-ocr page 1-
BAYREUTH
1891
DOOR
HUGO NOLTHENIUS.
UTRECHT
J. L. BEIJERS.
-ocr page 2-
-ocr page 3-
BAYREUTH
1891
DOOR
HUGO NOLTHENIUS.
UTRECHT
J. L. BEIJERS.
-ocr page 4-
SN F.Lr Eïlfl DRUK VAN H. C. A. THIEME TE NIJMEGEN.
-ocr page 5-
Ehrt eure deutschen Meister,
dann bannt ihr gute Geister!
Z. S.
Tijdens en kort na de voorstellingen te Bayreuth in dit jaar,
verschenen daarover van mij een vijftal artikelen in het Algemeen
Handelsblad.
Hier worden die aan belangstellenden in anderen vorm nog
eens aangeboden; behalve enkele wijzigingen van ondergeschikten
aard bestaat de verandering hier en daar in eenige uitbreiding.
De redactie van genoemd blad gaf onverwijld hare goedkeuring
voor dezen herdruk; daarvoor wordt haar hierbij mijn dank
gebracht.
Ik kan niet nalaten een woord van hulde daarbij te voegen.
Of is het geen verblijdend teeken dat een blad een groote
plaats over heeft voor de kunst en hare beoefening in den ruimsten
omvang ?
Hoevele bladen — en allen heeten toch mede te arbeiden aan
het groote werk der beschaving — bemoeien zich eigenlijk alleen
met politie, politiek, militairisme en handel, terwijl wetenschap,
godsdienst, kunst, als daarvan al wordt gerept, geheel als bijzaak
en terloops worden beschouwd! \')
■) Een bewijs! In een der grootere steden van ons land kwam een mijner
vrienden in der tijd op tegen de Hollandschc vertaling van Lohcngrin bij
gelegenheid der opvoering van dat werk in die stad door „de Hollandsche
-ocr page 6-
IV
Wat slechts middel moest zijn om die drie groote factoren
van en voor alle beschaving ongestoord te kunnen doen werken
Opera"; hij bood zijn stuk, getuigende van verontwaardiging doch overigens
zonder ecnigc persoonlijkheden, ter plaatsing in het hoofdorgaan der pers
aldaar aan, maar met de volgende woorden voorkomende in de „Brief-
wisseling" werd de plaatsing geweigerd: „Het ingezonden stuk is, zooals
de inzender trouwens zelf reeds begreep, voor plaatsing in ons blad niet
geschikt en ligt alzoo aan het kantoor onzer administratie ter zijner beschik -
king. Wij kunnen geen ruimte afstaan voor enkel afbrekende critiek van
het libretto eener opera. Het verlcenen van gastvrijheid in een blad
heeft buitendien zijne grenzen. Door de onbeperkte opname van dergelijke
beschouwingen van zoo talloos velen in onze stad," (wat een belangstelling
in de kunst aldaar!) „die zich geroepen achten critiek uit te oefenen, zou
er zeker geen voldoende plaats in ons blad overblijven voor de gewone
staatkundige (ecce) en nieuwsberichten en daarvoor zouden onze geabon-
neerden ons stellig geen dank wijten." —
De woorden libretto en opera waren gecursiveerd. Moet ik er nog iets
bijvoegen? Nu werd het geval hierdoor ook wel wat lastig dat bedoelde
vertaling in genoemd blad nog kort te voren was geprezen als van een
stadgenoot. —
\'t Zou toch geen kenmerk van \'n plaats kunnen wezen om aan leelijke
vertalingen geen aanstoot te nemen ? Niet veel later toch heeft in dezelfde
stad zoo\'n vertaling een enorm succes gehad !
Toch laat meerbedoeld blad zich gaarne voorstaan op ondersteuning van
kunstbeoefening; vooral wordt dan de nationale kunst in bescherming
genomen. Alsof kunst grenzen kende! Grenzen * de kringetjes die bekrompen
of baatzuchtige menschen getrokken hebben of nog trekken! zij zijn bet
materiaal voor de politiek, en die grenzen te doen verdwijnen moest het
ideaal der politiek zijn, maar grenzen voor de kunst! en voor toonkunst
en nog wel in den tcgenwoordigen tijd, waarin de verschillen tusseben de
afdcelingen van een grooten stam lang zoo sterk niet meer op den voorgrond
treden en goddank kans hebben gaandeweg te verdwijnen. (De beste
Fransche toonkunstenaars van onzen tijd trachten zich onmiddellijk aan
Wagnkr\'s kunst aan te sluiten!) Het cene individu verschilt genoeg van
elk ander; een verschil door oorzaken van uiterlijken aard behoeft werke-
lijk niet onderhouden te worden. Het spreekt overigens van zelf dat zoo
weinig als de kunstenaar kan of wil weten van particularisme in de kunst,
de geschiedkundige beschouwer wel onderscheid zal kunnen maken tusschen
de kunstbeoefening en aanleg bij verschillende volken.
-ocr page 7-
—                                                                  V
en de algemeene belangstelling er voor op te wekken en te
onderhouden — helaas! — ook hier zooals dikwijls elders —
dat middel is doel geworden.
Dat alle bladen haast zonder onderscheid zich laten gelegen
liggen aan de vele wanverhoudingen in het sociale leven en aan
het armenwezen worde hier met dankbaarheid vermeld. Ik wil
niet onderzoeken of die belangstelling uit zuiver medegevoel dan
wel uit bezorgdheid voor den duur van eigen welgesteldheid
geschiedt; genoeg: de belangstellende behandeling dezer drin-
gende zaak bestaat! iets voor de kunst van ontzachelijk belang.
Want, waar gemis aan lichamelijke welvaart is, zal in het algemeen
kunst niet gediend, haar zegen zeker niet gevoeld kunnen worden.
Men wachte zich echter ook hier voor overdrijving. Onwillekeurig
denk ik aan het kind dat in teedere bezorgdheid voor zijn vogel
toch om het aanschaffen van een mooie kooi juist den vogel
vergat.
De kunst zelf clan wil geloofd en om zich zelf geliefd en
beoefend worden. Waar dat niet gebeurt moet zij als Lohengrin
vertrekken en de bedroefden achterlaten, die te laat het gemis
beseffen.
Hulde dus aan het blad dat bij den dienst der heilige kunst
zulk een sterke bondgenoot wil zijn voor allen, die het goed met
haar meenen!
En nu deze voorrede toch reeds langer is geworden dan ik
gedacht had, moet mij nog iets anders van het hart.
Het betreft de Oedipus-kwestie, die ik, naar mij is gebleken,
tot veler ongenoegen heb aangeroerd. Ik zou hypercritisch zijn
geweest en uit het oog verloren hebben dat hooge cischen hier
niet gesteld mochten worden. Maar dit is juist het teere punt.
Nooit zou ik deze uitvoering, die met de kunst slechts in uiterst
los verband stond, ter sprake gebracht hebben als de reclame,
van alle kanten door ontwerpers, uitvoerenden met hunne talrijke
begunstigers er voor gemaakt, niet zoo verbazend groot was
-ocr page 8-
VI                                                       —
geweest. —- Nu zou men dan iets beleven wat men nog nooit
beleefd had! Een opmerking daartegen ingebracht, een zachte
herinnering aan het (irjdsv ayav werd met minachtend verwijt
teruggewezen.
En wat nu is het gevolg geweest? — Van een artistiek stand-
punt werkelijk geen ander clan ik in mijn opmerkingen schreef.
Hoc lofwaardig sommigen der vertooners zich gehouden hebben,
de kunst is hierbij niet gediend; om al de opgegeven redenen
kan en mag daarvan geen sprake zijn. *)
\') Onder de redenen voerde ik ook de spraakgebreken aan. Ook dat
heeft verbolgenhcid gewekt; natuurlijk omdat men niet op de hoogte is van
do eischen, waaraan in dit geval voor artistieke resultaten voldaan moet
worden.
Ik weet heel goed dat men in \'t dagclijksch leven van spraakgebreken
niet hoort gewagen of iemand moet bijv. flink stotteren. Do verkeerde
uitspraak van vocalen en consonanten wordt nagenoeg nooit opgemerkt;
er zijn er zelfs die mcencn dat dat verkeerde in de uitspraak aan deze iets
gedisttngueerds geeft. Kluchtige voorbeelden van primitieve mecningen hier-
omtrent bij overigens ontwikkelden zou ik kunnen aanhalen. Die gebreken
dan worden eenvoudig niet geteld. Predikanten, advocaten en anderen, die
door spreken hun ambt uitoefenen — hoe weinigen zijn er wier uitspraak
gezond is; aandoening van spraakorganen blijven bij zeer velen dan ook
niet uit. De moesten vormen den toon te veel achter in do keel, spreken
niet in den voor hun organen passenden toon en zetten op ongelegen tijden
hun stem dikwijls tot schade daarvan uit; het ergste is dat men nog uitge-
laclicn wordt als men daaromtrent opmerkzaam maakt in \'t belang van
jonge menschen; op hoe vroeger leeftijd namelijk de gewenschte verande-
ring wordt gebracht des te boter is het, ofschoon bij degelijke leiding ook
ouderen met energie nog altijd veel kunnen verbeteren. Ik zelf gaf eens
aan de ouders van oen toekomstig predikant eenige wenken voor de ver-
betering van verschillende slechte medeklinkers, o. a. omtrent oen afschuwelijk
dikke 1, die trouwens velen hier te lande eigen is. Wat ontving ik ten
antwoorl? „Wel! hoe kunt ge dat leclijk vinden?" Zijn preek zou later
juist zoo zalllovend kllinkcn! Qu\'y faire!
En dan hebben wij onder onze klassieke modellen oen Dcmosthenes,
die met ijzeren wilskracht zijn spraakgebreken (een slechte r o. a.) verhielp,
-ocr page 9-
VII
Wat was mijn doel met mijne opmerkingen? Slechts voor
verkeerde gevolgtrekkingen heb ik willen waarschuwen, die een
leven van hoogere orde misschien voor anderen — en het gold
hier jonge menschen vooral — voor goed ontoegankelijk zoude
maken, mij verplicht gevoelende tevens tot protest tegen al dien
overmatigen lof, waarbij m. i. de naam der kunst schromelijk is
misbruikt. En ik heb het willen toeroepen aan allen, die, in de
dompige lucht hunner studeerkamer, naar de middelen snuffelen
om de kunst der ouden voor ons weer tot nieuw leven te kunnen
opwekken : Menschen, staat op, ziet, in het licht der volle zon
omdat hij wel wist anders als redenaar nooit eenig succes bij de Atheners
te zullen hebben. — Hoc juist begrepen van de Atheners! — een wel-
luidende uitspraak vóór alles!
Men ga zelf na! In grove trekken zijn te onderscheiden natuurtoon,
normaaltoon en idcaaltoon, met de daarbij behoorende uitspraak. In éOn
van duizenden gevallen zal de eerste, de totaal vrij, natuurlijke gevormde
toon en uitspraak als zoodanig bruikbaar zijn voor hooge kunstuitingen.
In alle andere gevallen zal deugdelijke leiding het natuurlijke moeten
normaliseercn, d. i. vrij moeten maken van, alles (in den regel is dit veel)
wat verkeerd is. En uit den normalen toon kan dan eindelijk de ideale toon
zich ontwikkelen, die voor de kunst alleen in aanmerking komen mag. —
Wie der bedoelde vertooners heeft zijn orgaan tot die hoogte ontwikkeld ?
Ik durf wel zeggen dat zich geen onder hen bevond, die van spreken werk
had gemaakt, die spreken geleerd had. Geen, die het tot de normale
hoogte had gebracht! dat hindert natuurlijk geweldig den hoorder, die van
de eerste eischen op de hoogte is. Men denkc zich iemand overigens bruik-
baar maar niet recht van lijf en leden; die is toch niet op het tooneel te
gebruiken, ja, voor blinden! Welnu, de spraakgebrekkigen moesten slechts
terecht kunnen bij doovcn; er schijnen dan wel velen doof te zijn op dit
punt; Bentley\'s uitspraak is waar: „aures habere paucis a natura datum est."
Onder deze omstandigheden worden zij, die daaromtrent opmerkingen
maken, natuurlijk niet begrepen. Een niet vleiend oordeel wordt als te
onpas uitgebracht beschouwd, aan bijoogmerken toegeschreven. Wat verstaat
een blinde ook van een lofrede op de schoonheid der natuur, wat begrijpt
een doove van de heilige aandoeningen door schoone klanken opgewekt?
Helaas, voor hen zijn die een onbekende wereld!
-ocr page 10-
VIII
staat wat gij zoekt in frissche bergatmosfeer te gloren. De geest
van Sophocles kwam in Richard Wagner tot ons terug. In
z ij n kunst /\'s sinds langen tijd de tragedie der ouden herboren! —
Met Ges. Schr. in de aanhalingen bedoel ik de eerste, groote uitgave
van Wagnbr\'s „Gesammelte Schrilten" bij E. W. Fritsch te I.eipzig.
HUGO NOLTHENIUS.
Driebergen, November \'91.
-ocr page 11-
tm
ksJlm de majesteit van het een of ander bergge-
i
vaarte ten volle te kunnen beseffen, is dikwijls
één enkele plek de eenig aangewezene.
Zoo moet men, om Wagner\'s grootheid, of
laat mij liever zeggen — om elk idee aan per-
soonlijke
vereering uit te sluiten (waarvoor ik mij overi-
gens niet schaam) — om de grootheid van Wagner\'s
scheppingen te leeren begrijpen, de voorstellingen te
Bayreuth bijwonen.
Dit is vrij lastig, maar in het onvermijdelijke leert
ieder verstandige zich spoedig schikken; wie zal er over
klagen, dat een Jungfrau, een Montblanc zich niet wat
meer in zijn nabijheid bevindt!
