-ocr page 1-
nïyrt /Ï04&
&
^/é^-3srr>«/.
1111
w
Kil
FEESTREDE
OP DEN TIENDEN VERJAARDAG
VAN\',.
I K, II, DE KRO()\\PRL\\SES DER NEDERLANDEN,
•GKHOÜDBÜ DOOK
Dr. W. BAVBRKAMP,
Predikant te Bergen op Zoom.
(Uitgegeven ten voordeele van een ongelukkige.)
THOIKS
J. M. C. P O T.
1890.
-ocr page 2-
\\
-ocr page 3-
JU Sf ïi BE
II11
FEESTREDE
OP DEN TIENDEN VERJAARDAG
VAN
11, K. II. DE KROOKI\'RIW DEK NEDERLAAW
AW \\
BEHOUDEN DOOK
1 A -w#vU
Dr. W. HAVERKAMP,
Predikant is Bergen op Zoom.
(Uitgegeven ten voordeele van een ongelukkige.)
T H O L K N
J. M. C. POT.
1890.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
EEN WOORD VOORAF.
Gaarne liet ik mij vinden, om hel woord, dat ik op 31
Augustus jl. roor mijne Gemeente sprak, door den druk algemeen te
maken, niet omdat ik meende, dat deze rede voldeed aan de hooge
eischen, die aan een „preek" mogen en moeten gesteld worden, maar
omdat ik naar aanleiding van den Nationalen feestdag een en ander
gezegd hel, wat ik meen, dat ook in wijder kring wel gehoord en over-
wogen mag worden.
Bovendien werd mij door den Uitgever even welwillend als
belangeloos door deze uitgave hel uitzicht geopend, om een werk der
liefdadigheid voort te zetten, waarin ik nu bijna drie jaren lang
door vele vrienden, zoowel builen als in mijne Gemeente, werd gesteund:
de opvoeding van een achterlijk meisje vit den werkmansstand onzer
Gemeente in hel „Geneeskundig Geslicht voor Minderjarige Idioten"
te \'s Gravenhage. Waar ik telkens duidelijker de zekerheid erlang,
dat het lieve meisje in dit gezegend gesticht, zich boven wenschen en
denken naar hart en verstand ontwikkelt, daar heb ik vrijmoedigheid,
om ook door deze uitgave te trachten een bijdrage voor dit nuttig
werk te verkrijgen.
En welke preek zon voor dit doel zich beter leenen, dan eene,
waarin orer
\'t Huis van Oranje gesproken wordt, welks vorsten zich
steeds beijverd hebben, veler nooden te lenigen en veler leven gelukkiger
te maken?
W. H.
B. o. Z., 3 Sept. \'90.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Den hoogen God alleen zij eer!
Elk kniel\' voor Hem aanbiddend neer,
Elk moet Hem dank bewijzen.
Ja, Hem die ons zoo eind\'loos goed
Verzorgt en in gevaar behoedt,
Moet al het schepsel prijzen.
Heft aan, heft aan, roemt Zijn gena!
Hij sloeg ons mededoogend ga,
Hij schonk ons Zijn bescherming.
Zingt dan den hoogen God ter eer!
Aanbidt Hem! buigt u dankend neer!
Looft God, looft Zijn ontferming.
(Gez. 2 v. 1.)
Gebed.
Niet waar? Gemeente, Gij weet welk het onderwerp is, waarvoor
ik heden Uwe aandacht kom vragen: in alle bedehuizen van ons
Vaderland wordt heden over \'t zelfde gesproken en ook de duizenden,
die geen bedehuis bezoeken, denken aan dezelfde zaak, die op dezen
dag onze harten beweegt. Van Nederland geldt op dezen laatsten
Augustusdag, wat in December van het jaar 164 v. C aangaande
Israël door den dichter van Ps. CXVIII werd getuigd:
z/In de tenten der rechtvaardigen is eene stem des gejuichs
en des heils"
en zooals hij den redder zijns volks, Judas den Makkabeër, aan het
einde van zijn lied een zegenend welkom toeroept, zoo dringt al
wat in ons is, ons, om op dezen dag onze tienjarige Kroonprinses
van harte toe te roepen
„Wij zegenen u uit het huis des Heeren."
fPs. ÜXVITI v. i5" en 26b.)
