-ocr page 1-
Z^-^Z^-^""\\\\
GELOOFSGETUIGENIS.
----o-*-»§gS*-*-o-----
EENE BEVESTIGINGS- EN INTï^EEÏ^EDE,
gebonden te Slieörecüt, den 23 Maart jl.,
DOOK
I>i% BC NIEMEIJEH,
Predikant te Sneek.
EN
r>r. J. W. LIEFTINCK,
Predikant te Sliedrecht.
SLIEDRECHï,
GEBRs. LUIJT.
1890.
%==
-ocr page 2-
-ocr page 3-
GELOOFSGETUIGENIS.
—°-*~»i
EENE BEVESTIGING S- EN I N T Ï\\E E F^E D E,
gewen te Slicilrcciit, den 23 Maart jl,
DOOR
I>r. TML. NIEMEIJER,
Predikant te Sneek.
EN
X>r. J. W. LIEETIINOEl,
Predikant te Sliedrecht.
SLIEDRECHT,
G E B R s. L U IJ T.
1890.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
EEN WOORD VOORAF.
Ofschoon wij aanvankelijk geenszins het voornemen koester-
den, deze toespraken door de pers in meer uitgebreiden kring
bekend te maken, werden wij daartoe toch zóó dikwijls en van
verschillende zijden, zoowel in als buiten de gemeente van
Sliedrecht, verzocht, dat wij eindelijk voor dien aandrang zijn
bezweken.
Wij geven deze toespraken, gelijk zij werden uitgesproken,
als een »geloofsgetuigenisc, die, naar wij meeneu, in het hart
der Christelijke leeraars en gemeenten ook van onzen tijd moet
leven en werken.
Indien deze eenvoudige woorden bij tegenstanders en vrien-
den de overtuiging wekken of versterken, dat de vrijzinnige,
echt Protestantsche richting op godsdienstig-zedelijk gebied
haar persoonlijk geloof in de onzienlijke dingen des geestes,
haar zuiver Christelijk beginsel tot geen prijs wil verloochenen,
maar ongehinderd wil gehandhaafd zien, trots alle pogingen,
om dit geloof en beginsel in hunne vrije niting te belemmeren,
dan zullen wij ons zeer voldaan rekenen.
DE SCHRIJVERS.
f^--------- 31 Maart 1890.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Bmfmnmm&mE,
Voorzang: Gez. 11 : 1.
Wordt voorgelezen: Efez. 4 : 11—15.
Hierna wordt gezongen: Ps. 118 : 7.
Een belangrijke dag, M. H.! de dag van heden. Dat is
hij voor U, gemeente van Sliedrecht. De plaats, in uw mid-
den ledig geworden door bet eervol emeritaat van den man,
die jaren laug zijne beste krachten aan den opbouw van het
godsdienstig leven in uw midden heeft gewijd, staat weer ver-
vuld te worden door de komst van den nieuwen leeraar, die,
door de keuze des kerkeraads tot ziju ambt beroepen, heden
zijn arbeid onder u zal aanvaarden. Is het altijd voor een
gemeente een dag yau beteekenis, als een nieuwe voorganger
zich aan haar verbindt, omdat zijn werk zoo nauw samenhangt
raet hare hoogste belangen, de omstandigheden, waaronder dit
thans in deze gemeente plaats vindt, zetten daaraan een yer-
hoogd, ja een gansch bijzonder gewicht bij. En dat niet zoo-
zeer omdat de komst vau uw nieuwen prediker zoolang werd
vertraagd, als wel wegens de reden, waardoor die vertraging
werd veroorzaakt.
Deze beroeping toch gaf aanleiding tot een strijd, waarin
principieel de vraag aan de orde kwam, ol een predikant in
de Ned.Herv. Kerk gebonden is aan de belijdenis, in vroegere
eeuwen in die kerk vastgesteld, dan wel of hij het recht heeft,
waar deze volgens zjjn overtuiging in strijd is met de waar-
heid, daarvan af te wijkeu. M. a. w. de vraag kwam aan de
orde, of het juk van een uitwendig gezag, het gezag eener
bindende leer, als een loodzware last op de leden der Ned.
-ocr page 8-
6
Herv. Kerk en hare predikanten zou drukken dan wel of daar
heerschappij zou voeren de geest der vrijheid, die zoekt naar
de waarheid en aanspraak maakt op het recht om uit te spre-
ken wat als waarheid is erkend; de geest der vi\'ijheid, die
zich door geen ander gezag laat binden dan het inner-
lijk
gezag der waarheid. Het is bekend, hoe de kerk in
hare lagere en hoogere bestureu in die kwestie betrokken is.
Welnu, dat uw nieuwe leeraar, bekend als een kloek en be-
slist strijder voor het beginsel der vrijheid, thans gereed staat
zich aan u te verbinden, levert het bewijs dat feitelijk althans
het beginsel der vrijheid boven dat des gezags in de Ned.
Herv. kerk is gehandhaafd. Men zou kunnen wenschen dat
dit onomwondener, duidelijker en principiëeler ware uitgespro-
ken, dat de beginsel-kwestie minder onder reglementaire spits-
voudighedeu en formeele haarkloverijen ware bedolven, maar
toch kwam uit dat warnest van reglementaire juistheden en
onjuistheden telkens de beginsel-vraag weer te voorschijn,
voelde ieder dat zij aan alle beraadslagingen en besluiten van
hen, die geroepen waren in deze zaak te oordeelen en te han-
delen, ten grondslag lag. Dat nu ten slotte het beroep, door
deze gemeen\'e uitgebracht op een modern predikant, in weer-
wil van al de praktijken, waardoor men dit trachtte te ver-
hinderen, werd goedgekeurd, heeft ontegenzeggelijk de betee*
keuis van te zijn: eene overwinning van het beginsel der vrij-
heid in de Ned. Herv. Kerk; de handhaving yan het Protestantsch
beginsel dat een ieder ten volle verzekerd zij in zijn eigen
gemoed; de erkenning van het recht der vrijzinnigen in de
kerk. Gevoelt de gemeente dat dit de beteekenis is van den
strijd, dien het beroepingswerk te Sliedrecht heeft doen out-
brauden, dan wordt door haar ongetwijfeld ook de ernst van
dezen dag dubbel gevoeld.