Met de beoefening van Wagner\'s kunst op andere
plaatsen behoeft het daarom zeer zeker niet gedaan te
i
-ocr page 12-
2
wezen. In de allereerste plaats is die beoefening op
zichzelf een altijd wellende bron van studie en schenkt
dus zoo al het edelste, meest louterende genot. Dan,
in den vorm van tooneelopvoeringen, moet de kracht
dezer kunst zeer zeker meer onmiddellijk werken, al is
niet alles zoo als te Bayreuth, — miste men maar niet,
wat, helaas, zoo goed als regel is, den broodnoodigen
eerbied, den animus religiosus, de piëteit van een mon-
digen leider voor het kunstwerk dat hij interpreteert.
Ach, in ons landje hebben wij wat dit betreft niet veel
anders te verwachten dan hetgeen de een of andere
ondernemer ons met de beste wenschen voor zijn eigen
beurs meent te kunnen aanbieden. En daarom bleven
de opvoeringen van Wagner\'s werken zoo bitter ver
beneden peil. Van de oude opera gewaag ik niet; op
weinige uitzonderingen na vermogen zij voor een ernstig
mensch, die met zijn tijd medegaat, geen waar kunst-
genot op te leveren.
Wanneer men hiermede rekening houdt, voorziet de
Wagner-vereeniging te Amsterdam voor een groot deel
in een gemis. Ja, in het ontbreken van alles wat gezien
moet worden en waarbij zoo veel van de muziek zich
onmiddellijk aansluit, missen wij ontzettend veel; den
onnadenkende zal zelfs menige plaats ongemotiveerd
schijnen. Niets belet mij echter om mij den geheelen
toestand voor te stellen. Heb ik het geluk gehad eene
opvoering van het werk eenmaal te Bayreuth bij te
-ocr page 13-
3
■wonen dan valt dit al zeer gemakkelijk en wordt de uit-
voering een verkwikkende herinnering; en was mij zulk
geluk nog niet beschoren, dan blijft mij toch mijn
voorstellingsverittögen over. Met de talrijke — gerust
durf ik zeggen — volledige aanwijzingen van Wagner
zelf voor alles wat er op het tooneel voorvalt, behoeft
iemands phantasie werkelijk niet buitengewoon groot
te zijn om zich van de scène een goed beeld te vormen.
Mij is het reeds meermalen te Bayreuth overkomen
bij werken, die ik nog nergens anders gezien had, dat
zij geen ander scenisch beeld te zien gaven dan ik
mij van te voren daarvan had gevormd. De tegen-
woordig in grooten getale verspreide photogrammen
van de verschillende tooneelen der te Bayreuth reeds
opgevoerde werken kunnen daarbij een goeden dienst
bewijzen. En is er ten slotte niet iets aangenaams in
gelegen, dat de hoorder zelf actief moet zijn ? „De
goden stelden het zweet voor de voortreffelijkheid",
zegt reeds Hesiodus; en „nur mit ein bischen andern
Worten" Göthe: „nur der verdient sich Freiheit wie das
Leben, der tRglich sie erobern muss!" Zoo is het ook
met het ware kunstgenot. Noch Apollo, noch Minerva
dalen af tot gemakzuchtigen, evenmin als Jungfrau of
Montblanc toertjes voor salonhelden opleveren. Slechts
zij, die de kunst nooit misbruikten tot ontspanning,
zijn zich bewust dat na den moeielijken weg, vol inspan-
ning en met energie afgelegd, door hetgeen dan genoten
-ocr page 14-
4
wordt alle leed en teleurstelling vergoed zullen worden.
Dit is het geloof van den kunstenaar, en dit behoort
het te zijn van elk, die het wel meent met de kunst;
met de overigen mag geen rekening gehouden worden.
Helaas, dat hun getal nog zoo groot blijft! Innig ver-
langend zien wij uit naar de komst van hem, die op
het navolgenswaardig voorbeeld de onwaardigen ook
uit onzen tempel voorgoed zal verdrijven.
Met volle waardeering dan voor wat elders voor de
verbreiding van Wagner\'s kunst geschiedt, nog eens:
naar Bayreuth! naar Bayreuth, om het volle licht te
zien gloren!
Dan, — is het u niet wel gebeurd, dat ge, in de
blijde verwachting van de kolossen van het hoogge-
bergte te zullen mogen bewonderen, u in de niet te
besmetten reinheid der goddelijke berglucht te zullen
vermeien, na de eigenaardige opofferingen van een
lange, niet gemakkelijke reis, — dat dan uwe verwach-
tingen niet werden verwezenlijkt, omdat een nijdig
noodlot, door het scherm van nevels en wolken niet
ter zijde te schuiven, het bergtooneel voor uwen blik
afgesloten hield?
Iets dergelijks blijft te Bayreuth ook mogelijk. Een
opvoering, waar in geen enkel opzicht van het begin
tot het einde iets op aan te merken valt, behoort tot de
groote zeldzaamheden. En dat ligt bij het ingewikkelde
van het werk voor de hand, en dat zal hij vooral
.
-ocr page 15-
5
spoedig ontwaren, die zich zoo in de werken heeft
verdiept, dat hem een blik is gegund op die volkomen
voorstelling, die de Meester zelf natuurlijk in zijn
gedachten heeft gehad.
Er zijn er die zich reeds vermeten, Wagner te willen
verbeteren. Ofschoon het verre van mij is te gelooven,
dat voor de kunst Wagner het laatste woord heeft
gesproken, dat verandering, vooruitgang na hem niet
meer mogelijk is, zoo gevoel ik levendig, dat toch zeker
voor tal van jaren daarvan weinig te verwachten is;
na de zeven vruchtbare jaren volgden de zeven schrale!
Van dergelijke aanmatiging, alleen het gevolg m. i. van
verwaten onkunde, kan en wil ik echter niet hooren.
Wagner, tegelijk dichter, wijsgeer en toonkunstenaar,
is een zóó buitengewone verschijning onder al de
grooten, die de wereld tot nu toe heeft voortgebracht,
dat aan zijn autoriteit geloofd moet worden door allen,
voor wie harmonische beschaving geen ijdele klank is. *)
i) De ijveraars voor de „klassieke modellen" kunnen hieronder
natuurlijk niet begrepen zijn; de vele geleerde heeren onder hen
zien meestal de pracht van het woud niet, omdat ze te veel naar
de mosjes aan hun voeten zien. Is het niet sprekend geweest, al dat
gebazel over kunst en klassicisme, bij gelegenheid van de overigens
loffelijke poging der studenten te Utrecht om een oud-studentenfonds
te vergrooten door een vertooning van Koning Oedipus van den
onsterfelijken Sophocles!
Het is toen ten duidelijkste gebleken, dat het bestaan van Wagner
aan de talrijke loftrompetters nog onbekend is; het ware hun anders
-ocr page 16-
6
Naast de autoriteit van Wagner zelven staat voor
mij die van zijn onvergetelijke vrouw Cosima, de dochter
van Liszt, van hem, die, ware het door niets anders,
zich onsterfelijk zou gemaakt hebben door zijn eenige
niet mogelijk geweest die onderneming voor een kunstdaad uit te
geven. Voor velen schijnt een kunstenaar nog steeds ten minste een
paar eeuwen dood te moeten zijn, eer hij in aanmerking komt voor
de ontlccdbank der aesthetica en philologic. Een kunstuiting!!
Oedipus, voorafgegaan door het Iü vivat, met een tamelijk rhytmiek-
looze muziek door een volledig modern orkest, met zelfs vecl-
stemmig gezongen mannenkoren (ja, een gemengd koor aan het slot!),
met dus per se onverstaanbaren tekst! Terwijl men er ijverig op
bedacht was in kleinigheden correct te zijn, heeft men onvergeeflijk
over het hoofd gezien, dat met de muziek, die er bij gemaakt is,
Sophocles\' werk in een gewaad is gestoken, dat, om maar geen
vergelijkingen te maken, in éön woord niet paste ; het gegeven beeld
is dientengevolge valsch geweest. Hoe weinig er ook van de Grieksche
muziek bekend is, dit is eiken niet geheel onkundige zonneklaar,
dat de Grieksche dramatische muziek in geen enkel opzicht iets
gehad heeft van hetgeen er te Utrecht bij te hooren is geweest.
Hoe is het mogelijk, dat de heerlijke metra in de koren van Sopho-
i-lcs den toondichter hier den juisten weg niet hebben gewezen,
als er dan met alle geweld muziek bij gemaakt moest worden, wat
mij, uit eerbied voor het oude kunstwerk, van het begin tot het
einde heeft gehinderd? Ik weet het wel: in de gebruikte vertaling
is het oorspronkelijke metrum reeds verloren gegaan; maar die had
immers omgewerkt kunnen worden? Dr. Van Leeuwen te Leiden
heeft in zijn vertaling van Sophocles\' Ajax de mogelijkheid van
het behoud der oorspronkelijke metra bewezen. Doch ik vervolg:
Oedipus met vertooners, van wie geen enkele zonder kleinere of
-ocr page 17-
7
zelfverloochening en opoffering voor het werk van zijn
grooteren kunstbroeder. Niemand is er die niet weet,
hoe mevrouw Wagner, ten volle in staat haren echt-
genoot te verstaan, de opvoering der werken tot in
grootere spraakgebreken was (met do vocalen en vele consonanten
was het treurig gesteld, en de hoofdvertooner o. a. sprak geregeld
te hoog in een te vlug tempo), met een vertaling, die alle achting
verdient om de groote getrouwheid aan den inhoud van het oor-
spronkclijke, maar die de auteur toch zeker zelf niet voor dichterlijk
wil laten doorgaan; met afwisselende verrassingen op en voor het
tooneel in de vele blijken van onderlinge adoratie enz., enz.
Van weinige, zeer weinige zijden slechts is vernomen, dat men
zich onthield om het in Holland ongeëvenaarde loflied mede aan te
heffen. Er is gezegd, dat deze Oedipus-vertooning het teeken eencr
derde letterkundige renaissance is; onder bijvoeging (allernaïefst),
dat haar de eer toekomt met de Passionsspiclen te Oberammergau
uitnemend een vergelijking te kunnen doorstaan! Vleiend voor den
componist der Oedipus-muzick ! Ieder, die niet buiten staat is eenig
verschil in toonhoogte waar te nemen, of die gevoel heeft voor
rhythmus en klankschoonheid (en wie durft er, daarvan verstoken,
over een dramatische opvoering, ook over zulk cene zonder muziek,
te spreken), heeft de muziek te Oberammergau ontzettend gekweld,
ja gefolterd en de stemming, die ze juist moest opwekken, voor een
zeer groot deel verstoord. Behalve het weinige verzet, dat m. i. te
recht is aangeteekend, heeft mij een eenvoudig woord in het feest-
nummer van de Vox Studiosorum, tijdens de lustrumfeesten in 1891,
van Allard Pierson zeer aangenaam getroffen. Hoezeer ook waardee-
rende de poging der Utrechtsche studenten — en wie zou dat niet
(het is echter bij pogingen van studenten niet gebleven; meesters,
doctoren, professoren hebben een zeer gewichtig aandeel geleverd) —
-ocr page 18-
8
de kleinste bijzonderheden tracht te doen slagen, en
welke geweldige wilskracht zij daarbij aan den dag legt.
Het kunstwerk te doen zijn wat het zijn moet, dat is
haar levenstaak ; andere gedachten bestaan bij haar niet.
Ofschoon nu kosten, zooals van zelf spreekt, nooit
gespaard worden, zoo is met allen goeden wil en geld
toch niet altijd alles dadelijk te verkrijgen en zoo kan
het ook te Bayreuth voorkomen dat hier en daar wat
hapert. Het volkomene is niet van deze wereld en
stelt hij de onvergankelijke waarde van de klassieken, dunkt mij, in
het ware, schoonc licht, en waarschuwt hij o. a. hiertegen: hun kunstwer-
ken als de modellen voor alle tijden te proclameeren! Juist zoo! Zou een
kunstenaar naar opgedrongen modellen werken ? Dit doet een knecht,
een slaaf, en de kunstenaar is juist de meest vrije mensch, die er be-
staan kan. In onweerstaanbaren drang heeft hij slechts oog en oor
voor zijne muze (zijn daeinonium) als zij haar uitverkorenen ver-
schijnt. En de wonderen, die daarna de groote kunstenaar in het
leven roept, brengen de tijdgenooten, zoo zij zich daartoe inspannen
en opwerken, tot dankbare waardecring en zeker de nakomeling-
schap met geleerden en ongelcerden tot het besef van \'s kunstenaars
grootheid.
Mag ik nu toch zeggen, hoe deze „andere tonen" van den toch
waarlijk ook geleerden Ficrson zijn vernomen kunnen worden ? Welnu,
hij is mcei dan geleerde, hij is... zelf kunstenaar, gewis een zeld-
zame verschijning onder zijne collega\'s. De geleerden hebben in den
regel juist zoo weinig kunstgevoel! Min of meer ligt dit in den aard
der zaak; het is alleen te betreuren, dat men zich van het gemis
niet meer bewust is; zeer zonderling althans klinken dikwijls „de
regelen der kunst" uit den mond van ecu geleerde.
-ocr page 19-
9
gedachtig aan het: „Ubi plura nitent in carmine," enz.
moeten wij bij de tekortkomingen niet onrechtvaardig
zijn ten opzichte van het geheel, waaruit toch altijd dit
helder blijkt: alles slechts om en voor de heilige kunst!
Daarom behoeven wij niet onopgemerkt te laten dat
er een en ander ontbreekt. Mijne warme sympathie
stelde ik voorop, opdat, wanneer ik er toe mocht over-
gaan in het volgende, bij het bespreken van de opvoe-
ringen in het bijzonder, enkele op- of aanmerkingen
te maken, men mij niet verdenke daarom minder te
gevoelen voor het eentge Bayreuth. Van \'82 af mocht ik
steeds de voorstellingen bijwonen: mijn belangstelling
en liefde zijn niet verflauwd, en ik heb de vaste over-
tuiging dat ik daarin niet zal veranderen. Van alles
wat de mensch in de kunst vermag, nam ik steeds en
met graagte kennis; tot nu heb ik daarbij nog niemand
ontmoet die Wagner terzijde streeft, zoodat, met de
uitbreiding van mijne kennis, de liefde en hoogachting
voor den Meester wel steeds moesten toenemen.
