-ocr page 1-
mrn 1/833
yj
REDE ZIJ ULIEDEN
EENE TOESPRAAK
DOOR
Professor HENRY DRUMMOND
Naar het Engelsch
\'s Gravenhage ,
f. VAN GOLVF.RDINGE & ZOON.
1891.
-ocr page 2-
r
-ocr page 3-
VREDE ZIJ ULIEDEN.
-ocr page 4-
-f
»
-ocr page 5-
„VREDE ZIJ ULIEDEN"
EENE TOESPRAAK
VAN
Professor HENRY DRUMMOND.
Naar het EngeUch.
*•&•*■
\'s Gravenhage ,
J. VAN GOLVERDINGE & ZOON.
1891.
-ocr page 6-
<r
\\
-ocr page 7-
Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en
belast zijt; en Ik zal u rust geven.
Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik
zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust
vinden 7ioor uwe zielen.
Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht.
Matth. 11 vs. 28—30.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
INHOUD.
Blz.
Voorrede............9
Vrede zij ulieden..........14
Gevolgen vereischen oorzaken.....15
Waartoe een juk dient........41
Hoe vruchten groeien........51
-ocr page 10-
-ocr page 11-
VOORREDE.
Onlangs hoorde ik op een morgen een prediker
van naam spreken over „Rust". Zijne preek was
vol van schoone gedachten; maar toen ik mij
zelven de vraag stelde: „hoe verklaart hij mg
dat ik rust kan verkrijgen?" had ik geen ant-
woord. Het was zonder twijfel zijne bedoeling om
practisch te preeken, en toch bevatte wat hij
zeide geen op tastbare ervaring gegronden raad
die mij kon helpen om de Rust te vinden, die
mij voorgesteld was, toen ik mij dien namiddag
weder onder de menschen bewoog. De schuld
van den prediker was het echter niet, dat de
vraag, waarop het hier voornamelijk aankwam,
•
-ocr page 12-
10
onbeantwoord bleef. De geheele godsdienstige
wereld verkeert in dit opzicht in schemerduister.
En als het er op aankomt de rechte middelen
te noemen tot het verkrijgen van licht in deze
aangelegenheid, aarzelt zij, en tast klaarblijkelijk
in nevelen om.
Dit gebrek aan samenhang tusschen de groote
woorden van den godsdienst en het dagelijksch
leven heeft ons allen verbijsterd en ontmoedigd.
Het Christendom heeft de edelste woorden der
taal in bezit: zijn litteratuur vloeit over van
uitdrukkingen, die de verhevenste en zaligste
gevoelens weergeven, welke de ziel eens menschen
kunnen vervullen. Rust, Blijdschap , Vrede ,
Geloof, Liefde, Licht — deze woorden komen
zoo gedurig in liederen en gebeden voor, dat iemand
wel kon meenen daarin den hoofdinhoud van der
christenen ervaring uitgedrukt te vinden. Maar
hoe stellig zou men ontgoocheld worden, wanneer
men het dagelijksche leven van de meesten onzer
-ocr page 13-
II
van nabij gadesloeg. Ik geloof niet, dat wij ons
zelven bewust zijn, hoezeer ons godsdienstig
leven alleen in woorden bestaat, hoezeer wat wij
christelijke ervaring noemen slechts kerktaal is,
eene bloot godsdienstige phraseologie, bijna zonder
inhoud, van wat wij waarlijk gevoelen en zijn.
Aan sommigen onzer komt het inderdaad voor,
dat zij van de christelijke ervaringen verder af
zijn, dan toen zij de eerste schreden zetten in de
baan van het christelijk leven. Dat leven heeft
ons niet gegeven wat wij er van hoopten. Wij
hebben geen berouw, dat wij het aanvingen, maar
het heeft ons teleurgesteld. Er zijn misschien tijden,
waarin tonen van eene hemelsche muziek in
onze zielen weerklinken; maar zulke ervaringen
zijn zeldzaam en voor een oogenblik. Wij zijn
ons niet bewust ze te bezitten. Het is eene ver-
rassing, als zij tot ons komen. Wanneer zij ons
verlaten, blijven wij zonder verklaring waarom
dit geschiedt. Als wij hun terugkeer wenschen,
-ocr page 14-
12
weten wij niet hoe wij ons dien verzekeren zullen.
Dit alles wijst op een godsdienst, waaraan een
degelijke grondslag ontbreekt, op een zwak en
ongelijkmatig christelijk leven. Het getuigt van
een groot bankroet in die ervaringen, die aan
het christendom zijn bijzonderen troost verleenen
en het aantrekkelijk maken voor de wereld; en
van eene groote onzekerheid ten aanzien van een
middel tot genezing. Het is, als wisten wij alles
omtrent de gezondheid, behalve de wijze waarop
wij haar verkrijgen kunnen.
Ik ben er ten volle van verzekerd, dat de
oorzaak van de kwaal niet hierin ligt, dat de
menschen niet ernstig gezind zijn. Dit is eenvoudig
niet het geval. Alle christenen om ons heen matten
zich af in het streven om beter te worden. Het
feit, dat er zooveel verlangen naar bevrediging
der geestelijke behoeften in de wereld is — in
de harten van duizenden mannen en vrouwen,
bij wie wij dit nooit zouden vermoeden; onder
-ocr page 15-
13
de wijzen en nadenkenden; onder de jeugdigen
en levenslustigen, die hun dorst zelden lesschen,
en er nimmer voor uitkomen — dit feit is een
van de wondervolste en treffendste in het leven.
Wat vereischt wordt is niet meerdere warmte, maar
meer licht; niet meerder kracht, maar dat eene
betere richting worde gegeven, aan de krachten
die reeds aanwezig zijn.
De volgende toespraak, wordt door mij
aangeboden, als eene geringe bijdrage tot voor-
ziening in deze behoefte, en in de hoop, dat zij
eene helpende hand moge zijn voor allen, die
Rust zoeken zonder ze te vinden, opdat zij een
vasteren bodem betreden, eene groote eenvoudige,
nimmer wankelende grondslag, die niet slechts
den bodem aller christelijke ervaring, maar allet
levenservaring, ja des levens zelf is.
-ocr page 16-
VREDE ZIJ ULIEDEN.
Wat het Christelijke leven noodig heeft is,
eenheid, vastheid, regel. Het is onmogelijk
te denken, dat er geen middel zou bestaan
tegen zijne ongelijkmatigheid en ordeloosheid
of dat dit middel een geheim zou zijn. Evenzoo
is het denkbeeld geheel te verwerpen, dat
eenige weinige menschen door een gelukkig
toeval of ten gevolge van een gelukkiger gemoeds-
gesteldheid — als bestond daar eene soort van
kunstgreep voor — in het bezit van dit geheim
zouden zijn gekomen. Het Christendom moet zijne
vrucht kunnen doen rijpen voor menschen van elk
temperament; en de weg zelfs tot zijne hoogste
-ocr page 17-
i5
hoogten moet eenen toegang hebben, die voor
alle volkeren der wereld open staat.
Ik zal trachten langs een zeer gewoon pad naar
deze toegang heen te leiden. Maar daar dit pad
bijzonder weinig wordt betreden, en dikwijls on-
bekend is, waar het godsdienstige zaken betreft,
moet ik mij voor een oogenblik bij de meest
bekende van alle bekende waarheden ophouden.
