-ocr page 1-
fir. Mo.JE d/, |,
/            \'           ±j I CU). ,\'3^o
ALOM VERKRIJGBAAR.
h
DIE
KABINETSCRISIS
DOOK
Een Staatsman in Ruste.
-4*»»>-
\'g-Oravenliafte, KH »*« Ol* & Co.
1890.
v                                          ^
-ocr page 2-
-ocr page 3-
DIE
KABINETSCRISIS
DOOR
Een Staatsman in Ruste.
Si. •\':\'•> :>/,j^\'>
^.♦♦»-----------— (o
W-i-i -.&
\'s-Ciravenliape, IHAMOIS & Co.
1890.
-ocr page 4-
*%
-ocr page 5-
I.
"Wij leven snel. In vroeger tijd geschiedde hetzelfde
als in onze dagen, maar de wijze waarop de gebeurtenissen
elkander verdrongen vormt met die, welke thans den
leiddraad der geschiedenis uitmaakt, een hemelsbreed
verschil. Wij hebben Kabinetten gekend. welke een
zieltogend bestaan voerden, Ministers aan het werk gezien,
wier val maanden — zelfs jarenlang als een voldongen
feit werd beschouwd en die niettemin met een stoïcynsche
kalmte, als maakten zij deel uit van de een of andere
wassenbeeldengroep, aan den opstekendeD storm wisten te
ontkomen.
In onze dagen, welke zich bovenal door een zenuw-
achtige gejaagdheid kenmerken, vindt dergelijk ontwijken
van den strijd een minder gunstig onthaal. Het op
de lange baan schuiven geraakt al meer en meer uit
de mode. Omtrent gewichtige quaestiën van den dag
wordt thans in minder uren een beslissing genomen dan
voor welke men voorheen maanden en jaren behoefde.
Het ligt in den aard der zaak, dat men alzoo van
het eene in het andere uiterste vervallen is. De gulden —
wel eens verward met den vergulden — middenweg
werd voorbijgezien om, voor een gevaarlijken omweg,
aan een niet minder aan bedenkingen onderhevig bijpad
de voorkeur te verleenen. Maar al te vaak werd uit
-ocr page 6-
4
het oog verloren dat te groote haast niet minder bezwaren
oplevert dan het lange uitstel.
Zoo gaf de laatste Januari-dag van dit jaar een van
die Eerste Kamer-zittingen te aanschouwen, welke er
maar al te zeer toe bijdragen om de afschaffing van
onzen Senaat als een dringenden eisch des tijds te be-
pleiten. Inderdaad dit product van het politiek „beleid"
der Provinciale Staten toont maar al te duidelijk
aan uit welk gehalte het laatstgenoemde lichaam zelf is
samengesteld. Aan de vruchten zult gij den boom kennen.
Het tegenwoordige Kabinet aanvaardde zijn taak onder
een ongelukkig gesternte. Van een zuiver constitutioneel
standpunt zelfs was, tegen zijn optreden, een gewichtig
bezwaar in het midden te brengen. En dit lag juist in
de partij ver deeling, uit welke de Eerste Kamer bestond.
De meerderheid toch was overwegend liberaal. En na
het aftreden van den eerbiedwaardigen Elout Van
Soeterwoude , was er zelfs in dat lichaam geen anti-
revolutionair van naam op wiens schouderen de profeten-
mantel van een Groen of zelfs van een Mackay den
oudere kon gezegd worden te zijn gevallen.
De kans om bij een of ander conflict zegevierend
uit den parlementairen strijd te voorschijn te treden
stond voor den anti-revolutionairen staatsman Keuchenius
bijzonder slecht. En op hem vooral hadden de liberalisten
het gemunt. In hem, die altijd het beginsel van het
Christelijk bewustzijn beleed, in hem, die aan Groens
staatsleer onwankelbaar was gehecht, in hem, die steeds
zijn roeping nakwam door te getuigen voor zijn Heer
en Heiland, wilden de liberalisten den „Christen Staats-
man" treffen.
Men heeft het vrij algemeen in ons afgekeurd dat wij
-ocr page 7-
5
in onze vorige brochure *) in te heftige bewoordingen
tegen \'s Heeren Keucheniüs\' tegenstanders te velde
trokken. "Wij erkennen gaarne dat dergelijk verwijt
welverdiend was en hopen ons dan ook niet wederom
schuldig te maken aan termen, die anderen onaangenaam
in de ooren klinken. E.loch, wie, die met ons den
naderenden storm voorzag zou niet al het mogelijke in
het werk hebben gesteld om het gevreesde onheil te
voorkomen ? Zoodra wij dus alle hulptroepen in het
veld zagen opkomen om zich tegen den uitnemenden
Keuchenius te verzetten, hebben wij het ons ten plicht
geacht om nog bijtijds tegen dien boozen toeleg een
krachtig woord van verzet te doen hooren.
Dat wij bij ons vurig verlangen om ons volk voor
de nationale ramp te behoeden, hier en daar ons
loffelijk doel voorbijstreefden, doet ons van harte leed.
Maar men bedenke tevens dat het aangenamer is te prijzen
dan te laken en dat het algemeene belang door loftuitingen
eerder wordt geschaad dan bevorderd. Trouwens aan
vleiers van allerlei soort ontbreekt het onzen bewinds-
lieden niet. „Admiration mutuelle" is, bij de verschillende
regeeringspersonen, dermate schering en inslag geworden
dat de nakomeling van verbazing de handen in elkander
zal slaan, wanneer hij overweegt hoe sommige nietige
stervelingen tot in de wolken werden verheven.
Na dit „peccavi" keeren wij tot de verhouding van de
Eerste Kamer tot het tegenwoordige Kabinet terug. Zoo
als wij reeds deden opmerken was de groote meerderheid
liberaal. Ter gelegenheid van de verkiezingen voor de
*) De Minister van Koloniën en zijn tegenstanders. Uitgevers:
Francois en Co. te \'s-Gravenhage.
