-ocr page 1-
fyi./6p>,x,*\'
VERSLAG van de onderzoekingen, verricht aan de Nederlandsche
tafel van Tiet Zoölogisch Station van
dr. A. Dohrn te Napels,
van
1 September tot 31 December 1890, doori. C. Koningsberger.
Aan Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken.
Bij beschikking van 10 Juli 1890 n°. 1556, afdeeling K.W., stelde
Uwe Excellentie mij in staat gedurende het tijdperk van 1 September
tot 31 December 1890 werkzaam te zijn aan de Nederlandsche tafel
van het zoölogisch station van dr. Anton Dohrn , te Napels. Van de
mij bij genoemde beschikking opgelegde verplichting na mijne terug-
komst een verslag mijner verrichtingen aan het Departement van Bin-
nenlandsche Zaken in te zenden , heb ik bij deze de eer mij te kwijten.
De onderzoekingen waarmede ik mij heb beziggehouden betreffen
in de eerste plaats het watervaatstelsel der polycladeu (eene groep van
platwormen, waarvan talrijke vertegenwoordigers in de Golf van
Napels worden aangetroffen). Voor zooverre mij bekend is, is dr. Ar-
nold Lang de eenige die dienaangaande eenige bijzonderheden mede-
deelt in zijne mouographie: »Die Polycladen (Seeplunariöc) des Golfes
von Neapel und der angrenzenden Meeresabschnitte", welke in 1884
het licht zag, terwijl Max Schultze reeds in 1854 schreef: »Ich habe
bei ThysaDozoo\'n und Septoplana ein Wassergefüszsystem mit schwin-
genden Wimperlappchen erkannt".
Mijne onderzoekingen zijn hoofdzakelijk verricht aan de volgende
species: Thysanozoön Brocchii, Stylochus neapolitanus, Stylochus pi-
lidium , Leptoplaca Alcinoi, Discocelis tigrina, Eurylepta cornuta,
en wel aanvankelijk aan levend, daarna aan, volgeus verschillende
methoden, geconserveerd materiaal. Hoewel het namelijk door vele
onderzoekers als vaststaande aangegeven wordt, dat bij platwormen in
het algemeen aan geconserveerd materiaal geen spoor van watervaat-
stelsel meer zichtbaar is, ben ik er nochtans in geslaagd, zij het ook
na vele vergeefsche pogingen, dit orgaan althans gedeeltelijk in fijne
doorsneden weder te vinden en eenige histologische bijzonderheden te
constateeren. De zoo even genoemde soorten zijn vertegenwoordigers der
vier groote polycladenfamiliëD. Tot mijn leedwezen is het mij niet ge
-ocr page 2-
2
lukt exemplaren te krijgen van eenige afzonderlijk staande vormen , als
Anonymus , Cestoplana en Prothiostomum.
1.    Thysanozoön Brocchii.
Thysanozoön is de eenige zeeplanarie waar tot dusverre een water-
vaatstelsel gevonden en beschreven werd. Het bestaat volgens Lang
uit: a. groote kanalen; b. fijne excretie-capillairkanalen; c. excretie-
producten afzonderende van lange trilfakkels voorziene cellen.
Deze drie deelen heb ik teruggevonden en kan aan de beschrijving
van Lang het volgende toevoegen.
Het watervaatstelsel ligt met zijne vertakkingen grootendeel3 boven
de vertakkingen van den darm. De.richting van het uiteinde der groote
kanalen is dorsaal, echter is het mij niet gelukt uitwendige openingen
waar te nemen, wier bestaan zich op dunne doorsneden het eerst
zou verraden aan doorbrekingen der bij de polycladen krachtig ont-
wikkelde basaalmembraan. Het aantal in den wand der kanalen ge-
legen kernen is in den regel gering; de tril haren zijn zeer kort, zoodat
hare beweging slechts onder zeer gunstige omstandigheden is waar te
nemen. De ksrnen der secerneerende cellen liggen niet altijd terminaal,
alzoo niet nabij het inplantingspunt van den langen trilfakkel, maar
werden door mij in doorsneden van met sublimaat geconserveerde dieren
dikwijls zijdelings aangetroffen, dus gelegen naast de cylindrische ruimte
waarin de trilfakkel beweegt;
2.    Stylochus neapolitanus en Stylochus pilidium.
Het watervaatstelsel dezer beide soorten van het geslacht Stylochus
is veel moeilijker te vinden dan dat van Thysanozoön, vooreerst om-
dat deze dieren veel minder doorschijnend en ten tweede omdat de
afmetingen van het orgaan in quaestie veel geringer zijn.
