-ocr page 1-
<flr. /ièo.jrl \\
UZ^Q
yrwn
NEDERLAND,
Mene, Mene, Tekel, Upliarsin?
DOOR EEN
HOOFDOFFICIER DER SCHUTTERIJ,
OÜB-OFFICIER DER INFANTERIE.
GEDRUKT BIJ
G. B. van GOOR ZONEN,
GOUDA.
-ocr page 2-
\'i;/}^0hf-
W.W
; UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000029754375B
2975 437 5
-ocr page 3-
NEDERLAND,
Mene, Mene, Tekel, Upharsin?
DOOR EEN
HOOFDOFFICIER DER SCHUTTERIJ,
OUD-OFFICIKR DEH INFANTERIE.
GEDRUKT BIJ
G. B. van GOOR ZONEN,
GOUDA.
-ocr page 4-
»Ik dacht aan mijn Vaderland, aan alles wat het
»verzuinid heeft te doen, sinds beteekenisvolle feiten
»en veranderingen in Europa het waarschuwde."
De Gids (November 1886).
-ocr page 5-
NEDERLAND,
Mene, Mene, Tekél, Upharsin ?
»\'t Is nog geen vrede op aarde."
Bergsiua, 1873.
In het jaar 1870, toen de worstelstrijd tusschen Duitschland en
Frankrijk was uitgebroken, verkeerden de overige Staten van Europa
in groote spanning, wat wel de gevolgen zouden zijn.
Onmogelijk was het, in het begin, maar eenigszins na te gaan,
waar die strjjd op zou uitloopen, of andere Staten zouden worden
meegesleept, of krachtig zouden optreden, om een der mogendheden
bij te staan.
De algemeene geest was evenwel voor strikte onzijdigheid, maar
toch wapenden zich de aangrenzende Staten om hunne neutraliteit,
zoo noodig, te kunnen handhaven.
In de eerste plaats Zwitserland en België, terwijl Engeland ver-
klaarde, deel te zullen moeten nemen aan den oorlog wanneer men
België\'s neutraliteit bedreigde.
Ongelukkig \'t land, dat daarop maar eenigszins durft rekenen.
Wanneer het militair belang het vordert, bieden onzijdigheid noch
tractaten eenigen waarborg.
De geschiedenis leert voldoende, hoe weinig men zich aan tracta-
ten stoort.
De vjjf Europeesche mogendheden, die bij het tractaat van Londen
van 8 Maart 1852 de onschendbaarheid van de Deensche Monarchie
-ocr page 6-
A
hadden gewaarborgd, lieten aan dit land in 1866, zonder iets ter
harer verdediging te doen, de Hertogdommen Sleeswijk-Holstein en
Lauenburg ontrukken.
Eveneens lieten Frankrijk, Engeland en Oostenrijk, die bij het
aanvullingstractaat van 15 April 1856, denzelfden waarborg aan
Turkije hadden verstrekt, zonder protest toe, dat in 1877 de Russische
troepen Rumenië binnenrukten.
Een Minister in België beweerde dan ook terecht: »De kleine
Staten, die rneenen op hunne onzijdigheid, op het vertrouwen op
tractaten en op den waarborg en den steun van Engeland en van
Europa te kunnen inslapen, moeten voortaan slechts op zich zelven
rekenen."
Nog duidelijker liet zich in 1855 Lord Palmerston uit: »Het is
waar, België en Zwitserland zijn onzijdig; maar ik hecht niet het
minste gewicht aan deze onzijdigheid,
want ik heb altijd opge-
merkt, dat, wanneer de oorlog uitbreekt en wanneer een natie het
nuttig oordeelt om met zijn leger over een onzijdig grondgebied te
trekken, zij er zelfs niet aan denkt om de neutraliteit, bij de
tractaten gewaarborgd, te eerbiedigen."
Het kortst en krachtigst liet Bismarck zich uit: »Z)e oorlog ver-
nietigt de tractaten."
Rekent Nederland zich niet gevrijwaard door tractaten, het heeft
altijd geslapen en slaapt nog steeds rustig voort, vervult van de
dwaze hoop, als er oorlog komt, onzijdig te kunnen blijven.
Volk van Nederland! wellicht is het oogenblik niet ver meer
verwijderd, dat gij al uwe droombeelden van vrede en van onzijdig-
heid, op droevige wijze zult zien verdwijnen.
Deze kleine maar gewichtige afwijking achtte ik noodig. Keeren
wij thans tot onze algemeene beschouwing terug.
Nederland voelde zich verplicht tot wapening, om zijne onafhan-
kelijkheid des vereischt te kunnen verdedigen.
In het kort vernam men in die dagen daaromtrent het volgende:
Het geheele actieve leger werd te wapen geroepen en alles gereed
gemaakt voor de mobilisatie der schutterq. Naar de zijde van Prui-
sen werden de verschillende liniën bezet en alle voorzorgen geno-
-ocr page 7-
5
men voor de inundatiën, terwijl de zeegaten en de geheele Noord-
Hollandsche kust nauwkeurig werd bewaakt.
De geestdrift was groot, het aangevraagde krediet van 4 millioen
werd onmiddellijk door de Volksvertegenwoordiging toegestaan en
het leger trok vol moed en met opgewektheid naar de aangewezen
standplaatsen.
Het was, of Nederland uit zijn diepen slaap was wakker geschrikt,
of een ieder wilde toonen, dat er nog nationale kracht en nationaal
leven in hem bestond, dat de Nederlander nog niet ontaard was
van de Vaderen en dat men alles op het spel wilde zetten, om vrij
en onafhankelijk te kunnen blijven.
In hoeverre die geestdrift oprecht en degelijk was, wil ik hier
niet beoordeelen. Er zijn er geweest, die het vuur der plotselinge
geestdrift met een stroovuur hebben vergeleken, en of zij geheel
ongelijk hadden, durf ik niet geheel met sneen" beantwoorden.
Opmerkelijk was het toch dat, toen na de snelle groote overwinnin-
gen van het Duitsche leger, het gevaar grootendeels was geweken,
men zeer spoedig tot de gewone kalmte terugkeerde en alle gedach-
ten aan annexatie enz. geweken waren.
Hoe dit ook zij, gedurende de zomermaanden van het jaar 1870
werden wij ernstig gewaarschuwd en thans komt, bijna twintig jaar
daarna, de zoo gewichtige vraag tot ons: Of wij ons die waar-
schuwing ten nutte hebben gemaakt? Hebben wij, uit hetgeen wij
in die dagen hoorden en zagen, iets geleerd? Zijn wij overtuigd
geworden, dat, willen wij onze onafhankelijkheid kunnen bewaren,
wij in dagen van vrede ons moeten voorbereiden en alles doen,
zoolang er nog tijd en gelegenheid is, om eenmaal tot de verdedi-
ging van ons Vaderland in staat te kunnen zijn?