Maar hoogst gewichtig is deze ure ook voor U, die gereed
staat U aan deze gemeente te verbinden. Met het afscheid
van Rauwerd is er een tijdvak in uw leven afgesloten, een
-ocr page 9-
7
tijdrak, waarop ge steeds met dankbaarheid en blijdschap kunt
terugzien. Gij hebt een gemeente verlaten, waar gij met op-
gewektheid kondet arbeiden en inderdaad met zegen werkzaam
waart. En dat uw werk evenzeer werd gewaardeerd als uw
persoon geacht en bemind was, blijkt wel uit de pogingen,
nog in de laatste maanden aangewend om u te bewegen het
gegeven woord van deze gemeente terug te vragen en u op
nieuw aan uwen toenmaligen werkkring te verbinden. Gij ge-
voeldet echter geen vrijheid u te onttrekken aan den strijd,
waarin ge, zoo geheel tegen uw wensch en uwe bedoeling, waart
gewikkeld; gij achttet het uw plicht pal te staan voor uw
beginsel, pal te staan voor uw beginsel ook in een omgeving,
waarin ge juist daarom zoudt blootstaan aan veel veroordeeling.
In het bewustzijn van uw goed recht en in het geloof aan
uw beginsel besloot gij kalm de gevolgen af te wachten van
hetgeen verbitterde partijzucht nog verder zou uitvinden om
uwe oyerkomst naar deze gemeente te vertragen. Dat ge daar-
onder pijnlijke uren hebt doorworsteld, zal niemand bevreem-
den. Grievend is het miskend te worden, miskend te worden
vooral in het beste dat men te geven heeft en dat men geven
wil aan een heilige zaak. Het bewustzijn in dezen volgens
plicht en geweten te handelen heeft uw kracht geschraagd en
is voor u de grootste zelfvoldoening. Moge een rijke oogst van
schoone vruchten die gij in vervolg van tijd op uwen arbeid in deze
gemeente ziet, die grievende indrukken weldra verzwakken.
En weet gij door de trouwste toewijding aan uw ambt, door
uw mannclijken ernst eerbied af te dwingen en ook uwe
aanvankelijke tegenstanders tot de erkentenis te brengen dat,
al stemmen ze ook niet met uwe godgeleerde zienswijze iu,
uw cvaugelieprediking in zedelij ken ernst, in godsdienstigen
gloed, iu vromen zin met iedere andere zich kan meten, dan
zal de dag zga aangebroken, dat ge u verblijden zult over uw
besluit om u iu deze gemeente aan de evangelieverkondiging
te wijden, en uwen God zult danken voor het vele goede, dat
Hij u ook hier deed vinden en genieten.
-ocr page 10-
8
Hebt gij mij verzocht n tot deze gemeente in te leiden, ik
heb, bij afstand van uw ambtgenoot, volgaarne die taak op
mij genomen. Ik wil dat doen naar aanleidingvan bet woord
van Pa"lus
2 Cor. 4 : 13c.
Zoo gelooven wij ook, daarom spreken wij ook.
Om dit woord in zijn verband en beteekenis te doen ken-
nen, zij het genoeg op te merken dat Paulus in dit hoofdstuk
spreekt over de vervulling zijner apostolische bediening. Doet
hij dit met ijver, met reine bedoelingen en met nederigen zin,
hij doet het evenzeer met blijden moed onder velerlei vervol-
ging. Hij maakt daarbij het woord van den gewijden zanger:
>Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken,« tot het zijne en
verklaart met diepen, heiligen ernst: »zoo gelooven ook wij,
daarom spreken ook wij.t Wat moeite, wat gevaar hem ook
moge bedreigen, hij zal niet ophouden te spreken van het evan-
gelie, te getuigen van de heilige zaak, waaraan hij het beste
geeft dat in hem is. Hij kan niet anders. Zijn geloof dringt
hem daartoe met onweerstaanbare kracht.
Zoo gelooven wij ook, daarom spreken wij ook. Naar aau-
leiding van dit woord schets ik u den arbeid des evangeliepre-
dikers
als zijn geloofsgetuigenis.
Gez. 53 : 1.
Het is niet ongewoon, M. H.! dat men ons, predikers der
nieuwe richting, aan de gemeente voorstelt als ongeloovigen.
Eu ofschoon dergelijke aantijgingen ons in den regel vrij koel
laten, omdat ze voor iedereu oupaitijdigen op merker voldoende
hare wederlegging vinden in onzen arbeid, zoo kan het toch
zijn nut hebben bij een gelegenheid als deze in enkele trekken
het ware wezen des geloofs duidelijk te maken en in het licht
te stellen, hoe geloof de ziel en de kracht van onze \\verk-
zaambeid is. Ieder erkent dat godsdienst zonder geloof onbe-
staaubaar is, en toch is het een feit, dat wat zich officieel
komt aanmelden als »het geloof\'« door niet weinigen met argwa-
neude blikken bespied en wat er in den naam des geloofs wordt
-ocr page 11-
o
gevraagd en gedaan, door velen met wantrouwen ontvangen
wordt. Vanwaar dat? Omdat er met dat woord »geloof c zooveel is
gespeeld en het onder allerlei onverstandige en onkiesche aan-
raking en betasting zooveel van zijn frischheid en schoonheid
heeft verloren. Geloof is het meest persoonlijke yan hetgods-
dienstig leven en velen hebben er iets van willen maken, dat
buiten ons eigenste innigste zieleleven, dus buiten onze per-
soonlijkheid omgaat.
Wat is dat voor een karikatuur van geloof, als een kerk
een aantal leerstellingen afkondigt, meer of minder goed in
elkaar sluitende en zegt: Neem deze onvoorwaardelijk zonder
tegenspraak of twijfel aan als de waarheid en gij hebt het
ware geloof! Of als een groote of kleine kerkvergadering in
een geschreven geloofsbelijdenii en in zoogenaamde formulieren
van eenigheid een »van Gods wege geopenbaarde leer der zalig-
heid« opstelt en formuleert en den eisch stelt: Onderschrijf
deze en wij verzekeren u, dat gij tot de geloovigen behoort!
Zoo zou men immers het geloof van buiten kunnen Ieereu
en het tot een geheugenzaak verlagen, of het geloof tot redenee-
ringen en bewijsgronden herleiden en er een verstandszaak
van maken.
Wee dan het arme hart met zijn drang naar het onzienlijke,
met zijne angsten en nooden, zijne twijfelingen en smarten!
Waar het behoefte gevoelt aan koesterenden zonueschiju, zou
het zich tevreden moeten stellen met een papieren zou ! Waar
het vraagt om wat antwoord kan geven op zijne diepste ver-
zuchtingen, zijne angstige klachten, zijne den levensmoed ver-
terende twijfelingen, zou het moeten versmachten en verhon-
gereu, omdat de wateren des levens het worden onthouden en
het steenen worden gegeven in plaats van brood.