-ocr page 20-
II.
Tannhauser.
i
I
i fschoon ik ditmaal de drie opgevoerde werken
I
niet in de volgorde van hun ontstaan heb
gehoord, zoo wil ik toch liever bij mijne bespre-
kingen die volgorde in acht nemen en dus
met Tannhauser beginnen.
Welke uitroepen werden er niet vernomen, toen het
gerucht zich, nu al weer lang geleden, verspreidde,
dat mevrouw Wagner besloten had in 1891 den Tann-
hauser
te Bayreuth ten gehoore te brengen! Tannhauser!
het werk, dat men dan toch waarlijk wel kende, dat
toch niet zoo bijzonder veel van de oudere opera\'s ver-
schilde, waarvan de opvoering nu niet zooveel moei-
lijks opleverde, en waarvan men clan ook dikwijls zeer
goede voorstellingen bijna overal kon bijwonen! Het
ontbrak er nog maar aan, dat het onder de „afgezaagde"
-ocr page 21-
II
nummers van een opera-repertoire werd gerangschikt.
Al spoedig vormden zij een geheel legertje, die bedil-
lers, waarin, o lezer, ook Bayreuth zich ruimschoots
verheugen mag; ik heb uitingen in dien zin gehoord
en ook kennis genomen van een algemeene ontevre-
denheid met den gang van zaken te Bayreuth, van
menschen, die gaarne voor Wagnerianen doorgaan.
Velen kunnen het niet verkroppen, dat een vrouw het
geheel zelf leidt, een vrouw, die onvoorwaardelijke
gehoorzaamheid aan haren overigens zoo humaan moge-
lijk te kennen gegeven wil verlangt. Die ontevreden
stemming getuigt m. i. ten eerste van gemis aan rid-
derlijkheid, maar ten tweede van weinig kennis van
Wagner\'s geheele leven. Was men daarvan voldoende
op. d« hoogte — en dat moet men toch van hen
eischen, die over de reproductie van Wagner\'s kunst
een toon aanslaan, — dan zou de eerbied voor de
geniale weduwe van den Meester, voor de vrouw aan
wie hij, volgens eigen getuigenis, (en dus ook wij op
onze beurt), zoo onnoemlijk veel te danken had, alle
hatelijke op- en aanmerkingen moeten voorkomen. Met
ware artisticiteit is zelfverloochening onafscheidelijk ver-
bonden en tegenover het genie van Wagner kan toch
de meening van een uitvoerend kunstenaar geen gezag
hebben. Is er schooner zelfverloochening ert belooning
denkbaar, dan te weten, dat men zich gegeven heeft
zooals hij het wenschte ? Er blijft vrijheid genoeg
-ocr page 22-
12
Mevrouw Wagner is zelf te groot artist om aan de
individualiteit der werkelijke kunstenaars geweld te doen ;
maar waar zij weet, dat Wagner zich een andere voor-
stelling gemaakt had in zijn dichterdroom, moet zij
wel trachten de opvoering aan die voorstelling gelijk
te doen zijn. Waartoe dient Bayreuth anders, dan om
ons Wagner\'s werken te geven zooals hij die zich heeft
voorgesteld! Particuliere opvattingen, zoogenaamde
creaties, maar al te veel van vrij inferieure menschjes,
die kunst dikwijls alleen voor hun kostwinning beóe-
fenen, kunnen bij Wagner in dien zin niet bestaan.
En dit weet ieder, die behoorlijke studie gemaakt heeft
van \'s dichters uitgebreide theoretische werken. Ieder,
die in kunst, zoo algemeen mogelijk genomen, wezenlijk
belang stelt, worden deze nog eens ter kennismaking
dringend aanbevolen; ieder echter, die zich veroor-
looft een woordje over den Meester, zijn werken, Bay-
reuth enz. mee te spreken, moet deze „gesammelte
Schriften" voorgoed in zich hebben opgenomen.
Van dezulken nu zal men geen ontevredenheid bij het
bericht van de opvoering te Bayreuth ooit vernomen
hebben. Zij weten de groote, blijvende waarde van dit
verheven drama te beseffen; uit de werken kenden zij
wat de bedoelingen van Wagner zijn en welke zware
eischen hij stelt; uit ervaring wisten zij tevens, hoe
jammerlijk weinig de gewone uitvoeringen aan die bedoe-
lingen en eischen beantwoorden; van het bestaan der
-ocr page 23-
13
nieuwe bewerking van 1861, waarop ik straks nog
terugkom, waardoor per se de vorige door den auteur
om zoo te zeggen werd ingetrokken, wist zoo wat
niemand. München is zeer langen tijd de eenige plaats
geweest waar Tannhauser in zijn nieuwen vorm was te
leeren kennen. In \'88 woonde ik aldaar een uitmun-
tende opvoering bij met Heinrich VogI in de titelrol.
Later is Dresden gevolgd en een half jaar geleden
de keizerlijke hofopera te Berlijn. Overal elders gaat
men in onkunde — dit hoop ik ten minste — nog voort
met Tannhauser in den ouden vorm.... goede zaken
te maken.
Met gejuich alzoo werd doo de ingewijden het besluit
van mevrouw W. begroet en met groote verwachting
togen zij op als ware het om de vervulling eener blijde
boodschap te kunnen bijwonen.
Zijn de verwachtingen verwezenlijkt ? — Voor mij
niet. O ! het zou ondankbaar wezen om niet te erken-
nen, dat de uitvoering veel, zeer veel aanbood wat
eenig schoon en verheven was, maar voor mijn gevoel
beantwoordde de uitvoering lang nog niet aan \'s dich-
ters verlangen. Laat mij zeggen wat ik er van denk.
In de allereerste plaats is de heer Winckelmann
uit Weenen de Tannhauser niet; lees wat Wagner
schreef over de opvoering van dit werk en in \'t bijzon-
der over Tichatschek en Schnorr von Carolsfeld, en ge
moet het met mij eens zijn. Slechts van laatstgenoemde
-ocr page 24-
M
zegt hij zelf zijn ideaal verwezenlijkt gezien te hebben,
ofschoon de eerste veel schooner stem heeft gehad
naar het schijnt.
Luisteren wij even naar Wagner zelf:
„Als das mir Wesentlichstc im Charakter meines Tannhauser
bezcichne ich das stets unniittelbar thiitige, bis zum stiirksten Maassc
gesteigerte Erfüütsein von der Empfindung der gegenwartigen Situa-
tïon, und den lebhaften Kontrast, der durch den heftigen Wêchscl
der Situation sich in der Acusserung dicses Erffilltscins zu erkennen
giebt. Tannhiïuser ist nie und nirgends etwas nur ,,ein wenig", son-
dern Alles voll und ganz," enz. (Ges. Schr. V, 195.)
Niet alleen nu als tooneelspeler, ook als zanger schoot
Winckelmann te kort, b.v. bij de groote oogenblikken:
„Mein Heil ruht in Maria", „Allmitchtiger, Dir sei
Preis! gross sind die Wunder Deiner Gnade"! „Zum
Heil den Sündigen zu führen" met de klacht „Erbarm
dich mein", die ieder door de ziel moet snijden. Het
is waar, Winckelmann gaf op andere plaatsen, o. a. in
het verhaal van zijn toöht naar Rome, zeer veel,
maar dat, waarmee men elders dikwijls zelfs buitenge-
woon tevreden zou kunnen zijn, is nog niet altijd mate-
riaal voor Bayreuth. Voor den Tannhauser noemt de
officieele lijst der medewerkenden ook Alvary uit
Hamburg en Zeiler uit Weimar; de eerste moet echter
lang niet opgewassen zijn tegen de moeilijke taak,
naar bij de repetities is gebleken en zal wel met
optreden (over hem meer bij Trislan); van den tweede
-ocr page 25-
15
vernam ik niet meer, dan dat hij bij eene repetitie,
als zanger,. uitmuntende oogenblikken heeft gehad.
„Das Schwicrigo für die Elisabeth," zegt Wagncr, „ist dass die
Darstellcrin den Eindruck der jugendlichsten und jungfriiulichstcn
Unbefangcnheit mache, ohno zu verrathen, cin wie sehr erfahrenes,
feines, weiblichcs Gcfühl sie erst zur Lüsung ihrer Aufgabc fïïhigma-
chen konnte. Nur die Darstellcrin kann meiner Absicht genügen,
welche die wunderbar schmerzliche Situation der Elisabeth, vom erstcn
heftig crwachenden Kcimc ihrer Ncigung zu Tannhauser, durch alle
Phasen des Wachsthumes bis zum endlichcn Erblühen der todesduf-
tigen Blumen — wie sie im Gebetc des dritten Aktes aufgeht —
mit den feinsten Organen einer acht weiblichen Empfindung nach-
zufühlen vermag." (Ges. Schr. V, 202.)
In veel opzichten beantwoordde mej. Elisa Wiborg
uit Schwerin aan deze zware eischen; „jugendlich und
jungfraulich" was hare Elisabeth zeker; in haar geheele
optreden miste ik echter dat, wat de volle rijpheid van
den kunstenaar kenmerkt en hare stem was wezenlijk hier
en daar niet krachtig genoeg. Het zou mij niet ver-
wonderen, als de eisch naar jeugd en maagdelijke onbe-
vangenheid bij het zoeken eener Elisabeth de andere
eischen wat te veel op den achtergrond hadden gebracht.
Op mijn Tannhauser--ó.woviA zou mej. Pauline de Ahna
uit Weimar zijn opgetreden; een plotselinge ongesteld-
heid, die haar den nacht voor haar optreden overviel,
gaf duidelijk het bewijs hoe noodzakelijk het is de
partijen ten minste dubbel bezet te hebben. Tevreden
-ocr page 26-
over hare „Leistungen" bij de repetitie was men blijk-
baar onder de kunstenaars niet bijzonder.
Als Venus trof ik Frau Sucher; bij mijn bespreken
van Tristan kom ik op deze voortreffelijke kunstenares
terug. Reeds hier kan ik niet nalaten te vermelden,
dat haar Venus mij voor altijd als een openbaring bij
zal blijven. Meesleepend schoon en overtuigend kweet
zij zich met de grootste warmte van de moeilijke taak;
ja van zulk een kunstenares mag men gerust van door
God gebenedijd gewagen. Zij is zichzelf niet meer; (de
zelfverloochening van den kunstenaar!) zij is daar Venus
en niemand anders, Venus alleen. Gaat men nu achteraf
nadenken, dan beseft men, welke graad van artisticiteit
daartoe meestal noodig is, hoe veel nauwgezette studie
eerst tot zulk een uiting kan brengen; men wordt zich
dan bewust hoe alles ten slotte tot in de kleinste details
bestudeerd moet zijn (en zoo is het ook werkelijk bij
Frau Sucher en wel met den heiligen anttnus religtosns /)
Van al die voorbereiding blijft echter geen spoor meer
merkbaar bij haar verschijnen en zoo moet het juist
zijn. Hoe was zij geheel volgens Wagner\'s wensch, „die
Darstellerin, die bei gunstiger ausserer Disposition (zelfs
zeer gunstige!) für diese Rolle vollen Glauben an ihre
Partie gewinnt, und dieser," zoo vervolgt W., „wird ihr
dann kommen, wenn sie es vermag, Venus in jeder
ihrer Kundgebungen für vollkommen berechtigt zu hal-
ten, für so berechtigt, dass sie nur dem Weibe weicht,
-ocr page 27-
\'7
das aus Liebe sich opfert." Nu, dat alles vermocht
Frau Sucher ten volle. Ik kan u niet aanhalen, lezer,
wat zij bijzonder tot recht liet komen in de juist zoo
veel uitgebreider scène in de bewerking van \'61 ; het
een zoowel als het ander was zooals het wezen moet,
volkomen schoon! O! had zij aan Wagner zelf haar
kunstwerk mogen aanbieden, en had zij zijn dank mogen
vernemen! Blijve deze eenige dramatische kunstenares
nog lang in het bezit van haar rijke gaven gespaard
voor Bayreuth, d. i. meer algemeen gesproken, voor het
hoogste denkbeeld van zuivere kunst, dat nog ooit ver-
wezenlijkt werd! Spiegele zich elk der jongeren aan
haar hoogste voorbeeld! Een tweede Venus is Pauline
Mailhac; een zware taak naast Frau Sucher zeer zeker!
Als „Landgraf" hoorde ik den heer Döring uit Mainz ;
de Bayreuther geest was over dezen mooie-stembezit-
ter nog niet gekomen, hij heeft mij niet kunnen boeien,
ondanks zijn heerlijke partij. Een andere landgraaf is de
heer Wiegand uit Hamburg; of hij beter is ? Over hem,
dien ik als Giimemanz hoorde, bij Parsifal meer.
Reichmann gaf Wolfram; op gevaar van voor vrij
ontevreden door te gaan, moet ik zeggen, dat zijn
Wolfram ver beneden dien van Gura bleef, dien ik
indertijd te Münchcn hoorde; dat was- dan ook onver-
gelijkelijk! (waarom deed Gura niet mede dezen keer ?)
Het sympathiek geluid van Reichmann is tamelijk wel
wereldberoemd. Men kan het echter dikwijls slecht
2
-ocr page 28-
iS
treffen, want hij detoneert sterk van tijd tot tijd (een
zachtere uitdrukking voor: hij zingt valsch) en zuivere
stemming bij de uitvoerenden is een eerste vereischte
voor alle verdere stemmingen die kunnen worden
opgewekt. Een andere Wolfram is Scheidemantel, onge-
twijfeld veel grooter artist dan Reichmann; volgens
vertrouwbare mededeelingen bereikt Scheidemantel dan
ook veel meer I
Van de overige rollen van kleineren omvang zal ik
dit nog berichten, dat de herdersrol vervuld wordt
door een landgenoote, mej. Louise Mulder van Utrecht.
