichter zal
worden en zulks te meer daar, zooals ook nog door den
afgetreden Minister van Koloniën is verklaard, de Zeemacht
aldaar het beste middel oplevert ter vermijding van militaire
expeditiën tegen Inlandsche staten.
En wanneer nu deze taak bij het nemen van doeltreffende
maatregelen kan verricht worden zonder groote benadeeling
van den dienst in en van de verdediging van het moederland,
dan moet de Zeemacht dit schoone gedeelte van hare roe-
ping m. i. ook geheel blijven vervullen.
Er wordt dikmaals beweerd dat de tijd die de zeeofficieren
in Indië doorbrengen, al de voordeden der oefeningen hier
te lande weder doet verloren gaan en dat daardoor te weinig
tijd voor deze laatsten overblijft. Evenzoo is zelfs al eens
de meening verkondigd, dat de thans bestaande toestand ook
ten nadeele strekt der Koloniën, zoodat ook uit dit oogpunt
wijziging van het stelsel wenschelijk is.
en oorlogschepen wordt door allen aangeprezen. Ook door den Comm. van
Z. M.\'s Java wordt aan het slot van het reisrapport zijner 3e derwaarts ge-
maakte reis de wenschelijkheid uitgesproken om de zendelingstations aldaar veel-
vuldig door oorlogschepen te doen bezoeken.
-ocr page 14-
12
Moge de eerste bewering, in verband met andere thans
bestaande toestanden, niet geheel en al zonder grond zijn,
zoo stel ik hier tegenover dat dit verblijf aan de andere zijde
in vele opzichten eene goede oefenschool oplevert. Niet
alleen toch dat het commandeeren hier te lande vooral op
jeugdiger leeftijd eene zeldzaamheid is, maar juist het voort-
durend navigeeren in bekende en onbekende vaarwaters, het
dikmaals naar eigen oordeel handelend moeten optreden enz.
levert voor de commandanten eene bron van ondervinding
op, welke hier te lande moeielijk te verkrijgen is, iets wat
evenzoo geldt voor de jongere officieren. Het bezwaar zoo-
verre het bestaat, deelen wij trouwens met alle koloniale
mogendheden, want wat betreft de bedoelde oefeningen, zal
bijv. voor de Engelsche Marine wel hetzelfde bezwaar be-
staan, door het dienen aan boord der schepen in China,
Australië enz. enz.; de verhouding van dit aantal is misschien
nog ongunstiger dan bij ons.
Bovendien moet hierbij niet uit het oog verloren worden
dat naarmate het personeel meer compleet zal zijn, ook het
verblijf in de koloniën voor ieder persoonlijk zal verminderen
en evenzoo dat het personeel tegenwoordig reeds bij herha-
ling in de inférieure rangen bekend is geworden met het
defensie materieel, de verschillende vaarwaters enz., iets wat
na de belangrijke daarin gebrachte wijzigingen in de eerst
daarop volgende jaren niet het geval was.
Ook de omstandigheid dat het artillerie materieel hier en
daar hoofdzakelijk hetzelfde is, zoomede de opname van
torpedo\'s en torpedobooten bij het materieel der zeemacht
aldaar, zal het bezwaar doen verminderen.
De eenigste wijze om de Zeemacht in ons Indisch rijk van
hare als het ware inwendige taak te ontlasten zou slechts
daarin kunnen bestaan, dat zij werd opgedragen aan de
-ocr page 15-
13
Gouvernements-Marine, of dat eene afzonderlijke Indische
Marine werd in het leven geroepen, welke in de eerste plaats
militair en in de tweede plaats niet zwakker dan de thans
bestaande I. M. M. zou moeten zijn.
Reeds meermalen heb ik aangetoond op welke gronden
ik het eerste onmogelijk acht. En wat het tweede aangaat,
onder een andere misschien iets betere vorm zoude dan
weder de vroeger bestaan hebbende Koloniale Marine in het
leven geroepen worden, eene Marine die na de treurige met
haar opgedane ondervinding door een ieder veroordeeld in
1840 ten grave gebracht werd. Volgens den Heer Kniphorst(*)
in zijne meergenoemde studie schreef toen een ooggetuige
en bevoegd beoordeelaar: »Deze opheffing der Koloniale
>Marine en hare vervanging door eene Nederlandsche
»Scheepsmacht was eene weldaad voor de Marinedienst aan-
»gelegenheden in O. I. Van stonde aan werkte zij heilzaam
»op de activiteit en energie van het gansche corps, en die
> invloed is blijvend geweest. Van toen af geene klove meer
stusschen de beide Marines, met al het daaruit voortgevloeide
»ongerief voor \'slands dienst, eenheid in het geheel, enz."(f)
En wat de bewering betreft als zoude de thans bestaande
toestand ook niet in het belang der Koloniën zijn, ook hierop
geeft de ondervinding, met de Koloniale Marine opgedaan,
het antwoord. Wil men eene afzonderlijke I. M. M. aldaar
steeds werkelijk beschikbaar en bruikbaar houden, dan zou
de dienst op geene andere wijze ingericht kunnen zijn dan
thans het geval is bij de Ned. Zeemacht.
Een voortdurend verblijf aan boord der schepen in een
(*) Indische Gids, jaargang 1887, pag. 1078.
(t) Ook de Ond-Kapitein ter zee, thans lid van den Raad van State, Jansen
heeft daarop destijds met nadruk gewezen en achtte het in de eerste plaats
noodig dat de in Indië uanwezige Zeemacht eene Nederlandsche Marine zij en blijve.
-ocr page 16-
14
klimaat als het Indische, zal zulks echter zoowel voor de
officieren als de minderen al spoedig onmogelijk maken (*)
en zoodra daarvan afgeweken wordt zou men den eersten
stap doen om weder te vervallen in de gebreken der Kol.
Marine van vroeger. Geen vergelijk is hier mogelijk met
andere scheepstoestanden, zelfs niet met de Gouv. Mar. Reeds
meermalen heb ik met lof gesproken over de door haar
personeel bewezen diensten, doch tevens verklaard dat zij
niet tot militaire diensten is in te richten. De wijze waarop
bij haar de dienst en de geheele inwendige huishouding is
ingericht, maken het alleen mogelijk, dat haar personeel
gedurende een langduriger tijdperk achtereenvolgens kan
dienen zonder verblijf in de koele klimaten. Deze toestanden
leiden echter onherroepelijk tot de grootst mogelijke afwij-
king van al wat militair is, en zouden wanneer zij, al is
het slechts gedeeltelijk, ook bij eene Militaire Marine werden
toegepast, al zeer spoedig hun slechten indruk op het militair
gehalte doen gevoelen.
Ik voor mij blijf dan ook de gevestigde overtuiging houden
dat de Koloniën op geen betere wijze kunnen gediend worden
dan door personeel dat telkens als het ware verjongd wordt.
Door zijn herhaald verblijf in en meerdere bekendheid met
alle deelen der Koloniën, zal het aldaar zeker niet minder
vreemdeling zijn dan menig ambtenaar, die Java nimmer
verlaten heeft, terwijl de mogelijkheid van eenige meerdere
onafhankelijkheid van de Indische ambtenaarswereld m. i.
eerder gunstig dan ongunstig zal werken.
Geldt zulks dus niet voor het personeel, zulks is even-
min het geval voor het materieel. Voldoend en bruik-
baar materieel hangt alleen af van den ernstigen wil om
(*) Kniphohst, bIs boven, pag. 1077, is dezelfde meening toegedaan.
-ocr page 17-
15
het te hebben .en van de sommen die men daarvoor wil
besteden.
Welk personeel er noodig is om de Zeemacht in staat te
stellen hare taak zoo hier als in de koloniën te vervullen,
hangt in de eerste plaats af van het daarvoor vereischte
materieel.
Voor de verdediging van het moederland is daarvoor aan-
gewezen het materieel voor de kustdefensie, dat behalve enkele
kleine wijzigingen na het in 1874 vastgestelde programma
weinig verandering heeft ondergaan. Alleen heeft het aantal
torpedobooten gaandeweg uitbreiding ondergaan, zoodat er
thans 20 klein model geheel en 10 groot model weldra ge-
reed zullen zijn.
In verband met den levensduur der eerste gepantserde
schepen, is het echter waarschijnlijk dat binnen eenige jaren
een aanvang gemaakt zal moeten worden met hunne ver-
nieuwing, iets wat evenzoo wenschelyk is omdat zij, niet-
tegenstaande groote verbetering in de bewapening, niet meer
in alle opzichten overeenkomstig de eischen van den. tegen-
woordigen tijd zijn, en vooral meerdere vaart zeer gewenscht
is; niettemin zullen zij zeer belangrijke diensten kunnen be-
wijzen. Reeds door den Minister Taalman Kip is hierop
in 1874 gewezen, en de Heer Guyot heeft evenzoo in zijne
belangrijke studie over de organisatie onzer Zeemacht daarop
de aandacht gevestigd.
Omtrent de meerdere of mindere bruikbaarheid der torpedo-
booten wordt nog steeds verschillend geoordeeld. Door hun
oorspronkelijk doel uit het oog te verliezen en hun ook voor
het optreden in volle zee te willen bestemmen, heeft men
hunne waarde overschat en daardoor minder gunstige resul-
taten verkregen, hetgeen ten gevolge had dat bij velen een
minder gunstig oordeel omtrent hunne bruikbaarheid ontstond.
-ocr page 18-
10
Het optreden in volle zee, dat is zelfstandig en op groote
afstand van de kust en alzoo buiten het onmiddelijk bereik
van hunne uitgangspunten, dan ook geheel buiten beschou-
wing latende, zoowel omdat ook ik hun daarvoor niet ge-
schikt acht, als wel omdat dit voor ons toch nimmer zal
voorkomen, zoo geloof ik .niettemin dat zij bij de kustdefensie
steeds eene belangrijke rol zullen kunnen vervullen en vooral
voor kleinere natiën een belangrijk onderdeel van het daar-
voor bestemde materieel zullen uitmaken.
Tot staving der bewering dat dit oordeel door anderen
wordt gedeeld, kan gewezen worden op de beide laatste
voorgaande Ministers van Marine, zoomede op talrijke oor-
deelvellingen zoo hier als in het buitenland.
Eenige dezer onder de aandacht brengende, wijs ik op
het artikel van » Nautilus" in een der Augustusnummers
van het Handelsblad, getiteld »Marinezaken," naar aan-
leiding van het le stuk van den Heer Guyot, waarin door
hem worden aangehaald de volgende verklaringen van den
Adm, du Pin de St. André, voorkomende in de Revue des
deux mondes:
»La navigation sur les cötes, des courtes et fréquentes
»sorties tel est le vrai röle aux torpilles autonomes; ils ne
»peuvent être que des gardes cötes." en evenzoo
»La question des torpilleurs contre les batiments au
»mouillage ou contre ceux venant nous attaquer sur nos
»propres cötes est donc une question jugée et résolue" zoo-
mede die van Lord Thomas Brassey »Mere torpedoboats are
»the arm of the feeble, their sphere of action is limited
»to coast defence," terwijl een vroeger door hem geleverd
artikel, genaamd j> Torpedobooten tegen pantserschepen" aldus
door hem besloten wordt: »dat daarentegen dat wapen voor
»Nederland bij beperkte finantiëele en personeele krachten,
-ocr page 19-
17
»het wapen bij uitnemendheid is, waarop wij tegen vijandelijke
»pantserschepen kunnen vertrouwen."
Na afloop der manoeuvres der Engelsche vloot in de
Middellandsche Zee in Oct. 1887, wordt door de A. andN.
Gazette
verklaard:
»The manoeuvres have demonstrated the great value of
»torpedoboats in preventing an enemy\'s cruisers from hanging
»about a port to lay mines or any other purpose at
»night as such vessels, for having to keep in readiness for
»steaming at a high rate up speed as well as from the
»work they would be trying to do, could not be protected
»by nets."
De nu overleden Fransche Admiraal Bourgois leverde in
de Jan. en Febr. afleveringen van de Nouvelle Revue eene
belangrijke studie omtrent »La défense des cötes et les tor-
pilleurs," waarin o. a. voorkomt:
»Une escadre executant un bombardement a 6000 m. des
» ouvrages avancées des passes et des entrees de port ne saurait
Ȑtre surprise en plein jour par les torpilleurs. Sipourtant
>les derniers triomphaient 1\'escadre peut prendre chasse a
»toute vitesse dès que les torpilleurs arrivent a la portee
»de ,1\'artillerie légere et les maintenir longtemps dans cette
»situation. L\'escadre peut aussi attendre les torp. en mar-
»chant lentement avec les filets abaissés; les circonstances
»sont alors peu favorables pour les torp. pour frapper un
»navire. La nuit, la bruine ou une fumée intense les ren-
»dent plus favorable parce que les torp. ont alors moins a
»craindre des contre-torp. et de 1\'artillerie légere. La pro-
»tection des filets est alors la plus utile pour les navires.
»Pourtant ce serait une grace imprudence de tenir une escadre
»la nuit a petite distance d\'un port ou d\'une cóte exposée
»a des attaques de torp. La manoeuvre de prendre la chasse
2
-ocr page 20-
18
>est la seule qu\'une escadre menacée par des béliers et des
»torp. puisse faire avec securité.
>La nuit les torp. peuvent faire courir plus de danger a
»des navires qui serrent de trop pres une place.
>L\'attaque des torp. contre les navires engagés dans les
> passes ou parvenus dans la rade intérieure se produiront
»dans les circonstances les plus favorables au succes. Obligés
>de marcher a toute vitesse et exposés au feu des batteries
»les navires ne peuvent pas employer leurs filets et ne
»pouront pas manoeuvrer pour éviter les torp.
»Le röle des torp. tres effacé dans les engagements
»au large, lorsqu\'il s\'agit de s\'opposer a un borabarde-
»ment, acquiert de 1\'importance a mesure que les navires
>se rapprochent des batteries et deviennent tres efficaces
»lorsque les assaillants s\'engagent dans les passes pour
»les forcer et pénètrent dans les rades intérieures oü
»leur manque la liberté de manoeuvrer pour éviter les
»torp." enz.
En evenzoo »En dehors de la défence des ports de guerre
»il est difficile d\'assigner aux torp. un róle précis et vérita-
»blement utile dans la défence des cótes" enz.
Ten slotte zij hier nog aangehaald het volgende oordeel
van Engineering betreffende de lezing van Capt. Grenfell (*)
in het R. U. S. I. in April jl. en wel aan het begin van
het daarop betrekking hebbend artikel, »We think that were
»his opinion adopted throughout the service, there would
»be danger that a valuable auxiliary in warfare would be
>unduly neglected" en aan het slot:
»The fish torpedo with all her uncertainties is a weapon
(*) Deze lezing had tot onderwerp de waarde der torpedo\'s en het oordeel
van den inleider was daarover in het algemeen niet gunstig.
-ocr page 21-
19
»of such vast possibilities that no naval power can afford
»to treat her with neglect."
Zeker hebben niet alle tot nu toe genomen proeven,
waaronder ook die tegen de Resistance, die resultaten opge-
leverd, welke velen er zich van voorgesteld hadden. Hierbij
moet echter niet uit het oog verloren worden, dat het op
zijn minst genomen twijfelachtig is of bijv. de Resistance,
niettegenstaande zij na de bekomen avarij bleef drijven en
in staat bleef hare batterij te gebruiken, werkelijk nog wel
als manoeuvreerwaardig kan beschouwd worden, een twijfel
die nog meer geoorloofd is wanneer, zooals de Heer Guyot
aanhaalt, een ander correspondent verklaart zich te kunnen
voorstellen dat »the engines and boilers might have been
»displaced and pipes and tubes burst in all directions."
Zelfs na de aangebrachte verbeteringen in den aanbouw
der nieuwere schepen vrees ik dat zij na eenige belangrijke
avarij een groot gedeelte hunner manoeuvreerbaarheid zullen
verliezen, en daardoor buiten gevecht zullen gesteld worden.
Evenzoo mag het twijfelachtig genoemd worden in hoe-
verre eene talrijke vijandelijke vloot zich des nachts op eene
kust als de onze geruimen tijd zal kunnen ophouden, met
uitgevoerde netten ten anker liggende, of zelfs overdag wan-
neer zij elk oogenblik een aanval van een vrij groot aantal
torpedobooten kan verwachten,
En terwijl telkens verbetering wordt aangebracht in den
bouw der torpedobooten, zooals bijv. de onlangs door Yareow
nieuwgebouwde »second class torpedoboat," (*) waarover de
Adm. Colomb een zeer gunstig oordeel uitspreekt, ook in
verband met haren prijs, welke slechts 1/4 of 1/5 der groot
(*) De lengte dezer booten i9 60 Eng. voet; hunne vaart toegeladen 17 m.;
de torpedo\'3 worden op het achterschip uit een draaibaar kanon geschoten.
-ocr page 22-
20
model torpedobooten bedraagt, bereikt ook de onderzeesche
torpedoboot grootere bruikbaarheid, zooals de in bet begin
dezes jaars genomen proeven met de voor het Turksche gou-
vernement aangebouwde onderzeesche Nordenfeldts torpedo-
booten hebben aangetoond, en bestaat er daardoor mogelijk-
heid dat ook aan dezen eene plaats in ons defensiematerieel
zal worden aangewezen.
Geleidelijke uitbreiding, in verband met de verbeteringen
welke aangebracht worden, van het aantal torpedobooten
acht ik daarom ook voor ons land gewenscht.
Behalve het materieel bestemd voor de defensie is nog
benoodigd eenig materieel voor oefening binnen- en buiten-
gaats, opleiding, wachtschepen enz. Voor deze doeleinden
kunnen de thans aanwezige S. S. S. le kl. en instructie-
vaartuigen nog geruimen tijd in de behoefte voorzien.
De wachtschepen zullen echter waarschijnlijk binnen een
niet ver verwijderd tijdstip vernieuwing vereischen.
Voor de Zeemacht in de Koloniën kan wat West-Indië
betreft in de eerste jaren overeenkomstig de tot nu toe ge-
volgde wijze met het aanwezige materieel in de behoefte
voorzien worden.
Het materieel der Zeemacht in O. I. splitst zich in twee
deelen, namelijk dat behoorende tot het A. E. en behoorende
tot de I. M. M.
Deze scheiding trad in werking na het Kon. besluit van
1866 en ging in hoofdzaak uit van het m. i. niet onjuiste
standpunt dat, terwijl de kosten van het onderhouden van
eenige groote schepen welker bestemming voornamelijk was
om op te treden bij de verdediging der Koloniën tegen een
buitenlandschen vijand, door het moederland moesten gedragen
worden, daarentegen de kosten der Zeemacht meer bepaald
bestemd voor de zoo te noemen inwendige taak in de Ko-
-ocr page 23-
21
loniën, ten laste van het Departement van Koloniën zouden