-ocr page 8-
6
Provinciale Staten, in den jare 1889, heeft wel de
talentvolle leider onzer partij al het mogelijke in het
werk gesteld om die Staten naar zijn geest te wijzigen,
maar hij werd door de anti-revolutionaire pers niet
genoegzaam ondersteund. Daarbij, men vergete het
niet, moesten vaak „onbekende" namen dienst doen om
onze mannen naar de stembus te doen opgaan. En wat
alles afdeed, de verkiezingen voor de nieuwe Provin-
ciale Staten hadden plaats krachtens de „oude" kies-
tabel. Dat een dergelijk onrecht zich zelf zou wreken
scheen onze Premier niet in te zien. Althans het ontbrak
hem aan de noodige veerkracht om zich tegen het drij-
ven der liberalisten, die tot eiken prijs alles bij het oude
wilden laten, met hand en tand te verzetten. Helaas!
dat de waardige Keuciienius als eerste offer van derge-
hjk politiek loven en bieden moest vallen.
Onder deze omstandigheden had het Kabinet de Eerste
Kamer te ontzien. En hoewel die Kamer doorgaans niet
meer gewicht in de schaal legt dan waarop het overbe-
kend gehalte harer leden aanspraak maakt en haar goed
recht van bestaan daarenboven door de meest gezaghebbende
schrijvers op staatsrechtelijk gebied wordt bestreden,
werd door haar niettemin op evenvermelden datum een
„waagstuk" ten uitvoer gebracht, waarop de Blondins
e tutti quanti met bewondering kunnen staren. Met 20 tegen
19 stemmen, dus met de kleinst mogelijke meerderheid,
werd Hoofdstuk X van de Staatsbegrooting verworpen.
II.
Voor ons, die de aftreding van den tegenwoordigen
Minister van Koloniën als een groot, schier onherstelbaar
-ocr page 9-
7
verlies voor Nederland en Indië beide zouden beschou-
wen, wa* de afstemming een groote teleurstelling. "Wij
hadden (immers dat in den persoon van den Heer Keu-
chenius het geheele Kabinet getroffen werd, is aan
geen redelijken twijfel onderhevig) dit Ministerie gaarne
langen tijd aan het werk gezien. Wij geven toe, dat
eenige zijner leden, bij name de Ministers van Justitie
en van Financiën onze verwachtingen wel eenigszins
hebben teleurgesteld en dat de „Ministre aux affaires
étrangères" zich (en dit had hij met velen zijner voor-
gangers gemeen) al bijzonder „étranger aux affaires"
betoonde. Maar de afstemming van de begrootingen van
elk dezer zou geen Kabinets-krisis in het leven geroepen
hebben en zij waren zeer gemakkelijk te vervangen ge-
weest omdat hun aftreden schier onopgemerkt hadde
plaats gehad.
De liberalisten wisten dit maar al te goed. Juist de
onmisbaarheid van Keuchenius, die de ziel, het karakter,
de kern van het kabinet Mackay-Keuchenius vormt,
maakte het groote lokaas uit om hun aanval op hem te
richten. De „dii minores" wilde men sparen, omdat de
liberalisten overtuigd waren dat Keuchenius allen in
zijn val zou medesleepen; want afgezien van de duidelijke,
onomwonden verklaring, nog slechts weinige dagen geleden
door den Heer Mackay afgelegd, welke aan het bestaan
van de solidariteit van het geheele Kabinet met den
Minister van Koloniën zelfs geen zweem van twijfel
overlaat, vragen we een ieder in gemoede af wat een
Kabinet als het tegenwoordige zonder Keuchenius eigen-
lijk beteekenen zou? Geen zijner ambtgenooten heeft
een parlementair verleden met dat van den Minister
van Koloniën te vergelijken. Met weinigen zelfs zijn
-ocr page 10-
8
op liet gebied der staatkunde ten eenemale vreemdelin-
gen. Dat dus juist op den ervaren, onmisbaren Staats-
man de woede der liberalisten zich koelde, toont dui-
delijk het nietswaardig karakter der zoogenaamde oppo-
sitie aan. Alle andere Ministers waren te vervangen;
geen hunner zou in zijn val een tweede slachtoffer
hebben medegetroond — KeüCHENIüS\' aftreding evenwel
zou de aanleiding zijn tot die van het geheele Kabinet.
Inderdaad het heeft er veel van of, menschelijkerwijze
gesproken, alle booze machten zich vereenigden om de
oppositie de beste troeven te doen uitspelen. De bevreem-
dende houding van De Savorxix Loiimax . een lid der wei-
bekende familie, welke onder de „politieke stroopers" van
ons land een eeroplaats inneemt, zou het sein wezen ter ver-
oordeeling van \'sHeeren Keuoiiexius\' staatkunde. Wij be-
treuren het in hooge mate dat persoonlijke drjjfveeren den
doorslag gaven om een alledaagse]) magistraatspersoon tot
Gouverneur van Suriname te verheffen. De Heer De Sa-
vorxix Lojimax, van wien algemeen werd gefluisterd dat
zijn financiën van minder goeden klank waren dan zijn
naam, die daarenboven als Advocaat-Generaal eerst
aan het Hof van Zuid-Holland en later als zoodanig bij
den Hoogen Raad der Nederlanden bedenkelijke proeven
van zijn talenten had ten beste gegeven kunnen wij als
de naaste aanleiding beschouwen van de bittere aanvallen
tegen \'s Heeren Keuchexius\' staatkunde. Helaas! wij
zagen het maar al te wel in — utinam falsus vates
fuissem — toen wij *) de vrees uitten dat „ door toedoen
\') Men zie de brochure „De Minister vnn Koloniën en lijn tegen-
standers", p 14.