Zij kwijt zich met toewijding, naar echt Bayreuther
gewoonte van hare taak. Is het geen geluk voor eene
kunstenares, die de dramatische kunst als hare kunst
heeft leeren erkennen, en zich tot het hoogste daarin
wil voorbereiden, op het Bayreuther tooneel de wijding
te ontvangen ? Reeds langen tijd te Bayreuth vertoe-
vende en arbeidende onder de leiding van den voor-
treffelijken Julius Kniese, die in alles Mevrouw Wagner\'s
rechterhand is, en onder die van mevrouw Wagner
zelve gaat deze jonge, rijk begaafde zangeres, die zich
te Bayreuth aller sympathie aanstonds verwierf, eene
schoone toekomst te gemoet. Slechts het allerhoogste
als doel voor oogen gehouden en doordrongen, dat
zonder onafgebroken studie nog nooit eenig degelijk
resultaat verkregen werd! „Alles kann der Edle leisten,
der versteht und rasch ergreift." Daartoe worde haar
-ocr page 29-
19
energie van haar kant en het onvermijdelijke geluk
van hooger van harte toegewenscht!
Heb ik nu nogal wat aanmerkingen moeten maken,
slechts lof en bewondering kan ik hebben voor het
orkest en alles wat er op het tooneel gebeurt. Om met
het laatste te beginnen; dat is geen kleinigheid. Hier
wordt een taak gesteld, die men vooraf geneigd zou
zijn, onuitvoerbaar te noemen; te Bayreuth echter
„wird \'s Ereigniss." De bewerking van 1861 heeft de
scène in den Venusberg juist zoo aanmerkelijk uitge-
breid, vooral om het drama op zichzelf duidelijker te
maken; een bijkomende omstandigheid was, dat voor
de opvoering te Parijs, door Napoleon destijds gewenscht,
een ballet werd verlangd, en wel in het tweede bedrijf,
als de leden van de Jockeyclub eerst in den schouw-
burg verschijnen en dan op hun amusement gesteld
zijn. Aan Wagner was het natuurlijk onmogelijk aan
dit verlangen gevolg te geven en dit was de oorzaak
van zijn val te Parijs. Wel is hij er toen toe overge-
gaan het tooneel van den Venusberg uit te breiden;
een aantal bladzijden weergaloos schoone muziek dan-
ken wij daaraan.
"Dass es sich bei dem Tanz iin Venusberg nicht um einen Tanz.
wie er in unsern Opern und Balleten Qblich ist, handelt, branche ich
wohl nicht erst zu bedeuten : der Balletmeister, dem man die Zumu-
tliung stellte, zu dieser Musik einc solche Tanzscenc zu arrangiren,
wurde uns bald eines Andern belehren und die Musik fiir durchaus
-ocr page 30-
20
untauglich erklaren. Was ich dagegen im Sinne habe, ist cinZusam-
menfassen alles Dessen, was irgend Tanz- und Pantomimenkunst zu
leisten vermag: ein verfiihrerisch wildes und hinreissendes Chaos
von Gruppimngen und Bewegungen, vom weichsten Behagen,
Schmachten und Sehnen, bis zum trunkcnsten Ungestüm jauchzender
Ausgelasscnheit." (Ges. Schr. V, 190).
Men leze verder zijne zeer uitgebreide beschrijving
voor den tekst. Met verblindende pracht en schoon-
heid is alles werkelijkheid geworden. Te dezen opzichte
vindt de weelderigste phantasie hier hare wenschen
bereikt; zoo de plotselinge verandering in het echt
Duitsche landschap van den Wartburg; de ridderzaal
in het tweede bedrijf en hetzelfde Wartburgdal van het
derde, maar nu met herfsttinten, zijn alle in hun soort
eenig! Met lichteffecten — dank der electriciteit —
wordt te Bayreuth bepaald getooverd.
En nog een woord over het orkest. Onder Mottl\'s
leiding gaf dit de 7\'atin/iateser-muziek zoo, dat het
werk als verjongd scheen, althans van oud of verouderd
geworden was geen sprake. Neen, Tannhanser, al
behoort het werk tot een vroegere periode, kan niet
verouderen, en Felix Mottl zou het u bewijzen, als ge
er aan twijfeldet. Hoe duidelijk dringt alles tot u door!
geen stemmetje in deze reeds voor \'n groot gedeelte
echt polyphone muziek behoeft voor u verloren te
gaan; met de tempi zijt ge -het zeker eens; over het
algemeen klinkt veel iets langzamer, maar men vergete
-ocr page 31-
21
niet, dat, waar de duidelijkheid niets te wenschen
overlaat, het tempo dikwijls langzamer schijnt dan het
is; de klank van het geheel blijft onbeschrijfelijk; dat
orkest te hooren is op zichzelf een genot, overwaard er
voor naar Bayreuth op te gaan. Een gewichtige factor
voor het verkrijgen dezer wonderwerken van het orkest
is zeer zeker de inrichting daarvan door Wagner zelf.
Men herinnert zich, het is onzichtbaar; en dan in
nagenoeg volle duisternis, als die hemelsch schoone
klanken uit die niet geziene diepte opstijgen .... O !
dat wij alle muziek voortaan zoo mochten hooren !
-ocr page 32-
III.
Tristan en Isolde.
^,/e herinnert u wel, lezer, hoe men u weet te
JiÜF^ vertellen : „ Tristan stellen de echte Wagne-
ffi?i>         rianen het allerhoogst." Voor een groot deel
/i\\          is dat waar. En \'t is ook wel te motiveeren,
\'           ofschoon dergelijke uitingen voor mij altijd
iets kinderachtigs hebben. Ja, werden wij eens voor
het geval gesteld er één slechts van allen te mogen
behouden, dan zou een goudschaal ter hand genomen
moeten worden, en ik geloof wel, dat dan bij de waar-
achtige vereerders Tristan zeer zwaar zou wegen. Maar
waartoe zulke problemen! De werken zijn ons even
dierbaar als kinderen hun ouders; bepaalt dan een echte
moeder of vader de waarde van hare kinderen ? Dank-
baar verheugen zij zich in aller bezit; zoo wij ons in
dat van \'s Meesters rijke nalatenschap. Wagner\'s optrc-
-ocr page 33-
23
den, zoowel als zijn geheele ontwikkeling en werken
komt mij steeds voor als een onmiddellijk gevolg van
de logische ontwikkeling der geheele menschelijke
beschaving. Naar zijn komst is tijden lang verlangend
uitgezien; herhaaldelijk treft men in vroegere tijden
gedachten omtrent den toestand, die echter slechts een
held in \'t leven zou kunnen roepen. Men gevoelde het,
dat de Hercules eens komen zou om den Augiasstal
der oude opera te reinigen, of beter gezegd — want
Wagner is oneindig veel meer dan een opera-hervormer
— dat in onze wereld van zooveel schijnbeschaving de
uitverkorene komen zou, die voor de lijdende menschheid
niet slechts zou weten waaraan nood was, maar door
daden den nood zou lenigen.
Hij is gekomen, en wij mogen ons verheugen in een
onverstoorbaar bezit van de wonderwerken, die hij,
daartoe bepaald van hooger geroepen, ons heeft mogen
schenken. Aan een nieuwen stijl heeft hij het leven
gegeven en aan dien stijl een plaats aangewezen tot
voortdurende verkondiging van het edelste ideaal, de
kunst, aan dat deel der menschheid, dat naar dat ideaal
een zielsverlangen heeft.
Gaat men de ontwikkelingsgeschiedenis van Tristan
en holde na, dan is van wonderwerk alleszins bij dit
werk sprake.
„Een overoud liefdesgedicht," zoo zegt Wagner, „ver-
telt ons van Tristan en holde. De trouwe vasal had
-ocr page 34-
34
voor zijn koning holde geworven, die hij zelf beminde,
zonder het te willen bekennen; zij volgde hem als bruid
van zijn koning, omdat zij hem, zelf machteloos, volgen
moest. Maar de liefde, die zich in hare rechten gekrenkt
zag, wreekte zich. Een liefdedrank, die de zorgvolle
moeder voor den koning, aan wien haar dochter, naar
de gewoonte dier tijden slechts om politieke redenen
uitgehuwelijkt was, bestemd had, wordt door een mis-
verstand aan het jeugdige paar gereikt, dat nu plotse-
ling in vurigen liefdegloed zich bekennen moest elkaar
toe te behooren. Nu was er aan smachtend zielsver-
langen, geluk en ellende der liefde geen einde; de
wereld, macht, roem, glans, eer, ridderlijkheid, trouw,
vriendschap, alles is als in. wezenloozen droom ver-
dwenen. Slechts dit is nog levend: verlangen, verlan-
gen, niet te stillen, altijd zich verheffend verlangen, —
smachten en dorsten; eenige verlossing dood, sterven,
ondergaan, niet meer ontwaken!"
Niet zelden kan men het verwijt hooren dat Wag-
ner\'s teksten zeer zinnelijk zijn. Van Tristan en Isoldi
weet men reeds uit de geschiedenis der letterkunde
het onderwerp: de strafbare hartstocht van een paar,
dat een al te goedmoedigen, zwakken koning op alle
mogelijke wijzen bedriegt en verraadt. Ook weet men
dat Gottfried van Straatsburg de stof in een prachtig,
min of meer wulpsch getint heldendicht heeft behan-
deld. Daardoor meent men reeds bij voorbaat Wagner\'s
-ocr page 35-
21
gedicht te kunnnen beoordeelen, waaraan natuurlijk
de schildering van een alle grenzen verachtend en.
gloeienden hartstocht ten grondslag ligt.
Wel heerscht nu in Wagner\'s drama geweldige harts-
tocht, maar deze vernietigt zich zelf, de zinnelijkheid
verdwijnt geheel.
Met zeker evenveel moed als bv. Sophocles Oedi-
pus\' afgrijselijk lot dramatiseerde, koos Wagner de sago
der beide koningskinderen voor een dergelijke behan-
deling, en zeker niet niet minder kieschheid dan die
nog niet lang geleden bij dien dichter der oudheid zoo
juist werd geroemd, bewerkte Wagner de gekozen stof.
Maar ook zeker leverde Wagner een dramatisch geheel,
waarbij de werken van zijn grooten voorganger als de
arbeid van een beginner zich voordoen. In zeer veel
opzichten gelijken overigens deze beide kunstenaars
elkander, zelfs in wat men, ofschoon ten onrechte,
kleinigheden zou kunnen noemen: het gebruik van
archaïsmen, o. a. voortspruitende uit de zucht om het
verschil tusschen hunne denkbeeldige wereld en de
gewone toch duidelijk te maken.
Dat Wagner der volmaaktheid veel meer nabij is geko-
men, danken wij aan de ontwikkeling, die op elk gebied
na ongeveer 2000 jaren is waar te nemen, en die vooral in
de toonkunst van reusachtigen omvang is. Voor de oud-
heid was zij een geheel onbekend domein. Eerst Beetho-
ven heeft de kunst v? \'\\ Wagner ten volle mogelijk gemaakt!
-ocr page 36-
26
Vergelijkt men nu liet oude epos en het drama van
Wagner, dan wordt spoedig de kieschheid, de adel
van opvatting van laatstgenoemde zeer duidelijk.
Van een ongeoorloofde verhouding in den gewonen
zin bestaat bij Wagner geen spoor, van koning Marke
maakt hij een sympathieke figuur, de tooverdrank krijgt
een geheel andere beteekenis, in één woord, alles wordt
tot heerlijke poëzie, waarin alle geheimzinnige diepten
van de volle zee onzer levensraadselen worden gepeild.
Verrukkelijk schoon is o. a. de symboliek van dag en
nacht met dood en leven, terwijl de liefde wordt opgevat
als de beheerscheres van het geheele wereldbestaan;
/ij gebiedt over dood en leven! — Die poëzie, in
heerlijke taal geschreven (geen woord, dat aan een bana-
liteit doet denken), te verstaan is lang niet het werk
van iedereen en zelfs zal menig ontwikkelde tot dit
verstaan zonder een liefdevolle belangstelling en geloof
aan de waarheid dezer kunst, zonder zich te verdiepen
in de geheimen van symboliek en philosophie, niet
geraken. Dit is het juist, wat velen op een afstand
houdt en natuurlijk spoedig tot de gemakkelijke uit-
spraak van „wat vervelend" brengt. Dit zijn vooral
degenen die, misschien zonder het zelf wel goed te
weten, kunst eigenlijk voor een middel tot ontspanning
houden; zij, die er anders over denken, voelen zich
echter juist aangetrokken door dat niet dadelijk be-
grijpen van alles. Eén ding, nog eens, is noodig: het
-ocr page 37-
27
geloof in den kunstenaar. Verrassend werkt echter ook
hier de kracht van het geloof, dat nog altijd bergen
verzet.
En zoo verheft de kunstenaar, juist doordat hij niet
afdaalde, ook anderen tot de hoogte waarop hij allen
reeds ver vooruit was, de hoogte waarvan men alleen
tot een juisten blik op de geheele omgeving komen kan.
Met de eenheid van het drama en de schoonheid
van den tekst is de muziek in volkomen overeenstem-
ming.
„An dieses Werk nun", zoo schrijft Wagner, „erlaubc ich die
strengsten aus meinen theoretischen Behauptungcn fliessenden Anfor-
derungen zu stellen ; nicht weil ich es nach meinem Systcme geförmt
hatte, denn alle Theorie war vollstündig von mir vergessen ; sondern
weil ich hier cndlich mit der vollsten Freiheit und mit der giinz-
lichsten Rücksichtslosigkeit gegen jedes theoretische Bedenken in
inner Weise mich bewegte, dass ich wahrend der Ausführung selltst
innc ward, wie ich mcin System weit überflügelte. Es gieht kein
grüsscres Wohlgefühl als dicse vollkommenste Unbedenklichkcit des
ICünstlers beim Produziren, die ich bei der Ausführung meines
Tristan empfand." (Ges. Schr. VII, 159).