GEVOLGEN VEREISCHEN OORZAKEN.
Niets van hetgeen in de wereld gebeurt geschiedt
bij toeval. God is een God van orde. Alles wordt
naar vaste beginselen, nooit wordt iets naar wille-
keur geregeld. De wereld, ook de godsdienstige
wereld wordt geregeerd door wetten. Karakter
ontwikkeling is gebonden aan eene wet. Geluk is
gebonden aan eene wet. De christelijke ervaringen
-ocr page 18-
16
zijn gebonden aan eene wet. Dit vergetende, ver-
wachten de menschen, dat Rust, Blijdschap, Vrede,
Geloof in hunne zielen zullen dalen, gelijk sneeuw
of regen daalt uit de lucht. Maar in werkelijkheid
doen zij zulks niet; en indien zij zulks deden, dan
zouden zij toch niet minder in werkingen, die.
voorafgingen, hun oorsprong hebben gevonden,
en aan natuurlijke wetten onderworpen zijn.
Regen en sneeuw dalen uit de lucht, maar niet
zonder dat zij eene lange geschiedenis achter zich
hebben. Zij zijn de rijpe gevolgen van oorzaken,
die te voren hebben gewerkt. Evenzoo is het met
Rust, en Vrede, en Blijdschap; zij ook hebben
allen eene geschiedenis achter zich. Storm en wind
en windstilte zijn geen toevalligheden, maar
worden door voorafgaande omstandigheden ver-
oorzaakt. Rust en Vrede zijn niet anders dan
windstilte in \'s menschen inwendig leven, en worden
door even bepaalde als onvermijdelijke oorzaken
teweeggebracht.
-ocr page 19-
V
Stel het u zelven duidelijk voor: wij leven in
eene wereld, waarin alles naar vaste regels, niets
bij toeval geschiedt. Als eene huisvrouw een goed
gebak maakt, dan is dit het resultaat van een
nauwkeurig gevolgd, juist recept. Zij kan de
, aangegeven bestanddeelen niet ondereenmengen en
voor bepaalden tijd op het vuur zetten, zonder
dat dit resultaat wordt voortgebracht. Zij is het
echter niet, die het gebak heeft gemaakt; de
natuur heeft dat gedaan. Zij brengt verwante
zaken bijeen; zij doet oorzaken in werking treden
en deze oorzaken brengen het resultaat te weeg.
Scheppend treed zij niet op, maar bemiddelend.
Zij verwacht van toevallige oorzaken geene be-
paalde gevolgen, want zij weet dat willekeurig
gekozen ingrediënten slechts een misbaksel zouden
opleveren. Ditzelfde nu geldt van het verkrijgen
van christelijke ervaringen. Bepaalde regels worden
gevolgd, bepaalde gevolgen zijn daarvan het
resultaat. Deze gevolgen kunnen niet anders dan
2
-ocr page 20-
iS
het resultaat zijn, maar dit resultaat kan nooit
verkregen worden zonder de voorafgaande oorzaak.
Resultaten te verwachten zonder voorafgaande
oorzaken is hetzelfde als te verwachten, dat een
gebak zal ontstaan, zonder bestanddeelen. Dat
dit onmogelijke geschieden zal, is echter juist
hetgeen men bijna algemeen zich voorstelt, in
betrekking tot geestelijke góéderen.,,,
Wat ik nu hoofdzakelijk wensch te doen, is u
deze eenvoudige wet van oorzaak en gevolg in
betrekking tot de geestelijke wereld helpen vatten.
En in plaats van deze wet in \'t algemeen toe te
passen op beurtelings al de christelijke ervarin-
gen, zal ik liever hare toepassing op eene enkele in
bijzonderheden nagaan, en kies, daartoe als voor-
beeld , de Rust. En ik denk, dat ieder, die de
toepassing in dit enkele geval volgt, in alle andere
gevallen, zelf de toepassing zal kunnen maken.
Neem een volzin als dezen: de onderzoekers
van Afrika zijn blootgesteld aan koortsen, die
-ocr page 21-
19
rusteloosheid en delirium veroorzaken. Let op de
uitdrukking: „die rusteloosheid veroorzaken."
Rusteloosheid heeft eene oorzaak. Natuurlijk zou
dus ieder, die van rusteloosheid bevrijd wenschte
te worden , aanstonds beginnen met die oorzaken te
bestrijden. Zoolang deze niet waren verwijderd, zou
een geneesheer honderd middelen kunnen voor-
schrijven , en zouden deze allen beurtelings kunnen
worden aangewend , zonder dat de geringste uit-
werking werd verkregen. In het Scheppingsplan van
de wereld zijn de dingen zoo geregeld, dat
bepaalde gevolgen uit bepaalde oorzaken moeten
voortkomen, en bepaalde oorzaken moeten zijn
te niet gedaan, voor dat bepaalde gevolgen kunnen
ophouden. Aan zekere gedeelten van Afrika
is onafscheidelijk verbonden, de physieke er-
varing die koorts wordt genoemd; aan deze
koorts is wederom eene ervaring des geestes
onafscheidelijk verbonden, die rusteloosheid en
delirium wordt geheeten. De afdoende manier om
-ocr page 22-
20
aan deze geestes ervaring een einde te maken ,
zou zijn een einde te maken aan de physieke
en het middel om de physieke ervaring te doen
ophouden, zou zijn Afrika te doen verdwijnen,
of er niet meer heen te gaan. Dit geldt nu
ook ten aanzien van alle andere soorten van
rusteloosheid. Elke andere vorm en soort van
rusteloosheid in de wereld heeft evenzeer eene
bepaalde oorzaak, en kan evenzeer alleen worden
weggenomen door verwijdering van die oorzaak ,
waaruit zij voortkomt.
Dit alles is ook van toepassing op Rust. Ruste-
loosheid heeft eene oorzaak: moet rust er dan
ook niet eene hebben ? Noodwendig. Als wij leefden
in eene wereld, waarin het toeval heerschte, zou
dit niet zoo zijn, maar daar alles in de wereld
naar vaste regels geschiedt, kan het niet anders
zijn. Rust, zij het lichamelijke of zielerust, gees-
telijke rust, elke soort van rust heeft eene oorzaak,
even zeker als rusteloosheid er eene heeft. Nu is
-ocr page 23-
21
er verscheidenheid van oorzaken. Elk bijzonder
gevolg heeft zijn bijzondere oorzaak, en geen
andere; en als men een bepaald gevolg wenscht
te verkrijgen, moet de daarmede corresponde-
rende oorzaak in werking worden gebracht. Het
is te vergeefs, dat vernuftig uitgedachte plannen
aan de hand worden gedaan, of dat men de ge-
wone godsdienstige oefeningen volbrengt, in de
hoop dat de Rust op de eene of andere wijze zal
komen. In het christelijke leven heerscht niet het
toeval, maar de wet van oorzaak en gevolg. Het
gansch heelal is een voortdurend protest tegen
de ongerijmdheid van de verwachting, dat men
gevolgen van geestelijken aard, of welke gevolgen
ook, zal verkrijgen, zonder zich aan hunne eigen-
aardige oorzaken te houden. De groote Meester
heeft met een enkele vraag aan deze dwaasheid
een slag toegebracht, die voor haar de genadeslag
had moeten zijn: „leest men ook druiven van
doornen of vijgen van distelen?"
