-ocr page 1-
#2? //9pV1/ Jn _.......
-ocr page 2-
■ UTRECHT
A06000031438090B
3143 809 0
-ocr page 3-
JPq/. T. J. yfc-M
Dr. A. KUYPER^
IN TEGENSPRAAK MET
GROEN VAN PRINSTERER.
Een waarschuwend woord vóór de
verkiezing in Juni 1891.
DOOK
EEN HERVORMD PREDIKANT. .^,
«8>3r\'
i
AMSTERDAM,
P. W. EGELING.
1891.
Prijs ƒ0.10, 50 ex. / 3.50, 100 ex. ƒ5.—.
V
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Wij leven in de eeuw van de reclame.
Men geve het publiek lang genoeg te lezen, dat het
eene of andere fabrikaat het goedkoopste in het ge-
bruik en volkomen zuiver is; die mededeeling krijgt
van lieverlede het aanzien eener vanzelf sprekende
waarheid. Mits men tot dit doel geen geld spare, geen
moeite ontzie en zich onder geen beding inlate met
eenige andere methode dan die waardoor „Pears Soap,"
„Sunlight zeep" en „Van Houtens Cacao" de markt
hebben veroverd.
Heeft een concurrent lust de juistheid van die mede-
deeling op voor deskundigen voldoende gronden in
twijfel te trekken, het publiek vertrouwt het niet, leest
het niet, begrijpt het niet en onthoudt het niet. En
wanneer zijne oppositie reeds lang in het vergeetboek
is geraakt, kraait de reclame op die groote borden, met
van verre zichtbare letters „victorie!"
Vraagt niet of het strikt eerlijk is, de markt op deze
wijze te overrompelen en menig minstens even verdien-
stelijk fabrikaat vandaar te verdringen; zoolang de
reclame op het terrein van den handel blijft, haalt men
de schouders op, legt men zich bij het onvermijdelijke
neder met een „zoo is nu eenmaal de tijdgeest!" Maar
-ocr page 6-
4
wanneer die reclame op het terrein van de kerk en den
staat wordt overgebracht, kan men niet langer met een
schouderophalen volstaan, want dan gaat het niet langer
om een handvol goud; maar, om de waarheid, om
datgene waardoor de mensch en de natie wordt behou-
den of bij gemis daarvan ten gronde wordt gericht.
De man n.1., die op behendige, doeltreffende, niets en
niemand ontziende wijze, zijne misschien zeer betwistbare
en uiterst verdachte stellingen voor het publiek weet
te brengen en te houden in eenen vorm die het volk
trekt en aantrekt, heeft alleen hierdoor zijne zaak na-
genoeg gewonnen.
Vooral, wanneer hij deze zaak weet te vereenzelvigen
met die der waarheid, met die van onzen Heer en Hei-
land, zoodat het schier heiligschennis wordt, zich tegen
hem te verzetten. Vooral wanneer hij hem, die hiertegen
protesteert, niet eens te woord staat, maar eenvoudig
treft met spot, medelijden, verdachtmaking, om het even,
alles wat een onnadenkend en niet der zake kundigpubliek
maar kan bewegen, hem geen gehoor te schenken. Vooral
wanneer hij bij machte is, uit honderd monden, overal
waar zijne „pers" troont, zijn oordeel kenbaar te maken,
en zijne denkbeelden in den bepaalden vorm die hij voor
hen koos te verbreiden.
De Pauselijke heerschappij is onschuldig vergeleken
bij die der reclame op geestelijk gebied.
Het gebied van de kerk en het terrein van den ker-
kelijken strijd ligt hier buiten onzen gezichtskring. Wij
hebben het oog uitsluitend op dat der staatkunde, waar
die reclame moet dienen als instrument om het Chris-
tenvolk van Nederland, dienstbaar te maken aan poli-
-ocr page 7-
5
tieke inzichten en bedoelingen, die wij niet aarzelen
anti-Gereformeerd, anti-Protestantief, anti-christelijk te
noemen.
„De reclame" zeggen wij, d. i. de herhaling van
dezelfde uitspraken op zoo hoogen toon, dat zij schijn-
baar voor geene tegenspraak vatbaar zijn, in eenen zoo
tastbaren vorm, dat zij in het geheugen worden gegrift,
en voorts op zoodanige wijze, dat hij, die zich onder-
windt ze te verwerpen, zich in de schatting van duizen-
den, ook zijner geestverwanten, schuldig maakt aan ver-
raad, aan verloochening van zijn eigen beginsel, van de
zaak des Heeren, van hetgeen de reclame op naam stelt
van de Heilige Schrift, van de belijdenis der Herv. Kerk,
van hetgeen Calvijn, wat Groen v. Prinsteren hebben ge-
zocht, wat onzen Heer en Heiland Jezus Christus toekomt.
In de Rede op den 12den Mei te Utrecht uitgespro-
ken ter inleiding van de Deputaten-vergadering, heeft
de reclame bij monde van Dr. Kuyper, een toon aan-
geslagen, die in ons oog op heiligschennis moet gelijken,
omdat wij weten dat zijn eigenlijk stelsel hierop neer-
komt : „de Staat moet geen eigen godsdien-
stig beginsel hebben als richtsnoer voor
wetgeving en regeeringsbeleid. Hij staat
buiten en boven iedere kerk, iedere g e-
loofsovertuiging. En de onderscheidene
kerken en kringen, groepen en vereen i-
gingen in het volksleven moeten zonder
steun of met gelijken steun van staats-
wege dingen naar de heerschap p ij. De
staat oordeelt niet wat waar of onwaar,
voor of tegen het woord is. Deovertui-
-ocr page 8-
6
ging, die in iedere kerk, in iederen kring
leeft, moet maar trachten invloed op het
volk te verwerven en naar de mate waar-
in dit gelukt, door middel van de stembus,
d. i. van de politieke partijformatie, in-
vloed uit te oefenen op de wetgeving en
het Bestuur.