Uit een en ander is het begrijpelijk, hoop ik, dat
Tristan voor alle ingewijden zeer hoog staat. Mij blijft
dit werk een type dat een ieder, die, al is zijn onder-
werp nog zoo verschillend, iets wezenlijks op het gebied
der muzikaal-dramatische kunst wil praesteeren, als de
zeeman zijn lichtbaak, onafgewend voor oogen heeft
te houden.
-ocr page 38-
28
In den zomer van \'57 werd het plan voor Tristan
opgevat; in hetzelfde jaar werd het werk nog begonnen;
de laatste hand kon echter na allerlei storende invloeden
eerst in den zomer van 1859 aan het drama worden
gelegd.
Bij de verschillende kansen tot opvoering had de
dichter weder ruimschoots gelegenheid om de bitterste
ervaringen op te doen. Vooral de muzikale pers te
Weenen liet zich niet onbetuigd: „geen zanger kon de
noten treffen of onthouden" een thema, dat weldra
waar of wanneer men het over Wagner had, tot wacht-
woord werd.
De eerste opvoering van het werk had plaats te
München in 1865; zij was mogelijk gemaakt door den
kunstlievenden koning van Beieren. Een vergoeding
voor de teleurstellingen vond nu de lang en veel ge-
smade dichter zeker in het grootsche optreden van den
eenigen Schnorr von Carolsfeld als Tristan; reeds sneller
klopt ons het hart, wanneer wij Wagner\'s berichten
daaromtrent in het 8e deel van diens geschriften ons
herinneren.
„Wer dicsen Studiën bciwohnto, (de studiën met de kunstenaars
voor de uitvoering te München) muss sich erinnern, nichts Aehnliches
von künstlerisch freundschaftlichem Einveruehmen noch und je wieder
crlcbt zu haben." (Ges. Schr. VIII, 231).
Hoe gaarne zou ik vervolgen, vreesde ik niet te uit-
gebreid te worden! Een heerlijker gedenkteeken dan
-ocr page 39-
29
Wagner\'s diepe erkentelijkheid en onbegrensde bewon-
dering is zeer zeker voor den grooten zanger niet denk-
baar.
En nu de uitvoering van Tristan dit jaar te Bayreuth.
Het zou onvergefelijk zijn, wanneer ik niet, vóór aan
al het andere te denken, hier herdacht de vrouw, die
evenals het werk zelf, een wonder moet genoemd wor-
den. Al den lof, dien Wagner indertijd aan Schnorr als
aan den Tristan bracht, zou hij zeker evenzeer aan
Frau Sucher als aan de Isolde brengen. Een heerlijker
overeenstemming is niet te denken. De geheele ver-
schijning vordert al dadelijk geloof, zou ik zeggen. Bij
haar eerste woorden, als zij door het lied van den
jongen zeeman, boven uit den mast vernomen, wild
van het rustbed, waarop zij in dof gepeinzen is gezeten,
opstuift: „Wer wagt mich zu höhnen" heeft men vol-
komen het beeld van het koningskind, dat zich diep
vernederd en gekrenkt gevoelt. Elke stand of houding
is schoon, elk gebaar volkomen juist van uitdrukking,
elke gelaatstrek in overeenstemming met wat het orkest
u in gloeiende tonen verraadt dat in haar binnenste
bruist. Voeg bij dit alles, — men zou het haast schan-
delijk vergeten, — eene stem van de hoogste wellui-
clendheid, die aan de benijdenswaardige bezitster onder
alle omstandigheden ten dienste blijft, ook waar slechts de
gelukkigste dispositie anderen dit kan doen verwachten.
Wat een energieke studie is voor dat alles noodig
-ocr page 40-
5<>
geweest! Dit staat bij mij vast: ook voor de kwistigst
door de natuur bedeelden zijn zulke daden toch nooit
zonder lange en onvermoeide studie mogelijk. Maar
niemand merkt dat de partij zoo grondig bestudeerd
is. Hoe onmiddellijk werkt bij zulke kunstenaars deze
goddelijke kunst! Een oordeel over een op zulk \'n
wijze verwezenlijkt ideaal past natuurlijk niet; wij sta-
melen slechts een uit ons hart opwellend „dank!"
Naast Frau Sucher moeten wij als Brangane gedenken
Frau Staudigl, mede uit Berlijn; ook hier kan men
gerust van de Brangane spreken. Al het goede dat ik
zooeven bij Frau Sucher opsomde, past zeer zeker
evenzoo op de Brangane van Frau Staudigl; zelfs is
haar stem misschien nog schooner te noemen. Bayreuth
is echter de plaats niet om van een mooie stem, zonder
meer, te gaan genieten; zonder een mooie en tevens
groote stem behoeft geen zanger ooit zich iets van een
optreden te Bayreuth voor te stellen, bij de uitvoe-
ringen zelfs is men van zooveel anders vervuld, dat de
schoonheid bijna niet meer in aanmerking komt; alleen
het gemis zou spoedig zijn opgemerkt. Bij dit al mogen
we in onze nabetrachting dit niet vergeten en herinner
ik aan de bijzonder schoone, volkomen gevormde stem
van Frau Staudigl. Oogst zij wellicht minder lof, ik
geloof, dat een reden daarvan deze is: aan Brangane
worden de reuzeneischen niet gesteld, waaraan Isoldc
heeft te beantwoorden. Men kan begrijpen, welk ver-
-ocr page 41-
3\'
rukkelijk geheel het levert wanneer slechts deze beide
kunstenaressen de handeling verder brengen. In het
eerste bedrijf en het begin van het tweede is dit ge-
ruimen tijd het geval.
Als een derde, die zich waardig bij het vrouwenpaar
aansluit, noem ik Fritz Plank als Kurwenal. Vele Amster-
dammers zullen zich dezen grooten zanger door zijn
optreden in de Wagner-vereeniging herinneren. Een
stem van betooverenden klank en meesterlijk behandeld!
Toch heeft zijn geheele Kurwenal mï] niet zoo getroffen
als ik gedacht had; vooral in het begin van zijn optre-
den overtuigde hij mij niet. In het derde bedrijf aan
het ziekbed van Tristan zong hij meesleepend schoon.
Bestaat er wel een heerlijker eerezuil voor trouw en
vriendschap dan die Wagner acreperennius in zijn Kurwe-
nal,
vooral in dien van het derde bedrijf heeft opgericht!
Wat Plank wel wat hindert, is zijn buitengewone
lichaamsomvang. Noode merk ik dit op, want ik weet
dat den kunstenaar alle toespelingen zelfs daarop steecis
zeer onaangenaam zijn en den goedhartigen man be-
droeven; meer dan waarschijnlijk komt hem hiervan
echter niets ter oore en de hemel beware mij voor de
arrrizieligheid mij over zoo iets vroolijk te willen maken.
De uiterlijke verschijning der voor te stellen perso-
nen moet echter aan zekere eischen beantwoorden. De
groep aan het slot van het geheele werk o. a. leed
door het bedoelde veel; het oogenblik dat Kurwenal
-ocr page 42-
32
naast Tristan stervend nederzinkt, gaf daardoor een
pijnlijken indruk, en aan enkelen in mijn omgeving
zelfs aanleiding tot ergerlijke opmerkingen.
En waar blijft nu de held zelf, hebt ge, lezer, wellicht
reeds gevraagd. Mocht ik nu maar zeggen: „last not least."
Helaas! Alvary heeft zeer weinig indruk op mij
gemaakt. Stel ik mijn eischen wellicht wat te hoog?
mogelijk; — maar men bedenke dat het Bayreuth
geldt; vergelijk ik hetgeen Alvary gaf met wat Wagner
ons van Schnorr von Carolsfeld doet vermoeden, dan
komt mij zijn werk als dat van een kind voor. Ook
de vergelijking met de poëtische vertolking door Hein-
rich Vogl van München valt niet te zijnen gunste uit.
Werkelijk, ik moet verklaren niet te begrijpen hoe men
dezen zanger plotseling zoo enorm hoog is gaan stellen.
Hij bezit een eerbiedwaardige stem, maar zeker nog
lang niet de volle heerschappij daarover. Slechts \'t
slijpen schenkt den diamant zijn glans! Zijn mezza
voce is... niet ontwikkeld, is er dus niet; of hij zingt
forte öf hij gaat over tot iets wat geen zingen meer
heeten kan. Het eerst hoorde ik hem in de Wagner-
Vereeniging te Amsterdam en kwam toen reeds dadelijk
tot de overtuiging dat men veel te veel vooraf gezegd
had. Mijn oordeel is nu niet gewijzigd. Ik geloof, dat
men den man te spoedig in de hoogte heeft gestoken.
Er zijn tal van Duitschers kinderachtig genoeg om
er alles behalve vrede mede te hebben, dat een
-ocr page 43-
33
niet-Duitscher — Van Dijck — tot nu toe de onge-
ëvenaarde Parsifal moet zijn en van Bayreuth zeker
met een leeuwendeel van lof en roem telkens huis-
waarts keert. Zou ik mij zoo vergissen, als ik denk,
dat diezelfden in den heer Alvary aan het publiek
min of meer Van Dijcks mededinger hebben willen op-
dringen ? Dit alles daargelaten, meen ik van Alvary in
de toekomst nog veel te kunnen verwachten (aan het
slot van het derde bedrijf was het alsof hij recht
op streek kwam). Maar dan leere hij ten eerste zijn
orgaan volkomen beheerschen; (daarvoor zou hij zich
geruimen tijd geheel van het optreden in het openbaar
moeten onthouden). En ten tweede achte hij zich in
geen enkel opzicht te groot om van anderen te leeren,
o. a. van zijn grooten kunstbroeder Ernest van Dijck.
Van dezen nog eens den Tristan te hooren ! „\'t Is a
consummation devoutly to be wish\'d."
König Marke van den heer Döring geeft geen aan-
leiding tot loffelijke vermelding. Het is mij onbegrijpe-
lijk, hoe men niet met grooter sympathie aan deze
heerlijke partij weet te werken; heeft men dan geen
gevoel voor het leed van dezen man, die zich reeds
van de wereld heeft losgemaakt, omdat hij hare nie-
tigheid heeft erkend, een leed van de edelste soort,
dat dus tot algemeen medelijden moest opwekken? De
„Hirt" van den heer Guggenbühler was als vorige jaren
onovertreffelijk!
3
-ocr page 44-
34
Bij Melot had ik voor mij gaarne wat meer tenor-
timbre gehad; de „junger Seemann" in het eerste
bedrijf gaf niet zoo dadelijk de stemming, die ik anders
door zijn lied steeds heb gekregen.
En zoo ben ik weer aan het begin en rest mij dit te ver-
melden dat ondanks het ontbrekende het geheel opnieuw
geweldig op mij heeft gewerkt. Hoe lang ken ik het werk
nu reeds, d. w. z. hoe lang geleden begon ik de kennis-
making ; met hoeveel liefde en ijver bestudeer ik het nog
steeds, hoeveel malen heb ik het nu reeds in buiten-
gewoon goede vertolking mogen hooren! De indruk
van het werk was niettegenstaande dat alles als hoorde
ik het weer voor het eerst. En toen was het mij een
zalig lijden, een gelukkig zijn van smart, maar van een
smart, die niet verteert, neen die loutert en verheft.
Met Marie, die het van holde zegt, zou ik van het
geheele werk willen zeggen:
,,\\Ver durft es sehen, wcr es kennen,
Wer mit Stolzc sein es nenncn,
Ohne selig sich zu preisen ?"
Het orkest onder Mottl\'s leiding klonk mij als één
buitenaardsch reuzeninstrument onder de vingers van
één persoonlijkheid. Die het ragfijne weefsel van de
ideaalste polyphonie en instrumentatie dezer muziek
mocht hebben leeren kennen en dus ook leeren lief-
hebben, heeft voor de leiding.van Mottl slechts dien
lof, welke van den hoogsten eerbied getuigt!
-ocr page 45-
IV.
Intermezzo.
\'stXA-ZfJ:
óór het laatste gedeelte van de taak, die ik mij
heb gesteld, te beginnen, laat ik hier eenige varia
volgen. Vooreerst: Alvary heeft den. Tannhiiuser
toch gezongen. Vóór mij ligt een bericht, dat
met lof van dat feitgewaagt. Aan de objectiviteit van
den beoordeelaar heb ik echter reden te twijfelen. Over
het optreden van Pauline de Alma als Elisabeth ont-
ving ik betrouwbare, gunstige mededeelingen; over
Zeller\'s Tannhiiuser is men lang niet tevreden.
De stroom der bezoekers overtreft dit jaar dien van
alle vorige. Tal van nieuwsgierigen hebben op hunne
aanvragen, ter elfder ure nog gedaan, teleurstellend
antwoord bekomen, behalve de weinigen, die een
buitenkansje hebben gehad doordat enkelen, die reeds
-ocr page 46-
36
voorzien waren, verhinderd werden en hun plaats weer
van de hand wenschten te doen.
Zij, die Bayreuth ook buiten den feesttijd niet uit
het oog verliezen, hebben den loop van zaken voor-
zien : tijdig, wel maanden vooruit, hebben zij zich van
plaatsen verzekerd. Door slimme ondernemers zijn
plaatsen opgekocht en met groote winst is daarmede
reeds handel gedreven. Het is jammer dat dit gebeu-
ren kan; mij dunkt dat het bestuur der opvoeringen
deze praktijken, die aan de idealiteit van de uitvoe-
ringen van Bayreuth geen goed doen, kon keeren door
zich te verstaan met den „Allgemeiner Richard Wagner
Verein," met zijn uitgebreide vertakkingen. Deze
vereeniging, welker wachtwoord als van Kundry in het
derde bedrijf van Parsifal slechts „dienen, dienen,"
mag zijn, stelt zich natuurlijk voor alles, wat aan
Bayreuth tot heil kan strekken, geheel beschikbaar.
