-ocr page 1-
ïfy»ij(Z98            0t: :M-^^ A
OÖ./S ft
*\'• /O
vy vvvv vn" vy vv< vyvyvy vy vv vyvy vyvyvy wvv w vy vy y v• .%
\' A A AA A A A A A A A A A A A A A A A A A A A
a*
v
„A:
ENSTPLICHT
M
%
LEGERORGANISATIE
VAN JURIDISCHE, MORERE, MAATSCHAP] EIJJKE, NATIONALE
EN MILITAIRE ZIJDE BESCHOUWD
?
EEN STAATSBURGER.
A
A
9: ££!
3*A:\'«;^v                                                      =_=__           ___,
-~i ► : V V V< VV VY VN" VN" Vy VN1 V.VJ VY VN* W VV Vy VV VN" VV VN" VV VV VV VV V V
-i vj A A A A A A A A A A A A AA A A AA A AA A A
.
-ocr page 2-
.
•
\'
• \'.. Cl
-ocr page 3-
PERSOONLIJKE DIENSTPLICHT.
-ocr page 4-
\'.
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
IllllillllllIIIIIlIIIII!
1781 5733
-ocr page 5-
PERSOONLIJKE DIENSTPLICHT
EN
LEGERORGANISATIE
VAN JURIDISCHE, MOREELE, MAATSCHAPPELIJKE. NATIONALE
EN MILITAIRE ZIJDE BESCHOUWD
DOOR
EEN STAATSBURGER.
~**p~
*W#l H
AMSTERDAM,
M. M. OLIVIER.
-ocr page 6-
-
"Jffc-.
-ocr page 7-
VOOREEDE.
Een der roemrijkste vorsten dezer eeuw, Keizer Wilhelm I,
heeft gezegd, dat
„de invoering van eene nieuwe leger-
wet met persoonlijken dienstplicht gelijk staat met eene
omwenteling in het volksleven" !). Êeeds bi/j de eerste
lezing hebben deze woorden in hooge mate onze aandacht
getrokken: zij gaven op kernachtige wijze uitdrukking aan
de overtuiging, welke zich reeds geruimen tijd bij ons had
gevestigd.
Is dan, zoo redeneerden wij, liet invoeren van persoon-
lijken dienstplicht een vraagstuk van zidk een omvang en
gewicht, dat het gelijk staat met eene omwenteling in ons
volksleven, is het afschaffen der dienstvervanging van zulk
een ingrijpenden aard, dat het invloed heeft op (die stan-
den der maatschappij: dan zal het ook van het hoogste
belang zijn de redenen vóór en tegen zulk een ommekeer
rijpelijk te overwegen, ten einde geen onberaden stappen te
doen. lederen rechtgeaarden Nederlander zal het aan-
genaam zijn het vóór en het tegen van dit zoo belangrijk
vraagstuk te kennen.
Veel is dan ook in den laatsten tijd over dit onder-
werp in ons vaderland geschreven. Ook de Staatscom-
1) Men vindt dit gezegde aangehaald en bevestigd door Dr. Schaepman in
„het Centrum\'\', 5 Febr. \'89.
-ocr page 8-
VI
missie, ingesteld tot voorbereiding der wettelijke regeling
van den militairen dienstplicht, kon natuurlijk dit vraag-
stuk niet onaangeroerd laten. Haar verslag is bekend: de
meerderheid verklaarde zich vóór, de minderheid tegen
deze omwenteling in ons volksleven. Dankbaar voor den
ijver, door geheel de Commissie bij het vervullen harer
taak aan den dag gelegd, kunnen toi/j toch tot ons leed-
wezen in het punt betreffende persoonlijken dienstplicht
met de meerderheid niet meegaan, en blijven ivij liet ge-
voelen der minderheid deelen. Met den eerbied, aan het
gezag van bekwame mannen verschiddigd, hebben wij de
redenen van weerszijde aan een ernstig onderzoek onder-
worpen. Wij hebben getracht ons van alle vooroordeelen
te ontdoen en zonder hartstocht of partijdigheid de rede-
nen vóór en tegen gewogen. Bij dat onderzoek zijn ons de
redenen vóór persoonlijken dienstplicht te licht toegeschenen ;
doch de redenen tegen deze omicenteling in ons volksleven
hebben wij zoo zwaarwichtig bevonden, dat zij onvoorwaar-
delijk de schaal voor het behoud der plaatsvervanging
hebben doen overslaan. Wij geven deze redenen in over-
weging aan alle bezadigde Nederlanders, en wij houden
ons overtuigd daardoor aan velen een niet onaangenamen
dienst te betvijzen. Men vindt tegenstanders van persoon-
lijken dienstplicht onder alle standen en richtingen: onder
liberalen en anti-liberalen, protestanten en roomsch-katho-
Heken, militairen en burgers; voor deze allen schrijven
ivij, deze allen vinden hier de gronden hunner overtuiging
uiteengezet....
Anderen ivederom, van alle kleur en richting, zijn
door de redenen der militaristen verschalkt en min of
meer op het dwaalspoor gebracht. In hun hart ivenschen
zij niets vuriger dan behoud der plaatsvervanging; zij
haten, als alle vrije Nederlanders, eiken dwangmaat-
-ocr page 9-
VTI
regel; maar, toch!... de redacteurs en correspondenten
van verschillende dagbladen verheffen den persoonlijken
dienstplicht zoo hemelhoog, plülantropen geven zulke schoon-
klinkende gronden, bekwame militairen verwachten daar-
van zooveel heil, dat men meent te moeten zwichten en
de bijzondere belangen voor het algemeen welzijn des
vaderlands te moeten opofferen. Voor zich zelven zijn zij
wel niet innig overtuigd; de overtuiging is hun veeleer
door mannen van gezag opgedrongen. Ook denzulken.
gelooven we, zal deze verhandeling welkom zijn. Zij zxdlen
zien, hoe op alle ernstige moeielijkheden der voorstanders
icordt geantwoord, hoe deze nieuwe beperking onzer vrij
heid door geen enkele deugdelijke reden wordt gewettigd,
hoe juist door het stelsel der plaatsvervanging èn persoon-
lijke èn sociale belangen icorden bevorderd, tenvijl de
vrijheid en onafliankelijkheid van ons vaderland met het
behoud dier plaatsvervanging zeer goed vereenigbaar is.
Want van alle zijden zullen xcij dit gewichtig vraagstuk
beschouwen, zoo van juridische en moreele, als van maatschap-
pelijkc historische, nationale, paedagogische, economische
en militaire zijde.
Wij hébben getracht te schrijven met die kalme bezadigd\'
heid, icelke den ernstigen denker voegt, maar ook met die
ruiterlijke openhartigheid, welke aan de overtuiging eigen
is. Niemand voorzeker zal ons de uiting dezer overtui-
ging euvel duiden, gelijk ook wij van onzen kant de ver-
dediging der tegenovergestelde meening niemand kwa-
lijk zouden durven nemen. Ook hier kan het Fransche
spreekwoord: „Du choc des opinions jaillit la vérité"
bewaarheid worden. Door de redenen van over- en iceer
aan het denkend Nederlandsche publiek bloot te leggen, is
het in staat een oordeel te vellen over het al of niet in-
voeren van persoonlijken dienstplicht, over het al of niet
-ocr page 10-
VIII
bewerken van deze omwenteling in ons volksleven. Wig
hebben eindelijk geschreven, gedreven door loare vaderlands-
liefde, die alle Nederlanders, van welke politieke richting
zij ook zijn mogen, oprechte hoogachting en genegenheid
toedragen. Ons doel was niet gelijk te hebben, maar vol\'
gens ons vermogen iets bij te dragen tot heil van den
Staat, tot bloei en welvaart zijner burgers, tot behoud der
vrije zelfstandigheid van ons aller dierbaar vaderland
onder den schepter van het roemrijk huis van Oranje.
Wij durven vertrouwen, dat deze bladzijden in denzelfden
geest gelezen zidlen worden, als waarin wij die hebben
geschreven.
-ocr page 11-
EERSTE HOOFD STUK.
Persoonlijke dienstplicht beschouwd van juridisch
standpunt of van den kant der vrijheid.
Waarom zijn wij tegen persoonlijken dienstplicht\'?
Omdat het invoeren van persoonlijken dienstplicht in
Nederland zijn zou eene ongeoorloofde machtsoverschrij-
ding van den Staat, eene onrechtvaardige beperking van
de individueele vrijheid.
„Les hommes naissent libres." Zoo luidde het eerste
artikel van de Déclaration des droits de Vhomme van
1789. Hoe men ook in het algemeen over deze verkla-
ring moge denken, welke ook de politieke en godsdienstige
overtuiging onzer lezers moge zijn, zeker is het, dat
allen de vrijheid beschouwen als eene der edelste gaven
van den mensch, dat allen hunne persoonlijke vrijheid
hooger schatten dan hun goed en hun bloed. Aan het
streven naar die vrijheid heeft eene machtige partij in
ons vaderland, die der liberalen, haar naam ontleend;
op die vrijheid van het individu beroepen zich voortdu-
rend anti-revolutionnairen en\'roomsch-katholieken, als op
den grondslag der andere vrijheden, van godsdienst, van
onderwijs, van vereeniging, enz. Eene edele gave voor-
zeker, een kostbaar kleinood is de individueele vrijheid,
waardoor ieder souverein is op zijn gebied en het recht
bezit om, binnen de grenzen der zedelijkheid, zijne lichaams-
en geesteskrachten naar eigen keuze toe te passen, en
1
-ocr page 12-
2
zich in de vrije wereld te bewegen, waar en gelijk hij wil.
Dat deze vrijheid belemmerd wordt door persoonleken
dienstplicht,
waardoor aan alle individuen het recht van
plaatsvervanging wordt ontnomen, zal wel ieder onzer
lezers duidelijk inzien. De vraag is slechts: Is deze belenv
mering der individaeele vrijheid door den Staat uit juri-
disch oogpunt rechtvaardig of niet? Alvorens hierop een
rechtstreeksch antwoord te geven, moeten wij eenige rechts-
begrippen uiteenzetten omtrent de verhouding tussehen
staatsgezag en persoonlijke vrijheid. \')
Naast de persoonlijke vrijheid staat het gezag, dat
de gestelde orde handhaaft en, wel verre van den mensch
te verlagen, zijne rechten en vrijheden zoodanig beschermt,
dat slechts teugellooze vrijheidsgeest voor verderfelijke
uitspatting wordt behoed.
Wederrechtelijk geoefend, ontaardt het gezag in despo-
tisme en tyrannie: een vergrijp te zwaarder naarmate
de ontroofde schat dierbaarder is. En toch, hoe groot
deze misdaad ook zij, te allen tijde en overal heeft
despotisme,machtsoverschrijding en dwingelandij bestaan;
te allen tijde heeft de sterkere zijne overmacht doen ge-
voelen op den zwakkere, hem van zijn vrijheid en hei-
ligste rechten beroofd. Ja, meer dan door eenig privaat
persoon is in den loop der eeuwen die ongerechtigheid
gepleegd door de macht, welke tot beschermer dezer rech-
ten en vrijheden gesteld is, te weten : door den Staat.
Op welke wijze het gezag ook bekleed werd: door één-
hoofdig absolutisme, door aristocratische oligarchie, door
constitutioneelen regeeringsvorm, door republiek of de-
1) De geachte lezer zal hior natuurlijk geen wijde uiteenzetting ver-
wachten der verschillende theorieën aangaande den oorsprong en den
rechtsgrond van het gezag. Dit zou trouwens voor ons doel geheel over-
bodig zijn. Schrijvend voor alle Nederlanders, onverschillig welke staats-
partij zij zijn toegedaan, stellen wij ons op een neutraal en onpartijdig
standpunt. Voor onze beginselen beroepen wij ons dan ook hoofdzake-
ljjk op het bezadigd oordeel en het gezond verstand, hetwelk zulk
een karaktertrek is van onze Nederlandsche natie. Overigens zullen wij
deze beginselen nog bekrachtigen door het gezag van geleerden van zeer
uiteenloopende richtingen.
-ocr page 13-
3
mocratie, er is geen eeuw geweest, waarin niet in
min of meer talrijke landen jegens een geheel volk
of eene aanzienlijke minderheid onrecht en dwinge-
landij werd geoefend, waarin niet de individueele vrij-
heid van een groot gedeelte eener natie door de staats-
macht onrechtmatig werd besnoeid of ontnomen. \') En
geen wonder; want juist omdat de Staat in eene maat-
schappij de sterkste is in materieele kracht, is hij ook
meer dan eenig privaat persoon in gevaar, hiervan een
onbeperkt gebruik te maken ten koste van het individu 3).
Zelfs heeft het niet aan vleiers en aanbidders ontbroken,
die zulk een despotisme op den troon des rechts hebben
verheven en als leer der wetenschap verkondigd, dat
het recht van den Staat op de individuen geen andere
grenzen kent, dan zijn brutale macht en zijn willekeur,
\'t Is de theorie der onbegrensde staatsalmacht, der sta-
tolatrie of staatsvergoding, volgens welke de staatsgod
zoowel het einddoel is der burgers als de oorsprong en
milde gever van al hunne persoonlijke en maatschappe-
lijke rechten en vrijheden, \'t Spreekt vanzelf, dat vol-
gens deze leeraars elke dwang door den staat geoefend,
dus ook persoonlijke dienstplicht of ontneming van de
vrijheid der dienstvervanging, rechtvaardig is.
Doch tegenover deze vrijheiddoodende en menschont-
1)    Dat ook eene minderheid rechten en vrijheden bezit, die door eens
meerderheid op onrechtvaardige wijze kunnen worden gekrenkt, zal wel
door geen verstandig wijsgeer worden ontkend. Zeer juist zegt Bluntschli,
een der meest gezaghebbende schrijvers der vrijzinnige rechtsschool:
„Die Monarchie aber hat einen ihrer gewichtigsten Vorzüge darin, dasz
„sie berufen ist, auch die Minderheit in ihrer Freiheit und in ihretn Rechte
„vor den Anmaszungen der Mehrheit zu schiltzen." Algemeine Staatslehre,
I, S. 491.
2)    Vooral met het doel om de persoonlijke vrijheid tegen hetStaats-
absolutisme te beschermen, heeft Rousseau zijn systeem van het „contrat
social" opgesteld: „Trouver une forme d\'association qui défende et
„protégé de toute la force commune la personne et les biens de chaque
„associé, et par laquelle chacun, s\'unissant a tous, n\'obéisse pourtant
„qu\'a lui-même, et reste aussi libre qu\'auparavant: tel est Ie problème
„fondamental, dont Ie contrat social donne la solution." Du contrat social,
1. I, ch. VI.
-ocr page 14-
4
eerende dwaling staat de leer der waarheid, steunend op-
de uitspraken van het gezond verstand en bekrachtigd
door het gezag van geleerden van alle richting. Neen,
de Staat is niet almachtig ten opzichte zijner burgers;
zijn kunnen is geen mogen, zijn kracht niet de grens
van zijn recht; hij wordt in zijne bevoegdheid beperkt
door zijn wezen, door zijn doel of zijne bestemming. Ge-
lijk in de natuur de krachten der wezens beantwoorden
aan haar doel, gelijk in eene georganiseerde maatschappij
de strijdkrachten moeten overeenkomen met de te ver-
vullen taak, met het door het leger te bereiken doel>
gelijk in eene vrije, goed geregelde corporatie de rech-
ten der bestuurders worden bepaald volgens het doel
en het wezen dier vereeniging, zoo heeft ook de natuur
of de Schepper — dit zegt ons de gezonde rede — de
rechten en het gezag van den Staat afgemeten volgens
zijn doel \')•
En welk is dan het doel, de taak van den Staat, die
de grens is zijner bevoegdheid 1 Als in kiem heeft onze
geleerde Hugo de Groot dit neergelegd in deze definitie:
„De Staat is eene volmaakte vereeniging van vrije men-
schen, bijeengekomen ter genieting van hunne rechten
en ter bevordering van het algemeen welzijn." *) Uit
1) ,Der Fürst," zegt Stahl, de voornaamste leeraar der historische en
antirevolutionnaire rechtsschool, „hat die Gewalt nicht als in seiner Per-
„son, sondern als im Wesen der Anstalt entsprungen, dalier auch nicht
„nach seinem Privatwillen und zu seinem Privatzweck, sondern begrilnzt
„und beslimmt durch den Zweck nnd nach dein Oesetze der Anstalt"- Staats-
lehrè oder die Principien des Staatsrechten
1856, S. 141. Eveneens Mr. Fa-
bius: „Hoe groot deze (de macht der overheid) is, hangt af van de taak,
„die zij te vervullen heeft,
en gelijk elk verband, ook het Staatsverband,
„van beperkten aard is, zoo kan de macht eeuer overheid, ook die der
„Staatsoverheid, nooit eene onbegrensde wezen." De leer der Souvereini-
Uit,
bl. 47. — Insgelijks Held, door Fabius geciteerd: „Des Staates
„Uittel und Zweck» bestimmen die Granzen seines Könnens und Wollens."
Verfassungssystem. Th. I, S. 238. — Ook Mr. C. W. Opzoomer wijdt in
zjjn : „Staatsregtelijk Onderzoek" de geheele derde paragraaf aan „het doel
van den Staat"
om volgens dit doel de grenzen der Staatsmacht ten op-
zichte der individueele vrijheid af te bakenen, bl. 20—38.
2) „Est autem civitas coetus perfectus liberorum hominum juris fruendi
et communis utilitatis causa sociatus." De jure belli ac pacis. 1,1, § 14 l.
-ocr page 15-
5
\'deze woorden kunnen wij dit tweevoudig doel van den
staat afleiden: bescherming en verdediging van de rech-
ten en vrijheden der individuen en bevordering of onder-
steuning van die algemeene belangen van tijdelijken aard,
welke boven het bereik liggen der bijzondere of vereenigde
zelfstandige krachten. In de eerste plaats is dus de Staat
handhaver en beschermer van den persoon enden eigendom
zijner burgers, zoowel tegen inwendige wanordelijkheid en
rustverstoring (wetgeving, — rechtspleging, — politie, —
enz.), als tegen uitwendig vijandelijk geweld (landsverdedi-
ging); in de tweede plaats treedt hij op als bevorderaar
van het ware algemeen belang, zoo vaak dit door de indivi*
duen, hetzij afzonderlijk, hetzij vereenigd, niet wordt ver-
kregen. l) Aan dit doel nu (in casu de landsverdediging)
1) Om het gewicht der zaak zal de lezer ons veroorloven, deze oin-
sehrijving van het doel en de taak van den Staat eenigermate te verklaren
en door eenige getuigenissen te staven. Wat het eerste doel aangaat:
handhaving en bescherming, dit wordt door niemand betwist. Slechts zij
hier opgemerkt, dat dit hoofddoel bij alles op den voorgrond moet staan.
Zeer juist zegt dit Prof. Opzoomer: „De Staat moet in de eerste plaats
„zorgen voor de bescherming zijner burgers, van hun persoon en van hun
„eigendom. Daarheen moet het oog der staatsmagt voortdurend gerigt
„zijn, en zij behoort van dat doel niet het geringste op te offeren, om
„naar eenig ander doel, hoe voortreffelijk het mogt zijn, te streven. Aan
„een ander doel mag en moet zij dan alleen denken, wanneer het zon-
„der de minste schade voor dat hoofddoel kan worden bereikt. Al wat
„door een regering zou kunnen verrigt worden ter aanmoediging van
„landbouw, nijverheid, kunsten en wetenschappen, al wat zij doen kan
„voor de belangen van onderwijs en godsdienst, het moet uit dit oog»
„punt worden beschouwd." Staatsregtelijk Onderzoel\', bl. 37. — Betrekke-
lijk het tweede doel gelooven we, dat de meeste tegenstanders van de
staatsbemoeiing zich met deze uitdrukkingen zullen kunnen vereenigen
en in dezen zin de behartiging van het volksbelang den Staat niet zullen
ontzeggen. Wij geven gaarne toe, dat dit waar volksbelang niet in abstracto,
in ideale opvattingen van het brein van zekere staatslieden mag bestaan,
maar dat het inderdaad in concreto, direct of indirect, ten algemeenen
nutte en vrede moet strekken; dat dus partijbelang, al is die partij ook
meerderheid, geen algemeen belang is. Ook erkennen wij, dat de Staat,
bij de beslissing of iets bevorderlijk is aan het zedelijk welzijn en de
ontwikkeling van een volk, niet uitsluitend van de meerderheid mag
afhangen, maar wel degelijk op de zedelijke gemoedsbezwaren der min-
derheid acht moet slaan. Waar deze bezwaren bestaan, mag hij de ziens-
wijze der meerderheid omtrent het algemeen belang aan de minderheid
niet opdringen, noch dezer vrije ontwikkeling belemmeren. Doet hij dit,
-ocr page 16-
6
moeten wij de wettigheid van persoonleken dienstplicht
toetsen; wij verzoeken daarom voor een oogenblik des
lezers verscherpte aandacht.
Om zijn doel te bereiken, heeft de Staat recht
dan komt dit tweede doel, de bevordering, in botsing met het eerste
doel van den Staat, hetwelk altijd hoofddoel blijven moet: de persoon-
lijke vrijheid van een aanzienlijk deel der natie wordt niet beschermd, maar
geweld aangedaan. Het gevolg hiervan is gisting en spanning in den
lande. In plaats van algemeen belang en ontwikkeling heeft men inwendigen
strijd, onrust en ontevredenheid, zoodat noch het eerste, noch het tweede
doel des Staats wordt bereikt. De geschiedenis van elke natie weet me-
nig tijdperk aan te wijzen tot bevestiging dezer beschouwingen. Zh
verkondigt tevens luide dit beginsel van het gezond verstand: het
hoogste, meest algemeene volksbelang, en daarmede het heil van den
Staat, is hierin gelegen, dat de vrijheid van individuen, familiën en cor-
poratifin, zooveel mogelijk, ongeschonden blijve bewaard, dat hunne vrije
ontwikkeling naar behooren worde gesteund en bevorderd.
Wij beroepen ons hier verder op de meest gezaghebbende leeraars dei-
vrijzinnige rechtsschool, die tal van beperkingen stellen aan de staats-
zorg voor do ontwikkeling en algemeene welvaart en deze eerst en vooral
van individueele krachten willen doen uitgaan. Mr. Opzoomer spreekt
terecht „van twee klassen van aangelegenheden, die geheel buiten het
„staatsdoel vallen: lo alles, wat niet in het belang der burgers in het
„gemeen is,
maar slechts in het belang van sommige burgers, hoe klein
„of hoe groot hun getal ook moge zijn ; 2o. alles, wat ofschoon het in
„het belang der burgers in het gemeen is, geen beperking der individueele
„vrijheid vordert, maar beter door het werken dier vrijheid zelf kan worden
„verkregen.
Het een zoowel als het ander behoort niet tot de bemoeiin-
.,gen van den Staat; het moet aan private werkzaamheid worden over-
„gelaten." (T. a. p. bl. 27).— Ahrens, een der hoofdleiders dezer school,
heeft, gelijk bekend is, de theorie der „Bedingungen" uitgevonden, vol-
gens welke de Staat niet als werkende oorzaak der algemeene ontwikke-
ling mag optreden, maar slechts verplicht is, uiterlijke voorwaarden te
stellen en middelen te verschaffen, waaraan individuen, familiën en vrije
vereenigingen behoefte hebben om hun eigen ontwikkeling en hun welzijn
te bewerken. „Bei Festhaltnng — aldus Ahrens — der wichtigen Unter-
„scheidung zwischen Bedingung und Causalitat ist daher die fördernde
„Aufgabe dahin zu bestimmen, dasz der Staat, welcher selbst keine
„schöpferische, causale, sondern eine regelnde Ordnung ist, in keinem
„Geblete in die iirsaehlichen Kriifte und Gesetze eingreifen,
weder als allein
„handelnder noch als sachlich theilnemender Factor auftreten darf. Der
„Staat is weder Priester, noch Lehrer, noch Wissenschaftsforscher oder
„Künstler, und auf dem volkswirthschaftlichen Gebiete weder Urprodu-
„cent noch Gewerbe- oder Handelstreibender." Naturrecht, B. II, S. 294.
Niet minder wil Bluntschli allen dwang hebben geweerd van de staats-
zorg voor het algemeen belang, en dezer ondersteuning slechts dan doen
optreden, wanneer de individueele of vereenigde vrije krachten ontoe-
-ocr page 17-
7
op alle middelen, waaraan hij behoefte heeft; hij mag,
ja hij moet zelfs den burgers lasten opleggen, welke tot
het vervullen zijner taak noodzakelijk zijn. Dezen zijn
dan ook in geweten verplicht de rechtvaardige lasten te
dragen. In het opleggen dezer lasten moet de Staat
echter zeer op zijne hoede zijn. Immers hij komt hier
in conflict met de individuen ; maar ook de individuen
zijn van natuur vrije en zelfstandige machten, souve-
rein binnen de sfeer hunner rechten en onafhankelijk
van eenig menschelijk gezag. l) Hij zij dus uiterst om-
zichtig, ten einde de persoonlijke vrijheid en de rechten
van den mensen niet zonder noodzakelijkheid te schen-
reikend zijn: „Die Sorge und Pflege und daher die Einwirkung des
.Staates reicht über das Rechtsgebiet hinaus, aber wesentlich nicht in
nzwingender Form,
sondern zur Unterstützung und Fórderung wichtiger
„und weitverbreiteter Lebenszwecke, toenn deren Mittel nicht ansreicheu
nnnd diese der müchtigen Staatshilfe bediirfen." Die Lehre vom modernen Staat.
D. I, S.368. — Men vergelijke ook de artikelen: AbsohUismua en Freiheit
in zijn Staatswürterbucft. — De groote staatsman onzer vrijzinnige partij,
Thorbecke, zegt in zijn Parlementaire Redevoeringen omtrent de plichten
van den Staat: rKene eerste wet (voor den Staat) ia onthouding; onthou-
„ding van hetgeen zijne roeping als regtsvereeniging te buiten gaat. Het
„zijn in wezen, bestemming en middelen andere levensmagten dan de
„staatsmagt, welke de kerk, het onderwijs, wetenschap, kunst, maat-
„schappelijk te vormen en te bosturen hebben ; magten in wier sfeer
.burgerlijk overheidsgebod of dwang niet te pas komt." Narede, bl. VIII.
Met nadruk wenschen wij op doze uitspraken te wijzen. Daaruit
blijkt, dat, hoezeer in de practijk de gevoelens ook uiteenloopen. de
groote leeraars der liberale school van het staatsrecht in hunne principes
volstrekt niet de theorie der onbeperkte staatsmacht huldigen, gelflk wel
eens door hare tegenstanders beweerd wordt. Deze theorie, waardoor
elke beslissing der meerderheid, hoezeer zij ook inbreuk make op de
individueele vrijheid, recht wordt verklaard, moet onvermijdelijk leiden
tot het socialisme, en mag dus niet in aanmerking komen, waar het
geldt een toestand volgens recht en billijkheid te organiseeren.
1) „Es folgt aus dem Wesen des Menschen, dasz nicht nur jeder ein-
„zelne Mensch, sondern auch jede menschliche Gesellschatt in gewissen
.. Beziohungen ihr eigener Herr sei, d. h. insofern keinen menschlichen
„Gewalthaber über sich haben kunne. Soweit ein Mensch oder eine Ge-
„sellschaft dies ist, soweit nennen wir sie selbstandig oder souveriin."
Aldus Held: Staat und Gesellschaft. II, S. 493. — Een Souverein gezag
nu wordt door Groen van Prinsterer genoemd „elk gezag, dat in den
„kring zijner regten aan geen hooger menschelijk gezag verantwoordelijk
„en ondergeschikt is." Grondwetsherziening en Eensgezindheid, bl. 334.
-ocr page 18-
8
den, en geen ongeoorloofden en immoreelen dwang te
oefenen. Wijl nu de reden, waarom de Staat tot deze
lasten mag dwingen, alleen is de noodzakelijkheid, de
behoefte aan die middelen tot volbrenging zijner taak,
zoo is hij ook verplicht de zioaarte der op te leggen lasten
te berekenen naar den graad van de noodzakelijkheid,
zoodat de lasten slechts mogen stijgen in evenredigheid
van de noodzakelijkheid, en een uiterst zware last slechts
in eene uiterste noodzakelijkheid gewettigd wordt.
Laat hij
zich niet door dezen vasten regel leiden, maar handelt
hij hierin volgens willekeur en eigen goeddunken, dan
zal hij zich ongetwijfeld schuldig maken aan verkrach-
ting van de rechten zijner burgers, welke hij toch ge-
roepen was te beschermen.
Deze lasten nu zijn tweeërlei: geldelijke en persoon-
lijke.
Vermits echter ieder mensch van natuur meer
gehecht is aan zijn individueele vrijheid dan aan zijn
geld of goed, m. a. w. vermits persoonlijke lasten den
vrijen mensch veel zwaarder drukken dan geldelijke, zoo
is de staat verplicht in de eerste plaats door het vor-
deren van geldelijke inkomsten zijn tweevoudig doel te
bereiken.
Hierdoor zal hij tevens in staat worden gesteld,
de persoonlijke diensten, welke de burgers uit vrije
keuze hem aanbieden, naar waarde te beloonen. Zoo
blijft de individueele vrijheid zooveel mogelijk gespaard;
er is slechts dwang tot het geven van geld, niet van
den persoon. Alleen in het geval der uiterste noodzake-
lijkheid of volstrekte behoefte heeft de Staat liet recht tot-
persoonlijke diensten te dwingen.
Immers, door het dwingen van den persoon tot be-
paalde diensten, tot het leenen zijner arbeidskracht op
deze of gene plaats, voor dit of dat dikwijls onaange-
naam werk, gedurende min of meer geruimen tijd, wordt
beslag gelegd, niet op een gedeelte van zijn geld, maar
op den mensch zelven met zijn vermogens en zintuigen,
wordt hem zijn onschatbare vrijheid, dat aangeboren
recht, krachtens hetwelk hij zijn lichaams- en geestes-
-ocr page 19-
9
krachten volgens eigen keuze kan toepassen, op geweld-
dadige wijze ontnomen. Welnu, om zulk een dwang te
oefenen, om zulken uitersten last op te leggen, — dit
zegt ons \'t zedelijk rechtsgevoel — wordt eene uiterste,
volstrekte noodzakelijkheid voor het algemeen belang
vereischt.
Buiten dit ééne geval der volstrekte noodzakelijkheid
is inbreuk maken op de vrijheid van den persoon en
zijne handelingen een daad van willekeurig absolutisme,
moet derhalve de Staat door het opleggen van min druk-
kende geldelijke lasten zijn doel trachten te bereiken.
Ziedaar de eenvoudige doch onwrikbare beginselen
omtrent staatsgezag en vrijheid, beginselen geheel ge-
grond op recht en billijkheid, gedicteerd door het gezond
verstand. Wij twijfelen niet, of de ontwikkelde lezer, al
mocht hij ook vreemdeling zijn op het gebied der rechts-
wetenschap, zal de juistheid dezer beginselen inzien en
erkennen.
Uit deze principes nu vloeien als vanzelf de vol-
gende conclusiën voort omtrent legerorganisatie, con-
scriptie, algemeenen
en persoonlijken dienstplicht.
1° De Staat moet alles doen, wat in zijn vermogen is,
om het leger uit vrijwilligers te doen bestaan en te dien
einde een vrij debat laten tusschen vraag en aanbod. De
i\'eden hiervan is, dat aldus de individueele vrijheid van
alle burgers volkomen blijft gewaarborgd, terwijl de
persoonlijke diensten, die door een aantal hunner vrij-
willig tot de verdediging van het land worden aange-
boden, naar billijkheid door andere burgers worden ver-
goed.
Zoolang mogelijk dus moet de economische wet der
verdeeling van der. arbeid door den Staat, voor den krijgs-
dienst gelijk voor andere diensten, worden onderhouden.
Al zou dus ook voor een leger van vrijwillig dienenden
de som der belasting merkelijk moeten stijgen, de recht-
vaardigheid, die den Staat ten opzichte zijner burgers
bindt, eischt toch dat hiertoe worde overgegaan.
-ocr page 20-
10
Want vooreerst zal — gelijk reeds is aangetoond —
het offer van geld, door eene matige verhooging derbe-
lastingen, voor de bevolking in haar geheel op verre na
niet zoo zwaar drukken, als het offer van hetgeen den
mensch het dierbaarste is, t.w. van zijne persoonlijke
vrijheid.
Ten tweede vordert de rechtvaardigheid, dat de Staat
de lasten ook voor \'s lands defensie naar best vermogen
gelijkmatig onder de burgers volgens eens ieders draag-
kracht verdeele. Immers het leger handhaaft de onaf-
hankelijkheid van geheel den Staat en van al zijne on-
derdanen, beschermt de rechten en vrijheden, den eigen-
dom en de goederen van alle burgers, vooral echter van
de meestbezittenden. \'t Is dus plicht, dat ook alle bur-
gers, een ieder volgens zijne draagkracht, maar vooral
de meestbezittenden, als zijnde de meestbelanghebben-
den, in de lasten des legers deelen. En onrechtvaardig
zal het zijn, tenzij de nood den Staat er toe dwinge,
deze lasten alleen of grootendeels te doen dragen door
individuen van het mannelijk geslacht, van 20 tot 35
jaar, en door de huisgezinnen die de meeste zoons heb-
ben en daarom reeds onder grooter zorgen gebukt gaan;
terwijl individuen van boven de 35 jaar of van het vrou-
welijk geslacht, en huisgezinnen die slechts dochters of
in het geheel geen kinderen hebben, van deze lasten
zouden zijn bevrijd, ofschoon deze laatsten toch even-
zeer, en wellicht nog meer, door de bescherming van het
leger worden gebaat, dan de eersten. Slechts door gel-
delijke belastingen, die naar evenredigheid van het ver-
mogen over al de ingezetenen des Rijks, van welken
leeftijd of kunne zij ook zijn, kunnen worden omgeslagen,
zal ook deze druk gelijkelijk en rechtvaardig worden
verdeeld; nooit echter door persoonlijke diensten, die
slechts van een betrekkelijk gering gedeelte der natie,
en zonder te letten op het zeer verschillend draagver-
mogen, kunnen worden gevergd.
Dat dus een leger van vrijwilligers de normale rechts-
-ocr page 21-
11
toestand is, zal, gelooven we, een ieder onzer lezers bea-
men. Dien toestand te willen veranderen en conscriptie
te willen invoeren in landen, waar dit niet noodzakelijk
is, gelijk in Engeland, Amerika, enz., zou een onrecht-
vaardig ingrijpen zijn in de persoonlijke vrijheid der
burgers, eene zeer ongelijkmatige verdeeling der lasten. \')
2°. Zou er echter op deze wijze geen genoegzaam
aanbod van vrijwilligers zijn, of zouden de eisenen der
dienstloonen zoo hoog loopen, dat deze de financieele
draagkracht der natie overschrijden, d. w. z. zou de
som der geldelijke lasten voor het gezamenlijke volk
drukkender zijn dan de som der op te leggen per-
soonlijke lasten, dan heeft de Staat het recht beslag te
leggen op den persoon van den burger en het benoodigd
aantal soldaten door dienstplichtigen aan te vullen, dan
is conscriptie geoorloofd. De reden hiervan is duide-
lijk. De Staat heeft immers recht op al de middelen,
die noodzakelijk zijn tot bereiking van zijn doel, in
casu
\'s lands verdediging. In de uiterste noodzake-
lijkheid mag hij zelfs uiterst zware lasten opleggen en
inbreuk maken op de individueele vrijheid. Welnu, zulk
een uiterste noodzakelijkeid bestaat in ons geval; zonder
verplichten krijgsdienst zou de onafhankelijkheid van
Staat en burgers in gevaar verkeeren.
3°. Is echter de conscriptie slechts geoorloofd, omdat
zij volstrekt noodzakelijk is, dan ook alleen in zoover
zij volstrekt noodzakelijk is. Immers de eenige reden,
welke zulk een dwang wettigt, is de noodzakelijkheid ;
1) Men vergelijke de belangwekkende digressie van Mr. S. Vissering
in zijn ,Handboek van practische Staathuishoudkunde" (II. n. 721), waar
de Leidsche Hoogleeraar meer bepaaldelijk uit staatluüshoudkundig oog-
punt de conscriptie bestrijdt, en tal van argumenten, die ook tot aanbe-
veling van persoonlijke dienstvervulling worden aangevoerd, op zakelijke
wijze beantwoordt. Ofschoon ook wij de afschaffing van gedwongen krijgs-
dienst het ideaal van een gezonden Staat noemen, zijn wij echter van
meening, dat dit ideaal niet zoo spoedig kan worden bereikt. Hoe er naar
te streven, zullen wij in onze proeve van legerorganisatie verder ont-
wikkelen.
-ocr page 22-
12
waar deze reden dus ophoudt, is ook de grens der be-
voegdheid van den Staat. Overschrijdt hij deze grens
der volstrekte noodzakelijkheid, dan is hij schuldig aan
rechtsverkrachting ten opzichte zijner onderdanen.
Een ieder zal bijv. volgaarne toegeven, dat, indien
de Staat voor \'slands verdediging slechts 100,000 man
noodig heeft, hij er geen 2 of 300,000 mag eisenen.
Doet hij dit toch, dwingt hij zonder uiterste noodzake-
lijkheid tot algemeenen dienstplicht, dan handelt hij
onrechtvaardig en despotiek. Het gepleegde onrecht
is veel grooter, dan indien hij zonder noodzakelijkheid
de belastingen der burgers drie- of viermaal zou ver-
dubbelen en deze gelden noodeloos verkwisten; want
nog eens, \'t is hier een inbreuk maken op de heiligste
rechten van den mensen, op de hem allerdierbaarste
vrijheid.
Om dezelfde reden nu mag ook de Staat, alleen in
geval van uiterste noodzakelijkheid, den burgers de vrijheid
der dienstvervanging ontnemen. Maar, deze strikte nood-
zakelijkheid bestaat voor Nederland niet. Bus is afschaf-
fing van dienstvervanging in ons vaderland ongeoor-
loofd, eene machtsover schrijding van den Staat, eene on-
rechtvaardige beperking der individueele vrijheid.
Tot verdere toelichting en betoog der premissen zul-
len wij achtereenvolgens aantoonen:
I dat het recht der dienstvervanging eene groote, zeer
gewaardeerde vrijheid is;
— II dat de Staat deze vrijheid
mag toestaan; —
III dat de Staat het gebruik dezer vryj-
heid moet toestaan.
I. De dienstvervanging in het leger is een groote, door
de burgers zeer gewaardeerde vrijheid.
Hieraan, dunkt
ons, zal bij geen onzer lezers de minste twijfel bestaan,
als wij opmerken, dat jaarlijks 2000 a 2500 lote-
lingen \') van deze vrijheid gebruik maken, niet zel-
1) In 1886 namen van de nagenoeg 11,000 dienstplichtigen 2875 een
-ocr page 23-
18
den ten koste der grootste offers. Immers, het is eene
geheel onjuiste voorstelling, wanneer men beweert, dat
deze vrijheid alleen den rijken en gefortuneerden ten
goede komt. Neen; uit zekere statistieken blijkt, dat
verreweg het grootste gedeelte dezer geremplaceerden
tot den middelstand, velen zelfs tot de gewone volks-
klasse of den zoogenaamden vierden stand behooren2).
Ja zelfs de armen en nietsbezittenden zijn nog meer-
malen in de gelegenheid van deze vrijheid te profiteeren,
zoowel van de nummerverwisseling, wanneer de ééne
broeder bijv. in plaats van den anderen optreedt, als
van de gewone dienstvervanging door de liefdadigheid
van meer gegoeden.
Insgelijks is het eene geheel verkeerde voorstelling,
plaatsvervanger of nummerverwisselaar. Van 1878 tot 87 bedroeg hun
getal ongeveer 21 pet., dus gemiddeld ruim 2300 per jaar.
2) In Februari jl. gaf de „Tilburgsche Courant" de volgende statistiek
van de verschillende beroepen der jongelieden, die gedurende 10 achter-
eenvolgende jaren in een der grootste gemeenten des rijks een plaats*
vervanger of nummerverwisselaar hadden gesteld: landbouwer 65, —
wever 29, — fabrikant 22, — bakker 17, — klerk 14, — smid 12, — zon-
der beroep 11, — timmerman 10, — fabriekwerker 10, — koopman 8,—
kleermaker 8, — student 7, — huisschilder 6, — molenaar 4, — leer-
looier 4, — geestelijke broeder 4, — rijknecht 3, — reiziger 3, — win-
kelbediende 3, — sigarenmakor 3, — winkelier 2, — kassier 2, — onder-
wijzer 2, — slachter 2, — letterzetter 2, — tabakskerver 2, — schoen-
maker 1, — verver 1, — barbier 1, — metselaar 1. Totaal 229. — Men
ziet hieruit, dat de groote meerderheid der geremplaceerden tot den
gewonen middelstand behoort, en wel voornamelijk tot den ambachts-
stand en den landbouwersstand. (Wat deze landbouwers aangaat, wete
men dat de aangegeven gemeente in eene heistreek ligt). Van de overigen
mogen wij veilig een even groot aantal tot de mindere volksklasse: we-
vers, fabriekwerkers, rijknechten, sigarenmakers enz. rekenen, als tot de
rijkere standen.
Hoevelen uit de mindergegoede standen zich laten remplaceeren. blijkt
insgelijks uit statistieken omtrent België. De heer Frère-Orban, die her»
haaldelijk premier is geweest van een liberaal ministerie, sprak in Mei
1873 in dezer voege in de Belgische Kamer: „Hoeveel burgers laten zich
„vervangen ? 3000 van de 12,000 en van deze 3000 zijn 78 pet. dagblad-
schrijvers, bedienden, arbeiders, werklieden van allerlei soort. 78 pet.! ...
„Daarvan betaalden meer dan 62 pet. in het geheel geen directe belas-
„ting of betaalden aan belasting minder dan 40 francs.....Dat zijn dan
„de rijken, voor wie men zegt, dat wy in de bres spiüngen, wanneer wij
„de plaatsvervanging verdedigen."
-ocr page 24-
14
wanneer men zou meenen, dat deze vrijheid alleen aan
die ruim 2300 jongelingen ten goede ton komen, welke thans
een plaatsvervanger stellen. Bovengenoemde statistieken
bewijzen eveneens, dat ook anderen uit diezelfde min-
dere klassen van dit recht gebruik kunnen maken, indien
zij slechts willen. Zeer velen van de 8 a 900 jongelingen,
die thans voor hun nummer optreden, zouden zich kun-
nen laten vervangen, doch verkiezen het niet; öf wel
omdat de uitoefening van dit recht hun geen 5 a 600
gulden waard is, öf wel omdat zij niet, gelijk zoovele
anderen van hun stand, eenigen tijd te voren hebben
willen sparen en de benoodigde som op hunne verte-
ringen hebben willen bezuinigen. Indien men nu, vol-
gens eene matige berekening, het getal dezer catego-
rieën, welke zich nog zouden kunnen laten remplaceeren,
op \'/, of V4 schat, dan bevindt men, dat ongeveer de
helft der natie van de vrijheid der plaatsvervanging öf
gebruik maakt, öf althans door flnancieele omstandig-
heden niet belet wordt er gebruik van te maken \'). En
wat de andere helft aangaat, ook voor dezen blijft de
1) Dat wij in onze berekening niet overdrijven, zal, gelooven wij, een
ieder moeten toegeven, die bedenkt, dat er duizenden lotelingen uit de
volksklasse zijn (fabriekarbeiders, ambachtslieden, enz.), die dagelijks 1 61.
tot 1,60 Gl. verdienen. Rekent men nu 50 a 60 cent daags voor kost,
kleeding en woning, dan zal zulk een loteling in 2, 3 of i jaar de voor
een plaatsvervanger benoodigde som hebben uitgespaard. Het financieel
verlies van dezen loteling zal niet zooveel grooter zijn, als dat van een
anderen, die geen gebruik wil maken van de dienstvervanging, doch
daardoor zijn arbeidsloon gedurende de 12 of 15 maanden actieven dienst
en de herhalingsoefeningen der volgende jaren zal moeten missen. Zoo
verklaart men ook het door de statistieken bewezen feit, dat de meeste
geremplaceerden niet tot de hoogere, maar tot de middelbare of zelfs
mindere standen behooren. \'t Is waar, dezen moeten zich hiervoor ineer
offers getroosten dan genen; maar nog eens, het feit, dat zoovele hon-
derden van den vierden stand zich op deze wijze laten remplaceeren,
bewijst meer dan genoeg, dat nog zeer vele anderen van deze vrijheid
gebruik zouden kunnen maken, indien zij door eenige jaren van spaar-
zaamheid en oppassendheid deze gelden wilden bezuinigen. Geheel onjuist
is dus do voorstelling der militaristen, dat de vrijheid der plaatsvervan-
ging slechts eene vrijheid is voor de 21 ten honderd, die tot de rijken
behooren, voor de overige 79 pet. armen een dwang.
-ocr page 25-
15
plaatsvervanging eene groote vrijheid; want al zijn zij
ook voor het oogenblik niet in staat er van te profitee-
ren, voor vele oppassende huisvaders blijft toch nog de
hoop bestaan, door noeste vlijt en spaarzaamheid den
geldelijken toestand hunner familie dusdanig te verbe-
teren, dat later hunne jongere zoons deze vrijheid nog
ten goede kan komen, welke hoop door persoonlijken
dienstplicht voor altijd en voor allen onverbiddelijk wordt
afgesneden.
Overigens dat feitelijk zeer velen van de plaatsver-
vanging geen gebruik kunnen maken, neemt niet weg,
dat het eene vrijheid is voor alle burgers, voor geheel
het volk. Voor armen en mingegoeden is deze vrijheid
niet ongelijk aan de vrijheid der fabriekarbeiders, van
elders een andere betrekking of kostwinning te zoeken.
Wijl dezen meestal geen ander beroep kennen of op eene
andere fabriek niet worden toegelaten, zijn zij gedwon-
gen op dezelfde fabriek tegen een door den werkgever
te bepalen loon te arbeiden. Ook hier is dus in zekeren
zin dwang tot persoonlijken dienst, niet tengevolge van
een besluit van den fabrikant, die een ieder de vrijheid
laat om heen te gaan, maar tengevolge van de flnan-
cieele omstandigheden, die den arbeider noodzaken tus-
schen broodsgebrek en gedwongen persoonlijken arbeid
op deze fabriek het laatste te kiezen. Zoo dwingen ook
alleen financieele omstandigheden, niet de Staat, den
mingegoede tusschen dienstvervanging en persoonlijken
krijgsdienst het laatste te kiezen.
Het blijft dus bewezen, dat het recht der plaatsver-
vanging in zich zelf eene groote vrijheid is, welke allen
zonder onderscheid van stand wordt toegestaan, welke
door zeer velen hoog wordt gewaardeerd, aan alle klas-
sen der maatschappij, en niet het minst aan de mindere
klassen, als zijnde de talrijkste, ten goede komen kan
en feitelijk ten goede komt. — Na deze punten te heb-
ben vooropgesteld, gaan we over tot het bewijs onzer
tweede stelling, welke aldus luidt:
-ocr page 26-
16
II. De Staat mag zijnen burgers de vrijheid der
plaatsvervanging toestaan.
Niet weinigen in den lande hebben principieel bezwaar
tegen deze thesis. Zij beweren, dat de verdediging des
Vaderlands door de wapenen een persoonlijke plicht is
van eiken burger, die niet door een ander mag worden
overgenomen, dat het verleenen van het voorrecht der
plaatsvervanging aan de meergegoeden eene onbillijk-
heid is ten opzichte der minvermogenden, die dan alleen
den allerdrukkendsten last van den krijgsdienst zouden
moeten torsen. Ook de meerderheid der Defensie-Com-
missie is dit gevoelen toegedaan.
Wij zullen dus trachten dit punt zoo duidelijk mogelijk
in het licht te stellen. Onze redeneering komt hierop
neer: de dienstvervanging in het leger is niet onzedelijk
of onrechtvaardig, noch in zich zelve of per se, noch om
de omstandigheid
dat bij conscriptie met behoud dei-
plaatsvervanging den burgers een ongelijke last wordt
opgelegd. Dus mag de Staat de vrije uitoefening van dit
recht toestaan.
1°. Dat het princiep van dienstvervanging in het leger
op zich zelf beschouwd niet onzedelijk is, dat bijgevolg
de verdediging des vaderlands door de wapenen uiter-
aard
niet een persoonlijke plicht is van eiken burger,
kan onzes inziens aan geen redelijken twijfel onderhevig
zijn. — Immers de vrijwillige dienst in het leger is ui-
teraard of in het wezen der zaak niet verschillend van
de andere diensten, die in staat en maatschappij door
andere personen vrijwillig tegen een geëvenredigd loon
worden overgenomen. Zoo volbrengt de dienstbode de
diensten of den arbeid, die anders de heer of mevrouw
des huizes zou moeten verrichten; zoo de onderwijzer de
diensten der ouders in zake de opvoeding der kinderen,
zoo de werkman den arbeid van zijn patroon, de nacht-
wacht, de dijkwerker, de brandweer, de politiebeambte,
-ocr page 27-
17
enz., de diensten, die anders onder de ingezetenen eener
gemeente zouden moeten verdeeld worden. In al deze
gevallen heeft men dienstvervanging in den eigenlijken
zin des woords. Niemand nu zal in genoemde gevallen
dit beginsel als onzedelijk of onrechtvaardig wraken; en
te recht. Want de dienst wordt niet gedwongen maar
geheel vrijwillig tegen een goed loon overgenomen, de
arbeid volgens eigen keuze tegen een vrij bedongen prijs
in eens anders plaats verricht. Deze dienst, deze arbeid
staat hier gelijk met eene koopwaar, die volgens de
economische wet van vraag en aanbod, zonder eenigen
onzedelijken dwang, gekocht en verkocht wordt \'). Alle
rechten en vrijheden van den mensch worden dus ge-
eerbiedigd.
