-ocr page 1-
dfr.//*/.3T/ó
M SI.
yv\\rv\\ w
SOCIALE HYGIËNE
DOOR
Dr. K. GEORG,
praktiseerend geneesheer te Berlijn.
AMSTERDAM,
SEYFFARDT\'s BOEKHANDEL.
PHIJS f 0.60,
-ocr page 2-
-ocr page 3-
SOCIALE HYGIËNE.
-ocr page 4-
Gezondheids-Bibliotheek N°. 31.
Boek- en Steendrukkerij K. F. SEYFFARDT, Overtoom 15, N.-Amstel.
-ocr page 5-
SOCIALE HYGIËNE
DOOR
Dr. K. GEORG,
praktiseerend geneesheer te Berlijn.
AMSTERDAM,
SEYFFARDT\'s BOEKHANDEL.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Sedert de hooge eischen der werklieden in Rijnland-
Westfalen, de Februari-besluiten van keizer Wilhelm
den Tweede, en de te Berlijn gehoudene internationale
conferentie tot bescherming vau den werkman, is de
belangstelling van alle standen in de sociale vraagstukken
zoo groot geworden, dat maar zelden een ander thema
het onderwerp van openbare en algemeene discussie
wordt. De volgende bladzijden hebben ten doel, om over
een gewichtig, ja misschien het gewichtigste deel van
het sociale vraagstuk, namelijk de sociale gezond-
heidsleer, een overzicht te geven, dat in uitgebreiden
kring iedereen in staat kan stellen, om aangaande dat
punt een eigen oordeel te vormen. Met dankbaarheid
heb ik daartoe gebruik kunnen maken van de nieuwste
wetenschappelijke geschriften over dat onderwerp, waar-
over reeds eene tamelijk omvangrijke litteratuur bestaat,
en waarvan ik vooral moet noemen de verhandelingen
van het internationaal hygiënisch congres.
Moge dit geschrift ook in ruimeren kling de waarheid
van Rudolf Virchow\'s woorden tot hun recht brengen,
dat de physieke welvaart van een volk de grondslag
van alle beschaving en vrijheid wezen moet!
De Schrijver.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
I.
ONTWIKKELING EN WAARDE DER
SOCIALE HYGIËNE.
De beginselen der sociale hygiëne dagteekenen uit de
hooge oudheid; vele godsdienst-wettelijke voorschriften
der Egyptenaren en der Hebreen behooren daartoe, en
de bouwwerken uit den tijd der Romeinsche keizers,
de baden van Nero, van Agrippa, van Diocletianus,
Titus en Trajanus, de grootsche waterleidingen en rio-
leeringen, dwingen nog op den huidigen dag, wanneer
men er de overblijfselen van aanschouwt, onze bewonde-
ring af en kunnen aan menige hedendaagsche groote
stad ten voorbeeld strekken. Te bejammeren is het
intusschen, dat al die veelbelovende werken van vorige
geslachten in de middeleeuwen te niet zijn gegaan. Eerst
in later tijd heeft men weder het nut begrepen van de
openbare zorg voor den gezondheids-toestand, en de
eerste pogingen in die richting gingen in het begin
onzer negentiende eeuw van Frankrijk en van Engeland
uit. Doch eerst in het vierde decennium dezer eeuw
toen de cholera allerwegen in Europa hare verwoestingen
aanrichtte, toen eerst werd de noodzakelijkheid van
eene sociale hygiëne alom op eene smartelijke wijze
ondervonden.
-ocr page 10-
8
Nooit heeft eene besmettelijke ziekte zulke zegenrijke
gevolgen gehad als deze cholera-epideraie. Men onder-
vond, dat de gezondheid van de eene klasse en voor-
namelijk die der niets-bezittende volks-massa\'s een
vereischte voor de gezondheid van alle overige maat-
schappelijke standen is. Tevens had zich de geneeskunde,
geholpen door den vooruitgang in de natuurkunde, reeds
genoegzaam ontwikkeld, om de moeder van de sociale
gezondheidsleer te kunnen worden. De opduikende
sociale quaestie, de uitbreiding der groote steden en
der nijverheids-ondernemingen op groote schaal, waardoor
in de groote steden eene opeenhooping van proletariërs
ontstond, honderdduizenden in hunne voeding afhanke-
lijk werden van de wisselende conjuncturen der wereld-
markt, en Kapitaal en Arbeid met elkander in scherpe
tegenstelling gebracht werden, hebben sedert het hunne
gedaan om de aandacht der overheden en der partiku-
lieren meer en meer op de waarde der sociale gezond-
heidsleer te vestigen en meer en meer als grondregel
te doen erkennen, dat de bescherming van de lichame-
lijke gezondheid, de grondslag van allen maatschappe-
lijken rijkdom, niet slechts aan de bezitters, maar
evenzeer aan de niet-bezitters ten goede behoort te
komen.
In Duitschland behooren Rudolf Virchow te Berlijn
en Max von Pettenkofer te Munchen tot de voornaamste
kampioenen voor de sociale hygiëne, die tegenwoordig,
na een langdurigen strijd, letterlijk het troetelkind van
het Duitsche volk is geworden, nadat reeds in den
korten tijd, die er sedert de invoering van doelmatige
hygiënische inrichtingen verloopen is, hare waarde ten
duidelijkste is gebleken.
Treffend heeft de Oostenrijksche kroonprins Rudolf,
-ocr page 11-
9
die rijkbegaafde, ongelukkige keizerszoon, bij de opening
van het internationale hygiënische congres te Weenen
(1887) de beteekenis der sociale hygiëne gekenschetst:
„Het kostbaarste kapitaal der staten en
der maatschappij is de mensen. Ieder leven op
zich zelf vertegenwoordigt eene bepaalde waarde. Die
waarde in stand te houden en haar, zooveel slechts
binnen de grenzen der mogelijkheid ligt, ongeschonden
te bewaren, dat is niet alleen een gebod der humaniteit,
het is tevens, allereerst in haar eigen belang, de taak
der maatschappij. Het op zich zelf staande individu,
hoe groot ook de middelen mogen zijn, waarover hij
te beschikken heeft, blijft toch machteloos tegenover
de nadeelige invloeden van algemeenen aard, die ons
allen aandoen. Hier moet gemeenschappelijk samen-
werken helpen. Die grootsche taak heeft de hygiëne te
vervullen, die, op wetenschappelijke grondslagen rustend,
aan de wetgeving en aan de inrichtingen van staten
en van gemeenten de wegen aanwijst langs welke
practische resultaten te verkrijgen zijn op het gansche
groote gebied der zorg voor de gezondheid. De weten-
schap omvat alle sferen, het huis en de school, de
voortbrenging en den oorlog, de steden en het dorp, het
verkeer en de nijverheid."
In welke hooge mate de gezondheid der onbemiddelde
klassen (want dezen vooral geldt de sociale hygiëne)
■een staathuishoudkundig goed is, heeft inzonderheid de
beroemde staathuishoudkundige Lorentz von Stein in
zijne geschriften over het verband tusschen de zorg
voor de gezondheid en het staatsbelang aangetoond;
volgens hem moet de hygiëne de leer van de gezond-
heids huishouding worden. Die huishoudelijke waarde der
hygiëne blijkt ten duidelijkste uit eenige voorbeelden.
-ocr page 12-
10
Ziekte baart schade en kost geld: dit bewijst het
voorbeeld van den Krim-oorlog. Van .309,000 Franschen
stierven er toen 95,000 — dat is bijna een derde —
waarvan slechts 20,000 door \'svijands wapenen, 75000\'
door ziekten; ook den Engelschen ging het niet veel
beter. Daarentegen was de evenredigheid eene juist
tegenovergestelde in de Duitsche armee, gedurende den
Duitsch-Franschen oorlog vijftien jaren later. Kier had
men partij getrokken van de hygiënische ondervindingen
in den Krim-oorlog opgedaan: verzorging en uitrusting
waren uitmuntend geregeld, alles overeenkomstig de
eisenen der hygiëne. Het gevolg bleef niet uit. Van de
40,000 mnn, die de Duitsche armee in 1870/1871 ver-
loor, kwamen er 28,000 door \'s vijands wapenen om,
en slechts 12,000 door ziekten. De evenredigheid was
dus achtmaal gunstiger. En zooals algemeen bekend is
heeft ook tegenwoordig de Duitsche armee, door haar
voortreffelijk hygiënisch bestuur, van alle staande legers
het geringste sterfte- en ziekten-cijfer.
Niet minder groot echter is de waarde der sociale
hygiëne in vredestijd. In de 17e eeuw, toen de bevolking
van Londen nog geen millioen zielen bedroeg, stierven
er op elke 1000 inwoners 42, terwijl tegenwoordig, in
weerwil van het veel engere wonen van ruim 4 millioen
menschen het sterfte-cijfer slechts 21 van elke duizend
bedraagt, zoodat het juist de helft minder is geworden
Een zelfde resultaat leveren Berlijn en andere groote
steden; en het is bewezen, dat sedert 100 jaren, in
schier alle beschaafde landen het sterfte-cijfer 10 per
duizend van de bevolking is afgenomen.
Ziekte veroorzaakt niet alleen uitgaven voor dokter,
geneesmiddelen en verpleegkosten, maar verhindert tevens
het werken, het voorzien in de dagelijksche behoeften.
-ocr page 13-
11
Pettenkofer neemt aan, dat genees- en verpleegkosten,
en daarbij het gemis van verdiensten, gemiddeld op
l1/5 gulden voor eiken ziekte-dag te stellen zijn; dit
maakt in een jaar voor 1 millioen menschen — de
bevolking der stad Weenen — ruim 25 millioen guldens.
Wanneer nu voor Weenen 30 per duizend sterfte ruim
25 millioen kosten, dan kost 1 per duizend circa 840,000
gulden. Deze som zou per jaar gewonnen worden, indien
de sterfte slechts van 30 op 29 per duizend verminderde.
Gekapitaliseerd als renten, die jaar aan jaar geduldig
betaald worden, zou dat voor Weenen een kapitaal van
21 millioen guldens uitmaken, dat renten zou kunnen
dragen.
En toch is aan die ziekte-belasting gemakkelijk eon
einde te maken. In Munchen, bij voorbeeld, wordt jaar-
lijks op zijn minst voor 15 millioen guldens bier ver-
zwolgen. Pettenkofer bewijst nu, dat de Munchenaars
hun biergenot slechts een vijfde behoefden te beperken
— dit wil zeggen, dat ze, in plaats van vijf pinten er
slechts vier per dag moesten drinken — om jaarlijks
3 millioen guldens beschikbaar te hebben voor verbete-
ringen in het belang der gezondheid, terwijl thans door
de belastingplichtigen steen en been geklaagd wordt
over de al te drukkende belasting van eenige millioenen
voor kanalisatie, drinkwaterleidingen en straatreiniging.
En die beperking van het biergenot zou op zich zelf
reeds zeer in het belang der gezondheid zijn, want
volgens Bollinger\'s nasporingen hebben er in Munchen
meer sterfgevallen door hartziekten plaats, dan in andere
minder met bier gezegende plaatsen en landen. Het
kapitaal voor hygiënische inrichtingen zou intusschen
goede renten afwerpen.
Na al de resultaten, die men heeft leeren kennen, is
-ocr page 14-
12
het natuurlijk, dat het gouvernement en de gemeente-
besturen in den laatsten tijd alle openbare pogingen,
die in het belang der volksgezondheid aangewend worden,
ijverig ondersteunen, en dat er talrijke hygiënische
genootschappen, congressen en tijdschriften ontstaan zijn.
De geneesheeren werken samen met de ambtenaren en
de technici (architecten en ingenieurs) om de volksge-
zondheid te bevorderen. Talrijke nieuw opgerichte instel-
lingen en leerstoelen voor hygiëne bevorderen de exacte
natuurwetenschappelijke methoden voor hygiënische
onderzoekingen, terwijl de regeering, bij voorbeeld in
Duitschland in het rijksgezondheidsbureau, eene centrale
autoriteit vooral wat de gezondheid betreft heeft aange-
steld, en wetten, gezondheids-instellingen en inrichtingen
allerwegen er naar streven, om de gezondheid, vooral
van de niet-bezittende klassen, te beschermen.
Intusschen heeft het deze zich krachtig ontwikkelende
nieuwe wetenschap niet ontbroken aan ernstige bestrij-
ders. In de allereerste plaats de consequente Darwinianen.,
die tegen de sociale hygiëne gekant zijn. Zij verwijten
haar, dat zij de natuurlijke kern van het menschelijk
geslacht vervalscht, die anders de levenszwakke bestand-
deelen in den strijd om het bestaan te gronde zou laten
gaan en zoodoende een krachtvol geslacht zou waar-
borgen; terwijl nu een talloos tal individuen in het
leven worden gehouden, die, zonder zelven hun voortbe-
staan aangenaam te vinden, door het overige deel der
maatschappij als een zwaren lastpost meegesleept
worden.
Creheel afgescheiden van de humanitaire zijde der
zaak, is op dat verwijt te antwoorden, dat de sociale
hygiëne de sterken en gezonden evenzeer beschermt
als de zwakken en zieken. Wordt door doeltreffende
-ocr page 15-
13
maatregelen de uitbreiding bij voorbeeld van typhus
verhinderd, die, zooals men weet, voor krachtvolle
jongelingen het gevaarlijkst is, worden pokken, cholera
en dergelijke epidemieën geweerd, dan beschermt de
sociale hygiëne evenzoo de krachtvolle kern der bevolking
als de zwakken en gebrekkigen. Levenszwakke pasge-
borenen en afgeleefde oude menschen, zoomede zieken,
over te laten aan hun lot, moge uit een wetenschap-
pelijk oogpunt veel voordeel aanbieden, de geneeskunde,
en met haar de sociale hygiëne, is in de allereerste
plaats eene humane-wetenschap, en houdt het antwoord
in eere, dat Corvisars aan Consul Bonaparte gaf, toen
deze in den Egyptischen veldtocht van hem verlangde,
dat hij hem van den lastigen ballast der zieken bevrijden
zou: „Mijne roeping is, zieken te genezen — niet, hen
van kant te maken."
Andere tegenstanders trachten de nutteloosheid
der sociale hygiëne te bewijzen. Reeds de voorbeelden,
die wij hierboven hebben medegedeeld bewijzen, hoe
onjuist dergelijke beoordeelingen zijn. Doch al deed de
hygiëne niets anders dan de toeneming van de sterfte
onder de bevolking verhinderen, dan zou men reeds
daarmede tevreden kunnen zijn. Uit den verwikkelden
toestand van onze maatschappelijke en huishoudelijke
inrichting, toch, is eene gansche reeks van nieuwe ge-
varen voor het leven en de gezondheid van menschen
van eiken leeftijd geboren, die men vroeger niet gekend
heeft, en juist ten gevolge van de ontwikkeling der
hygiëne herbergt de maatschappij eene menigte zwakke-
lijke elementen, die voorheen eenvoudig door de kinder-
sterfte zouden zijn weggerukt. Te recht werd op het
Weener Congres door den geheimraad Kohier, den
directeur van het Duitsche rijksgezondheids-bureau, er
-ocr page 16-
u
op gewezen, dat door de geheele ontwikkeling der
hedendaagsche toestanden telkens nieuwe gevaren voor
de volksgezondheid ontstaan, en reeds bestaande gevaren
telkens grooter worden. De snelle ontwikkeling van het
verkeer, vergemakkelijkt het vervoer van personen en
goederen, maar ook de overbrenging van ziekte-kiemen,
en de tot hiertoe genomene lastige maatregelen om het
verkeer te beperken, zijn gebleken ondoeltreffend en
onuitvoerbaar. De opeenhooping van volksmassa\'s in
groote steden en de snelle opkomst van vele takken
van nijverheid heeft verscheidene vraagstukken op den
voorgrond gebracht, o. a. dat betreffende de inrichting
van woningen voor menschen, inzonderheid ook voor
de minder bemiddelde klassen, dat betreffende het ver-
schaffen van drinkwater, en ook dat betreffende den
afvoer van uitwerpselen en vuilnis. De verhoogde eischen
aan de vorming van het opkomende geslacht maken
het noodig intijds doeltreffende middelen aan te wenden
om de lichamelijke ontwikkeling in evenwicht te houden
met die van den geest. De voortschrijdende kennisvan
•onze voedings- en genots-middelen is indirect behnlp-
zaam om surrogaten uit te vinden, maar stelt zoodoende
ook bloot aan het gevaar, dat niet altijd surrogaten
worden opgespoord, die voldoende in waarde opwegen
tegen het voedings- of genots-middel, hetwelk zij gezegd
Avorden te vervangen.
Deze gevaren voor de volksgezondheid, vooral de
lichamelijke zwakte van het opkomende geslacht, zijn
merkbaar in alle landen. Met betrekking tot Engeland
zegt Herbert Spencer, die beroemde denker, in het
hoofdstuk over de „Lichamelijke Opvoeding" van zijn
geschrift On education: „De concurrentie van het
hedendaagsche leven is zoo sterk, dat weinigen het tot
-ocr page 17-
15
de daartoe vereischte inspanning kunnen brengen, zonder
zich lichamelijk te benadeelen. Duizenden bezwijken
reeds onder den zwaren last eer zij het zoo ver gebracht
hebben. En wanneer nu, zooals het allen schijn heeft,
die drukkende last hoe langer hoe drukkender wordt,
worden zelfs de sterkste constitutiën op eene zware
proef gesteld." Spencer zet aan die gedachten nog
meerder klem bij, door te wijzen op de waarnemingen
der geneesheeren, dat de jongere geslachten vergeleken
bij de oudere, wat lichaamskracht en gezondheid betreft,
meer en meer achterlijk blijven, en dat behalve door
de verweekelijkende inrichtingen van den huidigen tijd,
ook door het overerven van een ondermijnd gestel, het
kwaad aanhoudend meer algemeen moet worden.