Neen, neen, zoo iets oppervlakkigs is het geloof niet! Geloof
is vertrouwen, vast vertrouwen aangaande hetgeen men hoopt
(Hcbr. 11 : 1). Het is overtuigd zijn van hetgeen men niet
ziet. Verstaat gij het? Overtuigd zijn, d. i. een getuigenis ge-
hoord te hebben, dat niet is te weerspreken en waarvoor uieu
-ocr page 12-
10
buigt als de waarheid. Zulk een getuigenis wordt gegeveu iu
liet innigste vau \'s menseken persoonlijkheid, in het heiligste
van zijn wezen, in bet hart, die geheimzinnige, rijke wereld
biunen in hem, met hare hoogten en diepten, met hare on-
doorgrondelijke bewegingen en haar krachtigen drang, waaruit
ziju de uitgaDgen des levens, in het geweten, de kroon van ge-
heel zijne godsdienstig zedelijke ontwikkeling.
O, het gebied van de dingen, waarvan men zoo overtuigd
kan ziju zonder dat men ze ziet, d. i. zonder dat men ze ziet
met zijne oogen en tast met zijne handen, is zoo groot. Zal ik u
iets daarvan noemeu ? Ziet, zoo zijn wij doordrongeu van de over-
tuigiug dat er is een zedelijke wereldorde, waar de beginselen
van waarheid en rechtvaardigheid, vrijheid en liefde heerschen.
Niets kan iu ons het vertrouwen dooven, dat de waarheid
op den duur zal blijken machtiger te zijn dan de dwaling en
de leugen ; dat de rechtvaardigheid allengs meer zal triomfee-
reu over het onrecht in zijn tallooze schakeeriiigen; dat de
vrijheid van lieverlede de banden zal verbreken van gezag,
dwang en geweld en dat bij haar alleen als het waarachtige
levensbeginsel al wat rein, edel en goed is tot ontwikkeling
zal komen; dat de liefde haar meerderheid zal toonen boven
de baatzucht en, naarmate hare openbaringen talrijker en krach-
iiger worden, niet slechts zal worden geëerbiedigd als de trouwe
troosteres onder het leed der aarde, als de goede engel die de
nooden en weeën lenigt waaronder duizenden zucbteu, maar
ook als de heilige macht, die het geweld der zonde zal verbre-
ken en hare heerschappij van lieverlede beperken. En uaar-
mate deze machten iu de wereld haar iuvloed meer laten gelden,
het leven meer als met den adem des heiligen geestes bezielen,
zal bet rijk der deugd zich uitbreiden, de ware godsdienst zjju
heiligende kracht openbaren, het godsrijk komen en iets ver-
wezeulijkt worden vau dat heilige ideaal, waarnaar wij telkens
onder \'s levens teleurstellingen weder hoopvol en blijmoedig het
oog opheffen, dat ideaal, waaraan Jezus klanken gaf, als hij sprak
van »het koninkrijk Gods*. Maar zoo zgu wij ook diep overtuigd,
-ocr page 13-
11
dat de meusch burger van die wereld is, dat ieder meusch op zich
zelf daar de grootste waarde heeft, dat ia hem sluimeren de edelste
krachten, die tot ontwikkeling moeten worden gebracht, opdat de
boeien des zin nelijken levens allengs losser worden en hij een
schrede nader kome aan die hooge bestemming, die haar schooue
vertolking vindt in het: > Weest volmaakt, gelijk uw Vader in den
hemel volmaakt is«. M. a. w. wij gelooven aan den adel van den
mensch als het kind Gods, geroepen tot zedelijke volmaaktheid.
En zoude ik hier zwijgen van onze innige, vaste overtuiging,
dat er is een hoogste, heilige Macht, een eeuwige Trouw, die
met wijsheid en liefde alles leidt, een hoogste zedelijke, zelf-
bewuste Kracht, wier aanwezen en werken wij niet het minst
speuren in het onderhouden en handhaven dier zedelijke we-
reldorde, die alles zoo heeft ingericht en regeert, dat het be-
autwoordt aan zijn doel; eene Macht, onuitsprekelijk en ondoor-
groudelijk, die wij God noemen en die ook ons leven met
wijsheid en liefde bestuurt? »Wie zal Zijns naams geheimenis
ontdekken, wie ontleden?* vraagt ook de waarachtige gelooyige
met den dichter, maar toch wordt hij gedragen, gesteund, ge-
sterkt door de overtuiging, ja, door de ervaring, dat die God
is en dat Hij regeert. In het licht van die overtuiging poogt
hij telkens zijn gansche leven te beschouwen, zijn strijd en
zijn vrede, zijn lief en zijn leed, de groote en de kleiue diu-
geu, die hem overkomen, alles wat daar rondom en met hem
gebeurt op het groote, veelbewogen wereldtooneel. — Dat is
het gemeenschappelijk geloof van de vromen uit alle tijden en
volkeu, in welke verschillende vormen ze die bewustheid, die
overtuiging ook hebbeu uitgesproken, zoowel van de helden, die
met hun leven hebben ingestaan voor de hoogste leyeusidealeii
als van de stillen en kleinen, die in eugen kring met teere
godsvrucht zich aan een nederige levenstaak wijdden.
Dit geloof nu heeft iu niemand edeler gestalte aangenomen
dan iu Jezus. Niemand heeft het duidelijker en verhevener ver-
tolkt, niemand zich zoo in zijn gansche leven door dit geloof laten
leiden eu bezielen als hij. Maar daarom eeren we hem ook als
-ocr page 14-
12
den grootsteu profeet des geloofs, daarom luisteren we altijd
weer naar zijn woord als het woord des eeuwigen levens, spie-
gelen we ons aan zijn voorbeeld, roemen we in de hoogste
geloofsdaad, die hij volbracht, als hij het beste dat hij had,
zijn leven, gaf voor de zegepraal der waarheid en zich liet
slaan aan het kruis. Hoe meer de geest, die hem bezielde, ons
doordringt, des te mannelijk fierder, maar tevens des te
teederder zal ons geloof worden, des te hooger wijding zal het
geven aan ons gansche zijn, des te volkomener zal het in ons
worden een macht, die dwingt en sterkt tot goede en edele
daden, des te machtiger zal het ons opleiden tot het innigste,
reinste gemeenschapsleven met God.