Zoodra er sprake is van de verdediging van het Vaderland, dan
denken wij allereerst aan het leger, dat in den kortst mogelijken
tijd, die zware taak op zich zal moeten nemen en in hoofdzaak op
de gevaarlijkste en moeielijkste punten, met de verdediging zal wor-
den belast.
Het is van genoegzame bekendheid, dat bij de mobilisatie van het
leger in 1870, vele leemten in ons krijgswezen aan het licht kwa-
-ocr page 8-
c
men en dat menigeen zeer dankbaar was, dat wij niet plotseling in
een strijd gewikkeld waren, daar de allertreurigste gevolgen niet te
overzien zouden geweest zijn.
Duidelijk had men leeren inzien, hoe in onzen tijd slechte enkele
dagen noodig zijn, om van vredestoestand in oorlogstoestand over te
moeten gaan en er dus geen sprake van kan zijn, wanneer niet
alles vooraf uitstekend is voorbereid, men nog voldoenden tijd zal
kunnen vinden, om daarin gewenschte verbetering te brengen.
Algemeen nam men zich dan ook ernstig voor, ten minste in de
eerste oogenblikken, toen de vrees er nog goed in zat, om van de
ontvangen lessen partij te trekken, met alle kracht en macht aan
het werk te gaan, om in den zoo onvoldoenden toestand verbetering
te brengen en zorg te dragen, wanneer Nederland eenmaal werke-
lijk geroepen zou worden, om zijne onafhankelijkheid te verdedigen,
het daartoe dan beter in staat zou zijn.
In hoeverre hieraan is voldaan, of onze verdedigingsliniën in be-
hoorlijken staat zijn gebracht, of er meer eenheid van handelen is
gekomen in den aanleg en de verbetering van verschillende verster-
kingen, of het materieel beter voldoet aan de zeer hooge eischen,
die tegenwoordig worden gesteld; in één woord, of onze strijdrnid-
delen, in den ruimsten zin des woords, in beter, degelijker toestand
zijn gebracht? kan ik onmogelijk beoordeelen. Evenmin, wat ver-
schillende onderdeden van de organisatie betreffen, zooals legerbestuur,
legerindeeling en mobilisatie, en of daarin de zoo hoog noodig ge-
bleken veranderingen en verbeteringen zijn aangebracht.
Aan de beantwoording van al die vragen heb ik geen oogenblik
gedacht; dat laat ik over aan hen, die daarover beter kunnen oor-
deelen, daarvan beter op de hoogte kunnen zijn.
Hetgeen ik mij ten doel heb gesteld, is de bespreking onzer
strijdkrachten, bestaande uit vrijwilligers, miliciens en in oorlogstijd
de schutterij.
Misschien zal men zeggen, dat dit onderwerp reeds zoo dikwijls,
door veel bekwamer mannen is behandeld en er dus weinig nieuws
van te zeggen valt.
Maar, waag ik dan te vragen, moet het laatste woord dan reeds
-ocr page 9-
7
gesproken zijn; moeten wij maar kalm berusten, waar wij weten,
dat men niet heeft willen luisteren naai\' de vele stemmen, die rie-
pen: Verbeter onze strijdkrachten! en dat daarvan het gevolg kan
zijn: ünze ondergang.
Waar ik die overtuiging heb, voel ik mij gedrongen, al zou het
ook voor de duizendste maal zijn, opnieuw er op te wijzen, dat men
den tijd tot verbetering heeft doen voorbijgaan en het te laat! wie
weet hoe spoedig, ons al te droevig in de ooren zal klinken.
Immers is er in spijt van de ontvangen waarschuwingen in 1870,
gedurende 20 jaar dus, hoegenaamd niets gedaan, tot verbetering
onzer strijdkrachten, en waar bijna alle andere Staten van Europa
dat wel hebben gedaan en daardoor in nog veel krachtiger toestand
verkeeren dan in 1870, zijn wij feitelijk achteruit gegaan.
Mijn streven zal kortheid zijn en waar ik mij, wat het leger be-
treft, slechts tot eene enkele hoofdzaak wensch te bepalen, zal ik,
wat betreft de schutterij, uitvoeriger zijn, om zoo goed mogelijk te
overtuigen, dat daarop als strijdkracht niet mag noch kan gerekend
worden.
Het is van algemeene bekendheid, dat bij bijna alle Staten van
Europa de legervonning berust op het beginsel van algemeenen of
persoonlijken dienstplicht en dat Nederland, in spijt daarvan, steeds
het oude systeem, plaatsvervanging en nurnmerverwisseling, is blijven
huldigen.
Het was in het jaar 1875, dat de Antidienstvervangingbond werd
opgericht, zich ten doel stellende: Het verkrijgen der afschaffing van
het stelsel van dienstvervanging, plaatsvervanging en nummerver-
wisseling.
Elk goedgezind Nederlander is dank verschuldigd aan het onver-
moeid streven van den oprichter, den oud-Minister van Oorlog Graaf
Van Limburg Stirum, die, gesteund door zoovele andere mannen
van naam en positie, op allerlei wijzen zonder ophouden getracht
heeft, dat schoone doel te bereiken, helaas! tot nu toe zonder
resultaat.
Men vraagt: Hoe het mogelijk is, dat men bij ons maar halstar-
rig is blqven volharden en van meening is gebleven, het beter te
-ocr page 10-
8
weten dan de meeste Staten van Europa? Hoe het mogelijk is,
dat Nederland niet met zijn tijd is meegegaan, de bakens niet heeft
verzet, toen het getij verliep?
Hoe het. mogelijk is? Ziet maar eens om u heen, luister maar
eens naar veler gesprekken en het antwoord behoeft gij niet ver te
zoeken.
Het was éénmaal een onzer dichters, die op een toon, zoowel
droefheid als toorn en ongeduld uitdrukkende, met de vraag, of
liever het verwijt tot ons is gekomen:
»Wat wil men toch in Nederland?
»Men is in Nederland niet blijmoedig en op Nederland niet fier.
»Het besef van bezeten en genoten voorrechten is bedroevend flauw.
»Niets zeldzamer dan een Nederlander, die met zijn Vaderland
dweept."
Harde woorden voorzeker, maar zouden ze geheel onwaar, onver-
diend zijn?
Hoe weinig belangstelling toch toont een groot deel van ons volk,
in alles wat gedaan zou moeten worden, om een vrij en onafhan-
kelijk volk te kunnen blijven. Had men meer belangstelling getoond,
ik ben er zeker van, er zou meer gedaan zijn.
Waarom, sedert lang, minstens geen persoonlijke dienstplicht?
Hoofdzakelijk uit eigenbelang, gemakzucht en onverschilligheid.
