-ocr page 1-
ü
m
jrjjt.
mw J/2ó^
•
*
c
!
,..
•
-ocr page 2-
\'-V *\'*ÈT-V
-ocr page 3-
YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END
SKBIFTEKENNISSE.
Frietche Vollcialmanah. Jaargangen 1884 tot en met
1891. Leeuwarden, A. Meyer.
Mr. Ph. van Blom, Beknopte Friesene Spraakkunst van
den tegeniooordigen tijd.
Joure, R. P. Zijlstra, 1889.
F. Buitenrust Hettema, Bloemlezing uil oud-, middel- en
nieuuifriesche geschriften.
Leiden, E. J. Brill, 1887—\'90.
For hüs en kiem. Tiidskrifl for it Fryske hiisgesin.
Jiergongen 1888—\'91. Ljouwert.
Sljucht en Rjucht. Bym en Onrym. Bolsert, G. M.
Marckelbach, 1890.
Ook de lezer die geen Fries is, en hy die de Friescue taal niet kent, be-
grijpt toch, uit bovenstaanden Frieschen titel, zonder groot bezwaar, dat dit
opstel bestaat uit „eenige (ettelike) bladzyden over Friesche taal- en letter-
kunde." En dit is in der daad het geval.
Volgens recht en rede zoude deze verhandeling, deze aankondiging en
beoordeeling van eenige Friesche werken, de Friesche taal- en letterkunde
betreffende, ook in de Friesche taal geschreven moeten zijn. Dit zoude, uit
den aard der zake voortgesproten, niet anders dan geheel eigenaardig en
volkomen gepast wezen. Immers zal ook een Nederlander in liet algemeen,
voor zyne volksgenooten over Algemeen-Nederlandsche taal- en letterkunde
schryvende, dit in het Hoogduitsch doen , of in het Engelsen ? Neen —
maar in het Nederlandsen, zoo als het ook zijn moet. Een opstel echter, in
de Friesche taal geschreven, zoude in dit tijdschrift niet op zyne plaats wezen ;
zekerlik zoude \'t voor alle On-Friesche lezers van De Tijdspiegel nagenoeg on-
leesbaar, grootendeels onverstaanbaar zijn. En zoo ben ik dan, als Fries
over Friesche taal- en letterkunde schryvende, maar dit doende voor Alge-
meen-Nederlandsche lezers, genoodzaakt my daartoe van de Friesche taal te
onthouden, van de Algemeen-Nederlandsche taal my te bedienen.
Dat ik dit nu toch onder eenen Frieschen titel doe, neme d\'On-Friesche
lezer goedwillig op als eene geringe, zy \'t eigen lik ook gants onwezenlike
voldoening aan de Friesche gevoelens, aan de Friesche neigingen, die zoo
levendig\' en sterk in mijn gemoed zich gelden laten. En ik ben ook nog
niet eens genoegzaam voldaan met dezen Frieschen titel aleen. Integendeel,
waar liet my (om met de Leeuwarders te spreken) noecht en foecht, \'t is te
zeggen, waar het my voegt of past, en het my alzoo behaagt of genoegen
geeft, daar zal ik in dit opstel nu en dan vryelik sommige Friesche taal-
-ocr page 4-
2           YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.
formen en woorden, uitdrukkingen en zinwendingen gebruiken. Als ik dan
daar by maar zorg drage dat die weinige Friesche invoegselen den On-Frieschen
lezer voldoende verstaanbaar zijn, of verstaanbaar gemaakt worden — ray
dunkt (en ik hope \'t), dan zal men ook deze kleene te-gemoet-koming aan
mynen Frieschen eigenaard my ten goede willen houden. Wel! ik zal, zoo
doende, zoo veel te eenvoudiger en ongekunstelder, zoo veel te natuurliker,
en dus zoo veel te beter schryven kunnen. En dat komt dan van zelve der
zake, die ik behandelen zal, te bate. En den lezer ten goede.
Een man zy wat hy is, maar hy weze \'t vryelik, open, rondborstig en
ten volle. Een echte Vries , slecht en recht zich gevende gelijk hy is, geldt
drie maal meer, dan dat hy als een nagebootste, halfbakken Hollander voor
het licht komen zoude.
De adeloude Friesche taal en heure letterkundige beoefening heeft, even als
alle wereldsche zaken, heure verschillende tijdperken van bloei en van verval
gehad. Sedert den overouden beginne van het Friesche volksbestaan, en
gedurende alle middeleeuen, was deze schoone en welluidende sprake , zoo
rijk in oude formen, en daarom zoo belangrijk voor den Germaanschen taal-
vorscher, by de Friesen in wezen als de eenige, de algemeene volkstaal. Toen ,
als nu, was deze edele en liefelike sprake den Frieschen volke van herten
dierbaar als het voornaamste en eigenste waarmerk van der Friesen afsonderlik
volksleven, als de gemoedelikste uitinge van hunnen volksgeest, van hunne
volksziele.
Né, wy litte uos tael net farre,
«Timmer hulde wy se yn ear:
Sünder \'t Frysk nin Fryske seden,
Sünder \'t Frysk nin Friesen mear (*).
Deze woorden van hunnen dichter Gerben Colmjon zijn, en waren steeds,
allen echten Friesen als uit het herte gegrepen, drukten aller overtuiging uit.
Van den overouden beginne, en door al de middeleeuen henen , heerschte
de Friesche taal in Friesland onbeperkt, als sprcek- en schrijftaal beide, in
kerk en school, by de mannen van de wet en van den gerechte, zoo wel
als in het dageliksche leven, by stedeling en dorper. By den edelman en
hoofdling op stins en state, by den eigenerfden boer op zyne saté, by den
aanzienliken burger en koopman en by den handwerksman in de steden, als
by den geringen huisman en arbeider ten platten lande — op zee en binnen-
waters als op klei en veen, op heide en greide (weiland) — by den geleerden
monnik in zyne stille kloostercel, als by den ruwen krijehsman en party-
ganger •— by iedereen, overal en altijd. Op het einde der middeleeuen echter
deden zich reeds enkele voorboden van heur verval als schrijftaal bemerken. En
in het begin van den nieuen tijd, in de eerste helft van de zestiende een leed
zy heure eerste en zwaarste nederlaag. Eerst op staatkundig gebied , reeds
terstond na den jare 1500, onder de korte en fel bestredene regeering der
Hertogen van Saksen, en door den infloed dier vreemde vorsten. In dien
tijd toch werd in Friesland , als zoogenoemde kanselary-taal, den zelfden
(*) Neen, wy lrten onze taal niet varen, altijd honden wy haar in eere: zouder het
Friesch geene Frie9che zeden, zonder het Friesch geen Friesen meer.
-ocr page 5-
YTLIKE BLEDSIDEN OER KRYSKË TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.           3
forin van Nederduitsch ingevoerd, die ook reeds in de oostelike Friesche
gewesten, in Groningerland en Oost-Friesland, en verder op aan Weser en
Elve, als schrijftaal burgerrecht verkregen had. Deze, sterk naar het Plat-
Duitsch van noordelik Duitschland overhellende taalforra, in der Friesen penne
nog rykelik met Byzonder-Friesche woorden en formen vermengd, en waarop
de toenmalige schrijftaal van Holland en andere Nederlandsche gewesten,
althans aanvankelik, geen inftoed had , bleef in Friesland als schrijftaal in
zwang tot den tijd van de Unie van Utrecht, toen de Friesche gouen bewes-
ten Eems, de zoogenoemde Nederlandsch-Friesche gewesten, zich met Holland
en de andere Noord-Nederlandsche gewesten tot één statenbond voor goed en
nau vereenigden. Ten gevolge dier Unie raakte het oostelike Nederduitsch
in Friesland in onbruik, en werd langzamerhand vervangen door, geleidelik
veranderd in het westelike Nederduitsch of het Dietsch, het welk, steeds
meer en meer verhollandscht, eindelik als Algeraeen-Nederlandsche taal tot op
den dag van heden de geijkte schrijftaal der Nederlandsche Friesen is, gelijk
liet Hoogduitsch voor de Friesen beoosten de Eems.
Door den infloed van dat oostelike, niet Hollandsche Nederduitsch , en
regelrecht daar uit voortgekomen, onstond in de grootste Friesche steden,
gedurende den loop der zestiende eeu, die sterk met allerlei Friesche be-
standdeelen doorwerkte mengelsprake, die, al had zy in de drie eeuen van
beur bestaan steeds in vermeerderde mate den infloed van het Hollandsen te
verduren, toch nog tot op den dag van heden, onder den niet juisten naam
van „Stad-Friesch" (Stedsk), als de dageliksche spreektaal der Friesche stede-
lingen (behalven te Sloten, IJlst, Hindeloopen en Staveren en gedeeltelik te
Workum) afsonderlik in wezen gebleven is.
Een tweede, niet minder hevige slag als die in het staatkundige, ontfing
de Friesche taal op kerkelik gebied, weinige jaren later, ten tyde der kerk-
herforming, en als onmiddellik gevolg daar van. De-Katholyke kerk had der
Friescher tale steeds de krone op het hoofd gehouden. De Geesteliken dei-
oude Moederkerke, echte Friesen als zy vast allen waren, hadden in hunue
sermoenen, eu in d\'uitoefening van hun herderlik ambt, in hun dageliksch
verkeer met hunne gemeentenaren, steeds en uitsluitend de oude Friesche
taal gebruikt. Maar de kerkherforming, onmiddellik uit Duitschland, en
middellik ook uit Vlaanderen en Brabant naar Friesland overgekomen, en
ten deele ook door Duitschers en Vlamingen in Friesland ingevoerd, bracht
daar de Nederduitsche preek in zwang, en gaf deu volke eenen Nederduitschen
Bybel in handen. Hadde men den Bybel toen ook in het Friesch overgezet,
de Oud-Friesche taal ware misschien gebleken nog krachtig genoeg te zijn in
het gemoed van de Friesen dier dagen, om den slag, die haar op staat-
kundig gebied door de Saksische hertogen toegebracht was, te boven te komen.
Zy ware dan misschien ook als boeketaal, als geykte schrijftaal, in schier
onafgebrokene voortzettinge, nog tot ons overgekomen. En hoe geheel anders
zoude \'t, dien ten gevolge, er dan heden ten dage in de noordoostelike
Nederlanden en in noordwestelik Duitschland uitzien! Hoe gants anders
ook op staatkundig gebied! Immers die instandhouding van het Friesch
zoude beuren weerslag in allerlei zaken, door alle de Nederlanden, ja in ge-
heel Germaniën, duidelik hebben doen gevoelen, en velerlei onberekenbare
-ocr page 6-
4            YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.
gevolgen gehad hebben. Dit is waarlik eene koene gedachte, die zich breed
en schoon laat uitspinnen 1
Maar, al was de kerkherforming in het algemeen der Friescher tale on-
gunstig — by de Doopsgezinden, by de volgelingen van den byzonder
Frieschen herformer Menno Simons, van den man die zelf, als Katholyk
priester en pastoor te Pingjum en te Witmarsum, ongetwyfeld in het Friesch
nog zyne sermoenen zal gehouden hebben — by de Doopsgezinden had de
geheele beweging op kerkelik gebied, had hunne nieue form van Godsver-
eering een meer byzonder Friesch aanzien en voorkomen als by de Herformden.
Trouens, de richting waarin de Friesche herformer den stroom der nieue
denkbeelden op godsdienstig gebied leidde, had, uit den aard der zake,
voor de Friesen, althans in de zestiende eeu, de meeste aantrekkelikheid.
Ook de geheele inrichting der kerkelike zaken by de Mennisten, te weten
in sterk democratischen geest, strookte byzonder wel met der Friesen aard.
De Mennisten vertegenwoordigden, als \'t ware, het byzonder Friesche be-
standdeel in de kerkherforming. Geen wonder dan ook dat in het laatst der
zestiende eeu een vierde, ja een derde deel van alle Friesen tusschen Flie en
Lauers, en ook een aanzienlik getal in de andere Friesche gewesten, in Noord-
Holland, Groningerland en Oost-Friesland, der Doopsgezinde belydenis aanhing.
Nu hadden de Doopsgezinden ook wel geenen Frieschen Bybel, zoo min
als de andere Protestantsche Friesen, maar Menno Simons , Dirk en Obbe
Philips en andere voorgangers en oudsten, zoogenoemde bisschoppen der
eerste Doopsgezinden, zei ven Friesen zijnde en in Friesland tot Friesen
sprekende en preekende, hebben daartoe ongetwyfeld de Friesche taal gebezigd.
En hunne eerste volgelingen , de eenvoudige en veelal ongeletterde liefde-
preekers of vermaners, Friesen in Friesland , hebben hun ook daar in zekerlik
nagevolgd. En dit zal, althans ten platten lande in Friesland, gewis wel
tot in de zeventiende eeu stand gehouden hebben. Sporen daar van bleven
althans by de Oud-Menniste gemeente te Balk in Friesland , nog tot deze
eeu in wezen. Immers als de eenvoudige liefdepreekers by die gemeente,
buiten de preek om, iets aan hunne gemeente hadden mede te deelen, deden
zy dit wel in het Friesch. Ook de voorzanger aldaar kondigde het gezang
af in het Friesch, tot de gemeente sprekende: „Hwa biljeaft mei to sjongen,
siikje op folio .... sa folie" (wie belieft mede te zingen, zoeke op folio....
zoo veel) (*).
Maar de Herformde kerk, weldra de heerschende in Friesland, heeft met
de Friesche taal nooit rekening gehouden, althans niet in geijkten zin. Natuur-
lik echter was de taal die de Friesche predikanten in Friesland van den kansel
spraken, geenszins zuiver Nederlandsch. Neen, maar tot in het begin der
zeventiende eeu zal zy wel grootcndeels Friesch geweest zijn. Recht en rede
schreven dit den predikers reeds voor. Immers zoude in die dagen zekerlik
geen vierde deel der Friesche toehoorders anders hunnen leeraar verstaan
hebben. Ten jare 1618 verdedigden de Friesen, by monde van hunnen af-
geveerdigde ter Synode te Dordrecht, den Franeker hoogleeraar Sibeand
Lubbekts, zelve een Fries uit Langwarden in Butjadingerland, hunne ziens-
wyze dat het voornaamwoord van den tweeden persoon enkelvoud , du, door de
Friesen gemeenlik uitgesproken dou (du bul), den Frie3en in hunne taal byzonder
(*) Zie J. J. Honig, Het gezangboek der gemeente te Balk, voorkomende iu de Doopi-
gezinde Bijdragen
van Prof. Dr. J. G. de Hoop Scheffeb, jaargang 1887,
-ocr page 7-
YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.             5
eigen, in de statenvertaling van den Bybel gebruikt moest worden, in plaats
van gy (gy zijt), zoo als de Hollanders en andere gewestelingen wilden, en
doorzetteden ook. Ja, nog tot in het laatst der vorige eeu, zelfs tot in het
begin dezer negentiende eeu waren de kanselredenen in Friesland rykelik met
Friesche woorden en zinwendingen doormengeld, en was ook de Friesche, of,
zoo men wil, de algemeen Oud-Nederlandsche uitspraak der klanken, vooral
der vi- en j?\'-klanken als u en i, op den kansel geenszins zeldzaam. Om-
streeks den jare 1820 sprak een der oudste Herformde predikanten te
Leeuwarden nog op deze wyze van den predikstoel (*).
De echte Friesche taal, in volkomenen form en geheel naar den eisch,
heeft echter ook nog in deze eeu, by de godsdienstoefeningen in een kerk-
gebou der Herformden in Friesland weerklonken. Eu wel by monde van
Dominus Rinse Kinses Posthumus, een Tonnaarder, die van den jare 18 15
tot 1859 Predikant was te Waaksens en Brantgum in Dongeradeel. Deze
geleerde en zeer bekwame Friesche taal- en letterkundige, een ware Stand-
Fries en vurig voorstander der Friesche taal, heeft eenen tijd gehad, toen
zyne Friesche geestdrift op \'t meeste gloeide, dat hy, by de godsdienstoefenin-
gen in de kerke, de afkondiging van den tekst, van psalmen of gezangen, en
wat hy anders in het byzonder aan zyne gemeente mede te deelen had, in
het Friesch deed. Men zegt, dat hy zelfs het voornemen opgevat hadde om
zyne geheele prediking, enz. in het Friesch te houden, ook de psalmen in
het Friesch, volgens de beryminge van Gysbert Japicx en van Althuysen,
door de gemeente te laten zingen; en dat hy daar toe verlof van de Synode
verzocht, maar niet verkregen hadde. Wel! ik begrijp niet welk gegrond
bezwaar men tegen eene weerdige verkondiging des Evangelies in het Friesch kan
gehad hebben! — Sedert zijn ook twee der Evangeliën , dat van St.-Mattheus
en dat van St.-Lucas in de F\'riesche taal overgezet geworden; en ik heb niet
vernomen dat iemand, Fries noch vreemdeling, daaraan ergernis genomen heeft.
Wel het tegendeel. Ook zijn de Friesche psalmen door hunne overzetters wel
degelik bestemd geweest om by de godsdienstoefeningen gebruikt te worden.
Dit blijkt my uit d\'omstandigheid dat zy geheel in de zelfde maat gezet
zijn als de Nederduitsche psalmen by de Herformden in gebruik, en dus op
de zelfde wyzen gezongen worden kunnen. Maar dit blijkt my vooral ook
hier uit, dat Dominus Jan Althuysen, die zelf een gedeelte der psalmen
(*) Trouens, in de vorige en nog diep in deze eeu kwam het in al de noordelike en
oostelike gewesten van Nederland, waar de volkseigene spreektaal zoo aanmerkelik afwijkt
van het geijkte Nederlandsen of van het Hollandsen, in de dorpskerkeu nog overal en
veelvuldig voor, dat de Predikant, zelf een inboorling dier goueu zijnde, op den kansel in
meerdere of mindere mate de gouspraak, altijd met weerdigheid, gebruikte. Ook zeer te
recht, naar myne meening. Vooral de Groningerlandsche Predikanten, aan de Groningsehe
hoogeschool opgeleid, deden dit in sterke mate; en de Oost-Friesche en Bentheinische en
Drentsche niet minder. My zijn nog voorbeelden daar van bekend. En nog heden doen
dit eveneens de oudere Geesteliken der Katholyken in onze zuidelike gewesten, maar vooral
in de Vlaamsche, Brubantsche en Limbargsche gouen van Zuid-Nederland; het meest nog
wel in West-Vlaanderen en in het Vlaamsch-sprekeude deel van Frankrijk. Nog voor
weinige jaren hoorde ik in de hoofdkerk te Brugge zulk eene prediking van het begin tot
het einde; eene heerlike Evangelie-verkondiging van eenen Katholyken Geestelike, deftig en
met groote weerdigheid, geheel volgens het West-Vlaamsehe taaleigeu en naar de West-
Vlaamschc uitspraak voorgedragen. Het was zoo schoon en welluidend als weerdig en ge-
past , en voor d\'aandachtig luisterende Christenschare zeker zeer doelmatig en doeltreffend,
En daar komt het, by deze zaak, ten slotte toch maar op aan — niet waar?