-ocr page 11-
o
van Rotterdamsche liberalisten wier onzalig drijven mede
zooveel jammeren over ons ongelukkig vaderland heeft
uitgestort voor de Eerste Kamer de treurige taak zou
zijn weggelegd, voor welke de Tweede, zij het dan ook
ter elfder ure bleef bewaard. "Wij komen er openlijk voor
uit dat de twintig tegenstemmers een zeer groote ver-
antwoordelijkheid op zich hebben geladen en zich niet
verdienstelijk hebben gemaakt jegens Koning en Land.
Want, bij den hoogst gevaarlijken toestand waarin het
schoone, prachtige Insulinde thans verkeert, schromen
wij niet elke verandering van Regeering hoogst bedenkelijk
te noemen, allereerst wel eene waar Keuchenius zijn
plaats aan een ten eenenmale onbevoegde zou moeten
afstaan. Wil men de stemming in het kamp der liberalisten
leeren .kennen, dan behoeft men slechts de uitingen in
de Pers aan een aandachtige beschouwing te onderwerpen
en uit de vele kiezen wij een bericht, voorkomende onder
het opschrift Rotterdam 31 Januar in het Berliner Tage-
blatt:
Die hollandische Erste Kammer hat heute nach
erbitterter Debatte zur allgemeinen Freude der Liberalen
das Budget des wegen seines fanatischen Auftretens misz-
liebigen Kolonialministers Keuchenius mit 20 gegen 19
Stimmen verworfen". Wat dunkt u, o Christelijk Volk van
Nederland van zulk partijdig en door partijbelang beneveld
oordeel? Men weet dat onze Keuchenius geen vriend
van de Semieten kan genoemd worden — dat het
„Berliner Tageblatt" een Joden-orgaan is. Welnu, het
liberalisme heeft in het semitisme een trouw bondgenoot
gevonden. Aan den oordeelkundigen lezer blijve de con-
clusie overgelaten.
Toen nu Keuchenius helaas den door zijn geschriften
in anti-semitisehen geest beruchten Jhr. Mr. M. A. De
-ocr page 12-
10
Savorxin Lo-HMAN tot Gouverneur van Suriname had
benoemd, werden van de zijde van \'s Heeren Loiimans
vrienden alle zeilen bijgezet om het stuitende van dat
feit zooveel mogelijk te vergoelijken. Wij incenen dat
personen, die gedurende een groot deel van hun leven
een rechterlijk ambt bekleedden, nooit in aanmerking
behoorden te komen voor een andere lands- of stedelijke
betrekking. De eigenaardige sfeer waarin dergelijke
ambtenaren zich bewegen maakt hen ten eenemale
ongeschikt om zich aan het algemeen welzijn te wijden.
Te vele voorbeelden van nog zeer recenten aard staven
deze uitspraak. Regenten bovendien worden geboren
maar niet benoemd. Toen dan ook de nieuwe Gouverneur
van Suriname den voet op West-Indisohen bodem had
gezet, lieten wij ons niet door allerlei couranten-berichten,
waartoe bovenal de Wereldburger de stoffe leverde, in
slaap sussen. Wij zagen in het toekennen van een
pensioen aan een Joodsch geestelijke niet veel anders
dan een „onhandigheid", welke vooral moest dienen om
menschen, die niet diep nadenken, met een kluitje in
het riet te sturen. Sporen van menschenliefde hadden
we nooit bij don Heer De Savornin aangetroffen. Wel
karaktertrekken van het tegendeel en van ver gedreven
eigenliefde.*) Toen wij dan ook, zeer korten tijd na de
aankomst van den Heer De Savornin L.OHMAN dezen
zagen vereerd met den titel van „de Rechtvaardige",
verbaasden we ons over de goedgeloovigheid van velen,
die dergelijk marktgeschreeuw voor goede munt aannamen.
Geen volk gaat er in onzen tijd zoo lichtelijk toe over
*) We zou.len nangnandc de eene zoowel als de andere eigenschap
belangrij, e mededeelingeu kunnen verstrekken — ons bestek ver-
oor.uoft ons ditmaal niet de grenzen der beknoptheid te o\\erschrijden.
-ocr page 13-
11
om zijn regenten met dergelijke „epitheta ornantia" te
vereeren — allerminst wanneer de Regeerder zelf nog
volstrekt niet in de gelegenheid was om van zijn recht-
vaardigheidsgevoel de bewijzen te leveren. Schrale
berichten, dat de Gouverneur bij regenachtig weer met
een paraplnie over zijn hoofd door Paramaribo\'s straten
wandelde, toonden maar al te duidelijk aan dat alles
dienst moest doen om de belangstelling voor die verre
van interessante verschijning tot eiken prijs levendig te
houden.
Na zulk een soberen maaltijd wordt het Para-oproer
ons als dessert aangeboden. Wat nog aan de volle-
digheid mocht ontbreken, het reeds bekende toont
duidelijk aan dat de Heer De Savornix Loiiman in
Suriname niet is „the right man on the right place". Om
door Negers aan de eerste eischen der wellevendheid te
moeten worden herinnerd ziedaar een toestand, die door
menig eerzame Haagsche hofjesjuffer zal worden gewraakt.
De Heer A. C. Wertheim had zich tot tolk gesteld
om op \'s Heeren Lohmans wanbeleid het noodige licht
te doen vallen, en hoewel de Heer Wertiieim niet
onder de voorstanders van den Minister van Koloniën
zal worden gerekend, kunnen wij eerstgenoemde den lof
niet ontzeggen dat zijn kritiek door groote bezadigdheid
en door helder oordeel uitmuntte. Ja zelfs hebben wij
in geen der tegenstanders van den Heer Keuchenius
den waardigen toon teruggevonden, die in elk woord
van \'s Heeren Wertheims kritiek weerklonk. Verre zij
het van ons te beweren, dat de Minister van Koloniën
reeds formeele toezegging had behooren af te leggen om
aan Z. M. de terugroeping van den Heer De Savorxix
Lohman voor te stellen; maar ons komt het voor dat
-ocr page 14-
12
na \'s Ministers waardeerend woord over de welwillende
houding van een lid der oppositie, zijn conclusie in het
bekende Surinaamsche conflict krachtiger had kunnen
zijn. Een Regeering, die voor haar politieke vrienden in
de bres springt, ook waar dezen het gezag tot een
hersenschim verlagen, doet zich zelf grootehjks onrecht.