Mijn zoon dienen, tijd en krachten wijden aan het soldatenleven,
besmet worden, door den omgang met allerlei slag van volk? Dankje
wel! Ik betaal geregeld mijne belasting, betaal bovendien voor mijn
zoon een remplacant, ik vermeen, dat het voldoende is. Ik houd
niet van het militaire; heeft men soldaten noodig, welnu, laat de
Staat daarvoor zorgen.
Een ander: Wij kunnen ons toch niet verdedigen, het is dan
ook al erg genoeg, dat jaarlijks zooveel geld onnut verloren gaat en
zou ik nu nog mijn zoon laten dienen en hem daardoor eenmaal
aan al de ontbering en gevaren van een oorlog blootstellen? Dankje,
dat laat ik aan anderen over.
Zijn er zoo? Ja zeker, en geen gering aantal ook, die krachtigen
steun vinden in nog een ander soort mensehen, dikwijls de voordee-
-ocr page 11-
-
-
9
len opgevende van aansluiting aan het Tolverbond en die voldoende
toonen, dat het hun weinig kan schelen of wij geannexeerd worden
of niet.
Maar, zal men mij toevoegen, nu zal het oogenblik toch spoedig
daar zijn, dat men zich daaraan niet meer storen zal, het Rapport
der Staatscommissie toch is daar, met haar Voorstel tot Persoonlijke
dienstplicht en zullen de plaatsvervangers enz. spoedig tot het ver-
ledene behooren.
                                                                              *
Het Rapport der Staatscommissie? Met waardeering en belang-
stelling, zullen zeker velen met mij, dat Rapport gelezen hebben
en den indruk hebben gekregen, dat wanneer de voorstellen en
wenken, daarin vervat, tot werkelijkheid mochten komen, wij een
grooten stap vooruit zullen gaan. Maar wat hebben wij aan dat
Rapport, zoolang er geen legerwet is ingediend; en wat hebben
wij aan die indiening, zoolang de Wet niet is aangenomen?
Mijne overtuiging is, dat het nog lang zal duren, eer wij zoo\'n
Wet in de Staatscourant zullen lezen. Men beweert wel eens, dat
de benoeming van sommige Commissies nergens anders toe dient,
dan om te doen vóórkomen, alsof men ernstig het goede wil, ter-
wijl men feitelijk beoogt uitstel.
Toen dan ook in Juni van het vorig jaar die Commissie werd be-
noemd, hoorde men zoo iets hier en daar mompelen, velen waren
er niet mede ingenomen.
In hoeverre zij recht hadden dit te denken, wil ik niet beoordee-
len, maar de vraag is toch gerechtvaardigd: Zouden zij zoo geheel
ongelijk hebben?
Hoe is het toch mogelijk dat, waar die Commissie van Juni tot
December werkzaam is geweest, alle mogelijke gegevens moest heb-
ben, om tot een degelijk Rapport te komen, onlangs nog officieren
naar Denemarken en Zwitserland gezonden moesten worden, om
aldaar de Legervorming en de Kaderopleiding te bestudeeren?
Dat zou, naar mijn bescheiding meening, hebben moeten vooraf-
gaan, maar dit te doen, nu het Rapport der Commissie reeds meer
dan een half jaar oud is, kan niet anders dan den indruk geven,
dat er wel degelijk naar redenen tot uitstel gezocht wordt.
-ocr page 12-
10
Waarom ? Reeds vóór het Rapport gereed was, vernamen wij
hier en daar zoo iets van tegenwerken.
De schoolstrijd heeft jaren geduurd, nu hoopt men tot een wa-
penstilstand te geraken, maar onmiddellijk zal men te velde trekken
tegen een anderen vijand: de Persoonlijke dienstplicht, en den strijd
niet aandurvende, zal men door onderhandelingen het oogenblik van
den strijd zoo lang mogelijk trachten te verschuiven.
In November 4886, zeide de Minister Beernaert, in den Belgischen
Senaat:
»Ik denk, dat de plaatsvervanging moet afgeschaft worden en
»dat die vraag de ernstige aandacht des lands verdient. Zoo denken
»ook mijne Collega\'s er over. Nochtans zullen wij geen Wetsont-
»werp indienen. Wij weten, dat de openbare meening zeer verdeeld
»is en dat wij vooreerst wat licht moeten aanbrengen."
Zal bij ons anders gesproken worden?
Wij weten, dat de Katholieke partij er tegen is; wij weten, dat
eene andere kerkelijke partij, uit welker boezem wij eens gehoord
hebben: »al zou het vaderland ook te gronde gaan", alles doet, om
de Katholieken te vriend te houden, en dat dus, wanneer die beide
partijen samenwerken, om het oude systeem te behouden, geen leger-
wet, waarbij van Persoonlijken dienstplicht wordt uitgegaan, ooit
kans zal hebben aangenomen te worden.
Arm Nederland! Verdeeld door partij- en godsdiensthaat, waar
de bede: »Geef dat ons volk eendrachtig zij en door zijn eendracht
»sterk" op onze lippen verstijft, een ieder, die ernstig nadenkt, moet
uwe toekomst donker inzien.
Geen persoonlijken dienstplicht, geene verbetering onzer strijd-
krachten, niet in staat behoorlijk onze onzijdigheid te handhaven,
onze onafhankelijkheid te bewaren, kan het anders dan dat wij, bloot-
gesteld aan de minachting der andere Staten, uit de rij der Staten
van Europa verdwijnen.
Volk van Nederland! Dan zal men u niet vragen, of gij per-
soonlijken of algemeenen dienstplicht wenscht; dan zullen uwe zonen
hun eigen garnizoen niet meer kunnen kiezen, maar ver, zeer ver
worden weggezonden en vreemde soldaten onze garnizoenen bezetten.
-ocr page 13-
11
Dan zult gij ook oorlogslasten te dragen hebben, dan zult gij niet
ten strijde gaan onder rood, wit en blauw, maar onder eene vreemde
vlag, dan niet voor het Vaderland, maar voor een vreemden over-
heerscher.
Welk een toestand, wanneer het zoo worden moet! En dat kan
de onze worden, wanneer wij blijven twisten over allerlei kleine
zaken en over de hoofdzaken heenstappen en te laat onze krijgs-
macht verbeteren.
De sterkte van ons leger bedroeg op 1 Januari 1887 ongeveer
60,000 man, terwijl, volgens de Ontwerp-organisatie der Staatscom-
missie, dit gebracht kan worden op ongeveer 113,000 man. Zou
de sterkte dus grooter zijn, ook het gehalte zou verbeteren, daar
de kern onzer natie, de ontwikkelden, dan ook er toe zouden be-
hooren.
Wat zullen wij nu met dat legertje van 60,000 man uitrichten?
Wat zal er tot verdediging onzer grenzen overblijven, na aftrek
van de noodigste bezetting onzer verdedigingswerken, onzer kusten,
en van de niet-strijdenden?
