-ocr page 1-
•
, \\
•
-ocr page 2-
-ocr page 3-
OVER DE NIEUWE UITGAAF VAN DEN ZOOGENOEMDEN
ANONYMUS OP ONBEKENDEN SCHRIJVER:
„OVER DE VERHOUDINGEN, RECHTEN EN OORLOGEN"
„TUSSCHEN DE BISSCHOPPEN VAN UTRECHT"
„EN DIE VAN GRONINGEN, DRENTHE EN COEVORDEN,"
LOOPENDE VAN HET JAAR 1138 TOT 1232,
DOCH VOORAL OVER DE LAATSTE
VIJF JAREN, VAN 1227 TOT 1232.
Deze uitgaaf is bewerkt door Mr. C. Pynacker Hordijk
en onder den titel, dien men vertalen kan: //Zeker verhaal
//wegens Groningen, Drenthe en Coevorden en verscheidene
//andere zaken onder verschillende bisschoppen van Utrecht",
uitgegeven in de werken van het Hist. Genoots. gevestigd
te Utrecht, nieuwe serie n°. 49, bij Kemink en Zoon
te Utrecht, 1888.
Ongetwijfeld heeft onze oud-professor met deze uitgaaf
een zeer verdienstelijk werk verricht. De nieuwe uitgaaf
in de Monum. German. van Pertz , Tom. XXXIII, 1871,
door Weiland, onder den titel: //Daden der Utrechtsche
bisschoppen", staan niet tot ieders dienst en deze uitgever
vergist zich, als vreemdeling hier, soms erg in de plaats-
aanwijzingen; de oudere uitgaaf van A. Matthaeus in 1690
(herdrukt 1740) is, zooals vele zijner uitgaven, zeer onacht-
zaam bewerkt, hoewel zij nog niet zeldzaam op de aucties
of catalogen der antiquaren voorkomt en de fouten, die
deze uitgaaf in de plaatsnamen maakt, zich door iemand
-ocr page 4-
2
die in deze streken bekend is, licht laten verbeteren. A.
Matthaeus gaf er (vertaald) dit opschrift aan: //Geschied»
kundig verhaal over de zaken (toestanden en verhoudingen)
van \'t Stift van Utrecht en over den oorlog met de Coevor-
ders (en) Drenthenaren gevoerd, loopende van 1138—1233."
Deze titel is bepaalder dan de anderen. "Wil men een
titel plaatsen, dien geeft de schrijver zelf aan aldus: Facta
Episcoporum Trajectensium diligenter, fideliter et seriose
narrata, maxime de Groninge et de Trenthe et de Coevordia.
//Ernstig en getrouw geschiedverhaal der daden van de
//Utrechtsche bisschoppen, vooral wat Groningen en Drenthe
//en Coevorden betreft." Het woord facta neme men in
ruimen zin als bevattende de verhoudingen, rechten, gebruik
of stoornis van rechten, oorlogen, compromis deswege,
die tusschen de bisschoppen en Groningen en Drenthe
plaats vonden.
De titel van Weiland is te vaag, ook eenigzins die van
deze nieuwste uitgaaf. Ziet men op den inhoud van het
werk, dan is misschien de meest juiste titel: ïrnstig en
getrouw historisch verhaal van de daden der bisschoppen
van Utrecht, inzonderheid opzichtens Groningen, Drenthe
en Coevorden, wat betreft de verhoudingen, rechtstoe-
standen, gebruik en stoornis der rechten en oorlogen des-
wege, zooals die plaats vonden van het jaar 1139 tot 1232,
vooral echter de laatste vijfjaren, van 1227 tot 1232. De
meerdere juistheid van den titel zal later nog blijken.
Behalve door vorm, in octavo, en letter, beveelt zich
deze nieuwe uitgaaf aan door eene bijna altijd gelukkig
geslaagde tekstkeuze, en ook daardoor dat de uitgever nog
een handschrift meer kon gebruiken, dat aan Weiland
-ocr page 5-
3
onbekend was. Ook heeft de uitgever achter het werk een
verklarende lijst van plaatsen, personen, dagteekeningen
enz. gevoegd, die in \'t algemeen juist kan worden genoemd,
wat echter niet zoo algemeen van de voorrede kan gezegd
worden. Deze schijnt ons niet vrij van misvattingen, die
dan ook soms in de lijst daarachter worden herhaald.
Omdat in de aanhalingen bij andere schrijvers de kapittel-
indeelingen der uitgaaf van A. Matthaeus meer dan ander-
halve eeuw gevolgd worden, hadden wij ook gaarne tusschen
haakjes deze indeeling er bij vermeld gezien, om zoodoende
de aangehaalde plaatsen gemakkelijker te kunnen vinden.
Het voornemen bestaat in de volgende jaargangen van
dezen almanak wellicht eene vertaling van dit werk te plaatsen
ten gerieve van diegene, die het Latijn niet of niet genoeg
verstaan, waartoe schrijver dezes dan wel de behulpzame hand
wil bieden. Opdat echter die vertaling ook als bron kan
gelden bij de studie der Drentsche geschiedenis, zal zij
niet een sierlijke, maar een stijf letterlijke zjjn, en hij zal
zich daarbij van alle subjectieve kritiek en aanmerkingen
onthouden, om die bron door geen subjectivisme troebel
te maken. In dezen jaargang plaatst hij hier daarom, en
enkel in het belang der objectieve geschiedenis, eenige
aanmerkingen, vooral over de voorrede en verklarende lijst
achter deze nieuwe uitgave geplaatst.
Eer de uitgever zijne aanmerkingen op het werk des
onbekenden schrijvers maakt, spreekt hij over een en ander
uit de vroegere geschiedenis van Drenthe, en schaart zich
aan de zijde van diegenen, die meenen dat Drenthe eerst
-ocr page 6-
4
door Kakel den Ghoote met de Sakscrs tegelijk en dus na
772, onder het Frankische rijk werd gebracht; hij schijnt dus
Drenthe tot Saksen te rekenen. Hierover eerst een woord.
Ons schijnt het andere gevoelen aannemelijker, dat
namelijk Drenthe zooal niet geheel in 734, althans vóór
Kakel den Groote onder het Frankische rijk is gebracht.
Tot Drenthe behoorden ook Steenwijk en omstreken , alsmede
Stellingwerf, voor zoover dit niet tot het graafschap Staveren
behoorde, van welk graafschap Staveren later het kleinere
graafschap Kuinre (comitatus Cunere) en nog later de
heerlijkheid Kuinre, Urk, Schokland overbleef.
Deze streek, en ook vooral Vries (soms Frisia genoemd)
en de omstreken Norg, Eelde, Eoden, Eoderwolde enz.
wilden wij allerminst tot Saksen rekenen.
De onderwerping dier streek moet men wel met die van
het latere Bordego, waartoe ook Schoterland behoorde, welk
Bordego toen onder Oostergo gerekend werd, gelijktijdig,
of niet lang daarna stellen. Men vergelijke hierover op
meerdere plaatsen, de verhandeling over Eunen in den vorigen
jaargang, en de mededeelingen van het Overijselsch Genoot-
schap, Afd. 11, 124e stuk, blz. 4, 5, 8.
Dat noch Drenthe, noch Twenthe geheel tot het land der
Saksen behoorde, hebben wij even toegelicht in die ver-
handeling over Eunen, en wij zijn ook niet voornemens
dit hier verder te behandelen, maar wenschen alleen het
volgende op te merken.
Terwijl volgens het Saksisch erfrecht de oudste zoon
volstrekt geen voorrechten boven jongere broeders had,
zien wij in Twenthe nog als een gewoonterecht de oudste
zoon het geheele erf ontvangen volgens het recht der
-ocr page 7-
5
Franken, wat zich door de onverdeolbaarheid van het erf
als hofhoorig dus niet geheel laat verklaren.
