-ocr page 1-
<^
GEDACHTENIS
VAN
I
i
ZESTIGJARIGE EVANGELIEDIENST,
m
1
noois
i
p. p. VAN JCOETSYELD.
-—o%VCH i-OX^"
\'sGRAVENHAGE,
W. A. BESOHOOR
1890.
S§|
fllfll sfaa^Co
(jL^DfefcSV ^haTt"*^^ -iv-fip*-<°j~u>j- rjj \'j W !|||IU,Vil,luü \'
"
.
-ocr page 2-
-ocr page 3-
\'
GEDACHTENIS.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Niemand kan een ander fondament leggen,
dan hetgeen gelegd is: Jezus Christus,
GEDACHTENISEEDE
UITGESPROKEN OP DEN LAAT8TEN ZONDAG
EENER
ZESTIGJARIGE EVANGELIEDIENST
28 September 1890, \'s avonds in de Groote Kerk,
DOOE
\'sGb.wenhage,
VV. A. BESCHOOR.
-ocr page 6-
M O T T O.
Zalig de vredestichters: want zij
zullen zonen Gods genaamd worden.
Matth 5 : 9.
{Letterlijk vertaald.)
-ocr page 7-
AAN MIJN VRIEND
jï. J^. PORT.
Welk een ver verleden omvat onze gemeenschappelijke her-
innering! Daarom draag ik aan niemand liever dan aan u dit
mijn feestwoord op. Om niet verder terug te gaan, herinnert
gij u nog het ideaal, dat wij ons vormden van de Erasmi-
aansche school, die ons eerst tot geleerden vormen zou? Wij
werden wel wat ontnuchterd door onzen eersten gang daar
heen. Gewoon aan een net schoollokaal in eene fatsoenlijke
buurt, vonden wij met moeite den weg in het smerigste
gedeelte van het smerig Rotterdam, om eindelijk stil te staan
voor een\' vervallen\' muur en verwelooze poort, waarboven,
tusschen steenen en koolstronken, de projectielen der straat-
jeugd, te lezen stond:
Inrjeniias didicisse fidelitev artes
Emollit mores nee sinit esse f er os.
\')
Toen wij later dit vers leerden scanderen, construeeren
en vertalen, vonden wij, dat al wat wij daar binnen zagen
en hoorden, tot de rotte appelen toe, door het zijraam aan
den martelaar onder de onderwijzers toegeworpen, juist niet
voor die „mollige zeden," getuigde; even min de verwaar-
loosde binnenplaats, waar eenige vuile wijven het gras
tusschen de steenen uitwiedden, als de naakte schoollokalen,
waar het zand van den vloer ons geschrijf moest opdroogen.
Maar toen wij het terrein der geplaagde praeceptoren
J) Letterlijk: \'/De edele kunsten trouw geleerd te hebben, verzacht
de zeden en laat niet toe woest te zijn.//
-ocr page 8-
ü
waren doorgeworsteld, boeiden ons de geestige Limburg
Brouwer en de stoere Terpstra, en wij leerden in \'t Latijn
en Grieksch denken, terwijl geen andere talen en vakken ons
regts en links riepen, zoo als nu, om toch ook h;tar aandeel
te hebben aan onzen tijd en kracht, tot die geheel zouden
zijn uitgeput en onze kennis als een uitdragers-winkel door
een geworpen.
Op de akademie kwamen wij weder zamen, ik wat vroeger,
gij wat later, en bleven als stadgenooten elkander trouw,
vrolijk maar ook ernstig en onze roeping indachtig, onder-
wezen naar een vast model, maar vrij zoekende naar \'t
volmaakte, met al de stoutheid van een jeugdig gemoed.
Aan \'t einde scheidden zich onze wegen. Ik was reeds
Geroepen als dienaar des vredes; gij trokt ten oorlog uit, om
de vaderlandsche grenzen te verdedigen. En ook na uwe
terugkomst liepen onze wegen uit een, tot wij na achttien
jaren elkander hier wedervonden, en ik door u tot de gemeente
werd ingeleid, u nog slechts enkele maanden bekend.
En nu hebben wij hier — waar zijn ze gebleven ? — meer
dan een en veertig jaren zamen gearbeid aan die gemeente,
die ons zoo lief geworden is, en daarvan de helft aan de
Oost- en West-Indische kerken; en daar wij in éënen geest
arbeidden, zonder ons zelven te zoeken, is er geen schijn of
schaduw van twist tusschen ons geweest. Eene partij hebben
wij even min gesticht als gevolgd, gedachtig aan de leus van
onze studie aan de akademie: Amims Plato, amicus Socrates,
sed maijis amica veritas.
Geen stad in ons vaderland is er, waar twee tachtigers
als wij voorgaan. Nu! de oude Simson — de Tijd — zal wel
spoedig komen, die deze twee pilaren om ver rukt; maar
de tempel zal er niet door instorten.
Uw oude Vriend,
C. E. VAN KOETSVELD.
-ocr page 9-
VOORZANG.
Psalm 146 vs. 1 en 3.
Prijs den Heer met blijde galmen ;
Gij, mijn ziel! hebt rijke stof;
\'k Zal, zoo lang ik leef, mijn psalmen
Vrolijk wijden aan zijn lof;
\'k Zal, zoo lang ik \'t licht geniet,
Hem verhoogen in mijn lied.
Zalig hij, die in dit leven
Jakobs God ter hulpe heeft;
Hij, die, door den nood gedreven,
Zich tot Hem om troost begeeft;
Die zijn hoop in \'t hachlijkst lot
Vestigt op den Heer, zijn\' God!
VOORAFSPRAAK.
Toen ik voor tien jaren, mijne hoorders, het halve
eeuwfeest vierde, sprak ik over «Jezus Christus, als
dezelfde, gisteren en heden en in eeuwigheid;» en ik
trachtte, in de verantwoording van mijne dienst, Hem
na te volgen, die sprak voor zijne regters: «Ik hel»
rij uit gesproken tot de wereld.» (Joh. 18 : 20.) Want.