Ekn volstrekt neutrale staat en eene wetgeving die
zich ten slotte voegt naak de tijdelijke meerderheid.
Wij achten dit stelsel anti-christelijk, zooals gezegd
is, en gelijk wij er nu bijvoegen onzinnig. De toepassing
moet falen. Het wordt alleen aanbevolen, omdat zijn
uitvinder hoopt, dat op deze wijze de christelijke rich-
ting. genoeg kracht zal ontwikkelen na den val van de
Hervormde Kerk, de Theologie aan de Universiteit, de
Eerste Kamer, om door middel van de stembus, de heer-
schende richting te worden.
Aangenomen, evenwel, dat deze berekening uitkwam,
en dat ons oordeel door die uitkomst beschaamd werd,
wij staan hier tegenover eene staatkundige meening die
in strijd is om nu niet te zeggen met de Schrift, met
de belijdenis der Hervormde Kerk en de
mannen op wier naam zij wordt gesteld.
Maar is de verontwaardiging dan onverklaarbaar, die
zich van ons meester maakte bij het lezen van het
opgeschroefde woord waardoor de geestdrift der Depu-
taten tot Fanatisme moest worden aangewakkerd?
Luistert. Zij, die op dezen weg niet meegaan, zijn
mannen die „Jezus koninklijk gezag in de staatkunde
niet erkennen." Hem althans „niet als den van God ge-
-ocr page 9-
7
zalfden Koning over alle natiën en volkeren eeren." J)
„Al wie Christus liefheeft en den Christus uit de hemelen verwacht,
moet zich met alle oprechte helijders in den lande hartelijk vereeni-
gen, om hun raad te wederstaan, en het vaderland aan hun veider-
felijken invloed te onttrekken. En zulks, — dit belijdt ge immers met
mij ? — nooit door kracht noch door geweld, maar altoos in den
wettigen weg, alleen gedreven door den Geest des Heeren." (!) 2)
De man, die dit doet
„grijpt niet naar persoonlijk voordeel, maar omklemt de Banier
van het Kruis. Wie als held in dezen strijd zal optrekken, dien moet
het om Christus en zijne toekomst, en in verband met die toekomst
des Heeren. om de redding van zijn vaderland te doen zijn. Bezield
moet hij wezen door de stille zucht, om een dam op te werpen tegen
den wassenden invloed van het anti-Christelijk beginsel. Al zijn in-
spanning moet er op gericht zijn, om de kracht, die nog voor Christus
in ons volk staat, te sterken. En wat hem wenkt, moet het dweepend
verlangen zijn, om, als de Christus wederkomt, hem op dezen vader-
landschen bodem, waarin eens het bloed der martelaren wegzonk,
een volk te bereiden, dat hem niet tegenstreeft, maar ontvangt met
een Hallelujah" *)
Van daar dan ook, dat
„al wie in Christus, als Gebieder en Beschikker ook over ons vader-
land gelooft, zoo hij zijn vaderland waarachtiglijk liefheeft, voor de
eere van Christus ook in onze staatkunde moet opkomen; en is
mits we dit volstandig, mits we dit met beleid en met eenparigen
schouder doen, de mogelijkheid nog niet uitgesloten, dat de geest
van den afval bij ons worde gestuit." \')
Wie dit niet deed „pleegde verraad en liep uaar den
vijand over." 5)
Op allen, die niet met Dr. Kuyper optrekken, is het
volgende van toepassing.
„Reeds David klaagde over het verraad van zijn boezemvriend,
die eens zijn brood at en heimelijk mei hem raadpleegde (Ps. 65 : 14, 15.)
\') Maranatha, blz. 4; ••<) blz. 8, 9; *) blz. 9; \') blz. 9, 10; \'■>) blz. 12.
-ocr page 10-
8
Uit de twaalven die Jezus zich verkoren had, is de man van Iscarioth
tot zijn laaghartigen gruwel uitgegaan. Er moeien, zegt Paulus, afscheu-
ringen komen van wie eerst met u liepen, opdat degenen, die oprecht
onder u zijn, openbaar mogen worden (1 Col\'. 11 : 19). Reeds dertig jaren
na Jezus hemelvaart klaagde de Apostel Johannes van deze ontrouwen
en renegaten: „Ze zijn ons uitgegaan, maar ze waren uit ons niet; want
indien zij uit ons geweest waren, zoo zouden ze met ons gebleven zijn" [\\
Joh.
2 : 19.) Even stellig hetuigt ons de hij Damascus geroepene, dat het
Maranatha niet kan ingaan, „tenzij eerst de afval gekomen zij" (2 Thess.
2 : 3). En onzer aller fout is maar, dat we wel deze dingen in de
Schrift lezen, maar als ze nu in onze eigene omgeving ook alzoo uit-
komen, vergeten, dut het zoo in de Schrift itaat." \')
daarentegen is het verblijdend, dat
„de mannen van beleekenis en degelijke studie, van energie en karak-
ter, heel het land door, onder hooge en lage standen, niet slechts
eenparig op onze zijde bleven, maar zich veeleer nóg nauwer aan
ons volk aansloten. En dan betreur ik daarom wel het afdeinzen van
wie toch eigenlijk bij ons hoorde, maar geldt ook hier voor mij het:
„Zij welen niet wat zij doen " 2)
Wat Dr. Kuyper wil is
„de historische lijn, en die historische lijn eischt van ons, dat we,
trouw aan onze roemrijke historie, Calvinisten zijn en blijven zullen,
met jaloerschheid wakende voor het ons toevertrouwde pand. Ja,
waarlijk, niet slechts met vagen term Christen, maar Calvinist in zeer
beslisten zin, omdat de Christennaam u met Rome gemeen is, en
alleen in het Calvinisme uw Nederlandsche grondgedachte en historisch
het ons onderscheidend kenmerk ligt." s)
Wij lezen voorshands niet verder, want, waarlijk, dit
is meer dan grenzenlooze aanmatiging en zelfs iets ergers
dan volksmisleiding.