Een Regeering (en dit mag wel eens in herinnering
worden gebracht) welke den schijn op zich laadt de
belangen van een bevriend ambtenaar, hoe hoogge-
plaatst deze ook moge zijn, boven het algemeen belang
te stellen, vervreemdt zich, door het doen veldwinnen
van dergelijke vermoedens, vanhaar eigen partijgenooten.
Hoeveel te meer zal de gevoeligheid, in dergelijken
toestand van zaken als waarin thans de Surinaamsche
quaestie verkeert, niet zijn te ontzien, waar de persoon
van den Heer De Savornin Lohman als Gouverneur
schier bij alle partijen gewogen en te licht bevonden
was.
Wanneer de Minister van Koloniën, wiens goede trouw
en onkreukbaarheid overigens boven elke verdenking
verheven zijn, na het door den Heer Wertheimgesprokene,
de verklaring had afgelegd „dat mochten diens voorstel-
lingen, die geheel en al ten nadeele uitliepen van den
tegenwoordigen Gouverneur, na ingesteld onderzoek vol-
komen in overeenstemming blijken te zijn met de wer-
kelijkheid, zijn eerste daad zou zijn om aan Z. M. het
ontslag van den Gouverneur van Suriname voor te stel-
len" — wij gelooven dat de uitslag van de stemming over
Hoofdstuk X een andere zou zijn geweest. Dergelijk
waardig en tegelijkertijd krachtig optreden zou bij vele
weifelende leden, van welken vóór de beraadslagingen
in elk Parlement eenigen aanwezig zijn, het vertrouwen
-ocr page 15-
13
in het Regeeringsbeleid van den Minister van Koloniën
aanmerkelijk hebben versterkt. Bovenal zou zij geen
voedsel gegeven hebben aan de voor elk vertrouwen
vernietigende gedachte dat de Regeering volstrekt onge-
zind was om den Gouverneur van Suriname prijs te
geven. De Heer Keuchenius bepaalde zich om een her-
ziening van het Regecringsreglement van Suriname in
het vooruitzicht te stellen, maar verloor daarbij , naar
het ons voorkomt, uit het oog dat de Vergadering aan
deze schrale toezegging moeilijk haar zegel kon hechten.
De Kamer betoonde politiek doorzicht genoeg om na de
repliek van den Minister van Koloniën een veelbeteekenend
stilzwijgen in acht en ... . de Begrooting van Suriname
met algemeene stemmen aan te nemen. Op ons maakte
die schijnbaar volgzame houding eenigermate denzelfden
indruk als het zoele zomerweder hetwelk een hevig
onweer voorafgaat op den met de verschijnselen in het
rijk der natuur vertrouwden reiziger. De partij tegen
den heer Keuchenius zou niets liever gedaan hebben
dan den Heer De Savornin Lohman uit den zadel te
lichten; nu haar evenwel voorloopig deze toeleg mislukt
was, wijdde zij al haar aandacht aan den hoofdschotel
van den politieken maaltijd.
En wel is het te bejammeren dat de te toegeeflijke
houding tegenover een mediocriteit, die zelfs, volgens
het getuigenis in een, door een zeer bevriende hand
geschreven, artikel, voorkomende in het Dagblad van
Z. H. en \'s-Gr.
van 4 Febr\'. j.1., bleek zich nog niet geheel
ontworsteld te hebben aan de traditie (!) zijner rechter-
lijke betrekkingen, er krachtig toe heeft bijgedragen
om op het votum van de Eerste Kamer zeer ongunstig
in te werken. Dat een man als Keuchenius een échec
-ocr page 16-
14
lijden moest ook ter wille van een M. A. De Savorxin
Lohmax, kan evenmin worden goedgekeurd als dat een
oorlogsvaartuig de vlag strijkt voor een visscherspink.
III.
De uitslag van de stemming heeft ons niet verwonderd.
"Ware het Surinaamsche incident niet tusschenbeide-
gekomen, wij gelooven dat de uitslag geen andere zou
zijn geweest. Aan den lezer zijn wij een enkel woord
ter verklaring van het schijnbaar paradoxale onzer uit-
spraak verschuldigd. De „entre-acte", door het Suri-
naamsehe spektakel gevormd, had onder de gegeven
omstandigheden een uitstekenden dienst kunnen bewijzen
om de Senatoren met de opvoering van het geheele tooneel-
stuk te verzoenen. Suriname had als reddingsplank
dienst moeten doen voor de aanneming van het Xe
hoofdstuk. Dat de Heer Keucheniüs geen partij trok
van deze voor hem bijzonder gunstige omstandigheid
werpt een schoon licht op zijn eerlijk karakter. Persoon-
lijk kent hij liet woord „eigenbelang" slechts bij name.
Maar het hooge woord mag ik niet in de pen terughouden
dat de adeldom van zijn geest de oorzaak was van het
somber klokkenluiden voor zijn ministerieelen val.
Niet ten onrechte evenwel schreef reeds Multatuli*) „Er
komt een tijd dat er hooger wetten te gehoorzamen zijn
dat de beschrevene.
En al ware dit zoo niet, al bleef men vasthouden
aan de onjuiste meening dat de wettigheid alleen op
meerderheid van stemmen gegrond kan zijn (de fictie
waarop dan toch het geheele parlementairisme berust)
\') Pruisen en Nederland, pag 102
-ocr page 17-
15
eilieve, laat de koning eens vragen aan het land: „Wilt
gij dat ik u voorga, ik alleen ?" Dan zou men zien hoe
in gevaar dat fabeltje van gesplitste verantwoordelijkheid
in rook verdwijnt. Er is een verzamelingspunt noodig,
iemand die de vaan opsteekt, een Hendrik IV, wiens
witte panache den weg wees ter overwinning.