-ocr page 10-
8
ik beschouwde het bijna als een afscheid, waarop nog
slechts enkele nadagen zouden volgen. En nu, na
zestigjarige dienst, \'sta ik hier nog, — een voorregt,
dat slechts twee der predikanten van onze vaderland-
sche kerk met mij deelen; — en niets kondigt nog het
einde aan.
Ik zou wel haast gewenscht hebben, mij daarbij op
mijne kamer te mogen terugtrekken, om mij dankbaar
te verootmoedigen voor God; maar de gemeente, waar-
aan twee derde dier zestig jaren toebehooren en die
mij zoo veel blijken van liefde gaf, heeft er regt op, dat
ik \'t ook hier herdenke. Ik zal wel wat moeten herhalen
van het toen gezegde; maar het zal niet schaden: de
gemeente onthoudt toch geen tien jaren lang.
VOORGEBED.
Uit U, door U en tot U zijn alle dingen, eeuwig en
onveranderlijk Opperwezen, dien ons verstand niet be-
reikt, maar tot Wien ons harte uitgaat, omdat Gij ons
het eeuwige hebt in \'t hart gelegd! En wat zijn bij die
eeuwigheid onze vijftig, onze zestig jaren 9 Een schaduw,
die voorbij gaat; een damp, die voor een\' korten tijd ge-
zien, daarna verdwijnt. En toch zijn die vlugtige jaren
zoo rijk aan afwisseling, zoo vruchtbaar in \'t goede en
het kwade. Wij zouden ze wel willen vast houden; wij
betreuren zoo veel, dat verandert, dat ons ontvalt. Maar
-ocr page 11-
9
de Tijd stoort zich aan onze wenschen niet. Hij snelt
rusteloos voort, verwoest en vernieuwt, doet sterven en
geboren worden, ook de vormen van het leven en \'t ge-
loof, ook onze kaartenhuizen, zoo luchtig opgebouwd,
onze plannen, zoo vermetel ontworpen. En dan brengt
hij dat alles, wat er geschied is en gedaan, tot U, legt
het neder op de voetbank van Uwen troon en schrijft er
Op: TER GEDACHTENIS ....
Gedachtenis; — o! wie zal die verdragen, wanneer
eenmaal die boeken worden geopend, en al die half vergeten
jaren nog eens, als met vlammend schrift, ons voorbij
gaan? Zal het dan een voorregt wezen, lang geleefd te
hebben, en daardoor veel gezondigd? Maar Gij zijt een
genadig Vader, die door Christus tot ons van vrede
spreekt, en ook het gebrekkig goede van uwe kinderen
in de weegschaal legt. Toch is het daarop niet, dat wij
bouwen, maar op uwe genade alleen.
Dat woord van verzoening en genade spreekt onver-
moeid en onveranderd tot alle geslachten
, als het middel-
punt des geestelijken levens, dat van zijne plaats niet
bewogen wordt. Dat woord mogt zestig jaren lang uw
grijze dienaar spreken, al was \'t in menschelijke zwak-
heid; en hij wenscht het te blijven doen, zoo lang er
adem in hem is. Sta gij zijne zwakheid ter zijde, Heer!
en wat er ontbreekt aan het feilbare menschenwoord
. dat
doe uw Heilige Geest, als de adem des levens in de ge-
meente. Amen.
-ocr page 12-
10
Tekst: 1 Korinthen 3, vs. M.
Niemand kan een ander fondament leggen, dan het
geen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.
Onze tekst loopt eigenlijk door, van het tiende tot het
vijftiende vers. Het is een schoone beeldspraak, gelijk
eigenlijk al ons denken zich in denk-beelden uit, en
alle spreken van ouds schilderen was. Om Paulus te
hegrijpen , moeten wij ons een\' brand voorstellen in eene
Oostersche stad, zoo veel verwoestender dan wij \'t ooit
zien. Daar, waar geen voorzorg is of brandweer, gaan
in een oogwenk de houten huizen en strooijen hutten
in de vlammen op, zoodat er aan geen blusschen te
denken valt. Alleen wat van steen hecht is opgetrokken,
weerstaat den brand, en het edel metaal smelt wel,
maar vergaat niet. Zoo ziet nu Paulus in zijne ver-
beelding het groote Godsgebouw, het Koningrijk der
hemelen op aarde. Christus zelf is daarvan de grondslag,
zoo als hij tegenover zijne vijanden zich beriep op het
Psalmvers van den steen, door de bouwlieden verworpen .
maar door God tot een hoofd des hoeks gelegd. Nog is
men op dien grondslag ijverig aan \'t bouwen. Maar elk
bouwt op zijne wijze. De een verdringt den ander, of
breekt zelfs zijn werk af. Met dat twisten gaat veel tijd
en kracht verloren; en dat wil Paulus niet.
Hij zelf had te Korinthe, in een verblijf van anderhalf
jaar, dien vasten grondslag voor de gemeente gelegd.
Na zijn vertrek hadden Apollos en anderen er op
-ocr page 13-
11
voortgebouwd; en de levendige Grieken waren er over
gaan twisten. De een hield zich aan de eigen woorden van
Paulus; de ander gaf aan den welsprekenden Apollos de
voorkeur; een derde was van de Joodsche partij, die zich
naar Petrus noemde, en een vierde wilde in \'t geheel van
geen apostelen weten. Zoo werd het bouwen verstoord.
Twisten kweekten partijen, en partijen scheuringen,
even als nu. Maar Paulus zegt: «Waartoe dat alles?
Een\' anderen grondslag kan toch niemand leggen, dan
die gelegd is. Elk bouwt daarop naar zijn beste weten,
en het vuur dat den grondslag niet aantast, zal het
werk beproeven. Wie daarop goud, zilver, kostelijke
steenen bouwde, zijn werk blijft en hij zal loon ont-
vangen. Maar was \'t hout, hooi, stoppelen, het werk
verbrandt, maar hij zelf wordt, als door den brand
heen, gered.»