-ocr page 24-
22
Waarom echter gaf de groote Meester aan Zijne
volgelingen geen volledig onderricht? Waarom
deelde Hij ons bijvoorbeeld niet mede, op welke
wijze Rust kan verkregen worden? Het antwoord
is, dat Hijditdeed. Maar deed Hij het volledig,
in duidelijke woorden? Ja, volledig, in duide-
lijke woorden, heeft Hij ons de oorzaak van
Rust aangewezen. Het zijn woorden, waarmede
bijna ieder onzer sinds zijne vroegste jeugd be-
kend is geweest.
Hij begint bijna zoo, gelijk gij u herinnert
— want gij weet terstond op welke plaats ik
doel — alsof Rust zonder oorzaak kon verkregen
worden. „Komt tot Mij," zegt Hij, „en Ik zal
u rust geven."
Volgens dit woord wordt Rust klaarblijkelijk
als een genadegave geschonken ; men heeft slechts
tot Hem te komen; Hij wil haar geven aan ieder,
die haar van Hem begeert. Maar met den volgenden
volzin, wordt hieraan oogenblikkelijk eennadere
-ocr page 25-
23
bepaling toegevoegd, die dit alles terug neemt.
Wat de eerste zin schijnt te zeggen, is dan ook
vrij wel onmogelijk. Hoe toch kan in de letter-
lijke beteekenis van het woord, Rust worden
gegeven? Men kan zoo min Rust aan een ander
geven, als men hem lachen kan geven. Wij spreken
van lachen „ verwekken", en dat kunnen wij;
maar wij kunnen het niet geven. Als wij spreken
van smart aandoen, dan weten wij volmaakt
goed, dat wij geen smart kunnen geven. En als
wij genoegen willen geven, kunnen wij de om-
standigheden slechts zoo regelen, dat zij genoegen
zullen veroorzaken. In zekeren, wonderbaren zin,
kan een edele persoonlijkheid, allen die onder
zijn invloed komen, bezielen met vrede en ver-
trouwen. Er zijn menschen die voor anderen zijn,
wat de schaduw van eene groote rots is in een
dor en droog land. Veel meer kan Christus dat
zijn; veel meer kan Hij het zijn als de volmaakte
Mensch; veel meer nog als de Heiland der wereld.
-ocr page 26-
24
Maar het is niet hier van, dat ik spreek. Toen
Christus zeide, dat Hij den menschen Rust wilde
geven, bedoelde Hij alleen, dat Hij hen den weg
wijzen wilde, waarin zij te vinden is. Niet bij
wijze van overdracht wilde of kon Hij Zijne
eigene Rust aan hen schenken. Hij kon hun
slechts voorschrijven, hoe Rust verkregen wordt.
Dat was alles. Maar Hij wilde deze Rust niet
voor hen bereiden; ten eerste lag het niet in Zijn
plan dit te doen; ten andere waren de menschen
niet zoo geschapen, dat Hij ze voor hen bereiden
kon; en in de derde plaats was het duizendmaal
beter, dat ieder voor zich zelven Rust zoekt.
Dat dit de bedoeling is, gelijk ik zeide, blijkt
uit de keuze van woorden in den tweeden volzin:
„Leer van Mij en gij zult Rust vinden." Rust
is dus niet iets, dat als geschenk kan worden
ontvangen, maar iets, dat moet worden verkregen.
Niet door een daad voor eens, maar ten gevolge
van een voortgaande handeling komt zij in ons
-ocr page 27-
25
bezit. Zij kan niet in een gelukkig uur worden
gevonden, gelijk men een schat vindt, maar
slechts langzamerhand , gelijk men kennis verwerft.
Zij kan inderdaad zoo min als kennis in een
ootrenblik worden verkregen. Er moet een ont-
vankelijke bodem voor haar worden toebereid.
Het is met haar als met eene fijne vrucht, die
slechts in een bepaald klimaat, op eene bepaalde
hoogte wil groeien. Het is met haar als met alle
gewas, dat zich geleidelijk ontwikkelen en lang-
zamerhand rijpen wil.
Den aard van dit langzaam voortgaand proces
wijst Christus duidelijk aan, als Hij zegt, dat wij
Rust moeten verkrijgen door leeren. „Leert van
Mij," zegt Hij, „en gij zult rust vinden voor
uwe zielen." Let nu op de buitengewone oorspronke-
lijkheid van deze uitspraak Hoe nieuw is de ver-
binding van deze twee woorden: „leeren" en
„rust." Hoe weinigen onzer hebben ze ooit met
elkaar in verband gebracht — ooit gedacht, dat
-ocr page 28-
26
men door leeren zich Rust eigen moet maken,
ooit er zich op toegelegd, gelijk zij zich zouden
toeleggen op het leeren van eene taal; ooit er
zich in geoefend, gelijk zij in het vioolspelen zich
oefenen zouden. Blijkt hieruit niet, hoe volkomen
nieuw de leer van Christus nog voor de wereld
is, dat zulk een oud en veel gebruikt gezegde
nog zoo weinig toepassing vindt? Het laatste,
waaraan de meesten onzer gedacht zouden hebben,
zou geweest zijn rust met werken te verbinden.
Waarop moet de arbeid gericht zijn? Wat is
het, dat, grondig geleerd, de ziel des menschen
Rust zal doen vinden ? Christus beantwoordt deze
vraag zonder de minste aarzeling. Hij noemt
bepaald twee dingen: zachtmoedigheid en nederig-
heid. „Leert van Mij," zegt Hij, „dat Ik zacht-
moedig
ben en nederig van hart." Deze beide
zijn niet willekeurig gekozen. Het is bepaald aan
deze schoone hoedanigheden, dat Rust is verbonden.
In \'t kort, leert deze in beoefening brengen, en
-ocr page 29-
27
gij hebt reeds Rust gevonden. Deze, als zij een-
maal waarlijk aanwezig zijn, zijn de rechtstreeksche
oorzaken van Rust; zullen haar terstond teweeg
brengen; kunnen niet anders dan haar terstond
teweeg brengen. En als gij een enkel oogenblik
nadenkt, zult gij inzien, dat dit niet anders zijn
kan, want oorzaken zijn nooit bij toeval wat zij
zijn, en het verband tusschen oorzaak en gevolg
zoo hier als elders ligt diep in het wezen der
dingen geworteld.
Welk is dan hier dat verband? Ik antwoord
met eene andere vraag: welke zijn de voornaamste
oorzaken van onrust? Als gij u zei ven kent,
zult gij zeggen: Hoogmoed, Zelfzucht, Eerzucht.
Wanneer gij terug ziet op de jaren, die achter
u liggen, stemt gij dan niet toe, dat wat ze voor-
namelijk ongelukkig maakte, was de opeenvolging
van grievende bejegeningen en voor het meeren-
deel onbeduidende teleurstellingen, die het leven
te midden van anderen, voor u met zich bracht ?
