-ocr page 1-
ÏOESPRAAK
BIJ DE OPENING DEK
.1AARLWKSCHE ALGEMEENE VERGADERING
VAN HET
NEDERLANDSCH GENOOTSCHAP:
tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen,
BEHOUDEN DEN\' 8 Mei 18(10,
»DOOR
Dr. H. FABIUS,
Voorzitter.
-ocr page 2-
-ocr page 3-
TOESPRAAK
BIJ DE OPENING DER
JAARLIJKSGHE ALGEMEENE VERGADERING
VAN HET
NEDERLANDSCH GENOOTSCHAP:
tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen,
GEHOUDEN DEN 8 MEI 1890,
DOOR
Dr. H. FABITJS,
Voorz ittpr.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
<&y fy 6 M#?
1 "> iTV l
Hooggeachte Heeren f
Vergunt mij u te danken voor mijne benoeming tot
Lid van uw Hoofdbestuur en tot Voorzitter van dit Ge-
nootschap.
Zij heeft mij met erkentelijkheid vervuld, niet omdat
ik meende die eere waardig te zijn, maar omdat zij be-
schouwd kan worden, als eene hulde betoond aan „de
Nederlandsche Vereeniging tot afschaffing van sterken
drank" , die mij onder hare Hoofdbestuurders telt.
Deze Vereeniging en het Nederlandsch Genootschap
tot zedelijke verbetering der gevangenen zijn nauw aan
elkander verwant. Door dezelfde aandrift „de liefde" be-
zield, streven ze naar hetzelfde doel: „de bevrijding van
het juk der zonde." Ze helpen en steunen elkander en
vullen elkaar aan.
Waren, om van de levenden niet te spreken, W. H.
Suringar , A. A. Stuart, Dr. van de Moer en anderen
niet de krachtige en vurige bevorderaars van het streven
der beide maatschappijen?
Ons doel is, volgens ons reglement, art. 5:
„«. Om, in den kerker, gevangenen op te heffen van
hunnen val en te wapenen tegen nieuw misdrijf;
„ft. Om, buiten den kerker, 1°. ontslagenen, die blijken
gaven van beteren zin, behulpzaam te zijn tot het ver-
krijgen van een eerlijk bestaan; 2°. bovenal jeugdige ont-
slagenen,
bij het verlaten van den kerker of van een
der huizen van verbetering en opvoeding, te beveiligen
tegen verleiding en herhaling van misdrijf."
Wij bedoelen alzoo: „genezing en voorkoming."
De Nederlandsche Vereeniging tot afschaffing van ster-
ken drank heeft, volgens art. 1 van haar algemeen re-
glement, ten doel: „het gebruik van den sterken drank
als volksdrank, te bestrijden." Zjj tracht bovendien, vol-
-ocr page 6-
2
gens art. 4, „haar doel te bereiken: door den zodelijken
invloed harer leden"; welke invloed door haar leden ook
wordt uitgeoefend, volgens alinea 4 van dat artikel, „door
pogingen aan te wenden om hen , die aan het gebruik van
sterken drank gewoon zijn, daarvan terug te brengen."
Die Vereeniging bedoelt alzoo „voorkoming en gene-
zing."
Het is u bekend, dat de meeste gevangenen middellijk
of onmiddellijk door den sterken drank tot hunne mis-
drijven gebracht zijn; door den drank, volgens onzen
scherpzinnigen Secretaris (op de 63*tc Algemeene Verga-
dering, Verslag pag. 10) „de oorzaak van zoo onnoeme-
lijk veel misdaad en wee."
Onze Vice-Voorzitter (Jhr. Mr. H. N. Teding v. Berkhout)
bepleitte in verschillende voortreffelijke redevoeringen door
hem bij de opening van Algemeene Vergaderingen uitge-
sproken, de grondbeginselen van beide Maatschappijen.
Mag ik ze u in herinnering brengen ?
„Waartoe", vroeg hij in 1885, „moet er onderscheid
gemaakt worden tusschen hem, die wel, en hem, die nog
niet gestraft is?.... Beiden hebben dezelfde behoefte
aan bescherming tegen de verleiding, die, onder allerlei
gedaanten , rondwaart in de maatschappij. De zorg voor
ontslagenen is slechts een onderdeel der zoogenaamde in-
wendige zending, welke de redding van het verlorene
beoogt. Het hoofddoel is „de bestrijding der zonde."
(Verslag 1884, blz. 17 en 18.)
„Leeren wij", dus sprak hij 1.1. jaar (Verslag 1888, p.ltf)
„in de gevangenis den levensstrijd van anderen kennen,
dan worden de oogen ons geopend voor zoo vele nooden
die ons omringen, kunnen wij den wortel van het kwaad
opsporen." . ..
„In de gevangenis moet onze arbeid aanvangen om daar
buiten te worden voortgezet. Het eene is het noodza-
kelijk vereischte voor het andere."
„Het belang", zeide hij vroeger (Verslag 1884, bl. 17)
„dat herhaling van misdaden vermeden worde, valt ge-
heel samen met het belang, dat er geene misdrijven ge-
pleegd worden."
In 1882 (Verslag, bl. 19) deed hij de merkwaardige
woorden hooren: „Zucht naar zingenot is een der ken-
-ocr page 7-
3
merken van onzen tijd. Ook bij kinderen is die zucht
op te merken en is zij tot de oorzaken te tellen welke
hen ten val brengen."