Stel, dat \'t Duitsche of \'t Fransche leger, door het Zuiden van
ons land wil trekken en daardoor onze onzijdigheid zal worden ge-
schonden, hoe zullen wij dan die onzijdigheid, met een leger van
20 a 30,000 man, kunnen handhaven ?
Maar, hoor ik mij onmiddellijk toevoegen, gij vergeet onze Schutterij.
Onze Schutterij?
Volk van Nederland! ruk den blinddoek af, komt tot bezinning
voor het te laat is, laat u overtuigen, dat men nimmer mag reke-
nen op de Schutterij, dat de Schutterij onbruikbaar is.
Wees gewaarschuwd, dat. kon nu 60 jaar geleden, in de jaren
1830—31, de Schutterij met eenig goed succes optreden, dit thans,
bij de ontzettende veranderingen in de wijze van oorlogvoeren, totaal
onmogelijk is en ik wil trachten, u de ernstige waarheid daarvan,
zoo goed mogelijk, te doen beseffen.
De Wet op de Schutterijen van 11 April 1827 is meer dan ver-
ouderd en beantwoord, in geen enkel opzicht, aan de eischen des
tijds. Reeds in het jaar 1830 bleek het, dat er vele leemten in
-ocr page 14-
12
waren en nam men zich voor, zoo spoedig mogelijk, daarin te voor-
zien, maar toen het gevaar voorbij was, liet men de zaak kalm
rusten. Verschillende pogingen zijn, in later tijd, wel gedaan, ver-
schillende ontwerpen ingediend, maar verbetering is niet gekomen,
en zoo zal het in \'t volgend jaar 63 jaar geleden zijn, dat die Wet
in werking is getreden.
De vraag is ten volle gerechtvaardigd: Hoe is het mogelijk, dat
er nog aan gedacht wordt, dat de Schutterij bij een plotselingen
oorlog iets zal kunnen uitrichten, of men niet volslagen blind moet
zijn, om daaraan nog een oogenblik te gelooven?
En toch, wanneer men ziet en hoort wat er omgaat, dan krijgt
men de overtuiging, dat er nog zijn, die waarde aan de Schutterij
toekennen, men mag ten minste niet denken, dat men handelen
zou tegen beter weten in.
Intusschen wordt daardoor de natie op een dwaalspoor gebracht
en kan het Vaderland er wel eens de wrange vruchten van plukken.
Daarom is het van \'t hoogste belang, openlijk voor de waarheid
uit te komen en het Volk te doen inzien, dat door den onmogelij-
ken toestand der Schutterij, wij ons, misschien eenmaal, niet krach-
tig zullen kunnen verdedigen.
De tijden van 1830 en \'31 zijn voorbij; had men toen maanden
ter voorbereiding, zoodat geheele bataljons vrijwilligers, die nooit ge-
diend hadden, in den Tiendaagschen Veldtocht zich uitstekend van
hunne taak gekweten hebben, thans zal men slechts dagen ter
voorbereiding hebben.
Er zijn er, die er nog steeds op vertrouwen, dat ons weken of
maanden gegeven zullen zijn en er dus nog voldoende gelegenheid
zal zijn, om gereed te komen.
Zou dat een ernstig vertrouwen zijn, zou men dat in alle oprecht-
heid gelooven, waar alles ons zegt: Geen maanden, maar slechts
dagen ter voorbereiding?
De technische verbetering der strijdmiddelen, hun vernielende uit»
werking, de buitengewone getalsterkte der tegenwoordige legers, de
versnelde middelen van vervoer en nog zooveel meer omstandighe-
den, hebben een geheel andere wijze van oorlogvoeren in het leven
-ocr page 15-
13
geroepen, dan in de jaren 1830 en \'34. Hij, die het eerst tot den
strijd gereed is en den eersten beslissenden slag, aan den nog niet
geheel toegerusten tegenstander kan toebrengen, zal belangrijk in
het voordeel zijn.
Daarom zal eene geregelde en snelle overgang op voet van oor-
log in onze dagen een der voornaamste momenten van de geheele
legerorganisatie uitmaken.
In 1830 verliepen een paar maanden voor en aleer een deel der
Schutterij redelijk georganiseerd naar het veldleger kon trekken;
daar werden ze dag aan dag geoefend en was men daardoor in
staat, er eenigszins bruikbare soldaten van te maken.
Zal dit nu ook mogelijk zijn?
Op den 19en Juli 1870 werd de oorlogsverklaring van Frankrijk
aan den Koning van Pruisen overgereikt; den 4en Augustus over-
wonnen de Duitschers bij Weissenburg; den 6^ Augustus werd
Mac-Mahon bij Wörth en Frossard bij Forbach totaal verslagen,
terwijl door den gedenkwaardigen slag bij Sedan op den len Sep-
tember, de oorlog tegen de legerscharen van Napoleon III als ge-
eindigd kon beschouwd worden.
In een tijdsverloop van slechts zes weken bijna het grootste deel
van het Fransche leger vernietigt en Frankrijk, voor een groot
deel, ten prooi aan de overwinnaars.
Op zoo ontzettende wijze werden alle volken, en ook wij, ge-
waarschuwd en aangetoond, hoeveel sneller en verschrikkelijker de
wijze van oorlogvoeren was geworden en wanneer het nu bijna
zeker is, dat bij den eerstvolgenden oorlog, de verschillende legers
nog sneller gemobiliseerd zullen zijn, dan heeft men het recht te
vragen: Durft gij nog te spreken van de Schutterij, is het u ernst,
wanneer gij de menigte wilt doen gelooven, dat de Schutterij in
staat is, om met het leger, ons grondgebied te verdedigen?
Word dan wakker, Volk van Nederland! en leer bijtijds inzien
dat, was de Schutterij in 1870 daartoe ongeschikt, zij, vergeleken
met de, gedurende 20 jaar aangebrachte groote verbeteringen in
het krijgswezen, daartoe nu nog veel minder dan ooit geschikt
zal zijn.
-ocr page 16-
U
Het zal ondoenlijk zijn, dit tot in de kleinste bijzonderheden aan
te toonen, maar ik wil trachten, de aandacht te vestigen op hoofd-
zaken en zal daarop, zooveel mogelijk, het volle licht doen vallen.
Ter voorkoming van misverstand wil ik vooraf verklaren, dat
verschillende officieren en onderofficieren met grooten ijver en met
opoffering van tijd en geld, zich zooveel mogelijk trachten te be-
kwamen en zij dus op veel, wat ik verder zal aantoonen, eene loffe-
lijke uitzondering maken.
De Gemeentebesturen en Commandanten der Schutterijen zijn ver-
plicht, jaarlijks verschillende staten in te zenden, aanduidende de
sterkte der Schutterij en voornamelijk van den Eersten Ban.