komen.
Men wenschte langs dezen weg te geraken tot eene juistere
verdeeling der uitgaven ten behoeve der Zeemacht in O. L,
voor zooverre zij over de beide begrootingen zou verdeeld
worden; als een gevolg dezer regeling kwam de verantwoor-
delijkheid voor het materieel der I. M. M. bij den Min. van
Kol. te berusten, terwijl de Min. van Marine die voor het
A. E. bleef dragen. Tevens werd hiermede besparing van
uitgaven beoogd, daar de schepen der I. M. M. alsnu voor-
taan voortdurend in de Koloniën zonden blijven, waardoor
de dikmaals belangrijke herstellingen voor het gereed maken
voor de tehuisreis werden bespaard.
M. i. zijn aan haar echter ook nadeelen, waaronder ook
van finantiëelen aard, verbonden. Van toen af toch moesten
alle belangrijke reparatiën aan de schepen der I. M. M.
geheel in Indië plaats hebben en hierdoor zullen de daarvoor
gemaakte uitgaven ongetwijfeld wel hooger geweest zijn dan
wanneer de herstellingen hier te lande hadden plaats gehad.
En dit is van te meer belang, wanneer men bedenkt van
welken omvang die herstellingen soms waren, iets wat voor-
namelijk toegeschreven moet worden aan het feit, dat vele
schepen te langen tijd achtereenvolgend in dienst werden
gehouden, in verband met de vele diensten die dikmaals
van hen gevergd werden.
Een ander nadeel acht ik daarin gelegen dat het materieel
der I. M. M. daardoor geheel afhankelijk werd van den
Minister van Koloniën, en waartoe zulks kan leiden, wanneer
deze uitsluitend het oog heeft op eene lage begrooting, is
gebleken uit den zeer treurigen toestand waarin dat materieel
in de voorgaande jaren weder is vervallen.
Wel geven de Kol. Versl. jaarlijks een overzicht van dien
-ocr page 24-
22
toestand (*) en moeten de gelden voor aanbouw door de
volksvertegenwoordiging goedgekeurd worden, waardoor al
van zelve controle uitgeoefend kan worden, maar terwijl hare
goede zorgen zich, waar zulks het Departement van Marine
hier te lande betreft dikmaals tot de kleinste détails uitstrekt,
zoo is zulks aan de andere zijde zelden het geval wanneer
het de I. M. M. betreft, iets wat waarschijnlijk het gevolg
is van het feit dat zoovelen zaken Indië betreffende aan velen
minder belang inboezemen.
En hierdoor is het dan ook mogelijk dat toestanden in het
leven geroepen worden als bij het uitbreken van den Atjeh-
oorlog en in de laatste jaren het geval was.
Zoodoende was dan ook niettegenstaande koloniale verslagen
en Indische begrooting een toestand mogelijk zooals door
den afgetreden Minister van Kol. in zijne bekende nota in
al zijne treurige werkelijkheid werd aangegeven en zelfs de
gunstige beoordeeling door den Minister van zulk een on-
gunstige toestand lokte in geen der beide Kamers eenig
protest uit.
Misschien bestonden daartegen overwegingen van politieken
aard, daar zulks anders onverklaarbaar mag genoemd worden;
of zij echter als geldend mogen beschouwd worden meen ik
te mogen betwijfelen.
Dit nadeel treedt te meer in het oog wanneer men bedenkt
dat de formatie der I. M. M. herhaaldelijk door opvolgende
Ministers van Kol. is gewijzigd al of niet naar aanleiding
van voorstellen der Indische regeering. Zoo werd zij nog
in 1885 door deze laatste, toch zeker niet tegen den zin
van den Minister andermaal vastgesteld en wel op eene
(*) Welke waarde aan het »in goeden of in vrij goeden staat" dier verslagen
moet toegekend worden, heb ik reeds vroeger aangetoond.
-ocr page 25-
23
mindere sterkte dan in de voorgaande jaren het geval was,
en zulks niettegenstaande de diensten, welke van de I. M. M.
werden gevorderd, eer verzwaard dan verminderd waren.
De vraag is dan ook geoorloofd of door het weder bren-
gen van al het materieel in Indië onder de uitsluitende ver-
antwoordelijkheid van den Minister van Marine (*), niet
betere waarborg zoude verkregen worden voor een meer bevre-
digenden toestand. De kosten van eenige groote schepen,
welke nu het A. E. vormen, zouden dan toch op deNeder-
landsche begrooting gebracht kunnen worden.
Hierbij moet niet uit het oog verloren worden, dat de
bezwaren tegen het weder doen terugkeeren naar hier van
de schepen der I. M. M. tengevolge der veranderde toestan-
den belangrijk zijn verminderd. Niet alleen toch dat tegen-
woordig alle schepen van ijzer of staal zijn gebouwd, maar
na de opening van het kanaal van Suez kan van deze route
gebruik gemaakt worden en het is duidelijk dat de schepen
door beide factoren veel langer geschikt zullen blijven van
het doen der reizen uit- en tehuiswaarts. Met uitzondering
der kleine raderstoomschepen, de grootere zullen hoogst-
waarschijnlijk wel binnenkort uit de formatie verdwijnen,
zouden de schepen dan na een 4jarig verblijf kunnen terug-
keeren en hier te lande geheel kunnen worden hersteld.
Wil men echter den bestaanden toestand handhaven, dan
acht ik meer controle op den toestand van het materieel
der I. M. M. zeer gewenscht, ten einde het niet weder in
dergelijken ongunstigen toestand, als meermalen het geval
is geweest, te doen vervallen.
Ook hierop wordt zeer ten rechte de aandacht gevestigd
door den Heer Kniphokst, waar hij zegt dat op schadelijke
(*) Ik geloof haar in beveitigenden zin te moeten beantwoorden.
-ocr page 26-
i
24
maar vooral op beschamende wijze is aan het licht gekomen
het onhoudbare van het voor de Atjehsche verwikkelingen
door het Marine-Departement in Nederland ten opzichte der
Marine-aangelegenheden in Indië aangenomen standpunt van
laisser-faire, laisser-passer en daarop vraagt: » Heeft zulks ten
» minste dit niet uitgewerkt, dat onze volksvertegenwoordiging
»nu zal inzien dat voor eene Koloniale mogendheid als Ne-
»derland het zoogenaamd leven van de hand in den tand
»niet aangaat?"
Zooals bekend is bedroeg de sterkte van het A. E. in de
laatste jaren een viertal groote schepen; het juiste aantal
zal ook wel veel van persoonlijke inzichten afhangen en
al zou een grooter aantal misschien gewenscht kunnen zijn,
zoo moet hierbij in hoofdzaak rekening gehouden wordeu
met het personeel dat daarvoor beschikbaar kan gesteld
worden en hierdoor zal het genoemde getal wel als een
maximum te beschouwen zijn.
Zeer juist werd bij het in het leven roepen van het A. E.
tevens van het standpunt uitgegaan, dat de daartoe behoo-
rende schepen in gewone omstandigheden ook voor andere
diensten zouden kunnen gebruikt worden, in hoofdzaak hier-
onder rekenende diensten van militairen aard, waaronder
ook behoort het vertoon van de vlag binnen den Archipel,
iets waartegen hunne diepgang echter dikmaals een be-
letsel is.
Het gebrek aan schepen der I. M. M. heeft echter reeds
dikmaals ten gevolge gehad dat men hiermede te ver is ge-
gaan, door hun diensten op te dragen welke even goed door
kleinere schepen hadden kunnen volbracht worden; er moet
daarom zorg gedragen worden niet andermaal in deze fout
te vervallen.
De omstandigheid dat twee der tot het A. E. behoorende
-ocr page 27-
25
schepen, namelijk de beide ramtorenschepen, voortdurend
in de Koloniën zijn gebleven, heeft reeds dikwerf aanleiding
gegeven tot klachten over de onjuiste uitvoering van het
bovengenoemde Kon. besluit.
Werd het destijds, even als thans nog door sommigen,
noodig geacht om het A. E. gedeeltelijk uit gepantserde
schepen te doen bestaan en verdient daarom hunne uitzen-
ding geen algeheele afkeuring, (de bewering dat zij in hoofd-
zaak geschiedde omdat men zich hier te lande van hen
wenschte te ontslaan, is menigmaal geuit, doch kan daarom
nog niet als geheel juist aangenomen worden), zoo is het
niettemin buiten twijfel dat deze maatregel zeer ongun-
stig heeft gewerkt op den toestand van het A. E. en
in nog grootere mate op de kosten van deszelfs onder-
houd, zoodra van het oorspronkelijk principe werd afge-
weken om de belangrijke reparatiën hier te lande te doen
plaats hebben. Tot verontschuldiging moge hiervoor echter
in zekere mate strekken dat men, alhoewel de rapporten
betreffende de uitreizen niet ongunstig waren geweest, na
de Adderramp er echter in meerdere mate bezwaar in heeft
gezien om hen te doen terugkeeren, iets wat ik echter steeds
eene fout heb geacht.
Zoowel het groote nadeel dat het A. E. na de aanwezig-
heid dezer beide schepen herhaaldelijk gedurende zulke ge-
ruime tijdsverloopen verre van geheel beschikbaar was, als
wel de bijzonder hooge uitgaven welke zij voor telkens weder-
keerende herstellingen hebben geëischt, hebben op overtui-
gende wijze de noodzakelijkheid aangetoond om de tot dit
eskader behoorende schepen tijdig door in werkelijkheid
bruikbare schepen te vervangen, ten einde de herstellingen
hier te lande te kunnen verrichten.
Zoowel met het oog op hun verouderd type als op hun
-ocr page 28-
26
algemeene toestand, is het dringend noodig hun zoo spoedig
mogelijk door andere te vervangen en dit geldt evenzoo wat
betreft de beide andere tot het A. E. behooorende S. S. 8.
Ie kl., daar ook zij, behalve mindere geschiktheid om tegen
een buitenlandschen vijand op te treden, evenzoo het over-
wegende nadeel van te groote diepgang voor de vaarwaters
naar Soerabaya hebben.
Nog een andere omstandigheid maakt het vervangen dezer
4 schepen zeer gewenscht, namelijk dat zij, vooral de laatst-
genoemde, een zeer groot personeel vereischen in verband
met hunne mindere militaire waarde; aanschaffing van nieuw
materieel, dat bij veel grootere bruikbaarheid minder per-
soneel vereischt en daardoor ook mindere uitgaven, is daarom
zeer gewenscht en van groote urgentie.
Bij het aangeven van een daarvoor geschikt type, ben ik
uitgegaan van de volgende overwegingen, daarbij op den
voorgrond stellende dat ik het niet mogelijk acht, in ver-
band met de zeer uiteenloopende eischen, een zelfde type
aan te nemen zoowel voor de verdediging van het moeder-
land als voor het A. E.
le. Een maximum diepgang van 47 dec. ten einde het
etablissement te Sourabaya in de meeste omstandigheden te
kunnen bereiken. Nu in principe tot opheffiing van het
etablissement te Onrust besloten is en zich aldaar dan ook
geen droogdok meer bevindt, is deze eisch van het hoogste
gewicht; dit trad opnieuw duidelijk op den voorgrond toen
Z. M.\'s van Speyk bij aankomst in Indië moest dokken.
Ten einde zulks te Soerabaya te kunnen doen, moest deze
slechts eenige maanden in dienst zijnde bodem achter-
granaathok en achterkruitkamer ontruimen, de amunitie
debarkeeren en de ballast uit het achterkolenruim naar
voren verwerken, om het schip na inname van eenige kolen
-ocr page 29-
27
in het voorruim gelijklastig te maken!! Men stelle zich
het hoogst oneigenlijke van zulk een toestand eens voor;
niet alleen dat het schip na het ondergaan van dergelijke
manoeuvre als niet strijdvaardig kan beschouwd worden,
maar wat zou er gebeuren wanneer het eens werkelijk ern-
stige avarij had gekregen beoosten Sourabaya en onmiddelijk
dokken noodig was.
2". Dat aan het aflossen der schepen op gezette tijden
streng de hand gehouden wordt;
3e. Dat hun offensief vermogen zoo groot mogelijk zij;
4e. Dat de snelheid verband houdt met de eischen van
den tegenwoordigen tijd. Juist wanneer het aantal der
schepen geringer is en de mogelijkheid niet is uitgesloten
dat zij tegen schepen van grooter offensief vermogen moeten
optreden, is snelheid van overwegend belang. (De groote
waarde der snelheid is bij de manoeuvres der Engelsche
vloot in het vorige jaar in het kanaal zeer op den voor-
grond getreden) en de Eng. Schout bij nacht Feebmantle
heeft in zijne voordracht in Febr. dezes jaars in het R. U.
S. J. zulks door zeer belangrijke voorbeelden duidelijk aan-
getoond.
5e. Daar aangenomen kan worden dat zware bewapening,
groote snelheid en beperkte diepgang niet overeen te bren-
gen zijn niet verticaal pantser, zal men zich moeten tevreden
stellen met horizontaal pantser, d. i. de zoogenaamd be-
schermde schepen.
Als type dat aanbeveling verdient, vestig ik de aandacht
op de Chineesche beschermde kruisers Chih Yueng en Ohing-
Yueng, welke in het vorige jaar van Engeland vertrokken.
Omtrent deze schepen geven de tijdschriften de volgende
détails: lengte 82 m., breedte 12 m., diepgang 48 dec,
waterverplaatsing 2300 ton, 2 triple exp. machines met een
-ocr page 30-
28
Ind. vermogen van 5500 pkr., vaart 18 mijl op de proef-
tocht; bewapening 2 Krupp kan. a 21 cm., wegende 10 ton
op tweeling affuit vooruit en 1 id. achter, gedekt door stalen
schilden, 2 a. 1. Armstr. kan. a. p.m. 15 cm. (6 inch.) in
halftorens buitenboord (wegende p.m. 4 a 5 ton), 8 snelv.
kan. a 57 mm.. 2 a 47 mm., 3 gatl. mitr. en 4 lanceer
buizen voor torpedo\'s. Deze schepen zijn van staal gebouwd
en worden beschermd door een stalen dek van 101 mm.;
zij hebben een gepantserde commandotoren en gep. ruimte
voor de manschappen met de seinen belast.
Uit deze opgaven blijkt dat zij de door mij gestelde voor-
waarden al vrij nabij komen. Het hier genoemde kanon
van 21 cm. is echter p.m. 2500 kilogr. lichter dan het bij
onze Marine ingevoerde kanon van 21 cm. lang 30 kal.
dat voor zooverre ik kan nagaan p.m. 13 ton weegt, en zeker
verre de voorkeur verdient boven het eerstgenoemde, daar
het op 1000 m. nog 41.2 pantser doorboort en daarom door
mij dan ook voldoende geacht wordt.
Gebruik makende van dit kanon zoude daardoor eene ver-
meerdering van gewicht van p.m. 6 ton vooruit en 3 ton
achteruit verkregen worden, behalve het meerdere gewicht
der amunitie enz.
Zoowel vermeerdering van diepgang als invoering eener
nieuwe geschutsoort wenschende te vermijden, is het misschien
mogelijk door het brengen van eenige wijziging in de be-
wapening daarin te gemoet te komen, hetzij door in stede
der 3 kan. van 21 cm. lang 30 kal. slechts 2 te plaatsen
en het daardoor vrij komende gewicht te gebruiken door
verwisseling der kan. van 6\' Armstr. tegen die van 17 cm.,
bij ons in gebruik, welke met inbegrip der affuit p.m. 2 ton
zwaarder zijn, hetzij door bij plaatsing van 3 kan. a 21 cm.
lang 30 kal., die van 6\' Armstr. te vervangen door een
-ocr page 31-
20
4tal onzer 12 cm. kan. Ik wenschte in hoofdzaak slechts
de aandacht op deze in vele opzichten zeer doelmatige
schepen te vestigen. Het getal snelvuur kan. komt mij
echter te groot voor.
Omtrent de schepen van het A. E. merk ik nog op, dat
zij steeds gereed en beschikbaar moeten zijn. Mag toch het
in conservatie geheel gereed honden van dergelijke schepen
met het oog op de daaraan verbonden kosten en personeel,
vooral in Indië, bezwaarlijk zijn, zoo is zulks bovendien niet
mogelijk, daar hunne bemanningen evenmin in Indië be-
schikbaar kunnen gehouden worden als dat daarvoor gere-
kend zou kunnen worden op de schepen der I. M. M.,
wanneer zij binnen weinig tijd in dienst gesteld zouden
moeten worden; sommige der belangrijkste kwaliteiten zouden
dan bovendien ontbreken.
En al was zulks nog mogelijk, een ander nadeel maakt
zulks nog minder gewenscht, namelijk dat de schepen op
het oogenblik dat hunne diensten werkelijk noodig zijn, be-
mand zouden zijn met een personeel dat met hunne inge-
wikkelde inrichting, hoedanigheden enz. geheel onbekend
zou zijn en het behoeft geen betoog hoe dat de slagvaar-
digheid daaronder zou lijden.
Met het opnemen der torpedo vaartuigen in het materieel
der Zeemacht in de Koloniën is een begin gemaakt, en dit
mag een groote vooruitgang genoemd worden. Zeker kun-
nen zij een groote rol spelen bij de verdediging der Koloniën,
wanneer voor hen de noodige steunpunten of stations langs
de Noordkust van Java worden daargesteld, alwaar zij zich
van steenkolen, water enz. kunnen voorzien.
Omtrent de sterkte der I. M. M. zal ik niet andermaal
in beschouwing treden, maar daarvoor aannemen de formatie,
vastgesteld bij het reeds hierboven genoemde besluit der
-ocr page 32-
30
Ind. regeering van Oct. 1885. Werd door mij een aantal
van 18 actieve schepen noodig geacht, zoo verschilt het hij
deze formatie gestelde getal van 17 daarmede zoo weinig,
dat dit geen punt van bezwaar kan uitmaken. Een eerste
vereischte echter is dat dit aantal werkelijk beschikbaar is,
en hoe het daarmede in de jaren 1886 en 1887 gesteld was,
heb ik reeds vroeger aangetoond.
Dat daaruit duidelijk gebleken is dat de treurige onder-
vinding in 1873 bij het uitbreken van den Atjehoorlog
spoedig vergeten wordt, wanneer uitsluitend op eene
lage begrooting en dus op geringe uitgaven van aan-
bouw van nieuwe schepen let, behoef ik evenmin ander-
maal onder de aandacht te brengen. En toch mag met
recht gevraagd worden, hoedanig de toestand te Atjeh wel
niet zou geweest zijn en hoeveel millioenen bespaard zou-
den zijn geworden, wanneer de Indische Zeemacht in 1873
werkelijk geschikt was geweest om aan hare roeping te be-
antwoorden.
Zulke toestanden zijn evenzeer ten nadeele van den lande
als ten nadeele van het personeel der Zeemacht, daar het
vertrouwen verloren gaat en de goede naam er zeer onder
lijdt, zijnde het bovendien voor dat personeel hoogst onaan-
genaam, zoo menigmaal te moeten dienen op schepen, die
slechts eene zeer beperkte mate van bruikbaarheid hebben.
Wil bovendien eene vastgestelde formatie aan de behoefte
voldoen, dan moet zij op eerlijke wijze in stand gehouden
worden en daarvan niet om de boven aangegevene reden
afgeweken worden. En op welke wijze het besluit van Oct.
\'85 werd uitgevoerd, blijkt uit het feit dat ongeveer Hjaar