-ocr page 30-
28
Zware beproevingen komen met lange tusschen-
poozen, en wij bestrijden ze om hun het hoofd
te bieden; maar het zijn de kleine botsingen in
ons dagelijksch verkeer met elkander, het gehar-
rewar waarin wij door beroep of arbeid met anderen
komen, de oneenigheid in den huisselijken kring,
de beschaming, aan onze eerzucht bereid, de
tegenwerking, die onze wil ondervindt, de slagen,
aan onze inbeelding toegebracht, waardoor in-
wendige vrede onmogelijk wordt gemaakt.
Gekwetste ijdelheid, teleurgestelde verwachtingen,
onbevredigde zelfzucht — deze zijn van oudsher
de gewone bronnen van \'s menschen onrust.
Het is nu duidelijk, waarom Christus de tegen-
overgestelde eigenschappen noemt, waar het
betreft het bekomen van Rust. Zachtmoedigheid
en nederigheid sluiten dezen uit. Zij genezen van
va» onrust, door haar onmogelijk te maken. Zij
zijn geen middelen, die slechts eenige baat geven
tegen uitwendige verschijnselen, maar zij tasten
-ocr page 31-
2y
dadelijk de oorzaak der kwaal aan en nemen die
weg. Aan het onophoudelijk verdriet van een
zelfzuchtig leven kan men aanstonds een einde
doen komen, door zachtmoedigheid en nederig-
heid van hart te leeren; wie deze deugden leert
is er voor immer tegen beveiligd. Het is een
bekoorlijk leven, dat hij voortaan leeft. Christen
worden is eene liefelijk werkende inenting onder-
gaan , eene instorting van gezond bloed in eene
aan bloedarmoede of bloedvergiftiging lijdende
ziel. Geen koorts heeft macht over een volmaakt
gezond lichaam; geen koorts der onrust kan storing
brengen in eene ziel, die in de atmosfeer van
Christus geademd en Zijne wegen geleerd heeft.
De menschen zuchten: „ och, dat mij iemand
vleugelen eener duive gave, opdat ik mocht
henen vliegen en rust vinden." Maar henen
vliegen zal ons niet baten. „Het koninkrijk Gods
is binnen ulieden." Ons verlangen naar Rust wil
altijd naar de hoogte, en zij ligt in de diepte.
-ocr page 32-
30
Water staat eerst dan stil, als het de laagst ge-
legen plaatsen bereikt heeft. Evenzoo gaat het
met den mensch. Wees daarom nederig. De mensch,
die in het geheel geen dunk van zich zei ven heeft,
kan niet gegriefd worden, als anderen hem mis-
kennen. Wees daarom zachtmoedig. Hij , die niets
verwacht, kan zich niet ergeren, als hij niets
verkrijgt. Het spreekt van zelf, dat het zoo is.
De nederige en zachtmoedige mensch staat in
der daad boven alle andere menschen en heeft alle
dingen onder den voet. Hij beheerscht de wereld
omdat hij zich niet om haar bekommert. De gieri-
gaard bezit niet het geld, het geld bezit hem; maar
de zachtmoedige bezit het. „De zachtmoedigen",
zegt Christus, „beërven het aardrijk". Zij koopen
het niet; zij veroveren het niet; maar zij
beërven het.
Er zijn menschen, die door de wereld gaan,
scherp uitziende , of zij ook met minachting wor-
den bejegend, en zij zijn natuurlijk ongelukkig,
-ocr page 33-
31
want zij achten zich telkens zoo bejegend —
namentlijk in hun verbeelding. Men moet met
zulke menschen evenzeer medelijden hebben als
met de werkelijk armen. Zij zijn de zedelijk
onbeschaafden. Zij hebben geen werkelijke
opvoeding gehad, want zij hebben nooit ge-
leerd, hoe men moet leven. De kunst van
leven is den meesten onbekend ? Wij groeien in
het wilde op, en brengen de bloot dierlijke
drijfveeren der natuurlijke wijze van handelen
uit de dagen der kindsheid in het rijpe leven
over. En het komt niet bij ons op, dat in dit
alles verandering moet plaats vinden, dat veel
daarvan door het tegenovergestelde moet worden
vervangen; dat het leven van alle schoone kun-
sten, de schoonste is; dat deze kunst met levens-
lang geduld moet worden geleerd, en dat al de
jaren onzer vreemdelingschap samen , te kort zijn
om haar volkomen meester te worden.
Dit is nu de strekking van het Christendom —
-ocr page 34-
32
den menschen de kunst van leven te leeren.
En zijne geheele methode is aangegeven in dit
ééne woord: „leert van Mij." Onderscheiden van
alle andere opvoedingsmethoden, wordt hier de
opleiding bijna uitsluitend van één persoon ont-
vangen. Geen boeken, of verhandelingen, ofbelij-
denis schriften, of leerstelsels kunnen haar geven.
Zij wordt door eene studie van het leven verkregen.
Christus sprak nooit veel over de christelijke deug-
den in woorden alleen. Hij gaf ze in Zijn leven te
zien, zij waren in Hem verpersoonlijkt. Wij hebben
Hem echter niet maar na te bootsen. Wij leeren
Zijne kunst van leven, door met Hem te leven,
gelijk oudtijds leerlingen met hunne meesters
leefden.
Begrijpen wij het nu allen ? Als Christus de ver-
moeiden en belasten tot Zich noodigt, roept Hij hen,
om een nieuw leven aan te vangen op den grond-
slag van een nieuw beginsel, van Zijn eigen be-
ginsel namelijk. „Let op Mijne wijze van handelen,"
-ocr page 35-
33
zoo zegt Hij „Volgt Mij." Neemt het leven op,
gelijk Ik het opneem. Weest zachtmoedig en
nederig, en gij zult Rust vinden."
Ik zeg niet, merk dit wel op, dat het christelijk
leven voor ieder of voor eenig mensch een pad
van rozen kan zijn. Geen weg, waarin men tot
het een of ander gevormd, wordt, kan dit zijn.
En misschien zouden sommigen, als zij wisten,
hoeveel in dat eenvoudige ,, Leert van Mij" van
Christus ligt opgesloten, zich niet met zulk een
luchthartigheid in Zijne school begeven. Want er
moet in deze school niet alleen veel geleerd. maar
ook veel afgeleerd worden. Velen treden haar in
het geheel niet binnen, voordat hun oorspronkelijke
aanleg half verloren is gegaan, en hun karakter
zijn vasten vorm heeft aangenomen. Het is
moeielijk wiskunde te leeren, als men vijftig jaar
oud is — veel moeielijker is het op dien leeftijd
te leeren, hoe men een christen wordt. Eenvoudig
te leeren wat het zegt „zachtmoedig en nederig" te
3
-ocr page 36-
34
zijn, kan iemand, die in zijne jeugd daarin niet
onderwezen werd, de helft kosten van hetgeen
hem het meest waard is op aarde. Hebben wij er
bijvoorbeeld een klaar besef van, dat de gewone
school, waarin nederigheid geleerd wordt, die
van vernedering is? Er is daarvoor waarschijnlijk
geen andere school; en het is een hoogst ernstig
besluit, wanneer iemand zich als leerling in deze
school laat opnemen. Er is daar wel veel Rust,
maar er is daar ook veel Werk.