Wat toch moet dat opkoopen ten gevolge hebben ?
Dat Bayreuth meer voor de rijken der aarde wordt.
Nu, dit is nooit het denkbeeld van Wagner geweest.
Ja, een tocht naar Bayreuth blijft voor bewoners van
verafgelegen streken, door de reis vooral, een vrij groote
uitgaaf vorderen *), maar wien het waarachtig ernst is,
*) Voor Nederlanders zal de geheele uitgave zeker f 90 moe-
ten beloopen*
-ocr page 47-
37
zal wel, al is het in één jaar niet, dan in langer tijd
als voor een heilig doel weten te sparen, en voor ver-
dienstelijken en veelbelovenden bestaat een fonds,
waaruit toelagen verleend worden. Dat dit fonds niet
slechts in naam bestaat, kan ik getuigen. Ik zelf was
zoo gelukkig dit jaar voor een waarachtig kunstenaar,
een ijverig aanhanger van den Meester, een toelage
te bekomen, ruim genoeg voor alle onkosten.
De prijs van een plaats bedraagt 20 mark voor eene
voorstelling. Inderdaad een vrij hooge som; bij een
weinig nadenken echter begrijpt men spoedig dat het
cijfer der uitgaven enorm moet zijn en de hooge toe-
gangsprijs gewettigd is. Voor de nieuwe decoraties van
Tannhauser en alles, wat de opvoering op zichzelf
mogelijk maakt, noemt men fabelachtige sommen.
Dan bedenke men dat voor de twintig gezamenlijke
opvoeringen van 19 Juli tot 19 Augustus alle kunste-
naars reeds een maand van te voren voor de repetities
aanwezig waren. Van de groote solisten (onder de kun-
stenaars „excellenties" genoemd), willen enkelen, bijv.
Materna en Betz de vorige maal, van honorarium niet
weten; de meesten echter zullen zich zulke weelderige
vrijgevigheid niet mogen veroorloven en tegenover de
aangehaalde voorbeelden kan ik andere stellen van hen,
die ik gerust veeleischend mag noemen.
Behalve nu voor die „excellenties" kan men niet van
buitengewoon hooge honoraria spreken. Als ik het wel
-ocr page 48-
heb, bestaat voor velen het honorarium slechts in ruime
vergoeding voor reis- en verblijfkosten.
De officieele lijst noemt pl.m. 330 medewerkende
kunstenaars, terwijl, naar vertrouwbare mededeeling,
het getal van allen die, in meerdere of mindere
mate, voor de opvoeringen dit jaar in werking
zijn, dicht bij de 700 loopt. Het gebouw bevat 1400
plaatsen; van de 300 plaatsen, die zich op de galerij
bevinden en die vroeger eigenlijk niet tegen betaling
gegeven werden, zijn er dit jaar ten minste 100 per
avond (tegen denzelfden prijs) verkocht. Hieruit is een
bruto ontvangst van 30,000 mark per avond, dus voor
de 20 voorstellingen van 600,000 mark af te leiden.
Voor een theater-directeur om van te watertanden, niet
waar! Voor het geval dat een van hen dit leest en
wellicht lust gevoelt een goed bod voor de zaak te
doen, voel ik mij echter verplicht aan dit alles nog
toe te voegen, dat de heer von Grosz, de voorzitter
van het comité voor de uitvoeringen, mij vóór het
begin der voorstellingen zelf schreef dat onder alle
omstandigheden dit jaar een tekort verwacht werd. Na
het medegedeelde laat zich dit ook gemakkelijk inzien.
Door het volgend jaar de voorstellingen van dit jaar,
vermeerderd met eenige van „Die Meistersinger", die in
\'88 te Bayreuth hun intocht hielden te herhalen, hoopt
men zulke goede zaken te maken dat men... de op-
voering van „Der Ring des Nibelungen" zal kunnen
-ocr page 49-
39
voorbereiden. Ofschoon dit werk, een tetralogie, in
1876 te Bayreuth werd opgevoerd, moet al het noodige
opnieuw worden aangeschaft, daar dit indertijd aan
Angelo Neumann is verkocht. Men bemerkt het, hoop
ik, van geld verdienen (het is al beweerd *) is te Bayreuth
geen sprake.
De groote en vroegtijdige vraag naar plaatsen, waartoe
de onderneming van opkoopers het hare heeft bijge-
bracht, heeft, behalve dat er meergegoeden nu naar
alle waarschijnlijkheid boven mindergegoeden een voor-
rang hebben gehad, mede veroorzaakt, dat bepaalde
aanhangers voor min of meer nieuwsgierigen het veld
hebben moeten ruimen; o. a. is dit zeker, dat tal van
leden van den straks reeds genoemden Al/g. Richard
Wagner Verein
met hun verzoek om plaatsen te laat
zijn geweest. Zoo heeft de extra-trein, die in andere
jaren ongeveer 300 leden van de Vereeniging uit Wee-
nen naar Bayreuth bracht, dit jaar niet kunnen
loopen. Behoef ik het nog te zeggen dat (al was dit
niet uit Weenen) over dit feit stemmen van verbolgen-
heid zich lieten vernemen ?
Een vrij onbezonnen deel der leden was reeds be-
krompen genoeg om te klagen dat nu een „schaulusti-
ges Ausland" boven Wagner\'s landgenooten voorge-
*) O.a. door Air. Trip, in een zeer vreemdsoortig boekje over Wag-
ner. Zelden trof ik zoo veel nuchtere aanmatiging aan in een oordeel,
duidelijk zonder voldoende studie uitgebracht.
-ocr page 50-
4Ó
trokken werd (alsof iemand als Wagner niet voor de
geheele menschheid bestaat), en het heeft zijn best
gedaan om de vereeniging tot een vijandige houding
tegen het comité der feestopvoeringen te verlokken.
Gelukkig hebben de bezadigden overredend gewezen
op de roeping der vereeniging en een vredebreuk voor-
komen.
Kan er van eischen van rechten geen sprake zijn,
de eischen der billijkheid brengen zeer zeker mede,
dat van den kant van het comité de sympathie der
vereeniging niet onopgemerkt worde voorbijgegaan.
Eenige gunstige bepalingen bij het nemen van plaatsen,
die — men twijfelt er niet aan — door het comité in
het belang der leden van den A. R. W. V. zullen ge-
maakt worden, kunnen bovendien aan Bayreuth niet
anders dan goed doen. Ten eerste wordt de band sterker
tusschen het comité en eene vereeniging, die in geeste-
lijken zoowel als stoffelijken zin reeds veel gedaan heeft
voor het kweeken van liefde voor het werk van den
Meester en in het vervolg der tijden nog veel zal
kunnen doen. En ten tweede is de kans grooter (na-
tuurlijk geheel daargelaten of men uit Duitschlar.d of
van elders komt) om bij de opvoeringen een publiek
te hebben, dat er behoort.
O, dat publiek, dat men nü gedwongen is te Bayreuth
uit te staan! Hoe ergerlijk worden u elk oogenblik van
alle kanten in en buiten den schouwburg de natuurlijk
-ocr page 51-
41
niet gezochte bewijzen opgedrongen, dat verreweg het
grootste gedeelte de waarde van het kunstwerk even-
min beseft als . .. nu als de kat van den bijbel, waarin
zij kijkt.
Ach, de mode, dat monster, gebiedt haar slaven van
heinde en ver mede naar Bayreuth op te trekken! Nu
voel ik met alle menschenliefde, die mij eigen is, (ik
ben lid van de Ver. tot dierenbescherming) weinig
voor allen, die geduldig een slavenjuk dragen, dat zij
met een heel klein beetje wilskracht konden afschudden.
En bij de uitvoeringen door zulke menschen gehin-
derd te worden moet den werkelijken vereerder zoo
mogelijk bespaard worden.
Evenals van de uitvoerenden verlangt Wagner van
zijn publiek ckstasc. In zijne verhandeling over tooneel-
speler en zanger vertelt hij het volgende:
„Nach einer Aufführung des Künig Lear durch Ludwig Dcvricnt
blieb das Berliner Publikum nach dein Schlusse des letzten Aktes noch
eine Wcilc auf seinen Platzen festgebannt vcrsammelt, nicht otwa
unter dem sonst üblichen Schreien nnd Te-ben eines enthusiastischen
Beifalies, sondern kaum flüsternd, schweigend, fast regungslos, unge-
fShr wie durch einen Zauber gebunden, widcr welchen sich zu wehren
keiner die Kraft fühltc, wogegen es Jedein etwa unbegreiflich dün-
ken mochte, wie er es nur anfangen sollte, ruhig nach Hausc zu
gehen und in das Geleis einer Lcbcnsgewohnheit zurück zu kehren,
aus welcher er sich undonklich weit herausgerissen empfand". (G. S.
IX 193).
-ocr page 52-
4-\'
Zoo stelt Wagner zich zijn publiek voor, en hoe hemels-
breed is het verschil met dat te Bayreuth, vooral dat
der laatste jaren. Wat doen zij er eigenlijk, die onge-
roepenen, met al hun op- en aanmerkingen in jammer-
lijke onkunde gedaan ? „Die Werke des Geistes sind nicht
für den Pöbel da".
Een schoone, maar moeilijke taak voorwaar: het
veredelen van het publiek voor Bayreuth! Goede vruch-
ten stel ik mij voor te dezen opzichte van samenwerking
tusschen comité en Wagner-Verein. In afwachting van
betere tijden konden er zeker door het comité reeds
maatregelen genomen worden, waardoor de ekstase der
ernstige bezoekers niet zoo meedoogenloos werd afge-
broken. Die schrille overgangen van de ideale wereld
naar de meest mogelijk banale, ze doen zoo\'n pijn!
Waarom kan bijv., zooals nu reeds een bepaling aan
de dames het afzetten der hoeden voorschrijft, elk
hoorbaar teeken van goed- of afkeuring in het gebouw
niet verboden worden? Die bijvalsbetuigingen in den
vorm van handgeklap of voetgetrappel enz., wijzen zij
niet op een barbaarschen toestand van het publiek, en
op een dunk omtrent den kunstenaar, die dezen eigen-
lijk niet anders dan beleedigend en vernederend mag
toeschijnen ? Het publiek behoeft daarom niet ondank-
baar te worden; er is gelegenheid genoeg te vinden
om groote kunstenaars waardig te eeren.
Te Bayreuth wordt van den kant der uitvoerenden
-ocr page 53-
43
(een enkele uitzondering wellicht, daargelaten) naar bij-
valsbetuiging niet verlangd en zeer zeker niet door
mevrouw Wagner.
Op een concessie aan het publiek meen ik nog te
moeten wijzen. Na het slot van het geheele werk wordt
in den regel het tooneel (natuurlijk geheel onveranderd)
nogmaals even geopend. Ik begrijp de goede bedoe-
ling; men wil waarschijnlijk door de herhaling van het
effect het slotbeeld voor het geheugen nog minder uit-
wischbaar maken. Toch betreur ik deze handeling.
Goed bezien, kan onder deze omstandigheden elke
herhaling van wat ook slechts ontgoochelen. Bovendien
heb ik daarvan reeds hoogst nadeelige gevolgen be-
merkt. Het publiek rekent op het spelletje reeds zoo
sterk, dat het bijv. het einde der muziek (in Parsi/al
o. a. heeft het orkest na het sluiten van het tooneel
nog dertien heerlijke maten in vrij langzaam tempo) niet
eens meer kan afwachten en op de gewone woeste wijze
zijn verlangen naar het heropenen van het tooneel te ken-
nen geeft. Voorzichtigheid is dus met dergelijke toegeef-
lijkheid aanbevolen. In plaats van naar den toegestoken
vinger wordt aanstonds naar de heele hand gegrepen!
Behalve mej. Mulder, die ik reeds noemde, (Hirt in
Tannh. en i<"\' Knappe in Parsifal) werken dit jaar nog
twee Nederlanders mede, en wel in het orkest. Onze
groote violist Joseph Cramer van Amsterdam is sinds
jaren een trouwe comparant onder de medewerkenden.
-ocr page 54-
44
Dat men hem weet te waardeeren, kan, dunkt mij,
uit het volgende blijken : Den 3is\'cn Juli is te Bayreuth,
ter huldiging van de nagedachtenis van Liszt, die op
dien datum in 1886 aldaar overleed, in eendergroote
kerken eene uitvoering gegeven van zijn gewijde
muziek, een gebied, waarop die meester werkelijk
onvergankelijks heeft voortgebracht. Het laatste nummer
van het programma was psalm 137, voor sopraan met
vrouwenkoor, solo-viool, harp en orgel.
Voor de sopraan-partij was mej. Mulder, voor de
solo-viool-partij de heer Cramer uitgenoodigd. In het
ruime gebouw, dat alle belangstellenden niet heeft kun-
nen bevatten, was in een zeldzaam groot aantal kun-
stenaars het beste gehoor aanwezig, dat de kunstenaar
zich wenschen kan.
Met grooten lof en onderscheiding wordt van hun
voordracht gewaagd: beide kunstenaars hebben de eer
van hun land waardig opgehouden. Een berichtje in
de Allg. Musik-Zeitnng ligt voor mij, waarin ik het
volgende lees: „Das Sopran-Solo sang Frl. Mulder-
Utrecht prilchtig", en dat Cramers heerlijk spel getrof-
fen had blijkt wel hieruit, dat hij voor de volgende
soiree op Wahnfried uitgenoodigd werd voor de solo-
voordracht.