-ocr page 8-
6           YTLIKE BLEDSU>EN OER FB,YSKE TAEL- END SKJUFTEKENNISSE.
in het Friesch overbracht, en die den geheelen Frieschen psalmbundel ten
jare 1755 in het licht gaf, daarop eene kerkelike goedkeuring gevraagd heeft
en verkregen van de Klassis Dokkum der Nederduitsche Herforrade Kerk,
waar van hy, als Predikant op\'e lytse Hjouer, dat is te Hiaure in Dongeradeel,
lid was. Deze goedkeuring is, voor zoo verre my bekend, de eenigste oor-
konde in de Friesche taal opgesteld, die ooit, van ambtswegen, door de
Herformde kerk of door cenig ander kerkgenootschap in Friesland , na de
kerkherforming uitgegeven is. Als zoodanig is zy zekerlik zeer merkweer-
dig, en uit dien hoofde moge zy hier een plaatske vinden. Zie hier dat zeer
eigenaardige stuk.
GOEDKEURINGE.
Dizze Psalmen for zoa fier dy yn Friessche Eym brogt binne trog dy Wyze,
in Eenvnrdige Man J. Ai.thuysen, habbe Wy trog lacst fin \'t Classis lin
Doceum mey oondagt neyzyoen , in mey opmerking trog lsesseu; Wy habbe
der yn alle saken byfuwn niet allinne oerienkommende mey dy Leere fin
uwz Tzerke, mar ank toa uwz forwondering byspeurd, dat it msest dy
eygenste wurden binne; Uwz tinkt, dat dit wurk heel stigtelyk is , in wakkere
nuttig, dat alle Lieuwe, dy disse tael kinne, dit boek lezze, of it nog
tyinje mogte toa delsettinge fin trotze minschen, toa önderwyezinge fin
ienfaddige, toa opwekkinge fin trage, toa forsterkinge fin zwakke, toa
forlyajgtinge fin dy naet witte, in sek toa trsest fin forleegene, in bydroefde
Sondaers; dat is ten minsten it winskjen fin
Jodocus Heeinga, in Wilhelmus Columba,
Pastor yn Droegeham.
              Pastor toa Morrha (*).
Eene dagteekening ontbreekt. Maar ongetwyfeld is dit stuk te Dokkum in,
of kort vóór het jaar 1755 opgesteld.
Deze uitstap op Friesch kerkelik gebied is eigentlik wel wat te lang uit-
gevallen, enkel voor een invoegsel in het beloop dezer verhandeling. Ik heb dit
onderwerp echter opzettelik eenigszins uitvoerig behandeld om den Lezer er op
te wyzen, dat de Friesche taal ook op godsdienstig en kerkelik gebied gelding
heeft, en om dezen of genen op te wekken op dit gebied meer nasporingen
te doen. Haasten wy ons nu om terug te keeren tot ons eigentlik onderwerp,
en den draad van ons eigentlik betoog over de geschiedenis der Friesche taal
(*) Wat stijl en zuiverheid van taal, en wat de spelling betreft, is dit stuk verre vau
onberispelik , ofschoon dit dan ook al niet meer dan vele dergelyke stukken uit dien tijd>
in de Nederlandsche taal opgesteld. Het luidt, vertaald, aldus:
Deze Psalmen, voor zoo verre zy in Frieschen rijm gebracht zijn door dc^wyze^en ccr-
weerdige^mau J. Ai.thuysen, hebben wy op last van de Classis van Dokkum met aandacht
nagezien, en met opmerkzaamheid doorgelezen; wy hebben daar in alle zaken bevonden
niet aleen overeenkomende met de leer onzer kerk, maar ook tot onze verwondering bespeurd,
dat het meestal de zelfde woorden zvjn; ons dunkt, dat dit werk zeer stichtelik is, en byzonder
nuttig, dat alle lieden, die deze taal kennen, dit boek lezen, of het nog dienen inochte tot
vernedering vau trotsche meuschen, tot ouderwyzing van eenvoudigen, tot opwekking van
tragen, tot versterking van zwakken, tot inlichting van hen die niets weten, en ook tot
troost van verlegene eu bedroefde zondaren; dat is ten minsten de weusch (het wenschen)
vau Jodocus Heringa, Pastoor (Predikant) te Drogeham en Wii.hei.mus Columba, Pastoor
te Morra,
-ocr page 9-
YTLTKE 6LEDSIDEN OER FftYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.             7
en letteren te hervatten, in d\'eerste helft der zestiende eeu, waar wy hem
lieten slippen.
In die jaren dan nam het verval in de Friesche taal en letteren als met
reuzenschreden zijn beloop. Wel hielden nog sommige Stand-Friesen, zekerlik
wel het meest onder de leden van die oude, adellike geslachten en aanzienlike
maagschappen, die aan de Moederkerke trou bleven, en die de Oud-Friesche
overleveringen op allerlei gebied in eere hielden, zoo als b.v. de edele Wigle
van Aytta , van Swichum, nog der moedertale de hand boven \'t hoofd, zoo
veel ze konden. Maar — heuren ondergang, althans als geijkte schrijftaal,
konden zy niet meer keeren. Met den jare 1550 had zy, als zoodanig, vol-
komen uitgediend. En de Unie van Utrecht in heure gevolgen, waarop boven
reeds gewezen is, bevestigde dien ondergang ten volsten.
Sedert leefde het Friesch, honderd jaren lang, nog slechts voort enkel als
spreektaal, zy \'t dan ook in vry algemeenen zin, en in alle standen der bevol-
king, zelfs de aanzienlike kringen, vooral die der edellieden ten platten lande,
niet uitgesloten. Maar, nu zy niet meer door geleerden en door mannen van
smaak in taal- en letterkundigen zin beoefend werd, verloor zy in dit tijdvak
van 1550 tot 1650 veel van heure oorspronkelikheid, van heure zuiverheid in
klanken, van heure volledigheid in formen. In der daad, een tijdperk van
treuriger verval en dieper vernedering als die honderd jaren omvatten, heeft
de Friesche taal nooit gekend, en zal zy ook nooit weer beleven. Maar aan
het einde daar van, omstreeks de helft der zeventiende eeu, kwam er ver-
andering en veel verbetering. Toen leefde en werkte Gysbert Japicx , de
groote Friesche dichter, te Bolsward, van ouds de kunstzinnigste stad in
Friesland, en waar de schoone kunsten bloeiden als nergens elders binnen
der Friesen landpalen. En deze geniale man, verheven als dichter, en uit-
muntende als taaikenner, verhief door zyne schoone versen en door zynen
verderen letterkundigen arbeid, de Friesche sprake weer uit haar verval. Hy
bracht de versmade op nieu tot eere, de vernederde op nieu tot aanzien,
by landzaat en vreemdeling, zoo dat zelfs een taalgeleerde Engelschman,
Franciscus Junius, naar Bolsward kwam om van Gysbert Japicx het Friesch
te leeren — zoo dat zelfs Bilderdijk anderhalve eeu later, \'s mans gedichten
nog in het Nederlandsoh overbracht. Met Gysbert Japicx is het eerste en
treurigste tijdperk van verval voor de Friesche taal voor goed ten einde
en afgesloten.
Het ligt geenszins in het bestek van dit zeer beknopte overzicht der
Friesche taal- en letterkundige geschiedenis, om hier Gysbert Japicx\'s werk-
zaamheid ten bate zyner tale, nader en eenigszius uitvoerig t\'ontvouen.
Genoeg — deze voortrett\'elike man behoedde niet aleen de Friesche taal voor
meerder verval, hy opende haar ook een nieu tijdperk van tier en bloei.
Ware (ïysberï Japicx niet geweest, de Friesche taal, enkel voortsukkelende
als volksspreektaal, en al meer en meer ontaardende, hadde wellicht, gelijk
in Oost- en Weser-Friesland , te nauer nood het einde der vorige eeu nog
beleefd. Zy ware smadelik verloren gegaan , even als dit het geval geweest
is in die oostelike Friesche gouen aan Eems en Weser, waar des dichters
woord en letter niet doordrong. De F\'riesen, te recht in het behoud hunner
tale het leven van hunnen volksgeest, de bekroning hunner volkseigenheden,
het waarmerk van hun afsonderlik volksbestaan erkennende, hebben in hunnen
„Maaier Gysbert" eenen hunner grootste mannen te eeren.
-ocr page 10-
8             YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSË.
O, by ues sin for \'t Biucht end Sliucht,
Sy steea ues tael ues diür !
Hia \'s d\'Ingel dy ues hoedsje kin
Tsjin freamdsins skerpe kloer.
Porgeaten wy ues spraek (God jow,
Dy dei brekk\' nimmer oan),
Mei Pryske sin end aerd wier \'t dien,
De Fryske namme stoarn (*).
Navolgers had Gysbert Japicx wel, maar toch geen een die hem op zyde
streven kon. Gelukkig was dit, voor het blyvend herstel der Friesche taal,
ook niet noodig. Immers de geest des grooten meesters vervulde eene geheele
eeu. Nog ten jare 1755 gaf Dominus Jan Althüysen eenen bundel Friesche
gedichten in het licht, gedeeltelik van hem zelven, gedeeltelik van zynen
vader Symen Jans , met eene Friesche beryminge der psalmen (hier boven,
reeds vermeld), alles in onmiddellike aansluiting aan Gysbert Japicx\'s dicht-
werk, en ook alles, voor zoo veel die dichters vermochten, in Gysbert
Japicx\'s geest en schrijfwyze. Maar dit was dan ook, in het tijdvak dat
tusschen de jaren 1650 en 1760 besloten ligt, en dat het tijdvak van Gysbert
Japicx heeten moet, de laatste onmiddellike nagalm der klanken, doordien
meester weer opgewekt. (Immers, by het begin der herleving van de Friesche
letteren in deze eeu, volgden sommigen, onder anderen de dichters Rinse R.
Posthumus, Rein Baukes Windsma en J. C. P. Salverda aanvankelik wel
in meerdere of mindere mate Gysbert Japicx\'s dichttrant en spelwyze; maar
dit hield geen stand.)
Het tijdperk van droevig verval der oud-volkseigene zeden in \'t alge-
meen in Friesland , en in al de Nederlanden even als in geheel de zoogenoemd
beschaafde wereld, door den heilloozen Franschen wind van allerlei verderfelike
leeringe, die in de laatste helft der vorige eeu over onze vlakke velden
begon te gieren, door den heilloozen geest van ongeloof en omwenteling die
toen een groot deel van ons volk op den doolweg bracht, die de Neder-
landen op den rand, ja over den rand van ondergang leidde — dat zelfde
tijdperk van verval op allerlei volkseigen gebied, bracht ook der Friesche
tale in het byzonder eene nieue nederlaag. De lust tot letterkundige be-
oefening dier taal was in die jaren, en in de twee eerste tientallen jaren
dezer eeu, zeer gering. Toch was de vernedering der taal in dit tweede
tijdvak van heur verval niet zoo diep als in het vorige. Daar waren toch
steeds enkele mannen, eikanderen by hunne opkomst en by hun afgaan als
\'t ware de hand reikende, die de Friesche letterkunde niet lieten sterven,
al hoe zy kwijnde. Zelfs valt de bloeitijd van Prof. Ev. Wassenbergh\'s werk-
zaamheid op dit gebied, juist midden in dien tijd, omstreeks den jare 1800.
Maar, al was die werkzaamheid op zich zelve ook nog zoo verdienstelik, en
al spreidde die hoogleeraar der Franeker hoogeschole ook nog zoo veel
(*) Gerbeü Colmjox, Fryske namme, sin end tael.
O, by onzen zin voor het „Recht en Slecht" (Rechtschapen eu eenvoudig, de Friesche,
eigentlik Oud-Bolswarder kenspreuk), zy steeds onze taal ous duur (dierbaar)I Zy is de Engel,
die ons kan behoeden voor den scherpen klau van den zin voor het vreemde. Vergaten wy
onze taal (God geve dat die dag nimmer aaubreke), met den Kriescben zin en aard ware
bet gedaan, de Friesche naam gestorven.
-ocr page 11-
YTLlKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- EtfD SKRIFTÈKENNISSË.             Ö
geleerdheid en belezenheid ten toon, opwekking, begeestering voor het volk
ging er niet van hem uit. En zoo had zijn werk ook nagenoeg geene beteekenis
voor den bloei der taal in volksaardigen zin.
Had het eerste tijdperk van verval der Friesche taal, vóór den tijd van
Gysbert Japicx , eene volle eeu, ja, van den allereersten beginne af ook wel
anderhalve eeu geduurd, het tweede tijdvak, waar in de vernedering geens-
zins zoo diep was als in het eerste, duurde ook niet zoo lange; slechts
zestig jaren ongeveer, van 1760 tot 1820. Immers, na dat in het heilryke
jaar 1813 de smadelike overheersching der Eranschen een heugelik einde
genomen had , en hunne nederlaag ten jare 1815 in de gezegende velden
van Waterloo volkomen bevestigd geworden was, verhief zich in alle Ger-
maansche landen op nieu de adeloude, volkseigene en volksaardige geest,
vry en blyde, heilrijk ende liefelik. Ook in Friesland. En van alle Neder-
landsche gewesten eerst en meest in Friesland.
Diür, ynljeaf Heitel&nd !
Hest\' neare tiden hawn,
Nou bist\' wer fry.
Dy hüent nin wrigge mear,
God joech dy Willem wer,
End mei him lok end ear
For slaverny (*).
Die herleving van den volksgeest vond in d\'eerste plaatse heure uitdrukking,
als \'t ware heure belichaming, in de heropkomste, in den vernieuden bloei der
Friesche taal. En deze beweging ging eerst en meest uit van de gebroeders
Halbertsma van Grou — eerst en meest van den gevoelvollen en gemoedeliken,
van den zanglustigen en zangveerdigen dichter „Doctor Eeltsje," en van den
diepzinnigen en scherpgeestigen proza-schryver en taalgeleerde „Dominy Joost" ;
in mindere mate en slechts aanvankelik ook van „Keapman Tsjalling". Met
het optreden der gebroeders Halbertsma, als Friesche taal- en letterkundigen
nooit volprezen, is het tweede tijdperk van verval voor de Friesche taal
geëindigd, en begint een nieu tijdvak van bloei en roem voor de oude taal
der Friesen, een tijdvak dat nu nog, na zeventig jaren, ten volsten in
stand gebleven is, en dat met alle recht het tijdperk der Halbertsma\'s
heeten moet.
O! niet enkel alsof, of omdat, aleen zy de eersten en aanvankelik de
eenigsten zouden geweest zijn die de Friesche taal en letteren weer ophieven
uit heur verval, na de verdryving der Franschen uit ons land , en voorloopig
(helaas! slechts voorloopig!) ook van den Franschen geest uit ons volk. Neen —
want de zelfde blyde geest van het vernieude Germaansche zelfbewustzijn dier
dagen, die den Halbertsma\'s aanvuurde tot hunnen baanbrekenden arbeid,
vervulde en ontgloeide ook de herten van andere Friesche mannen, die even-
eens met nieuen moed naar de half-versletene Friesche penne grepen, eveneens
met nieuen lust de half-ontstemde snaren der Friesche harpe herstelden en in
zuivere klanken deden herklinken. Reeds zijn er een paar van dezen op
bladzyde 8 hiervoren genoemd. Maar, al hoe verdienstelik het streven dezer
(*) J. C. P. Salveeda, Oan \'t BeiteUnd.
Duur (dierbaar), innig bemind Vaderland! Hebt Gr nare tyden gebad, nu zijt Gy weer
vry. U hoont geen dwingeland (dwaugjuk) meer, God gaf U Willem weer, en met hem
geluk en eer, voor slaverny.
-ocr page 12-
dO          YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.
eerste tijdgenooten en medestanders der Halbertsma\'s ook ware, zy volg-
den in dichttrant en spelling te veel het voetspoor van Gysbert Japicx.
En daar in vond het volk van 1820 geen behagen meer; ook kon het
daar niet meer mede terecht. Dit bleek vooral ook by eene niene, volle-
dige uitgave van Gysbert Japicx\'s werken, door Dr. E. Epkema bezorgd ,
en , door dien geleerde met een geheel boekdeel zeer belangryke en uitge-
breide taalkundige aanteekeningen, als een degelik woordenboek, verrijkt,
ten jare 1821 in het licht verschenen. Immers, de eenvoudige en onge-
letterde Fries, van het begin dezer eeu, met de Eriesche letterkunde nagenoeg
geheel onbekend, kon Gysbert Japicx\'s versen te nauer nood maar lezen en
verstaan. Te recht oordeelden dan ook de gebroeders Halbertsma dat de
spelwyze en de dichttrant van Gysbert Japicx in de zeventiende een t\'huis
behoorden, maar voor de negentiende ongeschikt waren. Te recht zagen zy in
dat zy de schrijftaal in een ander spoor moesten leiden, dat zy haar eene
ïtieue, ruime baan openen moesten. Zy braken dus volkomen met de oude
overleveringen uit het tijdperk van Gysbert Japicx; zy wreven en schreven,
zy dichtten en zongen, zy betoogden en leerden op hunne eigene wyze, die
tevens echt volkseigen en volksaardig was, en in hunne eigene, door hen
zelven ingevoerde spelwyze. Zoo openden zy ten jare 1822 met de eerste
uitgave van hunnen onovertrotfenen Lapekoer, hun volksaard igste werk, een
volksboek in den waren zin des woords , hunne letterkundige loopbaan. Heen
Eriesch boek heeft onder de Friesen ooit zoo veel opgang gemaakt als dit;
maar ook geen Kriesch boek heeft ooit zoo veel opgang, instemming, toe-
juiching, navolging verdiend als juist deze zelfde Lapekoer f en Gabe-Scroar.
En de uitkomst heeft bevestigd dat de Halbertsma\'s den juisten weg hadden
betreden en dien aan anderen gewezen, om de Eriesche taal op te beuren,
en tot vroeger nooit gekenden taal- en letterkundigen bloei te brengen.
Even min als ik hier voren in dit opstel de letterkundige werkzaamheid van
Gysbert Japicx den Lezer nader en in byzonderheden heb voorgesteld, even
min kan ik dit hier doen, wat de gebroeders Halbertsma betreft. Genoeg
zy het, hier te melden dat hun eerste werk Be Lapekoer vele, ook aanmerkelik
vermeerderde uitgaven beleefde, en door nnderc geschriften, grootendeels
in gelyken volksaardigen geest geschreven, als Twigen met ien alde ttamme,
Leed in Wille in de Flotgerzen en De Jonkerboer gevolgd werd. En eveneens
zy het genoeg hier zoo kort mogelik te roemen dat de eenvoudige, zangrykc,
dikwijls zoo hertroerende schoonheid van Dr. Eeltje\'s gedichten steeds meer
en meer uitblonk, even als het schoone , kernachtige proza van Dominus Joost ,
om hier ter plaatse te zwygen van de groote, geheel ongemeene taalgeleerd-
heid van den laatstgenoemden. Beiden hebben zy, vol begeestering, zoowel
in vereeniging als ieder op zich zelven, jaren lang, tot het einde van hun
leven, hunne beste vermogens ten bate der 1\'riesche taal- en letterkunde aan-
gewend. In hunnen tijd, voor hunnen tijd en volgens hunnen tijd hebben
zy nog in meerdere mate, en nog heilryker voor de Friesche taal gewerkt als
Gysbert Japicx , hun zeventiende-eeusehe voorganger, in, voor en volgens
zynen tijd gedaan heeft. Zy vervullen eveneens, en met niet minder recht,
eene eereplaats in de ry der groote mannen van Friesland. Ook hen komt
van den nazaat eere en lof toe en dankbaarheid. En die wordt hun dan ook
door niemand onthouden, door alle Friesen volop en van herten toegebracht.