Onlangs is een nieuwen staat, met liefst zeven en negentig ru-
brieken, nog daaraan toegevoegd, met het doel voorzeker, om tot in
de kleinste bijzonderheden te weten, uit wat voor bestanddeelen de
Schutterij bestaat.
Of die staat en ook de andere staten aan de werkelijkheid zullen
beantwoorden, moet ik betwijfelen. Juistheid en volledigheid is toch
noodig en daartoe van groot gewicht, dat van alle schutterplichtU
gen, zoowel tot het actieve gedeelte als tot de reserve behoorende,
nauwkeurig aanteekening gehouden en opgaaf gedaan worde.
Laat dit reeds te wenschen over wat de actieve Schutterij betreft,
aangezien men onkundig blijft van huwelijken, het verkrijgen of
overlijden van kinderen, zooveel te meer wat betreft de reserve.
Geen enkele opgaaf ontvangt men, of er zijn die de Gemeente heb-
ben verlaten of in de Gemeente zijn komen wonen, of er overleden
zijn enz., men hoort van niets en men kan gemakkelijk begrijpen,
hoe onvolledig de staten zullen zijn.
Daarom moet men vragen, waar toch de Schutterij, door zoovele
mannen van beteekenis, ongeschikt wordt geacht: Wat heeft men
er toch mede voor, wat beteekenen al die gedetailleerde opgaven
en staten?
Bij het Fransche leger mankeerde, volgens Maarschalk Le Boeuf
in 4870, geen knoop aan een slobkous en wat bleek later? Dat
duizende manschappen, op het papier vermeld, niet bestonden.
Zal dit ook niet het geval zijn, wanneer de Schutterij wordt op-
-ocr page 17-
15
geroepen en men vergelijkt de wezenlijke sterkte met de opgaven,
en zou men dan niet mogen veronderstellen, dat het alleen te doen
is, om de onwetenden te laten denken, hoe onvermoeid men toch
werkzaam is, om tegen eene mobilisatie gereed te zijn?
Want gereed te zijn, voor eene plotselinge mobilisatie der Schut-
terij, is eene chimère.
Vraag eens aan Commandanten van Schutterijen, wat of zij daar-
van weten; vraag eens naar voorschriften; vraag eens, waar de
kleeding voor de reserve vandaan moet komen, welk onderdeel voor
bezetting moet dienen en welk niet, en het antwoord zal eenvoudig
zijn: «Daarvan weten wij niets".
Maar wees gerust, dit zal alles bekend gemaakt worden door
massa\'s besluiten, aanschrijvingen, voorschriften enz., op \'t laatste
ooyenblik,
wanneer er geen tijd overschiet, om alles naar behooren,
geregeld en ordelijk uit te voeren.
Aan deze eerste verplichting, regeling eener snelle mobilisatie, die
niets met de meerdere of mindere geschiktheid der Schutterij te
maken heeft, is niet voldaan en valt het te begrijpen, dat het dit
groote onherstelbare nadeel ten gevolge zal hebben, dat de Schutterij
veel te laat gemobiliseerd zal zijn.
Er valt over dit onderwerp nog veel meer te zeggen, maar daar
het mij al te uitvoerig zou maken, wil ik de aandacht nu gaan
vestigen op andere onderdeden en zal daartoe aanvangen met:
De Officieren.
Het aantal Officieren der d.d. Schutterij, vroeger gediend heb-
bende, is niet noemenswaard en de groote meerderheid bestaat dan
ook uit personen, die zich gedurende korten tijd, hier meer daar
minder, geoefend hebben. Met prijzenswaardigen ijver trachten velen
eenigszins op de hoogte te komen, maar zeker zijn er ook verschei-
dene, die, eenmaal Officier zijnde, zich verder van de zaken niet
veel meer aantrekken.
Maar al toont men veel ijver, zou men op goeden grond durven
aannemen, dat men daardoor geschikt zal worden, om, in onze da-
gen, bij een ernstigen krijg en met niet voldoend geoefende troepen,
flink, krachtig, zelfstandig op te treden?
-ocr page 18-
16
Ik geloof van neen.
De Regeering doet allerlei pogingen om de Officieren in de gele-
genheid te stellen zich te bekwamen.
Men verneemt van belangrijke en boeiende voordrachten, van
prachtige verslagen, omtrent de gemaakte vorderingen (dikwijls door
de leiders zelf opgemaakt!); dit is alles heel mooi op papier, maar
zullen in de werkelijkheid ook zulke degelijke resultaten verkregen
worden ?
Zou men denken, dat wanneer eene voordracht wordt gehouden
bijv. over de elementaire tactiek, aanval en verdediging van terrein-
voorwerpen en veldwerken, aanvallend en verdedigend gevecht enz.
enz., daarvan over eenige weken nog veel onthouden is en men
daarmede zal kunnen volstaan? üan heeft men weinig begrip van
de ernstige on verflauwde studie, die vereischt wordt om in de mili-
taire vakken eenigszins thuis te geraken.
Is het mogelijk, waar over \'t algemeen zoo weinig gelegenheid is
tot practische oefening, flink op te treden bij de oefeningen in de
recrutenschool, compagnieschool, het tirailleeren, velddienst enz.?
Vele (hoeveel?) mogen de reglementen deugdelijk kennen, wan-
neer het op de uitvoering aankomt, staan de handen, om zoo te
zeggen, verkeerd.
Hoort maar eens commandeeren, het meerendeel heeft geen
commando, maar al had zij dit, dan ontbreekt het nog aan een
eerste vereischte, zorg te dragen dat het commando kort en flink
worde uitgevoerd.
Hoort maar eens de flauwe, bijna zou ik zeggen, lamme wijze,
waarop dikwijls de commando\'s gedaan worden; de gevolgen blijven
dan ook niet uit. De uitvoering geschiedt even lam en ongelukkig en
een ieder doet de beweging ongeveer zoo langzaam als hem goeddunkt.
Let maar eens op. Wanneer bijv. het commando: «rechts om,
voorwaarts marsch" wordt gedaan, men valt bij de wending haast
om en bij het aanmarcheeren is de troep onmiddellijk uit den pas.
Daaraan is het dan ook veelal te wijten, dat de bewegingen door
de Schutterij zoodanig worden uitgevoerd, dat zij den spot, de lach-
lust van het publiek opwekken.
-ocr page 19-
17
Laat ons toch eerlijk, laat ons waar zijn.
Houdt met de OfGcieren bijv. theorie over de velddienst en vraag
hun eenige weken of maanden daarna, onverwacht, eens naar ter-
reinleer en schetsen, marschveiligheidsdienst, verplichtingen, com-
mandanten van veldwachten, schildwachten, patrouilles enz. Hoe
velen zouden dan toonen, daarvan al het noodige te weten?