Ik zou verkeerd handelen, als ik, hoewel de
lichtzijde van het christelijk leven mijn onderwerp
is, zweeg van het kruis, aan dat leven verbonden,
en de kosten er van als zeer gering voorstelde.
Maar het geeft aan dit kruis eene meer bepaalde
strekking en eene meer bijzondere waarde, als
wij het dus in rechtstreekschen oorzakelijk verband
brengen met den wasdom van het innerlijke leven.
Onze gewone denkbeelden aangaande den „zegen
der beproeving" zijn gemeenlijk al even vaag als
-ocr page 37-
35
onze bespiegelingen over christelijke ervaring.
Wij gelooven, dat „op de een of andere wijze"
de beproeving ons goed doet. Maar het is hier
niet de kwestie van „op de een of andere wijze,"
de beproeving heeft een bepaald, vooruit te be-
rekenen, noodzakelijk, immers aan de strengste
wet van oorzaak en gevolg gebonden, resultaat.
Als iemand bijvoorbeeld zijn fortuin verliest, dan is
daarvan het eerste gevolg, dat hij vernederd wordt;
en het gevolg der vernedering is, gelijk wij zooeven
gezien hebben, dat hij er nederig door wordt
gemaakt; en het gevolg van zijne nederigheid is
Rust. Dit is klaarblijkelijk een omweg om tot Rust
te komen: maar de natuur volgt bij haar werken
gewoonlijk den weg van geleidelijke ontwikkeling;
en het is niet zeker, dat er een andere weg is
om nederig te worden, of om Rust te vinden. Het
zou de zaak vereenvoudigen, als de mensch zich
zelven nederig kon maken, wanneer hij wilde;
maar wij zien niet, dat hij dit kan. Daarom
-ocr page 38-
36
moeten wij allen in den smeltkroes der beproeving.
Daarom is het afsterven aan de lagere natuur, de
dood der zelfzucht, de naaste poort en de zekerste
weg ten leven.
Maar hiermede heb ik slechts ten halve de
waarheid gezegd. Het leven van Christus was
uitwendig zoo onrustig als er ooit een geweest
is, het was onophoudelijk aan geweldigen storm en
golfslag blootgesteld, totdat Zijn afgemat lichaam
werd gelegd in het graf. Maar Zijn innerlijk leven
was alseenespiegelgladde zee Daarbinnen heerschte
altijd groote stilte. In welk oogenblik gij tot Hem
waart gegaan, gij zoudt immer Rust bij Hem
hebben gevonden Zelfs als de bloedhonden in
Jeruzalems straten Hem vervolgden, wendde Hij
zich tot Zijne discipelen met de aanbieding van
„Zijn Vrede" als Zijn laatste legaat. Niets kon
ook maar voor een oogenblik de heldere kalmte
in Christus leven op aarde verstoren. Tegenspoed
kon Hem niet deren: Hij kende geen voorspoed.
-ocr page 39-
37
Om voedsel, kleeding, geld — voorname oorzaken
van onrust voor de meeste menschen — bekom-
merde Hij zich eenvoudig niet; zij speelden geen
rol in Zijn leven; Hij wijdde er geen aandacht
aan. Zijn ziel kon niet in beroering worden ge-
bracht , door geringschatting; Hij had reeds van
allen roem bij de menschen afstand gedaan. Hij
zweeg op beleedigingen. ,, Als Hij gescholden werd,
schold Hij niet weder" In één woord, niets kon
de wereld Hem aandoen, dat slechts voor een
oogenblik, de kalmte van Zijn zieleleven kon
verstoren
Zulk een leven, alleen reeds als leven, is geheel
eenig. Slechts als wij zien wat zij in Hem was, kunnen
wij weten wat Rust eigenlijk is. Zij bestaat niet
in aandoeningen, zoomin als in afwezigheid van
aandoeningen. Zij is niet een heilig gevoel, dat
over ons komt in de kerk. Zij is niet een invloed
die de stem des predikers op ons uitoefent. Zij is
niet iets dat de natuur, de muziek en poëzie ons
-ocr page 40-
38
meedeelen, hoewel deze allen iets kalmeerends heb-
ben. Rust is — de geest, vrij geworden van zich zel-
ven. Zij is het volkomen evenwicht der ziel; het
volkomen gewapend zijn van den inwendigen
mensch tegen de macht van alle uitwendige dingen;
het bereid zijn op alles, wat zich onverwacht
kan voordoen; de onwankelbaarheid van gevestigde
overtuigingen; de eeuwige kalmte van een on-
kwetsbaar geloof; de stilheid van een hart, dat
rust in God. Zij is de gemoedsstemming van
den mensch, die met Browning zegt: God is in
Zijn hemel, alles gaat wél op aarde.
Twee schilders vervaardigden ieder eene schil-
derij om hunne opvatting van Rust aanschouwe-
lijk te maken. De voorstelling, welke de eene
zich koos, was die van een stil, eenzaam gelegen
meer te midden van ver verwijderde bergen. De
andere bracht op zijn doek een bruisenden water-
val; een teere berkenboom boog over den schuimen-
den vloed zich heen; terwijl aan het uiterste einde van
-ocr page 41-
39
een tak , bijna bespat door het schuim van het
water een roodborstje op zijn nest zat. Wat de
eerste schilderij te zien gaf, was slechts onbe weeglij k-
heid; wat de laatste te zien gaf was Rust. Want
in Rust zijn altijd twee elementen — kalmte en
krachtsontwikkeling j stilheid en storm; schepping
en vernietiging; onbevreesdheid en schroomvallig-
heid. Zoodanig was de Rust in Christus.
Uit dit alles blijkt ten duidelijkste, dat Hij
waarlijk de kunst van leven verstond. Dit alles
is de volmaaktheid van leven, van leven in den
eenvoudigen zin genomen, van op de beste wijze
door de wereld te komen. Van daar Zijn verlangen
om Zijn begrip van leven aan anderen mede te
deelen. Hij kwam, zoo als Hij zeide, om den
menschen leven, waarachtig leven, een rijker leven
dan zij leefden te geven: „het leven", gelijk de
schoone uitdrukking luidt in de herziene vertaling,
„ dat waarlijk leven is." Dit is het, wat Hij zelf
bezat, dit, wat Hij der gansche menschheid aan-
-ocr page 42-
40
biedt. Hierom riep hij allen, die schier doelloos
geleefd • hadden, die vermoeid en belast waren,
rechtstreeks op, om tot Hem te komen. Hun
wilde Hij Zijn geheim leeren, opdat ook zij
zouden leeren kennen, „het leven, dat waarlijk
leven is".
-ocr page 43-
WAARTOE EEN JUK DIENT.
Er is nog iets duisters op te helderen. Aan de
woorden „leert van Mij" voegt Christuseene ont-
moedigende bepaling toe: „neemt mijn juk op
u, en leert van Mij". Waarom, indien al het
voorafgaande waar is, spreekt Hij van eenjitk?