Ook de benamingen hofmeijer, meijer, welke laatste naam
te Ommen nog in do 14*° eeuw voor schout gebruikt
werd, wijzen wel op Frankischen aard.
Verder moest volgens de wetten van Kabel den Groote
in het land der Franken aan elke kerk één waardeel in
do marke of meente toegewezen worden (unus mansus)
doch in hot land der Saksen twee weren of mansi. Over
de beteekenis van mansus, zie verslag der B6ste vergadering
van \'t Overijselsch Genootschap, 27 Oct. 1885, blz. 12, 15,
16 (mansi = mensurae, gemeds, maten, weren, portiones seu
comprehonsiones, bij vangen of waardeelen heeten hier weren,
ook wel hoefslagen, hocfdeelen.) Dit schijnt zoozeer ge-
woonto te zijn geworden, dat de bisschop in 1381 en in 1401
nog tot voorwaarde voor het oprichten eencr parochiekerk
te Stoenwijkerwold stelde, dat daaraan toegevoegd moest
worden //unum mansum terrae pratilis et campi in wari-
//schapiis, ut eorum verbis utamur, vulgariter een hoef-
//slag boulants ende in de weydo."
Zien wij nu do lijst der kerkgoederen in Drenthe na,
dan vinden wij, dat aldaar do oude en oudste kerken geen
tweo maar slechts één waardeel in de marke //te holte te
veno to velde" bezaten (zie Magnin, Kerk-Gesch. van Drenthe
op de namen der kerspels) b,v. Anloo, Borger, Bolde,
Diover, de vicarie te Vries eigendom des bisschops (denke-
lijk overblijfsel der eerste kerk daar). Zoo ook de eenigzins
later ontstane kerken Eeldo, Norg, Westerbork, Dwingeloo.
Sleen was geen der oudste kerken. Slechts Zweeloo had,
althans in 1580, geen waar in bezit, doch kan die met
verlof verkocht hebben.
-ocr page 8-
e
De uitgever schijnt verder, het prediken van Wilehadus
in Drenthe hierbij aanhalende, te onderstellen dat deze in
het door Kabel den Gboote onderworpen land, en mede
door dezen gezonden, heeft gepredikt, en dat hij kort voor 780
te Dokkum en in Drenthe arbeidde. Alle drie onderstel-
lingen gaan mank. Oostergoo c.a., waarin Dokkum, is
niet eerst door Kakel den Geoote onderworpen; niet door
Kabel den Gboote, maar door den bestuurder van het bis-
dom Utrecht, moet Wilehadus derwaarts gezonden zijn.
Te Oostergoo of Dokkum bleef hij kort, doch het langst in
Drenthe. Wij meenen in onze verhandeling over Bunen
genoegzaam aangetoond te hebben dat Wilehadus op zijn
laatst reeds in 765/766 te Dokkum aankwam, daar kort,
doch langer in Drenthe leerde, en het dus lang niet zeker is
dat hij eerst in 777 in Drenthe kwam preken; dat Drenthe
toen reeds over het algemeen christelijk was, toonden wij
duidelijk aan op blz. 63 en 64, zoodat hij dan ook aldaar geen
kerken heeft gebouwd, zooals hij wel te Wigmodia deed,
waar hij, mede op voorstel van Kabel den Gboote , nu
heen gezonden werd in 780. De onderwerping van die
streek en van Saksen heeft volgens zijn biograaf eerst na
zijn arbeid in Drenthe plaats gehad en Kabel hoorde daarna
eerst van zijne geschiktheid tot missionaris voor \'tSaksenland.
Immers letterlijk zegt zijn biograaf cap. VI: //Als hierop"
(namelijk nadat Wilehadus in Drenthe reeds een tjjd
met prediken bezig was, wat in cap. V verhaald wordt)
//Kabel, welke zich zoo dikwerf beijverd heeft het volk
//der Saksers tot het christengeloof te bekeeren, van den
//roep over den man Gods (voor \'t eerst) gehoord had,
//liet hij hem bij zich komen en zond hem naar een deel
//van Saksen" (dus was hij vroeger niet in \'t Sakseulaud
-ocr page 9-
7
werkzaam geweest) //in de Gou Wigmodia, om daar onder
//koninklijke volmagt kerken te bouwen, alwaar hij begon
//kerken op te richten en daarvoor priesters te verordenen."
Thans zullen wij bespreken wat de uitgever van den
schrijver en zijn werk zegt, dan wat hij over onjuistheden
in de chronologie, maar vooral in de mededeeling van som-
mige feiten zegt, en eindelijk de verklarende lijst achter
het werk behandelen.
De uitgever schijnt ons toe het doel en de strekking van
het werk niet juist gevat te hebben, en geeft vandaar zulk
een vreemd overzicht van het werk op bladz. XII, met als
inleiding te nemen wat geen inleiding enkel is, aanhangsel
te noemen wat vooral kern des verhaals is, en middenpunt
waarom zich alles beweegt wat slechts een der brandpunten is.
Worp van Tabob zegt dat de bisschop ze hier ter con-
ferentie had samengeroepen. Dat dit verhaal voor den
bisschop met ernst werd gedaan en in dien vorm door een
secretaris werd geredigeerd en opgeteekend, geeft het van
zelf reeds als het ware het karakter van officieele waarheid.
Bij zulke hardnekkige rebellie en herhaalden krijg tegen
de partij der rebellen, vooral door dezen bisschop de laatste
jaren gevoerd, was het van belang, dat alles juist en naar
waarheid werd geboekt. Het was de plicht des bisschops
als vorst en nog meer als hoofd der kerk hier te zorgen
dat de waarheid door geene scheeve voorstellingen werd ver-
duisterd, opdat de onderhoorigen daardoor eer gesticht dan
geërgerd, eer tot gehoorzaamheid dan tot rebellie werden aan-
gezet, en de tot rebellie gezinden het onheil juist konden
-ocr page 10-
•
8
overzien, wat hun opstand aan land en volk berokkend
had, waarbij men nog vele andere aannemelijke redenen voor
deze met zorg geleverde beschrijving kan voegen. Bisschop
Wilbband, die 3/4 jaar na deze conferentie overleed, en na
de laatste min of meer mislukte poging op den avond
zjjns levens de zaak, naar het schijnt, verder wilde laten rusten,
deed nu een verslag uitbrengen en door een braven Frie-
schen geestelijke op schrift stellen, dat men betitelen kan:
//Waarachtige beschrijving en verklaring der verhouding,
//daden en oorlogen, die tusschen het sticht van Utrecht
//en zijn bisschoppen en tusschen Drenthe met Groningen
//en de slotvoogden van Coevorden gedurende bijna een
//geheele eeuw, maar vooral de laatste vijfjaren, inzonderheid
//in den tijd van bisschop Wilbband hebben plaats gegrepen,"
door een Friesch geestelijke geredigeerd en dien bisschop
ter goedkeuring voorgelezen op eene conferentie van dier
zaken kundige mannen, daartoe den 30 October 1232 te
Groningen gehouden, waarna de bisschop in den volgenden
zomer, kort voor z\\jn overlijden, nog twee vrome stichtingen,
eene aan de S. Lambertskapel te Deventer en de andere,
de oprichting van het klooster Zwartewater, bij Hasselt,
voor de zielen der in zijnen tjjd in die oorlogen gesneuvelden
maakte en daarna op den 27 Juli overleed. Het recht des
bisschops te bewijzen was nietnoodig; niemand betwijfelde
dat recht, en dit was dus het doel niet, maar de w^jze van
uitvoering, de vreedzame of gestoor.de uitoefening van dat
recht gedurende een lange reeks van jaren, de oorlogen des-
wege, vooral tijdens dezen bisschop gevoerd, naar waarheid
te schetsen was het doel van dit geschrift, en om die laatste
oorlogen te rechtvaardigen en te verklaren wordt de neder-
-ocr page 11-
9
laag en moord van den vorigen bisschop zoo tragisch
geschilderd, terwijl duidelijk een evenzeer voornaam punt
was, om de juiste verhouding des bisschops tot de radbraking
van Eudolf van Coevorden in het licht te stellen.