Ja de wapperende vederbos van een Koning niet de
gepluimde slaapmussen van de „geachte leden."
Iets verder gewaagt dezelfde schrijver vol verontwaar-
diging van „parlementair ontuig dat alle veerkracht
verlamt,*) terwijl hij een paar bladzijden te voren op
de vraag: „Hoe zijn al die landen gevaren bij het
parlementaire stelsel ?" dit treffend antwoord geeft:
„Slechts één nl. Pruisen, met kracht bestuurd door een
groot man, die den moed had alléén te staan, en
„geachte leden" terugzond naar katheder en geldla, f)
heeft daarvan succes gehad".
En inderdaad het debat over Hoofdstuk X veroordeelt
zich zelf. Een discussie over margarine-boter, ziedaar een
parlementaire stoffe, welker behandeling den geachten
leden volkomen is toevertrouwd. Ik weet niet of velen
deze de aandacht waardig keurden, maar den triomf harer
welsprekendheid heeft de Kamer van honderd bij die
gelegenheid gevierd. Als om Alva\'s bekende uit-
drukking tot waarheid te maken waren de margarine-
en boterquaestiën toenmaals „the topics of the day."
Dat laat zich gereedelijk verklaren omdat de „geachte"
leden toen, bij uitzondering, op de hoogte van hun on-
derwerp waren en als deskundigen, met echte boterliefde
O Ibid., 103.
(f) Ibid., 100.
-ocr page 18-
16
bezield, voor eigen huishoudelijke belangen te waken
hadden. Had de geestige Netscher die zittingen bijge-
woond, wellicht had hij zich met meer verschooning en
minder spotternij over onze Kamer-neophieten uitgelaten.
Mocht hij evenwel te eeniger tijde parlementaire
portretten van de Kamer van 50 het licht doen zien
dan vreezen wij dat de „oudere" heeren er evenmin
goed zullen afkomen als hun „jongere" Kamerbroeders.
"Wij zullen aan het eind onzer brochure omdat we het
stenographisch verslag der zoogenaamde „Handelingen",
(welker inhoud ons vaak van Alphens Saartje, die onder
het genot van wafelen en chocolade sprookjes vertellen
kon) nog niet in ons bezit hebben, met een enkel woord
de debatten in de herinnering terugroepen.
Ditmaal toch houde men aan het beginsel der volks-
souvereiniteit, waarop het parlementair stelsel berust,
vast. Ons Christenvolk toone van het besef doordrongen
te zijn dat men in Keuchenius den evangelischen
Staatsman-belijder heeft willen treffen en verklare luide
dat het Keuchenius tot geen prijs wil losgelaten zien,
ja zich zonder dien Staatsman geen Ministerie denken kan.
Genoeg, zoolang Dr. Kuyper heerscht, kan ons Christenvolk
voorloopig gerust zijn. De veldheer kent zijn troepen.
Toch zij men bedacht op de adders onder het gras
verscholen. Men verlieze niet uit het oog dat de katho-
lieken in vroeger jaren de liberalen als hun getrouwste
bondgenooteii konden beschouwen. Nu de onderwijs-
quaestie naar het verlangen van de katholieken werd
opgelost, schijnt ons het hoofdmotief van het roomsch-
antirevolutionaire verbond vervallen en zou men zich,
naar soiumiger meening , eerlang op een roomsch-libe-
raal Kabinet hebben voor te bereiden.
-ocr page 19-
17
Wat daarvan zij, weten wij niet. Wij behooren tot
hen, die in den bond met Rome nooit eenig waarachtig
heil gezien hebben. Neen veel meer ligt in de beginsel-
vastheid der anti-revolutionaire partij de kracht van het
protestantsche Nederland, dan in een samengaan met de
meest verbitterde vijanden van ons dierbaar Evangelium.
Het verdient overigens opmerking , dat onder de roomsche
leden der Eerste Kamer het parool scheen te zijn rondge-
gaan om met geen enkel woord Keüchenius\' begrooting te
verdedigen. Reeds gaven we omtrent wat gebeuren zou een
wenk in onze vorige brochure, toen wij op het driest
optreden van den parlementair Van Nunen in de Tweede
Kamer de aandacht onzers lezers vestigden. Toen toch
moest de bekende Doctor toeschieten om voor \'t minst
den schijn eener verborgen vijandschap tegen Keüchenius
en in hem tegen de anti-revolutionaire partij , te ontwijken,
ware het maar opdat de voorziene val van Keüchenius
later in geenen deele aan een roomsch wachtwoord
mede zou kunnen worden geweten.
Reeds zijn twee onzer provinciën voor het ultra-
montanisme geheel bezweken. Men doorzie toch Romes
toeleg nog te elfder ure eer het te laat is en rekening
houdend met het gemengd godsdienstig karakter van
ons volk, mogen de protestantsche groepen zich nauwer
aaneensluiten. De doleantie strekke toch niet tot voor-
wendsel om Keüchenius los te laten. Dit ware een
gruwel. De staatsman, die in bewoordingen even duidelijk
als eerlijk, de trouw aan zijn christelijke geloofsovertuiging
heeft beleden, die te lang over die zaken welke waarde
hebben voor het eeuwige leven heeft nagedacht, dan dat
hij in een politieke vergadering zou kunnen afleggen of
afzweren hetgeen voor hem den troost uitmaakt in
-ocr page 20-
18
leven en in sterven *), mag door dit Kabinet niet worden
prijsgegeven. Dit ware een verloochening die de „droite"
der anti-revolutionairen, tot welke de Heeren Mackay
en Godin De Beaufort kunnen gerekend worden, thans
voor goed in discrediet zou brengen. Dat ware een on-
mannelijke handeling waartegen de Standaard van heden
reeds bij voorbaat protest aanteekent, namens een ieder
die den Christus belijdt zoowel op Nederlandschen bodem
als ginds in het verwaarloosde Insulinde.