later, namelijk op 1 April 1887, slechts vijftien schepen in
dienst en daarvan nog 4 in reparatie waren, zoodat er ge-
durende korter of langer tijd slechts 11 schepen (waarvan
-ocr page 33-
31
sommige dan nog in zeer slechten toestand verkeerden)
beschikbaar waren. (*)
Zooals ik boven gezegd heb, is zulk een toestand alleen
een gevolg van het verzuimen van een voldoend aantal
schepen in reserve gereed te hebben en tijdig voor aanvulling
van het materieel zorg te dragen.
Wel zegt de afgetreden Minister van Koloniën in zijne
memorie van beantwoording, dat de vele reparatiën een
gevolg waren der vele diensten, die vroeger aanhoudend te
Atjeh werden bewezen, maar al mag deze oorzaak daartoe
bijgedragen hebben, zoo kan zij niet als reden aangemerkt
worden van den vervallen toestand der vloot. Voor dat deze
Minister toch aan het bewind kwam, was het station Atjeh
sterker bezet en het aantal in dienst zijnde schepen gróoter;
toen dus dit aantal verkleind werd, had zulks, bij het aan-
wezig zijn van in reserve gereed zijnde schepen of bij tijdige
toevoeging van nieuwe schepen, ten gevolge moeten hebben
dat bet grootere aantal slechts door een kleiner aantal goede
werd vervangen. Niettegenstaande echter het aantal uit
dienst gestelde schepen dat der in dienst gestelde in 1884,
\'85 en \'86 overtrof, moest men zich toch met eenige zeer
weinig bruikbare schepen blijven behelpen en in dienst zijnde
schepen gedurende geruimen tijd in herstelling worden op-
genomen, (f) Zoo was hoogstwaarschijnlijk het ontbreken
van een S. S. 2e kl. in reserve oorzaak, dat de Bromo in
dienst ongeveer 10 maanden in reparatie doorbracht. Tot
geruststelling deelt de Minister mede, dat het gebrek aan
(*) In het einde van het afgeloopen jaar was de toestand gunstiger, daar er
toen weder 17 schepen in dienst waren.
( ) In de jaren 1875 tot en met \'80 werden tegen 6 afgekeurde schepen 12
nieuwe aan de vloot toegevoegd en in de jaren 1881 tot en met \'87 tegen
8 afgekeurde slechts 4 nieuwe schepen.
-ocr page 34-
32
schepen zich niet heeft doen gevoelen; daargelaten in hoeverre
eene meer actieve bekruising niet in vele opzichten de feiten
waarop hierboven gewezen is hadden kunnen voorkomen,
zoo is dit ra. i. een zeer gevaarlijk argument, want ware
zulks wel het geval geweest, dan ware het te laat geweest
en andermaal de ondervinding van 1873 opgedaan; dat zulks
zeer gelukkig niet het geval is geweest, is trouwens eene
omstandigheid, waarop het zeer gevaarlijk is bij voorbaat
te vertrouwen; in dezen geest doorgaande, zou men nagenoeg
tot opheffing kunnen concludeeren.
Het is dan ook genoeg bekend dat juist in het preventief
karakter der aanwezigheid eener voldoende en werkelijk be-
schikbare Zeemacht zulk een groot gedeelte van hare kracht
gelegen is.
Oorspronkelijk lag het in de bedoeling de inkrimping der
I. M. M. gepaard te doen gaan met uitbreiding der G. M.
In stede hiervan was echter ook de sterkte van laatstge-
noemde, zooals zoowel uit de K. O. als uit de Jaarboekjes
blijkt, voortdurend veel te gering, zoodat verschillende stations
gedurende langeren of korteren tijd of geheel onbezet waren
en men, om in hare diensten te voorzien, de toevlucht moest
nemen hetzij tot het zoo kostbare inhuren van particuliere
schepen, hetzij tot het gebruik maken van oorlogschepen.
Een bewijs te meer hoe dat ook hier redenen van finantieelen
aard de overhand hadden.
Eer dan tot uitbreiding dezer tak van dienst over
te gaan, acht ik het mogelijk en wenschelijk haar in
te krimpen,
iets waartoe bij de nieuwe regeling der pak-
ketvaart des te eerder zal kunnen overgegaan worden.
Dat de Gouv. S. S. trouwens nimmer het gebrek aan
oorlogschepen zon kunnen vergoeden, is door den afge-
treden M. v. K. zelf erkend, waar hij zegt dat van schepen
-ocr page 35-
33
van een tweeslachtig karakter nimmer iets goeds te wach-
ten is. (*)
Bij eene formatie van 17 schepen overeenkomstig het thans
van kracht zijnde Gouv. besluit, moet de I. M. M. volgens
mijne overtuiging bestaan uit 4 S. S. S. 2e kl., verbeterd
type Watergeus, 9 S. S. S. 4e kl. type Ceram en Flores,
en 4 R. S. S. 4e kl. type Salak. (f) Naarmate de thans
bestaande schepen komen te ontvallen, zouden zij door een
dezer drie typen aangevuld moeten worden.
Zooals bekend is werden reeds op de Ind. begrooting voor
dit jaar gelden aangevraagd voor den aanbouw van een
grooter type, bestemd voor de I. M. M., waarvan de water-
verplaatsing (1/3 meer dan de Java) nagenoeg overeenkomt
met de zooevengenoemde Watergeus. Daar dit schip volgens
de toelichting van den Min. van Kol. moet dienen tot machts-
ontwikkeling tégenover een inlandschen vijand, behoeft van
pantsering geen sprake te zijn, of van geschut waarmede
die van andere schepen kan doorboord worden. (§) Zoover
mij bekend is heeft het type Watergeus zeer goed voldaan;
overeenkomstig de thans algemeen gevolgde wijze van ijzer
(*) Hun tijdelijk het karakter van oorlogschip te geven, zonder dat zij de
daarvoor vereischte eigenschappen hebben, door het plaatsen van een zeeofficier
met detachement schepelingen, verdient afkeuring, al was het maar om den
hoogst oneigenlijken toestand, waarin zoowel die officier als de gezagvoerder
daardoor geraken. Evenzoo is zulks het geval met het geven van militaire
dekking, daar dit leidt tot verzwakking der garnizoenen of bemanningen der oor-
logschepen, iet9 wat in tijden van onlusten enz. onraadzaam is.
(f) Ten einde de bemanningen dezer schepen niet te lang aan boord der
kkiaere schepen te doen verblijven, acht ik hunne gezamentlijke verwisseling na
een zeker tijdsverloop zeer gewenscht; tochten der grootere schepen kunnen
deze aflossing bewerkstelligen.
(§) Acht men het noodig ook deze schepen van beschermende dekken te
voorzien, dan behoeven deze zich m. i. in geen geval verder uit te strekken dan
tot het machine- en ketelrnim, even als zulks bij de nieuw aangebouwde Eugel-
schc sloops, die bestemd zijn voor «service on distant stations,\'\' het geval is.
3
-ocr page 36-
34
of staal gebouwd, voorzien van compoundmachine, bewapend
met 2 kan. van 15 of hoogstens van 17 cm. a. 1., eenige
kan. van 12 cm., snelvuurkan. enz. en in staat om een
12 mijls vaart te loopen, zal het ook nu een zeer bruikbaar
schip voor de I. M. M. opleveren. Alle verdere verzwaring
in type of bewapening acht ik geheel onnoodig.
Alvorens van het materieel af te stappen, wil ik nog de
aandacht vestigen op de werven, zoo hier te lande als
in Indië.
Hier te lande (*) acht ik noodig een arsenaal of établis-
sement voor de conservatie en uitrusting van het materieel,
te Willemsoord, Amsterdam en Rotterdam als hoofdpunten
der stelling Helder, der stelling Amsterdam en van het
Zuiderfrontier, zullende bij het eerstgenoemde tevens opge-
nomen worden het materieel bestemd voor de buitenlandsche
dienst, oefening enz.
Aannemende dat verplaatsing der thans bestaande werf te
Amsterdam naar de overzijde van het Y als eenvoudig arse-
naal mogelijk is, vooral uit een finantieel oogpunt, dan
(*) Het al of niet wenschelijke van aanbouw op de Rijkswervcn, al is het
dan op den voet waarop zulks tot nu toe plaats had, laat ik thans buiten be-
spreking. Alleen moge de opmerking hier plaats vinden, of het wel zeker is,
dat, wanneer eenmaal in principe is aangenomen dat zulks in het geheel niet
meer op de Rijkswerven zal plaats vinden en dientengevolge geheel op de par-
ticulicre nijverheid moet gesteund worden, de particuliere inrichtingen daartoe
steeds in staat zullen zijn. Werd in den laatsten tijd wel eens beweerd dat het
Departement van Marine liet bouwen om de werf te Amsterdam werk te ver-
schaffen, dan mag gevraagd worden of in omgekeerden zin dat Departement steeds
genoegzame bestellingen aan de parliculiere inrichtingen zal kunnen verschaffen,
om ook dezen in het leven te houden; de toestand waarin nog onlangs de Kon.
fabriek te Amsterdam verkeerde, wettigt deze vraag. Mocht zulks niet het geval
zijn, dan zou het misschien kunnen gebeuren dat zoowel de Rijksinrichtingen,
ten gevolge der daarbij ingevoerde bezuiniging aan personeel en materieel, als
de particuliere inrichtingen, op een gegeven oogenblik zouden ontbreken, wanneer
aan deze laatsten niet voortdurend grootc bestellingen werden gedaan.
-ocr page 37-
35
zoude ik het toch niet doelmatig achten om aldaar tevens
het materieel voor den algemeenen dienst te concentreeren
enz. en evenmin om het te bestemmen voor het materieel
behoorende tot de stelling Helder.
Hierbij toch moet niet uit het oog verloren worden, dat
de groote diepgang van verscheidene tot dit laatste behoo-
rende schepen het gebruik maken der Zuiderzee, om hunne
bestemming in de stelling Helder te bereiken, geheel uitsluit,
zoodat zij daarvoor den vrij tijdroovenden weg door het
Noord-Hollandsch Kanaal of dien door het Velser Kanaal
en de Noordzee zallen moeten nemen, iets wat bij mobilisatie
zeker niet gewenscht is.
Bovendien acht ik het wenschelijk het établissement te
Willemsoord te behouden als werf van uitrusting van de
schepen, bestemd voor oefeningstochten, buitenlandschen dienst,
politietoezicht enz. enz., voornamelijk ook in verband met
de uitmuntende gesteldheid van de haven en de reede, welke
zulk eene uiterst gunstige gelegenheid voor alle oefeningen
oplevert. Het zou toch uiterst omslachtig zijn om die allen
van uit een ingesloten plaats als Amsterdam te doen plaats
hebben, vooral daar deze voor de meesten slechts door het
Noordzeekanaal te bereiken is.
Zoolang het trouwens nog als eene dringende noodzake-
lijkheid moet aangenomen worden dat de Zeemacht met de
Landmacht moet medewerken tot verdediging dezer hoogst-
belangrijke stelling, is een werf of arsenaal met inrichtingen
tot dokken en reparatie aldaar onmisbaar. (*) En dat dit oor-
(*) Van hoeveel gewicht een krachtige steun van de Zeemacht is bij de
verdediging des lumls, is nog onlangs aangetoond door den kapt. van den gen.
staf Kkaijeniioïf van de Leur, in zijne zeer belangrijke stndie „ie vesting
Holland in staat van beleg.\'\' In overeenstemming met zoovelen is hij van mee-
ning dat de taak der Zeemacht zich ook tot buiten de zeegaten uitstrekt, wat
betreft het bemoeielijken eener blokkade.
-ocr page 38-
36
deel omtrent de deelname der Zeemacht aan de verdediging
van deze stelling door anderen wordt gedeeld, blijkt zoowel
uit de hoogstbelangrijke rede van den Luitenant Land naar
aanleiding der Brochure van den Heer Gijsberti Hodenpiji.
»De Werkkring der Ned. Zeemacht," gehouden in de be-
kende Nieuwediepsche vereeniging op den 22 October 1886,
als uit hetgeen in die zelfde vergadering door den Kolonel
der Artillerie van Maele werd gezegd.
Meende de Heer Land aan het einde van zijne weispre-
kende redevoering tot de conclusie te moeten komen, »dat
»in de aanwezigheid alleen van onze vloot in de Texelstroom
»de beste waarborg gevonden wordt tegen eene landing op
»de kust," evenzoo verklaarde genoemde hoofdofficier, »dat
»de reden waarom door geen der officieren der landmacht
>was deelgenomen aan de discussiën, zeker niet moet gezocht
» worden in instemming met de denkbeelden van den Heer
»G. H. wat betreft de verdediging van de stelling Helder.
»Naar mijne bescheiden meening zou het zeer te betreuren
>zijn en bijna met een opgeven van de geheele stelling ge-
>lijk te stellen zijn, indien de taak van de verdedigende
»kustbatterijen en van het fort op de Harssens niet zoo
»krachtdadig mogelijk door het meer offensief optreden onzer
»Marine werd gesteund. En al ware het aantal schepen of
»torpedobooten, dat voor dat doel kon worden beschikbaar
»gesteld, niet zoo groot als voor eene krachtige verdediging
>gewenscht zou zijn, elke steun in onze flanken zou het
»vermogen onzer batterijen zoo zeer verhoogen, dat die naar
»mijne meening onmisbaar kan genoemd worden."
Ook de Kapitein ten Bosch heeft in zijne voordracht over
den aanval en verdediging der Noordelijke Zeegaten en der
Zuiderzee er op gewezen van hoeveel waarde de verdediging
en het behoud der stelling Helder is, in verband met het
-ocr page 39-
37
verdedigingsplan van Amsterdam, en welk nauw verband
tusschen beiden bestaat.
Komt eenmaal de droogmaking der Zuiderzee tot stand,
en ik geloof dat de mogelijkheid geenszins buiten gesloten
mag worden, dan zal de belangrijkheid der stelling Helder nog
in waarde stijgen en daardoor het behoud der thans aldaar
bestaande Marine-établissementen nog noodzakelijker zijn.
Als centraalp unt voor het Zuiderfrontier is Rotterdam de
aangewezen plaats voor het daarstellen van een arsenaal tot
conservatie en uitrusting van het daartoe behoorende mate-
rieel. Duidelijk treedt nu op den voorgrond hoezeer het
verlaten der vroeger aldaar bestaan hebbende maritieme
Rijksinrichtingen als een groote misstap moeten beschouwd
worden, want waren deze voor de Marine behouden gebleven,
dan zouden zij nu niet andermaal daargesteld behoeven te
worden. Men zij echter indachtig aan de kosten welke eene
eventuëele overbrenging nu zullen eischen.
Wat betreft de werven in Indië behoeft alleen opgemerkt
te worden, dat in principe besloten is alleen te Sourabaya
een établissement in leven te houden, hetwelk geheel ver-
eenigd wordt met de vroegere fabriek van Marine en Stoom-
wezen. Het établissement te Onrust is of wordt geheel op-
geheven en door het overbrengen van het droogdok van
daar naar eerstgenoemde plaats, is er nu nog maar alleen
aldaar gelegenheid om te dokken.
In hoeverre wat betreft deze inkrimping ook hier de
zuinigheid de wijsheid niet zal bedriegen, zal de tijd moeten
leeren; ik voor mij geloof dat ook hier de belangen van
den dienst aan finantiëele overwegingen zijn opgeofferd.
Wanneer men bijv. nagaat dat er van Oct. \'86 tot April \'87
4 en van April tot Oct. \'87 5 buiten dienst zijnde oorlog-
schepen in reparatie te Sourabaya waren, behalve een getal
-ocr page 40-
38
in dienst zijnde schepen, wier aantal gedurende 3 maanden
5 en verder van 4 tot 2 bedroeg, en dan tevens in aan-
merking neemt dat bovendien verschillende schepen 1 of
2maal per jaar aldaar moeten gedokt worden en dat ook
het materieel der G. M. herhaaldelijk reparatie behoeft, dan
vrees ik dat de tijd voor de reparatiën benoodigd belangrijk
zal toenemen. (*) En zooals reeds boven is opgemerkt,
acht ik zulks wat betreft de schepen welke in dienst zijnde
gerepareerd worden, zeer nadeelig; gedurende het boven-
genoemde tijdvak vertoefden bijv. de Bromo p.m. 9 maanden,
Bali p.m. 5 maanden, Banda p.m. 5$ maand, de Madura
p.m. 6£ maand en de Pontianak p.m. 5 maanden in dienst
en in reparatie aan het établissement te Sourabaya. De
eenigste wijze om daarin verbetering te brengen bestaat in
het in ruime mate in reserve voorhanden hebben van geheel
gereed zijnde schepen, iets wat bij den ongunstigen toestand
waarin het materieel thans bestaat, slechts kan verkregen
worden door ruime aanbouw van nieuwe schepen. Wanneer
met spoed voorzien wordt in de hoogst dringende vernieuwing
van het A. E. en de schepen die daartoe zullen behooren
overeenkomstig de bedoeling ter rechter tijd naar Nederland
opgeroepen worden, zal zulks eenige verbetering aanbrengen.
Iu hoeverre bovendien de ruimte van het établissement
te Sourabaya voldoende is om zulk een groot aantal schepen
te bevatten en er voldoende localiteit aanwezig is om de
officieren en bemanningen te huisvesten, meen ik te mogen
(*) Volgeus het Kol. Versl. over \'87 werden aan het établissement te Sou-
rabaya in het daarin behandelde tijdvak opgeuomen 65 schepen, waarvan 41
gereed kwamen, namelijk 4 van het A. E.. 21 der I. M. M., 12 der G. M.
en 28 van andere diensten. Bovendien werden te Onrust nog herstellingen ver-
richt aan 6 schepen der I. M. M., 6 der G. M., 1 Bebakeningsvaart en 1 Rus-
sisch oorlogschip.
-ocr page 41-
39
betwijfelen. Toch is dit laatste bij voorzieningen van eenigen
duur vooral dringend noodig; het verblijfhouden aan boord
van een in timmering liggend schip in een klimaat als het
Indische, is in werkelijkheid eene marteling.
Wat het opheffen der gelegenheid tot dokken te Onrust
aangaat, hiermede had men volgens mijne meening moeten
wachten, hetzij tot de schepen van het A. E. vervangen
waren door anderen, wier diepgang meerdere toegang tot
Sourabaya toelieten, hetzij totdat er te Tg. Priok particuliere
inrichtingen daarvoor waren in het leven geroepen.
Evenals in andere opzichten doen wij ook hier het tegen-
overgestelde van hetgeen men bij anderen ziet gebeuren,
en wordt de toestand wat dit punt betreft ongunstiger dan
vele jaren geleden.
Reeds hierboven heb ik gewezen op het gebeurde met de
van Speyk, een schip dat geheel nieuw uitgerust en pas in
dienst gesteld was, om aan te toonen hoe nadeelig het voor
den dienst was, dat er alleen te Sourabaya gelegenheid tot
dokken bestond.
Ik acht het dan ook dringend noodig, zoowel in het be-
lang der Zeemacht als uit een meer algemeen nationaal
oogpunt, dat de Regeering zooveel mogelijk hare medewer-
king en steun verleene om zoo spoedig mogelijk in of nabij
Tg. Priok eene particuliere inrichting in het leven te roepen,
alwaar gelegenheid tot dokken en herstellen van schepen
gevonden wordt, wanneer van Gouvernementswege daartoe
alleen te Sourabaya gelegenheid bestaat.
Door anderen is er evenzoo reeeds op gewezen, welke
belangrijke sommen aan de Engelsche industrie ten goede
