-ocr page 1-
aJ£i£s
jfiiiiiiiiiiiiiMiimiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiMiiiiiii
MaSP^^^E^Si®
*
>
ö
9
X X.X//A X<X X X X X X X ///// X X//X/X X X X X X XX \'X/X/X-X X XXX
6
«Q
&
\' fg-;--\'/^i/^\\y"i
(<^yJ"
Ernstige Gedachten
- MV.#.-V1.--------------
a
p
I
Ü
NAAR HET HOOGDUITSCH
Dr. J. HERMAN DE RIDDER Jr.
i
PP
]
:
I
I
g
6
^
MKPl\'EL
H. TEN BRINK
1891.
&
ei
I
x-x \'/\'////a:^/\'//\'\'////\'//////:/-/./ x.x xxx\'X x x x x x//x/X/X x x x x x x
hiiiniiiiiiMiiii\'in\'iiiiiiiiiiiiiiii\'iimiii\'i\'iiiiii 11 ii i\'i in mm i i m m\'m\'m\'i mm mm iimimm iiMiMiiiiiir
m
"\'ï&etë"0
S^*\'
-ocr page 2-
-ocr page 3-
.^M)
^0\'<r°
Hrnstige gedachten
^;ïïrr^iiTr\'^>^"^
x;
^
ei
•;
NAAR HET DU1TSCH
Dr. J. Herman de Ridder Jr.
~Gr^
\\A<t tl». >S7
MEPPEL
H. TEN BRINK
-ocr page 4-
-ocr page 5-
VOORREDE.
Dit boekje - een pleidooi voor de groote waarheid
dat christen zijn iets anders is dan een gelooven, in
den zin van: voor waar houden, iets anders dan een
zich onderwerpen aan een kerkleer
- is gesel/reven
door den Oberstlieutenant und etatsmdsziger Stabs-
offizier van het eerste Saksische Huzaren-regiment
M. von Egidy, en deze hoofdofficier is voor zijn moed,
om uit waarheidsliefde zijne overtuiging te plaatsen
tegenover de heerschende opvatting, gestraft met ontslag
uit den dienst. Het eigenaardige en ook merkwaardige
feit, dat een militair schrijft over een godsdienstig
vraagstuk en dit doet met zooveel warmte, gedreven
door ernstige waarheidsliefde, met een hart dat dorst
naar vroomheid, bracht er mij toe gevolg te geven aan
liet verzoek van den uitgever om het in een Hollandsch
gewaad te stelten. Want de inhoud is niet nieuw. Deze
-ocr page 6-
dingen zijn onder ons meer gezegd en xoorden nog tel-
kens herhaald. Doch het is nu eens niet een predikant
die dit zegt, niet iemand die gewoon is zich bezig te
honden met dergelijke vragen, maar een. „teek" en
daaraan ontleent hel hier gezegde grooter loaarde;
want al heeft dit natuurlijk een .schaduwzijde, omdat
de schrijver blijkbaar niet gewoon is met de pen om
te gaan, de groote lichtzijde is, dat dit geschrift zijn
ontstaan dankt aan. een heilig moeten, en dat het daar-
door geschreiben is met groote warmte. Op haast iedere
bladzijde spreekt een hart dat klopt voor onze lioogste
belangen en de schrijver dioingt lot eerbied voor zijn
ovevhiigiiigsnioed. Ook al richt hij zich, meer lot het
hoofd dan tot lief hart, draagt toch dit boekje een
stichtelijk karakter, al was lui alleen door (les schrij-
■vers geestdrift, een geestdrift zoó groot dat zij hem
ten slotte er toe brengt wat al te schoone luchlkasteelcn
te bouwen.
Slechts hier en daar, vooral in het laatste gedeelte,
heb il;, iets bekort en waar het mogelijk mis, getracht
het eigenaardig Duitsche er aan te ontnemen. Bij dni-
zenden is het in Duitschland verspreid. Moge het ook
hier zijn weg vinden en dezen en genen nog eens aan-
sporen tot onderzoek, dwingen tot nadenken. Dan brengt
het reeds een zegen.
Meppel.                                                        de R.
-ocr page 7-
Doet de kerk, zooals zij nu is, wat zij doen moet:
de uitbreiding van het Christendom bevorderen? be-
reikt zij haar doel: te verzamelen en te verlichten?
Ik zeg: neen! en daarmede spreek ik slechts iets
uit, wat millioenen menschen denken, wat eenigen
duidelijk ondervinden, anderen onbestemd vermoeden.
En waarom: neen ? Om onze innige overtuiging dat
de kerk ons niet de waarheid leert, als zij zegt:
Christus is een God geweest, en dat zij iets onmoge-
lijks van ons verlangt, als zij eischt dat wij gelooven
zullen aan Jezus Christus, waarachtig God.
Om er iets toe mede te werken, dat de kerk dien
eisch laat vallen en dat daardoor alle Christenen zich
weder vereenigen in één enkele groote kerk, d. i. in
het Christendom, in het zuivere, ware, onvervalschte
Christendom, daarom schrijf ik dit.
Wat is dan toch de kerk ? Een instelling. Volgens
den een: een goddelijke, volgens den ander: een men-
1
-ocr page 8-
2
schelijke. Ik laat nu beide beweringen eens gelden.
"Want in zooverre als zij dient om den godsdienst te
bevorderen, is zij goddelijk, maar haar gansene in-
richting is menschelijk.
Maar iets gansch anders is de godsdienst — het
Christendom.
De godsdienst is geen instelling. Onder godsdienst
versta ik het bewaren van die goddelijke „vonk" die
oorspronkelijk in ieder mensch is. „God schiep den
mensch naar Zijn beeld" en daar God de liefde is,
zoo is dat goddelijke dat daar in ons ligt, een zaadje
der liefde.
Wie die vonk in zich laat uitdooven, wordt on-
godsdienstig, goddeloos. Wie haar laat voortgloeien
daarbinnen, die verspreidt althans licht en warmte,
telkens als zij wordt aangeblazen; meest echter leeft
hij daar maar voort, niet koud en niet warm, op
zijn minst anderen niet in den weg, maar toch ook
zelden anderen ten zegen.
Maar wie die vonk aanwakkert tot een heldere
vlam, die verspreidt altijd licht en warmte. Hoe
krachtiger die vlam is, des te inniger, des te meer
bewust is zijn omgang met God; met elke gedachte,
die van liefde spreekt, openbaart Gods wezen zich
duidelijker in hem; met elke daad van liefde wordt
de Godsgedachte krachtiger; altijd helderder, altijd
duidelijker staat het wezen der alles omvattende liefde
vóór hem en hij begrijpt: dat Gods liefde oneindig is;
-ocr page 9-
3
hij begrijpt het en nu hij in de liefde den Vader
heeft gevonden, en ontdekt dat diezelfde liefde in
hem ook leeft — nu noemt hij verheugd zichzelven
een godskind.
Zoo denk ik mij den godsdienst.
En het Christendom? Wel, dat is een bepaalde
godsdienst, mijn godsdienst, uw godsdienst — de
godsdienst voor welks stichter wij Christus houden,
in zooverre als hij ons gezegd heeft, hoe wij de tien
geboden, ons door den machtigen wetgever Mozes
geschonken, opvatten en in praktijk brengen moeten.
Mozes stelde bij de wet vast wat God wil. Jezus,
die het wezen Gods dieper had leeren kennen —
God is de liefde — liet den geestelijken zin uitkomen
en predikte ons hoe dat geschieden moet. „Gij hebt
gehoord dat tot de ouden gezegd is — maar ik zeg
u." Dat is geen tegenstelling, maar een vervulling,
en in zooverre als die vervulling der wet in praktijk
wordt omgezet, is het Christendom ook de beste
godsdienst.
Den prediker van dien godsdienst, die daardoor
zooveel deed voor ons zieleheil, noemen wij gaarne
onzen Heiland; zijn prediking is ons Evangelie, waarbij
wij zweren willen — maar zonder daarom hem God
te achten. Er is maar één God, ons aller God, de
Vader ook van Jezus Christus, maar niet — zooals
ons in de kerk wordt voorgebeden — eerst door
hem ook onze Vader. Hij is onze Vader van den
-ocr page 10-
4
aanvang af en door zich zei ven. Die eene God
woont in ieder menschenhart; zijn huis is dus de
menschheid, d. w. z. de menschheid in zooverre zij
Hem den eenen God erkent, zijn openbaring ziet in
de door den Heiland gepredikte liefde, en Hem aan-
bidt — maar aanbidt nooit anders dan in geest en
in waarheid.
Godsdienst is dus een algemeen, Christendom een
bizon der begrip, maar de kerk is een instelling, hoe
goddelijk haar gedachte ook zij, toch „door menschen-
handen gemaakt." Maar dat neemt niet weg, dat voor
den Christen vaak het begrip godsdienst, Christendom,
kerk samenvalt, als ware dat een. De godsdienst is
het algemeene doel, het Christendom het bizondere,
en voor beiden is de kerk het middel, één middel,
en — nu maar eerlijk bekend — in haar tegenwoor-
dige gestalte een zeer weinig krachtig middel.
Voor ieder denkend mensch staat \'t toch vast, dat
het eenig doel van de kerk mag zijn den mensch op
te leiden tot godsdienstzin, aan te sporen tot een Chris-
telijken levenswandel; daarin ligt haar bestaansrecht.
Maar als eerste regel bij alle opleiding staat vast:
men mag niets onmogelijks eischen. Doet men dit
bij duidelijk onwezenlijke dingen en tegenover hen,
die geestelijk afhankelijk zijn — tegenover kinderen
en onverstandigen — dan verwart men hoogstens de
begrippen „moeten en kunnen". Maar verlangt de
-ocr page 11-
5
opvoeder iets onmogelijks van zelfdenkende, zelfbe-
wuste menschen, dan dwingt hij tot ongehoorzaam-
heid, prikkelt de kwaadwilligen tot verzet, brengt de
betergezinden in de war en boet bij zijn trouwste
aanhangers iets in van zijn eigen waardigheid —
terwijl het toch juist daardoor is, dat de opvoeder
gezag heeft.
En nu beweer ik dat de kerk iets onmogelijks ver-
langt, als zij ons wil laten gelooven dat Jezus Christus
een God geweest is.
Ik kan alleen gelooven wat zich in eenigen bevat-
telijken vorm aan mij voordoet, openbaart, of wat
mij overtuigend bewezen wordt door een ander, dien
ik geloofwaardig acht. Aan een God kan ik gelooven,
want Hij openbaart zich aan mij, eiken dog, elk uur;
in mijn binnenste ervaar ik Hem, maar als één wezen,
één almachtig, alwetend wezen — zoo spreekt de
ervaring van ieder mensch van Hem, en toch komt
de kerk ons lastig vallen met de onbegrijpelijke, on-
duidelijke gedachte van „Drie-eenig God". Is zoo\'n
begripsverwarring er op aangelegd om der Christen-
heid den weg ter zaligheid lichter te maken ?