Zoo sprak hij, die zich een discipel noemt van Groen
v. Prinsteren, de man, wiens leus het was: „wij verlan-
gen overtuiging, geen list of geweld," l) de man, die
\') Maranatha, blz. 12, 13; *) blz. 14; •\') blz. 15; \'■) Ned. Ged. Il 130.
-ocr page 11-
9
toen hij beschuldigd werd niet praktisch te zijn, d. i.
idealen na te jagen, die niet konden worden vervvezen-
lrjkt, schreef:
„De onderwerping aan de waarheid is de eenige ware praktijk. De
vermaning van Cassandra was praktikaal, ofschoon ze in den wind
geslagen en Ilium, dien ten gevolge, aan de verdelging prijs gegeven
werd. De voorschriften van regt en menschelijkheid waren praktikaal
onder Robespierre, de vrijheid der ingezetenen en de onafhankelijk-
heid der volken onder Napoleon; de verkondiging van het Evangelie
is praktikaal, ook waar zij enkel tegenstand wekt; de aanprijzing der
anti-revolutionaire waarheden is praktikaal, ook waar het revolutie-
beginsel de overheid behoudt." \')
Maar bestaat de Rede van Dr. Kuyper, hooren we
vragen, dan alleen uit zulke bombast; heeft hij nergens
zijne eigenlijke denkbeelden laten doorschemeren? zeker,
voor hem die oogen heeft om te zien. Onze tijd
,stuwt onze politiek onverbiddelijk in de bedding der Democratie.
Onze Conservatieven verliezen eiken invloed op den gang van zaken.
De Liberalisten stellen zich reeds zoo democratisch mogelijk aan. De
Radicalen zijn het reeds op en top. En zoo gaat de stroom voort en
voort, die ook onze Staatsinstellingen binnen korten tijd op het alge-
meen stemrecht zal doen rusten, en het overwicht brengen zal bij
de min ontwikkelde massa. Wie in den Christus gelooft en den Chris-
tus uit den hemelen venvacht, mag niet stilzitten en mag zich niet
bepalen tot een meê kisten der dijken, maar is van Christuswege
verplicht en gehouden om, er kome wat er van kome, moedig in de
bressé zijns volks te gaan staan, en een Christelijk democratische ontwik-
keling van omen vo/ksstaat
voor te bereiden." \'-)
Christelijke Democratie. Men kan het woord
„Christelijk" gerust weglaten. In „De Standaard"
van 20 Mei wordt de bedoeling van de samenvoeging
„toegelicht" gelijk het heet, tegen misvatting beveiligd,
en de Christelijke Democratie van de a n t i-Chris-
\') Ongeloof en Revolutie, blz. 423. \'-) Maranatha, blz. 17.
-ocr page 12-
10
telijke hoofdzakelijk in drieërlei opzicht onderscheiden.
„Alle macht in den Staat uit God op den souvereinen vorst gelegd.
Deze macht in den vorst beperkt, door de rechten en vrijheden des
volks." \')
Voorts
„Het doel van den Staat niet in het tijdelijke, maar in het eeuwige." 2)
Eindelijk
„En juist deswege de Kerk van Christus, met het oog op dat ver-
heven Staatsdoel, niet door den Staat gebonden, maar van eiken
Staatsband vrij. :l)
Wie nu in dezen strik wil loopen doe het. Maar nu
moet men weten, dat 1°. niet opgaat omdat de over-
heid, omdat de koning in onze constitutioneele Staat,
eigenlijk afhankelijk is van het volk, dat de wetten
maakt en dit volgens Kuyper moet doen zonder Eerste
Kamer. 2". niet, omdat het wezen van iedere Staat juist
in het tijdelijke ligt, terwijl het juist het doel van
Kuyper is de Staat zooveel mogelijk zijn zedelijk, gods-
dienstig karakter te ontnemen, het eenige waardoor hij
kan vermijden met "de verschillende geestesrichtingen in
het volk in botsing te komen. En 3°. niet, omdat het eigen-
lijk te doen is, om „de Staat vrij te maken van de Kerk."
Ja, er staat nog iets in de Rede, dat betrekking heeft
op het stelsel van Dr. Kuyper
„vragen we slechts dit ééne, dat de Concientievrijheid, zoo rechts-
streeks als zijdelings, volledig zal worden hersteld. Een positief optre-
den van de Overheid in zaken, die op ons geestelijk leven betrekking
hebben, wordt onzerzijds niet slechts begeerd, maar principieel be-
streden.
Het Evangelie versmaadt de krukken der machthebbenden.
Al wat het vraagt is onbeperkte vrijheid om zich naar zijn aard in
den boezem van ons volksleven te kunnen ontwikkelen. We wenschen
\') Standaard, 20 Mei 1891; *) idem; •1) idem.