Voor Frankrijk constateert het academie-lid Jules
Rochard dezelfde treurige daadzaak, in eene in de
„Revue des deux mondes" opgenomen e beschouwing
over de hygiënische opvoeding en de intellectueele over-
lading van de Fransche jeugd. Hij klaagt: „Bijaldien
aan het tegenwoordige stelsel van onderwijs en opvoe-
ding vastgehouden wordt, moeten van lieverlede geheele
geslachten in hunne ontwikkeling achteruit gaan, en
langzamerhand ongeschikt worden niet alleen voor de
verdediging van het vaderland, maar tevens tot het in
stand houden van een gezond ras; en allerminst zullen
zulke geslachten in staat zijn zich te handhaven op de
hoogte der plichten, die de geschiedenis hun oplegt."
De gestadige achteruitgang van het aantal bruikbare
lotelingen om de armee aan te vullen, en daarentegen
de aanhoudend hooger wordende cijfers van de statistiek
der crimineel veroordeelden, der zelfmoorden en der
krankzinnigen, schijnen de beweringen van de genoemde
navorschers te bevestigen, en zulks niet voor Engeland
-ocr page 18-
16
en Frankrijk alleen. Des te sterker wordt de beteekenis
van de resultaten der sociale hygiëne, zooals die door
de hierboven medegedeelde cijfers en daadzaken zijn
aangetoond.
Eindelijk worden ernstige bedenkingen tegen het be-
bevorderen van de sociale hygiëne geopperd door eene
derde groep, de aanhangers der bevolkings-theorie van
Malthus. Zij zijn beducht, zooals bekend is, voor het
telkens grooter wordende gevaar van overbevolking
door de onbegrensde vermenigvuldiging, waarvoor de
bestaans-middelen niet toereikend zijn. Naar hunne over-
tuiging belemmert ook de hygiëne den vooruitgang van
het menschelijk geslacht tot geluk, doordien zij de ver-
menigvuldiging begunstigt.
Inderdaad beoogen de maatregelen der sociale gezond-
heidsleer niets anders, dan om van een gestadig
toenemend aantal menschen het aanzijn te verlengen,
dus er toe bij te dragen, dat het aantal gelijktijdig
levende menschen aanhoudend grooter wordt. Ook de
bemoeiingen der maatschappij, die in den laatsten tijd
ongemeen toenemen, tot verbetering van den stoffelijken
en maatschappelijken toestand der breedste volks-lagen,
verzekering tegen ongelukken, ziekenfondsen, invaliden-
kassen, bescherming van de werklieden, maximum
werk-uren per dag, ziekenhuizen en dergelijke hebben
allen de strekking om het leven van de arbeidende
klasse te verbeteren, en elke verbetering van het leven
bewerkt deszelfs verlenging. Die verbetering van het
leven dergenen, die in het tijdperk verkeeren, waarin
de mensch ter voortteling geschikt is, werkt het aangaan
van huwelijken en bijgevolg het verwekken van kinderen
in de hand. Het is dan ook een feit, dat de bevolking
van Europa sedert het begin der negentiende eeuw van
-ocr page 19-
17
175 tot 350 millioen aangegroeid, dus ongeveer verdub-
beid is; het Germaansche deel van Europa heeft zelfs
slechts 60 jaren noodig gehad om zijne bevolking te
verdubbelen, terwijl Frankrijk bijna 200, Italië 117 jaren
als verdubbelings-periode noodig gehad heelt.
Al geeft men dat alles toe, toch ligt daarin geene
reden tot ernstige bezorgdheid. Ook hier kunnen wij met
Herbert Spencer te rade gaan, wiens scherpzinnige
beschouwingen over het vraagstuk der bevolkings-theorie
tot veel optimistischer gevolgtrekkingen komen, dan die
der Malthusianen. Juist de tweespalt tusschen de volgens
Malthus onbegrensde geneigdheid van het menschdom
om zich te vermenigvuldigen, en de begrensde speel-
ruimte van het onderhoud, leidt, volgens de theorie
van Spencer, door zijne terugwerking op de ontwikke-
ling en geschiktmaking van het menschelijke organismus
voor de aanhoudend hooger stijgende levensvoorwaarden,
ten laatste tot herstel van het evenwicht tusschen die
twee tegenovergestelde krachten.
Spencer zegt: „De onophoudelijke druk der bevol-
king op de middelen tot onderhoud openbaart zich in
den concurrentie-strijd om de natuurlijke levensvoor-
waarden. Die concurrentie neemt toe met de toenemende
uitbreiding en complicatie der maatschappij, en wel
zoo, dat zij aanhoudend sterker wordt in de richting
der psychische eischen aan het individu; zij moet dus
natuurlijkerwijze eene grootere ontwikkeling van de
groote zenuwen-centra, wat betreft derzelver maat,
gecompliceerdheid en werkkracht ten gevolge hebben.
Zoo zijn, volgens Spencer, reeds tegenwoordig de herse-
nen van den beschaafden mensch circa 30 percent
grooter dan de hersenen van den wilde, zoodat deze
laatste wel nimmer een Shakespeare zou kunnen ver-
2
-ocr page 20-
18
wekken. Zoo is ook reeds tegenwoordig eene grootere
ongelijkvormigheid van de hersenen van eerstgenoemde
waargenomen, vooral in de verdeeling van de kronke-
lingen op hunne oppervlakte. Doch van het voortduren
der oorzaak zal ook de voortduring van gelijksoortige
veranderingen in de toekomst het natuurlijke gevolg
moeten zijn.
Hierbij komen de verdere waarnemingen van de
natuurwetenschap, dat in de gansche organische schep-
ping het grootere verbruik van de tot instandhouding
van het individu vereischte stoffen altoos eone daaraan
geëvenredigde vermindering van het reservefonds voor
de instandhouding van de soort in zich sluit. Doordien het
hooger ontwikkelde zenuwstelsel uit het gemeenschap-
pelijke voedingsfonds eene grootere hoeveelheid voedings-
stoffen tot zich trekt, en zoodoende de intensiteit,
volkomenheid en voortduring van het individueele leven
verhoogt, moet onvermijdelijk de voor de voortplanting
of instandhouding van de soort overblijvende hoeveel-
heid van den ganschen voorraad minder worden. De
neiging tot vermeerdering wordt daardoor constitutioneel
eene steeds achteruitgaande.
Zoolang de geboorten de sterfgevallen te boven gaan
moet de bevolking gestadig toenemen. Zoolang de bevol-
king toeneemt moet de druk op de bestaansmiddelen
aanhouden. Zoolang die druk voortduurt moet ook de
hoogere ontwikkeling van den geest vooruitgaan, de
voortplanting daarentegen meer en meer achteruitgaan.
En dit proces kan eerst dan ophouden, wanneer ge-
boorte en sterfte tegen elkander opwegen.
Herbert Spencer koestert de vaste overtuiging, dat
niet alleen de werkelijke vermeerdering van de bevol-
king, maar juist des menschdoms geneigdheid tot ver-
-ocr page 21-
19
menigvuldiging, door haar uitwerksel der werkelijke
vermenigvuldiging, ten laatste vanzelf, en zulks langs
den weg der organische ontwikkeling van den mensen,
meer en meer zal afnemen; dat daarom de volgens
Malthus onbegrensde geneigdheid tot voortplanting juist
in het menschelijk geslacht eene betrekkelijk engbe-
grensde geneigdheid zal zijn; dat daarmede ook, als
logisch gevolg, de druk der bevolking op de middelen
tot onderhoud, en daarmede de tot nu toe gevoelde
nadeelige gevolgen daarvan, moeten ophouden en ver-
vangen worden door eenen toestand, die van ieder
individu geene hoogere dan eene normale en daarom
gewenschte werkzaamheid verlangen zal. Daar de daad-
zakelijke gegevens betreffende dit punt nog zeer
onvolledig zijn, legt Herbert Spencer al het gewicht
van zijne beweringen op de logische gevolgtrekkingen,
die aan zijne leer ten grondslag liggen. En wanneer
van wege de natuurwetenschap voor de gansene orga-
nische schepping tegenwoordig feitelijk en op onweder-
legbare wijze het antagonismus tusschen individuatie
en procreatie vastgesteld is; wanneer verder door
dezelfde wetenschap geconstateerd is, dat van het pro-
tozoon af tot-aan het hoogst-ontwikkelde zoogdier, de
hoogere organische ontwikkeling zonder uitzondering
gepaard gaat met eene geringere vruchtbaarheid, onver-
schillig of die ontwikkeling de morphologische of de
physiologische of de functioneele zijde des levens betreft,
dan moet logisch noodwendig verder daaruit afgeleid
worden, dat de voortschrijdende organische ontwikkeling
van den mensch onderworpen is aan dezelfde wet, en
dat die wet dezelfde constitutioneele veranderingen van
zijn organismus ten gevolge hebben moet, als die in
de overige dierlijke schepping worden waargenomen.
-ocr page 22-
20
Het zou hier te ver leiden de daarop gebouwde
leerstellingen, inzonderheid die van Italiaansche denkers
zooals Vanni en anderen, verder te volgen. In elk geval
is volgens de hedendaagsche sociaal-wetenschappelijke
begrippen ook de sombere voorspiegeling der Malthusi-
anen overdreven, en bestaat er geen voldoende reden
tot vooringenomenheid tegen de sociale hygiëne. Te
recht heeft zich de overtuiging van hare hooge betee-
kenis vasten voet weten te verzekeren. „Met den moed
en de kracht van den jongeling wint zij meer en meer
veld, en met de volharding en het kritische verstand
van den man versterkt zij het gewonnen terrein en
breidt dat gestadig meer uit." (Kohier.)
-ocr page 23-
II.
ROEPING DER SOCIALE HYGIËNE.
a) Zorg voor gezonde woningen.
Het besef, dat het op zich zelf staande individu niet
bij machte is, om grond, lucht en water zuiver te
houden en zoodoende de voornaamste voorwaarde van
alle sociale hygiëne te vervullen, heeft reeds lang den
staat en vooral de gemeente-besturen der groote steden
geleid tot het nemen van doeltreffende hygiënische
maatregelen en het vaststellen van hygiënische veror-
deningen. Reeds bij den aanleg van met villa\'s bebouwde
parken in de nabijheid van groote steden, en dergelijke
meer, behoort vooral op het hygiënische gezichtspunt
gelet te worden. Zacht klimmende, voor den luchtstroom
toegankelijke, maar. voor kouden wind voldoende be-
schutte hoogvlakten, hooggelegene, rotsige rivier-oevers
en zee-kusten zijn aan te bevelen, want het glooiende
van den grond waarborgt eene goede drainage (afwa-
tering) van den ondergrond. Bosschen en enge bergpassen
daarentegen, die moeielijk hun water loozen, dienen
vermeden te worden, en bij een terrasvormig stijgend
terrein behooren slechts de bovenste terrassen bebouwd
te worden.
-ocr page 24-
22
In groote steden is men op verblijdende wijze begon-
nen, aan de eischen der hygiënische wetenschap te
gemoet te komen door strenger voorschriften wat de
bouw-politie betreft, en door meer andere doeltreffende
maatregelen tegen het benadeelen van de gezondheid
door het opeenhoopen van de grootst mogelijke menigte
menschen in enge, slecht geventileerde, slecht verlichte
en met ongezonde lucht opgevulde huur-kazernen, of
zelfs in hokken en slaap-spelonken.
Grondregels, die tot richtsnoer kunnen dienen voor de
hygiëne der steden en der gebouwen, heeft de in 1875
te Munchen gehoudene derde vergadering van het
Duitsche genootschap voor openbare zorg voor de ge-
zondheid vastgesteld. Door aantal, breedte, richting,
hoogte der straten en pleinen, zoomede bij ophoogingen
van dezelven, door onvoorwaardelijke buitensluiting van
alle niet aan de hygiënische vereischten voldoende
materialen, moet dienovereenkomstig de zindelijkheid
en de droogheid van den grond, de voldoende toegang
van lucht en licht, alsook eene volkomene afwatering
en water-verzorging zooveel doenlijk bevorderd worden.
Het meest aanbeveling verdienen de zuidoost-noord-
west en de noordoost-zuidwest-straten. Om de gebou-
wen en de afzonderlijke woningen voldoende van lucht
en licht te voorzien, moet gezorgd worden voorbehoor-
lijke breedte der straten, voor matige hoogte der
gebouwen en voor evenredige bebouwing van de ver-
schillende stukken bouwgrond. Straten voor een druk
verkeer moeten minstens 30, lange zijstraten 20, korte
dito 12 meters breedte hebben. Nadeelige dingen voor
de gezondheid, zooals dampen, gassen, stanken, roet,
stof, enz., moeten binnen de stad niet aanwezig zijn.
Van zeer weldadigen invloed zijn beplante vrije
-ocr page 25-
23
pleinen en plantsoenen midden in groote steden. Niet
dat een paar boomen, door het voortbrengen van zuur-
stof of ozone wezenlijk kunnen bijdragen tot verbetering
van de lucht, maar eerstens doordien ze voor het oog
en voor het gemoed eene weldadige afwisseling bieden
in de zee van huizen, en ten andere vooral doordien
de omwonenden althans zonder veel opoffering van tijd
eenige uren in de vrije lucht kunnen doorbrengen en
de ongezonde of heete werkplaatsen en woningen ver-
laten — vooral voor de kinderen in den zomer een
groot voordeel: zij kunnen dan door te ravotten hun
lichaam versterken, en het gevaar voor moorddadige
ziekten in den zomer wordt verminderd.
De straten en pleinen moeten behoorlijk schoonge-
houden en in de zomerhitte dikwijls besproeid worden;
zonder dat worden door den grond zeer licht smetstori\'en
opgenomen (volgens de nasporingen van Cornel is juist
het stof de voornaamste drager van de smetstof der
tering !) en worden de ademhalings-organen door de met
stof bezwangerde lucht benadeeld.
Van veel aanbelang echter is de aanleg van het
huis zelf, waaromtrent bij het jongste reglement op
het bouwen te Berlijn vele hygiënische beperkingen
vastgesteld zijn. Kelders, die tot woonverblijven ingericht
zijn, hebben te weinig lucht en licht en zijn meestal
vochtig, waarom hun gebruik tot woning te recht ver-
boden is. De vele verdiepingen hooge huur-kazernen
met derzelver opeen gepakte proletariërs-bevolking, met
haar gemis van lucht en van gezonde inrichtingen ter
luchtverversching en ter verwarming, en met haar ge-
vaar voor besmetting, zijn juist het tegenovergestelde
van hetgeen de hygiëne eischt. Menigmaal zijn talrijke
gezinnen saamgepakt in een eng vertrek, en huizen
-ocr page 26-
24
daar bovendien in vuiligheid en bij onvoldoende voeding ;
geen wonder, dat tering, diphterie, huidziekten, en
vooral in den heetsten tijd van den zomer de gevreesde
braakloop der kinderen, in dergelijke verblijven slacht-
off\'ers wegrukken bij duizenden.
Maar zelfs de welgestelde klassen hebben in groote
steden zeer dikwijls woningen, die de voornaamste
vereischten van de hygiëne missen. In plaats van het
gezonde Engelsche stelsel aan te nemen van woonhui-
zen met één, hoogstens twee verdiepingen, trekken de
bouw-speculanten zooveel doenlijk partij van den be-
schikbaren bouwgrond en bouwen groote huurhuizen,
in welke meestal de slaapkamers, voor welke — wegens
den langen tijd achtereen dien men daarin doorbrengt —
de grootste luchtruimte noodig zou wezen, de kleinste,
minst bruikbare vertrekjes zijn. Van de zolderkamer-
tjes en meidenkamertjes — die hygiënische partie
honteuse
zelfs van de uitwendig prachtigste woningen —
zij hier slechts terloops melding gemaakt.
Zeer verdienstelijk zijn dus de pogingen, om voor
den werkenden stand woningen van één veidieping te
bouwen, ingericht voor slechts één gezin, of althans
voor slechts weinige gezinnen. In den laatsten tijd zijn
dergelijke pogingen in de groote steden krachtdadig
bevorderd door maatschappijen ten algemeene nutte
en door eigenaars van fabrieken. Doch vooral is het
zaak, het wonen in gezonde en goedkoope voorsteden
of buitenwijken der groote steden in het belang dei-
sociale hygiëne te vergemakkelijken door zeer goedkoope
weekkaarten voor werklieden op de vervoermiddelen
(spoorweg, tramweg, enz.). Ook buiten den werkenden
stand wordt, bij het goedkooper-stellen van de middelen
van vervoer, het wonen in landelijke buitenwijken der
-ocr page 27-
25
groote steden meer en meer gebruikelijk; voor den
werkman moet dat zonder noemenswaardig geld- en
tijdverlies kunnen geschieden.
In het jaar 1880 bestond bijna de helft van alle
woningen in Berlijn uit slechts één kamer, en op elke
kamer, waar gestookt kon worden, kwamen vier be-
woners! Hoe zulk eene over-vulling van de woningen
op den gezondheids-toestand werkt, kan men zich ge-
makkelijk voorstellen. Inderdaad verrassend waren,
volgens Sax, de resultaten in een sanitair opzicht ver-
kregen door twee Londensche maatschappijen, die zich
de verbetering van de werkmanswoningen ten taak
hadden gesteld, resultaten, die zoo snel met den aanvang
en den voortgang der hervorming gelijken tred hielden,
dat wel aan geene andere oorzaak daarvan te denken
viel. De eene maatschappij had drie groote gebouwen
doen optrekken, welker bewoners te zamen 1340 bedroe-
gen. Daarvan stierven er in den loop van een jaar 10,
dat is 7,8 van de 1000. De andere maatschapdij ver-
eenigde 1217 menschen in 8 huizen, en daarvan stierven
er in den loop van een jaar 13, dus 8 van de 1000.
In hetzelfde tijdsbestek stierven er in Londen gemid-
deld 23 van de 1000. De sterfte in de huizen der
beide maatschappij On bedroeg dus slechts een vierde
van het algemeene sterfte-cijfer. Daar de gebouwen
midden in de door werklieden bewoonde wijken lagen,
en hunne bewoners uit den onmiddellijken omtrek kwamen,
is dat gevolg ontwijfelbaar toe te schrijven aan den voor
de gezondheid gunstigen bouw.