Welnu, ditzelfde princiep is eveneens van toepassing
bij de dienstvervanging in het leger: geheel vrijwillig
wordt tegen een door vraag en aanbod bepaald loon de
dienst, welke anders persoonlijk zou moeten worden ver-
richt, door een plaatsvervanger overgenomen.
Men zegge niet, dat een plaatsvervanger in het leger
zijn vrijheid verkoopt; dit doet evengoed iemand, die
als vrijwilliger in het leger dienst neemt, gelijk ook een
dienstbode, een nachtwacht, een sjouwerman, enz., die
zich allen vrijwillig aan een ander onderwerpen.
Men werpe ook niet op, dat een remplatjant zijn leven
en zijn ziel verkoopt; dit doet wederom evengoed en in
denzelfden zin de vrijwilliger in het leger. Wij zeggen :
in denzelfden zin; want eigenlijk verkoopt noch de
remplagant, noch de vrijwilliger zijn leven. Alleen kan
men zeggen, dat zij in zekere mate de kans of het ge-
vaar van het leven te verliezen verkoopen, of juister
gesproken, tegen geld van een ander overnemen. Wel-
1) Vandaar (lat de ouden ook den dienst of arbeid noemden: materia
pretio restimabilis.
„Het loon," zegt Mr. S. Vissering, „als prijs van den
„arbeid, wordt beheerscht door dezelfde regelen als de prijs der goederen.
„De prijs is ook hier de uitdrukking van de waarde; de waarde wordt
„ook hier bepaald door vraag en aanbod." (1. c. I. n. 52).
2
-ocr page 28-
18
nu, in dezen zin verkoopen ook hun leven de matroos,
de pompier, de mijnwerker, de arbeider in hoogovens
of aan hooge gebouwen en honderden andere werklieden,
die zich ook voor geld aan een groot levensgevaar
blootstellen. Want de zeeman loopt niet alleen gevaar
in tijd van oorlog, maar ook in vrede, zoo dikwijls hij
te water is. Aan hoe vele gevaren mijnwerkers, spuit,
gasten, timmerlieden, metselaars, leidekkers en andere
ambachtslieden blootstaan, blijkt uit de nieuwsbladen,
die eiken dag tal van ongelukken weten te verhalen,
terwijl voor den soldaat, in ons vaderland althans, ge-
durende bijna zestig jaren de kansen van het leven te
verliezen niet zeer groot zijn geweest. Nog ernstiger zijn
de gevaren in de hoogovens en ijzergieterijen, waar de
arbeiders ten gevolge van hun moordend bedrijf, hun
leven met 20 a 80 jaren verkorten. Indien dus de Staat
niet mag toestaan, dat een remplagant in dien zin zijn
leven verkoope, indien hij iederen weerbaren burger
moet dwingen, persoonlijk dat gevaar te trotseeren, dan
volgt hieruit logisch, dat hij bijv. al zijne burgers moet
opleggen in persoon eenigen tijd de kanonnen te gaan
gieten voor \'s lands defensie benoodigd, of wel zich aan de
gevaren der buskruitfabrieken bloot te stellen, ten einde
de geweerpatronen te vervaardigen, die tot de verdedi-
ging van het gemeenschappelijk vaderland noodzakelijk
zijn, kortom, dat hij geheel het beginsel der verdee-
ling van den arbeid,
dien grondslag onzer beschaafde
maatschappij, moet omverwerpen, en eiken voor een
ander verrichten dienst, waaraan levensgevaar verbon-
den is, als onzedelijk verbieden.
Ten overvloede zij hier nogmaals aangemerkt, dat in-
dien de immoraliteit der dienstvervanging gegrond zou
zijn op dezen zoogenaamden zielverkoop of menschen-
handel, hieruit wederom deze onzinnige stelling zou
volgen, dat de Staat ook alle vrijwilligers zou moeten
afschaffen. Want vooreerst verkoopt een vrijwilliger
evengoed zijn leven en zijn ziel als een plaatsvervanger,
-ocr page 29-
19
wijl beiden zich voor geld aan dezelfde gevaren bloot-
stellen, èn wat het leven, èn wat de zedelijkheid aangaat.
Vervolgens zijn ook de vrijwilligers plaatsvervangers,
en dit in den eigenlijken zin des woords, wijl zij de plaats
der andere burgers in het leger vervangen. Immers te
allen tijde heeft op de gezamenlijke burgers de zware
plicht gerust den Staat en de maatschappij tegen bui-
tenlandsche vijanden te verdedigen ; niet echter in dien
zin, dat ieder burger gehouden was persoonlijk dien
plicht te vervullen. Neen, niet zoodra.was eene maat-
schappij tot zekeren trap van beschaving gekomen, of
vrijwilligers werden door het geld verlokt dien col-
lectieven plicht van de burgers over te nemen, hen dus
in de verdediging des vaderlands te remplaceeren. Zoo
was het in vroegere eeuwen, zoo is het ook thans nog.
Want de 12000 vrijwilligers (officieren, kader en min-
deren), welke thans in ons leger dienen, vervangen de
12000 burgers, welke, bij ontstentenis van dezen, tot
verplichten krijgsdienst zouden moeten worden aangewe-
zen. Men heeft hier dus plaatsvervangers volgens het
wezen der zaak en in den eigenlijken zin des woords;
want dat een remplaqant de plaats inneemt van een
bepaalden persoon, de vrijwilliger van een onbepaalden,
doet niets ter zake. Rechtens staan zij op dezelfde lijn,
en is er tusschen hen geen ander onderscheid, dan dat
gene onmiddellijk door den burger, deze middellijk door
den burger en onmiddellijk door den Staat, doch met het
geld der burgers wordt betaald. Dit kan echter van geen
invloed zijn op het al of niet moreele van het beginsel
der plaatsvervanging; beiden toch hebben op dezelfde
wijze voor geld hun vrijheid en hun leven veil, beiden
vervullen in plaats van andere burgers den zwaren
plicht van de verdediging des Vaderlands. Is dus het
stelsel der plaatsvervanging uiteraard immoreel en on-
rechtvaardig, dan ook dat van vrij willigen dienst; voor
de vierschaar der gezonde rede staan beide gelijk.
De verdediging van het vaderland door de wapens is
-ocr page 30-
20
dus niet een plicht, die buiten het geval der uiterste
noodzakelijkheid door een ieder persoonlijk moet worden
verricht; m. a. w. de dienstvervanging in het leger is
op zich zelve genomen of in den aard der zaak niet on-
geoorloofd en onzedelijk; dus mag de Staat zijnen bur-
gers de vrijheid der dienstvervanging toestaan. "Ware
de plaatsvervanging per se immoreel, waarom dan
ook niet immoreel genoemd onze grondwet, die met het
voorschrijven der vrijwilligers ook in beginsel de plaats-
vervanging huldigt? Waarom dan ook niet immoreel
genoemd de legerinrichting, gelijk die bestond in alle
beschaafde landen van Europa vóór de Fransche revolu-
tie ? Waarom dan vooral niet immoreel genoemd het
systeem van legervorming, waardoor wij ons in de 17de
eeuw tot zulk een toppunt van staatkundigen bloei heb-
ben weten te verheffen ? Want geen land heeft, — de
uitgestrektheid van zijn gebied in aanmerking genomen —
meer geld besteed om dien duren plicht af te koopen
en zijne burgers door vreemde huurtroepen te laten ver-
vangen, dan onze republiek. Waarom eindelijk niet im-
moreel genoemd het systeem, waarnaar thans nog Enge-
land zich zelf en ook wij nog onze koloniën verdedigen?
Wil men consequent zijn, dan noeme men ook dit alles
menschenhandel, ziel verkoop, bloedprijs of hoe men de
plaatsvervanging ook al bestempelen wil, en men zegge
dat wij door al die zoogenaamde immoraliteiten zulk een
groot en machtig volk geworden zijn.
Wij hebben ons omtrent dit punt eenige uitweiding
veroorloofd, om de onhoudbaarheid te doen inzien van
dit ad nanseam usque herhaald argument: de verdedi-
ging des vaderlands is de eerste plicht van eiken bur-
ger, die door een ieder persoonlijk moet worden ver-
vuld; dien plicht afkoopen is immoreel, is schandelijke
menschenhandel, enz. Wij kunnen in dergelijke argumen-
ten weinig meer zien, dan holle phrasen van alle bewijs
ontbloot, dan klinkende machtspreuken, geschikt om op
onnadenkenden eenigen indruk te maken. Wanneer men
-ocr page 31-
21
ze echter aan de wijsgeerige analyse van het gezond
verstand onderwerpt, dan zal ieder ontwikkeld lezer de
zinledigheid en banaliteit dezer spreuken inzien en er-
kennen. 1)
2°. Maar, zoo werpen de militaristen op, toegegeven,
dat de plaatsvervanging per se in haar wezen of uit den
aard der zaak, niet verwerpelijk is, men moet ze toch
als onzedelijk veroordeelen om de omstandigheid, dat, nu
de Staat eenmaal conscriptie of gedwongen krijgsdienst
heeft moeten opleggen, er bij behoud van plaatsvervan-
ging een ongelijke last ontstaat; de meergegoede toch kan
van deze vrijheid gebruik maken, terwijl de mingegoede
persoonlijk dit harde lot moet ondergaan. Voor de wet,
zoo redeneert men, zijn allen gelijk; de wet mag dus
geen onderscheid maken tusschen rijken en armen, wan-
neer er spraak is van zulk een drukkenden last als dienst-
plicht; hij moet dien allen gelijkelijk opleggen. Welnu,
door plaatsvervanging verleent de Staat een voorrecht,
1) Dat soms in de praktijk bij plaatsvervanging immoreele pressie is
geoefend, doet niets af tot de wettigheid van het beginsel in zich, even-
min als de woeker het vragen van een matigen interest ongeoorloofd maakt
Hier geldt de regel: tollatur abusus, maneal usus. Overigens behoort zulk
een pressie in onze dagen tot de uitzonderingen; en nooit is deze bij
plaatsvervanging zoo groot geweest, als bij het werven van vrijwilligers
voor den zeedienst en de koloniën.
Een militarist ergerde zich onlangs naar aanleiding van een bericht,
voorkomende in het „Dagblad" van 18 April \'89.
„In de Drentsche dorpen, zoo luidde liet, bestond in de laatste dagen
„eene levendige vraag naar remplacanten. De prijzen die voor eenige weken
„ƒ330 tot ƒ 350 bedroegen, zijn thans tot ƒ375 a ƒ 385 gestegen." Ziedaar nu,
zoo heette het, een duidelijk bewijs : remplacanten worden beschouwd als
koopwaar ; plaatsvervanging is dus een onzedelijke menschenhandel. — Met
een weinig kennis van de eerste beginselen der staathuishoudkunde had
men zich deze ergernis kunnen besparen. Immers \'t is een algemeen aan-
genomen princiep, dat de loonen voor diensten aan dezelfde economische
wet van vraag en aanbod onderworpen zijn, als de prijzen eener koopwaar.
Men kan eveneens zeggen, dat er veel of weinig vraag is naar dienstbo-
den, fabriekarbeiders, kantoorklerken, enz., dat dientengevolge hunne
prijzen rijzen of dalen. Verhoog het traktement onzer hooggeachte offi-
eieren met eenige honderden guldens, en geen twijfel of er zal meer
aanbod komen van officieren. Men zij toch niet kleingeestig en ergere
zich niet aan woorden!
-ocr page 32-
22
eene uitzondering ten bate van het kapitaal, hij ontheft
de meer geforfcuneerden van den krijgsdienst, waartoe
hij de minvermogenden dwingt. Aldus ook de meerder-
heid der Commissie: „Zonder twijfel is de krijgsdienst
„de zwaarste van alle lasten, die het vaderland op zijne
„zonen legt, en het gaat dus niet aan, alleen den minder
„welgestelde dien last te doen dragen en den meer be-
„middelde in de gelegenheid te stellen zich daarvan los
„te koopen." (bl. 21.)
Ook deze moeielijkheid willen we aan een nauwkeurig
onderzoek onderwerpen. We hopen den lezer te over-
tuigen, dat ook de omstandigheid der conscriptie de in
zich zelve geoorloofde plaatsvervanging niet immoreel
maakt, dat geheel deze redeneeiïng slechts berust op
het socialistisch beginsel van staatsalmacht en gelijkheid
van standen.
a)   Eerst zij echter nogmaals vooropgesteld, dat de
voorstelling: de Staat ontheft den rijke en dwingt den
arme, ten eenenmale onjuist is. De vrijheid der plaats
vervanging wordt door den Staat aan niemand onthou-
den, allen, zonder onderscheid van rang of stand, toege-
staan; vandaar dat ook alle klassen van deze vrijheid
gebruik maken, en nog duizenden anderen, ook der
lagere klassen, er van gebruik zouden kunnen maken,
indien zij zulks wilden. Wijl wij dit punt reeds ge-
noegzaam hebben ontwikkeld, blijve dit hier slechts in
\'t voorbijgaan aangestipt, om te doen zien, dat rijk en arm
in dit opzicht door de wet gelijkelijk worden behandeld.
b)  Dat nu de plaatsvervanging vooral de minder tal-
rijke, meer bezittende klasse ten goede komt, dat de
meergegoeden gemakkelijker van dit recht kunnen profi-
teeren, dat dus de rijken een voorrecht genieten boven
de armen \'), dat bijgevolg de last der conscriptie onge-
lijk drukt, wordt door ons gereedelijk toegegeven; maar
deze ongelijke druk, dit voorrecht vindt zijn oorsprong
1) Hier genomen voor degenen, die wegens hun geldelijken toestand
g^en plaatsvervanger kunnen koopen.
-ocr page 33-
28
niet in eene wetsbepaling van den Staat, doch spruit
voort uit de ongelijke verdeeling van de goederen der
fortuin, welke in elke geregelde maatschappij altijd zal
bestaan. Immers, de Staat voor zich legt een ieder, rijk
of arm, denzelfden last op: hij vordert van ieder, die
in de loting is gevallen, één soldaat. Dat nu de ééne
in persoon zijn dienst moet verrichten, de andere zich
kan laten vervangen, dat er dus ongelijke druk ontstaat,
is geheel onafhankelijk van den Staat, die zich van allen
positieven invloed onthoudt, het is een natuurlijk gevolg
van de ongelijkheid der standen.
De Staat, zegt men, mag geen voorrecht scheppen
voor den rijke, dus geen plaatsvervanging toestaan.
Wij antwoorden: de Staat geeft ook geen voorrecht aan
den rijke boven den arme. Gelijk hij niemand dwingt
eens anders plaats in het leger in te nemen, zoo ontzegt
hij ook aan niemand het recht zich te doen vervangen.
Hij houdt zich neutraal en passief, wijl het buiten de
sfeer ligt zijner macht en tot het rechtsgebied behoort
van elk individu. Alleen wanneer hij in plaats van den
rijke, dien hij om zijn kapitaal zou ontslaan, den arme
tot den krijgsdienst zou dwingen, zou er sprake zijn
van onbillijke bevoorrechting. Nu er echter zulk een
dwang niet bestaat, maar de mindergegoede, geheel
buiten den Staat om, uit vrije keuze tegen een billijk
loon den krijgsdienst van den meergegoede overneemt,
is er geen schijn van privilege, den rijke boven den
arme geschonken. Men zegge minstens eveneens, dat de
Staat den arme het voorrecht geeft een goede som te
verdienen.
„Het gaat niet aan," zegt de meerderheid der Com-
missie, „alleen den minder veelgestelde dien last te doen
dragen en den meer bemiddelde in de gelegenheid te stellen
zich daarvan los te koopen."
Met uw welnemen, mijne
Heeren; de staat doet dien last ook niet den minder
welgestelde dragen;
deze doet zich zelven dien last
dragen. De Staat verplicht niemand eens anders plaats
-ocr page 34-
24
in te nemen. De mingegoede plaatsvervanger legt zich
zelven dien last op; geheel vrijwillig en met veel ge-
noegen neemt hij dien van den rijkere over, omdat hij
daarin eene goede winst ziet. Zeer juist werd dan ook
door de minderheid geantwoord, „dat door de dienst-
„vervanging geen enkel man tot militairen dienst ver-
„plicht wordt, die door de invoering van den persoon-
dijken dienstplicht hiervan vrijgesteld zou worden.
„Dikwijls wordt de zaak voorgesteld, alsof de minder-
„gegoeden nu moeten dienen in de plaats of ter wille
„van de meergegoeden. Die voorstelling is volkomen
„onjuist. De plaatsvervangers treden geheel vrijwillig
„in dienst in de plaats van degenen, die zij vervangen,
„bepaaldelijk omdat zij er eigen voordeel in zien."
(bl. 132).
Ook is het niet de Staat, die den meer bemiddelde in
de gelegenheid stelt zich los te koopen;
maar zijn eigen
fortuin, zijn geldelijk vermogen stelt hem in de gelegen-
heid van deze vrijheid gebruik te maken. De Staat geeft
hem de gelegenheid slechts in zoover hij, zooals het zijn
plicht is, dit recht en deze vrijheid van het individu
door eene wet erkent en in bescherming neemt, gelijk
hij ook het recht van huwelijk, van eigendom, van
dienstboden te nemen, en honderd andere rechten van
den mensch waarborgt en beschermt.
De meergegoede ontvangt dus dit voorrecht, deze
plaatsvervanging niet van den Staat, maar van zijn
geboorte, zijn fortuin, zijn stand, of liever van de natuur
of haar Schepper, die de maatschappij zóó heeft geor-
dend, dat er altijd bezitters en niet-bezitters zullen zijn,
waarvan de eersten meer zullen kunnen genieten, de
tweeden meer zullen moeten derven. Aan deze ongelijk-
heid van stand mag en kan de Staat niets veranderen,
zonder in de dwaze theorieën van het socialisme te
vervallen en geheel de maatschappelijke orde omver te
werpen. Hij beginne bijv. dan maar eerst met de lste
en 2de klasse op de staatsspoorwegen af te schaffen
-ocr page 35-
2b
onder voorwendsel, dat hij de rijken niet mag bevoor-
rechten.
De Staat, zegt men wederom, mag de bezittende klassen
niet uitzonderen van het vervullen van den zwaren
plicht, hen niet ontheffen van dezen allerdrukkendsten
last. Ons antwoord luidt andermaal: de Staat zondert
niemand uit, ontheft of ontslaat niemand; hij vordert
van iederen dienstplichtige hetzelfde contingent. Ieder
burger heeft echter van natuur het recht zich door een
ander te doen vervangen, m. a. w. zich zelven te ont-
slaan, te ontheffen en uit te zonderen, op voorwaarde
dat hij een ander in zijn plaats stelle, om dienzelfden
dienst aan het vaderland te bewijzen. Want het recht
van plaatsvervanging ontleent zijn „raison cl\'êtrë\'1 niet
aan eene uitzonderingswet van den Staat; \'t is een
souverein recht van eiken mensch, waarop de Staat
volstrekt geen aanspraak kan doen gelden; \'t is een
aangeboren vrijheid van elk individu, geheel onafhan-
kelijk van het al of niet goedvinden van den Staat. Over
deze geheel onjuiste opvatting van vele overigens scherp-
zinnige mannen, dat namelijk de Staat de gever en bron
is van het recht van plaatsvervanging en dit gevolglijk
naar believen kan verleenen of intrekken, moeten wij,
als op een punt van het grootste gewicht, in III terug-
komen, waar wij zullen aantoonen, dat de Staat de vrije
uitoefening van dit recht moet toestaan.
c. Dat de omstandigheid der conscriptie en de ongelijke
last, welke bij behoud van plaatsvervanging daaruit
voortvloeit, geen reden is deze laatste als immoreel af
te schaffen, blijkt eveneens (a simili) uit andere lasten,
die de Staat of gemeente oplegt, doch waarbij in elke
beschaafde maatschappij dienstvervanging wordt toege-
staan. Men denke slechts aan de hand- en spandiensten,
die in vele gemeenten bestaan, aan den last van inkwar-
tiering, dien men kan uitbesteden, aan het rein houden
der straat voor zijne woning, aan de brandweer, gelijk
zij nog op verschillende plaatsen is georganiseerd, enz.
-ocr page 36-
M
Ook hier bestaat dwang tot het dragen van lasten.
Maar terwijl de rijkere deze diensten door een ander
kan laten verrichten, moet de mindere man in eigen
persoon deze lasten torsen. Ook hier is dus ongelijke
druk der opgelegde lasten; ook hier heeft de rijke een
voorrecht boven den arme, kan hij zich van het ver-
vullen van een plicht vrijkoopen; ook hier is dus uit-
zondering, ontheffing voor het kapitaal, enz. Wilden
dus onze geachte tegenstanders consequent blijven, dan
moesten ze ook beweren, dat in alle genoemde gevallen
dienstvervanging en loskooping onzedelijk is, dat dus
de heeren in persoon met paard en kar moesten gaan,
of spade en houweel hanteeren, dat ook onze mevrouwen
in persoon de straten moesten reinigen, en dergelijke
onzinnigheden meer; dan moesten zij ook alle geldboeten
afschaffen en den deftigen aristokraat even goed als den
man uit het lagere volk, die geen boete kan betalen,
voor eene kleine nalatigheid of overtreding van het
politiereglement tot de voor hem zoo vernederende ge-
vangenisstraf veroordeelen.
Wij weten het wel, men brengt hiertegen in, dat de
conscriptie zulk een buitengewoon drukkende last is, die
gepaard gaat met verlies van vrijheid, met gevaar van
leven, enz. Maar deze meerdere of mindere maat van druk
kan niet van invloed zijn op het al of niet zedelijke dei-
plaatsvervanging. De plaatsvervanging, gelijk we be-
wijzen zullen, vindt haar grond van wettigheid en ze-
delijkheid niet in eene goedgunstige concessie van den
Staat, maar in de individueele vrijheid van eiken mensen.
Hoe drukkend dus ook de last moge zijn, welken de Staat
mij moet opleggen, door geen enkele wet mag hij dit
mijn aangeboren op zichzelf allerwettigst recht beper-
ken, tenzij door de uitoefening van mijn recht, dat van
een derde geschonden worde, of de strikte noodzakelijk-
heid voor het algemeen welzijn deze beperking zou vor-
deren. Dat nu door plaatsvervanging het recht van den
derde niet wordt geschonden, is overduidelijk, wijl deze
-ocr page 37-
27
geheel vrijwillig tegen een goed loon mijn dienst over-
neemt; dat ook de afschaffing van mijn recht niet volstrekt
noodzakelijk is voor \'s lands onafhankelijkheid, zullen
wij verder betoogen.
Overigens, hoe zwaar deze last van dienstplicht weegt,
hij is geheel relatief. In de tegenwoordige tijdsomstandig-
heden neemt iemand zeer gaarne geheel dien last (l\'/ï
a 2 jaar actieven dienst met herhalingsoefeningen en
kansen van oorlog gedurende 5 jaar) tegen een vrij be-
dongen loon van i a 500 gulden over; wel een bewijs,
dat die last in onzen tijd althans niet zoo bijsonder
drukkend is. In oorlogstijd zal hij zwaarder zijn, maar
ook het loon zal naar evenredigheid rijzen.
d. Een ander bewijs voor onze stelling vinden we in
het feit der loting. Is plaatsvervanging onzedelijk, wijl
daaruit ongelijke druk voortvloeit, dan moet men ook
de loting als onrechtvaardig veroordeelen en terstond
algemeenen dienstplicht invoeren. Immers ook de loting
legt een zeer ongelijken last op: zij stelt den eenen vrij,
meermalen den rijke, dwingt onverbiddelijk den anderen,
dikwijls een arme, zonder eenige andere reden dan de
grilligheid van het lot. Ook hier is dus ongelijke ver-
deeling der lasten, evenals bij plaatsvervanging, wel niet
tusschen rijk en arm, maar tusschen den gelukkigen en
ongelukkigen loteling. Ook hier is dus dwang voor velen,
bevoorrechting en ontheffing voor anderen, terwijl voor
de wet toch allen gelijk zijn en dus dezelfde plichten
ten opzichte van het vaderland te vervullen hebben.
Beide stelsels veroorzaken dus ongelijken druk : wat bij
de loting de fortuin van het lot uitwerkt, doet bij de
plaatsvervanging de fortuin van het geld. Beide stelsels
zouden dus even onrechtvaardig, even verwerpelijk zijn.
De waarheid is echter, dat beide stelsels door den
Staat als even rechtvaardig moeten worden toegestaan,
wijl in beide gevallen de goede of slechte kansen en
de ongelijke druk der lasten geheel onafhankelijk zijn
van allen positieven invloed van den Staat, die zich
-ocr page 38-
28
streng onzijdig houdt. Gelijk bij de loting niet de Staat
onderscheid maakt tusschen twee personen, maar het
lot, de fortuin, het toeval, zoo maakt ook bij de plaats-
vervanging niet de Staat onderscheid tusschen meer of
minder vermogenden, maar de geboorte, de stand, de
natuur of de Schepper, die de ongelijke verdeeling der aard-
sche goederen toelaat en wil. Tengevolge nu van deze
ongelijkheid van stand kan de eene van het souvereine
recht van plaatsvervanging gebruik maken, de ander
niet.
e. Eindelijk meenen wij onzen lezers overtuigend te
kunnen bewijzen, dat dit hoofdargument: de Staat moet
de lasten gelijkmatig onder de burgers verdeelen, hier
geheel te onpus wordt aangevoerd.
Immers de grondreden en het doel dezer gelijkmatige
verdeeling is: willekeurige bevoorrechting van eenigen
te vermijden, waardoor anderen te zwaarder zouden wor-
den belast. Waar deze reden ontbreekt en, door de ver-
scherping van den druk voor eenigen, de last van anderen
niet wordt verlicht, daar heeft ook — dit zal den le-
zer duidelijk zijn — deze rechtsregel geen zin of reden
van bestaan, daar mag hij dus niet als argument wor-
den aangehaald. Welnu, in ons geval ontbreekt deze
grondreden, dit doel, het verminderen van den last aan
anderen op te leggen,
geheel en al. Immers, demingegoeden,
die zich thans de weelde van een plaatsvervanger niet
kunnen veroorloven, zouden bij persoonlijken dienstplicht
niet het minst in hunne lasten worden verlicht. In even
grooten getale zouden zij jaarlijks uit hun werkkring
worden weggerukt en tot het kazerneleven gedwongen.
De conscriptie met hare naweeën zou in al hare zwaarte
op de mindere volksklassen blijven drukken.
Misschien zal iemand zeggen, dat het voor den min-
deren man eene verlichting is, een jongen heer uit den
beschaafden stand naast zich in het gelid te zien staan.
Dit moge eene lage, kortstondige voldoening zijn voor
het hart van een Socialist, voor den rechtschapen, on-
-ocr page 39-
29
bedorven jongeling uit het volk is het een zeer schrale
troost. Integendeel, de tegenwoordigheid van jongelieden,
die in ontwikkeling ver boven hem staan en dikwijls
met hooghartigheid op hem neerzien, zal hem zeer hin-
derlijk zijn. hem pijnlijk aandoen en eer gevoelens van
ontevredenheid met zijn lot in hem opwekken. Naast
iemand van zijn stand gevoelt hij zich het best op zijn
plaats, het meest tevreden gestemd.
Doch er is meer. Niet alleen worden de minder ge-
fortuneerden door persoonlijken dienstplicht niet gebaat,
zij worden zelfs merkelijk in hunne belangen geschaad :
de last der conscriptie wordt ook verzwaard voor hen,
tot wier verlichting men plaatsvervanging wil afschaffen.
Wij willen nu nog niet spreken van de belangrijke som
van ongeveer één millioen gulden, die door de plaats-
vervanging jaarlijks den minderen standen ten bate
komt; ook zullen wij niet andermaal gewagen van de
honderden uit de volksklassen, die jaarlijks van deze
vrijheid proflteeren; slechts willen wij aantoonen, hoe
bij invoering van persoonlijken dienstplicht de militaire
verplichtingen ook voor de mindergegoeden aanmerke-
lijk worden verzwaard. Op duidelijke wijze is dit ont-
wikkeld in de Nota van de minderheid der Staats-
commissie.
„Ten eerste zal, indien in de toekomst jaarlijks onge-
„veer 750 dienstplichtigen tot kader moeten worden
„opgeleid, het jaarlijks te lichten contingent zoo groot
„genomen behooren te worden, dat daaruit niet alleen
„het vereischte aantal soldaten, maar bovendien ook
„het benoodigde dienstplichtig kader kan worden ver-
kregen.
„Tot het verkrijgen van de verlangde legersterkte aan
„soldaten zal het bijgevolg noodig zijn jaarlijks ongeveer
„750 man meer te lichten dan indien tot het samenstel-
„len des kaders in hoofdzaak op vrijwillig dienenden
„werd gerekend, en in die verhooging van het contin-
„gent met ongeveer 750 man zal verreweg het grootste
-ocr page 40-
au
„aandeel door het mindergegoede gedeelte der bevol-
„king worden geleverd.
„Ten tweede zal in het vervolg de eerste oefenings-
„tijd, gedurende welken de dienstplichtigen in werkelijken
„dienst en onder de wapenen moeten blijven, voor de
„bereden wapens l\'/a jaar bedragen.
„Bij het behoud der dienstvervanging zouden, evenals
„tot nu toe, plaatsvervangers hierbij hoofdzakelijk kun-
„nen worden ingedeeld, terwijl bij de invoering van den
„persoonlijken dienstplicht voor den dienst bij die wapens
„uitsluitend dienstplichtigen aangewezen zullen moeten
„worden. Het grootste gedeelte dezer 828 jaarlijks hier-
„toe te bestemmen dienstplichtigen, die vermoedelijk groo-
„tendeels tot de mindergegoeden zullen behooren, zal
„bijgevolg Va Jaai\' langer onder de wapenen moeten
„blijven, dan indien de plaatsvervanging was behouden.
„Ten derde zal de helft der dienstplichtigen bij de In-
„fanterie en Vestingartillerie gedurende de drie winter-
„maanden November, December en Januari met groot
„verlof worden gezonden,\' om van Februari tot Mei, nadat
„de andere helft der lichting met groot verlof zal zijn
„vertrokken, weder onder de wapenen te komen, ten
„ware die dienstplichtigen mochten verkiezen 15 maan-
„den in de plaats van 12 maanden in werkelijken dienst
„te blijven.
                        s
„Duidelijk is het, dat deze maatregel vooral op de
„mindergegoede dienstplichtigen zal drukken. Aan hen
„wordt geene andere keuze gelaten, dan 15 maanden in
„plaats van één jaar werkelijken dienst, of wel in den
„winterop een tijdstip, waarop in den regel het gebrek
„aan werk het grootst is, gedurende drie maanden met
„verlof in hunne gezinnen te moeten doorbrengen, op
„voorwaarde later van Februari tot Mei, dat is op een
„gunstig tijdstip voor den arbeider tot het erlangen van
„werk, weder onder de wapenen te blijven.
„Bij de aanwezigheid der plaatsvervangers in het leger
„zou de toepassing van soortgelijken maatregel onge-
-ocr page 41-
81
„twijfeld minder drukkend voor de dienstplichtigen kun-
„nen worden gemaakt.
„Ten vierde zal, door de afschaffing der dienstvervan-
„ging, de dienst zelf zwaarder voor de dienstplichtigen
„worden. Aan de corvéediensten wordt tegenwoordig
„door al de plaatsvervangers buiten twijfel deelgenomen,
„terwijl uit den aard der zaak van die diensten zullen
„zijn vrijgesteld degenen, die tot kader moeten worden
„opgeleid en die voor een groot deel zullen behooren tot
„degenen, die zich thans doen vervangen.
„De ondergeteekenden hebben gemeend door deze voor-
„beelden duidelijk te moeten aantoonen de gegrondheid
„hunner bewering, dat de invoering van den persoonlij-
„ken dienstplicht in het leger, wel verre van verlichting
„van dienst aan te brengen voor degenen, die zich niet
„kunnen doen vervangen, wel degelijk eene aanmerkelijke
„verzwaring van den militairen dienstplicht voor alle
„dienstplichtigen, zoowel voor de meer als voor de min-
„dergegoeden, ten gevolge zal hebben."
Deze gewichtige redenen bewijzen, onzes inziens, over-
tuigend, dat alle ware volksvrienden tegenstanders moe-
ten zijn van persoonlijken dienstplicht, daar deze maat-
regel, onder voorwendsel van behartiging der volksbe-
langen en van gelijke verdeeling der lasten, ook voor de
armen en mingegoeden eene verscherping zou zijn van
het reeds zoo harde juk der conscriptie.
Maar er is nog meer. Juist door jongelingen van alle
standen tot de intrede van het leger te willen dwingen,
wordt een ongelijke last opgelegd, vermits geen rekening-
wordt gehouden met de verschillende draagkracht dei-
standen. De ontberingen, vermoeienissen, vernederingen,
de gedwongen onderwerping aan geringen van stand,
enz., zijn voor den meer deftigen jongen man onnoeme-
lijk veel zwaarder en drukkender dan voor een zoon
uit de volksklasse, die van kindsbeen af aan dit alles
gewoon is. Zeker, in de ure des gevaars, wanneer het
heil van vorst en vaderland dit vordert, zullen ook de
-ocr page 42-
32
meergegoede jongelieden met liefde en geestdrift al die
offers brengen. Dan zullen zij strijden, èn in het leger
door hun plaatsvervanger, die anders van den krijgs-
dienst in het leger zou zijn vrijgesteld, èn in persoon
bij reserve of landstorm, als aanvulling van het leger
of tot verdediging onzer liniën, tot welk doel zij dan nog
voldoende zullen geoefend kunnen worden, zooals wij ineen
ander Hoofdstuk zullen aantoonen. Onnoodig is het ech*
ter, dat deze meer beschaafde jongelieden in vredestijd
hun dienstplicht, die voor hen veel zwaarder is dan voor
hun plaatsvervanger, in persoon vervullen. l)
Men zegge nu niet: de Staat zal door uitzonderingen
en voorrechten dezen last der meergegoeden verlichten.
Want vooreerst zijn genoemde lasten: vermoeiende
exercitiën en marsenen, ontberingen in het kamp, ijzeren
discipline, vernederende onderwerping, en ruwe terecht\'
1) De heer Van Oordt, een militarist, geeft nog een ander bezwaar
aan, hetwelk voor den meergegoeden jongen man drukkender zal zijn dan
voor den mindergegoeden : „Er wordt beweerd, en niet geheel ten onrechte
„dat op de jongelieden uit den beschaafden stand de dienstplicht verre*
„weg het zwaarst drukt. Dezen toch hebben, wanneer zij den dienst*
„plichtigen leeftijd bereiken, gewoonlijk hunne studiSn nog niet voltooid,
„zoodat die studiön door den militairen dienst worden onderbroken. Nu
„zullen wij geenszins ontkennen, dat hieraan met het oog op do latere
„carrière van den dienstplichtige bezwaren verbonden zijn" De wijze
echter, waarop dit voor de betere standen grooter bezwaar der ireten-
schappelijke
opleiding uit den weg wordt geruimd, wil ons minder beval*
len. Onze geachte tegenstander zegt nam.: „de persoonlijke dienstplicht
„zal ten opzichte van de lichamelijke en zedelijke opvoeding, op onze be*
„schaafde jongelingen een zeer gunstigen invloed uitoefenen." (De per*
soonlijke dienstplicht, bl. 40—41). Omtrent de zedelijke opvoeding in ka-
zemen en garnizoensplaatsen laten wij het oordeel aan den lezer over.
Omtrent de lichamelijke opvoeding zouden we hior alleen willen vragen:
1" Wie geeft den Staat het recht, zich met de lichamelijke opvoeding der
burgers te belasten ? 2° Al had de Staat ook dit recht, zullen die ver-
moeiende exercitiën, die nacht* en velddiensten, die urenlange marsenen
bij tropische hitte of guur wintergetij met een last van 30 kilo aan ran*
sel, geweer, munitie, proviand enz., zullen deze niet bij menigen jongen
man uit den beschaafden stand, volstrekt niet (gelijk een officier of een
jongmensch uit de werkende klasse) aan zulken arbeid gewoon, de kiem
leggen van een vroegtijdigen dood ?
-ocr page 43-
33
wijzingen, van den krijgsdienst onafscheidelijk. Wie
hiervan overtuigd wil zijn, wone eene exercitie bij in
het naburige Duitschland; hij zal vol verontwaardiging
terugkeeren over de wijze, waarop jongelingen van allen
stand gedrild worden. Maar vervolgens, door aldus te
spreken geeft men reeds de onhoudbaarheid van het
argument toe: men verleent uitzonderingen en voorrechten
aan het kapitaal, uitzonderingen, die, wegens de nauwere
aanraking der standen in het leger, meer wrok en wrevel
bij de mindere klassen zullen aankweeken, dan het tegen-
woordige stelsel van plaatsvervanging.
Het hoofdargument der militaristen : gelijke verdeeling
der lasten, lijdt hier schipbreuk en wordt in onze quaestie
geheel te onpas aangehaald; persoonlijke dienstplicht, wel
verre van deze lasten gelijkmatig te verdeelen, zoueene
werkelijke verzwaring zijn voor armen en rijken, voor
alle klassen der maatschappij.
Na deze redeneeringen zullen, dunkt ons, deze twee
punten vaststaan : 1°. het beginsel der dienstvervanging in
het leger is per se en op zich zelf beschouwd niet onzedelijk,
dus is voorbereiding tot de verdediging des vaderlands
door dienst in het leger, buiten geval van noodzakelijk-
heid, niet een plicht, welken ieder burger in persoon moet
vervullen. 2°. Ook de omstandigheid der conscriptie maakt
deze dienstvervanging niet immoreel,
want de ongelijkheid
der lasten
spruit niet voort uit eene bevoorrechting van
den Staat, maar uit de ongelijkheid der fortuin, terwijl
door persoonlijken dienstplicht deze lasten veel druk-
kender zouden worden voor rijken en voor armen. Ons
besluit is derhalve, dat de Staat zijnen onderdanen de
vrijheid der plaatsvervanging, als eene geoorloofde han-
deling, mag toestaan.
Wij zouden thans veilig tot onze derde thesis kunnen
overgaan, moesten wij nog niet eerst eene moeielijkheid
oplossen, welke wel eens door militaristen wordt opge-
worpen. Artikel 180 onzer Grondwet luidt: „u4ZteNeder-
„landers, daartoe in staat, zijn verplicht mede te werken
3
-ocr page 44-
34
„tot handhaving der onafhankelijkheid van het rijk en
„tot verdediging van zijn grondgebied." Dus, zoo rede-
neert men, moet de tijdelijke wetgever tot persoonlijke
dienstvervulling dwingen.
Dat deze gevolgtrekking valsch en de uitlegging geheel
onjuist is, blijkt reeds genoegzaam ex absurdis. Hieruit
toch zou volgen, ln. dat men aanstonds algemeenen
dienstplicht moest invoeren, alle loting en vrijstelling
afschaffen, — de letter toch van het art. spreekt van
eene algemeene, niet van eene persoonlijke verplichting; —
2°. dat, daar dit artikel zich ook in de vorige grond-
wetten van het jaar 1814 tot 1887 bevond \'), alle tijdelijke
wetgevers tot nu toe ziende blind zijn geweest en er
deze uitlegging niet in hebben willen lezen; — 3°. dat,
wijl deze plicht gegrond is in het hart van alle vader-
landslievende burgers en als zoodanig in alle eeuwen
heeft bestaan, onze voorvaderen zich grovelijk tegen
dezen duren plicht hebben bezondigd, wanneer zij, meer
dan andere natiën, milliarden gouds hebben besteed, om
dien plicht op de schouders van vreemde huurlingen te
laden.
De ware verklaring van dit artikel is dus, dat alle
Nederlanders verplicht zijn, ieder op zijne wijze, mede te
werken tot de handhaving der onafhankelijkheid van het
Rijk. De rijke doet dit door zijn plaatsvervanger, die
anders van den dienst in het leger zou zijn vrijgesteld.
Hij doet dit ook in persoon in de ure des gevaars, wan-
neer eene algemeene wapening noodzakelijk zou zijn. In
die omstandigheden, waarin het heil des vaderlands op
het spel staat, moet ook de rijke, zelfs hij, die een plaats-
vervanger heeft, persoonlijk de wapenen dragen, zoodat
hij dan als \'t ware tweemaal dienst doet: in het leger
door zijn remplagant, bij reserve of landstorm in eigen
persoon. Op directe wijze, met de wapens in de hand,
1) Art. 177 van de Grondwet van 1848 luidde zelfs: „Het dragen der
wapenen" etc.
-ocr page 45-
35
moeten dus nagenoeg alle Nederlanders, daartoe in staat,
tot \'s lands verdediging medewerken. De overigen, die
ook in tijd van oorlog voor maatschappij of leger onmis-
baar zijn, zooals artsen, ingenieurs, ziekenverplegers,
burgemeesters, geestelijken, politie, enz., zullen op indi-
recte wijze hiertoe medewerken. Eindelijk moeten allen,
en vooral de rijken, nog op indirecte wijze medewerken
door hun geld, hetwelk reeds door de oude Grieken de
zenuw des oorlogs\') genoemd werd. Hoe waar deze uit-
drukking en hoe krachtig deze medewerking is, blijkt
wel uit het voorbeeld onzer voorvaderen.
Na de beantwoording dezer objectie mogen we vrij
onze derde thesis opstellen :
III. De Staat moet aan zijn burgers het vrije gebruik
der dienstver vang ing toestaan;
dat is: in ons vaderland,
waar algemeene dienstplicht niet noodzakelijk is, mag
de Staat zijnen burgers het recht der plaatsvervanging
niet ontnemen, zonder zich aan machtsoverschrijding en
despotisme schuldig te maken.
Tot staving dezer stelling moeten wij terugkeeren op
onze preliminaire beschouwingen omtrent de persoonlijke
vrijheid en de rechten van den mensch in betrekking tot
het staatsgezag. Wij zijn overtuigd, dat de grondbegin-
selen, daar ontwikkeld, noodzakelijk het behoud van
plaatsvervanging ten gevolge moeten hebben. De voor-
naamste zwarigheden der principieele voorstanders van
persoonlijken dienstplicht danken daaraan alleen hun
ontstaan, dat zij deze staatsrechtelijke principen uit het
oog verloren.
Onze geachte lezer, hij moge antirevolutionair, roomsch-
katholiek of weldenkend liberaal zijn, zal aannemen,
dat ieder mensch, als individu rechten en vrijheden
heeft, die onafhankelijk zijn van de gunst en inwilli-
ging van den Staat,
rechten, die slechts in geval der
1) Volgens deze spreekwoordelijke uitdrukking: NeVQCt \'j(qr\\os aQyvQog.
-ocr page 46-
86
uiterste noodzakelijkheid, wanneer het algemeen belang-
dit gebiedend vordert, door den Staat mogen worden
aangerand. Dit was de conclusie onzer voorafgaande
beschouwingen; en slechts een aanbidder van den abso-
luten, pantheïstischen staatsgod of een sociaal-demokraat
zal dit durven loochenen, door te beweren dat de Staat
de bron en oorsprong is van al deze rechten.
Welnu, zulk een van den staat onafhankelijk recht is
het recht der plaatsvervanging, en zulk eene uiterste nood-
zakelijkheid bestaat er niet voor ons vaderland. Dus moet,
wat Nederland aangaat, de Staat het vrije gebruik der
plaatsvervanging toestaan, en ligt het buiten zijne bevoegd-
heid hierop inbreuk te maken.
De conclusie dezer premissen zal onomstootbaar vast-
staan, indien wij de twee volgende punten zullen bewe-
zen hebben : 1°. het recht der plaatsvervanging is een
lederen mensch aangeboren, van den Staat onafliankelijk
recht; 2°. eene volstrekte noodzakelijkheid om op dit recht
inbreuk te maken bestaat in ons vaderland niet.
1°. Er is misschien geen reden, welke meer principieele
voorstanders van persoonlijken dienstplicht heeft gewon-
nen, dan deze, dat de Staat door plaatsvervanging aan
zijne onderdanen, hoofdzakelijk ten bate der meergegoe-
den, een recht, eene concessie of een privilege verleent,
hetwelk hij, gelijk elk ander voorrecht, naar eigen goed-
dunken kan intrekken of verlengen.
Tegen deze geheel onjuiste voorstelling moeten wij
met al de kracht die in ons is protesteeren. Neen; de
Staat verleent niet het recht van plaatsvervanging;
hij kan
het dus ook niet naar willekeur ontnemen: dit recht is
een individueel recht van den vrijen mensch.
Duidelijkshalve moeten wij hier twee noties onderschei-
den, welke in deze quaestie dikwijls verward worden, t.w.
recht en voorrecht. Het recht (jus, Ie droit) of de bevoegu-
heid van plaatsvervanging heeft ieder burger krachtens
zijne persoonlijke vrijheid. Het voorrecht (privilegium) van
dit recht gebruik te maken heeft slechts een gedeelte
-ocr page 47-
37
ten gevolge van de ongelijkheid der standen. De milita-
risten nu. leeren, dat de Staat dit voorrecht niet mag
toestaan, wijl dit eene onbillijke uitzondering zou zijn,
eene ontheffing, een soort vrijstelling, allen wel is waar
aangeboden, doch feitelijk alleen aan de bezittenden ver-
leend. Bij deze redeneering gaan zij echter noodzakelijk
van de onderstelling uit, dat het recht van plaatsver-
vanging zijn oorsprong en kracht ontleent aan den Staat;
want wie een voorrecht verleent moet eerst het recht
en de bevoegdheid hebben over deze zaak te beschikken.
Welnu, juist deze onderstelling, welk het hoofdbeginsel
is hunner dwaling, moeten wij ten eenenmale ontkennen ;
wij beweren namelijk, dat het recht van plaatsvervanging
geheel onafhankelijk is van den Staat, dat er dus ook
geen spraak kan zijn van het verleenen van een voor-
recht of privilege.
Het recht van plaatsvervanging ontleent zijn grond
van wettigheid aan het wezen zelf van den mensch,
aan zijne vrijheid, hem onmiddellijk door de natuur of door
zijn Schepper geschonken. Krachtens die vrijheid kan
hij een plaatsvervanger nemen voor het leger, gelijk hij
een dienstbode kan nemen voor het huisgezin, een op-
voeder voor zijne kinderen, een klerk of een sjouwer-
man voor zijne zaak, een arbeider voor hand- of span-
diensten, een derde om den last der inkwartiering over te
nemen, enz.
Het recht van dienstvervanging is dus algemeen en
onbeperkt, het strekt zich uit tot alle diensten en plich-
ten jegens staat of gemeente, in maatschappij of huis-
gezin te vervullen. Hiervan zijn slechts die plichten uit-
gezonderd, welke uit den aard der zaak slechts persoon-
lijk kunnen zijn, door een ander onmogelijk kunnen
worden waargenomen, zooals het afleggen van getuige*
nis voor den rechter, het verschijnen voor eene commis-
sie van enquête enz. Voor alle andere burgerlijke en
maatschappelijke diensten en plichten, die uitteraard
door een derde kunnen worden verricht, blijft de dienst-
-ocr page 48-
38
vervanging — dit zegt ons het gezond verstand — een-
heilig recht van het individu. Zelfs de ouders mogen
hun zwaarsten plicht, de opvoeding hunner kinderen,
aan anderen afstaan, mits deze slechts goed geschiede.
Zoo ook bij den plicht van de verdediging des vader-
lands. Mits ook deze plicht slechts goed en naar behoo-
ren wordt vervuld, moet de Staat tevreden zijn en zich
streng onzijdig houden. Omtrent de wijze waarop, hetzij
in persoon, hetzij door een ander, heeft hij geen gezag;
dat ligt buiten zijn rechtsgebied en gaat hem niet aan,
het behoort tot de sfeer van eens ieders persoonlijke
macht; \'t is een souverein recht van het individu, even-
als het recht van eigendom, een aangeboren vrijheid van
iederen mensch, waarin geen staatsbemoeiing veroor-
loofd is.
Van dit algemeen en absoluut recht des menschen
den dienst in het leger en den plicht van de verdediging
des vaderlands uit te zonderen, is eene willekeurige,
despotieke handeling van den Staat, eene onrechtvaardige
beperking der individueele vrijheid. Deze uitzondering
zou alleen geoorloofd zijn in het geval der uiterste nood-
zakelijkheid, welke voor ons vaderland niet bestaat.