-ocr page 13-
11
zelfs niet, dat de Overheid ons het ongeloof gebonden en geboeid
als ter geestelijke executie zal overleveren. Veeleer stellen wij er prijs
op, dat de macht des Evangelies dezen boozen demon, in vrijen kamp,
met gelijke wapenen zal overwinnen." \')
Wat difc beteekent kan men in eene vorige toespraak
lezen
„vrede onder de gedeelde kinderen onzes lands komt er dan eerst,
als de Staat de religie weer aan de belijders, de zedelijkheid aan de
conscientie en de wetenschap aan de haar inwonende kracht over-
laat. Het is nu eenmaal Gods hoog bestel, dat er op onze vier mil-
lioen medeburgers, in bijna drie gelijke deelen verdeeld, Rationalisten,
Calvinisten en Roomschgezinden samenwonen. Dit feit accepteeren
we. En we houden staande, dat althans in een volk, dat aldus ge-
mengd is samengesteld, geen suprematie van de Overheid ten bate
van het eene over het andere volksdeel tepaskomt. Alle geestelijke
dwingelandij van Staatswege is ons beleediging van den adel van het
geestelijk leven en, als krenking van de burgervrijheid, hatelijkheid en
gevloekt." J)
Men moet deze volzinnen vanzelf ontbolsteren. „Kruk-
ken der machthebbenden" b.v. wilde Groen, wil de voor-
stander van een Christelijke Staat ook niet, en zoo voort.
Maar de zaak waarop het aankomt is deze: dat de
Staat geen eigen oordeel mag bezitten,
dat hij geene uitdrukking van het nati-
onale leven mag zijn, alle banden met de
Hervormde Kerk moet ver breke n, deware
religie niet, naar Art. 36 N e d. Geloofsb.,
magbevorderen,endevalschegodsdienst
niet mag weren.
En toch werd op diezelfde Deputaten-vergadering
„een Christelijke Staatkunde geeischt voor onze
Koi.oNiëN!"
\') Maranatha, blz. 20. -) Niet de vrijheidsboom maar het kruis, blz. 24.
-ocr page 14-
12
Louter bedrog!
Die vrijheid voor de zendelingen, voor de inlandsche
Christenen voor allerlei gezindheden om op voet van
gelijkheid in Indië te werken, is te verkrijgen, maar zij
is geene „C h r i s t e 1 ij k e v r ij h e i d," zij ligt in het
revolutie beginsel, omdat dit eenvoudig vrijheid wil voor
allen, dus ook voor den Christen. Het liberalisme is
in het niet verleenen hiervan eenvoudig inconsequent
geweest en dit komt Dr. Kuyper nu ten goede.
Maar Groen wilde toch ook gebruik maken van de
vrijheid die de grondwet alle burgers zonder onderscheid
verzekert, en heeft dit gedaan toen hij het beginsel
toepaste „het Bijzonder onderwijs regel het Openbaar
onderwijs uitzondering!" Zeker. Hier is ook niets tegen.—
Groen heeft uitnaam van de vrijheid, die de grondwet
ieder burger, ook den Christen verzekert, geprotesteerd
tegen de-poging van het Liberalisme om ons volk in de
school een Christendom boven geloofsverdeeldheid, een
kleurloos Christendom op te dringen, en die school voor
allen pasklaar te maken. Maar hij heeft dit gedaan zonder
zijn, d. i. Christelijk-Protestantsch beginsel prijs te geven.
Op de volgende gronden.
„Er zou voor onze werkeloosheid geene verontschuldiging zijn,
wanneer men in de gelegenheid is, zonder zijn zegel aan de begin-
selen te hechten, zich, als iedereen, van de bestaande en legale vor-
men te bedienen. Het beroep van den Apostel op het roineinsche
burgerregt te Filippi was geene goedkeuring van den staatsvorm,
veel min eene hulde aan het daarin allerwege ingeslopen beginsel
van willekeur en dwingelandij.
Lijdzaamheid past den Christen, doch, waar de gelegenheid tot
werken bestaat, past lijdelijkheid hem niet." \')
„In Nederland moet nu uit de openbare instellingen het christelijk
\') Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap, blz. 109, 110.
-ocr page 15-
13
beginsel worden geweerd. Staatsregtelijk leven wij in een godsdienste-
loozen Staat.
Ik berust in den gegeven toestand van een niet-christelijken, maar
evenmin anti-christelijken Staat.
Ik berust in een openbare school waarin niets dat christelijk is,
mag worden geduld, maar ook het anti-christelijke (met dubbele zorg
wanneer het christelijk heet) moet worden geweerd;
Doch tevens verlang ik dat het christeliik-nationaal onderwijs niet
zij een vijandig element, waartegen de Overheid haar finantieële
overmagt keert en waaraan ze haar bescherming ontzegt.
Mijn eerste woord was reeds aan de vrijmoedige en ondubbelzin-
nige opgaaf van dit standpunt gewijd. „In den feitelijk godadienst-
loozen
Staat zijn christenen voor wie ik regtens de vrijheid ter chris-
telijke plichtbetrachting vraag." \')
Gr oen wilde van de v r ij h e i d, die de Revolutie aan
allen beloofde, gebruik maken ten behoeve van het Chris-
tendom, zonder het revolutionair beginsel
zelf goed te keuren, Kuyper keurt het goed en wil
het vereeuwigen.
Groen wilde die vrijheid uit zelfbehoud, om tot iets
anders te komen, Kuyper om voor zoover de staat
aangaat bij de Revolutie te b 1 ij v e n.
Groen spot met het streven van Kuyper.
„Van ter zijdestelling der revolutionaire beginselen sprak ik.
O, welk een dwaasheid, welk een ketterij! wij moeten op den in-
geslagen weg niet achterwaarts, maar vooruit. Zoo de boom geene
goede vruchten heeft gedragen, het was omdat hij in zijn wasdom
tegengewerkt, en in de vrije ontwikkeling die vereischt werd, door
dwaze hovenieren beperkt is." -)
Groen meende dat het plicht was
„in woord en daad, te protesteren tegen al wat, hetzij in veror-
deningen, hetzij vooral in de toepassing der verordeningen, strijdig
met den geest van geschiedenis en regeringsvorm bepaald is en ver-
richt wordt." •\'\'\')
\') Vrijheid van Christelijk Nationaal Onderwijs, blz. ui, iv;
2) Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap, blz. 29; ;l) blz. 113.