Tegen al wat in de woonverblijven in strijd is met
de gezondheidsleer is vooral het gemeente-bestuur van
Berlijn krachtdadig opgetreden, in de eerste plaats door
het bouwpolitie-reglement, en ten andere door doortas-
-ocr page 28-
26
tende bijzondere verordeningen. Zoo bepaalt het politie-
reglement van 17 December 1880 betreffende de slaap-
steden het volgende : „Niemand mag in de door hem en
zijne huisgenooten bewoonde ruimten aan anderen tegen
betaling eene slaapplaats verstrekken, indien die niet
voldoet aan de navolgende vereischten : Elke slaapplaats
moet voor de personen, die daar nachtverblijf houden,
minstens 3 vierkante meters grondvlak en 10 kubiek
meters per hoofd beslaan. Geene slaapplaats mag met
sekreten in rechtstreeksche gemeenschap staan." Wijders
mag aan lieden, die nachtverblijf komen houden, geene
slaapplaats verstrekt worden in ruimten, die tevens
tot slaapplaats dienen voor personen van het andere
geslacht. De vergunning om slaapsteden te mogen houden
wordt slechts verleend door de politie, na in oogenschouw
neming van de slaapplaatsen. De nacht-herbergen van
het minste allooi, de zoogenaamde „bedelaars-doelens",
waar vroeger 60 a 80 menschen, die zonder huisdak
waren, in kelders of in stal-achtige hokken op half
verrot stroo samengepakt den nacht doorbrachten, hebben
in dien vorm als slaapsteden voor Jan Rap en zijn
maat te Berlijn opgehouden te bestaan, krachtens de
strenge politie-verordening van 31 Januari 1880; en
daarmede zijn gevaarlijke broeinesten van allerlei besmet-
telijke zieken uitgeroeid. Zij, die zonder huisdak zijn,
kunnen een onderkomen vinden in de hygiënisch uitste-
kend ingerichte, van baden en ontsmettings-inrichting
voorziene „Asylen voor lieden zonder huisdak" en in
het „Stads-nachtkwartier". De zindelijkheid en orde in
de tot nachtverblijf dienende ruimten, de gelegenheid
om kosteloos het lichaam en de kleederen te reinigen,
de warmte der verblijfplaatsen, de avond- en ochtend-
verzorging hebben reeds spoedig het meerendeel der
-ocr page 29-
27
lieden, die geen huisdak hebben, naar deze inrichtingen
getrokken, terwijl de van vuiligheid walglijke en alle
ziekte-kiemen in zich bergende bedelaars-doelens ontvolkt
zijn. Met recht zegt dan ook het officiëele verslag van
den magistraat te Berlijn „dat het Stads-nachtkwartier
voor hen, die zonder huisdak zijn, van hoogst verblij-
denden invloed is op den algemeenen gezondheids-toe-
stand van Berlijn, eensdeels door de mogelijkheid, om
de lieden, die zonder huisdak zijn en die bij het uitbre-
ken van eene besmettelijke ziekte het meest vatbaar
daarvoor zijn, dadelijk naar een der bestaande zieken-
huizen te brengen, eer zij de smetstof op anderen
overgedragen hebben, en ten andere door de bad-inrich-
tingen en de ontsmetting van de kleedingstukken,
waardoor menige ziekte-stof in de kiem vernietigd
wordt."
Het Pruisische gouvernement heeft vooral door goed-
koope spoorweg-vrachtprijzen voor werklieden eeniger-
mate weldadig op de woningstoestanden gewerkt, daar
zulks het wonen in de voorsteden of buitenwijken
gemakkelijk maakt. De beweeglijkheid der werklieden-
bevolking is door de spoorwegen verbazend toegenomen,
sinds sedert ongeveer een tiental jaren het vervoer van die
lieden plaats heeft volgens een zeer goedkoop tarief.
Het cijfer der op werkmans-biljetten vervoerde personen
stijgt van jaar tot jaar; in het jaar 1889 hebben de met
werkmans-biljetten op de Pruisische staats-spoorwegen
afgelegde tochten het ronde cijfer van 14 millioen
bereikt, waarvoor ongeveer 1,850,000 mark vrachtloon
in de spoorwegkassen is gevloeid. De vrachtprijs zweeft
in Pruisen tusschen 1 en l1/8 penning voor eiken
kilometer afstands; in Saksen, Beieren en Baden is hij
ten deele nog lager. De voorwaarden, waarop het ver-
-ocr page 30-
2S
voer plaats heeft, zijn in alle opzichten in het belang
van den werkenden stand geregeld. Men geeft werk-
mans-biljetten uit, die geldig zijn voor den tocht \'s-Maan-
dags van de woonplaats naar de werkplaats en terug
des Zaterdags-avonds van de werkplaats naar de woon-
plaats, met vergunning om de reis naar de werkplaats
reeds des Zondagsavonds met een der laatste treinen
te doen, indien de eerste treinen \'s Maandags morgens
niet vroeg genoeg op de plaats van bestemming aan-
komen, om den werkman in staat te stellen tijdig
genoeg zijne werkplaats te bereiken. Vallen er feest-
dagen in de week, dan zijn de werkmans-biljetten op
gelijke wijze den dag vóór en den dag na den feestdag
geldig. Bovendien geeft men ook zoogenaamde werkmans-
weekbiljetten uit voor 6 werkdagen of voor 7 achtereen
volgende dagen met inbegrip van den Zondag, geldig
voor één rit heen en terug eiken dag of voor één rit
per dag van de woonplaats naar de werkplaats. Het
gebruik-maken van den spoorweg met werkmans-biljetten
is wel is waar beperkt tot bepaalde treinen, doch de
spoorweg-directie \'is in dat opzicht zeer toegevend en
inschikkelijk. Zelfs het gebruik-maken van de derde
klasse wordt toegestaan, wanneer de trein, die voor
den werkman het geschiktst is, geene wagens der
vierde klasse heeft. Het kosteloos medenemen van
draagbare dingen, werkgereedschap en etens-gerei is
geoorloofd evenals bij de gewone werkmans-biljetten
vierde klasse. Volgens de nieuwste bepalingen der
Pruisische staatsspoorwegen zal ook rekening worden ge-
houden met bijzondere omstandigheden (b. v. ziekworden,
ongevallen tehuis, staking van het werk wegens ongun-
stige weersgesteldheid, enz.), in welke dringende gevallen
aan den werkman vergund moet worden van zijn
-ocr page 31-
29
v/erkmans-biljet op andere dagen en voor andere dan
de bepaalde treinen gebruik te maken om naar huis te
rijden. Zijn plaatsbiljet wordt in zulke gevallen door
den stations-chef geteekend als geldig voor dien dag
of dien trein. De goede zorgen van het Bestuur der
staatsspoorwegen voor den werkmansstand worden door
dezen overigens volkomen erkend en gewaardeerd.
b) Waterverzorging.
In de zorg voor toereikend en gezond drinkwater ligt
eene voorname taak vooral voor de groote gemeenten,
waar het bronwater, onder den verderfelijken invloed van
het „stads-loog" op de bovenste aardlagen, meestal niet
beantwoordt aan de hygiënische eischen. Men moet 120
liters water-verbruik per hoofd aannemen per dag. Vol-
gens Parkes heeft een „zindelijk middelslags-Engelsch-
man" eiken dag 112 liters water noodig, te weten: 1%
om te drinken, 31/2 om te koken, 221/2 om zijn lichaam
te wasschen, 131/2 om het huis en het huishoud-gereed-
schap schoon te maken, 131/2 voor de wasch, 18 voor
een wekelijksch bad, 27 voor doorspoeling van het sekreet,
en 121/2 die onvermijdelijk te loor gaan. In 128 Engelsche
steden kwam per hoofd gemiddeld eiken dag 148 liters
werkelijk verbruik, in de Duitsche steden, die bad-
inrichtingen en water-closets hebben, kunnen wij als
gemiddeld verbruik per hoofd ongeveer 80 liters per dag
stellen. Doch de inrichting voor de waterverzorging moet
in staat zijn om minstens driemaal zooveel per dag te
leveren; hierin ligt een bezwaar voor de op zich zelf
overigens voortreffelijke bronwaterleidingen, die meestal
niet eens in staat zijn, om het werkelijke verbruik van
groote steden te dekken. Rome heeft 700 liters water
-ocr page 32-
30
eiken dag per hoofd, terwijl de volle meter op 0,07 francs
ts staan komt; Napels 200 liters per hoofd en 0,25 francs
de volle meter; Parijs 198 liters en 0,22 francs; Glasgow
178 liters en 0,63 francs; Bordeaux 170 liters en
0.27 francs; Weenen 106 liters en 0,41 francs; Turijn
95 liters en 0,27 francs; Londen 90 liters en 0,11 francs;
Lyon 85 liters en 0,60 francs; Florence 77 liters en
0,30 francs; Brussel 65 liters en 0,13 francs; Berlijn
64i/2 liters en 0,16 francs; \'s-Gravenhage 70 liters en
0,24 francs; Amsterdam 45 liters, Rotterdam 100 liters
(de twee laatste gegevens dagteekenen reeds van 1884,
zoodat die cijfers thans waarschijnlijk wel iets hooger
zullen zijn).
De tot heden opgedane ervaringen, wat betreft de
dienstbaarmaking van het rivierwater voor water-verzor-
ging, worden door den stadsbouwraad Lindley te Frankfort
aan den Main als volgt samengevat: „De taak der
waterloopen en rivieren is eene tweeledige: bewatering
en afvoer van water. Afvoer van water verontreinigt
de waterloopen. De wat de hoedanigheid betreft beste
dienstbaarmaking aan het doel der water-verzorging
bestaat in het opvangen van het water, eer het aan
verontreinigende invloeden blootgesteld kan worden.
Door deszelfs hoedanigheid komt zuiver bronwater,
natuurlijk opgespoten of kunstmatig afgesloten, het aller-
eerst in aanmerking, doch de hoeveelheid daarvan is
voor groote steden zelden toereikend. Door de water-
loopen in het gebergte op te vangen kunnen voortreffelijke
verzorgingen worden verkregen; geschikte bergstreken
moesten dus voor de water-verzorging der steden en
landen worden aangewezen. Eene behoorlijke wetgeving
op dat stuk ware zeer gewenscht.
Waar de hierboven besprokene wijzen van verzorging
-ocr page 33-
31
uitgesloten zijn, kan zonder bedenking gebruik gemaakt
worden van eene rivier, welker graad van zuiverheid
hare aanwending tot de doeleinden der water-verzorging
toelaat. De onuitputtelijkheid is daarbij eene ook sanitaire
onschatbare eigenschap, die tegen kleine hoedanigheids-
verschillen ruimschoots opweegt. De algemeene in de
huizen geleide water-verzorging zou in hoedanigheid aan
alle sanitaire vereischten moeten voldoen, en wat de
hoeveelheid betreft toereikend zijn voor alle doeleinden
van het huishoudelijk gebruik; bovendien zou steeds
driemaal de werkelijk gebruikt wordende hoeveelheid
water aanwezig moeten zijn. Voor de besproeiing van
straten en tuinen en voor openbare spoelings-doeleinden
kan eene verzorging met ongefiltreerd rivierwater eene
wezenlijke ontlasting voor de algemeene verzorging in
den zomer zijn. Bij het opnemen van water uit rivieren
is het kiezen en volkomen geschikt maken van de
plaatsen, waar men dat water aan de rivieren onttrekt,
van zeer veel belang. Eer het water ter verzorging
van de steden aangewend wordt, dient men het nood-
wendig te zuiveren. Het filtreerings-proces is een ver-
stoppings-proces voor den filter. Bij het filtreeren moet
de afscheiding van de onreine stoffen plaats hebben
ineens en voorgoed, dit wil zeggen volkomen in de
dunne allerbovenste laag van den filter, en de afgeschei-
dene stoffen moeten periodiek worden verwijderd. Natuur-
lijke filters voldoen aan dit voornaamste vereischte niet.
De doelmatige combinatie der lagen-vorming in de
kunstmatige filtreering is gemeenlijk de beste manier om
het rivierwater voor de doeleinden eener verzorging van
steden te zuiveren. Door verbetering van de constructie en
van de werking der afscheidings-bekkens kan de tijd, dien
de lagen-vorming duurt, zooveel mogelijk bekort worden.
-ocr page 34-
32
Voor het flltreeren van groote hoeveelheden water is
de horizontale zandfilter tegenwoordig als het doelmatig-
ste en beproefdste middel te beschouwen. Eene goede
filtreering moet voldoen aan de drie voornaamste ver-
eischten: langzaamheid, gelijkmatigheid, regelmatigheid;
om dit te bereiken, moet de filtreerings-overdrukking in
eiken filter op zich zelf te reguleeren en van uitwendige
invloeden onafhankelijk zijn. Het water moet van het
oogenblik af, waarop het wordt opgenomen, tot op het
oogenblik van verbruik zooveel doenlijk beveiligd worden
tegen alle verontreinigende en schadelijke invloeden.
Die beveiliging wordt in de filter- en afscheidings-bekkens
het best verzekerd door die te overwelven. Behalve de
doelmatige inrichting is de behoorlijke behandeling strikt
noodig, om eene goede filtreering, te bewerkstelligen.
Aan de vorming van de fijne filtreerende laag op de
oppervlakte, en aan het schoonmaken en telkens ledigen
en doorluchten van den filter, dient men bijzondere aan-
dacht te wijden. Eene goede lagen-vorming en filtreering
is in staat, rivierwater van daarin zwevende onrein-
heden volkomen te bevrijden, de opgeloste organische
stoffen grootendeels te vernietigen en de mikro-organis-
men, die er aanwezig in zijn, tot een uiterst gering
aantal terug te brengen, een aantal, hetwelk menigmaal
gelijkstaat met het in bronwater aanwezige. Met deze
middelen is het mogelijk, uit een overigens voor de
verzorging van eene stad geschikten waterloop of rivier,
voor steden, die niet in staat zijn om door bronwater
hare verzorging te bewerkstelligen, eene volkomen
gezonde en rijkelijke verzorging te verzekeren. Het
bezit van deze middelen maakt het in het algemeen
mogelijk, de waterloopen en rivieren dienstbaar te
maken aan de verzorging van de steden, en zijn voor
-ocr page 35-
33
zoodanige verzorgingen hulpbronnen van groote waarde.
Van zeer veel belang is de daarstelling van baden
in groote steden, welke tegen zeer matigen prijs aan
de breede volks-lagen gelegenheid geven, om zich van
alle, ook hygiënisch als drager van besmettings-organen
schadelijk, vuil te reinigen en te verfrisschen. Volks-
baden, werkmansbaden en schoolbaden zijn dringend
noodig. De commissie, benoemd door den Duitschen
bierbrouwersbond, om de op de tentoonstelling te Berlijn
ten toon gestelde bad-inrichtingen ter voorkoming van
ongelukken te beoordeelen, heeft van de verschillende
soorten van baden aan het bruis bad (stortbad) de
voorkeur gegeven. Zulke volks-stortbaden, volgens het
stelsel van Lassar, zijn te Berlijn en in andere steden
reeds geopend, en tegen ongemeen lage prijzen wordt
daarvan door de werkende klassen een zeer druk gebruik
gemaakt. Voor sommige beroepsvakken moet echter,
behalve het stortbad, tevens de behoefte aan eene wasch-
inrichting erkend worden, in welke inrichtingen het
den badenden mogelijk is, zich van alle vast aanklevend
vuil te zuiveren. Wil het werkmansbad zich als inrich-
ting ter bevordering van de volkswelvaart gezocht
maken, dan moet het voldoen aan de volgende vereisch-
ten: Het grootst mogelijke vermogen om dienst te
doen, bij de minst mogelijke behoefte aan plaatsruimte,
geringe kosten van aanleg en onderhoud, gemakkelijke
schoonhouding van de bad- en kleedvertrekjes, ver wij -
derd-houding van hout of poreus materiaal, oordeelkun-
dige plaatsing van den bruis-toestel in eenen hoek van
45 graden met het oog op zwakke personen, enz.,
gelegenheid om alle vast aanklevend vuil, vooral aan
de voeten, te verwijderen, beveiliging tegen koude-vatten,
dus vermijding van toevoer van versche lucht.
3
-ocr page 36-
34
c.) Afvoer van faecaliën, enz.
Geen hygiënisch vraagstuk heeft in groote steden
zooveel hoofdpijn veroorzaakt, jarenlang met verbittering
gevoerde twisten tusschen deskundigen teweeggebracht
en — dit laatste is niet het minste — zooveel geld
gekost, als het vraagstuk betreffende de verwijdering
van vuilnis, afval, enz. Hier afvoer! Daar canalisatie!
Dat waren de groote woorden, waarmede de beide
partijen elkander bestreden. Met een praktisch voorbeeld
gingen het eerst verscheidene Engelsche steden voor,
die met het beste gevolg de canalisatie invoerden (in
het vijfde en zesde decennium der negentiende eeuw).
Door de daarstelling van die werken daalde daar het
sterfte-cijfer voor typhus de helft, terwijl de verminde-
ring der sterfgevallen aan longtering in de verschillende
steden varieerde tusschen 11 en 49 percent. Hetzelfde
resultaat heeft zich geopenbaard te Dantzig, dat wel
het eerst van alle Duitsche steden op eene groote
schaal, met de canalisatie eenerzijds en de waterleiding
uit de hooggelegene bronnen andererzijds is voorgegaan.
Hier daalde het cijfer der typhus-gevallen van 1 per
1000 op 0,1 a 0,2 per 1000.
Per mensch zijn per jaar ongeveer 84 kg. drekstof,
430 kg. urine, 110 kg. vaste keuken-afval en vloer-
veegsel, 36,000 kg. keuken- en waschwater te rekenen.
Van die bestanddeelen der afval-stoffen zijn niet de
uitwerpsels, maar wel het huiswater het meest met
bacteriën bevolkt; ook het vloerveegsel bevat vele
besmettelijke kleine diertjes, vooral tuberkel-bacillen,
staphylokokken, de verwekkers van de acute exanthe-
men worden met het droge stof uit de ziekenkamers
in het vloerveegsel gebracht.
-ocr page 37-
35
De afval-stoffen zijn gevaarlijk, daar zij door gasvor-
mige verontreiniging de kamerlucht bederven. Bedorven
riekende lucht verwekt bij vele menschen walging, zelfs
gemis van eetlust en misselijkheid, men is bang om
lucht in te ademen, en daarom wordt de ademhaling
zwakker, terwijl zuivere lucht opwekt tot onwillekeurig
diep inademen; ook kan er neiging tot catarrhen ontstaan.