Wel is waar bestaat er eene positieve militiewet, waarbij
de plaatsvervanging wordt toegestaan; maar deze wet
is niet de bron van dit recht, niet de grondreden, waarom
dit recht wettig is. Ook het recht van te huwen, van
eigendom te bezitten wordt door den Staat toegestaan
en erkend; toch zal geen verstandig wijsgeer beweren,
dat het recht van huwelijk of van eigendom zijn grond
van wettigheid ontleent aan den Staat. Deze verzekert
zijnen onderdanen slechts de vrije uitoefening van een
recht, hetwelk zij reeds als mensch bezitten. Zoo ook
bij de plaatsvervanging. Heeft dus de Staat dit recht
niet gegeven, dan kan hij ook — de uiterste nood-
zakelijkheid uitgesloten — dit recht niet ontnemen.
De houding van den Staat omtrent deze vrijheid
moet zijn gelijk die omtrent de andere rechten en vrij-
-ocr page 49-
39
heden van den mensch. Gelijk hij de vrijheid van gods-
dienst, van opvoeding, van huisgezin, van vereeniging,
van eigendom, en honderd andere vrijheden moet eerbie-
digen, zelfs geroepen is die te beschermen, zoo moet hij
zich ook gedragen ten opzichte van de vrijheid der
plaatsvervanging ; want weinig vrijheden zijn den mensch
zoo dierbaar als juist deze laatste. Onthouding dus van
allen belemmerenden invloed op de uitoefening van dit
recht, bescherming en handhaving dezer vrijheid is zijn
dure plicht. Neemt hij deze houding niet aan, dan grijpt
hij in op een recht, dat ieder mensch als onafhankelijk
souverein van de natuur heeft ontvangen. \')
2°. In onze redeneering hebben wij steeds toegegeven,
dat de Staat alleen in geval van volstrekte noodza-
kelijkheid op de vrijheid der plaatsvervanging inbreuk
mag maken. Wanneer namelijk de onafhankelijkheid
van het vaderland dit gebiedend vordert, moeten alle
persoonlijke rechten en vrijheden voor een tijdlang
wijken ; want deze rechten en vrijheden van het individu
blijven slechts gewaarborgd door de vrije zelfstandigheid
van geheel het vaderland. De vraag is dus alleen, of
zulk een volstrekte, gebiedende noodzakelijkheid zich in
ons vaderland voordoet.
Hierop antwoorden wij beslist: Neen! Deze volstrekte
noodzakelijkheid bestaat in Nederland niet; zij kan al-
leen bestaan in een land, xcaar aigemeene dienstplicht
noodzakelijk is.
Daar nu, ook volgens het getuigenis van de
meerderheid der Defensie-commissie, aigemeene dienst-
plicht in ons land niet wenschelijk is, volgt hieruit, dat
1) Minder juist is het zelfs de plaatsvervanging eene uitzondering, eene
verzachting der conscriptie te noemen, daar deze woorden aanleiding ge-
ven tot de verkeerde opvatting, als zou deze verzachting of verlichting
van het juk der conscriptie eene bloote concessie zijn van den Staat.De
vrijheid der plaatsvervanging toch is eene geheel op zich zelf staande
vrijheid, welke in het wezen der zaak volstrekt niet in verband staat
met conscriptie of legerorganisatie, maar onmiddellijk uit de waardigheid
van den vrijen mensch voortvloeit, uit zich zelve dus algemeen is en
door geene enkele aardsche macht mag worden beperkt.
-ocr page 50-
40
ook persoonlijke dienstplicht niet volstrekt noodzake-
lijk is.
Het moge noodzakelijk zjjn het getal onzer levende
strijdkrachten te verhoogen, den diensttijd te verlengen,
de soldaten beter en langer te oefenen; dit willen wij
thans niet betwisten. Zoolang er echter nog loting be-
staat, zoolang er nog om broederdienst of andere rede-
nen vrijstellingen zijn van krachtige jongelieden, in staat
om krijgsdienst te doen, zoolang er in één woord zich
nog geschikte plaatsvervangers en nummerverwisselaars
kunnen aanbieden: zóó lang ook — dit zal iedereen
met ons erkennen — is persoonlijke dienstvervulling niet
volstrekt en dringend noodzakelijk; zóó lang dus ook is
de Staat streng verplicht de vrijheid der dienstvervanging,
als een souverein recht zijner burgers, te eerbiedigen en
onaangetast te laten.
In het vijfde Hoofdstuk, waar wij de quaestie uit krijgs-
kundig oogpunt beschouwen, zullen wij dit punt der
noodzakelijkheid wederom te berde brengen. Genoeg zij
het hier aan te stippen, dat de quaestie gesteld gelijk zij
gesteld moet worden, geen enkel gezaghebbend militair
deze volstrekte noodzakelijkheid van persoonlijken dienst-
plicht voor \'s lands defensie zal aannemen. De redenen,
van militaire zijde aangevoerd, zouden hoogstens het
minder of meer belang, het nut of de dienstigheid van per-
soonlijken dienstplicht bewijzen; schoon ook dit belang,
deze wenschelijkheid door vele andere militairen van
gezag wordt ontkend. Ook al de andere gronden, door
de meerderheid der Defensie-commissie aangehaald, —
uitgezonderd die der billijkheid, waarop reeds geantwoord
is — zouden niets meer aantoonen, dan dat de Staat of het
leger er belang bij heeft, de dienstvervanging te zien
afgeschaft. Maar al zou dit belang of voordeel ook
al bewezen zijn — in de volgende hoofdstukken zullen
wij het tegenovergestelde aantoonen —, dan zou de Staat
nog niet gerechtigd zijn zijne burgers de vrijheid der
plaatsvervanging te ontnemen. Immers — en hierop
-ocr page 51-
41
wenschen wij ten slotte onze lezers als op een punt
van het hoogste gewicht nogmaals opmerkzaam te ma-
ken — niet het belang van den Staat is de maatstaf
zijner bevoegdheid, wanneer hij in botsing komt met de
individueele vrijheid. Neen ; alleen de volstrekte behoefte
van den Staat, de noodzakelijkheid, geeft hem het recht,
zijne burgers van de zoo kostbare vrijheid der plaats-
vervanging te berooven, hun zulk een juk, als persoon-
lijke dienstplicht is, op te leggen. \')
1) Men herinnere zich hier onze preliminaire staatsrechtelijke be-
schouwingen. Tot bekrachtiging van dit gewichtig beginsel, dat
slechts de noodzakelijkheid den Staat het recht geeft in de persoonlijke
vrijheid in te grijpen, zij het ons geoorloofd nog oenige gezaghebbende
schrijvers van uiteenloopende richting aan te halen. BluntsMi zegt: „Ein
„Staatszwang, welcher das Individuum ohne Noth aus seinem Studiën
„und aus seinen Berufs- und bürgerlichen Verhiütnissen hinaus reiszt,
„erscheint denn von da aus als ein Eingriff in die individuello Freiheit,
„welcher durch das Bediirfnisz des Staates netten hinreichend gerechtfertigt
„wird" (Allgemeines Staatsrecht,
VII, 7, 3). — En Mr. S. Vissering: „De
„persoonlijke diensten, die thans door den Staat in het algemeen belang
„van den burger gevorderd worden, hebben haren grond in eene volstrekte
„behoefte
of althans in de overweging, dat de Staat op andere nijze buiten
„machte
zoude zijn zijne verplichtingen te vervullen." (Handboek van prak-
tische Staathuishoudkunde,
II, n. 717.) — Mr. A. F. de Savornin Lohman:
„De behoefte (van den Staat) aan zelfbehoud eischt zelfverdediging, maar
„dan ook gemeenschappelijke handeling; daarom mag de weerbarstige
„gedwongen worden het zijne bij te dragen in de gemeene last. Maar het
„regt om te dwingen strekt zich niet verder uit, dan de behoefte die den
„dwang regtvaardigt" {Gezag en vrijheid,
bl. 70). — Taparelli: „C\'estdonc
„la seule necessitê qui justifie 1\'autorité, quand elle oblige de force au
„service militaire; par conséquent Ie gouvernement doit faire tous ses
„efforts pour échapper il cette nécessité; car si la nécessité existait seule-
„ment parce qu\'on n\'emploie pas les moyens qui pourraient la faire dispa*
„raitre, cette nécessité ne serait plus nécessaire" (Droit naturel,
n. 1223).
Eindelijk ook de leden der Defensie-commissie erkennen dit princiepi
wanneer zij verklaren, dat nog andere dan militaire belangen in het oog
moeten worden gehouden „ten einde op de Natie geen grooteren druk
„te leggen dan volstrekt noodzakelijk is" (bl. 2). Zegt de Commissie dit
reeds van de lasten in het algemeen, hoeveel te meer geldt dit niet voor
persoonlijke lasten ? Dit juiste standpunt handhaaft dan ook de min-
derheid der Commissie, wanneer zij zich tegen de afschaffing der dienst-
vervanging verklaart: „Aangezien dienst in liet leger de meest druk-
„kende last is, die op de bevolking in vredestijd kan worden gelegd,
„mag, naar hunne meening, die verplichting maar alleen dan worden
„opgelegd, indien er geen ander middel te vinden is om\' haar tot de taak
-ocr page 52-
42
Waar zou het heen, indien men het beginsel huldigde,
dat het staatsbelang de grens is der staatsmacht ten
opzichte der individueele vrijheid ! Tot welke dwaze con-
sequenties zou eene redeneering niet voeren als deze : de
Staat heeft er belang bij, dus heeft hij er recht op! I!
De Staat heeft er belang bij, zegt de Turk, dat de land-
bouw bloeie; dus moet hij den landlieden wetten geven
omtrent de wijze van ploegen en zaaien, van boomen
snoeien en besproeien, omtrent quantiteit en qualiteit
van het voedsel voor het vee. De Staat heeft er belang
bij, dat handel en nijverheid vooruitgaan, dat er geen
faillieten plaats hebben; hij moet dus meermalen\'s jaars
de boeken van al zijn burgers inspecteeren en zorgen,
dat er niet gevaarlijk gespeculeerd, niets slordig behan-
deld worde. De Staat heeft er belang bij, dat er geen
gebrekkige burgers zijn, die der maatschappij slechts
tot last verstrekken; dus, besloot het heidensch Sparta,
moet hij alle kinderen, die met lichaamsgebreken ter
wereld komen en nooit goed soldaat kunnen worden,
van kant maken. De Staat heeft er vooral groot belang
bij, dat zijne burgers sterk, goed gezond en krachtig ge-
bouwd zijn, en daarom moet hij zorgen voor een stevi-
gen huispot; zóó deed het oude Sparta en schreef zekere
krachtige zwarte soep voor; ook onze militaristen wil-
len, op het voorbeeld der Spartanen, dat de betere
„der verdediging te bekwamen. Op dien grond meenen zij, dat ten op-
„zichte van elk voorstel, dat tot het wijzigen van den dienstplicht in het
„leger wordt gedaan, onderzocht dient te worden, of hierdoor eene ver-
„zwaring van do militaire lasten der bevolking zal worden teweegge-
„ bracht, en indien zulks werkelijk het geval blijkt te zijn, of de invoe-
„ring van den voorgestelden maatregel volstrekt noodzakelijk is in het
„belang van de verdediging des lands. Die beide vragen hebben de on-
„dergeteekenden zich voorgelegd tot het beoordeelen van het door de
„Commissie gedane voorstel tot afschaffing der dienstvervanging in het
„leger, en aangezien zij op geen van beide een bevredigend antwoord
„hebben kunnen geven, waardoor de invoering van den maatregel gewet-
„tigd zoude zijn, rekenen zij het zich tot plicht hunne beschouwingen te
„dien aanzien onder de Hooge aandacht van Uwe Majesteit te brengen.\'
(bl. 132).
-ocr page 53-
43
standen door den Staat tot vermoeiende soldaten-excer-
citiën gedwongen worden, opdat zij krachtig ontwikkeld
en gehard zouden worden tegen het gure weder, en het
Hollandsche ras op die wijze een goed gebouwd, sterk
gespierd en schoon menschenras zou wezen. De Staat
heeft er belang bij, dat zijne burgers goed opgevoed,
beschaafd en verstandelijk ontwikkeld zijn ; dus, zoo re-
deneeren de Kathedersocialisten, hij is de algemeene op-
voeder zijner jeugdige burgers, hij drage zorg voor hun
onderricht, hunne beschaving, voor geheel hunne licha-
melijke, zedelijke en geestelijke opvoeding; hij geve hun
kosteloos middelbaar en hooger onderwijs en schrijve
hun lessen voor in wellevendheid, dansen, schermen, enz.,
om hen tot nette menschen, bekwame burgers te vor-
men; — hij moet, zoo besluiten de militaristen, hij moet
zoo mogelijk algemeenen dienstplicht invoeren en al zijne
zonen de uitstekende oefenschool van het leger doen door-
loopen, waar hunne lichamelijke en zedelijke opvoeding zal
worden voltooid, en vooral de mindere standen van het
platteland hun plompe manieren en loggen gang zullen
leeren afleggen; — hij voere ten minste persoonlijken
dienstplicht in, opdat, door de aanraking met meer def-
tige jongelieden, de zonen uit de volksklassen fatsoen
aanleeren, de brooddronkenheid in de dagen der loting
vermijden, enz. De Staat heeft er belang bij, dat onder
zijne burgers geen godsdienstige verdeeldheid besta, die
zoo dikwijls de onderlinge eendracht stoort; dus, beslo-
ten eertijds vele politici, moet de vorst zijnen onder-
danen den godsdienst opdringen, dien hij zelf belijdt,
volgens het axioom : cujus regio, illius et religio.
De Staat heeft er belang bij, dat er geen armen zijn,
dat allen overvloedig werk hebben tegen hoog loon;
dus, zeggen wederom de sociaaldemocraten, moet hij,
als grootaalmoezenier, de armen van het den rijken
afgedwongen geld onderhouden, moet hij, als algemeen
werkgever en eerste eigenaar van al de bezittingen zijner
burgers, de aardsche goederen meer gelijkmatig verdee»
-ocr page 54-
44
len, werktijd en dienstloonen bepalen, niemand bevoor-
rechten maar allen gelijkelijk doen deelen in de genie-
tingen dezes levens \').
Zoo ziet men, hoe dit beginsel van staatsbelang, op-
gevat en toegepast volgens de zienswijze van hen, die
voor \'t oogenblik het bestuur in handen hebben, aan
dezen een vrijbrief geeft voor alle soort van tyrannie
en onrechtvaardige knevelarij. \'t Is het dogma van het
staatspantheïsme, waardoor de staatsgod als opperste
macht wordt erkend, als schepper en gever van alle
individueele rechten en vrijheden, als laatste einddoel
van alle burgers die geheel in hem opgaan, alleen voor
hem leven, wier belangen worden opgeofferd voor het
belang van den alsoluten Staat en zijne partijgangers.
In zijne laatste consequenties leidt dit princiep tot het
staatssocialisme, waardoor alle individueele vrijheid wordt
vernietigd, alle despotieke willekeur gewettigd en ge-
heel de maatschappelijke orde in naam van het recht
omvergeworpen.
En toch steunen de meeste redenen der militaris-
ten op dit socialistisch beginsel van het staatsbelang.
Wijl men meent en beweert, dat persoonlijke dienstplicht
nuttig, dienstig, wenschelijk, van min of meer groot be-
lang is voor den Staat en voor het leger, mag en moet
1) Een om zijn fijnen humor gunstig bekende afgevaardigde der PooI-
sche fractie liet, voor eenige jaren, in de Pruisische Kamer liet volgende
wetsontwerp tot germaniseering der Polen circuleeren: „Entwurf eines
„Gesetzes zur Verhütung der weitern Staatsgefahrlichen Verbreitung des
„Staatsfeindlichen Polenismus in den Provinzen Posen und Westpreuszen
„und dem Regierungsbezirk Oppeln. § 1. Polnische Kinder dürfen fortan
„nicht mehr durch polnische Mütter oder Ammen aufgozogen werden.
„§ 2. Die zur Ern&hrung der Kinder bis zu ihrem ersten Lebensjahre
„nüthige Milch liefert der Staat. Zu dem Zweck werden,\' wo nöthig, an
„geeigneten Stellen Kuhslationen errichtet, die jedoch nur mit deutschen
„Reichskiihen zu hesetzen sind."
Bespottelijk, maar als echte satyre, tin-
telend van waarheid. Zou men salvo honore deze satyre ook niet kunnen
toepassen op de militaristen, die ook onze jongelingen van den beschaaf-
den stand tot de kazerne willen verplichten, om aldaar ware vaderlands-
liefde, tucht en orde, geest van zelfopoffering en nationaal eergevoel in
te zuigen?
-ocr page 55-
45
den burgers de hun zoo dierbare vrijheid der plaatsver-
vanging worden ontnomen, op dit zoo heilig, van den
Staat onafhankelijk recht van het individu worden in-
breuk gemaakt.
De antimililaristen daarentegen blijven zich vastklam-
pen aan de ware beginselen van staatsgezag en vrijheid,
beginselen in onze preliminaire beschouwingen ontwik-
keld en gegrond op het gezond verstand en het rechts-
gevoel der Natie. Het eene, ware en groote staats*
belang is volgens hen, dat de persoonlijke vrijheid van alle
burgers, ongeschonden bewaard en slechts in volstrekte
noodzakelijkheid hierop inbreuk gemaakt worde, dat al
hunne rechten worden beschermd, hunne tijdelijke wei-
vaart en voorspoed, voor zoover afzonderlijke zelfstan-
dige krachten hiertoe ontoereikend zijn, van staatswege
worden ondersteund en bevorderd, opdat zoo mogelijk
allen, ook de minderheden, tevreden worden gesteld. \')
Een ieder, zoo leeren zij, mag van al zijne aangeboren
rechten en vrijheden gebruik maken, zoolang hij daardoor
een ander niet benadeelt of de Staat er geen aanspraken
op kan doen gelden. Welnu, de vrijheid der plaatsver-
vanging is zulk een souverein recht van iederen mensen,
waardoor niemand wordt benadeeld, waarop de Staat
geen aanspraak kan maken.
Zeker, de Staat heeft het recht zijn burgers met al
1) Wederom mogen wij onze zienswijze bevestigen door deze woor-
den van Prof. Opzoomer: „Dat algemeen belang zelf bestaat in de har-
„monische bevrediging der bijzondere belangen. Men droome van geen
„eenheid, die het wel zou kunnen gaan, terwijl de individuen lijdon. Van
„dezen, van de verscheidenheid, moet alles uitgaan, en de eenheid van
„den Staat behoort slechts het middel zijn, om tot do individuen terug te
„keeren en het geluk van dezen te vestigen. Gaat men van het tegen-
„deel uit, moet alles door den Staat geschieden, dan komt men tot het
„ergste communisme, zelfs tot gemeenschap van eigendom, van vrouwen
„en kinderen, en allo uitsluitend bezit kan niet meer zijn dan een leen
„van staatswege .... Het beginsel behoort te zijn : dat het individu doel,
„niet middel is, en dat de bestemming van den Staat is, de vrijheid zij-
,,ner bewegingen te bevorderen. Ontwikkeling, niet organisatie, behoort
„de leus te zijn." Staatsregtelyk Onderzoek, bl. 22.
-ocr page 56-
40
die lasten te bezwaren, welke noodzakelijk zijn tot het
vervullen zijner taak. Hierin mag hij echter niet wille-
keurig te werk gaan. De lasten mogen slechts stijgen
in evenredigheid van de noodzakelijkheid. Om een aller-
drukkendsten last op te leggen, wordt een allergrootste,
eene volstrekte noodzakelijkheid vereischt. Eerst en vooral
moet hij door geldelijke lasten zijn doel [in casu de lands-
verdediging) trachten te bereiken, èn wijl zulke offers
liever door de burgers worden gebracht dan gedwongen
persoonlijke diensten, èn wijl ze meer dan persoonlijke
lasten gelijkmatig kunnen worden verdeeld.
Welnu, de persoonlijke dienstplicht is een allerdruk-
kendste last, die den burger berooft van de zoo hoog
gewaardeerde vrijheid der dienstvervanging. Zulk .eene
allerdringendste, zulke volstrekte noodzakelijkheid (want
die wordt hier vereischt) bestaat voor ons vadeland niet.
Dus mag de Staat, o. L, den persoonlijken dienstplicht
niet invoeren.
Persoonlijke dienstplicht in Nederland is in ons oog
van juridisch standpunt beschouwd onverdedigbaar. Wij
zouden dien beschouwen als eene machtsoverschrijding
van den Staat, als eene onrechtvaardige beperking der
individueele vrijheid. De Staat, geroepen om zijn burgers
te beschermen, zou zijne roeping verloochenen, en op
groote schaal zelf inbreuk maken op hunne heiligste
rechten.
Men heeft persoonlijken dienstplicht een omwenteling
genoemd in het volksleven ; daar is echter eerst en vooral
eene omwenteling in de ware beginselen van staatsge-
zag en persoonlijke vrijheid; met het prijsgeven van
de vrijheid der plaatsvervanging wordt de theorie der
staatsvergoding gehuldigd en geproclameerd.
Men heeft gesproken van menschenhanclel, waar iemand
geheel vrijwillig tegen goed loon een dienst van een
ander overneemt. Het woord is zoo onjuist mogelijk en
zou veel beter passen in de sentimentaliteits-litteratuur
der achttiende dan in onze wijsgeerige negentiende eeuw.
-ocr page 57-
47
Wij willen echter de rollen omkeeren en stellen den le-
zer deze vraag: Mag men niet met meer reden spreken
van menschenhandel, ja, van menschenroof en vrijheid-
schennis, wanneer de Staat zonder noodzakelijkheid be-
slag legt op den persoon des burgers, hem tot per.
soonlijken dienstplicht dwingt en het onbeperkte recht
van plaatsvervanging aanrandt, dat iedere mensch niet
van den Staat maar van de natuur, van zijn Schepper
heeft ontvangen?
Men heeft eindelijk de plaatsvervanging onzedelijk en
onbillijk genoemd. Na hetgeen wij hier over de vrij-
heid gezegd hebben, meenen we, dat de welwillende
lezer met ons zal instemmen, wanneer wij, — niet
het toestaan der plaatsvervanging, — maar het beroo-
ven dezer zoo dierbare vrijheid immoreel en onrecht-
vaardig
noemen.
In naam der vrijheid vragen wij voor het Nederland-
sche volk behoud der plaatsvervanging!
-ocr page 58-
TWEEDE HOOFDSTUK.
Persoonlijke dienstplicht beschouwd yan bijzonder
maatschappelijke zijde.
Waarom zijn ivij tegen persoonlijken dienstplicht ?
Omdat persoonlijke dienstplicht I de maatschappij hoe
langer zoo meer desorganiseert;
II de oplossing der sociale
quaestie hoe langer zoo moeielijker maakt;
III den geest
van socialisme onder het volk hoe langer zoo meer aan-
kweekt en verspreidt.
I. Persoonlijke dienstplicht desorganiseert de maat-
schappij.
Men heeft de maatschappij dikwijls vergeleken bij een
menschelijk lichaam. De verschillende standen, zooals
de regeeringsstand, de rechterlijke stand, de militaire
stand, de zeemansstand, de geestelijke stand, de onder-
wijzersstand, de handelsstand, de fabrikantenstand, de
arbeidersstand, de landbouwersstand, enz., zijn zoovele
ledematen van dat lichaam, welke alle te zamen een
harmonisch geheel, het staatsorganisme, uitmaken. Tot
den bloei en de levenskracht van dit maatschappelijk
lichaam zijn al deze standen, de mindere zoowel als de
meer aanzienlijke, noodzakelijk; doch ieder dezer heeft
zijn eigen sfeer, zijn werkkring, zijn doel, kortom: zijn
plaats of zijn stand, gelijk het woord het uitdrukt.
Ieder dezer moet zich dus ook in zijn eigen sfeer ont-
-ocr page 59-
49
wikkelen. Neemt één stand buiten verhouding in omvang
toe, dan grijpt hij op storende wijze in de sfeer en den
werkkring van andere standen in, dan moet noodzake-
lijkerwijze het geheel, het staatslichaam er de nadeelige
gevolgen van ondervinden; men heeft geen harmonisch
geheel meer, maar een monsterstaat: de maatschappij
is gedesorganiseerd!
Welnu, het militarisme is die strekking, welke onder
allerlei voorwendsels, dikwijls zelfs met vooropzetting dei-
edelste bedoelingen, den militairen stand op bovenmatige
wijze boven andere standen verheffen en deze allen min
of meer aan zich dienstbaar wil maken. Het onmiddellijk
gevolg hiervan is, dat de overige standen in hunne na-
tuurlijke ontwikkeling worden belemmerd, zoodat hunne
levenskrachten hoe langer hoe meer kwijnen, en ten
laatste de maatschappij uit hare voegen wordt gerukt.
De algemeene dienstplicht in den strikten zin des
woords brengt langzaam doch zeker deze totale desor-
ganisatie teweeg. Dat storend ingrijpen van den Staat
op den werkkring van alle klassen der maatschappij,
die nuttelooze verspilling van honderdduizend werk-
krachten in de meest geschikte leerjaren des levens,
die toestand van gewapenden vrede, waaronder geheel
Europa zucht, die verbazende hoogte der budgets van
oorlog, veroorzaken zulk eene algemeene wanverhouding,
zulk een spanning in geheel het maatschappelijk orga-
nisme, dat het, naar het getuigenis der grootste staatslie
den, noodzakelijk tot eene geweldige oplossing moet
komen. Eerst na dien geweldigen schok zal een orde-
lijke, normale toestand te voorschijn treden, waarin de
militaire stand op zijn peil zal worden teruggebracht
en ook de andere standen hunne eigen levensuitingen
en vrije krachtsontwikkeling zullen genieten tot welzijn
en bloei van geheel het staatslichaam.
Deze desorganisatie nu heeft naar evenredigheid ook
plaats bij persoonlijken dienstplicht. 1°. Als eerste bewijs
dezer bewering geldt dit beginsel van staathuishoudkunde:
4
-ocr page 60-
50
de som der arbeidskrachten van de. meergegoede ge-
remplaceerden vertegenwoordigt een grootere maatschap*
pelijke waarde, dan de som der krachten van de min-
vermogende remplaqanten. Bijgevolg is het verlies aan
maatschappelijk product op alle gebied (handel, nijver-
heid, staatsbestuur, kunst, wetenschap, landbouw, enz.)
des te grooter, naarmate er meer gegoeden en ontwik-
keiden, bij voorkeur van onontwikkelden en minvermo-
genden, tot de improductiviteit in het leger gedoemd
worden.
Om zich van de waarheid van dit beginsel te over-
tuigen, gelieve de lezer vooral op te merken, dat de
conscriptie met behoud der plaatsvervanging zich slechts
uitstrekt tot de lagere klassen, welker individuen van
minder invloed zijn op het geheele organisme ; terwijl per-
soonlijke dienstplicht storend werkt juist op die standen,
welke tot grooter nut strekken van het algemeen belang.
Ieder ziet bijv. dat het voor de maatschappij een veel
grooter verlies is, wanneer iemand, die zich op weten-
schap en kunst toelegt, gedwongen wordt zijne studiën
te schorsen, dan wanneer een werkmanszoon gedurende
dien tijd in zijn plaats den knjgsmansrok aantrekt. Door
het verwisselen van een beroep, waarvoor toch hon-
derden anderen gevonden worden, tegen het niet zoo
verschillend beroep der wapenen, berokkent deze der
maatschappij geen schade maar brengt haar voordeel
aan, brengt het geld onder den minderen man. Gene
echter, wordt uit moeielijke studiën, die zooveel volhar-
denden moed en geleidelijke ontwikkeling eischen, in een
geheel ander midden geslingerd en merkelijk gestoord.
Hij kan slechts zooveel later als jurist, staatsbeambte,
medicus, leeraar, ingenieur, letterkundige, kunstenaar,
journalist, enz., zijne diensten aan het vaderland be-
wijzen. Voeg hier nog bij, dat menigeen door deze
geweldige onderbreking voor altijd den lust en ijver
in de studie zal verliezen, en zijne voor het algemeen
welzijn veel belangrijker loopbaan zal vaarwel zeg-
-ocr page 61-
51
gen. Insgelijks zal het voor geheel de maatschappij
een veel grooter nadeel zijn, wanneer de in ons land
zoo] welvarende handel- of koopmansstand en de fabri-
kantenstand in hunne vrije werkingen zouden worden
belemmerd door den gedwongen dienstplicht hunner
zoons of bureauklerken, juist in die jaren dat zij in de
practische kennis der zaken worden ingewijd, dan wan-
neer eenigen der honderden fabriekarbeiders of sjouwer-
lieden in dezer plaats tegen eene ruime vergoeding eenige
jaren geweer en ransel zouden dragen. Voor duizenden
dezer jongelieden uit het volk zou de krijgsdienst een
winstgevende betrekking zijn, terwijl voor genen dikwijls
de carrière zal zijn gebroken, een verzekerde toekomst
geknakt. Vermits dus deze jongelingen van meerge-
goeden stand van grooter invloed zijn op geheel de
samenleving, is het ook duidelijk, dat door persoonlijken
dienstplicht de beste levenskrachten van het maatscbap-
pelijk lichaam meer en meer zullen worden ondermijnd.
Ja zelfs voor den eenvoudigen landbouwersstand of
den fatsoenlijken ambachtsstand is het. dikwijls van veel
grooter belang, dat de zoon, die over eenige jaren de
hoeve of het ambacht zijns vaders moet overnemen of
zich elders zelfstandig vestigen, grondig en bij voortdu-
ring in zijn beroep worde onderwezen en daarom in-
geval van dienstplichtigheid tegen eenige honderden gul-
dens een of anderen knecht engageere om zijn plaats in
het leger te vervangen, dan omgekeerd, dat de vader
gedwongen zou zijn zich met vreemde hulp te behelpen,
en de zoon eerst na één of twee jaar woelig kazerne-
leven, meermalen met minder lust en neiging, zijne op-
leiding in \'s vaders zaak of op het ouderlijke erf zou kun-
nen voltooien. Wij meenen dus bewezen te hebben,
dat door de invoering van persoonlijken dienstplicht voor
een groot gedeelte der 2300 lotelingen, die zich thans
laten remplaceeren, de maatschappelijke opleiding merke-
lijk gehinderd, de vrije ontwikkeling en volhardende toe-
leg belemmerd, de degelijke zaakkennis bedreigd zou
-ocr page 62-
52
worden. Dat vele bloeiende neringen zouden kwijnen,
vele goed beklante zaken te niet gaan, vele kantoren,
zoo niet gesloten, ten minste door vreemde, onbeproefde
hulp worden verwaarloosd. Ja, als ook meest al de
opengelaten plaatsen wierden aangevuld, kan het toch
niet anders, of de herhaalde onderbreking en gedu-
rige verandering van onbekend personeel moet groote
stoornis brengen in den gang van handel, nijverheid
en andere takken van ons volksbestaan. Kortom, wij
meenen overtuigend te hebben aangetoond, dat door
persoonlijken dienstplicht, of door het belemmerend in-
grijpen van den militairen stand in de meer invloedrijke
standen, de maatschappij hoe langer hoe meer zou wor-
den gedesorganiseerd.
2°. Tot verdere staving dezer waarheid komt ons nog
de geschiedenis te hulp. Immers den lezer, die in de
geschiedenis van de beschaving der menschelijke samen-
leving niet geheel vreemd is, zal het niet onbekend zijn,
dat het beginsel van dienst of arbeid, door ieder per-
soonlijk van wege den Staat te verrichten, steeds bij die
volken en in die landen wordt aangetroffen, waar de maat-
schappelijke ontwikkeling en organisatie op een lager
peil staan. Men denke slechts aan de heerendiensten in
de dessa\'s van Java, aan alle soort van diensten en
praestatiën van vazallen en lijfeigenen in het leenstelsel,
of zelfs aan de slecht georganiseerde brandweer, gelijk
zij nog voor een dertigtal jaren in onze groote steden
bestond. Hoe meer echter de maatschappij vooruitging
op den weg van beschaving en ontwikkeling, zooveel
te meer ook gingen de persoonlijke diensten, welke Staat
of gemeente van de burgers vorderde, in de handen van
bijzondere standen over. Persoonlijke dienstplicht zou
dus een achteruitgang zijn op den weg der beschaving,
want ook en vooral voor den krijgsdienst geldt deze
geschiedkundige waarneming.
Bij de oudste volken moest ieder vrij man persoonlijk
de wapenen dragen en zelfs de kosten van den strijd
-ocr page 63-
53
dragen. Langzamerhand begonnen echter de meer ont-
wikkelde natiën gehuurde benden uit de mindere volks-
klassen in dienst te nemen. Te Athene werd de bezol-
diging der troepen na den tweeden Persischen oorlog
ingevoerd. Te Rome komt zij hefc eerst voor bij het be-
leg van Veii, omtrent het jaar 404 vóór Christus. De Ro-
meinsche legers, die Gallië, Germanië en Brittannië ver-
overden, werden wel aangevoerd door de zonen dei-
patriciërs, doch bestonden grootendeels uit de ruwe
zonen der volksklassen. Bij de vrijheidsgezinde doch
onbeschaafde Germanen, die ieder voor zich zooveel rech-
ten meenden te hebben, als zij met de punt des zwaards
konden verdedigen \'), bleef de persoonlijke krijgsdienst lang
in eer en het hoofdbedrijf van den vrijen man. Onder
het feodaal stelsel trokken de onderhoorigen met hunne
vazallen, deze met hunne leenheeren, persoonlijk ten
krijg. Toen dit stelsel meer en meer in verval geraakte,
begon men, om de steeds toenemende macht der edelen
te fnuiken, eerst in Frankrijk, in de dertiende eeuw onder
Lodewijk IX, vervolgens ook in andere landen, bezol-
digde troepen, en eindelijk in de vijftiende eeuw onder
Karel VII, staande legers aan "te werven. Slechts in
de ure des gevaars werd de geheele burgerij te wapen
geroepen. Men begreep te recht, dat het veel verkiese-
lijker was \'s lands verdediging aan een bijzonderen stand
over te laten, door slechts een gedeelte der maatschap-
pelijke arbeidskrachten gedurende langeren tijd voor den
krijgsdienst te besteden, dan het geheele volk eenigen
tijd aan dien dwang te onderwerpen. Onder zulk een
organisatie konden handel en nijverheid zich vrij en on-
belemmerd ontwikkelen, en de gemeenten en steden be-
reikten spoedig een ongekenden bloei. Onder zulk eene
organisatie is vooral Nederland in vervlogen eeuwen tot
het toppunt van macht en rijkdom gestegen. Onder zulke
1) Volgens het woord van Pomponius Mela: „Jus in viribus liabent.\'
lib. III, 3.
-ocr page 64-
54
vrijzinnige organisatie namen, vooral in deze eeuw,
de handel en industrie van Engeland en de Vereenigde
Staten in welvaart en bloei toe. De andere landen van
Europa daarentegen ontmoeten, sinds de Fransche revo-
lutie, een grooten hinderpaal voor hunne maatschappe-
lijke ontwikkeling en beschaving in de conscriptie. Per-
soonlijke dienstplicht of het inlijven der voornaamste
arbeidskrachten in het gros van het leger, zou dus, dit
leert ons ook de geschiedenis der beschaving, een terug-
keer zijn naar de barbaarschheid, eene desorganisatie
der maatschappij ! l)
1) Aldus ook Mr. S. Vissering: „Is dit waarheid (t. w. dat gedwongen
krijgsdienst om de tegenwoordige omstandigheden noodzakelijk zon zijn),
„dan blijft er niets anders over dan ons te beklagen, dat wij op dit punt
„althans de barbaarschheid weder tegemoet gaan." Handboek van praktl-
se-Jte Staathuishoudkunde,
n. 721. — Onjuist is dan de voorstelling van
eenige militaristen, dat inden loop der geschiedenis de Staat of de maat-
schappij des te meer heeft gebloeid, naarmate de meer aanzienlijke klas*
•sen persoonlek aan den krijgsdienst hebben deelgenomen. Dat bij de oude
Grieken, Romeinen en Germanen in den eersten tijd van hun volksbe.
staan, in hun ontwikkelingsperiode, de krijgsdienst als een eer, als een
voorrecht werd beschouwd en vooral door de meervermogende burgers
Werd beoefend, geven wij gaarne toe. De redenen hiervan zijn echter
niet moeilijk aan te geven. 1". De oorlog werd toen door de burgers
op eigen konten gevoerd; alleen zij derhalve, die rijk genoeg waren
om in hun eigen onderhoud en na hun dood in dat hunner be-
trekkingen te voorzien, konden ten strijde trekken. 2". Vervolgens werd
in dien geboortetijd der volken het oorlogvoercn beschouwd als een der
Boomaamste doeleinden
van den Staat, als de hoofdbezigheid van den vrijen
man ; geen wonder dat de voornaamste klassen een eer stelden in het
persoonlijk dragen der wapenen. 3". Eindelijk was in die tijden van
barbaarschheid de hoop op een aanzienlijken huil en op krijgsgevangenen,
die als slaven werden verkocht, voor de baatzuchtige rijken een krach-
tige reden om de mindere klassen van zulk eene winstgevende betrek-
king uit te sluiten.
Naarmate echter het licht der beschaving over een of ander volk op-
daagde, weken ook de drie genoomde opvattingen omtrent oorlog en
leger en als vanzelf werd het gewoon soldatenberoep overgelaten aau
de mindere volksklassen, terwijl de meergegoeden zich met de aanvoe-
ring des legers belastten. Immers, 1°. naarmate men niet meer op eigen
kosten krijg voerde, doch troepen uit de lage klassen begon te bezoldi*
gen, trokken zich natuurlijk de meer aanzienlijken van den minderen
troep terug. 2". Naarmate men den oorlog niet meer als het doel van
den staat, maar slechts als een noodzakelijk kwaad begon te beschott*
• •
-ocr page 65-
55
Zoo waar is wederom het woord van Keizer Wilhelm I,
dat eene legerwet met persoonleken dienstplicht gelijkstaat
met eene omwenteling in geheel het volksleven;
eene ware
omwenteling in het maatschappelijk leven: niet ten
goede maar ten kwade!
Hier is de plaats om op een argument te antwoorden, dat
niet zelden door onze tegenstanders wordt aangevoerd.
Persoonlijke dienstplicht, zegt men, zal veel bijdragen tot
verheffing van den militairen stand, die in ons vaderland
zoo weinig belangstelling ontmoet. „De belangstelling voor
„het leger,
aldus ook de meerderheid der Defensie-Com-
wen, en men van den anderen kant de weldaden van vrede, rust en
orde begon te genieten, verlieten de meergegoeden den krijgsdienst,
om zich op kunsten en wetenschappen, handel en scheepvaart, land-
bouw en nijverheid too te leggen. 3°. Naarmate men eindelijk in deze
takken een meer edele en beschaafde wijze vond om zijne bezittingen
te vermeerderen, stonden de betere standen ook het recht, zich dooi\'
buit en plundering te verrijken, aan de minder beschaafde klassen af.
Deze was de geregelde, geheel natuurlijke gang der beschaving bij alle
volken. Persoonlijke dienstplicht der meergegoeden of algemeene dienst-
plicht zou dus zijn de wereld terugvoeren naar «Ie barbaarschheid.
Dit wordt nog bevestigd door de geschiedenis der invoering van
het tegenwoordig stelsel van legervorming. Want op het einde der vo-
rige eeuw werd in Frankrijk, niet door de meer beschaafde richting
onder de omwentelingsgezinden, maar door de woestelingen van het
Terrorismus, bij besluit van 19 Fructidor VI, de algemeene dienstplicht
of het militarisme in den grofsten vorm opgelegd. Zoodra echter de meer
gematigde elementen in de revolutie de overhand verkregen, begon men
ook wederom voor de legervorming een minder barbaarsch stelsel aan
te nemen. Reeds het Directoire veranderde in 1798 den algemeenon dienst"
plicht in het conscriptiestelsel met persoonlijken dienstplicht, totdat Na-
poleon I ook de vrijheid der plaatsvervanging toestond. Wat den toe-
stand van gewapenden vrede aangaat, waarin Europa in de laatste 2(1
jaren verkeert, deze wordt met recht door helderziende staatsmannen,
niet alleen financieel onhoudbaar, maar ook abnormaal en onnatuurlijk
genoemd, geheel in strijd met de geleidelijke ontwikkeling der maat-
schappij, met den vooruitgang\' en de welvaart der volken.
Wanneer dus de heer Seyffardt zegt: „daar waar het leger zich meer
„en meer van de burgermaatschappij afscheidt (d. i. volgens Du Contesch,
waar ieder burger niet persoonlijk in het leger treedt) gaat het volk als
„volk ook meer en meer achteruit" (Onze Volksiveerbaarheid, bl. 10), vin-
den wij deze bewering van onzen geachten tegenstander antihistorisch,
en vooral in schrille tegenspraak met de geschiedenis van den bloeitijd
en den vooruitgang onzer republiek. Doch hierover in het 4e hoofdstuk.
-ocr page 66-
56
„missie, door den dienst daarin geicekt, zal dat leger na
„tal van jaren nog ten goede komen en zal leiden tot den
„eisch, niet alleen dat het leger ten allen tijde sterk en
„slagvaardig zij, maar ook dat legerinrichting, kazernee-
„ring, discipline, militaire oefening en onderwies op den
„dienstplichtige een zoo heilzaam mogelyken invloed hebben"
(bl. 21). M. a. w. door persoonlijken dienstplicht zal het
leger en geheel de militaire stand in de oogen der bur-
gerij en volksvertegenwoordiging worden verheven en
werkelijk worden gebaat.
Wij antwoorden : Zeer wel! Maar, moeten hiervoor
alle andere achtenswaardige standen worden vernederd\'?
Want eene vernedering is het toch zeker voor een jon-
gen man uit den beschaafden en deftigen stand, naast
een ongemanierden jongeling uit de lagere volksklasse
in het gelid te moeten staan, op gelijken voet met dezen
te worden behandeld, door minderen vanstand te worden
gedrild en op barsche wijze gecommandeerd. Den mili-
tairen stand zoo bovenmate te verheffen, dat hij andere
standen verlaagt, dat hij de toongever wordt, waarnaar
zich andere standen moeten modelleeren, is o. i. eene
disproportie, eene wanverhouding in het maatschappelijk
lichaam. Wij willen gelooven, dat dit den officieren niet
onaangenaam zou zijn, dat zij liever bevel voeren over
jongelingen van stand dan over die uit de mindere volks-
klasse, dat zij daardoor nog meer in de achting zouden
stijgen bij onze aristokratie en ons patriciaat; wij durven
echter ,van hunne loyauteit vertrouwen, dat zij om
deze persoonlijke redenen het welzijn van de andere
standen niet zouden willen opofferen.
Men denke nu niet, dat wij den militairen ongunstig
gezind zijn en hun de verheffing van hun stand mis-
gunnen. Neen, duizendmaal neen ! Integendeel, wij gevoe-
len alle hoogachting en levendige sympathie voor den
militair in het algemeen, en in \'t bijzonder voor die fiere
zonen, die zich vrijwillig aan de verdediging van ons
vaderland hebben gewijd en ware krijgsmansdeugd aan
-ocr page 67-
57
een edel karakter paren. Daarom zouden wij wenschen,
dat regeering en volksvertegenwoordiging alles in \'t werk
stelden en geen kosten spaarden, om den minderen sol-
daat het leven, zoo in physiek als moreel opzicht, te
verbeteren, hem het verblijf in de kazerne te veraan-
genamen. Vooral zouden wij gaarne zien, dat het trak-
tement van alle officieren met 100 a 200 Gl. werd ver-
hoogd. Wanneer men bedenkt, dat een hoofdonderwijzer
op een eenvoudig dorp, meermalen met vrije woning, een
inkomen heeft van 700 Gl. behalve de buitenkansjes,
dan is o. i. 1000 Gl. voor een tweede-luitenant te wei-
nig, om in eene stad, dikwijls met vrouw en kinderen,
volgens zijn stand te leven, \'t Is een algemeen, niet
moeilijk te verklaren feit, dat de standen, die ruimer
door den Staat worden bezoldigd en dientengevolge meer
onbekrompen kunnen leven, daardoor reeds merkelijk in
de achting der burgers rijzen en steeds meer en meer
aspiranten winnen. Deze wijze van verheffing van stand
zou een echt Hollandsch karakter dragen en den geach-
ten militairen tot grooter baat verstrekken, dan al die
militaristische „tendenzen", die op vreemden bodem zijn
gekweekt en naar ons vaderland overgewaaid van uit
een land, waar de officieren dikwijls meer „stolz" heb-
ben, dan „comfort". Wij zijn van meening, dat de na-
tie deze grootere uitgave zoo voor de kazerneering van
den minderen soldaat, als voor verhooging van het
traktement der officieren \') zeer redelijk zou vinden,
mits men haar slechts vrijliet van gedwongen persoon-
lijken dienst. — Overigens zal deze meerdere of mindere
mate van achting voor- en belangstelling in den militair
van vele plaatselijke omstandigheden afhangen. De han-
delsgeest der burgerij te Rotterdam of te Antwerpen
bijv. zal altijd een reden zijn, waarom de militaire stand
er minder gezien zal blijven, dan in Den Haag of in
1) Eene verhooging van 100 gld. zou voor de 1900 officieren nog geen
twee ton meer uitmaken op \'s Lands begrooting.
-ocr page 68-
58
Brussel. Zelfs in Duitschland, naar een Duitscher ons
verzekerde, is de militair te Keulen veel minder in aan-
zien dan te Dusseldorf. Eindelijk dit afwisselend lot treft
ook andere standen, bijv. den zeemansstand. Ieder weet
ook, dat studenten, te Leiden als op de handen gedragen,
te Amsterdam onopgemerkt worden voorbijgegaan en
hunne luidruchtige vermakelijkheden in deze twee steden
geheel verschillend worden beoordeeld.
Zoo kan dus ook het argument van verheffing van
den militairen stand niet gelden als van eenig gewicht,
om der bevolking zulk een drukkend juk als persoon-
lijken dienstplicht op te leggen.
II. Een tweede gewichtig bezwaar tegen persoonlijken
dienstplicht op maatschappelijk gebied is, dat daardoor
de oplossing der sociale quaestie moeielijker, ja onmogelijk
wordt gemaakt.
De sociale quaestie bestaat in het regelen eener billijke
verhouding tusschen kapitaal en arbeid, tusschen werk-
gever en werknemer. Practisch genomen, \'t is reeds
meermalen gezegd, komt geheel het sociale vraagstuk
hierop neer: hoe komt de mindere man aan het geld,
om voor zijn huisgezin een tamelijk bestaan te ver-
krijgen ?
De gewone weg, die daartoe openstaat, is eigen ver-
dienste, of genoegzaam werk tegen goed loon. Maar de
voornaamste maatstaf voor het stijgen en dalen der
loonen, voor meer of minder werk zal altijd blijven:
vraag en aanbod. Hieruit volgt deze waarheid, waarop
wij vooral de aandacht onzer goedgunstige lezers wen-
schen te vestigen: hoe meer arbeiders, zooveel minder
werk en zooveel lager loon; en omgekeerd: hoe minder
arbeiders, hoe meer werk en hoe hooger loon.
Welnu, door de afschaffing der plaatsvervanging zou-
den in Nederland jaarlijks eenige duizenden arbeiders
meer
zijn dan thans\'). Dus zal er ook voor zooveel
1) Uit de statistieken blijkt, dat in ons vaderland jaarlijks ongeveer
2800 lotelingen een plaatsvervanger of nummerverwisselaar stellen.
-ocr page 69-
59
duizenden arbeiders minder iverk zijn; en tengevolge
hiervan zouden daarenboven de honen, ook voor de andere
arbeiders, in evenredigheid dalen. Dat deze redeneering
juist is, zal een ieder beamen, die bedenkt dat de rem-
plaqanten nagenoeg allen uit den geringen, weinig of
niets bezittenden, arbeidersstand voortkomen, terwijl de-
genen die zich laten remplaceeren grootendeels behoo-
ren tot de middelklasse of meergegoeden, die in hunne
werkzaamheden door deze onontwikkelde lieden uit de
volksklasse niet kunnen vervangen worden.
Niet alleen echter is dit verblijven van duizenden
werklieden in hun bedrijf oorzaak, dat de arbeidersstand
in het algemeen minder werk en lager loon heeft; ook
de aanmerkelijke som van één mülioen gulden, die thans,
als positieve verdienste dier plaatsvervangers, jaarlijks
van de bezittende tot de niet-bezittende klassen over-
gaat, zou aan de lagere standen onttrokken worden.
Want, dooréén genomen, mogen we voor iederen plaats -
vervanger of nummerverwisselaar 400 a 500 Gl. rekenen ;
hetwelk voor de ruim 2300 man ongeveer 1,000,000 Gl.
geeft. Door deze vermindering van inkomsten zou dus
het lagere volk jaarlijks zulk eene belangrijke som armer
worden.