God openbaart zich aan mij in de wereldgeschie-
denis, even goed als in het onbeduidendste voorval
van mijn eigen dagelijksch leven. Hij openbaart zich
in ieder mensch en heeft zich voor mij het duidelijkst
geopenbaard in Jezus Christus, in den mensch in
wiens ziel die goddelijke vonk het sterkst gloeide, en
-ocr page 12-
6
die de eerste was, die ons het wezen der godheid ver-
toonde, daar hij haar de liefde noemde en mij daar-
door leerde, hoe ik „in het licht moet wandelen, vol
licht en waarheid." Dat deze m e n s c h geleefd heeft,
geloof ik natuurlijk — ik zie immers dagelijks dat er
menschen zijn; ik geloof ook, dat hij deze of derge-
lijke woorden gesproken heeft, als ons in het Nieuwe
Testament worden medegedeeld — want dat zijn
mogelijkheden, en die geloof ik, zoolang ik geen grond
heb om er aan te twijfelen.
Ik kan ook gelooven aan het voortbestaan der ziel.
Ik kan mij duidelijk voorstellen dat, op het oogen-
blik dat mijn lichaam ophoudt te leven, mijn geest
zijn stoffelijk omhulsel verlaat; hoe zou ik anders
kunnen voortleven met den geest van mijn geliefde
dooden? Die geest is een „iets", dat een bewust voor-
stellingsvermogen bezit; hij weet met „volkomen"
duidelijkheid wrat hij hier was en hier gedaan heeft,
zóó duidelijk dat hij zelfs, wat dat vroegere leven
betreft, begrijpt wat hij hier op aarde voor goeds
of kwaads gedaan heeft, en dat is niet bedoeld alleen
van waarneembare daden, maar bepaaldelijk wat aan-
gaat de bedoeling; want in goddelijken zin zijn ge-
dachten daden.
Geeft nu dit „begrijpen" der ziel een weldadig ge-
voel, dan is zij in den hemel; wordt de ziel er door
gekweld, dan in de hel. Dat kan ieder bij eenigszins
rustig denken begrijpen; hij kan het dus gelooven,
-ocr page 13-
7
omdat hij het ervaart. Maar voor dat voortbestaan
der ziel, voor dat zich in den hemel of in de hel ge-
voelen, behoeft Christus nog geen God geweest te zijn.
Dat een wezen, een geest, alzoo: God de wereld
heeft geschapen, dat zie ik; evenzoo ben ik er mij
van bewust dat Hij den mensch schiep; maar dat
diezelfde geest een mensch zou „gewonnen" hebben,
dat is een onding — maar dat wil de kerk toch dat
ik geloof. Ik zou moeten gelooven dat Jezus Christus
op andere wijze mensch werd, als wij allen het wer-
den, en dat te gelooven is onmogelijk. Even onmo-
gelijk is het natuurlijk te g e 1 o o v e n, dat een werkelijk
dood mensch tot het leven ontwaakt, en even onmo-
gelijk dat een wolk van den hemel nederdaalt, een
mensch medeneemt en hem omhoog voert.
Van al die andere, in het Nieuwe Testament ver-
haalde, gebeurtenissen : dat de hemelen zich openden
en een menigte van het hemelsche heirleger tot de
herders kwam, dat de Heiland op zee wandelde en
al die wonderen meer, daarvan spreek ik nu maar
niet — ik beweer, elke in den bijbel verhaalde ge-
beurtenis, die ligt buiten het gebied der mogelijke
dingen, d. i. die in strijd zijn met de door God zelf
ingestelde natuurwetten, in het kort elk wonder, dat
ons verhaald wordt, is een onwaarheid.
Ik denk er niet aan er den mannen een verwijt
van te maken, die, om welke redenen dan ook, ons
-ocr page 14-
8
zulke onwaarheden vertelden, overleverden, ook hun
niet die tot nu toe met een goed of een kwaad ge-
weten van ons eischten, deze dingen te gelooven,
omdat zij in den Bijbel staan en de kerk ons ver-
plicht de verhalen uit den Bijbel als ware gebeur-
tenissen te erkennen — maar van de kerk mogen
wij verlangen, dat zij haar eisch, iets onmogelijks te
gelooven, laat vallen. Dat mogen wij, omdat zij met
dien eisch niet staat op den bodem van het ware
Christendom, maar van een gemaakt Christendom.
De kerk acht het haar plicht het Christendom te
„construeeren"; men kan immers hooren beweren: de
menschwording van Christus moest het in den bijbel
verhaalde einde (hemelvaart) vinden, en als dat niet
gebeurd was, dan had de kerk het op die wijze moe-
ten bedenken.
Van den kansel wil men trachten het ons gemak-
kelijker te maken dat onmogelijke te gelooven, door
te zeggen: „wij leggen een zaadje in de aarde en
zien dat daaruit een halm opschiet, zonder dat wij
ons wat daar geschiedt verklaren kunnen; zoo
kunnen wij ons ook Jezus\' opstanding niet verklaren,
maar daarom is zij toch waar." Maar het onderscheid
is: dat wij ons wel niet kunnen verklaren hoe die
halm zich ontwikkelt, maar wel het feit zelf kennen, en
dus w e e t ik dat uit een korrel zich de halm ontwikkelt,
maar geen macht ter wereld zou mij kunnen doen
gelooven dat zoo\'n halm, die stroo geworden is, den
-ocr page 15-
9
volgenden dag weder nieuwe vruchten zou dragen.
Nu kan men natuurlijk mijn uiteenzetting van het
geloof met de oude uitspraak willen vernietigen : Het
geloof is een vaste grond der dingen die men hoopt
en een bewijs der zaken die men niet ziet.
Met zulke uitspraken hob ik over het algemeen
weinig op, en dat zal ieder kunnen begrijpen die
zooals ik midden in het meest praktische leven staat,
in het soldatenleven. Ik maak mij voorstellingen,
tracht mijzelf en anderen een zaak of een begrip
aanschouwelijk te maken, maar alles, wat men alleen
kan gevoelen, laat zich moeielijk door zoo\'n uitspraak
beslissen.
Trouwens, deze uitspraak over het geloof kan ik
niet beamen. Het eerste gedeelte, dat gaat nog; als
ik een graankorrel in den grond leg, heb ik een vast
vertrouwen dat daaruit een halm zal komen, — ik
geloof het dus, op de wijze waarop men dergelijke
dingen gelooft, d. i. onder voorbehoud dat de korrel
niet bedorven was of een worm er aan gaat kna-
gen. Maar om nu zoo\'n geloof, dat door dagelijksche
ervaring gerechtvaardigd is, maar doodeenvoudig door
en met dat andere te verbinden, dat ik niet mag
twijfelen aan iets wat ik niet zie, dat is niet ge-
rechtvaardigd, en dat wordt volstrekt niet gerecht-
vaardigd doordat het in den Hebreërbrief staat.
Als ik deze uitspraak maar zonder onderzoek als
-ocr page 16-
10
waar moest laten gelden, dan zou ik ten slotte alles
moeten laten gelden, wat de kerk maar van mij
verlangt, dus alles wat in den bijbel staat, en dan
moest ik elke uitspraak, die thans nog in den ca-
techismus staat, woordelijk beamen. Dat zou ik moe-
ten omdat ik nu toevallig evangelisch ben; de her-
vormde weder anders, en de roomsche nog anders —
maar wie is dan nu de ware Christen ? Ik meen:
ieder die door zijn denken en zijn levenswandel de
prediking van Christus in praktijk brengt, die is een
Christen en behoeft zijn Christen-zijn niet te bewijzen
door een afgedwongen bekentenis. Het komt niet aan
op wat men bekent te zijn, maar op wat men is.
De mensen kan van alle mogelijke dingen zeggen
dat hij het is, maar daarom is hij het nog niet, noch
in zijn doen, noch in zijn hart, noch in zijn denken.
De mensch kan alleen maar zijn, wat hij is — dood
eenvoudig, niet waar? maar juist daarom zoo onweer-
sprekelijk waar. En dus willen wij Christenen heeten,
omdat wij het willen zijn, en daarom niet toestaan
dat men ons Christen-zijn nog langer afhankelijk
maakt van onze verzekering, dat wij niet zullen twij-
felen aan wat wij niet zien.
Nu tracht men wel, en vooral van kerkelijke zijde,
ons over die innerlijke moeielijkheden heen te helpen:
„men moet maar begrijpen dat het beeldspraak is",
„de kerk verlangt niet eens dat men alles woordelijk
-ocr page 17-
11
opvat", „het geloof is niet aller zaak" (II Thess. III: 2)
en dergelijke onduidelijke gedachten meer; maar dat
zijn dwaallichtjes.
De kerk eischt, eischt onverbiddelijk, dat wij Christus
voor een God houden. Om dien eisch aannemelijk te
maken, laat zij den Heiland bovennatuurlijk geboren
worden; laat hem, toen hij gestorven was, weder
opstaan, en laat hem op bovennatuurlijke wijze van
de aarde verdwijnen; en dat alles moet de kerk
ook doen, anders heeft zij geen steunpunt voor haar,
alleen op de godheid van Christus steunende, leer
van de erfzonde, de genade, de verlossing en de op-
standing des vleesches.
Maar al die voorstellingen zijn niet anders dan
latere leerstellingen der kerk, en geen eisch van den
godsdienst, noch geboden van het Christendom, en
daarbij zóó gekunsteld, onduidelijk, opgeschroefd, en
worden in de kerk zelve zóó verschillend uitgelegd,
dat men ze onmogelijk duidelijk begrijpen kan; maar
wat voor ons begrip niet houdbaar is, kunnen wij
ook niet gelooven, en mogen wij niet gelooven.
En vóór alle dingen: waarvoor heeft men die leer-
stukken noodig? zijn zij noodwendig om ons Gods
almacht en Gods liefde duidelijk te maken? heb ik
een bepaald wonder noodig, als ik in Gods wereld-
inrichting reeds het grootste, het eenige wonder zie?
of heb ik die kerkleer noodig om dichter nabij God
te komen, om inniger met Hem te kunnen omgaan?
-ocr page 18-
12
heb ik die noodig tot mijn zelfvolmaking? voor mijn
zaligheid? voor het geluk van mijn naaste? voor de
uitbreiding van het Christendom?