Edele verdraagzaamheid, die Paulus nog in de gevan-
genis deed schrijven: « Prediken sommigen het evangelie
anders, om mijne banden smaadheid aan te doen; is \'t
Christus wel, maar onder een bedeksel, toch verheug
ik mij: want Christus wordt gepredikt.»
Och dat dit voorbeeld meer werd nagevolgd in
onzen tijd!
EERSTE TUSSCHENZANG.
Psalm 89 vs. 1 en 7.
\'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên;
Uw waarheid te allen tijd vermelden door mijn reen.
-ocr page 14-
12
Ik weet, hoe \'t vast gebouw van uwe gunstbewijzen
Naar uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen;
Zoo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken,
Zoo min zal uwe trouw ooit wank\'len of bezwijken.
DE VROUWEN.
Hoe zalig is het volk, dat naar uw klanken hoort!
Zij wand\'len , Heer! in \'t licht van \'t godlijk aanschijn voort;
Zij zullen in uw\' naam zich al den dag verblijden:
Uw goedheid straalt hun toe, uw magt schraagt hen in \'t lijden;
Uw onhezwekeu trouw zal nooit hunn\' val gedoogen;
Maar uw geregtigheid hen naar uw woord verhoogen.
Zestig jaren heb ik in de dienst der kerk gearbeid.
Zal ik u optellen, wat ik in dien tijd gedaan heb? Het
getal mijner preekbeurten, of dat van mijne leerlingen
en de door mij aangenomen lidmaten berekenen*? Maar het
zou een ijdele roem wezen. Ik deed immers daarmede
niet meer, en zeker minder dan mijn\' pligt; en dat ik
het zoo lang deed, is eene gave Gods.
Zal ik u dan verhalen van den zielestrijd, van kinds
af om de waarheid gestreden; van eene inwendige
roeping om zondaren het evangelie te prediken, en toch
gedurige ondervinding van tekortkoming en afdwaling,
— van mijne tranen en mijne gebeden? Maar het zou
in mijn gevoel heiligschennis wezen, als ik de deur der
binnenkamer, waar Jezus van spreekt, open zette, of
zelfs den sleutel er in liet steken.
Of zal ik van mijne bijzondere en huiselijke lotge-
vallen spreken, lief en leed, waarin de gemeente zoo
-ocr page 15-
13
hartelijk deelde? Maar wij prediken ons zelve niet, niet
anders ten minste, dan dat wij uwe dienaars zijn om
Christus\' wil.
Neen! ik wil iets anders doen. Ik zal u spreken uit
eene rijke ervaring, die weinigen met mij deelen, van
de wereld en de kerk, zoo als ik die van mijn irenisch
standpunt heb leeren kennen en beschouwen; en ook
wie anders denken, zullen misschien van den ouden
man nog wel iets willen leeren.
Ik sprak daar van mijn irenisch of verzoenend stand-
punt. Dit is niet, wat de profeet zegt: «Zij roepen
Vrede, vrede! waar geen vrede is." Nooit heb ik naar
den lof getracht, waarmee de wereld soms den grijsaard
denkt te vleijen, van «met mijnen tijd meê te gaan.»
Dat deden profeten en apostelen niet, en de Heiland
allerminst. De tijdgeest is niet de reine, de heilige
geest vnn God; en het is dikwijls de roeping van den
evangeliedienaar, er tegen te strijden, niet met den
stroom medegesleept zich zelf te zijn. Maar nooit heb
ik in die zestig jaren en onder velerlei geschrijf iemand
persoonlijk aangetast, hoe dikwijls er toe uitgenoodigd
of getergd. «De toorn des mans werkt Gods geregtig-
heid niet,» zegt Jakobus te regt. Ik heb integendeel
Paulus trachten na te volgen, door allen te waardeeren,
die het goede willen, al bouwen zij op den eenigen
grondslag in mijn oog ook stroo en stoppelen. Daarom
heb ik de vrijheid verdedigd der afgescheidenen, toen
zij algemeen verdrukt werden en vervolgd, en die der
Roomsehen, toen men hun de bisschoppen misgunde;
en de modernen heb ik nooit alsongeloovigen veroordeeld,
-ocr page 16-
14
al bestreed ik hunne rigting. Want ik heb met Petrus
geleerd: «dat onder alle volken, wie God vreest en ge-
regtigheid werkt, Hem aangenaam is.» (Hand. 10 : 35)
Onder alle gelooven en rigtingen vond ik edele menschen,
en in elke godsdienstige denkwijze een oorspronkelijk
goed beginsel. Men gunne mij dezen roem. Ik zeg het
niet om mij zelven er op te verheffen, maar om anderen
er toe op te wekken.
God zelf heeft mij op dien weg geleid. Geboren en
opgegroeid in dagen van dwingelandij en oorlog, kreeg
ik van jongs af een\' diepen afkeer van beiden, een\'
hartstogt voor vrijheid en vrede. In de eerste jaren na
Napoleons val was het een waar Utopia. De toover-
woorden «Verlichting en beschaving», met den roem van
\'t «verbeterd volksonderwijs» beheersen ten de maat-
schappij. Een «Christendom boven geloofsverdeeldheid»
deed onder Vader Willem oude twisten en scheuringen
wijken, en zou zelfs Roomsch en Protestant in vrede
doen zamenwonen. En men begreep niet. dat Rome wil
verdrukt worden of heersenen, en nooit een kerkge-
nootschap nevens anderen kan wezen, maar alleen
«de Kerk.»
Daarentegen bleven de Protestanten den Bijbel hoog
waardeeren; maar de formulieren onzer Kerk kenden
we zelfs aan de akademie niet meer. Het was nog wel
de gereformeerde leer, die ei\' werd onderwezen; maai\'
de scherpe punten waren er van afgesleten, en de geest
was er uit geweken; zoodat ieder onzer zijn\' eigen\' weg
ging, als \'t maar vooruitgang was. Nog heugt mij de
storm, die er opstak, toen Da Costa zijne «Bezwaren
-ocr page 17-
45
tegen den geest dezer eeuw» als een bom in \'t vreed-
zaara kamp wierp, en vader Molenaar in zijn voor-
zigtig «Adres» eene scheiding tusschen oud en nieuw
voorstelde. Toen bleek het, dat de liberalen omtrent
andersdenkenden toch zoo liberaal en verdraagzaam
niet waren.