Besmettelijke ziekten worden stellig niet, zooals men
vroeger dacht, door de wan riekende mesthoop-
gassen teweeggebracht. Wijders verontreinigen de
afval-stoffen den grond en het water; maar eindelijk
bevorderen zij de verbreiding van smetstof-
verwekkers, die door menschen, insekten, luchtstroo-
mingen, rivieren, bronnen en verstuiving van vloerveegsel
overgebracht kunnen worden. Door doelmatige en snelle
verwijdering van de afval-stoffen worden ziekten, zooals
typhus, cholera, diarrhee, enz., in derzelver verbreiding
krachtdadig belemmerd, doordien daarmede een groot deel
van de mogelijke besmettings-bronnen verwijderd wordt.
Het vraagstuk wat de beste manier is om die afval-
stoffen te verwijderen, langs den drogen weg (afvoer),
dan wel langs den natten weg (canalisatie) is thans wel
ten voordeele van de spoel-canalisatie beslist, die de
afval-stoffen in onderaardsche kanalen verzamelt en snel
uit de woningen verwijdert. Meestal wordt eene zuivering
van het kanaalwater door besproeiing met den aanleg
verbonden. Hiertoe heeft vooral de verontreiniging van
het rivierwater door de daarin geloosde afval-stoffen
aanleiding gegeven. Terwijl 200 Engelsche steden reeds
sedert lang besproeiings-velden bezitten, zijn die in
Duitschland op eene groote schaal aangelegd in Berlijn,
Dantzig en Breslau, ofschoon nog niet voltooid. Ook
Parijs is met dergelijken aanleg op groote schaal be-
-ocr page 38-
36
gonnen. De besproeiings-velden leveren bij een goed
beheer (met drainage en zonder overmatige besproeiing)
zeer gunstige resultaten. Eene verdere uitweiding over
al de bijzonderheden van deze werken, zoomede betref-
fende de overige stelsels ter verwijdering van de afval-
stoffen, moeten wij ons hier ontzeggen. De voordeelen
der spoel-canalisatie schetst professor Flügge in de
volgende bewoordingen: De smetstoffen worden snel en
volkomen uit het bereik der woningen en der menschen
verwijderd; de gemakkelijkheid, waarmede alle vuile
stoften verwijderd worden, went de bevolking meer en
meer aan zindelijkheid; die twee gegevens leiden tot
eene wezenlijke vermindering van het gevaar voor
besmetting. Eene zekere mogelijkheid van eene verbrei-
ding van smetstoffen naderhand bestaat hoogstens bij
het uitscheppen en het vervoer der bezinksels, die zich
in de straatkanalen en in de zij-riolen hebben vastgezet.
Intusschen zijn ook daarbij de gevaren voor besmetting
gering, en in elk geval kunnen die door voorzichtige
behandeling tot een minimum worden verminderd. Eene
verontreiniging van de lucht l) in de huizen
en straten heeft in het geheel geen plaats, stank open-
baart zich slechts in een zekeren graad in den omtrek
van het zandbed, en in geringere mate op de besproeiings-
velden ; doch die beiden liggen ver van menschen-woningen
verwijderd. De grond wordt in het geheel niet of slechts
in eene schier onmerkbare mate verontreinigd. Grond- en
rivierwater is bij geregelde reiniging van den kanaal-
modder voldoende gevrijwaard tegen merkbare verande-
ring van deszelfs hoedanigheid. Niet één der andere
i) Zie Gezondheidsbibliotheek No. 4.
De invloed der lucht op de gezondheid.
-ocr page 39-
37
stelsels beantwoordt wijders zóó aan onze esthetische
behoefte; en eindelijk wordt tevens eene zekere — zij
het al niet volkomene — dienstbaarmaking van de afval-
stoffen voor den landbouw door de spoel-canalisatie
bereikt. Wel zijn de kosten van zulk eenen aanleg
aanzienlijk: in Berlijn, b. v., in weerwil, dat de aanleg
daar toen dit geschreven werd nog niet voltooid was,
bedroegen die toen reeds ongeveer 7u millioen mark (dat
is 42 millioen guldens).
d) Het begraven of verbranden van lijken.
De zoogenaamde benadeeling van de gezondheid door
de kerkhoven behoort tot die hygiënische legenden, die
in de kinderjaren der hygiëne zoo gemakkelijk in omloop
gebracht werden en onder het publiek ontzaglijk veel
opzien baarden. Uit die legende laat zich het ontstaan van
de genootschappen voor de lij ken-verbranding verklaren.
Sedert de wetenschappelijke methoden der hygiënische
nasporing tot grootere ontwikkeling gekomen zijn, hebben
doelmatig in het werk gestelde onderzoekingen van
verscheidene wetenschappelijke mannen eenstemmig de
ongegrondheid van dergelijke aantijgingen aangetoond.
Besmettelijke ziekten kunnen uit de kerkhoven niet ont-
staan, en evenmin kunnen zich daar vergiftige lijkgassen
vormen. De raikroskopische smetstof-verwekkers kunnen
niet uit den grond komen, en gaan overigens reeds na
verloop van eenige weinige dagen onder den invloed der
onschadelijke saprophyten — onschuldige splitzwammen,
die altijd slechts op afgestorven materiaal woekeren —
te gronde. Hoogstens kunnen met duizendtallen lijken
gevulde grafgewelven, zooals er voorheen vele in Londen,
Parijs en Napels bestonden, door eene bedenkelijke
-ocr page 40-
38
ophooping van koolzuur vergiftig werken op hen, die
zulke gewelven binnentreden, doch voor de huidige
toestanden valt er aan geene vergiftiging te denken.
Daarmede is echter volstrekt niet gezegd, dat de
crematie of lij ken-verbranding geen recht van bestaan
zou hebben. Al houden de sanitaire gronden, die daarvoor
aangevoerd worden, geen steek, zoo leggen esthetische
gronden, en voor groote steden, die slechts met groote
kosten begraafplaatsen van genoegzame grootte kunnen
bekomen, zwaarwegende materiëele gronden, hun gewicht
ten voordeele van de lijken-verbranding in de schaal.
Het gevaar, dat bij vergiftigingen enz. de bewijzen daar-
voor later niet te ontdekken zouden zijn, is gemakkelijk
te vermijden, hetzij door uiterst zorgvuldige lijkschouwing
vóór de verbranding, hetzij door het verbranden van
een lijk te verbieden ingeval er gegrond vermoeden
van misdaad aanwezig is. Geschikte crematie-ovens be-
bestaan er reeds, zooals men weet; en hetgeen in Gotha
en in Italië mogelijk is, zal ten laatste ook in alle
groote steden der beschaafde wereld mogelijk worden.
In elk geval is dit „brandende" hygiënische vraagstuk
er geenszins een, welks oplossing voor de sociale hygiëne
van zoo dringend belang is als de hartstochtelijke voor-
standers van de lijken-verbranding beweren. Van veel
meer belang is, bij voorbeeld, de oprichting van lij ken-
huizen op de kerkhoven. In vele woningen der arme
bevolking zijn aan het bewaren van de lijken tot op
het oogenblik van de begrafenis groote bezwaren ver-
bonden, en menigmaal, als de dood het gevolg is geweest
van eene besmettelijke ziekte, ook gevaarlijk. Bovendien
is het noodige schoonmaken en de ontsmetting van de
woning in de meeste gevallen niet doenlijk, voordat
het lijk weggebracht is. Electrische bellen (of schellen),
-ocr page 41-
39
die in het lijkenhuis bij de lijkbaar geplaatst moeten
worden, kunnen de achtergeblevene betrekkingen vol-
doende ontheffen van de wijdverbreide vrees voor het
levend-begraven.
e) Voeding van de massa\'s.
In het vroeger zeer duistere vraagstuk betreffende
de doelmatigste wijze van voeding is door eene reeks
van nasporingen der moderne physiologie en hygiëne
meer en meer licht ontstoken. Over de voedingsvoor-
waarde der verschillende voedsel-hoeveelheden, zoomede
over de gemiddelde hoeveelheid voedsel, die de volwas-
sene, werkende mensch noodig heeft om aan zijn
organismus geen nadeel toe te brengen, zijn wij tegen-
woordig vrij goed ingelicht. Noch enkele vleeschspijs,
noch enkele vet spijs, noch enkel meel- (plantaardig)
voedsel is in staat, om het organismus in goeden staat
te onderhouden; dat kan alleenlijk gemengde kost. De
verdere physiologische onderzoekingen en berekeningen
behooren niet hier ter plaatse thuis; wij houden ons
hier slechts aan de gegevens, die voor de sociale
hygiëne van overwegend belang zijn.
Dat in de zorg voor de maag, in het punt betreffende
de voeding van de massa\'s, het gewichtigste deel van
het sociale vraagstuk gelegen is, valt niet te betwijfelen,
en striktgenomen zijn alle sociale eischen, maximum
van werk-uren per dag, loonsverhooging, zondagsrust,
afschaffing van vrouwen- en kinder-arbeid, slechts de
uitdrukking van het rechtmatige verlangen van den
werkenden stand, om zich een beter levenslot, dit wil
zeggen in de allereerste plaats voldoende voeding te
-ocr page 42-
40
verschaffen. Niet ten onrechte wordt tegenover het feit der
verhoogde loonen aangevoerd, dat die verhooging geens-
zins gelijken tred heeft gehouden met het duurder-worden
van de levensbehoeften, inzonderheid van woning en
voeding, en dat des werkmans budget hem tegenwoordig
niet eens in staat stelt, om zich zóó te voeden als vijftig
jaren geleden. Wel is waar is de ellende niet het grootst
daar, waar de klachten het luidst worden aangeheven:
de metselaars, brouwers, timmerlieden, enz., die het
lichtst en het liefst werkstakingen organiseeren, behooren
bij voorbeeld tot de meest welgestelde werklieden, terwijl
het plattelands-proletariaat in de oostelijke provinciën,
bij voorbeeld in Opper-Silezië, zonder morren of klagen
in zijne ellende voortleeft.
Slechts de gemengde kost — vleesch-, vet- en plant-
aardige spijs gezamenlijk — is doelmatig voor des
menschen voeding: het vleesch levert hoofdzakelijk de
noodige eiwit-stoffen, terwijl slechts in de planten de
koolhydraten aanwezig zijn. Het moet aan de vegetariërs
toegegeven worden, dat vele menschen uitsluitend met
plantaardig voedsel zich bij sterken toevoer in evenwicht
houden; doch in zulke gevallen openbaart zich zeer licht
een verlies aan geestkracht en eene zekere eiwit-verar-
ming, vooral wanneer later de overvloedige opneming
van voedsel beperkt wordt. Ook volken, die gezegd
worden uitsluitend van plantaardig voedsel te leven,
zooals Indiërs, Japaneezen, Chineezen, enz., nemen toch
volgens de nieuwste onderzoekers eene, hoewel dan ook
geringe, hoeveelheid dierlijk eiwit tot zich in den vorm
van kaas, gedroogde visch, enz. Overigens is een groot
deel van onze armere bevolking reeds vanzelf in hoofd-
zaak tot plantaardig voedsel beperkt; en de gevangenen
werden tot kort geleden als vegetariërs gevoed. Doch
-ocr page 43-
41
de ondervinding heeft juist bij de gevangenen, sedert de
invoering van een gering toevoegsel (haringen, enz.),
doen zien van hoeveel belang voor de voeding zelfs
de kleinste hoeveelheden dierlijk voedsel zijn.
Zooveel is zeker, dat sedert Liebig de waarde van
het eiwit en van de vleeschvoeding te hoog, die van
de plantaardige koolhydraten, wat derzelver beteekenis
als voedingsmiddelen betreft, te laag geschat is. Men
heeft al te veel louter naar de chemische analyse ge-
oordeeld, zonder het verbruik der voedingsmiddelen in
het lichaam in aanmerking te nemen. Zoo zijn de
aardappelen, om reden van hun gering eiwit-gehalte,
zeer in minachting gekomen. Doch ten onrechte: want
koolhydraten, welke de aardappel uitermate goedkoop
en wel tot 90 percent bruikbaar verschaft, zijn voor
de voeding niet minder van belang, en daarbij laat de
aardappel zich in eene groote verscheidenheid van vor-
men toebereiden. Het uitsluitende gebruik van aardap-
pelen alleen, zonder eenigerlei dierlijk voedsel er bij,
werkt nadeelig. Daarentegen heeft men de peulvruchten,
uithoofde van hun eiwit-gehalte, ten onrechte te hoog
geschat. Hun eiwit toch is slechts voor de helft tot
voeding verwerkbaar, en om in \'smenschen behoefte
aan voedsel volkomen te voorzien zouden ontzaglijk
groote hoeveelheden noodig zijn. Reeds daarom zijn zij
als volks-voedingsmiddel slechts met omzichtigheid aan
te bevelen.
Voit heeft als gemiddelde cijfers voor de voeding van
volwassene mannen gedurende 24 uren vastgesteld:
105 gr. verteerbaar eiwit, 56 gr. vet, 500 gr. koolhydraten.
of 105 „
          „          „ 98 „ „ 400 „
Volgens Flügge bekomt men 500 gr. koolhydraten
uit 650 gr. rijst (prijs op de markt te Breslauin 1888:
-ocr page 44-
42
31 penningen = I8V2 cent), 1100 gr. brood 23,7 penn. =
14 et), 3340 gr. aardappelen (2500 gr. geschild 16 penn.
= 91/2 et.) 900 gr. erwten (19 penn. = lltyg et.),
15000 gr. koolrapen (75 penn. = 451/* et.) De noodige
60 grammen eiwit zijn het goedkoopst te verkrijgen door
worsten, door versche, gerookte of gezouten visch, door
afgeroomde melk en door verscheidene soorten van kaas,
bij voorbeeld door 800 gr. versche haring bij 200 gr.
afval (prijs 16 penningen = 91/2 cent), 1500 gr. afge-
roomde melk (IOV2 penn. = 6V3 et.), 300 gr. magere
kaas (10 penn. = 6 et.), enz. Vet wordt in den vorm
van boter, spek, melk, kaas, vet vleesch toegevoerd.
De voeding van een werkman wordt volgens Flügge
doelmatig ingericht ongeveer als volgt:
Verteerbaar v ,          Kool-                           Prijs.
eiwit.                       liydraten.
750 gr. roggebrood:
34 gr. 6 gr. 350 gr. 16,4 penn. = 91/2 et.
1360 gr. bruto = 1000 gr. geschilde aardappelen:
13,5 gr. - 200 gr. 7 penn. = 476 et.
250 gr. bruto = 200 gr. netto pekelharing:
20 gr. 14 gr. — 10 penn. = 6 et.
200 gr. worst:
22 gr. 24 gr. - 16 penn. = 9V2 et.
50 gr. magere kaas:
16 gr. 4 gr. —        2,5 penn. = 11/2 et.
Menschen, die met hun hoofd werken, hebben kleinere
hoeveelheden koolhydraten, meer vet en eiwit in een
licht te verteren kost noodig, en hunne voeding zou
ongeveer 1 mark (= 60 et.) per dag kosten. Daarbij zijn
specerijen, vet ter toebereiding, enz., en genotsmiddelen,
die minstens 20 a 30 penningen (= 12 a 18 et.) uitmaken,
niet mede in rekening gebracht.
Voor een werkmansgezin, bestaande uit man, vrouw
-ocr page 45-
43
en 2 a 3 kinderen, die te zamen gerekend worden niet
drie volwassenen gelijk te staan, is volgens de berekening
van professor Flügge, den directeur van het hygiënische
instituut der universiteit Breslau, welke berekening
eerder te laag dan te hoog schijnt, eene uitgaaf van
1 mark 50 penningen (dat is 90 et.) per dag voor de
voeding noodig. Daar de voeding in het budget van een
werkmansgezin op hoogstens 60 a 70 percent van de
heele uitgaaf berekend wordt, is er een dagelijksch inko-
men (zon- en feestdagen niet uitgezonderd!) van 2 mark
10 penn. a 2 mark 40 penn. (dat is 1 gulden 26 et.
al gl. 44 et.) noodig, om zulk een werkmansgezin in
staat te stellen rond te komen en zich behoorlijk te
voeden.
Des werkmans verdiensten zijn echter, in menig be-
drijfsvak, niet zoo hoog, zoodat het dringend noodig is,
daarin ten spoedigste verbetering te brengen. Dit heeft
men dan ook op verschillende manieren beproefd. Door
verbruiks-vereenigingen en volksgaarkeukens worden aan
de behoeftigste klassen de voordeelen in inkoop in het
groot verzekerd, hetgeen vooral wat het vleesch betreft
van veel belang is. Van hoeveel gewicht het verbruik
eener groote menigte en de inkoop van groote hoeveel-
heden is bewijst de daadzaak, dat de voeding van een
gevangene aan den Staat slechts 28 a 36 penningen
(= 17 a 211/2 cent), die van een soldaat slechts 35 pen-
ningen (= 21 et.) kost. De volksgaarkeukens en de
spijs-inrichtingen ten algemeenen nutte, die voor 15 a 25
penningen (dat is 9 a 15 centen) een toereikend middag-
maal leveren, besparen tevens den werkman de kosten
en den tijd voor de toebereiding der spijzen. Wijders is
op goedkoop vervoer van de levensmiddelen, op afschaf-
fing van de yerbruiks-belastingen bedacht te zijn. Ver-
-ocr page 46-
44
Mijdend is de toenemende invoer van visch, die een
goedkoop en veel eiwit bevattend voedingsmiddel zijn;
magere kaas, wrongel, afgeroomde melk, die te platten
lande bijna in het geheel geene waarde hebben, kunnen
voor de groote steden tegen zeer lage prijzen aan het
verbruik dienstbaar gemaakt worden. De invoer van
vleesch uit overzeesche landen, die overvloed van vleesch
hebben, wordt tegenwoordig nog door invoerrechten
onbruikbaar gemaakt voor de goedkoope voeding der
mindere standen; andere preparaten, zooals mme pura
zijn te duur. Van zeer veel gewicht voor het goedkooper-
worden van de voedingsmiddelen zijn de overdekte
markten der groote steden geworden, waar, van heinde
en verre, allerlei levensmiddelen aangevoerd worden, die
elkander door de concurrentie in den prijs drukken.