zijn gekomen te Singapore en ook te Penang, door het aan-
houdend dokken en repareeren van schepen, niet alleen der
schepen behoorende tot het station Atjeh, maar ook door
-ocr page 42-
40
schepen welke van Java uit daarheen gezonden werden.
Wanneer er nu in onze geheele Archipel slechts ééne inrich-
ting daartoe bestaat, vrees ik dat zulks in nog meerdere
mate het geval zal zijn; dit steunen op buitenlandsche in-
richtingen, die in tijden van spanning voor ons gesloten
kunnen worden, acht ik zeer verkeerd, bewijst niet veel voor
onze energie en is niet zeer vleiend voor het nationaal ge-
voel van een der oudste en grootste koloniale mogendheden.
Is eenmaal te Tg. Priok, hetzij met of zonder Staatshulp,
eene dergelijke inrichting in het leven geroepen, dan zal,
wanneer de krachten aan de Rijksinrichting te Sourabaya
te kort schieten, iets wat volgens mijne overtuiging zeker
het geval zal zijn, ook door het Gouvernement daarvan ge-
bruik kunnen gemaakt worden voor het materieel der Zee-
macht, en zal het mogelijk zijn de steun of hulp van het
buitenland te ontberen.
Alsnu overgaande tot het personeel, ga ik bij de beoor-
deeling van hetgeen in werkelijkheid benoodigd is, van de
veronderstelling uit, dat alles wat zonder de belangen van
den dienst te benadeelen als overbodig kan beschouwd wor-
den, niet in de bemanningslijsten en staten moet uitgetrok-
ken worden.
Het eerste dat als het meest belangrijke in aanmerking
komt is het personeel, benoodigd voor de defensie binnenslands.
Dit personeel is te zamengevoegd op staat A, dienende
het volgende tot toelichting der verschillende kolommen:
De kolommen 1, 2, 3 en 4 zijn opgemaakt overeenkom-
stig de bemanningslijsten;
in kolom 5 is gerekend dat 5 torpedobooten groot model
eclaireurs diensten zullen verrichten, dat 5 der klein model
booten bewapend zijn met Whitehead torpedo\'s en allen
voorzien zijn van een snelvuur kanon;
-ocr page 43-
41
kolom 6 is overeenkomstig de bemanningslijsten;
kolom 7 bevat het verdere personeel voor de torpedodienst,
zijnde het verschil tusschen dat vermeld in kolom 5 en het
personeel, aangegeven als voorloopige formatie in het Jaar-
boek 1884—1885 vermeerderd met eenige kwaliteiten, welke
door den Heer Guyot bestemd worden voor inschietplaatsen,
magazijnen en werkplaatsen, daar ik het ook niet ondienstig
acht hierop te rekenen;
kolom 8 is overeenkomstig de bemanningslijsten;
kolom 9 bevat het personeel, waarop verder nog bij de
defensie moet gerekend worden, iets wat vroeger door mij
verzuimd is. Zeer terecht wordt hierop door den Heer G.
de aandacht gevestigd, en ten einde te kunnen nagaan wat
hiervoor noodig is, geeft hij de onderdeden op, door den
Minister Gekicke in zijne Memorie van beantwoording aan-
gegeven, namelijk:
le. het benutten van Z. M.\'s Valk;
2e. het benutten van 3 stoomvaartuigen van het Loods-
wezen;
3e. het verstrekken van eenig personeel aan 15 in te
huren particuliere vaartuigen;
4e. het voorzien in personeel tot het leggen en bewaken
der versperringen;
5e. het voorzien in personeel tot hulp bij den veiligheids-
dienst op de watervlakte der Hollandsche waterlinie.
Respectievelijk rekent hij daarbij noodig:
voor sub. 1 overeenkomstig de bemanningslijst;
» » 2, 1 off., 1 onderoff. en 10 mariniers per vaartuig;
» » 3, 1 onderoff. der mariniers en 2 mariniers per
vaartuig, waarboven 2 off. der mar. in elke
directie;
» » 4, 1 hoofdoff., 1 luitenant le kl., 2 id. 2" kl.
-ocr page 44-
42
2 bootsl., 4 kwartierm. en 24 gasten in elke
directie;
voor sub. 5, 1 luitenant le kl., 3 id. 2e kl., 1 off., 1 adm.,
6 kwartierm., 12 gasten, 112 zeeniiliciens,
6 mach. of leerl. en 12 vuurst.
Alhoewel niet bepaald onder een der 5 genoemde rubrieken
opgenoemd, wordt door den Heer O. verder uitgetrokken
personeel voor 6 stoomsloepen (*) in elke directie en wel
per sloep:
1 luitenant 2e kl., 1 kwartierm., 2 gasten, 2 miliciens,
2 mariniers, 1 mach. of leerl. en 2 vuurst.. waardoor hij
alsdan een totaal verkrijgt van 505 koppen, behalve de
miliciens, zijnde het aantal door den Minister G. genoemd.
Deze cijfers zijn door mij echter slechts gedeeltelijk over-
genomen.
In de le plaats is door mij niet gerekend op de Valk;
welke diensten dit houten en dus zeer trefbare, licht bewa-
pende raderstoomschip, dat bovendien te diep gaat voor een
groot gedeelte der Zuiderzee en langs dien weg Amsterdam
niet kan bereiken, zal kunnen bewijzen, is mij niet duide-
lijk, zoodat het m. i. veilig onbemand kan blijven.
In de 2e plaats komt mij het aantal stoomsloepen te
groot voor; wanneer men nagaat dat men voor de stellingen
Helder en Amsterdam reeds te beschikken heeft over 2
loodsstoomers en waarschijnlijk het grootste gedeelte der
particuliere vaartuigen, dan geloof ik dat bovendien 6 stoom-
sloepen in elke directie onnoodig groot mag genoemd worden.
Mogen al een paar dezer vaartuigen voor de communicatie
(*) Is het de bedoeling dat deze bestemd zijn om de versperringen, te be-
waken, dan zoude ik hun daarvoor minder geschikt achten en deze taak aan de
stoomkanonnecrbooten wenschen op te dragen.
-ocr page 45-
43
tusschen den wal en de schepen noodig zijn, of ook voor
het overbrengen van berichten, zoo geloof ik dat hunne
diensten, vooral in eerstgenoemde stelling, spoedig zullen
ophouden, en dat wanneer de vloot tengevolge van het for-
ceeren dezer stelling eenmaal op de Zuiderzee teruggetrokken
is, een aantal van 12 overbodig groot is. Daar zij boven-
dien voor geen e andere diensten dan het overbrengen van
berichten zullen kunnen gebruikt worden, geloof ik dat men
voor deze diensten, wanneer werkelijk een groot aantal
noodig is., zal mogen rekenen op de hulpmiddelen welke de
binnenlandsche stoomvloot oplevert en wordt daarbij m. i.
geen militair personeel vereischt.
Evenzoo komt een aantal van 6 mij voor het Zuider-
frontier te groot voor. In de directiën Willemsoord en
Hellevoetsluis wordt door mij dan ook slechts voor 2 stoom-
sloepen personeel uitgetrokken en in die te Amsterdam voor 4.
Het onder sub. 4 genoemde personeel is door mij over-
genomen, alhoewel ik geneigd ben te gelooven dat dit ook
eenigzints ruim genomen is, daar men ook hiervoor de toe-
vlucht zal moeten nemen tot particuliere vaartuigen en
dezen allen een 2 of 3tal bevaren matrozen aan boord heb-
ben, zoodat in hoofdzaak slechts personeel voor de noodige
leiding noodig zal zijn.
De overige kolommen vereischen geene toelichting.
Alsnu overgaande tot het personeel in de Koloniën, komt
hierbij in aanmerking:
le. het Auxiliair eskader, zooals het thans zamengesteld
is en overeenkomstig de bemanningslijsten, met uitzondering
der volgende wijzigingen:
voor de S. S. S. le kl. is minder uitgetrokken 4 adel-
borsten le kl. per schip, daar een aantal van 6 door mij
ruim voldoende wordt geacht voor den dienst in Indië;
-ocr page 46-
44
voor de ramtorenschepen wordt slechts een zeilmaker uit-
getrokken en voor de Prins Hendrik slechts 1 sergeant der
mariniers, beide naar ik meen overeenkomstig de behoefte.
Het personeel hiervoor benoodigd komt voor in kolom 1,
staat B, met inbegrip van 10 pCt. bovenrol.
2e. Het personeel benoodigd voor de Zeemacht in West-
Indië is uitgetrokken overeenkomstig de formatie der laatste
jaren, namelijk een S. S. S. le kl. te Curaeao en een id.
4e kl. te Suriname.
Tevens is hierin begrepen een S. S. S. le kl., bestemd
ter aflossing der schepen van dit charter in O. en W. Indië.
De bemanningen zijn overeenkomstig de bemanningslij sten,
zijnde voor de S. S. S. le klasse een off. mach. uitgetrokken.
Een en ander komt voor in kolom 2, staat B, met inbe-
grip van 10 pCt. bovenrol voor de beide eerstgenoemde
schepen.
3e. Het personeel benoodigd voor de Indische Militaire
is uitgetrokken voor de schepen, voorkomende op bijlage D
der begrooting voor 1888, overeenkomstig de formatie vast-
gesteld bij besluit der Indische Regeering, in dd. 25 October
1885, voor zooverre betreft de werkelijke oorlogschepen, de
wachtschepen en de staf.
Hierin zijn echter door mij de volgende wijzigingen
gebracht:
a.    Voor een der E. S. S. 2e kl. is een kapitein ter zee
uitgetrokken, daar ik het wenschelijk vind de betrekking
van stations-commandant te Atjeh aan een hoofdofficier van
dezen rang op te dragen, zoowel met het oog op de sterkte
van het station als in verband met de positie tegenover het
hoofd van het bestuur.
b.    Voor een der R. S. S. 4e kl., type Oenarang, is een
kapt. luit. t/z. uitgetrokken, daar ik het evenzoo wenschelijk
-ocr page 47-
45
acht de betrekking van stations-commandant in de Z. en O.
Afd. van Borneo aan een hoofdofficier op te dragen, waardoor
aanhoudende verwisseling van den titularis wordt vermeden.
c.    Voor de S. S. S. 4e kl., type Madura, is geen hoofd-
officier als commandant en dientengevolge ook geen luit. t/z.
Ie kl. als le officier uitgetrokken, daar ik zulks geheel
overbodig acht, zoodat de daardoor veroorzaakte hoogere
kosten kunnen bespaard worden.
d.  Voor de kleinste soort R. en S. S. S. 4e kl. zijn slechts
2 luit. t/z. 2\' kl. per schip uitgetrokken, daar ik dit aantal
voor deze schepen voldoende acht.
Verder moet nog onder dit personeel gerekend worden
dat der opnemingsvaartuigen. In stede echter van daarvoor
te rekenen op 1 vaartuig met stoom en 2 met zeilvermogen,
is door mij personeel uitgetrokken voor 2 vaartuigen der
eerstgenoemde soort.
Volgens zeer bevoegd advies mag de hoeveelheid gepro-
duceerde arbeid van 1 stoomschip tot die der beide zeil-
schepen minstens als gelijk en hoogstwaarschijnlijk als
grooter aangenomen worden, zoodat bij minder personeel
minstens gelijke, maar waarschijnlijk meerdere arbeid ver-
kregen wordt.
Tegenover de kosten van aanschaffing van een stoomschip
staat belangrijke jaarlijksche besparing aan uitgaven voor
soldijen, voeding enz. Volgens de marinebegrooting toch
staat het stoomschip onder art. 32 (zeetractementen enz.)
uitgetrokken voor ƒ25,946 en elke schoonerbrik voor/21,606,
zoodat alleen op deze post bespaard wordt 25,946 2 X 21,606,
verminderd met 2 x 25,946, of ƒ 17,266 per jaar.
Wel komen bij een stoomschip de kosten van machine-
kamerbehoeften in aanmerking, maar die der rondhouten en
zeilen zijn bij het zeilschip evenzoo vrij belangrijk.
-ocr page 48-
46
Daar een stoomscheepje als de Hydrograaf spoedig kan
geleverd worden, is deze wijziging reeds door mij aangenomen.
Behalve deze belangrijke besparing in uitgaven wordt eene
besparing aan personeel verkregen van 1 luit. t/z. le kl.,
3 id. 2e kl., 1 off. van gez. en van adm. en verder enkele
andere kwaliteiten, waar tegenover eene vermeerdering van
eenig machinekamerpersoneel staat.
Het personeel benoodigd voor de I. M. M. komt evenzoo
voor op staat B; het totaal met inbegrip van 10 pOt. boven-
rol is aangegeven in kolom 15.
In de 16e kolom komt voor het totaal der kolommen
1, 2 en 15, en geeft alzoo aan het personeel dat in het
geheel voor de Koloniën noodig is, met toepassing der door
mij aangegeven wijzigingen.
Wil dus in deze behoefte voorzien worden, dan zoude dit
personeel beschikbaar moeten zijn en daar zulks evenzoo
het geval moet wezen met het personeel benoodigd voor de
defensie binnenslands, zou het gezamenlijk personeel der Zee-
macht even sterk moeten zijn als de som dezer beide totalen.
De beide eerste kolommen van staat E bevatten het per-
soneel voor de defensie en voor de koloniën, hunne som in
kolom 3 geeft alzoo het personeel benoodigd in oorlogstijd;
vergelijkt men dat hetwelk op 1 Januari 1887 aanwezig was,
voorkomende in kolom 4 dan blijkt daaruit dat om in de
gezamentlijke behoefte te voorzien zouden ontbreken de vol-
genke kwaliteiten voorkomende in de 5e kolom.
30 luit. le kl., 40 id. 2e kl., 4 adj. adm., 1 schipper
33 bootslieden, 39 konstabels, G provoosten, 10 ziekenopp.,
58 hofmeesters, 43 koks, 43 scheerders, 245 matr. le kl., 243
id. 2C kl., 5 off. mach., 45 mach. en 43 mach. leerl.
Bij de beoordeeling dezer cijfers moet in aanmerking ge-
nomen worden:
-ocr page 49-
47
le dat er op 1 Jan. \'87 30 luit. 2° kl. aan rle sterkte
ontbraken en uit kolom 5 blijkt dat er 11 adelb. le kl.
over zijn;
2e dat er tegenover 4 adj. adm. die ontbreken 6 off. v.
adm. over zijn;
3e tegenover 1 schipper en 33 bootsl., 63 bootsm. en
kwartm. over zijn;
4e tegenover 39 konst., 33 konst. maats over zijn;
5e dat respectievelijk 30, 20 en 26 militiens opgeleid zijn
voor ziekenoppasser. hofmeester en kok;
6e dat er 43 bootm. leerl. le kl. aanwezig en 547 matr.
3e kl. en lichtmatr. over waren;
7e dat er 45 machinistleerl. in opleiding waren.
Behalve de hier genoemde kwaliteiten blijkt nog uit kolom
5, dat er ook nog bij eenige andere kwaliteiten een over-
compleet voor oorlogstijd is, hetgeen veroorzaakt wordt
doordat de behoefte aan deze kwaliteiten in vredestijd
grooter is.
Bij het overcompleet aantal bootmansmaats en kwarttm.
zal zeker gaandeweg in de ontbrekende bootslieden kunnen
voorzien worden, daar toch hoogstwaarschijnlijk de meesten
daarvan voor hoogeren rang geschikt zullen zijn, wanneer
zij eenmaal de tusschenliggende rang van bootsmt., die m. i.
veilig opgeheven kon worden, hebben bereikt.
Zulks geldt evenzoo voor de konstabels; dit corps is inde
laatste jaren sterk toegenomen, zoodat ook hier bij gelijk-
matige toevoer zeker gaandeweg door bevordering in het te
kort kan voorzien worden. (*)
(*) De vraag is misschien geoorloofd of de bemanninglijste,n van sommige
defensie vaartuigen niet eene wijziging zouden toelaten waardoor besnaring aan
sommige kwaliteiten zou worden verkregen.
Uit de oorspronkelijke bcmanningslijsten der monitors blijkt bijv. dat toen
-ocr page 50-
48
Deze beide kwaliteiten leveren alzoo m. i. geen over-
wegencl bezwaar op. Zulks is evenmin het geval met de
ontbrekende provoosten, daar dit corps nog niet lang geleden
belangrijk is uitgebreid door deze kwaliteit ook in de be-
manning der kleinere schepen op te nemen, en evenmin met
de scheerders, daar hierin binnenslands zonder eenig bezwaar
voor een groot gedeelte door burgers kan worden voorzien,
iets waardoor de voeding bespaard wordt en de bemanningen
waarschijnlijk beter geholpen worden.
Het gebrek aan hofmeesters en kajuits- en officierskoks,
want het zijn voornamelijk deze laatste die ontbreken, is
ontegenzeggelijk een kwaal die alhoewel minder op de strijd-
vaardigheid van het schip invloed hebbende, zich in het
leven aan boord toch op zeer onaangename wijze doet
gevoelen.
Zeker mag aangenomen worden dat zij voor een groot
gedeelte ontstaat door eene bezoldiging, welke voor geschikte
personen in die betrekking dienende te laag is; daarbij komt
dat zij in de laatste jaren geheel als militair beschouwd
zijn, er in de meeste gevallen geen geschikt logies voor hen
is en andere scheepstoestanden weinig bevorderlijk zijn om
deze schepen nog met 2 zware kanonnen bewapend waren, slechts 1 konst. en
1 konstmt. tot de rollen behoorden, terwijl nu zij slechts 1 zwaar kanon voeren
bovendien 1 konst. maj. daartoe behoort. Is deze vermeerdering daaraan te
wijten, dat 2 tot dit korps behoorende onderoff. onvoldoende is gebleken, dan is
het twijfelachtig of deze vermeerdering nu nog noodzakelijk is, tenzij de toe-
voeging van het lichte geschut haar thans gewenscht doet zijn.
Wanneer men echter nagaat dat op de R. S. de konst. in de kruitkamer en
de konst.maat in het granaathok is geplaatst en zulks bij de monitors in omge-
kcerden zin plaats heeft, dan geloof ik dat de plaatsing der konst.maat op beide
schepen als voldoende mag beschouwd worden, waardoor de kwaliteit vau konst.
op deze schepen zoude kunnen bespaard worden, zoodat het aantal tot dit corps
behoorende onderoff. teruggebracht kon worden voor deze schepen tot 1 konst.
maj. of konst. en 2 konst.mts.
!
-ocr page 51-
49
hun zich aan boord te huis te doen gevoelen. Misschien
zoude hierin verbetering te brengen zijn, wanneer de bezol-
diging verhoogd werd en zij weder als particnliere personen
beschouwd werden, iets wat naar ik mij meen te herinneren
vroeger evenzoo het geval was.
De kwaliteiten wier incompleet van ernstigen aard te
beschouwen zijn, voor zooverre betreft het thans aanwezige
materieel, bepalen zich alzoo tot de luitenants ter zee le en
2e klasse, matrozen le en 2C kl., machinisten en mach. leer-
lingen; het is dus eene noodzakelijkheid hierin verbetering
te brengen.
Alvorens aan te geven hoe daartoe te geraken, is het
raadzaam na te gaan welken invloed de vervanging der
schepen van het A. E. en der I. M. M., op de wijze als
door mij is aangegeven, op het benoodigde personeel zal hebben.
Voor het hierboven genoemde type oorlogschip heb ik
getracht eene bemanningslijst vast te stellen, zooals is aan-
gegeven in staat C; met inbegrip van 10 pCt. bovenrol, zou
voor het A. E., zamengesteld uit 4 dergelijke schepen, ver-
eischt worden het personeel vermeld in kolom 17, waardoor
in vergelijk met het daarvoor thans benoodigde (kolom 18)
eene besparing verkregen wordt, welke aangegeven is in
kolom 19, en die het tekort in sommige kwaliteiten ten
goede komt. Tegenover die vermindering staat dan eene
vermeerdering van 3 luit. t/z. 2e kl., 22 vuurst. en 35 tor-
pedisten, gevende totaal 280 koppen minder.
Dat deze wijziging alzoo eene belangrijke besparing aan
soldijen en voeding zal ten gevolge hebben, behoeft geen betoog.