Waarom, terwijl Hij in het eene oogenblik belooft
Rust te zullen geven, komt in het andere het
woord „last" over Zijne lippen? Is het christelijk
leven dan ten slotte toch wat Zijne vijanden
meenen — een druk te meer bij de reeds zoo
groote ellende des levens, een bovenmatig pijnlijke
nauwgezetheid in het vervullen der plichten, een
lastig zich houden aan godsdienstige gebruiken,
-ocr page 44-
42
een drukkende beperking en band voor al wat blij
en vrij is in de wereld ? Is het leven niet moeielijk
en zorgelijk genoeg, ook zonder dat het door nog
een ander juk wordt belemmerd?
Het is verwonderlijk, dat een zoo in het oog
vallend misverstand van deze eenvoudige woorden
ooit in zwang is kunnen komen. Hebt gij wel
eens stil gestaan bij de vraag, waartoe een juk
eigenlijk dient? Strekt het om eene last te zijn
voor het dier, dat het draagt? Het strekt juist
tot het tegendeel. Het dient om zijne last licht
te maken. Anders dan door middel van een juk
aan den os verbonden, zou de ploeg voor dezen
iets onverdragelijks zijn. Nu hij door middel van
een juk wordt getrokken, is hij hem dragelijk. Een
juk is geen marteltuig, het is een instrument van
barmhartigheid. Het is geene boosaardige uit-
vinding om het werk zwaar te doen vallen, het
is eene uitnemende uitvinding om zwaar werk te
verlichten. Het heeft niet de strekking om smart
-ocr page 45-
43
te veroorzaken, maar om voor smart te bewaren.
En toch spreekt men van het juk van Christus
alsof het een slavenjuk ware, en ziet hen, die
het dragen, met medelijden aan. Eeuwen lang
zijn er preeken gehouden over „het juk van
Christus"; sommige predikers stelden met wei-
gevallen de strenge eischen van het christendom in
het licht; sommigen zochten in deze eischen de merk
teekenen van zijne goddelijke herkomst; anderen
verontschuldigden en verzwakten ze; weer anderen
verzekerden ons, dat, schoon het een zeer hard
juk is, dat het christendom oplegt, het toch in
geen vergelijking kan komen met de positieve
zegeningen, die het christendom schenkt. Hoe
menigeen, voornamelijk onder de jeugdigen van
jaren, zijn alleen door deze verkeerde uitlegging
voor altijd van het koninkrijk Gods weggedreven.
In stede van Christus aantrekkelijk te maken
stellen zulke preeken Hem voor als iemand, die
lasten oplegt, die door het stellen van nietige
-ocr page 46-
44
beperkingen het aardsche leven moeielijk maakt,
die tot zelfverloochening roept waar geen zelfver-
loochening noodig is, die ellende maakt tot een
deugd onder voorwendsel, dat dit het juk van
Christus is, en geluk tot iets misdadigs, omdat
de vroolijken dit juk liefst ontwijken. Volgens
deze opvatting zijn Christenen in het beste
geval, de slachtoffers van een drukkend levens
lot; hun leven iseene boetedoening; en hun hoop
voor de toekomende wereld wordt gekocht met
een langdurig martelaarschap in de tegenwoordige.
Het misverstand is ontstaan door dat men het
woord „juk" hier in dezelfden zin op vatte, als
waarin het voorkomt in de uitdrukkingen „ onder
het juk", of „het juk in zijne jeugd dragen".
Maar in de beeldspraak, die Christus bezigt, is
het niet httjugum van den Romeinschen soldaat,
maar het eenvoudig „tuig" of „gareel om den
hals van den os", door den Oosterschen landman
gebruikt. Het is in letterlijken zin het houten juk,
-ocr page 47-
45
gelijk Hij dat waarschijnlijk dikwijls met Zijne
eigene handen in de timmermanswinkel maakte.
Hij kende het verschil tusschen een zacht en een
hard juk, tusschen een, dat slecht, en een, dat
goed paste; Hij kende ook het onderscheid, dat het
eene met het andere maakte voor het geduldige dier,
dat het te dragen had. Het harde juk schaafde het
vel af, en de last werd met moeite — het zachte
juk deed geen pijn, en de last werd gemakkelijk
getrokken. Het slecht passend tuig was eene
kwelling; het wel passend gareel eene ,, verlich-
ting". En wat is de last, waarvan Christus
sprak ? Het is niet eene last, die in het bijzonder
op de Christenen gelegd wordt, eene eenige stral
die alleen zij moeten dragen Het is de last die alle
menschen dragen. Het is eenvoudig het leven,
het menschelijk leven zelf, de algemeene last
des levens, die allen met zich mede moeten
voeren, van de wieg tot aan het graf. Christus zag,
dat den menschen het leven zwaar viel. Voor
-ocr page 48-
46
sommigen was het eene mislukking, voor velen
een treurspel, voor allen worsteling en moeite.
Hoe deze last des levens het best te dragen, was
het vraagstuk, waarmede de geheele wereld
zich had bezig gehouden. Het is nog het vraag-
stuk, naar welks oplossing de geheele wereld
zoekt. En dit is de oplossing, door Christus
gegeven: „Draagt haar gelijk Ik haar draag.
Neemt het leven op, gelijk Ik het opneem.
Beziet het van uit Mijn gezichtspunt. Verklaart
het volgens Mijne beginselen. Neemt Mijn juk op
u, en leert van Mij, en gij zult ondervinden dat
het leven u licht valt. Want mijn juk is zacht,
het doet gemakkelijk dragen, het past goed op
de schouders, en daarom is Mijn last licht."
Er wordt hier geen recht gegeven tot het
vermoeden, dat de godsdienst iemand van het
dragen van lasten bevrijden zal. Dat zou hetzelfde
zijn als hem vrijmaken van leven, daar het leven
zelf de last is. Wat het Christendom bedoelt is
-ocr page 49-
47
deze last dragelijk te maken. Het juk van Christus
is niet anders dan Zijn geheim om het menschelijk
leven licht te doen vallen, Zijn voorschrift voor
de beste wijze van leven. De menschen spannen
zich op verkeerde en onbeholpen manier voor
hun arbeid in, zij trekken hunnen last, maar met
een hulpmiddel dat reeds lang verouderd is. Op
zijn best bestaat dit, in een hard, kwalijk passend
gareel, dat hun voortdurend de nek wondt, daar
zij het dikwijls aanleggen op de plaats waar deze
het gevoeligst is; en door voordurend volharden
in deze verkeerde wijze van handelen, neemt
deze gevoeligheid toe, totdat hun geheele wezen
prikkelbaar en uiterst aandoenlijk is geworden.
Dit is de oorsprong o. a. van een kwaal, die
„lichtgeraaktheid" wordt genoemd, eene kwaal,
die ondanks haar onschuldigen naam, eene van
de voornaamste bronnen van rusteloosheid is in
de wereld. Lichtgeraaktheid, als zij chronisch
wordt, is een ziektetoestand van den innerlijken
-ocr page 50-
48
mensch. Zij is op de spits gedreven zelfzucht;
inbeelding zonder grenzen. De genezing wordt
verkregen door het juk naar eena andere plaats
te verschuiven; door ons met menschen en dingen
op een andere wijze, in aanraking te doen komen;
door zachtmoedig en nederig van hart te worden
terwijl de oude natuur gevoelloos wordt, doordat
wij niet meer, als vroeger, aan haar toegeven.
