-ocr page 1-
ty*
i
~\\
-
Een Voorstel
>
TOT
\' ,
KERKHERVORMING.
•
DOOK
Dr. H. THODEN VAN VELZEN.
*
,
ZÜTPHEN.
<f
W. C. WANSLEVEN.
:
"                     \'
-ocr page 2-
-ocr page 3-
Een Voorstel
TOT
KERKHERVORMING,
DOOR
Dr. H. THODEN VAN VELZEN".
Z U T P B E ïf.
W. C. WANSLBVEN.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
"Wie zijn oog richt op het naburige België, wordt onwille-
keurig door weemoed bewogen. Binnen een vijftal jaren zal
dat land Roomsch geworden zijn, want de geestelijkheid heeft
de school in hare macht.
Na België veroverd te hebbon, zal Rome alle moeite in het
werk stellen, om ook ons land te overheerschen, gelijk het
daarmede reeds druk bezig is.
Nu moge het hedendaagsche Rome in wetenschap, in zede-
lijkheid zeer verschillend zijn van het Rome uit den tijd der
Hervorming, het moge in vereering van de kunst, in opoffe-
ring voor de „heilige zaak," in regeeringsvorm, in opvoeding
bovenal, naast veel verkeerds veel goeds bezitten, in hoofdzaak
blijft Rome Rome.
"Wat in de middeleeuwen van Aristoteles gold, iste sol
erat (hij was de zon), dit is nog de onveranderde meening van
de Roomsch e Kerk. De vereering van Thomas Aquina, den
leerling van Aristoteles, de werken van een Tongiorgi en
van een Tillman Pesch bewijzen zulks overvloedig, en daar-
mede druischt Rome tegen de wetenschap in, met name
tegen de physiologie, de psychologie en de theologie (als
wetenschap en niet als dogmatiek.)
-ocr page 6-
4
Nog heden ten dage wordt evenals in de middeleeuwen het
geestelijk wezen van den mensch als eene ztjde van den mensch
beschouwd, dat met zijn lichaam geheel één is, zoodat de strijd
tusschen Thomas Aquina en Gassendi nog thans herhaald
zou kunnen worden.
Daardoor strijdt de physiologie der Roomsche Kerk met de
onafhankelijke physiologie, die op grond van zeer vele waar-
nemingen leert, dat de groote hersenen het orgaan des gees-
tes zijn.
Nog heden ten dage wordt door de Roomsche Kerk in na-
volging van Aeistoteles geleerd, dat de geest een onstoffe-
lijke eenheid is.
In dit opzicht gaat de Protestantscho Kerk meestal met
haar mede. Onder onstoffelijk kan men zich echter niets
denken. Het is eenvoudig de ontkenning van stof, en dewijl
men, wanneer men een wezen ontkent, daarvan niets kan be-
weren, zoo wordt de zielkunde door die stelling zielonkuude.
Men kan op dat standpunt den geest niet meer vergelijken
met de verschijnselen, die op hem inwerken, en de weten-
schap des geestes houdt op.
Ook wordt de Godheid nog altoos als eerste oorzaak en
laatste doel beschouwd, juist zooals door Aristoteles en
Thomas Aquina werd beweerd, en wordt zij dus tot de ru-
briek der verschijnselen verlaagd. Eerste en laatste zijn toch
eigenlijk tijdsbepalingen, die wij aan de verschillende duren,
die aan de wezens der wereld eigen zijn, ontleenen.
Zoo als de Roomsche Kerk in hare beoefening der geschie-
denis tegenover de onafhankelijke beoefening dier wetenschap
staat, zoo staat hare wijsbegeerte tegenover de wijsbegeerte,
die met verschijnselen en feiten te rade gaat.
De sakramenten, de onfeilbaarheid en dogmata van de
middeleeuwen gelden nog. Terwijl de eenige onfeilbaarheid
wel deze zal zijn, dat de menschelijke meeningen in overeen»
stemming zijn met de juist gekende werken Gods, en \'s men-
schen gezindheid met de Goddelijke deugd, dio zich in hare
werken toont, en dat woord onfeilbaarheid dus als een mis-
-ocr page 7-
5
daad klinkt op de tong van een menschenkind, omdat de
Goddelijke werken peilloos diep zijn, wordt het dogma der
onfeilbaarheid aan den Paus toegekend.
Nog thans wordt Maria als koningin des hemels en der
aarde aangebeden. Zij regeert dus de meer dan honderd milli-
oenen zonnen, zoowel als de billioenen aethertrillingen en de
millioenen luchtcellen, waarvan ons geestelijk leven afhan-
kelijk is, zooals de physiologie en de psychologie leeren.
Nog thans zijn tal van kloosters symbolen van de aloude
wereldverachting van Rome, die zich ook in de scheiding
tusschen geestelijke en wereldlijke macht uitspreekt, alsof
wereldverachting niet Godsverachting ware, alsof niet alle macht
geestelijk ware, en hare uiting de wereld en het wereldsche
was. En wie de meeningen van het hoofd der Roomsche
Kerk over den brandstapel van Giordano Bruno heeft leeren
kennen, hij weet, dat nog de inquisitie niet voar goed uit de
Roomsche Kerk is geweken.
De gerechtigheid van Rome is nog niet grooter geworden,
dan die van de Fariseeën en Schriftgeleerden.
Ja, Rome legt nog het dwangjuk van de menschenvergo-
ding, van het bijgeloof, van de wereld verachting en van de
slavernij op zijne leden.
"Welk denkend mensch slaakt niet ter wille van zijn dier-
baar vaderland de zucht: mocht het zijne vrijheid bewaren!
Welnu, er is in ons Vaderland slechts ééne macht, die in
staat is, om de heerschappij van Rome te keeren en op den
duur te fnuiken, het is de Protestantsche Kerk.
De vakwetenschap moge overwinning op overwinning vieren,
zij blijft het deel van enkelen.
De vakwetenschap moge een verbazend aantal elementen
leveren, waaruit de meer gezuiverde godsdienst van de toe-
komst zal worden opgebouwd, zij is zelf geen godsdienst, en
weet de bezieling van den godsdienst niet mede te deelen.
Tegenover den eenen godsdienst kan slechts de andere
godsdienst het hoofd bieden; tegenover de eene godsdienstige
gemeenschap slechts de andere.
-ocr page 8-
8
En wie bezit in ons land dan die roeping? Wie anders dan
de Protestantsche Kerk; en wel in de eerste plaats de groot-
ste afdeeling van die Protestantsche Kerk: de Nederlandsen
Hervormde Kerk.
In den grond der zaak heeft het Protestantisme slechts eene
eigenschap, die helaas negatief is, waardoor het thans tegen-
over Bome gewicht in de schaal legt: het is zijne vrijheid.
Maar juist omdat die eigenschap negatief is, is dat gewicht
zoo licht.
Wel heeft het in zijn boesem verborgen de elementen,
die honderden dwalingen zullen overwinnen, want op het
gebied der Protestantsche vrijheid bovenal bloeit de vakweten-
echap met een luister nooit voorheen gekend, maar die ele-
menten komen in den godsdienst der Protestanten weinig tot
geldigheid, omdat zijne leeraars ze dikwijls niet kennen, en
daardoor zelfs vijandig daar tegenover staan. Zij lasteren de
machten, waarvan zij onkundig zijn.
Toch heeft het Protestantisme eene schoone lichtzijde. Het
heeft, wat zijne edelste belijders betreft, veel overeenkomst
met het wordend en worstelend en overwinnend genie. Het ver-
keert nog in de periode van den zielestrijd en de met dezen
gepaard gaande afmatting. Eerst langzamerhand zal het over-
W\'inen. En het begint reeds de zege te behalen.
Wanneer het Protestantisme zelfstandig ook weinig meer
bezit dan negatie, staat het toch hooger dan het Roomsch-
Katholicisme.
Wie dogmata verwerpt, die tegen de werkelijkheid indrui-
schen, bijvoorbeeld het dogma der menschenvergoding, staat
hooger dan de geloovigen. Hij heeft de eerste schrede gezet
op den weg naar de waarheid.
Maar zooals het genie vaak machteloos staat tegenover de
zich op praktijk beroepende menigte, zoo staat het negatieve
Protestantisme machteloos tegenover de praktisch werkende
middelmatigheid van het Katholicisme.
Toch is thans de tijd gekomen voor het Protestantisme om
tot overwinning te geraken. Het moet namelijk als eentwee-
-ocr page 9-
7
de Mazeppa fier zijn hoofd omhoog heffen, het moet toonen,
dat het in plaats van de rol van een veroordeelde te spelen,
de koning der menschheid kan zijn; om dit doel te bereiken,
moet het met alle dogmatiek breken, en met de resultaten
der vakwetenschap voorzien, den Eenige, dat is den Waar-
achtige, dat is God, uit zijne werken verklaren, daarbij het
voetspoor volgende en bezield door Mozes, Profeten en Jezus.
Om zulks te kunnen doen, moet de toekomstige leeraar der
Protestantscho Kerk echter die werken leeren kennen, en
daarom stelt schrijver dezes volgende radikale wetsverandering
voor, die hij op de klassikale vergadering van Dokkum in
1890 in overweging hoopt te geven, en waarvan hij hoopt,
dat zij door andere klassikale vergaderingen, hetzij in dezen,
hetzij in ge wijzigden vorm wordt overgenomen:
Het Synodale Reglement op het hooger onderwijs te doen
vervallen.
Overgangsbepalingen te maken tot het vergoeden van Ker-
kelijke hoogleeraren, zoolang dezen geene geldelijke, minstens
even winstgevende betrekking vervullen.
Art. 5: c, d, Art. 9: c, Art. 13: d en 14: b van het
Reglement op de algemeene Synodale Weduwenbeurs te doen
vervallen, en het reeds gestorte met interest te restitueeren.
Voorts Art. 7: b van het Reglement op het examen aldus
te wijzigen:
„Dit examen wordt met open deuren gedurende ten minste
„één uur afgenomen door twee leden van het Provinciale Kerk-
„bestuur, door dat bestuur te benoemen."