Sprak onze vorige Voorzitter, vroeger en later, aldus,
de Voorzitter der Afschaffers-Vereeniging, de heer E. J.
W. Koen te Schevmingen, zegt in zijn aanbevelingswaar-
dig boekske „Elisabeth Fnj of de Macht der Liefde", (te
Rotterdam bij M. Wijt en Zonen, prijs 15 cents):
„Overal waar geleden wordt, weet Elisabeth Fry op
eene of andere wijze tot leniging der smart bij te dragen.
Waar de weg tot het kwaad is geopend, waar jeugdigen
zijn afgeweken, waar zwakken dreigen te vallen, tracht
zij een bolwerk op te richten tegen de macht der ver-
zoeking en alzoo de aanleiding tot zonde te beperken."
Beide Vereenigingen beoogen hetzelfde doel: de aan-
leiding tot zonde te beperken en de zonde met hare ge-
volgen te bestrijden.
Zij staan elkander dan ook met wederzijdsche waar-
deering bij. De onze verstrekt aan de andere jaarlijks ƒ150,
dewijl deze groote behoefte heeft aan stoffelijke middelen,
en altijd gebukt gaat onder een schuldenlast. Die andere
levert ons gratis de geschriften, welke zij uitgeeft, opdat
wij ze kosteloos zullen kunnen aanbieden aan de ontsla-
gen gevangenen en ze overal verspreiden. De zedelijke
verbeteraar der gevangenen en de afschaffer van sterken
drank deelen in ééne overtuiging, dat vorst Alcohol moet
bestreden worden als de hoofdbewerker van misdrijf; dat,
indien hij niet van zijn troon wordt gebonsd, het aantal
gevangenen niet verminderen maar klimmen zal.
Schier alle criminalisten, geneeskundigen, geestelijken
en philanthropen, in gevangenissen werkzaam tot heil van
hen die daar zuchten, verklaren dat eenstemmig.
Dr. A. Baer , om hem het eerst te noemen, eerste
geneesheer aan de Berlijnsche strafgevangenis Plotzensee,
een der grootste gevangenhuizen van Pruissen, voor 1200
gevangenen ingericht, getuigt in zijn laatste geschrift, dit
jaar uitgekomen, (Die Trunksucht und ihre Abwehr, ein
Beitrag zum derzeitigen Stand der Alkoholfrage. Wien und
Leipzig, Urban und Schwarzenberg, 1890, pag. 40): „Met
toeneming van de onmatigheid en het aantal drinkers —
dat nog niet volkomen gelijkstaat met het toenemen van
-ocr page 8-
4
drankgebruik in het algemeen — neemt ook het getal
misdaden en misdadigers toe."
Adolphe Guillot, Rechter van instructie te Parijs, be-
vestigt die Avoorden, wanneer hij in zijn boeiend geschre-
ven, voor weinig weken uitgekomen, werk (Paris qui
soufïïe, les prisons de Paris et les prisonniers. Paris,
E. Dentu éditeur, 1890, bl. 171) meedeelt: dat on-
langs een tor dood veroordeelde, toen men in zijn
cel kwam om hem te berichten dat het uur der terecht-
stelling gekomen was, uitriep: „c\'est 1\'ivrognerie qui est
cause de ma mort", en daaraan als zijne , Guillot\'s, mee-
riing toevoegt: „L\'alcoolisme . . . . est a coup sür 1\'une
des grandes routes de la folie et du crime, les statis-
tiques offïcielles établissent elles-mêmes 1\'accroissement
parallèle de la consommation alcoolique et du crime."
Maar niet alleen onmiddellijk, ook middellijk jaagt al-
cohol duizenden naar den kerker.
De sterkedrank oefent een zeer ongunstigen invloed
uit op het zedelijk leven in het algemeen en het zede-
lijk familie-leven in het bijzonder; bovendien bevordert
en bestendigt hij de armoede, zoowel als het pauperisme.
Gij kent het Hollaudsche spreekwoord: „armoede gevaar-
lijk voor deugd."
Toen ik voor de eerste maal aan de cellulaire gevan-
genis alhier een bezoek bracht en aan een der bewaar-
ders verzocht mij een paar cellen, door dronkaards be-
woond, te openen, zeide hij mij: „u heeft niet lang te
zoeken. Bijna allen, die zich hier bevinden, kwamen door
de jenever ten val." .... Hij sprak waarheid.
Wanneer in de Hoofdbestuurders-vergaderingen de brie-
ven gelezen worden, door ijverige Afdeelings-besturen of
ernstige Correspondenten ingezonden, met verzoek om
buitengewone geldelijke hulp voor ontslagenen, vernemen
wij schier altijd van: „misdrijven, onder den invloed van
sterken drank gepleegd."
Nog in onze laatste bijeenkomst, heden voor twee
weken gehouden, hoorden we van eene aan drank ver-
slaafde weduwe, die hare minderjarige kinderen, onder
toezicht van eenen NB.! drankzuchtigen toezienden voogd,
bij herhaling verleid of gedwongen had zich aan prosti-
-ocr page 9-
5
tulie over te geven, tengevolge waarvan zij thans voor
de tweede maal en nu voor drie jaar gekerkerd is.