Het is het schoone werk, dat het christendom
allerwege verricht, dat het de last des levens
geschikt maakt voor hen, die haar dragen, en
dezen voor haar. Het bezit eene gansch wonderbare
gave van genezing. Zonder aan de menschelijke
natuur eenig geweld aan te doen, brengt het
haar in overeenstemming met het leven, in har-
monie met alle omringende dingen, en doet hen,
die door de moeiten en het stof dezer wereld
geteisterd haast niet meer voort kunnen, her-
stellen tot een nieuwen hoogerleven. Alleen reeds
door in het perspectief van het leven en in de
-ocr page 51-
49
verhoudingen der dingen verandering te brengen,
bezit het een geheel bijzonder vermogen om
\'s menschen moeite te verlichten. Het gewicht
van een last hangt af van de aantrekking, die de
aarde op haar uitoefent. Maar veronderstel eens,
dat de aantrekkingskracht der aarde ware weg-
genomen? Op eene andere planeet, waar de
aantrekkingskracht geringer is, weegt een ton
niet de helft van wat zij weegt op de onze. Het
Christendom nu neemt de aantrekkingskracht der
aarde weg, en dit is een van de middelen, waardoor
zij de last der menschen verlicht. Het maakt hen
burgers van een andere wereld. Wat gisteren het
gewicht van een ton voor hen had, weegt hun
heden niet half zoo zwaar. Zonder in iemands
omstandigheden verandering te brengen, alleen
door zijn horizon te verwijden en hem een andere
maatstaf in handen te geven, doet het de wereld
een geheel nieuwen aanblik voor hem verkrijgen.
Het christendom, gelijk Christus het geleerd
4
-ocr page 52-
50
heeft, is de meest ware levenswijsheid, die
ooit werd verkondigd. Maar als wij van christendom
spreken, laat ons dan volkomen zeker zijn, dat
wij het christendom van Christus bedoelen. Elk
ander christendom is of een caricatuur, of eene
overdrijving, of eene misvatting, of eene gebrekkige
en oppervlakkige voorstelling van het ware. Van elk
ander is het streven meest hopeloos, en zijn de resul-
taten jammerlijk. Maar onverschillig wie de mensch
is, door welk tranendal hij is heengegaan of welhaast
zal gaan, er is een nieuw leven voor hem te vin-
den in den weg, door Christus gewezen.
-ocr page 53-
HOE VRUCHTEN GROEIEN.
Indien „Rust" mijn onderwerp was, zou ik daar
omtrent nog andere dingen wenschen te zeggen,
en van nog andere soorten van Rust wenschen
te spreken. Maar dat is mijn onderwerp niet.
Waarover ik handel is, dat de christelijke er-
varingen niet bij tooverslag zijn te verkrijgen,
maar dat zij onderworpen zijn aan de wet van
oorzaak en gevolg. En ik heb Rust alleen gekozen
om in een enkel voorbeeld de toepassing van
deze wet te doen zien. Als er tijd voor was, zou
ik beurtelings bij al de christelijke ervaringen
kunnen stilstaan en aantoonen, hoe dezelfde groote
wet op elk hunner toepasselijk is. Maar ik geloof
-ocr page 54-
52
dat ik beter doe met deze proefneming verder
aan u zelven over te laten. Ik ken geen Bijbel-
studie, die gij vruchtbaarder zult bevinden dan
deze, of die u met de wegen Gods meer ver-
trouwd, of die uw christelijk leven degelijker en
vaster zal maken. Eene enkele toelichting van
hetgeen ik bedoel zal ik hier alleen nog bijvoegen
eer ik eindig.
Hoe komen wij aan blijdschap? Ik heb een
leerling van een zondagschool gekend, die het
er voor hield, dat blijdschap iets was, bij hoopen
gemaakt en ergens in den hemel bewaard en,
als de menschen er om baden, stukken daarvan
op de eene of andere wijze naar beneden werden
gelaten en in hunne zielen ingebracht. Ik ben er
niet zeker van, dat op dit punt, bij menschen die
wijzer moesten wezen, eene even grove en
zinnelijke voorstelling heerscht. In werkelijkheid is
blijdschap evenzeer als smart aan de wet van oorzaak
en gevolg onderworpen. Niemand kan blijdschap
-ocr page 55-
53
verkrijgen alleen door er om te vragen. Zij
is eene van de rijpste vruchten van het christelijk
leven, en moet als alle vruchten zijn gegroeid.
Er bestaat in Indie\' een zeer aardig kunstje, het
mango-kunstje genaamd. Een zaadkorrel wordt in
den grond gelegd en met aarde bedekt, en nadat
verschillende tooverformules zijn uitgesproken,
komt binnen vijf minuten een in vollen bloei staand
mango boompje te voorschijn. Ik heb nooit iemand
ontmoet, die wist hoe het kunstje gedaan werd,
maar ik heb ook nooit iemand ontmoet, die het
voor iets anders dan een goochelkunstje hield.
De menschen gelooven tegenwoordig vrij wel
eenparig dat er orde heerscht in de natuur. Al
kunnen zij niet verklaren hoe vruchten groeien,
dit weten zij, dat zij niet in vijf minuten kunnen
groeien. Er zijn levens, die niet eenmaal een stengel
hebben, die de vruchten zou kunnen dragen,
ook al groeiden zij in vijf minuten. Sommigen
hebben in hun geheele leven nooit een goed
-ocr page 56-
54
zaad van blijdschap geplant; en anderen, die
misschien een korrel of twee geplant hebben,
hebben zoo weinig in den zonneschijn geleefd,
dat dezen nooit tot wasdom konden komen.
Hoe komen wij dan aan blijdschap? Christus
heeft ons dien aangaande onderricht in eene van de
schoonste Zijner gelijkenissen. In elk geval zou
ik mij hier, even als toen ik over Rust sprak,
op Zijn onderwijs hebben beroepen, want ik wensch
niet, dat gij denkt, dat ik slechts mijne eigen
meeningen uitspreek. Maar het treft nu zoo,
dat er eene plaats van buitengewonen rijkdom
in de Schrift is, waarin Hij over dit onderwerp
handelt.
Ik behoef u die plaats niet in haar geheel te
herinneren. De gelijkenis van den wijnstok is het
die ik bedoel. Hebt gij er ooit over nagedacht,
waarom Christus die gelijkenis uitsprak ? Hij gaf
haar niet enkel als eene schoone toelichting van
algemeene waarheden. Zij was niet alleen eene
-ocr page 57-
55
voorstelling van de mystieke eenheid, tusschen
Hem en de Zijnen en van Zijn inwoning in de har-
ten der Zijnen. Zij was dat alles; maar zij was meer
dan dat. Nadat Hij haar had uitgesproken, deed
Hij wat Hij gewoon was te doen, als Hij Zijne
gewichtigste leeringen gaf. Hij keerde zich tot
zijne discipelen en zeide, dat Hij hun zou mee-
deelen, waarom Hij haar had doen hooren. Het
was om hun te zeggen, hoe zij blijdschap konden
verkrijgen. „Deze dingen heb Ik tot u gesproken",
zeide Hij, opdat Mijne blijdschap inublijve,en
uwe blijdschap vervuld worde". Zij was opzettelijk
door Hem uitgesproken, met het bepaalde doel
om hun Zijn geheim van het geluk mede te deelen.