De wijziging in het materieel der I. M. M. zal van min-
deren invloed zijn, daar zij zich eerst langzamerhand zal
doen gevoelen, naarmate de thans aanwezige schepen aan
den dienst ontvallen en alzoo aangevuld moeten worden,
4
-ocr page 52-
50
zijnde echter de toestand der oudste S. S. S. 4e kl. van dien
aard, dat waarschijnlijk niet lang daarmede gewacht zal
kunnen worden. Het door den vorigen Min. van Kol. op
de hegrooting uitgetrokken schip zal bij indienststelling,
wanneer als maatstaf der bemanning in hoofdzaak die der
vroegere Watergeus aangenomen wordt, eenige vermeerdering
ten gevolge hebben, ontstaande door het verschil dezer be-
manning en die van het daarvoor uitvallende S. S. S. 4e kl.
De Java voorloopig beschouwende als 4e stoomschip van
grooter charter, dan zal dit slechts eene kleine vermeerdering
bij sterkere bewapening ten gevolge hebben, terwijl de ver-
vanging der S. S. S. 4e kl. door het kleinere type weder
eenige besparing zal geven.
Wat betreft het te kort aan officieren wordt opgemerkt,
dat de kwaliteit van luit. t/z. 2e klasse sedert tal van jaren
incompleet is en dat te lang gewacht is met door vermeer-
dering van het jaarlijksch bij het Instituut toe te laten
aspiranten, in de aanvulling te voorzien.
Naar ik meen werd hiertoe eerst in het jaar 1881 over-
gegaan en werd dit aantal een paar jaar later nog eenigszins
vergroot. Naarmate deze sterkere afdeelingen het Instituut
verlaten en daarna tot luitenant bevorderd worden, zal de
sterkte in dezen rang toenemen; volgens het Jaarboekje be-
droeg zij op 1 Jan. 1885, \'86 en \'87 respectievelijk 176,
186 en 195, terwijl er volgens het naamboekje voor dit jaar
op 1 Jan. aanwezig waren 179, welk aantal wanneer de
bevordering der oudste promotie adelborsten le klasse in
1887 even als in de vorige jaren vóór 1 Jan. had plaats
gehad, 208 zou hebben bedragen.
Zeker mag het onverklaarbaar genoemd worden, dat men
juist in verband met de uitbreiding van het materieel voor
de defensie, niet eerder bedacht is geweest op aanvulling
-ocr page 53-
51
der officieren. Wordt dan ook voortgegaan met minstens
40 aspiranten jaarlijks te plaatsen, zooals in de laatste jaren
het geval was (voor dit jaar is het aantal echter reeds
weder tot 30 teruggebracht) dan zal zeker niet alleen het
te kort in den rang van luit. t/z. 2e klasse verdwijnen, maar
ook tot uitbreiding van het getal luit. t/z. 1« klasse over-
gegaan kunnen worden. Reeds door den Minister Gericke
is er op gewezen dat de uitbreiding van het materieel nood-
wendig eene uitbreiding van het personeel ten gevolge zal
moeten hebben; men dient zulks echter in het oog te blijven
houden, om tot een beteren toestand te geraken.
Zooals is opgemerkt waren er volgens de door mij aan-
gegevene formatie eenige adelborsten le klasse over, waar-
mede voor een gedeelte in de ontbrekende luit. t/z. 2e klasse
kan worden voorzien.
Wat betreft het tekort aan machinisten, (*) ook hierom-
trent geldt evenzeer de opmerking, dat bij de groote toe-
name in behoefte aan deze kwaliteit, geheel verzuimd is
door meerdere toelating van aspiranten bij de opleiding in
aanvulling van het tekort te voorzien. Tegen 51 in 1876
en 40 in 1877/79, bedroeg het aantal toegelaten aspiranten
in de daaropvolgende jaren respectievelijk slechts 22, 20,
15, 15, 15 en 15, totdat in 1886 eerst weder vermeerdering
tot 25 plaats vond, welk aantal in 1887 reeds weder daalde
tot 18. Vermeerderde het aantal machinisten van Juli 1876
tot Oct. 1881 dan ook met 56, van af dien datum tot
1 Jan. 1887 bedroeg dit aantal slechts 13.
Nu door de belangrijke uitbreiding van het aantal officieren
machinisten de vooruitzichten van het corps machinisten
(*) De machinist-loerliiigeii in oplcidiiig zulleu het tekort gedeeltelijk ten
goede komen.
-ocr page 54-
I
52
weder zeer zijn verbeterd, lijdt het m. i. geen twijfel of
door meerdere toelating van aspiranten zal ook hier het
tekort spoedig verminderen, iets wat in de jaren 1876/81
dan ook duidelijk gebleken is; uit het groot aantal jonge-
lingen dat zich jaarlijks aanmeldt voor het toelatingsexamen,
blijkt bovendien dat de lust om deze betrekking te kiezen
groot genoeg is.
De derde kwaliteit waarbij het groot incompleet als be-
zwarend moet beschouwd worden, is de gasten. Zooals
gezien is levert de daarstelling van een nieuw type voor
het A. E. reeds eene kleine besparing van 26 matr. le kl.
en 57 id. 2e kl. op, welke alzoo het tekort terug zoude
brengen op 219 en 186.
Wel is bij deze kwaliteit eene vermeerdering waar te
nemen in het tijdvak Oct. 1878—Juli 1887 van 129, maar
terwijl deze gering te noemen is in vergelijk met het ont-
brekende aantal, schijnt het aantal aanwezige bovendien zeer
ongelijkmatig af- en dan weder toe te nemen. Daar nu het
aantal matr. 3e kl. en lichtmatrozen in de laatste jaren vrij
belangrijk is toegenomen en dan ook een overcompleet aan-
geeft,. ongeveer gelijkstaande met het ontbrekende aantal
gasten, is het mogelijk dat er oorzaken bestaan, welke het
aanvullen en in dienst honden der gasten in den weg staat.
Kan in het eerste (aanvulling) waarschijnlijk verbetering
gebracht worden, door de voorwaarden aan deze kwaliteiten
gesteld eenigszins te veranderen, in verband met tegenwoor-
dige toestanden, waardoor zij dikmaals langer binnenslands
dienen en daardoor minder in de gelegenheid zijn om aan
de practische eischen te voldoen, (*) ter bevordering van het
(*) Vergelijkt men de bepalingen voor de bevordering der matrozen en die
der mariniers, dan blijkt daaruit dat laatstgenoemden in veel gunstiger omstan-
-ocr page 55-
53
in dienst blijven zou het overweging verdienen eene proef
te Hemen, in hoeverre bijv. eene verhooging van soldij voor\'
matr. I" kl., die zich als zoodanig minstens voor 3 jaar
reëngageeren, daarop een gunstigen invloed kan hebben.
(In verband hiermede zoude met het oog op het weinige
verschil, dat alsdan tusschen de soldij der matr. le kl.
en kwartierm. bestaan zoude, de soldij dezer laatsten ook
eenige verhooging moeten ondergaan; wanneer dan tevens
de tusschenliggende rang van bootsmaat werd opgeheven en
de soldij der kwartierm. bijv. op ƒ 30 werd gesteld, zou
eene verhooging van / 3 soldij \'s maands voor de door mij
bedoelde matr. le kl. geen bezwaar opleveren).
Evenzoo zal het op hun in dienst blijven waarschijnlijk
een gunstigen invloed uitoefenen, wanneer meerdere onder-
officieren van uit de matr. le kl. aan boord der actieve
schepen worden bevorderd, in stede van daarin voor verreweg
het grootste gedeelte te voorzien door de opleiding voor de
onderoff., iets waartegen m. i. in verband met het op de
digheden verkeeren, daar behalve de eisch \\an goed gedrag en geschiktheid geene
andere bestaat voor die tot mar. 2e kl. dan een half jaar dienst aan boord van
een schip en voor die tot mar. Ie kl. van 1 jaar aan boord van een actief
schip, een eisch waaraan bijna immer na eenige dienstjaren is voldaan. Neemt
men hierbij in aanmerking dat terwijl de soldij der matr. Ie en 2e kl. slechts
ƒ 1 hooger is dan die der mar. le en 2e kl., deze laatsten echter zeer dikmaals
toelagen (soms zelfs belangrijke) genieten als bedienden, dan mag in ulgemeeneu
zin de positie der oudere mariniers als gunstiger dan die der oudere matrozen
beschouwd worden, iets wat zeker de lust tot in dienst blijven hij de laatsten
niet aanmoedigt.
Eenige meerdere gelijkheid in de voorschriften op de bevordering zoude kun-
nen verkregen worden, wanneer voor de bevordering tot mar. Ie kl. bijv. eene
zekere graad van geoefendheid als schutter verplichtend was. Mag hiertegen
aangevoerd worden dat daartoe in O.-I. wel eens minder gelegenheid bestaat,
zoo staat hier tegenover dat de matr. zoo daar als hier eveuzoo wel eens de
gelegenheid ontbreekt, om zich voor de verschillende eischen te bekwamen.
Een dergelijke maatregel zou bovendien zeer gunstig op de geoefendheid als
schutter bij het eorps mariniers werken.
-ocr page 56-
51
opleidingschepen genoten onderwijs tegenwoordig minder be-
zwaar bestaat.
Volgens het Jaarboekje van 1885/86 zijn dan ook reeds
bevelen gegeven, om het aantal onderoff. welke de opleiding
als zoodanig verlaten te beperken en daarentegen meerdere
lichtmatr. voor de kwaliteit van matr. 2e klasse te bekwamen.
Ongetwijfeld is langs dezen weg vermeerdering van het aan-
tal gasten te verkrijgen. (Toch wordt op deze wijze eene
m. i. groote onrechtvaardigheid gepleegd tegenover het
grootste gedeelte der jongens, namelijk hen die jaarlijks van
de opleidingschepen rechtstreeks naar de wachtschepen ver-
trekken als lichtmatrozen. Voor dezen, waaronder er ver-
scheidenen zijn wier gedrag zoo niet even goed maar nog
beter, en wier verstandelijke ontwikkeling evenzoo verre van
ongunstig, maar wier lichamelijke ontwikkeling alleen minder
gunstig is, mag het vooruitzicht om vooruit te komen als veel
minder beschouwd worden dan voor hen die naar de op-
leiding te Heivoet vertrekken. Eene regeling volgens welke
alle jongens, die als lichtmatroos de opleiding verlaten, ge-
durende eenige maanden bijv. 9 op een doelmatig inge-
richt schip binnen- en buitengaats geoefend werden,
en eerst daarna over de vloot verspreid werden, zoude
m. i. voor allen een meer gelijke kans om vooruit te komen
opleveren).
Ook zal het in dienst blijven voor hen die na het ver-
strijken van hun eerste verband, thans de dienst als matroos
le klasse verlaten, waarschijnlijk kunnen bevorderd worden,
ten le door hun die zich in die kwaliteit andermaal voor
eenige jaren verbinden, zooveel mogelijk de zekerheid te
geven van naarmate de behoefte daartoe aanwezig is, in de
eerste plaats in aanmerking te komen voor verschillende
rijksbetrekkingen, vooral ook bij de conservatie en uitrusting
-ocr page 57-
M
van het materieel bij \'s Rijks werven, waardoor laugzamer-
hand tevens eene reserve gevormd zoude kunnen worden.
2e. Door verbetering te brengen in het thans gevolgde
voedingstelsel, dat alhoewel de kwaliteit der spijzen steeds
uitmuntend mag genoemd worden, te weinig afwisseling
aanbiedt. Overwegende bezwaren bestaan er m. i. niet om
binnenslands een proef te nemen met het brengen van eenige
afwisseling in de spijzen, en zoo deze slaagt de tarieven te
wijzigen. Buitengaats en in de Koloniën zou zulks waar-
schijnlijk meerdere moeielijkheden opleveren.
3e. Door in principe aan te nemen dat alle baantjesgasten,
waarvoor geene speciale opleiding noodig is, zooals koks-
maats, ziekenoppassers, botteliersmaats, daartoe slechts kun-
nen bevorderd worden dan nadat zij eenigen tijd als matroos
2" klasse hebben gediend. Wat eerstgenoemden betreft zou-
den dezen gelijk gesteld kunnen worden met matroos le kl.
en hun eerst bij bevordering tot scheepskok den korporaals-
rang toegekend kunnen worden, waardoor de zeer juiste grief
zou komen te vervallen, dat de koksmaats, die gewoonlijk
uit de minst geschikte rnatr. 3e kl. afkomstig zijn, bij aan-
stelling tot deze kwaliteit de superieuren van de zooveel
oudere matrozen lc klasse zijn.
Nog eene andere omstandigheid werkt het aangaan eener
2e of 3e verbindtenis bij de zeedienst waarschijnlijk zeer
tegen, namelijk dat zij die daarvoor later wegens lichaauis-
gebreken niet meer in aanmerking komen of bij minder dan
20jarige dienst wegens gebreken wel in doch niet door den
dienst verkregen ontslagen worden, den dienst zonder pen-
sioen moeten verlaten. Daar de mogelijkheid daartoe voor
allen bestaat en grooter wordt naarmate de leeftijd toeneemt,
is het duidelijk dat velen met het oog daarop er toe ge-
bracht worden om reeds na het einde hunner eerste ver-
-ocr page 58-
56
bindtenis den dienst te verlaten, daar het hun dan zeker
gemakkelijker zal vallen dan later, om door het verkrijgen
van eene of andere betrekking of het aanleeren van een of
ander beroep in hun levensonderhoud te voorzien.
Vooral voor deze cathegorie van schepelingen zou het
uitzicht op eene of andere landsbetrekking, wanneer zij om
bovengenoemde redenen na een zekeren diensttijd of na ein-
diging van hun eerste verband den dienst moeten verlaten,
waarschijnlijk zeer gunstig werken op het in dienst blijven.
Hebben deze maatregelen ten doel het in dienst houden
der gasten te bevorderen en daardoor het tekort te doen
verminderen, nog door een andere maatregel kan m. i. voor
een gedeelte althans in de behoefte voorzien worden en
alzoo tot hetzelfde resultaat leiden. (*)
Zooals bekend is, is de proef om een gedeelte der Euro-
peesche bemanning der schepen van de I. M. M. door
Inlandsche matrozen te vervangen, als niet geslaagd be-
schouwd en is daardoor op dien maatregel teruggekomen.
(*) Betreffende de gasten zij nog opgemerkt, dat ook hier de opmerking be-
treft\'ende de bcmanuingslijsteri, gemaakt bij de bespreking van het aantal kou-
stabels, misschien niet misplaatst is. Bij de oorspronkelijke vaststelling dier
lijsten waren de gepantserde schepen naar ik meen nog niet van eene stoom-
stuurinrichting voorzien; nu zulks tegenwoordig wel het geval is en het schip
door den commandant van uit den piloltower wordt gestuurd, zou volgens mijne
meening het aantal gasten aan boord van verschillende dezer schepen met een
paar verminderd kunnen worden. Mocht in geval van avarij aan deze stuur-
inrichting het beneden stuurrad gebruikt moeten wordan, dan is daarvoor zeker
personeel te vinden, wanneer men nagaat dat volgens de alarmrol aan boord der
ramsch. 1 matr. Ie kl. bij de reserve en 2 bij de brandspuit en 3 id. 2e kl.
bij de Downtonpompen zijn geplaatst, terwijl aan boord der mon. 1 matr.
Ie kl. en 1 2e kl. bij de reserve, en 1 matr. Ie kl. en 2 id. 2e kl. als uitkijk
aan dek zijn geplaatst.
Zoowel bij de pompen als bij de brandspuit, zoomede als uitkijk, voor zoo-
verre deze in tijd vau actie werkelijk aan dek uoodig zijn, kunnen m. i. militiens
gebruikt worden.
-ocr page 59-
57
De oorzaken welke tot die uitkomsten hebben medegewerkt,
voor het oogenblik daarlatende, ben ik echter van oordeel
dat de wijze waarop de proef genomen is, daartoe in de
eerste plaats geleid heeft.
Bij ondervinding wetende, dat er onder de Inlandsche
schepelingen verschillende gevonden worden, waarvan zeer
goede roergangers, looders en ook schutters te maken zijn,
zoude ik op de proef terug willen komen in zooverre, dat
bijv. aan boord van eiken bodem niet meer dan 3 matrozen
le kl. en 3 der 2e kl. door Inlandsche matrozen dier kwa-
liteiten werden vervangen, waardoor eene besparing van
ongeveer 100 gasten zoude verkregen worden, en het tekort
teruggebracht zijn op 170 matr. le kl. en 136 id. 2e kl.,
zullende de bootsmansleerlingen deze laatsten voor een ge-
deelte kunnen vervangen.
Ten einde echter niet weder in dezelfde fout van vroeger
te vervallen, zouden zij daarvoor op een speciaal scheepje
moeten gevormd worden, waarvoor waarschijnlijk zeer doel-
matig gebruik gemaakt zou kunnen worden van een der
vrijkomende schoonerbrikken, met een beperkt Europeesche
bemanning.
Bovendien zoude zulks zeer gunstig werken op het corps
inlandsche schepelingen, waarvoor thans alle kans om vooruit
te komen nagenoeg geheel is opgeheven. De geschiktste
Inl. matr. 3e kl. aan boord der schepen zouden dan voor
eene plaatsing aan boord van het Instructiescheepje kun-
nen aangewezen worden, ten einde na eenig verblijf daar
aan boord, als matr. 2e kl. op de actieve schepen terug
te keeren.
Geldt het bovenstaande een maatregel om gedeeltelijk te
voorzien in het benoodigd aantal gasten in vredestijd, zoo
mag gevraagd worden of het geheel onmogelijk is op de
-ocr page 60-
58
eene of andere wijze partij te trekken van hen, die den dienst
in die kwaliteit, (*) en zoo mogelijk ook in andere, hebben ver-
laten, ten einde te voorzien in de behoefte in oorlogstijd, en
evenzoo of hiervoor, wat betreft de machinisten, niet voor
een gedeelte mag gerekend worden op het personeel der
particuliere stoomvloot, anders gezegd of het niet mogelijk
zou zijn al is het dan maar voor eenige kwaliteiten, eene
reserve in het leven te roepen.
Wat bijv. de machinisten aangaat, zullen er zeker velen
zijn die, wanneer de particuliere binnenlandsche vaart ten
gevolge van oorlogstoestand in sommige deelen des lands
stilstaat, gebruikt zullen kunnen worden op stoomsloepen enz.
Voor het oogenblik niet in staat zijnde dit vraagstuk tot
oplossing te brengen, zoo heb ik het slechts aangeroerd,
omdat ik niet geheel aan de mogelijkheid daarvan twijfel.
Mag alzoo aangenomen worden dat bij meerdere toelating
van aspiranten aan het Instituut en de opleiding te Heivoet
het ontbrekende aantal officieren en machinisten belangrijk
zal doen verminderen en is de hoop niet ongegrond, dat de
door mij aangegevene maatregelen hetzelfde ten gevolge
zullen hebben voor wat betreft de gasten, dan vermeen ik
ook dat de toestand van het personeel niet van dien aard
is dat daarin aanleiding kan gevonden worden om de Zee-
macht van hare belangrijke taak in de Koloniën te ontheffen.
Wel zal het geheel voltallig maken en voltallig houden
meerdere uitgaven voor het personeel ten gevolge hebben (f)
(*) Hoeveel gepasporteerde gasten zouden er bijv. in Rotterdam en Amster-
dam in verschillende betrekkingen werkzaam zijn, die in de eerste jaren na hun
ontslag bij mobilisatie, op het materieel der defensie, nog zeer goede diensten zouden