In de eerste jaren, kan door het Provinciale Kerkbestuur
één of twee Hoogleeraren in de wijsbegeerte, of één of twee
andere geschikte personen tegen billijke vergoeding, worden
uitgenoodigd dit examen af te nemen.
In plaats van „het examen loopt over de bijbelsche god-
geleerdheidzending\'\' te lezen: het examen loopt over de ziel-
kunde en de geschiedenis van de middeleeuwsche en nieuwere
wijsbegeerte. (Dit zijn beide vakken, die aan elke universiteit
volgens de wet op het Hooger onderwijs onderwezen worden.)
-ocr page 10-
8
Art. 7: c, te doen vervallen.
Art. 7: d wordt dan Art. 7: c.
In dit Art. dan te lezen, in plaats van: „z{jn de lessen on-
der c en d vermeld," zijn de lessen onder c vermeld.
In de volgende zinsnede van dat Art. in plaats van: „van
de bepalingen onder c en d," van de bepalingen onder c.
Art. 7: e te doen vervallen.
Art. 7: ƒ te doen vervallen.
Art. 7: g wordt dan Art. d.
Art. 8: b in plaats van , c en d" te lezen d.
Art. 8: b in plaats van „c en d" te lezen c.
In Art. 8: d in plaats van „onder g" te lezen onder d.
In Art. 9: b te lezen in plaats van „onder i, c en d" on-
der b en c.
„In Art. 11: a in plaats van „onder a, c, tf, en # ver-
meld," te lezen: er, c en <?. (Want d is c en </ is d geworden.")
In Art. 21: b „en de bijbelsche Godgeleerdheid te schrappen."
In Art. 21: c „de leerstellige Godgeleerdheid te schrijven."
Art. 21: d te lezen „de geschiedenis der Christelijke kerk."
Art. 21: e te lezen „de zedekunde."
De eerste alinea van Art. 21: ƒ te schrappen.
Ik erken, er wordt verloren, wanneer deze wetsverandering
plaats vindt.
In de eerste plaats wordt de bijbelsche Godgeleerdheid niet
meer als afzonderlijk vak gedoceerd.
Het verschil zal echter slechts gradueel zijn, want bijbelsche
godgeleerdheid vergadert de theoloog aan de Universiteit,
wanneer hij de geschiedenis der godsdiensten, de geschiedenis
van den Israëlitischen godsdienst, en vooral, wanneer hij de
geschiedenis van de leer aangaande God hoort onderwijzen.
Ook wordt hij onderricht in exegese en heeft ook door haar
het middel in de hand om zich in de bijbelsche Godgeleerd-
heid aanvankelijk te orienteeren.
Ook vervalt, in dien mijn voorstel wordt aangenomen, de
geschiedenis van de nederl. herv. kerk als leervak voor den
toekomstigen [theoloog. Maar deze wordt immers reeds onder-
-ocr page 11-
9
steld door de geschiedenis van de Christelijke kerk. Mocht zij
vervallen, zoo zou de hoogleeraar, die van staatswege de ge-
schiedenis der christelijke kerk doceert, wel zoo welwillend
zijn, aan dit gedeelte der kerkgeschiedenis meer bijzonder zijne
aandacht te bepalen.
Door het vervallen van het kerkelijk hooger onderwijs
wordt tevens de geschiedenis van de Christelijke zending van
den rooster der werkzaamheden geschrapt. Doch ook deze is
een onderdeel van de geschiedenis der christelijke kerk.
Wat echter een bepaalde leemte in mijn voorstel tot wets-
verandering zal schijnen te zijn, is het verval van de prak-
tische godgeleerdheid.
Maar daarvoor stelt het volle menschenleven den predikant
ruimschoots schadeloos; terwijl de geschiedenis der wijsbegeer-
te, die steeds meer de ijdele bespiegeling op den achtergrond
plaatst, om feiten en verschijnselen te verklaren, hem prak-
tisch zal leeren op te treden.
"Wat het maken van preken betreft, dit leert men wel het
best door wijsbegeerte te bestudeeren, die altoos kritisch is,
die den mensch diep leert denken en dus ook een onderwerp
te definieeren en in het groote verband te plaatsen, waartoe
het behoort. En dewijl denken en spreken niet door een groote
klove van elkander gescheiden zijn, zoo leert men ook door
denken spreken.
Trouwens zijn de enkele voorstellen, die volgens de be-
staande wet de kandidaat onder toezicht van een professor
doet, wegens hunne zeldzaamheid van weinig belang voor de
vorming van den toekomstigen spreker.
Nog is er een vak, dat niet meer zal gedoceerd worden,
het is de geschiedenis van het kerkrecht.
Maar deze leert de dienaar van den godsdienst door de prak-
tijk kennen. Op de klassikale vergadering, bij questies in de
gemeente enz., bestaat genoegzame gelegenheid, omdat recht
te leeren kennen. Wordt hij tot een bestuur geroepen, is hij
genoodzaakt het te bestudeeren; is dit niet het geval, heeft
de studie van het kerkrecht weinig belang.
-ocr page 12-
10
Ook zal de meer wijsgeerige ontwikkeling de predikanten,
die tot besturen geroepen worden, instaatstellen de quasties
spoediger te begrijpen; want wie over het eene juist oordeelt,
oordeelt licht ook over het andere juist; de gelijkvormigheid
van alle menschelijke en goddelijke werkzaamheid is daarvoor
borg, en het gemis aan doorzicht, dat de besturen vaak heb-
ben getoond, zal ophouden te bestaan.
Nogmaals ik erken: er wordt verloren. Maar er wordt te-
vens een groote ballast over boord geworpen, het is de dog-
matiek.
lo. De dogmatiek is eene schijnwetenschap, die tegen de
ware wetenschap en ontwikkeling der menschheid indruischt.
2o. De dogmatiek is de vrucht van verkeerde karaktertrek-
ken, gelijk zij op het karakter verderfelijk inwerkt.
Ik wil hier niet over den oorsprong van het woord dogma,
niet over de geschiedenis der dogmatiek handelen, slechts en-
kele voorbeelden wil ik citeeren, om het bewijs te leveren.
De dogmatiek der orthodoxen leert, dat de aarde in zes
dagen geschapen is. Dit staat ook duidelijk in den bijbel
te lezen. Nu is de ingeving van den bijbel dogma. Dus is
ook deze uitspraak des bijbels dogma.
Ondersteld nu, de aarde was in zes dagen geschapen, zoo
zou de aarde, terwijl zij zesmaal om haar as draaide, gescha*
pen zijn. Een dag is toch niets anders dan de duur van de
aarde, terwijl zij eenmaal om haar as draait. Denkt men de
aarde weg, zoo verdwijnt haar duur. Buiten voorwerpen om
is er geen duur of tijd.
Neemt men voor die zes dagen zes tijdperken aan , bij voor-
beeld zes millioen jaren, zoo blijft de voorstelling eveneens
onwaar. Dan zou de aarde, terwijl zij zesmilioenmaal om
de zon draaide, geschapen zijn.
Ook van een schepping in den beginne kan geene sprake
zijn. Denkt men de wereld weg, zoo is er geen begin meer.
Begin en einde zijn deelen van den tijd of duur, die aan de
voorwerpen eigen is. Omdat een voorwerp soms duurzaam is,
en dan weer ophoudt te bestaan, komt men er toe om den
-ocr page 13-
11
duur der voorwerpen in begin, midden en einde te verdeelen.
Maar buiten de werkelijke wereld om is er geen tijd.
De wetenschap kent geene schepping van de aarde als een
geheel op één tijdstip meer. De aarde verandert altoos door.
Milliarden van meteoorsteenen vallen jaarlijks op de aarde
neer. Het water van de aarde verbindt zich scheikundig met
de gesteenten. Daardoor vermindert het in hoeveelheid.
Zuurstof, stikstof en koolzuur verminderen op aarde. Dus
is de aarde van thans niet gelijk aan de aarde van voor dui-
zend jaren, en de aarde van voor duizend jaren niet gelijk
aan de aarde van voor tienduizend jaren. De aarde heeft
een begin buiten haar, zooals al wat bestaat, door ander werk
van de Godheid is voorafgegaan, en zoo tot in het oneindige.
Waar blijft dan de voorstelling van de schepping op één tijd-
punt P (Men vergelijke: Gott und Unsterblichkeitvon H. Tho-
den va» Velzen. Jena Hermann Dabis S. 11.)
En in die geschiedenis van onze aarde openbaart zich juist
het goddelijk verstand, dat gelijksoortig werkt. (Men ver-
gelijke daar S. 4, 6.)
Een ander voorbeeld:
Volgens de dogmatiek der orthodoxen is de mensch van
nature dood door de zonde van den stamvader van het men-
schelijk geslacht. Hij moet wachten, totdat de onwederstaan-
bare genade als een wonder op hem neervalt. Komt zij, zoo
wordt de mensch, die door haar bestraald wordt, zalig, komt
zij niet, zoo blijft hij een verdoemelijk wezen ten eeuwigen
dage. Deze waan druischt tegen de werkelijkheid in, die leert,
dat er geene volstrekt zondige, en geene volstrekt deugdzame
menschen bestaan.
Ook leert de ervaring, dat de mensch niet met volstrekte
zonde, maar met noodzakelijk goed en kwaad zijn zedeljjk
leven begint.