De Halbertsma\'s vonden al spoedig vele navolgers, weldra by tientallen —
-ocr page 13-
YTLIKE BLEDSIDEN OEB FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE. il
misschien wel een honderdtal. En de ryen hunner volgelingen, steeds weer
aangevuld, schryden nog altijd voort in onverminderden getale, op de banen
door het roemryke broederpaar hen geopend. De kleinheid, de beperktheid
van het gebied der Friesche taal in aanmerking genomen, en tevens de ora-
standigheid dat heure beoefening in letterkundigen zin louter liefhebbery is,
kan men met recht en rede beweren, dat er in geen taal ter wereld zoo veel
geschreven wordt in volksaardigen zin. Natuurlik is ook op dit groote aantal
Friesche schryvers van deze eeu het spreekwoord toepasselik , dat alle hout
geen timmerhout is. Maar al is dan de letterkundige en de dichterlike
weerde van het gene sommige Friesche schryvers voor \'t licht brengen, ook
uiterst gering — kaf schuilt er toch niet onder dit koorn; met godslasterlik,
of vuil en liederlik, of opzettelik ziel- en zin-bedervend geschrijf heeft, tot
voor weinige jaren, en voor zoo verre my bekend is, nog geen Fries zyne
taal onteerd. Daar voor acht de vroede en eerzame Fries zyne eerbare moe-
dertaal te goed. Moge dit zoo blyven!
Het zoude ons veel te verre voeren, wilde ik hier ook maar enkel de
namen vermelden van de besten onder dit groot aantal Friesche dichters en
proza schryvers, of ook maar zeer oppervlakkig hunne werken bespreken. Toch
kan ik het niet van my verkrygen hier de namen ongenoemd te laten van
den geleerden Tiede Koelofs Dykstea , van Harmen Sytses Sytstra den
taalherfonner, van den zangryken dichter Jan Gelinde van Blom , van den
vermaarden Waling Dykstra, die, met Tjibbe Geerts van der Meulen
de volksaardigste is, den volke \'t meest bekend; van den smaakvollen, ver-
diensteliken tooneeldiehter ïjeerd Ritskes Velstra , van Tjallïng Eei.tjes
Halbertsma en Pieter Jelles Troelstra, twee veelbelovenden uit den jong-
sten tijd, die, door het gene zy reeds in \'t licht deden verschynen, als let-
terkundigen recht geven op de hoopvolste verwachtingen. En zekerlik bega
ik met dit namen noemen eene onbillikheid tegenover vele anderen, wier na-
men ik hier niet vermelde, maar die, \'t zy als dichters \'t zy als prozaschryver3
geenszins by de genoemden achterstaan. Want in der daad, de Friesche
letterkunde van deze eeu kan zich met het volste recht beroemen op heure
talryke, verdienstelike beoefenaars, op meesters, beheerschers en kenners der
taal, op ware dichters vol edel gevoel en zangryke welluidendheid, op
kernachtige prozaschryvers vol geest en gloed, op volksmannen, die, ook als
schryvers voor het in Friesland zoo druk bespeelde volkstooneel en als spre-
kers op de geliefde winterjnndenochten (*), den rechten volkstoon weten te vin-
den , en dien met weerdigheid en beleid weten te gebruiken.
(*) W interjéndenocht, dat is: Winteravoudgenoegen, ia de naam dien men in Friesland
geeft aan openbare byeenkomsten op winteravonden, overal in steden en dorpen, ja zelfs
wel onder de Friesen in Holland (te Amsterdam, Haarlem, Leiden, enz.) gehouden: en waar
dan een of meer bekende Friesche volksmannen hunne oorspronkelike Friesche stikken, in
rijm en onrijm, voordragen — dikwijls met veel volksaardige en goedlachsche geestigheid,
en meestal tot overgroot genoegen der talrijk safvmgestroomde, gretig luisterende schare.
Waarlik, veel begeestering, veel opwekking, veel goed-gevolg voor de Friesche zaak, is er
van deze winterjAndenochten uitgegaan. Waling Dykstra, als winlerjundenocht-man onover-
troilen, is daar mede begonnen, en heeft die gearkomsten eene lange reeks van jaren gehou-
den, zoo wel op zich zelven en aleen, als in gezelschap en medewerking van anderen
(Tjibbe Geerts van der Meui.en, Gerben Colmjon, die later Archivaris Bibliothecaris
van Friesland is geweest, ArKK Boonemmer.) F,u Dyxstka gaat daar mede nog steeds voort
zy het ook by het klimmen zyner jaren, minder als vroeger. Ook heeft hy in den luatsten
tijd, onder do jongeren, weer navolgers gekregen, als B. S. 11yi.ke.ma, H. B. Kylstra,
en anderen.
-ocr page 14-
12         YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSË.
Het tijdperk dor Halbertsma\'s, van 1820 tot op heden, ofschoon een
samenhangend geheel uitmakende, heeft zoo wel jaren van vernieuden en
vermeerderden bloei gekend , als jaren van stilstand en verslapping. Ook
hebben zich onder de Friesche schryvers van dit tijdperk verschillende geestes-
stroomingen geopenbaard. En tevens zeer verschillende richtingen in taai-
kundig opzicht, waarover ik, verder in dit opstel, nog nader het een en
ander hoop mede te deelen. Sommige tientallen jaren kunnen roemen in
geleerde en bekwame mannen, die, vol geestdrift en toewyding, de Friesche
taal en heure beoefening bevorderden, en die daarin by hunne tijdgenooten
met het beste gevolg slaagden. Dan, als hun geest had uitgewerkt, kwam er
weer een tijdvak van stilstand, tot er daarna weer een geslacht opstond van
jongere taal- en letterkundigen, die het werk der ouderen voortzetteden op
hunne eigene wyze, en met vernieud goed-gevolg.
Nadat alzoo de geestdrift, door de Halbertsma\'s opgewekt, by vele Friesen
bekoeld was, ook al door de min gunstige wyze waarop sommige navolgers der
Halbertsma\'s de Friesche taal voor laffe en flaue grapperyen misbruikten, kwam
er by de oprichting van het Selskip for Fryske tael- en skriftekennisse (Ge-
zelschap, genootschap, voor Friesche taal- en letterkunde), ten jare 1844 ,
een nieu en bly leven onder de Friesche schryvers en lezers. En groote
veranderingen en verbeteringen waren hier van het gevolg; veranderingen en
verbeteringen, zoo wel wat het gehalte en d\'innerlike weerdye aangaat der
Friesche geschriften, als wat de taal op zich zelve, heure zuiverheid, heure wel-
schryving {prthographiè) en heure spelling betreft. De eenvoudige maar degelike,
echt Friesche geest van mannen als Tiede Koelofs Dykstra en Harmen
Sytses Sytstra, en hunne groote taalgeleerdheid beheerschten eenige jaren
lang het leven der Friesche taal, en drukten als \'t ware eenen eigenen stem-
pel op heure letterkunde. De uitgave van jaarboekjes en tijdschriften (*),
grootendeels nog heden in leven, was almede, middellik of oumiddellik,
een gevolg van hun streven. En hetgeen die tijdschriften, vooral in de
eerste vijf-en-twintig jaren van hun bestaan boden, strekte der Friesche taai-
en letterkunde tot groote bate. Het werd dan ook door de Friesen op nieu
Een gants byzonder, schier weemoedig genoegen ia het voor den waren Fries, zulk een
winterjéndenocht by te wonen in eene plaats buiten Friesland, b. v. hier ter stede, te Haarlem
(of eene Friesche tooneelvoorstelling te Amsterdam). Daar vindt men dan alle Friesen die
daar wonen, trou opgekomen, ouden en jongen, aanzienliken en geringen, finen en ijrouen.
Eene byzondere stemming bezielt allen; \'t is als of allen verwant zijn, als of men by eene
groote maagschaps-byeenkomst ware. Vriendelike begroetingen, ja lachjes en handdrukken
worden over en weer met wederzijdsche begeestering gewisseld, en allerlei herinneringen
aan \'Xdlde Heiteldnd opgefrischt, ook tusschcn lieden die in geenerlei betrekking tot eik-
anderen staan, maar die eikanderen als Idndsljüe herkennen. En nooit wordt het Friesche
volkslied „Trysk bloed, tsjoch op!" met zoo veel geestdrift gezongen als dan, en daar.
Menschen met een gevoelig herte en een ontvankelik gemoed, smelten schier weg in wee-
moedig genot. In gulle blaue oogen heb ik een traantje zien opwellen, dat met een beschaamd
glimlachje weer werd weggewischt; en schier pijulike handdrukken, uit overmaat van her-
telike genegenheid, zijn my op zulke avonden wel toebedeeld. En nergens en nooit heeft
Waling Dykstra een dankbaarder gehoor, noch behalen zyne voordrachten ooit meer toe-
juichingen als by deze „Friesen in de verstrooiinge".
(*) Iduna, langen tijd het eerste en degelikste, ten jare 1845 opgericht en, sedert 1871
onder den naam Forjit my net (Vergeet my niet) vernieud, in onafgebrokene reeks voortgezet;
De Friske Hdsfrjeun (De Friesche Huisvriend;; De Ilyekoer (Du Byenkorf), en Swanneblom-
mi\'ii
(Zwanebloemen, de Friesche naam der bloemen van Nymphaa all/a, wier bladen,
pompebladen, op het Oud-Friesche wapenschild pryken), twee jaarboekjes, sedert 1845 en
\'49 tot heden jaar op jaar verschenen.
-ocr page 15-
YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.         13
met welgevallen, instemming en geestdrift ontfangen. Menig veelbelovend
jong letterkundige vond in die tijdschriften gelegenheid tot plaatsing zyner
eerstelingen, uitblinkende door frisehheid van geest en nieuheid van opvat-
ting, en heeft, juist door d\'aanmoediging en de verstandige leiding van
TrEDE Dykstra en zyne medestanders, later, en tot nu toe, eene eervolle
plaatse onder de Friesche schryvers ingenomen.
Al knnnen we nu hier ook al weer de namen van al de medestanders van
TrenE Dykstra. en van Harmen Sytstra niet afsonderlik vermelden, de naam van
een\' hunner, van Jacobus van Loon Jz. , mag hier toch niet ongenoemd blyven,
als medeoprichter van het Frysk Selskip, als de man, die, van den beginne
af tot nu toe, eerst als Skriuwer (Secretaris), daarna, sedert den jare 1862,
als Voorzitter van dat genootschap, steeds vervuld met grootenlust en yver,
alles heeft gedaan wat in zijn vermogen was om den bloei van \'t Selskip,
den bloei der Friesche taal en letteren in \'t algemeen te bevorderen. Zelf een
zangrijk dichter, heeft hy door de samenstelling en uitgave van het Friesche
Liederenboek (It Lieteboek, Frysce sang mei pianolieding; Hearrenfean, 1876)
een moeielik werk, door hem met groote toewyding begonnen, met stalen
vlijt en volharding, onder medewerking van den toonkunstenaar M. de Boer ,
op uitmuntende wyze ten einde gebracht, der Friesche zake in \'t algemeen
eenen grooten dienst van veel beteekenis bewezen, en menig sjongsum lied by
de zanglustige Friesen ingang doen vinden, ook in die kringen, waar de
Friesche taal anders weinig of in \'t geheel niet beoefend wordt. — ïiede Dykstra
en Harmen Sytstra zijn beiden jong gestorven; zy hebben, jammer! jammer!
het werk zoo getrouelik, zoo vol geestdrift en beleid door hen begonnen,
niet mogen voleindigen. Zy zijn ook by velen hunner tijdgenooten niet naar
hunne groote weerdye in taalgeleerden zin geschat geworden, en buiten
Friesland byna geheel onbekend gebleven — te echt ï\'riesch eenvoudig en
vroed als zy waren om zelve hunnen lof uit te bazuinen. My, die reeds als
knaap door eenen hunner geleid werd op de bane der Friesche taal en letteren,
my zy de eere gegund hier weemoediglik en dankbaar eenen nederigen lauer-
krans te vlechten om de roemryke namen dezer troue Stand-Friesen!
Na hunnen dood verflauden sommigen hunner medestanders in yver. En
anderen, al bleef hunne toewyding ongebroken, kouden door gebrek aan de
noodige kundigheden op het gebied der Friesche taalgeleerdheid, de herfor-
ming der Friesche tale in taalkundigen zin door Dykstra en Sytstra begon-
nen, niet voortzetten; zy verlieten de baan, waarop die meesters hun waren
voorgegaan. Ik zelve, in den volsten zin des woords een leerling van Tiedr
Dykstra , was by zynen dood nog slechts een twee-en-twintigjarige jonge-
ling, en nog geenszins by machte hunne taak op myne schouderen te nemen;
te minder, wijl mijn levenspad toen buiten mijn Friesche vaderland verliep.
Spoedig na dat aan Dykstra en Sytstra het Friesche vaandel, dat zy zoo
oervol hadden hoog gehouden, ontfallen was, openbaarde zich onder de Friesche
letterkundigen eene tegenstroorning ten opzichte van den Oud-Frieschen form
waarin deze kloeke geleerden het negentiende-eeusche Friesch te recht her-
schapen hadden. Ook werd het gehalte van de voortbrengselen der Friesche
letterkunde weer gaande weg minder en minder. De eerste geestdrift had
weer uitgewerkt; verflauing en verslapping volgde. F!n al viel ook de hoofd -
werkzaamheid van Gerben Colmjon, als Friesche taal- en letterkundige geens-
zins onverdienstelik, in dit tijdvak — al bleef ook het Selskip bestaan en
-ocr page 16-
44         YTLIKE BLEDSIDEN OER FBYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.
in werking — al bleven ook de tijdschriften in wezen, het blyde, frissche,
jonge leven dat de jaren van 1850 tot 1865 vervuld had, kwam tot kwy-
ning, en de schoone uitingen daar van waren te niet gegaan. Behalve het
gene de vruchtbaarste der Friesche schryvers, Waling Dykstra , nog voor
en na in het licht gaf, viel het byzonderste wat er nog in de jaren na 1865
en vooral na \'70 uitkwam, op het gebied der tooneellitteratuur, uit den op-
gewekten geest en de welige, willige penne van Tjeerd Ritskes Velstra en
anderen. Velstra, een smaakvol man, heeft met eenige anderen die met
voorliefde voor het tooneel schreven en nog schryven, als Sjouke Hylkes
Hylkema, C. D. van der Weg en Jacob Hepkema (die der Friesche taal ook
ingang in zijn nieusblad verschafte) (*), T. G. v. d. Meulen , enz., de
beoefenaren der tooneelspeelkunst, in Friesland zoo talrijk, grooteliks aan
zich verplicht, wijl hy en zyne bovengenoemde medestanders hen, in ge-
wenschten overvloed, oorspronkelike, echt Friesche, degelike en in zedelik
opzicht niet afkeurensweerdige tooneelspelen dichtte.
Scheen het wel alsof tusschen de jaren 1870 en 1880 de Friesche taal-en
letterkunde weer zoetjens aan op heure laueren zoude insluimeren, al spoedig
na laatstgenoemd jaar kwam er verandering.
Vernieud en nieu leven begon zich te openbaren, als een voorbode van
de vele en goede geschriften, sedert dien tijd weer verschenen. Een Jong-
Friesland begon zich te roeren, en het nog bestaande Oud-Friesland trad op
nieu, met vernieuden lust, mede ter Friescher bane. Eenige jonge Friesche
dichters en rymers toch, wier namen tot dus verre weinig of niet bekend
geweest waren in de Friesche letterwereld, brachten hunne eerstelingen samen,
en gaven die in éénen bundel vereenigd , onder voorgang van twee hunner,
van Pieter Jelles Troelstra en Onno Harmens Sytstra , in het licht,
onder den titel It jonge Fryaldn {Bearrenfean, 1881). En twee van de be-
kendsten, tevens van de volksaardigsten onder de oudere Friesche dichters
en schryvers, Waling Dykstra en Tjibbe Geerts van der Meulen, gaven
eene oarde en folie formeardere (tweede en veel vermeerderde) uitgave in het
licht van hunne Doaze fol dlde snypsnaren {Frjentsjer, 1882) — dat is eene
versameling van bernerymkes, berneboarteryen , jong/olkswille, riedlingen, dlde
lieten, sprekwirden en yette mear
(kinderrijmpjes, kinderspelen en kinderboert,
vermakelikheden van jonge lieden, raadsels, oude liederen, spreekwoorden
en nog meer), kortom, van alles wat men heden ten dage onder den naam
van Folklore samenvat, en met zooveel yver achterhaalt. Van deze twee belang-
ryke geschriften heb ik reeds in jaargang 1883 van dit tijdschrift, onder
den titel Uit Friesland, eene aankondiging, nadere beschryving en beoor-
deeling gegeven. Dies verwijs ik den belangstellenden Lezer daar heen.
Later verschenen uitingen en openbaringen van het vernieude Friesche taai-
en letterkundige leven in het jongst verloopene tienjarige tijdvak, grootendeels
en- voornamelik bestaande uit de werken, waarvan de titels aan het hoofd
van dit opstel geplaatst zijn, wil ik hier wat nader den Lezer ontvouen.
En daar toe heeft het geheele, zy \'t dan ook uiterst beknopte overzicht der
Friesche taal- en letterkunde, hier voren medegedeeld, als inleiding moeten
(*) Nieuw Advertentieblad, Heerenveen, J. Hepkema.   Dit zoogenoemde Hepkema\'s
Krantsje, in zuidclik Friesland veel verspreid, heeft vele  belangryke zaken in Friesche
letterkunde en in Friesche geschiedenis en oudheidkunde, op  verdienstelike wyzc onder het
Friesche volk gebracht.
-ocr page 17-
YTLIKE BLEDSIDEN OER FBYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.         15
dienen. Voor den On-Frieschen Lezer, in Holland en Vlaanderen, in Gelder-
land en Brabant en in de andere Nederlandsche gewesten, die in den regel
gantselik onbekend is met de taal- en letterkunde der Friesen, moge dit
overzicht eene aanleiding wezen om aan deze belangryke volkseigene zake
meer aandacht te schenken, als haar tot nog toe wel van d\' On- Friesche Ne-
derlanderen ten deel gevallen is. Het geldt de goede zake van het oudste,
roemrijkste, byzonderste en ongetwyfeld merkweerdigste deel des geheelen
Nederlandschen volks.
Zoo men het hedendaagsche tijdvak in het leven der Friesche taal- en
letterkunde door eenen byzonderen naam kenmerken wilde, dan zoude men
daar aan gevoegelik den naam van „het wetenschappelike tijdvak" geven kunnen.