Wilt gij eene proeve van den geest, die dien tijd
bezielde? Ik heb hier in de hand de hartelijke toespraak
van mijn oom Loreyn, predikant te Schipluiden, waar-
mede hij mij op 3 October 1830 (den dag van Leidens
ontzet) te Westmaas bevestigde. Een der getuigen bleef
mij er van over, mijn eenige broeder, en ik dank God
dat hij daar nog zit. De bevestiger sprak naar de woorden
van Paulus aan Timotheüs: « Wie in een opzieners-
ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk.» Onder
veel goeds, dat nog niet verouderd is, wenscht hij mij
daarin geluk, dat «de leeraars nu ontslagen zijn van
zoo veel knellende banden, die vroegere dwaasheid en
eigenzinnigheid hun hadden aangelegd, en eene ver-
standige bijbelverklaring meer en meer doordringt.))
Hij verzekert mij, «tot eer van het menschdom, dat \'t
getal van verharde zondaars zeer gering is, terwijl het
meeste kwaad voort komt uit gebrekkige opvoeding. » En
hij trooster mij mede: «dat het geslacht der hypokrieten,
die de leeraars durfden bedillen en daardoor de ge-
meenten in de war bragten, met de toenemende bescha-
ving bijna geheel is uitgestorven.»
Brave man! die ook de kloosters alleen kendet als
een somber verschijnsel der middeleeuwen, en de pause-
lijke magt als den vermolmden stoel van Petrus, in de
-ocr page 18-
10
utopie dier dagen in uwe ruste ingegaan, wat zoudt gij
nu opzien uit uw graf!
Zoo, met het hoofd vol theologie en \'t hart vol liefde,
aanvaardde ik mijne taak. Ik had op de akademie alles
geleerd, behalve om dorpspredikant te zijn. Geen wonder,
dat mijne gemeente en ik elkander niet begrepen. Ik
was nog in dien leeftijd, waarin ik alles, wat mij niet
goed dacht, door bewijs en redenering meende te kunnen
weerleggen. De syllogisme sloot, en de dwaling was
dood ... Maar dat was zij niet. De toongevers der ortho-
doxie schudden het hoofd, en de gemeente viel in slaap.
Om haar wakker te houden, nam ik eindelijk de toevlugt
tot de bijbelsche verhalen, en dit ging beter. Zoo leerde
ik van mijne gemeente, terwijl ik alleen gemeend had,
haar te zullen leeren.
Het was juist in den tijd van den Belgischen opstand
en de eerste afscheiding in onze kerk. Beide verbaasde
ons evenzeer. Hoe durfden ook die domme Roomschen
in het zuiden en die koppige Gereformeerden in het
noorden het wagen, anders te denken dan Willem de
Eerste en zijn hof prediker!
In die dagen ontstond er in mijne gemeente, door
de opgewondenheid der oefenaars, eene hevige Chilias-
tische beweging. Een gewone zwingelaar (vlaswerker)
trad als profeet op en kondigde het eind der wereld
aan De grootste helft der gemeente hing hem aan. Ik
waagde mij in hun midden. Nooit meer heb ik zulk
eene dweeperij gezien. De vensters waren uit het huisje
genomen, zoodat geheel de dijk gehoorzaal was. Onwiilig
liet men mij door. De man had zes en dertig uren aan
-ocr page 19-
17
een gesproken. Zijne borst zwoegde, en de aderen waren
tot barstens toe opgezwollen. Allen hingen aan zijne
lippen. Ik wist, dat op een enkel woord van den profeet:
«Slaat den Baals priester dood!» mij niet anders zou
overblijven, dan mijn leven duur teverkoopen. Gelukkig
sprak de waarlijk vrome en gemoedelijke man dit woord
niet, en door woeste blikken gevolgd, bereikte ik veilig
mijne pastorij. Toen dankte \'ik God, dat ik in die dagen
niet naar elders beroepen werd, van het slagveld in
eene vesting. Eerst na een vijfjarig verblijf, toen de
strijd ten einde gestreden was, ben ik van allen, ook
van mijne bitterste tegenstanders, in wederzijdsche
hartelijkheid gescheiden; en ondervond ik, wat Paulus
zegt: «het geloof is veel, maar de liefde is de meeste.»
Ik rustte uit te Berkel en Rodenrijs, mijne tweede en
vreedzaamste gemeente; en ik zou er gaarne zijn ge-
bleven, als niet hardnekkige koortsen mij en de mijnen,
zoo wel als de geheele bevolking, hadden aangetast.
Het was dus eene uitkomst, toen ik, na een driejarig
verblijf, naar het stadje Schoonhoven beroepen werd.
In die acht jaren had ik veel geleerd; onder anderen,
dat elke streek van ons vaderland het godsdienstig
karakter behoudt, dat \'t in de zeventiende eeuw of
vroeger werd ingedrukt. Men zou gemakkelijk eene
godsdienstkaart van ons land kunnen maken; en de
arbeid der evangeliedienaars, — \'t is juist niet bemoe-
digend voor ons! — verandert dat vaste karakter onzer
gemeente niet.
Te Schoonhoven, waar ik al het kleingeestige,
maar ook al het gezellige en hartelijke ondervond
-ocr page 20-
18
van eene kleine stad, — vond ik ook de gerefor-
meerde orthodoxie, maar helaas! niet bij allen met
zedelijkheid vcreenigd. Het is de schaduwzijde van het
Kalvinisme, dat ligt het diep gevoel van onmagt en
zondeschuld en de afkeer van eigengeregtigheid de
zonde aanmoedigt. Paulus zelf, op wien Augustinus
en Kalvijn steunen, had er al last van, toen sommigen
schenen te meenen, dat hij leerde: «Laat ons maar
zondigen, dat de genade meerder worde!» en hij
die gedachte met verontwaardiging van zich wierp.