Goedkoope surrogaten, zooals bij voorbeeld de kunst-
boter, die, in de plaats der dure boter, goedkoope
vetten smakelijk en bruikbaar voor de huishouding der
behoeftige klassen zoekt te maken, zijn van groote
sociaal-hygiënische beteekenis. Onder de namen van
„margarine", „oleomargarine", „spaarboter", „kunst-
boter" en meer andere is dit surrogaat algemeen verbreid.
Om het rauw te gebruiken (op brood te smeren) is het
niet geschikt, daar deszelfs vermenging met natuurboter
bij de wet verboden is; maar om te koken en te braden
is het zeer dienstig, en verdient het boven slechte boter
de voorkeur, daar het een zuiverder vet geeft en niet
zoo licht ransig wordt. Margarine kost gemiddeld 1 mark
{= 60 centen) per kilo, en wordt dan ook door brood-
bakkers, koekenbakkers, banketbakkers, logementhouders
en dergelijken zeer veel gebruikt.
Maar toch zal het den werkman bij den gewonen
stand der loonen moeielijk vallen, in de werkelijke voe-
-ocr page 47-
45
dings-behoeften te voorzien. Dat zou hem nauwelijks
mogelijk zijn, als hij de meest voedzame en het meest
hunnen prijs waard zijnde voedingsmiddelen volgens een
verstandig stelsel uitzocht, en zich bij het kiezen daarvan
niet liet leiden door de gewoonte, door af te gaan op
het uiterlijk en door zijnen smaak. Ontegenzeglijk is de
ontoereikende voeding veeltijds de oorzaak van het
alkoholismus, dat althans eene voorbijgaande bevrediging
van de gevoeld wordende behoefte schenkt, en tot
ongeluk van de arme bedrogenen hen misleidt met een
voorbijgaand gevoel van opgewektheid en werkkracht.*)
Voor het verbod en het toezicht op vervalschte en
bedorvene voedingsmiddelen wordt eenerzijds door wette-
lijke voorschriften, andererzijds door strenge handhaving
van de markt- en levensmiddelen-politie — althans in
de groote steden, waar het gevaar het grootst is —
op voldoende wijze gezorgd, in zooverre het plaatselijk
bestuur daarvoor zorgen kan. Dat desniettemin in menig
opzicht de toestanden bedroevend zijn, en vooral de
groote sterfte onder de kinderen hoofdzakelijk op rekening
van bedorven voedsel, inzonderheid slechte melk, gesteld
moet worden, weet ieder, die de toestanden kent. Van
zeer veel nut is in Pruisen de v 1 e e s c h k e u r i n g ge-
worden, die sedert de wet van 1868, volgens welke de
gemeenten alle partikuliere slachtplaatsen kunnen ver-
bieden, zoodra er een voldoende slachthuis gebouwd is,
gewoonlijk in groote steden met het groot stedelijk
slachthuis en den daarbij behoorenden veehof verbonden,
eene inrichting, waarvan het voordeel niet alleen in de
vernietiging van deelen van zieke dieren ligt, maar ook
in de zindelijkheid waarmede in de vleeschhallen te
*) Zie Gezondheids-bibliotheek No. 28, Invloed van den alcohol.
-ocr page 48-
46
werk wordt gegaan. Van hoeveel beteekenis zulke stede-
lijke inrichtingen zijn blijkt uit de volgende cijfers voor
Berlijn: Het gansche getal der in de stedelijke openbare
slachthuizen van de centrale slachtplaats geslachte dieren
bedroeg 1,152,039 stuk in het dienstjaar 1889 —90, tegen
1,075,529 stuk in het jaar 1888-89, dus meer 76510 stuk.
Op grond van de uitkomsten van het veeartsenij kundige
onderzoek, werden van die dieren 1889 rundereu, 129
kalveren, 174 schapen en 4159 varkens ongeschikt ver-
klaard om als voedsel voor den mensen te dienen en
dus afgekeurd. Daaronder zijn wegens tuberculose afge-
keurd 1397 runderen, 30 kalveren, 5 schapen en 1636
varkens; wegens vinnen: 389 runderen, 1 kalf en 1570
varkens; wegens trichinen: 292 varkens, zijnde van het
geheele aantal der geslachte varkens 0,064 percent.
Wegens de meest uiteenloopende ziekelijke toestanden
zijn wijders afgekeurd aan organen en gedeelten van
dieren 74830 stukken, meerendeels longen en levers.
Bij gelegenheid van de schouwingen in de kelders dei-
slachthuizen zijn 2545 kilo vleesch van verschillende
dieren als bedorven afgekeurd. Het aantal der afgekeurde
ongeborene, bijna voldragene kalveren bedroeg 2232.
In de 6 stedelijke vleesch-onderzoekingsstations voor
van buiten ingevoerd versch geslacht vleesch werden
gedurende het dienstjaar 1889—90 onderzocht: 137074
vierdedeelen van runderen (tegen 122950 in het jaar
1888-89), 141884 kalveren (145438), 68004 schapen
(74237), 104660 varkens (105064). Wat de runder vierde-
deelen betreft heeft er dus eene vermeerdering plaats
gegrepen van 1424 stuk, doch daarentegen eene vermin-
dering van 1004 stuk bij de varkens, 3554 stuk bij de
kalveren en 6233 stuk bij de schapen. De reden van
den achteruitgang wat de kalveren en de schapen betreft
-ocr page 49-
47
ligt, volgens de opgaven van vreemde, hier versch ge-
slacht vleesch invoerende slachters, in de hooge vee- en
vleeschprijzen, die na het verbod op den invoer van
varkens uit het buitenland ontstaan waren. Van de
ingevoerde gedeelten van dieren en geheele dieren zijn
afgekeurd 179 vierdedeelen van runderen, 1 schaap,
15 varkens en 102 organen wegens tuberculose; wijders
wegens vinnen 62 runder-vierdedeelen, 22 runderkoppeu,
6 rundertongen, 1 kalf en 83 varkens; wegens trichinen
12 varkens; buitendien wegens waterachtigen toestand
104 runder-vierdedeelen, 341 kalveren, 7 varkens en
30 organen en gedeelten, en wegens leverwormen, draad-
wormen, enz., 548 longen en levers. Inbeslagnemingen
van niet onderzocht vleesch in winkels hadden er op
aanzoek van de stedelijke vleeschkeurders plaats in
62 gevallen; buitendien bij een koopman 80 centenaars
varkensvleesch wegens rottenden staat. Onder het aantal
der geslacht ingevoerde varkens bevonden zich 12898
stuk, die uit het buitenland ingevoerd waren, namelijk
4130 stuk uit Rusland, 1896 stuk uit Galicië, 5704 uit
Hongarije (Bakonyer) en 1168 stuk uit Denemarken.
Het in de centrale slachtplaats bij de vleeschkeuring
dienstdoende personeel bestaat, behalve uit een aantal
gewone werklieden, uit den directeur, 19 veeartsen,
6 onder-veeartsen, 3 bureau-beambten, 16 stempelaars,
10 afdeelings-chefs van de keuring, 184 vleeschkeurders
(raikroskopisten bij het onderzoek naar trichinen) daar-
onder 92 vrouwelijke personen, 48 proefnemers en een
opzichter. In de onderzoekingsstations voor het van
buiten ingevoerde versch geslachte vleesch zijn werk-
zaam: 15 veeartsen, 2 controle-beambten, 6 eerste-
vleeschkeurders, 47 vleeschkeurders, 22 proefnemers,
8 stempelaars en 7 controle-wachters. In de onderzoe-
-ocr page 50-
48
kingsstations zijn geene vrouwelijke personen bij de
vleeschkeuring aangesteld, omdat daar geene genoegzame
ruimte is, om de vrouwelijke en de mannelijke vleesch-
keurders van elkander af te scheiden.
/\') De kindersterfte en behoedmiddelen daartegen. \')
KINDER-ARBEID.
Ruim een vierde gedeelte van al de sterfgevallen
komt in Europa op de in hun eerste levensjaar gestor-
vene kinderen. Ongeveer Vio van alle levend-geborenen
sterven reeds binnen de eerste maand, 1/6 vóór het
einde van het eerste levensjaar, ongeveer 1/3 in den
loop der 5 eerste levensjaren; nauwelijks 7 van de 10
bereiken hun 6de levensjaar. De tegenstelling tusschen
groote steden, kleine steden en plattelands-gemeenten
blijkt uit de volgende opgave. Van 1000 sterfgevallen
komen er op braakloop der kinderen in geheel Pruisen
3,2, in de plattelands-gemeenten 1,4, in de stadsge-
meenten 7,2, in 62 stadsgemeenten, met 20 a 100 dui-
zend inwoners 8,3, in Keulen 13,9, en eindelijk in Berlijn
16,4 percent.
Ontegenzeglijk spelen bij de kindersterfte vermijd -
bare, inzonderheid sociale oorzaken eene maar al te
groote rol. Hooren wij daarover den voornaamsten kinder-
dokter van Berlijn, profeseor Henoch. Hij zegt: Ten
allen tijde heeft de uitermate groote sterfte in dat tijd-
perk des levens de aandacht der wetenschappelijke
wereld en de algemeene deelneming getrokken, zonder
dat het tot hiertoe heeft mogen gelukken aan die ont-
i) Zie Gezondheids-bibliotheek No. 6. Het Zuigelingsleven.
-ocr page 51-
49
zettende daadzaak paal en perk te stellen. Bij mijne
afdeeling in de Charité werden in de jaren 1874 — 1885
niet minder dan 13980 kinderen behandeld, waarvan
7815 onder en 6165 boven de 2 jaren oud waren. Van
de eerstgenoemden stierven 5368, dat is ongeveer 70 per-
cent, van de laatstbedoelden slechts 1420, dat is ongeveer
23 percent. In overeenstemming met deze ontzettende
gegevens zijn die, welke aan veel grootere getallen
ontleend zijn, waarbij men trouwens het verblijf in het
ziekenhuis en den ellendigen toestand van de meeste
der opgenomene kleine kinderen als vooral ongunstige
factoren voor mijne berekeningen mede heeft te tellen.
Terwijl de kinderen uit de meer gegoede klassen, onder
de zorgvuldige verpleging van liefderijke ouders en bij
eene doelmatige voeding, die gevaarlijke ontwikkelings-
processen gemakkelijker doorstaan, zien wij onder de
ongunstige levenstoestanden in de arme volksklassen
een aantal verderfelijke invloeden, welke de normale
ontwikkeling in pathologische banen leiden. De bedor-
vene lucht van enge, overbevolkte woonruimten, de
in meerdere of mindere mate voor de kinderlijke maag
ongeschikte manier van voeding, de invloed van de
koude en van den honger, de ontbrekende verzor-
ging eener moeder, welke maar al te dikwijls vervangen
moet worden door die eener gewetenlooze vreemde, —
al deze bijzonderheden werken samen, om het normale
ontwikkelings-proces te belemmeren en die bedroevende
ziekte-beelden teweeg te brengen, welke ons in de
spreek-uren van de met de armen-praktijk belaste ge-
neesheeren, in Je polykliniken, in de kinder-afdeelingen
der ziekenhuizen, met meewarigheid vervullen. Vele dier
ongelukkige schepseltjes hebben, reeds als zij het levens-
licht aanschouwen, van eene zieke moeder de kiem in
4
-ocr page 52-
50
zich van een vroegtijdigen dood en bezwijken reeds in
de eerste dagen na de geboorte als slachtoffers der
aangeborene levenszwakte; vele anderen gaan te gronde
aan overgeërfde syphilis; de meesten worden atropisch
door aanhoudende diarrhee ten onder gebracht, of door
herhaalde bronchiaal-catarrhe met secundaire opzwel-
lingen of bronchiaal-klieren, eindelijk door kazige dege-
neratiën en algemeene tuberculose gedecimeerd. Een
groot deel van die kinderen is buiten echt geboren,
en, zooals ik uit eigene ervaring verzekeren kan, er zijn
niet weinig moeders, die het haar tot last geworden
kind naar het ziekenhuis brengen, niet om het hersteld
te mogen wederzien, maar in de helaas maai- al te
gegronde hoop, er voor altijd van bevrijd te worden.
Van de in mijne afdeeling opgenomene dergelijke kinderen
stierven velen reeds denzelfden dag van hunne opneming.
Tegenover die bedenkelijke sociale toestanden
blijven onze geneeskundige bemoeiingen maar al te
dikwijls machteloos, ja, den ervarene ontzinkt reeds
spoedig den moed om iets te ondernemen. Het onopge-
loste en bezwaarlijk oplosbare vraagstuk, de eigenlijke
causale indicatie, blijft hier de opheffing van die be-
denkelijke toestanden, waartegen de geneeskunst als
zoodanig onmachtig is."
Hoe pessimistisch de laatste volzinnen ook klinken,
wordt toch juist hier aan de sociale hygiëne een
uitgestrekt arbeidsveld aangewezen. De bestrijding van
dat kwaad moet met de voeding beginnen. In 1885
stierven in Berlijn, eer ze hun eerste levensjaar ten
einde gebracht hadden, van elke 1000 der in dien leeftijd
verkeerende kinderen, die gevoed werden met de moeder-
melk 7,6, met het zog eener minnemoeder 7,4, met
half borstzog, half dierenmelk 23,6, met dierenmelk 45,8,
-ocr page 53-
51
met dierenmelk en melksurrogaten 74,8. Zoo verderfelijk
werkt de kunstmatige voeding, vooral in samenwerking
met de hooge wonings-temperatuur van te talrijk be-
volkte behuizingen. Voortreffelijk zou hier de goede
gesteriliseerde (dat is: kiemvrij gemaakte) koe-melk
werken, die veelvuldig door uitstekende kindermelk-
inrichtingen bereid wordt; doch een liter van die melk
zou natuurlijk 30 a 50 penningen (= 18 a 30 centen)
kosten, dus ruim 20 penningen 12 centen) meer
dan de marktmelk, en dat is zelfs voor welgestelde
ouders meestal voor de gezondheid hunner kinderen te
veel. Minstgenomen zou volgens Flügge\'s voorstel ge-
steriliseerde melk in kleine, voor één maaltijd toe-
reikende fleschjes, door tusschenkomst van de met de
armen-praktijk belaste geneesheeren gedurende den heet-
sten tijd van den zomer gratis aan de onvermogenden
uitgereikt moeten worden, om hen althans tijdelijk in
staat te stellen, aan hunne zuigelingen een gezond voedsel
te geven. De gewone melk is ontwijfelbaar menigmaal
de overbrengster van mikroskopische diertjes, die wel
niet rechtstreeks, maar door de vorming van ptomaïnen
(stofwisselings-produkten van de bacteriën) schadelijk
werken.
Wijders is het gezocht-zijn van zoogende minnen
en het daarmede in verband staande stelsel om pasge-
borene kinderen uit te besteden, uiterst verderfe-
lijk voor de kinderen der armen. Het zijn toch meestal
onechte kinderen, die verwijderd worden van hunne
moeders, daar deze door het hooge loon en het gemak-
kelijke leven verlokt worden om een minnedienst te
zoeken, dus kinderen, die toch reeds de goede zorgen
van een geregeld huisgezin moeten missen, en die nu
onder de hoede van zoogenaamde pleegmoeders (in de
-ocr page 54-
52
volks-taal juister bestempeld met den naam van „engeltjes-
maaksters") eenen spoedigen dood sterven. En dergelijke
„pleegmoeders" heeft Duitschland er ongeveer 200,000!
Geen wonder, dat Duitschland de treurige vermaardheid
heeft, de grootste kindersterfte te kunnen aanwijzen
van alle beschaafde groote landen. Trouwens menigmaal
werkt ook de vrouwen-arbeid, die tot dusverre de
zwangere vrouwen in het geheel niet, en de kraam-
vrouwen al te kort van het werken verschoonde, nood-
lottig zoowel op het leven der vrucht als op de ver-
zorging van het pasgeborene schepseltje. Dringend behoort
er dan ook in het belang der hygiëne geijverd te worden
voor beperking van den vrouwen-arbeid of voor nog
meerdere ontheffing daarvan.
Maar ook al doorstaan zij den gevaarlijksten tijd van
de zuigelings-periode, daardoor zijn de kinderen, en vooral
de kinderen der armen, nog geenszins aan de gevaren
ontrukt. Andere vernielers van de kindsheid bedreigen
het aankomende leven met gevaar. Wanneer men be-
denkt, dat mazelen en diphteritis in Pruisen in 5 jaren
tijds (1882—86) niet minder dan 323,383 menschenlevens
vernietigd hebben, dus evenveel als de cholera in een
tijdsbestek van 40 jaren sedert haar eerste optreden
in 1831, — dat de vijf besmettelijke ziekten: pokken,
(die nog slechts weinig gewicht in de schaal leggen),
rood vonk, mazelen, diphteritis en kinkhoest in Pruisen
in hetzelfde vijfjarige tijdvak 475,946, dus gemiddeld
ieder jaar 95,189 of op elke 10,000 der middelbare be-
volking 33,86 weggerukt hebben: wanneer men zulke
ontzettende daadzaken bedenkt, zal men alle middelen
en maatregelen ondersteunen, die het lichamelijke weer-
standsvermogen van de meest bedreigde kinderen dei-
armere volksklassen sterken en de gevaren afwenden
-ocr page 55-
58
kunnen. Als dusdanige middelen heeft de stichting van
bewaarscholen en andere inrichtingen van dien aard
reeds zeer goede resultaten bewerkt, doordien de kinderen,
terwijl de moeders werken om mede in het onderhoud
van het gezin te voorzien, in dergelijke inrichtingen,
hetzij binnenshuis in gezonde lokalen hetzij in de open
lucht, kosteloos of tegen betaling van eene kleinigheid
behoorlijk toezicht en menigmaal ook verpleging vinden.