Immers heden ten dage openbaart er zich in de Friesche taal- en letterkunde
eene byzondere strooming in wetenschappelike richting. De taalkunde vooral
wordt met vernieuden yver wetenschappelik beoefend; en eveneens de oud-
heidkunde en geschiedenis. Ook de schryvers, die op het gebied der fraaie
letteren blyven, leggen tegenwoordig veelvuldig aan hunne geschriften eene
degelikheid ten grondslag, die op wetenschappelike kennis steunt. Uit ver-
schijnsel is grootendeels nieu in de geschiedenis der Friesche taal- en letter-
kunde. Die richting trad althans in vroegere tijdvakken weinig of niet op
den voorgrond. Het is een zeer heugelik verschijnsel, en de Friesche zake
wordt daar grooteliks by gebaat. Ook dan, waneer sommige Friesen, om
aan hunne geschriften eenen ruimeren kring van lezers te verschaffen, voor
d\' openbaarmaking van hunne Friesch-wetenschappelike onderzoekingen de
Algemecn-Nederlandsche taal, en niet de Friesche gebruiken. En evenzeer
dan, waneer vreemdelingen, niet-Friesen, zich aan de beoefening der Friesche
wetenschappen wyden, en de uitkomsten hunner navorschingen in hunne
eigene, Nederlandsche, Hoogduitsche of Engelsche talen beschryven. Dit is
in de laatste tien jaren herhaalde malen voorgekomen.
De hooge vlucht, die de beoefening der byzonder-Friesche volkseigenheden
in wetenschappeliken zin, en byzonderlik die der Friesche taalkunde in het
laatste tiental jaren genomen heeft, vooral ook door de toewyding van
vreemden, van niet-Friesen, is voor de Friesen zelven zekerlik zeer aange-
naam en streelend.
Ja wel! — maar dit legt hun ook de verplichting op, in deze zake zich
niet door vreemden overvleugelen te laten, maar om zelven in d\' eerste
plaatse met vernieuden yver de handen aan den ploeg te slaan, en de goede
zaak van hun land en volk te dienen.
En dat doen zy. De werken, wier titels aan het hoofd van dit opstel
vermeld staan, kunnen het getuigen.
Deze vijf werken hebben allen dit gemeen, dat zy, elk naar zynen byzon-
deren aard, van degelik gehalte zijn. En eveneens dit, dat zy allen zeer
eenvoudig en nederig zich voordoen, dat zy haast al te eenvoudig en\'nederig
van voorkomen zijn, geheel zonder ophef voor den dag komen. Dit is geheel
naar den volksaard der Friesen. Maar On-Friesen, die meer aan ophef, aan
uiterlikheden hechten en gewend zijn, konden daardoor deze eenvoudige
geschriften wel over het hoofd zien of anderszins niet hunner aandacht weerdig
keuren. Om dat onverdiende lot te voorkomen, is het zekerlik nog zoo
veel te noodiger, dat er hier in dit tijdschrift de aandacht der belangstel-
lenden op gevestigd worde.
-ocr page 18-
16         VTLIKE BLEDS1DEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.
N°. 1, de Friesche Volksalmanak, verbindt in byzondere mate een nederig
voorkomen , een eenvoudig uiterlik, aan inwendige degelikheid. Een groot
gedeelte van de opstellen die daar in voorkomen, ware zekerlik in groote en
vermaarde wetenschappelike tijdschriften aan taal, geschiedenis of oudheid
gewijd, beter op zyne plaatse, als in de verschillende jaargangen dezer
nederige volksalmanakken.
Ook de volksalmanakken in het algemeen hebben in sterke mate de wis-
selvalligheid van den tijdgeest en van de volksgunst ondervonden. Omstreeks
den jare 1830 in de verschillende Noord-Nederlandsche gewesten door echt
vaderlandsch-gezinde mannen met zooveel yver en toewyding op tou gezet,
en door het lezende volk aanvankelik met zooveel ingenomenheid ontfangen en
gesteund, raakten deze jaarboekjes een twintigtal jaren later aan het kwynen.
Sommigen stierven zelfs, waaronder van de besten, zoo als de Overijs-
selsche, die in wetenschappelikheid zynen broederen overtroffen had. Slechts
weinigen hielden stand, van den beginne tot in onze dagen; by voorbeeld de
Geldersche, die van den jare 1834 tot heden in onafgebrokene reeks ver-
schenen is. Ook de Friesche Volksalmanak stierf als een offer aan den tijd-
geest, die sedert 1848 in de Nederlanden heerschte, en die vooral in de
noordelike gewesten zoo sterken invloed had, ten ongunste van zoo vele
schoone en weerdige Oud-Friesche volkseigenheden. Wel trachtte men den
kwynenden, toen hy ten jare 1853 als Nieuwe Friesche Volksalmanak ver-
scheen , in nieuen geest vernieuden bloei by te brengen, maar verder als het
jaar 1866 kon de tweede reeks dezer Friesche jaarboekjes het niet brengen.
Toen stierf de Friesche Volksalmanak, waarvan de reeks der „Nieuwen" die
der „Ouden" in belangrijkheid niet had kunnen overtreffen, op dertigjarigen
leeftijd, aan smadelik verval van krachten. De tijdgeest dier dagen was
voor de beoefening der volkseigenheden en byzonderheden al te ongunstig.
Maar sedert kwam er verandering en verbetering. En, gelijk men overal
in de beschaafde wereld weer terugkeert tot zoo veel goeds en edels en schoons,
dat velen reeds in hunnen vyandigen overmoed voor goed overwonnen, voor
goed in het verledene verdrongen en verzonken waanden — zoo kwam er
met de beoefening der volkseigene en volksaardige wetenschappen , met de
vernieude belangstelling voor alles waar in een beter voorgeslacht geleefd had,
ook eene herboorte der volksalmanakken. Niet enkel voor afzonderlike ge-
westen , maar zelfs voor afzonderlike steden, als Amsterdam, Rotterdam en
\'s-Gravenhage. Ook in Friesland kwam er blydelik een nieu leven op dit
gebied , en de herboorte van den Frieschen Volksalmanak was daarvan eene
wei-aangename uiting. En dat dit herboren jaarboekje aangemerkt moet
worden als eene voortzetting van den ouden, niet van den „Nieuwen
Frieschen Volksalmanak", zoo als uit den titel mag afgeleid worden, strekt
zekerlik tot zyn voordeel. Eenige welgezinde Friesen, de oude, reeds op
bladzyde 13 hier voren genoemde J. van Loon Jz. nog met jeugdigen yver
vooraan, deden ten jare 1884 de oude Friesche Volksalmanak weer herleven,
en kregen terstond krachtige medewerking van vele Friesche geleerden en
letterkundigen, zoo wel van ouden als van jongen. Thans is met Nieuejaar
van 1891 reeds de achtste almanak dezer heruieude reeks verschenen, en
liggen er acht van die eenvoudige boekdeeltjes met hunnen degeliken in-
houd ter beoordeeling voor my.
De inhoud daarvan biedt veel verscheidenheid. Ook zijn de beste en be-
-ocr page 19-
YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.         17
kendste namen op Friesch gebied, als die van de opstellers der verschillende
bydragen, daar in vertegenwoordigd. Hooftsnkelik bestaat die inhond oit
opstellen van geschied" en oudheidkundigen aard , en daar onder zijn er velen
van byzondere belangrijkheid, en die eervol getuigen van oorspronkelike op-
vattingen, van zelfstandige en naugezette navorschingen. Veel geringer in
aantal en in weerde zijn de opstellen van taalkundigen aard. En de bydragen
die meer byzonder vallen op het gebied der zoogenoemde fraaie letteren, het
zy dezen in Friesch of in Nederlandsch gewaad voor den dag komen, zijn
eveneens van geringe beteekenis. Niet te min vervullen zy ten volsten en
ten besten heure taak om eene aangename afwisseling aan te brengen tus-
schen de andere opstellen van wetenschappeliken aard. Sommige opstellen
die in het byzonder de geschiedenis behandelen van oud-adellike huizen
{staten) en hunne bewoners, als die van Herjuwsma-state te Ferwerd (in
jaargang 1884), van Ponga-state te Marrum (1885), van Ondersma-state te
Hallum (\'87), van Cammingha-state te herwerd (\'88), allen door D. (,!an-
negieter beschreven, en van de state Hoxwier teMautguin, in den jaargang
van \'90 beschreven door J. H. J. van Wageningen thoe Dekama, munten
byzonder uit door degelikheid en belangrijkheid. Zy zullen den beoefenaren
onzer geschiedenis en geslachtskunde zekerlik grooteliks behagen en van aan-
merkeliken dienst zijn voor de geschiedenis van Friesland in het algemeen.
Wy voegen daar by nog de opstellen van Mr. A. J. Andreae over Het ge-
dacht van Buma
(jaargangen \'87 en\'88), en over Cyprianus Vomelïus a Stapert,
den beroemden Frieschen geleerde (\'91); verder die van den (ïroningschen
Hoogleeraar Dr. J. Reitsma over de Stichting van Buiceklooster (\'84), over
Het klooster Steenkerk in Eangwirden (\'90), enz.; van Dr. F. Buitenrust
Hettema, J. van Loon Jz. en den Hoogleeraar Dr. H. Handelmann te Kiel,
over „Qroote Pier" (in \'85, \'86 en \'87); van Mr. Ph. van Blom over de
hoogst merkweerdige en raadselachtige zoogenoemde Oravinneweg (\'86 en \'87)
en over De Middelzee (\'89); van Mr. J. üirks, naar aanleiding van eene
oude muurschildering in de Domkerk te Munster, de vraag beantwoordende:
Hoe waren de Friezen in liet midden der dertiende eeuw gekleed en gewapend ? enz.
(in \'89); van Hendrik Fennema Jr. , over Of/rustige tijden te Sneek in 1783—
1787 (\'84); van J. Hogeman over Het oude Graafsc/iap Staveren (\'90); van Sjoerd
Haagsma, Friesland ter zee (\'91) — allen eveneens degelike, zeer lezensweerdige
opstellen, van naugezette studie getuigende. Findelik, byzonder op geslachts-
kundig gebied, eenige belangryke aanteekeningen van Heerke Wknxing in
jaargangen \'87, \'88 en \'90; van J. Hogeman over Marien Hankes (\'91), enz.
Zoo wy den geheelen inhoud dezer jaarboekjes niet willen afschryven,
moeten wy ons zeer beperken in het vermelden der byzonderste opstellen die
daar in voorkomen. Zoo kunnen wy slechts noemen op taalkundig gebied ,
een oud lied in de, thans nagenoeg verdwenene afsonderlike spreektaal van
den dorpe Molkwerum, onder den naam Molkorrer Sang medegedeeld in
jaargang \'88 door Dr. F. Buitenrust Hettema ; verder een opstel van my
zei ven over Friesche mans- en vrouenamen in oorsprong en beteekenis (\'8 6); nog
van Hettema bovengenoemd over Volksetymologie (\'86); en eenige kleinere
bydragen. Op oudheidkundig gebied leveren de Friesche jaarboekjes ons
allerbelangrijkste opstellen, ouder anderen van den Leidschen geleerde
Dr. W. Plekte, over Voorwerpen uit Friesche terpen (\'86) en over Schedel-
vereering in Friesland
(\'88); van Dr. W. K. J. Schoor, over Drinkwater-
-ocr page 20-
48        YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.
putten in de terpen (\'88), en over Merkwaardige urnen (\'87); van G. H. van
HoitssuM Waalkes , Mededeelingen uit een kerkeboek van Briesum (\'84); van
Mr. A. Tbltino, Iets over de straffen by de oude briesen (\'85), en velen
meer. Ook eenige opstellen van my zei ven, onder welke ik in het byzonder
op Bier en Bierdrinkers in Vriesland (\'84), en Opmerkingen by het doorbla-
deren van de Benejiciaalboeken van Friesland
(\'89) meen te mogen wyzen.
Het een en ander dat men heden ten dage onder den naam van Folklore
samenvat, zoekt men in den Mesonen Volksalmanak almede niet te vergeefs:
by tl ragen van Waling Dykstra, Tri/je Frjeunen (\'84), In bernerymke fen
Skiermïints-aick
(\'87), It maibeamjen (\'90), Skiermontseach (\'91); van Ïjibbe
Geeets van dek Meulen, Be trije Jonkers fen Birgum. (\'88;, Be Poppesteen
en het Lichtmisbrood te Bergum
(\'89); van J. Herman Kiemersma , Eene
begrafenis
(\'90); ook van my zelven Oude Volksliedjes (\'87), enz.
Al deze schryvers hebben er zich op toegelegd om droogheid, dorheid,
vertoon van schoolmeesterachtige geleerdheid , geheel buiten hunne geschriften
te houden, ofschoon de onderwerpen die zy behandelden, daar anders wel
aanleiding toe gaven. Dit is voor den lezer zeer aangenaam , en komt den
geheelen almanak byzonder ten goede. Velen ook zijn er daar te boven nog
zeer wel in geslaagd om hunne opstellen in eeneu aangenamen, lossen, soms
ook geestigen en soms ook dichterliken trant te sehryven, die den lezer
vermaakt en boeit. Als voorbeelden noemen wy een opstel van Mr. Ph.
van Blom, Ongetiid (\'85), van J. H. J. van Wageningen thoe Dekama,
Be state Hoxwier (\'90), en anderen. Ook ik zelve heb my beyverd myne
bydragen byzonderlik in dien geest op te stellen. In hoe verre ik daar in
geslaagd ben of niet geslaagd, staat niet aan my om te beoordeelen.
Uit deze gedeeltelike opsomming van den inhoud der Friesche jaarboekjes
leide men niet af dat die bydragen welke ik onvermeld liet, van minder
weerde zouden zijn als de genoemden. Dit is geenszins het geval. Maar
ik heb my moeten beperken.
Dit achttal Friesche Volksalmanakken , waarvan we hopen willen dat het
nog door menig achttal van gelyke of meerdere weerdy gevolgd worden zal,
is wel nederig van voorkomen, maar mist toch geenszins eene eenvoudige
netheid, die nog verhoogd wordt door sommige fraaie plaatjes. Onder anderen
door dat van Herjuwsma-state, in jaargang \'84, en van den schoonen steen
die het graf dekt van den dapperen, roemruchtigen Frieschen edelman Seerp
van Galama, in de kerke te Mantgum, in jaargang \'90. Maar wat dezen
werkjes aan uiterliken pronk ontbreken moge, wordt rykelik opgewogen door
den degeliken, wetenschappeliken, schoonen inhoud. En is hun bestaan
eene eere voor de Friesche geleerden en letterkundigen, een roem voor de
Friesen in \'t algemeen , nemen ze ook onder de volksalmanakken der andere
Nederlantlsche gewesten eene eereplaats in, — zy zijn toch buiten Friesland
te weinig bekend. Daarom verblijdt het my te meer dat ik er hier de aan-
dacht op vestigen kan van allen tlie, buiten Friesland , toch belang stellen
in de geschiedenis, oudheidkunde, taal- en letterkunde van zulk een by-
zonder deel des Nederlandschen volks als de Friesen uitmaken.
Was er in de Friesche Volksalmanakken slechts weinig van Friesche taai-
kunde te vinden, niemand leide daar uit af, dat de wetenschappelik taai-
kundige beoefening van het Friesch in den tegenwoordigen tijd achterbaks
-ocr page 21-
YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.        19
zoude geschoven zijn. Juist liet tegendeel is waar! Juist wordt de Friesche
taal heden ten dage langs de geheele lijn heurer verspreiding, in ons Neder-
landsche Friesland zoowel als in Oost- en in Noord-Friesland, inheureoude,
middeleeusche, zoo wel als in heure nieue, hedendaagsohe formen , met voorliefde
wetensehappelik beoefend , door vreemden zoo wel als door b\'riesen. En nooit
bloeide die beoefening zoo als tegenwoordig in dit tijdperk van het leven der
Friesche taal, dat ik ook vooral daarom het wetensohappelike tijdvak noeme.
Eene flinke ry belangryke werken op dit gebied, legt van dezen bloei
getuigenis af. Rekenen wy de drie dikke deelen van het groote, zeer uit-
gebreide Wörterbuch der Ostfriesischen Sprache van J. ten Doobnkaat
Koolman (Norden, 1879—\'85) niet mede, omdat dit omvangryke werk niet
zoo zeer de eigentlike (Oost-)Friesche taal ten onderwerp heeft, alu wel de
Kriso Saksische mengelsprake, die reeds sedert drie eenen de algemeene volks-
spreektaal in Oost-Friesland uitmaakt — en ook niet het allerbelangrijkste,
maar nog onvoltooide Lexicon Frisicum van Dr. J. II. Halbebtsma , met het
Idioticon Frisicum van Jhr. Mr. Moxta»>\'US de Haan Hettema (Leeuwarden,
1874) en de uitgave van Joiiann Cadovius Müi.ler\'s hoogst merkweerdig
Memoriale linguae Frisicae, bezorgd door Dr. L. Kukt.liin* (Leer, 1875),
omdat deze werken, volgens het jaar hunner uitgave, eigentlik nog tot een vorig
tijdperk behooren — zoo kunnen de jongst verloopene jaren ons wyzen op de
uitgave van het zeer byzondere Wurstener Wiirtenerzeichnüs van Orro Brem eb
(voorkomende in het tijdschrift van Paul en Bbaune , Beitrage zur Geschichte
der Beutschen Sprache und Literatur,
Bnd. XIII) en op vele andere verhande-
lingen van dezen taalvorscher, in verschillende tijdschriften verspreid. Verder
op ür. Theodob Siebs, Ber Vocalismus der Stammsilben in der Altfriesischeu
Sprache
(Halle a/S, 1885); Die Assibilirung des k und g, unter besonderer Be-
rücksichtigung des Friesisc/een
(Tiibingen, 1886); en vooral op diens uitgc-
breide arbeid Zur Geschiclde der Englisch-Friesisclien Sprache (Halle a/S, 1889),
een studiewerk van groote weerde voor de Friesche taal in heuren grootsten
omvang; op de Altostfriesische Grammatik van den Hoogleeraar Dr. W. Ij.
van Hei/ten te Groningen (Leeuwarden, 1890), op C. Günther, Die Ferba
im Altostfriesischen,
Leipzig, 1880, en op vele kleinere opstellen door ver-
schillende geleerden, waaronder ook de Nederlandsche geleerden Profes-
soren Dr. H. Kekn en Dr. J. H. Gallée, ook Dr. F. Buitenrust Hettema
en anderen, in allerlei tijdschriften opgenomen. Al deze werken munten
door degelikheid uit en hebben eene hooge weteuschappelike beteekenis. En
al kan dit niet zoo getuigd worden van W. T. Hewet\'s Thefrisian language
and literature
(Ithaca [in Noord-Amerika] 1879) en van J. Adley Cummins\'
A grammar of the old friesic language (Londen, 1881 en 1887), dan bewy-
zen deze twee werken toch hoe de kennis en de roem van de belangrijkste
der Oud-Germaansche talen zich steeds verder verspreidt.
By al deze werken heeft zich nu ook de Friesche Spraakkunst van Mr. Pu.
van Blom gevoegd, die, als n°. 2 van het boekenlijstje aan het hoofd van
dit opstel geplaatst, thans ook eene nadere aankondiging, behandeling en
beoordeeling van ons vraagt. Vooraf echter, en tot beter inzicht in de weerde
van deze spraakkunst, is het noodig om althans over een enkel deel der
Friesche spraakleer, over de spelling, eenigszius nader, zy het dan ook uiterst
beknoptelik, uit te weiden.
-ocr page 22-
20         YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.
Immers is de spelling der Friesche taal een groot struikelblok, niet slechts
voor de On-Friesche beoefenaars dier sprake, maar ook voor de Fricsen zelven.