-ocr page 16-
14
En sprak in dit zelfde verband uit.
„Het is zeker dat valsche begrippen niets te weeg kunnen brengen
dan onheil en verderf; het is zeker dat zoogenaamde volksregering
uitloopt op de willekeur van hen door wie het volk in beweging
gebragt, gevleid, bedrogen en ten dienste van eergierigheid, winst-
bejag, of zucht naar revolutionaire proefnemingen, gebruikt wordt.
Het is zeker dat de losgelatenheid welke zich thans openbaart, in
het geweld, of der radicalen en communisten, of der reactionairen
en conservatieven, eindigen zal." \')
Hij verklaarde zich lijnrecht tegen den toeleg der
vroegere Revolutionairen, om het te doen voorkomen
alsof het enkel om vrijheid voor anders denkenden te
doen was.
„De Grondwet heeft, noch onderwerping aan het Evangelie, noch
enkel Evangelische verdraagzaamheid bedoeld. Wel daarentegen af-
scheiding van Kerk en Staat,
zoodat ten aanzien der Regering het
Christendom op één lijn met de valsche Godsdiensten geplaatst,
zoodat het Evangelie, wel verre van verbindend te zijn, niet langer
als rigtsnoer van het Staatsbestuur mag worden gevolgd. Zoodanige
gelijkstelling is, gelijk men in Frankrijk te regl aangemerkt heeft,
de ongodisterij der wet; zij is verwerping van het Evangelie, aan het-
welk Europa, en in \'t bijzonder Nederland, de beste zegeningen van
het maatschappelijk bestaan, welvaart en bloei, ook vrijheid en ver-
draagzaamheid hebben te danken gehad; van het Evangelie tot
prediking van hetwelk ieder in zijn stand en in zijn kring is ge-
houden; verwerping van Gods uitgedrukten wil, voor de naleving
waarvan Vorsten en Volken, even zeer als bijzondere personen, ver-
antwoordelijk zijn." "-)
Op Kuyper is van toepassing wat wij in het reeds
aangehaalde werkje lezen.
„Hij plant daarentegen het geboomte en hij strooit het zaad dat
hij uit den vrijheidstuin overgebragt en vergaard heeft. Is de leer
goed, dan verdient hij, om zijn ijver en bedoeling, grooten dank en
\') Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap, blz. 113; 2) Maatregelen tegen
de Afgescheidenen, blz. 7.
-ocr page 17-
15
onvoorwaardelijk vertrouwen; is het een verderfelijke leer, laat ons
dan toezien dat hij niet te eeniger tijd tot wachter over den hol-
landschen tuin worde gesteld; opdat niet, nadat hij een weinig op
radicale wijs zal hebben getuinierd, hetzelfde van den vaderlandschen
grond gezegd worde als in den psalm over den wijnstok van Israël,
dat het zwijn uit den woude dien omgewroet had." \')
De staatkundige belijdenis van Groen luidde.
„Wij gelooven aan de mogelijkheid dat op nieuw het verband
tusschen Godsdienst, gezag, en vrijheid erkend, en Gods oppergezag
ten grondslage van Staatsregeling en wetgeving worde gesteld. In
zoo ver gelooven wij aan de mogelijkheid, aan de wezenlijkheid,
aan de noodzakelijkheid eener Theocratie." Adviezen blz. 46. -)
Op Kuyper is van toepassing:
„Het denkbeeld van een Conventionelen Staat waarin allen gelijk
zijn, waar de Overheid verantwoordelijk is, en de Meerderheid de
wet geeft, is, in den grond der zaak, bij allen het fundament ge-
worden van het Staatsregt en het rigtsnoer der Politiek." 3)
De belijdenis van Groen was:
„Nederland is niet door de omwenteling van 1795, maar ook niet
door de Grondwetten van 1814 of 1815 in het leven geroepen; het
is een historische Staat, waarin niet alle vrijheden en regten door
revolutionaire aanmatiging vernietigd hebben kunnen worden.
Nederland is een Christelijk Land, waarin eerbiediging van het
Evangelie het regt en de plicht van Overheid en onderdaan is. De
Overheid, Christelijk of niet, is aan deze hoogste Landswet gehouden.
Nederland is een Protestantsche Staat, waarin, bij ruime verdraag-
zaamheid, voor het behoud en belang der Ghristelijk-Protestantsche
Kerk moet worden gezorgd." \')
Op dien grond beweerde hij:
„Het Nationaal geloof is het Christelijk geloof, het Nationaal onder-
wijs is het Christelijk onderwijs, de Nationale wetgeving is de Christe-
lijke wetgeving. In Nederland dus mag men ons niet langer eene
\') Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap, blz. 38; ■) Grondwetsher-
ziening, blz. 269, noot; 3) Grondwetherziening blz. 41; \') Bijdrage tot
herziening der grondwet, blz. 66, 67.