En dat moet men weten, en dan niet maar zoo wat op een
theorieavondje, maar in de werkelijkheid met den vijand voor oogen.
Doch genoeg, ik maak er geen verwijt van aan de Officieren, zij
kunnen niet veel beter. De gelegenheid tot geregelde degelijke
oefening bestaat er niet en er wordt daarbij van personen, die nim-
mer gediend hebben, zeer veel ijver en toewijding gevorderd, om
met lust de droge militaire vakken te leeren en te onderhouden.
Maar bedroevend is het, dat men steeds is blijven aanstellen, zonder
er eenige degelijk gestelde voorwaarden aan te verbinden. Als de
sterkte maar compleet is, geschikt, minder geschikt, totaal ongeschikt,
daar zal minder op gelet worden, ongelukkig zullen wij met de
duizenden op papier, den vijand niet tegen kunnen houden.
Over de Officieren der rustende Schutterij slechts een enkel woord,
de geheele organisatie toch dier Schutterij is, in onze dagen, bene-
den alle kritiek. De meeste Officieren, die aangesteld worden, heb-
ben nooit gediend, weten totaal niets en behoeven ook niets te weten.
Mag ik u voordragen voor Officier? Liever niet, ik weet ner-
gens van en ben niet van plan er iets voor te doen. Dat is niet
noodig, maar ik had gaarne mijn aantal compleet. En eenige we-
ken later bekleedt die persoon de eervolle betrekking van Officier.
Wat denkt men toch met die menschen uit te voeren, die er
nog minder van weten dan het achterlijkste lid eener dienstdoende
Schutterij ?
Geve het antwoord wie kan, mij is dit onmogelijk.
En dan heeft men nog de bepaling in de Wet, dat zoo\'n Officier,
misschien wel Kapitein, overgaande naar eene Gemeente, waar de
Schutterij dienstdoende is, alléén in zijn vorigen of in eenen hooge-
ren rang kan ingedeeld worden. Wat moet men nu met zoo\'n
Officier doen?
s
-ocr page 20-
18
Treurig, treurig moet men zeggen, dat zoo\'n Wet 63 jaar in
stand is gehouden.
Laat het genoeg zijn, dit onderwerp raakt nooit uitgeput ter be-
spreking, ik vermeen er voldoende van gezegd te hebben en zal nu
overgaan tot:
Het Kader.
Omtrent het Kader kan gerust gezegd worden, dat een deel, hoe-
wel niet geheel, toch beter berekend is voor hare taak, en wel om
de eenvoudige reden, dat een deel van het Kader getrokken kan
worden uit schutterplichtigen, die vroeger gediend hebben en er
ook nog al vrijwillig Kader is, in hoofdzaak daar, waar eenig trak-
tement wordt gegeven. Men treft dan ook Kaderleden aan bij de
Schutterij, die met goeden wil bezield, zich blijven oefenen en be-
kwamen en een voorbeeld zijn voor de andere leden der Schutterij.
Ongelukkig is dit niet altijd het grootste gedeelte en laat de rest
ook hier veel te wenschen over.
Het is natuurlijk dat, wanneer men voor het Kader zooveel mo-
gelijk gedienden neemt, men niet altijd de keus heeft uit personen,
die bij het leger een graad hebben bekleed.
"Wanneer men nu na de indeeling, een gewezen milicien aanwijst
om Korporaal te worden, dan toont hij wel eenige ambitie, maar
zoodra heeft hij niet de strepen, of de ijver verflauwt en hij doet
niet veel meer, dan waar de Wet hem toe verplicht. Men moet dan
ook maar eens de vrijwillige oefeningen nagaan. Tracht men die
zoo prettig mogelijk te maken, door het uitloven van prijsjes voor
goed schieten, door het verstrekken van eenige versnapering, dan is
de opkomst nog al redelijk, maar £ of \\ blijft toch nog absent.
Veel van wat door mij gezegd is omtrent de Officieren, zooals
kennis van reglementen, toon van commando, geschiktheid tot het
geven van instructie, flink optreden tegenover de troep, is ook op
een groot deel van het Kader van toepassing en mag men nimmer
op eenig voldoend geschikt Kader rekenen.
Wat nu aangaat mijn oordeel over de verdere leden der Schutterij,
is dit bepaald nog veel ongunstiger.
De Fransche revolutionnairen, uit de school van Rousseau, ver-
-ocr page 21-
19
kondigden wel de rechten van den mensch, maar verzuimden ook
van de plichten te spreken.
Gerust zou men in menig vaandel der Schutterij dit motto kun-
nen plaatsen: Geen plichten. Wel rechten!
De naam van Schutter is langzamerhand in discrediet geraakt en
er zijn er niet veel, die er een eer in stellen dien naam te dragen.
Het is van algemeene bekendheid, dat zeker 95°/0 der schutter-
plichtigen een onoverkomelijken weerzin hebben tegen het Schut-
ter zijn.
Dat daaruit, van het begin af, vele moeielijkheden voortspruiten,
zal niemand ontkennen, en er behoort dan ook zeer veel tact toe,
om die eenigszins weg te nemen. Men zal dit, evenals ik, wel on-
dervonden hebben en vooral met hen, die tot den minderen stand
behooren. Maar dit te beproeven, met velen die tot den gegoeden
stand behooren, is mijns inziens, onbegonnen werk.
Iemand, die buiten de Schutterij staat, kan zich geen denkbeeld
vormen van de onverschilligheid, den onwil, den tegenzin, die door
dat soort menschen aan den dag wordt gelegd.
Er zijn er onder, die \'t er op gezet schijnen te hebben, gedurende
de 5 dienstjaren recruut te blijven. Zij nemen nooit deel aan eenige
vrijwillige oefening, blijven nu en dan in dienst weg, kunnen daar-
door de geregelde oefening niet volgen, gaan dus weinig vooruit
en bereiken zoo hun doel.
En dat zijn de menschen, die door opvoeding en onderwijs, niet
alleen de anderen tot voorbeeld moesten zijn, maar ook door hunne
meerdere ontwikkeling, gemakkelijker, beter en vlugger geoefend
hadden kunnen worden.
Algemeen vertrouwt men, dat op hen, die vroeger gediend heb-
ben, in tijd van gevaar kan en mag gerekend worden.
Dit geheel te ontkennen, mag ik niet, maar daarom wil ik toch
niet verzwijgen, dat men daarin wel eens bitter teleur gesteld zou
kunnen worden.
De gedienden worden, naarmate zij gehuwd zijn en kinderen heb-
ben, evenals de andere Schutters in 3 Bans verdeeld.
De le Ban wordt het eerst opgeroepen en daarna, zoo noodig,
-ocr page 22-
\'20
de 2e en 3e Ban en nu is mij uit verschillende staten gebleken,
dat men kan rekenen op hoogstens J gedienden le Ban en ^ ge-
dienden bij de 2 overige Bans.