De bisschop liet toe dat een bekwaam Friesch geestelijke
de redactie werd toevertrouwd om nog meer de ware toe-
dracht der zaak geheel objectief te toonen, al gaf hij ook
van de politiek-rechterlijke betrekking van Friesland tot
het Sticht eene beschrijving, die een Stichtsch geestelijke niet
zoo zou hebben beschreven, doch die hier niets ter zake
deed, en het edel en volgzaam gedrag zijner landgenooten,
zjjner Friezen (nostri Frisones), nog meer in het licht stelde.
Straks zullen wij hieruit trachten aan te toonen, dat A.
Matthaeus terecht zegt, dat de schrijver ongetwijfeld een
Fries was, tegen het beweren van onzen uitgever in.
Het is dan ook zeer onjuist gezegd door den uitgever
dat men onzen schrijver kan aanvullen, misschien wel ver-
beteren uit //het leven van den abt Sybeand van Mabien-
gaarde en uit de kronyk van Emo; neen, omgekeerd dient
men te zeggen, dat die berichten naar onzen schrijver dienen
te worden verbeterd, vooral die in het leven van Sybeand ,
dat Wobp van Tabor nog volgt, die maar van één ge-
vecht na den dood van bisschop Otto II schijnt te weten,
waarin de deken Hessel sneuvelde, en meent dat Eudolf
toen eerst is geradbraakt, hoewel dit niet uitsluit dat
later nog andere feiten konden bekend geworden z\\jn, b.v.
dat er verraders onder het leger des bisschops waren
geweest, wat echter ook onze schrijver van de afdeeling tyj
Bakkeveen meldt, alsmede dat eenige ongegronde praatjes
over den dood van Eudolf bleven bestaan.
-ocr page 12-
10
A. Matthaeus zegt, dat bij hem geen twijfel bestaat, dat
de schrijver of redacteur dezer geschiedkundige conferentie
een Fries was; de uitgever meent alles op zijne subjectieve
wijze te kunnen uitleggen, al was hij geen Fries, hoewel
hij wel wil toogeven, dat hij in het noorden van het Sticht
te huis behoorde. Wij houden het met A. Matthaeus.
Geen Stichtsch geestelijke zou hebben geschreven, zooals
onze schrijver, dat de bisschop geen recht had om de Friesen
ten strijde voor hem op te roepen, en dat zij niet tot dien
bijstand verplicht waren, wijl zij geheel vrije lieden zijn,
en van elk juk van dienstbaarheid, welk ook en van welken
Heer ook (al was het de bisschop van Utrecht) wien z\\j
zouden toebehooren, ontdaan en bevrijd zijn. Bladz. 71.
Dit was immers rechtens en ook feitelijk niet waar.
De zoo grondige en schrandere Kluit bewijst in zijn
Tom. 1, par. II. Hist. Crit. Excursio VIII, blz. 395,
vooral 410, 411, dat het mandeelig bezit van Friesland ,
van Oostergoo en Westergoo, hetwelk de graaf van Holland
en de bisschop van Utrecht hadden van dat land, nog in
1204, 1217, 1223, 1225 stand hield; bisschop Guido
beweert in een stuk van 1310 dat een deel van Stelling-
werf onder hem als tijdelijk vorst behoort en hem (als zoodanig)
te (Olde en Nije) Lamer het grutrecht toekomt; maakte
tot 1408 nog pretensie op het grutrecht en de precarie
over Stellingwerf en vorderde daar toen nog het huisgeld.
Kluit wil, dat de bisschop den graaf van Holland meer-
malen met zijn aandeel beleende, en deze daarom den
bisschop soms met zijn leger in deze oorlogen met de
Drentenaren bijstond, en dat nog in 1295 Floris V door
den bisschop met z\\jn aandeel is beleend. Hij trekt na
-ocr page 13-
n
Bücheliüs hier tegen Emmius te velde, die meermalen
ook door Idsinga ter deeg wordt onder handen genomen.
Nog in 1344 had de stad Staveren van den bisschop den
tol daar in leen (Reg. Kamp. Archief 1,30, 31).
De schrijver noemt \'s bisschops eigen land Twenthe,
Ommen, Vollenhove blz. 72, doch niet Stellingwerf en
Berkoop. Hij noemt de Friesen van het stroomgebied der
Lende (Lenna) zoo goed Friesen als Staveren en deze zoo
goed als Oostergoo en Westergoo. Hy kent geen Stichtsch
Friesland, wat de bisschop wel kende toen hij nog in \'t jaar
1336 (dus een eeuw later) genoegzaam geheel Overijsel
aan den graaf van Gelderland verpandde, doch behalve
Diepenheim en Kampen ook Friesland, Coevorden en Drenthe
aan zich behield (Dumb. Anal. III, bl. 261).
Den braven geestelijke die zich zoo zeer in den welstand,
bloei en rijkdom van het Sticht verheugde en deszelfs
armoede soms zoozeer betreurde, die daarom de vrede
en rust zoozeer hoogschatte, maar rebellie en opstand
tegen den Vorst des lands ook scherp veroordeelde, kon
zich de uitgever met zijn voor \'t minst te noemen Ubbo
Emmius\' begrip, vooral niet als Fries denken, terwijl wg
hier juist in een beeld aanschouwelijk zien hoe de Friesche
geestelijkheid en het betere deel des volks hun herder en
geestelijken vader beschouwden, al waren zy over de uitge-
strektheid der tijdelijke macht van den bisschop over Fries-
land niet geheel eensgezind.
De groote objectiviteit des bisschops in deze kwesties,
en het bewustzijn van zijn goed recht en het onrecht der
rebellen blijken ook hieruit, dat hij het herhaaldelijk gerust
aan Friesche arbiters overliet compromis en zoen op te maken,
-ocr page 14-
12
gelijk ook bisschop Güido in 1310 nog de geschillen met
Stellingwerf gerust aan eenige Friesche grietmannen ter be-
slechting overliet.
Onze brave Fries, die hier zoo doordraaft over de vrijheid
der Friezen, en alle leenroerigheid, onder wien ook, keizer,
graaf of bisschop, verwerpt, is dan vroeger ook meer
gematigd, als hij in cap. XII en XIII de komst van bisschop
Dirk van der Are , een derde eeuw vroeger, rechtvaardigt,
als rechtens geschied, en vermoedt dat zij volgens het com-
promis van 1165 geheel rechtmatig gebeurde, en de eer-
boete meldende, die de graaf van Holland later aan den
bisschop doen moest, door laat schemeren, dat de graaf
gedelinkweerd had met den bisschop in zijn recht te hin-
deren en aanvankelijk in hechtenis te nemen.
Ons dunkt, dat de kritiek te subjectief wordt, als zij den
lof, dien de Fries zijne landgenooten geeft (nostri Frisones)
voor hun bijstand des bisschops, enkel door een soort van
vleier^ met nevenbedoelingen wil verklaren.