[n der daad , die spelling kenmerkt zich door eene onvastheid, door eene
schier eindelooze menigvuldigheid op allerlei wyzen , waar in zy de spelling
harer Engelsche zustertnal nog overtreft, en die in staat is om. een sehool-
meesterachtig gemoed tot wanhoop te brengen. Die spelling hangt als \'t ware
in de lucht, heeft geenen vasten grondslag, en vindt ook geen goed door-
gevoerde en volgchoudene toepassing. Zy is overgeleverd en overgelaten aan
de willekeur van iedereen, dikwijls van geheel onbevoegden, van schier
gantselik ongeletterden. Zoo vele Friesche schryvers , zoo vele Friesche spel-
wyzen. En moge deze zwarte voorstelling der zake heden ten dage gelukkig
dan ook al geen volle gelding meer hebben, enkele tientallen van jaren ge-
leden , was het met de Friesche spelling in der daad zoo gesteld. Ja, zoo
stond het met de spelling, en ten deele ook met de geheele spraakkunst der
Friesche taal geschapen, sedert zy in de zeventiende een herleefde uit heur
eerste tijdperk van verval, en vooral sedert er in het begin dezer eeu een
nieu tijdperk van bloei voor haar aangebroken was. O! daar is sedert dien
tijd in deze zake langzamerhand wel aanmerkelik verbetering gekomen, —
maar geenszins nog in voldoende mate.
De hoofdoorzaak van deze in der daad betreurensweerdigc, ja beschamende
toestand is wel hierin gelegen dat de Friesche taal by het gros des volks nog
steeds enkel maar spreektaal, volksspreektaal is, en dat zy niet op de school
aan de jeugd geleerd wordt, in lezen en schryven. Nogtans ware dit zoo
wenschelik, en het zoude der vlugge ontwikkeling van het jonge volkje, dat
toch van moeders schoot en vaders knie af natuurliker wyze geene andere
taal kent als de eigene Friesche, zoo zeer ten goede komen. Of deze recht-
matige wensch wel ooit vervuld worden zal ? Wie weet het! Maar ik hope \'t;
en ik heb er ook goeden moed op. Het ligt geheel in de lijn van de richting,
die heden ten dage in deze en dergelyke zaken gelding heeft. En wat voor
eene halve eeu zekerlik eene ougehoorde zaak was , misschien wel ondoenlik
geacht werd, wy zien het reeds gebeuren. Reeds is er hier en daar ten
platten lande in Friesland een rechtgeaarde ondcrwyzer, die de Friesche taal,
ook als schrijf- en leestaal zynen leerlingen by brengt. Toch is dit nog maar
lief hebbery-werk, en het kan, eigentlik als iets overtolligs beschoud wordende,
slechts den begaafdsten der leerlingen ten goede komen. Het gros der leer-
lingen toch zucht reeds zoo zwaar onder al te veel verplichte vakken in zynen
leergang! En die verplichte vakken worden dan nogal te zeer uitgesponnen!
Zoo blijft er voor het Friesch geen half-uurke tijds over. En zoo komt het dat
vele, anders wel ontwikkelde Friesen, en die in hun eigen huis en dagelik-
sche omgevinge nooit eene andere taal spreken als hunne eigene Friesche memme-
sprai-k
, toch verlegen zijn als zy eens iets in het Friesch te schryven hebben.
Zy kunnen zich dan niet losmaken in hunnen geest van de spelling der Alge-
mcen-Nederlandsche taal, die hun op school geleerd is, en passen die Neder-
landsche spelling dan ten onrechte op het Friesch toe.
De wenschelikheid, ja de noodzakelikheid om uitsluitend Fricsen als onder-
wyzers ter lagere volksschole in Friesland te hebben, de wenschelikheid en
de noodzakelikheid om in die school aan de Friesche taal heur goed recht ten
vollen te doen weêrvaren, dat haar toekomt als moedertale des volks, en
tevens als eene hoogst belangryke en schoone taal, die ook het aanleeren van
-ocr page 23-
YILIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.         2d
vreemde talen, vooral van het Engelsch, der jeugd gemakkeliker maakt —
die wenschelikheid en noodzakelikheid wordt dan ook hoe langer hoe meer
door verstandige en onbevooroordeelde mannen gevoeld en ingezien.
Om billik te zijn, moet men erkennen dat de spelling der Friesche taal
ruimschoots heure eigenaardige moeielikheden heeft. Want zie! het Friesch
is overrijk aan byzonderc klanken, en aan menigvuldige geringe. maar toch
wezenlike , fyne klankwyzigingen , die wel op allerlei oude taalformen berusten ,
en die weer in andere klanken van verwante talen, oud en nieu, heuren
weerklank hebben — klankwyzigingen en byzondere letterverbindingen en
samenstellingen van medeklinkers, zoo fijn dat zy voor het oor van On-Friesen
wel verloren gaan, maar die de lenige tonge der Frieseu spreekt, die het
gevoelige oor der Friesen waarneemt. Veel meer klanken en letterverbindingen
als de schrijftaal by machte is af te beelden, aan te duiden, weer te geven.
En verder, nu men de eigene Friesche spelling der taal, zoo als die in de
middeleeuen gelding had (maar die toen ook al zeer onstandvastig en zeer
onvoldoende was), om verschillende redenen moeielik meer kan gebruiken,
nu ook de zeventiende-eeusche spelling van Gysbert Japicx niet minder ver-
ouderd is en schier zoo onbruikbaar, als de middeleeusche — nu deed zich
de vraag voor: welken grondslag voor eene nieue spelling zal men aannemen?
Dien van eene der verwante talen? Van de Engelsche, die zelve zoo in het
booze ligt? Van de Nederlandsche, gelijk velen met zoo treurigen uitslag
doen? Van de Hoogduitsche, gelijk de Oost-Friesen en Noord-Friesen doen,
of van de Deensche, zoo als de oudste Noord-Friesche letterkundigen aanvankelik
deden ? Het eene is zoo onraadzaam als het andere, het eene blijkt, by strenge
doorvoering, zoo onmogelik te wezen als het andere. En menige Fries was,
omstreeks de helft dezer eeu, in die zake ten einde raad.
De broeders Halbertsma gebruikten by hun eerste optreden eene hoogst
eenvoudige, maar ook gebrekkige spelwyze, die op de spelling van het Neder-
landsch, ja van het Oud-Nederlandsch ten deele gegrondvest was. Dit was
wel zeer gemakkelik voor den ongeletterden Fries, zoo wel voor den schryver
als voor den lezer, in zooverre die inet geene andere taal als met de Nederland-
sche, als schrifttaai, bekend waren. Vooral ook omdat zy door het dageliks lezen van
hunnen Staten-Bybel aan de alleruitmuntendste Oud-Nederlandsche spelwyze en
taal van dat boek gewend waren, eene spelwyze die zy gedeeltelik in het eerste
Friesch van de Halberïsma\'s terug vonden. De IIalbertsma\'s hadden dan ook
vele navolgers. En de hooge vlucht, die, na hunnen voorgang, de Friesche
letterkunde nam, is ongetwyfeld voor een goed deel toe te schryven aan het
gemak dat hunne spelwyze den enkel Nederlandsch geformden lezer en schryver
bood. Maar de onvolkomenheden en oppervlakkigheden die deze spelling
aankleefden, werden al meer en meer met verdriet opgemerkt; zekerlik niet
het minst door de Halberïsma\'s zelven. Zy waren genoegzaam van het ge-
brekkige hunner eerst gebruikte spelwyzen overtuigd; zy wisten ook te goed
dat het anders en beter kon en moest. Maar zy handelden met verstanden
beleid om het Friesche volk dat van zyne eigene taal als schrijftaal ontwend
was, weer geleidelik tot het lezen en schryven van het Friesch te brengen.
Het zeer lezensweerdige, volksaardig geschrevene Voorbericht van de derde
uitgave hunner Lapekoer (Deventer 1834), geeft van die handelwyze een op-
merkelik getuigenis. De Halberïsma\'s hebben trouens zich ook nooit voor
goed gebonden aan eene eenmaal gevolgde spelwyze. Integendeel, zy hebben
-ocr page 24-
\'22         YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSË.
hunne spelling voortdurend gewyzigd en veranderd, steeds naar beter trachtende,
en waar by zy dan ook wel met de spelling van Gysbert Japicx rekening
hielden, zoo wel als met de uitkomsten der wetenschappelike taalvorschingen
van eenen hunner, van „Dominé Joost". En by de steeds voortsehrydende,
steeds toenemende, ten slotte eenen hoogen trap bereikende taalgeleerdheid
van dezen man, was dit ook niet anders mogelik.
Maar deze spelling der Halbertsma\'s, die eigentlik geen oorspronkelik
Friesche was, veroorzaakte door heure onstandvastigheid, door heur telkens en
telkens weer gewyzigd worden, dat het Friesch van vele Friesche schryvers,
die de Halbertsma\'s daar in navolgden, maar die de taalkundige geleerdheid
dezer mannen misten , er zoo bont begon uit te zien, zoo zeer tot grootc
onregelmatigheid, ja tot redeloosheid verviel, dat het velen anderen Friesen,
die beter inzicht hadden in de eischen eener behoorlike spelwyze, of ook die
classisch ontwikkeld waren, al te zeer tot ergernis verstrekte, en ook eene
degelike beoefening der tale grooteliks begon te schaden. Dies begonnen
twee jongeren, Harmen Sytses Sytstra en Tiede Roelofs Dykstra , beide
hier voren op bladzyde 13 reeds genoemd, omstreeks het midden dezer ecu
middelen in het werk te stellen om in deze ergerlike zake verbetering aan
te brengen. Zy trachtten dit doel te bereiken door de Friesche spelling ge-
heel terug te brengen tot den grondslag waar op de oude Friesen in de
middeleeuen hunne taal geschreven hadden. En in zoo verre die Oud-Friesche
spelling onvoldoende bleek te zijn, voor de eischen die de hedendaagschc
uitspraak der Friesche taal stelde, ontwikkelden zy hunne spelling toch in
dien middeleeuschcn geest, en maakten haar volkomener en passender. Met
zeer veel wetenschap, met zeer veel beleid gingen zy hier by te werk.
Zy haddeu dan ook aamnerkelik goed-gevolg op hun pogen, zoo dat ook
het Friesch „Selskip" hunne spelwyze en welschryving aanveerdde en volgde.
Voor den ongeletterden lezer echter had deze spelling groot bezwaar, en
vele eenvoudige Friesen verklaarden hunne eigene taal in die middeleeusche
spelling niet meer te herkennen, noch te kunnen lezen. En weldra ook
veroorzaakte de dood , die deze bekwame mannen Sytstra en Dykstra weg
nam van hun werk, voor en aleer dit voltooid was of ook maar de noodige
bevestiging erlangd had, gevoegd by den onlust van vele Friesen, die, door
onkunde, oppervlakkigheid en gemakzucht gedreven, dezer Oud-Friesche spel-
wyze vyandig waren , dat deze taalbeweging, ofschoon zy op den eenig goeden
grondslag opgeboud was, toch te niete liep. Eerlang verzaakten velen de
Oud-Friesche spelling geheel en al, en.keerden terug tot de onstandvastig-
lieden van Halbertsma\'s spelling. Anderen verzaakten haar slechts ten deele,
en mengden nu oud en nieu onder clkanderen tot een onmogelik geheel,
waar door de verwarring nog grooter werd als zy geweest was vóór het op-
treden van Sytstra en Dykstra. Regelloosheid , beginselloosheid en wille-
keur heerschten op nieu , en in ergere mate als vroeger.
Nu trachtte het „Selskip", geheel volgens zyne roeping, orde te brengen
in dezen warboel, en gaf eene Friesche Spraakkunst in het licht, door O.
(Colmjon op zeer verdienstelike wyze bewerkt (Beknopte Friesche Spraakkunst
voor den tegenwoordigen tijd, door
G. Colmjon. Uitgegeven door het Gezel-
schap voor Friesche taal- en letterkunde.
Leeuwarden, 1863). Ofschoon in
den grond der zake de spelling der Halbertsma\'s, in zoo verre deze opge-
boud was op den grondslag der Nederlandsche taal, door Colmjon behoudon
-ocr page 25-
YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.         23
bleef, zoo had hy, by de uitbreiding zyner regeling in die richting, toch
wel degelik plaats gegeven aan sommige uitkomsten van de wetenschappclike
beoefening der taal gelijk Sytstra en Dykstra die hadden aan het licht ge-
bracht , en die onmisbaar waren in ecne goed Friesche spelling. Het verschynen
van Colmjon\'s Spraakkunst had dan ook het beste gevolg. Langzamerhand
begonnen de Friesche schryvers, ook de besten onder hen, haar toe te passen.
Heure voordeden werden hoe langer hoe meer ingezien. Willekeur en on-
wetenschappelikheid daarentegen begonnen hoe langer hoe meer te verdwynen
uit de wyzc waarop de Friesen hunne taal te boek stelden. Het getal dei-
genen die nog aan de spelling van Sytstra trou bleven, slonk weg. Ik
zelve ben een der laatsten, misschien wel de laatste onder de Friesche letter-
kundigen, dio aan de spelling van Sytstra , althans grootendeels, trou ge-
bleven ben. Maar de tijdgeest was dezer Oud-Krieselie richting vyandig. Het
roeien tegen stroom begon my al meer en meer te verdrieten; ik begon den
tijdgeest offers te brengen, steeds al meer en meer water in mynen wijn te
doen en eindigde met vry wel het hoofd in den schoot te leggen, en
Colmjon\'s spelling, behoudens eenige uitzonderingen, te volgen. En zoo
als het my ging, zoo is het velen myner medestanders gegaan. Echter bond
of bind ik my niet slaafs aan Colmjon\'s spraakleer. Eene ruime mate van
vryheid blyve \'k my voorbehouden; en in de toepassing daarvan geve\'k niet
enkel aan wetenschappelik inzicht en aan volksaardige formen recht van be-
staan — maar ook aan de luim van het oogenblik, zy dit dan natuurlik
ook zeer spaarzaam. „Vryheid — blyheid" , maar dit dan zoo wel op weteu-
schappeliken als op volkseigenen grondslag, is myne leuze. En deze leuze
heeft by my gelding zoo wel voor de Friesche als voor de Algemeen»Neder-
landsche taal.
Nu hadden de Friesen dan eindelik ecne „goede" spelling voor hunne taal.
Eene spelling die regelmatig was opgezet en doorgevoerd , die aan alle billike
eischen voldeed , die de volgers der verschillende richtingen zooveel mogelik
tot eikanderen bracht, die ook hoe langer hoe meer, en hoe langer hoe
algemeener door hunne schryvers werd gevolgd. Daarenboven hadtien zy
eene volledige spraakleer, die groote verdiensten had, in beknopten , maar
duideliken en zeer voldoenden form door Colmjon opgesteld. En zoo rijk
waren zy nooit geweest!
Wel! men zoude nu met reden verwacht mogen hebben dat de Kriesen
niet enkel dankbaar, maar ook geheel voldaan zouden geweest zijn, en dat
daar nu eindelik eens een einde zoude gekomen zijn aan al hun geharrewar
over de spelling en de welschryving hunner taal. Zeker !
Maar neen! neen! die dat denkt kent de Friesen niet in de sterk uitge-
drukte persoonlike zelfstandigheid (andere menschen noemen dit wel „stijfkop-
pigheid"), welke ieder van hen zoo eigen is, en die er hen steeds toebrengt
om eigen inzicht vol te houden. En die dat denkt, kent ook niet de zucht
die velen Friesen immer bezielt om het goede , dat hun van of door anderen
toekomt, te willen verbeteren. Eene zucht op zich zelve wel niet verkeerd ,
maar die hen dikwijls, tot hunne schade , de waarheid doet ervaren van het
Fransche spreekwoord, dat het betere dikwijls de vyand is van liet goede.
Kort en goed, de Spraakkunst van Colmjon, hoc goed die ook ware, kon
tocli geen duurzame genade vinden noch behouden in der Friesen oogen. Immers
al spoedig oordeelden sommige nuchtere lieden dat Colmjon\'s spelling nog te,
-ocr page 26-
0
24         YTLIKË BLEDSIDËN OER FRYSRE TAEL- END SKRIFTÈKENNISSË.
„geleerd", nog te „Oud-Friesch" was. Zy meenden dat de spelling moest afdalen
tot het peil van taalkundige ontwikkeling, eigen aan de gants ongeleerde,
aan de ongeletterde, louter Nederlandsch geformde schare — in stede dat
het heure strekking almede wezen moest om die schare te verheffen tot hooger
standpunt van taalkundige ontwikkeling. Ongelukkig vond deze meening ook
byzondere instemming by het bestuur van het Selskip, dat, gedreven door de
loffelike zucht om het lezen en schryven der Friesche taal ook den eenvoudigsteu
Friesen gemakkelik te maken, in eene eenvoudigere, nog meer verhollandschte,
nog oppervlakkigere spelwyze het middel meende te zien om tot dat doel te
geraken. Reeds dertien jaren na dat Colmjon\'s Spraakkunst verschenen was
en aanvankelik zoo te recht met blijdschap was begroet, met instemming
ontfangen, stelde eene commissie uit het Selskip, daar toe benoemd, ten jaro
1876 de volgende beginselen vast als grondslag eener nieue spelling:
„1°. Het geschreven woord moet zooveel mogelijk het gesproken woord
„weergeven, zoodat in de eerste plaats de uitspraak moet beslissen.
„2°. Alleen Friesche letters en letterverbindingen, in de waarde die ze
„in de Friesche taal hebben, worden daar bij gebezigd.
„3°. Het oorspronkelijk karakter der schrijftaal wordt, met inachtneming
„der wijziging en ontwikkeling van vormen en klanken, zoo veel mogelijk
„gehandhaafd.
„4". Waar de uitspraak het toelaat, wordt de oorspronkelijke vorm der
„woorden, voor zoo verre dit met den algemeenen stelregel strookt, be-
„houden, en de afleiding der woorden in acht genomen."
Op deze vier grondslagen werd nu de nieuste, de jongste spelwyze, ja
de geheele spraakleer der Friesche taal in lieuren jongsten, als geijkten forin
ontwikkeld en opgeboud. En in de onlangs verschencne Friesche Spraakkunst
van Mr. Ph. van Blom, boven vermeld, is zy als het ware belichaamd, en
wordt zy nu door het Selskip den Frieschen volke in handen gegeven.
-ocr page 27-
•t-
Een boekbeoordeelaar moet strikt rechtveerdig wezen in zijn oordeel; dit
duldt geen tegenspraak. En hy moet zich nog te meer en ten volsten aan
die strenge, onpartydige rechtveerdigheid binden, waar zyne persoonlike
meeningen en inzichten niet strooken met de meeningen en inzichten , die
verkondigd worden in het boek dat hy te beoordeelen heeft — ja, daar wel
tegen indruissen. En dit laatste nu is by my het geval, in zake Mr. van
Blom\'s Spraakkunst. Evenwel — slechts ten deele, slechts wat een enkel
gedeelte van die spraakkunst betreft, zy het dan ook een zeer belangrijk
deel, de spelling. Het geheele overige deel van Van Blom\'s Spraakkunst
heeft myne volle instemming. ïrouens, over alles wat de Friesche sprank-
leer aangaat, buiten de spelling om, heerscht er onder de Friesche taal- en
letterkundigen geen noemensweerd verschil van meening. Slechts de spelling
maakt hun onderling verschil, hun groot struikelblok uit. En zoo heb ik
dan, gelukkig voor mijn eigen gevoel, dat drie maal liever looft als laakt,
de geheele Spraakkunst van Van Blom, met uitsondering der spelling, slechts
te roemen. En ik kan dit van gantser herten doen.