Waar hij elders het Godsgebouw beschrijft, zegt hij, dat
het twee opschriften draagt. Het eene: «De Heer kent,
die de zijnen zijn»; en het andere: «Die den naam
van Christus noemt, sta af van ongeregtigheid. » Wie
nu al te sterk aan het eerste hecht, Gods vrije genade,
vergeet wel eens, op het tweede te zien.
Toch had ik het ook te Schoonhoven goed. Nog altoos
zwak en ziekelijk, door de uitgestane koortsen en
misschien door de koortsmiddelen nog meer, dankte
ik God, dat ik geen geld had, en daardoor minder in
verzoeking was, mijne dienst neder te leggen. Onder
den arbeid werd mijn gestel sterker en week ten
laatste het lijden. Toch dacht ik aan geen heen gaan.
Met behulp van goede vrienden, had ik juist een eigen
huis gekocht, toen God het anders beschikte en ik
herwaarts werd geroepen, waar geest en hart meer
ruimte vonden, en mijne kracht weder toenam met de
jaren. Ginds liet ik hartelijke vrienden achter, en ik
hoop ook wel eenige vrucht van tien jaren prediking,
onderwijs en dagelijkschen omgang in de gemeente.
-ocr page 21-
49
En wat ik nu onder u geweest ben en gedaan heb,
het is onnoodig, dat ik er iets van zeg. Gij zelf zijt
mijne getuigen. Ik heb nooit verborgen, hoe ik denk, en
ben dooi\' goed en kwaad geruchte mijn\'eigen\' weg gegaan.
Undertusschen had in de vaderlandsche kerk eene
groote verandering plaats gegrepen. Hoe liberaal ten
opzigte der kerkleer het geslacht was, waaronder ik
opgroeide, men hield vast aan den geheelen Bijbel als
Gods woord, al leerde Van der Palm ons, dien ver-
standig en redelijk op te vatten. Maar de onderzoekingen
der geleerden bragten dit bijbelgeloof aan het wankelen.
Wij begonnen in te zien, dat de Christelijke kerk niet
op een boek is gebouwd, maar dat de overlevering ouder
is dan de Schrift, die eerst later, wel door de zorg der
Voorzienigheid, maar naar menschelijk oordeel werd bij
een verzameld. Hierdoor begrepen wij ook Rome, of liever
de oude Katholieke kerk beter, die op de overlevering
steunt. Toen ik, in eene redevoering voor het Zendeling-
genootschap, dit voor het eerst openlijk uitsprak, schudden
ambtgenooten het hoofd, die mij nu ver zijn vooruit
gesneld en geheel met de kerk hebben gebroken. Mij
werd juist hierdoor de Bijbel helderder en dierbaarder.
Het menschelijke, dat er in is, behoeft men nu niet
meer te bemantelen of te verwringen. Daarin klopt het
hart der geloovigen en ons hart verstaat het. Maar te
heerlijker komt daar tegen Gods woord uit, en vooral
het Evangelie van Christus.
Zulk eene evangelische denkwijze was echter nog geheel
iets anders dan de zoogenaamde moderne rigting. Deze
volgde later. Zij ontkent wonderen en opstanding, en
-ocr page 22-
20
in hare uiterste consequentie de Voorzienigheid en het
gebed. Gij gevoelt, hoe men daarbij, met allen eerbied
voor den persoon van Jezus en zijne zedeleer, zich ten
laatste allen grond onder de voeten voelt weg zinken.
Gelukkig zijn weinig menschen zoo consequent, en
hebben hart en geweten op \'t gebied van godsdienst en
zedelijkheid ook eene stem. Toch heb ik mij in deze
rigting nooit kunnen vinden, al veroordeel ik daarom
hare aanhangers niet.
Het gevolg is geweest, zoo als ik verwachtte. Een goed
deel der gemeente, van alle gezag ontheven en terug-
gewezen naar eigen godsdienstig gevoel, heeft de kerk
verlaten. Sommige predikanten zelfs gevoelden er zich
niet meer in te huis. De kerkelijke Besturen, nadat zij
eens de afwijking van de oude kerkleer hadden toege-
laten, zagen zich magteloos om nog iets te handhaven,
en gingen van stap tot stap achteruit. En de groote
menigte, die alleen de schelle kleuren onderscheidt en
niet de nuances, die er tusschen liggen, kent slechts de
de uitersten van orthodox en modern, terwijl zij het
laatste ten onregte liberaal noemt. Geen wonder, dat
hierdoor eene nieuwe afscheiding veld won, die met
zekere voornaamheid zich geheel de kerk noemt.
En zoo ver zijn wij nu gekomen. De slinger, die zóó
ver links ging, gaat met dezelfde kracht naar den regter-
kant. Orthodox, een scheldnaam voor zestig jaren, is een
eerenaam geworden, al is het gehalte dier orthodoxie
in kerkelijken zin minder zuiver. Het is de Nemesis der
historie. De lang verdrukte zegeviert, en die vroeger
heerschte, wordt nu vernederd. Wat mij betreft, ik kan
-ocr page 23-
2d
niet goedkeuren, dat de methodistische orthodoxie van
onzen tijd zoo uitsluitend heerscht, en op de behoefte
van een aanzienlijk deel der gemeente niet wordt gelet.
Maar aan de andere zijde verheug ik mij, dat het geen
doode formulier-orthodoxie is, —die ik maar al te goed
heb leeren kennen! — maar een warm en levendig
Christendom, niet naar de letter, maar naar den geest
van der vaderen geloof. Daarom kan ik ook met al
mijne broeders in liefde zamenwerken, al stel ik de
wedergeboorte niet zoo op den voorgrond, en zoek Jakobus
te vereenigen met Paulus, en Petrus met Johannes, als
allen stralen van de zon der geregtigheid , Jezus Christus,
wiens beeld en wiens woord, in de drie eerste Evan-
geliën vooral, mij boven alles dierbaar zijn.