-ocr page 18-
16
gelijkheid opdringen waardoor de Openbaring op ééne lijn met den
Koran en den Zendavesta wordt gesteld; eene opvoeding die eene
Heidensche zedeleer tot grondslag heeft; eene strafwet, waarbij
enkel op het nut en de veiligheid der Maatschappij, en niet op de
handhaving van Gods eer en van Zijne algemeene voorschriften,
wordt gelet." •)
En met betrekking tot de Hervormde Kerk:
„Wij vergeten niet dat Holland de duurste verpligting heeft aan
de Hervorming, dat de grootheid der Vereenigde Nederlanden steeds
verknocht was aan den bloei van de Hervormde Christelijke Kerk;
dat, onder de banier van het Gereformeerde Geloof, hier in ruimer
mate dan in eenig ander Land, vrijheid, verdraagzaamheid, welvaart,
nationale magt en grootheid aangetroffen werd; dat het zuiver Evan-
gelie in tegenstelling van de dwalingen der Pauselijke Kerk, met het
aanzijn van Volk en Staat vereenzelvigd is geweest; en dat ook dit
Landsregt, ofschoon door de omstandigheden gewijzigd, evenwel
niet vernietigd is geworden door de dwaze grillen van een in 1795
Godverloochenend geslacht. Al is er geene heerschende Kerk, al be-
staan de Gezindheden, die vroeger geduld werden, nu krachtens
een verkregen recht; één van beide, of wij moeten bij voortduring
aannemen de ongodisterij der wet, iets waarvan het verderfelijke
door alle Christelijke Gezindheden gevoeld wordt; of, zoo er een
historische Staat is, dan is, uit den aard der zaak, de Hervormde
Kerk de Nationale Kerk." \'-)
Hij klaagt over dezelfde misleiding waaraan Kuyper
zich schuldig maakt.
„De woorden van Natie en Vaderland blijven in gestadig gebruik;
maar wat is Natie, en wat beteekend Vaderland, wanneer men de
banden miskent en vernietigt welke de eenheid van geschiedenis,
Godsdienst, zeden, gewoonten, beginsels, tusschen het voorgeslacht
en de nakomelingschap gelegd heeft? Weinig baat het den naam
van vaderlandsch en nationaal te geven aan de revolutionaire be-
ginsels, aan revolutionaire belangen, aan revolutionaire vrijheden,
aan revolutionairen burgerzin, waardoor al hetgene der Natie eigen,
het Vaderland dierbaar en heilig geweest is, ter zijde gesteld wordt." 3)
\') Bijdrage tot herziening der grondwet, blz. 71; s) blz. 72, 73;
:l) Grondwetherziening, blz. 98.
-ocr page 19-
17
Hij eischt juist de openbare instellingen voor Chris-
tus op, die Kuyper wil ontkerstenen.
„Ook wij verlangen geen onderwerping van den Staat aan de Kerk.
Maar moet de scheiding aldus worden verstaan dat de Gezindheden
als Sekten, voor zoover en voor zoolang dit met publiek belang en
publieke dienst overeenkomt, binnen den kring van haar particuliere
inrigtingen worden geduld?
Neen; geene scheiding van Kerk en Staat, waardoor de Natie in de
openbare instellingen, van haar godsdienst beroojd wordt.
\')
In zijn tijd wilden de Radicalen en de Roomschen
wat Kuyper thans wil. Hij bestreedt beide.
De Radicalen
„Eene Christelijke Natie? Neen, zegt de radicaal, dit is de Natie,
onder deze Grondwet, niet meer. In de verzameling van individuen
die Natie heet, is niemand bij voorkeur (meer dan een der overige
leden van het maatschappelijk ligchaam) geregtigd zijne zienswijze
ten maatstaf te stellen voor hetgeen in de openbare inrigtingen tot
de Godsdienst betrekking heeft." -)
De Roomschen
„Er zijn er die in de Godsdiensteloosheid van den Staat de weg-
bereiding van eigen suprematie zien; leden eener Kerk, wier magt
en moed toeneemt door den jammerlijken staat waarin het libera-
lisme de Hervormde Kerk hier te lande gebragt heeft." *):i)
Hij waarschuwt tegen de vrijheid, die de minderhe-
den zoeken niet in het Christelijk Protestantsch begin-
sel van den Staat, maar in de Democratie.
„Vroeger was het gezag daar, om u van den overlast der meerder-
heid te verlossen; om u te handhaven in uw goed regt, al zouden
\') Narede van vijfjarigen strijd, blz. 14, \'-) blz. 16, 3) blz. 18, 19.
*) „Geheele afscheiding van Godsdienst en Staat wordt ook door
de ultra-Catholijken verlangd; maar waarom? Dewijl zulks, vooral
waar de meerderheid der bevolking uit Catholijken bestaat, schijnt
te leiden naar het groote doel: de zegepraal der R. Catholijke kerk
te bewerken door den ondergang van onchristelijke Gouvernementen."
-ocr page 20-
18
ook allen zich vereenigd hebben tegen u alleen. Thans moet gij te
vrede zijn met hetgeen de meerderheid wil. Daarvoor hebt gij het
uitzicht van uw wil te zien gebeuren, als uw gevoelen de meerderheid
verkrijgt. Wat de meerderheid goedvindt, is regt, omdat het haar
gelust." i)
Hij verdedigde Rome, zoo dikwerf in haar de Kerk
en de Christus door den Modernen Staat niet zijn kleur-
loos quasi Christendom werd aangerand, maar niet uit
het beginsel van Kuyper, dat de Staat moet ophouden
eenen Protestantschen Staat te zijn. Hooren wij hoe hij
over Rome dacht.
„Wij houden haar voor eene afvallige Kerk, die alles behalve den
naam van de Katholieke verdient. In het wezen der zaak is, sedert
de zestiende eeuw, niets veranderd, niets gewijzigd. De onfeilbaarheid
waarop zij roemt, is voor elk die haar feilen kent, het bewijs dat zij,
in dezen grondslag van haar kerkelijk aanwezen, een droevigen waar-
borg tegen verbetering gesteld heeft; en inderdaad, ofschoon zij, met
verwonderingswaardige gevatheid baar beginselen, waar het noodig
is, ontveinst en verbei gt, plooit of overkleurt, en ze met geliefkoosde
meeningen van den tijd vereenigen wil; steeds en overal waar ze,
overmagtig zijnde, geen wijziging van stem en houding behoeft; steeds
en overal, ook in onze dagen en in meer dan één Land, worden
dezelfde dwaalbegrippen en aanvankelijk dezelfde dwangmiddelen te
te voorschijn gebracht. Daarom zijn we verplicht ook nu, met het
oog op de doorgaande strekking en ontwikkeling van het Pauselijk
beginsel, met Calvijn te betuigen: de Overste dezer Kerk heeft het-
geen Christelijk was, door Goddeloosheid ontheiligd, door onmensche-
lijke heerschappijvoering verdrukt en bijna vernietigd; door valsche
en verderfelijke leerstellingen vergiftigd, zoodat Jezus Christus er als
\'t ware, ten halve begraven, het Evangelie verstikt, de Christenheid,
voor zooveel hem doenlijk was, gebannen, de dienst van God bijna
afgeschaft, kortom, alles zoo zeer in verwarring gebracht is dat het
eer naar Babel dan naar de heilige Godsstad gelijkt." 2)
Ten slotte mag wel eens in herinnering worden ge-
\') Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap, blz. 19. -) Aan de Hervormde
Gemeente in Nederland, blz. 121, 122.