In der daad hebben de Friesen in Van Blom\'s Spraakkunst weer een voor-
treffelik werk ontfangen; beknopt en toch volkomen voldoende in alle op-
zichten, degelik en duidelik, zoo eenvoudig in opzetting en samenstelling,
als rijk in ontwikkeling en uitbreiding.
De schryver toont een zeer bekwaam man te zijn , ten volle berekend voor
de taak die hy op zich nam, en zeer wel doordrongen in den geest der
Friesche taal. Ook een smaakvol man, en byzonder wel bekend, met de oude
en de nieue letterkunde zyner moedertaal. Voorbeelden uit de geschriften dei-
beste Friesche letterkundigen worden telkens door hem te pas gebracht om
zyne stellingen te bewyzen of toe te lichten, en die juist ook daar door zoo
veel te gemakkeliker en gereedeliker ingang en bevestiging vinden by hen,
welke in deze spraakkunst leering zoeken. Schoolsche geleerdheid, indenon-
gunstigeu zin des woords, is den schryver vreemd; maar door eene behan-
delingswyze van zijn onderwerp, die de Duitschers „liehevoll" zouden noemen,
-ocr page 28-
26          YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.
verblijdt hy het herte der troue Stand-Friesen. Te recht is er byzondere zorg
besteed en byzondere uitbreiding gegeven aan de behandeling der werkwoorden ,
vooral ook aan die der onregelmatige werkwoorden en afin de verschillende
wyzen van vervoeging by de onderscheidene klassen en groepen van werk-
woorden — alles zoo byzonder belangwekkend ook voor den On-Frieschen,
den Algemeen-Gerraaanschen taalvorscher. De lijsten van verschillende soorten
van werkwoorden, met hunne vervoegingswyzen — de lijst van de vele zeer
byzondere en eigenaardige („eigendominelijke" staat er, met een leelik ger-
manisme) byvoegelike naamwoorden, waaraan de Friesche taal zoo rijk is — de
lijst van zelfstandige-naamwoorden die in het Friesch en in het Algeineen-
Nederlandsch een ander geslacht hebben — de lijsten van hcrhalings-werk*
woorden (frequentaliven), ook zoo eigenaardig, en zoo veelvuldig in het
Friesch voorkomende — de lijsten van allerlei woordengroepen, door het
geheele werk verspreid — die ten deele in de Spraakkunst van Colmjon niet,
en ten deele ook minder volkomen daarin gevonden worden, strekken dezer
Spraakkunst van van Blom tot byzondere aanbeveling. Ook anderszins won\'t
Coi,mjon\'s Spraakkunst door die van van Blom grooteliks en doorgaande
overtroffen in volledigheid. In verschillende gedeelten van van Blom\'s werk
kan men dit waarnemen; b. v. by de behandeling der telwoorden. Daar ver-
meldt van Blom onder anderen ook de oude zoogenoemde verzamelgetallen
(ticaresum, trijeresum, tólvesum, fyftegesum; b. v. hja komme alle middeis
tulvesum om\'e tafel,
zy komen alle middagen met hun twaalven aan tafel;
Oud-Friesch : tolvasum to sicerane, met hun twaalven te zweren), zoo eigenaardig
in de Friesche taal, en die een van heure vele rijkdommen uitmaken, waar
mede het Friesch wel het algemeene Nederlandsen overvleugelt. Verder wordt
in deze spraakkunst nog ecne zeer gewenschte betamelike mate van vryheid
in het gebruik van dubbele formen, oude en nieue, of die welke aan ver-
schillende gouspraken eigen zijn en gelijk recht van bestaan hebben, zoo wel
den spreker als den schryver gelaten.
Waar andere spraakkunsten, in boekform, gewoonlik zoo uiterst dor om
te lezen, zoo vervelend om te beoefenen zijn (ook Colmjon\'s Spraakkunst leed
aan dat euvel), daar blinkt van Blom\'s Spraakkunst ten gunstigsten uit,
zoo wel door eenen levendigen, boeienden, tot lezen lokkenden stijl, als door
de talryke aanhalingen uit de gedichten en geschriften der Kriesche letter-
kundigen, die eene aangename, geestige afwisseling bieden. Oppervlakkigheid
is overal vermeden, maar even zeer eene al te grootc uitvoerigheid, en nog
zoo veel te meer een onheilzaam en gants onnoodig schoolmecsterachtig ver-
diepen in allerlei kleingeestige en belachelike spitsvondigheden en verdeelingen,
die heden ten dage vele spraakkunsten zoo onaannemelik maken.
In der daad, van Blom\'s Spraakkunst is voor de Friescn eene kostelike
gave. En al is het werk in d\'eerste plaatse voor de Fricsen zelven geschreven,
voor het beschaafde, zy het dan ook niet byzonder geletterde en taalkundig
ontwikkelde deel des volks — ook voor den vreemden, den On-Fricschen
taalvorscher en zelfs voor den vreemden taalgeleerde heeft het groote weerdy.
Het kan den eenvoudigen Fries eenen uitmuntenden leiddraad wezen, om
zyne schoone moedertaal, ook in taalkundigen zin, wel te leeren kennen.
Het kan, in dien zin, groot on veel nut stichten. En van herten hoop ik
dat het dit doen zal, ook door het wegnemen van menig mans vooroordeel,
-ocr page 29-
YTLIKE BLEDSr&EN OER FUYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.         27
in Holland en elders, dat de adeloude taal der Friesen wel uit der hoogte
en met minachting doet beschouen.
Ook wat het niterlike betreft, komt het boek zeer gunstig voor den dag.
Dit alles nu is aangenaam te „bestatigen", zoo als de Vlamingen zeggen.
En ik wenschte wel dat ik myne beoordeeling hier mede eindigen kon.
Maar — de spelling! de spelling! daar in is de zwakke zyde van dit werk
gelegen, en de rechtveerdigheid eischt van my dat ik ook daar op wyze.
Niet, als of die spelling onregelmatig, onevenredig, niet gelijkmatig door-
gevoerd ware! Integendeel — dat is zy zeer wel. Maar zy rust op ecnen
verkeerden grondslag, te weten op de vier stelregels, hier voren op blad zyde
25 aangegeven.
Die stelregels schynen oppervlakkig wel zeer redelik, ja onschuldig te wezen.
Zy zijn dit echter in werkelikheid geenszins; zy deugen niet, naar myne mee-
ning. Zy staan onderling ook in tegenspraak. In den eersten van die regels
ligt reeds de grootste, verdcrfelikste fout. En toch moet aan dien eersten regel,
volgens de zienswyze der opstellers en zoo als ook uit hunnen vierden regel
blijkt, den voorrang gegeven worden. Het goede dat uit het opvolgen der
drie laatste stelregels zoude kunnen ontstaan, wordt door dien eersten regel
reeds by voorbaat (by voorschade liever) weer weggenomen. Kene zeer onge-
schiedkundige, en daar by eene zeer platte spelling moet uit het opvolgen
dezer vier stelregels geboren worden. En dit is de spelling van van Blom
dan ook in der daad. Het is als of zy ware opgesteld om by voorkeur „een
plomp en bandeloos bo eren-Friesch" af te beelden (het zijn des schryvers
eigene, ook in af keurenden zin gebezigde woorden, op bladzyde VI van
zyne Voorrede), in stede van de naukeurige, gekuischte, welluidende uitspraak
der Friesche taal in heuren beschaafdsten en adeloudsteu form. Het moet zoo
veel te meer verwondering baren, dat een man als Mr. Pu. van Blom , de
zoon van eencn onzer beste, edelste dichters, van Jan Gelinde van Blom,
die ook in zyne Spraakkunst volop blyken geeft zeer wel de spelling der
oude, middclecuschc Friesche taal te kennen , die zelve herhaaldclik daar op
wijst, die ook ongetwyfcld een smaakvol man is, met een fijn ontwikkeld
taalgevoel en taalgehoor, tot zulk cene smakelooze, platte, oppervlakkige
spelling komen kon. En het spijt my! Ik vind het jammer! Het is waarlik
een heele tobekset (tegenslag) voor de Kriesche taal. My blijft slechts over
te hopen dat de gewone onstandvastigheid der Friesen in zake de spelwyze
hunner taal, en hunne andere eigenschappen, in betrekking hier mede, op
bladzyde 24 hier voren vermeld, ook aan deze spelling eenen spoedigen
dood bereiden zal, en haar door eene betere, weer op de oude, kan het
zijn oudste leest geschoeide, zal doen vervangen.
Het zoude zekerlik te dezer plaatse veel te omslachtig zijn, en den ietwat
ongeduldigen On-Frieschen lezer gewis tot ondank strekken, zoo ik hier, in
byzonderheden, op alles wilde wyzen , waar in de spelling van van Blom ,
mijns inziens, afkeurensweerdig is. Zelfs niet in hooftsaken kan dit hier plaats
vinden. Ik kan er slechts in \'t algemeen op wyzen dat van Blom zich ,
(naar het my voorkomt) in zyne spelling te veel gericht heeft, voor een deel
naar de platte, ongearticuleerde uitspraak van vele onverschilligen uit de
lagere kringen der samenleving, wier grof gehoor eene grove tonge veroor-
zaakt, anderdeels naar de gekunstelde, onredelike taal van half- of kwart-
besohaafden, die zich in hunne uitspraak waanwyselik richten naar de altijd
-ocr page 30-
28          YTLIKE ULEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKR1ETEKENN1SSE.
gebrekkige letterteekens der schrijftaal. Hadde Van Blom zich gehouden aan
de oude, de ware uitspraak, de klank- en formenryke, die nog eigen is
aan zoo menigen eerzaraen oude-man, aan zoo menige eerbare oudevroue,
wel ter tale en kloek van verstand, al zijn ze dan ook gants eenvoudig, en
al is hunne wijsheid eene volkseigene en volksaardige, maar geenszius eene
school meesterachtige — hadde hy zich gehouden aan de welluidende en volle,
bedachtzaam en met zelfvertrouen voortgebrachte uitspraak van zulken oude
man, van zulk eene oude vroue, gelijk die nog leven onder de oud-ingezetene,
welgestelde , neringdoende burgerye onzer groote dorpen en vlekken, onder
die adeloude, eigenerfde landbouers, maar ook onder die eenvoudige, degelike,
vrome boerenarbeiders en onder het kloeke schippers- en visschersvolk onzer
binnenwaters en zeekusten — hy ware wis tot beteren uitslag gekomen.
Nemen wy, als toelichting, en om toch enkele voorbeelden te geveu,
vooreerst het Friesche woord voor het Algemeen-Nederlandsche „zien". Dit
woord luidt in den mond der oude, spraakveerdige Friesen zóó, dat men
het ten naasten by met sie/ïn (hoogduitsche a) zoude moeten afbeelden, waar
by dan de hoofdklank door de a geformd wordt, en de s onmiddellik ge-
volgd wordt door eene zeer korte, maar duidelik hoorbare tweeklank ie als voor-
slag van de «. Intusschcn, men kan het ook wel als sjeti schry ven, volgens de
ongearticuleerde, platte, haastig en onverschillig voortgebrachte uitspraak der
schare. Maar de juiste, volledige uitspraak van dit woord komt in deze
laatste oppervlakkige schrijfwyze niet tot haar recht. Coi.mjon nu spelt sie/in,
Gysbekt Japicx sjean , de middeleeusche Friesen wel syaen, altijd met de a
er in, die er ook in moet (immers ook volgeus de hedendaagsche uitspraak
luidt nog de gebiedende wijs: sia) — maar van Blom spelt sjen. De platste
uitspraak van dit woord heeft van Blom\'s , en anderer schryvers platte
spelling veroorzaakt. Nu zal menigeen, de verkeerde meening huldigende
dat de boeketaal boven de spreektaal staat, en dat men zich in het spreken
naar dé schrijftaal richten moet — nu zal menigeen, die anders nog wel
demi zoude spreken, zoo als hy dit woord op memme skerte, op Jieite knibbel
(op moeders schoot en vaders knie) hoorde en leerde, er toe komen om ook
platweg sjen te spreken. Een ander, met grof gehoor en ruwe tonge, zal
later, als \'t kan, dit woord nog platter gaan uitspreken, en de schryvers
zullen zich dan weer haasten om ook die plattere uitspraak weer met letters
na te bootsen. Zoo zal men er weldra ook toe komen om eilrmen (armen ,
lichaamsdeelen) als jermen, en earte (erwten) als jette te schryven, bird (baard)
als bud, Liowert (Leeuwarden) als Ljmtt, enz. gelijk dit werkelik wel door
onwetende en slordige schryvers is geschied. Zoo gaat het dan, in aan-
houdendeu wissclgang tussehen platte spreektaal en oppervlakkige schrijftaal,
steeds naar omlaag, en gaat de schoone, welluidende, klank- en formenryke,
de adeloude Friesche taal klagelik ten onder als eene platte, slechts in den
mond van het ruwste gemeen voegende, klank- en forralooze straattaal.
Wat God verhoeden moge !
Eene zeer lcelike afplatting der tale ligt verder nog in het verwaarloozen
en prijsgeven der letter h in menige lettel-verbinding, in welke deze letter
zoo wel uit recht der geschiedenis, als uit recht der oude en ook nog heden-
daags wel geldende uitspraak, had moeten behouden blyven. Dit geldt vooral
voor de th op liet einde van den derden persoon, enkelvoud, tegenwoordige
tijd, van vele werkwoorden {liy prlageth, forünih er Mm? itreinth, hy prijst,
-ocr page 31-
YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRrKTEKENNISSE.          20
vergist hy zich ? het regent), en als beginletter van woorden als thwang,
dwang, therskia of tlierskje dorsehen, thinke denken, thried draad, thruch
door, thrye drie, thomme duim, die in het Nederlandsch met eene d beginnen ,
en flie Van Blom verkeerdelik met eene enkele t spelt, als Iwang , terskje, enz.
Daar is toch voor een fijn gehoor in de beschaafde, gekuischte uitspraak der
taal wel degelik onderscheid te bespeuren tusschen die zachtere, eenigszins
geadspireerde th, en de harde, enkele t, die in woorden als tid tijd, tür to-
ren, twa twee, troch trog, taeste tasten, enz. welke woorden ook in het Neder -
landsch eene t hebben, op heuro plaats is. En al is die th ook al sedert lange,
reeds door Gysbert Japicx verwaarloosd geworden, en al schrijft Colmjon
in zyne Spraakkunst, bladzyde 19: „th luidt als hollandsch f\' (ofschoon hy
toch die th in zyne spelling behouden heeft) — zy leeft nog in den mond
des volks by den bedachtzamen, naukeurigen, fijn hoorenden spreker. Dies
heeft zy ook volle recht van bestaan in de schrijftaal. En ook, om zich zelven
gelijk te blyven , had Van Blom dan ook niet de h voor de w en de i ofj
in woorden als hwet of hwat wat, hwer waar, hwa wie, hia of hja zy, hjar
haar, enz. moeten verwaarloozen ? Wat hy toch, te recht, niet doet, ofschoon
deze h in de uitspraak zoo weinig of zoo, veel gehoord wordt als de /* van
de th bovengenoemd. Deze h als kenmerk der oude, volledige en zuivere
uitspraak moet zonder twyfel overal in de hedendaagsche spelling behouden
blyven.
Ik zelve zoude in de toepassing van dezen regel nog verder willen gaan,
en de oorspronkelike h nog voortdurend willen schryven in woorden als
hlalcia (laekje) of hlaeitsje (Jaeitsje) lachen (deze twee formen zijn even goed ,
de eene ouder als de andere, maar beiden nog in leven), hlie.de luiden,
klokluiden, hreg rug, kring ring, omdat ik in der daad door onbewust taal-
kundig-juist sprekende oude , ongeletterde lieden die h nog hoor gebruiken,
wel flau, maar toch niet onduidelik. Ook deze h had Gysbert Japicx reeds
prijsgegeven in zijn schryven, en de latere Vriesche sehryvers, bchalven Sytstra
en Dykstka met hunne volgelingen, hebben hem dit nageschreven.
Zoo leeft ook nog de a op \'t einde van vele woorden, die volgens de
schrijftaal reeds op eene toonlooze e uitgaan, en die dan ook werkelik door
het grootste deel des volks reeds met eene toonlooze e gesproken worden.
Van naukeurig en bedachtzaam sprekende , ongeletterde , weinig met vreemden
in verkeer komende oude lieden hier en daar in afgelegene plaatsen, kan men,
schoon zy zelven daar onbewust van zijn, die a hooren in woorden als lüka trek-
ken, torana versmelten, ploaitsia plukken en in \'t algemeen in de onbepaalde
wijs der werkwoorden, en in woorden als jtiha speeksel, hittta hoofd , twnga
tong, enz. Geenszins met vollen nadruk, maar, hoewel flau, toch waarneem-
baar. Sytstra en Dykstra hadden dus wel degelik gelijk, met deze a ook
nog in de hedendaagsche schrijftaal door de spelling aan te toonen. Maar ook
in deze zaak heeft de toepassing van eenen verkeerden stelregel, en de platte
schrijfwyze in navolging van onnaukcurige sprekers, en in navolging\' van het
meer versletene Hollandsch, de Friesche taal als schrijftaal geheel, als spreek-
taal grootendeels, beroofd van eenigen heurer welluidendste volmaaktheden.
Ten slotte moet ik, in zake Van Blom\'s spelling, nog wyzen op het,
mijns inziens gants onredelike, geheel onrechtmatige, eu, omdat het tot
verkeerde uitspraak en allerlei verwarring leidt, ook hoogst verderfelike gebruik
van lettcrteckens en letterverbindingen die aan andere talen ontleend zijn. De
-ocr page 32-
30 YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.
Fransch-Hollandsche z, dat On-Germaansche letterteeken, aan het begin van
een woord voor eenen Frieschen mond haast onmogelik uit te spreken, mag
ook in het midden van een Friesch woord niet geduld worden; men schryve
met Colmjon , Dykstra , Sytstka en alle goed Friesche taalvorschers, wêse
zijn, rase razen, Imsen huizen, Bosum (dorpsnaam), krease fammen en niet
wêze, raze, Mzen , Bozum, kreaze.
Krgerliker, onpassender , lceliker nog is de Hollandsche ij (eigentlik een
taal- en spelkundig wangedrocht) in Friesche woorden als ky koeien, ny nieu,
tapye, toepressen, ly lau, ry verkwistend, die Van Blom als kij, nij, tapije
schrijft. Immers de klank die de FYiesen in deze woorden spreken, heeft
niets gemeen met de Hollandsche ij = ei. En het gebruik der Fransche (!) ou
in woorden als joun avond , boun verbond, goune gulden, enz. levert eene
gruwelike wanschryving op, die niet gedoogd worden kan in Friesche woorden.