Neen — daarvoor heb ik die leerstukken niet noo-
dig, zij staan mij en iedereen in den weg, die zich
ernstig gaat bezighouden met zichzelven en zijn ver-
houding tot God, die dit zelf wil doen, en niet door
de kerk, dus door menschen, voor zich wil laten
klaarspelen. Zij staan ons in den weg en jaren van
lange, gansch onnoodige inspanning zijn noodig om
dien hinderpaal te overwinnen. Bij dien arbeid ver-
lammen de meesten vroeg of laat, en daar zij dien
niet overwinnen kunnen, bemoeien zij er zich zoo
weinig mogelijk mede. Daarom moeten de leerstukken
weg; later levende menschen hebben ze gevoegd bij
de oorspronkelijke christelijke gedachten; de tegen-
woordige menschen kunnen en moeten ze daarom op
zijde schuiven.
Tegenwoordig erkent de kerk slechts hen als ware
Christenen en als tot haar behoorend, die gclooven
aan de Godheid van Christus; deze menschen noemt zij
„positieve" Christenen. Maar ik geloof, dat het veel
positiever is te gelooven aan wat men ervaart en
waarneemt; en wij menschen zien een wereldorde;
die ervaren wij, al kunnen wij die ook niet door-
gronden; daaraan kunnen wij dus gelooven. Wat
daar buiten ligt, is onmogelijk; dat kunnen wij niet
-ocr page 19-
13
gelooven, dat behoeven wij niet te gelooven, en van
het oogenblik af dat wij dat inzien, mogen wij het
zelfs niet meer gelooven, anders worden wij onwaar;
want van dat oogenblik af gelooven wij het toch
niet meer. Misschien verbeelden wij het ons nog,
maar meestal beduiden wij het onszelven dat wij
nog gelooven, bedriegen in ieder geval onszelven en
dikwijls ook nog onze medemenschen.
Ik vermeet mij niet te beweren, dat wie dit leest,
begrijpt en dan ernstig en rustig daarover nadenkt,
nooit meer zonder twijfel aan de Godheid van Christus
kan gelooven. Maar in het godsdienstige is elk geloof,
dat ook maar een schaduw van twijfel heeft, geen
geloof meer; geloof en overtuiging is één.
Maar daarom kan ons geloof toch wel „kinderlijk"
zijn. Ik zeg dit ter wille van hen, die hierbij evenals
ik aan het woord van den Heiland denken: „Tenzij
gij u verandert en wordt als de kinderkens, zult gij
in het koninkrijk der hemelen niet ingaan" — zeker
een der heerlijkste en der meest ware woorden,
maar iets onmogelijks kan daarbij wel niet ver-
langd worden, wordt ook niet verlangd. De Heiland
zegt niet: wij moeten weder een kind worden, maar
„als een kind" — en dat is een onderscheid. Men kan
best kinderlijk dankbaar, kinderlijk aanhankelijk, kin-
derlijk vertrouwend blijven; men kan wat men ge-
looft, zoo vast overtuigd gelooven als een kind —
maar het is onmogelijk weder te doen alsof men
-ocr page 20-
14
niets begrijpt; en al deze onmogelijkheden bestrijd
ik, omdat ze onwaarheden zijn, en de mensch zij vóór
alles eenvoudig en waar. Als een kind ontwassen is
aan de liefelijke voorstelling van den ooievaar, brengt
geen macht ter wereld en ook geen hooger macht
het tot dat geloof terug — zou iemand dat willen
bestrijden ?
Maar daarom kan men toch wel eenvoudig en
waar blijven.
Is dan werkelijk recht geloovig te zijn de hoofdzaak
van een rechtschapen Christen?
Ik meen: neen. Ik vraag verder: wie is dan een
recht geloovig Christen? In der eeuwigheid kunnen
wij dat niet bepalen, — maar wat de christelijke
levenswandel is, dat kunnen wij nu reeds zeer dui-
delijk vertellen.
Al die leerstukken, die wezenlijk hun gemeenschap-
pelijken oorsprong hebben in het geloof: Christus is
God, hebben ook weder betrekking op de dingen,
die wij na den dood beleven zullen. Maar hoe het is
aan gene zijde des grafs, dat weet niemand; en
daarom zal, trots alle mogelijke kerkelijke leerstukken,
ieder zich daarvan zijn eigen voorstelling maken.
De christelijke gedachte laat ons alleen met zekerheid
gelooven aan een voortleven der ziel, en leert ons
een vergelding verwachten; zij leert ons de vergelding
beurtelings hopen en vreezen.
-ocr page 21-
15
Was het dan nu maar niet beter onze aandacht
geheel te richten op dit ééne: ons aardsche leven
zóó in te richten dat wij met een gerust hart de
vergelding kunnen tegemoet zien? En als wij met
onszelven zoo wat gereed zijn, dan ook aan onze
medemenschen te denken en recht ernstig en ijverig
daarnaar te streven, ook hen zóó te stemmen, dat
zij echt christelijk handelen ? Was het niet praktischer
den mensch voortdurend er op te wijzen hoe hij moet
denken, liefhebben, bidden, berouw hebben, gevoelen,
handelen om zich de dagelijks ondervonden liefde Gods
waardig te maken, als altijd met geloofsartikelen
den een rustig, den ander onrustig te maken?
Dat wij zondaars zijn, dat weten wij allen, dat
gelooft ieder — wie weet hoe vaak hij zondigt —
maar nu kan ik het mij niet voorstellen, dat iemand
al mijn zonden op zich genomen heeft, en dat ik
verlost zou zijn omdat ik dat geloof. Die za-
ligheid was mij te gemakkelijk verkregen. Maar als
ik mijn eigen waarachtig en ernstig berouw als borg
voor Gods barmhartigheid beschouw, dan heb ik,
bij het oneindige der vaderlijke liefde, geen geloof
noodig aan de verlossing door een anderen God; en
een mensch kan mij niet verlossen. Een mensch kan
wel door zijn dood de kracht van zijn overtuiging
bezegelen, en dat heeft de Heiland gedaan, en daar-
door heeft hij zijn prediking de hoogste wijding van
goddelijken oorsprong gegeven.
-ocr page 22-
16
Hieraan heeft de mensch genoeg; dit is voldoende
om zijn gemoed te dwingen tot liefhebbende en
geloovige overgave aan een hooger wezen. Dat
heeft hij zeker noodig, maar dan zal hij ook aan
dat ééne wezen genoeg hebben, dan zal hij van gan-
scher harte die Almacht aanbidden en niet kunstmatig
een middelaar zoeken tusschen zich en den Vader.
Ik gevoel volkomen, wat het voor velen zeggen
wil het geloof aan Jezus Christus plotseling te moe-
ten opgeven. Maar van moeten is geen sprake.
Wie werkelijk, ondanks deze vragen en ondanks eerlijk
zelfonderzoek, nog aan de Godheid van Christus ge-
looven kan — hem zullen mijn woorden zeker niet
trachten zijn geloof te ontstelen; wie zich te oud,
te zwak, te moedeloos gevoelt om een nieuwe be-
schouwing aan te nemen of er zelfs voor te strijden,
die mag zijn oude inzichten blijven behouden, maar
hij mag niet anderen weerhouden om de waarheid
te erkennen, uit te spreken en voor haar te strijden.
De waarheid nu is dat Christus een mensch
was, en die waarheid moet in het Christendom weder
tot haar recht komen; daarnaar verlangen nu reeds
millioenen, en onze kinderen, het komende geslacht,
zullen ons tot verantwoording roepen als wij hun
opzettelijk een onwaarheid gepredikt en als geloofs-
leer nagelaten hebben. Deze waarheid kan trouwens
ieder verstaan: kinderen en volwassenen, beschaafden
en onbeschaafden.
-ocr page 23-
17
Het is een gansch verkeerde beschouwing te raee-
nen dat men het kind beter zijn plichten jegens God
en den naaste leert gevoelen — en dat is toch de
gansche godsdienst — door allerlei geheimzinnige
voorstellingen. Het is terecht gezegd: Wie is er, zoo
zijn zoon hem zal bidden om brood, die hem een
steen zal geven ? En niet anders is het met de gees-
telijke voeding van het kind; ook daar geen steenen
voor brood. Het kind vraagt en denkt niet meer als
het op het standpunt van zijn geestelijke ontwikke-
ling kan omvatten; maar wat men het kind geeft,
moet de zuiverste waarheid zijn, en de vorm waarin
men die waarheid geeft, kan en moet zoo liefelijk
mogelijk zijn. Zoek eerst de waarheid en maak haar
dan liefelijk.
Ook in dit opzicht sta ik tegenover de algemeen ver-
breide meening, dat de geestelijk nog onontwikkelde
volken en volksstammen zulke voorstellingen, als de
kerk geeft, noodig hebben, en dat zij, om voor het
Christendom gewonnen en behouden te worden, vóór
alle dingen onder strenge, duidelijk merk- en voelbare
kerkelijke tucht moeten gehouden worden.
Integendeel meen ik: hoe eenvoudiger en bevatte-
lijker wij onzen medemenschen ons Christendom voor-
stellen, des te eer zullen zij zich tot onze prediking
bekeeren, des te liever hun levenswandel naar deze
beginselen richten.
Nog meer onjuist, ja zelfs verwerpelijk, maar toch
o
-ocr page 24-
IS
zeer verbreid is de meening: dat men den beschaafde
wel stilzwijgend mag toestaan zich aan den geloofs-
dwang te onttrekken, maar dat de onontwikkelde
massa in onvoorwaardelijke onderwerping moet ge-
houden worden aan de door de kerk opgestelde ge-
loofsartikelen — dus Christenen van de eerste en de
tweede klasse, vrije en onvrije Christenen!
Het is niet eens noodig duidelijk te maken hoe
zulk een beschouwing zondigt tegen het Christendom.
Neen, het Christendom kent geen „beschaafden en
onbeschaafden", maar ik ken wel: „denkende Chris-
tenen" in onderscheiding van de groote massa, die
niet denkt, omdat zij geestelijk traag of geestelijk
onbekwaam is. En beiden, de tragen en de onbekwa-
men, hebben geen levend geloof; zij hebben niet eens
een levendig gevoelen. Maar men moet hen op ver-
schillende wijzen behandelen.
Als zij slechts daarom niet oordeelen, omdat zij
werkelijk nog nooit op de gedachte gekomen zijn,
dat de mensch nadenken moet — nu, dan moge de
lezing dezer bladzijden hen opwekken tot een beter
gebruiken van het hun toevertrouwde talent; dan
maar dadelijk weg uit de menigte van hen, die niet
denken, zonder angstig om te zien wat de anderen
er wel van zeggen. Slechts in de zuivere atmosfeer
van het zelf denken, zelf gevoelen, zelf oordeelen,
ademt men de frissche lucht in van geestelijke zelf-
standigheid; en dus — weg met dat niet-denken en
-ocr page 25-
19
niet-oordeelon! Maar wie opzettelijk doet alsof hij
niet bekwaam is tot oordeelen, die behoort tot de
gevaarlijke menschen. Het zijn zij, die voor zich zelf
al lang een oordeel over deze dingen hebben gevormd,
misschien geen duidelijk, geen vast oordeel, noch of zij
nu eigenlijk wel iets gelooven noch wat zij gelooven,
maar die het dan toch wel met zich zelven eens zijn dat
zij reeds lang niet meer gelooven wat in den bijbel
staat en wat de dominé zegt; doch die zoo ver-
stand ig zijn er niet van te praten, liefst elke uit-
spraak daarover vermijden, of in het ergste geval
zelfs tegen hun overtuiging in spreken en oordeelen.