In het jaar 1870 werd de le Ban der dienstdoende Schutterij
voorbereid en samengevoegd en bleek toen, dat slechts een 15,000
man infanterie en een 2000 man artillerie beschikbaar waren; dus
}- van 17,000 of maar ruim 4000 gedienden, een gewichtig getal
om op te rekenen.
Zal dit dus tegenvallen, ook de geoefendheid.
Het voorbeeld, der te voren genoemde onverschilligen, werkt aan-
stekelijk, vooral op de gedienden.
Als zij geen flink en degelijk instructeur tegenover zich weten,
schijnt het of zij er een genot in vinden, de bewegingen zoo slecht
mogelijk uit te voeren en doet het dienen bij de Schutterij hen
dikwijls meer achteruit dan vooruitgaan.
Wat nu aangaat, de overige leden der Schutterij, zij, die nooit
gediend hebben en door mij gerangschikt worden onder de gewilli-
gen, de goedgezinden, verklaar ik, dat het met den besten wil on-
mogelijk is, in aanmerking nemende de bespottelijk weinig wettelijke
oefeningen, hen maar eenigszins te oefenen en zou men bijna ge-
neigd zijn te verklaren, dat het zóó oefenen, eene onnutte plagerij is.
Die menschen moeten op 26jarigen leeftijd, sommigen nog ouder,
allerlei bewegingen leeren uitvoeren, die hun te moeielijker zullen
vallen, naarmate zij in hun jeugd minder aan gymnastische oefenin-
gen hebben deel genomen en waarvan het natuurlijk gevolg is, dat
zij weinig geschiktheid hebben, hunne ledematen goed los te bewegen.
Daardoor valt de behandeling van het geweer, het behoorlijk mar-
cheeren enz., die menschen zoo moeielijk en worden zij door eene
oefening spoediger vermoeid.
Maar al ware dit niet zoo, wie ziet er kans op, gedurende den
zoo korten oefeningstijd, van een mensch die nooit iets geleerd heeft,
een eenigszins bruikbaar soldaat te maken ?
Mij is bij ondervinding gebleken, dat dit onmogelijk is en ik
noem het onverantwoordelijk op die menschen, bij een plotselingen
oorlog, te rekenen.
-ocr page 23-
21
Met een enkel woord nog iets over de gelegenheid tot oefening
en de orde en tucht.
Ingevolge Art. 42 der Wet, moeten de oefeningen plaats hebben
van 1 April tot 1 October, en wel om de 14 dagen, terwijl zij slechts
2 uren mogen duren; dus gedurende 6 maanden ongeveer 13 oefeningen.
Het komt echter nog al eens voor, dat door ongunstig, regen-
achtig weder, eene oefening niet kan doorgaan en dit gemiddeld op
driemaal stellende, blijven er 10 oefcningsdagen per jaar over.
Noodig is het de menschen, die dnor ongewoonte spoedig ver-
moeid zijn en dikwijls eenen zeer vermoeienden dag achter den rug
hebben, eenige oogenblikken rust te geven. Stel dit op een half
uur ongeveer, dan blijft er voor oefening l\\ uur over, gevende voor
10 oefeningen: vijftien uur per jaar.
Brengt men daarbij nog in rekening, dat verscheidene Schutters,
een of meermalen wegblijven, dat schippers, beambten bij post-, te-
legraphie-, spoorwezen enz. bijna altijd vrij zijn, dan zal men toch
wel kunnen en willen begrijpen dat de Schutterij, volgens de Wet,
niet te oefenen is en er dus nooit iets degelijks van gemaakt kan
worden.
"Van theoretische oefening, zoo hoog noodig, is geen sprake bij de
Wet niet alleen, maar zelfs is er bij verschillende aanschrijvingen,
o. a. nog in 1880, uitdrukkelijk op gewezen, dat men wel mag op-
roepen om te spreken over dienstzaken, maar, in geen geval, tot
het houden van theorie.
En wat zou gemakkelijker geweest zijn, dan gedurende de win-
teravonden, wanneer het meeste werk tijdig is afgeloopen, al was
het tweemaal \'s weeks, het bijwonen der theorie verplichtend te
stellen. Daardoor zou veel gewonnen zijn geweest en veel minder
moeielijkheden voorgekomen zijn, dan thans bij de zomeroefeningen,
in een tijd en op uren dat een ieder druk werk heeft.
Vooral veel verplichte theorie voor Officieren en Kader, zou zeer
veel nut hebben kunnen doen en daardoor zou voorkomen worden,
het zoo dikwijls en somtijds voortdurend absent zijn, waardoor velen
eene geregelde cursus niet kunnen volgen en dus van eene vrucht-
dragende opleiding verstoken blijven.
-ocr page 24-
22
Geene verplichte theorie, veel te weinig oefeningen, maar dit
steeds bestendigd, in de allerdwaaste hoop, dat de tegen hunnen zin
opgeroepenen, zoo maar zullen aanvullen alles, waar de Wet in te
kort schiet.
Leest daartoe maar eens de "Wenken voor de Commandanten der
Schutterijen, van hooger hand, ter opvolging ernstig aanbevolen,
en ziet dan eens wat men wenscht, dat theoretisch gedaan wordt
tot opleiding van het Kader en de Officieren en gij zult meer dan
verbaasd staan.
Uitgebreide voorschriften omtrent het theoretisch onderricht en dat
terwijl de Wet geene theorie kent, zoo sterk zelfs, dat die Wet de
theorie niet als dienst beschouwd wil hebben, en een toestand ge-
handhaafd wordt, die een ieder als ongerijmd moet beschouwen.
Het is toch voorgekomen, dat een Onderofficier, die wegens on-
gehoorzaamheid en verzet tegen een zijner meerderen op eene theo-
rie, gestraft was, maar door Gedeputeerde Staten werd vrijgesproken,
omdat deelneming aan eene vrijwillige en onverplichte oefening geen
»dienst" is bij de Wet bedoeld, en dus geene onderwerping aan de
schutterlijke tucht en wet medebrengt.
Elke vrijwillige oefening dus een: onder-ons-je, een koffiepraatje,
geen rang, geen gezag mag daarbij voorzitten. Kan het erger?
Blijkt hieruit niet ten volle, de bespottelijkheid der Wet, tot vorming ]<j/Aajc •
eener bruikbare reserve?
Hoe is het mogelijk, waar dit in 1857 is voorgevallen en de
Ministers van Justitie en van Binnenlandsche Zaken daar tegen op
zijn gekomen, hierin tot nu toe, niet de gewènschte, zoo noodige,
verbetering is gebracht?