-ocr page 8-
6
\'t Is waarschijnlijk zeven jaar geleden, \'t Is een regenachtige
Zondag in April; de Koninklijke familie vertoeft in Amsterdam;
is morgens hebben de Koning en de Koningin met hun gevolg in
de Nieuwe Kerk de godsdienstoefening bijgewoond, maar nu belet
hen de staag neervallende regen, om het gewone bezoek aan de
diergaarde te brengen. Er is dus op straat niets te zien van de
vroolijke drukte welke dit jaarlijksch bezoek pleegt te veroorzaken.
Toch stroomt een ontzaglijke menigte naar de noordwestzijde der
stad en vult van één ure af den weg, die van het spoorwegstation
naar het Paleis leidt. Die menigte groeit tot een ondoordringbare
massa aan, die niettegenstaande den steeds dichter vallenden regen
in afwachtende houding blijft. Zoo is \'t reeds over drieën: daar
dreunt een kanonschot en nauwelijks is dit geluid vernomen, of er
komt beweging in die dichte menigte en iets als een eerbiedig fluiste-
ren, als een nog onderdrukte juichkreet ruischt door haar heen van
straat tot straat en wordt luider naar mate de oogenblikken voorbij
kruipen. De beweging klimt tot onrust, \'t murmelend gefluister
wordt een zwellend gegons, totdat eindelijk een blij geroep van:
„Daar is zij, daar is zij!" uit alle monden opstijgt en alle hoofden
in ééne richting keert. En zie, daar komt een gesloten rijtuig aan,
alleen door een zestal politieagenten begeleid, \'t Beweegt zich maar
zeer langzaam en waggelt door de van alle zijden opdringende me-
nigte. Er is in dat rijtuig alleen iets wits te zien en toch gaat er,
waar het voorbijkomt, een gejubel uit de menigte op zóó blij, zóó
hartelijk, dat \'t alle harten trillen en alle monden mede jubelen
doet. Zoo bereikt het rijtuig de achterzijde van \'t Koninklijk paleis,
de Koningin komt zelf naar buiten en .... drukt haar kind aan
het hart. Eenige oogenblikken later vertoonen beide zich voor een
der vensters van de eerste verdieping en nauwelijks wordt een enkel
oog uit de menigte dat gewaar, of uit tien, honderd, duizend kelen
stijgt een donderend gejuich omhoog. Had een vreemdeling dat
gehoord en zou hij verbaasd gevraagd hebben naar de reden van
-ocr page 9-
7
dat gejubel, men zou hem met drift op dat raam hebben gewezen
en hadde hij dan nóg gevraagd: „Voor dat kind?" dan had die\'
juichende menigte niet geestdrift geantwoord: „Ja, voor dat kind,
voor ons Prinsesje, alleen voor dat kind ons gejuich!"
En voor dat kind gaan in deze week in vele plaatsen van Neder-
laud de hartelijkste juichkreten omhoog, maar ook hier in het huis der
aanbidding, waar we het menschelijk leven uit het verhevenste oog-
punt trachten te beschouwen is een stem des gejuichs en des heils
en zegenen wij haar met onze beste wenschen.
Hebben wij daartoe recht en reden? Is er geen dwaasheid in de
opgewondenheid, waarmede velen zich zoo warm maken voor dat
Koningskind? En blijft er van die geestdrift wel iets over, als \'t
nuchter verstand haar ontleedt?