-ocr page 21-
19
bracht wat wij in ,Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap"
lezen.
„Ik heb van genezing geen afkeer, maar ik ben overtuigd dat de
radicale genezing die men ons aanprijst, de dood is.
Daarom ben ik van oordeel dat, niet deze radicale genezing, maar
veeleer de genezing der radicalen moet worden beproefd.
Zoo gij verbetering verlangt, zoekt ze, niet in beginselen die het
verderf aangebragt hebben, maar in den eerbied voor regt en historie,
en in hel Christelijk beginsel, dat alleen tegen verleidelijke theoriën,
door het letten op de hoogste waarheid., bestand is." \')
Ook het volgende.
„Ik bewijs u immers geen dienst, als rk uw huis, omdat het mis-
timmerd is, in brand steek; gij verlangt immers het slechten van
den dijk niet, omdat men er scheuren in ontdekt heelt; gij zult
immers den vruchtdragende!) boom niet ombouwen, omdat hij scheef
gegroeid is. Gij doodt immers den lijder niet, omdat hij ziek is. En
dit evenwel heeft men gedaan. Vele misbruiken waren er; veel was
scheef gegroeid, veel was gescheurd, het staatsgebouw was mistim-
merd, de Staat was krank. Men heeft, om te genezen, gedood, en,
om te verbeteren, vernield. Onvoorzichtige heelmeester! weet ge dan
niet dat men het bedorven lid niet uitsnijdt, wanneer de deelen wier
aanraking doodelijk is, niet kunnen worden gespaard?" -)
Wij zijn het geheel met hem eens wanneer hij zegt:
„Wanneer is de Revolutie, overal en, om de eigenaardigheid van
het volkskarakter, inzonderheid in Nederland, het meest gevaarlijk?
als zij, bevreesd voor de volledigheid der toepassing van haar eigen
beginsel, schijnbaar tegen de Revolutie gekant ia," •\')
Maar, dan staan wij voor eene ernstige vraag: zul-
]en wij het streven der Anti-revolutionairen bij de
stembus van 1891 steunen?
Zeker niet, evenmin als dat der Liberalen. Om dezelfde
reden. De Anti-revolutionairen voor zoover zij in het
\') Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap, blz. 84; *) idem, blz. 57.
:l) Grondwetsherziening en Eensgezindheid, blz. 475.
-ocr page 22-
20
beginsel van Kuyper staan, zijn de eigenlijke Liberalen.
Zij gaan den kleurloozen z.g. neutralen Staat voorbij,
om te komen tot een positief NircT-Christelijken, wkr-
kklijk neutralen Staat — een dwaallicht dat ons Chris-
tenvolk niet brengt op de paden van Gods Woord,
maar in de moerasgronden der kansberekening en po-
litieke partijschap.
Het streven der Anti-revolutionairen steunen. Nooit!
Maar, hiermede is niet gezegd, dat onder de Anti-
revolutionairen geen mannen zijn, die het recht heb-
ben zich aldus te noemen. De eenige vraag is: Kun-
nen wij ze kennen? Zijn ze te herkennen?
Men heeft gezegd „ja, indien zij zich niet aansluiten
bij de Kamer-club".
Is dien eisch billijk en verstandig?
Wat wil zoo iets zeggen? Dit: „indien zij zich niet
voor Kuyper onbruikbaar, d. i. in de politiek onmoge-
lijk maken, om het te wagen met...... ja, met wien?
en met wat ?
Hebben wij een dagblad?
Hebben wij een titel? een program? een provinciale
pers?
Een naam hebben wij van dezen oogenblik aan, indien
wij ons willen noemen wat wij werkelijk zijn, wat
GROEN was, CHRISTELIJK HISTORISCH.
Maar een naam is iets, is veel, genoeg is hij niet.
Prof. de Geer heeft op Staatkundig terrein den dood-
straf ondergaan. Het heette in „De Standaard": „Het
staat niet aan ons maar aan de Deputaten te bepalen
of hij opnieuw candidaat zal worden gesteld"...... En
in dit ééne woord was zijn lot beslist.
-ocr page 23-
21
Op de Kiesvereeniging „Nederland en Oranje" te
Utrecht, waarvan Z.Hgl. voorzitter was, werd één man,
zegge één gevonden, die zijn best deed dit woord van
„De Standaard" tot waarheid te maken. En die man
was Prof. de Geer zelf\', toen hij verzocht als zoodanig
„niet meer in aanmerking te komen." Maar de corres-
pondent uit U. in „De Standaard" van den volgenden
dag, kon niet eens de gevallen grootheid eerbiedigen.
Hij gaf den machtelooze een voettred, toen hij het bo-
venstaande meedeelende er bijvoegde: „Hij kreeg trou-
wens, niet een enkelen stem!"
Wie beschermt Prof. de Geer, aangenomen dat dit
moest en noodig was? Wie heft hem weder op?