Doch wat onzinnige vraag. Zoo dikwijls komt het voor, dat Ge-
deputeerde Staten eene geheel andere opvatting hebben, meestal ten
nadeele van het gezag, dan de Ministers, wat betreft de uitlegging
van verschillende Wetsartikelen, en toch is het nooit beproefd, die
artikelen duidelijker te maken.
Onder alles heeft men gelukkig nog deze lichtzijde, dat er nog
menschen gevonden worden, waarbij het plichtgevoel niet is uitge-
doofd en dan ook voldoen aan de pogingen der Commandanten, om
-ocr page 25-
23
vrijwillige oefeningen bij te wonen, waardoor de Schutterij ten min-
ste nog beter figuur maakt, dan onder de Wet ooit mogelijk zou
zqn. Hier heb ik het oog op hen, die bij de Schutterij ingedeeld
zijn en nooit hebben gediend, zich toch gedurende de wintermaan-
den vrijwillig oefenen in den wapenhandel.
Men moet respect hebben voor al die menschen, die van 1 October
tot 1 April, eens of tweemaal per week opkomen en een oefenings-
tijd doorloopen gelijkstaande aan 3 of 4 jaar wettelijke oefening.
Hoe zou het er toch wel uitzien, als dat niet gebeurde?
Reken 5 jaar actief, ieder jaar eens absent, geeft in het geheel
65 a 70 oefeningsuren en neemt men daarbij in aanmerking, het
niets leeren van 1 October tot 4 April, zoodat men tegen 4 April
weder veel vergeten is, dan zal ieder deskundige begrijpen, wat re-
sultaten verkregen kunnen worden.
Maar, is het geoorloofd bij een Wet, die een deel van het volk
weerbaar wil maken, afhankelijk te zijn van de meer of mindere
liefhebberij, om zich te bekwamen; mag men een groot deel (het
grootste bijna zeker) overlaten aan goeden wil enz. en er op reke-
nen, dat als de Wet te kort schiet, vrijwillig in alles voorzien zal
worden ?
Mijns inziens, neen, en er is zeker geen verder bewijs noodig, om
de onmogelijkheid der Wet aan te toonen.
Omtrent: sorde en tucht" kan ik kort zijn, een ieder weet, dal
de meeste Schutters daarvan niet eenig begrip hebben, en dat de
Wet daarvan in vele opzichten de oorzaak is.
En het is toch zoo noodig, dat men leert, oogenblikkelijk en on-
voorwaardelijk te gehoorzamen, om te midden van den strijd gewend
te zijn, blindelings de bevelen zijner chefs uit te voeren.
Door het gemis aan orde, kan er geen sprake zijn van samen-
hang, van vertrouwen op elkander in de ure des gevaars, dat voor
den soldaat eene eerste vereischte is, om den vijand met moed tege-
moet te kunnen gaan.
Daarom zal niet te vertrouwen zijn op de Schutterij en ik vrees
maar al te zeer dat, als zij eenmaal tegenover den vijand zou moe-
ten staan en door een salvo van den vijand eene afdeeling uit elkan-
-ocr page 26-
u
der gejaagd wordt, geen Chef in staat zal zijn, zijne manschappen
weder te verzamelen.
Wanneer men nu al het vorenstaande met ernst heeft nagegaan
en overwogen, dan twijfel ik niet, of menigeen zal, eerlijk en op-
recht, met mij durven verklaren:
y>De Schutterij is onbruikbaar!"
Officieren, Onderofficieren en verdere leden der Schutterij, die u
vrijwillig tracht te oefenen, die getoond hebt dat gij uwe plichten
kent en ook uw plicht vervult, u maak ik er geen verwijt van, ik
waardeer juist ten zeerste alles wat gij doet; maar is de Schutterij
ongeschikt, om den Vaderlandschen grond te verdedigen, dan wijt
ik dat aan de slechte organisatie der Schutterij, aan de verouderde
en thans totaal ongeschikte Wet.
De Minister van Oorlog heeft het uitzicht geopend, op
indiening der Leger-wet in Januari van het volgend jaar.
De groote vraag is nu: Of er geheel gebroken zal wor-
den met het oude systeem, zoo spoedig mogelijk, en de
persoonlijke, kon het zijn algemeene, dienstplicht zal wor-
den ingevoerd en of zoo\'n Wet genade zal vinden in de
oogen onzer Volksvertegenwoordigers?
En wanneer men nagaat, wat vooraf daaromtrent door
mij gezegd is, dan vermeen ik, dat het niemand bevreem-
den zal, wanneer ik verklaar: dat ik nog niet zoo gerust
ben en verschillende zaken oorzaak kunnen zijn, dat geen
nieuwe Legerwet wordt aangenomen en daardoor de toe-
-ocr page 27-
25
stand zoo ongelukkig zal blijven, als zij nu al een reeks
van jaren geweest is.
Daarom heb ik mij verplicht geacht te spreken, daarom
is mijn eenig streven geweest, voor zoo verre mij dat mo-
gelijk was, goed te doen uitkomen en te doen begrijpen,
dat de Schutterij moet verdwijnen en plaats moet maken
voor eene deugdelijke reserve.
Het is daarom, dat ik mij met volle vrijmoedigheid tot
u wend: Vertegenwoordigers van het Nederlandsche Volk!
en u toeroep:
Zet, wanneer de Legerwet aan de orde is, voor eenige
oogenblikken alle partij- en geloofskwesties op zij, steun
den Minister van Oorlog, waar hij het goede wil, en hebt
maar één doel voor oogen : Het behoud van ons dierbaar
Vaderland !
Herinner u, hoe eene kleine natie als de onze, zich
heeft weten te ontwikkelen, zich heeft weten te verzet-
ten tegen dwingelandij en heerschzucht; hoe zij haar ge-
zag heeft weten te grondvesten, uit te breiden en te
handhaven.
Bedenk, wat wij verplicht zijn aan onze groote roemrijke
voorouders, wat wij te danken hebben aan de Helden uit
ons zoo geliefd stamhuis van Oranje!
Roep onze gansche geschiedenis voor uwen geest en
denk aan de toekomst van ons Volk!
Het kan gebeuren, dat eenmaal van het Konings-
kind, onze zoo beminde jeugdige Prinses, de bede om-
hoog stijgt: Bescherm, o God! bewaak den grond? terwijl
zij Haar Volk toeroept: Verdedig, bewaar het Erfdeel mij-
ner Vaderen!
-ocr page 28-
26
Moge dan duizende geoefende mannen zich scharen om
Haar troon, en Haar de kracht geven, om fier den vijand
te kunnen toevoegen: Je Maintiendrai!
God geve dat! en moge dan ook nooit de ontzettende
dag voor ons aanbreken, waarop het vonnis zou moeten
worden uitgesproken: „Nederland, geteld, gewogen,
te licht bevonden en verdeeld."
H. W. G. KONING.
Gouda, December 1889.
e wr J