Wat de uitgever van de partijdigheid en onpartijdigheid
des schrijvers zegt, hadden wij liever gemist. Objectief
moet een geschiedschrijver zijn, doch onpartijdig te zyn
behoeft hy niet. Hij moet het met de goede partq en die
recht heeft houden, en de slechte partij en onrecht met
den waren naam noemen. Is het partijdigheid in slechten
zin te noemen, als men het recht der overheid en der
vorsten verdedigt en rebellie afkeurt? Absoluut onpartijdig,
zoowel ten opzichte van het verkeerde als van het goede, is
het kwade en goede gelijk recht toekennen of gelijk maken,
-ocr page 15-
13
of karakterloos tot principe stellen: waar twee twisten hebben
beide schuld. Wat de uitgever van het schimpen en schelden
van den schrijver zegt, is Wjj ons alles met den rechten
naam noemen en daarbij nog een passend bijvoegelijk naam-
woord (epitethon ornans) bijvoegen. Ook Emo beschrijft
den moord van bisschop Otto als wreed, noemt den krijg
van Eudolf van Coevobden rebellie en samenzwering, en
ook de schrijver van het leven van den abt Sijbrand van
Mariengaabde noemt dat deel des volks, dat bisschop
Otto, vromer gedachtenis, heeft verslagen, een verkeerd en
vadermoordend volk, erkent het recht en leen der kerk
van Utrecht op Drenthe, beschrijft die slachting met afschuw
uitdrukkende termen, prijst het, dat de Friezen partij trokken
voor hun heer en vader den bisschop, wiens partij zjj
beloofden te zullen bijstaan, wien zij als gehoorzame kin-
deren zullen volgen, hoewel er sommigen onder waren, die
het heimelijk met de partij van Rudolf hielden. Verder
zegt hij, dat de tegenpartij hardnekkig bij die schanddaad
volhardde en noemt diegene, die aanrieden tot verraad
aan te zetten, de wijzen van Babylonië, en het geld ter
omkooping het geld der goddeloosheid. Overigens moet
men de schriften volgens hun tijd beoordeelen, il faut
juger les écrits d\' après leurs date, en niet naar onzen tijd.
Niet altijd gelukkig is de uitgever als hij de chronologie
of tijdsbepaling des schrijvers beoordeelt en nog minder
als hij onjuistheden in den schrijver wil opsporen.
Dikwerf verschilt de tijdrekening maar één jaar, zoodat
onze schrijver meest een jaar ten achteren is. Eerst dachten
-ocr page 16-
14
wij dit te kunnen verklaren door wat Emo zegt in zijn
Chronicum (blz. 121): //Het moet u niet in de war
//brengen, indien soms eenige kronykschrijvers den fameusen
//Marcellus-vloed in het jaar des Heeren 1218, anderen
//in 1219 stellen; want deze begonnen het jaar met
//\'s Heeren geboorte, toen Hij in \'t vleesch verschenen is,
//de anderen met Maria Boodschap (25 Maart) wanneer hij
//in den schoot der maagd is mensch geworden, en zoo
//was het (den 16 Januari) nog in het laatst (laatste kwartaal)
//van \'t jaar 1218."
Had nu onze schrijver met kersmis dat jaar begonnen,
wat anderen reeds met 25 Maart begonnen waren, dan
was volgens deze het jaar 1232, wat bij onze schrijver het
jaar 1231 was, op welk jaar hij deze conferentie stelt; van
25 Maart tot 25 December was onze schrijver dan een jaar
achter. Zoo zou men ook denken dat geteld werd als
natuurlijk, dat men begon bij het begin der menschwording
van Christus vóór de geboorte, en toch zien wij dat men
omgekeerd dat jaar begon met 25 Maart, wat anderen
reeds met kerstmis te voren begonnen waren, zoodat de
eersten van 25 December tot 25 Maart een jaar ten achteren
waren. De Keulsche kerkprovincie, waaronder ook dit
diocees behoorde, begon even als Kome het jaar met
kerstmis, anderen, vooral in Frankrijk en ook hier wel,
begonnen dat jaar eerst met 25 Maart, zoodat de bisschop
van Utrecht Guido in 1304 gelastte, dat men voortaan
ten deze het Keulsche en Koomsche gebruik zou volgen, en
het jaar met kerstmis beginnen. (Vergelijk A. J. Weiden-
bach, Calend. Ilistorico-Christianum, Regensb. 1855, bl. 95,
Batavia Sacra op Guido van Averne biss. diens statuten
-ocr page 17-
15
blz. 177.) Ook de voorbeelden, die Huijdecoopeb aan-
haalt (Melis Stoke I, blz. 296—324), en wat Kluit, Hist.
crit. I, 1, bl. 86 aanhaalt, hebben diezelfde telling, namelijk
dat sommigen eerst met 25 Maart dat jaartal telden, wat
anderen reeds met 25 December begonnen. Zoo kan onze
schrijver geteld hebben b.v. bladzijde 79. De derde Zondag
in de vasten viel in 1232 den 14 Maart, begon hij nu dat
jaar eerst den 25 Maart, dan was het nog 1231, zooals de
schrijver hier heeft. De uitgever wil sommige van die chrono-
logische fouten wel op rekening van de copiisten of over-
schrijvers stellen. Als de schrijver b.v. zegt dat bisschop
Otto II in 1227 (terwijl anderen lezen 1225 of 1226)
stierf en in 1226 dus de stoel ledig stond, dan zal de
copiist hier wel de schuld hebben, als ook dat hij 13 jaar
regeerde tusschen 1215 en 1227 of dat bisschop Dirk van
der Are 14 jaar regeerde, tusschen 1201 en 1212. Zoo dom
in de regels der optelling of aftrekking mag men toch niet
onderstellen dat hij is geweest; wel echter kon een overschrijver
zich vergissen, die zijn\' copie niet weer vergeleek of nazag,
of de jaren niet natelde. Zoo men niet soms ook dat jaar
reeds met 25 Maart begon, wat anderen eerst met 25 De-
cember begonnen, kon toch een copiist dat wel gemeend
hebben, en dan zelf met kerstmis beginnende, het vorige
jaartal van 25 Maart tot 25 December met één verminderd
hebben. Huidecooper geeft iets van dien aard zelfs den
geleerden Mireus na in zijn uitgaaf van Diveus, die hij
met een handschrift van Diveus vergelijkt.
De uitgever stelt overigens terecht, dat deze historische
conferentie niet in 1231 maar in 1232 heeft plaats gehad,
maar vergist zich geheel als hij voor den derden dag voor
-ocr page 18-
16
de kalenden van November //of\' 1 November, op den vigilie-
dag van het feest van //Allerheiligen" wil lezen: //den
tweeden dag", omdat hij zegt dat de vigiliedag altijd den
dag vóór een feest is. Neen, wanneer het feest op Maandag
valt, dan is de vigiliedag op Zaterdag, elk kathechismus-
kind van elf jaar zou hem dit hebben kunnen zeggen.
Rekent men nu uit op wat dag Allerheiligen viel in \'t jaar
1232, of gemakkelijker ziet men na in de paaschlijst en
Zondagsletter hg Huijdecooper 1, blz. 833, dan viel
Paschen dat jaar op 11 April, was de Zondagsletter D.C.
evenals in het jaar 1852, en viel Allerheiligen op Maandag,
was dus Zaterdag vigiliedag, tertio kalend. Novembr. juist
als de auteur heeft (men vergelijke slechts een almanak
van 1852.)
Wat voorts de onjuistheden betreft, die de uitgever meent
te vinden, merken wij vooreerst op, dat men die niet zal
vinden in datgene, wat men voor het doel wilde geschreven
hebben; doch overigens kon, bij een conferentie deswege,
waar men de acten niet bij de hand had, en de een den
ander uit zijn geheugen moest verbeteren in volgorde
en tijd, in bijzaken ligt eene onjuistheid plaats vinden.
Wat nu de uitgever, of Weiland misschien, blz. XVI
zegt, dat de schrijver beweert dat Ada van Holland in
1204 door haar Oom gevankelijk naar Texel is gevoerd,
terwijl dit 24 dagen vroeger, den 1 December 1203, zou
hebben plaats gehad, begrijpen wij niet; het staat in cap.