kunuen bewijzen, wanneer daarvoor eene doeltreffende regeling werd vastgesteld.
(t) In hoeverre eene nieuwe wet op de militie vermindering van het uit vrij-
willigers bestaande mindere personeel zal veroorloven, kan thans nog niet beoor-
deeld worden.
-ocr page 61-
59
en zal zulks bij nieuwe uitbreiding, wanneer deze zal blijken
noodig te zijn, in nog meerdere mate het geval zijn, maar
ik ben overtuigd dat het, zooals ik reeds meermalen heb
aangetoond, niet mogelijk zal zijn op eene betere wijze in
de taak der Zeemacht in de Koloniën te voorzien. En
mocht zulks al mogelijk zijn, dan zouden de kosten die
daarvoor besteed zouden moeten worden, zeer zeker belang-
rijker hooger zijn dan thans het geval is; men denke slechts
aan de tractementen en soldijen, zoomede aan de pensioenen,
verlofstractementen, passagegelden enz. der Indische ambte-
naren en off. van het leger. En mag hiertegen aangevoerd
worden, dat thans verschillende uitgaven voor het personeel
nagenoeg alleen ten koste der begrooting van het moeder-
land komen, terwijl toch de Koloniën zulke belangrijke
diensten van dat personeel trekken, dan staat hiertegen over
dat het niet geheel onbillijk mag genoemd worden, een ge-
deelte dier uitgaven ten laste der Indische begrooting te
brengen.
Heeft het bovenstaande betrekking op de behoefte aan
personeel in oorlogstijd, zoo dient thans nog nagegaan te
worden, in hoeverre het personeel, bestemd voor de binnen-
landsche defensie, dat alzoo bij het geheel voltallig zijn
steeds beschikbaar zal zijn, voldoende is voor de verschillende
diensten in vredestijd, waaronder ook gerekend moeten wor-
den de zoo noodige oefeningen buitengaats, tot het verkrijgen
der onmisbare zeemanschap.
Het personeel dat in vredestijd doorgaande noodig is,
komt voor op staat D, onder kolom 13; dat hetwelk boven-
dien vereischt wordt voor de zomeroefeningen, is aangegeven
in kolom 18, gevende een en ander met inbegrip van 5 pCt.
zieken, een gezamentlijk aantal zooals aangegeven is in
kolom 19. Hierbij moet opgemerkt worden dat het oplei-
-ocr page 62-
60
dingschip voor de miliciens niet onder de zomeroefeningen,
maar onder de gewone dienst is gerekend, omdat dezen
bodem geruimen tijd langer dan de schepen van het gepant-
serd materieel in dienst blijft.
2e. Dat op deze staat is uitgetrokken 1 opleidingschip
voor jongens met een personeel, dat bij een aantal van p.m.
500 jongens vereischt wordt.
3C. Dat het personeel voor de Kweekschool voor de
Zeevaart te Leiden volgens de formatie der laatste jaren is
uitgetrokken.
4e. Dat tengevolge van de opheffing van 1 opleidingschip
ook slechts op 1 instructiebrik is gerekend, kunnende voor
dezen bodem echter niet, even als tot nu in sommige kwa-
liteiten, van uit de rolle van het eerstgenoemde schip voor-
zien worden.
5e. Dat voor het aantal officieren gedetacheerd bij den
torpedodienst, genomen is het aantal, voorkomende op bijlage
der begrooting voor dit jaar.
Vergelijkt men deze cijfers, welke in kolom 6 van staat E
zijn overgebracht, met het personeel dat voor de defensie
binnenslands aanwezig en alzoo steeds beschikbaar moet
zijn (kolom 1), dan blijkt daaruit (kolom 7) dat er slechts
bij eenige kwaliteiten in tijd van vrede een grooter aantal
benoodigd is dan in tijd van oorlog en hierin wordt dan
ook de verklaring gevonden van het hierboven reeds ge-
noemde overcompleet in die kwaliteiten. Daar er in oorlogs-
tijd nagenoeg geen licht volk benoodigd is, komt ook dit
in deze kolom als ontbrekend voor; uit kolom 4 blijkt echter
dat het in voldoende mate aanwezig is, iets wat evenzoo het
geval is met de onderoff. der mariniers, waaraan de behoefte
in tijd van vrede ook grooter is dan in oorlogstijd, voor
zooverre de dienst aan boord betreft.
-ocr page 63-
61
Het personeel in kolom 7 vermeld is alzoo niet benoodigd
voor de gewone dienst binnenslands, ook gedurende de zomer-
oefeningen, en zou alzoo beschikbaar zijn voor oefeningen
buitengaats of andere oefeningen. Hierbij moet echter in
aanmerking genomen worden, dat enkele kwaliteiten nog
eene kleine vermindering ondergaan, daar het jaarlijks af
te lossen 1/3 gedeelte van het personeel der I. M. M. iets
grooter is dan het na afloop der zomeroefeningen vrijkomend
personeel dat daarvoor bestemd kan worden, zoodat in
werkelijkheid de cijfers in kolom 11 aangegeven worden
verkregen.
Bij voltalligheid van het personeel zal alzoo onafhankelijk
van den dienst in de Koloniën ook in de oefeningen binnen-
en buitenslands kunnen voorzien worden door het personeel
voor de defensie bestemd.
Het is duidelijk dat het resultaat dier oefeningen voor
een groot gedeelte afhangt van de wijze waarop deze gere-
geld zijn en de tijd welke daaraan besteed wordt.
Bij de thans gevolgde wijze van voorziening in de behoefte
aan het personeel der vloot, verlaten de lichtmatrozen de
opleidingschepen, na in alle zaken op hun vak betrekking
hebbende tot op zekere hoogte onderricht te zijn gewor-
den, zoodat eene goede gi\'ondslag voor latere ontwikkeling
is gelegd.
Zullen nu de gunstige gevolgen daarvan niet verlo-
ren gaan, dan is het in de eerste plaats gewenscht dat
zij bij hunne intrede in het werkelijk leven zooveel mo-
gelijk het geleerde onderhouden, en vooral al wat tot
het practische gedeelte behoort tot meerdere ontwikkeling
brengen.
Ongetwijfeld zoude het daarom zeer wenschelijk zijn,
hun bij het verlaten der opleiding gedurende bijv. 9 of
-ocr page 64-
62
12 maanden op doelmatig ingerichte schepen verder in
het practische leven in te wijden en hun daarna over
de vloot, hetzij hier te lande, hetzij in de Koloniën, te
verdeelen.
Bestaan daartegen echter om finantiëele of andere rede-
nen overwegende bezwaren, (m. i. zouden dezen over-
wonnen moeten worden) en moeten zij dientengevolge
het eerste gedeelte van hunnen diensttijd binnenslands
en alzoo voornamelijk op het wachtschip te Willems-
oord (*) doorbrengen, dan is het dringend noodig om hun
aldaar zooveel mogelijk verder te bekwamen, iets waartoe
deze in zoovele opzichten uitmuntende zeeplaats zulke goede
gelegenheid aanbiedt.
Ten einde daarvan het meest mogelijke resultaat te heb-
ben, moet het aantal aan boord van dien bodem geplaatste
luitenants ter zee dan ook zoodanig zijn, dat er steeds vol-
doende officieren beschikbaar zijn voor infanterie-, sloepen-,
zeilen-exercitiën enz., welke zooveel mogelijk onder het
directe toezicht van officieren moeten plaats hebben, (f)
Evenzoo is het zeer gewenscht de oefeningen in het vuren
geregeld te doen plaats hebben en daarvoor een voldoend
aantal doelmatig ingerichte schietbanen beschikbaar te hebben.
(*) Zeer wenschelijk, ja zelfs noodzakelijk komt het mij voor, de zeer grootc
opeenhooping Tan personeel aan boord van het wachtschip te Willemsoord op de
eene of andere wijze te voorkomen. Mijns inziens moet zulks een ongunstigen
invloed uitoefenen op het mindere personeel en vooral op de talrijke daartoe
behoorende lichtmatrozen. Nu het door de opheffing van een der opleiding-
schepen mogelijk wordt te Hellevoctsluis een ruimer wachtschip te plaatsen,
waar aan boord meerdere manschappen kunnen gelogeerd worden, zou het zeer
doelmatig zijn de jeugdige mindere schepelingen over deze beide bodems te
verdeelen.
(f) Het grootste gedeelte der thans daar aan boord dienende luitenants ter
zee is bijna voortdurend geheel bcnoodigd voor de talrijke krijgsraden, commissicn
enz. en is daardoor slechts weinig voor deu gewonen dienst beschikbaar.
-ocr page 65-
63
In geen geval mogen deze jeugdige schepelingen op de
werf tot het verrichten van corvee diensten gebruikt worden,
daar zulks allernadeeligst voor hun militaire geest en hun
gevoel van eigenwaarde mag genoemd worden en zeer
zeker leidt tot het zeer spoedig verloren gaan van de
resultaten der zorgen en kosten, die bij de opleiding aan
hun besteed zijn.
Wanneer op deze wijze den tijd nuttig besteed wordt,
zullen de nadeelige gevolgen van het verblijf aan boord
van een wachtschip zich ten minste minder doen gevoelen.
Wat betreft het oudere mindere personeel, ook aan de
oefening hiervan moet zoolang het binnenslands vertoeft,
zooveel mogelijk zorg besteed worden, iets wat naar ik geloof
tegenwoordig niet voldoende plaats heeft.
De indienststelling toch van 1/3 gedeelte van het
gepantserd materieel gedurende 4 zomermaanden, heeft
nagenoeg uitsluitend de oefening der zeemiliciens ten
doel, zoodat zij het vaste personeel nagenoeg niet ten
goede komt.
Eene groote verbetering zoude hierin reeds gebracht kun-
nen worden, door ook voor het vaste personeel eenig materieel
te bestemmen, bijv. door alle of eenige der schepen welke
einde Juni voor bovengenoemd doel in dienst komen, reeds
met 1 April in dienst te stellen, zoodat zij alsdan uitsluitend
met schepelingen behoorende tot het vaste personeel bemand
zouden zijn.
Volgens de begrooting bedragen de kosten, wat het per-
soneel betreft, voor de 4 schepen welke dit jaar in dienst
zullen komen, dooreen genomen p.m. ƒ 1000 per maand;
worden zij of eenige hunner drie maanden eerder in dienst
gesteld, bemand met een aantal matrozen gelijk aan dat
der miliciens, dan zoude zulks voor elke bodem eene hoogere
-ocr page 66-
64
uitgave van f 3000 eischen, behalve de meerdere kosten aan
onderhoud, brandstoffen enz.
Zoude deze vermeerdering van uitgaven niet opwegen
tegen de voordeelen, door de meerdere oefeningen welke
daardoor zoowel de officieren als het mindere personeel zouden
ten goede komen?
Zoowel deze oefeningstijd als die welke later voor de
miliciens bestemd is, zoude met uitzondering van eenige
weken voor gezamenlijke manoeuvres, zooveel mogelijk dienst-
baar gemaakt kunnen worden om de commandanten en
officieren in de gelegenheid te stellen om meerdere bekend-
heid met de verschillende zeegaten, stroomen en vaarwaters
te verkrijgen, waartoe bij den commandanten zooveel mo-
gelijk aan eigen initiatief en eigen oordeel zou moeten over-
gelaten worden.
Wat zoo even door mij is gezegd omtrent de oefeningen
der van de opleidingschepen komende lichtmatrozen, geldt
wat sommige oefeningen aangaat, zooals bijv. schijfschieten
en infanterie exercitiën, ook voor het oudere gedeelte van
het mindere personeel. Met uitzondering van het op- en
aftuigen van in dienst komende of uit dienst gaande schepen
en daarmede in betrekking staande werkzaamheden, mogen
ook zij nimmer aangewezen of gebruikt worden voor de krijgs-
tucht verslappende en geestdoodende corvee diensten op
de werven.
(*)
Voor het verrichten dezer diensten moet op andere wijze
burger personeel aangewezen worden; de gelden daardoor
(*) Ter bevordering van den militairen geest zou ik het zeer gewcnscht
achten vast te stellen, dat de groote Parades ter eere van het Vorstelijk huis,
bij uitreiking van eereteekenen enz., daar waar zulks kan geschieden en dus
binnenslands altijd, aan den wal en wel door de verschillende equipages geza-
mcnlijk zullen worden gehouden.
-ocr page 67-
65
bespaard oefenen een te nadeeligen invloed op het personeel
uit en de besparing is daarom niet te verdedigen.
Wordt door het eerder in dienst stellen dan thans ge-
bruikelijk is van eenig materieel der defensie reeds meerdere
gelegenheid tot oefening daargesteld, misschien zou hiervoor
ook eenigszins party te trekken zijn van het gedurende de
wintermaanden op de vrachtschepen vertoevende personeel,
door aan elk dier bodems een stoomkanonneerboot toe te
voegen, waarmede bij elke gunstige gelegenheid van weer
en wind gedurende den dag kleine tochten in de aangren-
zende vaarwaters gemaakt en andere oefeningen gehouden
zouden kunnen worden. Deze vaartuigen zouden daarvoor
niet voortdurend in dienst behoeven te zijn, doch voor elke
tocht personeel aangewezen kunnen worden, zoodat de uit-
gaven daarvoor niet belangrijk zouden zijn.
Heeft het bovenstaande betrekking op de oefeningen bin-
nenslands, bij de regeling der zoo noodige oefeningstochten
buitengaats, tot het verkrijgen van meerdere zeemanschap,
moet rekening gehouden worden met de wenschelijkheid, dat
de schepen zich niet gedureude geruimen tijd in ver ver-
wijderde oorden bevinden, waardoor eene spoedige terugkeer,
wanneer zulks noodig geacht wordt, onmogelijk zou worden.
Gedurende den zomer is de Noordzee en gedurende den
winter de Noorder Atlantische Oceaan en de Middellandsche
Zee daarvoor het aangewezen terrein. (*)
Naarmate de behoefte daaraan bestaat, kunnen alsdan in
verband met de tijdsomstandigheden enkele reizen verder
uitgestrekt worden voor het uit een nationaal oogpunt zoo
(*) Op welke wijze deze oefeningstochten het meeste aan het doel kunnen
beantwoorden, bijv. door de daarvoor bestemde schepen al dan niet in eene
divisie te vcreenigen, laat ik thans buiten bespreking.
5
-ocr page 68-
66
gewenschte vertoon der vaderlandsche vlag en andere doel-
einden in het belang van den handel.
Zoowel deze reizen als sommige andere oefeningstochten
kunnen bovendien dienstbaar gemaakt worden aan het aflossen
van het in Indië vertoevende personeel, iets wat in alle
opzichten verre te verkiezen is boven het uitzenden van
transporten met particuliere stoomschepen.
Aan het einde van dit opstel zijnde, wil ik in het kort
resumeeren, dat de bedoeling daarvan geweest is aan te
toonen:
le. Dat op grond der geschiedenis onzer Oost-Indische
bezittingen in de laatste jaren, volgens mijne ernstige over-
tuiging, de handhaving van het gezag en de ongestoorde
ontwikkeling dier schoone gewesten, voornamelijk wat be-
treft de buiten bezittingen, de aanwezigheid eener voldoend
sterke en vooral bruikbare Nederlandsche Zeemacht aldaar
gebiedend noodzakelijk maken.
2e, Dat daarin alleen kan voorzien worden door het per-
soneel der Nederlandsche Marine en daarin hiertegen, bij
het nemen van eenige doeltreffende maatregelen tot aanvul-
ling van het gebrek aan sommige kwaliteiten, wat het per-
soneel aangaat, geen overwegend bezwaar bestaat.
3e. Dat het dringend noodig is, zoowel in verband met
den toestand en den aard der schepen, welke thans deel
uitmaken van het A. E., als met het oog op besparing van
personeel en besparing van uitgaven, met den meesten spoed
door aanschaffing van andere doelmatige schepen, in hunne
vervanging te voorzien.
4e. Dat door tijdige aanvulling van het materieel der
I. M. M., waaronder een paar doelmatige schepen van grooter
charter, verbetering moet gebracht worden in den treu-
-ocr page 69-
67
rigen toestand, waarin dit materieel in de laatste jaren
verkeerd heeft.
5e. Dat het wenschelijk is het binnenlandsch vertoevende
personeel meerdere gelegenheid tot oefening te geven, door
het daarvoor beschikbaar stellen van eenig materieel.
Zeer zeker zullen voor een en ander, vooral wat betreft
aanschaffing van nieuw materieel nieuwe en misschien zelfs
belangrijke finantieele offers gevraagd worden, en zal dit ook
alhoewel slechts in geringe mate het geval zijn voor het
verkrijgen van meerdere oefening.
Evenmin als andere natiën zullen wij ons er aan kunnen
onttrekken om verouderd en bovendien tengevolge hunner
eigenschappen zeer kostbaar materieel, op zekere tijden te
vervangen door materieel dat bij veel grootere bruikbaarheid
tevens veel mindere uitgaven wat personeel enz. aangaat
zal vereischen.
Is zulks voor het oogenblik het meest urgent voor het
materieel van het A. E. over eenige jaren zullen wij voor
dien eisch staan wat betreft een gedeelte van het materieel
voor de binnenlandsche defensie.
Op welke wijze, wat dit laatste betreft, daarin alsdan op
de meest doeltreffende wijze zal voorzien worden, acht ik
zulk een nioeielijk vraagstuk, dat ik mij voor het oogenblik
althans onthoud van het aangeven van een of ander type.
En hoe langer daarmede gewacht wordt hoe meer die
uitgaven zich zullen op een stapelen, iets wat nu bijv.
duidelijk in het oog springt bij het feit dat de posten voor
aanbouw van een groot schip van de beide laatste begroo-
tingen is afgenomen. De spoed die bij deze aanbouw thans
noodzakelijk mag genoemd worden, zal oorzaak zijn dat de
uitgaven over een korter tijdperk zullen moeten verdeeld
worden.
-ocr page 70-
(18
Ik eindig met den ernstigen wensch dat het nieuw opge-
treden hoofd van het Departement van Marine in staat ge-
steld zal mogen worden om zijne, juist in verband met den
toestand waarin een gedeelte van het materieel zich thans
bevindt, zoo moeielijke taak in het belang van moederland
en koloniën te kunnen vervullen.
NASCHRIFT.
Nog voor het bovenstaande geheel gereed was, verscheen
het 3e stuk van den Heer Guyot,
Voor zooverre betreft zijne organisatie voor onze vloot
in Indië, zal uit het bovenstaande, even als uit mijne vroe-
gere geschriften, gebleken zijn dat ik een geheel tegenover-
gesteld oordeel ben toegedaan. Alle hulde brengende aan
zijn uitgebreiden arbeid, zoo kan ik toch niet anders doen
dan op de meest ernstige wijze waarschuwen tegen het
opvolgen van zijn raad.
Evenmin als het «behelpen met palliatieven," voorko-
mende in het bekende en ik zou haast zeggen beruchte
telegram van den voorlaatsten voorganger van den Min.
van Kol. in antwoord op aanvraag om versterking van het
leger, hieraan kan te gemoet komen, evenmin kunnen pal-
liatieven voorzien in de diensten der Zeemacht.
Een ideale toestand, waarbij de handhaving van ons
gezag, de veiligheid ter zee, behoud van rust en bescher-