De secerneerende cellen liggen hier nabij elkander, veelal in de on-
middellijke nabijheid van den lichaamsrand, de trilfakkels zijn zeer
lang, de afvoerende capillairen en kanalen slechts over eene kleine
uitgestrektheid vervolgbaar. Het komt mij, met het oog opdegroeps-
gewijze plaatsing der excretie-cellen en de naar eenzelfde punt gerichte,
alzoo ten opzichte van dat punt centripetale beweging der trilfakkels
niet onwaarschijnlijk voor dat hier gemeenschappelijke uitmondings*
openingen bestaan.
Wellicht is de bruinachtig grijze, zeer sterke pigmentatie der huid
oorzaak, dat ik deze openingen niet heb kunnen ontdekken;
3.    Discocelis tigrina.
Bij Discocelis heb ik volmaakt hetzelfde gevonden als bij de beide
Stylochussoorten. Ook hier zijn de trilfakkels zeer lang, hunne be-
weging echter is uiterst traag en langzaam;
4.    Leptoplana Alcinoi.
Talrijke exemplaren dezer soort werden, zoowel levend als op door-
sneden , onderzocht. Slechts éénmaal meende ik een spoor van een wa-
tervaatstelsel aan te treffen, doch heb mij dienaangaande geene vol-
doende zekerheid kunnen verschaffen;
5.    Eurylepta cornuta.
-ocr page 3-
3
Ook bij Eurylepta levert de sterke pigmentatie der huid een
groot bezwaar op tegen het onderzoek der inwendige organen van het
levende dier. Doch eenmaal gevonden, bleek het watervaatstelsel hier
eene nog krachtiger ontwikkeling en grooter verbreiding te bezitten
dan bij Thysanozoön.
De secerneerde cellen zijn grooter, haar protoplasma is zeer fijn
korrelig, hare kernen zijn hier minder duidelijk waar te nemen dan
hij Thysanozoön; de trilfakkels zijn meer in aantal, hunne beweging
is zeer energisch. De omtrekken der cellen tegen het omgevende weef-
sel zijn dikwijls zeer moeilijk waar te nemen.
De trilharen in de grootere kanalen zijn zeer duidelijk, de wand dier
kanalen is vrij dik, bevat vele kleine sterk lichtbrekende bolletjes,
wier natuur ik niet heb kunnen opsporen, en zet zich hier en daar
uit tot korte blindzakken, bij voorkeur in de nabijheid van die plaatsen
waar twee, drie of soms meer grootere kanalen bijeenkomen. Het ge-
heele watervaatstelsel ligt ook hier aan de rugzijde van het dier en
vertoont eene zeer sterke vertakking. Nu en dan zijn sterke contracties
waar te nemen; wellicht wordt dan water uitgestooten en daarna weer
opgenomen.
In de tweede plaats heb ik mij beziggehouden met de ontwikke-
lingsgescbiedenis van Pleurobranchus testudinarius , eene groote Gastro-
pode, die tijdens mijn verblijf hare eieren gelegd had in een der bassins
van het Aquarium van het Zoologisch Station. De eieren, in verbazend
groot aantal ingebed in eene waaiervormige geleiachtige massa, zijn
zeer klein en ontwikkelen zich aanvankelijk snel, later langzamer.
Slechts de zeer vroege ontwikkelingsstadiën heb ik tot nu toe aan
doorsneden en totaalpraeparaten knnnen bestudeeren. Zij vertoonen in
hoofdzaken groote overeenkomst met die van Planorbis, eene zoet-
water-Gastropode, wier ontwikkeling door Kabl beschreven is. Ik
hoop later gelegenheid te hebben elders uitvoeriger hierop terug te
komen.
Ten slotte heb ik nogmaals getracht een antwoord te vinden op de
vraag of er open gemeenschap bestaat tusschen het bloedvaatstelsel en
de nephridia bij hemertinen, ditmaal Eupolia delineata, eene der Pa-
laeonemertinen tot onderzoekingsobject uitkiezende. Evenals bij reeds
vroeger (\'oor mij ingestelde onderzoekingen luidde het antwoord ont-
kennend.
Aan het einde van dit korte overzicht mijner verrichtingen aan het
Zoölogisch Station te Napels gekomen , acht ik het mij eene eer aan Uwe
Excellentie mijnen weigemeenden dank te brengen voor de gelegenheid
waarin Uwe Excellentie mij stelde, mijne studiën een viertal maanden
voort te zetten, onder zoodanige gunstige omstandigheden als slechts
in het warme zuiden met zijne rijke fauna gevonden worden.
Utrecht, Januari 1891.
J. C. KONINGSBERGEB.
. «