Als antwoord gelde in \'t algemeen het woord van een geleerd
beoefenaar onzer vaderlandsche geschiedenis: „Er is een kern van
waarheid in groote volksaandoeningen, die alle lagen der maatschappij
gelijktijdig schokken. Een leugen heeft de eer niet, een geheel volk
te treffen, te beroeren, te bewegen. De overdrijving der opgewon-
denheid neemt de waarheid niet weg, die gevoeld wordt, al weet,
gelijk altijd, slechts een kleine minderheid ze in woorden te brengen."(*)
Evenmin bewijst de weerzin van enkelen, die alle geestdrift trachten
te ontzenuwen en belachelijk te maken, dat deze recht van bestaan
zou missen. Wat overdrijving is in de stem des volks, dat kan
natuurlijk niet gehouden worden voor een stemme Gods, maar op
dezen dag is van overdrijving zóó weinig sprake, dat wij zelfs hier,
waar wij alleen God mogen verheerlijken, voor die geestdrift ons
niet schamen. Daar wordt heden ook hier en daar de stem van
\'t koel redeneerend verstand vernomen, die ons toeroept: „Ditkind
is aan ieder ander kind gelijk." Wij hebben vrijmoedigheid, om
daarop te antwoorden: „Wij hebben er maar één zoo! Wij hebben
in Nederland maar één Koningskind!"
(*) Prof. Theod. Jorissen.
-ocr page 10-
8
En ging die stem des verstands voort, op hoogen toon ons toe-
tevoegen: „Wie weet, of dit kind zóó zal opgroeien dat \'t ons
land tot een zegen zal zijn?" dan antwoorden wij: „Daarvooris haar
aanleg te gelukkig gebleken; daarvoor ontvangt zij eene te zorg-
vuldige opvoeding." Bovendien zij behoort tot \'t doorluchtig huis
van Oranje, welks vorsten en vorstinnen, wat hen ook soms moge
ontsierd hebben, ons volk hebben lief gehad, innig en trouw. Avon-
turiers, gelukzoekers, zijn zij nooit geweest; \'t heil des Vaderlands
hebben zij gezocht en behartigd, en daarvoor zelfs \'t leven gewaagd.
Van deze liefde is ons Prinsesje de erfgename en al bleek het dat
deze Oranjetelg in later dagen het vorstelijk hermelijn bezoedelde
door dwaasheid of zwakheid .... het Nederlandsche volk, dat vóór alles
een Christelijke natie wil zijn, zal steeds zijne Oranjevorsten veel
vergeven, „omdat zij veel hebben liefgehad."
Daar is in Nederland in vroeger jaren een liedje gezongen, dat,
helaas, niet bewaarheid werd:
„Al is ons Prinsje nog zoo klein,
Alevel zal hij ons koning zijn!"
Deze stem des volks waagde zich aan eene voorspelling en bleek
iets anders te hopen dan God had beschikt: \'t Prinsje is gestorven,
voordat hij koning worden kon. De natie, die dichteres geboren
is, had te boud gesproken, maar dat neemt niet weg, dat men een
Koningskind meer Jan eenig ander pleegt te beschouwen in
\'t licht van zijn toekomst. Zoo ziet ook ons oog in onze Kroon-
prinses meer dan een kind: zij is onze aanstaande Koningin. Een
ander kind wordt, groot geworden, in eene betrekking geplaatst,
waarvoor \'t geschikt wordt bevonden, maar dit kind moet Koningin
zijn, moet regeeren. Geen kind wacht een moeielijker leven; allen
zullen haar daden zien, heel een wereld zal haar leven beoordeelen;
al waren ook haar aanleg en ontwikkeling middelmatig, van haar
wordt veel verwacht, van haar meer geëischt dan van een ander;
hoe een ander zich ook lusteloos terugtrekke uit het openbare leven,
-ocr page 11-
9
zij moet immer op den voorgrond treden en overal moet zij konink-
lijk zijn. Het is eene dwaasheid, \'t geluk van vorsten af te meten
naar \'t gemak, dat zij genieten, als zij in \'t openbaar verschijneu;
wie iets gelezen heeft van de geschiedenis van volken en vorsten,
vermoedt, gevoelt, dat niets zwaarder weegt dan een vorstenkroon.