Ware ik niet bevreesd u te lang bezig te houden, ik
zoude u uit het weekblad voor de Katholieken van Am-
hem
en omstreken, van 29 December 1889, ( zie Volks-
vriend G Maart 1890) een stuk voorlezen „de jenever-
duivel" getiteld, in hetwelk eenige aandoenlijke brieven
voorkomen, afkomstig van een directeur van een
strafgevangenis, eindigende met de woorden „ o!
die vervloekte jenever."
Ds. Kogh, de ijverige gevangenisprediker te Scheveningen,
verklaarde in eene openbare vergadering, te Leeuwarden
gehouden, (Volksvriend 27 Maart 1890, no. 13) „dat het
geene overdrijving is, als beweerd wordt, dat van de tien
personen die in de gevangenis zuchten negen hun straf
alleen te wijten hadden aan het onbeperkt heerschappij
voeren van den drank, aan de vereering, ja! aan de
aanbidding, die dezen duivel overal ten deel valt."
Gelijk het in Nederland is, is het elders.
In het onlangs te Londen uitgekomen werk van Dr.
Kate Mitchell „The drink-qucstion; its social and me-
dical Aspects. London, Swan Sonnenschein and Co., Pater-
noster Square" lezen we (p. 225): „de meeste auto-
riteiten verklaren, dat 85 — 90 °/o der misdaden, in
Engeland gepleegd, door het drinken van sterken drank
veroorzaakt zijn ; en de Lord opperrechter Goleridge heeft
het herhaaldelijk als zijne meening uitgesproken, dat als
Engeland een sober land ware, negen tienden der gevan-
genissen konden gesloten worden."
Baer geeft op (p. 40) dat in België bij toeneming van
drankgebruik van 7 tot 8 liter, per jaar en per hoofd, ge-
durende het tijdvak van 1868 tot 1882, het getal misdrij-
ven gestegen is van 1900 tot 2877, per 100,000 ingezetenen.
M. Marambart, beambte aan de gevangenis St. Pélagie
te Parijs, vermeldt („L\'alcoolisme et la criminalité." La
temperance 1886, bl. 335, „Baer p. 43") dat 72 % van
de gevangenen als drinkers bekend stonden.
Yvernès , directeur van het statistisch bureau bij het
Fransche ministerie van justitie, wees er 1.1. jaar in het.
anti-alcohol-congres te Parijs op: (Baer p. 40) dat er een
rechtstreeksch noodzakelijk verband bestaat tusschen drank-
-ocr page 10-
c
zucht en misdaad. In Frankrijk toch steeg per hoofd
het alcoholgebruik, gedurende de jaren 1873 —1887, van
2.72 liter tot 3.83, en het getal misdrijven klom gedu-
rende dien tijd van 172,000 tot 195,000.
In Italië en Oostenrijk, ja! in alle landen, omtrent welke
Baer statistieken leverde, wordt dezelfde ervaring opge-
daan: „bij klimmend drankgebruik toeneming van misdrijf\'."
Bij afnemend drankgebruik daarentegen neemt men
vermindering van misdrijven waar.
In Noorwegen, bijvoorbeeld, daalde het aantal liters per
hoofd en per jaar gedronken, gedurende 1844 tot 1876,
van 10 tot 4. In datzelfde tijdsverloop nam het aantal mis-
daden op 100.000 inwoners van 294 tot 180 af.....
Voor een eeuw, 18 October 1790, werd Pater Mathew
geboren. Zijn bewonderenswaardige arbeid als onthou-
dings-apostel, deed in 5 jaren, van 1838—1842, het bran-
dewijn-gebruik in Ierland met 50% afnemen, en het
getal zware misdaden verminderde gedurende dien lijd
van 64,520 tot 47,027 en de terechtstellingen van 59 tot
één geval. (Baer bl. 40.)
Uit deze opgaven blijkt voldoende, dat vermeerderd
drankgebruik overal het getal misdrijven doet stijgen en
dat bij verminderde drank-consumtie dat aantal daalt.
De Fransche Senator Dr. Claude , (1\'Alcoolisme a la fron-
tière. Nancy, Berger Levrault et Co. 1886) zegt terecht:
„Hélas, plus puissant que la goutte d\'eau, qui fait son
trou dans Ie granite, la petite goutte d\'eau de vie a ac-
compli son oeuvre de destruction."
Wij, mijne Heeren! hebben ons ten doel gesteld de
gevangenen zedelijk te verbeteren, zoo mogelijk te genezen,
deelende in de overtuiging van Bonneville de Marsangy,
(Guillot p. 333): „de gevangenis moet een zedelijk hospi-
taal zijn tot herstel van misdadigers."
Wij trachten alzoo hen, die middellijk of onmiddellijk
door sterken drank zijn ten val gebracht, op te beuren,
met Guillot zeggende (p. 483): „zonder voor het kwaad
noodlottige toegeeflijkheid te hebben, kan men de hulp-
vaardige hand toesteken aan den gevallene, die eerlijk en
met alle kracht zich tracht op te heffen." Maar het is
-ocr page 11-
7
ook de lust van ons Genootschap, hen, die nog niet strui-
kelden, te steunen, voor val te bewaren, door, in zoo verre
we kunnen, alles weg te ruimen, wat hen zoude kunnen
doen uitglijden op den weg des levens.