Nog weldadiger werken de vacantie-koloniën,
die sedert een 10-tal jaren in Duitschland hare zegen-
rijke werkzaamheid ontwikkelen, louter door den welda-
digheidszin der bevolking gedragen. De kinderen uit de
overbevolkte wijken der groote steden, die uit hunne
hemelhooge huur-kazernen te nauwernood een stukje
van het blauwe hemeidak zien, die meerendeels nog
nooit van hun leven een koornveld of eene kudde schapen
gezien hebben, worden voor eenige weken naar buiten
gezonden in de vrije natuur, in de zuivere lucht, naar
de veraf gelegene schouwplaatsen van landelijke bedrij-
vigheid of naar het zeestrand. Duizendtallen kinderen
zijn dooi1 de belangelooze pogingen en de offervaardigheid
van eenen breeden kring van burgers uitgezonden naar
door boschgroei beschutte dorpen, naar den golfslag der
zee, naar het versterkende zilte bad, en zijn versterkt
naar lichaam en ziel weder huiswaarts gekeerd. Berlijn
alleen heeft in de laatste jaren meer dan 2000 zwakke
en ziekelijke kinderen in halve en volle koloniën kunnen
onderbrengen, en van jaar tot jaar wordt hun aantal
grooter. Maar een ruim tienmaal grooter aantal ontbeert
in Berlijn de noodige verfrissching in de zomermaanden,
en een zoo groot aantal te helpen, dat zal langs den
tegenwoordigen weg nimmer kunnen geschieden. Zulke
aanzienlijke middelen zijn zelfs in Berlijn wel eens voor
-ocr page 56-
54
ééns in te zamelen, maar niet jaar aan jaar. Daarom
verdient het voorstel overweging van een Berlijnsch
dagblad betreffende een goedkoopen vorm van zomer-
verpleging. Een groot deel der kinderen van arme ouders
heeft bloedverwanten op een dorp of in eene kleine stad,
die, al zijn hunne middelen volstrekt niet ruim, toch
zonder dat het voor hen eene noemenswaardige opoffe-
ring zou zijn, gaarne een klein lid hunner familie voor
eene week of vier bij zich zouden opnemen, indien slechts
het reisgeld niet ontbrak. Dit voor een aantal van die
kinderen bijeen te brengen is gemakkelijker, dan hun
een oponthoud te platten lande te verschaffen, en het
doel kon op die wijze meestal nog beter bereikt worden,
want onder de liefderijke verzorging van grootouders of
andere betrekkingen zou het den kleinen Berlijners in
de meeste gevallen stellig niet slecht gaan. Daar, waar
op eene kleine schaal deze soort van ondersteuning
aangeboden werd, is die dankbaar aangenomen en is
gebleken eene ware weldaad te zijn.
In den laatsten tijd zijn aan de Noord- en aan de Oost-
zee op een grooten voet aangelegde genees-inrichtin-
gen voor kinderen in werking getreden, insgelijks
in het aanzijn geroepen door den weldadigheidszin van
edele menschen; krachtdadig staan die de vacantie-
koloniën ter zijde, en zijn voor de talrijke scrophuleuze
kinderen, die men in de groote steden aantreft, te be-
schouwen als eene niet genoeg te waardeeren weldaad.
Al die inrichtingen hebben de beste hygiënische gevolgen
gehad; maar jammer genoeg kan het afwenden en voor-
komen bezwaarlijk gelijken tred houden met het toe-
nemen van de dreigende ziekte-gevaren. Een ernstig
bezwaar wordt vooral in groote steden door alle slacht-
offers in hooge mate ondervonden: De onmogelijkheid,
-ocr page 57-
55
namelijk, om, in gezinnen en huizen met vele kinderen, de
door besmettelijke ziekten aangetaste kinderen behoorlijk
af te zonderen, zoodat de ziekte niet op de overige
kinderen overgebracht kan worden. In den laatsten tijd
is wel in Berlijn, bij voorbeeld, door het daarstellen van
ontsmettings-inrichtingen en ontsmettings-kolonnen veel
gedaan om de verbreiding van de ziekte-kiemen van
besmettelijke ziekten te verhoeden. Doch eerstens komt
die hulp natuurlijk minder aan de naaste familiebetrek-
kingen ten goede, en ten andere wordt zij nauwelijks
in het vierde gedeelte van de gevallen ingeroepen.
Steeds dringender wordt dus de behoefte aan bijzondere
ziekenhuizen voor kinderen, waar voor de door
besmettelijke ziekten aangetasten terstond isoleering en
behandeling te vinden is. Zulk een ziekenhuis is in het
noorderdeel van Berlijn onder protectoraat van keizerin
Frederik ontstaan, waar hoofdzakelijk roodvonk, diphterie,
kinkhoest en mazelen, die vier gevaarlijkste besmette-
lijke ziekten der kinderen, behandeld worden, en dat
in de eerste plaats bestemd is voor kinderen tusschen
6 en 12 jaren.
Het spreekt vanzelf, dat van het hygiënische stand-
punt ook de kinder-arbeid volstrekt te verwerpen
is. De kinderjaren zijn bestemd om het lichaam behoorlijk
te ontwikkelen en te harden voor de inspanning van de
latere jaren, en om aan de kinderen de noodige verstan-
delijke ontwikkeling voor het leven mee te geven, maar
niet om hen door ontijdige inspanning van het nog niet
ontwikkelde lichaam oud vóór den tijd te maken en ziek.
In dien geest zijn ook desbetreffende wetten uitgevaar-
digd, vooral in Engeland en in Zwitserland, de moeder-
landen van de bescherming van den arbeid. In Duitschland
is het nijverheids-reglement, zooals het ten gevolge van
-ocr page 58-
56
de internationale conferentie tot bescherming van den
werkman tot stand is gekomen, eene schrede in de goede
richting, al beantwoordt het op verre na niet aan de
eischen der sociale hygiëne, waaraan slechts eenigermate
te gemoet gekomen is. Tot dusverre waren kinderen
beneden de 12 jaren van het werken in fabrieken uit-
gesloten. Dat verbod is nu uitgestrekt tot kinderen be-
neden de 13 jaren, en de kinderen boven de dertien
jaar mogen slechts dan in fabrieken gebezigd worden,
wanneer zij niet meer verplicht zijn de volksschool te
bezoeken. Van den werktijd der kinderen beneden de
14 jaren is het maximum bepaald op 6 uren en van dien
der jeugdige werklieden op 10 uren. Bij besluit van den
Bondsraad zal echter voor bepaalde takken van fabrieks-
nijverheid vergund kunnen worden, kinderen boven de
13  jaar, die niet meer verplicht zijn de volksschool te
bezoeken, te laten werken als jongelieden tusschen de
14  en 16 jaar, indien de werkgever de schriftelijke ver-
klaring overlegt van eenen door de hooge regeering
daartoe aangewezen geneesheer, dat de lichamelijke ont-
wikkeling den te verrichten arbeid zonder gevaar voor
de gezondheid toelaat.
De rusttijd voor jeugdige werklieden, die slechts zes
uren aan het werk gehouden worden, was krachtens
eene beslissing van het rijksgerechtshof, op grond van
de desbetreffende bepaling in het reglement voor de
beroepen en bedrijven, op minstens tweemaal een half
uur vastgesteld. Om eiken twijfel onmogelijk te maken,
is thans bepaald, dat het minimum van den rusttijd
een half uur zal bedragen. Aan de overige jeugdige
werklieden moet minstens des middags een uur, en des
voormiddags en \'s namiddags telkens een half uur rust-
tijd toegestaan worden. Tot nu toe mocht aan de jeugdige
-ocr page 59-
57
werklieden het verblijf in de werkplaatsen gedurende
den rusttijd slechts worden toegestaan, bijaldien daar
die gedeelten van den arbeid, waarbij jeugdige werk-
lieden gebezigd worden, gedurende den rusttijd geheel
en al stilstonden. In deze bepaling lag eene drukkende
hardheid voor die plaatsen, waar de prijzen van het
fabrieks-terrein zeer hoog zijn. Ook kan het oponthoud
in de open lucht voor de jeugdige werklieden bij slecht
weder allicht nadeelig zijn; zij kunnen den rusttijd in
de herberg gaan doorbrengen, en zoo al meer. Daarom
kan thans het verblijf in de werkplaatsen ook dan
worden toegestaan, wanneer het oponthoud in de open
lucht niet doenlijk is, en aan het verschaften van andere
geschikte verblijfplaatsen al te groote bezwaren in den
weg staan.
De ouderdomsgrens van 13 jaren, die in de nieuwe
bepalingen vastgesteld is, moet altoos nog als te laag
beschouwd worden. Te recht is de opmerking gemaakt,
dat de werklieden stellig niet zoo dringend om het
verbod van kinder-arbeid gepetitioneerd zouden hebben,
indien zij daardoor zelven nadeel dachten te lijden. De
nijverheid is ver genoeg ontwikkeld, om de krachten
der kleinen en zwakken te kunnen missen. En ook de
economische belangen worden zoodoende gebaat, want
slechts het versterken van de krachten in de jeugd
maakt de behoorlijke ontwikkeling mogelijk van degelijke
werkkrachten.
g) School-hygiëne en Hygiëne dep schoolplichtige kinderen.l)
De gewichtigste factor voor het verstandelijke en
i) Zie Gezondheids-Bibliotheek No. 10. Zenuwiyden.
Opvoeding en Onderwas in No. 13 en 23.
-ocr page 60-
5S
lichamelijke welzijn van het opkomende geslacht is de
school. Aan deze behooren toch, volgens de bepaling
der wet, alle kinderen toe van hun zesde tot hun veertiende
levensjaar, en menigmaal nog veel langer. Dat nu de
schooljaren, zooals die tegenwoordig doorgebracht worden,
wat het lichamelijke aangaat alles behalve voordeelig
werken, wordt in den laatsten tijd zoo eenparig en
nadrukkelijk, vooral door bevoegde geneeskundigen be-
toogd, dat zelfs de schoolmannen zich beginnen bezig
te houden met het aanwijzen van de hygiënische ver-
keerdheden in het schoolwezen. Onbetwistbaar wordt
menigmaal reeds in de scholen de grond gelegd voor
ziekten der zenuwen en der geestvermogens, die zich
later in de moeielijker wordende worsteling om het be-
staan openbaren. In de laatste 10 jaren is het getal
der verpleegden in de krankzinnigen-gestichten 20 percent,
dat der bevolking slechts 10 percent toegenomen. Zulke
daadzaken zijn eene dringende aanmaning om het zenuw-
gestel der jeugd niet te overprikkelen, maar door dat
te sparen eenerzijds en door eene doelmatige opvoeding
andererzij ds bij de jeugd het weerstandsvermogen te
ontwikkelen voor de strijden des levens. Als bliksem-
flitsen werpen van tijd tot tijd eenig licht op den be-
denkelijken toestand verschijnselen, zooals de jongste
aanschrijving van den Minister van Eeredienst in Pruisen
over de toenemende zelfmoorden onder de scholieren
en over de maatregelen die de scholen daartegen te
nemen hebben, en zooals de talrijke gevallen van jeugdige
misdadigers, zelfs moordenaars, den ontzettenden afgrond
van zedelijke verwaarloozing en verdorvenheid van ziel,
waarin een gedeelte van het opkomende geslacht meer
en meer dreigt te vervallen.
Het zou onrechtvaardig zijn al de zware beschuldi-
-ocr page 61-
59
gingen betreffende den invloed van den schooltijd, waar-
door de lichamelijke ontwikkeling en de gezondheid
geschaad worden, uitsluitend tegen de regeering en tegen
de onderwijzers op te werpen. Integendeel, dat die
heeren bezield zijn met de beste bedoelingen voor het
welzijn van hunne leerlingen zal wel door niemand in
twijfel worden getrokken; en het Pruisische ministerie
van Eeredienst, bij voorbeeld, tracht op lofwaardige
wijze de lichamelijke ontwikkeling en vorming der scho-
lieren — hetgeen trouwens ook in het belang is van
de leger-formatie — door aanschrijvingen en reglementen
te bevorderen. Een zeer groot deel der schuld ligt aan
de ouders en aan de maatschappij in het algemeen, zooals
uit de nadere beschouwing van de ergste bedenkelijke
hygiënische toestanden blijkt.
Die bedenkelijke toestanden zijn in drie groepen in
te deelen. In de eerste plaats kunnen de scholieren ge-
schaad worden doordien in de school ziekten, zooals
roodvonk, diphterie, mazelen, enz., op hen overgebracht
worden. Dan komt de bijziendheid en de ruggegraats-
verkromming, welke de school als onwelkom geschenk
voor geheel het leven aan vele harer leerlingen medegeeft.
En eindelijk de overlading en al te sterke inspanning
van den geest, bij veronachtzaming van de lichamelijke
ontwikkeling van krachten.
Het eerstgenoemde punt van bezwaar geldt meer de
ouders en den staat, dan de school. Zoolang er nog
geene scherpe verbodswetten bestaan, om kinderen, die
aan besmettelijke ziekten lijden, en hunne broertjes en
zusjes van de school te weren, totdat alle gevaar voor
besmetting geweken is, en zoolang ouders onnadenkend
en gewetenloos genoeg zijn om zulke kinderen naar
school te zenden, zoolang kan het kwaad niet worden
-ocr page 62-
60
uitgeroeid; en zoodoende zweeft elke moeder, die haar
kind aan de school toevertrouwt, in het gevaar, haren
oogappel door domheid of onbeschaafdheid van anderen
te verliezen. Nu bestaan er wel voorschriften, die moeten
dienen om dergelijke gebeurlijkheden te voorkomen;
maar eerstens zijn die voorschriften niet scherp en streng
genoeg, en ten andere zijn ze ook zoo goed als onuit-
voerbaar, daar men niet kan verwachten, dat de onder-
wijzers zijn toegerust met den scherpen geneesheers-blik,
die noodig is om intijds de schurfte schapen af te zon-
deren. Vóór alles zou hier noodig zijn, wat zoowel van
geneeskundige zijde als door de openbare meening als
dringend noodzakelijk is erkend, namelijk, dat er school-
geneesheeren aangesteld wierden, belast met het
hygiënische toezicht op de scholen. Wel heeft, zooals
men weet, ook de door het Pruisische ministerie benoemde
commissie uit de vertegenwoordigers der geneeskundige
besturen en leden der wetenschappelijke deputatie voor
het geneeskundige vak zich verklaard voor de aanstel-
ling van school-geneesheeren, doch tot dusverre
zijn er van dat besluit nog geene praktische gevolgen
gezien. In België, Frankrijk, Hongarije en andere landen
bestaat reeds dit hygiënische toezicht op de scholen en
een doelmatig hygiënisch toezicht op de onderwijzers en
op de leerlingen. De school-geneesheer, niet de door
velerlei overwegingen gebondene en belemmerde huis-
dokter van het betrokkene gezin, zou in zulke gevallen
de zieken behooren te onderzoeken en de noodige maat-
regelen in het belang der overige scholieren moeten voor-
schrijven. Maar slechts weinige kortzichtige onderwijzers
en regeerings-ambtenaren willen zulk eene „inmenging"
der geneesheeren op het gebied van het schoolbestuur
dulden. De meerderheid schijnt altijd nog de gezond-
-ocr page 63-
61
heicl der scholieren, als een buiten het gebied der school
liggend belang, te willen ignoreeren, en duidt het den
geneesheeren ten kwade, dat deze de nadeelen, die sedert
lang reeds door school-inrichtingen en school-onderwijs
aan gansche geslachten zijn toegebracht, erkend en
openbaar gemaakt hebben. Of zij ontkennen kortweg het
bestaan van die bedenkelijke toestanden. De volksschool,
bij voorbeeld, bevordert in menig opzicht de lichamelijke
ontwikkeling der scholieren, daar deze, in de tegenwoor-
dige school-lokalen, in eene gezondere lucht, in eene
betere houding, in normaler beweging, in betere bezig-
heid zijn, dan bij hen tehuis. Intusschen zijn deze „school-
paleizen", die wel in het Pruisische Huis der Heeren reeds
onaangenaam gecritiseerd zijn geworden, maar die overi-
gens nog altijd niet te talrijk zijn, hoofdzakelijk aan den
geneeskundigen invloed te danken, die telkens weder
gewezen heeft op de nadeelen voor de gezondheid van
de vroeger gebruikelijke school-lokalen. Dat waren oude,
oorspronkelijk tot geheel andere doeleinden dienende
gebouwen, met bedorvene lucht gevuld, slecht verlicht
en verwarmd, met ongeschikte tafels en banken ge-
meubeld, en overvuld met scholieren. Het geneeskundige
toezicht op de scholen zal in elk geval niet meer van
de orde van den dag verdwijnen, voordat de druk der
openbare meening de schoolbesturen gedwongen zal heb-
ben om toe te geven.
Veel meer schuld, dan aan de verbreiding van besmet-
telijke ziekten, hebben de school-inrichtingen aan het
ontstaan van de bijziendheid en van de ruggegraats-
verkromming der scholieren. De invloed der school is
hier zoo in het oog springend, dat zelfs de sclioolmannen
dien erkennen. De bijziendheid is vooral een hoofdgebrek
der hoogere scholen: volgens de nauwgezette onderzoe-
-ocr page 64-
62
kingen der oogartsen klimt dit gebrek van 12 percent
in de zesde tot 56 en meer in de eerste klasse. Ja, er zijn
verscheidene hoogere scholen, waar niet één leerling van
de hoogste klasse van bijziendheid verschoond blijft.
Het middel daartegen ligt bovenal in doelmatige, van
overvloedig licht voorziene schoollokalen, in de juiste
aanbrenging en verdeeling van het kunstlicht, in het
ontzien van de oogen door beperking van het werken
tehuis en vooral des nachts. Wat het eerste punt be-
treft, daarop wordt in groote steden bij het bouwen van
nieuwe scholen tegenwoordig voldoende gelet, en de
gunstige gevolgen zijn niet uitgebleven: Volgens de
jongste bevindingen, bij voorbeeld, in Berlijn is het
percents-aantal der bijzienden in die inrichtingen aan-
merkelijk geringer, dan dat in de oude inrichtingen van
dezelfde stad. Bedroevend daarentegen is het nog in
vele particuliere scholen en inrichtingen van kleine
steden gesteld.