Onder de namen, die met zekere voorliefde worden
genoemd om den Minister Keuchenius te vervangen,
zagen wij ook dien van Mr. Des Amorie Van der Hoeven.
Grooter misgreep ware ondenkbaar. In „Een misda-
dige Staatkunde" van dezen auteur komen de volgende
zinsneden voor:
„Behoort overal in Nederlandsch-Indië een gelijke
vrijheid te worden gegeven aan katholieke en protes-
tantsche zendelingen? Zoo ja, is het dan niet te vreezen,
dat de gelijktijdige verkondiging van verschillende en
in veel opzichten tegenstrijdige leerstelsels den inlander
in verwarring brengen en van liet Christendom afkeerig
maken zal?
Zeker is dit laatste eenigermate te vreezen; het is
een der vele betreurenswaardige gevolgen van liet werk
der scheuring, dat bij onze dwalende broeders „de ge-
zegende Kerkhervorming" heet."
Een man, die zoo schreef en zijn dwaling nog niet
openlijk herriep, kan in dit Kabinet, het Kabinet van
het Christelijk bewustzijn, onmogelijk plaats nemen.
Uiterlijk althans Behoort Des Amorie Van der Hoeven
*) Vgl. Handelingen p. 332, tweede kolom in medio.
-ocr page 21-
19
nog tot de kerk van Rome. Zijn betrekking van Staats-
raad moge hem, naar de meening der wereld, ten
voordeel strekken — zijn stilzwijgen waarin hij reeds
jarenlang onverzettelijk volhardde, zijn stelselmatige
onthouding van roomsche manifestatiën, welke al driester
en driester in ons goed land het hoofd opsteken, nog
wel onder medewerking van zijn collega, den staatsman
Heijdenrijck , schijnen minder te wijzen op een blijden
zielstoestand, welke er behoefte aan gevoelt om het
nieuw gewonnen geloof voor „dwalende broeders" te
belijden, \'t Kan ook niet anders. Wij kunnen ons eeni-
germate voorstellen dat een in den schoot der roomsche
kerk geborene, iemand die de heiligende kracht van
Gods woord nooit heeft gesmaakt of gekend, met schier
onoverkomelijke bezwaren te worstelen heeft om zich
aan die banden te onttrekken en in den ouden sleur
voortsukkelende, op het voetspoor van onzen Itijsenburgschen
bard zelfs zijn hooggespannen lier stemt en daaraan de
meest fanatieke accoorden ontlokt. Er behooren karakters
toe als die van een Matamoros en van een Madiai om aan
al de middelen waarover een heerschzuchtige, voor niets
terugdeinzende „Chambre noire" te beschikken heeft weer-
stand te bieden en tegen het dogma der aflaten, met de ge-
loofsovertuiging dat Christi bloed van alle zonden reinigt,
te protesteeren. Wij kunnen er ook tot zekere hoogte
in komen dat een onbeduidend jongman, weggesleept
door het schoone dichterlijke, hetwelk in Romes eeredienst
niet te miskennen valt, begoocheld door zinsbedrog,
zich in een onbewaakt oogcnblik laat misleiden en ein-
delijk in droeve strikken verward zijn zelfstandigheid in-
boet en zijn gewetensvrijheid ten offer brengt aan de
steile dogmata van Moeder de Kerk. Maar dat aan een
-ocr page 22-
20
man van leeftijd, wien eenmaal het onwaardeerbaar
voorrecht te beurt viel door een godvreezend onderen-
paar als protestant te worden opgekweekt, aan iemand,
die daarenboven op den naam van een fijn beschaafd
man aanspraak heeft, de overgang tot Romes menschen-
vergoding, afgodsbeelden en spring-processiën, bij het
naderen der eeuwigheid, niet meer en meer tot pijnlijk
zelfverwijt strekt, ziedaar wat ons onbegrijpelijk is en
ons het harte van rouw doet wegkrimpen. Moge men
dan toezien eer het te laat is en het „melius praevenire
quam praeveniri" in toepassing brengen.
TV.
Gelukkig openbaren zich teekenen, die den onwil van
ons christelijk volk om zich door een coterie te laten
overheerschen, die den beste der hunnen buiten gevecht
zou willen stellen, duidelijk openbaren. De kies-
vereeniging „Nederland en Oranje" in de hoofdstad
gaf op loffelijke wijze het voorbeeld. Zal de kiesvereeniging
van dienzelfden naam in de hofstad nog niet volgen?
Of zou men — wat ons, bij de lauw- en flauwhartigheid der
Haagsche anti-revolutionairen, die wel terdege op hun
post zijn wanneer er ambten na te jagen en betrekkingen
te verwerven zijn, maar minder vaardig opkomen wanneer
het om „getuigen" te doen is, niet zou verwonderen —
in de residentie zich bij zwijgen bepalen? Wij hopen
van harte het tegendeel omdat de oppositie tegen Keu-
chenius in de Eerste Kamer gevoerd een scherpe veroor-
deeling vereischt en wettigt.