Voegt men hier nog bij, dat deze 2300 zonen uit de
niet-bezittende klasse
gedurende l\'/a a 2 jaar en eenige
Men houdo hierbij in het oog, dat, terwijl de meeste overige dienst -
plichtigen na één jaar actieven dienst met groot verlof naar hunne
haardsteden worden teruggezonden, deze plaatsvervangers bij voorkeur
gedurende IV, a 2 jaren onder de wapenen worden gehouden, ten einde
de jongste lichting gemakkelijker in den wapenhandel te oefenen: zoo-
dat, jaar in jaar uit, 3500 a 4000 werklieden uit de lagere volksklas*.\'
als remplacanten in het leger dienst doen. Veronderstellen wij ook, dat
niet weinigen dezer bij afschaffing der dienstvervanging, zich als vrij-
williger zouden aanbieden, zeker is het dat verreweg de meesten hun-
ner, die nu, uitsluitend om het betrekkolijk hoog loon als remplacant
dienst nemen, dan in de burgermaatschappij zouden blijven. Jaar-
lijks zouden er eenige duizenden arbeiders meer zijn, wat vooral in Ne-
derland, waar nagenoeg geen groot-industrie is, gelijk in andere landen,
een groote overlast zou zijn en zeer noodlottige gevolgen zou hebben
voor den minderen stand.
-ocr page 70-
60
maanden herhalingsoefeningen gratis, op kosten van den
Staat, m. a. w. op kosten van de meervermogende be-
lasting betalende burgers, voeding, kleeding en huisvesting
ontvangen, dan zal men begrijpen, waarom wij afschaf-
fing der dienstvervanging ook op maatschappelijk gebied
een ramp noemen voor de lagere volksklasse, een maat-
regel, die de oplossing der sociale quaestie hoe langer hoe
meer zou bemoeielijken.
Vandaar dat ook het echte, goedgeaarde volk, het-
welk zoo waar en zoo diep zijn belangen gevoelt, tegen
afschaffing van plaatsvervanging is. Men ga eens in
deze dagen, zooals wij persoonlijk gedaan hebben, tot
die klasse der maatschappij, welke gewoonlijk de rem-
placanten leveren ; men spreke eens met menschen uit
dien stand, natuurlijk niet met opgeruiden door „Recht
voor allen", maar met die onbedorven, bedaarde lieden
van gezond verstand, gelijk men er zoovelen onder hen
aantreft; inen rake dan deze practische zijde der quaestie
eens aan: zij zullen u verklaren, dat zij de afschaffing
der plaatsvervanging zouden betreuren. En vraagt gij
hun dan waarom ? In hun naieven eenvoud zullen zij u
ten antwoord geven, dat er door plaatsvervanging altijd
een goed duitje binnenkomt, vooral in dezen slechten
tijd, nu er toch zoo weinig te verdienen is, dat hun zoons
daarmee dikwijls hunne arme, oude lui uit den nood
helpen, een drukkende schuld aflossen, hun vervallen
huisje wat oplappen, wat besparen voor hun ouden dag
enz., dat vele andere jongens daarmee een zaakje op
touw zetten, een winkeltje opslaan, een netter huwe-
lijk kunnen aangaan en meer van dien aard, kortom,
dat zij daardoor in staat worden gesteld, wat vooruit te ko-
men in de wereld. Zoo redeneert het gezond volksver-
stand.
De geachte lezer gelieve acht te geven van welk eene
economische juistheid deze laatste reden is. Immers, \'t
is een door de staathuishoudkundigen algemeen erkend
euvel van onze eeuw, dat de klove tusschen kapitaal
-ocr page 71-
61
en arbeid te groot is; van den eenen kant machtige
kapitalen en ondernemingen, van den anderen kant ar-
moede, of ten minste geheel afhankelijke, niets bezit-
tende arbeiders. De raiddelstand verdwijnt, zegt men ;
men geeft den minderen man geen gelegenheid meer,
een kapitaaltje te vormen, om vooruit te komen; van
daar de zoo ingewikkelde sociale quaestie.
Welnu, een niet gering te schatten middel om dit
euvel te verhelpen en de oplossing van dit zoo gewich-
tig vraagstuk te bespoedigen is de plaatsvervanging;
een middel, hetwelk jaarlijks aan vele honderden uit de
volksklasse ten bate komt; een middel, hetwelk door
het volk des te meer wordt gewaardeerd, naarmate het
dit aldus gewonnen geld als eigen verdienste beschouwt,
zonder eenige tusschenkomst der rijke ondernemers, wier
middelen tot verbetering van zijn toestand het al te
dikwijls als exploitatie blijft wantrouwen. Eene groote
onbillijkheid zou het dus zijn, zonder dringende nood-
zakelijkheid aan duizenden uit het mindere volk zulk
een uitstekend middel te ontnemen, om zijn maatschap-
pelijken toestand te verbeteren.
Om al deze redenen zal het, wij twijfelen er niet aan,
eiken onbevooroordeelden lezer duidelijk zijn, dat door
afschaffing der dienstvervanging de sociale quaestie steeds
ingewikkelder wordt. En door vermindering van werk,
én door daling der loonen, én door het onthouden van
één millioen \'sjaars, én door het derven van kosteloos
onderhoud voor 3 a 4000 weinig of niets bezittenden,
zou de zoogenaamde vierde stand werkelijk in welvaart
en bloei achteruitgaan, zou de armoede met al den
treurigen nasleep van dien in Nederland op schrikba-
rende wijze toenemen.
Voorzeker niet ten onrechte is eene legerwet met
persoonlijken dienstplicht een omwenteling in het volksleven
genoemd; in waarheid eene noodlottige omwenteling in
het maatschappelijk leven, waarvan het onvermijdelijk
gevolg is, dat het reeds zoo netelige sociale vraagstuk
-ocr page 72-
62
hoe langer hoe meer doornen krijgt, die zijne ontknoo-
ping allerbezwaarlijkst, ja onmogelijk maken.
Caveant Consules! De regeering heeft ijver en hart
voor de belangen van het volk; door hare wet op den
          s
arbeid van kinderen en vrouwen heeft zij getoond de
oplossing der sociale quaestie te willen bevorderen. Welnu,
door afschaffing der plaatsvervanging zou zij misschien
den geringen standen meer schade berokkenen, dan zij
door hare andere wetten zou kunnen herstellen.
Zij zou de sociale quaestie hoe langer hoe inge-
wikkelder, ja onoplosbaar maken ; zij zou zich daaren-
boven verantwoordelijk stellen voor al de noodlottige
gevolgen, welke deze maatregel na zich zou sleepen. Wij
bedoelen : bevordering van het socialisme onder de ge-
ringere standen.
Ten overvloede zouden wij hier nog kunnen wijzen op
verschillende militaristische landen, waar sinds korter
of langer tijd persoonlijke of algemeene dienstplicht
is ingevoerd: op Pruisen, welks armoede en sociale
ellende bijna spreekwoordelijk zijn geworden ; op Frank-
rijk, waar, ondanks zijne rijke bronnen van welvaart,
de verarming der mindere standen telken jare toeneemt, —
gelijk ons nog niet lang geleden werd verzekerd door
een hooggeplaatst Franschman, die jaarlijks geheel zijn
vaderland doorreist; — op Italië vooral, waar de
nood en het broodgebrek tot zulk een hoogte zijn gestegen,
dat ieder jaar om zoo te zeggen geheele volksverhui-
zingen plaats hebben, ten einde den bitteren honger-
dood te ontkomen\').
Welnu, persoonlijke dienstplicht zou reeds betrekkelijk
vele dezer ellenden over Nederland brengen, totdat
algemeene dienstplicht, waartoe, persoonlijke dienstplicht
slechts een overgang is, al deze rampen over ons dier-
baar volk zou uitstorten.
1) In 1888 hebben meer dan 200,000 Italianen als landverhuizers hnn
vaderland verlaten. —
-ocr page 73-
63
III.
Persoonlijke dienstplicht bevordert den geest van socia-
lisme.
Dat door afschaffing der plaatsvervanging de sociaal-
democratie in ons zoo ordelievend vaderland belangrijk
zou toenemen, behoeven wij niet breedvoerig te betoo-
gen, wijl dit in de eerste plaats reeds voortvloeit uit
de verslimmering der sociale questie, waarover wij reeds
gesproken hebben.
Immers een der voornaamste gelegenheden, welke het
socialisme met alle behendigheid weet te exploiteeren
om adepten aan te werven, is gebrek aan werk. Geef
den arbeider werk tegen een tamelijk loon, en hij zal
zich niet lichtelijk laten misleiden door socialistische
woelgeesten; hij zal met genoegen van den vroegen
morgen tot den laten avond in het zweet des aanschijns
zijn brood verdienen. Ontneem hem echter zijn werk of
verlaag zijn loon, en gij stelt hem bloot aan de grootste
verleiding. Hij zal broodgebrek hebben, daardoor wre-
velig en ontevreden worden over de bestaande toestan-
den, gemakkelijk het oor leenen aan de opruiende taal
der mannen van „recht voor allen" en spoedig een
dreigende houding aannemen tegenover orde en maat-
schappij.
Welnu, door het systeem der plaatsvervanging ver-
schaft gij jaarlijks aan duizenden remplaganten uit de
arbeidende klassen een eerzaam bedrijf, een goede kost-
winning, niet slechts voor hen zelve, maar .dikwijls ook
voor hun gezin ; terwijl de duizenden, die zich laten ver-
vangen, grootendeels tot den middelstand en de meer-
gegoeden behooren, die, hetzij ze werk hebben of niet,
doorgaans geld en brood genoeg hebben om in hun on-
derhoud te voorzien. Schaft gij integendeel plaatsver van •
ging af, dan berooft gij jaarlijks duizenden werklieden
uit de lagere volksklasse van hunne broodwinning. En
-ocr page 74-
64
daar dezen gewoonlijk niet in staat zijn de werkzaam-
heden der meerontwikkelden over te nemen, zal er jaar-
lijks een groot aantal werkloozen meer zijn. Het on-
vermijdelijk gevolg hiervan zal dan zijn, dat velen van
hen, morrend en wrokkend tegen de bestaande maat-
schappelijke toestanden, naar het kamp der socialisten
zullen overloopen.
Een ticeede bewijs voor deze stelling is van meerpsy-
chologisclien
aard. De militaristen zijn van meening, dat
persoonlijke dienstplicht de zoogenaamde verbroedering
der standen zal aanbrengen. De stroom der eeuw, zoo
redeneeren ze in hun niet te misbillijken menschenmin,
is voor opheffing, ontwikkeling en emancipatie van het
volk. Laat ons den stroom leiden, in plaats van hem
tegen te houden, met gevaar van door een ontembare
dijkbreuk verzwolgen te worden. Laat ons afdalen tot
het volk, ten einde het uit zijn toestand op te heffen
en het met de hoogere standen te verzoenen. Laat ons,
als zonen van hetzelfde vaderland, allen dezelfde lasten
dragen en persoonlijk in de gelederen treden, ten einde de
mindere standen tevreden te stellen en hun de grief te
ontnemen, dat zij hun leven en bloed moeten storten voor
het behoud der rijkere klassen. Zoo spreken ze met een
geestdrift, die meer menschenliefde dan menschenkennis
verraadt.
Aldus ook het rapport van de meerderheid der De-
fensie-Commissie „wanneer dat plichtbesef" (t. w. dat een
ieder persoonlijk zijn dienstplicht moet vervullen) bij
„allen levendig is, zal daardoor ongetwijfeld de bandtus-
„schen de verschillende klassen der maatschappij worden
„versterkt."
(blz. 21.)
Wij hopen in oprechte liefde voor het volk, voor onze
geachte tegenstanders niet onder te doen; ook wij wil-
len verheffing, ordelijke ontwikkeling van den vierden
stand, leniging zijner ellenden, behartiging zijner belan-
gen, versterking van den maatschappelijken band tus-
schen de verschillende klassen. Wij zijn echter zoo vrij
-ocr page 75-
65
omtrent de keuze van het middel, met de militaristen
in meening te verschillen. Met de antimilitaristen
deelen wij de overtuiging, dat het voorgestelde middel
van persoonlijken dienstplicht juist het tegenovergestelde
uitwerksel zou hebben, wij zijn namelijk van meening,
dat door persoonlijken dienstplicht, door die mengeling van
alle standen in het gros van het leger, de harten des te
meer zouden worden verwijderd, m. a. w. dat het socia-
lisme werkelijk zou worden bevorderd. Ziehier onze
redenen.
Een ieder die een weinig kennis heeft van de vele
schaduwzijden van het menschelijk hart, zal met ons
erkennen, dat naarmate de mindere standen in nauwere
aanraking komen met de rijken, in diezelfde mate ook
hun afgunst en jaloerschheid toenemen. Niets is na-
tuurlijker. Wat men niet kent, verlangt men niet *).
Komt de arme weinig of niet in nauwe betrekking
met den rijke, hij zal weinig of niet zijn minderheid
gevoelen, wijl hij niet beter weet en er niet aan denkt
zijn toestand met dien van zijn meer gefortuneerden
evenmensen te vergelijken. Is hij daarentegen met men-
schen uit betere standen in gedurigen omgang en ver-
keer, ziet hij van nabij de voorrechten en gemakken,
die zij genieten, leert hij den overvloed, de weelde ken-
nen, die zij zich kunnen verschaffen, dan wordt zijne
begeerlijkheid opgewekt, zijn genotzucht geprikkeld.
"Wordt daaraan niet voldaan, zooals dit meestal het
geval is, en vindt hij in den godsdienst geen heul
en troost, dan verkeert hij in een toestand van onte-
vredenheid en woeling; hij gevoelt zich misdeeld en
ongelukkig, is nijdig en wrokkig tegen zijn rijkeren
natuurgenoot en beschuldigt de bestaande maatschappij
van [onrechtvaardigheid ; kortom, hij is socialist. Ziedaar
de geschiedenis van vele lotelingen uit de meer behoef-
1) Vandaar het spreekwoord der oude Grieken: ix zov bgav zó Pgiiv.
5
-ocr page 76-
66
tige standen na invoering van persoonlijken dienstplicht.
In het tegenwoordig stelsel van plaatsvervanging zijn
de soldaten ongeveer van gelijken stand. Daar niemand
onder hen door aanzien of rijkdom uitmunt en zij niet
met de meergegoeden op gelijken voet komen, denken
zij weinig aan de voorrechten, welke dezen genieten,
zoodat de geest van jaloezie of standennijd cnder hen
weinig voedsel vindt. Lustig en vroolijk leven zij als frère-
compagnon onder elkander, zich schikkend in de lasten
en vermoeienissen, waaraan zij van kindsbeen af gewoon
zijn. Vandaar dat algemeen de maatschappelijke geest,
die geest van inschikkelijkheid en kameraadschap, onder
onze soldaten geroemd wordt.
Geheel anders zal het zijn na de afschaffing der dienst-
vervanging. Jongelingen uit de volksklassen zullen dan
in de gelederen staan naast jongelingen uit den meer-
gegoeden stand, die door allerlei genietingen en uitzon-
deringen zullen trachten zich schadeloos te stellen voor
de opgelegde ontberingen en ongemakken. Die fijnere
kleeding, — die meer beschaafde manieren, — dat air de
suffisancc,
waarmee zij meermalen op anderen zullen neer-
zien (want zij ook blijven menschen), — dat zich kunnen
afkoopen van lastige corvees, — dat delicater voedsel,
hetwelk zij zich kunnen verschaffen, — die grootere
weelde, die zij zich in en buiten de kazerne kunnen ver-
oorloven, — kortom al die exempties en verzachtingen,
welke zelfs volgens de eischen der militaristen den meer-
gegoeden zullen moeten worden toegestaan, zullen den
zonen uit de lagere klassen voortdurend een doorn in
het oog zijn. Dit alles zal hun gestadig hunne maatschap-
pelijke minderheid onder de oogen brengen, hen doen
gevoelen, dat zij door de natuur zoo stiefmoederlijk be-
deeld zijn, en wel verre van den onderlingen band tus-
schen de verschillende klassen te versterken, veeleer
ontevredenheid met hun lot, nijd en afgunst, wrok en
verbittering en al die andere menschelijke hartstochten
in hen aankweeken, die de vruchtbare zaden zijn van
-ocr page 77-
67
•den geest van socialisme en maatschappelijke revo-
lutie. Niemand, die de geschiedenis kent, en niet in het
minst die van zijn eigen hart — want elk mensch is
een wereld in het klein — zal ons van overdrijving be-
schuldigen. Zeer terecht is dan ook in de Nota der min-
derheid op deze bedenkelijke maatschappelijke gevolgen
gewezen. „Zal die gunstige toestand (van ons tegenwoor-
dig leger) behouden blijven of verbeteren?"
Hierbij komt nog, dat deze mannen uit het gewone
volk met het hun eigen gezond verstand zeer spoedig
zullen inzien, hoe de Staat juist door persoonlijken
dienstplicht, of het willekeurig ingrijpen op de indivi-
dueele vrijheid, zich op socialistisch standpunt heeft ge-
steld, hoe derhalve deze socialistische strekkingen of
algeheele gelijkheid der standen in beginsel door den Staat
zijn erkend en gehuldigd. Immers, indien allen voor de
wet gelijk zijn, en daarom allen persoonlijk dezelfde
plichten, met name den dienstplicht, moeten vervullen —
zoo toch heeft de Staat hen leerenredeneeren — , waarom
dan, vragen ze, hebben ook niet allen dezelfde rechten
in gelijke mate van den Staat te verwachten ? Mag de
Staat zonder gebiedende noodzakelijkheid den meerge-
goeden het recht van plaatsvervanging ontnemen, waarom
dan ook niet, gelijk de socialisten beweren, hun het
recht van eigendom ontnemen, waartoe toch veel drin-
gender redenen bestaan dan tot afschaffing der plaats-
vervanging, wijl daardoor duizenden en honderdduizenden
weinig of niets bezittenden werkelijk gebaat zouden wor-
den ? En wanneer de gelijkheid van de wet vordert, dat
de Staat inbreuk maakt op de individueele vrijheid zijner
burgers en allen persoonlijk tot den krijgsdienst dwingt,
hoeveel te meer dan niet om dezelfde reden der gelijk-
heid inbreuk maken op hunne goederen en bezittingen ?
"Waarom niet de opeengestapelde kapitalen der rijken
gelijkmatig onder de burgers verdeeld? Allen zijn gelij-
kelijk verplicht den Staat met hun leven en hun bloed
te verdedigen.
-ocr page 78-
68
Onzes erachtens zal men deze logische gevolgtrekkin-
gen uit het bij persoonlijken dienstplicht aangenomen^
beginsel niet kunnen ontgaan. Heeft men eenmaal aan-
genomen, dat de Staat, zonder de uiterste noodzakelijk-
heid, zijnen burgers vrijelijk het individueele recht van
plaatsvervanging mag ontnemen, dan huldigt men het
princiep, dat de Staat de bron is van alle rechten en
vrijheden, maar dan erkent men ook den Staat als de
bron van het recht van eigendom voor al zijne burgers,
en dan vordert ook de rechtvaardigheid en gelijkheid
voor de wet, dat hij allen in even ruime mate aan de
aardsche goederen deelachtig make.
Zoo ziet de ontwikkelde lezer, dat de sociaal-demo-
cratie èn in beginsel èn in de practijk door het invoeren
van persoonlijken dienstplicht machtig zal worden ge-
steund. De jongelingen uit de lage klassen zullen in het
leger leeren, de meergegoeden als hunne gelijken te
beschouwen en te behandelen; maar ook wanneer zij
na den diensttijd in de burgermaatschappij zullen zijn
teruggekeerd, zullen zij de rijken als hunne gelijken
blijven aanzien, slechts hun afgunst en ontevredenheid
zal zijn toegenomen, wijl zij door den dienst in het leger
de grootere voorrechten der rijken hebben leeren kennen
en benijden.
Men zal misschien zeggen: de mingegoeden zullen
slechts leeren, dat allen voor den Staat gelijk zijn in
het persoonlijk vervullen van den zwaarsten plicht ten
opzichte van het vaderland, namelijk van den dienst-
plicht.
"Wij antwoorden: dit moge het speculatieve doel zijn,
hetwelk de Staat met persoonlijken dienstplicht beoogt,
practisch genomen, d. i. de menschen beschouwd gelijk
zij zijn, is dit doel niet te bereiken, zonder den geest
van algeheele socialistische gelijkheid te bevorderen. Een
vaderlandslievend gevoel, dat alle onderscheid van stand
opheft, een plichtbesef dat alle zonen van het vaderland,
rijk en arm, gelijkstelt, waar er sprake is van \'s lands ver-
-ocr page 79-
69
\'dediging, is slechts mogelijk in de ure des gevaars, in tijd
"van oorlog. Dan ja, wanneer de vijand ons onafhankelijk
volksbestaan bedreigt, wijken èn stand, èn geboorte, èn
rijkdom en alle andere beschouwingen. Dan vestigen
allen, rijk en arm, hunne oogen op dat ééne doel: de
vrijheid van het geliefd vaderland; en met dit ééne
•doel voor oogen denkt men aan geen lijf of goed, aan
geen onderscheid van standen; in de ure des gevaars
toch gevoelt ieder mensch zich de gelijke van zijn na-
tuurgenoot. Maar is dan dit gevaar geweken, zoo ge-
voelt men zich aanstonds weer de mensch van meer-
deren of minderen stand, het vrije individu met zijn
eigen rechten en zijn eigen positie. Dwaasheid zou het
dus zijn, zulk een hooggestemd vaderlandslievend ge-
voel, hetwelk alle onderscheid van rang en stand weg-
denkt, te willen opdringen als een ideaal der samen-
leving. Dwaasheid dit geheel buitengewoon gevoel, het-
welk alleen in tijd van oorlog voegt, voor den tijd van
vrede, die 50 a 60 jaar kan duren, te willen onderhouden
en aankweeken, en ter wille hiervan de persoonlijke en
maatschappelijke belangen der burgers op te offeren. En
geheel ten onrechte beweert o. i. de geachte Commissie,
dat door dit gevoel van gelijkheid, door dit plichtbesef,
persoonlijk in het leger opgedaan, de band, welke de
verschillende klassen der maatschappij aaneensnoert, zal
versterkt worden. Op psychologische gronden, die geheel
steunen op de ervaring, meenen wij duidelijk te hebben
aangetoond, dat deze dooreenmenging der standen in het
leger, deze gedwongen gelijkstelling van rijk en arm,
allerlei antisociale hartstochten zou prikkelen, de ge-
moederen des te meer van elkander verwijderen en aldus
de partij van „Becht voor allen\'\'\' machtig in de hand zou
werken.
Neen, persoonlijke dienstplicht of afdaling der hoogere
standen in het leger is niet het middel het volk op te
heffen en het te bevredigen. „La familiarité engendre Ie
mépris\'\\
Afdaling der rijken voorzeker, ook wij willen
-ocr page 80-
70
dit, als een noodzakelijk middel tot oplossing der sociale
quaestie, tot opheffing en ontwikkeling der volksklassen ;
maar eene afdaling in de burgermaatschappij; eene
afdaling door liefdadigheid, hulpbetoon, belangstelling,
minzaamheid en voorkomendheid; een afdaling, die niet
van staatswege den meerdere tegen wil en dank wordt
opgedrongen, en den mindere als een hem eigen recht
wordt voorgespiegeld, maar een vrijwillige afdaling,
. voortkomend uit oprechte menschenliefde, waardoor de
harten der minderen jegens de rijken gunstig worden
gestemd, al blijven zij ook tot hen als tot hunne meer-
deren opzien; eene afdaling eindelijk, die niet is eene
verlaging der rijken, eene nivelleering der standen, ge-
lijk aan die van zekeren bibliomaan, die tot uiterlijk
sieraad zijner boekerij de grootere folianten tot op de
hoogte der kleine boekdeelen liet afzagen, maar eene
afdaling, waardoor alle standen in hunne eigen maat-
schappelijke stelling blijven, doch rijzen in elkanders
achting. Want de rijken zullen stijgen in de achting
der armen, wanneer deze zullen zien, hoe hunne meer
bevoorrechte broeders er op uit zijn hun hulp te ver-
leenen, hunne ellende te lenigen, hen altijd welwillend
te bejegenen; de armen zullen stijgen in de achting der
rijken, naarmate deze door liefdadige ondersteuning en
minzaam dienstbetoon de genegenheid en erkentelijkheid
der minvermogenden zullen verwerven.
Bedriegen wij ons niet, dan zal ook de geachte lezer
van meening zijn, dat door deze ware philanthropie
de band tusschen de verschillende klassen der maatschappij
zal worden versterkt, dat de harten van alle ware Ne-
derlanders, bij alle onderscheid van stand, meer en meer
tot elkander zullen naderen, dat dientengevolge het
socialisme, hetwelk door persoonlijken dienstplicht zoo-
zeer zou worden gebaat, in zijn wortel zal worden
aangetast.
Moge de Regeering dezen weg opgaan ! Dat de socia-
listische woelingen en maatschappelijke ellende in andere
-ocr page 81-
71
militaristische landen haar tot een waarschuwend voor-
beeld strekken! Moge zij, die met den steun van allé
partijen in den lande reeds een belangrijken stap gezet
heeft op den weg der sociale wetgeving, op waardige
wijze hare taak voortzetten, en niet door persoonlijken
dienstplicht, waardoor slechts zaden van ontevredenheid,
afgunst en verdeeldheid zouden worden uitgestrooid, maar
door andere reeds beraamde middelen, en, volgens onze
bescheiden meening, niet in het minst door zedelijke en
geldelijke ondersteuning van philanthropische liefdadig-
heidsinstellingen van alle soort en allerlei gezindte, den
band tusschen de verschillende standen steeds nauwer
toehalen en den geest der sociaal-democratie in ons zoo
vredelievend Nederland bestrijden !
-ocr page 82-
DERDE HOOFDSTUK.
Persoonlijke dienstplicht beschouwd van
bijzonder nationale zijde.
Waarom zijn ivij tegen persoonlijken dienstplicht ?
Omdat persoonlijke dienstplicht I breekt met geheel onze
historie,
II strijdt met de goede hoedanigheden van ons
volkskarakter.
I. Persoonlijke dienstplicht breekt met onze historie.
\'t Is een der waarheden, die om hare eenvoudige juist-
heid zoo dikwijls zijn herhaald: de geschiedenis is
het leven van een volk. Aan zijne historie heeft het
zijn ontstaan te danken. Allerlei omstandigheden van
afkomst en ligging, van aard en zeden, van taal en
godsdienst, van oorlog en vrede hebben het van alle na-
burige volken afgezonderd en tot een zelfstandig geheel
gevormd. In zijn historie vindt een volk mede zijn recht
van bestaan, zijn titel van wettigheid. Want al zou ook
de oorsprong van zulk een onafhankelijk volksbestaan
twijfelachtig of ongeldig zijn, door het recht van praes-
criptie wordt na verloop van tijd de feitelijke toestand
een wettelijke. Meer nog; ook de ontwikkeling en be-
schaving van een volk moet geschieden langs histori-
schen weg. Wil een volk leven en bloeien, dan moeten
zijn bestuur, zijn wetten en gebruiken gegrond zijn,
allereerst voorzeker op recht en billijkheid, maar ver-
volgens ook op zijne historie en tradities. Hoemeer het
-ocr page 83-
73
zich in deze richting ontwikkelt, des te krachtiger leeft
het volksbewustzijn, des te zelfstandiger gevoelt het zich,
des te hechter is dan zijn bestaan, des te zekerder zijn
toekomst. Breekt het echter met zijne geschiedenis, dan
verzwakt zijne nationaliteit, zijn veerkracht kwijnt, zijn
eenheid met het verleden is gebroken, en het publieke
geweten mist een. sterken steun voor de ure, waarop de
onafhankelijkheid van dat volk wordt bedreigd. \')
Welnu, bij geen volk in Europa zou persoonlijke dienst*
plicht zoo antihistorisch zijn, als bij het Nederlandsche
volk; geen land zou daardoor zoozeer breken met zijne
historie en traditie, als ons vaderland.
Het zal voorzeker overbodig zijn, hierover breedvoerig
uit te weiden, daar het eiken ontwikkelden lezer bekend
is, dat wij onze grootheid in de 17de en 18de eeuw, onze
macht en onzen politieken invloed op andere Staten van
Europa hebben te danken gehad, niet aan onze Holland"
sche soldaten, maar aan ons Hollandsch geld. Onze ma-
rine ja, zij heeft altijd bestaan uit Hollandsche en Zeeuw
sche matrozen; maar ons landleger, hetwelk Maurits,
Frederik Hendrik en Willem III zoo dikwijls ter zege
wisten te voeren, was steeds voor het grootste gedeelte
samengesteld uit Duitsche, Schotsche en Waalsche huur-
benden, die, dikwijls zelfs onder vreemde officieren, hunne
vrijheid en hun leven veil hadden voor ons geld. De eigen
zonen van het .vaderland legden zich hoofdzakelijk toe op
handel en zeevaart, op het fabriekwezen en de verbetering-
van den landbouw, en wisten zoo de tonnen gouds te
verzamelen, waardoor vreemde fortuinzoekers werden ver-
lokt, om onzen geboortegrond te verdedigen en ons zulk
een belangrijke staatkundige rol te doen spelen. En on-
danks het eindeloos gekibbel der provinciën, te wier
1) „Een volk is iets meer dan eene verzameling van menschen, die
„zich vereenigd hebben om hunne belangen te bevorderen; het is iets
„meer dan eene handelmaatschappij of een vennootschap; wat een volk
„uitmaakt, dat is vooral zijne geschiedenis, zijn verleden, dat het den
„waarborg geeft, dat het een toekomst zal hebben." Aldus zeer ter zake
W. J. Knoop (De Gids, 1862, II, bl. 380).
-ocr page 84-
74
repartitie de verschillende vendels en compagnieën ston-
den, wisten de staten toch altijd de noodige sommen
bijeen te garen om door vreemde huurlingen ons goed
recht te doen beschermen. Kortom, meer door ons geld
dan door ons bloed, d. i. meer door dienstvervanging
dan door persoonlijken krijgsdienst, hebben wij ons tot
zulk een toppunt van welvaart en bloei weten te ver-
heffen, en zulk een gewicht gelegd in de politieke schaal
van Europa. \')
Ofschoon wij nu gaarne erkennen, dat deze toestanden
in onze 19de eeuw niet meer mogelijk zouden zijn, blijkt
hieruit toch meer dan voldoende, dat het beginsel van
dienstvervanging, of het overnemen van den dienstplicht
in het leger tegen een vrij bedongen loon, bij
het Nederlandsche volk inheemsch is en geheel en al
strookt met en steunt op onze geschiedenis; dat
daarentegen persoonlijke dienstplicht, of het belemmerend
optreden van den Staat in handel, nijverheid en andere
bronnen van volkswelvaart en rijkdom bij ons, meer dan
bij eenig ander volk, antihistorisch is, eene omwenteling
in geheel ons volksleven, in casn: in geheel onze geschie-
denis;
dat derhalve een wetsvoorstel tot afschaffing der
dienstvervanging geen ontwikkeling of beschaving zou
zijn van ons volk langs historischen weg, maar een breken
met al onze tradities.
Deze reden moest, dunkt ons, vooral voor de antire-
volutionnaire partij in den lande van doorslaand gewicht
zijn. Zij toch neemt als grondslag van hare rechtsbe-
schouwing de theorie aan van Stahl, gelijk die door den
genialen Groen van Prinsterer in het antirevolutionnaire
program is ontwikkeld. Volgens deze theorie nu ontleent
de Staat wel is waar zijn recht, om wetten in geweten
verbindend te maken, aan den Wil van God, maar gelijk
deze wordt geopenbaard door de historie van, een volk.
Hieruit volgt, dat hoe meer eene wet overeenkomt met
die historie, zij ook des te rechtvaardiger zal zijn.
1) Van Ramingen te Parijs.
-ocr page 85-
75
Wijl nu eene legerorganisatie met persoonlijken dienst-
plicht geheel en al in strijd is met onze geschiedenis en
met het defensiewezen van ons roemrijk voorgeslacht, zoo
is, volgens deze bescheiden meening, de paragraaf omtrent
de afschaffing der dienstvervanging in het program der
antirevolutionnairen eene inconsequentie met hunne prin-
cipes van rechtsbeschouwing.
Ofschoon nu de andere partijen in ons vaderland deze
rechtsprincipes der historische school in dien zin niet
zoo onvoorwaardelijk aannemen, zullen toch allen er-
kennen, dat het zeer redelijk is en geheel overeenkom-
stig de uitspraken van het gezond verstand, dat de re-
geering zich in hare wetgeving laat voorlichten en leiden
door de geschiedenis, het aloude positieve recht, de zeden
en gewoonten, het karaker en den geest van het volk,
kortom, dat zij het volk tracht te ontwikkelen en beschaven
langs historischen weg. 1) Met deze geleidelijke, historische
ontwikkeling van ons Nederlandsch volk strijdt echter,
gelijk wij hebben aangetoond, de persoonlijke dienst-
plicht, waardoor de regeering, geheel tegen den geest
onzer voorvaderen, zonder dringende noodzakelijkheid
inbreuk zou maken op de individueele vrijheid en het sou-
vereine recht van plaatsvervanging, en belemmerend zou
optreden op het gebied van maatschappelijke welvaart.
II. Persoonlijke dienstplicht strijdt met ons volkskarakter.
Met de geschiedenis van een volk is zijn karakter ten
nauwste verbonden; de geschiedenis toch is meestal
niets anders, dan de uitingen van dat karakter in het
verleden. Doch deze historische gebeurtenissen zijn op
hare beurt, tegelijk met de bijzondere wetgeving, kli-
maat en beroepsbezigheden, de machtigste factoren,
welke aan elk volk dat eigenaardig karakter geven, het-
welk bij min of meer gebreken zich door tal van goede
hoedanigheden van dat zijner naburen gunstig zal onder*
1) Opzoomer, pag. 75.
-ocr page 86-
76
scheiden. Zonder nu op andere volken te willen smalen,
mogen wij toch met rechtmatige fierheid bogen op de
edele hoedanigheden van ons volkskarakter.
De Nederlander is vrijheidlievend, wars van dwinge-
landij en despotisme. Als vijand van alle vervolging heeft
hij te allen tijde den verjaagden vreemdelingen zijn gast-
vrijen bodem als toevluchtsoord aangeboden, hun als
verdrukten zelfs een goed hart toegedragen l). Zijn vrij-
heidszin zal echter niet licht in losbandigheid ontaarden.
Neen, aangeboren zucht tot vrede en orde zal hem als
vanzelf de uitspattingen eener bandelooze vrijheid doen
vermijden. Wel niet uit dwang, maar uit redelijkheid,
overtuiging en plichtbesef zal hij de gestelde inaatschap-
pelijke orde eerbiedigen en bewaren.
Wat echter het meest, naast de geschiedkundige om-
standigheden, heeft bijgedragen om in den loop der
eeuwen dit vrijheid- en ordelievend karakter te vormen,
is de stand van het grootste gedeelte onzer burgerij,
de handelsstand. Want vóór alles is de Nederlan-
der een man van zaken 2). Welnu, om zaken te doen
wordt zoowel onbelemmerde vrijheid als verzekering
van orde en rust, bewaring van den vrede vereischt.
Als man van zaken is hij ook over \'t algemeen een
ernstig, rustig en verdraagzaam burger, geen hartstoch-
telijk dweper: de vrijheid, die hij voor zich zelven
verlangt, gunt hij ook gaarne een ander. Bijaldien zijne
zaken slechts vooruitgaan, is hij voldaan en tevreden.
Politiek laat hij dan ook \'t liefst aan de „Heeren" over,
1)    „In geen land ter wereld, zelfs niet in Engeland en Amerika, heeft
„sedert drie eeuwen, vergelijkenderwijs, meer vrijheid geheerseht dan ten
„onzent." Mr. A. F. de Savornin Lohman, Gezaij en vrijheid, bl. 248.
2)    Wat Van der Palm in zijn „Gedenkschrift" van onze hoofdstad
zegt, zou men op bijna alle steden en grootere dorpen van ons vaderland
kunnen toepassen, en dientengevolge kunnen beweren: in Nederland
leeft alles van den handel. Natuurlijk nemen wij hier het woord „han-
del" in uitgebreiden zin, voor groot- en kleinhandel, voor nering en han-
teering, voor allen onderlingen koop en verkoop, zoodat wij hieronder
zelfs onze industrie, die de grondstof, meestal uit den vreemde, inkoopt
en na verwerking verkoopt, willen begrepen hebben.
-ocr page 87-
77
mits men hem niet treffe in zijn vrijheid, zijn godsdienst
en zijn koning. In den omgang stelt hij rechtmatigen
prijs op achting en genegenheid, is daarom deftig e»
beschaafd, vriendelijk, getrouw en gulhartig. Met zulke
goede eigenschappen slijt hij onder de zijnen een ge-
noeglijk en vreedzaam leven,\' en weet ook in den
vreemde zijn landaard te doen hoogschatten en eerbie-
digen. Tevens is dit karakter een zekere waarborg voor
den Staat. Want, gelijk hij niet kan dulden, dat deze
op zijn individueele vrijheid inbreuk maakt en den gang
zijner eigene zaken stoort, zal hij zich ook\'niet te onpas
in regeeringszaken mengen. Verder is deze bloei zijner
tijdelijke belangen een krachtige steun voor geheel den
Staat, eene bron van milden zegen voor alle klassen
der maatschappij. Ziedaar slechts enkele schoone trekken
van ons echt Nederlandsch volkskarakter, gelijk het
zich in de geschiedenis voordoet en zich nog steeds,
vooral bij de middelklasse en den meergegoeden stand,
in het dagelijksch leven openbaart.
Welnu, wij zijn innig overtuigd, en wij willen deze
overtuiging niet ontveinzen, dat het militarisme, zoo
persoonlijke als algemeene dienstplicht, op den duur een
ontadelenden invloed zou oefenen op deze goede hoe-
danigheden van ons volkskarakter. Immers waar blijft
die edele vrijheidszin, dat gevoel van onafhankelijkheid,
wanneer men, juist in de jaren waarin het karakter
wordt gevormd, tot het gedwongen kazerneleven wordt
veroordeeld, op onwaardige wijze gedrild, met norsche
bevelen begroet, dikwijls met vloeken en verwenschin-
gen overladen? Want dat dit alles ook bij persoonlijken
dienstplicht zal plaats grijpen, getuigt de ondervinding
in het bij uitstek militaristische Pruisen, waar het sol-
datenleven „ein Hundenleben" wordt genoemd \') en
]) Meermalen hebben ons Duitschers gesproken van den groven toon
en de min humane behandeling, welke ook meergegoede jongelingen
zich in het leger moeten laten welgevallen van hen die onmiddellijk
over hen gesteld zijn. Natuurlijk moet men tijdens de exorcitiën zijne
-ocr page 88-
78
waar tengevolge dier onmenschelijke behandeling de zelf-
moorden vijfmaal meer in het leger voorkomen dan in
de burgermaatschappij \'). Mogen wij niet met grond
aannemen, dat onze vrijwillige eerbied en hoogachting
voor het gezag, onze ordelievendheid zal ontaarden in
gedwongen deemoed en slaafsche vrees voor „polizei"
wanneer wij bijv. den ijzeren kanselier, als vertegem
woordiger der regeering, hooren zeggen: „Wirbrauchen
keine Sympathie, nur G-ehorsam?" Zulk eene uitdrukking
teekent het diep verval der zedelijke verhouding tusschen
het gezag en het volk in een militaristischen Staat. En
zal deze verhouding ook in den boezem der natie niet
onvermijdelijk aankweeken, van den eenen kant een
geest van trots en minachting bij de meerderen in
gezag en aanzien, aan den anderen kant een geest van
lage vleierij en kruiperij, ten koste van ons gulenopen
karakter, van ons frank en vrij gemoed ? Mag men ook
niet veronderstellen, dat, tengevolge van het kazerne-
verkeer, die beleefdheid van vormen, die vriendelijkheid
van voorkomen langzamerhand plaats zal maken voor
stuursehheid en onhebbelijkheid van manieren ? Wat zal
er worden van dat fiere bewustzijn onzer persoonlijke
rechten en vrijheden, van dat rechtmatig gevoel van
eigenwaarde, wanneer ons als hoogste ideaal wordt
voorgespiegeld, kanonnenspijs \') te leveren voor het heil
verontwaardiging verkroppen. Doch na de exercitifn in den vrijen tijd,
dan gebeurde het dikwijls, zoo verhaalde ons iemand, die tijdens
zijne studiën als einjiihrige gediend had, dat de meer gefortuneerde ein-
j&hrigen zulke sous-lieutenants of korporaals met zich naar Wirthschaft
of Kneip namen, ze daar goed op bier, wijn of sterken drank onthaalden,
tot zoolang ze min of meer in beschonken toestand verkeerden. Dan
eerst gaf men door slaan, stooten, schoppen en dergelijke liefelijkheden
meer, zijner verontwaardiging lucht en werd de wraak gekoeld. Op deze
wijze deed men zich recht wedervaren. Of persoonlijke dienstplicht, die we-
gens de ongelijkheid van stand en fortuin, zulke tooneelen met zich
meebrengt, bevorderlijk zal zijn aan de zedelijkheid in het leger, de be-
schaving van ons volk en de veredeling van ons karakter, laten we on-
zen lezers ter beoordeeling.
1) Chair & canon, eene uitdrukking, die, naar men wil, het eerst ge-
bruikt werd door Napoleon.
-ocr page 89-
79
van den despotieken Staat? Zal verder het rustig en
bezadigd karakter van onzen nijveren burgerstand niet
ontaarden in politieke hartstochtelijkheid en dweperij,
in kleingeestige verdrukkingszncht, tot groot nadeel van
ons anders zoo vreedzaam vaderland ? Zal ook die geest
van persoonlijk initiatief, zoo eigen aan alle vrije volken,
die praktische handelsgeest, waarmede te allen tijde de
bloei van onzen Staat ten nauwste verbonden was,
niet worden bedreigd? Zal die lust en ijver, die ernstige
behartiging der zaken geen gevaar loopen, wanneer zoo-
vele jongelingen de opleiding in hun stand zullen moeten
onderbreken, om zich met geest en hart toe te leggen
op een bedrijf, waarvoor een geheel verschillend karakter
als voor den stand hunner keuze vereischt wordt?
Het antwoord op deze vragen laten wij den geachten
lezer over ; toch kunnen wij ons niet weerhouden, vooral
omtrent het laatste punt het gezag aan te halen van
den in Duitschland zeer geroemden Professor von Holt-
zendorff, die onomwonden verklaart, welk een ongunsti-
gen invloed het militarisme en het bureaucratisch be-
stuur op het volkskarakter en de nationale werkkracht
uitoefenen. „Wenn Amerika, gegenwilrtig, trotz seiner
hinter Deutschland weit zürückstehenden Schulen, so er-
staunenswerthe Fortschritte auf dem Gebiete der Tech-
nik macht, und Deutschland, trotz seiner zahlreichen
Unterrichtsanstalten, vergleichungsweise erfindungsarm
in neuerer Zeit sich erwiesen hat, so rührt dies grosz-
entheils daher, dasz MiUtar und Beamtcnthum als An-
ziehungspunkte für den Amerikaner wenig in Betracht
kommen; das Talent der Amerikaner steekt vorwiegend
in der Advocatur und in der Technisch-wirthschaftlichen
Arbeit, wahrendumgekehrt in Deutschland die Anziehungs-
kraft der Armee, cl. h. die lebenslangliche Officiers- Carrière,
und des Staatsdienstes eine sogroszeist, dasz unser icirth-
schaftliches Leben nothioendig eine Beschrankung erleiden
musz.
Wer in den einander entsprechenden Gesellschafts-
schichten der Englander und der Deutschen Vergleichun-
-ocr page 90-
80
gen anstellt, kann nicht umhin, anzuerkennen, dasz in
Deutschland unter den jungen Leuten zwischen 16 bis
20 Jahren das Wissen, in England das Können und
Wollen starker entwickelt ist.... Das Staatsbeamten-
thum und die militürische Carrière
in Deutschland, ös-
terreich und Italien zerstören wahrscheinlich, indem sie
einen groszen Theil der Talente absorbiren, auch einen
groszen Theil des Unternehraungsgeistes, der in England
und Amerika dem wirthschaftlichen Gebiet erhalten bleibt:
der Grandzug, wenn nicht gerade der Charakterlosigkeit,
so doch einer weichen Passivüdt und vorsichtigen Zurückhal-
tung, wird innerhalb der gebildeten Klassen Deutschlands
immer allgemeiner .
.. strenge Disciplin, Unterordnung eige-
ner Meinung, Verzichtleistung und Geltendmachungpersönli-
cher Uberzeugung, diesc Forderungen stehen, weü sie die
persönliche Initiative hemmen, im Wiclerspruch zu den
Grundbedingungen wirthschaflichen Gedeihens." l)
Na dit getuigenis van een Duitscher, Hoogleeraar in
het staatsrecht, moet het onzen lezer zeker bevreemden,
wanneer hij in het Rapport van de meerderheid der
Defensie commissie leest: „Voorts zal de invoering van
„den persoonlijken dienstplicht binnen enkele jaren een
„fier gevoel van weerbaarheid en volkskracht wekken,
„dat een allerheilzaamsten invloed moet uitoefenen in de
„verschillende richtingen, waarin de nationale ioerkzaam-
„heid zich openbaart."
(blz. 21.)
Men ziet het, de commissie verwacht van persoonlijken
dienstplicht voor ons Nederlanders juist het tegenover-
gestelde van datgene wat er, volgens Prof. Von Holt-
zendorff, voor de Duitschers uit is voortgevloeid. Wij
voor ons kunnen in de woorden der Commissie, die als
tweede argument tot aanbeveling van persoonlijken
dienstplicht moeten gelden, weinig anders zien dan eene
bloote bewering, die gelogenstraft wordt door het gezag,
1) Aldus in de Augsburger „Allgemeine Zeitung", een der hoofdorga-
nen der Duitsche Professoren. Nr. 136, Beilage, 16 Mai 1882.
-ocr page 91-
81
door de feiten en door het gezond verstand. En, naar
we meenen, zal ook de geachte lezer na deze beschou-
wingen met ons de overtuiging deelen, dat persoonlijke
dienstplicht, of de inlijving van den burgerstand in het
gros des legers, eene omwenteling zou zijn in ons volks-
karakter,
hetwelk als de ziel en het beginsel is van ons
volksleven, eene omwenteling echter, die niet eene ver-
edeling en eene ontwikkeling zou zijn, maar eene ver-
bastering van onzen nationalen, antimilitaristischen aard.
Verre zij het van ons, hiermede de minste blaam te
willen werpen op den hooggeschatten militairen stand,
voor wiens bijzonder karakter wij persoonlijk alle respect
hebben. Zelfs hebben wij het genoegen gehad officieren
onder onze intieme vrienden te hebben. Maar iets anders
is het, voor een jongeling uit de meergegoede klasse
als officier over minderen het bevel te voeren en in al-
les volgens zijn stand te worden behandeld, iets anders
met jongelieden uit het lagere volk te moeten leven en
als eenvoudig recruut op eene zijn stand onpassende
wijze te worden gedrild. Een ieder ziet, dat deze dienst
bij de minderen van het leger een geheel anderen
invloed zal hebben op karaktervorming, dan het meer
vrije officiersleven.
Daarenboven heeft ieder mensch van natuur zijn eigen
geaardheid, zijne bijzonder goede hoedanigheden, zijn
neiging en inborst, welke hem meer voor het een, dan
voor het ander geschikt maken. Aan alle standen den-
zelfden stand, aan alle burgers hetzelfde karakter, met
name het militaire karakter, te willen opdringen, zou
geen volmaking en ontwikkeling zijn, maar verwringing
en verkrachting van de natuur en hare neigingen. In
plaats van de bijzonder goede, waarvoor men geen aan-
leg heeft, zou men de slechte hoedanigheden, die gelijk
eiken stand ook den krijgsmansstand niet vreemd zijn,
overnemen. Wil men degelijke karakters vormen tot groo-
ten bloei van Staat en maatschappij, dan ontwikkele
men den militairen geest onder de militairen, en eerbie-
6
-ocr page 92-
82
dige overigens het eigenaardig cachet van de andere stan-
den, in \'t bijzonder van onzen uitgebreiden handelsstand,
die te allen tijde het meest heeft bijgedragen tot het
welzijn van ons vaderland en wiens kenschetsende goede
hoedanigheden geheel verschillend zijn van de goede
hoedanigheden van den krijgsmansstand. Dat fiere en
krijgshaftige, hetwelk den soldaat siert, is niet noodig
in den bezadigden man van zaken ; die liefde voor strenge
discipline, die zucht naar roem en naar het eenigszins
avontuurlijke, welke den militair eigen is, zou misplaatst
zijn in den vrijen, ordelievenden burger; dat afstand
doen van eigen inzicht en individueele overtuiging, het-
vvelk zelfs bij officieren vereischt wordt, zou slechts hin-
derend werken op den geest van initiatief en persoon-
lijke onderneming, welke steeds den vrijen Nederlander,
evenals den Engelschman en den Amerikaan, heeft on-
derscheiden. Men late eiken stand zijn eigen karakter,
en ons vaderland zal er wel bij varen.
Men zegge nu ook niet, dat wij ten believe van de
middelklasse, die van de plaatsvervanging profiteert, het
karakter van het mindere volk prijsgeven. Want het
gedwongen kazerneleven zal op den minderen man, die
reeds volgens zijn stand meer afhankelijk is, niet zulk
een invloed hebben als op het karakter van den vrijen
burger uit de middelklasse, daar de leefwijze van een
gewoon soldaat niet zeer verschillend is van de leefwijze
van den stand, waarin hij geboren en opgevoed is.