Mochten zij allen zich aansluiten bij hen, die voor
de waarheid durven uitkomen en moedig strijden
voor haar verbreiding, dan houden zij op gevaarlijke
menschen te zijn.
En dan nog zij, die niet oordeelen kunnen? Nu,
die moeten geholpen worden door hen die meer be-
kwaamheid daartoe bezitten. Ook het geestelijk bezit
mag niet in handen van enkelen zijn, ook de geeste-
lijke armoede moet langzaam verminderen. Als wij
geestelijk ons sterk gevoelen, laat ons van onze kracht
den zwakkeren mededeel en! En als wij dat doen, dan
zullen wij ondervinden, dat dit geven een christelijk
liefdewerk is, want onze eigen geestelijke schatten
worden daardoor niet minder. Laten wij dus hen
helpen, die zelf niet in staat zijn tot oordeelen, maar
laat ons niet afwachten tot zij zich zelf bewust
-ocr page 26-
20
worden van hun geestelijke armoede en hun recht
op geestelijke schatten, en dan op eigen kracht alleen
vertrouwend onbesuisd daarnaar gaan jagen.
Maar hoe zijn dan wel de tegenwoordige geloofs-
voorstellingen van de kerk of de kerken ontstaan?
Ik stel het mij zoo voor: de kerk was niet tevreden
met te heerschen over het hart van de menschen,
zij beheerschte ook spoedig hun geweten; zij was
sterk genoeg om hen, die zich niet vrijwillig bogen,
te onderwerpen. Niet alleen viel het begrip Christen-
dom en kerk geheel te zamen, maar de gedachte van
het Christendom was inderdaad geheel verloren ge-
gaan in die machtige kerk.
Maar toen begon het nadenken; wij staan voor
de Hervorming. Men bemerkte niet alleen verkeerde
dingen in de bestaande inrichting, bovenal ondervond
men dat het doen van wat de kerk verlangde, „de
goede werken", den gewenschten zielevrede niet gaf.
„Wat moet ik dan doen om zalig te worden ?" zuchtte
Luther, toen hij de bestaande dwalingen begreep en
brandend verlangde naar waarheid. „Ik moet recht-
vaardig leven," was het eerste antwoord dat hij zich
zelf gaf, maar waarvan hij dadelijk begreep dat het
ontoereikend was; „ik moet oprecht boete doen," zeide
hij toen, maar hij zag dat hij toch altijd weder zon-
digde; „dan heb ik geloof noodig," riep hij uit, ge-
lukkig omdat hij daarin bevrediging vond voor zijn
-ocr page 27-
21
zoeken en tasten, voor zijn onophoudelijk vorschen;
„ik moet gelooven wat in de Schriften staat, die
door de kerk erkend zijn, en gelooven in de voor-
stelling, die de kerk daarvan heeft," en hij hoopte,
door daaraan trouw te voldoen, „een zoon der kerk"
te kunnen blijven. Want dat was zijn vurig verlan-
gen en juist daarom kwam de gedachte niet in hem
op, om te onderzoeken of wel datgene, waarvan de
kerk uitging, waar, echt christelijk was.
Dat de Schrift menschenwerk kon zijn, daaraan
dacht deze Godsman niet. Want hij bleef een kind
van zijn tijd; daarom droeg ook zijn werk den stern-
pel van zijn tijd: den dwang. En die juist van den
gewetensdwang bevrijd waren, bogen zich vrijwillig
onder geloofsdwang; de dwang bleef. Daar nu de
nieuweren hun geloofsartikelen zoo scherp en duidelijk
mogelijk maakten, moest daartegenover ook de oude
kerk de hare nieuw en duidelijk uiten; het geheele
christelijke leven ging dus op in de vraag: wat
men geloofde. En wezenlijk was het onderscheid niet
anders dan dit: tot nu toe behoorde ieder als Christen
geboren mensen tot de kerk, en van nu af, hoofd-
zakelijk geheel naar het toeval van zijn geboorte,
tot een kerk; en daarbij: nu werd het den een of
ander mogelijk zijn onrustig geweten tot zwijgen te
brengen, door eenvoudig te veranderen van geloofs-
ketenen — en niet eens altijd uit overtuiging.
Vroeger waren de goede werken de proefsteen
-ocr page 28-
22
i
waaraan de Christenen getoetst werden, nu moest
het dan het geloof zijn; maar ik meen, het moet
wezen: de gezindheid. Het is de gezindheid, de
stemming van het gemoed, wortelend in het vast
voornemen om de leer van Christus te volgen —
waardoor men bewijst tot het Christendom te willen
behooren; de gezindheid, die ons leert waarachtig
Christelijk te leven, tot eer van God en tot zegen
van den naaste; de gezindheid, die maakt dat op
iedere overtreding in daden, woorden of gedachten
een zoo diep en waar gevoel van berouw volgt, dat
zij steeds zeldzamer worden en daardoor ons leven
steeds meer bewijst van goddelijken oorsprong te
zijn — en dit alles door onzen eigen, vasten, over-
tuigden wil. gedragen door het geloof aan een toor-
nigen en straft\'enden, maar ook aan een liefhebbenden
en vergevenden God, en gesterkt door het gebed.
Terwijl ik nu hoop bij mijn lezers veel instemming
te vinden en zelfs brutaal genoeg ben om te denken
en eerlijk genoeg om hot uit te spreken, dat een
mensch met een gezonden geest en een redelijken
wil mij tot nu toe gelijk zal moeten geven, innerlijk
althans — of hij het ook uiterlijk doen zal, hangt
van zijn goeden wil af — begrijp ik toch natuurlijk
dat men bezwaren kan opperen.
Vooreerst: „de gebeurtenissen, die door het Nieuwe
Testament verhaald worden, worden toch betuigd
-ocr page 29-
23
door betrouwbare mannen, die zelven deze dingen
geloofden." Laat mij uit eerbied dit bezwaar voorbij-
gaan. Ik houd zelf te veel van de liefelijke verhalen,
om ze hier zoo koud uit elkander te gaan halen. Ik
mag niet onderzoeken — en ik kan het ook niet —
hoe het gebeurd is, dat hier nu gedrukt voor mij
liggen verhalen van gebeurtenissen, die buiten het
gebied van het mogelijke gaan, die ik dus niet ge-
looven kan. Laten wij dat maar overlaten aan hen
die later in de geschiedenis van het Christendom
zullen studeeren; want dat men in de „theologie"
studeert, in den zin dien men daaraan nu hecht, dat
zal, hoop ik, wel ophouden.
Ook andere woorden moet men mij niet tegen-
werpen, die, volgens den bijbel, de Heiland zelf ge-
sproken heeft: „Ik en de Vader zijn één" „Niemand
komt tot den Vader dan door mij" en dergelijke»
meer; want gesproken of niet, toch kan hun betee-
kenis nooit anders geweest zijn, dan aan te duiden
dat hij tot den Vader stond in de verhouding van
een kind, gelijk wij allen. Dat alles kan Christus ook
als mensch zoo gezegd hebben, als een mensch die
zich door God daartoe geroepen gevoelde, om het
Evangelie der liefde te prediken.
Hoe verschillend worden ons in het Nieuwe Tes-
tament de dingen toch verhaald. Terwijl Mattheus
(27 : 54) en Marcus (15 : 39) berichten dat de hoofd-
man, die den Heiland zag sterven, uitriep: „Waarlijk,
-ocr page 30-
24
deze raensch was Gods Zoon", lezen wij in Lukas
(23 : 47) dat hij God verheerlijkte en zeide: „Waar-
lijk, deze mensch was rechtvaardig." Wat is dan
nu — als ten minste die uitroep van den hoofdman
eenige waarde heeft — waar ? Wat daar op Golgotha
gebeurd is, zullen wij in alle kleinigheden nooit nauw-
keurig weten; wij kunnen slechts gelooven, dat daar
een vroom mensch zich opofferde, en dien vromen
mensch willen wij liefhebben, daar wij toch ook
vrome menschen willen zijn.
Verder weet ik — helaas! — dat velen meenen:
„aan zulk een beschouwing is geen behoefte; ook
zij, die men gewoon is Christenen te noemen, zijn
voor het meerendeel al lang zoo ver, dat zij slechts
voor het uiterlijke tot de kerk behooren, en dat nog
maar nauwelijks, maar zij zijn over het algemeen
met dien toestand tevreden en wenschen slechts dat
men hen met rust laat."
Het kan wel zijn, dat bij deze onverschilligen de
behoefte nog niet ontwaakt is, omdat een bevrijding
uit dien treurigen toestand hun tot nu toe onmoge-
lijk scheen; maar van het oogenblik af dat het hun
mogelijk is, zal ook de behoefte er zijn en zal zelfs
te krachtiger zich aan hen opdringen, naarmate die
nu meer is onderdrukt — ik geloof er dus niet aan
dat die behoefte niet zou bestaan.
Ik heb een onuitroeibaar geloof aan de menschheid,
-ocr page 31-
25
en dat laat ik mij noch door gebeurtenissen van het
dagelijksch leven, noch door wereld beheerschende
beschouwingen ontnemen. Ik geef toe: over het al-
gemeen zijn de menschen niet, zooals zij zijn moesten;
maar ik beweer, dat haast altijd het bewijs te leve-
ren is, dat de hoofdschuld niet aan hen ligt, maar
aan hun ouders, leeraars, vrienden, patroons, meesters,
kortom aan hen, die geroepen waren hen te vormen,
maar die niet begrepen dat hun recht om invloed
op hen te oefenen hun plicht was; het onderzoek of
er onbekwaamheid was, of nalatigheid, of laakbare
zwakheid, lafheid zelfs, of boos opzet, dat staat niet
aan ons; wij spreken daaromtrent van: verantwoorde-
lijkheid. Ik meen: als de mensch slecht is van der jeugd
af, dan is hij toch ook andererzijds goed van zijn jeugd
af, en in hoofdzaak komt het maar daar op aan,
welke van de twee zijden men het eerst aanpakt
en bewerkt, — in de kindsheid kan men nog over
beiden beschikken, daarna wordt het moeielijker;
maar daarom behoeft men het nog niet op te geven,
bij niemand; en als de menschen zeggen: „hij heeft
een hart als een steen," dan zeg ik: „best mogelijk,
maar het is een vuursteen; als er maar op de juiste
wijze tegen geslagen wordt, dan zal men eens zien
wat een vonken er uit springen."