Het kind moet toch noodzakelijk kiezen, wat goed en wat
kwaad voor hem is. Het kind ontvangt spijs en drank, die
hem aangenaam doen gevoelen. Ziet het nu iets, dat uiterlijk
volkomen op die spijs of drank gelijkt, moet het zulks wel
-ocr page 14-
12
yoor die spijs of drank houden: toch kan het zijn, dat de ge-
waande spijs of drank nadeelig zijn. Zoo zal elk kind zoowel
wat goed als wat kwaad is, kiezen en liefhebben, en ver-
krijgt door herhaalde dergelijke werkingen liefhebben liefde
tot wat goed is en wat kwaad is. Want liefde is een begrip,
dat, zooals het begrip tafel en stoel gelijksoortige zaken
samenvat. Ook moet het kind het gelijke, zoowel als het
schijnbaar gelijke voor het gelijke houden, gelijk uit boven-
genoemd voorbeeld blijkt, en verkrijgt door herhaalde derge-
lijke werkingen verstand zoowel als onverstand. Want het
gelijke voor het gelijke houden geeft, wanneer het dikwerf
geschiedt, verstand, en het schijnbaar gelijksoortige voor ge-
lijksoortig houden onverstand. (Hoe dat noodzakelijke met de
vrijheid in verband staat, daarover leze men mijne verhande-
ling Uber Gott und Unsterblichkeit j.c., bladz. 23.) Daarom
heeft zelfs de ondeugd van het kleine kind niets afstootends
voor ons, maar wel de ouders die het deswege straffen.
Het is met den volwassenen mensch vaak eveneens gesteld.
Dit behoeft ons niet te bevreemden, want de mensch blijft
een kind, zoolang als hij leeft.
Voor korten tijd wist men al zeer weinig af van het weer,
dat zou komen. Op vage vermoedens ging men uit om te
wandelen of te reizen, en men werd niet zelden zonder eigene
schuld door een noodweer overvallen.
Eerst door ervaring, door wetenschap wordt het noodzake-
lijke goed en kwaad deugd en zonde.
Wanneer een leerling van Professor Falb, door zijn mees-
ter voor noodlottig weer gewaarschuwd, toch op reis gaat, zal
hij de gevolgen aan zich zelf te wijten hebben.
Ook kent iedere tijd nieuwe zonden. Of was misschien het
misbruik van sterken drank reeds in Adams tijd aanwezig, on-
dersteld deze Adam was een historische persoonlijkheid, het-
geen hij blijkbaar niet was? Maar dan had Adam reeds eeno
geneverstokerij moeten oprichten!
Zoo is dus de zonde volstrekt geen absoluut solidair geheel,
zoodat wij bij al onze zonden in Adam gezondigd hebben.
-ocr page 15-
13
Zonde is bij elk mensch een samenvatting van onrecht, vim
dwaasheid en andere zedelijke eigenschappen, die men wegens
hare analogie of hare gelijksoortigheid samenvat. En deze
eigenschappen zijn weer samenvattingen van de verrichtingen
van den mensch, van zijn gevoelen, bewustzijn, verbinden,
scheiden, vergelijken, willen en niet willen (dat is kiezen.)
En dewijl al deze verrichtingen ook keuzen zijn, zijn alle
zonden ook vrijheid. Want vrijheid is een begrip, dat keuzen
samenvat. Dit blijkt uit het gezegde: ik kies en daarom ben
ik vrij. Zooals men van het enkele voorwerp zegt: dit is
een tafel, omdat men het gelijksoortige in dat voorwerp en
het begrip tafel erkent, zoo erkent men ook het gelijksoor-
tige in zijne verrichtingen en de begrippen van deze gevormd.
Zijn nu alle zonden vrijheid, zoo druischt ook deze waarheid
tegen de zondeleer van de orthodoxe dogmatiek in.
Dat zonde indruisching tegen de hoogste Majesteit zou zijn,
is eveneens onwaar. Is deugd (liefde, wijsheid, verstand, recht,
wet, wetenschap,) het middel tot de kennis van de hoogste
Majesteit, doet zij, naarmate zij algemeener is, te meer de
Godheid verstaan, zoo is omgekeerd de zonde, hoe algemeener
zij is, des te meer het middel tot onkunde aangaande de
hoogste Majesteit, en is dus op dat gebied geenerlei analogon
aanwezig, om het hoogste goed te leeren kennen, laat staan,
om daartegen in te druischen.
Zoo strijdt de dogmatiek der orthodoxie tegen de wetenschap.
Eveneens doet zulks de dogmatiek der Evangelischen.
Zoo bijvoorbeeld het dogma van een volmaakt mensch, in
wien God zich in al zijne volheid zou hebben geopenbaard.
Kan men zich grootere tegenstrijdigheid denken?
Wanneer men vaak iets aangenaams gevoelt, hetzij het zijn
de vormen of klanken of smaakprikkels der natuur, die men
uit zich zelf als liefelijk verklaart, hetzij het zijn de tonen of
bewegingen of daden van een mensch, die men uit zich zelf
eveneens als liefelijk verklaart (met welk recht, heb ik elders
uitvoerig ontwikkeld), verkrijgt men liefde. Dat wil zeggen:
-ocr page 16-
14
liefde is een begrip, dat de voorstellingen onzer werkingen
liefhebben of aangenaam gevoelen samenvat.
Ieder, die op zich zelf acht geeft, weet zulks. Hoe meer
werkingen liefhebben, hoe omvangrijker het begrip wordt.
In de natuur nu is een oneindige hoeveelheid verschijnselen,
die doet liefhebben, waardoor de liefde steeds algemeener kan
worden. Maar waar is eene volmaakte liefde? Is liefde bij
den mensch volmaakt, wanneer hij honderd- of duizendmilli-
oenmaal heeft liefgehad? Zulks moet de dogmatiek der Evan-
gelischen, die van een volmaakt mensch keuvelt, toch bewijzen.
Maar zoo zal men zeggen: de natuur is niet de oorsprong
van onze karaktertrekken! Behalve, wat ik hierover in verschil-
lende, in het Nederlandsch en Duitsoh geschrevene werken heb
in het midden gebracht, vergelijke men de onderzoekingen van
Pruis van uer Hoeven, van Alexander von Hümboldt,
van Adolp Voigt, van Reich, van Winslow, van Mole-
schott, van Spiller, van Ttndal, van Felix Voisin en
anderen.
En dan van al de volheid Gods in onzen tijd te baselen, die
in een menschenkind zou hebben gewoond?
O, wanneer men de persoonlijkheid van Jezus met andere
menschen vergelijkt, dan verkrijgt men een zeer diepen eer-
bied voor hem!
Wie heeft niet lief dien man, die door eene hoogere gerech-
tigheid of vergevende liefde gedreven, de zeer onrechtmatige
toestanden der menschen wilde vereffenen, die zelfs de opoffe-
ring van gering, eigen, rechtmatig genot gebood, om groot
onrecht te herstellen; die, door dezelfde gerechtigheid bezield,
niet met het eene volk vol goed en kwaad tegen het andere,
dat met dezelfde eigenschappen voorzien was, wilde strijden,
om zich een koningstitel te verwerven, maar zich verlochende
tot den dood des oproerlings ?
Wie acht niet hoog dien eenige onder de kinderen der
menschen, die een feestmaal vierde voor zijn dood en daar de
voeten zijner discipelen wiesch, en die de smarten aan het kruis
overwon door de blijdschap van öodskennis?
-ocr page 17-
15
"Wie waardeert niet op uitnemende wijze dien persoon, die
ons meer dan iemand anders leert, wie de mensch wordt,
wanneer hij zich door God wil laten leiden. Hij, tot dusver
het schoonste werk van de Goddelijke deugd hier op aarde!
Maar hem tot eon Godgelijk persoon te maken in onzen
tijd, is een onware verwisseling van het menschelijke met het
goddelijke.
Of wie is meerder, die Macht, uit welke alle dingen eeu-
wig zijn, of de ge wordene? Wie meerder, hij, die hier of
daar oppervlakkig werkt, of die Macht, die in meer dan hon-
derd millioenen zonnen zich openbaart, en het oneindig kleine
zoowel als het meteloos groote uitwerkt.
Alle menschelijk werk, dat ooit hier op aarde verricht wordt,
en gelijksoortig is aan het goddelijke, is een zandkorrel in
vergelijking van een zandwoestijn in vergelijking met Gods
werk hier op aarde.
En die aarde een droppel in den emmer in vergelijking van
ons zonnestelsel; of is niet de massa van de zon alleen
meer dan 324000 maal grooter dan die der aarde? En ons
zonnestelsel en zijne geschiedenis is een droom in vergelijking
met de oneindige wereld! Het verbleekt alles voor den adem
van de oneindigo Majesteit, die zooals de spektraalanalyse
leert overal gelijksoortig werkt!
O, men zal tegenwerpen, dat het Christendom de verhe-
venste leer van eensgezindheid van allen met God heeft uit-
gesproken, en dat dat doel steeds meer zal bereikt worden!
Al wederom vraag ik, wat is verhevener, eene eeuwig zich
in werken betoononde Goddelijke liefde, of de gevolgtrekking
op grond der ervaring, dat God alle menschen zal liefhebben,
en ook wij ze dus moeten liefhebben.
Het laatste moge menschelijk zoo verheven mogelijk zijn,
het is op verre na niet Godgelijk.
Eindelijk vergete men niet, dat hoe verheven de stichter
van het Christendom en het Christendom zelve ook zijn, beide
hebben gedwaald.
"Wanneer Jezus zegt: God is een geest, heeft hij geest in
-ocr page 18-
16
plaats yan deugd genoemd. De werkelijkheid leert ons de
goddelijke deugd kennen, maar geen geheugen en geen ik,
dat werkzaam is van eene plaats uit en dus geen geest.
"Wanneer Jezus zegt: het koningrijk der hemelen is gelijk
aan een koopman, die schoone parelen zoekt, heeft hij een
kleine logische fout gemaakt, immers het koningrijk Gods
is gelijk aan den parel, die gevonden wordt.
Wanneer Jezus hem, die de dingen weet en ze niet doet,
hij een mensch vergelijkt, die zijn huis op een zandgrond
bouwt, heeft hij een kleine fout tegen den stijl gemaakt.
Het zou schooner geweest zijn, als hij denzulke b.v. vergeleken
had bij een mensch, die weet, hoe hij zich genezen kan, en
omdat hij de geneesmiddelen niet gebruikt, tengevolge zijner
ziekte sterft, of anderzins.