In de kracht van dat geloof \'s het, dat de evangeliedienaar
spreekt; daardoor wordt zijn arbeid geloofsgetuigenis. Omdat
wij gelooveu, daarom spreken wij ook. Waar? Overal waar
wij meeuen door ons woord de belangen van godsdienst en
christendom te kuunen bevorderen. Daarom treedt de evau-
geliedienaar de wouing zijner gemeenteleden binnen, tracht
hij hun vertrouwen te winnen, opdat hij onder allerlei levens-
omstaudigheden, ouder lief en leed, met zijn woord hun ter
zijde kan staan en hun de behulpzame hand kan bieden, om
ouder wel en wee gehoorzaam te blijven aan plicht en geweten.
Dankbaarheid te wekken voor genoten zegen en, waar men
wandelt op de hoogten der levensvreugde, daarin een rijke
gave van den God der liefde te zien, ziedaar de stemming, die
hij zoekt aan te kweeken. Maar zoo spreekt hij ook het woord
der vertroosting, waar men ter neer zit in de sombere valleien
van de smart, de zorg, den kom nier, opdat het vertrouwen op
de vaderzorg Gods ongeschokt blijvc. en de levensmoed liet
liart niet begeve; aan bet ziekbed om geduldig lijden te lee-
ren, opdat uit die sombere dagen de bloem vau verhoogden levens-
ernst opbloeie, en kranken en gezonden beide iets leereu ver-
slaan vau liet door lijden te worden gebeiligd en gehoorzaam-
beid te leereu uil het kruisdrageu, ten einde bjj herstelling
-ocr page 15-
13
met een rijker schat van levenswijsheid de taak te hervatten,
waartoe het leven roept. Zoo tracht hij het licht der hoop te
ontsteken, waar de dood kostbare offers eischt, opdat de stra-
len van dat licht de ledigheid in huis en de somberheid van
het graf verhelderen. Omdat hij gelooft, daarom spreekt de
evangeliedienaar het ernstig woord van waarschuwing en ver-
maning tot den mensch, die lichtzinnig en overmoedig de
slavenketenen der zonde draagt en poogt hij een stem te wek-
ken, die van beter dingen getuigt, die spreekt van plicht en
roeping om te strijden tegen hartstocht en lust, maar daar-
nra poogt hij ook den wankelende een steun te geven en
biedt hem telkens het bemoedigende woord en de hei-
pende hand, als hij weer is gestruikeld en zich zelven heeft
vergeten.
Omdat wij gelooven, daarom hechten wij hooge waarde aan
het godsdienstonderwijs en trachten dit er aan dienstbaar te
maken niet slechts om den blik op het hooge gebied van gods-
dienst en christendom te verruimen en te verhelderen, maar
ook om de harten te vormen tot godsdienstzin en vroomheid
en deugd. Omdat wij gelooven, daarom blijven wij in de kerk,
in onze Ned. Herv. kerk, trouw op de plaats, waar wij ge-
voeleu door God te zijn gesteld en geroepen om door ons woord
en geheel onzen arbeid daar het godsdienstig leven te wekken,
op te leiden tot de aanbidding Gods in geest en waarheid, tot
liefde voor al wat tot het blijvend en onvergankelijk gebied
des geestes behoort. En omdat wij gelooven dat die aanbid-
ding Gods in geest en waarheid slechts kan leven bij het echt
protestantsch beginsel van gewetensvrijheid, staan we onder
kwaad en goed gerucht voor dat beginsel pal, ontplooien wij
onbeschroomd en moedig onze banier en handhaven we ons
goed recht tegen allen, die komen »om te verspieden onze vrij-
heid, die wij hebben in C. J. onzen Heer, opdat ze ons tot
dienstbaarheid zouden brengen t. Met Paulus hebben wij vrij-
moedigheid te verklaren, »dat we voor hen geen oogenblik zijn
geweken met onderwerping, opdat de waarheid des evangelies
-ocr page 16-
14
bij u verblijven zoude (Gal. 2 : 4 en 5)» en wij voegen erbij:
wij zullen ook niet voor ben wijken.
Doch omdat wij gelooven, daarom oordeelen wij ook, dat
het godsdienstig leven niet besloten mag blijven binnen het
beperkt gebied eener kerk, dat christendom niet mag ontaarden
in kerkendom, maar zijn we overtuigd dat godsdienst en chris-
tendom een reddende, reinigende, zegenende, heiligende macht
zijn en meer en meer als zoodanig erkend moeten worden op
het groote, verwikkelde gebied van het maatschappelijk leven.
Daarom willen we, dat Jezus\' godsdienst niet slechts als het
evangelie der erbarming troost en hulp zal brengen aan de
slachtoffers van maatschappelijke misstanden en wauverhou-
dingen, aan die ellendigen, die diepgezonkenen, die in de
schaduw van de trotsche paleizen van de weelde, van de
groot-industrie, van het genot en de onmatigheid lichamelijk
en geestelijk, verstandelijk en zedelijk ondergaan, maar al te
vaak de lichte en weerlooze buit van gewetenlooze schelmen,
die speculeeren op hun zwakheden, maar we komen ook op
voor het recht van het christendom, om zijne stem te laten
hooren bij de beoordeeling, de uiteenzetting van die groote
maatschappelijke vraagstukken, die heden ten dage aller aan-
dacht trekken, en wij eischen erkenning en eerbiediging zijner
beginselen bij de pogingen, in het werk gesteld om eene be-
vredigende oplossing daarvan te vinden.
Maar genoeg; wordt zoo de arbeid des evangeliedienaars
een getuigenis geven van zijn geloof, wordt deze onverdroten
en onvermoeid volbracht met volkomen toewijding en zelfver-
loochenende liefde, — wordt hij dan niet een arbeid in den
geest en naar de beginselen van hem, die de vermoeiden en
beladenen tot zich riep, en overal en altijd het verlorene
zocht te redden, het zwakke te sterken en geheel het leven
beschouwde in het licht van het geloof in de liefde Gods ?
Groote Meester, wone uw heilige geest des geloofs in steeds
rijkere mate in ons!
Gez. 83 : 6.
-ocr page 17-
15
Hierna wordt de plechtigheid der bevestiging volbracht.
De bevestiger vervolgt tot den nieuwen leeraar:
Ontbreke bet u nimmer aan het geloof, aan de liefde, aan
den moed, aan de geestkracht, onmisbaar om dat »ja< gestand
te doqn. Rijk gezegend zij uw arbeid! Win vele harten
voor de heilige zaak van den godsdienst; ontplooi breed de
vaan van dat christendom, dat woorden des eeuwigen levens
heeft voor naar God dorstende zielen! Zie de toekomst vol
vertrouwen in haar geheimzinnig gelaat. Werk met God uw
werk en doe uw plicht. Wordt gij geroepen om te strijden,
strijd den goeden strijd des geloofs en blijf intusschen den
vrede liefhebben.