Aan dit algemeen ontkennend standpunt geloof ik
dus ook niet. Onze weg gaat hemelwaarts. Vreem-
delingen zijn wij slechts op aarde. Deze waarheid
-ocr page 32-
26
grijpt te krachtig aan en laat ons te vurig verlangen
dien weg naar boven te wandelen, dan dat wij niet,
als iemand ons zegt: „gij zijt op een dwaalspoor,"
zouden nadenken, al geven wij het ook niet toe; als
de anderen maar niets hebben gemerkt van de te-
rechtwijzing, dan keeren wij van zelf ons reeds naar
elders; zoo is het in het kleine, zoo ook in het groote.
Een andere bedenking kan zijn: dan moeten zij,
die de kerkelijke leer niet gelooven kunnen, er maar
uit gaan; dat staat toch iedereen vrij. Antwoord:
al wordt nu tegenwoordig door de inrichting van
staat en maatschappij niet onvoorwaardelijk geeischt,
dat men tot eenige kerkelijke gemeenschap zal be-
hooren, het gaat toch niet zoo licht zich daaraan te
onttrekken. Men kan er wel uit gaan; doch men moet
er slechts uit gaan, als men als Christen meent niet
meer in de kerk te behooren, of als de kerk dien
eisch stelt aan allen, van wie zij weet, denkt of ver-
moedt, dat zij haar leer niét als de ware erkennen.
Maar dat doet de kerk niet, dat kan zij ook niet doen,
daartoe is zij niet sterk genoeg meer. Zonder ergernis
te geven kan dus tegenwoordig een Christen niet
uit de kerk gaan. Nu moeten er wel ergernissen ko-
men „maar wee den mensen door wien zij komen."
Intusschen dat „wee" zou toch een rechtschapen man
niet mogen terughouden er uit te gaan, als hij meende
dat het recht was of voor zijn zaligheid noodig. Maar als
-ocr page 33-
27
men het Christendom goed en geheel verstaat, dan
is het niet „recht" noch is het bij de verhouding
waarin de kerk zelve zich tegenover die vragen stelt,
noodig. Voor een eerlijk mensch is het alleen dit, dat
hij, ofschoon hij in Christus geen God ziet, zich nog
Christen wil noemen en het eerst recht wil zijn,
want wie niet aan die godheid gelooft, maar het
niet zegt en toch den Christennaam blijft dragen,
die bedriegt, zooals nu de zaken staan.
En nu zegge men niet: „dan moet ieder maar zien,
hoe hij het met zich zelven eens wordt daaromtrent,"
men stelle zich zelve ook niet gerust met het feit dat
de dienaren der kerk hem, die vrijmoedig zijn twijfel
bekent, trachten te bemoedigen door de verzekering
dat gelooven ook „niet aller zaak" is, dat de kerk
het geheel aan den enkelen mensch overlaat, hoe hij
zich \'^de zaak wil voorstellen, dat men toch wel een
uitstekend Christen kan zijn, dat ieder goed Christen
zijn jaren van twijfel heeft gehad, maar dat die twijfel
wel overgaat, dat de mensch, als hij ouder wordt,
ook in zijn geloof positiever wordt — allemaal waar-
heden, maar voor een deel recht droevige waarheden.
Al zijn zulke dingen mogelijk om iemand gerust te
stellen, het is toch niet flink om met alle geweld een
schijnvoorstelling vol te houden.
En hoe lijden zij daaronder, wien alle schijn een
gruwel is. Hoe lijden wij daaronder, als het kerkelijk
leven bij zijn openbare handelingen altijd weder van
-ocr page 34-
28
ons verlangt een belijdenis opnieuw af te leggen, die
eerst anderen voor ons hebben afgelegd, die wij dan
in totale onwetendheid voor de gemeente bezworen
hebben, en waaraan wij nu gebonden zijn ! Zijn zulke
toestanden bevorderlijk voor de waarheid en voor den
strijd om de waarheid ? Waarlijk niet. Wie een man,
een eerlijk man is, moet met mij er voor optreden
dat de waarheid tot haar recht kome tegenover het
schijngeloof.
Verder: wat wordt ons onder de tegenwoordige
verhoudingen de strijd voor waarachtig goddelijk den-
ken en leven verzwaard tegenover hen, die het Chris-
tendom haten, alleen omdat zij het niet in zijn ware
gestalte zien; wat geven wij hun een wapenen in
de hand; hoe moeten wij ons draaien en wenden om
de overtuigende woorden te bestrijden, waarmede zij
het onware van de kerk geeselen, om slechts de god-
delijke gedachte van het Christendom te redden! En
aan de andere zijde: aan wat een aanvallen, wat een
verdenkingen stellen zij zich bloot, die in het wezen
der kerk een hinderpaal zien voor de uitbreiding van
waarachtigen godsdienstzin en daarom de dwalingen
der kerk bestrijden! Als vijanden van den godsdienst,
als verachters van het Christendom, als godslasteraars
zelfs heeten zij een „ergernis in de gemeente" —
zij, de trouwste arbeiders in den wijngaard des Hee-
ren, de onvermoeidsten bij het in praktijk brengen
van het Christendom, de ootmoedigste aanbidders
-ocr page 35-
29
van God! Tegenover welke aanvallen moeten zij zich
maar staande houden; want de Christen mag juist
dan niet de kerk verlaten, wanneer hij zich zelven
een bruikbaar arbeider acht. Voelt hij dan al, dat er
te veel, ja zelfs het onmogelijke verlangd wordt, nu,
dan doet hij het onmogelijke niet, men ziet het toch
wel door de vingers, maar hij loopt niet weg van
zijn arbeid. Laten wij liever den Heer van den wijn-
gaard er bij roepen, d. i. bidden wij om Zijn, om Gods
zegen en maken wij, in het bewustzijn dat God het
toestaat, andere instellingen, waaronder wij meer
kunnen doen, beter arbeid, volmaakter werk leveren.
Het Christendom is er toch niet opdat eenpries-
terschap de geesten zou regeeren, maar: omdat van den
aanvang af het hart een leiding behoefde, daarom
vormde zich een priesterschap. Hoe gerechtvaardigd
te zijner tijd zeker het stichten van de kerk was,
hoe gaarne wij vasthouden aan de gedachte, dat Chris-
tus zelf daartoe de aanleiding gaf, zoo is nu toch de
Christenheid verplicht die kerk te verbouwen, naar
de gansch veranderde behoeften.
Waren het toen menschen, die de kerk, d. i. de
menschelijke instelling waarin de christelijke gedachte
zou bewaard blijven, stichtten; zijn het alle tijden
door menschen geweest, die belangrijke en onbelang-
rijke veranderingen daaraan maakten; dan moeten er
nu ook menschen zijn, die er niet voor terugschrik-
ken diezelfde instelling een gansch veranderden vorm
-ocr page 36-
30
te geven. De christelijke gedachte zal — niet vaak
genoeg kan ik het herhalen — niet veranderd, het
Christendom zal slechts tot zijn waren inhoud terug-
gebracht worden; het is geen vernieuwing, ook geen
verandering of verbetering, het is een herstelling.
Ik kan het mij niet anders denken, of de meeste
voorgangers van alle kerken hebben reeds lang be-
grepen, althans te eeniger tijd moet het hun dui-
delijk zijn geworden, dat de leer der kerk veranderd
is, niet geschikt meer om op te wekken tot een levend
Christendom; maar hun eens afgelegde belofte, de
dwang der omstandigheden, de matheid in het na-
denken, de meening dat de tijd daarvoor nog niet
gekomen is, ook wel de overtuiging dat het zoo voor
de menschen beter is, lieten hen van den strijd afzien.
Wat daar in hun hart opkwam, werd weggedrongen,
overwonnen, eindelijk geheel gedood; of, zij hebben
werkelijk tot nu toe niet gedacht! Als zij er dan nog
maar mede beginnen.
Wij willen al deze mannen, die ten volle onze ach-
ting bezitten, met alle bescheidenheid en met den
aan hun ambt verschuldigden eerbied behandelen,
maar zij moeten zich niet aankanten tegen de nood-
zakelijk geworden veranderingen in de menschelijke
instelling; zij moeten niet denken dat zij de rech-
t e n der kerk moeten verdedigen als de macht der
waarheid zich in haar heerschappij gaat toonen; zij
-ocr page 37-
31
moeten niet raeenen, te moeten strijden; de mensen
moet strijden, alleen tegen de onwaarheid; maar als
de waarheid hem tegentreedt, dan mag hij haar niet
bestrijden, en is hij een flink man, dan geeft hij zich
zonder voorbehoud aan haar over; dat is mannelijker,
omdat het dapperder is, en het is dapperder, omdat
er meer moed noodig is om met een gansch verleden
te breken, dan om een leven van schijn te leiden.
Wie heeft dien moed?
Ik weet wel, men kan mij nog heel wat tegen-
werpingen maken ontleend aan den bijbel, de we-
tenschap, de ervaring, de geschiedenis, het ge-
loof der vaderen — ik sta daarbij thans maar niet
stil. De hoofdzaken noemde ik; de bijzaken komen
van zelf terecht. En zoo kom ik verder tot de vraag,
die voor mij van veel beteekenis is:
Was het nu noodzakelijk dit te schrijven ? Als
er nu in de kerk toch zooveel veroudert, zou men
daar maar niet rustig alles kunnen laten gaan, tot
zij den een of anderen dag van zelf instort?
Neen, beweer ik. Wij kunnen niet weten wat er
dan opgebouwd wordt op den bouwval van het schoone
godsgebouw, als het door zijn vijanden in brand gesto-
ken is; wij mogen niet afwachten dat een roekelooze
hand haar een doodsteek zal geven; want het zou
kunnen zijn dat die hand zich niet tegen ons Christen-
dom alleen zou willen richten, maar tegen God zelven.
-ocr page 38-
82
Zoo\'n gedachte moet ieder, die haar voelt opkomen,
machtig aangrijpen. Ieder kan naar zijn eigen voor-
stelling zich daarin denken; ik behoef het niet uit te
spinnen. Ik weet wel, mij en u kan het Christendom,
het godsgeloof niet ontstolen worden, maar duizenden
onzer medemenschen wel. Wij kennen den dag en
het uur niet, waarop het gebouw ineen stort: zeker
zal menigeen zijn ziel uit den ondergang redden;
maar menige ziel ook zal daarbij omkomen. En daarom
mag dat instorten niet gebeuren, vóór wij een nieuw
huis hebben. Zorgen wij maar daarvoor.