Ook heeft het Christendom het betrekkelijk noodzakelijke
goed en kwaad van den mensch nergens met ronde woorden
van deugd en zonde onderscheiden enz. enz. Waar blijft dan
de volmaaktheid in den volstrekten, dogmatischen zin van
het woord?
Een ander voorbeeld:
De dogmatiek der evangelischen beweert, dat de Christus de
voleinder van het Godsrijk is.
Ik vraag, wat weet de wetenschap van stichting of be-
gin en einde van het Godsrijk?
Men vergeet, dat begin en einde voorstellingen zijn, die
wij van den duur der wezens, die op ons inwerken, aftrekken.
Maar begin en einde van het rijk van God? Waar is het
begin, waar is het einde? Het begin is er niet, evenmin
als het einde er is.
Elke lichtstraal, die onze vroolijkheid vermeerdert, elke
warmte, die ons doet liefhebben, zij verliezen zich in den
oneindigen tijd, wanneer men naar hun begin vorscht, en men
zal deze toch wel voor elementen van het Godsrijk houden.
Dit is \'wederom klinkklank der dogmatiek, die tegen de
wetenschap indruischt.
Zoo is ook de dogmatische bewering van sommige Evange*
-ocr page 19-
17
Hschen, alsof er geen God was, indien Jbzüs niet was opge-
staan uit de dooden, (men meende in Jezus\' tijd, dat toen
reeds dooden uit de graven gingen,) in den grond der zaak
zoozeer atheïstisch, en zoo ver van den Israëlitischen en Chris-
telijken godsdienst verwijderd; zij heeft zooveel gemeens met
het van den sluier der kerkelijke menschenvergoding beroof-
de vulgaire atheïsme, dat de pen schier weigert daartegen te
velde te trekken.
De goddelijke? gerechtigheid, die de wereld predikt, wan-
neer men van die wereld slechts aftrekt de eigene daden van
de relatief vrije wezens, (Jezus onderscheidt evenals de profe-
ten de dingen, die der menschen zijn, van de dingen, die
Gods zijn. Men vergelijke hiermede, mijne Geistesfreiheitj.c,
waarin ik meen het onderscheid tusschen het menschelijke en
het Goddelijke beter dan ooit te voren aan het licht te heb-
ben gebracht) Zij wordt door dergelijke dogmatische kwink-
slagen zoo zeer geloochend, dat men vol vroomheid zich van
zulke atheistische denkbeelden afwendt.
In de derde plaats strijdt de dogmatiek der modernen tegen
de wetenschap. De moderne theologie is evenals de moderne
rechtsphilosophie eene herlevering van de platonische leer der
aangeborene begrippen, hoewel in een nieuwen vorm. Zij
hult zich evenals elke dogmatiek, het liefst in den sluier
van uitheerasche woorden. Aangeboren gevoel, geweten, nei-
ging, rede, bewustzijn, intuitie, Ahnung, instinkt, aspiratie
enz., zijn de fundamenten, waarop do godsdienst zou berusten,
of waaruit hij zou voortkomen. Dit nu zijn alle begrippen van
werkingen gevormd. Of om het nog duidelijker te maken,
het zijn samenvattingen van gelijksoortige zaken, van enkele
gevoelens, vergelijkingen, neigingen, bewustzijnsakten, intuities,
Ahnungen, instinkten, aspiraties.
Eerst gevoel ik, zoo leert de ervaring, veordat ik de ge-
zindheid of het begrip van mijne gevoelens bezit. Eerst aspi-
reer ik, voordat ik het begrip van mijne aspiraties heb gevormd.
Eerst word ik aangedreven, voordat ik aandrift of instinkt
2
-ocr page 20-
18
bezit, enz. Gevoel is eveneens een begrip Tan gevoelens ge*
vormd, als gewoel van woelen is afgeleid.
De wetenschap nu leert, dat de karaktertrekken der ouders
hun lichaam bewegen, karaktertrekken, die door de verhouding
der ouders tot de hen omringende wereld, waartoe in de eer-
ste plaats het lichaam behoort, ontstaan, en dat deze bewe-
gingen voortwerkingen in het foetus van het kind van het begin
van zijn ontstaan zijn, en dat deze voortwerkingen geschieden
eenvoudig, omdat het foetus een deel van de ouders is: en
dewijl het lichaam op den geest invloed uitoefent en karakter-
trekken doet geboren worden, ligt hierin het begin van den
verschillenden aard der individuen.
Maar dat de geest van den mensch reeds vele malen gevoeld,
geweten, geaspireerd zou hebben, begrippen van de voorstel-
lingen dezer werkingen gevormd zou hebben, ook voordat er
objecten aanwezig waren, die deden gevoelen, deden aspireeren,
enz. voordat hij er was, is eene meening, die even ongerijmd
is als de meening van de spiritisten, dat de mensch hier op
aarde zou boeten voor de zonden, die hij in zijn voorbestaan
begaan had.
Of moet iemand, die een beschonken mensch tegenkomt,
die hem mishandelt, lijden, omdat hij in zijn voorbestaan ge-
zond igd heeft, of wel: omdat die man in dit leven onmatig
is geweest?
Op dergelijke onware dogmata bouwt men vervolgens een
luchtkasteel en het refrein van de geschiedenis is, dat men
zuiver traditioneel gevondene, godsdienstige en zedelijke be-
grippen voor zelfstandig gevondene waarheid verklaart.
Gelukkig, dat de spreuk waar is en blijft: Commenta ho-
minum delet dies, Judicia naturae confirmat!
Maar, zoo zal men tegenwerpen, het geweten is toch een
aangeboren factor in den mensch! Daarop berust de godsdienst.
Het geweten is niets anders dan de vergelijking van onze
verrichtingen en de begrippen of gezindheden, van deze ge-
vormd, met andere begrippen of gezindheden, die onze verrich-
tingen samenvatten. Of wel het is de vergelijking van onze
-ocr page 21-
19
verrichtingen en de begrippen of gezindheden daarvan gevormd
met de begrippen of gezindheden, die wij van andere menschen
hebben leeren kennen, of die wij van de Godheid bezitten;
onverschillig is het daarbij, of wij die traditioneel geërfd of
zelfstandig gevonden hebben.
liet oordeel: mijne handeling is hatelijk vormen wij op de-
zelfde wijze als het oordeel: dit voorwerp is een tafel. De-
wijl ook bij do vergelijking van onze verrichtingen met de
begrippen van deze gevormd het gelijksoortige doet vergelijken,
zijn die oordeelen niet aangeboren.
Dat die oordeelen (die men onder geweten samenvat) niet
altoos juist zijn, komt, omdat wij dikwerf het schijnbaar ge-
lgke samenvatten. In onze liefde zijn elementen, voorstellin-
gen, die niet tot haar behooren, die wij moeten elimineeren,
waarvan wij ons moeten bekeeren. (Over het zedelijk moeten
vergelijke men: Gott und Unsterblichkeit .j c. S. 21.)
Dogmatische oordeelen, zooals God spreekt in het geweten,
zijn zooals veel, wat van de dogmatiek komt, geheel onjuist.
Wanneer Dr. J. H. Gunning op de gewone dogmatische,
onzielkundige wijze, in zijn schoon gestiliseerd geschrift: „Het
protestantsche Nederland onzer dagen" op bladz. 34 tegen de
moderne theologie inbrengt: de geestelijke wereld wordt op
andere wijze waargenomen, dan de uitwendige natuur," en
dan van verschillende waarnemende organen spreekt, blijkt
het, dat hij wel op het gebied der heerschende dwalingen,
maar niet op wetenschappelijk gebied te huis is. Misschien
ziet volgens hem het oog nog, en hoort het oor nog, en ge-
voelt de zenuw nogP
Nu is zien voor ieder, die het bespied heeft, een bewuste,
gevoelende, denkende, kiezende verhouding tot een gezichts*
beeld in het geheugen, en daarmede vervalt de waan, die aan
de aloude wereldverachting ontleend is, alsof de zintuigen
waarnamen, de waan, dien Augustinüs reeds ontdekte.
Wanneer zullen de theologen lezen, wat lezenswaardig is,
en hunne ijdele bespiegelingen vaarwel zeggen, bespiegelingen,
waarop slechts luchtkasteelen verrijzen.
-ocr page 22-
20
Ook meenen andere dogmatici, onder wie bovengenoemde
Dr. Günkinq zich rangschikt, dat het geloof der gemeente
de grondslag der dogmatiek zou zijn. Nu heeft elke gemeen-
schap waarheid en dwaling op zonderlinge wijze dooreenge-
mengd. Beide hebben gewoonlijk in hunne dooreenmenging
eene langdurige geschiedenis.
Hoe zal men, wanneer men het menschelijke niet van het
goddelijke scheidt, ooit een objectieven toetsteen voor de
meeningen vinden.
O, men redeneert ook dikwerf over de eenheid van het
menschelijke en het goddelijke in Christus, zonder daarover
door te denken.
Waarin bestaat dan die eenheid P
In het lichaam zeker niet. Want de wereld toont ons geene
werkzaamheid door middel van een lichaam.
In den geest als zoodanig ook niet. De Godheid heeft toch
geen geheugen, dat voorstellingen ontvangt en bewaart. Zij
heeft toch geen ik, dat voorstellingen verbindt en scheidt, en
van eene bepaalde plaats uit werkt.
De eenige gelijksoortigheid tusschen het menschelijke en
het goddelijke bestaat in werkzaamheid en in gezindheid, die
eich in werkzaamheid toont, gelijk ik elders meen bewezen
te hebben.
Welnu de menschelijke gezindheid, die zich in werkzaam»
heid toont, ontstaat ook door werkzaamheid. De goddelijke
daarentegen is vaste wil of wet. Zij heeft geene ouders, geen
Oorsprong. De goddelijke gezindheid of deugd toont zich in
het oneindig vele, de menschelijke in het beperkte.
De menschelijke gezindheid ontstaat uit noodzakelijk goed
en kwaad en moet door bekeering deugd worden, de godde*
lijke gezindheid is deugd.