Maar de bijziendheid wordt nog door een anderen
factor bevorderd, die tevens eene voorname oorzaak
van de ruggegraats-verkrommingen is, de
ondoelmatige inrichting van de schoolbanken en van
de schooltafels. Zonder hier verder uit te weiden
over dit veelbesproken punt, dat overigens door doel-
matige constructiën althans theoretisch zijne oplossing
veel nader gebracht is, willen wij slechts ettelijke op-
merkingen hier laten volgen. In de eerste plaats moesten
de leerlingen verschoond worden van zulke schoolbanken,
waarin men kromzitten moet. Dan moesten in elke
klasse ettelijke groote zitplaatsen zijn, opdat de grootere
scholieren niet aan te kleine, de kleinere niet aan te
groote behoefden te zitten. Op die banken behoorden
de kinderen verdeeld te worden naar hunne lichaams-
-ocr page 65-
63
grootte. Bij het schrijven moeten tafel en bank minstens
4 a 5 cm van elkander afstaan (negatieve horizontale
afstand). De loodrechte afstand van tafel en bank
(differentie) moet ongeveer een zevende der grootte van
het kind 6 cm bedragen. Eene rugleuning en eene
voetenplank is noodig. Aan deze vereischten beant-
woorden tegenwoordig verscheidene schoolbanken. Jammer
echter speelt het punt der kosten bij het afschaffen van
oude en het aanschaften van nieuwe schoolbanken niet
enkel in particuliere scholen eene veelal beslissende rol.
Het gewichtigst, doordien ze het talrijkst worden
waargenomen, blijven echter de nadeelen, welke de
hersenen en het zenuwgestel der kinderen, vooral in de
hoogere scholen, te lijden hebben van het onderwijs-plan
en van de leer-methode. Reeds het aantal der school-
uren is veel te groot; 5 a 6 uren per dag, waarbij nog
minstens 2 a 3 uren komen voor thuis-werk, en dan nog
zoo of zoo vele facultatieve, private, muziek- en derge-
lijke les-uren, dat is van het in zijne ontwikkeling
verkeerende kinderlijke organismus veel te veel gevergd.
In Engeland, waar buitendien voor de lichamelijke ont-
wikkeling geheel anders gezorgd wordt, dan bij ons,
vergenoegt men zich met 18 a 22 onderwijs-uren per
week, niet tot lichamelijk en verstandelijk nadeel der
natie. Onze volwassene fabriekwerkers verlangen eenen
normalen werkdag van acht uren, en daarover wordt
ernstig geredetwist; de kleinen moeten veel méér tijd
werken, om hunne schoolplichten na te komen. En hoe
dikwijls dwingt de aapachtige ijdelheid der ouders, die
met alle geweld een genie in hun kind willen bewon-
deren (ofschoon men menigmaal volstrekt niet weet,
van waar het groote geestesgaven geërfd zou kunnen
hebben), de ongelukkige kinderen tot overmatige inspan-
-ocr page 66-
64
ning, en brengt zoodoende zeer dikwijls eene ziekelijke,
de zenuwen overprikkelende eerzucht, eene broeikas-
achtige vroegrijpheid van het verstand teweeg, terwijl
de tucht van het willen, de versterking van de zedelijke
persoonlijkheid in het ouderlijke huis vaak geheel en al
verzuimd, door de school beschouwd wordt als niet tot
hare taak te behooren. Maar al te dikwijls worden de
opvoedingszonden der ouders bezocht aan de kinderen;
in plaats van, zooals noodzakelijk is, de opvoeding met
het eerste levensjaar te beginnen en zelven een goed
voorbeeld te geven, bekommeren de ouders, en voor-
namelijk de moeder, zich menigmaal niet veel anders
om hunne kinderen, dan om er eens een oogenblik als
met levende popjes mee te spelen, en hen te kussen of
te laten kussen. Voor het overige blijft de kinderkamer
het domein der dienstboden, later van de bonnes, de
„juffrouw" en den huis-onderwijzer. De dames uit den
fatsoenlijken stand moeten naar de ijdelheids-parade,
zich amuseeren, bij tijden ook wel eens naar eene
redevoering over kinderopvoeding gaan luisteren; maar
om bestendig harer kinderen verstand en gemoed te leiden,
te besturen en er over te waken, om haar eigen vleesch
en bloed metterdaad en met een weinigje zelfopoffering
lief te hebben, daartoe hebben zij geen tijd — en daarvoor
hebben zij immers menschen in haren dienst? Maar
kunnen en weten moeten de kleine schepseltjes zeer,
zeer veel, opdat men er in gezelschappen mede zou
kunnen pronken: en daarom krijgen ze alle mogelijke
lessen, om het even of ze aanleg om zoo iets te leeren
hebben of niet, of nukkigheid en vermoeidheid van de
kleine martelaars verraden dat hunne zenuwen over-
prikkeld zijn of niet. Daarvoor worden ze schadeloos
gesteld door velerlei genietingen: heeft men menschen
-ocr page 67-
65
ten bezoeke, clan mogen ze in de gezelschapskamer
komen, ze worden onthaald op allerlei genotsmiddelen,
die voor het kinderlijke organismus nadeelig zijn; men
vergunt hun om des avonds zeer laat op te blijven,
neemt hen zelfs mede naar den schouwburg, waar hunne
kinderlijke verbeelding overprikkeld en menigmaal reeds
in de kiem vergiftigd wordt (men denke aan een huive-
ringwekkend drama in den Oosteind-schouwburg te
Berlijn, waarin de voormalige scherprechter Krauts als
slot-effect eene terechtstelling bijna tot het einde vol-
brengt, en eene menigte beklagenswaardige kinderen
„tegen den halven toegangsprijs" in gezelschap van
hunne ouders dat kunstgenot mede-smaakten: Dat is
gebeurd in Mei 1890 onder de oogen der hooglofwaar-
dige Berlijnsche politie!) Om kort te gaan, men doet
alles, om de schadelijke invloeden der school op de her-
senen der kleinen door de invloeden tehuis in schade-
lijkheid te overtreffen. Zoo gebeurt het zeer dikwijls in
de zoogenaamde „hoogere" standen. Hoe in de breede
volks-lagen de kinderen meer en meer aan innerlijke
ruwheid bij uiterlijk vertoonmakende half-beschaving
prijsgegeven worden, bewijst een artikel in een Saksisch
weekblad voor den werkenden stand, waarin de weinige
teederheid en zorg der werklieden voor hunne kinderen
als eene deugd wordt geprezen, aangezien daardoor
natuurlijk de kern der sterksten overblijft, terwijl de
ondergang der zwakkeren er door bevorderd wordt.
Dat een goed deel der schuld ten laste komt van het
ouderlijke huis kan intusschen geene verontschuldiging
wezen voor de school. De overlading van de leer-
lingen is ontwijfelbaar aanwezig. Zes uren achtereen,
gelijk menigmaal voorkomt, zonder genoegzame tusschen-
poozen rusttijd, zijn meer dan voldoende, om den staat
5
-ocr page 68-
66
van apathie en dofheid te verklaren, waarin niet zelden
kinderen, die anders zeer opgewekt en levendig van
aard zijn, in het laatste leer-uur vervallen. Maar vooral
moet de taak, die als thuis-werk wordt medegenomen,
geheel en al of grootendeels afgeschaft worden, daar die
voor de kinderen ook het overige van den dag vergalt.
Degelijke opvoedkundigen hebben erkend, dat de taak,
die als thuis-werk opgegeven wordt, eigenlijk slechts
een getuigschrift van pedagogische onbekwaamheid is,
hetwelk de onderwijzer aan zich zelven geeft. Overigens
zou reeds de helderheid van geest en de oplettendheid
der leerlingen den onderwijzer kunnen verontschuldigen
wegens het wegvallen van eenige leer-uren en van de
thuis-werktaak: niet de quantiteit, maar de qualiteit
van hetgeen geleverd wordt behoorde ook hier den
doorslag te geven. Met de tegenwoordige leermethode
is eene overlading schier niet te vermijden. Terecht
heeft de bekende Berlijnsche zenuwen-dokter, professor
Eulenberg, onlangs op eenen factor opmerkzaam gemaakt,
waarop meestal veel te weinig gelet wordt, namelijk
der kinderen behoefte aan slaap. De kinderen
hebben veel meer slaap noodig dan de volwassenen, en
kunnen zonder nadeel voor hunne gezondheid eenen
toereikenden slaaptijd niet ontberen. Vereischt hun wei-
zijn in het eerste levensjaar meer slaap dan wake, voor
den schoolplichtigen leeftijd moeten in elk geval, inzon-
derheid voor de eerste jaren, 10 a 12 uren slaap in de
24 uren als onmisbaar beschouwd worden. Voor vol-
wassenen moge de Amerikaansche regel kunnen gelden:
8 uren werken, 8 uren uitspanning, 8 uren slaap, voor
de kinderen is 12 uren slaap onmisbaar. De overige
tijd zou met 5 a 6 uren werk (alles in alles) en 6 uren
uitspanning doelmatig verdeeld zijn. Maar bovenal be-
-ocr page 69-
67
hoorde eene oordeelkundig geregelde afwisseling tusschen
lichamelijken arbeid en arbeid des geestes reeds in de
school te worden ingevoerd.
Hebben wij dan niet de gymnastiek in de school?
zal men mij tegenwerpen. Ja, helaas! Want zoo, als
die thans beoefend wordt, verdient de school-gymnastiek
de onpopulariteit, die zich door veelvuldige verzoeken
•om vrijstelling en attesten van vrijstelling openbaart.
Tweemaal in de week, veelal na 5 vermoeiende school-
uren, moeten de afgematte kinderen zich nog eens
gaan inspannen in stoffige gymnastiek-lokalen, waarbij
in het overdrevene gewicht wordt gehecht aan de oefe-
ningen met gereedschap; doch de veel gezondere en
verkwikkender vrije oefeningen, zonder eens te spreken
van lichaams-oefeningen, zooals roeien en schaatsenrijden,
worden verwaarloosd. Neen, eiken dag midden in den
leertijd, als afwisseling in de inspanning des geestes,
een uur in de open lucht met gepaste spelen en vrije
oefeningen doorgebracht, zonder al te veel reglementen
pedanterie. Dat, in verband met beperking van den
schooltijd en eenigszins voldoende hygiënische kennis
der onderwijzers, zou de gezondheid der leerlingen kracht-
dadig kunnen bevorderen en hunne opgewektheid en
verstandelijke bevattelijkheid verhoogen. Tevens zouden
de leerlingen daardoor meer lust in het schoolgaan
krijgen, althans veel meer dan door het stelsel van
werk-oplegging als straf en dergelijke middelen.
-ocr page 70-
68
h) De strijd tegen de dronkenschap. *)
„Frankrijk staat onder de heerschappij der sterken-
drank-fabrikanten en der drinkers. Iedereen buigt zich
voor den alkohol, het eene deel omdat zij daarvan leven,
het andere deel omdat zij daaraan sterven. Hij heeft
het hoogste woord bij de verkiezingen, hij voert reien
aan bij de opstanden, en in de burger-oorlogen was
het de brandewijn, die het vuur van de tweedracht
ontstak."
Met deze bittere woorden schetste onlangs het Parij sche
academie-lid Jules Rochard de macht van het alkoho-
lismus. Hij berekent de economische schade, die Frank-
rijk door het alkoholismus lijdt, op honderden millioenen
francs. En in Duitschland is het niet beter gesteld.
Volgens Brünings verbruikt Pruisen jaarlijks voor 261
millioen mark (= ruim 1561/2 milloen guldens) aan
sterkendrank, dat wil zeggen voor 61 millioen mark
(= ruim 361/2 millioen guldens) meer dan al de directe
belastingen te zamen bedragen. Engeland verbruikt voor
1200 millioen mark (= 720 millioen guldens), Amerika
voor 2633 millioen mark (= circa 1580 millioen guldens)
aan alkohol in het jaar, en zelfs het kleine Zwitserland
bracht het tot nog kort geleden tot 120 millioen mark
(= 72 millioen guldens,)
De oorzaken van de ontzaglijke toeneming van het
alkoholverbruik in de laatste helft onzer 19de eeuw liggen
allereerst in den goedkoopen prijs der gegiste dranken,
die door het moderne fabriceeren in het groot mogelijk
geworden is. Onbetwistbaar hebben in de middeleeuwen
de gegoede standen meer aan dronkenschap en zweigerij
1) Zie Gozondlieids-Bibliotlioek No. 28. Invloed van den Alkohol.
-ocr page 71-
69
geofferd, dan tegenwoordig onze bezittende klassen;
maar voor de breede lagen der maatschappij was de
prijs van den alkohol te hoog. Ten andere echter dient
de alkohol maar al te dikwijls als verdoovingsmiddel
tegen den socialen nood en als surrogaat voor onvol-
doende voeding; hij vervangt voor den armen man de
verschillende genietingen, die de rijke en beschaafde
man zich verschaffen kan: concerten, schouwburgen,
schilderijen en zoo al meer. Velen mogen zich verbeelden,
doordien zij door het drinken van likeuren en dergelijke
zich voor een oogenblik naar lichaam en geest meer
opgewekt gevoelen, dat daarmede ook eene soort van
verjongings-kuur voor hen plaats heeft. Doch zij ver-
gissen zich schromelijk: Zij hebben zich slechts bedwelmd
voor eenige minuten, gelijk de hasjisj-drinkers in het
Oosten, of gelijk onze maar al te talrijke morphine-eters.
Daar de alkohol in het lichaam zeer snel verbruikt
wordt, draagt hij tot verhooging van de lichaams-tem-
peratuur bij, versnelt ook den omloop des bloeds door
opwekking van de middelpunten der zenuwen, van de
vaten, en verhoogt, door vermeerderden toevloed van
bloed naar de spieren en zenuwen, derzelver werkzaam
vermogen. Doch op de ge est es-sfeer vandenmensch
werkt de alkohol niet, zooals men dikwijls meent, prik-
kelend en opwekkend, maar nauwkeuriger wetenschap-
pelijke waarnemingen hebben bewezen, dat integendeel
sommige verrichtingen van de hersenen door den invloed
van den alkohol lichte verlammingen ondergaan. In
de allereerste plaats zijn aan die verlammingen de fijnste
graden van de opmerkzaamheid, van het oordeel en
van het nadenken onderhevig. In sommige ornstandig-
heden werkt dat zeer weldadig, vooral wanneer slechts
eene matige hoeveelheid alkohol verbruikt wordt, de
-ocr page 72-
70
soldaat, die in het vuur gaat om slag te leveren, de
redenaar, die bedremmeld voor eene groote schare toe-
hoorders optreedt, de leidekker, die op eene duizeling-
wekkende, met gevaar dreigende hoogte ziju werk moet
verrichten, die allen vergeten de storende bijkomende
gevolgen, en verdooven alle beangstigende en in het
volvoeren van hunne taaie belemmerende gedachten door
een glas wijn. bier of sterkendrank. En zoo zijn een
paar glazen zwaar echt bier ook vóór het naar bed
gaan voor menig dooi\' zorgen bestookt gemoed een voor-
treffelijke Lethe-drank en een heerlijk slaapmiddel. Doch
in grootere hoeveelheden gedronken en eene gewoonte
geworden, werkt de alkohol steeds nadeelig op de geest-
vermogens en zeer dikwijls ook op de lichamelijke
mnctiën, en wat voor een oogenblik heilzaam kan
werken, het uooden van het leven des geestes, heeft
dan de rampzaligste uitwerking en wordt oorzaak van
krankzinnigheid, van misdaad, van eene ziekelijke en
alle degelijkheid missende nakomelingschap.
Eenige cijfers kunnen dit bewijzen. In de krankzin-
nigen-gestichten in den Elzas was bij 34 percent der
mannen en bij 15 percent der vrouwen verslaafdheid
aan den drank de oorzaak hunner krankzinnigheid. In
de gevangenissen van Duitschland heeft Dr. Bar bevonden,
dat bij 41,6 percent van al de gevangenen het alkoholismus
de oorzaak was, die hen in den kerker had gebracht.
De Engelsche lord-opperrechter Coloridge neemt zelfs
aan, dat */b a s/4 van alle misdaden het gevolg zijn van
verslaafdheid aan den drank. Zoo ook heeft het in 1880
gehoudene Congres van Duitsche ambtenaren bij het
strafgevangeniswezen verklaard, dat volgens hunne be-
vinding het meerendeel der misdaden bedreven werd in
eenen staat van dronkenschap. Van eenige drinkers
-ocr page 73-
71
bleef de nakomelingschap, tot in verscheidene opvolgende
geslachten, onder den rampzaligen invloed van den drank:
eene ontzettende aaneenschakeling van ontucht, krank-
zinnigheid en misdaad! Daarbij is het economische nadeel,
dat de drinkers en de Staat lijden door hunne grootere
sterfte en ziekelijkheid en door het wegvallen van vele
werkdagen, nog niet eens mede-gerekend. Het delirium
tremens, hot zuipers-delirium, is bij voorbeeld in Berlijn
in den laatsten tijd ontzettend toegenomen.
Tegenover zulke buitengewone gevaren kan de staat
en de maatschappij niet werkeloos blijven. De staat kan
tusschenbeide komen door eene zware belasting van
alkohol te heffen of\' door een monopolie in te voeren,
door te waken voor de zuiverheid van wijn, bier en
sterkendrank, en de vermenging met toezei te verbieden,
door de kasteleins te straffen, die aan dronkaards drank
tappen of tot dronkenschap verlokken, door strafbepa-
lingcn tegen de openbare dronkenschap zelve, zooals
die in de Nederlanden en in Frankrijk reeds bestaan,
door de vergunningen tot drankverkoop in het klein te
beperken, en eindelijk door de herhaaldelijk wegens
dronkenschap veroordeelden te straffen met het verlies
van hunne burgerschapsrechten, en dronkenschap niet
meer als verzachtende omstandigheid te laten gelden
in strafzaken. De te Stettin gchoudene Juristendag, bij
voorbeeld, heeft de onmondig-verklaring van dronkaards,
die voor degenen, die met hen moeten omgaan, ge-
vaarlijk kunnen worden, een maatregel van dringende
noodzakelijkheid genoemd.