En in dat nieuwe huis zullen ook de millioenen
weder terugkeeren die nu, in het openbaar of in het
geheim, bewust of onbewust, vijandig gestemd of
vriendelijk gezind, daarbuiten staan. Want dat zijn
er heel wat meer, dan menigeen meent. Dat weet de
kerk zelf het best, maar daar zij geen macht heeft
hen in haar huis terug te brengen, spreekt zij er niet
graag van. Er is trouwens geen macht, die ze terug
brengen kan, als die eene: de liefde, en de liefde dat
is God! Als zij maar zeker zijn, dezen God, zooals
Hij in hun ziel leeft, in het gebouw van het Chris-
tendom weder te vinden, dan zullen zij verheugd zich
derwaarts keeren — zij blijven dan niet langer bui-
ten staan. En daarom reeds was het noodzakelijk dit
te schrijven.
Noodzakelijk is het ook ter wille van die millioenen,
-ocr page 39-
38
die, al zouden zij willen denken, het niet mogen,
omdat zij „in de banden der kerk" zijn.
Ik denk hierbij vooreerst aan hen, die tot nu toe
het denken maar hebben nagelaten, die met buiten-
gewone nauwgezetheid de bepalingen van hun kerk
volgen, die in het zekerste geloof op den eenig waren
weg te zijn, zich bewust van hun plicht, voortgaan,
zij wandelen op hun zorgvuldig onderhouden weg in
de schaduw der kerk; maar voor mijn gevoel was
het daar te kil, en als vrij geboren Christen zou ik mij
niet willenloos willen laten leiden. Liever ga ik mijn
weg over de hoogte, al is die zoo gemakkelijk niet,
het is toch versterkender voor den geest, verkwik-
kender voor het gemoed; daarboven geniet ik heer-
lijke oogenblikken van rust en van nadenken en staar
daarbij Godzelf in het aangezicht. Dezen weg stel ik
u voor; hij leidt ook naar het doel en gij komt in
„de eeuwige woning" waarnaar wij allen streven met
het zalig bewustzijn: een wel moeielijken, maar toch
heerlijken levensweg achter u te hebben.
Yerder denk ik aan hen, die zonder plan, laat staan
overtuiging, gaan op den weg der kerk, of liever:
zich daarop laten voortdrijven. Hun God zien zij nooit.
Zij maken zich een gansch verkeerde voorstelling van
Hem; zij vreezen Hem steeds en wagen het niet
Hem lief te hebben en toch moeten wij Hem immers
vreezen en liefhebben. Zij doen goede dingen, maar
alleen om onheil van zich af te wenden, niet uit
3
-ocr page 40-
34
innerlijken drang; zij laten het kwade na, maar steeds
uit vrees voor straf, niet uit liefde voor het goede;
zelfs de voorschriften der kerk nemen zij in acht
niet als gehoorzame, maar als bange kinderen, bang
voor den hinder dien zij er van hebben konden als
zij het nalieten; maar hun ziel ? Och, dat is heel ge-
makkelijk : die is bij hun geboorte aan de kerk toever-
trouwd, de kerk heeft zoo trouw mogelijk gewaakt voor
haar met nog millioenen andere zielen; bij het heen-
gaan nemen zij hun ziel weder van de kerk in ontvangst!
En ten slotte denk ik ook aan hen, die te veel
gelooven, die alles gelooven. Maar wat is dat voor
een geloof? Een bijgeloof! Dat is geen overtuigd, vast
geloof, waarop men zich verlaat, waaraan men zich
overgeeft: geen geloof uit liefde, maar uit vrees. Van
kind af door een gansch onnoodigen en dikwijls recht
aanmatigend optredenden plaatsvervanger Gods op
aarde vervreemd van den Vader in de hemelen,
worden zij door het slechte geweten, maar ook door
allerlei valsche voorstellingen altijd en altijd weder
afgehouden van de hartedeur des vaders — de Vader
blijft hun vreemd, en daar zij van hem nooit het
ware woord der liefde hooren, gelooven zij ieder ander
woord dat hun maar gezegd wordt: zij brengen daar-
mede hun geweten tot rust; doch het slaapt maar
en ontwaakt eerst later met al het onaangenaam
gevoel van onwel zijn, dat ons kwelt nadat wij in
onmacht zijn gevallen.
-ocr page 41-
35
Ter wille van die allen was het noodzakelijk den
juisten weg te wijzen; millioenen kennen dien weg
in het geheel niet; andere millioenen hebben er wel
van gehoord, maar zijn te krachtig in de macht van
hun gidsen, zij wagen het niet den schooneren weg
te gaan; en weer andere millioenen vinden het hoogst
gemakkelijk van de verzorging hunner ziel op aarde
ontheven te zijn, des te meer tijd blijft hun over om
voor hun aardsche belangen te zorgen. Maar bij den
hoogsten rechter — voor wien, of hij het gelooft of
niet, wil of niet, ieder komen moet, daar is geen
plaatsvervanging. Hoe vreemd moeten zij zich ge-
voelen in het vaderhuis, die hier slechts in de kerk
hebben geleefd.
Het moet toch eindelijk tot een verklaring komen
tnsschen hen, die Christenen zijn, en hen, die het
heeten; en ook tusschen hen die het zijn, waarvan
een deel „kerkelijk" is en het andere deel niet, en
eindelijk ook tusschen de kerkelijken, waarvan de
meesten het nog slechts uit principe, de minsten uit
overtuiging zijn.
In het openbaar leven worden vragen van hoog
belang behandeld; overal gaan mannen van gelijke
gedachten, maar van een gansch verschillend stand-
punt in kerkelijke vragen, met elkander om en
werken samen. Desondanks is er reeds veel goeds
geschied, en dagelijks geschiedt er op alle plaatsen
-ocr page 42-
86
veel goeds, veel christelijks, maar er zou nog meer
geschieden en met name zou voor de mannen, die
werken willen, het onderling verkeer heel wat lichter
worden en hun arbeid meer gesteund, als zij het met
elkander maar eerst eens geworden waren over dit
ééne: dat de eisch van het Christendom niet is, te
gelooven aan de godheid van Christus.
Nu wordt dikwijls veel niet uitgesproken, nu ver-
staan flinke menschen elkander niet, nu wordt de
een door lafheid, de ander door iets anders weer-
houden — dat moet ophouden, en daarom ook is het
noodzakelijk geworden dit te schrijven. Ik ben er zeker
van dat duizenden hierin evenzoo gevoelen als ik,
en wie zijn die duizenden ? Het zijn de beste, trouwste
aanhangers van Christus, met de meeste toewijding;
ik meen, zij verdienen het dat hun arbeid wat wordt
verlicht.
Ophouden moeten al de openlijke en geheime split-
singen en scheidingen binnen de verschillende belij-
denissen; ophouden die beleedigende hoogmoed waar-
mede de „rechtgeloovigen" op de andersdenkenden
neerzien, ophouden de roekeloosheid waarmede vrij-
geesten het Christendom van zijn goddelijk karakter
willen berooven; ophouden al die namen, die zelden
beteekenen wat bedoeld wordt; ophouden die aan-
klachten, vaak zoo onrechtvaardig. Ophouden dat alles,
en kunnen wij het dan al niet uit de wereld krijgen,
het moet toch met alle kracht onderdrukt worden.
-ocr page 43-
37
Ook om de heidenen voor het Christendom te win-
nen is het onloochenbaar noodzakelijk het zijn oor-
spronkelijke, bevattelijke, geloofwaardige gestalte weer
te geven, opdat het onderscheid in geloofsbelijdenis
althans ophoudt. Tegenover de groote moeielijkheden
en den hatelijken onderlingen strijd, die het bekee-
ringswerk bemoeielijken, is reeds meermalen de ge-
dachte opgekomen aan een Christendom „zonder
geloofsbelijdenis". Wat verhindert ons, de door ge-
boorte tot het Christendom behoorenden, om vóór
alles deze gedachte op te nemen, en daarbij dan te
voegen „maar dat in daden zich toont*\'? Laten
wij dat doen. Maar laten wij het de heidenen niet
voor-p raten, maar voor-d oen — dan zal de bekee-
ring wel grooter blijken.
En nu wil ik nog wijzen op de noodzakelijkheid
om dit nu te schrijven, juist nu. Hart en hoofd wor-
den tegenwoordig bezig gehouden met de vraag hoe
de minder bevoordeelden te helpen. Zoo\'n beweging
moet men zich ten nutte maken als men meent den
goedwillenden den rechten weg te kunnen wijzen;
ik vrees dat tot nu toe slechts weinigen dien kennen.
Men wil „geven", zoo ver zijn wij ten minste —
maar dat is iets dat van zelf spreekt en niet de
hoofdzaak — het komt er maar op aan hoe men geeft.
De meesten geven uit vrees; liever vrijwillig iets
geven, dan vreezen dat hun straks alles ontnomen
-ocr page 44-
38
wordt. Anderen geven, overtuigd van de noodzake-
lijkheid, maar toch ongaarne; anderen zijn bereid te
helpen, maar niet in het ootmoedig bewustzijn dat
dit hun plicht is, maar met een trotsch gevoel van
eigenwaarde omdat zij zoo genadig zijn; anderen
willen wel hun goede neigingen in daden toonen,
groote persoonlijke offers brengen, maar zij willen dat
het gewaardeerd wordt, dat men hen daarom be-
wondert; tot die allen zeg ik: het eerste bij het geven
is liefde.
Dat geldt in het kleine en in het groote. Het is
waar tegenover den bedelaar en ook waar bij de be-
handeling van de groote vragen van het heden. Wie
goed doen wil, moet wèl doen, anders is hij geen
„weldadige". Maar wèl doen kan hij alleen, die hem
wien hij geeft, als zijn naaste beschouwt en als zijn
naaste liefheeft, oprecht lief; daar valt niets op af
te dingen. Wie zich niet op dat standpunt kan stel-
len, zal nooit dat goede bereiken, dat hij nastreeft.
Niemand zegge: „op dat standpunt kan ik mij niet
stellen, dat is mij niet gegeven." Gegeven is het hun
wel, maar zij hebben de gave niet voldoende ontwik-
keld. Maar dat is nog in te halen en is ook niet
moeielijk. Maar vóór alle dingen moet dit standpunt
in het juiste licht worden gesteld; men moet geen
goedheid van hart met zwakheid verwarren, geen
naastenliefde met een vaag mengelmoes van mede-
lijden en angst. Ik spreek hier van een krachtige,
-ocr page 45-
;]\'•
ernstige gemoedsaandoening, die zich altijd bewust is
van de goede beweegredenen van haar handelen, be-
reid de zuiverheid der bedoeling te verdedigen, bereid
allen smaad, alle verongelijking van persoon of van
denkwijze af te weren.