Heeft onder den invloed van het leed, dat u trof, uw gees-
tesleven zich rijker ontplooid, uw levensernst zich meer in de
diepte ontwikkeld, dat kome ten goede aan uw arbeid als
evangeliedienaar in de gemeente. Eu weet dit, dat uwe vele
vrienden en geestverwanten zich steeds zullen verblijden, als
zg van u mogen hooren, dat gij ook hier te Sliedreoht een
werkkring hebt gevonden naar den wensch van nw hart. God
zij met u!
En gij, gemeente! hoe ontvangt gij uwen uieuwen leeraar?
Een gedeelte — het is genoegzaam gebleken — niet onbe-
vooroordeeld, niet met welwillendheid. Mag ik u eens een vraag
doen? Gelooft gij (om met den Heid. Catech. te spreken) in
»de almachtige en alomtegenwoordige kracht van God, door
welke Hij.....alzoo regeert dat.....alle dingen niet bij
geval, maar van Zijne vaderlijke hand ons toekomen ? t Gelooft
gij dat waarlijk? Dan zult gij de komst en den arbeid van dezen
leeraar gewis ook aanvaarden als iets, dat u toekomt van Gods
vaderlijke hand, en dan mag men verwachten dat gij uw voor-
oordeel zult bedwingen. Waar gij wellicht zegt: >Ean er uit
Nazareth iets goeds komen?» en tot u komt de eisch Yan Pi-
lippus tot Nathanaël: »kom en zie», geeft aan dien eisch ge-
hoor. Ik boud mij verzekerd dat, als ge komt en ziet en
-ocr page 18-
16
hoort, ook gij tot de erkentenis zult komen: waarlijk, deze
prediker heeft een woord ook voor mijn hart, en dat gij
uwe onwelwillendheid wel zult laten varen. Leest er Hand.
V eens op na en overdenkt, of het woord van Garaaliël:
»Indien deze raad of dit werk uit menseken is, zoo zal het
gebroken worden, maar indien het uit God is, zoo kunt ge het
niet breken," ook voor u niet een wijze les bevat, die aller
behartiging verdient. En als gij dan in uw geweten de stem
mocht hooien: «Laat af van dezen man en laat hem begaan«,
luistert dan naar die stem, > opdat gij niet misschien bevonden
wordt ook tegen God te strijden !c
En zijn er anderen, die met hoopvol verlangen en blijde
verwachting de komst van dezen leeraar hebben tegemoet ge-
zien, — dat hunne ingenomenheid en geestdrift niet gelijk zij
aan een stroovuur, dat voor een oogenblik hoog en lichtend
opflikkert, maar weldra is uitgebrand en verteerd. Steunt gij
hem door belangstelling in zijn werk, staat hem ter zijde
overal waar het de bevordering geldt vau wat waar, rein en
goed is. God geve dat gij in zijne evangelieprediking moogt
vinden, wat de diepst gevoelde behoeften des gemoeds bevre-
digt, wat uw vroomheid inniger, uw geloof veerkrachtiger,
uw liefde overvloediger, uw leven reiner maakt.
Gemeente, niijne bede voor u is deze: dat in uw midden
meer èn meer kome het Koninkrijk Gods. Amen.
Ps. 66 : 10.
God zij altoos op \'t hoogst geprezen!
Lof zij Gods goedertierenheid,
Die nimmer mij heeft afgewezen,
Noch mijn gebed gehoor ontzeid!
-ocr page 19-
Voorzang: Ps. 139 : 14.
Na het voorlezen van 1 Kor. 13: 8—13, wordt gezongen:
Ps. 103 : 10.
M. H.! Ik sta gereed om mijn eerste woord tot u te spre-
ken, als uw godsdienstprediker en medevoorganger der gemeente.
Eindelijk staat hij vóór u, de vreemdeling, die ver van hier
herwaarts is gekomen, een hoogst gelukkigen werkkring, een
onvergetelijke gemeente verlatende, doch die aan de mogelijk-
heid niet wanhoopt hier veler vriend en vertrouwde te worden.
Ja, eindelijk treedt hij voor u op, de man, door niet weinigen
geweuscht, door anderen met twijfelmoedigheid verbeid, door
sommigen, om leerstellige redenen, reeds veroordeeld, alvorens
hij van deze plaats nog een woord had gesproken, te licht
bevonden, ofschoon hij zich nog geenszins op de weegscha.il
van bevoegden en onbevoegden had nedergezet. — Wat dit
laatste betreft, wanneer toch zal de tijd zijn aangebroken, dat
allen, die den Christennaam belijden, hunne leerstellige kra-
keelen moede zijn, opdat, te midden van dien onzaligen strijd,
wat minder worde verwaarloosd het allerhoogste en allerhei-
ligste in de wereld, dat is: de liefde, de volkomen toewijding
des harten aan God, aan het goede en den medemensch!
Inderdaad, als geestverwant van den waardigen Van
dsr Lee, wiens opvolger ik ben en wiens navolger ik in vele
opzichten wensch te worden, heb ik gegronde hoop een klein
deel van die belangstelling en welwillendheid te zullen ont-
vangen, die hij zoo ruimschoots heeft genoten.
i
-ocr page 20-
18
Ik noemde die hoop «gegrond,* en, naar ik meen, terecht.
Want, zie, in een aanzienlijke gemeente als deze is het toch
oen natuurlijke zaak, dat het godsdienstig-kerkelijke leven zich
in vele en velerlei vormen openbaart, zooals het dan ook wer-
kolijk doet. ])e een gaat dezen, de ander gaat dien kant uit,
een iegelijk naar zijn aard, zijn geestesontwikkeling en levens-
beschouwing, doch allen, dit mogen wij toch onderstellen,
streven naar één doel: de zedelijke volkomenheid van zich
zelven en van het geheel. Welnu, ik treed hier in de eerste
plaats op, zonder de medewerking van anderen te versmaden,
voor hen, die in mijne godsdienstige denkbeelden de uitdruk-
king vinden van hun geloof. En zulk een optreden mag immers
noodzakelijk en goed worden genoemd! Want als de velen,
die hier gevonden worden, geen godsdieustprediker hebben,
die in hun gedachtenkring pleegt te denken, die hunne taal
weet te spreken, die hunne gebeden weet te stamelen, dan
zullen die velen immers verloren gaan voor het godsdienstige
en kerkelijke leven van dezen kring, tot schade van hen zel-
ven, tot nadeel ook van de gemeente.