Maar terwijl de kerkelijken twistten, zoo als zij altijd
gedaan hebben en wel zullen blijven doen, ontstond er
eene sociale beweging, veel ernstiger nog, daar zij de
grondslagen der christelijke maatschappij bedreigt en
ondermijnt. De vierde of arbeidersstand liet hare regten
gelden. En dit zou nog zoo erg niet wezen : want zij had er
wel reden toe. Maar het socialisme, dat zoo wel aan de kerk
als aan den staat vijandig is en geheel de beschaafde wereld
wil omkeeren, stookt het vuur aan en belooft der onkun-
dige menigte gouden bergen. Zoo wordt het niet meer eene
vraag om werk en brood, maar een strijd om het gezag,
terwijl de staten door eene onhoudbare uitbreiding van het
militarisme zich daartegen wapenen. Kan nog een tiental
jaren de uitbarsting worden vertraagd, — als ik wèl zie,
verbergt de twintigste eeuw in haren schoot geweldiger
omwenteling, dan die der achttiende geweest is.
-ocr page 24-
22
En zoo sta ik dan nu aan het eind mijner zestig jaren,
en vraag: «Wat zal er van dit alles worden?» Van
alle kanten strijd en overdrijving, een heerlijke tijd
voor volksmenners, die talent bezitten om de menigte
op te winden! En wat zal ik, oude man? Met Koning
Hizkia zeggen: « Alles is goed, wat er ook gebeure, als
\'t maar vrede blijft in mijne dagen?» (2 Kon. 20 : 19J
Want de meer dan drie en tachtigjarige zal wel de
twinstigste eeuw niet zien. Maar neen! dat wil, dat
mag ik niet. De wapenen des lichts mogen in onze
hand niet roesten, zoo lang het rijk der duisternis
heerscht. Ik hoop te blijven strijden tegen den verkeerden
tijdgeest, maar ook het goede er in te erkennen, zoo
lang er kracht in mij is; en tegenover de verwarring-
in maatschappij en kerk hoog de banier op te houden
van het Apostolisch Evangelie. Er is leven in onzen tijd,
en ook een ziekelijk leven is oneindig beter dan de
doodslaap; er is ernst, zelfs in het booze, en Satan is
gemakkelijker te bestrijden dan Mephistopheles, die
met alles spot. En in dien strijd vind ik geen sterker
aanmoediging, en voor de toekomst geen\' vaster\' grond
van hoop, dan dat woord:
Niemand kan een ander fondament leggen
dan hetgeen gelegd is: Jezus Christus.
-ocr page 25-
23
TWEEDE TÜSSCHENZANG.
Gezang 245 vs. 2.
DOOR DE VROUWEN.
O magtig\' Evangelie "woorden!
Spoedt heerlijk voort en overwint!
Och! dat u alle volkren hoorden.
Zoo ver men immer volkren vindt!
DOOR GEHEEL DE GEMEENTE.
Bekroon uw werk, o groote Koning!
Uw zachte schepter heersen\' alom;
Zoo word\' eens aller hart uw woning
En heel deez\' aard uw heiligdom!
De ouderdom is geneigd, donker te zien. Omdat men
zelf oud wordt, vindt men alles oud en versleten.
Vroeger was het ook zoo jeugdig en frisch! Men zou —
o zoo gaarne! — dien vroegeren tijd terug tooveren.
Maar dan komt de wijze Prediker ons tegen met de
woorden (H. 7 : 10): «Zeg niet: Wat is er, dat de
vorige dagen beter zijn geweest dan deze? "Want gij
zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen.» — \'t Is dus
geen wijze vraag. En waarom niet? Omdat men eigenlijk
twee geheel verschillende tijden niet met elkander ver-
gelijken kan. Wat op den eenen tijd goed is, is \'t niet
voor den anderen. Een groot of een klein kleed, een ligt
of een zwaar dek past den een en past den ander niet,
-ocr page 26-
i>4
of is een hinder in \'t eene klimaat, een weldaad in het
andere. Daarom is het ook een onbezonnen werk,
om de hand te willen steken tusschen de spaken van
het rad des Tijds. Men kwetst de hand, en de Tijd
staat toch niet stil. Dit is de dwaasheid van hen, die
de Dordtsche Kerkorde willen herstellen, zonder dat zij
toch de oude republiek kunnen doen herleven, die
haar beheerschte.
                          «
Wat mij betreft, wanneer ik in de eenzaamheid van
mijne studeerkamer in \'t nachtelijk uur peins over lang
vervlogen dagen, dan is \'t mij soms, als geloofde ik
aan de zielsverhuizing, en als had ik vroeger, veel
vroeger, nog eens geleefd. En nu, tot een nieuw leven
opgewekt, in \'t volle gevoel mijner kracht, vind ik alles
geheel veranderd. Wat langzamerhand verdween, staat
nu op eens weer helder vóór mij. Die koude open
haarden, die walmende vetkaarsen, die togtige huizen
en kerken en slecht verlichte straten, waar zijn zij
gebleven? Waar die oude regenten en leeraars met
hunne zware kanonpruiken, waarbij het staartpruikje
van mijn\' grootvader een elegant jonkertje was? Waar
de bulderende preken tegen Arminianen en Coccejanen;
en van \'t jongste geslacht die lieve redevoeringen over
de schoonheid der natuur en de voortreffelijkheid van
den mensen?
Hoe netjes en deftig waren ook onze preken in een
gezet! Populaire woorden waren geen kanselstijl, had
men ons geleerd. Waar is toch dat woord kanselstijl
gebleven ? Wij hebben \'t onder weg verloren , en al zie ik
om, ik weet niet waar; en onze preken, ze zijn geheel
-ocr page 27-
25
uit den band gesprongen. — En dan, waar zijn
die volle middag- en avondkerken\'? Wie zit er
nog op de trappen van den preekstoel\'? Tn plaats
daarvan krijgen wij allerlei vergaderingen, bonden,
godsdienstige bijeenkomsten, door onze orthodoxe vaders
als conventikelen veroordeald .... Alles, alles is anders
geworden, en een nieuwe tijd uit de puinhoopen van
den ouden opgestaan!