Dergelijke van Staatswege genomene en door de wet
voorgeschrevene maatregelen tegen de dronkenschap
zijn reeds daarom nuttig, omdat dien ten gevolge menig-
maal — zooals, bij voorbeeld, in Noorwegen en in de
-ocr page 74-
72
Nederlanden — de wet als leermeesteres en opvoedster
van de openbare meening en van het volksgeweten
optreedt. In vele landen — zooals op het in 1887 te
Weenen gehoudene internationale congres voor Hygiëne
uit de ingekomene verslagen is gebleken — heeft zich
eene grootsche werkzaamheid van particuliere vereeni-
gingen ontwikkeld, waardoor het sterkendrank-verbruik
reeds aanmerkelijk is verminderd. Vereenigingen, zooals
die van het „Blauwe Kruis" te Geneve, of de Engelsche
en Amerikaansche matigheids-genootschappen, die alge-
heele onthouding van alle geestrijke dranken voorschrij-
ven en handhaven, hebben, in weerwil van hunne
overdrijvingen, door het voordeel en het bewustzijn van
den band, die hen samenhoudt, ontwijfelbaar reeds vele
menschen van verslaafdheid aan den drank genezen, en
ten andere het bewijs geleverd, zooals uit de lijsten van
de Engelsche levensverzekerings-maatschappijën blijkt,
dat de geheel-onthouders meer levens- en werkkracht
in zich hebben, dan de andere werklieden.
Intusschen werd er op het Weener Congres te recht
nadruk op gelegd, dat een zoo machtig kwaad van alle
kanten te gelijk aangetast diende te worden. Vóór alles
moet aan den werkman bij hem tehuis of in bijzonder
daartoe bestemde inrichtingen schadeloosstelling worden
aangeboden voor de genietingen, die hij in de kroeg
zoekt. Daarbij moesten de vrouwen, die door fabriek-
of huis-werk aan het huis houd bestuur ontwend
zijn, tot huishouden opgeleid worden. Verblijdenderwijze
wordt dit doel der sociale verbetering tegenwoordig door
de stichting van huishoudscholen en huishoudcursussen
op vele plaatsen bevorderd. Vervolgens moet het stelsel
der koffie-schenkhuizen en volks-etenshuizen, waar geen
sterkedrank te bekomen is, maar wel goede spijzen en
-ocr page 75-
73
andere drinkwaren tegen goedkoopen prijs, meer en
meer uitgebreid worden. Verder zijn volkszalen en Ge-
zelschaps-lokalen voor het volk, waar de werk-
lieden, zonder dat zij iets behoeven te verteren, bijeen
kunnen zijn en aan onschuldige genietingen (gezelschaps-
spelen, lectuur, muziek-uitvoeringen) kunnen wennen,
vooral in groote steden onmisbaar, opdat de aanspraak
op een weinigje levensvreugde, die elke menschelijke
ziel maken mag, niet vaak de mannen naar de drank-
flesch, de vrouwen tot ontucht drijve. Zeer dikwijls
zijn met goed gevolg, door hun bloemen en planten
ten geschenke te geven, de leden der armere volks-
klassen aan het blo e men-kweeken gewend, en
zoodoende aan het smaken van reinere genoegens in
hunne ledige uren. Eindelijk moet er gestreefd worden,
om den sterkendrank meer en meer te verdringen door
lichte bieren, ooftwijnen, kefyrmelk en dergelijke.
Behalve al deze voorbehoedende maatregelen, mogen
echter de pogingen, om de aan drank verslaafden te
genezen, vooral in dronkaards-asylen, geenszins
worden nagelaten. In Noorwegen, bij voorbeeld, is langs
dien weg in de meeste gevnllen genezing bewerkt, en
ook andere inrichtingen he!>ben gunstige resultaten
teweeggebracht. In Duitschland bestaan tot op dit oogen-
blik slechts ettelijke inrichtingen van dien aard, en
meerendeels zijn die slechts toegankelijk voor bemiddelde
lieden. Misschien zal men er mettertijd toe komen, van
staatswege dronkaards-asylen te stichten, en daarheen,
evenals naar de verbeteihuizen, desnoodig bij wijze van
dwangmaatregel de dronkaards te veroordeelen. Het
meeste echter is hier, evenals bij alles in de sociale
hygiëne, te verwachten van de voortschrijdende hygië-
nische verlichting der breede bevolkings-lagen en van
-ocr page 76-
74
derzelver opbeuring uit haren treurigen materiëelen
toestand, vooral van de mogelijkheid eener betere voeding
van de werkende klassen.
i) De afwending van epidemieën en volksziekten.
Van boeveel gewicht de hygiënische maatregelen zijn
ter bestrijding van epidemieën, is in de vorenstaande
bladzijden herhaalde malen aangetoond. Elke epidemie
is hoofdzakelijk eene ziekte juist van de arme bevolking;
in de hygiënisch verwaarloosde ophoopings-verblijven
van deze, in de slecht gevoede, overwerkte en dicht
opeengepakte menschenmassa\'s, vindt elke epidemie een
gunstig terrein om omzich heen te grijpen en geinak-
kelijk de moeste slachtoffers te maken. Met welke
zegenrijke gevolgen bier de hygiënische inrichtingen
werken, hebben wij hiervoren herbaalde malen met
cijfers aangetoond.
De grootste triomf der moderne hygiëne heeft het
optreden van de cholern in \'de laatste jaren geleverd.
Die geduchte epidemie eUMe in 1831: 31912, in 1848:
26337, in 1849: 45202, in 1852: 40342, in 1855: 30536,
in 1866: 144776 slachtoffers in Pruisen. Sedert dien
tijd beeft zij onder den invloed der goede hygiënische
voorbehoed maatregelen in Duitschland geenerlei noemens-
waarde uitbreiding erlangd, terwijl zij bij voorbeeld in
het hygiënisch veronachtzaamde Italië op dezelfde wijze
als te voren heeft gewoed.
Nog rijker aan zegen heeft de invoering gewerkt van
de inenting tegen de pokken, die in vroeger tijden de
bevolking decimeerden. Tot in het begin der 19e eeuw
-ocr page 77-
75
stierven er in Europa jaarlijks 3 van de 1000 menschen
aan de pokken, tegenwoordig komt in Pruisen op elke
100000 menschen slechts één sterfgeval aan pokken
voor, terwijl die ziekte in verscheidene provinciën tegen-
woordig geheel onbekend is.
Wat de longtering betreft, daartegen zijn wij,
helaas, in weerwil van Koch\'s ontdekkingen, niet zoo
gelukkig; nog steeds wordt het zevende gedeelte van
alle sterfgevallen daardoor veroorzaakt. Wel kunnen wij
het aanwezig-zijn er van door het opsporen van de
bacillen spoediger en zekerder vaststellen, en door tijdige
maatregelen menig menschenleven redden; wel weten
wij sedert Cornet\'s onderzoekingen l) dat de overbren-
ging meestal plaats heeft door de verdroogde en tot
stof overgegane fluimen der teringlijders, en kunnen
wij, vooral in groote inrichtingen, aan de zieken het
gebruik van spuwglazen en half met water gevulde
spuwbakken voorschrijven en daardoor veel onheil voor-
komen; wel kunnen wij thans op grond van de onder-
vinding, bij voorbeeld uit de behandeling in de inrichting
Falkenstein aan den Taunus en te Davos, verzekeren,
dat de tering niet ongeneeslijk is. Doch dat alles legt
niet veel gewicht in de schaal tegenover de sociale
oorzaken, welke voor de meeste teringlijders de noodige
geneeskuur met de vereischte goede verpleging en ver-
schooning, met het laten rusten van allen arbeid en met
kostbare reizen onmogelijk maken. Met blijdschap zijn
dan ook de pogingen te begroeten om volks-sana-
toriën te stichten, welke pogingen sedert kort van
doctorale zijde aangewend worden en veel weerklank
!) Zie Gezondheids-Bibliotheek No. 18.
Hoe beveiligt men zich tegen de tering?
-ocr page 78-
76
vinden. Zij willen ook de armen niet eenvoudig te gronde
laten gaan, maar hun de gelegenheid verschaffen om
te herstellen en afleiding te vinden.
Hoe buitendien nog vele besmettelijke ziekten woeden,
vooral de dip ht er ie, is reeds hierboven vermeld. Hier
ware eene strenge epidemieën-wet noodig, waarin
althans een deel der volgende bepalingen ware opge-
nomen: strenge gehoudenheid, om van alle besmettelijke
ziekten terstond aangifte te doen, openbare ontsmettings-
inrichtingen en ontsmettings-kolonnen (waar waschgoed,
enz., met heeten waterdamp [100 a 120 graden Celsius]
ontsmet wordt, terwijl de wanden van de ziekenkamer
het best door afwrijven met brood van ziek te-kiemen
bevrijd en de woning overigens door de daarop afgerichte
kolonne behoorlijk behandeld wordt); isoleer-hospitalen
met algeheele afzondering, waterleiding en spoel-canali-
satie, toezicht op den lompenhandel, slachthuizen en
vleeschkeuring, zorg voor kiemvrijë kindermelk in het
heetst van den zomer, openbare waarschuwingen tegen
het gebruik van rauw of ongenoegzaam gekookt voedsel
in tijden van cholera-, typhus- of dianhee-epidemieën,
en eindelijk geneeskundig toezicht op de scholen en
fabrieken. Met dat een en ander zou het afwenden van
epidemieën en volksziekten eene aanmerkelijke schrede
voorwaarts gebracht zijn.
Eene bijzondere plaats nemen voor de sociale hygiëne
de besmettelijke geslachtsziekten, vooral de syphilis, in,
welker verbreiding inzonderheid door de prostitutie,
die pestbuil aan het lichaam der moderne beschaving,
bevorderd wordt. Noch het toezicht der gezondheids-
politie, noch de inrichting van bordeelen is, gelijk de onder-
vinding geleerd heeft, in staat geweest, de verbreiding
van dat geheime kwaad te stuiten, dat de hedendaagsche
-ocr page 79-
77
maatschappij vergiftigt. Veel meer afdoende zou de
invoering zijn van verplichte aangifte van deze ziekten en
derzelver behandeling in het ziekenhuis, onverschillig
of de man dan wel de vrouw er door aangetast is, en
verblijf in het ziekenhuis totdat de genezing door de
geneesheeren geconstateerd is. Nog dringender echter
zijn zedelijke en sociale hervormingen noodig om het
kwaad te beperken. Van een dieper indringen in dit
netelige vraagstuk moeten wij ons hier onthouden.
Juist de beschouwing van de epidemieën en volks-
ziekten bewijst de juistheid der woorden van een
voornaam Duitsch nationaal huishoudkundige, professor
Gustav Cohn te Gröttingen. „Zooveel is zeker: armoede,
dat wil zeggen, gebrek aan de noodwendige middelen
tot onderhoud, is overal de machtigste oorzaak der sterfte.
Waar wij ook geringe sterfte opmerken, de armoede
verhoogt die; waar wij ook groote sterfte aantreffen,
als de vrucht eener vertroetelde kindsheid of van ver-
woestende volksziekten, in de door armoede bewoonde
wijken is die dubbel en driemaal zoo groot.
Wanneer wij dan bij de nadeelige invloeden van het
gebrek het onverstand in de maatschappelijke lagen der
welgestelden gadeslaan, wanneer wij zien hoe de eerste
grondbeginselen der gezondheidsleer — zindelijkheid,
versche lucht, enz. — veronachtzaamd worden, of hoe
onze zedenleer nog altijd toelaat, dat erfelijke ziekten
zich ongehinderd voortplanten, dan rijst het vermoeden
bij ons op, dat veel inderdaad anders zou kunnen zijn
en ook anders worden zal onder den invloed van andere
zeden."
Zooals de zaken thans staan, is reeds de opneming
in een goed ziekenhuis — zooals er, dank zij de
zorgen der groote gemeenten en van enkele kerkelijke
-ocr page 80-
78
en particuliere genootschappen, tegenwoordig in talrijke
menigte, en voor een deel hygiënisch voortreffelijk aan-
gelegd, bestaan — meest een groot voordeel voor de
zieken der arme klassen, welk voordeel nog verhoogd
wordt, wanneer zij, na uit het ziekenhuis ontslagen te
zijn, een onderkomen kunnen vinden in een der „Tehui-
zen voor herstellenden, die sedert kort hunne
zegenrijke werking hebben aangevangen.
e fé?o =
-ocr page 81-
In Seyffaudt\'s Boekhandel verscheen:
De Bouw en de Behandeling
VAN HET
harmonium
DOOE
W. EIEHM,
bewerkt volgens de tweede Duitsche uitgaaf door JACQUES
HARTOG, Leeraar voor Muziekgeschiedenis aan de Muziekschool,
van de Afdeeling Amsterdam, der Maatschappij tot Bevordering
der Toonkunst.
(Met 10 flgurentafels).                                PRIJS ƒ 0.90.
Het mag voorzeker als eene gelukkige gedachte van den
uitgever beschouwd worden, de tweede editie van het werkje
door "W. Riehm geschreven (waarvan de eerste reeds sedert
geruimen tijd was uitverkocht) in de Hollandsche taal te doen
verschijnen.
De inhoud van dit boekske — tot heden bestaat geen dergelijk —
zal naar mijne meening veel bijdragen om dit Instrument populair
te maken, want het geeft antwoord op alle billijke vragen terwh\'1
de aanwezige tien flgurentafels het zeer verduidelijken.
Moge de hierboven uitgesproken verwachting bewaarheid en
den Uitgever de zelfvoldoening geschonken worden, door deze
uitgave een nuttig werk te hebben verricht.
Amsterdam, Augustus 1887.
JACQUES HABTOG.
-ocr page 82-
In Seyffardt\'s Boekhandel is mede verschenen:
DE METHODIEK
VAN HET
PIANO-ONDEEWIJ8
DOOR
Prof. E. BRESLAUR,
behandeld in afzonderlijke opstellen, door JACQUES HARTOG,
Leeraar voor Muziekgeschiedenis aan de Muziekschool, van de
Afdeeling Amsterdam, der Maatschappij tot Bevordering der
Toonkunst.
Dit werk is compleet verschenen in 11 Afleveringen a / 0.60
en kost gebonden ƒ 7.20.
Men leze s. v. p. onderstaande beoordeeling:
De Methodiek van het Piano-Onderwijs door Prof. Breslaur,
vertaald door den Heer Jacques Hartog en hier en daar door
diens op- en aanmerkingen vermeerderd, kan ik ton zeerste
aanbevelen. Daar toch op do meeste openbare inrichtingen voor
muziekonderwijs in ons land klassen voor Paedagogio ontbreken,
en daar juist deze tak in den tegenwoordigen tijd zeer op den
voorgrond treedt, zoo voorziet dit werk, zoo uitstekend en rijk
van inhoud, in eene behoefte en zal het voor leeraren en leerenden
weldra onontbeerlijk bln\'ken.
Amsterdam, 21 October 1890.
          FRANS COENEN,
Directeur van het Conversatoriwm en van
de Muziekschool der Maatschappij tot
Beoordering der Toonkunst.
-ocr page 83-
c&ij. den <3ltitaevez dezes vezseneen:
GEZONDH EIDSLEER
a 60 Cents per deeltje.
No. 1. I)c Kunst oin gezond te worden.
» 2. Verkeordheden, Misbruiken en Gevaren der hedendaagsche Ont-
vcttiugs- (of Vermagerings-) Kuren.
>i :\'.. Leefregels voor Lijders aan Jicht in Rheiunatisme.
» 4. De invloed der Lm ht op de Ge/.ondlieid en Welstand van deuMenscli.
o 5. Het Astlnna, zijn ontstaan, zijn aard en zijne genezing.
» 6. Het Zuigelingsleven.
» 7. Hypochondrie en ingebeelde Ziekten.
» 8. Beknopte Handleiding tot de Kamer-Gymnastiek.
>\' \'.). De voeding van den zieken Mensoh.
» 10. Zenuwlijden, Opvoeding en Onderwijs.
» 11. De Zeeziekte en onfeilbare methode om die te voorkomen.
» 12. Geneeskundige Gids voor Zeelieden en Passagiers op de groote
eu klciue Vaart.
» 13. De vier Temperamenten der Kinderen.
» 14. He Tanden en hunne Ziekten, voornamelijk met het oog op het
verband tussehen deze en het geheele organisme.
» ló. Hoofdpijn, hare velerlei oorzaken, benevens de natuurlijke wegen
en middelen, om baar te verhoeden en te genezen.
» 16. De Wittebroodsweken. Hygiënische woorden voor Verloofden en
Jouggehuwden.
» 17. Chronisch koude Voeten, hunnen invloed, oorzaken, voorkoming
en natuurlijke bestrijding.
» 18. Hoe beveiligt men zich tegen de Tering?
» 19 en 20. Handleiding voor de Gezondheid aan Boord van Koopvaardij?
schepen. Met Platen.
» 21. De Zenuwachtigheid of Zenuwzwakte en hare behandeling zonder
geneesmiddelen, na jarenlange ervaring.
» 22. Over den Pbysieken en Moreelen Invloed der Moeder op haar
Kind, vóór de geboorte.
» 23. De Opleiding tot gehoorzaamheid en tot waarheidsliefde.
» 24 en 25. Slaap en Droom, eene populair-wetenschappelijke verhandeling.
» 26. De Ziekten van het Haar.
» 27. Onze Ree btshandigbeid uit een Ethuologiseh, Clinisch en Paedago
gisch oogpunt beschouwd.
» 28. De gunstige en ongunstige Invloeden van den Alcohol op het
ineusebelijk organismus.
y> 29 en 30. De Waterkuur van Pastoor Kneipp.
» 31. Sociale Hygiëne.
» 32. Lippspringe als Herstellingsoord voor Borstüjders.
» 33. Pastoor Sebastian Kneipp\'s Krachtgevende Voedingsmiddelen.
öc-t. éei/M,:
No. 34. Dr. Lbtzkl, de Ziekten der niereu, blaas, enz.
» 35. Over de Behandeling bij plotselinge Ongelukken, Verwondingen
en Uitwendige kwalen, tot de komst van den Geneesheer.
Typ. K. F. Seyffardt.