Daarenboven zal de middelstand altijd en overal, doch
vooral in Nederland, de eigenlijke kern en het karakter
eener natie blijven vormen. Van de vrije en onbelem-
merde ontwikkeling van dezen stand, van den invloed
van zijn eigenaardig karakter zullen ook de welvaart en de
goede of slechte hoedanigheden der lagere standen, ja
de bloei van geheel den Staat afhangen. Welnu, die kern
onzer natie was eeuwenlang en is nog altijd antimili-
taristisch gezind.
Deze gezindheid van ons volk toonde zich vooral, toen
-ocr page 93-
83
voor het eerst de conscriptie, niet door eigen vorst
of gezag werd ingevoerd, maar door vreemde overheer*
sching ons werd opgedrongen. Hoe gehaat de wet van
1811 bij ons volk was, tot welke droevige tooneelen
zij, o. a. te Amsterdam, heeft aanleiding gegeven, weten
nog velen onzer van hooren zeggen en kan een ieder
lezen in de geschiedenis dier dagen. Die gemeenschappe-
lijke haat tegen gedwongen krijgsdienst heeft niet wei-
nig bijgedragen, om alle partijen en standen de handen
ineen te doen slaan, ten einde het Fransche juk af te
schudden.
Toen dan ook Willem I, als Koning der Nederlanden,
de souvereiniteit had aanvaard, was het zijn innig ver-
langen, aan dezen algemeenen volkswensch te voldoen
en de conscriptie af te schaffen. Wegens financieele om-
standigheden kon hiertoe echter niet aanstonds worden
overgegaan. Toch werd in de Grondwet van 1814 en
van 1815 het beginsel opgenomen, dat het leger uitslui-
tend,
en de nationale militie zooveel mogelijk uit vrijwil\'
ligers moet bedaan
; de conscriptie werd slechts behou-
den, in zoover zij volstrekt noodzakelijk zou zijn als
aanvulling der vrijwilligers. Dat het hiermee ernstig ge-
meend was blijkt hieruit, dat tot 1829 tegen niet geringe
kosten een viertal regimenten door recruteering in
Zwitserland en Nassau voltallig werden gehouden. De
artikelen der Grondwet van 1848 waren ongeveer eens-
luidend met die van 1814 en 1815 i). Daar echter de
toestand van Europa sinds 1848 merkelijk was veran-
derd, en de oude Grondwet door tal van bijzondere
bepalingen de vrijheid van den gewonen wetgever te
1) Art. 178 der Grondwet van 1848 luidde : „De Koning zorgt dat er
„te allen tijde een toereikende see- en landmacht onderhouden worden,
„aangeworven uit vrijwilligers, hetzij inboorlingen of vreemdelingen, om
„te dienen in of buiten Europa naar omstandigheden." Art. 180: „Er is
„steeds een nationale militie, zooveel mogelijk samen te stellen uit. vrijivilli-
„gers,
om te dienen op de wijze in de wet bepaald." Art. 181: „Bij ge-
„brek aan genoegzame vrijwilligers wordt de militie voltallig gemaakt door
„loting uit de ingezetenen."
-ocr page 94-
84
veel aan banden had gelegd, werden in de nieuwe
Grondwet van 1887 vele punten geschrapt en slechts
vastgesteld, dat het leger zou bestaan „uit vrijwilligers
en dienstplichtigen",
zoodat ook thans nog de vrijwilligers
op de eerste plaats staan.
Hoe hatelijk en; drukkend nu ook de last der con-
scriptie sinds Neerland\'s herstel gebleven was, toch kon
men, daar plaatsvervanging en nummerverwisseling was
behouden, er zich in schikken, èn wijl de Staat
slechts het volstrekt noodzakelijke eischte, èn wijl daar-
door handel en nijverheid, kunst en wetenschap niet
merkelijk werden benadeeld, èn wijl de meergegoeden,
voor wie het soldatenleven het drukkendst zou zijn, zich
hiervan konden loskoopen, terwijl op deze wijze tevens
duizenden uit de volksklasse als reinplagant in den krijgs-
dienst een goede verdienste vonden. Door persoonlijken
dienstplicht zou echter het militarisme zich in al zijne
hatelijkheid vertoonen en vooral de kern en kracht dei-
natie tegen de borst stuiten, als geheel strijdig met haren
aard en haar karakter. Want, ja, zoolang Nederland het
land zal blijven der individueele vrijheid tegenover staats-
absolutisme, zoolang het Nederlandsche volk de over-
tuiging zal koesteren, dat zijn grootheid gelegen is in
den bloei van handel en nijverheid, en dat hiervoor vrije,
door den staat niet belemmerde ontwikkeling vereischt
wordt, zoolang het trotsch zal blijven gaan op zijne vrij-
heidsliefde en verdraagzaamheid, op zijne bezadigdheid
en goedhartigheid, op zijn geest van werkzaamheid en
onderneming, kortom op het karakter, hetwelk de vrucht-
bare bron is geweest van zijn roemrijk verleden, zoolang
ook zal het met hart en ziel gekant blijven tegen persoon-
lijken dienstplicht en alle militaristische strekkingen, zoo-
lang zal het dat karakter, het door zijn voorvaderen over-
geleverd, eerbiedigen, en, bij den vasten wil zijn vaderland
en zijn Koning desnoods met lijf en goed verdedigen,
toch eer door geldelijke, dan door onnoodig afgedwongen
persoonlijke lasten zijne onafhankelijkheid handhaven!
-ocr page 95-
85
Na dit alles zal het den weiwillenden lezer niet moeilijk
zijn te antwoorden op verschillende redenen van paeda-
gogischen aard, waardoor de militaristen de wensche-
1 ijkheid van persoonlijken dienstplicht trachten te betoogen.
Zoo spreekt de hooggeschatte Defensie-commissie van
„een fier gevoel van weerbaarheid en volkskracht", hetwelk
zal worden opgewekt; en verder geeft zij als vierde argu-
ment: „Boor de invoering van persoonlijken dienstplicht
zxdlen ook de zonen der meer gegoeden de uitstekende oe-
fenschool van het leger doorloopen en zal hun op de duide-
l\'vjkste wig ze onder het oog vjorden gebracht, dat ook op
hen, als burgers van het vaderland, ernstige niet af te
koopen plichten rusten."
(blz. 21).
Men beweert dan onder andere, dat door het dienst
nemen der meergegoeden in het leger de liefde voor het
algemeen belang en de persoonlijke behartiging van
\'s lands zaken meer zal toenemen, dat men dan gewil-
liger de lastposten op zich zal nemen, waaraan thans zoo-
velen uit onverschilligheid of gemakzucht zich zoeken te
onttrekken
Wij meenen dit te moeten ontkennen, en\'gelooven,
dat die geest van persoonlijke toewijding, van deelneming
aan het algemeen welzijn niet samenhangt met persoon-
lijken dienstplicht in het leger. Een afdoend bewijs hier-
voor vinden wij in Engeland, waar noch conscriptie noch
persoonlijke dienstplicht bestaat, terwijl toch in geen
land ter wereld het volk in al zijne standen in zoo hooge
mate, met opoffering van bijzondere belangen, deelneemt
aan de openbare zaken en aangelegenheden, als in dat
land der klassieke vrijheid. De reden hiervan is, dat hoe
meer de Staat de individueele vrijheid eerbiedigt, des te
meer zullen ook de burgers zich zedelijk verplicht ge-
voelen hem hunne wederzijdsche persoonlijke diensten
aan te bieden. Het militarisme of persoonlijke dienstplicht
zou o. i. juist het tegenovergestelde bewerken van wat
zijne voorstanders beoogen ; het zou langzamerhand den
geest van kortzichtige, hatelijke bureaukratie invoeren
-ocr page 96-
86
met haar leger van bezoldigde beambten vol verwaand"
heid en onuitstaanbaren trots.
Persoonlijke dienstplicht, zeggen velen, zal op onze
jongelingen uit de meergegoede standen een allerheil-
zaamsten invloed oefenen ; dan zullen zij leeren gehoor-
zamen, zich onderwerpen aan het gezag; zij zullen zich
gewennen aan orde en tucht, zich zelve leeren beheer-
schen en bedwingen, hunne weekelijkheid overwinnen;
kortom in die uitstekende oefenschool van het leger zal
geheel hun karakter worden gevormd en verbeterd.
Ons dunkt, dat de militaristen die aldus redeneeren,
weinig achting koesteren voor ons nationaal karakter.
Men zou bijna zeggen, dat zij er verlegen voor zijn,
terwijl zij met hoogen eerbied opzien tegen den militai-
ren aard van andere natiën ! Wij zouden dezen geachten
heeren den raad geven, hunne blikken te wenden niet naar
onze oostelijke, maar naar onze westelijke naburen aan
de overzijde van het Kanaal, naar het vrije Engelsche volk,
waarmede wij èn in geschiedenis, èn in karakter, èn in
bronnen van welvaart veel meer overeenkomst hebben,
dan met het militaristische Pruisen. Neen, wij behoeven
ons niet te schamen over onzen landaard ; integendeel, wij
mogen fier gaan op onzen edelen vrijheidszin, op onze
ordelievendheid en onze ongedwongen onderwerping aan
het wettig gezag, op ons plichtbesef, op onze rondbor-
stigheid, op onzen waardigen eenvoud, op onzen moed
en onze standvastigheid, in één woord op al die nationale
deugden, welke onze vaderen hebben gesierd, en welke
ook ons zullen blijven sieren, zoolang het dwangjuk van
het militarisme onze schouderen niet zal knellen. Men
late aan andere natiën hun militaristischen geest met zijne
eigenaardige hoedanigheden, maar verbastere niet ons
edel Hollandsch karakter door inmenging van vreemde
smetten. \')
1) Wij gelooven het argument der militaristen met meer kracht te
kunnen retorqueeren. Het aanleeren van orde en tucht is juist een reden
voor het behoud der plaatsvervanging. Zeker toch is het, dat de minder-
-ocr page 97-
87
Maar toegegeven eens, het ontbrak onzen jongelingen
meer dan die van andere volken aan genoemde goede
hoedanigheden, van waar heeft dan de Staat het recht,
de opvoeder en zedenmeester te zijn der individuen?
Dit is het recht en de plicht der ouders, voor zoolang
kinderen onder hun gezag staan. Verder moet
ieder voor zich, zonder staatsdwang maar uit vrije be-
weging en overtuiging, zijn eigen goede hoedanigheden
ontwikkelen. Dit streng persoonlijk recht aan den Staat
toe te kennen druischt in tegen alle gezonde rede, is
omverwerping van alle orde, inéénsmelting van alle
andere plichten tot staatsplichten. Eindelijk meenen wij
onzen lezers genoegzaam te hebben aangetoond, dat het
leger, het moge ook al een uitstekende oefenschool zijn
om den fleren militairen geest onder militairen aan te
kweeken, toch niet de geschikte plaats is tot vorming
van het eigenaardig Hollandsch burgerlijk karakter, dat
integendeel door deze dwangmaatregelen van den abso-
luten Staat vele van de goede hoedanigheden, door
onze vrije voorvaderen overgeleverd, langzaam maar
zeker zouden verdwijnen.
Meermalen hoort men ook in onze dagen van milita-
ristische zijde beweren, dat het Nederlandsche volk niet
meer bezield is met die opofferende vaderlandsliefde, welke
ons roemrijk voorgeslacht in de verdediging van den
geboortegrond heeft betoond, dat, vooral tengevolge van
den meer dan vijftigjarigen vrede, dien wij hebben mogen
genieten, de geestkracht van ons volk, ons nationaal
eergevoel is verslapt. Voer persoonlijken dienstplicht in,
gegoede volksklasse, die van alle zijden wordt aangespoord, de maat-
schappelijke orde te verbreken en alle tucht te versmaden, deze leer-
school des legers veel meer noodig heeft dan de meergegoede, die van
nature en uit eigenbelang meer ordelievend is. Welnu, door het intreden
dezer meergegoeden in het leger, zullen nat uurlijk hunne minvermo-
gende plaatsvervangers grootendeets in de burgermaatschappij blijven,
en alzoo verstoken zijn van deze leerschool van tucht en orde. Het heil
van den Staat vordert dus ook in dit opzicht behoud der plaatsver-
vanging.
-ocr page 98-
88
zeggen ze, en het patriotisme zal herleven, „een fier ge-
voel van weerbaarlmd en volkskracht" z&\\
worden opgewekt:
dan zal ook den zonen der meergegoeden „op de duide-
„li/jkste wijze onder de oogen worden gebracht, dat ook
„op hen, als burgers van het vaderland, ernstige niet af
„te koopen plichten rusten.1"
(t. a. p.).
Onzes inziens hebben onze geachte tegenstanders niet
begrepen, waarin het geheim schuilt van het patriotisme
bij ons volk. De ware liefde tot het vaderland wordt
niet ingeboezemd door gedwongen krijgsdienst en het
noodeloos verzwaren van persoonlijke lasten ; want liefde
laat zich niet met den knoet „einprügeln." Verre van
daar! De duizenden jongelingen uit alle standen, die
jaarlijks het Duitsche vaderland verlaten, om den dienst-
plicht te ontgaan en in Amerika of elders een vrijer
oord te zoeken, zouden reeds een bewijs leveren van de
onhoudbaarheid dezer bewering \'). Neen; de ware vader-
landsliefde — wij spreken natuurlijk niet van een zieke-
lijk heimwee, wanneer men in den vreemde is, noch ook
van zekere momentane, door krijgsmuziek of hoe dan ook
opgewonden geestdrift, maar van eene mannelijke liefde,
die zich toont door den onverzettelrjken wil ten koste
van goed en bloed zijne onafhankelijkheid tot het uiterste
te verdedigen — deze ware vaderlandsliefde berust niet
op dwang, maar op overtuiging, op het bewustzijn van
1) Een Pruisische Regierungs-President te Keulen wandelde eensmet
zijn secretaris langs de oevers van den Rijn, toen een stoomboot met
landverhuizers voor Amerika bestemd, voorbijging. „Schade doch für
das Vaterland !" zeide de President tot zijn Secretaris, ,,sehen Sie einmal
diese gesunden Kerle mit breiten Schultern; was würden das gute Sol-
daten sein! Würde es denn kein Mittel geben, diese Auswanderung zu
verhindern?" Een werkman, die in de nabijheid deze woorden had op-
gevangen, waagde het toe te treden. „Entschuldigen Sie mich, Excellenz".
zeide hij, „ich kenne solch ein Mittel." President: „Was soll er?" Werk-
man : ..Euer Excellenz haben nur in die KölnischeJZeitung einrücken zu
lassen, Amerika sei Preusisch geworden." Deze anecdote of geschiedenis,
welke in Westelijk Duitschland met veel genoegen wordt oververteld.
geeft het juiste antwoord op eene dubbele vraag: Hoe beschouwt de
regeering in een militaristische]] staat zijne burgers ? — Hoe groot is d"
vaderlandsliefde dezer burgers tengevolge van het militarisme?
-ocr page 99-
89
grootere vrijheid. Hoe meer wij Nederlanders ons in ons
vaderland vrij zullen gevoelen van de knellende banden
van het militarisme, hoe meer wij overtuigd zullen zijn
van de groote voorrechten, die wij boven zoovele andere
natiën genieten, hoe meer wij zullen ondervinden, dat
onze Nederlandsche Staat, meer dan andere Staten, de
beschermer is onzer souvereine rechten, en met name
van het recht der dienstvervanging, dat onze regeering,
slechts gedwongen door de alleruiterste noodzakelijkheid,
beslag legt op onze individueele vrijheid, des te dier-
baarder zal ons ook onze geboortegrond zijn, met des te
meer fierheid zullen wij het hoofd mogen verheffen onder
alle beschaafde volken, maar ook des te meer zal ons
hart gloeien van heilige verontwaardiging, en des te
grooter offers zullen wij ons getroosten, wanneer een
vijand onze onafhankelijkheid zou bedreigen, ons die
rechten en vrijheden zou willen ontrooven \'). Dit was
juist het geheim van het patriotisme onzer voorvaderen.
Zij hadden de diepe overtuiging, dat Nederland het land
is der individueele vrijheid tegenover het Staatsabsolu-
tisme, en die overtuiging gaf hun geestdrift en liefde
voor hun vaderland, en die liefde vervulde hen met kracht
en moed en geest van opoffering, om eerst en vooral
schatten gelds, en in de ure des gevaars ook hun bloed
te storten voor de handhaving hunner rechten.
Welnu, die ware vaderlandsliefde, dat fier nationali-
teitsgevoel, die geestkracht en offervaardigheid bezielt
ook thans nog alle ware Nederlanders. Ook thans nog
zijn zij overtuigd, dat in weinig landen der wereld de
individueele vrijheid zoozeer door het staatsgezag wordt
geëerbiedigd, als in ons vaderland, waar o. a. de last
der conscriptie door de hooggewaardeerde vrijheid der
1) Zeer waar is het dus, wat Hegel, ofschoon voorstander van het
Staatsabsolutisme, zegt: „Diesz ist das Geheimnisz des Patriotismus der
Burger nach dieser Seite, dasz sie den Staat als ihre Substanz wissen,
weil er ihre besonderen Spharen, deren Berechtigung und Autoritat wie
deren Wohlfahrt erhalt." (irundlinien der Philoaophie den Rechts. § 28!».
-ocr page 100-
90
plaatsvervanging zoo belangrijk wordt verlicht. Mocht
ooit, waartoe echter nu geen enkele grond van waar-
schijnlijkheid bestaat, mocht ooit een of andere mili-
taristische nabuur ons zelfstandig volksbestaan bedrei-
gen, dan zal men in geheel Nederland alle standen, als
één man zien opstaan en zich scharen onder de krijgs-
banier, om het vaderland en zijn Vorst te verdedigen
met een zelfopoffering, een moed en volharding, te
grooter, naarmate het vrijheidsgevoel en de overtui-
ging onzer voorrechten dieper bij ons zijn geworteld.
Gelijk in 1813 vooral de haat der conscriptie en de be-
lemmering van den handel door het continentaal stelsel
alle partijen deden samenspannen, om het vreemde
dwangjuk af te schudden, zoo zou ook dan het ons
dreigend militarisme, waardoor persoonlijke vrijheid en
maatschappelijke belangen, zoozeer worden geschaad, het
schrikbeeld zijn, hetwelk ons met den moed der wanhoop
tot het uiterste zou doen strijden.
Beweren dus, dat bij ons Nederlandsch volk de geest-
kracht en het nationaal eergevoel is verslapt, dat het
in \'t bijzonder onzen meergegoeden jongelingen, die door
geld een plaatsvervanger stellen en niet noodeloos de
wapenen dragen, aan ernstig plichtbesef en opofferende
vaderlandsliefde ontbreekt, verraadt o. i. of wel onbe-
kendheid met de diepe grondreden van het patriotisme
bij ons volk, of wel — hetgeen wij minder gaarne on-
derstellen — miskenning zoo van ons tegenwoordig ge-
slacht als van ons roemrijk voorgeslacht, hetwelk steeds
in de eerste plaats door geldelijke lasten zijne vader-
landsliefde heeft getoond, en door den dienst van ande-
ren zijn plichten jegens dat vaderland heeft doen ver-
vullen.
Bedriegen wij ons niet, dan zal ook de welwillende
lezer met ons van meening zijn, dat het Nederlandsche
volk in zijn historie en tradities, in zijn karakter en
goede hoedanigheden, in zijn welbegrepen en diepgevoeld
patriotisme antimilitaristisch is; dat derhalve de invoe-
-ocr page 101-
91
ring van persoonlijken dienstplicht zou breken met onze
geschiedenis, zou strijden met onzen landaard, en vooral
verderfelijk zou werken op dat fiere bewustzijn onzer
individueele vrijheid, hetwelk de diepste grond is van
onze nationale wilskracht, van die zelfopofferende, plicht-
betrachtende vaderlandsliefde; dat bijgevolg de afschaf
fing van de vrijheid der plaatsvervanging, wel verre van
ons tot een weerbaar volk te maken, ons zedelijkerwijze
zou verzwakken, en het publiek geweten een krachtigen
steun zou ontnemen voor de ure, waarop de zelfstan-
digheid van ons dierbaar vaderland zou worden bedreigd.
Misschien zal menig militarist, bij het lezen van dit
hoofdstuk, hebben gedacht, dat wij meer als vaderlands-
lievend burger in eenigszins opgewonden stijl, dan als be-
zadigd denker deze regelen hebben neergeschreven, wijl
wij geen rekening hebben gehouden met de veranderde
toestanden. In dit geval vragen wij hem wel excuus: in
het volgend hoofdstuk zullen wij aantoonen, dat ons
leger ook militairement even krachtig kan zijn met be-
houd der plaatsvervanging als met persoonlijken dienst-
plicht.
-ocr page 102-
VIERDE
HOOFDSTUK.
Persoonlijke dienstplicht beschouwd van
militaire zijde.
Waarom zijn wij ter/en persoonlijken dienstplicht ?
Omdat, persoonlijke dienstplicht^ ook van uitsluitend
militair standpunt, voor \'s Lands defensie niet noodza-
kelijk is.
De lezers, die ons met welwillende aandacht volgden,
zullen zeer zeker in de gewichtigste punten met ons instem-
men en aannemen dat persoonlijke dienstplicht inbreuk
maakt op een souverein recht van het individu, dat de
invoering daarvan niet bevorderlijk zou zijn aan onze
zedelijkheid, belemmerend voor onze volkswelvaart,
strijdig met onze historie en ons nationaal karakter,
kortom, dat het eene geheele omwenteling zou zijn in
ons volksleven. Maar, zal menigeen zeggen, die niet
geheel vreemd is in de literatuur omtrent dit brandend
vraagstuk, de militaristen beweren, dat de quaestie van
persoonlijken dienstplicht, als zijnde een militaire quaestie,
eerst en vooral door militairen moet worden opgelost;
deze nu zijn van gevoelen, dat de plaatsvervanging de
kanker is van ons leger, dat de afschaffing noodzakelijk
is voor eene deugdelijke organisatie van onze levende
weerkrachten. Wat van deze beweringen te denken?
Wij zijn van meening, dat dergelijke uitdrukkingen
niet vrij te pleiten zijn van onjuistheid en overdrijving.
-ocr page 103-
m
De quaestie van persoonlijken dienstplicht is niet eerst
en vooral eene militaire quaestie en behoort niet hoofd-
zakelijk tot het gebied van krijgskunde, van tactiek of
stategie, gelijk b.v. de quaestie over het aanleggen van
forten en liniën, over de wijze van aanvallen en reti-
reeren, over het vormen van slagliniën en colonnes,
over de voorkeur tusschen tirailleurgevecht en geschut-
vuur, enz. Neen, persoonlijke dienstplicht is een vraag-
stuk van veel wijderen omvang, een vraagstuk, hetwelk
geheel de maatschappij in al hare vertakkingen omvat,
in den werkkring van alle standen ingrijpt, ja de heiligste
rechten van den mensch aantast. Als zoodanig behoort
het dus vooral te worden opgelost door staatkundigen
en rechtsgeleerden, die een ruimeren blik hebben en
zoowel de eischen der militairen als de rechten der
individuen en de stoffelijke en zedelijke belangen der
verschillende standen in hun horizon opnemen. Zeker,
militairen moeten worden gehoord, zij moeten gegevens
verstrekken, redenen opgeven; deze redenen echter te
schiften, op deze gegevens een systeem te bouwen, het-
welk een omwenteling in geheel een volksleven teweeg-
brengt, is de taak van den staatsman, hij zij burger of
militair, die rekening weet te houden met alle omstan-
digheden van oorzaak en gevolg, van verleden en toe-
komst, van personen en plaatsen, van karakter en stand,
in één woord, met al de factoren, die van invloed zijn
op de geschiedenis en den bloei van een volk. Ook de
geachte Defensie-commissie, met den Minister van Oorlog
aan het hoofd, heeft dit in beginsel erkend, wanneer
zij zegt, dat „hetgeen uit een militair oogpunt wenschelijk
„wordt geacht, getoetst zal moeten worden aan de maat-
„schappelijke belangen
der bevolking en aan den gelde-
„lijken toestand des Rijks, ten einde op de Natie geen
„grooteren druk te leggen dan volstrekt noodzakelijk is."
(bl. 2.) Deze verschillende factoren nu, deze maatschap-
pelijke belangen en persoonlijke rechten der burgers
worden o. i. door vele militairen, die zich op bijna uit-
-ocr page 104-
94
sluitend krijgskundig standpunt plaatsen, te veel over
het hoofd gezien.
Verder moeten wij hier opmerken, dat het woord
„noodzakelijk\'" in deze quaestie moet genomen worden,
niet in den zin van min of meer nuttig, dienstig, wen-
schelijk, gewichtig, enz., maar in den zin van volstrekt
noodzakelijk,
gelijk de Commissie zich in de boven ver-
melde woorden uitdrukt, d. i. dringend, gebiedend, uiterst
noodzakelijk, volstrekt onontbeerlijk en onmisbaar
voor
\'s Lands defensie. Immers er is hier spraak, den vrijen
burger met geweld het recht van dienstvervanging te
ontnemen, het recht hetwelk elk individu als souverein
bezit voor alle diensten in Staat en maatschappij,
de dienst in het leger niet uitgezonderd. Er is hier spraak
hem te dwingen persoonlijk zijne vrijheid op te offeren,
zijne gezondheid en zijn leven in de waagschaal te stellen,
en hem te beletten dit door een ander te laten doen,
die volgaarne tegen een vrij bedongen loon deze diensten
en lasten zou overnemen. Opdat nu zulk een dwang,
zulk een geweld niet in despotisme en dwingelandij ont-
aarde, wordt er, dit zegt ons het natuurlijk gevoel van
recht en billijkheid, eene volstrekte, gebiedende noodKa-
kelijkheid vereischt. Slechts de volstrekte noodzakelijk-
heid voor de veiligheid des vaderlands, als voor een
algemeen belang van hoogeren aard, kan den Staat eene
reden zijn, zulke persoonlijke diensten te vergen, zoozeer
op bijzondere belangen en rechten inbreuk te maken.
Wanneer echter de militairen over noodzakelijkheid
van persoonlijken dienstplicht spreken, nemen zij dit
woord meestal niet in dien absoluten zin. De redenen
toch door hen aangevoerd pleiten hoogstens voor het
nut der afschaffing, schoon ook dit zelfs door andere
militairen van gezag wordt ontkend. Verondersteld zelfs,
dat hunne gronden inderdaad steekhoudend waren, dat
het gehalte van het leger er bij zou winnen, dat een
fier gevoel van weerkracht zou worden gewekt, dat de
kazerne een uitstekende oefenschool zou zijn, dat de be-
-ocr page 105-
95
langstelling voor het leger zou toenemen, dat de kader-
vorming minder bezwaarlijk zou zijn, enz., dan zou nier-
uit nog alleen volgen, dat persoonlijke dienstplicht van
min of meer groot belang is, dat het op zich zelf ge-
nomen beter en verkieselijker zou zijn plaatsvervanging
af te schaffen. Doch door al deze redenen van wensche-
lijkheid, verkieselijkheid, betamelijkheid, belang, nut.
voordeel, enz., wordt de berooving van zulk een on-
waardeerbaar recht, het plegen van zulk een dwang
niet gewettigd. Al deze redenen bestonden reeds in
de vorige eeuwen, en toch hebben zij, die toen
de macht in handen hadden, veel minder dan eenige
andere Staat in Europa, zich gerechtigd gehouden, onzen
voorvaderen zulk een zwaar juk op te leggen, hen tot
persoonlijke dienstvervulling in het leger te dwingen.
Hun eerbied voor de individueele vrijheid was de grond
van hun juist rechtsbegrip.*)
De eigenlijke cardo qucestionis is dus deze : is persoon*
lijke dienstplicht volstrekt onontbeerlijk voor de zelf-
standigheid van ons volk ? Gesteld de tegenwoordige
levende strijdkrachten worden tot het vereischte getal
gebracht en door een deugdelijk kader aangevoerd, zou
dan bij gelijke numerieke sterkte ons vaderland in gevaar
verkeeren tengevolge van de plaatsvervangers, terwijl
het aan dit gevaar zou ontsnappen door het persoonlijk
in het leger treden der rijken ? Is er eenige gegronde
waarschijnlijkheid, dat de vijand zal verslagen worden,
wanneer de meergegoede in persoon zijn wapen hanteert ?
Zal men de overwinning niet behalen, wanneer de meer-
ij Om eene mogelijke opmerking te voorkomen, herinneren w\\\\
den lezer wat wij reeds gezegd hebben, dat nl. dit beginsel ook
geldt voor conscriptie in het algemeen. Ook conscriptie is slechts geoor-
loofd, omdat en in zooverre zij volstrekt noodzakelijk is,
hetzij wijl men
zonder conscriptie het benoodigd getal soldaten niet zou erlangen, hetzij
wijl dan de belastingen zoo hoog zouden moeten stijgen, dat zij voor het
gezamenlijke volk een zwaarderen druk zouden veroorzaken dan de con-
scriptie zelve.
-ocr page 106-
96
gegoede iemand in zijn plaats stelt, die minder met de
goederen der fortuin gezegend is ? Toch bezit de remplagant
bijna zeker meer lichaamskracht, gehardheid, moed en
krijgslust dan hij zelf. Is het geheel onmogelijk op eene
andere voor de natie min drukkende wijze, b. v. langs gel-
delijken weg, een voor de verdediging van ons land goed
georganiseerd leger te verkrijgen ? Ziedaar de quaestie,
gelijk zij gesteld moet worden volgens de eischen der
strenge rechtvaardigheid, gelijk die ook door den Staat
ten opzichte zijner onderdanen in acht genomen moet
worden.
Weinig militairen, gelooven we, zullen op deze vragen
een beslissend antwoord geven \'). Als inderdaad persoon-
lijke dienstplicht van krijgskundig standpunt zoo gebie-
dend noodzakelijk was, zou bij de militaire autoriteiten
eensgezindheid hieromtrent bestaan, gelijk er bijv. een-
stemmigheid heerscht omtrent de noodzakelijkheid eener
reorganisatie of versterking onzer strijdkrachten. Iets
wat zoo hoogst noodzakelijk is, loopt iederen deskundige
aanstonds in het oog. Wel verre echter is dit hier het
geval. Vele hooggeplaatste en gezaghebbende militairen
trekken zelfs het nut en belang van dezen nieuwen maatre-
gel voor ons leger in twijfel of ontkennen het bepaald. Het
hoofd van de minderheid der Defensie-commissie, wijlen
Generaal Reuther, die als Minister van oorlog onder het
ministerie van Lijnden de algemeene achting van het leger
genoot, verklaart in de Nota aan den Koning, dat „de
„invoering van den persoonlijken dienstplicht bij het
„leger wel degelijk eene aanmerkelijke verzwaring van
„den dienstplicht voor de geheele bevolking ten gevolge
„zoude hebben, en niet nooclig is in het belang onzer
1) De voorstanders van persoonlijken dienstplicht „moeten niet do
„stelling verkondigen dat de persoonlijke dienstplicht voor de reorganisatie
„onzer lerende strijdkrachten noodzakelijk of onmisbaar is.
Geen enkel mi-
_litair van naam in ons leger zal, geloof ik, die stelling willen onder*
..schrijven. Ook de heer Mars (een bekend militarist in liet Handelsblad)
.,heeft dit eerlijk erkend." Aldus kapitein Do Ras in de Tijd 8 Feb. \'89.
-ocr page 107-
97
„strijdkrachten." (blz. 138). Vooral met het oog op de ka-
dervorming,
waartoe de meergegoede dienstplichtigen
stof zouden moeten leveren, acht hij de invoering van
persoonlijken dienstplicht niet gewenscht.
(bl. 134). Niet
minder is generaal Van der Schrieck, om slechts van de
hoogste militairen te spreken, een open tegenstander
van persoonlijken dienstplicht; eveneens waren dit man-
nen als De Roo van Alderwerelt, Stieltjes, enz. Hoeve-
len er onder de officieren tegen de afschaffing zijn, blijkt
o. a. uifc een militair tijdschrift: „Het kan den heer De
„Roo bepaaldelijk niet onbekend zijn, (aldus in den MUI-
tairen Spectator
1879 bl. 420), „dat wellicht de helft
„van de officieren
tegen den verlangden persoonlijken
„dienst gekant is. De heeren Reuther en Van der Schrieck
„staan dus volstrekt niet alleen in deze zaak. Als leden
„der Kamer komen zij er rond voor uit, terwijl anderen
„voorzichtigheidshalve zwijgen, om hun carrière niet te
„bederven."
Zijn nu die vele officieren, welke tegen de af-
schaffing zijn, zoo van alle gezond verstand ontbloot?
Zelfs de ijverigste voorstanders der afschaffing zullen
gedwongen zijn te erkennen, dat de quaestie van persoon-
lijken dienstplicht volstrekt geen overwonnen standpunt
is onder de bekwaamste militairen, dat integendeel tal
van mannen van algemeen erkend gezag tegen den ge-
dwongen persoonlijken dienst zijn. De heer Huber, Ka-
pitein der Infanterie, zegt o a.: „De keuze is zeer moei-
„lijk, wanneer bekende militaire autoriteiten ja zeggen,
„waar andere weder volmondig neen durven antwoorden.
„De wetsontwerpers van het najaar 1871 en het voor-
Jaar 1873 stelden voor afschaffing der dienstvervanging;
„die van 1876, \'77 en\'81 behouden der dienstvervanging.
„Twee oorlogsministers stellen dus het eene, drie andere
„het tegenovergestelde voor. Stieltjes, De Roo, Nierstrasz
„en Storm van \'s Gravesande brengen hunne stem uit
„tegen de afschaffing der dienstvervanging, terwijl de
„antidienstvervangingsbond daarentegen weder een zoo
„?root aantal bekwame mannen onder zijn voorstanders
7
-ocr page 108-
i)8
„telt, dat het onmogelijk geheel buiten beschouwing kan
„blijven." {De Tijdspiegel 1883 I. bl. 84 1).
Wij spreken hier niet over de redenen der tegenstan-
ders onder de hooggeplaatste militairen : in ons antwoord
op de argumenten van de meerderheid der commissie
zullen wij die verder ontwikkelen. Genoeg zij het hier
te hebben aangetoond, dat de militaire autoriteiten vol-
strekt niet eensgezind zijn omtrent het nut en de voor-
deelen van persoonlijken dienstplicht.
Hier staat dus gezag tegenover gezag, getuige tegen-
over getuige. De positie van den staatsman in deze om-
standigheden is niet ongelijk aan die van een rechter
met tegenstrijdige getuigen voor zich. Hij moet reke-
ning houden met alle omstandigheden van personen
en zaken, die van invloed kunnen zijn op de afge-
legde verklaringen, \'t Is toch een algemeene stelregel
bij het getuigenverhoor, dat men bij het aannemen
van getuigenissen omzichtiger moet zijn, naarmate de
getuigen meer in de zaak zijn betrokken, naarmate
hunne belangen of de eer van hun stand eene gunstige
uitspraak vorderen. Nu wil het ons toeschijnen, dat
onder de militairen, die voorstanders zijn der afschaf-
fing, niet weinigen zich door deze subjectieve rede-
nen hebben laten misleiden. Verre van ons ook in het
]) Wat nu te denken van beweringen der militaristen als deze: „Alle
.deskundigen zijn het op dat punt eens. Lees één of honderd geschrif-
„ten, alle deskundigen zijn tegen de plaatsvervanging?" Is dat niet een
tastbare overdrijving ? Ook hot gezag van de meerderheid der Defensie-
commissie mag in de quaestie van persoonlijken dienstplicht niet over-
schat worden. Reeds vóór de samenstelling dezer Commissie wist men
wie vóór» wie tegenstanders waren. Het ingesteld onderzoek, dat trou-
wens over nog andere belangrijke punten van ons Defensiewezen liep,
was van weinig of geen invloed op hunne zienswijze omtrent de afschaf-
fing der dionstvervanging. Men had even gemakkelijk de Commissie
kunnen samenstellen uit 17 tegenstanders en 3 voorstanders van 2>er-
soonlijken dienstplicht als thans het tegenovergestelde heeft plaats gehad.
Ofschoon wij dus den ijver der leden oprecht waardeeren, en in
andere gewichtige punten hun gezag eerbiedigen, blijft ons hun gevoelen
omtrent persoonlijken dienstplicht, wat het was vóór het onderzoek :
eene persoonlijke zienswijze van zeventien militaristen.
-ocr page 109-
99
minst hunne eerlijkheid en oprechtheid in twijfel te
trekken. Maar men maakt zich zoo spoedig illusies om-
trent wat nuttig is of noodzakelijk, vooral wanneer
het strekt tot verheffing onzer positie. Wanneer men iets
vurig verlangt, weet men altijd redenen te vinden om
het belang, het gewicht, de billijkheid, zelfs de noodzake-
lijkheid ervan te bewijzen. Nu zijn voor officieren natuur-
lijke beweegredenen te over, om hen naar persoonlijken
dienstplicht verlangend te doen uitzien. Zoo bijv. zou het
hun veel aangenamer zijn commando te voeren over
jongelingen van stand, dan over onbeschaafde jongelui
uit de mindere klassen. Ook zouden zij daardoor meer
in achting stijgen bij de natie en hare vertegenwoordi-
ging; zij zouden meer in intieme relaties komen met
den rijken handelsstand, meer vooruitzicht hebben eene
aanzienlijke partij aan te gaan, enz. Al deze aspiraties
willen we hun volstrekt niet euvel duiden ; \'t is eene
menschelijke zwakheid eigen aan ieder, die vooruit wil
komen in de \'wereld en hart heeft voor zijn stand en
zijn beroep. Hieromtrent mogen we allen met Teren-
tius zeggen: „homo sum; humani nihil a me alienum
puto."
Bij al de achting en genegenheid, die wij den
militair, als den hoogen beschermer cnzer vrijheden en
belangen toedragen, kunnen wij niet veronderstellen,
dat zij alleen op dezen algemeenen regel eene uit-
zondering maken en van dit menschelijk zwak bevrijd
zijn. Welnu, aan deze behartiging hunner persoonlijke
belangen, aan deze zeer natuurlijke verlangens naar de
verbetering hunner positie in de maatschappij, meenen
wij in niet geringe mate de militaristische strooming
onder de officieren te moeten toeschrijven ; door deze
zeer verschoonbare, zij het dan ook wat al te mensche-
lijke redenen heeft zich bij velen hunner de overtuiging
gevestigd van het groote gewicht van \'persoonlijken
dienstplicht. Om tegen dezen stroom in te gaan, om zoo-
zeer zijn eigen belangen over het hoofd te zien, wordt
een meer dan alledaagsche onbaatzuchtigheid en verach-
-ocr page 110-
100
ting van menschelijk opzicht vereischt, welke men bij
de massa van gewone stervelingen, zoo burgers als
militairen, niet kan veronderstellen. Ons verwondert het
veeleer, nog zoovele militairen met zulk eene belan-
geloosheid voor het behoud van plaatsvervanging te
hooien getuigen. Eere voorzeker aan hunne krijgsrnans-
rondborstigheid! Men zal echter gaarne met ons erken -
nen, dat in deze omstandigheden het onbevooroordeeld
getuigenis der tegenstanders van veel grooter gewicht
is voor den staatsman, dan het tegenovergesteld getui-
genis der voorstanders.
Men vindt ook militairen die meer om redenen van
juridischen, paedagogischen en economischen aard dan
wel van uitsluitend krijgskundig standpunt voorstanders
van afschaffing zijn. Velen bijv. zien het doel van het Ie -
ger voorbij of overschatten er het gewicht van. Zij be-
weren dat de bloei van het leger de maatstaf is van
den bloei der geheele maatschappij, alsof de welvaart
eener burgerij van stad of dorp zou toenemen, naar-
mate het leger grooter is en krachtiger georganiseerd.
Anderen zien in het leger een soort van opvoedings-
gesticht, waar de rijkeren tuchtorde, zelfbedwang, de
mindergegoeden beschaafde manieren moeten leeren,
en zoo ontnemen zij den ouders onvervreemdbare, streng
persoonlijke rechten. Wederom anderen zijn principiëele
voorstanders, noemen plaatsvervanging eene onzede-
lijkheid, den krijgsdienst een der eerste niet af te koo-
pen plichten van den burger enz. Op al deze en andere
redenen hebben wij, naar wij meenen, voldoende geant-
woord; genoeg zij het hier aan te stippen, dat niet
weinige officieren meer om deze dan om bijzondere
krijgskundige redenen voor persoonlijken dienstplicht ge-
zind zijn, dat dus hun gezag van militair hier geen
grooter gewicht in de schaal legt.
Wanneer wij nu, na met al deze omstandigheden
rekening gehouden te hebben, hooggeplaatste en gezag-
hebbende militairen, die bij grondige theoretische kennis-
-ocr page 111-
101
de noodige ondervinding en praktijk voegen, hooren ver-
klaren, dat persoonlijke dienstplicht niet noodig ofdien-
stig is in het belang van ons defensiewezen, dat zij uit
krijgskundig oogpunt ernstige bezwaren zien in de af-
schaffing der plaatsvervanging, dan zal, wij twijfelen er
niet aan, de nadenkende lezer, die de zaak objectief en on-
bevooroordeeld beschouwt, met ons van meening zijn,
dat gewenschtheid en belang van gedwongen persoon-
lijken dienst in het leger ook van militair standpunt
op goede gronden mag betwijfeld of geloochend worden,
dat echter zijne volstrekte noodzakelijkheid door geen
enkel apodictisch argument wordt bewezen en door geen
militairen van gezag als zeker zal worden erkend.
Is dan persoonlijke dienstplicht voor eene deugdelijke
organisatie onzer levende strijdkrachten niet volstrekt
on gebiedend noodzakelijk, dan volgt hieruit, met de
onverbiddelijke strengheid der logica, de conclusie : door
de invoering van dezen nieuwen maatregel zou de Staat
zich ten opzichte zijner onderdanen aan onrechtmatige
beperking hunner vrijheden schuldig maken. De Staat,
wiens eerste en voornaamste taak het \'is de rechten
zijner burgers te beschermen, zou op groote schaal in-
breuk maken op hun allerdierbaarst souverein recht.
Met dit beroep op het gezag van hoogst bekwame
militairen zouden wij de stelling, aan het begin van dit
hoofdstuk geplaatst, bewezen kunnen beschouwen. Ten
overvloede willen wij echter nog antwoorden op de rede-
nen, welke door de meerderheid der Commissie en de
militaristen uit krijgskundig oogpunt tot aanbeveling van
persoonlijken dienstplicht worden aangevoerd.
1°. „In de eerste plaats," zegt de Commissie, „zalgeen
natie ter wereld bij de verdediging van haar grondgebied
in staat zijn hare volle kracht te ontwikkelen, indien in
het leger, het hoofdelement bij die verdediging, niet alle
klassen der maatschappij vertegenwoordigd zijn
(bl. 21)."
Dit eerste gedeelte van het argument kan worden
-ocr page 112-
102
toegegeven, doch doet hier niets ter zake: het pleit
slechts voor algemeenen, niet voor persoonlijken dienstplicht.
De Commissie valt dus bij deze redeneering in de fout,
welke in de logica wordt uitgedrukt door dit axioom:
qui nimis probat, nihil próbat. Inderdaad, eene natie zal
zich slechts in hare volle kracht kunnen ontwikkelen bij
algemeenen dienstplicht, waarbij natuurlijk alle klassen
der maatschappij vertegenwoordigd zullen zijn. Maar de
Commissie wil geen algemeenen dienstplicht (bl. 15 van
het Verslag), dus ook geene ontwikkeling van de natie
in hare volle kracht; dus bewijst zij ook niets voor de
vertegenwoordiging van alle klassen in het leger, m. a.
w. voor persoonlijken dienstplicht.
Wat echter de Commissie wil, is dit: in vredestijd
oefening bij het leger van ongeveer de helft der weer-
bare jongelingen; de andere helft wordt in tijd van
oorlog voor bijzondere diensten of ter aanvulling op-
geroepen en bij de depots geoefend (blz. 63 n". 26).
Voor het gehalte nu van dit leger, meent de Commissie,
is het van groot belang, dat er onder de eerste helft
geen plaatsvervangers zijn, maar dat de meergegoeden
persoonlijk hun dienstplicht vervullen. „Door de opneming
in het leger van de meer gegoede
— veelal ook de meer
ontwikkelde
— elementen der bevolking zal ongetwijfeld
het gehalte van het leger belangrijk toinnen."
Deze woorden moeten dienen als vervolg of beves-
tiging van het eerste argument; onzes inziens dienen
ze slechts om den Gordiaanschen knoop door te hakken.
Wat door een groot gedeelte onder de militaire autori-
teiten wordt ontkend — gelijk wij reeds hebben aan-
getoond —, wordt hier door de Commissie, op zeer
categorische wijze, zonder eenig verder bewijs, quarré-
ment
geaffirmeerd. Het logisch antwoord hierop zou
zijn: quod gratis asseritur gratis negatur. Wij willen
echter onzen welwillenden lezers deze ontkenning be-
wijzen, en beweren daarom met tal van specialiteiten
in de krijgskunde, dat het gehalte van ons tegenwoor-
-ocr page 113-
103
dig leger zeer goed is, dat dit gehalte door persoonlijken
dienstplicht eer zou verliezen dan winnen.
Vooreerst, wat het zedelijk gehalte van de plaats-
vervangers aangaat, die vooral de oorzaak zouden zijn
van de mindere waarde van ons leger, hebben we
reeds gezien, dat, al moge vroeger hunne moraliteit nogal
wat te wenschen hebben overgelaten, deze in de laatste
jaren, volgens het getuigenis van vóór- en tegenstanders,
aanmerkelijk is verbeterd, zoodat zij veilig eene verge-
lijking met andere miliciens kunnen doorstaan. En geen
wonder. Ieder die nagaat, welke eischen bij hunne toela-
ting omtrent zedelijkheid worden gesteld, welke bewijzen
van goed gedrag zij moeten overleggen, aan welke aller-
scherpste keuring zij worden onderworpen, zal moeten
erkennen, dat, indien men dezelfde conditie vorderde voor
de andere miliciens, zeer velen hunner, ook dermeerge-
goeden, als geheel onwaardig voor den krijgsdienst zouden
worden afgewezen. Voegt men hier nu bij, dat bij persoon-
lijken dienstplicht de mingegoede soldaten, door het
overnemen van corvees enz., meer geld in handen zullen
krijgen, — dat juist de zedelijkste der meergegoeden
zich van de mindere klasse zullen terugtrekken, —
dat de gegoeden, wier peil van zedelijkheid het laagst
staat, door den invloed van stand en aanzien demora-
liseerend op de jongelingen der volksklassen zullen wer-
ken, — dat eindelijk de ondervinding in andere landen
opgedaan ten eenenmale pleit tegen de zedelijke werking
van gedwongen persoonlijken dienst, — zeker, dan mogen
wij hier gerust onze conclusie herhalen: het moreel
gehalte van ons leger zou door de afschaffing eer ver-
liezen dan winnen.
Ook voor de overige vereischten van een goed leger
geeft het stelsel van plaatsvervanging meer waarborgen
clan dat van persoonlijken dienstplicht. De Hehaams-
sterkte en gehardheid
tegen weer en wind, tegen ont-
beringen en vermoeienissen, zijn over het algemeen meer
eigen aan jongelingen uit den landbouwers- of werklie-
-ocr page 114-
104
denstand, van kindsbeen af er in geoefend, dan aan de
fijner opgevoede studenten, koopmanszoons of kantoor-
klerken, die hunne jongelingsjaren tusschen de boeken
hebben moeten slijten.
Vooral zal de zoo onontbeerlijke krijgstucht niet weinig
gevaar loopen bij opneming van meer gegoede en meer
ontwikkelde elementen in het leger. Door natuur en op-
voeding zijn zij meer critisch, meer bedilziek, minder volg-
zaam en onderworpen dan de plaatsvervangers uit de
minder gegoede en ontwikkelde klasse. Voor den bloei
der krijgstucht moet men als beginsel van deugdelijke
organisatie vooropstellen, dat de intellectueele ontwikke-
ling der militairen, zoowel als de maatschappelijke stand
waarin zij zijn geboren en opgevoed, geproportioneerd
moeten zijn aan den rang, dien zij in het leger beklee-
den. Betere stand, beschaafder opvoeding, kennis van
talen, wis- en natuurkunde en andere wetenschappen,
hoe noodzakelijk ook in den officier, zouden misplaatst
zijn in den minderen soldaat. Die maatschappelijke voor-
rechten, die meerdere kennis en intellectueele ontwik-
keling zullen hem dikwijls met minachting op zijne
superieurs doen neerzien, hunne bevelen doen beoor-
deelen en bevitten, slechts met tegenstribbelen doen
gehoorzamen en zoodoende ook bij mingegoede wapen-
broeders het vertrouwen op hunne meerderen schokken,
die levensvoorwaarde voor een goed gedisciplineerd leger.
Alwie met een weinig oplettendheid de menschelijke sa-
menleving met hare gebreken heeft gadegeslagen, zal
dit ten volle beamen. Hoe meer de mindere man in het
leger met eerbied en ontzag zal opzien tot zijne over-
heden ; hoe meer hij zich zijner minderheid bewust zal
zijn, hoe meer hij de overtuiging zal hebben, dat hunne
orders volmaakt en onberispelijk zijn, des te meer ook
zal hij zich gewillig door hen laten leiden en beve-
len, en de discipline stipt onderhouden. A7oor orde en
tucht zal het dus verkieselijker zijn, dat de manschap-
pen bij den minderen troep ook van minderen stand
-ocr page 115-
105
zijn, m. a. w., dat de plaatsvervangers behouden blijven,
Wij erkennen gaarne, dat zij ook genoegzaam ontwik-
keld moeten zijn, om de gewone oefeningen van soldaat
of zelfs van milicien-korporaal volmaakt aan te leeren.