Zoo als de mensohen, zoo verandert hunne smaak en
neiging. Sprekers, aan wier lippen men hing in mijne
kindsehe dagen, zouden nu vervelen. Boeken van dien
tijd kan men niet meer ten einde lezen. Het geheele
leven is meer openbaar, is beweeglijker geworden. Koffij-
huizen en schouwburgen lokken onze jeugd; de uit-
spanningen vermenigvuldigen zich, te gelijk met de
inspanning. Een koortsige haast jaagt de pols der maat-
schappij. En terwijl Rome langzaam maar zeker voortgaat,
is onze kerk als een schip in de branding, waarop de
zeelieden twisten, en de beangste passagiers roepen:
((Wij vergaan!»
Maar daar spreekt weder diezelfde stem en zegt:
« Weest gerust, want niemand kan een ander fondament
leggen voor de Christelijke kerk\'en maatschappij, dan
\'t geen gelegd is: Jezus Christus.»
Dat juist is het eigenaardige van het Christendom.
De Joodsche godsdienst rust niet op Mozes, maar op de
wet; de Mohammedaansche niet op Mahomed, maar
op den Koran. Doch de Christelijke kerk is niet op een
boek gebouwd. Zij rust op Christus zelf, gekruisigd en
verheerlijkt. Hoe vele vormen heeft zij niet in die bijna
-ocr page 28-
20
negentien eeuwen aangedaan en weer afgeschud, en nog
wisselt zij met den dag. Hoe vele leerstellingen zijn als
onfeilbaar afgekondigd, en weersproken of vergeten.
Maar Christus zelf is gisteren en heden dezelfde en in
eeuwigheid. Zelfs Rome zou zonder het kruisbeeld te
midden van al hare heiligen, als Christelijke kerk niet
kunnen bestaan. Daarom verspreiden wij ook zoo ruim
den Bijbel, gedachtig aan het woord bij Johannes
(Ev. 17 : 3) : »Dit is het eeuwige leven , dat zij U kennen,
den éénigen, waarachtigen God, en Jezus Christus, dien
Gij gezonden hebt.» — En nu leest de een den Bijbel
als een orakelboek, waarvan elke letter goddelijk is, en
de ander als een oudheidkundige, die er den oorsprong
van navorscht; de een leest met een\' ouden, en de
ander met een\' nieuwen bril op. Maar altoos blijft de
indruk: «het geloof in een eenig, eeuwig , heilig Opper-
wezen, en in Jezus Christus, in wien God zelf zich
als een Vader heeft geopenbaard, tot behoudenis van
zondaren.» — Op dezen grondslag wordt voort gebouwd;
zoo als Paulus zegt, stevige steenen of edel metaal, of
wel stroo en stoppelen; en het vuur verteert weldra de
ligte bouwstof, maar tast den grondslag niet aan. En
wie er bouwden, worden beloond, of althans gespaard ,
omdat zij het goede hebben gewild.
Bevalt u de bouworde van onzen tijd niet, mijn
hoorder? Ik dweep er ook niet meê. Volmaakt is ons
werk niet, van geen van allen. Maar laat ze bouwen.
Hinderen wij elkanders werk niet. Die met den moker
des slopers de kerk zijn doorgegaan, hebben haar \'t
minst van allen goed gedaan. Niet afbreken maar op-
-ocr page 29-
27
bouwen, was Paulus\' leus. , En dan, te bouwen als in
Nehemia\'s dagen de bewoners van Jeruzalem, met het
zwaard aangegord, maar alleen tegen de vijanden van
het Godsrijk.
«Maar,» zegt mij iemand: «velen bouwen tegen-
woordig buiten dien grondslag. Christus is niet het fonda-
ment hunner prediking. Zij verkondigen eigen wijsheid
en dwaasheid, en trekken de menigte van hem ai. Ja!
luide is \'t al verkondigd, dat men eigenlijk van God
en de eeuwigheid niets weet, en dus hier op aarde maar
goed en gelukkig moet zoeken te leven.» — Maakt dit
u beangst, mijn broeder? Maar dan zijt gij zeker het
slot der bergrede vergeten. Ik wil \'t u nog eens berin-
neren. (Matth. 7 : 26, 27.)
«Wie deze mijne woorden hoort en ze niet doet, zal
bij een\' dwazen man vergeleken worden, die zijn huis
op \'t zand gebouwd heeft. En de slagregen is neder-
gevallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de
winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis
aangeslagen , en het is gevallen, en zijn val was groot. »
Zoo gaat het met alles, wat niet op, maar naast den eenigen
grondslag, op het vlotzand van mensehelijke meeningen
werd opgetrokken, hoe hecht en sierlijk het scheen.
En wanneer wij er nu in onzen tijd zoo velen ont-
moeten, die van de kerk vervreemd zijn, het is waar,
die hun gelijk waren in handel en wandel, zaten er voor
zestig jaren; maar was \'t hun wel meer dan een vorm?
Behoorde het toen niet tot de zeden van een fatsoenlijk
huisgezin, en werd er niet, vooral in de kerksche dorps-
gemeenten, menig uur slapend in de kerk doorgebragt ?
-ocr page 30-
28
Al zagen wij ze gaarne weer hier, zouden wij ten
slotte wel zoo veel aan die onverschillige en slapende
kerkgangers verloren hebben? En schijnen zoo velen nu
den eenigen troost in leven en in sterven zoo gemak-
kelijk te kunnen missen, zal \'t zoo blijven, als er bange
dagen komen?