XVI niet, en wij zien niet hoe hij kan uitrekenen, dat
de schrijver dit onderstelt.
-ocr page 19-
17
De uitgever wijst op dezelfde bladz. op eene onjuistheid
in cap. XJTV, hoe de schrijver het voorstelt, als of bisschop
Dirk zich mengde in de zaken van Holland, toen niet
alleen de graaf van Holland, Dirk YII, maar ook de graaf
van Gelderland, Otto I, reeds overleden was, diens zoon
Gekard te vriende houdende. Dit is een van die bijzaken
waar wij van spraken, die nu een kleine 30 jaren verleden
waren. Evenwel de schrijver zegt het niet uitdrukkelijk
met een daarna. Al is nu waar dat Otto tan Gelre,
zooals het Chron. Tielense tegen andere kronyken in zegt,
in 1207 overleden is, en de bisschop zich reeds in 1204 met
Holland bezig hield, de uitdrukking dat de bisschop den knaap
Gerardus \'s Graven erfgenaam en (den) graaf van Gelder-
land in zijn gunst en genegenheid als zoon bewaarde, kan
men van beiden verstaan, van den vader Otto, zijn zwager,
en Gerard dezes zoon, alsof er stond //Gerardus \'s Gra-
//ven zoon met den graaf zelven, genen als zijn zoon, als
//een zoon." Immers was hij haeres comitis dan was hij van
zelf reeds comes en behoefde er niet bij als reeds de vader
dood was: et comitem Gelriae. Hoe dit zij, de uitgever heeft
nog eene onjuistheid meencn te vinden hierin, dat de schrijver
zegt, dat de graaf tan Gelder en andere gevangenen, die
op hun belofte en eed van terugkeering naar de gevangenis
door Eudolf tan Coetorden voor de vergadering bjj de
aankomst van den nieuwen bisschop, die plaats had den 20
Augustus, waren losgelaten, na die vergadering door eene
uitspraak der rijksvorsten in tegenwoordigheid van koning
Hendrik VII van die beloften en eed zijn ontslagen, daar
dit volgens eene acte in het oorkondenboek van Sloet
reeds het jaar te voren, den 1 October, zou zijn geschied.
2
-ocr page 20-
18
De keizer en vorsten konden den eed wel losbaar ver-
klaren , doch de bisschop van de plaats moest den eed zijner
onderdanen relaxeeren of ontbinden, en heeft die uitspraak
hier herhaald en daarbij den eed opgeheven (Piohlee jus.
canon. I, 225, Episcopi potestatis jurisdictionis est inter
alia relaxare juramenta, het behoort tot de rechtsbe-
voegdheid des bisschops eeden te ontbinden). Per sententias
principium, is hier op, volgens, overeenkomstig, krachtens be-
slissing van ongeldigheid der belofte en losbaarheid des
eeds. Uit van Berchen, bl. 59, zien wij dan ook, dat de
bisschop naar en tengevolge van de uitspraak der rijks-
vorsten en voornaamste leenmannen hen van den eed ont-
sloeg, pro tribunali sedens, op den rechtstoel gezeten.
Hetzelfde zegt het Chronicon Tielense. De schrijver zegt,
dat hij hier kort wil samenvatten en vandaar die praeg-
nante constructie van het door den nieuwen bisschop op
die vergadering bepaalde. Overigens zou, zoo als met
tallooze diplomen het geval is, ook die oorkonde bij Sujet
een jaar te vroeg gedateerd kunnen zijn en was er tijd
om tusschen 20 Augustus en 1 October de uitspraak van
de rijksvorsten uit te lokken. Zoo heeft o.a. het diploom,
waarbij de bisschop voor de zielen der gesneuvelden voor
Coevorden iets maakt aan de S. Lambertskapel te Deventer,
waarvan de uitgever gewaagt bl. XVI in de nota, het jaar
1230, wat duidelijk 1233 moet wezen.
Gaarne geven wij den uitgever gelijk in de wijze waarop
hij bij de verkeerde dateering in de tijdsopvolging van ver-
schillende feiten verklaart, blz. XIX en XX, doch daar
wordt hij eensklaps moedeloos bij eene moeielijkheid die
geen moeielijkheid is, op blz. XX, tweede helft.
-ocr page 21-
19
Die moeielijkheid bij hem is deze: indien de uitspraak,
de scheidsrechtelijke beslissing, in cap. 37 vermeld, op
Zondag Oculi (14 Maart 1232, 1231 bjj een 25 Maarts
nieuwjaar) tot stand kwam, waaraan zich de Drenthenaren
niet hielden en weer met Fivelgo de stad Groningen bele-
gerden, doch een nederlaag leden, dan moet dit eenigen
tijd na 14 Maart, en niet vóór dien tijd, 8 Maart, hebben
plaats gegrepen. Doch hij had moeten bedenken dat de
schrijver nooit zoo telt als wij nu tellen, den zooveelsten
eener maand, maar steeds of de klassieke telling naar de
Kalenden, Iden en Nonen bezigt of naar den afstand der
kerkelijke feesten dateert, b.v. vóór, op of na St. Lambert,
"Vig. S. Nicolai, St. Lucas enz. Octavo. Marcy, cap. 38,
is den 2 Mei, den 8sten dag na St. Marcus, den alom
bekenden bede- en vastendag, nog St. Marcus zonder meer
genoemd, evenals hij blz. 73 het feest van Lucas noemt,
zonder er daar bij te voegen Evangelist. Hoewel St. Marcus
ook wegens de vasten of Paaschtijd met geen octaaf gevierd
wordt, zooals ook de vigilie van St. Nicolaas wel bestaat,
doch niet gehouden wordt (zie blz. 27, cap. XVI), zoo
ook hier. De copiisten, die van de y twee ii maakten,
schijnen van St. Marcusdag niet geweten te hebben.
Op bladz. XVII bestrijdt de uitgever het dat eene zuster
van bisschop Bolde wijn (f1196) en van Floeis III,
graaf van Holland, zoude gehuwd zijn geweest met Dibk ,
graaf van Kleef, zooals de schrijver cap. V meldt. Later
nu huwde de dochter van Flobis III met een Dibk,
graaf van Kleef, en de zoon van Flobis III, de hem
-ocr page 22-
20
opvolgende graaf Diek VII, met de dochter van een
DrEK, graaf van Kleef.
De uitgever insinueer^ nu, dat de schrandere Kluit hier
te veel op onzen auteur heeft vertrouwd en grondt zijn
twijfel hierop, dat hij meent, dat men destijds nog geen
dispensatie te Eome verleende tot een huwelijk tusschen
neef en nicht of in den tweeden, burgerlijk vierden, graad
der zijlinie, en, wat wel het gewichtigste is, hierop, dat
de bedoelde graaf van Kleef reeds zes jaren overleden
was, toen Boldewijn bisschop werd, die zijn zuster aan
hem uithuwelijkte.
Dit laatste zegt h^j in de verklarende lijst achter het werk.
Zien w\\j deze opmerkingen elk in \'t bijzonder.
Wat het eerste betreft, merken wij hier op, dat niet
alleen onze schrijver, maar ook Beka den graaf van Kleef
\'s bisschops zwager noemt en evenzeer het chronicum auctius
of de middeleeuwsche vertaling van Beka hem zwager
noemt, en nog ten overvloede zegt dat //grave Dirk van
Cleve des graven van Hollands zuster ten wive hadde".
Hetzelfde zegt de groote Hollandsche divisiekronyk:
Grave Diek van Kleve hadde des bisschops Boudewijns
zuster ten wive en noemt hem daarom later ook des bisschops
zwager. Ook Joannes & Leijdis, Chron. Belg., noemt hem
zwager des bisschops.