ming van personen en eigendommen kunnen opgedragen
-ocr page 71-
69
worden aan nagenoeg ongewapende gouvernementsschepen
of geheel ongewapende schepen der pakketvaart, moge ge-
wenscht zijn, in werkelijkheid, en ik vind dit zeer begrijpelijk,
bestaat hij echter niet. En eene macht van 8 oorlogschepen
is daartoe evenzoo geheel onvoldoende.
Een ieder die de gebeurtenissen in Indië met aandacht
volgt en dan bespeurt hoe telkens dan hier en dan daar,
afgescheiden van de gebeurtenissen te Atjeh, kleine expe-
ditië\'n. tuchtigingen, vertoon van macht enz. noodig zijn,
zal zulks moeten erkennen. Men vrage het aan ieder ln-
disch ambtenaar en aan ieder zeeofficier, die in de laatste
jaren eenigen tijd in de Koloniën hebben doorgebracht en
den toestand in persoon hebben leeren kennen, in hoeverre
ik al dan niet overdrijf.
Wel verre van onrust te willen verwekken of de toe-
standen te donker in te zien, is het alleen mijne bedoeling
er op te wijzen dat wij voortdurend steeds geheel gereed
moeten zijn, om niet door de gebeurtenissen overvallen
te worden.
Wil echter ook het Nederlandsche volk en hare ver-
tegenwoordigers daarvan geheel doordrongen zijn, dan is
het dringend noodig dat het zoo volledig mogelijk voorge-
licht worde, en hiervoor wordt vereischt omstandige mede-
deeling van alle gebeurtenissen en duidelijke blootlegging
van den werkelijken toestand in de officiëele verslagen der
Regeering.
Wat betreft de taak der Zeemacht bij de verdediging van
het moederland, ook in deze verschil ik met de denkbeelden
door den Heer Gtjyot ontwikkeld. Tijd en gelegenheid
ontbreken mij echter thans om dezen te wederleggen.
Alleen dit tot slot. Hoe meer Nederland, dat wel in
Europa klein, maar als Koloniale mogendheid toch groot
-ocr page 72-
70
is, ook in de veranderde omstandigheden waarin het thans
tegenover de zeemogendheden in Europa verkeert, aan dezen
toont dat het zich zoo noodig groote opofferingen wil ge-
troosten, om zijne Zeemacht in staat te stellen, zoowel om
haar gewichtig aandeel in de verdediging van het moeder-
land naar behooren te kunnen vervullen, als om zijne
bezittingen in rust en voorspoed voor het nageslacht te
bewaren, hoe hooger het daardoor in de achting dier mo-
gendheden zal blijven staan, en hoe meer het in den raad
der volken zal geteld worden.
-ocr page 73-
1
S
03
pg
-*
I
1
CS
—H
o
3
V
3
03
M
i—<
a
o
.ss
\'o
1—1
s*
SI
\'g
fdoffi
1
1
-
e
^
o
c
-*>
*3-
O
CS
a
c:
>
il
1
CC
<1
se\'
O
te\'
O
^
g
03
QQ
C=
3
.g
] 1
33
I-i
s
CO
S
3
o
V
£3
CO
H
s
-S
«^
i*3
il
CD
br,
q
.3
S
c
H
I
^ 1
.3
Ti
cc
OH
.2
I
cc
CC
S
p-
PM
j!
te
O
O
030
1609
225
1071
350
77
100
527
434
59
5082
1.  4 Ramschepen
2.  12 Monitors.
48
60
1(
92
80
00
156
28
66
41
12
240
20
48
144
16
02
24
24
72
14
122
32
12
12
37
24
12
36
12
36
86
48
fifiO
12
5
31
15
2
3
6
4
19
12
12
12
12 24
24
12
12
00
12
24
12
12
3.  4 Riviervaart, en Vahalis . .
4.   30 Stoomkanonnecrb. en bootl3
5.10 Torp.boot gr. en20 id.kl.mod
6.  3 Logementschepen......
7.  Verder Torpedopersoneel. . .
8.   3 Wachtschcpcn......
9 Verder personeel bij de defensie.
10.  Personeel aan wal.....
11.  Totaal..........
12.  5 pCt. zieken.......
13.  Totaal generaal.......
88
1 t
31
31
02
31
31
122
25
145
30
20
31
50
18
1
106
5
111
10
8
7
7175
20!
7(1
7
15
22
10
14
70
20
128
52
52
149
50
80
35
101
40
695
134
19
266 298
108
1504
338
10
31
270
45
71
21
23
40
42
20
21
20
75
1579
247
5329
7
141
15
35
13
15
13
106
7183
353
47
730
84
29
20
33
279
313
178
283
89
75
22
21
22
42
10
23
21
48
44
Staat A. Personeel voor de defensie binnenslands.
-ocr page 74-
1
S
03
pg
-*
I
1
CS
—H
o
3
V
3
03
M
i—<
a
o
.ss
\'o
1—1
s*
SI
\'g
fdoffi
1
1
-
e
^
o
c
-*>
*3-
O
CS
a
c:
>
il
1
CC
<1
se\'
O
te\'
O
^
g
03
QQ
C=
3
.g
] 1
33
I-i
s
CO
S
3
o
V
£3
CO
H
s
-S
«^
i*3
il
CD
br,
q
.3
S
c
H
I
^ 1
.3
Ti
cc
OH
.2
I
cc
CC
S
p-
PM
j!
te
O
O
030
1609
225
1071
350
77
100
527
434
59
5082
1.  4 Ramschepen
2.  12 Monitors.
48
60
1(
92
80
00
156
28
66
41
12
240
20
48
144
16
02
24
24
72
14
122
32
12
12
37
24
12
36
12
36
86
48
fifiO
12
5
31
15
2
3
6
4
19
12
12
12
12 24
24
12
12
00
12
24
12
12
3.  4 Riviervaart, en Vahalis . .
4.   30 Stoomkanonnecrb. en bootl3
5.10 Torp.boot gr. en20 id.kl.mod
6.  3 Logementschepen......
7.  Verder Torpedopersoneel. . .
8.   3 Wachtschcpcn......
9 Verder personeel bij de defensie.
10.  Personeel aan wal.....
11.  Totaal..........
12.  5 pCt. zieken.......
13.  Totaal generaal.......
88
1 t
31
31
02
31
31
122
25
145
30
20
31
50
18
1
106
5
111
10
8
7
7175
20!
7(1
7
15
22
10
14
70
20
128
52
52
149
50
80
35
101
40
695
134
19
266 298
108
1504
338
10
31
270
45
71
21
23
40
42
20
21
20
75
1579
247
5329
7
141
15
35
13
15
13
106
7183
353
47
730
84
29
20
33
279
313
178
283
89
75
22
21
22
42
10
23
21
48
44
Staat A. Personeel voor de defensie binnenslands.
-ocr page 75-
c
0
\'S
ES
I
>
Hoofdofficieren.
Luit. t/zee le klasse.
Luit. t/zee 2e klasse.
Adelborsten le klasse.
Off. van Gezondheid.
Off. van Administratie.
Adj. Administrateurs.
Schippers.
Bootsliedeu.
Bootsm.m\'.en Kwartierm.
Stuurlieden.
Stuurmansleerlingen.
Konstabels.
Konstabelsmaats.
Provoosten.
Timmerlieden.
Zeilmakers.
3
5
QQ
Botteliers en Botteliersint.
Ziekenoppassers.
03
\'T-
H
-a
ca
Hofmeesters.
Kaj. Off. Scheepskoks en int.
Kleermakers.
Schoeninakere.
Scheerders.
Matrozen le klasse.
Matrozen 2e klasse.
F>4
—
a
3
33
W
co
M
Zeeiniliciens.
Officieren Machinist.
Machinisten.
Machiuistleerlingen.
Vuurstokers.
Vuurst. Miliciens.
Off. der Mariniers.
Sergeanten.
co
"3
g
8
E
0
Tamb. Pijpers en Mariniers]
Torpedomakers.
Torpedisten.
Milicien Torpedisten.
"e
2. West-Indië en 1 S. S. S. Ie ld.
8
5
9
5
15
12
26
21
8
5
4
3
9
4
4
2
9
5
22
14
4
3
7
6
13
7
9
5
4
3
9
5
7
5
•*
3
9
5
9
5
9
5
1
1
9 22
i
6! 13
4
2
4
3
4
3
79
59
152
103
305
174
4
2
19
12
24
13
.79
86
5
2
5
2
12
5
187
99
1112
712
3.
4.
5.
6.
o
a
7.  \'S
8.     2
\'3
9.    |
io. a
o
CD
i—<
12.
2  R. S. 2e kl......
3         • 4e kl. (Oenarang)
1 ii ii (Onrust) .
1   S. ii n (Java) . .
4         H ii (Madura).
4 ii ii (Sambas).
2        ii ii (Flores) .
2 Opn. vaart, met stoom.
Staf..........
1
2
1
1
2
1
2
2
1
1
4
4
2
2
5
4
6
9
2
3
12
12
4
6
6
1
2
3
1
1
4
4
2
2
4
1
2
3
1
1
4
4
2
2
5
3
2
2
2
3
1
1
4
4
2
2
2
8
6
2
3
12
12
6
6
2
3
1
1
4
4
2
4
2
4
2
3
1
1
4
4
2
2
2
1
4
4
2
2
3
1
4
4
2
2
2
3
1
1
4
4
2
2
2
2
1
4
4
2
2
2
2
1
4
! 3
2
3
1
1
4
4
2
2
4
2
3
1
1
4
4
2
2
2
4
3
1
1
4
4
2
2
8
4
6
1
2
8
8
4
2
4
6
6
1
2
8
8
4
4
8
2
2
3
1
4
4
2
2
2
3
1
4
4
2
16
18
6
8
32
32
10
2
4
16
18
6
8
32
32
10
8
52
48
3
15
60
60
16
24
2
8
9
2
4
12
12
6
4
4
6
1
2
2
26
15
4
8
28
28
12
6
3
4
2
3
1
1
4
4
2
8
22
27
5
9
36
36
14
116
206
210
44
80
308
304
116
52
250
11
Te zamcn ....
10 pCt. bovenrol ....
Totaal ïnd. Mil. Mar. . .
13.
14.
1
7
1
27
3
61
6
24
2
27
3
2
1
4
1
19
2
55
6
23
2
4
19
2
18
1
18
2
21
2
17
2
10
1
23
2
21
2
29
3
39
4
47
5
2
18
2
16
2
128
13
130
13
278
27
2
57
6
15
1
127
13
3
4
1
25
3
265
26
1581
160
15.
1
8
30
67
26
30
3
5
21
61
25
4
21
14
20
23
19
n
25
23
32
43
52
2
20
18
141
143
305
2
63
16
140
3
i
28
291
1741
16. To
nii
Sta
;aal bcnoodigd voor Kolo-
D 1, 2 en 15......
,at B. Personeel b<
1
mo
21
adif
44
{d
94
in
47
39
Kol
37
oni
16
ê\'n,
11
35
;t i
97
nbe
32
gri
17
P \'
41
an
28
1
27
3.
37
s.
31
3.
18
1* 1
39
d.
37
VOO
46
r a
58
flüi"
87
sin
8
27
25
279
398
784
8
94
53
305
10
12
45
577
3565
-ocr page 76-
c
0
\'S
ES
I
>
Hoofdofficieren.
Luit. t/zee le klasse.
Luit. t/zee 2e klasse.
Adelborsten le klasse.
Off. van Gezondheid.
Off. van Administratie.
Adj. Administrateurs.
Schippers.
Bootsliedeu.
Bootsm.m\'.en Kwartierm.
Stuurlieden.
Stuurmansleerlingen.
Konstabels.
Konstabelsmaats.
Provoosten.
Timmerlieden.
Zeilmakers.
3
5
QQ
Botteliers en Botteliersint.
Ziekenoppassers.
03
\'T-
H
-a
ca
Hofmeesters.
Kaj. Off. Scheepskoks en int.
Kleermakers.
Schoeninakere.
Scheerders.
Matrozen le klasse.
Matrozen 2e klasse.
F>4
—
a
3
33
W
co
M
Zeeiniliciens.
Officieren Machinist.
Machinisten.
Machiuistleerlingen.
Vuurstokers.
Vuurst. Miliciens.
Off. der Mariniers.
Sergeanten.
co
"3
g
8
E
0
Tamb. Pijpers en Mariniers]
Torpedomakers.
Torpedisten.
Milicien Torpedisten.
"e
2. West-Indië en 1 S. S. S. Ie ld.
8
5
9
5
15
12
26
21
8
5
4
3
9
4
4
2
9
5
22
14
4
3
7
6
13
7
9
5
4
3
9
5
7
5
•*
3
9
5
9
5
9
5
1
1
9 22
i
6! 13
4
2
4
3
4
3
79
59
152
103
305
174
4
2
19
12
24
13
.79
86
5
2
5
2
12
5
187
99
1112
712
3.
4.
5.
6.
o
a
7.  \'S
8.     2
\'3
9.    |
io. a
o
CD
i—<
12.
2  R. S. 2e kl......
3         • 4e kl. (Oenarang)
1 ii ii (Onrust) .
1   S. ii n (Java) . .
4         H ii (Madura).
4 ii ii (Sambas).
2        ii ii (Flores) .
2 Opn. vaart, met stoom.
Staf..........
1
2
1
1
2
1
2
2
1
1
4
4
2
2
5
4
6
9
2
3
12
12
4
6
6
1
2
3
1
1
4
4
2
2
4
1
2
3
1
1
4
4
2
2
5
3
2
2
2
3
1
1
4
4
2
2
2
8
6
2
3
12
12
6
6
2
3
1
1
4
4
2
4
2
4
2
3
1
1
4
4
2
2
2
1
4
4
2
2
3
1
4
4
2
2
2
3
1
1
4
4
2
2
2
2
1
4
4
2
2
2
2
1
4
! 3
2
3
1
1
4
4
2
2
4
2
3
1
1
4
4
2
2
2
4
3
1
1
4
4
2
2
8
4
6
1
2
8
8
4
2
4
6
6
1
2
8
8
4
4
8
2
2
3
1
4
4
2
2
2
3
1
4
4
2
16
18
6
8
32
32
10
2
4
16
18
6
8
32
32
10
8
52
48
3
15
60
60
16
24
2
8
9
2
4
12
12
6
4
4
6
1
2
2
26
15
4
8
28
28
12
6
3
4
2
3
1
1
4
4
2
8
22
27
5
9
36
36
14
116
206
210
44
80
308
304
116
52
250
11
Te zamcn ....
10 pCt. bovenrol ....
Totaal ïnd. Mil. Mar. . .
13.
14.
1
7
1
27
3
61
6
24
2
27
3
2
1
4
1
19
2
55
6
23
2
4
19
2
18
1
18
2
21
2
17
2
10
1
23
2
21
2
29
3
39
4
47
5
2
18
2
16
2
128
13
130
13
278
27
2
57
6
15
1
127
13
3
4
1
25
3
265
26
1581
160
15.
1
8
30
67
26
30
3
5
21
61
25
4
21
14
20
23
19
n
25
23
32
43
52
2
20
18
141
143
305
2
63
16
140
3
i
28
291
1741
16. To
nii
Sta
;aal bcnoodigd voor Kolo-
D 1, 2 en 15......
,at B. Personeel b<
1
mo
21
adif
44
{d
94
in
47
39
Kol
37
oni
16
ê\'n,
11
35
;t i
97
nbe
32
gri
17
P \'
41
an
28
1
27
3.
37
s.
31
3.
18
1* 1
39
d.
37
VOO
46
r a
58
flüi"
87
sin
8
27
25
279
398
784
8
94
53
305
10
12
45
577
3565
-ocr page 77-
1
,
ö
1
a
£
3
fr.
O
<B
• >-i
«
O
i—<
ffic
sa
$
1
ofd.
1
o
>
K
Luit.
3
-
•S
d
Ph
3
13
&>
<
C/J
=
<
a
IS.
2
o
o
CS
.2
s
=
fl
n
^
u 1
Si
O i
J -S 3
a
•sis
!i
O
01
o
£5 \'   «
1     %
§   *
I
2 1 33
IJS
I..!.
o
s
o5
Si\'
i
as
ii
II 1
1.  Overal..........
2.   Roer...........
3.  Lood...........
4.  Seinen..........
5.  In de batterij.......
6.  2 kanonnen ii 21 cm.lang30k.
7.  2 »         a 17 cm. of 15 cm.
8.  6 rev. en 2 snclv. kanonnen .
9.  Kruiikamer en granaathok . .
10.  Wapens en patronen en lantaarns
11.  Brand, manoeuvres reserve en
slagverband........
12.  Machine en ketels.....
13.  Torpedopersoneel......
14.  Totaal per schip......
15.  Benoodigd voor 4 schepen . .
16.   10 pCt. hovenrol......
17.  Totaal benoodigd......
18.   Thans benoodigd......
19.   Verschil..........
!
1 2
1 1
1 3
4 12
1
2
8
1
36
144
14
22
J
128
13
4! 4
4-
9! 18
9 15
18
85
4 9
4 7
2
4{ 4
141
187
18
19
101
79
4 53: 96
15S
4
4
9 22
9j 9 9! 9
12
4 79 153 305
i 3
4-2
4>_;
—3
46
35
—6
i-5
26 57
—4
147
—4
Staat C. Bemanning van een nieuw type voor het Aux. Esk. en daardoor         verkregen besparing.
De bewapening met 3 kan. a 21 cm. en 4 a 12 cm.,
waarvan 2 bemand, brengt geen verschil in de
bemanning.
-ocr page 78-
1
,
ö
1
a
£
3
fr.
O
<B
• >-i
«
O
i—<
ffic
sa
$
1
ofd.
1
o
>
K
Luit.
3
-
•S
d
Ph
3
13
&>
<
C/J
=
<
a
IS.
2
o
o
CS
.2
s
=
fl
n
^
u 1
Si
O i
J -S 3
a
•sis
!i
O
01
o
£5 \'   «
1     %
§   *
I
2 1 33
IJS
I..!.
o
s
o5
Si\'
i
as
ii
II 1
1.  Overal..........
2.   Roer...........
3.  Lood...........
4.  Seinen..........
5.  In de batterij.......
6.  2 kanonnen ii 21 cm.lang30k.
7.  2 »         a 17 cm. of 15 cm.
8.  6 rev. en 2 snclv. kanonnen .
9.  Kruiikamer en granaathok . .
10.  Wapens en patronen en lantaarns
11.  Brand, manoeuvres reserve en
slagverband........
12.  Machine en ketels.....
13.  Torpedopersoneel......
14.  Totaal per schip......
15.  Benoodigd voor 4 schepen . .
16.   10 pCt. hovenrol......
17.  Totaal benoodigd......
18.   Thans benoodigd......
19.   Verschil..........
!
1 2
1 1
1 3
4 12
1
2
8
1
36
144
14
22
J
128
13
4! 4
4-
9! 18
9 15
18
85
4 9
4 7
2
4{ 4
141
187
18
19
101
79
4 53: 96
15S
4
4
9 22
9j 9 9! 9
12
4 79 153 305
i 3
4-2
4>_;
—3
46
35
—6
i-5
26 57
—4
147
—4
Staat C. Bemanning van een nieuw type voor het Aux. Esk. en daardoor         verkregen besparing.
De bewapening met 3 kan. a 21 cm. en 4 a 12 cm.,
waarvan 2 bemand, brengt geen verschil in de
bemanning.
-ocr page 79-
$
g i
«
W
m
s
= -
—
—
e
-*
.M
s
—
V
w
c
<N
n
R
9
5
C
r-.
1
S
al
2
\' £
~ ï
^;g
- •
i_2! £
A «
•SI
"3
.-
c
rt
s
t
.§ kji.s
£4 =
i
5-8
I
al
i.
(B . O ^
® s
5
J -i
\'ƒ.
!=c
S|3
g £
*\'1
«HS
\'S 05 NS
~ o
;l
n
M
^ *
c
Sa
o
j!^
BS
3 Wachtschopcn en 1 St. Kan.
boot te Vlissiugen.....
11
2.
I
4
4|
4
2
(1
4
10
25
10
282
41
6
16
47
10
77
19
18102
22
12
15
4 10 19!
Torpedodienst.......
Departem., werven, hospitalen.
Instituut en Opl. Asp. Adm. .
Opleiding voor Bootsmanslcerl,
Opl.schip voor p.m. 500 jongens
Kweekschool te Leiden . . .
Opleidingschip voor Miliciens.
Artillerie Instructieschip. . .
, 1 S. S. S. 4e kl. Politie visscherij
1 1 Riviervaartuig......
Totaal kolommen 1 tot en met 10
5 pCt. zieken over kolom 11.
Te zamen benood. v. gew. dieust
56
149
I
1 6
2
1
2
1
1
20
1
3
4 16
l! 1
1 1
11
7
21; 56
l! 3
59
10
11.
12.
13.
14.
15.
19
207
10
45
159
8
58 41
3
4 23
1
4 24
15
520
11; 12
11
11
36
149
7
l! 1
2121
29; 22
16
217
11 12
66167
6
1
68
546
1
10
74
11 76
5
fi
49
3
63
15 139
11
59
156
38
1 Gaffelschooner Visscherij
Instr.vaart.Inst.&Instr.brik
2
:
1 Ramschip.....
| 3 Monitors.....
) 1 Riviervaartuig . . .
7 Stoomkanonneerboot.
16
52
55
23
329
31
65
5pCt zieken over koloml4 t/m. 16
Totaal zomeroefeningen ....
17.
18.
19.
16
2| 17
4J 26( 78
i
7 5
_L_
28. 26
i
8! 8
18| 8
771 22
5
231 19
35
fil
r,8
88
10
65
131
32
199
345
345
Totaal benoodigd binnenslands.
13 18
66, 3
10
30 36 42
11
278
38
103
63 634
59
6S
11
156
Staat D. Personeel benoodigd in vredestijd binnenslands.
a. Met itibegrip der opleiding van jongens boven de 16 jaar, stuurmansleerlingen,
thmnerinausleerl., macbinistleerl. en der npplicntieschool voor mach.
-ocr page 80-
$
g i
«
W
m
s
= -
—
—
e
-*
.M
s
—
V
w
c
<N
n
R
9
5
C
r-.
1
S
al
2
\' £
~ ï
^;g
- •
i_2! £
A «
•SI
"3
.-
c
rt
s
t
.§ kji.s
£4 =
i
5-8
I
al
i.
(B . O ^
® s
5
J -i
\'ƒ.
!=c
S|3
g £
*\'1
«HS
\'S 05 NS
~ o
;l
n
M
^ *
c
Sa
o
j!^
BS
3 Wachtschopcn en 1 St. Kan.
boot te Vlissiugen.....
11
2.
I
4
4|
4
2
(1
4
10
25
10
282
41
6
16
47
10
77
19
18102
22
12
15
4 10 19!
Torpedodienst.......
Departem., werven, hospitalen.
Instituut en Opl. Asp. Adm. .
Opleiding voor Bootsmanslcerl,
Opl.schip voor p.m. 500 jongens
Kweekschool te Leiden . . .
Opleidingschip voor Miliciens.
Artillerie Instructieschip. . .
, 1 S. S. S. 4e kl. Politie visscherij
1 1 Riviervaartuig......
Totaal kolommen 1 tot en met 10
5 pCt. zieken over kolom 11.
Te zamen benood. v. gew. dieust
56
149
I
1 6
2
1
2
1
1
20
1
3
4 16
l! 1
1 1
11
7
21; 56
l! 3
59
10
11.
12.
13.
14.
15.
19
207
10
45
159
8
58 41
3
4 23
1
4 24
15
520
11; 12
11
11
36
149
7
l! 1
2121
29; 22
16
217
11 12
66167
6
1
68
546
1
10
74
11 76
5
fi
49
3
63
15 139
11
59
156
38
1 Gaffelschooner Visscherij
Instr.vaart.Inst.&Instr.brik
2
:
1 Ramschip.....
| 3 Monitors.....
) 1 Riviervaartuig . . .
7 Stoomkanonneerboot.
16
52
55
23
329
31
65
5pCt zieken over koloml4 t/m. 16
Totaal zomeroefeningen ....
17.
18.
19.
16
2| 17
4J 26( 78
i
7 5
_L_
28. 26
i
8! 8
18| 8
771 22
5
231 19
35
fil
r,8
88
10
65
131
32
199
345
345
Totaal benoodigd binnenslands.
13 18
66, 3
10
30 36 42
11
278
38
103
63 634
59
6S
11
156
Staat D. Personeel benoodigd in vredestijd binnenslands.
a. Met itibegrip der opleiding van jongens boven de 16 jaar, stuurmansleerlingen,
thmnerinausleerl., macbinistleerl. en der npplicntieschool voor mach.
-ocr page 81-
B
£
\'S
•e
o
Jr
>
Hoofdofficieren.
Luit. t/zee 1<= klasse.
Luit. t/zee 2« klasse.
Adelborsten le klasse.
Off. van Gezondheid.
Off. van Administratie.
Adj. Administrateurs.
Schippers.
Bootslieden.
Bootsm.m*. en Kwartierm.
Stuurlieden.
Stuurinausleerlingen.
Konstabels.
Konstabelsmaats.
Provoosten.
Timmerlieden.
Zeilmakers.
s
00
Botteliers en Botteliersm\'.
Ziekenoppassers.
Schrijvers.
Hofmeesters.
Kaj. Off. Scheepskoks en mt.
Kleermakers.
Schoenmakers.
Scheerders.
Matrozen le klasse.
Matrozen 2e klasse.
a
a
a>
3
a
co
i
Zeemiliciens.
Officieren Machinist.
Mnchiuisten.
Machinistleerlingen.
Vuurstokers.
Vuurst. Miliciens.
Off. der Mariniers.
Sergeanten.
Korporaals.
Tamb. Pijpers en Mariniers
Torpedomakers.
Torpedisteu.
Milicien Torpedisten.
1
1.   Personeel voor de defensie . .
2.   Personeel voor de Koloniën. .
4
1
37
21
106
44
141
94
6
47
29
39
30
37
16
23
11
51
35
89
97
20
32
17
75
41
21
28
22
27
24
37
1
31
18
33
39
41
37
48
46
44
58
111
87
4
8
21
27
22
25
279
279
313
398
176
784
1579
7
8
183
94
42
53
353
305
283
10
10
23
12
47
48
730
577
69
156
84
5329
3565
3. Personeel bcnood. in oorlogstijd
4 Personeel aanw. op 1 Jan. 1887
5
6
58
60
150
120
235
a
195
53
64
68
74
67
73
16
6
12
34
33
86
53
186
<
249
52
62
17
,/
19
116
77
49
82
49
43
61
85
34
52/
18
30
72
81
78
e
68
94
119
102
/
44
198
9
155
12
19
48
55
47
4
558
313
711
468
960
h
1507
1579
1644
15
10
277
232
95
i
52
658
794
283
238
20
46
35
101
\'J5
144
1307
1916
59
46
156
149
84
80
8894
9674
5.   Verschil tusschen 3 en 4 . .
6.   Personeel totaal ben. binnensl.
7.   Verschil tusschen kolom 1 cn 6
8.   Aflossing 1/3 personeel I. M. M.
9.   Vrijkomende na de zomcrocfen.
1
4
2
26
11
3
2
30
78
28
10
16
40
66
75
22
22