Keeren wij nog even tot de Eerste Kamer terug. De
eenige bestrijder wien we groote zaakkennis niet ont-
-ocr page 23-
21
zeggen is de Heer Van Gennep. En wat lezen wij o. a.
in diens redevoering: „In geen Minister toch is het de-
sideratum van vertrouwbaar beleid een zoo dringende
eisch, als in den Minister van Koloniën omdat voor de
meesten onzer Indië eene terra incognito is". Eilieve! geachte
spreker hoe heb ik het nn? "Wanneer het waar is, dat
de meeste Eerste Kamer-leden over Indië redekavelen als
een blinde over de kleuren, welke waarde is er dan nog
te hechten aan de stem van de meesten uwer? Ja verraadt
het niet een jammerlijk gemis van zelfkennis wanneer
dergelijke leden nog aan een stemming over de Indische
begrooting deelnemen? Men heeft van de zijde van de
tegenstemmers den klaagtoon aangeheven dat de Minister
in werkkracht was te kort geschoten. Maar welke Minister
van Koloniën in vorige Kabinetten heeft in werkkracht
den Heer Kecchenius geëvenaard? Waarlijk de tegen-
stemmers toonen te duidelijk aan slecht op de hoogte
van den toestand te zijn, indien zij een zuivering van
den Indisehen Augias-stal, gedurende een tijdsverloop
van minder dan twee jaren, voor mogelijk achten.
Dezelfde heer Van Gennep schijnt het voet bij stuk
houden als een minder goede eigenschap te beschouwen.
Tot dusverre dachten wij er anders over — en n\'en déplaise
den heer Van Gennep — achten we het in den heer
Kecchenius een zeer goede hoedanigheid dat „men voet
bij stuk met hem houden" moet. Omtrent Atjeh is zooveel
geschreven dat wij den heer Van Gennep waarlijk niet
op den voet zullen volgen, waar hij zich voor een krachtiger
optreden verklaart, maar verloor de geachte afge-
vaardigde niet uit het oog, dat de loop dien de Atjehsche
zaken nemen, de oorsprong van al die verwikkelingen^
allerminst verweten kan worden aan den tegenwoordigen
-ocr page 24-
22
Minister, die zich steeds als den heftigsten tegenstander
van dien lichtvaardig ondernomen oorlog heeft doen
kennen? Ieder zal den heer Van Gexnep toestemmen
dat een bevel en een last(geving) om de wet na te komen
een pleonasme is. Maar dat uit die gebruikelijke, zij
het ook even dikwijls misbruikte formule ook al een
wapen gesmeed werd tegen den Minister van Koloniën,
komt ons voor van gezochtheid niet vrij te pleiten te zijn.
En hoe hij op grond van deze beschouwing er toe geraken
kon om te verklaren, dat de Minister er toe medewerkte
om den eerbied voor de wet te verminderen, zie, dat deed
denken aan het zoeken van spijkers op laag water. En
wat zijn bestrijding van de opiuin-politiek van dezen
Minister betreft, stel eens dat de Heer Keuchenius er
onmiddellijk toe ware overgegaan om aan den opium-
verkoop paal en perk te stellen, welke kreten van ver-
ontwaardiging zouden dan niet zijn aangeheven over het
gemis van zoodanige regeling?
Maar erger maakte het de Heer Insinger. Deze af-
gevaardigde, die het zelfs in de kunst van voorlezen nog
niet ver had gebracht, (nu wijlen prof. Vreede placht
wel wanneer een student zoogenaamd eigen werk voorlas
dezen, wanneer hij er niet goed uit kon komen, te vra-
gen „hebt u dat wel zelf opgesteld?") trad allereerst in een
finantieele beschouwing, maar werd door den Minister zeer
„ad rem" op het ondoordachte van zijn kritiek gewezen.
De grief van den heer Insinger betrof het trekken van
wissels op langen termijn. En welk antwoord viel nu
aan deze financieele specialiteit ten deel? „Het is gebleken
dat de verliezen aan de schatkist bezorgd door dat
trekken op langen termijn, over een zeker aantal jaren,
ver het millioen overtroffen hebben. Ik heb uit dien
-ocr page 25-
23
hoofde dan ook aan don Gouverneur-Generaal voorgesteld
om voortaan op korter termijn, op acht dagen zicht,
de wissels af te geven. De jongste wisseltrekking, waar-
van gisteren het bericht ontvangen is, is dan ook geschied
tegen een koers van 99%°". Waarlijk wannneer men den
onhekookten aanval van den heer Insinger met de volkomen
waardige verdediging van den Minister vergelijkt, dan
gevoelt men lust den heer Ixsinger de vraag te stellen:
„Wat deedt gij ook met de klompen op het ijs?"
Ook deze spreker keurde \'s Ministers inmenging in
godsdienstaangelegenheden (!) af. Terecht evenwel dekte
hij den aftocht met deze bewoordingen: „Ik wil hierover
echter niet verder uitweiden. Ik zou slechts minder
goed herhalen, wat door andoren reeds beter is ge-
zegd".
Maar de grootste grief van den spreker uit Noord-
Holland sproot voort uit \'s Ministers „houding in de
zaken van Atjeh". Het driester en driester optreden
onzer vijanden werd den Minister bijna tot een verwijt
gemaakt, meer energiek optreden onzerzijds bepaald
noodzakelijk genoemd. Die krijgszuchtige ontboezemingen
vormden een zonderling contrast met den matten toon
waarmede de geachte lezer de op een stukske papier ge-
schreven „Staatkundige beschouwingen" ten gehoore
bracht. Ons komt het voor dat de tijd om vol geestdrift op
te trekken tegen Atjeh, zoo die ooit heeft bestaan, reeds
voorlang tot het verleden behoort, afgezien dat er een
partij in ons land bestaat, die zoowel de oorlogsverklaring
als de voortzetting van den krijg tot in het diepst ha-
rer ziel verfoeit. Mocht men ons oordeel onjuist vinden,
welaan dan doe men een beroep op het volk en de uit"
komst zal leeren dat er geen hangende quaestie minder
-ocr page 26-
24
nationaal is dan welke de Heer Insinger zoo naïef weer-
gaf toen hij sprak over „de zaken van Atjeh".