Over het geheel genomen is Van Blom , met de meeste andere Friesche
spellingmeesters, oud en nieu, niet gelukkig in het afbeelden der menigvuldig
verschillende klanken die door de u en de o, en door de tweeklanken met
die letters samengesteld, worden voorgesteld. Maar de billikheid eischt te
erkennen dat hieraan ook groot en menigerlei bezwaar verbonden is. Om een
enkel voorbeeld te noemen: alle Friesen hooren en spreken zeer onderschci-
denlik de woorden kou kooi en kou koe. Maar hoe zal men dit fyne onder-
scheid in letters weergeven? Zal men kou koe op de wyze der Engelschen
schryven als kow of coic — dat is eigentlik kouu? Onraadzaam. En kan men
de ou in de helder klinkende woorden kou kooi, smout luw behouden , en tevens
in de dof klinkende woorden strou pannekoek, don duif, als men de woorden
joun avond , xconne wonde enz. die weer geheel anders klinken, ook met dat
letterteeken schrijft? Het ware in der daad beter zoo men zich in deze
moeielike zaak van de spelling der woorden met o- en w-klanken, enkel-
voudige en twee- en drieklanken, bond en hield aan de Hoogduitsche, ja ook
aan de Oud-Germaansche spelwyze (b. v. de onmisbare uo behield in woorden
als skuorre schuur, bnorren buurt, skuon schoenen — enkelvoud skoe of
skoech) — in plaats van aan de Hollandsche, zoo als men wel geheel of ten
deele doet. Aan de enkele, eenvoudige u geve men althans nooit de weerde
die deze letter in het Nederlandsch en Fransch heeft, maar die welke zy in
het Hoogduitsch en in alle andere Germaansche talen bezit. Zoo komt men
daar mede op zuiverder standpunt.
Maar genoeg — en meer dan genoeg!
De omstandigheid dat Van Blom zelve in de voorstelling zyner spelling
wel weifelt en twyfelt, en ook in twyfelachtige gevallen de spelwyze van
anderen, van de zyne verschillende, aangeeft en geenszins afkeurt, doet my
de hoop koesteren dat de weigeleerde en bekwame, voor zyne taak ten volsten
berekende taalvorscher Van Blom er nog eens toe moge komen zijn werk te
veranderen, en het Friesche volk met eene waarlik en volkomen goede, op
de Oud-Friesche boekstaving gegrondveste spelwyze in eene noodig geblekene
nieue uitgave zyner Spraakkunst blydelik te verrassen.
Moge dat dan voor goed de laatste nieue spelling der Friesche taal wezen,
en de algemeen gevolgde worden!
N°. 3, de Bloemlezing uit Oud-, Middel- en Nieuw/riesc/ie geschriften vraagt
thans onze aandacht.
-ocr page 33-
YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.           31
Dr. F. Buitenrust Hettema , die deze bloemlezing by een vergaarde, een
jonge Friesche taalgeleerde, die reeds herhaaldelik, zoo door zijn academisch
proefschrift {Bijdragen tot het Oudfriesch woordenboek — Leiden, 1888) als
door verschillende opstellen van Friesch-taalkundigen aard in tijdschriften,
d\'opmerkzaamheid der belangstellenden in het algemeen en zyner landslieden
in het byzonder tot zich heeft getrokken, heeft zekerlik met deze uitgave den
beoefenaren der Friesche taal en den liefhebberen der Friesche letterkunde groo-
teliks gebaat.
Zoo als de titel van zyne bloemlezing reeds aanduidt, heeft Hettema dat
werk in drie afdeelingen gesplitst, voor de geschriften uit het oude-, het
middel- en het nieue tijdperk der Friesche taal. Onder Middel*Friesche geschrif-
ten verstaat hy die, wier oorsprong valt in het tijdperk dat begrepen is
tusschen het jaar 1600 en het begin dezer eeu — een tijdperk dat ik hier
voren op bladzyde 8 aangeduid heb als dat van Gysbert Japicx. Wat
vóór 1600 valt, rekent Hettema tot het Oud-, wat na 1800 komt tot het
Nieu-Friesch. Die drie afdeelingen van de Bloemlezing worden afsonderlik
in het licht gegeven. De Middel-Friesche verscheen eerst, in 1887; de Nieu-
Friesche in \'88; de Oud-Friesche het laatst, in het vorige jaar.
De Middel-Friesche afdeeling, al zal zy, uit den aard der zake, in taai-
kundige belangrijkheid voor de geleerden moeten achterstaan by de Oud-Friesche,
is nogtans in menig opzicht byzonder belangrijk. Men kan er den langzamen
overgang van den ouden in den hedendaagschen form der Friesche taal in
naspeuren. Zy levert nog menig belangrijk oud woord, nog menig by zondere
oude taalform, heden ten dage reeds verloren gegaan, den taalvorscher op.
Behalven het vele en menigerlei schoone door den grooten Frieschen dichter
Gysbert Japicx in dit tijdperk in het licht gegeven, levert de Friesche letter-
kunde dier jaren, in den zin der zoogenoemde „fraaie letteren", weinig
byzonders op. De geschriften, die op zich zelven zijn uitgegeven , vallen voor
een deel reeds in de laatste jaren van dit tijdperk, en formen reeds den
overgang\' tot de Nieu-Friesche afdeeling. Het zijn onder anderen: De hoerkery
of it boerebedrief,
Dokkum, 1774, De tankbre Boerezoon, Leeuwarden, 1778,
It Libben f en Aagtje Ysbrants of dy Frieske Boerinne, Dokkum, 1779, het
eerste een berijmd tooneelspel, het tweede eveneens een tooneelspel maar in
ongebonden maat, en het derdeeene zeer verdienstelik geschrevene novelle;
alle drie als aardige zedenschilderingen van het Friesche landvolk ook voor de
geschiedenis der beschaving geenszins onbelangrijk. Dan ook nog het zeer
belangryke werkje, een tooneelspel, dat eveneens zoo voor de kennis der
beschavingsgeschiedenis, als voor de kennis der Friesche gouspraken van groot
belang is: Het jonge lieuws boosk, 1780, nog ten jare 1832 te Leeuwarden
op nieu uitgegeven. Van oudere dagteekening zijn de werken van Simon en
Jan Althuysen, vader en zoon, FriescJie Rymlery, Leeuwarden, 1755, een
bundel rymen, geestelik en wereldsch; en de vermaarde, schier beruchte
Waatze Gribberts Bruyloft, 1701, die vele uitgaven beleefde, zelfs nogeene
ten jare 1810. Wat er verder nog is, moet menzoeken in verlorene hoeken,
als byzaken in andere werken (Starter\'s Friesche Lusthof b. v.), in de
almanakken van die tyden, vooral ook als gelegenheidsgedichten by het
huwelijk of by het afsterven van voorname en vorstclike personen, als toewy-
dingsgedichten op de schutbladen , vooral van academische proefschriften , als
volksliedjes, enz.
-ocr page 34-
32          YTUKE BLEDSrDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNLSSE.
Pat alles is hier en daar verstrooid. Men moet zich, verwonderen dat
Hettema nog zoo veel belangrijks heeft kunnen samenbrengen, en zich ver-
blyden dat hy dit zoo verdienstelik, ja uitmuntend gedaan heeft. Immers
nu heeft de Friesche taalvorscher en de beoefenaar van de geschiedenis der
Friesche letterkunde in dezen bundel het byzonderste en merkweerdigste uit
dat tijdperk byeen. En niet alean dat, maar in eene, schier al te beknopte
reeks „Aanteekeningen", achter deze afdeeling gevoegd , geeft Hettema menige
belungryke verklaring, menige belangryke aanmerking betreffende deze ge-
schriften en hunne opstellers, den lezer en navorscher ten beste.
Uit velen dezer Middel-Friesche geschriften, vooral uit de ouderen, de zeven-
tiende-ecuschen, spreekt een ruwe, zeer grove, boersch-lompe en plompe,
soms vuile, ja oneerbare geest. Men leide daar uit geene gevolgtrekkingen
af, aangaande den geest, die de Friesen van die tyden in\'t algemeen bezielde.
In die jaren meende men wel dat men terstond tot het ruwe en grove en
vuile moeste afdalen, zoo dra men lieden uit het volk en vooral uit den
boerestand sprekende invoerde. Ook de letterkunde der Hollanders levert
daarvan voorbeelden op, in overvloed. Ja, het schijnt wel of menig schryver
(I). v. die van Waatze Grïbberts Bruyloft) met opzet het platste B o e r e-Friesch
heeft willen weergeven. Over de geringe taalkundige kennis dier Friesche
schry vers , bly kende uit hunne (althans by velen) allermisselikste , gants onrede-
like spelling — en over hun gebrek aan eenig gevoel voor zuiverheid der
tale, blykende uit de menigvuldige bastaardwoorden, de half-verhollandschte
woordformen, enz. die zy by menigten gebruiken, kan men zich slechts ver-
bazen en ergeren. In deze zake staan de Friesche schryvers van dit middel-
tydperk beneden hunne voorouders in de middeleeuen, en ver beneden hunne
nakomelingen in deze een.
Het byzonderste van deze laatsten, van de Friesche letterkundigen der 19de
eeu, vindt men by één vergaard in de afdeeling dezer bloemlezing, die de Nieu-
Fricsche geschriften behandelt. Hier had de versamelaar niet met moeite te
zoeken en na te speuren. In tegendeel, de stof voor zynen arbeid was in
overvloed voor handen, en gereedelik te nemen. Maar toch moest die stof
met zorg en beleid geschift en uitgezocht worden, geordend, gerangschikt,
enz. En dit werk is door Hettema weer met den besten uitslag gedaan.
De overgroote hoeveelheid van Friesche letterkundige voortbrengselen dezer
eeu in aanmerking genomen, heeft Hettema wel eene zeer beknopte, maar
niettemin eene behoorlik volledige versameling by één gegaard , waar in de
beste en bekendste Friesche schryvers vertegenwoordigd zijn. Ook deze bundel
wordt besloten met vele zeer belangryke „Aanteekeningen" van de hand des
versamelaars, aangaande de velschillende „stukken" daarin opgenomen, en
betreffende andere merkweerdige zaken, die door deze aanteekeningen voor
verloren gaan behoed zijn. Hier toe moeten ook gerekend worden de beknopte
levensbeschryvingen van sommige friesche letterkundigen, wier werken in
dezen bundel vertegenwoordigd zijn.
Over het algemeen genomen, kan men de keuze die Hettema gedaan heeft
uit de groote verscheidenheid van Friesche letterkundige voortbrengselen, die
hem ten dienste stond, eene zeer gelukkige noemen. Menig juweeltje van
taal eu stijl en van dichterlikc begeestering vindt men in dezen bundel;
menige „oude bekende" wordt er met blijdschap in weergevonden en met
nieue tvil/e genoten. Eene aanmerking zoude ik willen maken. Zy betreft de
-ocr page 35-
YTLIKE BLEDSiDEN OER FBYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.         33
twee gedichten vau Dr. jur: Pieteh Jelles Troei.stra , die men in dezen
bundel vindt, Be Tsjerk&le en de KriicJmang, en waarvan althans het eerste
by niemand aangename herinneringen opwekken kan, aan dagen van heftigen
party strijd uit den jongsten tijd. Pieteh Jet/les heeft anders in ruimen
overvloed velerlei lieve, zangerige, waarlik schoone, echt en rijk dichterlike
versen geschreven en in \'t licht gegeven, die door iederen Fries met volle
instemming gelezen kunnen worden.
De laatst verschenen afdeeling der Bloemlezing, die ons de Oud-Friesche
geschriften brengt, levert uit den aard der zake meer stof tot studie en meer
leering op voor den taalgeleerde en den oudheidkundige, als verpoozings-
lectuur. Zy bevat hooftsakelik verschillende brokstukken uit de oude Fric-
sche wetten, kesten of keuren, zoenbrieven , doemen , verboudsacten , koop-
brieven, eene uiterste wilsbeschikking, en dergelyke oorkonden, allen voor
geleerden en navorschers van veel belang, in menigerlei opzicht. Eenige
spreuken, spreekwoorden enz., waaronder zeer merkweerdige, strekken ver-
der tot afwisseling eu bladvulling. Zeer te recht heeft de versamelaar in
deze zake zich niet beperkt tot Friesland tusschen Flie en Lauers, maar is
evenzeer te keur gegaan in den voorraad van Oud-Friesche geschriften , die
de aangrenzende Friesche gewesten beoosten Lauers, aan Eems en aan Weser
ons nog bewaard hebben.
Dr. Hettema heeft met zyne Bloemlezing den dank van alle Goe-Friesen,
de erkentelikheid van allen die in deze zaken belang stellen , ruimschoots
verdiend.
Ook heeft de uitgever den lezer aan zich verplicht door eenen duideliken,
helderen druk, goed papier, flink formaat, in \'talgemeeen door een fraai
en degelik voorkomen van dit boekwerk. Met alle recht kan het worden
aanbevolen.
N". 4 en 5, For kils en kient en Sljucht en RjucM, die hier ten slotte
nog eene aankondiging en eene beoordeeling vragen, zijn tijdschriften, louter
van letterkundigen aard.
Het eerste is een driemaandeliksch tijdschrift, sedert 1888 verschynende,
onder het bestuur van Dr. jur. Pieter Jelles Tkoei.stba en onder vaste
medewerking van ï. E. Halbertsma en C. Wielsma , drie Friesche letter-
kundigen, alle drie ook dichters, die wel tot de jongsten behooren in het
Friesche letterkundige gild, maar wier namen, by d\'oprichting van hun tijd-
schrift, toch reeds met lof bekend waren in de Friesche lcttorwereld. En
hun tijdschrift heeft hunnen goeden naam nog zoo veel te meer doen uit-
blinken, en dien bevestigd. Sedert het jaar 1890 is het bestuur ecnigszins
veranderd; het bestaat nu uit Pieter .Ielles en T. E. Halbertsma, by-
gestaan door zes vaste medewerkers.
De inhoud van For kus en Mem (*) is zekerlik ten volsten in overeen-
stemming met de goede voornemens die de bestuurder en de medewerkers ,
met de goede verwachtingen die do begunstigers en lezers, in letterkundigen
zin, by de oprichting van dit tijdschrift hadden.
(*) Voor huis eu-----------heem? Het Friesche woord kiem is, iu algemeeneu zin, het
zelfde woord als het Hoogdnitsche heim eu het Engclsche home; maar het heeft, iu het
dageliksche leveu, uog de byzoudere bclcekeuis van: erf (of werf, zoo als de liollaiidsche
boeren zeggen), de naaste omtrek vau een boerenhuis.
-ocr page 36-
34         YTLIKE IiLEDSIDEN OER ERYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.
Eene ryke verscheidenheid vfin wclgeschrevene, soms geestige opstellen van
verschillenden aard, van welgekozene verdichte verhalen in flotten trant,
van aardige zedeschetsen, van schoone en liefelike gedichten, het eene met
het andere eene boeiende lezing opleverende, vindt men in dit tijdschrift by
een. Aan menigerlei afwisseling ontbreekt het waarlik niet. Ook hebben
verschillende letterkundigen, ouden en jongen, oude bekenden en nieuelingcn ,
hunne bydragen daar aan geleverd. Het is bezwaarlik oin juist dit of dat
opstel, \'t eene of \'t andere verhaal, deze of gene versen te roemen als byzonder
welgeslaagd , als uitmuntende in taal en stijl, als uitblinkende in dichterlike
schoonheid. En eveneens heeft het byzondere moeielikheid in, oin het eene
of andere in af keurenden zin aan te wyzen. Het eerste doen wy \'t liefste;
en zoo vermelden wy dan allereerst met grooten lof Halbehtsma\'s Prinisjes
ut it Fuker&Mbben
(Prentjes uit het Visschersleven), waar in de begaafde
opsteller ons op zeer onderhoudende wyze veel merkweerdigs en byzonders
mededeelt uit het leven en bedrijf dev visscherlui van Peasens (ofte wel Mod-
dergat) en Wierum , de byzondersten onder de Eriesen tusschen Elie en Laners
die de zeevisschevy in het groot, op de hooge Noordzee uitoefenen. En
eveneens Halbertsma\'8 eenvoudig schoon en innig roerend gedicht Oan
\'t Fryske Wad
(Aan het Eriesche Wad — de Wadden, tusschen de eilanden
en den vasten wal):
Ik siet oan \'t ienlik séstran,
Yn tinken wei, allinne;
It sintsje doek nei \'t nest ta
En smiet syn poarpren strielen
Oer slink en banken hinne;
Oer \'t wetter, det yn weachjes,
Sa prüs en boartlik, oankaem;
Det brüzend rölle en walle,
Him jowend\' nei de machten,
Yn sé en loft bisküle;
Oer \'t blinkend dün der jinsen
Pen Skierrnountseach en Aemlan:
Oer \'t mieuwke , séfkes widzjend\'
As \'t blanke skom fen \'t wetter;
Oer \'t wite seil fen tsjalken,
l)y-t earst op de ebbe sliepten,
Allyk as dodsjende eintsjes;
Mar, fen \'e floed bitritsen,
lljar blanke wjukken spraetten
En silvren foergen makken,
Hwer hja hjar wei lans namen (*).
(*) Ik zat aan het eenzame zcestrand, in gedachten verzonken, aleen; het zon nel je
dook naar het nest, en zond (smeet) zyue purperen stralen over slenk en (zand-)banken
henen; over het water, dat in golfjes, zoo mouter en speelziek aankwam; dat bruisend
ro\'de en kookte, zich gevende naar de machten, in zee en lucht verscholen; over het
blinkend duin, daar ginder, vau Schiermonnikoog eu Ameland; over \'tmeeuwtje, zachtkeus
wicgcleud nis het blanke schuim van \'t water; over het witte zeil van tjalken, die eerst op
de ebbe sliepen gelijk als sluimerende eendjes; maar, door den vloed betrokken, hunne blanke
wieken spreidden, en zilveren voren maakten, waar zy hunnen weg langs namen. (Do
schepen kunnen op de Wadden by ebbe niet varen; dan hlyveu ze op den droog geloopen
bodem liggen, tot de vloed hen weer opheft.)
-ocr page 37-
YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.        35
Nu hier de naam van dezen letterkundige genoemd wordt, moet het my
van \'t herte, met hoe veel blijdschap ik wederom iemand uit het beroemde
geslacht der Halbertsma\'s, een naneef van dat nooit volprezene broederpaar
„Doctor Eeltsje" en „Dominy Joost" als Friesch letterkundige begroet. Ja,
met groote blijdschap zien alle Friescn dien welbeminden naam weer eene
weerdige plaatse innemen onder de namen der hedendaagsche Friesche
dichters en prozasehryvers, met voldoening dien ouden naam, die zoo vele
zoete herinneringen opwekt, weer pryken onder gedichten als Oan \'t Fryske
Wad,
onder opstellen als de Prinlsjes ut it Fiskerslibben.
Welkom, Tjalung Eeltjes Hai.bërtsma ! welkcm in de ryen der Friesche
schryvers. Uw edele, oude naam spelt ons veel goeds , uwe gedichten en
geschriften toonen ons reeds wat Gy kunt, en hoe ook U de hcerlike gave
des lieds, de kostelike gave van meesterschap der tale geschonken is. Bereid
Gy onzer adeloude tale nog heil en bate in overvloed , in menig schoon ge-
dicht , in menig volgeestig en degelik geschrift!
Nommele, eab\'le Fries! Du, nye tteiig ut \'e dlde stamme! Wolkom om dyn
namme, om dyn skaei ! Wolkom om dyn wirk ! Thryeris loolkom om \'t jinge
Du yette folbringe stilste ta eare end rom fen us memmespraek, ia siele-njue
end bliere wille fen alle Qoe\' -Friesen!
(*).