Laat ons slechts, mijne medebroeders! meer en meer
trachten te worden, wat Paulus verklaart te wezen: Gods
medearbeiders. God arbeidt in de natuur geleidelijk;
en zoo als Jakobus zegt, «de landman verwacht met
geduld de kostelijke vrucht des lands;» of gelijk Jezus
zelf \'t beschrijft: «eerst de plant, dan de aire, daarna
het koren in de aire.» In die geweldige bekeeringen, met
pauken en trommels, kan ik nog weinig heil zien. De
tijd zal \'t leeren, of \'t geen stroo en stoppelen zijn, die
spoedig verbranden. Het hebbe zijne vrijheid! Ik voor
mij wacht meer vrucht van de langzame en natuurlijke
werking van het woord, Zien wij daarbij vooral op
Christus zelf, die er de grondslag van is. Zijn heerlijk
beeld in de Evangeliën, zijne lessen, spreuken en ge-
lijkenissen, en vooral zijne zondaarsliefde; — en aan
\'t eind Gethsémané, Golgotha, de Olijfberg: — en dat
alles in verband met den ouden tijd vóór Christus
en het leven in onzen tijd: — neen! ik heb in mijne
lange evangelie-bediening dezen schat nog niet uit-
geput. In het eerste jaar vreesde ik, dat ik weldra
niets meer zou te zeggen hebben; en nu in het zestigste,
begin ik te vreezen, dat ik geen\' tijd meer hebben zal,
om alles te zeggen. Want mijn tijd schiet op. Naar de
vernuftige berekening van een mijner hoorders, was ik
-ocr page 31-
20
laatstleden woensdag juist duizend maanden oud. Of
gij \'t gelooven wilt of niet, mijne vrienden! gij zult u
moeten gewennen aan het denkbeeld, om mij weldra
te missen. En wat nood? God kan ons allen missen.
Herinnert u slechts, — om maar een paar van de dooden
te noemen, — toen vader Molenaar of de ernstige Huyde-
coper \'t hoofd nederlegde, welk eene leegte het was voor
velen in de gemeente. En wat was\'t toch eigenlijk? Eene
golf zinkt weg, het water sluit zich weder, de zee golft
voort als altijd. Zoo gaat \'t met den algemeen besproken
evangeliedienaar. Hoe zelden wordt vijf en twintig jaren
later zijn naam nog genoemd! En \'t is goed zoo. De
dienaar gaat, de Meester blijft. Een enkele droppel, die
er afdruipt, maakt den emmer niet leêger; van een
stofje slaat de weegschaal niet door; en met een\'
enkelen rneteoorsteen, als vallende ster op de aarde
geslingerd, valt de sterrenhemel niet in.
Gevoel ik \'t nog niet, alles waarschuwt mij. Ik zie
rondom mij een geheel ander geslacht. Daar en daar
en daar zaten de achtbare grijsaards en moederlijke
vriendinnen, die mij van harte welkorn heetten. Allen,
allen zijn zij, als \'t rijpe graan, op den akker des doods
ingezameld. Een kring van jeugdige vrienden en leer-
lingen vormde ik in volgende jaren. Hoe weinigen zijn
er van over! Als ik door onze schoone stad wandel,
ken ik de huizen aan wie er eens in woonden en mij
zoo lief en dierbaar waren, maar reeds lang er zijn
uitgedragen. Toch wandel ik niet als een eenzame over
de graven, maar als een vader onder zijne kinderen.
Een vader, maar die ze weldra zal goeden nacht zeggen ;
-ocr page 32-
30
en dat, zoo ik hoop, zonder een\' bijzonderen aanhang achter
te laten, aan anderen vijandig: want ik heb nooit eene
partij willen stichten, maar slechts een\' toon aangeven in
het hemelsch akkoord van \'t Evangelie. Wie om mij te ver-
heffen, mijne broeders zou willen minachten, dien zou ik
met den edelen apostel, die ook geene Paulus-partij ver-
langde, vragen: «Is dan de dienaar voor u gekruist, of
zijt gij in zijnen naam gedoopt? Wat zijn Paulus of
Apollos anders, dan dienaars, door wie gij geloofd hebt ? »
Dit alleen bid ik van God, dat ik moge arbeiden
onder u, tot de nacht komt, waarin niemand werken
kan. Repos ailleurs, Elders de rust! Draagt mij daarbij
in liefde, ook als eindelijk de ouderdom zich zal doen
gevoelen. Volgt mij niet, maar den Heer.
Broeders! Gemeente! bidt voor mij, opdat ik aan \'t einde
met Paulus moge kunnen zeggen: «Ik heb den strijd vol-
streden, ik heb den loop volbragt; ik heb \'t geloof
behouden;» — en dat men, als ik eindelijk zal zijn
heengegaan, van mij zeggen moge: «Hij had de waarheid
en den vrede lief.» — Want de waarheid, dat is Christus,
en de vrede, dat is God. Amen.
(Het Nagebed was niet geschreven.)
-ocr page 33-
31
NAZANG,
Gezang 150, vs. 1.
DOOR DE MANNEN.
Ja, Jezus heerscht! het ongeloof vevstomm\',
De leer van \'t kruis verspreid\' haar kracht alom ,
Heel \'t aardrijk word\' dien Heer ten eigendom,
DOOR DE VROUWEN.
Zijn haatren zwichten:
Trots alle magt zal God zijn\' zetel stichten ;
\'t Geloof verbeid\'! Dat elk Hem eere geve,
Hem hulde doe, en juich\':
DOOR GEHEEL DE GEMEENTE.
De Koning leve In eeuwigheid!
Door de gemeente word ten slotte mij nog toegezongen
(Wijze: Gezang 189.)
Des Heeren liefde zij geprezen,
Die U zoo lang ons heeft bewaard.
Hoe hebt Ge ons steeds omhoog gewezen.
Gesticht, getroost, Gods Woord verklaard.
Hij moog\' Uw verdren arbeid kronen
Voor Vorst en Volk, voor Oost en West,
En doe, na \'t zorgen, eens U wonen,
Waar eeuw\'ge vreugd Gods kind\'ren rest.