Ook dit gevoelt ons volk bij \'t aanschouwen van het tienjarige
meisje, dat nu nog speelt aan den voet des troons, maar nu reeds
bij opvoeding en onderwijs leert gevoelen, dat een groote en zware
taak haar wacht. En als nu de stem van Neêrlands volk dat kind
ter eere jubelt, dan is de waarheid van \'t medegevoel in die opge-
togenheid; en hoor, de grondtoon van dat hartelijk gejubel is als
een stemme Gods vol kracht en majesteit: „Volk van Nederland,
blijf haar liefhebben, oordeel haar zacht, wil haar steunen, als zij
vroeg of laat haar zware taak aanvaardt: alzoo betaamt \'t een Christelijk
volk."
Een Christelijk volk?
Is niet Jezus gekomen om op te wekken tot barmhartigheid?
Is het Christendom niet de godsdienst der menschelijkheid, der
welwillendheid? Heeft zijn Stichter niet met nadruk der wereld
toegeroepen: „Wat gij wilt dat u geschiedt, doe dat ook aan een
ander?" Hebben ook wij niet gaarne, dat een ander ons, als\'t kan,
de zware levenstaak wat lichter maakt en is \'t ook niet onze vurige
wensch bij ons werk en bij onze fouten met zachtheid beoordeeld
te worden door hen, die ons omringen? En indien wij waren in
de plaats der koninklijke ouders, die hun kind liefhebben, zooals
Abraham zijnen Izaak „zijnen eenige" beminde, zou \'t ons dan niet
tot een onvergankelijke vreugde zijn, te weten, dat ons kind na
onzen dood met zachte vriendelijkheid en met sparende liefde door
haar volk zou bejegend worden?
Welnu, ofschoon woorden nog geen daden zijn en wij heden haar
alleen door woorden onze trouw en onze liefde kunnen betuigen,
laat ons ook en reeds hier de woorden overnemen, waarmee cle dich-
-ocr page 12-
10
ter van den I18den Psalm Judas den Makkabeër als Israëls toe—
koinstigen koning begroette en ons Prinsesje zijn zegen toezingen!
Maar wat zeg ik? Wat de dichter van dezen psalm niet vergat,
dat mogen ook wij niet voorbijzien: bij alle werk en woord, bij
feestlied als bij lofpsalm, zij het leste en beste een stem des volks
ter eere van dien God, die volkeren en vorsteu regeert. De dichter
moge aan zijn eerbied voor Israëls redder uiting geven door een
feestelijken welkomsgroet, hij eindigt zijn psalm toch met een hoog-
gestemd Hallelujah. Komt laat ons uit de verte ons Koningskind
groeten met de woorden:
«Wij zeeg\'nen u uit \'s Heeren woning,
Wij zegenen u al te zaam!"
om onmiddellijk daarop onzen beurtzang aan te heffen ter eere van
dien God, dien ook zij leert aanbidden:
«Gij zijt mijn God, U zal ik loven,
Verhoogen Uwe miijesteit!
Mijn God! niets gaat Uw roem te boven;
U prijz\' ik tot in eeuwigheid!
Laat ieder \'s Heeren goedheid loven,
Want goed is d\'Oppermajesteit;
Zijn goedheid gaat het al te boven;
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid!"
(Pa. 118 v. 13« en U.)