Dat evenwel onze remplacanten over het algemeen dien
graad van ontwikkeling bereikt hebben, zal moeielijk
betwijfeld kunnen worden.
Het gevaar voor verslapping van krijgstucht is nog
meer te duchten bij ons eigenaardig volkskarakter. Immers
het gevoel van vrijheid en zelfstandigheid, waarop vooral
onze Nederlandsche middelklasse roem mag dragen, —
de actieve geest van onzen nijveren burgerstand, die al-
tijd zooveel tot den bloei van ons vaderland heeft bij-
gedragen, — zijn reeds door militairen van gezag op-
gemerkt : als niet gering te schatten beletselen voor die
onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, die gedweeheid en
gewilligheid, welke den goeden soldaat moeten onder-
scheiden. De plaatsvervangers echter, die nagenoeg allen
door de lagere klassen geleverd worden, hebben, reeds
wegens de minderheid en afhankelijkheid van hun stand,
een dieper gevoel van onderwerping aan, van eerbied en
ontzag jegens hunne meerderen, en zijn daarom ook van
karakter meer geschikte, gedisciplineerde soldaten.
Met de krijgstucht staat in innig verband de onderlinge
kameraadschap, het gevoel van samenhang
en het daaruit
voortvloeiend vertrouwen op elkander. Dat ook deze eigen-
schappen door gedwongen persoonlijken dienst meer
zullen verliezen dan winnen, behoeft geen lang betoog.
De meergegoeden zullen zich meestal zooveel moge-
lijk van de minderen terugtrekken, zich dikwijls te
nauwernood verwaardigen met hunne mingegoede, ruwe
en onbeschaafde kameraden te spreken. Deze volks-
zonen zullen natuurlijk met leede oogen de voorrech-
ten en exceptiën aanzien, die de rijkeren zich kunnen
verschaffen. Van den eenen kant dus terughouding of
hooghartigheid, van den anderen kant afgunst, wrok en
ontevredenheid. Wat er bij zulke toestanden van deka-
-ocr page 116-
106
meraadschap, de eensgezindheid en het wederzijdsch ver-
trouwen geworden zal, moge de lezer beoordeelen. Behoudt
men echter de dienstvervanging, dan zal de geest, welke
thans ons leger zoo gunstig onderscheidt, blijven bestaan ;
standennijd en jaloezie, die zoozeer de krijgstucht onder-
mijnen, zullen blijven geweerd. En zoo is dit wederom
een bewijs voor het princiep van legervorming, dat de
rangen in het leger moeten overeenkomen met de standen
daarbuiten: de mindere militairen worden genomen uit
de mindergegoede standen, de officieren uit de meer-
gegoede. Zoodoende zal het onderscheid van standen,,
door den socialist geloochend en gehaat, ook in het leger
bewaard worden, en zoowel het leger als de burger-
maatschappij ten goede komen.
Een andere reden van den goeden krijgsmansgeest in
ons leger ligt hierin, dat de plaatsvervangers zonder
eenigen dwang en uit vrije keuze dienst nemen. Zij
alleen, die neiging en last hebben voor het soldatenbe-
roep, die van aard moedig en onverschrokken zijn, zul-
len zich hiertoe aanbieden. Zoo wordt het getal vrijioillifj
dienenden, die algemeen de kern des legers genoemd en
als de beste soldaten geroemd worden, vermeerderd,
terwijl dat der gedwongenen, die bij grooten tegenzin
meestal ook minder geschiktheid hebben, belangrijk zal
worden verminderd. Wij weten wel, wat men hierop
antwoordt. De plaatsvervangers, zegt men, dienen slechts
voor geld, niet uit lust of neiging, en daarom zijn zij
slechte soldaten. Maar hoe ? Is het niet een door allen
aangenomen beginsel: Hoe beter een dienst wordt be-
taald, met des te meer ijver en toewijding wordt hij ver-
richt? Zijn onze vrijwilligers in de Oost, wier zedelijk
gehalte toch ver beneden dat onzer plaatsvervangers
staat, daarom minder geschikte soldaten, wijl zij goed
bezoldigd worden ? Hun moed en dapperheid wordt al-
gemeen geprezen. Of zouden, enkel uit genegenheid voor
het krijgsleven, zich zoovele officieren aanbieden, indien
traktementen en pensioenen werden afgeschaft? Toch
-ocr page 117-
107
is de geest, die ons officierenkorps bezielt, uitstekend.
Neen, handgeld en tractement zijn een loon, een onont-
beerlijk middel, waardoor zij, die lust en neiging in zich
ontwaren, worden aangespoord daaraan gevolg te geven.
Ook de aanvoering der troepen, bepaaldelijk der veld-
troepen, door officieren en sergeanten, gedeeltelijk ge-
trokken uit dienstplichtigen van slechts één jaar oefening,
zal, volgens het oordeel van vele deskundigen, niet weinig
te wenschen overlaten.
Na al deze gronden van militair standpunt zal het
den lezer niet bevreemden, dat, niettegenstaande de vele
maatschappelijke voordeelen voor de officieren aan per-
soonlijlcen dienstplicht verbonden, toch nog zeer vele
bekwame en hooggeplaatste militairen betrijders zijn
van deze omwenteling in ons volksleven: zij verkla-
ren, dat voor het gehalte van ons leger de afschaf*
fing der plaatsvervanging niet gewenscht is. Deze allen
logenstraffen dus de bewering van de meerderheid der
Commissie, dat door gedwongen persoonlijken dienst on-
getwijfeld het gehalte van het leger belangrijk zal winnen,
en bevestigen die der minderheid, met Generaal Reuther
aan het hoofd.
Mocht men den raad der minderheid opvolgen en den
zoo gunstigen toestand van ons leger niet in gevaar
brengen door een maatregel, die nog daarenboven zoo
bezwarend zou zijn voor geheel de natie!
De militaristen wijzen ons ter geruststelling zeer tri-
umfantelijk en met zekere voldoening op het voorbeeld
van Pruisen, dat volgens hen zijne gelukkige oorlogen
van 1866 en 1870 aan persoonlijken dienstplicht te
danken heeft. Zij vergeten echter o. i. in de eerste plaats,
dat wij hier niet in het militaristische Pruisen, maar in
het vrije, welvarende Nederland zijn, waar wij te re-
kenen hebben — met een Hollandsen volk, hetwelk er
roem op draagt eeuwen lang gestreden te hebben tot
verdediging der individueele vrijheid tegen Staatsabso-
-ocr page 118-
108
lutisme — met een Hollandsen karakter, welks grond-
trek is de zucht naar vrijheid, gepaard aan eene beza-
digde ordelievendheid, — met Hollandsche belangen, die
in handel, kleinindustrie en nering door persoonlijken
dienstplicht belangrijk zouden worden geschaad.
In de tweede plaats is het beroep op Pruisen in deze
zaak niet gewettigd. Wij willen hier nog niet eens spre-
ken van het verraad, hetwelk den Oostenrijkschen ge-
neraal Benedeck en den Franschen Maarschalk Bazaine
ten laste wordt gelegd. Een man van onbetwist gezag
op militair gebied, de heer De Roo van Alderwerelt,
heeft aangetoond, dat Pruisen veeleer aan zijne degelijke
voorbereiding dan aan persoonlijken dienstplicht zijn over-
winningen heeft te danken gehad. f) Terwijl de Oosten •
rijksche troepen uit alle soort van nationaliteiten waren
samengesteld en de Franschen met eene hun eigene licht-
zinnigheid volstrekt niet waren voorbereid, had Pruisen
zijne soldaten in vredestijd op uitstekende wijze geoe-
fend en al zijne krijgsplannen met de meeste voorzich-
tigheid beraamd en berekend. Ook in getalsterkte kon
Pruisen, waar toen reeds de nagenoeg algemeene dienst-
plicht bestond, met zijne vijanden wedijveren. Verder
waren nog de strenge discipline, die in het Duitsche le-
ger bloeide, doch in het Fransche geheel was verwaar-
loosd, alsmede het beleid der officieren, voorname rede-
nen van het welslagen dezer oorlogen. Welnu, al deze
redenen staan volstrekt niet in verband met persoonlij-
ken dienstplicht. De krijgstucht, dit hebben we aange-
toond, zal veeleer verslappen bij gedwongen dienst der
meer gefortuneerde klasse dan bij dienstvervanging. De
ontwikkeling en het beleid der officieren, genomen uit
dienstplichtigen met een oefeningstijd van één jaar, wordt,
ten minste voor het veldleger, zeer in twijfel getrokken.
De getalsterkte blijft dezelfde mét of zonder persoonlij-
ken dienstplicht. De noodige geoefendheid der troepen,
1) Vragen des Tijds, Februari 1876.
-ocr page 119-
109
de onderlinge samenhang en kameraadschap zal bij het
behoud van krachtige en moedige plaatsvervangers eer
winnen dan verliezen.
Menigeen zal wel met ons van meening zijn, dat
het beroep op Pruisen, als oen afdoend bewijs voor de
gewenschtheid van persoonlijken dienstplicht, van allen
grond ontbloot is. Er schuilt hier eene fout in de rede-
neering, welke in de logica genoemd wordt: post hoc,
ergo propter hoc.
\'t Is nochtans aan deze overwinningen
door Pruisen behaald, dat de militaristische beweging in
vele landen van Europa haar ontstaan te danken heeft.
Ter handhaving van het Europeesch evenwicht waren
de groote mogendheden wel gedwongen den algemeenen,
en dus ook persoonlijken dienstplicht in te voeren. Voor
zoover dit voor hun onafhankelijk volksbestaan volstrekt
noodzakelijk is, hebben wij hier tegen niets in te bren-
gen. Doch ook in de kleinere staten, met name in ons
vaderland, heeft het succes dezer oorlogen de oogen dei-
militaristen als \'t ware verblind. Wat geheel andere oor-
zaken heeft gehad, werd toegeschreven aan hun lieve-
velingsidée, aan persoonlijken dienstplicht. De Pruisische
legerorganisatie moest daarom, als een ideaal, met slaaf-
sche navolging worden gecopieerd. De persoonlijke dienst-
plicht zou echter slechts de eerste, schoon de moeielijkste
stap zijn. Is deze eenmaal gezet, dan zal algemeene
dienstplicht wel volgen, en Nederland wordt eene door en
door militaristische natie. Bij dit alles vergeet men echter
ons volkskarakter, onze geschiedenis, ons eigenaardig
terrein, onze meer bescheiden aspiraties, onze bijzonder
stoffelijke belangen, kortom al die omstandigheden, welke
de oorzaak zijn geweest en nog zijn, dat wij vrije Ne-
derlanders en geen militaristische Pruisen zijn.
Men bedenke nog ten slotte, dat, o\'fschoon ons leger,
wat zijn gehalte aangaat, veilig een vergelijking met
de legers van andere naties kan doorstaan, wij toch met
onze plaatsvervangers slechts éen jaar actieven dienst
hebben, terwijl in Duitschland en Frankrijk met de meer-
-ocr page 120-
110
gegoeden in de gelederen een eerste oefeningstijd van
drie jaar gevorderd wordt. Zal dus de ondervinding ook
niet leeren, dat de eerste diensttijd van één jaar, dien
de meerderheid der Commissie wil behouden, bij afschaf-
fïng der plaatsvervanging niet meer voldoende is? In-
derdaad, daar zou meer tijd noodig zijn om jongelingen
uit de betere standen die strenge krijgstucht te leeren,
die blinde onderwerping, die gehardheid des lichaams,
dat onderling vertrouwen en die kameraadschap en al
die andere eigenschappen van een goed soldaat welke
bij plaatsvervangers, door stand en opvoeding, als in
het karakter zijn overgegaan. Is deze vrees niet te meer
gegrond bij het vrijzinnig onafhankelijk karakter van
onze Xederlandsche bourgeoisie? Men zou in ons vader-
land al spoedig den eersten oefeningstijd tot 2 h 3 jaar
moeten verlengen, met verzwaring van eenige millioenen
\'s jaars voor \'s lands schatkist, met een dubbel zwaren
persoonlijken last voor duizenden individuen en eene
nog grootere belemmering van onze volkswelvaart.
Doch genoeg om eiken onpartijdigen beoordeelaar te
overtuigen, dat de bewering: het gelialte van ons leger
zou door persoonlijken dienstplicht belangrijk winnen,
van
zeer twijfelachtigen aard is, dat echter de stelling: per-
sooidijke dienstplicht is voor het gehalte van ons leger
niet volstrekt noodzakelijk,
boven allen redelijken twijfel
verheven is. Maar hiermede blijft dan wederom de ont-
neming van de vrijheid der dienstvervanging als eene
ongeoorloofde machtsoverschrijding van den Staat be-
wezen.
2°. „Ook uit een zuiver militair oogpunt," aldus de
Commissie in haar vijfde argument, „zijn de voordeelen
van den persoonlijken dienstplicht groot."
Volgens onze bescheiden meening bestaat er een beter
middel om op die oogenblikken de manschappen te
kunnen leiden door woord en voorbeeld: men zorge
slechts voor een eenigszins talrijker kader korporaals. Dat
-ocr page 121-
111
men zonder veel moeite een groot aantal soldaten tot
milicien-korporaal kan opleiden, blijkt uit het schitterend
resultaat van de „Vereeniging tot ontwikkeling van mili-
tieplichtigen"
te Amsterdam. Alle jongelingen, die in 1888
bij het 7de Regiment aldaar gedurende drie maanden aan
de voorbereidende vrijwillige oefeningen deel genomen
en met goed gevolg het militie-examen doorstaan hadden,
slaagden na 3 maanden dienst in het examen voor mili-
cein-korporaal.
Welnu allen, zonder uitzondering, hadden
bij dit examen zulk een succes, dat ook tegenstanders
van korten diensttijd, hen onder alle opzichten hooger
stelden dan de tot nu aangestelde milicien-korporaals.
Dit jaar 1889 deden reeds in de maand Juli, na slechts
2 maanden dienst,
niet minder dan 24 van de 26 jon-
gelingen met goeden uitslag hetzelfde examen. Het is
dus een bewezen feit: indien de Regeering deze vrijwillige
voorbereidende oefeningen blijft steunen, gelijk zij reeds
beloofd heeft, dan kan men zonder veel moeite en kosten,
en zonder persoonlijken dienstplicht, zeer vele miliciens
opleiden tot den graad van korporaal en het kader
merkelijk uitbreiden.
Dit grooter aantal korporaals zal in de hitte des
gevechts bij dunning der gelederen veel beter in staat zijn
orde, tucht en samenhang te bewaren, dan het grooter
aantal meer gegoede en meer ontwikkelde, doch gewone
soldaten zonder graad* of gezag. Het gevaar door de
Commissie bedoeld zal worden voorkomen, de man-
schappen zullen niet geheel aan zich zelven worden
overgelaten.
Mocht men hiertegen nog bezwaren hebben, dan is er
o. i. nog een ander middel. In het Duitsche leger wordt
aan gewone soldaten, die zich uitstekend van hun plicht
hebben gekweten, de eeretitel van „gefreiter" gegeven.
Daarbij behoort een onderscheidingsteeken, met eenige
voorrechten doch geen graad. Zulke bepaalde manschappen
zouden in die oogenblikken, waarin aanvoerders ont-
breken, als vice-korporaal kunnen optreden; zij zouden
-ocr page 122-
112
zeker meer het vertrouwen hunner kameraden genieten
en hen beter kunnen leiden en voorgaan, dan de zeer
onbepaalde categorie van meer wetenschappelijk ont-
wikkelden.
Trouwens, hoe de Commissie in oogenblikken van
gevaar leiding der gewone soldaten, van de meer weten-
schappelijk ontwikkelden kan verwachten, kunnen wij
moeilijk begrijpen. Praktisch genomen, schijnt het ons
onmogelijk. Wie zal in die oogenblikken, waarop de-
manschappen geheel aan zich zelven zijn overgelaten,
volgens eigen oordeel kunnen optreden ? Wie de grens
afbakenen van intellectueele ontwikkeling om de leiding
op zich te nemen? Doch gesteld ook, iemand zou zeggen:
ik ben intellectueel ontwikkeld, volgt mij! Wie zou
hieraan gehoor geven ? Men veronderstelt daarbij nog,
dat geleerdheid, wetenschap, kennis van talen, enz. in
die oogenblikken van dienst zijn. De ondervinding leert
echter, dat bij brand, watersnood, schipbreuk en andere
gevaren het juist de mingegoede arbeiders en am-
bachtslieden zijn, die het meest ter redding bijbrengen.
Deze mannen uit het volk verkeeren meer in levens-
gevaar dan de meer gegoeden in hun kantoor of studeer-
vertrek ; zij weten daarom beter hunne tegenwoordig-
heid van geest te bewaren, en oogenblikkelijke en door-
tastende maatregelen te nemen.
Hierbij komt nog, dat velen dier meer wetenschap-
pelijke soldaten zullen behooren tot degenen, die, volgens
het voorstel der Commissie, voor de verkorte oefening
zijn aangewezen. Het zullen zijn studenten der Univer-
siteit en kunstenaars met bijzonderen aanleg (verslag
bl. 30), die in vredestijd slechts drie maanden worden
geoefend, om in tijd van oorlog, na eenige korte oefe-
ningen bij de depots, reeds terstond de eerste geleden
verliezen aan te vullen. In deze weinig geoefende sol-
daten nu zullen de mingegoede, die een vol jaar actieven
dienst met de gewone herhalingsoefeningen hebben ge-
noten en practisch beter ontwikkeld zijn, terecht wei-
-ocr page 123-
118
nig of geen vertrouwen stellen. Van den anderen kant
echter zullen ook de meer beschaafde en ontwikkelde
jongelingen zich niet zoo gemakkelijk aan mingegoeden
onderwerpen, die bekwaam zouden zijn de leiding op
zich te nemen. Ook hier zal dus de aanwezigheid dei-
meer gezeten klasse verslapping van tucht, wanorde en
verlamming der krachten teweegbrengen.
Om deze redenen komt ons ook het vijfde argument
der Commissie als van geen waarde voor. \'t Verwondert
ons dan ook niet, het bij geen enkelen militair van ge-
zag, die over krijgskunde heeft geschreven, te hebben
aangetroffen.
3°. In haar zesde en zevende argument bespreekt de
Commissie de kadervorming : zonder persoonlijken dienst"
plicht, beweert ze, geen goedkoop en geen ontwikkeld
kader. „Niet minder is de invoering van den persoonlij-
„ken dienstplicht hoogst gewenscht, omdat alleen daar-
„door de minst kostbare legerorganisatie," enz.
Wij erkennen het gaarne: deze reden is de Achilles
der militaristen ; doch wij voegen er aanstonds bij: zij
heeft ook haren Achilleshiel. De zaak is deze:
Voor een leger van nagenoeg 100,000 man vordert de
Commissie voor het oogenblik een officierskader van 2332
en een subaltern kader van 12,180 man. Uit de gegoede,
meer ontwikkelde dienstplichtigen van één jaar, wil zij
voor het officierskader 762 luitenants nemen, en voor het
subaltern kader 5085 man, waaronder ongeveer 2000
onderofficieren. De anderen zullen beroepsofficieren of
beroepskader zijn. (Zie Verslag bl. 110—111). De dienst-
plichtigen, die tot luitenant of sergeant wenschen te
worden opgeleid, moeten bij hunne indiensttreding be-
wijzen van geschiktheid voor die opleiding geven (bl. 55).
In dat geval zouden zij bij elkander kunnen worden ge-
huisvest en gezamenlijk menage houden, ja, bij uitstekend
gedrag, zelfs ten huize hunner ouders of bloedverwanten-
mogen verblijven (bl. 36). Na één jaar diensttijd zouden
8
-ocr page 124-
114
zij raet groot verlof in de burgerlijke maatschappij terug-
keeren. Zoodoende, meent de meerderheid der Commissie,
zou persoonlijke dienstplicht ons een goed ontwikkeld
kader geven, zonder groote geldelijke opofferingen.
Reeds aanstonds merken wij nier op, dat, zou dit
kader, ook nog zoo goed zijn, tot den prijs van gedwongen
persoonlijken dienst is het veel te duur gekocht. Met
geldelijke lasten, betrekkelijk gering en veel lichter voor
de natie, zou men een uitstekend voltallig kader kunnen
erlangen, in gehalte ongetwijfeld gelijk aan dat der
Commissie.
Doch er is meer. Aan het kader der Commissie, met
name aan het officierskader uit de éénjarigen zijn niet
geringe nadeelen verbonden.
Vooreerst zal de aanvoering der troepen (bepaaldelijk
der veldtroepen) door een officierskorps, waarvan nage
noeg de helft der luitenants slechts één jaar oefening
heeft gehad, naar beslist oordeel van Generaal Reuther,
zeer gebrekkig zijn en ontoereikend. (Verslag bl. 134).
Is het verder niet te vreezen, dat niet weinig jonge-
lingen van gegoeden stand door al te mensche-lijkt\'
beweegredenen tot een graad zullen worden verheven,
waartoe zij de noodige theoretische en vooral de prac-
tische bekwaamheid missen ? De edele geest onzer
officieren blijft ons borg, dat in ons land ten minste
geen spraak zal zijn van omkoopbaarheid. Wie echter
een weinig bekend is met de fouten en gebreken der
menschelijke samenleving, en misschien reeds bij onder-
vinding weet, welke machtige hefboomen gunst, vriend-
schap, protectie, menschelijk opzicht, enz., in de maat-
schappij zijn, zal zonder aarzelen met ons aannemen,
dat deze factoren ook in het leger van niet geringen
iuvloed zullen zijn bij benoemingen van meer gegoede
doch minder geschikte jongelingen tot luitenant of sergeant.
Dit gevaar zal in het leger zelfs grooter zijn dan elders,
wijl daar dikwijls, vooral door het minder kader, geen
concurrentie zal zijn tusschen gelijken van stand, zooals
-ocr page 125-
115
dit meestal het geval is voor andere staatsbetrekkingen,
maar tusschen de zonen der rijken en de jongelingen van
minderen stand, doch dikwijls van meer practische
geschiktheid. Zedelijkerwijze zal men dan als \'t ware
gedwongen worden minder geschikten voor dit kader te
benoemen. Dit gevaar nu zal niet aanwezig zijn, wan-
neer het subaltern kader nagenoeg uitsluitend genomen
wordt uit de mindergegoede klassen.
Wat ten derde niet weinig afbreuk zal doen aan de
deugdelijkheid dezer éénjarige luitenants en sergeanten
uit den meer gezeten stand is, dat velen hunner vol-
strekt geen neiging zullen koesteren voor het wapenbe-
diïjf. Met geweld ontrukt aan de opleiding voor hunne
zaken, welke de bron van hun bestaan en hun welvaart
moeten worden, zal het bij velen hunner aan lust en
neiging, en daarom ook aan geestkracht en ijver ont-
breken, die tot het aanleeren en uitoefenen van zulk
een gewichtigen graad vereischt worden. Vrijwilligers
daarentegen zullen zich met meer hart en ziel op het
verkrijgen der noodige bekwaamheden toeleggen.
Dat onze bezwaren tegen de kadervorming door de Com-
missie voorgesteld niet ongegrond zijn, blijkt uit de
ondervinding in het Duitsche leger. Daar begint men
de nadeelen van dit kaderstelsel reeds zoozeer te gevoelen,
dat de Keizer nog niet lang geleden de hoogere officieren
aanbeval toch scherp toe te zien bij de benoeming van
eenjarige reserve-officieren.
Om de schatkist door zoo groot aantal beroepsofficieren
niet meer dan noodig te bezwaren, en toch over een
ofticierenkorps te beschikken genoegzaam talrijk en ont-
wikkeld, wagen wij het een middelweg voor te stellen.
In plaats van eenjarigen uit den rneer gegoeden stand,
met afzonderlijke huisvesting en menage in de kazerne,
kon men één of meer cursussen voor militieluitenants
oprichten, bij wijze van een verkorten cursus der Ko-
ninklijke Militaire Academie. Meerdere ontwikkelde jon-
gelingen van 18 tot 21 jaar, zoo vrijwilligers als dienst-
-ocr page 126-
116
plichtigen, die van de plaatsvervanging geen gebruik
willen maken, zouden het examen, ook door de Commissie
gevorderd kunnen afleggen ; zij konden bij deze cursussen
gedurende één jaar door theoretisch en practisch onder-
richt worden opgeleid tot den rang van luitenant, om
daarna, gelijk de overige dienstplichtigen, met groot
verlof tot het burgerlijk leven terug te keeren.
Deze officieren zouden o. i. werkelijk beter zijn dan
de persoonlijk dienstplichtigen der Commissie. Men kan
hen immers allen als vrijwillig dienenden beschouwen,
vermits zij als meergegoeden van de vrijheid der plaats-
vervanging gebruik kunnen maken. Als vrijwilligers nu
zullen zij al de moreele eigenschappen der beroepsof-
ficieren bezitten. Zij zullen meer krijgslust hebben, meer
geestdrift, meer natuurlijken aanleg, meer toewijding en
zelfopoffering, meer volhardenden ijver en moed, dan zij,
die zonder lust of aanleg, gedwongen worden persoonlijk
dit beroep uit te oefenen.
Men heeft ook bij deze vrijwillig dienenden niet te letten
op voorspraak, protectie en andere redenen. Voldoen
zij niet aan de eisenen van een goed militieluitenant,
dan zullen ze niet gedwongen zijn, zooals volgens het
voorstel der Commissie, beneden hun stand bij den
minderen troep te dienen ; zij keeren eenvoudig tot het
burgerlijk leven terug. Men blijft geheel onafhankelijk,
even goed als bij de opleiding van beroepsofficieren aan
de Militaire Academie.
Eindelijk volgt uit de twee opgenoemde voordeelen,
dat zij in militaire bekwaamheden tot aanvoering dei-
troepen de gedwongen officieren der Commissie niet
weinig zullen overtreffen. Wijl echter voor veldtroepen
een meer ontwikkeld officierskader gevorderd wordt, zou
men deze eenjarige vrijwilligers zooveel mogelijk moeten
bestemmen voor bezettingstroepen, waartoe, ook volgens
het oordeel der meerderheid (bl. 17), niet die manoeu-
vreervaardigheid vereischt wordt, alsmede voor bewa-
kings-, reserve- en depottroepen, die waarschijnlijk niet
-ocr page 127-
J17
zoo onmiddellijk in het krijgsveld zullen moeten treden.
Slechts de meest geschikten zou men zoo- noodig bij de
veldtroepen moeten indeelen. Was het voor hunne prac-
tische vorming noodig in taktisch verband met de troepen
op te treden, dan zouden ze de laatste maanden in gar-
nizoensplaatsen gesteld kunnen worden, met vergoeding
van kosten voor het verblijf buiten de kazerne. Op die
wijze zou men, volgens ons bescheiden oordeel, een
degelijker offlcierskorps erlangen, dan volgens het voor-
stel der Commissie, terwijl de kosten ongeveer dezelfde
zouden zijn.
Vraagt men wellicht of zich een voldoend aantal aspi-
rant-luitenants zou aanbieden, dan antwoorden wij:
naar onze overtuiging, ja! De Commissie wil van de
2332 officieren 762 luitenants uit de dienstplichtigen
nemen. Stellen wij eens, dat er zich jaarlijks 100 aan-
bieden voor den verkorten Cursus, dan heeft men in 8
jaren, het verloop medegerekend, 694 militie-luitenants.
Dat er zich jaarlijks meer dan een honderdtal zal aan-
bieden, komt ons allerwaarschijnlijkst voor. Daar zijn
vele meer gegoede en meer ontwikkelde jongelingen in
ons Vaderland, die lust en neiging hebben voor den
krijgsdienst en zich gaarne één jaar in dit eervolle beroep
zouden oefenen en bekwamen. Getuige het pas opgerichte
„Militiebond" te Amsterdam, en vooral de ijver, waar-
mede zoovele leden van het Wielrijdersbond zich ter
beschikking van den Minister van Oorlog hebben gesteld.
Vrijwillig zijn dienst aan het Vaderland aanbieden heeft
iets edels en aantrekkelijks voor het jongelingshart, gelijk
de dienst, zonder noodzakelijkheid afgedwongen, terecht
met weerzin vervult. Vele jongelingen van stand zouden
ook, hetzij als vrijwilliger, hetzij als dienstplichtige, bij
het leger dienst willen nemen; niet bij den minderen
troep — althans niet in tijd van vrede — dat zou be-
neden hun stand zijn; doch zeer gaarne zouden zij, na
volbrachte studiën, met andere jongelingen van beschaaf-
den stand bij een afzonderlijken Cursus of op eene
-ocr page 128-
118
Academie tot luitenant worden opgeleid. Men vergete
hierbij vooral niet dat vele ouders zich reeds groote
offers hebben moeten getroosten voor de wetenschappelijke
opvoeding hunner zoons. Zij zouden met genoegen de
niet te versmaden som van 5 a 600 gulden uitsparen, die
anders voor een remplaqant zou moeten besteed worden.
Dit getal eenjarige luitenants zou nog toenemen, indien
hun het vooruitzicht werd geopend, naderhand bij voor-
keur in aanmerking te komen voor meer aanzienlijke
staatsbetrekkingen, als van burgemeester, enz. Ook de
vaderlandslievende pers, zou niet weinig kunnen bijdra-
gen, om dien lust en krijgsmanszin in onze jongeling-
schap op te wekken.
De deskundige lezer oordeele of men niet zonder
gedwongen persoonlijken dienst een degelijk ontwikkeld
en genoegzaam talrijk officierenkorps kan verkrijgen
tegen ongeveer dezelfde lasten voor \'s lands schatkist.
Overigens door het bevorderen van het vrijwillig dienst-
nemen der gegoeden zal de militaire geest onder deze
standen veel meer worden bevorderd, dan door het dwingen
tot persoonlijke dienstvervulling. Op hoogere burgerscholen
en gymnasia zouden onze jongelingen als vanzelf zich
met meer lust en ijver op gymnastiek, schietoefeningen
en wapenhandel toeleggen. Eindelijk, \'t is de juridische
weg eerst en vooral door vrijwilligers, en slechts in de
hoogste noodzakelijkheid door dwang, in de behoefte van
\'s lands verdediging te voorzien.
Tot dusverre over het officierskader. Een woord over
het subaltern kader van onderofficieren en korporaals.
Hierin, zeggen de militaristen, zal men onmogelijk kunnen
voorzien tenzij door persoonlijken dienstplicht of zeer
groote financièele offers.
Wij antwoorden wederom : als dat zóó is, dan liever
het laatste. Geldelijke druk is voor geheel de natie, zoo
minder als meer gegoeden, veel lichter dan beroofd te
zijn van het recht der dienstvervanging. Doch al weder
schijnen ons ook hier de beweringen der voorstanders
-ocr page 129-
119
te stout en te overdreven. Toen wijlen Generaal Reuther
in 1880 als Minister van Oorlog optrad, was het deficit
aan ondergeschikt kader bij alle korpsen zeer groot.
Ook toen verzekerden de militaristen, men zou dit nooit
kunnen aanvullen dan door persoonlijken dienstplicht.
Thans is dit kader compleet, niet slechts voor vvjf,
maar reeds voor zes lichtingen. In eene Kamerzitting van
Juli \'89 sprak de Minister van Oorlog zelfs de hoop
uit, spoedig zoo noodig ook voor eene zevende lichting
het kader gereed te hebben ; terwijl de heer Seyff\'ardt
in de verdediging zijner noodwet beweerde, dat het
benoodigd kader reeds aanwezig was voor de zevende
of zelfs voor de achtste lichting. En bij dit alles mogen
wij ons nog verheugen in het bezit van de dierbare vrijheid
der plaatsvervanging.
Zoo zal het ook blijven gaan, bij de noodige uitbrei-
ding onzer levende strijdkrachten. Men mag voorthameren
op het aanbeeld van gebrek aan kader, tot niet geringe
verrassing of teleurstelling zal men zien, dat dit toch
ook wel zonder persoonlijken dienstplicht is kunnen aan-
gevuld worden. Inderdaad, persoonlijke dienstplicht is
volstrekt onnoodig tot vorming van een talrijk en
voldoend ontwikkeld kader.
Allereerst zij hier nogmaals aangestipt, dat de meer
gegoede en meer ontwikkelde elementen, die men tot
subaltern kader wil aanvaarden, hunne eigenaardige
bezwaren voor orde, krijgstucht en samenhang zullen
opleveren, of wel omdat zij, als ondergeschikte supe-
rieurs, slechts met moeite zullen gehoorzamen aan ge-
lijken of zelfs minderen van stand, zooals b. v. de
vrijwillig dienende sergeanten zullen zijn, of wel omdat
men bij hunne benoeming meermalen genoodzaakt zal
zijn op stand of wetenschappelijke kennis acht te ge-
ven, meer dan op bedrevenheid in den wapenhandel,
praktische behandeling van zaken, gezond oordeel en
goed gedrag, welke hoofdeigenschappen voor het kader-
personeel dikwijls meer bij minderen van stand dan bij
-ocr page 130-
120
meer gefortuneerden worden aangetroffen. "Verder zijn
de eisenen, door de militaristen aan de intellectueele
ontwikkeling van het kader gesteld, niet vrij van over-
drijving. Het gezond verstand bevestigt hier de uitspraak
van hoogst bevoegde militairen, die verzekeren, dat voor
den graad van korporaal en sergeant geen vreemde
talen, wiskunde, natuur- en scheikunde, uitgebreide
kennis van geschiedenis en letterkunde, enz. gevorderd
worden, dat de examens zooals ze nu volgens Minis-
terieele Beschikkingen vereischt worden over het algemeen
zeer voldoende zijn *), dat dus zeer velen uit de mindere
klassen zonder veel moeite en onkosten die bekwaanv
heden kunnen opdoen, dat bijgevolg ook onder dit
opzicht het persoonlijk in de gelederen treden der meer
ontwikkelde jongelingen van beschaafden stand niet
noodig is.
Trouwens met de immer toenemende uitbreiding van
het lager onderwijs zal ook de intellectueele ontwikke-
ling der mindere standen gelijken tred houden, en
geschiktheid voor het dienstplichtig kader telken jare
grooter worden. Vooral als men, naar het voorstel der
Commissie, overal zooveel mogelijk vrijwillige voorbe-
reidende oefeningen laat geven aan jongelingen van 17
tot 19 jaar, als men hen door voorrechten hiertoe wil
aanwakkeren, dan zullen zeer zeker zeer vele minge
goede dienstplichtigen, na eenigen tijd actieven dienst,
niet slechts den graad van korporaal, maar ook dien
van milicien-sergeant behalen. Uit het schitterend resul-
taat van de „Vereeniging tot ontwikkeling van Militie-
plichtigen" blijkt, dat men op deze wijze eer overproductie
dan gebrek aan milicien-korporaals zal hebben. Velen
dezer korporaals zullen zich, krachtens eene Ministerieele
aanschrijving van Aug. \'88, ook nog na hun werkelijken
1) Voor den graad van sergeant bij de infanterie wordt b.v. gevorderd:
rekenen, schrijven zonder zinstorende fouten, kennis van dienstreglemen»
ten, van recruten- en compagniescholen en geschiktheid om deze te on-
derwijzen.
-ocr page 131-
121
dienst kunnen bekwamen voor den graad van onder-
officier. Door het toekennen van eene niet te bekrompen
premie zullen nog vele andere korporaals worden aan-
gespoord, een half jaar langer onder de wapenen te
blijven, ten einde denzelfden onderofficiersrang te behalen.
Indien daarenboven de Regeering zorg draagt, het verblijf\'
in de kazerne, dat tot voor korten tijd nogal iets te
wenschen overliet, onder physiek en moreel oogpunt
zooveel mogelijk te verbeteren, dan zullen ook vele ouders
uit de gewone middelklasse, die thans nog met moeite
een plaatsvervanger koopen, niet zoo afkeerig zijn, hunne
meer ontwikkelde zoons persoonlijk te doen dienen. Door
dezen maatregel zal men niet alleen meer stof voor
kader erlangen, maar ook meer vrijwilligers en plaats-
vervangers uit ietwat beteren stand aanlokken.
Zou men nog een tekort van onderofficieren hebben,
dan leide men, wijl men milicien-korporaals genoeg zal
hebben, een grooter aantal van beroepskorporaals tot
dezen hoogeren graad op. Eindelijk zou men, zoo noodig,
ook voor onderofficieren eene militaire school kunnen
openen, bij wijze van verkorten Cursus van hetlnstruc-
tie-Bataillon te Kampen, waarin dan meer ontwikkelde
jongelingen van dienstplichtigen leeftijd gezamenlijk ge-
durende één jaar tot onderofficieren zouden worden op-
geleid. Mits men hen niet in kazernen huisveste, zullen
zich, gelooven we, ook hiervoor niet weinig meerge-
goeden aanbieden.
Door deze en nog andere middelen zou men in eenige
jaren een uitgebreid en degelijk kader bezitten, een kader
zonder onwillige elementen, een kader nagenoeg geheel
bestaande uit vrijwilligers of uit quasi-vrijwilligers, uit
dienstplichtigen die, om een rang in het leger te behalen,
geen plaatsvervanger verkiezen, die van den verkorten
oefeningstijd geen gebruik willen maken, die zich zelfs
voor eenige maanden langer willen verbinden ; een kader
derhalve, dat zich met allen lust en ijver aan zijne zoo
gewichtige taak zal wijden. Een vrijwillig soldaat, zegt
-ocr page 132-
122
men, staat twee anderen. Een leger, uitsluitend samen-
gesteld uit vrijwilligers, zou in onze omstandigheden
onuitvoerbaar zijn; men zorge dan ten minste de aan-
voering des legers, welke van zoo groot gewicht is,
zooveel doenlijk aan vrijwillig dienende officieren en
vrijwillig kader op te dragen.
Wat de millioenen aangaat, waarmede de militaristen
ons dreigen voor de opleiding van een kader zonder
persoonlijken dienstplicht, zoo gelooven wij, dat ééne
100,000 gl. boven de begrooting van de meerderheid
der Commissie, meer. dan genoeg zou zijn, om het
door ons voorgestelde plan uit te voeren. Een nauw-
keurige berekening der kosten is natuurlijk niet mogelijk,
vermits ons stelsel niet op het beginsel van gedwongen,
maar op dat van vrij aangeboden dienst berust, zoodat
de kosten, behalve door andere voorrechten of vooruit-
zichten, vooral door de wet van vraag en aanbod zullen
geregeld worden. Veronderstellen wij eens, dat tegen een
premie van 100 gl. zich jaarlijks 200 milicien-korpo-
raals aanbieden om 6 maanden langer onder dienst
te blijven tot het verkrijgen van den graad van ser-
geant, fourier of wachtmeester, dan zou men in 8 jaren
diensttijd over (200 X 6,94 =) 1388 onderofficieren
kunnen beschikken tegen eene jaarlijksche uitgave van
(200 X 100 gl. =) 20,000 gl. aan premie en (200 X 100
gl. =) 20,000 gl. aan onderhoud voor een half jaar, of
totaal 40,000 gl. Gesteld eene premie of eene verdienste
van 200 ja zelfs van 300 gl., waarvoor zich toch ver-
moedelijk wel 300 geschikte milicien-korporaals beschik-
baar zouden stellen, dan erlangt men tegen een jaar-
lijksche begrooting van 90,000, resp. 120,000 gl. 2082
onderofficieren, of ongeveer het getal, dat de Commis-
sie uit de meergegoede dienstplichtigen tot dien graad
wil opleiden. Alleen dus langs den weg der bezoldiging
of der loonen, die zeker de meest kostbare is, zou men
zonder moeite reeds een naar vereischte sterk, genoegzaam
ontwikkeld en met krijgsmanslust bezield onderoffi-
-ocr page 133-
123
cierskader verwerven. En wat beteekenen nu 100,000
gl. op een oorlogsbudget van 22 millioen, waar spraak
is van het kostbaar recht der plaatsvervanging, waar-
door èn de persoonlijke vrijheid,èn zoovele huisgezinnen,
èn de maatschappelijke belangen, èn ons nationaal ka-
rakter, èn de welvaart van geheel den Staat zoozeer
worden gebaat ? Indien men jaarlijks zoovele honderd •
duizenden besteedt, om goede onderwijzers tot ontwik-
keling van het Nederlandsche volk op te leiden, zou men
dan zoo karig en bekrompen zijn, wanneer het geldt de
vorming van een degelijk kader? Zegt niet ons gezond
verstand, dat het de eerste plicht van den Staat is
de rechten zijner onderdanen te verdedigen tegen in- en
uitwendige vijanden, en hij slechts op de tweede plaats
het algemeen welzijn en de ontwikkeling des volks moet
behartigen ? Of brengen niet juist hiervoor de bur-
gers belastingen op, opdat de Staat door deze gelden in
de gelegenheid worde gesteld, den eigendom, maar vooral
de individueele vrijheid dier burgers tegen eiken onrecht-
vaardigen aanrander te beschermen ?
Overigens, dat de kaderquaestie ook door geld kan
worden opgelost, wordt zelfs door de ijverigste voor-
standers van persoonlijken dienstplicht toegegeven. Welnu,
zeggen we, dan vordert de strenge rechtvaardigheid van
den Staat ten opzichte zijner burgers, dat dit bezwaar,
al zou het jaarlijks ook vele tonnen meer kosten, niet
door persoonlijken dwang en berooving van de vrijheid
der plaatsvervanging, maar langs financieelen weg of
volgens de vrijzinnige beginselen worde uit den weg
geruimd. Immers de Staat mag zijnen burgers niet naar
willekeur zwaardere of lichtere lasten opleggen. Neen,
het rechtsgevoel zegt ons, en geleerden van alle rich-
tingen bevestigen het, dat de Staat wel degelijk verplicht
is, de lasten zijnen vrijen onderdanen op de schouders ge-
legd niet drukkender te maken, dan voor het algemeen
welzijn noodzakelijk is. Is dit nu zoo, dan vragen we
eiken belangstellenden lezer, of dat zonder noodzakelijk*
-ocr page 134-
124
heid ingrijpen op de individueele vrijheid, die ontberin-
gen en vermoeienissen jaarlijks aan duizenden van ge-
goeden stand opgedrongen, de belemmerende invloed op
kunst en wetenschap, handel en industrie, de schade aan
tal van bloeiende zaken en neringen veroorzaakt, de
verzwaring en verlenging van den dienstplicht ook voor
mingegoeden, de verarming der mindere klassen met één
millioen \'s jaars, de weerzin van onzen nijveren burger-
stand, kortom, of persoonlijke dienstplicht met al den
nasleep van dien niet een onvergelijkelijk veel drukken-
der last zal zijn, dan een half millioen belastingen door
geheel de natie in proportie van eens ieders draagkracht
tot vorming van een deugdelijk, zooveel mogelijk vrij-
willig kader opgebracht ? Is het antwoord van den lezer
bevestigend, dan blijft ook het systeem van kadervor
ming, door de meerderheid der Commissie voorgesteld,
veroordeeld, als in strijd met de beginselen van recht
en billijkheid.
Ten overvloede zij hier eindelijk nog opgemerkt, dat
geheel dit alarm over opdrijving der kosten voor kader
geheel ongegrond en overbodig is. Als over eenigen tijd
de stelling Amsterdam en andere doode weermiddelen
zullen voltooid zijn, zullen wij jaarlijks misschien eenige
millioenen van ons oorlogsbudget overhouden en deze
kunnen besteden tot kadervorming, tot verhooging der
soldij of tot andere werkelijke vermindering van den
druk der militie voor onze levende strijdkrachten.
Zoo is dan ook de moeielijkheid der kadervorming,
waaraan zoovele militaristen zich als een reddingsplank
krampachtig vasthouden, volgens onze bescheiden mee-
ning, ten volle opgelost.
4°. Nog een laatste argument ten gunste van persoon-
lijken dienstplicht vindt men van krijgskundige zijde
aangehaald, zoo niet in het Verslag der Defensie-com-
missie, dan ten minste bij de meeste militaristen. In tijd
van oorlog zullen allen, gegoeden zoowel als niet ge-
goeden, verplicht zijn mede te werken tot handhaving
-ocr page 135-
125
van de onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdedi-
ging van zijn grondgebied; dit toch is een grondwette-
lijk voorschrift (Art. 180). Welnu, zegt men, bij den
algemeenen vooruitgang, waarin zich ook de krijgskunst
mag verheugen, zijn de oefeningen, zelfs voor den ge-
wonen soldaat, veel moeielijker geworden dan vroeger,
en vorderen derhalve ook een langere voorbereiding.
Van den anderen kant echter hebben de oorlogen tegen-
woordig een veel sneller verloop dan in vorige eeuwen,
zoodat de tijd tot eene goede voorbereiding voor de in
vredestijd niet geoefenden geheel zal ontbreken. Dus,
besluit men, moeten ook de meer gegoeden zich in vre-
destijd tot den krijgsdienst bekwamen, m. a. w. moet
persoonlijke dienstplicht worden ingevoerd.
Om dit nog verder te ontwikkelen wordt gewezen
op Frankrijk in 1870—71, en een tafereel opgehan-
gen van de ellende en het gebrek, waaraan, na de ver-
strooiing of gevangenneming der linietroepen, de onge-
oefende, in aller haast bijeengeraapte manschappen
waren blootgesteld. Ook onzen jongelingen van meer
beschaafden stand wordt dan bij een eventueelen oorlog
een dergelijk lot voorgespiegeld, indien niet spoedig per-
soonlijke dienstplicht wordt ingevoerd!
De nadenkende lezer zal reeds hebben bemerkt, dat
deze geheele redeneering slechts pleit voor algemeenen,
niet voor persoonlijken dienstplicht. De conclusie uit de
premissen had dan ook moeten zijn : dus moeten allen
zich in vredestijd tot den krijgsdienst voorbereiden. Ons
antwoord hierop zou dan eenvoudig kunnen luiden: in-
dien algemeene dienstplicht in vredestijd voor onze on-
afhankelijkheid volstrekt noodzakelijk is, dan ook per-
soonlijke dienstplicht; zoolang gene niet noodig wordt
geacht, mag ook deze niet worden ingevoerd. Wijl nu
algemeene dienstplicht ook door de meerderheid der
Commissie niet noodig of wenschelijk wordt gehouden,
is dit argument voor persoonlijken dienstplicht van alle
bewijskracht ontbloot, en daarom zeer wijselijk in het
-ocr page 136-
126
Verslag achterwege gelaten. Om het gewicht der zaak
en tot meerdere volledigheid, willen wij echter over dit
punt nog verder uitweiden.
Terecht wordt dan, niet alleen door de antimilitaris-
ten maar ook door zeer vele voorstanders van persoon-
lijken dienstplicht met de meerderheid der Defensie-com-
missie, de noodzakelijkheid van algemeenen dienstplicht
voor ons Vaderland geloochend,
en dit zoowel met het
oog op onze hoedanigheid van kleine, doch gewichtige
mogendheid, wier onafhankelijkheid andere groote mo-
gendheden in haar eigenbelang met kracht van wape-
nen moeten verdedigen, als vooral om reden van ons
eigenaardig polderterrein, hetwelk door de Nieuwe Hol-
landsche Waterlinie versterkt, zoo uitermate geschikt is,
om met een niet zeer groot leger geruimen tijd aan een
veel sterkeren vijand het hoofd te bieden. Met tal van ge-
zaghebbende mannen ontkennen wij dus, wat in de ob-
jectie op de tweede plaats wordt beweerd, dat name-
lijk na de oorlogsverklaring aan onze meergegoede en
andere vrijgestelde jongelingen de tijd zou ontbreken om
zich tot de verdediging des vaderlands voor te bereiden.
Hoe de meerderheid der Commissie hieromtrent gezind
is, geeft zij herhaaldelijk in het Verslag te kennen. Om-
trent de „Bestemming van hen, die in tijd van vrede
niet geoefend worden,"
noch voor bijzondere diensten zijn
aangewezen, wordt gezegd: „Zij blijven beschikbaar om
„in tijden van oorlog tot oefening te worden opgeroepen,
„ten einde daarna tot aanvulling te dienen van het leger,
„de landweer of de reserve der landweer." (blz. 24).
Insgelijks in de Grondslagen n. 4.: „De in tijd van vrede
„van den dienst vrijgestelde dienstplichtigen zijn ...
„voor tijden van oorlog en oorlogsgevaar beschikbaar,
„hetzij tot aanvulling van het leger, de landweer of
„de reserve der landweer, hetzij tot het vervullen van
„bijzondere diensten." (blz. 52).
Als eene onbetwistbare waarheid neemt dus ook de
Commissie aan, dat zelfs na de oorlogsverklaring voor
-ocr page 137-
127
duizenden jongelingen, hetzij vrijwilligers, hetzij reeds
door het lot aangewezen of nog aan te wijzen onge-
oefende dienstplichtigen, er tijd en gelegenheid zal be-
staan, zich binnen onze verschanste linie voor den krijgs-
dienst te bekwamen en als bruikbare soldaten op te
treden. \')
Inderdaad; wat ook de voorstanders van langeren
diensttijd mogen beweren, de ondervinding leert, dat
men, na aan zekere voorbereidende oefeningen te hebben
deelgenomen, in betrekkelijk korten diensttijd tot een
goed soldaat kan gevormd worden.