„Der dritte im Bunde" was de Heer Van Welderen
Rengers. Reeds aan den avond van den 31ste" Januari
wist een der residentiebladen ons te vertellen dat deze
heer bestemd scheen in de Eerste Kamer een groot ge-
zag te verkrijgen. Indien men den geachten spreker
hoort dan loopt men gevaar door slaap te worden over-
mand en een uiting op de publieke tribune door ons
opgevangen van een paar eenvoudige lieden, die met de
grootste spanning den loop der debatten volgden, be-
vestigde ons in onze meening dat de Heer Van Welderen
Rengers, welk groot staatsman hij overigens moge zijn,
beter deed te zwijgen dan te spreken. Inderdaad zulk
een parlementaire welsprekendheid kan veilig achterwege
blijven. Ook deze „redenaar" beaamde de klacht door
den Heer Van Gennep geuit dat „leden der Staten-
Generaal, helaas, . .. . in den regel weinig bekend zijn
met den toestand waarover (zij) geroepen zijn een oordeel
uit te spreken". Welnu bevat deze klacht zelve niet een
scherpe veroordeeling van den vaak meesterlijken toon
tegenover een volkomen deskundige als de Minister van
Koloniën aangeslagen? Komt men er niet onwillekeurig
toe om aan schooljongens te denken, die den onderwijzer
berispen? —
Voor een ieder die zich „op de hoogte" van de debatten
wil stellen is de lezing van de Handelingen van de 20s,e
vergadering aan te bevelen. De onpartijdige zal ons
moeten toestemmen dat de redevoering van den Minister,
zoowel wat beschaafde wijze van uitdrukking als wat
den inhoud betreft, zich zeer gunstig onderscheidt van
het meerendeel zijner tegenstanders. Bij den Minister,
.
-ocr page 27-
25
dit gevoelt men, heeft men met een deskundige te
doen, bij zijn bestrijders, wat de meerderheid betreft,
met betweters.
Het kan zijn dat èn Thorbecke èn Groen grooter
redenaars waren dan Keuchenius. In productiviteit van
geschriften zijn beide evenknieën zijn meerderen. Maar
de groote werkkracht, over welke een Keuchenius te
beschikken heeft houdt in elk geval met die zijner beide
tijdgenooten gelijken tred. Voor Keuchenius daarenboven
en ziehier wat hem boven de meeste bewindslieden doet
uitblinken, is de nationale wellevendheid niet een aan-
geleerde maar een aangeboren eigenschap. En moge hij
door verbitterde tegenstanders als een bits, onhebbelijk
man worden uitgekreten, niets is minder waar dan zulk
een getuigenis.
Het nageslacht zal anders oordeelen. In den staatsman
Keuchenius zal de aanstaande geschiedschrijver tevens
het beeld teekenen van den belijder, voor wien alle
aardsche eer en glorie in het niet verzonk tegenover
zijn standvastig geloof in het kruis van Christus.
Dergelijke trouw aan beginselen heeft geen lof van
noode. Evenwel wordt zij te schaars aangetroffen dan
dat zij niet op de krachtigste wijze behoorde te worden
gesteund. Terecht werd dit ingezien door de kiesver-
eeniging „Nederland en Oranje", die onderstaande motie,
waaraan die van het trouwe district van den waardigen
oudafgevaardigde al aanstonds een motie van adhaesie
verbond, met even warme als onverdeelde sympathie
aannam. De motie luidt als volgt:
„De kiesvereeniging „Nederland en Oranje" te Am-
sterdam ,
Met smartelijke verwondering kennis genomen hebbende
-ocr page 28-
26
van het feit, dat de liberale partij van haar zoo weinig
gerechtvaardigd overwicht in de Eerste Kamer der
Staten-Generaal gebruik heeft durven maken om de be-
grooting van Koloniën te verwerpen;
Met schier heel de pers van oordeel, dat de be-
weegreden voor deze afstemming niet kan worden
gezocht in eenige minder doeltreffende handeling van
den betrokken Minister, noch in diens houding in
zake Atjeh en de fiuancieele aangelegenheden, maar
in beginsel schuilt in zijn opkomen voor het beginsel,
uitgesproken in art. 18 van het anti-revolutionaire
program o. m. luidende, dat tegenover het Mahomedanisme,
het Christelijk karakter der natie niet mag verloochend
worden;
Betuigt den heer Keuchenius haar warmen dank voor
den moed en\' de onversaagdheid waarmede hij ten dezen
voor Nederlands heilige roeping is opgetreden;
Spreekt als haar wensch uit, dat er alsnog wegen
mogen gevonden worden om het aftreden van dezen
Minister te verhoeden;
en acht zich overtuigd, dat evenals zij, al onze kies-
vereenigingen door heel het vaderland, zonder zich
daarom solidair te verklaren met eiken vorm, waarin
Mr. Keuchenius zijn gedachte heeft geuit; in het punt,
waarop thans de stijd in aangebonden, zich\' met beslist-
heid en trouw aan zijne zjjde zullen scharen, overtuigd
dat geen toekomst van de anti-revolutionaire partij denk-
baar zou zijn indien het beginsel, thans in de verwerping
van Mr. Keuchenius\' begrooting aangerand, door ons
wierd verloochend;
gaat over tot de orde van den dag."
Wekke deze daad onzer Amsterdamsche broederen de
-ocr page 29-
27
geestdrift op van allen, die nog weifelden of niet man-
nelijk in liet strijdperk durfden treden.
Of gevoelt men niet, dat, indien Keuciienius\' plaats
door een ander ingenomen wierd, niet aanstonds zou
blijken, dat een staatsman door een staatsmanneke was
vervangen ?
Den Haag, 6 Februari 1890.
~^^A?--gSÉ=f
-ocr page 30-
BIJ DEZELFDE UITGEVERS VERSCHEEN:
1® Minister vam Koloniën on
lijm f ©gonstamlors.
(Tweede Druk).
PRIJS i 35 cents.
TER PERSE:
Schetsen, Novellen en Gedichten.
Primulae Yeris.
> * t&m&ï