Maar genoeg wellicht over één persoon! Misschien hielden onze
gedachten zich reeds te veel met menschen bezig en zou het den
schijn hebben alsof wij vergaten, dat wij hier te zamen zijn geko-
men om den hoogen God alleen te aanbidden en te vereeren en
onze gedachten bij iets hoogers te bepalen, dan bij de vereering van
een mensch. Welnu, er zijn personen, die meer dan personen zijn,
namelijk de vertegenwoordigers van een gedachte, de verpersoonlij-
king van een macht of een toekomst. De meeste menschen zijn
alleen maar enkelingen te midden der groote menigte: golven, die
-ocr page 13-
11
even zich verheffen op de oppervlakte der zee, maar om weldra
spoorloos te verdwijnen. Maar daar zijn er enkelen, die, niet altijd,
omdat zij uitmunten, maar om de omstandigheden, waaronder zij
geboren werden, of om de plaats, die zij eenmaal in zullen nemen,
aller oogen tot zich trekken en wier lot en leven en doen en laten
in zeer wijden kring van invloed is. Zulk een persoon is ons
Prinsesje. Als ik er niet was of iemand uwer bestond niet, toch
zou de wereld niet minder goed haar gang gaan en een ander zou het
werk verrichten, dat thans door ons wordt gedaan. Ons sterven zou
slechts in kleinen kring ontroering teweeg brengen, maar stelt u eens
voor, dat ons Prinsesje niet geboren was, hoe geheel anders zou het er
dan in ons vaderland uitzien! Er zou een strijd ontbranden over
de vraag, wie ons regeeren zou, als de dood den scepter aan \'s Ko-
nings hand zal hebben doen ontvallen. Niet onwaarschijnlijk, dat
ons volk van het onverkwikkelijk schouwspel getuige zou zijn van
familietwisten in hooge kringen of van een omwenteling wellicht,
waarbij eigenliefde en eerzucht, als gewoonlijk, zouden trachten in
troebel water te visschen.
\'t Eenig overgebleven kind van Neêrlands Koning is daarom meer
dan een meisje alleen, nog iets anders dan slechts een persoon: zij
is ons de waarborg voor \'t voortbestaan van orde en vrede in ons
vaderland. Zoolang er nog een wettige troonopvolgster is, een
Oranjetelg, in wie \'t besef wordt gewekt en versterkt, dat zij ge-
roepen zal zijn, om, getrouw aan de spreuk harer Vaderen, wet en
recht te handhaven, hebben wij niet te vreezen, dat ons land een
prooi van willekeur en partijschap en \'t tooneel van onrust en wan-
orde worden zal. Daarom is er op dezen dag een stem des gejuichs
en des heils in de tenten der weldenkende Nederlanders en daarom
zegenen wij ook uit het huis des Heeren onze tienjarige Oranjetelg
als de waarborg van recht en tucht en orde.
En waarlijk: er] is vooral in onze dagen reden te over voor die
i
-ocr page 14-
12
stem des gejuichs, wanl. geruchten van onrust komen in grooten getale
tot ons en wanorde is er genoeg, verdeeldheid te over.
En de reden? \'t Is niet wel mogelijk alle oorzaken op te som-
men, die in verschillende omstandigheden en op allerlei gebied ver-
deeldheid teweegbrengen, maar de grondoorzaak is gelegen in
\'s menschen zelfaanbidding, in gebrek aan eenvoud, in eigenliefde....
in zonde. Vooral tegenwoordig meent bijna iedere onmondige, dat
hij het recht heeft over alles mede te spreken; de meesten meenen
„het reeds gegrepen te hebben"; zij houden hunne meeningen voor
onfeilbare waarheid en bestrijden of bespotten allen, die een andere
overtuiging zijn toegedaan. Waar zijn de Paulussen, die groot zijn
en het Godsrijk stichten, omdat zij wel gevoelen en zeggen durven, dat
„zij \'t nog niet gegrepen hebben" en „slechts ten deel e de waarheid
kennen?" Waar zijn de Maria\'s, die, arm van geest, eenvoudig en
leergierig zich nederzetten aan de voeten van haar Meerdere?