Jungids Hist. Comit. Benth. geeft de reden op waarom
bij sommigen wel de naam dier dochter van graaf Diek VI
van Holland vermeld wordt, die de zuster van bisschop
Boldewijn en Floeis III was, namelijk Petbonella,
-ocr page 23-
21
maar dat zij van haar huwelijk met den graaf van Kleef
niets melden. Ook de schrijvers, die later zeggen, dat de
graaf van Kleef met een zuster van den bisschop en den
graaf gehuwd was, melden hiervan uiets bij de optelling
der kinderen van Dier VI van Holland. Sommigen laten
ook de dochter Hadewich weg en de meesten verzwijgen
den zoon uit een ongelijk huwehjk of huwelijk met de
linkerhand, Bobebt.
Bij Jüngius en ook tyj Möllee, Geschichte des Grafs.
Bentheim , kan men al de negen kinderen, zes zoons en drie
dochters, van graaf Diek VI vinden. (Möllek bl. 141,
Jung. bl. 183 reg.)
Dithmab (Codex Dipl. ad Tesschenmachee Ann. Cliveae)
vond, omgekeerd als onze uitgever, dit bericht zoo gewichtig,
dat hij daarom misschien wel wat voorbarig het huwelijk
van Diek , graaf van Kleef, met Adklheijd , dochter van
den graaf van Brabant en Lotharingen, bij Tesschenmachee
zonder bewijs aangehaald, verwerpt. Het kan toch de
eerste vrouw zijn geweest.
De critische Kluit had een geheele dissertatie in de
pen over de nakomelingen van Diek VI, graaf van Hol-
land, die, jammer genoeg, niet schijnt gedrukt te zjjn.
Misschien heeft die Diek van Kleef tot eerste vrouw
gehad een dochter van den hertog van Brabant en waren
Adelheid, die met Diek VII van Holland huwde, en Diek
van Kleef , die met Mabgabetha , zuster van Diek VII,
huwde, kinderen uit dit eerste bed, en zoo bestond er
geen bloedverwantschap tusschen deze.
De geslachtsljjst die Tesschenmachee geeft van de graven
van Kleef , meldt eerst b\\j den 23sten graaf, dat deze twee-
-ocr page 24-
22
maal gehuwd is geweest, waarbij Slichtenhokst opmerkt,
dat het wel een wonder moet geweest zijn, als geen dier
22   graven tweemaal gehuwd is geweest; en nu na deze
23   komen er tweede huwelijken genoeg van Kleefsche
graven voor.
Bovendien is die genealogie zeer onvolledig en dikwijls
onjuist, zooals wjj straks zien zullen.
Waren die latere huwelijken met het huis van Kleef
geen bloedverwanten, dan vervalt de tweede grond des
uitgevers, dat destijds tusschen neef en nicht nog niet
gedispenseerd werd. Doch ook dit is onjuist.
Het is wel vreemd dat al die schrijvers en ook onze
schrijver, die genoegzaam tijdgenoot was van dit huwelijk,
zoo onkundig zouden zijn geweest in het kerkelijk recht
en de praktijk der kerk ten dezen in zwang, dat ze dit
niet hebben gemerkt. Overigens waren ze destijds, zooals
wij ook in Emo zien, alles behalve onkundig in het kerkelijk
recht, en de eene compilatie daarvan kwam destijds na de
andere uit.
Zoek ik nu op den index van het jus canonicum het
woord Dispensatie, dan vind ik daar dat de Paus kan dis-
penseeren in den tweeden graad der zijlinie of tusschen neef
en nicht (burgerlijk vierden graad), en word ik ter staving
hiervan verwezen naar het Caput Litteras de Restit. Spol,
(Lib. Decret. Greg IX, Lib. II, Tit. XIII, Cap. XIII) en
daar lees ik, dat in het jaar 1199, dus juist om dezen tijd, als
grond voor zekere beslissing wordt aangegeven door den Paus,
dat in huweljjksbeletselen, door de goddelijke wet voorge-
schreven, niet mag worden gedispenseerd, maar dat deze
wel de macht heeft om te dispenseeren in huwenjksbeletselen,
-ocr page 25-
23
die enkel door menschelijke of kerkelijke wetten verboden
zgn. (Ook bij de joden was dit huwelijk tusschen broeders-
of zusterskinderen niet verboden.) De Paus zegt daar
verder dat ook reeds de H. G-regorit/s en vele anderen
in zulke beletselen hebben gedispenseerd. Men zegge hier
niet: Is dat wel kritisch bewezen, dat reeds zoo vroeg
zelfs daarin gedispenseerd werd? Want zulks doet hier
niets ter zake, daar de Paus, die dit aanhaalt, hiermede in
1199 zjjn praktijk en bewustheid van macht uitspreekt. (\')
"Volgens de vaderlandsche kronyk hebben vroeger reeds
vier onzer hollandsche graven, zoons hunner voorgangers,
vrouwen gehad uit het Saksische huis en wel Dirk III,
Othilde of Withildb, dochter van hertog Otto van Saksen;
Floris I, Gertruda, dochter van hertog Herman van
Saksen; Dirk V, Othilde , dochter van Herman of Fre-
derik van Saksen; Flor. II de vette, Petronella, dochter
van Dirk, hertog van Saksen. Misschien waren sommige
dezer vrouwen uit dezelfde linie van dit huis, en zoo even
nabij bloedverwanten met die graven, misschien echter uit
een andere linie, wat hier verder te onderzoeken, ons te
ver zou voeren.
Eindehjk werpt de uitgever hier achter in de verklarende
(1) Om het geval duidelijk aan te geven zij deze tafel.
Dirk VI van Holland (f 1157.)
Otto van Bentheim. Floris III.                         Petronella, Boldewijn biss.
Ij                          huwt Dirk van Kleef.
Margaretha, Dirk VII, Dirk van Kleef. Aleidis, als zij een
huwt met Dirk huwt met                             zuster van dezen
van Kleef.         Aleidis.                               Dirk was of Dirk
haar broeder.
-ocr page 26-
24
ljjst op het woord Clivienses op, dat die graaf van Kleef
Dirk, die met de zuster van bisschop Boldewijn gehuwd
is, reeds in 1172 volgens het Chron. Egmond, overleden is.
Hier zou men zeggen moeten van den schranderen Kluit
quandoque dormitat etc., want hij zegt daar, dat het geen
wonder is, dat dit in het Chronic. Egmond vermeld wordt,
daar hrj een zuster van graaf Floris III tot vrouw had.
Wel kon Boldewijn, de broeder, die eerst in 1178 bisschop
werd, dit huwelijk vóór dat hij bisschop was, bewerkt
hebben, maar dan kan onze schrijver niet melden, dat hij
ter zijde van zijn gebied als bisschop in hem, reeds over-
leden, een beschermer had, al had hij dan ook al in den
zoon zijner zuster een steun. Overigens zijn de telnamen
Dirk III, IV, V bij de oudere schrijvers en onzen auteur, en
ook in het Chron. Egmond niet te vinden, doch door van
Tesschenmacher of latere schrijvers er bij geplaatst. Men
moet dus nog naar een anderen Dirk zoeken, of het meer
onwaarschijnlijke aannemen, dat de schrijver van het Chron.
Egmond zich vergist heeft, die dit 17 jaar voor onzen
schrijver schreef en 33 jaar na diens dood, in \'t jaar 1205.
Merken wij hier op, dat er meer graven den naam Dirk
droegen als Tesschenmacher heeft. Zoo laat hij een Dirk,
dien hjj den derde noemt, in 1114 sterven (en Pont anus
keurt dit jaartal goed) en hem laat hij opvolgen door Arnold
II tot 1162, terwyl wij elders zien dat in 1159, 1165,
1172, 1 Aug. een Dirk, graaf van Kleef was. Het Chron.