Zoo kwam ik om te behouden en niet om te verderven, om
te vereenigeu en niet om te verwijderen. — Ook is het verre
van mij, dat ik mijne godsdienstige denkbeelden aan iemand,
wien ook, opdringen wil. Deze gedachte kwam nog nimmer
bij mij op. Ik kom hier slechts voor hen, die mij willen
hooren en door mij onderwezen, gesteund en getroost willen
worden: niet, om heerschappij te voeren over uw geloof, even-
min, laat ook dit u gezegd zijn, als ik mij ooit door anderer
geloofsmeeuingen zal laten oyerheerschen.
Want vrienden — vergunt mij, dat ik u thans reeds met dezen
titel toespreek — want vrienden, hoe zwart men mij wellicht
ook voor u heeft afgeschilderd, ik aanvaardde mijn taak met
zulke bedoelingen niet. Ik kom met goede boodschap, met het
Evrngelie der liefde, des vredes en der vrijheid, dat spreekt
»van Gods oneindige ontferming en van een hoop, die godde-
lijk is en rein en nimmer ondergaat;* ja, met dat oude,
-ocr page 21-
19
onverbasterde Evangelie, dat arm en rijk, hoog- en 1aagge-
plaatsten, de gansche maatschappij moet doordringen, vernien-
wen en heiligen.
Daarom, wat ik u bidden mag, schort toch uw oordeel een
kleinen tijd op; » oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt!«
En als gij na dien »kleinen tijd* naar waarheid kunt getuigen:
die man heeft niets om ons te geven, niets om ons geestelijk
leven te wekken en te versterken, niets om ons bevrediging
en kalme, geloovige onderwerping te schenken te midden der
harde slagen van het lot dezer wereld, niets om ons los te scheu-
ren van de aarde en op te voeren tot den hoogen, heiligen
God, — dan, ja dan veroordeelt hem, want dan is hg ook
verwerpelijk, als prediker van den godsdienst, als voorganger
der gemeente.
Och Vr.! laat ons toch met blijden moed te samen aan den
arbeid gaan. Het beste wat ik heb zal ik u gaarne geven met
al den ijver, dien God in mij wil doen ontbranden. Doch als
ik zulk een ijver zal kunnen betoonen, dan stel ik deze voorwaarden
en deze ook alléén: dat gij bereid zijt te eerbiedigen mijne
godsdienstige overtuigingen, die ik maar niet in een boozen
of goeden luim mij heb eigen gemaakt, maar die ik met in-
spanning en strijd, na ernstig wikken en wegen, met de hulp
van God, mag ik zeggen, verkregen heb; dat gij den ernst
mijner bedoelingen en de heiligheid mijner voornemens niet
in twijfel trekt; dat gij mij waardeert en vertrouwt, gelijk ik,
van mijne zijde, u waardeeren en vertrouwen zal.
O zeker, waar het wantrouwen is gaande gemaakt, »daar
ziet men niet meer met gezonde oogen, daar hoort men niet
meer met gezonde ooren, daar voelt men niet meer met ge-
zonde harten, € daar heerscht verdeeldheid en wanorde. Maar
als de band, die leeraar en gemeente samenbindt, een stevig
snoer ,svan liefde en vertrouwen kan genoemd worden, dan woont
er steeds — ik heb het iu mijn vorige gemeente zoo ruimschoots
ondervonden — waarachtig geluk en duurzame vrede, dan
gebiedt de Heer er zijn onmisbaren zegen.
-ocr page 22-
20
Komt, laat. ons don zogen van God dan afsmeeken over
ons werk, na n eerst te hebbon medegedeeld, dat ik mijne on
uwe gedachten verde* wenscb vast te knoopen aan hot woord,
dat wij lezen in Joh. 6 : 68c: *Heer! tot wien zullen wij henen•
gaan\'\' gij hebt de woorden des eemvigen levens.*
Het is een bekend verhaal M. H.! dat de 4<te Evangelist
ons schetst omtrent een rede van Jezus in de synagoge te
Kapernaüm, handelend over het »brood des levens.* Velen
ergerden zich aan zijne woorden en zeiden: »deze rede is hard;
wie kan er naar hooren?* En terwijl een aantal vau de leer-
lingou teruggingen en niet meer met den Meester wilden
wandelen, trad Petrus op als woordvoerder der twaalve, uit—
roepende in blijde verrukking en vaste verzekerdheid des ge-
moeds: tlleer! tot wien zullen wij henengaan ? gij hebt de woorden
des eeuwigen levens
.....«
Het moet een treurig gezicht geweest zijn, toen velen van
Jezus1 discipelen hem verlieten en niet meer met hem wilden
wandelen, omdab zij hem kwalijk begrepen, of— kwalijk wilden
verstaan. O, met welk een heilige geestdrift hadden zij een-
maal hun havo on goed, ja, het liefste, dat zij hadden, vaar-
welgozegd, om don nieuwen godsdienstprediker in Galiléa te
vergezellen, overal waarheen hij zich begaf. Hij sprak niet
anders dan uit de volheid van zijn eigen diep en rein gemoed;
hij wist zoo te boeien en te treffen, te troosten en te sterken;
hij was als een engel uit den hooge, die voor een poos op de
aarde vertoefde, zoodat men alles wilde ten offer brengen, om
bij en met hem te zijn. Maar nu? — Men begreep hem niet
of men wilde hem niet begrijpen. Eu zie, daar gingen zo heen,
de een na den ander, een iegelijk weldra aan zijn eigen arbeid.
De visschers trokken weer hunne visschersscheepjes in zee, de
tentenmakers aanvaardden weer hun tentenmakersbedrijf, de
tollenaars gingen weer de belastingen innen voor de zoozeer
gehate Romeinen. Inderdaad, een treurig gezicht dat heengaan
van den Meester, geboren uit misverstand, \'t welk ook mi nog
-ocr page 23-
21
zoo\'n bron van verwarring, van verdeeldheid en wanorde is
in kerk en staat en maatschappij.
Evenwel, daartegenover staat Petrus, thans een schoone en
kloeke figuur. Voor ditmaal hield hij stand; ja, nu was hij
een rots, een Petrus in den echten zin, want welgemeend is
zijne belijdenis, dat iemand nergens op aarde een veilige toe-
vlucht kan vinden dan in de gemeenschap met Jezus, die
woorden des eeuwigen levens sprak.