Het kan een goed, zelfbewust man niet moeielijk
vallen zich op dat standpunt te stellen; slechts zwak-
ken die het zich zelf niet toevertrouwen goed te zijn,
kunnen het niet; slechts hoogmoedigen, die zich zeker
wanen, storten neder. Een ernstig voornemen en bij
alles onmisbare oefening, geven ook hier de noodige
kracht en de vereischte volharding — als wij het maar
probeeren! Als zij maar eens op dat standpunt geko-
men zijn en er zich ingeleefd hebben, dan worden hun
gedachten, die zij gisteren nog niet begrepen, daden, die
zij onmogelijk waanden, volkomen duidelijk. Door die
opvatting staan zij steeds vaster tegenover de vragen
van de menschelijke gemeenschap, en morgen schijnt
hun zelfs de oplossing eenvoudig. Zij hebben het toover-
woord „naastenliefde" begrepen — probeert het maar!
Als wij zeggen: eerst liefde, daarna geven, behoeven
wij ook niet te vreezen, dat dan het geven zal wor-
den nagelaten — neen, het komt er maar op aan de
waarde ervan te bepalen maar daaronder zal en kan
het geven niet lijden. Probeert het zef maar, hoeveel
liever, hoeveel meer, boeveel beter, hoeveel vlugger,
hoeveel rijkelijker, naar uw vermogen, en hoeveel
weldadiger gij geeft, als het geven maar na de
-ocr page 46-
40
liefde komt, d. w. z. als het bevel tot geven door de
naastenliefde wordt gesproken. Zoo\'n bevel moet maar
niet zonder onderzoek uit het hart naar de hand
gaan; zooals elke gedachte, die in het hart haar oor-
sprong heeft, eerst door het hoofd moet worden op-
genomen, en elke gedachte die in het hoofd opkomt,
nog eens door het hart moet worden onderzocht, zoo
ook de gedachte om te willen geven; maar de naas-
tenliefde moet haar beheerschen. Het komt dus
maar aan op deze gezindheid tegenover onze mede-
menschen, en als ons maar de ware gezindheid leidt,
dan bereiken wij met de ons ten dienste staande
middelen ook wat wij bereiken willen: de bevredi-
ging van rechtmatige eischen.
Als maar eerst de duizenden die zoo toornig en
mismoedig zich niet alleen van de kerk, maar ook
van den godsdienst hebben afgewend, omdat zij tot
nu toe vandaar geen merkbare hulp ontvingen, zien
dat het juist de godsdienst is die hen helpt; als zij
maar zien, dat de geboden die ons tot helpen dwin-
gen, geboden van het Christendom zijn en dat wij
van den Heiland hebben geleerd hoe te geven, dan
zullen zij zich ook weder naar den godsdienst keeren
en de waarde van het christelijk Evangelie weder
erkennen. Maar juist die duizenden, die zich eenmaal
vrij, te vrij bewogen hebben, zullen zich nooit meer
bukken onder de macht van de kerk; zij kunnen
en zullen slechts aannemen, wat zich overtuigend
-ocr page 47-
41
aan hen opdringt, dat is de ons door den Heiland
geopenbaarde God der liefde; en te gewilliger zullen
zij naar het Christendom terugkeeren, naar mate de
kerk meer vrijwillig van haar tegenwoordige eischen
afziet. Predikt de kerk nu reeds eeuwen lang dat de
offerdood van Jezus de grootste liefdedaad is voor
de menschheid ; predikt zij dat Jezus vrijwillig stierf,
opdat de mensch zou leven — welnu, de tijd is ge-
komen, om die prediking in praktijk te brengen.
Laat zij zich opofferen ter wille van den godsdienst,
laat zij vrijwillig haar tegenwoordige gestalte opgeven
opdat het Christendom leve.
Laten wij elkander niet misverstaan! De meening
is niet, dat gij niet ondanks uw kerkelijkheid een
goed Christen zoudt kunnen zijn, maar wij moeten
denken aan de anderen, die zich in de kerk niet meer
op hun plaats kunnen vinden en voor wie Jezus toch
ook zijn evangelie gepredikt heeft — tot hen moeten
wij komen.
Het zou waarlijk niet in den geest van Jezus zijn,
als wij zeiden: „de menschen moeten zich maar aan
de kerk houden; daar vinden zij alle zegeningen van
het Christendom." Jezus leert ons anders: wij moeten
onze kerken zóó maken, dat de menschen zich niet
kunnen onttrekken aan den weldadigen invloed van
haar inrichting; wij moeten er voor zorgen dat het
begrip kerk en Christendom geheel te zamen valt,
en dat dit begrip een levende daad worde. Maar
-ocr page 48-
42
daarmee moet de kerk niet met trotsch opgeheven
hoofd wachten tot het Christendom in haar opgaat;
zij moet deemoedig in het Christendom verdwijnen.
En ik meen, dat nu de tijd daar is waarop het ge-
schieden kan, omdat geest en hart der christenheid
rijp zijn voor die opvatting, en ik meen daarhij dat
het nu gebeuren moet, omdat zij daarvoor nu ont-
vankelijk zijn ook; verzuim sleept ernstig gevaar na
zich; wie wil de verantwoording daarvan dragen?
Wij mogen het niet langer aanzien dat het meeren-
deel onzer medemenschen koel, onverschillig, vreemd,
voor het uiterlijke in, maar werkelijk slechts naast
het Christendom staat; wij mogen het er niet op
laten aankomen, dat het schip der kerk door een
woedenden storm wordt overvallen, zonder dat wij
gedaan hebben wat wij doen kunnen om dat gevaar
gelukkig te doorstaan, misschien zelfs geheel te ont-
wijken; wij weten niet vooruit hoe het schip er na
den storm zal uitzien en wat wij gered zullen hebben.
Hebben wij reeds een zware verantwoordelijkheid
te dragen, als ons onvoorbereid een gevaar overvalt,
dat wij met meer bedachtzaamheid hadden kunnen
tegen treden, wat wordt de verantwoordelijkheid groot,
ja ondragelijk zwaar, als wij gewaarschuwd zijn en
toch niet handelen!
Wij zijn verantwoordelijk tegenover onze mede-
Christenen, zoowel tegenover de lauwe als tegenover
de geheel koude, om ze terug te brengen tot een
-ocr page 49-
43
Christendom dat iets doet; wij moeten zorgen dat-
het Evangelie ongehinderd blijve bestaan. En gewaar-
schuwd zijn wij ook. Als gij het tot nog toe niet
waart, dan zijt gij het nu, als gij dit leest.
Was het dus naar mijne overtuiging ontwijfelbaar
dat het noodig was dat dit geschreven werd, ook
noodig dat het nu geschiedde, de vraag is nu nog
of het wel noodig was dat ik het schreef. En dan
moet ik zeggen: als het dan niet noodzakelijk w a s,
dan is het dat toch geworden, eenvoudig omdat geen
ander het deed, althans in dezen vorm niet en niet
met de bedoeling om zoo terstond tot handelen op
te wekken.
Zeker zijn duizenden vóór mij en duizenden met
mij hiertoe geroepen, en onder dezen zijn er veel
honderden, die, öf door hun aanleg öf door hun levens-
omstandigheden, daartoe meer geroepen zijn dan ik —
maar zij doen het niet. Als ik nu eens van oordeel
ben en zelfs zooals in dit opzicht de vaste overtui-
ging heb, dat dit of dat gebeuren moet, dan zie ik
eerst een tijd lang om mij of misschien een ander
het doet, meer bevoegd, meer geschikt, en wien het
meer toekomt; als ik kan, spoor ik er een van hen
zelfs toe aan, maar als ik zie dat iets noodzakelijks
niet gebeurt, als ik het niet doe, dan doe ik het;
zoo verhouden zich hier recht en plicht.
Men spreekt vaak van plicht in tegenstelling van
-ocr page 50-
u
recht; maar dat is alleen goed als er sprake is van de
verhouding van twee personen; bij één mensch op zich
zelven is meestal de plicht een gevolg van het recht,
en elk oorspronkelijk recht kan een plicht worden.
Niemand zal wel het oorspronkelijk recht betwisten
om met zijn mede-Christenen te spreken, ook luid
en openlijk, over de dingen die op godsdienst en ge-
loof betrekking hebben. Of zouden er werkelijk men-
schen zijn, die meenen: over dergelijke dingen moet
de Christen maar niet spreken, allerminst er iets
over laten drukken ? Zij zien voorbij dat, als wij niet
eens van gedachten mogen wisselen, het onmogelijk
is onszelven en ons leven en streven te ontwikkelen.
Waarom leven wij dan toch op de wereld? Toch
alleen om onszelven en onze naasten te ontwikkelen,
om te streven naar het volmaakte; elk woord dat
door die bedoeling beheerscht wordt, is daardoor reeds
gerechtvaardigd. Omdat van zaken des geloofs geen
belasting wordt geheven, omdat zij niet in de volks-
vertegenwoordiging worden behandeld en niet in de
couranten worden besproken, bemoeit men er zich
weinig mede. Maar de kerk stelt haar eischen, ern-
stige eischen, en daardoor wordt voor allen, die zich
tot een kerk rekenen, het geloof iets dat openlijk
besproken moet worden.
Wellicht echter vragen sommigen verbaasd: Hoe
komt nu juist een officier er bij om dit te doen? —
Maar staat dan het leger buiten den godsdienst? is
-ocr page 51-
45
een soldaat geen Christen, mag een officier de naasten-
liefde niet in praktijk brengen? Al mist het leger
natuurlijk eenige burgerlijke rechten, onze onver-
vreemdbare menschenrechten doen wij niet uit, als
wij des konings uniform aantrekken; neemt een sol-
daat met zijn eed op het vaandel de heiligste en
ernstigste beroepsplichten op zich, die het vaderland
kent, daarom ontbindt die eed hem nog niet van zijn
christenplichten; al plaatsen de eigenaardigheden van
zijn stand den officier ook vaak in eene bizondere
verhouding in het openbare leven, daarom behoeft
hij nog niet van zijn naaste te vervreemden; en
dan, de omstandigheid dat het iets ongewoons is,
dat een officier dergelijke dingen schrijft, zegt nog
in de verste verte niet, dat het iets verkeerds of
ongehoords zijn zou.
Ik zeg zelfs: juist de Duitsche officier is zoo recht
de man, om zoo iets te schrijven; ik zeg niet de
eenige man, maar ik zeg: een officier, die met hart
en ziel verstaat wat zijn beroep beteekent, en die
voor dat beroep met toewijding, met een warm hart
en een verstandig hoofd, met heldere oogen en een
vasten wil, leeft en een aantal jaren geleefd heeft,
die kan het; die weet, waarop het aankomt; die
weet zoo ten naastebij wat de mensen n o o d i g heeft
te weten, om zich nu ook met de ernstigste van alle
levensgedachten te mogen bezighouden en zijn ge-
dachten te mogen mededeelen.
-ocr page 52-
4(3
Welke bevoegdheid zou een officier daartoe missen ?