Die soirees op Wahnfried vinden op de dagen, die
tusschen de voorstellingsdagen. vallen, één of twee-
maal per week plaats. Den laatsten tijd stond de
-ocr page 55-
45
toegang daarheen open. Men had echter te veel ge-
rekend op discretie bij het publiek; weldra was het
getal van indringerige nieuwsgierigen zoo groot, dat de
ruimte te klein werd voor hen, die op die soirees eigen-
lijk alleen verwacht worden, d. w. z. in de eerste plaats
de medewerkende kunstenaars en voorts van de aan-
wezige bezoekers der „Festspiele" zij, die in woord en
daad het Bayreuther werk dienen, vorstelijke personen,
die zich aan de bescherming der kunst gelegen laten
liggen, enz.
Dit jaar was de toegang niet meer vrij en werd die
alleen verleend op vertoon van een persoonlijk ont-
vangen „Einladungskarte". Op zulke soirees dan wordt
ook muziek gemaakt en men kan nagaan welk een
onderscheiding het is daartoe door mevrouw Wagner
te worden uitgenoodigd.
Met de meesterlijke voordracht van eene Sonate van
Beethoven (Op. 30, 3) heeft Joseph Cramer voor zichzelf
niet minder dan voor zijn vaderland warmen lof en
achting geoogst.
Een derde Nederlander is de oboïst Peter Kruyswijk ;
helaas voor de Hollanders geen landgenoot meer. Schit-
terende aanbiedingen hebben hem voor eenige jaren
Amsterdam tegen Budapest doen ruilen.. Dit laat zich
begrijpen, als men nagaat hoe veel hooger in nagenoeg
alle andere beschaafde landen dan het onze de kunst,
en de toonkunst en hare beoefenaars in het bizonder,
-ocr page 56-
46
ook van regeeringsioegc worden geacht niet alleen maar
ook hoeveel beter die worden gesteund. Een schoone
taak voorwaar voor onze nieuwe regeering daarin eindelijk
eens behoorlijk verandering te brengen! — Als oboïst
aan de hof-opera heeft Kruyswijk eene uitmuntende
positie. De toon en het geheele spel van dezen kunste-
naar zijn nog schooner dan vroeger. Hij behoort onder
de medewerkenden, die men niet missen wil.
Over het leventje te Bayreuth is weinig nieuws te
berichten; het blijft ongeveer hetzelfde; het dichtbij
gelegen slot Eremitage met het Jean Paul-huisje op
weg daarheen, het wat verder afgelegen slot „Fantaisie"
met zeer schoone omgeving) nabij het dorpje Dondorf,
waar Wagner zelf vóór zijn vestiging te Bayreuth een
tijdlang verblijf hield, zijn buiten de stad de plaatsen,
die men gewoonlijk bezoekt. In de stad wordt er natuur-
lijk naar Wahnfried en naar het graf van den Meester
opgegaan. Op de vrije dagen wordt veelal een verder
tochtje gewaagd, \'t Romantisch gelegen Berneck is daar-
voor zeer gezocht. Hen, die van een glas goed bier
houden, trekt het „bierberühmtes Stiidtlein" Kulmbach
aan. *)
Voor hen, die het woord van Seume: „Gehen zeigt
*) Het bezoek van „Zwiïlf lustige Gescllen" (Nederlanders), in \'8g
(hun zij het hierbij gemeld) behoort tot de gewichtige feiten, die
men, naar \'t nu, in \'91, bleek, te Kulmbach niet wil vergeten en
met genoegen herdenkt.
-ocr page 57-
47
Kraft, fahren zeigt Onmacht", huldigen, biedt het heer-
lijke Fichtelgebergte met zijn geweldige rotspartijen,
die op den Luxburg bij het vriendelijke Alexanderbad
haar hoogste pracht bereiken, een overschoone gelegen-
heid voor de gezondste lichaamsinspanning.
Dat Bayreuth zich ontwikkelt spreekt vanzelf. De
omzet van de aanzienlijke sommen kan niet anders
dan der welvaart van de oude, zich nu verjongende
stad ten goede komen. En dat bespotte den kunstenaar
in het begin van zijn verblijf te Bayreuth!
Een beroemde plek zal, naar ik verneem, verloren
gaan. Angermann\'s lokaal — wat heeft daar niet plaats
gevonden! — is verkocht en zal geslecht worden. Ter
plaatse zal het nieuwe postkantoor verrijzen, \'t Is toch
jammer! Want al is het beste bier er haast niet te
genieten, de plek is voor talloos velen een herinnering
aan allerlei emoties.
Ik wil deze mededeelingen besluiten met te wijzen
op de vele nieuwe uitgaven voor dit feestjaar. Onbe-
grijpelijkerwijze bevindt zich onder alles geen goed-
koopere kleine uitgave van het TatmM/tser-kkivier-
uittreksel in de nieuwe bewerking. Zoo een is er wel
met Engelschen tekst verschenen. Naar het heet zal
zulke uitgave zich echter niet lang meer laten wachten.
Van de nieuwe geschriften noem ik: Erinnerungen an
Richard Wagner von Hans von Wolzogen in de goed-
koope Reclambibliotheek voor 20 pfennig; een zeer
-ocr page 58-
lezenswaardig boekje! Dan de Wagner-Encyclopae-
die van Glasenapp, een werk, haast zou ik zeggen
onmisbaar voor eiken waren Wagnervriend. Voorts het
derde de^l van den bekenden catalogus van Oesterlein;
verder de „Wagnerianer Spiegel", honderd gezegden
van de meest bekende Wagnerianen over kunst, leven,
geschiedenis, godsdienst, overeenkomstig Wagner\'s op-
vatting van wereld en kunst. Dan nog een nieuwe
aantrekkelijke levensschets van den Meester door Franz
Muncker. Van Hermann Ritter verscheen een „Richard
Wagner, als Erzieher". Dat is dus de derde die als
opvoeder moet dienst doen; we hebben immers Rem-
brandt en Hüllenbreughel reeds als zoodanig. Nu, zoo
weinig als de beide laatsten daarvoor in aanmerking
kunnen komen, zoo veel vrucht is er van de beoefe-
ning van Wagner*s kunst voor het algemeen te ver-
wachten.
Om niet ongevoelig te schijnen voor wat bij ons voor
Wagner gedaan wordt, voel ik mij verplicht nog mede
te deelen dat bij de vele uitstallingen van al dat nieuws
te Bayreuth een zeer goede vertooning maakt het Wag-
ner-album, uitgegeven door de Erven Van Mun-
s t e r, te Amsterdam. Het sierlijk uiterlijk trekt spoedig
de aandacht. De inhoud, in den vorm van een „Birthday-
book", bevat voor eiken dag eenige regelen uit de dicht-
werken met enkele aanteekeningen van belangrijke feiten.
Hier en daar trof mij een gelukkige keuze. Toch vind
-ocr page 59-
49
ik het jammer dat aan het proza van den Meester niets
ontleend is; van harte evenwel gun ik het boekje een
gunstig onthaal. Den uitgever mijn nederige hulde voor
de uitgave „an sich!"
4
-ocr page 60-
V.
Parsifal.
Hort ihr den Rn/? Nim danket Go//,
dass ihr bemfen ihn zu horen !
\'lysJaiL een woord vooraf heden over iets anders,
*■■«" * \'ezer \' \'* ^s °f WÜ noS stiller dan anders den
\'^ heuvel, waarop het „Festspielhaus" gelegen is,
\\ zijn opgegaan; zwijgend hebben wij, na het
plechtig gegeven teeken, onze plaatsen ingeno-
men, daar wordt het eensklaps volle duisternis om
ons en .... de stem van het orkest verheft zich. O !
dat begin vooral, die eerste as ! Hoe wonder wordt het
ons te moede! Hoe sympathiek treft het, als we later
van anderen vernemen: „het was mij alsof mijne aan-
doeningen mij te machtig zouden worden". Natuurlijk
is de emotie bij het begin vooral zoo groot; weldra
komt een weldadige kalmte in de plaats, die het vol-
-ocr page 61-
5i
gen van liet verdere mogelijk maakt. Wel hem, die
door de macht dier heilige klanken wordt beheerscht!
Voor hem zal zeker de grootsche beteekenis van het
geheel niet verborgen blijven en vroeg of laat zal de
drang zich ontwikkelen om als een Parsifal tot heil
der wereld mede te werken. Het geheele werk zal als
de machtige stem van een tot plichtbesef ontwakend
geweten moeten klinken voor ieder, wiens goede kiemen
onder \'t welig wassend onkruid van allen waan en schijn
der moderne beschaving nog niet geheel verstikt zijn.
Zoo moge het eenmaal worden ! Zoo worde de kunst,
het hoogste goed, den mensch weder tot zegen!
Het tooneel wordt geopend. Aan den voet van een
eeuwenouden boom, te midden van een wel ernstig,
maar niet somber stemmend woud, zien wij den ouden
graalsridder Gumemanz met twee knapen slapend geze-
ten. De dag breekt aan. Plechtig klinkt van de ter
linker zijde gedachte graalsburcht de wekroep; en als
nu Gumemanz ontwaakt, met zijn allen die het eens
vernamen zoo dierbaar geworden: „He! ho! Waldhüter
ihr!" de beide knapen wekt en zij, na zijn boven dit
opstel geplaatste woorden, te zamen geknield zwij-
gend hun gebed doen (welsprekend overtuigt het orkest
hoe het door ware godsvrucht wordt ingegeven), dan
stemt ge in stille zielsverrukking mede in. De macht
van het geloof aan het komend rijk van \'t goede en
schoone doet, hoe ook ondermijnd, zich hier weer gel-
-ocr page 62-
52
den, en dank welt op uit het hart aan den Eeuwige,
den Ongeziene, die in zijn groote zendelingen juist den
mensch van zijn liefde overtuigt en aanmoedigt om in
den zwaren levensstrijd toch niet te versagen.
Op de schoonste, meest ongedwongen wijze, die
Wagner eenig eigen is, wordt ge dadelijk op de hoogte
gebracht van den toestand, zooals die is wanneer het
eigenlijke drama (de handeling) gaat beginnen.
Amfortas, de koning, werd in den strijd tegen den
boozen Klingsor, een afvalligen graalsridder, in de
strikken van den hartstocht, hem door dezen gelegd,
gevangen. De heilige speer is hem toen ontwrongen
en een wonde hem daarmede toegebracht, waaraan
hij smartelijk lijden moet, zoolang die speer niet voor
het rijk van den graal herwonnen is. Hoopvol zien
allen uit naar hem, wiens komen eens, bij een hevigen
aanval van het lijden den koning door den graal is
verkondigd : „durch Mitleid wissend, der reine Thor,
harre sein, den ich erkor!" d. w. z., naar hem, die
aan kennis arm, door zuiver medegevoel het lijden der
menschheid zal erkennen en in het volle geloof aan
zijne roeping daartoe verlossing brengen zal,
Zooals bij al zijn andere werken, heeft Wagner ook bij
het dramatiseeren van de Parsifal en Graalsage een vol-
komen nieuw, verheven geheel weten te verkrijgen door
de onvergelijkelijk schoone symboliek van eene beteekenis,
die aan de oude dichterlijke bewerkingen geheel vreemd is.
-ocr page 63-
53
In zijn vroegere werken stelt de dichter zich, het is
•waar, altijd hetzelfde verheven doel: de toehoorders
te voeren uit de gewone lage wereld van schijn en
nietigheid naar eene hoogere, waarin althans de grootc
■waarde der helden, zelfs bij hun ondergaan in den
strijd met het gewone, de getroffen menigte tot navol-
ging opwekt, zoodat de ethische waarde nooit ont-
breekt.
In zijn Parsifal echter heeft de dichter het aller-
hoogste ethische onderwerp zelf behandeld. Hij geeft
ons zoo duidelijk mogelijk den kern zelf van den waren
godsdienst te aanschouwen, den kern die — wij mogen,
het gerust bekennen — door het rijke omhulsel van
alle dogma\'s langzamerhand zoo goed als onkenbaar
is geworden: medelijden.
Uit zijn werk „Godsdienst en Kunst" haal ik het
volgende aan, dat betrekking heeft op de gedachte aan
•een groote vereeniging van de afzonderlijke voor dic-
re?ibescherming, vegetarisme, matigheid
en van de chris-
telijk-sociale rtrteVm-vereenigingen.
„Ware het te verwachten van de menschen, die door
onze beschaving geleid worden om slechts het eigen-
belang correct in praktijk te brengen, dat de groote
Vereeniging, die wij het laatst op het oog hadden,
onder hen tot bloei zou kunnen komen met volkomen
begrip van de strekking van elk der genoemde ver-
eenigingen afzonderlijk, die nu op zich zelf machteloos
-ocr page 64-
54
zijn, dan ware er tevens grond om te hopen op de
wedergeboorte van een waarachtigen godsdienst." —•
..Wiens aandenken zouden de gemeenten van deze
vereeniging wel vieren, als zij na den arbeid van den
dag tot het maal bijeenkwamen om aan brood en. wijn
zich te verkwikken?"
Uit deze grondgedachten is het kunstwerk Parsifal
ontstaan: het godsdienstige drama van den mensch,
die door medelijden loeiende is geworden. — De zelf-
verloochenende daad van medelijden van den reinen
mensch verlost zelfs anderen en verleent de kracht
tot het verrichten van vrije liefdewerken aan den zon-
digen medemensch, ja aan de goddelijke liefde zelf,
(aan den Graal) wier macht aan banden was gelegd
omdat hij, (Amfortas) aan wiens hoede zij was toever-
trouwd, voor de zonde bezweken was. De gemeente
van den Graal met haar symbolisch liefdemaal van
wijn en brood is een in kunstvorm gebracht beeld
van die groote gedachte aan een vereeniging van. men-
schen op den grondslag van den godsdienst van het
medelijden, waarin ook de natuur en het dier liefdevol
zouden zijn opgenomen, evenals de onschendbare zwa-
nen in het heilige woud van den Graal en de bloemen-
beemde die lacht, nu zij door de toovermacht van den
Goeden Vrijdag van zonden is bevrijd.