Men moest het oneindig vele gevoeld, vergeleken, daar tus-
Bchen gekozen hebben, om eene godgelijke gezindheid te
bezitten.
Is \'t niet duideljjk, dat men bovenal de dingen, die Gods
zijn, moet bedenken.
-ocr page 23-
21
Ook heeft men gemeend, naast de natuurlijke wereldorde
eene zedelijke wereldorde te moeten verzinnen. Die gewaande
zedelijke wereldorde heeft men zich op allerlei wijze voorge-
steld. De wereldverachting gaf tot hare fictie de aanleiding.
Dewijl zij echter niet hestaat, is er voor haar geene
controle. Met holle klanken en phrasen heeft men haar afge-
maald. Hare aanneming bewees, wat voor ieder denkend mench
openbaar is, dat ook de dwaling eene geschiedenis, en de onzin
diepte kan bezitten. Die uitgedachte zedelijke wereldorde is
slechts te vergelijken met de wezens, die volgens eenige
mathematici zouden kunnen leven op ruimtegrootheden met
ééne dimensie, op sphaerische vlakken. Beide zijn gebouwen
in het luchtledige. (Dewijl ik wellicht meer dan iemand an-
ders naar den oorsprong van onze gezindheden heb gevorscht,
meen ik ook meer dan iemand anders tot dit vonnis gerech-
tigd te zijn.)
Zoo strijdt de dogmatiek, zoowel de meer kerkelijke, tradi-
tioneele, als de meer philosophische tegen de wetenschap.
Die dogmatiek nu, die meestal met zeer weinig reëele we-
tenschap gepaard gaat, maakt dat hij, die haar beleidt, vijandig
tegenover de wetenschap staat.
Zelfs een evangelisch professor in de godgeleerdheid aan de
hoogeschool te Leiden heeft in onze dagen durven te beweren,
dat men den godsdienst van de wetenschap moest scheiden.
Het is duidelijk, dat, wat men dan voor den godsdienst over-
houdt, datgene is, wat men niet weet.
Maar hoe kan men dan doceeren op een gebied, waarvan
men geene kennis, geene wetenschap bezit?
Maar de wetenschap, zoo werpt men wellicht tegen, wordt
duizendwerf ten voordeele van zonde en misdaad gebezigd.
Dit bewijst juist de analogie van de wetenschap met elke deugd.
Of wordt niet elke deugd in het belang der zonde aange-
wendP
In den dienst der zonde zijn echter wetenschap en andere
deugden altoos zeer relatief.
Wetenschap onderstelt deugd. Zonder geduld, overleg, toc-
-ocr page 24-
22
wijding, verloochening van wat verkeerd is, kan men zich
niet aan het peillooze gebied der waarheid wijden. Men ver-
sta slechts onder, wetenschap geene dogmatiek en niets, wat
naar menschenvergoding zweemt.
Het eenige standpunt, dat in onzen tijd op het gebied van
godsdienst, zedelijkheid, maatschappij heilzaam werkt, isover-
schoon door Goethe aangeduid, en was het standpunt van alle
groote mannen van ons geslacht:
//Weite Welt, und breites Lebeu!
//Langer Jahre redlich Streben,
//Stets geforscht und stets gegründet,
//Nie geschlossen , oft geründet,
//Aeltestes bewabrt mit Treue,
//Freundlich aufgefasstes Neue,
//Heitren Sinn und reine Zwecke,
//Nun man kommt wohl eine Strecko."
De dogmatiek staat vijandig tegenover de wetenschap, en wijl
godsdienst wetenschap onderstelt, staat zij vijandig tegenover
den waren godsdienst.
Zij spreekt nog altoos van almacht, van algoedheid, van
alomvattende wijsheid en vergeet, dat wij niet meer leven in
een tijd, toen de wereld beschouwd werd uit drie deelen te be-
staan: de aarde op pilaren rustende, met zee omgeven, de drie of
zeven hemelen boven en het schimmenrijk beneden. De we-
reld is geen alles, geene beperkte grootheid meer, maar eene
oneindigheid.
En daarom moest de godsdienst in plaats van onkunde aan-
gaande de leer van den eenigen God te verraden, zich hebben
uitgebreid, en spreken van oneindige macht, oneindige goed-
heid en oneindige wijsheid. Of heeft de goddelijke macht
zich niet uitgebreid voor onzen gezichtskring sinds men weet,
dat mijriadon van kometen in de oneindige wereld hare baan
afleggen, en dat meer dan honderd millioenen zonnen voor de
blikken van den Bterrekundige zichtbaar zijn.
En wanneer de godsdienst wetenschap was geworden, dan
-ocr page 25-
23
was aan alle mcnschen vergoding sinds lang een einde gemaakt,
en men beefde vol bewondering en liefde voor die Macht,
waarvoor alle menschelijke macht verstomt, zooals het geluid
van den krekel voor den donderenden berg, en men had onder
theologen niet zoovele colleges d\'admiration mutuelle, enz.
En wanneer de godsdienst wetenschap was, zou men door
de ontdekte analogie van planten en dieren, door de wordings-
geschiedenis onzer aarde vergeleken met andere wordingsge-
schiedenissen, door de gelijksoortigheid der hemellichamen reeds
lang er toegekomen zijn, om het goddelijke verstand, dat ons
verstand leert, en dat zich bij ons in gelijksoortige bewegingen
toont, eveneens in het gelijksoortige te erkennen. (Men ver-
gelijke mijn: öott und Unsterblichkeit). Maar neen, de dog-
matiek houdt de ontwikkeling van de menschheid op alle ge-
bied tegen, zij de innerlijk onware, de valsche dienaresse der
menscheid.
De dogmatiek nu, die tegen de wetenschap indruischt,
heeft haren grond in verkeerde karaktertrekken, en werkt op
het karakter verlammend in.
"Wat schuilt achter haar? De waan der waarheid, terwijl
men haar niet bezit.
De dogmatici stonden meestal vol eigenwaan tegenover
Gods wereld, die de bron is van ons geheele geestelijk leven.
Zij sloten de bron van alle onderzoek af met een breeden dam.
Wie kan Kant\'s „ Kritik der reinen vernunft," een der meest
dogmatische werken der wereld, onbevooroordeeld lezen, zonder
dikwerf te ervaren, dat daarin de waan aanwezig is, wat ik
niet begrijp, is onbegrijpelijk, en moet daarom aangeboren
zijn. De geschiedenis, vooral van de laatste twee jaren leert,
dat tal van Eant\'s onbegrijpelijkheden begrepen zijn, en zoo
gaat de wetenschap voorwaarts, terwijl de dogmatische leer-
lingen van den dogmatischen meester steeds weer tot hem
terug gaan.
En welk een invloed de dogmatiek in onzen tijd uitoefent?
De dogmatiek vormt menschen, die in een behagelijk zelfge-
-ocr page 26-
24
voel zich bij algemeenheden neervleien, waarvan zij de
elementen niet kennen, waarvan zij den verhevenen oorsprong
niet verstaan, die ze tot verveling toe herhalen, waardoor de
maatschappij langzamerhand een tegenzin tegen deze verkrijgt.
Een tegenzin tegen deze! Men ziet het in het algemeen
heerschende onrecht, dat het socialisme niet in die bedding
weet te leiden, waardoor het als de rivier de liefdesgemeen-
schap tusschen menschen kan bevorderen.
Welnu dat zelfgevoel, die hoogmoed van de dogmatici is
een zonde, die alle zonde onderstelt.
Zij onderstelt minachting tegen andersdenkenden. Zij scheidt
de uitverkorenen van de verdoemden, de evangelischen van
de modernen, wekt partijgeest en haat tusschen menschen,
die door tallooze banden geroepen waren, om elkanders belan-
gen te behartigen.
En wie ooit met direkteuren van krankzinnigengestichten
of met krankzinnigenartsen in aanraking is geweest, hij zal
tot diepe beschaming der kerkdijken het eenparige getuigenis
hebben vernomen: de godsdienstwaan veroorzaakt tal van
slachtoffers en godsdienstprediking schaadt.
In naam der wetenschap, die door en door zedelijk is, (alle
wetenschappen noemde Sokrates deugden), die alleen heilzaam
is, roep ik het aan de Nederlandsch-Hervormde kerk toe:
schaf de dogmatiek af, zij is de macht, die partijzucht en haat
en eigenwaan en krankzinnigheid veroorzaakt.
In plaats nu van de vakken, die door de kerkelijke hoog-
leeraren gedoceerd worden, stel ik in de eerste plaats voor,
dat de toekomstige verklaarder van de Godheid uit hare wer-
ken
leere: psychologie.
Deze is wel de eerste wetenschap, die de godsdienstleeraar
moet kennen. Allerlei weet men, en men kent zich zelf niet.
En toch zouden wij niets kunnen verklaren als liefelijk en
hatelijk, als wijs en dwaas, als rechtvaardig of onrechtvaar-
dig, indien wij geen geestelijk wezen bezaten. De kennis van
ons zelve is het middel tot menschenkennis en Godskennis.
Bezaten wij geene macht, die zich in werkzaamheid toonde,
-ocr page 27-
25
zoo zouden wij in werkzaamheid buiten ons geene macht
kunnen erkennen!
Bezaten wij geene liefde, geen recht enz. zoo zouden wij
zulks buiten ons niet kunnen erkennen. Welnu de zielkunde
leert, wat deze gezindheden zijn, hoe zij ontstaan, en hoe zij
zich tnonen.
Wie kan over liefde en haat juist spreken, die niet weet,
dat zij door werkzaamheid, door liefhebben en haten ontstaan,
en zulks leert eene goede zielkunde. Hoe zal men de Godheid
verklaren, indien men niet de wijze leert kennen, waarop onze
gezindheden zich toonen en die openbaringen vergelijkt met
wat men rondom zich ziet?
Wie zal anders dan fraselen over de onsterfelijkheid, indien
men de vraag niet beantwoord heeft, of er iets gelijkblij-
vends in ons geestelijk wezen is gedurende ons leven hier
op aarde, en wat de dood in dat geestelijk wezen is?