Onze Vice-Voorzitter vroeg, voor vijfjaar, (Verslag 1884
bl. 17) kernachtig en juist: „waarom moet er onder-
scheid gemaakt worden tusschen hem, die wel, en hem, die
nog niet gestraft is?.... Beiden hebben dezelfde be-
hoefte aan bescherming tegen de verleiding die onder
allerlei gedaante rondwaart in de maatschappij."
De Afschaffers zijn van dezelfde meening. Zij zeggen:
de meeste misdaden zijn gevolgen van drankgebruik. Dat
gebruik moet dus worden afgeschaft en de slachtoffers
van den drank moeten zedelijk verbeterd worden.
Die bekeering is echter hoogst moeielijk, volgens velen
onmogelijk.
Dr. Issahtier („De 1\'alcoolisme moderne". 1861, Paris,
Librairie de L. Leclerq, bl. 47) verklaart: vIk geloof niet
aan ongeveinsd berouw en oprechte bekeering van dronk-
aards, ze komen niet voor. Die gedronken heeft zal
drinken\'".
En Güillot (bl. 104): „Men kan den val van iemand
voorkomen, maar het is zeer moeielijk, hem op te rich-
ten, wanneer hij op den grond ligt."
Voorzeker is het werk der genezing van dronkaards, die
vrij rondloopen , meestal hopeloos. Toch gelukt het enkele
malen. Denkt slechts aan John Gough, den rampspoe-
digen, verdierlijkten jeneverslaaf, die, na gered te zijn,
een redder van velen geworden is. Heeft hij niet dui-
zenden en tienduizenden opgewekt tot den grooten strijd
tegen vorst Alcohol en heeft hij niet talrijke overwin-
ningen behaald door zijn krachtig, bezielend woord? ....
Door Gough\'s doen-en-laten en dat van nog andere be-
keerlingen is Issartier\'s „qui a bu, boira\'\'\' ten volle ge-
logenstraft.
Het is echter inderdaad hoogst bezwaarlijk den drank-
zuchtige te genezen. Overal ontmoet hij verleiding.
Bovendien: de meeste dronkaards lijden aan de erfelijke
drinkzucht, en de wetenschap heeft geleerd, dat erfelijke
ziekten schier altijd ongeneeslijk zijn.
Dr. M. Legrain, een zeer verdienstelijk geneesheer
-ocr page 12-
8
te Parijs, verklaart in zijn belangrijk onlangs verschenen
werk, dat van veel studie getuigt „Hêredité et alcoolisme"
(1889, Paris, Octave Doin éditeur, 8 Place de 1\'Odéon,
blz. 388): „De vader een dronkaard, de zoon een dronk*
aard,
is eene formule, die wij tweemaal op do drie
bewaarheid vonden, dat is te zeggen met eene werkelijk
groote menigvuldigheid.\' De erfelijkheid der dronken-
schap is eene, aan welke men het minst ontkomen kan.
Het is ieder bekend en het feit is nergens meer tref-
fend dan in de leer der krankzinnigheid, (pathologie men-
tale) dat de wetten der erfelijkheid onverbiddelijk zijn.
Zeer weinigen ontsnappen aan haar juk."
Zal het nu mogelijk zijn, de z o o cl a n i g e n in de ge-
vangenis zedelijk te verbeteren ? Moet dat geschieden door
voorbeeld, door boeken, door toespraak?
Bovendien: de erfelijke dronkaard is niet toereken-
baar...... Maar over de toerekenbaarheid in het alge-
meen en van. misdrijven, in dronkenschap begaan, moet
ik hier zwijgen, hier, waar zoovele uitstekende en ge-
moedelijke rechtsgeleerden tegenwoordig zijn, vooral om-
dat er ook bij de rechtskundigen zulk een groot verschil
van gevoelen is omtrent dat punt.
Het oud-Hollandsche „wat men dronken doet, moet men
nuchter misgelden", is niet meer in eere zooals vroeger,
toen de regel was: „Ebrius punitur propter ebrietatem."
Men begint — en zeer terecht — zich af te vragen:
was de misdadiger in staat zich van drank te onthouden?
Is hij soms lijdende aan erfelijke of aan eene, door veel-
jarige verslaafdheid, onbetoombare drinkzucht ?
Er kan immers niet langer gezegd worden: „al is men
niet verantwoordelijk voor het misdrijf in dronkenschap
gepleegd, zoo is men schuldig aan het misdrijf van
gedronken te hebben." Over de toerekenbaarheid echter
moet ik zwijgen. Wanneer toch de zoogenaamde Italiaan-
sche school beweert, dat de misdaad verklaard wordt uit
invloeden, die veelal elke persoonlijke verantwoordelijkheid
uitsluiten (zie Handelsblad 1 Febr. 1890), houden som-
migen der kundigste rechtsgeleerden, wijsgeeren en krank-
zinnigen-artsen, o. a. Guillot , het tegenovergestelde vol,
steunende op — volgens hun zeggen — duizenden waar-
nemingen. Wanneer die kwestie op internationale con-
-ocr page 13-
9
gressen voor strafrechtelijke anthropologie besproken werd,
werd zij daarom nog niet uitgemaakt. . . . Professor Kirn
hield voor weinige weken in den geneeskundigen kring
te Freiburg, een voordracht over „de psychische en soma-
tische degeneratie der misdadigers\'\' (Geneeskundig Tijd-
schrift 26 April 1890, blz. 472) en deze, reeds door
zijne vroegere geschriften, gunstig bekende beoefenaar
der crimineele psychologie, handhaaft zijne principieële
bedenkingen tegen de leer van Lombroso of der Italiaan-
sche school en komt tot de slotsom, dat een anthropo-
logische type voor misdadigers niet bestaat. Wanneer
„de geleerden" over dat onderwerp zoozeer verschillen,
doet uw voorzitter zeker verstandig door er geen oordeel
over uit te spreken en er u niet langer mede bezig te
houden, vooral in deze vergadering, die bijeengeroepen is
om over „de zedelijke verbetering" der gevangenen
of misdadigers te handelen en de ontoerekenbaren kunnen
voorzeker niet tot de misdadigers gerekend worden.