Egmond, dat een Dirk in 1172 laat sterven, zegt blz. 133,
dat Dirk, graaf van Kleef, in 1182 met Margaretha,
dochter van Floris III, huwde en blz. 135, dat Dirk VII,
graaf van Holland, zoon van Floris III, in 1186 huwde
-ocr page 27-
•
25
met Aleijda , zuster van een jongeren Dirk , graaf van
Kleef, welken onze schrijver met meer anderen voor den
zelfden Dirk houden die in 1182 Margaretha huwde,
terwijl het Chronicon, door er bij te voegen junior Dirk (wel
te verstaan niet de straks genoemde maar een of de jongere),
juist wil voorkomen, dat men die verwarre.
In het oorkondenboek van van den Bergh , 1, 1, blz.
116, zien wij dat een nog minderjarige Dirk, Hertog van
Kleef, reeds genoemd wordt in 1202, die daar echter in
1208 als meerderjarig optreedt. Tesschenmacher laat een
Dirk , graaf van Kleef, in 1186 sterven, dien hij den vierden
Dirk noemt, en dan daarop graaf Arnold III tot 1210
regeeren, terwijl wij hier in 1202 en zeker in 1208 een
Dirk graaf zien. Hij laat dien Arnold huwen met de
dochter van graaf Floris III, en is er mede in de war of
zij Aleidis of Margaretha heette, terwijl wij weten dat
die graaf Dirk heette. Verder laat hij van 1210—1218
een Arnold IV regeeren over Kleef, terwijl dan toch
onze Dirk, die in 1202 minderjarig en in 1208 meerderjarig
was, nog wel zal hebben geregeerd. In 1227 hielp Dirk, graaf
van Kleef, Otto van der Lippe in den krijg tegen Ru-
dolf van Coevorden; in 1234 trok een Dirk, graaf van
Kleef, mede tegen de Stedingers op en wreekte in dat zelfde
jaar nog den moord van zijn bloedverwant, den graaf van
Holland, Floris, op den graaf van Clermont. In 1244
is volgens Tesschenmacher, graaf Dirk van Kleef ge-
storven en opgevolgd door drie graven die Dirk heetten,
in 1261, 1275 en in 1305. Om nu met van Leeuwen
(Chron. Tilense, blz. 139) er zich af te maken, en te zeggen,
dat men die graven b.v. Arnold II elders Dirk noemde,
-ocr page 28-
26
alsof de vreemde schrijvers die graven allen tot Dirken
maakten, is gemakkelijk, maar niet voldoende. Men zal van
1114—1244 nog één of meer graven van Kleef met den naam
van Diek er tusschen moeten plaatsen. En ten slotte, hoe
men het woord neef, nepos, ook moge trachten uit te leggen,
Dirk VII, graaf van Holland, die in 1202 den minderjarigen
graaf van Kleef, Dirk , in bovenaangehaalde oorkonde zijn
neef noemt, was dat in letterlijken zin, als het waar is
wat onze schrijver zegt, dat een zuster zijns vaders, Elo-
ris III, met een Dirk , hertog van Kleef, vader van dezen
Dirk , gehuwd is geweest, want dan zijn Dirk VII en deze
Dirk van Kleef broeders- en zusterskinderen, of volle neef
en nicht, anders, als de ouders neef en nicht waren, zouden
ze achterneef en nicht, pronepos en proneptis, zijn geweest.
Eindelijk voegen wij hier nog bij eenige weinige aan-
merkingen over de tekstkeuze, en over de verklarende
alphabetische lijst, die achter het werk volgt.
Cap. V, bl. 7, meldt de schrijver, dat bisschop Boldewijn
het goed had staan met zijn gebied; want dat hij niet
alleen aan vele grooten en edelen des rijks vermaagschapt
was, maar dat hij vooral deze (drie) aan de zijde of grenzen
aanklampte als beschermers en verdedigers, zijn beide broeders
den graaf van Holland en dien van Bentheim en den graaf
van Kleef Dirk, omdat hij zijn zuster aan hem uitgehu-
welijkt had. Wy zouden hier de lezing van A. Matth.
tres drie liever gekozen hebben als terrae, doch kiest men
terrae dan zie ik niet waarom men niet liever suae terrae
dan in suo latere kiest, want dan hadden wq liever het
-ocr page 29-
27
meervoud gezien aan zijne zijden, wat echter geen enkele
lezing heeft; of in \'t Nederlandsen: wij zouden liever lezen:
//deze drie die aan zijn land grensden1\'\' of //deze drie aan
de zijden tot beschermers van zijn land", dan: //deze drie
aan zijn zijde of grens."
Bladz. 9, cap. VI, zouden wjj delezing: èt suis quotidie
clericis èt laicis de Fresia èt civibus justicias faciebat, h}j hield
rechtspraak, boven de lezing et sui . . . . faciebant, hij
en de zijnen hielden rechtspraak, verkiezen, omdat waar
de bisschop zelf de rechtbank spant, de andere o (licialen,
in zijn naam recht sprekende, niet behoorden te worden
genoemd, maar de uitspraak den bisschop alleen diende
te worden toegekend.
Cap. 32, blz. 62, wordt verhaald, hoe de bisschop
gewapende mannen in het vlek of dorp (destijds denkelijk
nog geen stad) Steenwijk en in den toren van Steenwijk
plaatste: doch dat kort daarna de Coevorders het huis
Bentink in brand staken om ze zoo naar buiten te lokken
en ze dan te overvallen. Voor turris toren kiest de uit-
gever de andere lezing terra Steenwijk, maar dan waren
ze reeds buiten en lagen om Steenwijk ook in de Oost-
wijk, Onna en de Westwyk, want dat is wel bijzonder
het land van Steenwijk, alsmede Havelte, Steenwijkerwold
en Faaslo, wat toen nog eene parochie Steenwijk was, en
dan staat \'t land van Steenwijk tegenover \'t land van Vollen-
hove, wat later Wanneperveen, Baarle en Zwartsluis was.
Benkink is de lezing bij Matheus, een ander meent
dat de eerste n een u is en leest Beukink.
Het huis Boedekink, onder Havelte, meer dan een uur
van Steenwijk, zouden wjj niet nemen. Het huis en erf
.
-ocr page 30-
28
Bentink was een der vier erven in de Oostwijk van Steen-
wijk, het meest zuidoostelijke en tevens het eerste huis
van Onna lag dicht bij Steenwijk. Over dit erf vindt men
veel: iets wordt er van vermeld in het werk van Mr.
Meesters, de Steenwijker meenthe, blz. 56, 87 in de
noot. Bijlage 3, nota 2. De t kon in goth. schrift ligt
met een k verwisseld worden.
Steenwijk, zegt de uitgever, is de stad Steenwijk; later
ja, doch in dien tijd zouden wij het nog geen stad durven
noemen. Villa beteekent even goed dorp, vlek, zelfs marke
of meente. Bentink behoorde tot Steenwijk en had recht
in Steenwjjks meenten en tevens tot Onna.
Blijven wij nu achter het werk bij het verklarend woor-
denlijstje.
De uitgever leest Nutspete voor Mitspete, dat volgens
bl. 79 apud (niet prope) bij Groningen lag. Wij hebben
tegen die lezing niets, doch dan geven wij in bedenking
eens goed te zien of er ook Untspete, Unspete, gelezen
wordt; wij althans hebben in schriften der 15de eeuw zoo-
wel in grootschrift als ook in gedrukte boeken, in loopend
of kleinschrift zeer dikwijls geen onderscheid tusschen
de n en u kunnen zien, en moesten dit meest uit den
zin opmaken.