De geest zelf zal toch wel allereerst het antwoord moeten
geven op de vraag naar zijnen aard, zooals ook de juist ge-
kende plant ten langen laatste over de meeningen omtrent
haar beslist.
En indien de geest niets gelijkblijvends bezat, zoo was er
geene macht, die in staat was, om zijne onsterfelijkheid te
bewijzen. Over alle vragen en meeningen, door welke macht
ook geuit, beslist toch eindelijk de werkelijkheid of de waar-
heid in haar aanwezig, die wij moeten loeren kennen door
eigen onderzoek en door controle van ons eigen onderzoek met
de onderzoekingen van anderen.
Ja, in het algemeen genomen, kan men beweren, dat zonder
zielkunde over alle vragen slechts gebaseld wordt.
O, men zal tegenwerpen, dat de heerschende zielkunde door
mg zielonkunde is genoemd. Vooreerst is dit slechts betrek-
keiijk te verstaan. Maar ten tweede: vergete men niet, dat
de beoefening der zielkunde van jeugdigen datum is, dat zij
onder den invloed der oude wereldverachting staat, en dat zij
hier en daar begint wetenschap te worden.
Bovendien is onkunde met ons geestelijk wezen voor den
-ocr page 28-
26
predikant nooit te rechtvaardigen, en moest juist het besef dier
onkunde tot beoefening der zielkunde leidon.
De beoefening der zielkunde is het eenige middel, om tot
zekerheid aangaande de Godheid te geraken, tot zekerheid om-
trent het leerstuk der onsterfelijkheid. En d1#e zekerheid om-
trent het bestaan der Godheid zal even groot worden, als de
zekerheid omtrent het bestaan van een menschelijk karakter,
en de zekerheid omtrent do onsterfelijkheid van den geest even
groot, als de zekerheid omtrent de sterfelijkheid van ons lichaam.
Dat deze wetenschap tegenwoordig in verband met physiolo-
gische onderzoekingen beoefend wordt, is voor den toekomsti-
gen predikant van groote waarde.
Want de bewogene deelcn van ons lichaam zijn het, die de
voorstellingen van ons geestelijk wezen veroorzaken. En de
zintuigen zijn de poorten tot en de telegraphen van onzen geest.
Ook leert men door de physiologie weten, hoe onein-
dig fijn dat lichaam is ingericht, en hoe verbazend gecompli-
ceerd de wordingsgeschiedenis van eene voorstelling is. Kan
men tegenwoordig de hersenen met een mesje zoo fijn verdee*
len, dat men een meer dan honderdduizendste deel van een
meter verkrijgt, toch erkent een beroemd physioloog, dat zulk
eene verdeeling veel gelijkheid bezit met het schot van een
pistool door een horloge. Zoo oneindig fijn is alles ingericht.
De psychologie zoowel als de physiologie doen den mensch een
blik werpen in de oneindig fijn ingerichte werkplaatsen van
den grooten werkmeester.
"Welk physioloog zou met een antirevolutionair predikant
durven spreken: „wij die de waarheid bezitten" zooals op de
klassikale vergadering te Dokkum voorleden jaar geschiedde.
Deze uitspraak laat het dogma der onfeilbaarheid nog verre
achter zich.
Tot zulk eene onbescheidenheid is een physioloog niet in
staat. Daarvoor heeft hij van de oneindige macht te veel ne-
drigheid geleerd.
In de tweede plaats stel ik voor, dat de toekomstige predi-
-ocr page 29-
27
kant onderwijs geniete in de geschiedend der middeleëuwachë
en nieuwere wijsbegeerte.
Ik ben het niet eens met dien godsdienstleeraar, die op
een predikantenvereeniging te Leeuwarden in het vorige jaar
beweerde, dat wijsbegeerte ijdele bespiegeling is.
Al moge de grieksche wijsbegeerte, die in tegenstelling van
de Israëlitische dikwerf vijandig tegenover het polytheisme
stond, daardoor niet tot de kennis van den Eenigen God zijn
opgeklommen, al mogen hare dwalingen op het gobied van
wetenschap, van staat en kerk voortwoekeren; men vergete
niet, dat zij veel nut heeft gedaan. Zij heeft de menschheid
tal van belangrijke quaesties voorgelegd, die tot beantwoording
nopen; zij heeft de menschheid geleerd, dat in de diepte en
niet in de oppervlakte de waarheid gelegen is, en zij heeft
ook waarheid gegeven.
Maar de godsdienst zelf, wat is hij anders dan wijsbegeerte?
Volgens Mozes moest men immers de leer van den eenigen
God overal bepeinzen en men moest hart, verstand en alle
krachten aan hem wijden.
Bovendien. Er is geene enkele zedelijke, godsdienstige vraag,
die niet bij onderzoek op wjjsgeerig gebied voert. Wanneer
ik wil weten, wat het schoone is, moet ik met mijn eigen
begrip schoon, van mijne werkingen gevormd, beginnen, en
anders kan ik het nooit verklaren, en deze verklaring en deze
methode zijn wijsbegeerte.
Wanneer ik de goddelijke macht wil aantoonen, moet ik
de menschen op hunne eigene macht wijzen, hun doen zien,
wat zij is, hare wording aantoonen, om alzoo tot de weten-
schap te leiden, dat ons geheele leven in de goddelijke macht
zijn grond bezit. En dit is wijsbegeerte!
Als ik de waarde van alle nuttige menschelijk werk wil
aan het licht brengen, wanneer ik do analogie van alle men-
schelijk werk wil aantoonen, moet ik opmerkzaam maken,
hoe een timmerman gevoelt, verbindt, scheidt, vergeljjkt, kiest,
hoe hij gezindheden in die werkingen toont, als hij een kast
maakt, en anders kan ik zulks niet. En die ba wijsvoering
-ocr page 30-
28
leidt tot hoogachting van den eenen mensch door den anderen.
En die bewijsvoering noemt men philosophisch.
Wanneer men het schrijven van een wijsgeerig werk slechts
niet met wijsbegeerte verwart, zal men inzien, dat godsdienst
wijsbegeerte is.
Men zou de wijsbegeerte een hooger9n trap op het gobied
van den godsdienst kunnen noemen, omdat zij controleert.
Maar zonder controle, zonder kritiek is ook geen goede gods-
dienst denkbaar. Wie berouw heeft over een voorbarig
o-jrdoel, over de keuze van oogenblikkelijk genot, dat met lang-
durige ellende verbonden is, hij controleert immers ook.
Het groote nut der wijsbegeerte is alweer, dat haar beoefe-
naar eene diepen blik leert slaan in het oneindige werk der God-
heid, en daardoor zullen eigenwaan, onverdraagzaamheid en
partijzucht verdwijnen.
Ook is het niet onverschillig te weten, dat de biologie der
wijsgeeren leert, dat zij bijna alle eilele menschen zijn geweest.
Wie kan een karakter van een Sokrates leeren kennen, die
uit rechtsgevoel het geweld der dertig tyrannen van Syracu.se
trotseerde, zoowel als het onrecht van het Atheensche volk,
zonder hem te bewonderen?
Wie kan zonder eerbied het karakter van een Aristoteles
zich te binnen brengen, die er zich over beklaagt, dat hij
noodzakelijk meeningen aanvallen moest, die door dierbare
vrienden gekoesterd werden, maar wist, dat het zijn plicht was,
zelfs eigen vleesch en bloed op te offeren, wanneer de raak
der waarheid op het spel stond, en die aan het einde zijner lo-
gische bespiegelingen, die het resultaat van eigen nadenken
waren, de woorden nederschrijft: „wij hebben geene werken
van voorgangers bij deze poging, een wetenschap van het syl-
logisme te geven, gehad; wij hebben alles door eigeneinspan-
ning geleverd. — Gij zult wel voor de onvolkomenheden van
ons werk toegeeflijkheid en voor de ontdekkingen, die hetbe-
vat, waardeering willen toonenP" In die woorden ligt ziele-
grootheid verborgen.
En was Giordano BrüMO wellicht niet groot, die den
-ocr page 31-
29
verbazenden moed had, Aristotelks, de zon der Katholieke
wereld, aan te grijpen, en tegenover zijn allesbeheerschenden
invloed te leeren, dat de wereld oneindig was?
Was Giordano Bruno niet eerwaardig, die met een gloei-
ende bewondering voor de Godvervulde wereld de diep reli-
gieuse wijsbegeerte van Spinoza voorbereidde P Die overal,
als een echte ridder der philosophie, met denkbeelden van
Pythagoras, Plato, Lucretius, Raymundus Lullus en Coperni-
cus vervuld, naar Zwitserland, Frankrijk, Engeland en Duitsch\'
land
trok, om zijne leer te verkonden ? Die overal het hoofd
stootte, en eindelijk na zeven jaren gevangenis in 1600 te
Rome op het Campo di Fiore verbrand werd? "Was hij niet
groot, die toen hij zijn vonnis ontving met onveranderlijke
zielsrust, die het ideaal der klassieke wereld was, de waar*
dige woorden sprak: „ik vermoed, gij spreekt dit oordeel met
meer vrees uit, dan ik het ontvang" (Maggior timore provate
voi nel pronunciar la sentenza contra di me che non io nelri-
ceverla.") Roomschgezinde protestanten mogen Giordano Bruno
in onzen tijd verkleinen, het moge waar zijn, dat hij soms
luimig was, als het veranderlijke klimaat van zijn geboorte-
stad Napels, hij is eene schitterende verschijning tegenover de
onwetendheid, twijfelzucht en losbandigheid der toenmalige
geestelijkheid. En een verstandig mensch kan niet zon-
der innig medelijden gewaar worden, hoe het onfeilbare hoofd
der katholieke kerk in onzen tijd zoo verblind is, dat hij zich
over den marteldood van dezen edele, met vol loening heeft
uitgelaten.
Wie is niet met stille bewondering vervuld, wanneer hij het
alle hartstocht verloochenende, godvrnchtige leven van een Spi-
noza leert kennen ?