Wij zijn niet bestemd om te weten, wij zijn geschapen om te
leeren. Groot is niet hij, wiens hoofd gevuld is met kennis van
vele zaken, maar eerbiedwaardig is hij, die onophoudelijk zich inspant
om meer te weten en beter te worden.
Bovendien, gelijk „de Zoon des menschen," zijn alle menschenzonen
„gekomen, niet om gediend te worden maar om te dienen". Om te dienen
\'t recht en de waarheid en het algemeen belang. De Oranjevorsten heb-
ben alzoo willen dienen: zouden hun onderdanen dit verleeren?
Er zijn veel menschen, die weigeren te bukken, die zelfs een
tegenzin hebben tegen groeten. Indien deze zeggen dat zij God
liefhebben, zijn zij leugenaars: wie den Keizer niet wil geven, wat
des Keizers is, hoe zal hij God ooit geven kunnen, wat Godes
is? Wie weigert eerbied te betuigen aan zijn meerdere, is nog
niet in staat om in geest en in waarheid te aanbidden; alleen wie
zich klein gevoelt, kan groot worden en wie eerbied heeft is op den
weg, die tot de ware vroomheid leidt.
Maar onze Kroonprinses is nog meer voor ons. \'t Is geen wilde
-ocr page 15-
IS
knaap, die in \'t Koninklijk paleis wordt opgevoed voor de groote
taak, die hem wacht en reeds door zijn spelen geoefend wordt voor
\'t krijgsmansleven .... \'t is een meisje met lief gelaat en zachte
inborst, dat voorbereid wordt om den scepter eens met zachte hand
te omvatten. Zoo is zij ook in dit opzicht iets anders dan een
persoon: zij is ons \'t toonbeeld, de levende profetie van zachtheid en
welwillendheid.
Daarom ook is er op dezen dag een stem des gejuichs en des
heils in de tenten der weldenkende Nederlanders en ook daarom
zegenen wij uit het huis des Heeren dit hoogst geplaatste ouder
alle kinderen, wier immers om hunne zachtheid „het Koningrijk
der Hemelen is."
En waarlijk, zulk een beeld hebben wij vooral in onze dagen
noodig, waar onbescheidenheid en onbeschaafdheid maar al te
driest het hoofd opsteken. Brutaliteit is aan de orde van den dag:
schrijvers en sprekers schijnen er lust in te hebben, de platste
straattaal te gebruiken, om alzoo aan hunne denkbeelden te gemak-
kelijker ingang te verschaffen. Velen kennen geen hooger roem,
dan in het openbaar op alles te vitten, wat anderen heilig is, be-
lachelijk te maken en het onreine te verheerlijken. De onbescheiden-
heid neemt steeds grooter afmetingen aan: men eischt veel, soms
\'t onmogelijke, niet zelden \'t ongerijmde en pleit voor rechten,
zonder te erkennen, dat plicht voorafgaat aan recht.
Wanneer dan op een dag als dezen ons volk juicht ter eere van
onze Kroonprinses, hoort ge dan niet, hoe in die stem een stemme
Gods weerklinkt: „Nederlanders, waakt tegen onbeschaafdheid en
onbescheidenheid; oefent u in zachtheid en welwillendheid?"
En waarlijk, waar moet het heen, als onbeschaafdheid en ruwe
hartstocht \'t hoogste woord voeren in onze maatschappij ? Is niet
ook het schoone een gave Gods en het liefelijke aantrekkelijk voor
iederen mensch? Ten slotte zal ook de onbeschaafde liever luiste-
ren, wanneer de gedachten in schoone en welgekozen vormen worden
-ocr page 16-
14
voorgedragen, dan naar de taal der achterbuurten. De kunst en het
verhevene zijn daarom toegankelijk voor allen, omdat allen den
aanleg der beschaving in zich hebben. Dat niemand dien aanleg
verkrachte! Wat is het noodig, dat de kinderen, die in de ach-
terbuurten even beschaafd en bescheiden zijn als de kinderen der
aanzienlijken, zoodra zij den kinderschoenen ontwassen zijn, door
ruwe taal en onbeschaafde manieren vaak onzen weerzin wekken?