Lees nu de voorafgaande verzen, en gij zult
de oorzaken vinden, waarvan geluk het gevolg
is, de bron, en wel de eenige bron, waaraan
waarachtig geluk ontwelt. Ik zal die verzen niet
in bijzonderheden nagaan, maar noodig u uit om
zelven in den zin der woorden door te dringen.
-ocr page 58-
56
Herinner u vooreerst, dat in het Oosten de wijn-
stok het zinnebeeld van blijdschap was. Zijne vrucht
was het, die het hart des menschen vroolijk maakt.
Toch, hoe onschuldig die vroolijkheid was — want
het uitgeperste druivensap was de gewone drank
aan den disch van iederen landman — zij was
slechts van minder allooi en voorbijgaande. Zij was
geen waarachtig geluk.en de wijnstok van Palestina\'s
wijngaarden was de ware wijnstok niet. Chris-
tus
was de ^ware wijnstok." Hier hebben wij dus de
eigenlijke bron van blijdschap. Door welke mid-
delen zij ook verkregen wordt, alle ware blijdschap
heeft hare bron in Christus. Hiermede is natuurlijk
niet bedoeld, dat als wij haar bezitten, zij dan
uit Christus wezen in het onze is overgegaan.
Wat op ons is overgegaan , is Zijne methode om
haar te verkrijgen. In zekeren zin kunnen wij onge-
twijfeid in de blijdschap of droefheid van een ander
deelen. Maar daarvan is hier geen sprake. Christus is
voor de menschen de bron van blijdschap, in den zelf-
-ocr page 59-
57
den zin als waarin Hij voor hen de bron var. Rust is.
De Zijnen hebben deel aan Zijn leven en hebben
daarom aan de gevolgen er van deel, en een van deze
is blijdschap. Zijne methode van leven is zoodanig,
dat zij blijdschap moet teweegbrengen. Toen Hij
zeide, dat Zijne blijdschap in ons zou blijven,
bedoelde Hij ook, dat de oorzaken, die zij had,
zouden blijven voortwerken onder ons. Zijne
volgelingen zouden door Zijn leven na te volgen
ervaren wat met zulk een leven samengaat. Zijne
blijdschap, de blijdschap die Hij kende, zou in
hen blijven.
Het middel, waardoor deze blijdschap ons deel
wordt, heeft Christus aangewezen met de woorden
„die in Mij blijft draagt veel vrucht." Eerst moeten
wij vruchten dragen en dan kunnen wij blijdschap
smaken, het eene is de oorzaak van en het middel
tot het andere. Vrucht dragen moet voorafgaan;
blijdschap volgt daar noodzakelijk op, gaat er
noodzakelijk mede gepaard. Deels verkrijgen wij
-ocr page 60-
58
haar door vruchten voort te brengen, deels door
in gemeenschap te blijven met Christus, die ons
daartoe in staat stelt. Ten deele wordt zij teweeg
gebracht door het leven met Christus op zich zelf,
door den vrede, het, gevoel van veiligheid, de
liefde die het met zich brengt; ten deele door den
invloed, dien dit leven met Christus uitoefent op
gemoed, karakter en wil; en ten deele door het
leven en werken voor anderen, waartoe het bezielt,
alsmede door de zelfverloochening en de vreugde
over anderer voorspoed, welke daaraan ver-
bonden zijn. Dit alles is nu het een, dan het
ander, op zijne wijze een bron van rein geluk.
Zelfs het eenvoudigste van deze middelen — wei-
doen aan anderen — werkt terstond en is onfeil-
baar. Geluk is volstrekt niet iets geheimzinnigs.
Wend slechts de rechte middelen aan, en gij
zult het verkrijgen. Hij, die in Christus blijft,
zal veel vrucht dragen; en veel vrucht dragen
is gelukkig zijn. Het onfeilbaar middel tot geluk
-ocr page 61-
59
is dus weldoen; en het onfeilbaar middel om
weldoen te leeren is blijven in Christus. Het af-
doende bewijs, dat hier eenvoudig de wet van
oorzaak en gevolg geldt, is dat elke andere weg
tot geluk, die kan uitgedacht worden , teleurstelt.
Een bepaald gevolg kan altijd slechts door zijne
bepaalde oorzaak worden teweeggebracht.
Is dan het verkrijgen van christelijke er-
varingen ons eigen werk ? Dat is het, maar alleen
in- denzelfden zin, waarin het ons eigen werk
is, dat wij druiven verkrijgen. Alle vruchten
groeien — het zij dat zij groeien in den grond of
in de ziel; hetzij dat zij vruchten zijn van den wilden
of van den waren Wijnstok. Een mensch echter
kan ze niet doen groeien. Hij kan ze aan het
groeien krijgen
door alles te doen wat tot hun
wasdom vereischt wordt. Maar de wasdom zelf komt
van God. Oorzaken en gevolgen zijn door eeuwige
wetten in de wereld vastgesteld, onafhankelijk
van den mensch. Wat deze kan doen is zelf in
-ocr page 62-
6o
een reeks van gevolgen werkend optreden. Zoo
kan hij de dingen aan het groeien krijgen, zoo
kan hij zelf wassen, in geestelijken zin. Maar
die groeien doet is de Geest van God.
Wat behoef ik hier meer aan toe te voegen
dan dit: neem zelve de proef met deze methode.
Beeld u niet in, dat gij de christelijke ervaringen
verkregen hebt, omdat gij weet hoe gij ze ver-
krijgen kunt. Gij zoudt even goed kunnen pogen
u te voeden door een kookboek te lezen. Als gij
echter den eenvoudigen en natuurlijken weg volgt,
dien ik u aanwees, dan meen ik u te kunnen beloven,
dat gij niet teleurgesteld zult worden. Gebruik
den tijd, dien gij tot nu toe hebt doorgebracht
met het uitzien naar vruchten, tot het vervullen
der voorwaarden onder welke zij groeien. De
vruchten zullen dan komen, moeten komen. Wij
hebben tot heden buitengemeen veel aandacht
gewijd aan gevolgen, aan de christelijke ervarin-
gen zelve; wij hebben ze beschreven, hoog
-ocr page 63-
6i
verheven, aangeprezen, er om gebeden — alles
gedaan, behalve dat wij hunne oorzaken hebben
nagespeurd. Laat ons voortaan rekening houden
met oorzaken. „Te zijn, zegt Lotze, is in betrek-
king te staan." Elke andere methode van christelijk
leven is onzeker. Van elke andere methode om de
Christelijke ervaringen te verkrijgen, geldt een „inis-
schien ". Maar zoo zeker als deze methode geheel
natuurlijk is, kan zij niet feilen. Haar waarborg zijn
de wetten van het heelal, en deze zijn „de handen
van den levenden God".
-ocr page 64-
Bij de uitgevers dezes is mede verschenen:
DE TWEEDE DRUK VAN
„HET HOOGSTE GOED"
EENE TOESPRAAK
VAN
Professor HENRY DRUMMOND.
Naar het Engelsch.
Prijs 60 cent.
In het oorspronkelijke werd dit boekje reeds
17 maal gedrukt, tot een getal van 300.000 exempl.