En was niet de stichter van den christelijken godsdienst zelf
wijsgeer, al was het ook in anderen zin, dan de leerlingen
der Grieksche school. Hij was wijsgeer op den bodem van
Israels verhevene wijsbegeerte of godsdienst gegroeid. Hij
vertoefde immers dagen en nachten in de eenzaamheid, even-
als Sokrates, die soms vier en twintig uren op dezelfde
-ocr page 32-
30
plaats ia gepeins verzonken was. De groote rabbi en genees»
heer had een reëelon bodem voor zjjne gedachten, en beriep
zich op de werken des Vaders, als toetsteen zjjner meeningen
en zijner daden, waardoor zij aan de Joden konden blijken
waar en met God overeenkomstig te zijn.
Hem was de Grieksche eenzijdigheid vreemd, al is het ook
niet waarschijnlijk, dat hij in de fundamenteele behandeling
van sommige vraagstukken met de Grieken evenaren kon.
O, het moge waar zijn, dat enkele wjjsgeeren diep gevallen
zijn, een Abaelard moge tegenover Heloïse gezondigd hebben,
een Winckelmann, de grootste der Duitsche Aethetici moge
tegenover Mevrouw Meng zich onbehoorlijk gedragen hebben,
een Baco van Verulam moge volgens Macaulvy een slecht
mensch geweest zijn, men vergete ook niet, dat de waarheid
ten gevolge van de heerschende dwalingen met twijfel aan-
vangt, en dat juist twijfel iemand machteloos maakt, en voor
verleiding vatbaar; men vergete niet, dat tengevolge van de
heerschende dwalingen niets meer gehaat is, dan hoogere waar-
heid, en dat de algemeene verachting der waarheid de waar-
heidslievenden vaak twijfelmoedig maakt, en dat twijfelmoe-
digheid zoo ligt den val nabij brengt; men vergete niet, dat
de diepere geest zijns gelijken onder de kinderen der menschen
niet bezit, en het hem dus aan sympathie ontbreekt, die hij
zoo noode mist; men vergete niet, dat de edele onder de
kinderen der menschen geen deel heeft aan de genietingen
des levens, die hem meer dan iemand anders toekomen, en
dat in uren van gekrenkt rechtsgevoel niet zelden de waan-
zin een rol speelt. O, voor God is zonde zonde, maar voor
de rechtbank der menschen is hier een veroordeelend vonnis
wel allerminst op zijn plaats.
In dit opzicht biedt ons de stichter van den christelijken
godsdienst een geheel eenig voorbeeld van een alle hartstocht
overwinnend, rein liefdeleven: maar in Israël was ook hoo-
gere waarheid dan overal elders in de wereld.
Trots de gebreken, die vele edelen van ons goslacht hebben
aangekleefd, moet men toch die menschen bewonderen, die
met verzaking van wat aan andere menschen bovenal dierbaar
-ocr page 33-
31
. was en wat ook een hooge waarde bezit, met verzaking
namelijk van genot, eer en invloed, hunne krachten onafge-
broken aan de hoogste belangen der menschheid hebben ge-
wijd , terwijl zij steeds meer ervaarden, dat de menschheid voor
haar eigen hoogste belang meestal blind is.
Die wijsbegeerte nu zal ook den toekomstigen beoefenaar
leeren zich zelf te verloochenen, na te denken, de hoogste
belangen van de menschelijke gemeenschap te bevorderen, en
zoo zal daardoor de leeraarstand uit zijne vernedering opge-
heven worden, en het godsrijk bevorderd.
Nog heeft zij een groot nut. Zij zal den waren adel des
volks tot zich trekken, onverschillig uit welken stand.
Wanneer zij gedoceerd wordt, en hare beoefening als streng
noodzakelijk beschouwd wordt, zullen van zelf de onedele ele-
menten der maatschappij van den kansel geweerd blijven: geen
domheid maar wetenschap zal den volke verkondigd worden,
die wetenschap, die haar grond bezit in die macht, die in het
eeuwige voortwerken aan haar werk hare oneindige wetenschap
toont.
Dan wordt aan de ware gerechtigheid voldoening gegeven,
volgens welke slechts diegene als priester kan fungeeren, die
inderdaad een priester is.
Dat ik niet de geheele geschiedenis der wijsbegeerte nood-
zakelijk heb geoordeeld voor den toekomstigen theoloog, isge-
schied, omdat hij al zooveel moet leeren, en dat ik de ge-
schiedenis van de middeleeuwsche en nieuwere wijsbegeerte
heb verkozen boven de geschifidenis der oudere wijsbegeerte
is geschied, omdat zij gedeeltelijk de oude wijsbegeerte
herhaalt, en ten tweede, omdat zij in aanraking brengt met
vakwetenschap, die in den laatsten tijd zulke verbazende vor-
deringen heeft gemaakt.
Men zal tegenwerpen, dat, wanneer mijn voorstel tot ver-
andering der reglementen wordt aangenomen, het getal predikan-
ten zal verminderen! Mijn antwoord is: het atheisme van de
kerk, met den sluier der menschenvergoding voorzien, heeft de
kerk in minachting gebracht; een godsdienst op de werkelijk"
-ocr page 34-
32
heid gebouwd, zooals Mozes, de Profeten, on Jezus hem
daarop grondvestten, zal de kerk doen hoogachten.
Zij zal eindelijk waarheid geven, die de menschheid zal
doen vooruitgaan. Zij zal tot geestdrift ontvlammen. Men zal
weer offervaardig worden; en de meest ontwikkelde jongelieden
zullen ambieeren, om de schoonste van alle betrekkingen te be-
kleeden !
Bovendien werkt één wetenschappelijk gevormd godsdienst-
leeraar meer uit, dan drie, die den godsdienst bij het edelste
gedeelte des volks in minachting brengen.
En welk een invloed zal van de kerk, indien zij aldus
gereorganiseerd is, uitgaan op de sociale quaestieP
De sociale quaestie is een quaestie van recht, van wijsbegeerte!
Wanneer het goddelijk recht, die ééne zijde van de godde-
lijke deugd, die dezelfde natuur uitwerkt, die door menschelijk
recht en onrecht bewerkt wordt, wanneer dat goddelijk recht
steeds beter gekend en erkend wordt, en dat kan slechts op
psychologischen en philosophischen weg geschieden, dan zal
aan de eene zijde de nood meer geleenigd worden van hen, die
buiten hunne schuld ellendig zijn, aan de arbeiders zal arbeid
verschaft worden, aan den werkelijken zieleadel zullen in-
vloed en verdienste worden toegekend, die hij nu volstrekt niet
verkrijgt, en aan de andere zijde zal de volkomene gelijkheid
van allen voor volkomen onrecht gelden, gelijk men ook den
almachtigen staat als een gewrocht van het atheisme, als den
elimineerder van het goddelijke recht zal verwerpen; omdat bij
menschelijk recht en onrecht inplaats van menschelij k recht en
onrecht plus het goddelijk recht wil stellen. (Men vergelijke
vooral: mijn „Gott und Unsterblichkeit.")
Wie ooren heeft om te hooren, die hoore!
De socialisten baseeren veel op getallen. En werkelijk het
getal beeft een groote beteekenis. 1\'ytagoras woord zal nog
eens gereleveerd worden: de Godheid werkt wiskunstig.
Welnu, alle menschen hebben begrippen van recht en on-
recht. Deze begrippen zijn samenvattingen van \'s menschen
verrichtingen, zooals zij in zijn geheugen bewaard zijn. Een
-ocr page 35-
33
enkele verrichting ligt bovenaan, en boven die enkele verrichting
de naam recht of onrecht. Wundt heeft zulks in zijne logi-
ka in betrekking tot andere begrippen meesterlijk aangetoond.
Deze begrippen zijn verbonden met begrippen van de omstan-
digheden, in verhouding tot welke de geest werkzaam was.
Die omstandigheden zijn drieërlei: eerstens eigene werkzaam*
heid, ten tweede de werkzaamheid van andere relatief vrije we-
zens, ten derde de werkzaamheid van God. Die verrichtingen
nu in verhouding tot die omstandigheden zijn nu eens meer over-
eenkomstig en dan weer minder in overeenstemming met de om-
stand igheden .In het eerste geval noemt men ze recht, in het twee-
de onrecht, indien men ze namelijk tot begrippen heeft samengevat.
Welnu in hypnotischen toestand kan men op die begrip-
pen van recht en onrecht geisoleerd inwerken. Eens zal de
tijd komen, dat men meer in overeenstemming met de welda-
dige indrukken der natuur hypnotiseert. Dan zal men de
begrippen van recht en onrecht in verhouding tot dezelfde
omstandigheden bij verschillende individuen kunnen vergelijken.
Men zal hunne uitwerking kunnen meten en in getallen
aangeven. Dan zal men inzien, hoe verbazend groot het ver-
schil is tusschen die begrippen bij den een en den ander.
Zoo zal het getal nut doen, om de innerlijke ongelijkheid
der menschen aan het licht te brengen, en nu wil men een
uitwendige gelijkheid scheppen. Zoolang als de oneindig diep
ingerichte wereld de gelegenheid geeft tot een oneindige hoe-
veelheid verschillende karakters, zoolang zal er geene gelijk*
heid komen.
Eindelijk en ten laatste wil ik nog een motief noemen,
waarom ik op afschaffing van de kerkelijke hoogleeraren wil
aandringen; het is een ideaal, dat elk denkend mensch moet
trachten te verwezenlijken, het is eenheid van staat en kerk,
en deze wordt natuurlijk in de hand gewerkt, wanneer de
kerk zich te vreden stelt met het staatkundig onderwijs.
Niet, alsof de tegenwoordige kerk met den staat eene een-
heid zou moeten uitmaken! Want rampzalig dan de staat!
-ocr page 36-
34
„Dit is juist, schreef de hoogleeraar Oproomeb met recht,
de doodelijke ziekte der theologische staatkunde, haar inwen-
dig verderf. Nergens heeft zij vastheid. Overal is zij der wille-
keur prijsgegeven." Dit is volkomen van toepassing op den
tegenwoordigen toestand. En deze toestand heeft zijn grond
in het voorleden.