Moge hij u evenwel herinneren, dat het grootste ge-
deelte der gevangenen, als slachtoffers van drank, in den
kerker zuchten, in Nederland zoowel als in andere landen;
dat tal van dronkaards aan erfelijke drinkzucht lijden,
meest altijd ongeneeslijk, voorzeker in de gevangenis
niet zedelijk te verbeteren. Moge hij umededeelen, dat
de drankzuchtigen onder de rubriek der krankzinnigen
behooren, en dat zij slechts in speciale gestichten „dronk-
aards-asyls" tegen den drank te beschermen en geneeskun-
dig te behandelen zijn: dal er in andere landen dronkaards-
asyls bestaan, bijvoorbeeld in Amerika, Duitschland en
Engeland, dat, om slechts een voorbeeld te noemen (zie
Weekblad van het Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde, no.
16, 19 April 1890, p. 442) in Londen 183 dronkaards ver-
pleegd werden in „Dalrymple Home.\'" (Het Parlements-
lid Dr. Donald Dalrymple was de eerste, die de theorie
verkondigde, dat dronkenschap in de meeste gevallen eene
overerfelijke ziekte is, en als zoodanig niet door straf, maar
door eene met zorg toegepaste geneeswijze moet worden be-
streden. Naar hem is de instelling, waar dronkaards tegen
vaste betaling verpleegd en bezig gehouden worden „Dal-
rymple-Home" genoemd. (Zie Handelsblad 0 April, 3de
blad.) De meesten waren 30 — 40 jaren oud. Van 14 der
-ocr page 14-
10
verpleegde „habitual drunkards" waren de ouders krank-
zinnig. Van 29 dronkaards waren de ouders, van 7 de
grootouders, van 11 de broeders en van 29 de ooms aan
den drank verslaafd. De uitslag was, dat thans 88 der
verpleegden geheel zijn genezen. Verbeterd waren 5,
niet verbeterd 57, terwijl van de overigen 1 krankzinnig
werd en 7 stierven.
De adviseerende geneesheer betoogde dat de habitueele
dronkaard, die een misdaad pleegt, niet in een gevangenis,
maar in een ziekenhuis moet worden opgesloten. Mogen
de verschillende Vereenigingen tot drankbestrijding er in
slagen, ook in Nederland asyls op te richten!
U, mijne Heeren, behoef ik niet te herinneren, dat art.
37, AVetboek van Strafrecht, luidt: „Niet strafbaar is
hij, die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige
ontwikkeling of ziekelijke storing zijner verstandelijke ver-
mogens niet kan worden toegerekend.
Blijkt, dat het begane feit, hem wegens de gebrekkige
ontwikkeling of ziekelijke storing zijner verstandelijke ver-
mogens niet kan worden toegerekend, dan kan de rechter
gelasten, dat hij in een krankzinnigen-gesticht worde ge-
plaatst, gedurende een proeftijd, den termijn van een jaar
niet te boven gaande."
Volgens dat artikel 37 behoort alzoo een groot gedeelte
der gevangenen niet in den kerker tehuis, maar in krank-
zinnigen-gestichten, beter nog in asyls voor dronkaards.
Plaatste Mr. J. G. Pott, m. i. terecht, achter zijn aca-
demisch proefschrift: „Beschouwingen over art. 37 Wetb.
van Strafrecht", 8 Juli 1881 alhier verdedigd, eene stel-
ling (de vijfde): „De oprichting van ry&s-krankzinnigen-
gestichten — in het algemeen reeds wenschelijk — is
noodzakelijk, om eene juiste toepassing van art. 37, alinea
2 Wetb. van Strafrecht mogelijk te maken1\', dan durf
ik beweren dat er „rijks-a.sy]s voor dronkaards" moeten
worden opgericht. Volgens mij had Mr. B. A. Verloren
van Themaat recht, om achter zijn academisch proefschrift:
„Iets over den invloed der dronkenschap op de toereken-
baarheid", 24 Juni 1881 te Utrecht verdedigd, de stelling
te plaatsen, (stelling XXIII): „Art. 37 van het nieuwe
Wetb. van Strafrecht verdient afkeuring." Hij had m. i.
daartoe recht, vooral dewijl er in dat artikel wel van
-ocr page 15-
11
„krankzinnigen-gestichten" maar niet van „dronkaards-
asyls" gesproken wordt, en omdat daarin een facultatief
„kan" en niet een imperatief „moet" voorkomt en een
„proeftijd den termijn van een jaar niet te boven gaande"
in stede van „tot geheel herstel, door een deskundige te
bepalen" wordt bevolen.