Daar nu de Hunse, Unsinges, vooral in haren ouden loop
meest langs de grenzen van het Gorecht en Woldrecht,
dat tot Drenthe behoorde, liep en men ook heeft b.v. Nun-
speet, Elspeet, zou de plaats Unspete naar de Hunse
kunnen genoemd zjjn, zonder dat wij weten wat de uit-
gang speet beteekent, misschien een hoek, bocht, kil,
inham, hoogte of zoo iets.
•
-ocr page 31-
29
Misschien is de oude benaming van Hondsrug en Hoen-
diep ook wel Unsrug, Unsdiep, waarvan ligt Hoentil weer
ontstaat. Indien men de lezing Mitspete blijft verkiezen,
die altijd even waarschijnlijk de echte blijft, en men hier-
voor Midlaren niet wil nemen, als niet apud {bij) Groningen
maar er wat te ver af, en ook Middelbert niet, dan willen
wq hier nog een andere plaats noemen, namelijk Middel-
horst, dat in het Gorecht, ten zuiden der stad Groningen,
dicht bij Haren ligt, volgens een kaartje in den Groninger
Volksalmanak van 1846, blz. 74. Men vergelijke over
al deze plaatsbenamingen de Gron. "Volksalm. van 1839,
blz. 136, 1840, blz. 111, 1842, blz. 50, 1844, blz.. 50,
1846, blz. 74.
Nu de alphabetische lijst doorloopende merken wij aan:
Advent is niet enkel, zooals de uitgever zegt, de vierde
Zondag voor Kerstmis, doch al de vier Zondagen voor
Kerstmis heeten Adventus Domini.
Abt van St. Bernard is elke abt van een klooster van
den H. Bernardus of van Citeaux, van elk Cistercienser
convent.
Daar echter, even als vroeger, waarschijnlijk Friesche
abten tot scheidrechters uit het diocees Utrecht gekozen
zijn en niet uit een klooster uit het diocees van Munster,
is waarschijnlijk hier de abt van Bloemkamp of 01de-
klooster in Friesland bedoeld, en niet die van Aduard,
zooals de uitgever meent, waar ook de beide anderen,
de abt van Ludingakerk en een geestelijke van Klaarkamp,
woonden. Aduard behoorde onder het diocees Munster.
-ocr page 32-
30
Trans Ysla zouden wij liever gescheiden hebben laten
drukken; bij de trans Ysla gebruikt men twee voorzetsels
evenals b.v. in de sub pede. Wij betwijfelen het of men
toen die provincie wel reeds Overijsel noemde.
Illi de Lenna, zijn die aan weerszijden van het riviertje
de Lende wonen, de Stellingwervers. Zij noemden in een
brief van 1483 en een ander van 1492 hun zegel //Onzes
Stroomes Zegel." Wij schrijven Lende niet Linde, hoe-
wel men zoo nu schrijft. Niemand daar in die streken
zegt de Linde, maar allen zeggen: de Lende; hier in 1232
heet die stroom Lenna en in een copie van \'t oprichtings-
verlof der parochiekerk in \'t jaar 1204 te (Olde) Holpade
heet die rivier Lienna.
Nijenstede, het kerkdorp dier parochie, lag onmiddelijk
ten oosten van Hardenberg. Waar nog het gebruikte kerkhof
terstond buiten de huizen is, stond de kerk.
Nijland. Terecht zegt de uitgever dat dit niet het bild-
land is. Het is het langzaam aangeslibte land der vroegere
Middelzee of Bornzee, waarvan het middelpunt, de eerste
parochie dan ook Nijland heet. Pieteb, van Tabob zal ons
dit leeren (bladz. 4). In 1222 was die middelzee nog in
Friesland (d. i. al het land wat toen nog niet aangeslibt)
die bij Berlekum in quam ende ghinc verby Liewerden,
Wirdum, Kauwert, Goutem voor Hwestwaert op dat men
nu heet Nljeland.
In 1275 bouwden de huislieden de kerk door en kreeg
ook het kerkdorp den naam Nijland. Zie Ocke Schakl,
4»o p>> Hl, 123.
De middelzee zal in 1222 wel reeds zeer smal zijn ge-
worden, bijna dicht, anders was hier strijd en konden in
-ocr page 33-
31
1232 geen manschappen komen van daar, waar in 1222
alles nog zee en water was.
Odiliënberg. Iets hierover vindt men in de verhandeling
van den Eerw. A. Wolteks : Het kapittel van Odiliënberg
en de heilige Wiro, Plechelmus Odgerus. Koerm. bij
J. I. Komen, 1861.
Besta is hier niet zoozeer, zooals de uitgever zegt, het
het riviertje de Reest, maar meer de Parochie of liever
het kerkdorp, Villa Beest, ook Avereest genoemd. Gelijk
men aan Dedemsvaart nog van hen, die in dit oud Avereest
wonen, zegt: die op de Beest wonen of de plaats de Beest
noemt, zoo was ook Resten de oude benaming voor dit
kerspel of parochie, dat men nu buitenaf meer Avereest
noemt. In een brief van 1283 fer. 2, post Servat. erkent
de elect bisschop Johan en Gosüin, proost van Deventer,
dat het convent Dickninge en de Kanunniken te Deventer
recht hebben op de novale tienden tusschen Langhorst en
Honover in parochia Besten enz. Deze brief is te vinden
in het Cartularium van Runen-Dickninge. Dbiessens
haalt aan I, p. 41: Bona in Staphorst et in Resten, de
goederen te Staphorst en te Reest bevestigt de Bisschop
aldaar aan Runens convent in 1163. \'t Is weer de villa
of parochie Reest, nog aldaar de Beest genoemd.
Venebrugge ligt niet iets ten oosten, maar een uur ten
zuidoosten van Hardenberg of Nijenstede.
Voorst. Wij meenen dat de beide huizen Voorst dicht
bij elkander lagen in Mastenbroek. Zie de oude kaarten.
Walstad. Hoewel walstad op zich zelf geen eigennaam
is, en Jancke Douema het blz. 49, 97 en 99 nog
gebruikt voor slagveld, kan het daarom toch wel een eigen-
-ocr page 34-
32
naam geworden zijn, die aan die plaats bleef hechten; de
uitdrukking: op de plaats die (nog) "Walstad heet, duidt
dit zelfs aan. Alle eigennamen waren eerst gemeene namen,
b.v. knokke, citadel, kapelle, woud, lo, laar, enz.
S. Victor zegt de uitgever is den 17 October. Die
datum bevalt ons hier wel. In den Deventer en 01den-
zaalschen kalender der feesten der middeneeuwen staat Ge-
reon en Victor op den 10 October enden 17 een andere heilige.
De Deventer en Kamper Almanakken van 1568 hebben
Victor enkel staan op den 10 October.
En hiermede sluiten wij onze aanmerkingen en recensie
over de nieuwe uitgaaf van een werk over de geschiedenis
van Drenthe van bijna eene eeuw, vooral van 1138—1232,
in dit jaar opgesteld. Vrij hebben wij, enkel in dit belang
der objectiviteit der geschiedenis en wat daarmede samen-
hangt, onze aanmerkingen gemaakt, niets liever wenschende
dan bij misvattingen even vrij beoordeeld te worden in het
belang der objective waarheid alleen; want ik eindig met
de woorden van Linnaeus in zijn brief aan Halle»: //Q,uis
fuerit tam doctus et sapiens qui dum alios corrigeret, non
ipse correctione dignus aliquando evaserit?" Wie is er die
zoo alles gevat en verstaan heeft, dat hij niet soms, als hq
anderen verbetert, zelf weer verbetering noodig heeft?
Slagharen, 15 Augustus 1889.               J. Hogeman.
(Overgedrukt uit den Nieuwen DrentJtseJien Volksalmanak
voor
1890).