Wie de verhouding van kerk en staat in den loop der eeu-
wen eenigzins kent, hij weet ook, dat de aanvankelijk door
de platonische ideeënleer bezielde kerk vol trotsche wereld-
verachting tegenover den staat stond. De staat werd be-
schouwd uit den duivel te zijn. Aügüstinxts, die den staat
verachtte, beriep er zich op, hoe Kaïn den eersten staat
stichtte, en hoe Romulus, ook al een broedermoorder, den
Romeinschen staat grondvestte.
In de middeleeuwen, toen de kerk den staat overheerschte,
werd de eerste beschouwd geestelijk te zijn en de tweede we-
reldlijk. Altoos onder den invloed van de platonische wereld-
beschouwing. En die beschouwing wordt nog gehuldigd.
De wetenschap en wijsbegeerte der natuur werd sinds de
16e eeuw de groote drijfveer, die de ontwikkeling van het
moderne staatsieven in de hand werkte, of ook veroorzaakte.
Daardoor werd de staat langzamerhand een zelfstandige macht,
die uit den aard der zaak vijandig tegenover de kerk stond.
Aan de eene zijde de wereld verachtende kerk, aan de andere
zijde de woreldsche staat.
Die toestand is onzuiver. Want het voortgezette onderzoek
vooral van den allerlaatsten tijd bracht steeds meer aan het
licht, dat het geheele leven van den mensch, zoowel opstaat-
kundig als op maatschappelijk en kerkelijk gebied, zoowel op
het gebied van kunst, als op dat van handel en nijverheid
den zelfden oorsprong bezit in de wereld, die door de godde-
lijke macht wordt uitgewerkt. Daaruit blijkt het duidelijk,
dat geen strijd tusschen, maar volkomene eenheid van kerk
en staat eerst een recht matigen toestand geeft.
Wie wat meer, dan gewoonlijk geschiedt, achter de schermen
der menschelijk eontwikkeling heeft getuurd, hij weet ook, dat
-ocr page 37-
35
geen strijd tusschen, maar volkomene verzoening van godsdienst
of theorie en praktijk slechts op den duur kunnen bevredigen.
Theorie is slechts in het geheugen opgestapelde ervaring,
en praktijk is werkzaamheid des geestes in verhouding tot
theorie.
Welk een toestand zou het zijn, indien de kerk niet meer
met de beenen in het luchtledige hing, niet meer den oor-
sprong harer verhevenste denkbeelden in het wolkenkoekoeks-
heim zocht, maar de waarde der door de Godheid uitgewerkte
wereld erkende; en indien de staat de beoefening was in het
leven van wat de theorie, op ervaring gegrond, leerde! Deze
toestand zou eenheid van kerk en staat veroorzaken.
liet spreekt wel van zelf, dat geen denkend mensch, die
iets van de geschiedenis geleerd heeft, dien toestand onmidde-
lijk zou willen in het leven roepen. De poging daartoe zou
een poging tot burgeroorlog zijn.
Maar langzamerhand moet die eenheid in de hand worden
gewerkt. En welke macht moet het dan zijn, die de taak
van de andere overneemt? Moet de staat godsdienstig wor-
den, of moet de kerk staatkundig optreden ? Voor een mensch,
die denkt, is die vraag niet moeielijk te beantwoorden.
De staat moet godsdienstig worden. Hij moet op den duur
wetenschappelijk godsdienstige voordrachten laten houden en
de godsdienstoefeningen laten leiden, hij moet wetenschappelijk
godsdienstonderwijs doen geven.
Dit moet het ideaal der toekomst zijn, en dit zal eens \\ver-
kelijkheid worden.
De kerk, die duizend werf onpraktisch is, kan toch de rol
van den staat niet weer overnemen. Daartoe heeft de kerk
geene macht meer.
Maar bovendien, de tegenwoordige staat met zijn recht, zijn
wet, zijne handhaving van orde, zijne bevordering van kunst
en wetenschap, zijne handelsbetrekkingen, enz. enz. is in den
grond der zaak veel godsdienstiger, dan de kerk met hare
dogmata. Geen wonder, want de staat heeft niet alleen als
-ocr page 38-
36
de kerk aan overlevering, maar ook steeds weer aan zelfstan-
dig onderzoek der werkelijkheid zijn bestaan te danken.
Toch heeft de staat zijne groote schaduwzijde, die hij gedeel-
telijk aan de kerk dank weet.
Of zijn de partijschappen, die in de grootere gemeenten van
de nederl. hervormde kerk georganiseerd zijn, thans niet
eveneens in de school georganiseerd, nu de nieuwe wet ook
sektescholen salarieert ?
Is de staat niet onder den invloed van de moderne rechts-
philiosophie, als hij het recht baseert op neiging, op rede, op
gevoel, op bewustzijn, enz, alle aangeborene begrippen van
werkzaamheid, die als zoodanig niet bestaan? En dewijl hij
van het bestaan van het goddelijke recht vaak geen flauw
vermoeden toont te bezitten, wordt dat recht verloochend door
uitbreiding van het kiesrecht, terwijl alleen aan de ontwikkel*
den dat kiesrecht toekomt?
Is de staat niet onder den invloed van het feitelijke atheïsme,
als hij aan den eenen kant dogmatische scholen salarieert, waar
de Godheid uit een boek, uit één persoon alleen wordt afgeleid,
en aan de andere zijde op de staatsscholen de Godheid buiten
spel wordt gelaten? Is dit niet onwetenschappelijk, onwaar,
ongodsdienstig ?
Of is het misschien onjuist, dat hij, die op school van ver-
bindingen, scheidingen en gelijksoortige vormen spreekt, ge-
dachte genoemd heeft, en dus werkzaamheid der Godhoid.
Heeft men niet, wanneer men het woord natuurkeus noemt,
eveneens goddelijke werkzaamheid genoemd? En wio van na-
tuurwet spreekt, heeft eveneens van God gesproken. Want,
wanneer wij geene gezindheden in ons hadden, die tevens wet
waren, zoodat wij onder gelijksoortige omstandigheden gelijk-
soortig werkten, zouden wij bij gelijksoortige verschijnselen
onder gelijksoortige omstandigheden in de natuur geene wet
kunnen erkennen.
Waar de zuiverste wetenschap God doet kennen, daar mag
toch de onderrichter der jeugd die wetenschap niet verloochenen,
wanneer hij althans volgens Art. 192 van de grondwet od het
-ocr page 39-
37
epitheton bekwaam aanspraak wil maken. Dit alles zal beter
worden, indien de nederl. herv. kerk den moed hebbe, de
kerkelijke hoogleeraren af te schaffen, en hare toekomstige
leeraren psychologie en philosophie te laten doceeren. Dan
zal zij van zelf de eenheid tusschen kerk en staat in de hand
werken.
O, mijn voorstel is slechts ééne schrede op den weg der
verbetering. Ik zou er meerdere willen doen.
Zooals de tegenwoordige onkunde vooral op godsdienstig
gebied menschen van menschen scheidt, zoo zal de wetenschap,
die uit God is, de macht zijn, die verzoent.
"Waarom wordt een nieuw gevondene wet op het gebied der
natuurkunde overal erkend. Bijv. de wet van de zwaarte,
de wet, dat het volumen van het gas vermindert, naarmate
de druk daarop vermeerdert? Zij is uit feiten afgeleid, en
wordt door feiten bevestigd. Daarom wordt zij aangenomen.
Zoo zal het ook op het meer alzijdige gebied van den
godsdienst zijn.
Wie bewijst oefent macht uit, alleerst op de edelste gees-
ten, en door dezen op anderen.
Een zware verantwoording drukt op de nederl. hervormde
kerk, indien zij dit voorstel verwerpt. Neemt zij het aan,
zoo zal langzamerhand een nieuw leven ontstaan.
De scheiding tusschen verschillende richtingen, de scheiding
tusschen kerk en staat, zal ophouden. Het heilige: God wil
het, zal de grondtoon van de Nederlanders worden, die hen
vereenigt, om al wat edel is en welluidt te bedenken.
Ook op Rome zal dan invloed worden uitgeoefend. De
Protestantsche kerk moge meenen, dat zij door bevordering
van het zoogenaamde „protestantsche bewustzijn" invloed kan
uitoefenen, zooals zij tegenwoordig is, staat zij machteloos
tegenover Rome. Blijft zij, zooals zij is, zal Rome zegepralen.
Laat zij echter hare menschenvergoding varen, om Gods
werken te leeren kennen, die sinds de stichting van het Chris-
tendom als oneindig uitgebreid aan het daglicht zijn gekomen,
zoo zal zij een godsdienst kunnen verkonden, geschoeid op de
-ocr page 40-
38
leest van het Christendom, die zich steeds meer zal verwijden,
naarmate de kennis dier werken vermeerdert. Dan zal zij ook
op Rome invloed uitoefenen, en tot bekeering tot verzoening nopen.
Ja zij zal een voorbeeld aan Europa geven.
Aan Europa! Ontzettende toestanden in Europa! Waar het
geld, die omgezette arbeid des mcnschelijken geestes, dat
wederkeerig tot ontwikkeling kan besteed worden, jaar in
jaar uit verbruikt wordt in den dienst van millioenen soldaten
en middelen om te vernielen!
En wel zoolang, tot dat Europa machteloos nederligt!
O nederlandsch hervormde kerk! Geef het heilig voor-
beeld aan de natiën van Europa door uwen heiligen zin.
Dat door uwe hervormde instellingen een nieuw leven ontwa-
ke in de gemoederen uwer godsdienstleeraren. Dat de adem
van de oneindige deugd al uw werk beziele. Dat hare werk-
zaamheid uwe leeraren tot werkzaamheid drijve.
Dat van u het heil der volken in de verte uitga!
„Dan omvleuglen w\' ons het hoofd,
„Voor \'t verblindend werk der toekomst,
„Dat \'t verrukte hart gelooft."
Cptt X