Dr. M. Legrain (1. c. p. 378) zegt dan ook m. i. juist: „vele
krankzinnigen-artsen, wijsgeeren en gezondheidleeraars
zijn het gevoelen toegedaan, dat de verslaafdheid aan
drank eene ziekte is; en die meening is in zeer vele ge-
vallen ten volle gerechtvaardigd. De resultaten in dronk-
aards-asyls verkregen, hebben het nut van die inrich-
tingen bewezen. Het is dan ook een voor de gansche
menschheid belangrijk denkbeeld, den dronkaard in stede
van in een kerker, waar hij vaak verhard wordt, in een
asyl, dat hem geneest of verbetert, op te sluiten."
Al deze beschouwingen helpen ons echter op dit oogen-
blik niet. Wij hebben hier geene wetmakende vergade-
ring......
De verwantschap van het Genootschap tot zedelijke
verbetering der gevangenen met de Vereeniging tot af-
schaffing van den sterken drank houdt ons thans bezig.
Kunnen zij de slachtoffers van den alcohol zedelijk ver-
beteren ?
De erfelijke dronkaard kan niet, de drank-slaaf hoogst
moeielijk , doch de gelegenheidsdrinker kan wel verbeterd,
ja zelfs genezen worden.
Richardson\'s „Volksonderwijs over alcohol", in elke cel
aanwezig, heeft reeds veel nut gedaan. Ik heb er de
bewijzen van gezien.
Inderdaad, het is onbetwistbaar, dat men ook den drank-
vriend — evenals de andere gevangenen — door toe-
spraak treffen kan.
Guillot herinnert aan de uitnemende woorden van
Maxime du Camp (bl. 165): „Men weet bij ondervinding,
dat geen misdadiger zoo woest is, die niet in het bin-
nenste van zijn hart een kwetsbare plek heeft; men heeft
die plek slechts te ontdekken — maar dat is niet gemak-
kelijk. Die ongelukkigen, aan de kroegen (tapis francs)
ontvlucht, voor wie de galeien openstaan, gelijken op
de oude klavieren, welke men wel in Duitsche dorpsher-
-ocr page 16-
12
bergen aantreft. Al de toetsen zijn gebroken, behalve
één die nog klank geeft, wanneer men er den duim op-
legt....."
Wie, die de Mystères de Paris van Sue gelezen heeft,
denkt hier niet aan „Rodolphe" en Je Chourineur?"
Hulde zij gebracht aan ons Genootschap voor hetgeen
velen zijner leden op dat gebied verricht hebben.
In de cel vindt men de juiste plaats waar men den
gelegenheidsdrinker met vrucht kan toespreken en kan
opwekken tot drankonthouding in zijn verder leven.
In den kerker toch kan men geen drank bekomen.
Daar is geen verleiding, Goddank.
In de gevangenis wordt niet getapt, zooals op Neêr-
land\'s vloot en in onze kazernen.
Nauwelijks echter heeft de ontslagene het gevangenhuis
verlaten, of overal staat hij aan verleiding bloot, terwijl
de ziekelijke neiging wel gedurende den tijd zijner op-
sluiting gesluimerd heeft, maar niet gedood is.
Ach! de ervaring leert, dat de drankvriend, bij de
minste aanleiding tot drinken, niettegenstaande de beste
voornemens, weder instort. Hoeveel teleurstelling is vaak
het deel van hem die meent alcoholisten zedelijk ver-
beterd te hebben !
Niet weinigen vervallen in hun vroegere ellende, wan-
neer ze, al is het maar weder één druppel, geproefd hebben.
Bij hen is het wel: „qui a bu, hoira." Heb ik niet een
flinken man, gedurende twee jaren genezen, zien instorten,
na het gebruik van één glas, door de hand van een ach-
lenswaardig geestelijke met vriendelijken drang hem aan-
geboden? Verviel niet onlangs eene van de zonde der
ontucht en dronkenschap, door Mejuffrouw Vernoois, in
„Beth-San", „een huis van ruste en veiligheid" geredde,
(Volksvriend 27 Maart 1890) weder in al haar oude en
verschrikkelijke zonden, na één glas likeur geproefd te
hebben, dat zij van „eene lieve godsdienstige vrouw"
ontving, omdat zij bij haar in dienst gedurende de
schoonmaak zich zoo goed gekweten had ?
Slechts bij geheel-onthouding is herstel van drinkzucht
mogelijk, zijn zoowel die ziekte als hare recidive te voor-
komen.
Zijn we tot de zekerheid gekomen, dat verreweg het
-ocr page 17-
13
grootste gedeelte — naar matige berekening 75 °/o —
der gevangenen slachtoffers zijn van drankgebruik en door
haar middellijk of onmiddellijk in den kerker zuchten;
dat, waar het drankverbruik toeneemt, het getal misdaden
klimt en dat, waar het afneemt, het getal misdaden
daalt; dat tal van dronkaards lijden aan „erfelijke
drinkzucht", welke in den regel ongeneeslijk is; dat
de drankslaaf zeer moeielijk te bevrijden is van zijn
harden meester; dat slechts de gelegenheidsdrinker goede
kans geeft op zedelijke verbetering, maar na ontslag uit
de gevangenis meestal recidiveert ten gevolge van de ver-
leiding, die hem overal omringt; dat de erfelijke zoowel
als de verslaafde dronkaard niet toerekenbaar zijn en dat
dronkaards-asyls, en niet gevangenissen, de plaatsen zijn
waar zij moeten worden opgesloten, totdat ze, indien
mogelijk, van hun lijden verlost zullen wezen; dat de
duur van die afzondering niet vooruit is te bepalen,,maar
dat de lijders slechts na herstel en ingewonnen advies
van speciaal deskundigen mogen ontslagen worden; en ben
ik in staat geweest u dat aan te toonen door juiste cij-
fers, en u mede te deelen wat de wetenschap van den
laatsten tijd daaromtrent leert, dan blijft de vraag ter
beantwoording: „wat kunnen we doen, bij zoo treurigen
toestand, om verder verval te voorkomen?"