De bronnen der beschaving vloeien tegenwoordig zoo mild voor allen
in onderwijs, letterkunde, feesten en voordrachten: wie zich aan haar
laaft, zal steeds meer een Vorstelijken indruk maken en den aanleg
verwezenlijken, dien God hem gaf.
Ouders, gij hebt ook uwe Kroonprinsen en Kroonprinsessen: Gods-
dienst kan zonder beschaving niet bestaan: duldt daarom van hen
geen brutaliteit; laat hen gevoelen, dat ongemanierdheid eene armoede
is, veel schadelijker voor hun leven, dan schaarschte van geld; gij,
die zorgt voor de reinheid van hun lichaam, waakt toch niet minder
zorgvuldig voor de reinheid hunner lippen! Nederland zal gelukkig
zijn, wanneer \'t rein en beschaafd is, als zijn Prinsesje.
Eein en beschaafd, maar ook vriendelijk en welwillend. Aan-
matiging en vitzucht rooven te vaak het geluk der menschen en
der gezinnen niet alleen, maar ook den adel der zielen. Zooals we
op regenachtige dagen ons innig verheugen over ieder zonnestraaltje,
dat door de wolken breekt, zoo hebben wij allen behoefte aan den glim-
lach der vriendelijkheid en aan de koestering van een welwillend oor-
deel. Vitzucht en hardheid behooren niet thuis in het Koninkrijk
der Hemelen en wie zijn grootheid zoekt in het hatelijk uit- en
napluizen van aller daden en bedoelingen, moet reeds daarom vree-
zen voor het oordeel van God.
Jezus kon daarom eer en beter dan iemand anders Gods grootheid
erkennen, omdat hij Zijn goedheid had ervaren en gevoeld.
God vit niet op ons; Hij heeft geen lust in \'t optellen van
onze fouten; Hij is ons het aanbiddenswaardige, toonbeeld van
-ocr page 17-
18
het hoogste, dat we ons denken kunnen, omdat Hij veel door de
vingers kan zien. Dat ervaren we dagelijks en \'t doet ons goed;
en uit innige dankbaarheid klimt uit onze zielen de verheven en
waarachtige lofzegging naar boven: „Onze Vader, die in de heme-
len zijtl"
Kunnen wij ook welwillend zijn ? Kunnen wij ook veel door de
vingers zien? Kunnen wij vergeven en vergeten?
Ons volk stelde er voorheen prijs op, Gods volk te heeten ....
welnu: welwillendheid is uit den hemel en vergeven is een godde-
lijk werk. Dapperheid moge een volk vrij, geestkracht moge \'t groot
kunnen maken.... Gods volk wordt \'t door liefde, door vrouwelijke
welwillendheid alleen.
Groot is zeer zeker de Vorst, die schittert door bewonderens-
waardige daden; groot het genie, welks werken en gedachten te recht
verbazing wekken en van gezegenden invloed zijn .... maar te midden
van den stillen glans van het eenvoudigste hofleven groeit ons
Prinsesje op tot een grootheid en majesteit, die bestendig zullen
bewonderd worden, omdat zij in welwillendheid en weldadigdheid
haar roem zoeken en haar kracht.
En wij, hare toekomstige onderdanen, wij willen een groot volk
kunnen heeten....
Laat ons dan goed zijn!                                   AMEN.
N a g e b e d.
Bewaar, o Heer! ons volksbestaan!
Zie Neerland in ontferming aan
En deel uw heil ons mede!
Weer van ons vaderland het leed;
Laat ons, wat ook ons volk misdeed,
Den zegen van den vrede!
O! zie in liefde op Neerland neer
En blijf het trouw beveilgen;
Maar wil vooral uw naam ter eer,
Ons volk in Christus heilgen!
(Gez. 259 v. 6.