Men herinnere zich, wat de heer Tindal ons mede-
deelde omtrent het succes, door de „Vereeniging tot
ontwikkeling der dienstplichtigen" te Amsterdam be-
haald. Na slechts 3 maanden dienst (in 1889 reeds
na 2 maanden) waren tal van jongelingen tot den
graad van milicien-korporaal bevorderd. Het doel dier
vrijwillige vereenigingen is „de jongelingen zooveel te
„oefenen, dat zij eenige dagen na hunne inlijving bij
„het leger beschouwd kunnen worden als goed afgerichte
„recruten."
De heer S. van Aken, voorstander van al-
gemeenen dienstplicht met korten eersten oefeningstijd,
zegt: „Wil men een bewijs voor de deugdelijkheid mijner
„beweringen, dan neme men uit een gj,mnastiek-vereeni-
„ging die leden, welke zonder eenig militair doel gere-
„geld oefenden, en men zal zien, dat men binnen ééne
„maand uitstekende soldaten
gevormd heeft." Terzelfder
plaatse, haalt de geachte schrijver nog het gezag aan
van andere mannen der praktijk: „De zoowel in als
„buiten het leger als uitstekend instructeur bekend staande
1) In hot stelsel der minderheid heeft men eene algemeene volkswa-
pening, dus ook algemeene, ofschoon minder drukkende, oefenplicht bij
de schutterij. Wij kiezen hier geen partij tusschen de beide stelsels. Ons
dool is slechts aan te toonen, dat behoud van plaatsvervanging zeer goed
kan samengaan met het voorstel der meerderheid: afschaffing der schut-
terij en talrijker leger. Onzes inziens wordt door velen de quaestie der
plaatsvervanging te veel vereenzelvigd met het systeem der minderheid
en te veel afhankelijk gemaakt van het al of niet afschaffen der schutterij.
-ocr page 138-
128
„le luitenant-adjudant van het Reg. dienstd. schutterij
„alhier (Rotterdam), H. Ceelen, verklaart, dat bij de leer-
dingen van het Erasmiaansch gymnasium, die zich on-
„der zijne leiding in den wapenhandel oefenen, ten dui-
„delijkste gebleken is, hoe nuttig de gymnastiek-oefenin-
„gen op de vaardigheid, bevattelijkheid en degelijkheid
„van den toekomstigen soldaat werken. Het is geen
„kunst om na zulk een voorbereiding, bij eene dagelijk-
„sche
oefening van vier uren, de jongelui in tijd van
„zes weken alle infanterie-exercitiën te leeren." — „Een
„zeer bevoegd instructeur der scherpschuttersvereeniging
„Rotterdam" verklaarde mij, dat de leden der gymnas-
„tiekvereenigingen, welke zich bij die vereeniging aan-
„sloten, in eene maand bij tweemaal oefenen \'s weeks, be-
„ter schutters
waren dan de meesten, die hun militieplicht
„vervuld hadden." De heer Seyffardt, insgelijks voorstan-
der van algemeenen dienst- en oefeningsplicht, wil dat
de Regeering en de gemeenten alom aan onze jongelin-
gen de gelegenheid verschaffen, om door vrijwillige voor-
loopige oefeningen „zich zoover te bekwamen, dat die
„eerste oefeningstijd nog verder kan worden verkort en
„wel tot niet veel meer dan den tijd noodig om krijgs-
„tucht te leeren
en om behoorlijk in het tactisch verband,
„waarin men c. q. tegenover den vijand zal moeten op-
„treden, te worden geoefend." Zoo zal het kunnen ge-
beuren, „dat de eerste oefeningstijd tot weinige maan-
den
wordt teruggebracht."
Bij de hooggewaardeerde uitspraken dezer heeren, die
bijna allen vakmannen zijn, moet men vooral twee pun-
ten in het oog houden. Vooreerst spreken zij van actie-
ven dienst in vredestijd. Zeker is het echter, dat in
oorlogstijd onze jonge mannen zich met zulk een geest-
drift, plichtsbetrachting en onverdroten ijver tot hunne
edele taak zullen voorbereiden, dat zij in nog korteren
tijd in staat zullen zijn met de wapenen in de hand
tot verdediging van Vorst en Vaderland mede te wer-
ken. Daarbij hebben genoemde schrijvers hier vooral
-ocr page 139-
129
op het oog het veldleger, aan welks troepen hoogere
militaire eischen gesteld worden dan aan de troepen,
bestemd voor de vestingverdediging, waarin vooral de
kracht en het heil van ons vaderland gelegen is. Zeer
juist wordt daarom door Generaal Reuther en de min-
derheid der Commissie opgemerkt, dat deze bezettings-
troepen, „in verband met den bijzonderen aard van
„den strijd, dien zij zullen hebben te voeren, en den
„gunstigen toestand, waarin zij hierbij geplaatst zullen
„zijn, niet de manoeuvreervaardigheid, niet de kennis
„van den dienst te velde en ook niet den samenhang
„behoeven te bezitten, die voor de veldtroepen tot den
„strijd in het open veld en met troepenmassa\'s onmis-
„baar zijn." (bl. 121). En ook de meerderheid der Com-
missie geeft toe, dat voor het veldleger grootere manoeu-
vreervaardigheid gevorderd wordt dan voor de bezet-
tings- en bewakingstroepen, (bl. 17). Veilig mogen wij
dus aannemen, dat voor deze vestingstroepen, welke
vooral aanvulling zullen behoeven, deze in vredestijd
vrijgestelde jongelingen in nog beperkter tijd geschikte*
soldaten zullen zijn.
Na dit alles mogen we, dunkt ons, als zeker vaststel-
len, dat reeds e\'ene maand na het begin van den oorlog
duizenden bij het leger niet-geoefende jongelieden in staat
zullen zijn als bruikbare soldaten op te treden om de
geleden verliezen te herstellen, — dat elke week langer
wederom eenige duizenden goed geoefende manschappen
zullen geleverd worden, — dat men eindelijk na eenige
maanden
over eene zeer talrijke menigte strijdbare man-
nen tot aanvulling van leger en landweer, of zelfs tot
vorming van nieuwe korpsen voor onze linieverdediging,
zal kunnen beschikken. Het spoedigst zullen dan natuur-
lijk strijdvaardig zijn de meergegoeden, — vooral als
de gymnastiek, het voorloopig onderwijs in den wapen-
handel en in schietoefeningen op gymnasia en hoogere
burgerscholen meer algemeen worden, insgelijks de leden
van het Nederlandsch Gymn. Verbond, hetwelk, volgens
9
-ocr page 140-
130
de opgave van den heer Van Aken (t. a. p. bl. 24), in
1888 reeds ruim 8000 leden telde; verder de leden van
andere weerbaarheidskorpsen, schiet- en schermvereeni-
gingen, enz.; eindelijk alle jonge mannen, naargelang
zij aan de vrijwillige voorbereidende oefeningen in hunne
woonsteden hebben deelgenomen.
Om echter deze heerlijke uitkomsten te mogen ver-
wachten, moet de gelegenheid tot voorloopige oefening
in den wapenhandel ook tot niet-garnizoensplaatsen
worden uitgestrekt, — iets, waarop van verschillende
zijden, door vóór- en tegenstanders van persoonlijken
of algemeenen dienstplicht wordt aangedrongen. Verder
zorge men bij het uitbreken van een Oorlog, dat een
voldoend aantal instructeurs aanwezig zij. Worden deze
beide maatregelen genomen, dan is het buiten twijfel,
dat ook in oorlogstijd nog duizenden en duizenden
weerbare mannen kunnen gevormd worden, om gewa-
penderhand aan de verdediging van ons vaderland mede
te werken.
Uit deze beschouwingen volgen eindelijk deze allerg<>-
wichHgste conclusiè\'n.
lo. Algemeens dienstplicht in vredestijd is in ons Vader-
land niet noodzakelijk. Immers uithoofde van ons bui-
tengewoon gunstig terrein voor een defensieven oorlog
kunnen wij, met een betrekkelijk niet talrijk leger, een
zelfs veel sterkeren vijand geruimen tijd het hoofd bie-
den. In dien tusschentijd zal er ongetwijfeld van andere
mogendheden hulp komen opdagen, terwijl voor de
vrijgestelde jongelieden nog voldoende gelegenheid be-
staat, zich achter onze Waterlinie bij de depots te
oefenen.
2°. Ook persoonlijke dienstplicht is in dit opzicht
niet noodzakelijk. Want ofschoon de meergegoede in de
ure des gevaars, niet minder dan de mingegoede, lijf en
goed moet veil hebben voor het vaderland, volgt hieruit
niet, dat hij reeds in vredestijd zich persoonlijk bij het
leger tot den krijgsdienst moet voorbereiden. Hij voldoet
-ocr page 141-
131
aan zijn plicht vooreerst door iemand in zijn plaats te
stellen, die anders van de voorbereiding bij het leger
zou zijn vrijgesteld; vervolgens door in oorlogstijd zich
persoonlijk, als vrijwilliger of dienstplichtige, bij de depots
of aanvullingsreserve te oefenen, om dan, meestal nog
spoediger dan de mingegoede, als een bruikbaar soldaat
in de gelederen te treden.
3U. De getalsterkte van ons leger en onze landweer
moet zoo groot zijn, dat wij de aanvallen van den vijand
zoo langen tijd kunnen weerstaan, als vereischt wordt,
om versche krachten uit de pas geoefende vrijwilligers
of dienstplichtigen te scheppen. Zoodra dus de eerste
mobilisatie en terugtrekking achter onze Waterlinie heeft
plaats gehad, moet de taak van ons leger gedurende de
eerste weken zijn, zooveel mogelijk een meer defensieve
dan offensieve houding aan te nemen; iets, waartoe ons
polderterrein zich zoo uitmuntend leent. Na verloop van
ééne maand zullen, gelijk wij gezien hebben, reeds dui-
zenden goed geoefende mannen beschikbaar zijn om als
aanvulling der geleden verliezen te dienen. Hoe meer
geoefenden er vervolgens door de depots geleverd wor-
den, des te meer zal men aanvallenderwijze kunnen op-
treden, om den vijand uit zijne stelling te verdrijven en
het prijsgegeven grondgebied te herwinnen.
-ocr page 142-
PROEVE EENER LEGERORGANISATIE.
Na dit alles zal de een of ander misschien denken,
dat wij mannen zijn van het stijve behoud en ons tegeiv
woordig leger toereikend achten voor \'s lands defensie.
Tot zijne geruststelling zeggen wij aanstonds: neen. Wij
weten zeer goed, deskundigen verklaren het, dat de te-
genwoordige toestand van ons defensiewezen gebrekkig
is. Met hen wenschen ook wij eene krachtiger legervor-
ming, ten einde de vrijheid en onafhankelijkheid van ons
dierbaar vaderland te handhaven. Maar welke zal deze
organisatie zijn ? Velen hebben reeds verschillende proe-
ven voorgesteld, en elke dezer heeft onzes erachtens hare
goede zijde. Ook de meerderheid der Defensie-Commissie
heeft een uitvoerig plan geleverd. De minderheid heeft
haar stelsel slechts in ruwe schets omschreven; doch
generaal Reuther heeft reeds in 1881, als Minister van
Oorlog onder het Ministerie van Lijnden, dit stelsel in
alle onderdeelen uitgewerkt. De welwillende lezer zal
ook ons veroorloven met alle bescheidenheid een proeve
voor te leggen, welke, naar onze meening, geheel ge-
grond is op recht en billijkheid, op onze historie en tra-
dities, op onze ware belangen en welvaart, eene proeve
eindelijk, die, indien wij ons niet bedriegen, zal overeen-
komen met den redelijken volkswensch. Wij zouden ons
stelsel eene proeve van verzoening willen noemen tus-
schen de stelsels der meerderheid en der minderheid,
wijl aan beider bezwaren grootendeels wordt tegemoet
gekomen. Wij vragen natuurlijk niet van onze lezers,
-ocr page 143-
133
dat men onze proeve onvoorwaardelijk aanneemt; maar
wij durven toch vertrouwen, dat men ze niet a priori
afwijze. Men overwege eerst met eene bezadigdheid, die
het gewicht der zaak vordert, en verwerpe dan, indien
men hiervoor goede redenen meent te hebben. Wij wil-
len gaarne de overtuiging van anderen eerbiedigen en
de onze niet opdringen. Zou ons voorstel een andere en
betere organisatie doen vinden, dan tot nu toe geschied
is, dan zouden wij onze moeite ruimschoots beloond
achten. Overigens heeft de geachte Defensie-Commissie,
door de openbaarmaking voor te stellen van haar verslag
aan den Koning ons hiertoe met prijzenswaardige recht-
schapenheid verlof gegeven. „Daardoor," zegt ze, „zal
„aan de openbare meening de gelegenheid gegeven wor-
„den een oordeel omtrent de door ons voorgestelde grond-
„slagen uit te spreken, hetgeen niet dan in het belang
„van het tot stand komen eener doeltreffende regeling
„dezer hoogst gewichtige aangelegenheid kan strekken"
(bl. 49). — En nu ter zake.
§ I. Beginselen eener legerorganisatie.
Bij elke legerorganisatie is het hoofdzaak eenige on-
wraakbare beginselen voor oogen te houden omtrent de
taak en het doel van het leger in eene welgeordende
maatschappij, en omtrent de middelen door den Staat
aan te wenden, om tot dit doel te geraken. Immers door
de juiste notie van het doel en de bestemming eener
zaak worden reeds tal van misvattingen en wanbegrip-
pen voorkomen; uit het doel en de bestemming eener
zaak vloeit ook het recht en de bevoegdheid voort tot
de middelen.
1°. Het doel nu van het leger in \'t algemeen is de be-
scherming van den Staat en zijne burgers en de verde-
diging der vrije onafhankelijkheid van het vaderland
tegen in- en uitwendige vijanden. Het leger is dus niet
een middel tot opvoeding, eene soort van voortgezette
-ocr page 144-
134
school, waarin geheel de natie op twintigjarigen leeftijd
tot mannen van krachtigen lichaamsbouw, van maat-
schappelijke deugden en beschaafde manieren moetwor-
den gevormd. Het leger is ook geen article de luxe, om
er meê te pronken en parade te maken, \'t Is evenmin
een veroveringsmiddel, om vreemd grondgebied eigen-
machtig te annexeeren. Neen, dit alles is vertreding van
recht en billijkheid, strekt tot groot nadeel van geheel
de maatschappij, en bederft de gezonde notie van leger
ten eenenmale! Het leger, de militaire stand, is een
stand, geplaatst naast de andere standen, waaraan de
edele roeping is beschoren, ten koste van leven en bloed
de vrije zelfstandigheid van een volk te handhaven, de
veiligheid van personen, goederen en belangen tegen alle
onrecht te verzekeren. Zonder dit doel heeft het leger
geen reden van bestaan, is het een hors d\'oeuvre, een
onding in de maatschappij.
2°. Het doel van het leger, meer bepaald in onzen
Nederlandschen Staat,
is niet ten opzichte van andere
staten een offensief karakter aan te nemen, noch ook
ons een groote politieke rol te doen spelen, gelijk in
de 17de en 18de eeuw. Deze ziekelijke pretensie zou ons
des te eerder in een noodlottigen oorlog sleepen, en waar-
schijnlijk onzen geheelen ondergang ten gevolge hebben.
Het doel van ons leger is dus geen ander, dan: bij
eventueelen oorlog tusschen groote mogendheden onze
neutraliteit door de beschikbare strijdkrachten te hand-
haven, en bij een vijandelijken aanval de onafhankelijk"
heid van ons grondgebied te verdedigen. Dit laatste echter
niet alsof wij in staat moeten zijn, alleen en zonder vreemde
hulp een langdurigen oorlog vol te houden tegen een
mogendheid van den eersten rang, (Duitschland bijv.) die
millioenen soldaten in het veld kan brengen en over
eene groote zeemacht beschikt. Dit ware eene ijdele her-
schenschim, waarvoor wij terstond alle weerbare mannen
van 20 tot 50 jaar onder de wapenen zouden moeten
brengen, zonder eenig ander gevolg dan verarming van
-ocr page 145-
135
ons volk, financieele ondergang van onzen Staat, en ten
slotte, werden wij aan ons eigen lot overgelaten, inlij-
ving bij den Overwinnaar.
Bovendien is deze langdurige oorlog tusschen Ne-
derland en eene groote mogendheid eene groote onwaar-
schijnlijkheid, een schrikbeeld, waarmede de militaristen
ons vrees zoeken aan te jagen, ten einde hunne plannen
door te voeren. Met zekerheid toch kunnen wij verwach-
ten, dat zoo ééne groote mogendheid het wagen dorst
ons aan te vallen, één of twee, misschien drie andere
mogendheden van denzelfden rang voor ons in de bres
zouden springen: hun eigenbelang en het Europeesch
evenwicht vorderen gebiedend de onafhankelijkheid van
Nederland. Zulk een ongelijke oorlog is nog grooter
onwaarschijnlijkheid dan de onverhoedsche aanval van
den heer Tindal! Hiertegen een maatregel nemen als
algemeenen dienstplicht, zou een dwaasheid en ongerijmd"
heid zijn.
Het doel van ons leger kan dus slechts zijn, gedurende
eenigen tijd een aanval van een zelfs (veel?) sterkeren
vijand te weerstaan, totdat van andere groote mogend-
heden hulp komt opdagen; m. a. w. door ons leger moe-
ten wij een soort (van overrompeling?) van inbezitneming
in eenige weken of zelfs maanden voorkomen, ten einde
de mogendheden niet voor een „fait accompli" te plaat-
sen, waaraan zij zonder een nieuwen, ook voor hen
meer gevaarlijken oorlog niets zouden kunnen verande-
ren. Met dit doel voor oogen hebben onze staatslieden
zeer wijselijk de Vesting Holland, met het reduit Am-
sterdam, als verschansing en verdedigingspunt gekozen.
Hierin kan zich onze legermacht concentreeren, en een
geduchten aanval betrekkelijk lang weerstaan. Tot ver-
dediging nu dier vesting wordt, volgens deskundigen,
juist niet een zeer talrijk, maar een dapper, goed geoefend
en degelijk aangevoerd leger vereischt. Doch hierover
terstond. Houden wij dus als beginselen voor oogen,
dat de Staat verplicht is, het leger zóó te organiseeren,
-ocr page 146-
136
dat het, bij genoegzame kracht en ontwikkeling, het
minst drukkend worde voor de burgerlijke maatschappij.
Een naar vereischte krachtig leger met een minimum
van druk, ziedaar het probleem, hetwelk gezonde staatkun-
de, gepaard aan warme vaderlandsliefde, moet oplossen.
Welnu, wij gelooven de oplossing van dit probleem
te moeten zoeken in het stelsel van langeren diensttijd
en bezoldigde herhalingsoefeningen.
Eerst volge de uiteen-
zetting
van het systeem, dan de moeielijkheden, die er
tegen ingebracht kunnen worden, eindelijk de redenen,
die er voor pleiten.
§ II. Uiteenzetting van ons systeem.
Opdat de lezers onze proeve te beter kunnen beoor-
deelen, moeten wij eerst de beide stelsels der Defensie-
Commissie in het kort samenvatten.
a. De Minderheid wil voor het veldleger eene slechts
geringe verhooging van het tegenwoordig contingent
(10,400 man), met een vijf- of hoogstens zesjarigen dienst-
tijd, vervolgens eene degelijke, goed georganiseerde volks-
wapening, of onze verbeterde schutterijen, voor de
vestingverdediging. Deze wijze van legervorming, waar-
mede wij in het jaar 1881 zoo dapper onze rechten
hebben verdedigd en die door den generaal Reuther met
beslistheid voor onzen toestand als de beste wordt
gehouden, heeft de goedkeuring der meerderheid niet
kunnen wegdragen, vooral om de moeielijkheden aan
de vorming eener deugdelijke schutterij of volkswapening
verbonden (bl. 16). Uit maatschappelijk oogpunt zouden
wij ons met dit stelsel kunnen vereenigen, vooral wijl
plaatsvervanging bij het leger een eerste eisch is voor
het kader eener volkswapening. Alleen zijn wij van
meening, dat persoonlijke en maatschappelijke belangen
nog meer zouden gebaat worden, indien men voor het
veldleger een kleiner contingent aannam met langeren
diensttijd en bezoldigde herhalingsoefeningen.
-ocr page 147-
137
b. Volgens het gevoelen der Meerderheid dan, wordt
voor de verdediging van ons vaderland vereischt: ten
eerste een leger van ongeveer 110,000 man, aldus te
verdeelen: 40,000 veldleger, — 20,000 bewakings- en
reservetroepen, — 31,000 bezettingstroepen en 15 a
20,000 depottroepen; vervolgens eene landweer van
ongeveer 50,000 man; eindelijk een landweerreserve of
landstorm, waaruit bij langdurigen oorlog troepen tot
aanvulling of tot vorming van nieuwe afdeelingen ge-
trokken worden (bl. 5—9).
Tot dat einde stelt de Commissie voor 13,472 vrijwil-
lig dienenden (officieren, kader en minderen) en 99,962
dienstplichtigen, een totaal van 113,434 man (bl. 111). Van
deze ongeveer 100,000 dienstplichtigen zouden ongeveer
84,000 volledig geoefenden en nagenoeg 16,000 onvolledig
geoefenden of depottroepen zijn. Het totaal der bij het
eerste uitbreken des oorlogs volledig geoefende strijd-
krachten zou dus zijn 84,000 13,500 vrijwillig dienen-
den = 97,500 man. "Wanneer hiervan 6,500 bij de
depots blijven, heeft men onmiddellijk beschikbaar 91,000
man voor veldleger, bewakings- en bezettingstroepen.
Voor den duur van den diensttijd wil de Commissie
acht jaar bij het leger, vijf jaar bij de landweer en zeven
jaar bij de landweerreserve, dus een geheelen diensttijd
van twintig jaar.
Het jaarlijksch contingent volledig te oefenen dienst-
plichtigen zou dan zijn 12,000 man. Al de overige jon-
gelieden van twintig jaar, uitgezonderd onthevenen en vrij-
gestelden d. i. 2 a 3000, of meer als de bevolking zou toe-
nemen, zouden gedurende drie maanden moeten geoefend
worden. Het geheele contingent, weldra 15,000 man, zou
jaarlijks met de bevolking toenemen *).
1) Andore militaire autoritoiten, die het systeem der meerderheid zijn
toegedaan, hebben een contingent voorgesteld van 14 tot 16,000 man met
een diensttijd van 7 of 8 jaren. Anderen wederom willen ons contingent
van 10,400 man behouden, maar een *(\'e»jarigen diensttijd invoeren. Hier»
-ocr page 148-
138
Tegen dit stelsel der meerderheid worden door de
minderheid drie gewichtige bezwaren ingebracht: lo.
onnoodige afschaffing der dienstvervanging, — 2o. te
lange duur van den militairen dienstplicht, — 3o. onge-
lijke druk wegens de vrijstellingen. Hierbij voegen wij
4o. te groot jaarlijksch contingent (15,000 man) tot zeer
zwaren druk voor de bevolking.
Wil echter de Regeering het stelsel der meerderheid
volgen en, met afschaffing der schutterij, het leger be-
langrijk uitbreiden, dan hebben wij er vrede mede, mits
aan de vier opgenoemde bezwaren, die zeer zeker de
bezwaren zijn van verreweg het grootste deel der natie,
worde te gemoet gekomen. Wat het eerste punt betreft,
hieromtrent is geen transigeeren mogelijk : de vrijheid
van dienstvervanging — dit hebben wij in ons werk
bewezen — moeten wij voor geheel het Nederlandsche
Volk blijven eischen. Het tweede en derde bezwaar zal
vervallen door eene goede bezoldiging der herhalings-
oefeningen. Hierdoor kan de diensttijd, zonder grooteren
druk, zelfs nog worden verlengd, zoodat ook het vierde
bezwaar grootendeels uit den weg zal worden geruimd.
Na dit voorop gesteld te hebben, volge thans de uit-
eenzetting van ons verzoeningsstelsel.
1°. Vereischte getalsterkte.
Wij willen met de meerderheid der Commissie aan-
nemen, dat er bij het eerste uitbreken van een oorlog
moet aanwezig zijn een geoefend en goed aangevoerd
leger van 91,000 man. Zulk een groot aantal onvolle-
dig geoefende depottroepen, tot aanvulling der eerste ver-
liezen, schijnt ons evenwel onnoodig, vooral met het oog
op onze wijze van verdediging. De Commissie verlangt \'/4
a V» d. i. 15 a 22,000 man aanvullingsreserve. In
uit blijkt dat de getalsterkte, door de Commissie gesteld, aan de hoogste
militaire eischen voldoet, dat echter voor grooter of kleiner contingent
en korteren of langoren diensttijd de gevoelens uitóénloopen.
-ocr page 149-
189
Duitschland bedroeg in het vorige jaar de Ersatzreserve
nog niet \'/u, te weten: slechts 96,000 op de 1,059,000
actieve Armee \')• Dit getal is bij het jongste wetsontwerp
nog verminderd 2). Indien dus voor Duitschland, hetwelk
onmiddellijk tegen eene groote legermassa in het open
veld moet strijden en daarom minder tijd tot voorbe-
reiding heeft, zulk een betrekkelijk gering getal aan-
vullingsreserve voldoende is, dan volstaat men toch
zeker voor ons leger met een nog veel kleiner percent;
want, tengevolge van ons gunstig terrein, kunnen wij
in de eerste weken van den oorlog eene hoofdzakelijk
defensieve houding aannemen, waardoor wij — gelijk
genoegzaam bewezen is — tijd zullen vinden om
achter onze waterlinie vele duizenden manschappen
als aanvullingsreserve bij de depots te oefenen. Hieruit
volgt, dat men het aantal geoefende depottroepen met
meer dan de helft kan verminderen, dat dus bijv. een
8 a 9000 man meer dan voldoende zal zijn.
Nemen wij dus aan een leger van 107,000 man, t. w.
40,000 veldleger, 20,000 bewakingstroepen of 1ste reserve,
31,000 bezettingstroepen, 7 a 8000 volledig geoefende
en 8 a 9000 onvolledig geoefende depottroepen.
Voor de landweer willen ook wij ongeveer 50,000 man
stellen.
2°. Samenstelling van het leger.
„Het leger," zegt de Grondwet, Art. 181, „bestaat
uit vrijwillig dienenden en dienstplichtigen.\'\'\'\'
1)    Zie do „Nation" 1888, Nr. 16, 17.
2)    „Wilhrend die jetzige Ersatzreserve erster Klasse in ihrer numeri*
schen Starke derart bemessen ist. dasz aus ihr der gesammte Mobilma-
chungsbedarf entnommen werden kann, ist die künftige Ersatzreserve nur
sur Deckung den entten Mobilmachnngsbedarfs hestimmt."
Aldus in de Mo-^
t\'we der Beichsregierung.
Anm. zu § 9. In de Commissionsverhandlungen
werd dit laatste aldus nader toegelicht: „Unter dem ersten Bedarf für
die Mobilmachung ist die zur einmaligen Füllung der in Mobilmachungs-
fall planmiiszig aufzustellenden Truppenkijrper nöthigo Mannschaft zu
Xerstehon."
-ocr page 150-
140
A. De vrijwillig dienenden zouden wij, naar de behoefte
van het leger, in twee soorten willen onderscheiden:
1.  Degenen, die zich verbinden, behalve den gewonen
eersten oefeningstijd, nog geruimen tijd in actieven
dienst te blijven, gelijk officieren, kader en minderen
onder de tegenwoordige militiewet.
2.   Degenen, die zich slechts tot actieven dienst ver-
binden voor den gewonen oefeningstijd van één jaar
(mitsgaders de herhalingsoefeningen) bij het leger, of
van drie maanden bij de aanvullingsreserve, om dan in
de burgermaatschappij weder te keeren, gelijk de overige
dienstplichtigen. De vrijwillig dienenden der eerste soort
zou men volledig vrijwilligers, die der tweede soort één-
jarige
of halfvrijwilligers kunnen noemen.
De voordeelen dezer vrijwilligers van één jaar (resp.
drie maanden) zijn o. i. zeer groot. Vooreerst zou het
getal vrijwilligers, die als de beste soldaten geroemd
worden, aanmerkelijk toenemen; wijl velen, die er thans
tegen opzien zich voor verschillende jaren te verbinden,
dit met genoegen zouden doen voor één jaar of drie
maanden, vooral indien hun het vrijwillig dienst nemen
aantrekkelijk en voordeelig werd gemaakt. Deze ver-
meerdering van vrijwilligers zou eene gelijke verminde-
ring van dienstplichtigen ten gevolge hebben, waardoor
dan de druk voor geheel de natie merkelijk zou worden
verlicht. — Vervolgens zijn vele vrijwilligers goede sol-
daten, doch zouden, intellectueel of moreel, slechte kor-
poraals of sergeanten zijn. Wanneer deze dus in de oe-
feningen van soldaat goed bedreven zijn en overigens
geen noodzakelijke diensten bewijzen, zijn zij in vredestijd
den Staat slechts tot flnancieelen last. Men zende ze in
de maatschappij terug, gelijk de overige dienstplichtigen.
Zuinigheidshalve heeft ook de Commissie voorgesteld het
aantal volledig vrijwillig dienende minderen bij de infan-
terie tot ongeveer 1000 te beperken ; de overige 3 a 4000
wil zij vooral bij de bereden wapens, waarvoor 1 Va jaar
eerste oefeningstijd vereischt wordt, indeelen. Men zou
-ocr page 151-
141
echter dit getal nog belangrijk kunnen inkrimpen, door de
plaatsvervangers met l\'/2 of 2jarigen actieven dienst voor
de meesten dezer diensten te gebruiken. Door deze ver-
plaatsing der krachten zou men, onverminderd het aantal
officieren en kader, het door de Commissie voorgestelde
getal 13,472 volledig vrijwilligers tot ongeveer 10,000
kunnen terugbrengen.
Door deze indeeling der vrijwilligers in twee klassen
zouden èn de financieele èn nog veel meer de per-
soonlijke lasten der natie in niet geringe mate worden
verlicht. Aldus zou ook het stelsel, dat wij vroeger voor
vrijwillig éénjarige luitenants en sergeanten hebben aan-
bevolen, ook servatis servanclis bij de minderen zijne
toepassing vinden.
B. De dienstplichtigen worden jaarlijks in zoo grooten
getale aangewezen als noodig is, om, met inbegrip van
de halfvrijwilligers, die zich in het loopende jaar hebben
aangeboden, het jaarlijksch contingent op te leveren.
Het aantal in te lijven dienstplichtigen, zoo ter volledige
als ter onvolledige oefening, hangt dus af van het getal
dergenen, die zich uit vrije keuze voor de oefening van
één jaar of van drie maanden hebben aangeboden. Op
deze wijze wordt dit rechtsprinciep toegepast: gedwon-
gen krijgsdienst wordt slechts gewettigd door de vol-
strekte noodzakelijkheid. De leus moet dus zijn : vrij-
willigers regel, dienstplichtigen aanvulling.
De aanwijzing dezer dienstplichtigen geschiedt door het
lot. Zij blijven nochtans hun recht van plaatsvervan-
ging of nummerverwisseling behouden.
8°. Diensttijd en jaarlijksch contingent.
Na aftrekking der 10,000 volledige vrijwilligers blij-
ven van de vereischte 107,000 man nog 97,000 over,
die of vrijwillig of gedwongen één jaar (respect, drie
maanden) zich bij het leger moeten oefenen.
Ten einde zulk eene getalsterkte te verkrijgen, en tevens
-ocr page 152-
142
de individueele vrijheid, de volkswelvaart en de flnan-
cieele draagkracht onzer natie zooveel mogelijk te ontzien,
verdient het stelsel van langeren diensttijd met kleiner con-
tingent
verre de voorkeur boven het tegenovergestelde
van grooter contingent met korteren diensttijd.
Blijven wij het tegenwoordig contingent van 10,400
man (van vrijwilligers en dienstplichtigen) behouden, dan
zou dit met een diensttijd van elf jaar (8 jaar bij het
leger en 3 jaar bij de legerreserve) een sterkte geven
van 97,136 man, waarvan 72,176 bij het leger en 24,960
bij de legerreserve. Bestemt men van de 10,400 jaar-
lijks 9500 ter volledige, en 900 ter onvolledige oefe-
ning van drie maanden, dan verkrijgt men in 11 jaar
88,730 volledig en 8,406 onvolledig geoefenden. Voegt
men hierbij de 10,000 volledige vrijwilligers, dan heeft
men een leger van ongeveer 107,000, gelijk de eisch was.
Neemt men een diensttijd aan van 6 jaar (31—37
jaar) bij de landweer, dan zal deze ongeveer 48,000 man
sterk zijn.
Onze landweerreserve of landstorm berust op dit be-
ginsel: in de ure des gevaars moet ieder Nederlander,
daartoe in staat, lijf en goed veil hebben voor de ver-
dediging van Arorst en Vaderland. (Art. 181 der Grond-
wet). Alle weerbare mannen zijn dus, in het geval der
uiterste noodzakelijkheid, dienstplichtig.
Dezen landstorm zouden wij in drie klassen ver
deelen : lstu oproeping, waartoe behooren alle weerbare
mannen van 20 tot 37 jaar, die waren vrijgesteld als
eenige zoons, wegens broederdienst, euz. Na hunne oefe-
ning bij de depots dienen zij tot aanvulling van het
leger, of tot vorming van nieuwe korpsen bij onze
vestingverdediging; - 2do oproeping, de mannen van
37 tot 45 jaar, die tot de landweer behoord hebben, ten
getale van 50 a 60,000; uit deze zal men, zoo noodig,
zelfstandige korpsen voor het veldleger kunnen vormen:
— 3do oproeping, alle Nederlanders, geschikt om de
wapenen te dragen, van 48 jaar tot onbepaalden leeftijd.
-ocr page 153-
143
\'t Spreekt vanzelf, dat alleen de alleruiterste nood den
Staat er toe zal dwingen, de tweede en derde oproeping
te doen. Of deze moeten opgeroepen worden en tot
welken ouderdom, zal nog tijdens den oorlog door bijzon-
dere wettelijke bepalingen kunnen vastgesteld worden.
Om echter bij mobilisatie onverwijld een bepaald aantal
van de eerste oproeping te kunnen oefenen, zou men
hiertoe reeds in vredestijd jaarlijks een duizendtal lote-
lingen kunnen aanwijzen.
De eigenlijke diensttijd zou dus, volgens onze proeve,
17 jaar duren, van den leeftijd van 20 tot dien van 37
jaar. In Duitschland duurt hij 18, in Frankrijk 20, in
Rusland 15 jaar.
Wat Duitschland aangaat, daar is de dienstplicht door
de laatste legerwet van 1888 aldus geregeld:
1.    Staand leger, 7 jaar, van het voltooide 208te tot
het begin van het 288t0 levensjaar.
2.    Landweer lste oproeping, 5 jaar, van het begin van
het 288t0 tot het voltooide 32ste jaar. — (Deze staat dus
gelijk met onze legerreserve van 28 tot 31 jaar).
3.    Landweer 2do oproeping, 6 jaar, van het voltooide
32ste levensjaar tot den 318ten Maart van het jaar, waarin
men den ouderdom van 39 jaar bereikt. — (Onze land-
weer
van 31 tot 37 jaar).
4.    Landstorm lste oproeping, alle ongeoefenden of vrij-
gestelden van het voleinde 17de tot het 39st0 jaar.
5.    Landstorm 2do oproeping, alle Duitschers van het
398t0 tot het begin van het 46ste jaar.
In Frankrijk van 20 tot 45 jaar 3—7 (reserve), 6 ter-
ritoir, 9 reserve.
Men ziet hieruit, dat, wilde men den diensttijd zoo
lang maken als in Duitschland, men het jaarlijksch con-
tingent van 10,400 nog kleiner zou kunnen nemen \')•
1) Men houde echter wel in het oog, dat in Duitschland en andere
landen algemeeno dienstplicht bestaat, terwijl volgens ons stelsel, van
do ongeveer 40,000 jongelieden, die in Nederland jaarlijks den dienstplich-
tigen leeftijd bereiken, er slechts 10,400 of nog minder voor den krijgs-
-ocr page 154-
144
4°. Oefeningstijd.
Voor het eerste verblijf onder de wapenen kunnen wij
ons met het voorstel der commissie vereenigen: voor de
infanterie en vestingartillerie één jaar, voor de bereden
wapens ll/a jaar, enz. (bl. 53 en 54). Voor de oefening
der nieuwe lichting en voor andere diensten worden
echter zoo min mogelijk dienstplichtigen of éénjarige
vrijwilligers, maar plaatsvervangers ter overblijving ge-
durende 3 a 6 maanden aangewezen, gelijk onder de
tegenwoordige militiewet.
Daar onze diensttijd bij het leger en de legerreserve
11 jaar duurt, zouden wij de herhalingsoefeningen met
ééne willen vermeerderen ; men zou dan vier oefeningen
hebben van 35 dagen voor de veldinfanterie, en drie van
30 dagen voor de vestinginfanterie en de artillerie. Ook
voor de genietroepen, pontonniers en torpedisten zou men
nog een derde oefening kunnen nemen; insgelijks, zoo
noodig, ééne herhalingsoefening voor de depottroepen.
Verkieselijker nog zou het o. i. zijn de laatste herha-
lingsoefening voor veldinfanterie (misschien ook voor de
overige wapens) in twee termijnen te splitsen: de een
van 21, de andere van 14 dagen. Deze tweede oefening
van 14 dagen zou voor de landweer bestemd zijn, opdat
deze niet bij het uitbreken van den oorlog den wapen-
handel al te ontwend zij, hetgeen Generaal Reuther te
recht van de landweer der Commissie vreest.
Ook dit laatste zou meer overeenkomen met het Duitsche
stelsel, waar de herhalingsoefeningen veal drukkender
zijn en aldus verdeeld worden. Van 24 tot 28 jaar kan
men tweemaal gedurende acht weken worden opgeroepen;
van 28 tot 33 nog tweemaal gedurende acht a 14 dagen ;
dienst worden aangewezen. Ook heeft men in die landen geene bezoldiging
der herhalingsoefeningen, hetwelk het eenige middel is om den druk
van langeren diensttijd weg te nemen en de lasten van de landsverde»
diging, zooveel doenlijk, gelijkmatig te verdeden.
-ocr page 155-
145
van 33 tot 39 jaar wordt men doorgaans nog eenmaal,
niet krachtens een gewone wét, maar op keizerlijk bevel,
tot herhaling opgeroepen {Kaisennanoeuvres).
5°. Vrijwillige oefening in den wapenhandel.
Niet alleen in garnizoensplaatsen, rnaar in alle groote
gemeenten van ons vaderland, worde de gelegenheid
opengesteld tot vrijwillige oefening in den wapenhandel.
En door de Commissie (bl. 27) èn door andere gezag-
hebbende mannen van alle richtingen worden deze oefe-
ningen aanbevolen. Wij zouden evenwel verlangen, dat
hierbij ook toegelaten werden de vrijgestelden of vrij-
gelotenen, die zich zouden willen voorbereiden, om voor
drie maanden, één jaar of nog langer als vrijwilliger
dienst te nemen, en alle anderen, die anderszins neiging
en lust hebben in den wapenhandel, in schiet-, scherm-
en gymnastiekoefeningen. Ook vrijwillige vereenigin-
gen, die deze oefeningen ten doel hebben, worden, waar
dit zonder al te groot bezwaar kan geschieden, door het
Rijk en de gemeenten gesteund. De vaderlandslievende
dagbladpers zal er veel toe kunnen bijdragen, om de
sport in die richting te stieren.
De voordeelen dezer vrijwillige oefeningen in den wa-
penhandel zijn zeer hoog te schatten: a) bespoediging
van opleiding tot kader; b) verkorte eerste oefeningstijd
voor velen, en daardoor minder persoonlijke en fmanci-
eele lasten; c) bij velen zal aldus de lust worden opge-
wekt om als vrijwilliger bij het leger, of voor den tijd
van drie maanden bij de aanvullingsreserve dienst te doen,
waardoor het contingent dienstplichtigen, tot groote ver-
lichting der natie, zal afnemen; d) bij het uitbreken van
den oorlog zullen er reeds velen zijn, die eenige militaire
kennis bezitten, en dan bij de depots spoedig tot bruik-
bare soldaten zullen kunnen dienen.
Over het nut en den uitslag dezer vrijwillige oefenin-
\'gen hebben wij reeds vroeger gesproken en genoeg-
10
-ocr page 156-
146
zaam blijkt daaruit, dat zoo de vijand onze onafham
kelijkheid zou bedreigen, men in betrekkelijk korten tijd
eene genoegzaam geoefende landstorm en aanvullings-
reserve
kan verkrijgen.
Ziedaar het eerste gedeelte onzer proeve. Deskundigen
zullen met ons erkennen, dat deze organisatie den Staat
een talrijk, goed geoefend leger zou verschaffen, volgens
aller eisenen : een leger en legerreserve van 107,000 man,
een landweer van 48,000 man, en een nog veel talrijker
landstorm of landweerreserve, gedeeltelijk (50 a 60,000
man) bij het leger en gedeeltelijk door voorbereidende
oefeningen in de burgermaatschappij geoefend. Dat nu
ook de andere standen der maatschappij bij zulk een
klein contingent uitstekend zullen zijn gebaat, behoeft
geen betoog.
6°. Bezoldiging der herhalingsoefeningen.
Alle militairen, zoo dienstplichtigen als éénjarige vrij-
willigers, ontvangen na volbrachten actieven dienst, voor
de jaarlijksche herhalingsoefeningen eene behoorlijke soldij.
Deze soldij moet minstens gelijk staan met het dagelijksch
loon der gewone werk- en ambachtslieden, zoodat dezen
zich met ijver en genoegen aan die herhalingsoefeningen
onderwerpen. Stel bijv. als gemiddelde soldij één gulden
daags, behalve voeding, ligging en kleeding. Men zou
deze soldij gevoegelijk, naar de behoeften der soldaten,
aldus kunnen verdeelen: van 21 tot 24 jaar 0,75 Gl.,
van 24 tot 28 jaar 1,00 Gl., van 28 en ouder 1,25 Gl.
7°. Zorg van den Staat voor den militair.
De Regeering drage voortdurend zorg, dat allen soldaten,
dienstplichtigen en vrijwilligers, van welken ouderdom
ook, zoo in als buiten werkelijken dienst, de militaire
stand aangenaam worde gemaakt. Te hunnen opzichte
toch heeft de Staat een bijzonder vaderlijk gezag, waar-
-ocr page 157-
147
mede ook eene vaderlijke bezorgdheid gepaard moet gaan.
a) Dat dus het verblijf in de kazerne, in physiek
«n moreel opzicht, worde verbeterd; — b) dat de regee-
ring verder den soldaten van 21 tot 37 jaar, die in de
burgerlijke samenleving zijn teruggekeerd, het. leven
veraangename, door het ondersteunen van militaire veree-
nigingen, sociëteiten, bonds, klubs, sports, enz. bijv. in
het oprichten van lokalen, het verschaffen van muziek-
instrumenten, het uitloven van premiën bij militaire
wedstrijden, enz. enz. Het doel der vereenigingen is den
militairen geest te bewaren, door tal van voordeelen
hun het leven genoeglijk, hun stand eervol en voor
anderen zelfs aanlokkelijk te maken. Ook dat zal weder-
om niet weinig het vrijwillig dienstnemen bevorderen.
8°. Bevordering der vryioillige dienstneming.
Vooral de vryivillige dienstneming der tioeede soort (vrij-
willigers van één jaar of drie maanden) worde door
den Staat op alle mogelijke wijzen aangemoedigd, als
zijnde het voornaamste middel, om den druk der con-
scriptie voor zijne burgers te verminderen. Dit kan op
verschillende wijzen geschieden : a) door het geven van
eene premie, bijv. 60 a 100 G-l. volgens zijne financieele
kracht; b) door, na de volledig-vrijwilligers, de één-
jarigen, bij voorkeur der gewone dienstplichtigen, tot
korporaal te verheffen; c) door bij eene wet te bepalen,
dat zij, na hun terugkeer in de maatschappij (of: op land-
weerplichtigen leeftijd), bij voorkeur in aanmerking komen
om benoemd te worden tot alle ondergeschikte ambten
bij politie, justitie, douanen, spoorwegen, posterijen, enz.,
zoodat vrijwilliger geweest te zijn eene eer is bij
den Staat, in zekere mate een waarborg voor hun
toekomst; d) door, voor zoover de staatsfinanciën het
toelaten, ook aan éénjarige vrijwilligers, die een hoogen
ouderdom, bijv. van 70 jaar bereikt hebben, recht te
geven op een klein pensioen of ondersteuning, e) Een uit-
-ocr page 158-
148
stekend middel zou nog zijn, de soldij der vrijwilligers voor
de herhalingsoefeningen met 10 a 20 cents te verhoogeii.
Kortom, de verhouding van den Staat ten opzichte der
vrijwilligers en dienstplichtigen is ongeveer gelijk die
van een vader des huisgezins ten opzichte van zijne
eigene en van zijne aangenomen kinderen ; ondanks zijne
bezorgdheid voor deze laatsten, mag hij toch zijne bij-
zondere voorliefde voor de eersten nooit uit het oog
verliezen.
Door deze en dergelijke middelen zou, dunkt ons, het
getal vrijwilligers jaarlijks toenemen. Velen die thans als
plaatsvervanger of nummerverwisselaar in dienst tre-
den, zouden als éénjarig vrijwilliger den soldatenstand
aanvaarden. Dientengevolge zou het contingent dienst-
plichtigen, en daarom ook der plaatsvervangers in even-
redigheid verminderen. Het ideaal van een gezonden Staat,
een leger, bestaande uit vrijwillig dienenden, zal wel zoo
spoedig niet te bereiken zijn; men zou er ten minste
naar streven, en door de wetgeving voor een meer ver-
wijderde toekomst niet onmogelijk maken. Ditisderede-
lijke wensch der natie en de plicht eener vrijheidlievende
regeering, die vóór alles de rechten der individuen en
de belangen des volks voor oogen houdt.
Ziedaar de hoofdtrekken eener proeve van legerorga-
nisatie, welke onzes erachtens een maximum van strijd-
krachten met een minimum van lasten zou vereenigenr
welke dus zou beantwoorden aan de wederzijdsche rech-
ten en plichten van Staat en burgers. Gelijk men ziet,
zijn langere diensttijd (8°) en bezoldiging der herhalings-
oefeningen
(6°) de twee aspunten, waarop geheel het
systeem draait.
Alvorens over de voortreffelijkheid dezer proeve verder
uit te weiden, willen wij eerst eenige moeielijkheden
beantwoorden. — Over de kaderquaestie mogen wij heen-
stappen, wijl deze reeds vroeger is opgelost. Slechts
zij hier aangestipt, dat ons voorstel van éénjarige vrij-
willige luitenants en sergeanten geheel overeenkomt met
-ocr page 159-
149
n". 2 en 8, omtrent de halfvrijwilligere bij den m:nderen
troep.
§ III. Bezwaren tegen onze proeve.
1°. Financieel bezicaar.
Vooreerst zal men zeggen, dat de bezoldiging der her-
halingsoefeningen schatten gelds kost en de financieele
draagkracht der natie te boven gaat.
Wij gelooven, dat men zich vergist: deze gelden zullen
grootendeels of gedeeltelijk worden uitgespaard door het
kleiner jaarlijksch contingent. Ziehier onze berekening.
Bij vergelijking van het voorstel der Commissie en
het onze zou, bij nagenoeg even groote legersterkte, door
ons kleiner contingent aan volledig en onvolledig geoefen-
den jaarlijks worden uitgespaard de som van 640.000 GH.
Voor de bezoldiging der herhalingsoefeningen tegen één
gulden daags zou echter vereiseht worden eene som van
ongeveer 894.215 61. \'sjaars. Zou men dus (uit al te
groote zuinigheid) niet meer willen uitgeven dan het op
het kleinere contingent uitgespaarde, dan kan men de
dagelijksche soldij op gemiddeld 0.75 Gl. stellen, eene
jaarlijksche uitgave van 670,661 Gl. Men zou dan ook
deze soldij zoo moeten verdeelen, dat de ouderen, die
meestal reeds gehuwd zijn, een vol dagloon zouden ont-
vangen, terwijl ook de jongeren een niet onbelangrijke
vergoeding voor hunne diensten zouden genieten. Men
geve bijv. aan mannen van 21 tot 24 jaar 0,40 a 0,50
Gl., van 24 tot 28 jaar 0,75 GL, en van 28 tot 31 jaar
1,00 h 1,10 Gl. behalve voeding, kleeding en uitrusting.
De voornaamste stelling onzer proeve staat dus vast:
langere diensttijd met kleiner contingent tegen goed be-
zoldigde herhalingsoefeningen is voor den Staat uit finan-
cieel oogpunt niet zwaarder dan kortere diensttijd met
grooter contingent, doch zonder soldij voor deze oefeningen.