Toen, voor weinige jaren , op eene Volksvergadering
te \'s Gravenhage, diezelfde vraag werd gedaan, maar daar
ten opzichte van des handwerkmans lot, stond de ar-
beider Schouten op en sprak luide en ernstig: „Sluit
Schiedam!"
Ons Genootschap en onze Zuster*vereeniging trachten
niet enkel „te verbeteren", maar ook, de laatste zelfs
vooral, „te voorkomen", gelijk ik in het begin mijner
toespraak de eer had u te herinneren.
Ze zijn het daarom met Critias eens en zeggen: „Hy-
gieia
den menschen de liefste der goden," (Aanteekeningen
Sectie»vergadering Provinc. Utrechlsch Genootschap 25
Juni 1889, Sectie Letterkunde blz. 13.)
Het eenige, wat radikaal helpen, het eenige, wat de
gezondheidsleer in deze raden kan, is: verban den drank
naar zijn kerker, „de apotheek." Daar behoort hii te
huis en kan hij onder leiding van den geneeskundige nut
-ocr page 18-
14
doen. Behandel hem overal, zooals in sommige Staten
van Amerika geschiedt, om slechts Texas en Maine te
noemen, waar hij verbannen is en waar nu ook schier
geene misdaden meer voorkomen, en waar nu ook van
1880—1888 het belastbaar inkomen van 160 millioen
dollars tot 353 millioen klom. ( Volksvr. 8 Mei 1890.)
Die raad kan worden opgevolgd, zonder eenige schade
aan \'s menschen gezondheid te berokkenen.
Het drankgebruik, zelfs van de geringste hoeveelheid,
is onnoodig, ja altijd schadelijk. Het is niet moeielijk
dat te bewijzen, maar om dat te doen zoude ik te veel
moeten vergen van uwe aandacht, die ik wellicht reeds
onbescheiden-lang vermoeid heb. De uitspraak van een
der grootste, zoo niet den uitnemendsten physioloog,
Professor Donders, zal in deze, naar ik hoop, u genoeg
zijn. Hoort zijne uitspraak! (F. C. Donders: de Voe-
dings-beginselen. — Grondslagen eener Algemeene Voe-
dingsleer. Tiel, Gebr. Campagne , 1852, blz. 103.)
„Met het oog op den man, die jaren lang zijn orga-
nisme door \'t gebruik van brandewijn ten gronde richtte,
noemt men dat gebruik „„eine Naturnothwendigkeit.u"
„„Principiis óbata"" roepen wij. Geen druppel brande-
wijn moge ooit de lippen van den mensch bevochtigen.
Indien het een ieder in het oog springt, dat groote hoe-
veelheden met den geest het lichaam sloopen, kleine hoe-
veelheden werken physiologisch op geene andere wijze.
Het verschil is quantitatief, niet qualitatief.
Doch — zoo werpen de voorstanders van een „ „matig""
alcohol-gebruik mij tegen — velen beroemen zich op
hunne gezondheid en gevoelen zich eene lange reeks van
jaren dagelijks verkwikt en versterkt door een glas bitter
of likeur.
Deze vergeten, dat zij zich slechts daarom „„verkwikt
en versterkt gevoelen\'1", omdat zij vóór den klokslag, die
periodiek de karaf op tafel brengt, hunne krachten reeds
voelden zinken, en dat zij die krachtcloosheid aan het-
zelfde middel te wijten hebben , waardoor ze op de ver-
radcrlijkste wijze, telkens, tot op eene kleine maar veel
beduidende fractie, weder wordt opgeheven.
Met recht mag ik den voorstanders van een matig al-
cohol gebruik, als door \'t instinct voorgeschreven, de vraag
-ocr page 19-
15
voorleggen, of de dieren physisch onvolkomener zijn, dan
de mensch, of men ooit eenig dierenras zou kunnen ver-
beteren , door toediening van alcohol. Jonge honden
houdt men door kleine hoeveelheden klein en zwak. Proe-
ven omtrent de werking van alcohol kunnen met vele
dieren niet genomen worden, omdat hij voor dezen een
snel doodend vergift is. De mensch heeft het, helaas!
verder gebracht. Zijn kinderen is reeds de lust naar
brandewijn, met een zekere mate van tolerantie voor dit
vocht, aangeboren. Ik aarzel niet het te beweren. [Het
is Donders die spreekt]: wanneer van heden af geen
druppel geestrijk vocht gebruikt werd, na weinige gene-
raties zou het instinct tot zwijgen gebracht, zoo niet ver-
nietigd zijn......."
Deze uitspraak moge u voldoende wezen !
Bovendien: het matig gebruik heeft nooit zooveel ge-
not gebracht als het misbruik schade.