Verder vinden wy in For hik en hiem nog menig juweeltje van taal en
stijl en van dichterlike begeestering, ook van lach en luim en gulle scherts,
geschreven door Pieter Jelles, C. Wielsma , H. van Warners, Sjirk
Linses van der Burg en anderen — te veel om afsonderlik te vermelden.
Byzonder wel geslaagd in den trant van Gysbert Japicx\'s minnedeuntje
Wobbelke, is een vers van den voorlaatstgenoemden, getiteld Fryske Roskaem:
Ja, op de Pryske groun
Is my it libben jown,
Ha \'k wille hawn.
Hwer-t mem fen »poppe" song,
Of fen \'e «groppe" song,
Of «Pryslan boppe" song:
Det is myn lan (f).
Nog schitteren vier gedichtjes van den begaafden Pieter Jeij.es als vier
reine perelkens in de krone van For hm en hiem. Het zijn verfrieschin-
gen van Latijnsche, Oud-Chiïstelike kerstzangen. Wijl die overzetting in
het Friesch zoo byzonder wel geslaagd is, wijl die gedichtjes zoo uitmunten
in liefeliken eenvoud, in zoetvloeiende, zangryke welluidendheid moeten ze
hier met lof vermeld worden. En ik kan my het genoegen niet ontzeggen
ze nog nader den lezer voor te stellen, zy het dan ook slechts in hunne
eerste strofen.
(*) Kdelaardige, degelik-bekwame Fries! Gy, nieue twijg uit ouden stam (Tio\'igen uwt
ien dlde stamme
is de naam van een der bekendste werken der gebroeders Halbektsha) I
Welkom om uwen naam, om uw geslaclit! Welkom om uw werk! Driemaal welkom oin
\'t gene Gy nog volbrengen zult tot eere en roem van onze moedertaal, tot zielsgcnorgeu
en bly genot van alle Goede-Friesen.
(fj Ja, op de Friescbe grond is my het leven gegeven, heb ik genot gehad. Waar
moeder van „poppc" zong, of van de„groppe" zong, of „Friesland boven" zong: Dat is mijn
land. — Deze woorden in betrekking op „SSse, nam, poppe! \'t lierntsje leil yu \'egroppt",
het begin vau een algemeen bekend volkseigen Friesch wiegeliedje. — Groppe is de naam
van eene groeve, als een breede, diepe goot, in de Friesche koestallen.
-ocr page 38-
36         YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNISSE.
Vox clara ecce intonat,
Obscura quaeque increpat:
Pellantur procul somnia,
Ab aethere Christus promicat.
Hark, ho\'t de kleare stimme sprekt,
By Iroch de tsjusternisse brekt:
Slach op ül jimme stomme \'t each,
Be Kriilus daget f en omheech.
Puer natus in Bethlehem,                                                        *
Unde gaudet Jerusalem.
In beru is berne yn Belhlehem,
Ho Jleurich is Jerusalem.
Parvum quando cerno Deum
Matris inter brachia,
Colliquescit pectus meum
Inter mille gaudia.
As ik sjuch, ho \'t lytse Codbem
Yn syn memme earmen leit,
Ben toraent my hasl it herte
,
Vol, oerfol f en sillichheid.
Dorini fili, dormi! mater
Cantat unigenito;
Dormi puer, dormi pater,
Nato clamat parvulo:
Millies tibi laudes canimus,
Mille , mille, millies.
Sliep, myn ienichst iernisje, slomje!
Siciete sangen sjong ik dy.
Lylse boi, dy wol ik romje :
Hoela en heil bistou fen my.
Tiizenkear scilf ut lof sangen riize,
Tiïzenkear for dy, myn kiize
(*).
Is er, by zoo veel roemens, niets te laken ?
O, zekerlik!
Sommige gedichten toch zijn al te plat — \'t zijn maar rymen. En de
taal van sommige opstellen is verre van zuiver, en vol leelike Hollandsche
bastaardwoorden (b. v. biriucht voor bericht, in plaats van tynge of mie;
torech
(terug) in stede van tobek, en honderd dergelyken). Boerschheid en
slordigheid hebben hierin veel op hun geweten. De houterige, vaak zoo
ondichterlike versen van S. S. Koldijk kunnen ons nog maar weinig be-
hagen. Toch is er verbetering te bemerken (b. v. in do eerste strofen van
It f anke f en \'t Ml/in, (Het meisje van\'t eiland), vergeleken by\'t gene Koldijk
in It jonge Frysldn vroeger ons bood (Zie De Tijdspiegel, in \'t Januari-numrncr
van 18^3). Pikter Jeli.es en C. Wielsma (om ons tot de ouderen te be-
(•) Hier gecne verdietscuing! By Latiju en Friesch nevens elkauderen, ca elkandereu
verklarende, heeft de lezer vau De Tijdspiegel geen tolk uoodig.
-ocr page 39-
YTLIKE BLED8I0EM OElt KMYKKK TAEL- END SKIUI\'TEKENNISSE.          37
palen, en de jongeren niet te ontmoedigen) hebben wis ook geen geluk-
kige greep gedaan in de laden hunner schrijftafels, waarin zy hunne hand-
schriften bewaren , toen zy hunne opstellen Wylde huren. Moai en mal ut
it Grinzer Hludintelïbben
(Wilde haren. Mooi en mal uit het Groningsche
studentenleven) en Ut Marswier (een verdichte dorpsnaam) in hun tijdschrift
eene plaats gaven. Onbeduidende zedeschilderingen zijn dat, gekunstelde,
langdradige, en eentonige opstellen, trots alle jacht op byval, en alle jacht
op gecstigheden, die wel als flaue grappen voor \'t licht komen; niet het minst
in de zedeschets uit het Eriesche dorpsleven, die bovendien aan grootc slor-
digheid van taal lijdt. En de Sinnestrielen (zonnestralen) van den eerstge-
noemden geven, dunkt my, geen licht noch warmte, maar een zonderling,
teisterich skinsel — een schijnsel dat vele Eriesen voor non dwaallicht houden,
en te recht zich daar van afwenden. Pieter Jelles en C. Wieisma beiden
kunnen ons wel wat beters geven — ja zoo veel voortreffeliks, als zy zicli
maar houden, de laatste aan puntdichten, volks- en kinderliedjes, de eerste
aan verhevener poëzy. In het proza ligt hunne kracht niet.
Eene byzondere afdeeling van For hits en Mem is gewijd aan de kinderen,
„For de bern," en brengt hun aardige vertelseltjes, oude en nieue, en
sjnngsomme (zangbare? tot zingen geschikte) liedjes, met raadsels en allerlei
andore dergelyke zaken om de bern aangenaam en nuttig bezig te houden op
winterjiinden en reinige sneinen (winter-avonden en regenachtige zondagen). Dit
is zeer wel ingezien en zeer wel gedaan, en strekt tot byzondere aanbeveling
voor het tijdschrift, dat zich een tiidskrift for it Fryske husgesin noemt, en
waaraan dus ook de Fryske berntsjes hun deel moeten hebben. Onder de mede-
werkers , die aan deze afdeeling ook byzonderük hunne gaven wyden, merken
wy, nevens C. Wiei.sma en anderen, ook met genoegen op de bekwame en
geestige vertelster voor kinderen, die zich onder den schuilnaam Nynke fen
Hichtum verborgen houdt.
Dat het tijdschrift For Ms en hiem. ook wel degelik een echt kind is van
zynen tijd, wel degelik ook bewijst t\'huis te behooren in het jongste tijd-
vak onzer Eriesche letterkunde op bladzyde 15 hier voren door my reeds als
„het wetenschappelike tijdvak" gekenmerkt, blijkt ook hieruit dat er som-
mige opstellen van wetenschappeliken aard in zijn opgenomen (ofschoon het
louter een letterkundig tijdschrift is), en dat ook de Folklore er in vertegen-
woordigd is, die tak der oudheidkundige wetenschap, die in den tegen-
woordigen tijd overal zoo by voorkeur beoefend wordt. Het wetenschappelike
in For Ms en hiem vindt men op taalkundig gebied , waar vele Eriesen eene
byzondere voorliefde voor hebben. Het bestaat uit bydragen van Dr. E.
Buitenrust Hettema, onder anderen eene verhandeling naar aanleidingvan
Van Blom\'s Friesc/ie spraakkunst; van my zei ven over Franjebiirren en Frisk
end Flaemsk;
van J. H. J. van Wageningen thoe Dekama e<m „taelpraetsje"
over Franske wyn (wind). Dit laatste, eene geestige en welgeschrevene ver-
raaning, moge betrachting vinden en beterschap brengen by dat uwtskaeid
brod
(om met „Gysbert-om" te spreken), by die verbasterde Eriesen, die
zich niet schamen allerlei Eransche woorden, zuiveren en bastaarden, in onze
reine Eriesche taal te mengen, en die zoo van den oud Erieschen edelaard
vervallen zijn, dat zy (o wylde iciermen! Tkors hammer mei dokken freamdsin
togrüselje!)
dat zy wel Kransche neigingen in hunne harten koesteren.
Byzondere vermelding verdient ook nog een zeer eigenaardig opstel, getiteld:
-ocr page 40-
38         YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL- END SKRIFTEKENNIS8E.
Groumooartels. Sizkes en tellsjes ut \'e folksmiile opskreaun, dat wel als eene toelich-
ting beschoud kan worden by het schoonc gedicht van Sjirk Lins es van der Burg,
/.\'e smid fen Earnewdld. Dat opstel bevat eene mededeeling van allerlei volks-
overleveringen, over foartsjirmery en tsjoendery (spokery en hekscry) en andere
dergclyke zaken , uit het Friesche Waterland (de omstreken van Wartena en
Eernewoude), en is voor de navorschers, die daarin belangstellen, zeker van
veel weerdy. Die zaken zijn door den schryver van die verhandeling grondig
onderzocht en met uitvoerigheid beschreven, en zóó, gelijk hy dat doet, is
het in der daad de rechte wyze. Hy noemt ook onverholen de menschen by
naam en toenaam, die daarin eene rol spelen, welke dan ook; menschen die
nog leven, of wier kinderen nog leven , en in de streek hunner inwoning
wel bekend zijn. Het mag betwyfeld worden of dit wel betainelik zy. Hadde
de schryver die namen weggelaten, of anders slechts door voorletters aange-
duid, zijn betoog ware daarom niet minder duidelik geweest, en den be-
trokkenen luiden ware aanstoot gespaard gebleven. Wat echter de zaak op
zich zelve aangaat, zeggen wy gaarne: xokke mar mear!
Vermelden wy ten slotte nog dat For hits en Mem dsr Friescher taaizake
en letterkunde ook cenen byzondcr goeden dienst bewijst door aankondi-
gingen en beoordeclingen te geven van nieu verschenene Friesche werken,
of van zulke geschriften die in het byzonder over \'Friesche zaken handelen —
en dat dit op flinke wyze geschiedt. En eiudelik nog geeft eene Fraechbos
den weetgierigen nadenker gcreede gelegenheid om degelikc antwoorden op
zyne vragen te erlangen van geleerde en Frieseh-volksaardige mannen, als
Dr. F. Buitenrust Hettema , Dr. L. C. Murray Bakker, J. J. van der
Geest, G. Veendorp en vele andereu die zich onder schuilnamen of voor-
letters verbergen.
For hus en hiem volgt de spelling vau het Sekkip, die heden ten dage de
gebruikelikste is. Toch is het bestuur van dit tijdschrift vryzinnig genoeg
om eene andere spelling niet te weren uit de opstellen die ter plaatsing in-
gezonden worden, gelijk ik zelve met voldoening mocht ondervinden. Het
uitcrlike verdient alle lof. Het is degelik en eenvoudig, naar der Friesen aard.
En, ten slotte, For hm en Idem, al laat zich in de laatste afleveringen
van dit tijdschrift (tot veler gerechte ergemisse) wel een heillooze roode
geest bemerken — For hüs en hiem verdient ruimschoots de instemming
waar mede het door de Friesen ontfangen is en begroet — verdient ook
verder alle aanbeveling. Een lang en tierich leven zy er aan beschoren!
Over N" 5, het nieue, goedkoope, letterkundige weekblad van Waling
Dykstra, dat met medewerking van B. 8. Hylkema en M. Miedema te
Bolsward by M, Msückei/bach verschijnt, onder den naam van Sljucht en
Rjucht. Rym en Onrym,
en onder de zinspreuk van Gysbert Japicx : „Nim
it for Ijeaf, it is sljucht en rjucht"
(neem het voor lief, het is eenvoudig en
rechtschapen) - kan hier niet veel worden geschreven. Immers dit blad
verschijnt eerst sef.ert Nieuejaar 1890. Ook is er maar een kortstondig
leven aan beschoren geweest. Juist een jaar oud, is het weer te niet gegaan,
en sedert Nieuejaar 1891 niet weer verschenen. Toch mag het als eene
opmerkelike verschyning in de Friesche letterwereld, hier niet onbesproken
blyven.
Waling Dykstra is geen classisch geleerde, maar een man met eenen hel-
-ocr page 41-
YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL END SKRTFTEKENNISSE.          39
deren geest en veel gezond verstand (egintlik is \'t en dldbüsfeint), rijk begaafd
met hetgene de Duitsohers Mutterwitz noemen. En byzonder wel ter tale. Zyne
muse is nis eene (linke, liehamclik zeer gezonde, ietwat boersche, goed-
lachsche en zanglustigc Friesinne, de dochter van eenen zeer vryziimigen
vader, cene kloeke deern , een „heldere taseh", maar — die niet ter kerke
gaat. En fijn gevoelde poëzy, verhevene gedachten, kieskeurige taal moet
men by haar niet zoeken.
En juist om en door dat alles leest een aanmerkelik deel des Frieschcn
volks Waling Dykstha\'s verscu en andere geschriften zoo geerne, zingt zoo
gccrne zyne liedjes, hoort hem zoo geerne spreken op zyne winterjiindenochten.
Hy is dan ook zoo recht een schryvor en spreker voor het volk , voor boer
en burger en werkman; hy weet zoo juist den volkstoon te treffen. Hy is
in der daad een zeer Hot rymer, een geestig en handig schryver, een meester
in de volksspreektaal. Kïi de strekking van \'t gene door hem in woord en
geschrifte den volke toekomt, is steeds eerbaar en deugdelik, maar — door-
drongen van eenen sterk uitgedrukt vryzinnigen geest, wat kerk en staat be-
treft. Dit heeft ten gevolge dat slechts de helft vau het Friesche volk hem
fianhangt. Die eigenaardige, deels voortreffelike eigenschappen des bestuurders
van Sljtccht en Rjucld komen in dit zijn weekblad duid elik weer aan\'t licht;
b.v. in zijn allcrgeestigst berijmd verhaal: Fier der om roan, \'lichte by foun
(verre er om geloopen , dicht by gevonden).
Waling Dykstra is hier weer geheel zich-zelve En het schijnt wel als
of zyne medewerkers troue volgelingen vau den ouden voorganger zijn, als
of zyne hoedanigheden ook op hen zijn overgegaan. Dit blijkt by voorbeeld
uit het gedicht van M. M(iedema — \'nt wier?), dat Peaskemoarn (Paasch-
morgen) heet, en ook op Paaschmorgen den lezers in handen kwam. Het
is zoo flot en flink en floeiend van taal en rijm, als men maar begeeren kan.
Maar het vertolkt geenszins de blyde en verhevene gevoelens die het Chris-
telik-geloovige deel des volks (en dat heeft toch in de eerste plaats met
het Paaschfeest te doen) op dien Heiligen morgen bezielen.
Nevens eenige goed geslaagde verdichte verhalen komen in Sljucht en
Rjucht
ook enkele opstellen voor, die wy met genoegen begroeten , en die
eenen meer degeliken, schier wetenschappeliken inhoud hebben. Het zijn
van Waling Dykstra: Gysbert Japicx, zeer lezensweerdig, en over (het
woord) Onticikkeling, zeer behartigingsweerdig, Eala, frije Friezen! enz. Van
J. N. Wiersma over het spreekwoordelik gezegde Sljucht en rjucht as dy
f en Bolsert
, en van my zelven Ten \'tiene yn \'toare, dat ten deele een
weerslag is op het voorgaande; ook Talsma end Tolsma. Een aardig ge-
schreven opstel in dezen trant is ook dat van B. S. H(ylkema?) Fat fen\'e
Sékant,
dat voor den natuurvorscher niet van belang ontbloot is, en dat
lichtelik leiden kan tot verdere nasporingen en mededeelingen op het gc-
bied der natuurkundige wetenschappen, waarvan tot nog toe zoo weinig
by Erieschc schryvers bespeurd is.
Saamgetrokkene en versletene woorden, gelijk de volksmond in de dage-
likschc spreektaal ze wel voortbrengt, mogen in een blad dat op deugdelike
en gekuischte taal prijs stelt, niet "voorkomen. B. v. niet zulke woorden als
hwérsanne er een is, en dat op bladzyde 15 gevonden wordt. Dit woord
dient in zynen vollen form , als hwersa earne (waarzoo ergens) geschreven te
worden. Immers de Friesche taal is in heure tegenwoordige gedaante, vooral
-ocr page 42-
40          YTLIKE BLEDSIDEN OER FRYSKE TAEL END SKRIFTEKENNISSE.
als volkssprccktaal, reeds saamgetrokken , versleten, formloos genoeg — en
te veel. De schrijftaal dient de oorspronkelike volle formen te behouden ;
de spreektaal heeft dan daaraan een staf en steun, waaraan ze zich oprichten
kan. Voor dien anderen kanker der Kriesche taal, het gebruiken van Hol-
landsche bastaardwoorden en andere vreemde inkrnipsels, behoeven wy in
Slfucht en BjueJU niet te vreezen. Daartegen houdt Waling Dykstka goede
wacht; getuige zyne opstellen Onheikkeling in N°. 2 , en Moadepopkes in N°. 17.
Van veel belang is in dit blad de Brieficiksel, waarin veelal goede ant-
woorden op velerlei vragen gegeven worden, tot onderrichting van weet-
gierigen. Dan nog komen puntdichten , kwinkslagen, raadsels, enz. in mime
mate als Btedofhds voor. Kortom, het Kriesche volk dat lichte lecsstof ter
ontspanning en ter verstrooiing zoekt, vindt in SljueMen Rjucht zyne gading.
En in dezen zin zal dit weekblad, al bleef het by eenen enkelen jaargang,
ook wel nut stichten op zynen weg door de \'Kriesche goaën en grietenyen,
stedden
en doarpen, kriten en buorren.
Zoo zal en moet ook de kostclike zaak van ons Friesdom in al heure eigen-
heden en in al heuren omvang nog ruimschoots en rykelik bevorderd en
gebaat worden door al de vijf werken die hier den lezer zijn voorgesteld,
door alles wat op volksaardig en op wctenschappelik gebied in het loopende
tijdvak der \'Kriesche taal is in het licht verschenen.
Heil den erve der vrye Kriesen!
Pleil de erfenis der Stand-Kriesen!
Klink den end daverje fier yn it rund,
Dyn alde eare, o Fry3ke grond! (*)
Haarlem.                                                                                      Johan Winklkk.
(*) Referein van het Friesclie volkslied:
Klink dan en daver ver in liet rond,
Uw oude sere, o Friesche grond!
(Overgedrukt uit de Tijdspiegel. 1891,)
C-Ül