Niemand.
Wij mogen derhalve het onmogelijke niet vergen. De
politieke existentievan onze Christen Staatslieden hangt
thans nog van Kuyper af.
Wie het merk teeken niet draagt komt niet bin-
nen de poort der veste.
Wij zoeken dus in het al of niet lid zijn van
de kamerclub het criterium van een waarlijk Anti-
revolutionairen Staatsman in Christelijk-Historischen
zin, neet.
Hebben wij een ander en beter criterium? Een of-
ficieel, voor allegevallen geldend criterium, evenmin.
Indien men zeker wenschte te zijn, dat zij, die onder
den banier der Anti-revolutionaire beginselen optrek-
ken, werkelijk Anti-revolutionair in den zin van Groen
van Prinsteren zijn, zou men hen persoonlijk, hoofd
voor hoofd moeten vragen, hoe zij over dit en dat en
dat andere dachten.
-ocr page 24-
22
Wie hebben het recht deze vragen te doen? Alleen
de Kiezers.
Maar, daar gelaten de moeielijkheid om de vragen
goed te stellen, het is eenvoudig eene kwestie van po-
litieke kansberekening, of men een antwoord krijgt en
hoe dit antwoord zal luiden.
Er diende vooraf overleg plaats te hebben, een pro-
gram te worden ontworpen en een bond te worden ge-
vormd.
Daartoe zal het zeker moeten komen. Maar, daartoe
kwam het nog niet.
Ons volk moet eerst leeren inzien, dat Dr. Kuyper
de tegenstellingen vervalscht. *)
*) In „De Standaard\' volgt Kuyper deze taktiek, dat hij pleit voor
eenen staat, die gebonden is aan den geopen baarden wil van
God en hij vergeet te zeggen, dat hij dien staat niet wil. Aan het
volgende b. v. uit „De Standaard" van 22 Mei ontbreekt niets dan
waarheid. Met de opvatting zelve zijn wij het eens. Maar zij is
niet die van Kuyper.
„Te zeggen, dat uw geloof, uw belijdenis, uw diepste zielsovertui-
ging niets niet uw Staatkunde te doen heeft, is eenvoudig ongerijmd."
„Plaatst men nu op practische wijze de vraagpunten bijeen, die
door ons gelooi beheerscht worden; en tegelijk als richtsnoer dienen
voor onzen gang op Staatkundig gebied, dan zijn het in hoofdzaak
deze drie: Is de Staat uit God of uit den mensch? Zoo uit God, —
heeft dan God al dan niet ons iets geopenbaard wat zijn wil voor
den Staat is? En indien ja, op welk doel is de Staat dan aangelegd?"
„Wat de tweede vraag betreft:
Wie in het diepst zijner ziel overtuigd is, dat de mensch Gods
wil niet zuiver kan kennen, noch uit de rede, noch uit de natuur,
maar alleen uit een bijzondere Openbaring, waarin God van zijn wil
kond doet — die moet op de tweede vraag antwoorden, dat God zijn
wil ook heeft geopenbaard voor den Staat, en dat het de roeping
van den Staat is, om zich naar dien wille Gods te gedragen."
-ocr page 25-
23
Op dit oogenblik is^ de vraag: -wie, wij als Ahti-rtfèo-
lution tiren onze stem zullen geven? eene zaak van
ieders individueel oordeel en van persoonlijk vertrouwen.
Gelukkig zijn er nog voor ons bruikbare mannen die
hij nog niet missen kan , nog gebruiken moet. Hunne
namen zijn bekend. Knyper -althans kent ze wel. In zijn
brochure\' Politiek Panorama «zegt een Hervormd Ne-
deriander"
„Ik wijs u slechts op de absolute machteloosheid van Dr. Kuyper
om, al wilde hij het doen, door zijn staatkundig optreden de Ned.
Herv. Kerk ten val te brengen. Ik wjjs u oi> de rijen onzer anlire-
vi.nioiiaire Kamerleden, en vraag u, of zij u eenige vrees voor on-
trouw aan deze Kerk inboezemen. Ik vraag u, gelootl g-ij in gemoede,
dat Dr. Kuyper, de Beelaertsen en Hubors, de Sehimmelpennincken
en Mackays. de Wassenaers en Bylandts zou kunnen laten stemmen
op iets, wat tegen bunne eigene overtuiging inging? It vraag u, ver-
trouwt \'gij deze mannen ook niet meer? Maar dan zult gij eindigen
met u -Mi\' van verraad te gaan verdenken." \')
Wij zijn bet niet met hem eens. Dit is eenvoudig het
fluiten van de lok vink. Men kan tegenwoordig, helaas!
niet afgaan op alle man, die niet of noq niet doleert.
Kuyper heeft zjjm> meest gedweee volgelingen, en meest
verblindde partijgangers in de Hervormde Kerk. Maar,
er zijn !v"or toch mannen genoemd, die óns vertrouwen
inboezemen.
Het mee precair staan, trouwens, de z g. Hervormde
Antirevolutionairen van den derden en vierden rang
in de Tweede Kamer die opleven, in den glimlach van
den leider, die een jaar teeréu op een zoet woordeke
in „Do Standaard."
Dit sta vast. men. geve zijne stem niet aan iemand
\') Politiek Panorama, blz. 12.
-ocr page 26-
24
van wien het te vreezen is, dat hij in de ure der be-
slissing medeplichtig zal worden aan de geheele ont-
kerstening van den Staat.
Dan liever een Liberaal, mits hij der zake des Heeren,
mits der Hervormde Kerk, niet vijandig is!
Dan liever niet stemmen waar men in gemoede geene
keuze kan doen!
Dan liever stemmen op den man van ons vertrouwen,
ook in een district waar hij niet kandidaat is gesteld.
>
■ •
M*
C.fit\'