Het komt mij voor, dat leeraar en gemeente, niet minder
dan Shnon Petrus, in deze belijdenis moeten vaststaan. Wat
mij betreft, ik sta hier volkomen vast iu. Zóó vast zelfs, dat
ik mijue betrekkiug als godsdieustprecliker geen oogenblik
laugcr zou willen vervullen, indien ik de christelijke leveus-
waarhedcu niet als het hoogste en beste, als het óéue noodige
kon erkennen. Eu de gemeente!— wat zij is, dat is zij door
den christelijken geest; en wat zij eenmaal moet worden, dat
moet zij worden door hem alleen. Of kent gij een hoogor
levensideaal, dan hetgeen wij het Christendom noemen? Of
kent gij een schoouer en duurzamer rijk dan het Godsrijk,
dat Jezus stichtte? Of keut gij een sterker en zachter baud
dan de baud van liefde en vertrouwen, dien hij om allen
heeft geslingerd?..... Ik niet. Gaarne wil ik, als ejn mijner
onwankelbare grondbeginselen, uitspreken het bekende aposto-
lische woord: »Een audercu grondslag kan niemand leggen
dau die gelegd is, welke is Jezus Christus«.
Voorwaar, de Christusgeest komt dagelijks als het ware tot
ons, hij laat ons zijn woorden hooren, hij doet ons zijne daden
aanschouwen. Zijne woorden hebben eens als bliksemstralen
geflikkerd in een duisteren nacht en zijn ook thans nog mijl-
palen te noemen op het levenspad der stervelingen. En wat
zijne daden aangaat, de zinnelijke, zelfzuchtige meiisch ver-
ueenit haar niet anders dau met schrik en ontsteltenis, de
vrome viudt er een onmisbare versterking in voor zijn geloof
en de zondaar beeft en siddert, wanneer hij zijne daden aan
die van Jezus gaat toetsen.
-ocr page 24-
22
Neen, wij behoeven \'t elkander niet te ontveinzen, dat onze
bedendaagsche tijd, bij al bet goede en gelukkige, dat bij te
genieten geeft, door niet weinig droevigs en onrustwekkends
wordt gekenmerkt. Eén der kenmerken van onzen tijd is
zeker gebrek aan godsdienstzin, aan heilige, blijvende geest-
drift voor de hoogste goederen des levens, aan eerbied voor
de heilige dingen. Wie zal, wanneer hij zonder vooroordeel
denkt en spreekt, niet onomwonden moeten verklaren, dat
thans bij talloos velen de gedachten geenszins bij voorkeur
omhoog plegen te gaan! — Vooruit! Aan dit wachtwoord is men
in vele opzichten gaarne getrouw, doch de ernstige leuzen: Ga
eens in de hoogte! Steek eens af naar de diepte! worden niet
zeer gaarne gehoord.
Verbeeldt u eens, dat de groote Meester iu onze dagen eens
wederkwam, dat hij nóg eens zijne reine lippen opende en sprak
op deze wijze tot de kinderen van dit geslacht: Broeders en
zusters, ik heb voor u gepredikt: »Zalig zijn de vredelievendeu,
want zij zullen zonen Gods genoemd worden;* ik heb mijn
leven toegewijd aan de taak, door God mij opgelegd, om u
samen te brengen in één groot en heilig broeder* en zuster-
bond, waarin het streven naar liefde en zedelijke reinheid de
band is, die allen vereenigt; ik heb voor u gebeden met al de
innigheid en warmte mijner ziel, dat gij één moogt zijn, ge-
lyk God in mij en ik in God, — hoe hebt gij dat nu vol-
bracht in een tijdsverloop van bijna negentien eeuwen?........
Wat zouden wij dan antwoorden bij het hooren van zulk een
ernstig woord?..... Zouden wij ons dan niet moeten schamen
over al den strijd en al de verdeeldheid, die onzen tijd beroe-
ren, over zooveel zonde en schande, die ook in deze dagen
worden gevonden? Mij dunkt, het antwoord zou onvoorwaar-
delgk bevestigend moeten luiden. Want, waarlijk, de beste on-
zer faalt nog, als \'t er op aankomt om zijne schatten te
tooneu van geestkracht en volharding, van rechtschapenheid en
vroomheid, van onderlinge waardeering en broederzin ook in
de noodeu des levens, schatten, die sedert het groote feit, waar»
-ocr page 25-
23
aan onze jaartelliug herinuert, het hart der menscheu hebbeu
verlicht en gevormd.
Gewis, iu ouze beste oogenblikken, dan willen wij, dat dit
alles anders zal worden; dan willen wij gaarne medewerkers
zijn aan de komst van het rijk Gods op aarde; dau valt er
een lichtstraal in ons duister hart, dat de stille verzuchting
slaakt:
Wachter op de heiige muren,
Wachter! wijkt nog niet de nacht?
Ach! wij tellen rust\'loos d\' uren
Tot ons d\' ochtend tegenlacht.........
Tot wien zal een leeraar de gemeente dan leiden in zulke
uogeublikkeuï — Tot niemand anders en beter dau tot Jezus,
wiens woorden immers zijn weggezonken in de ziel van mil-
lioenen menscheu, omdat zij klanken geven aan het »onuit-
sprekelijk woord,« dat in ieder menschenhart geschreven
staat; omdat zij de getuigenis der waarheid iu zich zelyen
dragen; omdat zij de weerklank zijn van de woorden des eeu-
wigen Gods.
Komt gemeente, te samen naar dien leidsman heen! »Als
wij hem Meester noemen,« aldus heeft de beroemde Theo-
dore Parker naar waarheid opgemerkt, »dan mogeu wij niet
ziju onderwijs versmaden; als wij hem met Beer betitelen, dan
mag niet worden verworpen ziju godsdienst der liefde: weezen
en weduwen te bezoeken in hunnen druk en zich zelveu on-
bevlekt te bewaren van de wereld.*
Gez. 49 : 5.
Zoo moeten de christelijke leeraars van onzen tijd de ge-
meeutcn telkens weer henenleideu naar die oude, maar nog
niet verouderde levensbeginselen, welke door den stichter des
Ohristoudonis iu de wereld zijn uodergelegd. Het Evangelie
van Jezus, niet de latere, vaak gebrekkige toevoegsels lot en
bespiegelingen over dat Evangelie, maar de blijde boodschap van
-ocr page 26-
24
Jezus, zooals hij haar zelf gepredikt en in beoefening heeft ge •
bracht, is nog altijd »een kracht Gods tot behoudenis voor
ieder, die gelooft.»