11
3
3
3
6
28
1
9
r;
1
6
26
4
10
5
—4
1
— 1
20
3
2
4
33
32
19
7
10

63
77
12
20
17

10
22
—2
9
8

2
k
34
34
1
5
79
39
36
7

33
23
—2
5
6
—6
19
3
7
5

24
22
2
8
7

18
10
—7 \'
1
2
T
— 1

9
30
3
8
8
10
36
5
8
8

25
42
6
11
10
58
32
12
14
10
43
76
35
17
26

7
11
—7

7
16
5
7
4
43
15
7
6
4
245 243
139  131
140  182
47 48
60 62
-t-
547
199
—23
102
30
-t-
65
345
1234
5
8
—1
1
45
103
80
21
33
43
9
33
5
8

136
278
75
47
58
45
68
215

26
11
—1
1

66
38
15
2

49
63
16
10
5
609
634
96
97
85
18
59
7
156
84
4
780
3029
2300
583
546
10.   Verschil tusschen kolom 8 en 9
11.   Blijft beschikbaar voor andere
doeleinden, oefeningen enz., kol.
•
—1
10
28
75
3
—2
— 1
—5
—1
-
3
19
—3
9
—1
34
36
—2
—2
1
—1
1
J
1
Ti
1
j
i
i
1
1
—4
-5
3
5
—1
5
—4
8
35
—7
—3
2
-2
5
140
182
—72
—95
1234
—1
—2
80
33
75
—1
14
—5
21
—12
84
benoodigd in oorlogstijd, zoomede het personeel dat beschikbaar blijft voor bizondere
oorlogstijd compleet is, onafhankelijk van de zomeroefeningen.
d. 31 stuurmausleerl. in opleiding; e. 30miliciens daarvoor opgeleid; f. 20 als voren;
k. hieronder de stuurinausleerlingen in opleiding.
Staat E. Aantoonende het verschil tusschen het aanwezige personeel en dat
diensten, oefeningen enz., wanneer het personeel henoodigd in
a. 30 ontbreken aan de sterkte; b. 12 asp. adin. in opleiding; e. 43 bootsmansleerl.,
ff. 26 als voren; h. behalve de jongens in opleiding; i. 45 machinistleerl. in opleiding;
-ocr page 82-
B
£
\'S
•e
o
Jr
>
Hoofdofficieren.
Luit. t/zee 1<= klasse.
Luit. t/zee 2« klasse.
Adelborsten le klasse.
Off. van Gezondheid.
Off. van Administratie.
Adj. Administrateurs.
Schippers.
Bootslieden.
Bootsm.m*. en Kwartierm.
Stuurlieden.
Stuurinausleerlingen.
Konstabels.
Konstabelsmaats.
Provoosten.
Timmerlieden.
Zeilmakers.
s
00
Botteliers en Botteliersm\'.
Ziekenoppassers.
Schrijvers.
Hofmeesters.
Kaj. Off. Scheepskoks en mt.
Kleermakers.
Schoenmakers.
Scheerders.
Matrozen le klasse.
Matrozen 2e klasse.
a
a
a>
3
a
co
i
Zeemiliciens.
Officieren Machinist.
Mnchiuisten.
Machinistleerlingen.
Vuurstokers.
Vuurst. Miliciens.
Off. der Mariniers.
Sergeanten.
Korporaals.
Tamb. Pijpers en Mariniers
Torpedomakers.
Torpedisteu.
Milicien Torpedisten.
1
1.   Personeel voor de defensie . .
2.   Personeel voor de Koloniën. .
4
1
37
21
106
44
141
94
6
47
29
39
30
37
16
23
11
51
35
89
97
20
32
17
75
41
21
28
22
27
24
37
1
31
18
33
39
41
37
48
46
44
58
111
87
4
8
21
27
22
25
279
279
313
398
176
784
1579
7
8
183
94
42
53
353
305
283
10
10
23
12
47
48
730
577
69
156
84
5329
3565
3. Personeel bcnood. in oorlogstijd
4 Personeel aanw. op 1 Jan. 1887
5
6
58
60
150
120
235
a
195
53
64
68
74
67
73
16
6
12
34
33
86
53
186
<
249
52
62
17
,/
19
116
77
49
82
49
43
61
85
34
52/
18
30
72
81
78
e
68
94
119
102
/
44
198
9
155
12
19
48
55
47
4
558
313
711
468
960
h
1507
1579
1644
15
10
277
232
95
i
52
658
794
283
238
20
46
35
101
\'J5
144
1307
1916
59
46
156
149
84
80
8894
9674
5.   Verschil tusschen 3 en 4 . .
6.   Personeel totaal ben. binnensl.
7.   Verschil tusschen kolom 1 cn 6
8.   Aflossing 1/3 personeel I. M. M.
9.   Vrijkomende na de zomcrocfen.
1
4
2
26
11
3
2
30
78
28
10
16
40
66
75
22
22

11
3
3
3
6
28
1
9
r;
1
6
26
4
10
5
—4
1
— 1
20
3
2
4
33
32
19
7
10

63
77
12
20
17

10
22
—2
9
8

2
k
34
34
1
5
79
39
36
7

33
23
—2
5
6
—6
19
3
7
5

24
22
2
8
7

18
10
—7 \'
1
2
T
— 1

9
30
3
8
8
10
36
5
8
8

25
42
6
11
10
58
32
12
14
10
43
76
35
17
26

7
11
—7

7
16
5
7
4
43
15
7
6
4
245 243
139  131
140  182
47 48
60 62
-t-
547
199
—23
102
30
-t-
65
345
1234
5
8
—1
1
45
103
80
21
33
43
9
33
5
8

136
278
75
47
58
45
68
215

26
11
—1
1

66
38
15
2

49
63
16
10
5
609
634
96
97
85
18
59
7
156
84
4
780
3029
2300
583
546
10.   Verschil tusschen kolom 8 en 9
11.   Blijft beschikbaar voor andere
doeleinden, oefeningen enz., kol.
•
—1
10
28
75
3
—2
— 1
—5
—1
-
3
19
—3
9
—1
34
36
—2
—2
1
—1
1
J
1
Ti
1
j
i
i
1
1
—4
-5
3
5
—1
5
—4
8
35
—7
—3
2
-2
5
140
182
—72
—95
1234
—1
—2
80
33
75
—1
14
—5
21
—12
84
benoodigd in oorlogstijd, zoomede het personeel dat beschikbaar blijft voor bizondere
oorlogstijd compleet is, onafhankelijk van de zomeroefeningen.
d. 31 stuurmausleerl. in opleiding; e. 30miliciens daarvoor opgeleid; f. 20 als voren;
k. hieronder de stuurinausleerlingen in opleiding.
Staat E. Aantoonende het verschil tusschen het aanwezige personeel en dat
diensten, oefeningen enz., wanneer het personeel henoodigd in
a. 30 ontbreken aan de sterkte; b. 12 asp. adin. in opleiding; e. 43 bootsmansleerl.,
ff. 26 als voren; h. behalve de jongens in opleiding; i. 45 machinistleerl. in opleiding;