Er is niet aan te denken hier verder mede te dee-
len, hoe schoon in dit werk dan hoogste kunst en ware
-ocr page 65-
55
godsdienstzin vereenigd zijn. Met het aangestipte stelde
ik mij voor, den welwillenden lezer dit vooral duide-
lijk te maken, dat men verkeerd doet met in Wagner
slechts den grootsten toonkunstenaar te zien.
Volgens mijn bescheiden meening kan voor allen,
die, al is het voor nog zoo\'n klein deel, willen mede-
werken aan de groote hervorming op sociaal gebied
waaraan — niemand zal het durven ontkennen — de
nood groot is, Wagner\'s Panifal nog tijden lang het
plechtanker zijn van hun geloof aan de beterschap
dezer wereld.
Hun vooral, die nog vreemd staan tegenover deze
nieuwe kunst, wordt nog eens dringend aangeraden
hetzelfde, wat onze groote Frederik van Eeden in zijn
beschouwingen over kunst zoo dikwijls doet: legt alle
vooroo.rdeelen op zij! Vraagt niet of alles wel past in
het kringetje, dat vreemde bekrompenheid, als met
een passer zoo zuiver, tot grensgebied voor uw gedachte
heeft getrokken. Treedt het werk zoowel als den kun-
stenaar zelven onbevangen te gemoet.
Geven wij den grooten mensch zelf hier nog eens
het woord; met betrekking tot het ontstaan van den
Parsifal zegt hij : „Wer kann ein Leben lang mit offenen
Sinnen und freiem Herzen in diese Welt des durch
Lug, Trug und Heuchelei organisirten und legalisirten
Mordes und Raubes blieken, ohne zu Zeiten mit
schauervollem Ekel sich von .-ihr abwenden zu mussen?
-ocr page 66-
5^
Wohin trifft dan sein Bliek ? Gar oft wohl in die
Tiefe des Todes. Dem anders Berufenen und hierfür
durch das Schicksal Abgesonderten erscheint dann
aber wohl das wahrhaftigste Abbild der Welt selbst
als Erlösung weissagende Mahnung ihrer innersten
Seele". (Ges. Schr. X. 395).
En nu ben ik toch nog verplicht iets omtrent de
uitvoeringen van Parsifal van dit jaar mede te deelen.
De rol van den held is toevertrouwd aan een held.
Die Ernest van Dyck mocht hooren en zien, mag zich
inderdaad gelukkig prijzen. Ontegenzeggelijk erkende
elk onbevooroordeelde bij Van Dyck\'s eerste optreden
in \'88 het vele dat hij voorhad op zijn voorgangers
Winckelmann, Gudehus en Jager. Toch wisten toen zij\'
die dit niet wilden toegeven (den meesten speelde het
nationaliteitsgevoel weer parten), met recht veel aan te
halen dat nog verre van het ideaal verwijderd was.
Den tijd echter, die sinds verliep, heeft deze voortref-
felijke kunstenaar, die over de schoonste gaven als
zanger en tooneelspeler beschikken mag, wel besteed;
zonder eenige bijgedachte aan zijn eigen ik, heeft hij
zich volkomen met den Parsifal vereenzelvigd; dien
geeft hij, zooals de stoutste dichterdroom het zich
heeft gewenscht. Dat Wagner het niet heeft mogen
beleven!
De lijst der medewerkenden noemt voor Parsifal ook
-ocr page 67-
57
den heer Grüning. Naar ik vernam, is deze lang niet
onbegaafde kunstenaar vooral zelf overtuigd bij Van
Dyck niet achter te staan.
Als Kundry trad in de voorstelling, die ik heb bijge-
woond, Fr. Mailhac op. Ondanks het vele schoone (ik
wijs op de scène met Klingsor, die ik nog van niemand
anders zoo schoon gehoord heb), dat zij te genieten
gaf, kon zij mij Amalia Materna niet doen vergeten;
vooral het spel van mevr. Materna staat zeer boven
dat van mej. Mailhac, maar ook de zilverheldere stem
en de voordracht van Materna moest ik missen. Naar
ik hoor, begint echter de tijd, die onverbiddelijke, zijn
alvernielingsmacht aan mijne eerste Kundry van \'82
reeds te beproeven. Ja, „auch das Schone muss sterben!"
Mej. Mailhac trad voor \'teerst als Kundry op; ver-
wachten wij dus het beste van de ontwikkeling der
laatste!
De rol wordt ook nog vervuld door mej. Malten, die
zich reeds vroegere malen welverdienden lof daarmede
heeft geoogst.
Als Amfortas hoorde ik Scheidemantel, die zich in
een woord als volkomen meester, heerlijk van zijn
taak kweet. Met Reichmann, den eersten Amfortas van
\'82, wisselt hij af.
Reichmann bezit zeker dat eigenaardige timbre, waar-
door ge hem juist onder velen voor den Amfortas
zoudt uitzoeken, een stem als \'t ware geboren om de
-ocr page 68-
klacht van het hoogste zieleleed te uiten; ik zou echter
niet gezegd willen hebben dat Scheidemantel\'s stem
die eigenaardigheid bepaald mist, en behalve dit staat
èn als zanger èn als kunstenaar voor mij Scheideman-
tel niet weinig hooger.
Den Klingsor van Plank stel ik onvoorwaardelijk op
gelijke lijn met dien van den onvergetelijken Carl Hill
in \'82.
Overtuigend in spel en in zang bracht hij al het
daemonische van dezen booze volkomen tot zijn recht.
Gelukkig staat hem de vroeger vermelde hinderpaal om
in vele rollen op te treden, hier volstrekt niet in den
weg, zoodat men slechts wenschen kan, dat het dezen
grooten zanger en kunstenaar nog lang gegeven zijn
moge om ideaal schoone uitvoeringen van Parsifal mede
tot stand te helpen brengen.
Over den heer Wiegand als Gnrnemanz kan ik tot mijn
spijt niet van ingenomenheid getuigen. Voor de kun-
stenaars, die in deze rol optreden, is het zeker een
zware taak aan de vergelijking met den Gurnemanz
van Emil Scaria in \'82 onderworpen te worden. En
dat moet toch wel; draait dan niet alle beoordeeling
om de spil der vergelijking? al geschiedt die niet met
een door ons beleefde goede uitvoering, dan met de ideale,
■die ieder beoordeelaar zich toch heeft voorgesteld. (Men
zegt, dat de heer Grengg, een • tweede Gurnemanz,
evenals de te vroeg gestorven Blauwaert aan Scaria
-ocr page 69-
59
herinnert.) Ofschoon ik meen voor Bayreuth mijn eischen
zeer hoog te moeten stellen, verlang ik zeker niet van
eiken Gurnemanz volkomen mij het beeld van Scaria
weder te geven; dat komt zoo gauw niet weder; maar
wel meen ik te mogen verlangen, dat een zanger met
de middelen als die van den heer Wiegand, te Bayreuth
andere resultaten met de prachtige partij van Gurne-
manz
bereike; ook bij anderen heb ik nu en dan een
vergissing waargenomen en, al kwamen ze bij den heer
Wiegand m. i. al te veel voor (o. a. bij „uner//o;tes
Werk", ja! dat was unerhört!), vergevingsgezind zou ik
zeker ook te zijnen opzichte blijven (ook van Scaria
hoorde ik vergissingen), ontbrak er niet aan zijn geheel
optreden dat hoogere juist, dat ons geen oogenblik
meer aan dezen of genen zanger doet denken, maar onze
volle aandacht voor het voorgestelde vergt en inneemt.
Van het koor der Blumenmadchen heeft Tappert eens
gezegd dat het met het gehalte er van gaat als met
dat van den wijn; het eene jaar valt dat beter uit dan
het andere; vergis ik mij wanneer ik zeg: dit jaar was
goed, maar toch hebben wij betere jaren gekend ? ik
ben er van overtuigd, dat het geduld van den Blumenvater,
zooals Heinrich Porges door Wagner nog is genoemd,
en die steeds dit bijzonder moeilijk gedeelte instudeert,
onveranderlijk hetzelfde blijft en het hem zeker niet
te wijten is, wanneer het eene jaar bij het andere soms
wat achterstaat.
-ocr page 70-
6o
Wat de overige koren van Pat si/al betreft, zoo
kwamen mij die dit jaar zeer goed voor; er was, docht
mij, meer eenheid in vocalisatie. Over \'t algemeen scheen
mij de eenheid bij het zingen grooter: in vroeger jaren
heeft mij wel eens onaangenaam getroffen een zeker
dialectachtig verschil in de behandeling der vocalen
en een ongelijkheid zelfs in de uitspraak der conso-
nanten, om een voorbeeld te noemen bij de uitspraak
van de g aan het eind der woorden. Ik kan niet anders
dan aannemen, dat hieromtrent dit jaar maatregelen
zijn genomen.
Dengenen, die Stockhausen in zijn G.-brochure heeft
overtuigd, klinkt de g van dit jaar te Bayreuth vreemd
(van een zuiver standpunt beschouwd is de opvatting
van Stockhausen ongetwijfeld de juiste), maar men bleef
zich (op een enkele uitzondering na natuurlijk) gelijk
en dat is eene hoofdzaak.
Kon ik hier op vooruitgang wijzen, zoo geven, m. i.,
eenige stoornissen op het tooneel nog geen grond
om daar aan achteruitgang te denken. Bij mijne uit-
voering werkte o. a. een duidelijk hoorbaar geschuifel
bij de eerste Vettvanditmg hinderlijk; na het verdwijnen
van Klingsor\'s tooverslot vertoonde zich aan Parsifal\'s
voeten een oogenblik een straal van electrische vonken.
Als men echter weet hoe men zichzelf aan zulke tekort-
komingen ergert en alles doet om herhalingen te voorko-
men, zet men zich over zulke kleinigheden spoedig heen.
-ocr page 71-
6i
In geen geval mogen ze afbreuk doen aan den
machtigen indruk, dien het eenige werk vermag te
maken, waartoe zeer zeker de degelijke voorbereiding
onder leiding van den te Bayreuth gevestigden direc-
teur Julius Kniese en het onvolprezen orkest onder
Levi\'s leiding zeer veel bijdragen.
Vergun mij, waarde lezer, die mij volgen wildet, met
andere tonen dan die, al is het slechts voorbijgaande,
naar opmerkingen klonken, van u afscheid te nemen.
Herinneren wij ons het slot van het werk zelf! Par-
si/al
heeft dan de heilige speer in den graalstempel
gebracht, en na het ambt van den koning Amfortas,
wiens wonde hij geneest, overgenomen te hebben, geeft
hij het bevel den graal eindelijk weer te onthullen;
de knapen openen het omhulsel, Parsifal neemt er den
graal uit en verdiept zich onder stom gebed in den
aanblik. De graal begint te gloeien en een gloriegloed
verspreidt zich over allen. Uit den koepel zweeft een
witte duif omlaag boven Parsifal\'s hoofd. Deze heft den
graal op en toont hem aan de rondom geschaarde,
hem als hun koning huldigende ridders. Kundiy zinkt
met den blik tot hem opgericht langzaam aan Parsifal\'s
voeten stervend neer en met het plechtig door allen
aangeheven:
„Hüchstcn Heilos Wunder:
Erlüsung dem Erlöser!"
-ocr page 72-
62
wordt het heerlijke beeld onder bovenaardsche klanken
aan onze oogen onttrokken..
Blijve het echter onuitwischbaar in onze herinnering
gegrift en koesteren wij met een kracht, die eens ver-
wezenlijking aan moet brengen, den wensch, dat ook
in ons zelf de Parsifal nog ontwake! Zoo vlechten wij
tevens den schoonsten krans op het graf van onzen dier-
baren Meester, op wien wel ten volle toepasselijk is:
Es wird die Spur von seinen Erdcntagcn
■•\'-\'■
           Nicht in Aeonen untergeh\'n!
C f£l/o i
-ocr page 73-
Van HUGO NOLTHENIUS verscheen (voor eene
Zangstem en Piano) bij J. A. H. WAGENAAR te
Utrecht:
LUARIN, Wiegenliedchcn aus JuLITJS "Woi.ff\'s „Tannhauser" ƒ0.40
DREI LIEDER, nach Dichtungen von Peter Cornei.ius, Miohael
Bernavs und Heinrkh Heine.........../ 1.—
Ook afzonderlijk verkrijgbaar:
a.     „Ich war cin Blatt"........ƒ0.30
b.    An die Nacht...........„ 0.50
e. „Ich habc dich gelicbt"........, 0.40
BEIM FASS, Trinklied aus JüLIUS Woi.ff\'s Rattenfangcrlicdcr ƒ 0.35
VIER LIEDEREN, <>p oorspronkelijk Hollandschcn tekst (met Duit-
sehe vertaling) :
I. Verklaring (H. N.)
| ƒ0.60
* 2. „In het Woud" (C. Honigh)
3.     Egoismus (De Genestet) )
4.     „Denkt gij aan mij" (f f f) j
WALDBACHLEIN aus Jui.ius Wolff\'s Rattcnfiingerlieder / 0.60
EN ZULLEN BINNEN KORT VERSCHIJNEN:
NACHTLIEDJES, uit Eu.en, een Lied van de Smart, van
Frf.df.rik van Eeden, a. b. e. en ti.
SERENADE AAN MATHILDE, van Jacoues Perk.
ZWEI GEDICHTE, von Heine. a. „Du hast die Blumen toll ge-
macht", b. Die Botschaft.
Bij de Erven j-I. van JVIunster & ^Zn. ^^msterdam,
verscheen vroeger:
„Ik heb geloofd aan liefde" (H. N.)............ƒ0.60
Bij de Erven H. VAN MUNSTER & Zn. verscheen tevens:
RICHARD WAGNER, en de wereld der dieren. Bijdrage tot een
Levensgeschiedenis. Vrij naar het Hoogduitsch van Hans von
Woi-ZOOF.n, door HUGO NOLTHENIUS......ƒ0.60
WAGNER-ALBUM (door Lena Batelt)......ƒ 2.1,0
OEDKUKT UU II. C. A, llliUMK, NIJMEGEN