O, men pleegt in deze eeuw, gelijk ik straks heb opgemerkt,
zoo wondergraag van vooruitgang te spreken. En dat is ook
natuurlijk; wie zou hiervan niet met blijdschap gewagen? Maar
toch, al zou ik niet gaarne tot de achterblijvers op eeuig ge-
bied des levens willen gerekend worden, ik doe niet mee met
hen, die roepen, tot eiken prijs en zoo luide zy slechts kuu-
uen, van: Vooruit! en altijd maar weer dat vaak ondiepe,
hoogst oppervlakkige Vooruit! Niet alleen tot hen, die gods-
dieust »onverstand c noemen en fijn of grof plegen te spotten
met iedere uiting van het vroom gemoed, doch ook tot hen,
die het echte Christendom, zij het wellicht onbewust, hebbeu
verruild voor miu of meer wijsgeerige beschouwingen, ja, tot
die allen zou ik willen zeggen: terug, ik bid n terug! — lloe-
ver terug, — drie honderd jaren ? Verder! Tot den tijd der Her-
vorming iu de lGde eeuw? Nóg verder! Tot het apostolische
lijdvak? Wederom nóg verder!—Tot Jezus terug! Want van
hem en vau geen ander staat geschreven, dat hij woorden des
eeuwigen levens sprak, en dat iu hem alle geslachten dei-
aarde zullen gezegend worden.
Welk een geheel ander aanzien zou onze «jansche maat-
schappij, zou iedere Christelijke gemeente verkrijgen, indieu
men zich met den godsdienst van Jezus, van hem alléén en
vau hem geheel tevreden stelde; indien men hart en leven
wilde toewijden aan dat alles eu allen herscheppende Chris-
tendom, dat ons bij monde vau ziju nooit volprezen stichter
zoo klaar eu waar, zoo eenvoudig, rein en verheven toeroept,
slaat er uw bijbel maar eens op na: »Gij zult den Heer uwen
Oud lief hebben met geheel uw hart, eu met geheel uwe ziel,
en met geheel uw verstand; dit is het groote en eerste gebod.
En het tweede, aan liet eerste »gelijk,« is : »gjj zult uwen naaste
liefhebben als u zul ven. c Of ouk dit: >V\\\'at gij wilt, dat de
meuscheu u doen, doet gjj huti uok zoo.f Of dat andere:
-ocr page 27-
25
• Zalig do reinen van hart. want. zij zullen God zien: woest
gij dan volmaakt, gelijk nw hemolsche Vader volmaakt is!<
Groote Meester, tot wien zullen wij henengaan, gij bebi do
woorden des eeuwigen levens met uw leven bezegeld, in nw
bloed gevestigd. Hoe ver wij ook gescheiden zijn in rang en
stand, in richting en levensopvatting, hierin kunnen wij cl kan -
der allen ontmoeten, een iegelijk langs zijn eigen weg, in het
streven naar de verwezenlijking van uw reinen godsdienst op
aarde; kome uw koninkrijk !
Zóó is het inderdaad. De godsdienst van Jezus moet wer-
kelijkheid worden in de gemeente. Hierop moeten de predikers
van den godsdienst ja, maar hierop moeten ook de leden der
gemeente bedacht zijn. Vroegere geslachten hebben hun best
gedaan om de christelijke grondbeginselen voor het denkend
verstand te rechtvaardigen, en hiervoor zijn wij hun dank
verschuldigd. Doch het is mi overal de tijd, om in toepassing
te brengen, om met »hart en dafiu« te beleven, wat eens in
de groote ziel van den onsterfelijken Zoon des menschen is
omgegaan en wat hij aan gansch de menschheid heeft vertolkt.
Een Duitsch rechtzinnig godgeleerde heeft eens het juiste
woord geschreven: »met gloeiende woorden gelnigeniv af tK
leggen
van het christelijk geloof, dat is zoo moeielijk niet; maar
dit is moeielijk en tevens schoon, om in het midden van de
gemeente en binnen de vier muren van ons huis te bewij:en,
dat, Christus\' jongeren vredelievender, gedienstiger en geluk-
kiger zijn dan andere menschen.» — O, vriendeu, ik zoude wel
willen, dat ik een groote bazuin had, waarmee ik deze woorden
kon doen klinken in paleis en hut en overal, waar menschen wo-
nen, wier gemoed voor de macht der waarheid nog ontvan-
kelijk is.
M. H.! Al ben ik niet geroepen de innigste gedachten van
mijn hart en de diepste roerselen mijner ziel aan iemand, wien
ook, te openbaren, dit wil ik n wel zeggen: ik heb voor het.
oog van den heiligen, alwetenden God in de stilte van mijn
binnenkamer, den duren eed gezworen, dat ik, naar mijne
-ocr page 28-
26
beperkte krachten, de christelijke vroomheid zal brengen in
mijn hart en in het uwe. Die christelijke vroomheid tot een
macht te maken voor uw maatschappelijk, huiselijk en per»
soonlijk leven, dat zal mijn ernstig streven zijn, God helpe mij!
Moge dit streven ook het uwe kunnen heeten, om \'t even
hoe gij denkt of wie gij zijt!
Ontplooi u dan in ons midden, heilige vaan van het Christen-
dom en roep ons toe, over alle scheidsmuren heen, des Chris-
tens wachtwoord voor alle eeuwen : > Voorts broeders en zusters,
al wat waarachtig, al wat eerwaardig, al wat rechtvaardig,
al wat rein, al wat beminnelijk is, al wat wélluidt, welke
deugd en welke lof er ook is, zijt daarop bedacht!* — En
Gij, oneindige Geest, die gezeteld zijt in het licht en U om-
gordt met waarheid, zend Uw licht en Uwe waarheid van
boven, opdat wij U ter eere denken, spreken, werken en
wandelen mogen.
Na het uitspreken dezer rede worden, op de gebruikelijke
wijze, verschillende colleges en bijzondere personen toege-
sproken. Daarna richt de spreker nog het volgende woord tot
de gemeente:
Mijn laatste woord zij tot u! — Tot wien zullen wij henen-
gaan, als wij bevrediging zoeken voor onze hoogste en hei-
ligste levensbehoeften?...... Gij hebt het antwoord vernomen:
tot hem, »vau ganscher harte,* die woorden des eeuwigen
levens sprak..... Schenk mij in dat bewustzijn aanvankelijk
uw vertrouwen ; roep mij in uwe woningen, in dagen van
moeite en smart; zend mij uwe kinderen, groot en klein, ik
zal hen niet >bederven,* doch, naar mijne beste krachten, hun
verstand verlichten, hun hart verteederen, hun karakter vormen,
hun gemoedsleven ontwikkelen ! — Gemeente van Sliedrecht, ik
aanvaard mijn moeielijke taak met de reinste bedoelingen, met
de heiligste gezindheden, onder biddend opzien naar den hooge.
Neem mij, zooals ik ben, ik zal mij met u vergenoegen. Amen.
Gez. 127 : 5.