Geen enkele, en hij heeft zelfs dit op velen voor,
dat hij altijd moet spreken in het volle bewustzijn
van zijn verantwoordelijkheid, en daarvan hoop ik
voor mij zelven dit voordeel, dat zelfs zij, die tot
nu toe mijn zienswijze niet deelden en die nu ook
nog niet willen aannemen, toch mijn overtuiging
welwillend zullen willen begrijpen, mijn overtuiging
dat het noodzakelijk was geworden, dat ik dit schreef.
En nu kom ik er ten slotte toe mij de hoogst ge-
wichtige vraag te stellen: „wat zal er van komen ?"
Het is niet gemakkelijk hier het evenwicht te
houden tusschen hopen en vreezen, tusschen ver-
trouwend afwachten en verwachte ontgoocheling, maar
het gaat wel, men moet het maar probeeren, en in
geen geval mag de man zich laten overwinnen door
overwegingen, die vijandig zijn aan handelend op-
treden ; den moedigen behoort de wereld; hem, die
waarachtig een overtuiging heeft, volgen de anderen.
Wat zal er van komen ? zoo vraag ik ernstig mijn
geschrift af. Wat?
Vooreerst zend ik het zelf aan allen, die mij op
mijn levensweg ontmoet hebben, -met wie ik geleefd
heb en omgegaan, en van wie ik hopen mag, dat
zij mijner nog vriendelijk zullen gedenken. In gedach-
ten groet ik hen vriendelijk; ik dacht dat het goed
was door deze toezending het eerst en onmiddellijk
-ocr page 53-
47
tot hen, die ik ken, te komen, met mijn gedachten,
met mijn vragen, met mijn bede: Gaat met mij! Ik
kan er geen aanspraak op maken; ik wil het zelfs
niet verwachten; maar toch zal ik mij verheugen
over ieder antwoord — zooals steeds, het meest over
een Ja!
En verder? Verder naar dezen en genen; naar
ieder, die het haalt; naar aanzienlijken en geringen,
geleerden en ongeleerden, ouden en jongen, goeden
en slechten; het gaat naar allen.
En wat zullen zij er van zeggen\'? Ik weet wel:
zoo veel; vriendelijks en onvriendelijks; over het
eerste verheug ik mij; voor het laatste ben ik
niet bang.
Velen zal het lastig zijn in hun rust te worden
gestoord. Anderen zullen zeggen: „Maar dat is geen
nieuws; dat is allemaal reeds duizend maal gezegd."
Zeker is de opmerking, de meening, de bewering
dat Christus geen God maar een mensch was, niet
nieuw. Dat is alle tijden door gezegd en verklaard; ik
wil ze nu maar niet opnoemen, die groote mannen uit
het verleden, die daarvan droevige aanvallen hebben
moeten doorstaan. Maar die beschouwing is nog nooit
overgebracht in het leven; nu is zijver verbreid, veel
verder dan ik zelf vroeger dacht — nu moet er dus
iets van komen.
Iets nieuws, zakelijk nieuws, breng ik zeker niet;
nieuw is misschien de vorm, dat ik zoo onmiddellijk
-ocr page 54-
48
mijn mede-Christen nader, hem mijn bedoeling zeg,
en hem vraag wat zijn eerlijke overtuiging is; en
als deze vorm, dien ik waarlijk niet zocht, maar die
zichzelven aanbood, aan mijn bedoeling beantwoordt,
dan is het de ware.
"Wie mij nu begrepen heeft en het mij toestemt,
die zal mij ook helpen, zonder veel drukte, maar
met verstand, dat mijn gedachten verder gedacht
worden, en mijn vragen verder gehoord, en dat de
antwoorden steeds talrijker, steeds blijder, steeds
bepaalder, steeds meer bemoedigend worden.
Ik dacht zoo: een gezond verstand en een goede
wil kunnen er niet aan ontkomen, maar___en met
dat „maar" kom ik juist op datgene, wat de meesten
zullen zeggen: „Hij heeft wel gelijk, maar__" Er
zijn eindeloos veel maren — maar tegenover die allen
stel ik dit eene groote MAAR: „maar bij God is
geen maar", daar heerscht werkelijk de waarheid;
wel hun, die zich daarbij reeds hebben aangesloten!
Als wij tot de heidenen zeggen, en terecht, dat
zij, als hun het Evangelie gepredikt is en zij er zich
niet toe bekeeren, daarvan rekenschap zullen moeten
afleggen, dan willen wij datzelfde zeggen met be-
trekking tot de Christenen: wie de waarheid gehoord
heeft en verstaan en zich daarbij toch niet aansloot,
die is strafbaar.
En als die „maren" dan voorbij zijn, dan komt
men met zijn „beginselen", zijn „principes"; ja, de
-ocr page 55-
4\'-)
beginselen, die in de openbare meoning zoo hoog
staan aangeschreven zij zijn de vloek, die rust
op de volmaking van den mensen, van den enkelen
mensch en van de menschheid als geheel.
Niet, dat de mensch zonder beginselen zou moeten
zijn; onze handel wijze, onze opvatting, onze beschou-
wingon moeten allen door beginselen geleid worden.
Maar zoodra een eerlijke overtuiging onze beginselen
aantast, dan mogen wij niet ter wille van die begin-
selen onze overtuiging terugdringen. Maar gewoonlijk
als een overtuiging in botsing komt met onze begin-
selen, dan winnen deze het. De beginselen verschan-
sen zich dan achter een onoverwinnelijk vasthouden
aan het oude, doen zich voornaam en ongenaakbaar
voor. en verdedigen zich met allerlei hulpmiddelen.
Slechts de moed, de natuurlijke bondgenoot van allo
eerlijke overtuiging, kan daartegenover helpen; daarom
vraag ik nog eens: waar zij n de m o edigen?
Beginselen of overtuiging? Ik wil ieder, in wien
de strijd reeds ontbrand is of ontbranden zal, toonen
hoe hij op de meest eervolle manier beiden geeft
wat hun toekomt; hij zegge: „Uit beginsel volg
ik mijn overtuiging." Dat zegge hij tot zich-
zelven, hij begrijpe goed wat dat zeggen wil, maar
dan spreke hij het ook hardop uit en handele daar-
naar; dat noem ik moedig; en met den moed in het
hart, zal men wel ophouden hem verwijten te maken,
die onder eerlijken strijd zijn overtuiging verandert.
4
-ocr page 56-
BO
Wat die anderen dus wel zeggen zullen mag mij
niet te veel bekommeren; ik moet altijd weder terug
tot mijn: „wat zal er van komen ? wat zal het geven ?"
Natuurlijk hoop ik dat er veel moedige Christenen
zullen zijn, mannen en vrouwen, die open er voor
zullen uitkomen hoe zij denken over de geloofsvraag.
Als zoo de goede opvatting maar eerst vrijmoedig
wordt uitgesproken, dan zullen er wel mannen ge-
vonden worden, die de beweging leiden; mannen met
verstandig inzicht, kalm, krachtig, betrouwbaar; man-
nen van allerlei belijdenissen, beroepen, kringen,
streken, zeker ook cenigen die daartoe nu reeds aau-
gesteld zijn, misschien ook eenige machtigen in den
lande, en dan zal men beraadslagen: zonder twist
of toorn, zonder ijdelheid of ijverzucht, niemand on-
noodig krenkend, maar ook door niets weerhouden en
alleen het waarachtig heil der Christenheid voor oogen.
Als dan de leden der verschillende kerken het maar
eerst hierover eens zijn geworden, om de bewering
dat Christus een God geweest is, te laten vallen,
dan vallen al die scheidsmuren, die nu de Christenen
scheiden, dan valt ook van zelf elke onnoodige en
onschoone versiering van het godshuis, en dan zal
een nieuw, groot en schoon leven zijn intrek nemen
in het godsgebouw.
Hoe stel ik mij dan de toekomstige gestalte voor
der kerk, of hoe wij deze instelling zullen noemen?
Ik heb daarvan, in het groote en in het kleine,
-ocr page 57-
5]
een duidelijke voorstelling, maar ik geloof niet dat
het goed is dit hier nu reeds neer te schrijven. Mijn
gansche streven is alleen om het Christendom ten
nutte te zijn, daarom alleen schrijf ik; ik wil niet
verwoesten, maar opbouwen; ik wil zelfs het nieuwe
huis over het oude heen bouwen; en eerst als de
omtrekken zichtbaar worden van „de nieuwe groote
kathedraal", dan mogen de oude gebouwen langzaam
vervallen — maar niet onbewoond, ter wille van veel
lieve herinneringen.
Maar alleen bouwen kan ik niet; ik kan wel het
besluit nomen, openlijk wijzen op de noodzakelijkheid
van den nieuwen bouw, maar ik zou het vermetel
vinden, als ik, zonder daartoe een oproeping ontvan-
gen te hebben, reeds nu mijn bouwplan openlijk uit-
lcgde. Ik vrees ook dat ik daarmede geen voordeel
zou doen, misschien zelfs afschrikken; want er zijn
zooveel menschen, die wel inzien dat iets bestaands
niet goed is, maar terugschrikken voor de gedachte
van verbetering, omdat die verbetering tegelijk een
verandering is; de gewoonte is wel de beste vriend,
maar ook de ergste vijand van den mensen.
Men zou mij ook niet altijd begrijpen, of hii Ten daar
een verkeerde voorstelling geven van wat ik wil. Ik
kan het mij zoo voorstellen, maar ik heb er ook lang
over gedacht en schrijf het nu eerst, na jaren; als men
onvoorbereid zulke toekomstgedachten hoort, wordt
men zoo licht afgekoeld, en ik wil juist verwarmen.
-ocr page 58-
52
Maai- dit wil ik zeggen: van de toekomstige ge-
meenschap der Christenen hoop ik, dat zij er telkens
meer moge omvatten, dat de prediking van Jezus
haar evangelie zal zijn, en dat ieder in haar zelf-
standig met zijn God moge omgaan:
Eenheid in het groote,
Vrijheid in do bijzaken,
In alles de liefde.
Vertrouwend roept de moed: ik vermag alles met
God! Zich geloovig overgevend zegt de ootmoed:
zonder God kan ik niets. Mannen mot dien moed
en dien ootmoed zullen ook dit werk, hoe moeielijk
het menigeen schijnen moge, tot een goed einde
voeren. Maar het geloofsschild, dat men tot heden
onafscheidelijk achtte van de gansche uitrusting, han-
gen wij vol eerbied bij de portretten onzer lieve
dooden. En zoo vaak ons oog dan rust op die beel-
tenissen, rust hot ook op dat schild en wij zeggen
tot onszelven:
„Van de herinnering aan hen is het onafscheidelijk;
maar als eerlijke strijders mogen wij het niet meer
gebruiken, omdat wij niet moer gelooven aan de
wonderkracht van den. edelsteen, die daar prijkt.
Zooals wij zijn, stellen wij ons onder de hoede van
onzen eenen en eenigen God!"
6 q^O *