Indien er geen matig gebruik geweest ware, er zoude
geen misbruik zijn. Daarom reeds is het matig gebruik,
dat onnoodig is, verwerpelijk.
Slechts de matigen verlokken tot gebruik, dat den ver-
leide tot verslaafdheid en misdaad kan voeren. Nie-
mand neemt den dronkaard tot voorbeeld, maar wel „den
matige" en daardoor wordt deze de toerekenbare, de
aansprakelijke, de verantwoordelijke en is deze ten slotte
de oorzaak van zoo onnoemlijk veel misdaad en wee.
Eindelijk: wat is matigheid? Waar is, ten opzichte
van alcohol, haar grens?
Wat heeft het prediken van matigheid als deugd in
deze bewerkt? Kan men matig zijn in het gebruik van
een schadelijk vergift? Kan het kind van den dronkaard
matig blijven? Welke heilzame vruchten kan het onder-
wijs, het meest geschikte, openbaar of bijzonder, voor hem
afwerpen? Het prediken van „matigheid in drank" heeft
niets dan schade verwekt. Slechts afschaffing kan baten.
De statistiek heeft geleerd, dat, niettegenstaande verbe-
terd, gemakkelijk te verkrijgen en goed onderwijs, het aan-
tal gevangenen blijft toenemen, wanneer sterkedrank blijft
geschonken worden.
Em. Gauderlier geeft bijv. omtrent België op : (Les bois-
sons alcooliques et leurs effets sociaux en Belgique d\'
-ocr page 20-
après les documents officiels. Bruxelles, A. Manceaux,
1883, blz. 16) dat in 1843 43 °/o der miliciens niet le-
zen konden, doch in 1875 19 "/o. In dienzelfden tijd
echter is het aantal veroordeelden tot kerkerstraf en dat
der vagebonden , zoowel als dat der herbergen, meer dan
verdubbeld. Wanneer niet „geheel-onthouding" maar „ma-
tigheid" van sterken drank gepredikt wordt in school en
kerk, en in de volksgeschriften geleeraard, zullen er mati-
gen blijven, die slecht voorbeeld geven en daardoor de
gelederen der drankzuchtigen aanvullen , waardoor de
gevangenissen te klein zullen worden.
Slechts verbodswetten kunnen baten. Wat baten meei-
dere verlichting en beschaving in deze ?
Zelfs daar waar , op hooger bevel , onderwijs in do ge-
zondheidsleer wordt gegeven, vermindert het drankge-
bruik niet.
Jcles Simon , de beroemde Fransche Minister, heeft in
1872 den 6 Mei dat onderwijs bevolen, nadat hij tot de
ervaring kwam, dat het gebruik van sterken drank zóó
onrustbarend groot was, dat, bijv. in de stad Amiens,
volgens eene juiste berekening, dagelijks 80,000 kleine
glaasjes brandewijn geschonken werden.
Al de verslagen omtrent de gezondheidsleer sedert dien
tijd (6 Mei 1872) uitgekomen, bevatten belangrijke hoofd-
stukken, die het verderfelijke van het drankmisbruik aan-
toonden .....
„Is het alcoholisme er door verminderd?" vraagt de
Senator Dr. Claude in 1886. (L\'alcoolisme a la frontière,
1886 blz. 11.) Zijn antwoord luidt: „De 80,000 kleine
glaasjes van Jules Simon zijn sedert dien tijd 800,000
kleine glaasjes geworden."
Slechts verbodswetten kunnen baten. De. sterkedrank
moet worden afgeschaft. Zoolang dat niet geschiedt, zal
het getal misdadigers klimmen. Zoolang wij daartoe niet
in eigen kring medewerken, zijn wij aansprakelijk voor
de misdrijven, ten gevolge van drankgebruik gepleegd.
Zoolang wij blijven drinken en schenken — al is het
ook nog zoo matig — en daardoor een slecht voorbeeld
blijven geven aan onze omgeving, aan onze onderhoori-
gen, aan onze kinderen, waardoor zij, verleid, wellicht
eens in den kerker zullen komen, om daar door ons Ge-
-ocr page 21-
17
nootschap, doch meestal vruchteloos, zedelijk verbeterd te
worden; zoolang we ons laten terughouden om openlijk
te verklaren dat de sterkedrank moet worden afgeschaft
en niet daartoe medewerken, zijn wij toerekenbaar, zijn
wij er mede-aansprakelijk voor, dat er zoo vele misdadi-
gers zijn.
Terecht spreekt Guillot, (blz. 112): „De menschen zijn
verantwoordelijk voor het kwaad, niet enkel, omdat zij zelve
het plegen, maar omdat zij het vaak onderhouden, ont-
vvikkelen, voortplanten, zoowel door de slechte opvoeding,
die zij aan hunne kinderen, als door de slechte wetten,
die zij aan hun land geven."
Dat we niet schromen de taal der waarheid te spreken:
„De natiën hebben de misdadigers, die ze verdienen."
Moge ons Genootschap tot zedelijke verbetering, met de
Vereeniging tot afschaffing van sterken drank nauw ver-
bonden door wederkeerige waardeering, hulp en steun,
er in slagen, beider hoofddoel te bereiken: „de voorko-
ming en de bestrijding der zonde!"
Met de bede, dat uwe beraadslagingen van heden onder
Gods zegen ook daartoe dienstbaar mogen zijn, verklaar
ik de 66»te Algemeene Vergadering geopend.