Overigens zouden wij verkiezen, dat men den konink-
-ocr page 160-
150
lijken weg der rechtvaardigheid insloeg, en, met het geld
der overige burgers, de diensten naar waarde beloonde,
welke deze mannen voor het algemeen welzijn aan den
Staat bewijzen. Een gulden daags met kost, kleeding en
woning, schijnt ons niet meer dan een billijk loon voor
een dag herhalingsoefeningen. Is 2\'/a ton op een budget
v. 22 mill. niet een kleinigheid, waar het geldt de
fiere verdedigers onzer vrijheid hun taak met liefde en
lust te doen ondernemen ?
Ook om de overige punten onzer organisatie uit te
voeren, zouden de gelden op andere wijze worden be-
zuinigd. Tot het aanwerven van vrijwilligers van één
jaar en van drie maanden zou men de 21,000 GL
kunnen bezigen, welke bezuinigd worden op de 3500
volledig vrijwillig dienende minderen, die in onze proeve
vervangen worden door de van de burgers betaalde rein-
plaqanten. Stelt men bijv. voor deze hal f vrijwilligers eene
premie van 60 a 100 gulden, dan zou bij een vermoedelijk
voldoend aanbod het jaarlijksch contingent dienstplich-
tigen, tot groote vreugde der natie, in evenredigheid met
2100 a 3500 verminderen.
De uitgaven voor het onderhoud der remplaqanten, die
nog eenigen tijd zouden moeten overblijven, mogen wij
gelijkstellen met de kosten, veroorzaakt door degenen,
die in het voorstel der Commissie gedurende de drie
wintermaanden zouden verkiezen onder de wapenen te
blijven.
De kosten voor geldelijke ondersteuning van ver-
eenigingen en sociëteiten van militairen, die in de burger-
maatschappij zijn teruggekeerd (n. 7°.), alsmede voorde
vrijwillige oefeningen in den wapenhandel, worden gedekt
door de om en om 3\'/2 millioen, tot nu toe door het Rijk
en de gemeenten aan de schutterijen besteed.
2°. Maatschappelijk bezwaar.
Het zal een groot ongerief zijn, zegt men, voor de
-ocr page 161-
151
burgermaatschappij, dat elk militair van 22 tot 32 jaar
drie- of viermaal gedurende 30 of 35 dagen kan wor-
den opgeroepen voor de herhalingsoefeningen: velen
hunner zijn reeds in het huwelijk getreden \'), moeten
dus vrouw en kinderen alleen laten; nagenoeg allen
hebben hunne betrekking, hun beroep, dat zij moeten
onderbreken. Dit zal een ontzettende last voor de bevol-
king zijn. Aldus vooral de minderheid der Defensie-Com-
missie bl. 138—140.
Wij zijn overtuigd, dat deze moeielijkheid, onoplosbaar
in het stelsel der meerderheid, in onze proeve geheel of
grootendeels zal wijken door de bezoldiging dezer oefe-
ningen. Vooreerst is dit bezwaar veel grooter in het
stelsel van grooter contingent, hetwelk ook de meerder-
heid der Commissie is toegedaan. Wel is waar vorderen
wij nog ééne herhalingsoefening van 30 of 35 dagen meer
van het 28ste tot het 31ste levensjaar. Doch hier staat
tegenover, dat in het voorstel der Commissie jaarlijks
2,700 man meer dan in onze proeve, eerst gedurende één
jaar actieve dienst, dan nog twee of drie jaren gedurende
30 of 35 dagen aan het burgerlijk leven worden ont-
trokken, daarenboven nog 2,000 man meer gedurende drie
maanden te oefenen. Een ieder nu zal inzien, dat dit veel
grooter jaarlijksch contingent met één jaar actieven dienst
1) Het door do wet verplichte celibaat voor militairen met groot ver-
lof of het vorderen van eene naar believen te geven of te weigeren toe-
stemming van den Staat tot het aangaan van een huwelijk, is eenvoudig
weg immoreel te noemen. Bijaldien iemand zijn dienstplicht en zijne herha-
lingsoefeningen goed vervult, behoort het niet tot de jurisdictie van den
Staat, de persoonlijke vrijheid nog aan andere banden te leggen. Huwen
of niet huwen is een souverein recht van het individu. In Duitschland
bestaat hieromtrent geene enkele bepaling; ieder kan in het huwe-
lijk treden, zoodra hij zijn actieven dienst heeft volbracht. Bij mobilisatie
of in tijd van oorlog wordt aan behoeftige vrouwen van militairen, in de
5 wintermaanden minstens 9 mark, in de 7 zomermaanden 6 markmaande-
lijks uitgekeerd; voor elk kind beneden de 15 jaar, voor elke zuster en
bloedverwant in opgaande linie maandelijks minstens 4 mark. \'t Spreekt
van zelf dat ook de openbare liefdadigheid zich vooral in die omstan-
digheden zal toonen.
-ocr page 162-
152
plus 2 of 3 maal herhalingsoefeningen van 30 of 35 dagen,
voor de maatschappij een veel grooter bezwaar oplevert,
dan ééne enkele herhalingsoefening van 30 of 35 dagen
op ongeveer dertigjarigen leeftijd voor een veel kleiner
contingent.
Men vergete vooral niet, dat deze dienst niet gratis
van hen wordt gevergd, zooals in \'t stelsel van de min-
derheid en van de meerderheid der Commissie. Zij ver-
dienen daardoor gemiddeld één gulden daags, voeding,
kleeding en huisvesting niet medegerekend, zoodat de
gehuwden door deze oefeningen eenigermate in het on-
derhoud van vrouw en kinderen kunnen voorzien. Velen
hunner zullen in de maatschappij zulk hoog dagloon niet
verdienen. In onzen tijd zouden zeer velen met ijver
en lust een maand militaire oefeningen willen verrich-
ten tegen gratis onderhoud en één gulden daags. Mis-
seinen zou men vooral de ouderen en gehuwden in hunne
eigen plaats garnizoen geven of zelfs verlof in hun eigen
woning te slapen en te eten. Men ga hiertoe echter niet
over, indien de deugdelijke geoefendheid der manschap-
pen er merkelijk onder zou lijden.
Ook de maatschappij en de andere standen zouden
daardoor niet belangrijk worden gehinderd of geschaad,
wijl deze soldaten — (de vrijwillige éénjarige luitenants
en sergeanten uitgezonderd) — doorgaans niet tot die
ontwikkelde lieden behooren, van wier leiding of betrek-
king de geregelde gang der zaken of neringen afhangt,
maar nagenoeg allen tot de mindere klassen (arbeiders-
stand, — landbouwersstand, — minderen ambachtsstand,
enz.) wier arbeid gemakkelijker kan worden onderbro-
ken of door andere werklieden verricht. Houdt men
daarbij voor oogen, dat in Duitschland, waar algemeene
dienstplicht bestaat, jaarlijks mannen van 24 tot 39 jaar,
in Frankrijk alle 2 jaren tot 36 jaar tot deze oefeningen
worden opgeroepen, zonder eenige vergoeding hiervoor
te ontvangen, dan zal men gaarne toegeven, dat ook
deze moeielijkheid geen ernstig bezwaar meer tegen ons
-ocr page 163-
153
stelsel van kleiner contingent oplevert; dat dit bezwaar
integendeel veel drukkender zal zijn in het stelsel van
grooter contingent, zooals de meerderheid der Commissie
voorstelt.
§ IV. Redenen voor onze proeve.
Ons rest nog de verschillende redenen van onze
proeve, schoon reeds hier en daar in \'t voorbijgaan aan-
geroerd, ietwat in \'t breede te ontvouwen. Zoo zullen
nog eenige zwarigheden van lichteren aard, welke den
lezer misschien zijn overgebleven, als vanzelf wijken.
Gelijk wij in § I gezien hebben, zal die legerorgani*
satie de voorkeur verdienen, welke een krachtig, goed
geoefend leger verschaft met den minst mogelijken last
voor de natie. Welnu, het systeem van langeren dienst-
tijd met bezoldigde herhalingsoefeningen voldoet op
voortreffelijke wijze aan beide eischen. Dus....
ln. Onze proeve geeft een krachtig en goed geoefend
leger.
De getalsterkte staat nagenoeg gelijk met die van het
tegenovergesteld systeem, door de meerderheid der Com-
missie gevolgd. Wat men daar wint door grooter con-
tingent, winnen wij door langeren diensttijd.
Wat de qualüeit of het gehalte betreft, gelooven wij
zeker, dat de soldaten van ons stelsel die van het
tegenovergestelde niet weinig zullen overtreffen. Immers
voor een goed soldaat worden vereischt: a) lichaams-
kracht en gehardheid, b) degelijke geoefendheid
en c)
moed, dapperheid, volharding. —
Welnu, deze drie eigen-
schappen vinden wij vooral in den soldaat van onze
proeve.
a) Lichaamskracht en gehardheid.
Het menschelijk lichaam verkeert van 20 tot 30 jaar
nog in zijne ontwikkelingsperiode en heeft over het al-
gemeen eerst op den leeftijd van ongeveer 30 jaar zijn
vollen wasdom, zijne natuurlijke sterkte bereikt, om die
-ocr page 164-
154
tot op 50- of 60 jarigen ouderdom te behouden. Ofschoon
dit vooral geldt voor meergegoeden, bij wie zwaardere
studiën en geestinspanning de vroegtijdige lichamelijke
ontwikkeling niet weinig beletten, zal men toch ook bij
mingegoede werklieden en landbouwers slechts zelden
de volle sterkte en gehardheid vóór den leeftijd van 25
jaar aantreffen. Een leger dus, voor een groot deel be-
staande uit mannen van 26 tot 31 jaar, zal sterker zijn,
beter bestand tegen de vermoeienissen van het krijgs-
leven, dan een leger, dat geheel bestaat uit jongelieden
van 20 tot 27 jaar. Op zich zelf genomen zal het dus
beter zijn het leger der eerste linie uit den krachtigen
mannelijken leeftijd dan uitsluitend uit nog nietgenoeg-
zaam lichamelijk ontwikkelde jongelieden te doen bestaan.
b)    Aangaande het tweede vereischte, de oefening, wil-
len ook wij, dat onze recruten zich al den noodigen tijd
in den wapenhandel bekwamen, zoodat zij daarin door
en door bedreven en volleerd zijn. Ook wij willen, dat
onze militairen na werkelijken diensttijd, zich zooveel
slechts noodig is, door herhalingsoefeningen en op andere
wijzen op het wapenberoep blijven toeleggen zelfs nog
op mannelijken leeftijd, ten einde degelijke geoefendheid
en krijgskundige bekwaamheid aan gehardheid en li-
chaamskracht te paren, en bij het eerste uitbreken van
den oorlog volmaakte strijders voor het vaderland te zijn.
c)    Moed, geestkracht, zelfopoffering, volharding en
dapperheid
zullen des te meer den soldaat sieren,
naarmate hij meer liefde en neiging voor zijn
stand, meer lust in zijn beroep heeft. Welnu, die
lust, die liefde ontbreekt vooral den minderen sol-
daat van onze eeuw. Meestal beschouwt men, en niet
geheel ten onrechte, den diensttijd als een hatelijken
last, dien men eenige jaren zonder het minste voordeel
moet torsen, als een gedwongen heerendienst, zonder
eenige vergelding, aan den Staat bewezen, \'t Is geen
eervolle stand meer, in den dienst van den Staat, maar
een slavenjuk, geruimen tijd de helft der natie opgelegd.
-ocr page 165-
155
Daarom haat en verfoeit men het soldatenleven, en tracht
men er zich zoo spoedig mogelijk van af te maken. Men
hoopt hierin verandering te brengen door persoonlijken
dienstplicht; het tegendeel zal worden bereikt. Persoon-
lijke dienstplicht zal slechts dwang bij dwang voegen,
en dit juk des te gehater maken, omdat het eene on-
noodige en zeer onbillijke verzwaring is voor rijken
en voor armen. Door vrijheid, niet door dwang, zal
men dien toestand verbeteren; vrijheid geeft kracht
en geestdrift, gedwongen arbeid baart weerzin en lus-
teloosheid. Wil men dus in ernst goede veranderin-
gen aanbrengen, wil men den soldaat lust en moed
geven, hem met waren krijgsmansgeest bezielen, dan ver-
heffe men hem wederom tot een winstgevenden en aan-
genamen stand; want \'t is een zeer natuurlijk ver-
schijnsel in de samenleving, dat een stand des te meer
in eer en aanzien stijgt, naarmate zijne inkomsten en
voordeelen grooter zijn. Men trachte daarom het vrijwillig
dienstnemen te bevorderen, door het geven eener pre-
mie aan éénjarige vrijwilligers; men verbetere het lot
van den soldaat in de kazerne, zoo voor het physieke
als het moreele, opdat onze jongelingschap met minder
beklemd gemoed dien stand kunne aanvaarden ; men
geve hem voor de herhalingsoefeningen eene goede soldij,
zoodat de langere diensttijd hem zelfs voordeeliger en
wenschelijker worde gemaakt dan een kortere; men
trachte verder dien langeren diensttijd nog aangenamer
en genoeglijker te maken door geldelijke ondersteuning
van militaire vereenigingen, wedstrijden, enz. Door dit
waarlijk vrijzinnige stelsel van langeren, doch goed be-
zokligden en veraangenaamden diensttijd, veel meer dan
door persoonlijken dienstplicht, zal de lust en neiging
voor den militairen stand, en daarmede ook de moed en
geestdrift bij onze mindere soldaten worden opgewekt.
Dan zullen zij zich tot een zedelijk lichaam vereenigen
en niet langer beschouwd worden als individuen, die
men als een noodzakelijk kwaad moet dulden. Zij zullen
-ocr page 166-
156
een stand vormen, waaraan de edele taak van de verdedi-
ging des vaderlands is toevertrouwd, waaraan bijgevolg
boven vele andere standen eene eereplaats in de maat-
schappij toekomt. De band, die den soldaat aan den Staat
verbindt, zal door deze geldelijke vergoedingen en on-
dersteuningen steeds nauwer worden aangehaald; het
gezag van den Staat te zijnen opzichte zal niet meer de
verhouding zijn van een heer tot zijn slaaf, doch een
meer vaderlijk karakter dragen. Het onmiddellijk gevolg
hiervan zal zijn, dat zelfs de dienstplichtigen, moeten
zij dan ook tijdens den werkelijken dienst om de be-
krompen geldmiddelen van den Staat een billijk loon
missen, toch hun lot draaglijk en aangenaam zullen vin-
den ; dat zij dus meer liefde en lust voor het wapen-
bedrijf zullen gevoelen, meer volgzaam en gewillig zullen
zijn in hunne onderwerping, meer geestkracht, zelfop-
offering en dapperheid zullen toonen in het vervullen
van hun dure plichten.
Één goed soldaat, zegt men, geldt voor twee slechte.
Deskundigen verzekeren, dat voor de verdediging van ons
land in \'t bijzonder een niet zeer groot, maar dapper
en goed geoefend leger de voorkeur verdient boven een
talrijk, dat minder sterk en moedig zijn zou. Welnu, wij
meenen te hebben aangetoond, dat een leger van ruim
100,000 man volgens ons stelsel, voor een belangrijk
deel bestaande uit forsche mannen en vrijwillig dienem
den, in lichamelijke krachtsontwikkeling en gehardheid,
in geoefendheid en militaire bekwaamheid, in moed en
fleren krijgsmansgeest, veilig eene vergelijking kan door-
staan met een zelfs talrijker leger van gedwongen, meest
onvolwassen jongelieden volgens het stelsel van grooter
contingent en korteren diensttijd.
Meer bepaald voor de verdediging van ons vaderland
is het stelsel van langoren diensttijd van bijzonder ge-
wicht. De mannelijke moed en volhardingsgeest der
ouderen, gevoegd bij de eenigszins onstuimige, doch
daardoor minder standvastige dapperheid der jongeren
-ocr page 167-
157
zal vooral belangrijk zijn voor een leger als het onze,
dat bij eventueelen oorlog meer defensief bij fortverde-
diging dan offensief in het open veld zal moeten optreden,
en daarom meer zal moeten uitmunten door onverzettelijk
weerstandsvermogen dan door heftigheid van aanval.
Wij zouden onze stelling nog kunnen bevestigen door
militaire capaciteiten en andere groote mannen, die ins-
gelijks uit krijgskundig oogpunt aan het stelsel van
langen diensttijd de voorkeur geven. \') Wij zouden ons
nog kunnen beroepen op de ondervinding der vorige
eeuwen, op voorbeelden uit onze eigene roemrijke ge-
schiedenis. Kleine legermachten hebben toen meermalen
wonderen van dapperheid verricht, die thans nog de
verbazing der bekwaamste militairen wekken. Het was
omdat men de kracht eens legers meer in het gehalte
zocht dan in het getal. De beste soldaten van Napoleon I,
met wie hij altijd de zege bevocht, waren de krachtvolle
mannen, die reeds een tiental jaren onder de republiek
hadden gediend. Toen op zijn tocht naar Moscou koude
en gebrek deze mannen had weggemaaid, toen slechts
jeugdige recruten de gelederen kwamen aanvullen, toen
begon zijn zegester te dalen. Hij verloor den slag bij
Leipzig, en zette den eersten stap op den weg zijner
diepe vernedering.
2°. Dat ons stelsel van langeren diensttijd met be-
zoldiging der herhalingsoefeningen, der natie den minst
mogeliïjken druk
oplegt, zal een ieder duidelijk zijn.
Van de ongeveer 40,000 jongelingen, die jaarlijks den
leeftijd van 20 jaren bereiken, worden slechts 9400 ter
volledige en 1000 ter onvolledige oefening opgeroepen,
1) In de Duitsche Rijksdagzitting van 6 Februari 1888 werd de
nieuwe legerwet aangenomen, welke den militairen dienstplicht tot 39-
jarigen leeftijd uitstrekt. Prins von Bismarek noemde toen: „Die Fa-
„milienvüter über 30 Jahre eine Armee von Triariern — das beste Men-
„schenmaterial, dasz wir überhaupt in unserem Volke haben." Majoor
Seyffardt zegt: „Uit een zuiver militair oogpunt is liet meer verkieslijker
„een kleine dan een groote jaarlijksche lichting te nemen." Onze Volks
weerbaarheid,
bl. 23.
-ocr page 168-
158
terwijl volgens het stelsel der meerderheid 12,100 ter
volledige en 3000 ter onvolledige oefening zouden wor-
den aangewezen.
Dit gering jaarlijksch contingent zal allervoordeeligst
zijn voor den bloei en de welvaart van den Staat en
van geheel de burgerlijke maatschappij, van alle standen,
die zich dan minder belemmerd, met alle krachten aan
handel, industrie, landbouw, kunsten en wetenschappen
kunnen blijven wijden.
Ook voor de 10,400 miliciens zal de druk der con-
scriptie veel lichter zijn in onze proeve dan in een ander
stelsel, èn omdat velen, na verloop van eenige jaren
misschien duizenden, half-vrijwilligers zullen zijn, èn
omdat nog altijd het recht van dienstvervanging blijft
bestaan, èn omdat hun het militair leven op velerlei
wijze genoegelijk, de langere diensttijd door eene goede
soldij voor de herhalingsoefeningen voordeelig en winst-
gevend wordt gemaakt.
Bij dezen betrekkelijk geringen druk voor geheel de
natie, zal dit stelsel nog groote voordeelen afwerpen
voor de mingegoede standen der maatschappij, die de
meeste soldaten zullen leveren. Behalve de gelden voor
plaatsvervanging zullen, door de soldij voor herhalings-
oefeningen, 6 a 800,000 GH. aan de nietbezittende klasse
ten goede komen. Door al dit geld en door het kleiner
jaarlijksch contingent, zal men het volk meer goed doen,
het meer uit zijn staat opheffen, dan door gedwongen
persoonlijken dienst der meergegoeden! Daardoor wordt
niemand gebaat: de werkman moet evengoed zijn dienst-
tijd vervullen, de gelegenheid tot goede verdienste wordt
hem ontnomen, slechts wrok en ontevredenheid wordt
gekoesterd tegen den meer bevoorrechte, met wien hij
in nauwere aanraking komt.
Ook de zedelijkheid van ons volk zal in niet geringe
mate verbeterd worden, wanneer jaarlijks eenige dui-
zenden jongelingen minder aan de verleiding van kazerne
en garnizoensplaats zullen blootstaan.
-ocr page 169-
159
Dit stelsel is verder geheel overeenkomstig met ons
eigenaardig volkskarakter: het weet een diep onafhan-
kelijksgevoel te bewaren en practische degelijkheid aan
verstandige spaarzaamheid te paren. Het is echt Neder-
landsch en inheemsch bij ons volk; want verre van
met onze geschiedenis te breken, sluit het er zich ten
nauwste bij aan. Het volgt slechts de tradities onzer
voorvaderen, die, om de belangen van andere standen
niet te schaden en handel en nijverheid niet te belem-
meren, slechts in de uiterste noodzakelijkheid persoonlijke
diensten van de burgers hebben gevergd, die er steeds
op uit waren, het zwaartepunt der militaire quaestie
naar financieele zijde te verplaatsen en door goed be-
zoldigde vrijwilligers en huurtroepen het vaderland te
doen verdedigen.
Als echt Nederlandsch breekt dit stelsel geheel en al
met het Pruisisch militarisme, verzacht en beperkt zoo-
veel doenlijk de conscriptie, die gehate nalatenschap der
Fransche overheersching, om, voor zoover mogelijk, terug
te keeren tot de gezonde voorvaderlijke en antirevolu-
tionaire begrippen, die in dit punt geheel strooken met
de ware liberale en vrijzinnige beginselen.
Immers meer dan in eenig ander stelsel worden hier
de rechten en vrijheden van den mensch en van den
burger erkend en geëerbiedigd; volkomen gelijkheid van
bescherming wordt aan alle standen verleend; de lasten
die de Staat moet opleggen, worden zooveel mogelijk
verlicht en gelijkmatig verdeeld; persoonlijke diensten
worden slechts, voor zoover dringend noodzakelijk, ge-
eischt en dan nog naar vermogen bezoldigd.
Op deze wijze zullen de wederzijdsche rechten en
plichten tusschen Staat en burgers, en het welzijn van
geheel de maatschappij tot bevrediging aller bezadigde
en vrijheidlievende mannen zoo volmaakt mogelijk wor-
den in acht genomen. De burgers zullen den Staat met
€en naar vereischte talrijk, krachtig en goed georgani-
seerd leger ter zijde staan, om hunne onafhankelijkheid
-ocr page 170-
160
te verdedigen; de Staat zal op zijne beurt alles doenr
wat in zijne macht is, om de militaire lasten voor zijne
burgers te verminderen, om persoonlijke vrijheid onge-
schonden te laten, en de stoffelijke belangen van al zijne
onderdanen te beschermen en te behartigen. Regeering
en volk zullen aldus in schoone harmonie met elkander
leven; kunsten en wetenschappen, handel en scheep-
vaart, landbouw en nijverheid zullen met minder hin-
dernissen worden beoefend ; de algemeene welvaart en
bloei zal daardoor slechts toenemen ; de militairen zullen
bij hun verbeterden financieelen toestand, steeds meer
worden geacht, en al de andere standen zullen zich ge-
lukkig gevoelen in het bezit hunner dierbare vrijheid en
gerust omtrent de toekomst van het vaderland.
Kortom Nederland zal een modelstaat zijn voor Eu-
ropa, en de andere natiën, die gebukt gaan onder den
loodzvvaren last van het militarisme en zuchten onder
deszelfs naweeën, zullen met naijver hunne blikken ves-
tigen op dat gezegend land, waar de standaard der vrij-
heid is geplaatst, waar vier en een half millioen burgers
ongestoord hunne souvereine rechten van mensch en bur-
ger kunnen genieten.
Ziehier onze redenen in het kort saamgevat. De
legerorganisaue, in deze proeve uiteengezet, wordt aan-
bevoleu:
1". door het beginsel van recht en billijkheid, wijl de
Staat, door bezoldiging der herhalingsoefeningen, zooveel
hij kan, de diensten der burgers beloont.
2°. door het beginsel van vrijheid, wijl de Staat, door
het stelsel der éénjarige vrijwilligers, alles in het werk
stelt om zooveel mogelijk vrijwillig dienenden voor het
leger aan te werven. Slechts gedwongen door de vol-
strekte noodzakelijkheid, legt hij beslag op den persoon
van den burger ;
3°. door liet beginsel van volkswelvaart, wijl door het
kleiner jaarlijksch contingent duizenden arbeidskrachten
meer werkzaam blijven in de maatschappij.
-ocr page 171-
161
De proeve van legerorganisatie door de meerderheid
•der Defensie-commissie voorgesteld, is volgens onze be-
scheiden meening:
1°. in strijd met de rechtsgelijkheid, zij vergt van een
gedeelte der natie zeer zware diensten zonder loon ter-
wijl zij het ander deel van allen last ontheft;
2°. gegrond op het beginsel van dioang, niet van vrij-
heid, wijl zij het vrijwillig dienstnemen niet bevordert,
en zonder noodzakelijkheid tot den krijgsdienst dwingt,
die er lust noch zin voor hebben;
3°. belemmerend voor onze volkswelvaart, wijl zij jaar-
lijks duizenden personen in den gewichtigsten tijd huns
levens en zonder noodzakelijkheid onttrekt aan han-
del, nijverheid, landbouw, handwerk, kunst en weten-
schap.
Wij hebben onze organisatie eene proeve van verzoe-
ning genoemd tusschen de twee stelsels in het Verslag
der Defensie-commissie voorgesteld.
De meerderheid dezer Commissie, die vooral onder de
heeren officieren de meeste aanhangers telt, zal o. i.
worden voldaan, wijl in hoofdzaak haar stelsel wordt
aangenomen: afschaffing der schutterijen, talrijker leger
met deugdelijke landweer of reserve.
Ook de minderheid der staatscommissie, die ongetwij-
feld de meerderheid der natie voor zich heeft, zal zich,
dunkt ons, met dit gewijzigd stelsel kunnen vereenigen,
wijl aan hare bezwaren wordt tegemoet gekomen: de
plaatsvervanging en nummerverwisseling blijft bestaan;
de langere diensttijd wordt winstgevend gemaakt en
daarmede de ongelijke druk weggenomen door middel
van de bezoldigde herhalingsoefeningen; het jaarlijksch
contingent wordt verscheidene duizenden mannen kleiner
dan in het voorstel der meerderheid. Deze bezoldiging
der herhalingsoefeningen en de vele andere voordeelen
zullen nog ten gevolge hebben, dat het aantal eenjarige
vrijwilligers toeneemt, waardoor dan het getal dienst-
plichtigen nog merkelijk zal dalen. Om dezelfde reden
11
-ocr page 172-
162
zal ook de plaatsvervanging goedkooper en meer in het
bereik vallen der mindere standen. Eindelijk zal ook de
minderheid moeten erkennen, dat de tweemaal 30 of 35
dagen ruim bezoldigde herhalingsoefeningen van 26- tot
31jarigen leeftijd een veel lichtere last zullen zijn, dan
de door haar voorgestelde volkswapening, cl. i. de ver-
beterde, onder krijgswetten geplaatste schutterijen met
hare vermeerderde wekelijksche oefeningen gedurende 10
volle jaren.
Volgens onze bescheiden meening zou eene legerorga-
nisatie, waarvan wij de hoofdtrekken in deze proeve
hebben aangegeven, aan de rechtmatige eischen van
beide partijen voldoen, en eene niet onaanzienlijke meer-
derheid in de Staten-Generaal verwerven. De reeds zoo
lange jaren aanhangige militaire quaestie zou haar be-
slag krijgen tot heil van het vaderland en tot welzijn
van ons volk ! —
-ocr page 173-
NAREDE.
Aan heb einde van onze taak gekomen onderwerpen
wij met vertrouwen onzen arbeid aan het oordeel onzer
lezers.
In onze voorrede hebben wij gezegd, dat de quaestie
van persoonlijken dienstplicht geen partij-quaestie is, dat
men voor- en tegenstanders aantreft onder mannen van alle
richting. Om deze reden hebben wij ons op een neutraal
standpunt geplaatst, ons boven de partijen, of liever op
vriendschappelijken voet met alle partijen gesteld, ten
einde de zaak onbevooroordeeld te beschouwen en in
het belang van alle partijen, dat is van het vaderland
en zijne gezamenlijke bewoners, op te lossen. Onze
drijfveer was liefde voor het vaderland en behartiging
onzer volkswelvaart, ons uitgangspunt het heil en de
zelfstandigheid van onzen Staat overeen te brengen met
het rechtmatig vrijheidsgevoel en de belangen onzer
natie. Voor beide punten hebben wij ons voortdurend
beroepen op de redelijkheid en het gezond verstand,
waarmede — dit mogen wij zonder ijdele zelfverheffing
zeggen — ons Nederlandsen publiek in ruime mate be-
deeld is. De uitkomst van ons onderzoek was, dat per-
soonlijke dienstplicht voor de onafhankelijkheid van
onzen Staat niet noodzakelijk is, dat wij dus, in naam
der vrijheid en ter wille der belangen van duizenden
van alle partijen en van alle standen, mogen en moeten
vorderen, dat bij de toekomstige legerorganisatie het
-ocr page 174-
164
recht der dienstvervanging voor het Nederlandsch volk
ongeschonden blijve bewaard.
Want inderdaad alle partijen in den lande hebben redenen
te over, om tegen gedwongen persoonlijken dienst te zijn.
De Liberalen en voorstanders van vrijzinnige beginse-
len, van volkswelvaart, van onbelemmerden handel en
nijverheid, van vooruitgang en beschaving, moeten o. i.
zich tegen afschaffing der plaatsvervanging verklaren,
wijl hierdoor de rechten van den mensen worden ge-
krenkt en zijne vrijheid onnoodig aan banden gelegd,
wijl verder, door het geweldig ingrijpen van den Staat
in het privaat leven der burgers, de bronnen van ons
bestaan, vooral de groot- en kleinhandel, werkelijk schade
wordt toegebracht, wijl eindelijk elke schrede op den
weg van het militarisme een stap achterwaarts is naar
de barbaarschheid. Nooit hebben zij zich karig betoond
met geldelijke uitgaven voor \'s lands welzijn of tot be-
vordering van het algemeen belang; maar ook altijd
hebben zij er naar gestreefd de lasten gelijkmatig onder
de burgers te verdeelen : getuige nog het onlangs voor-
gestelde ontwerp—Borgesius over de inkomsten-belas-
ting. Welnu, door het toestaan van eene betrekkelijk
slechts geringe som, veel meer dan door het dwingen
van duizenden meer gegoede onwilligen tot den krijgs-
dienst, kunnen zij den Staat een krachtig aangevoerd
leger verschaffen, waardoor de last voor \'s lands de-
fensie tevens meer gelijkmatig volgens ieders stand
en draagkracht zal drukken. De liberale partij leert,
dat het gezag komt van het volk, dat de staats-
macht dus tot wet moet verheffen, wat overeenstemt
met en steunt op de overtuiging en den geest van het
volk. Veertig jaren lang heeft zij den steun mogen on-
dervinden van een groot gedeelte van het volk, vooral
van den middelstand, van het meer ontwikkeld deel dei-
natie. Welnu, de groote meerderheid van ons volk is
anti-militaristisch; vooral onze nijvere bourgeoisie, die
het meest onder persoonlijken dienstplicht zou gebukt
-ocr page 175-
165
gaan, is afkeerig van deze dwangwet. Wij mogen dus
verwachten, dat de liberalen, die 40 jaren lang de wen-
schen van ons volk hebben geëerbiedigd, ook thans hunne
tradities zullen voortzetten en getrouw blijven aan hunne
vrijzinnige beginselen.
\'t Is waar, eenige organen der liberale pers hebben
persoonlijken dienstplicht een eisch verklaard der liberale
beginselen. Tegen deze uitdrukkingen meenen wij echter
te moeten protesteeren. Tenzij men de absolute staats-
almacht als hoogste beginsel van alle staatsrecht pro-
clameere — hetgeen door de voornaamste leeraars der
vrijzinnige rechtsschool wordt gewraakt, — moet men
blijven erkennen, dat de Staat slechts in het geval eener
volstrekte noodzakelijkheid beslag mag leggen op den
persoon van den burger en eene uitzondering maken
op het algemeen en souverein recht der dienstvervan-
ging. Slechts de sociaal-demokraat, die den Staat ver-
heft tot bron en oorsprong van alle individueele rechten,
en daarom logisch algeheele gelijkheid van goederen,
enz. vordert, kan ook logisch den eisch van persoonlij-
ken en algemeenen dienstplicht bij het leger, of, gelijk
hij wil, bij eene volksvvapening stellen. Wij voor ons
wij blijven met de Arnhemsche Courant, die altijd onder
de eerste strijders der vrijzinnige beginselen gestaan
heeft, met het „Nieuws van den Dag", het meest ver-
spreide orgaan, met het „Nieuicsblad voor Nederland"
en andere organen der liberale partij, de overtuiging
deelen, dat het militarisme, of de onnoodige verzwaring
der persoonlijke lasten, met de ware vrijzinnige piïn-
cipen, met beschaving, ontwikkeling en volksbelang
onvereenigbaar is.
De Conservatieven, die tegenstanders zijn van persoon-
lijken dienstplicht, zullen in den geest treden van Willem
den Eersten en van Willem den Tweeden, die de ge-
trouwe uitdrukking waren van ons volk, toen zij in de
Grondwetten van 1814, 1815, 1840, en zelfs nog van
1848, het juk der conscriptie, zooveel mogelijk, door vrij-
-ocr page 176-
166
willig dienenden en vooral ook door de vrijheid der
plaatsvervanging trachtten te verlichten.
De Anti-revolutionairen, door het genie van Groen van
Prinsterer tot eene krachtige partij georganiseerd, heb-
ben, volgens onze bescheiden meening, geheel bijzondere
bezwaren tegen de afschaffing der plaatsvervanging. In
het staatsrecht volgelingen der historische school, in het
burgerlijke recht steunend op het rechtsbewustzijn van
het volk, zullen zij moeten erkennen, dat onze roemrijke
voorouders, wien het toch waarlijk niet aan vaderlands-
liefde heeft ontbroken, nooit of nimmer, tenzij in geval
van uiterste noodzakelijkheid, de verdediging des vader-
lands als een persoonlijken plicht hebben beschouwd.
Integendeel, meestal hebben zij tegen aanzienlijke som-
men gelds dien plicht afgekocht, om zich door vreemde
huurtroepen te doen vervangen. Zij moeten daaruit
besluiten, dat de moraliteit van het beginsel der dienst-
vervanging in onze historie en in onzen volksgeest ge-
worteld is. Als strijders voor de individueele vrijheid
tegenover het staatsabsolutisme, passen zij verder het
absolute en streng persoonlijke recht der dienstvervan-
ging ook op den dienst in het leger toe en mogen in
deze kostbare vrijheid geen onnoodige staatsinmenging
toestaan. Eindelijk, de geschiedkundige oorsprong van
het militarisme uit de Fransche Kevolutie, is voor hen,
anti-revolutionairen, eene krachtige reden om ook de
legervorming, zeker wel volgens de eischen van den
tijd, maar toch ook, zooveel doenlijk, volgens de histo-
rische en antirevolutionaire beginselen te regelen.
Wij weten wel, dat velen hunner gemoedsbezwaren
hebben tegen de plaatsvervanging. Zij zijn van meening,
dat dit alles in strijd is met de berusting in de bezoe-
kingen van Gods Voorzienigheid. Zij houden derhalve
Verzekeringen en Waarborgen voor Nationale Militie,
evenals alle andere assurantiën voor onzedelijk. Op dit
bezwaar is echter meermalen met talent geantwoord in
„de Standaard" en „de Heraut". Niemand belet hen
-ocr page 177-
167
persoonlijk hun dienstplicht te vervullen; doch gewe-
tensvrijheid vordert, dat zij hunne gemoedsbezwaren aan
anderen niet opdringen.
Wat de zedelijkheid aangaat, houden wij ons over-
tuigd, dat vele rechtzinnigen in illusie verkeeren. De
ondervinding in andere militarische landen bevestigt de
uitspraak van het gezond verstand, dat door den invloed
van het geld, den stand en het aanzien dier meerge-
goede jongelieden, wier zedelijkheid iets te wenschen
overlaat, de moraliteit van ons leger, en daarom ook
van geheel ons volk merkelijk zou dalen.
Overigens is de paragraaf: afschaffing der plaatsver-
vanging slechts een „pa>.nt de détail" van het antirevo-
lutionair program, gelijk „rfe Standaard\'\'\'\' dit uitdrukkelijk
heeft verklaard \')• Zeker is het dus, dat de duizenden
antirevolutionaire kiezers, die behoud der plaatsvervanging
als hun vurigsten wensch blijven koesteren, terecht, op
degelijke antirevolutionaire beginselen en traditien steu-
nend, deze omwenteling in ons volksleven blijven afwijzen.
Voor de roomsch-katholieken bestaat nog eene reden
van bijzonderen aard. Want wij willen hun niet ont-
veinzen, dat, ook volgens onze meening, de hun toegezegde
vrijstellingen voor geestelijken van betrekkelijk korten
duur zullen zijn. De tijd van privilegiën voor bijzondere
standen is voorbij. Vooral privilegiën, waardoor inbreuk
gemaakt wordt op het recht van derden, gelijk hier het ge-
val zou zijn, wanneer in plaats der vrijgestelde geestelijken,
van welke gezindte ook, jaarlijks zoovele honderden meer
tot den krijgsdienst zouden moeten gedwongen worden,
zijn geheel in strijd met onze moderne rechtsbegrippen.
De stroom van gelijkheid der standen, welke door per-
soonlijken dienstplicht nog merkelijk zou toenemen, 2)
zal dus ongetwijfeld ook hunne seminaristen en geeste-
1)    Onze Volksweerbaarheid, bl. 86.
2)    Lichaamsoefening en volksweerbaarheid door S. van Aken, met
een inleidend woord van Fr. Lieftinek, bl. III.
-ocr page 178-
168
lijken mede in de kazerne slepen. Als verder bewijs be-
hoeven wij hen slechts op andere landen te wijzen.
Plaatsvervanging — en dit merke men hier vooral op
— is geen privilegie, door den Staat verleend, maar
een aangeboren recht van het individu, tot welken stand
het ook behoore,\') eene vrijheid, waarvan alle standen,
ook de mingegoeden proflteeren.
De tegenstanders van algemeenen dienstplicht eindelijk
vinden alleen in den strijd tegen persoonlijken dienst-
plicht een krachtig wapen om het gevreesde militarisme
niet in ons land te zien binnendringen. Persoonlijke
dienstplicht is slechts een stap tot algemeenen dienst*
plicht. Ofschoon vele voorstanders vooralsnog hunne
eischen tot afschaffing van plaatsvervanging beperken
om niet meer bestrijders tegen zich in het harnas te
jagen, verklaren anderen reeds onomwonden, dat zij
algemeenen dienstplicht willen. De heer Seijffardt, een
invloedrijk Kamerlid en majoor der Artillerie, zegt o.a.:
„Men moet daarbij trachten om, zooal niet ineens, dan
„toch langzamerhand de lichtingen telken jare grooter
„te nemen, totdat men den algemeenen dienstplicht heeft
„verkregen. Hoe eerder dit geschiedt des te beter. In
„elk geval is dit het einddoel, het ideaal, toaamaar voort-
„durend moet worden gestreefd".
De heer Lieftinck, ins-
gelijks lid der Tweede Kamer zegt: „Zal het Neder-
landsche leger worden, wat het worden kan en moet,
dan moet ieder man die weerbaar is, zich oefenen in den
wapenhandel." De heer H. L. van Oordt noemt „de lo-
„ting uit een moreel oogpunt een noodzakelijk ktoaad."
Inderdaad, de meeste argumenten voor persoonlijken
gelden evenzeer voor algemeenen dienstplicht. De ver-
dediging des vaderlands is de eerste plicht van den
burger, die persoonlijk moet vervuld worden; — dus
ook door iederen burger! De rechtsgelijkheid verbiedt
den meer gefortuneerden een voorrecht te verleenen; —
1) t. a. pl„ bl. 30.
-ocr page 179-
169
dus ook den loteling, die door de fortuin van liet lot wordt
begunstigd I Het leger is een uitstekende oefenschool
voor het volk, die ook de meer gegoede moet doorloo-
pen; — dus ook voor geheel het volk, de eenige zoons
en de helft der broeders niet uitgezonderd; enz., enz.
Zoo smeden zij de wapenen, welke de voorstanders
van algemeenen dienstplicht spoedig tegen hen zullen
aanwenden.
Behalve in de beginselen zijner partij vindt ieder
nog in de belangen van zijn stand dringende redenen,
om de afschaffing der plaatsvervanging te bestrijden.
Want alle standen der maatschappij worden door plaats-
vervanging gebaat.
Wel is waar, voor de zoons onzer adellijke en aristo-
kratische familiën
zou de officierscarrière meer brillant
schijnen, indien zij het vooruitzicht hadden, ook over
jongelieden uit den meer beschaafden burgerstand het
bevel te kunnen voeren. Wij zouden echter den adel van
hun karakter oneer aandoen, indien wij niet vertrouw-
den, dat zij om deze baatzuchtige schijnreden anderen
niet zulk een zwaar juk als gedwongen persoonlijken
dienst zullen willen opleggen.
De zoogenaamde bourgeoisie of de meer gegoede en
deftige middelstand, die steeds een bron van welvaart
voor ons vaderland is geweest, zal zich, zonder storend
ingrijpen van den Staat, met allen ijver kunnen blijven
toeleggen op handel en industrie, wetenschap en kunst.
De mindere burgerstand, de landbouwers- enambachts-
stand zal nog dikwijls in staat zijn van de plaats-
vervanging te profiteeren, en in deze vrijheid zelfs
een prikkel vinden, om de arbeidzaamheid en spaarzaam-
heid te beoefenen, ten einde hun zoons, die hun zooveel
dienst bewijzen, van den krijgsdienst vrij te koopen.
f Uit de weinig of niets bezittende volksklasse vinden
door de plaatsvervanging jaarlijks eenige duizende jonge-
lingen voor zich zelven in het leger een eerlijk bestaan,
een leerschool van orde en tucht, waaraan zij zeker meer
12
-ocr page 180-
170
behoefte hebben dan de meergegoeden, en eene uit-
muntende gelegenheid, hun stand met één millioen\'s jaars
te verrijken. Door deze verdiensten wordt menige el-
lende gelenigd, menige positie verbeterd, en menigeen
van den afgrond van het socialisme weerhouden. Nog
moeten de mingegoeden in hun eigen belang tegen per-
soonlijken dienstplicht zijn, wijl door het intreden der
rijkeren, de dienst voor velen hunner èn langer èn zwaarder
zal worden. Ook de aanwezigheid in het leger dezer
meergegoeden, met hunne voorrechten en uitzonderingen,
kan voor hen volstrekt niet wenschelijk zijn, en kan
slechts afgunst en verbittering bij hen opwekken.
Ook de militaire stand of het leger kan door de plaats-
vervanging slechts winnen, vermits het onderscheid van
standen, die levensvoorwaarde van alle maatschappelijke
orde en rust, in het leger niet zal worden opgeheven.
Wat onze officieren aangaat, begrijpen wij zeer goed,
dat zij sympathie koesteren voor persoonlijke dienst-
vervulling der meergegoeden. Maar zij gelieven ook
na te denken, welk een drukkende last het voor meer
beschaafde jongelieden zijn zou, hunne studiën of hunne
zoo gewichtige opleiding in de zaak te moeten onder-
breken, bij den minderen troep te moeten dienen en zich
beneden hun stand te moeten verlagen. Dat zij zich
in onze plaats stellen en zich afvragen, of zij zelven,
buiten het geval der noodzakelijkheid, geneigd zouden zijn
als minder soldaat of korporaal in het leger te treden.
Overigens zullen zij meer gebaat worden door verhooging
van hun traktement, waarop zij, vooral de luitenants,
o. i. alle aanspraak hebben. Ook zullen zij in de mindere
standen meer volgzame en gewillige soldaten ontmoeten,
dan onder de rijken, die door hun karakter, aanzien en
invloed menigen officier het leven zou verbitteren.
Ten slotte alle vaderlandsiievenden, die er met ons
roem op dragen geboren te zijn op die kleine maar reine
plek gronds, aan de oevers van Rijn en Maas en Schelde,
zullen er een eer in stellen, hun vrijzinnig, verdraag"
-ocr page 181-
171
zaam en ordelievend karakter, hetwelk onze natie zoo
gunstig onderscheidt, onbesmet te bewaren. Zoo zullen
wij aan geheel Europa toonen, dat Nederland nog altijd
het land is, waar de individueele vrijheid door het staats-
gezag zooveel mogelijk wordt geëerbiedigd, waar men
juist daarom met des te meer wilskracht besloten is,
naar de wijze der voorvaderen eerst en vooral door geld
en goed, en, in zoover het noodzakelijk is, ook ten koste
van ons leven en bloed, de onafhankelijkheid van \'t dier-
baar vaderland met allen moed en volharding te verde-
digen.
Moge de militaire dienstplicht, door onze Grondwet
voorgeschreven, aldus worden geregeld, dat persoonlijke
dienstplicht, die noodlottige omiventeling in ons rechts-
en vrijheidsgevoel, in onze zedelijkheid, in onze welvaart
en onzen maatschappelijken toestand, in onze geschie-
denis en onzen landaard, kortom in geheel ons volksleven,
voor altijd blijve geweerd!
Moge ons leger niet de slaafsche navolging worden
van andere natiën, wier toestand, behoefte en karakter
geheel van de onze verschillen, maar eene ware uit-
drukking van ons vrij en krachtig volk, en een zekere
waarborg voor de onafhankelijkheid van ons aller dierbaar
"Vaderland onder den Schepter van het roemrijk Huis
van Oranje!
-ocr page 182-
PERSOONLIJKE DIENSTPLICHT EN LEGERORGANISATIE
DOOR EEN STAATSBURGER.
BIJLAGEN.
I. BEREKENINGEN
1°. Legersterkte uit dienstplichtigen en half vrijwilligers (bl. 142):
10.400 X 6.94 = 72.176
10.400 x 2.4 = 24.940 Totaal 97.136 man.
Landweersterkte: 10.400 x 4.6 = 47.840 man.
Aanm. Het verloop der eerste 8 jaren is op 6,94 ge-
steld (Verslag blz. 113); voor de 8 volgende jaren op
2,4 en voor de 6 jaren landweer op 4,6.
2°. Gelden bezuinigd door ons kleiner contingent (bladz. 149).
Minder volledig te oefenen 2,600 man X 200Gl.=520.000 Gl.
„ onvolledig te oefenen 2,000 ,, X 5 0G1.= 100.000 Gl.
Totaal 620.000Gl.
Bezoldiging der herhalingsoefeningen voor dienstplichtigen
en halfvrijwilligers.
Manschappen Dagen Malen 1
te oef. ]
Veldinfanterie 47,844 x 35 x 3
Vestinginfanterie 14,146 x 30 x 2
Cavalerie                 879 x 21 x 1
L
r
Veld-Artillerie 3,192 x 30 x 2 Gedeeld
Rydende Artillerie 235 x 30 x 2 door <
872,626
8 jaar
Vesting-Artillerie 11,924 x  30  x 2
Pontonniers             576 X  30  x 2
Torpedisten             346 x  30  x 2
Genietroepen         1,359 x  30  x 2
Hospitaalsoldaten 930 X  35  x 1
i
Men voege hierbij de 3,500 plaatsvervangers, die in onze
proeve op de vrijwillig dienenden der Commissie zijn uitge-
wonnen; voor dezen gesteld gemiddeld 2 maal 30 dagen,
-ocr page 183-
geeft 3500 x 30 x 2 = 210,000 : 8 = 25,250. De soldij
der herhalingsoefeningen berekend tegen één gulden daags is
dan 872,626 26,250 = 898,876 Gl., berekend tegen
0.75 Gl. is 674,157 Gl.
Aanm. Voor het getal dienstplichtigen en het aantal
oefeningsdagen
bij de verschillende wapens hebben wij de
gegevens der Commissie genomen (Verslag bladz. 73 — 80
en bladz. 53 en 54). Het totaal dezer oefeningsdagen kan
niet veel verschillen van dat onzer proeve. Wat onze derde
of vierde oefening (blz. 144) meer kost, wordt uitgewonnen
door het kleiner contingent.
2. ZlNSTORENDE DRUKFOUTEN, WELKE DE GOEDGUNSTIGE LEZER
WEL ZAL WILLEN VERBETEREN.
Blz. 14 regel 6 staat: 8 a 900, moet zijn: 8 a 9000.
i> 55 » 6 van ouder staal: Du Coutesch, moet zijn: den Contekst.
» 83 » 4 staat: 1811, nwet zijn: 1810.
» 137 » 10 van onder staat: 12,000, moet zijn: 12,100.
n 149 » 9 slaat: gedeeltelijk, moet zijn: geheel.
» » » 14 » 640,000
            » » 620,000.
» » » 17 » 894,215            » » 898,876.
» » » 21 » 670,661             » » 674,257.
» 150 » 13 » 21,000            » » 210,000.
» 157 » 9 en 10 van onder staat: 1000 en 9400, moet zijn:
900 en 9500.
i> 167 noot 1). 2), en bladz. 168 noot 1), behooren bij de drie citaten
op bl 168.
c M/r /