-ocr page 1-
U-
I8q*
,ï*
U
.
YAm iiyy
DE
Znid-Hollandsche Predikaaten-Vereeniging,
IN HET LICHT DER GESCHIEDENIS.
REDE,
UITGESPROKEN IN DE
DOOIt
J. I. DOEDES.
(MET AANTEEKENINGEN.)
Niet in den handel.
ROTTERDAM,
STOOM-SNEI.PERSnRUKKERIJ VAN CORNS. IMMIG & ZOON.
1892.
-ocr page 2-
tf—?C^4><^^ >
•
^^;:■^•^■^/:•^^.•,■\\^■^V■"
I
, -                                                                                                                                  ■ ■
■ ■
.
-
i •
<
>■- .
-
-ocr page 3-
DE
Zuïd-HoIIandsche Predikanten-Vereeniging,
IN HET LICHT DER «ESCHIEDENIS.
REDE,
UITGESPROKEN IN DE
DOOR
J. I. DOEDES.
(MET AANTEEKENINGER)
Niet in den handel.
ROTTERDAM,
Stoom-S.nei.persdrukkerij van Corns. Immig & Zoos.
1892.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
In de 48e vergadering (\'2-2 Mei 1800) werd door eén der Leden er op
gewezen, dat de eerstvolgende vergadering dezer Vereeniging hare 49e zou zijn,
en verklaarde hij wenscheljjk te achten, dat liet Bestuur de vraag overwoog,
of er dan ook liet een of ander zou bepaald worden met het oog op de
daarna volgende 50e vergadering. — In de 40e vergadering (14 Mei 1891)
deelde daarop het Bestuur mede, dat het voorstelt, voor de 50e vergadering
één der weinige nog in leven zijnde oprichters onzer Vereeniging uit te
noodigen, bij die gelegonlieid een feestrede te houden. Do vergadering ver-
eenigt zich niet dit voorstel. Daarna ben ik uitgenoodigd, om met een feestelijk
woord de 50o vergadering te openen, hetgeen ik gaarne aannam. Maar was
de 7e Juni 1892 aangewezen voor het houden van die 50e bijeenkomst, en had
ik mij daar ook op voorbereid, ik werd kort te voren ongesteld en moest aan
het Bestuur berichten, dat ik verhinderd was tegenwoordig te zijn. liet Bestuur
heeft toen de vergadering uitgesteld tot in de maand September. Later is
met wederzijdsch goedvinden de 13e September aangewezen en zoo is de
50e Vergadering der Zuid-Hollcmdsche Predikanten-Vereeniging dan ook den
13en September 1802 gehouden.
                                                                  I).
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Hooggeschatte Hoorders, Leden en Oud-Leden der Zuid-Hollandsche
Predikanten-Vereeniging... Hooggeachte Leden van het Bestuur; Gij
allen, die vroeger of later, hetzij als Voorzitter, hetzij als Secretaris,
hetzij als Penningmeester de belangen dezer Verccniging hebt behar-
tigd; Gij allen, die Agenda voor hare vergaderingen hebt aangebracht
of aan de discussiën over die Agenda deel hebt genomen; Gij allen
die óf door uw spreke», óf somtijds ook door uw zwijgen, iets tot den
bloei dezer Zuid-Hollandsche Predikanten-Vereeniging hebt bijgedragen;
Welkom, driemaal welkom in deze Vijftigste Vergadering en in deze
Feestzaal, opgeluisterd door uwc tegenwoordigheid en warme be-
langstelling!
Niet weinig vereerd door uwe uitnoodiging; niet weinig teleur-
gesteld daarna door de later gevolgde verhindering; mag ik dan toch
in déze ure, ook door de voor mij onverwachte beschikking van uw
Bestuur
(\'), mij verheugen in het voorrecht van u thans het feestelijk
„welkom" toe te roepen.
„Een der laatst overgeblevenen van de oprichters" der Zuid-
Hollandsche Predikanten-Vereeniging, dólt is de titel, die mij in uwe
schatting aanspraak gaf op deze eereplaats. Onmogelijk kan ik haar
innemen, zonder terstond aan het drietal mede-overgeblevenen te denken,
die van de 18 saamgekomenen uit het jaar 1848 gespaard zijn ge-
bleven. Wilt in uwe verbeelding dat drietal medebroeders uit den
in zekeren zin grijzen vóórtijd naast mij zien; den geleerden veteraan
Dr. Vorstman, van Gouda; verder mijn\' nog kort geleden te Capelle
a/d. IJssel onvermoeid werkzamen bloedverwant en vriend,
Lambertus
Doedes; voorts den ook uit uwe bestuursleden van eertijds u welbe-
kenden, thans rustenden, Herder en Leeraar van Groot-Ammers,
J. P. Ott...... Maar het noemen van deze namen wijst mij juist op
(\') De Aanteekeningen (t—12) zijn hier aan het einde te vinden.
-ocr page 8-
- 6 -
een misstand, die ten spoedigste, als het zijn kan, moet verdwijnen.
Die drie genoemden, alle drie Zuid-Hollandsche Predikanten, tot het
laatst in Zuid-Holland woonachtig, en ik...... die meer dan dertig
iaren geleden deze provincie verliet, en meer dan dertig jaren geleden
ophield, als Herder en Leeraar werkzaam te zijn. Zoo schijnt waar-
lijk heel icat door de vingers te moeten gezien worden, om mij,
althans in dit feestelijk uur, hier niet min of meer misplaatst te doen
achten... Nu zullen uwe voorkomendheid en ivelwillendheid wel een
uitweg voor mij weten te vinden, maar „uitweg" en „door de vingers
zien" wenschte ik thans, in dit verband, zeer verre van hier. Wilt
mij daarom ten goede houden, dat ik mij in mijne ware gedaante
aan u voorstel, namelijk als Zuid-Hollander van top tot teen, in
merg en bloed, zoodat ik mij dan ook waarlijk niet kunstmatig be-
hoef op te winden, om deze 50\' vergadering der Zuid-Hollandsche
Predikanten- Vereeniging met warme sympathie te begroeten.
In Zuid-Holland geboren, dat zegt op zichzelf niet veel, maar
voor mij is het in dit geval toch de conditio sine qua non...
Mijn wier/ stond een» in Hollands Zuiderdeel...
\'k Aanschouwde \'t levcnslicltt in Lantjraks LustpriëeU...
In Zuid-Holland geboren, word ik op mijn geslachtslijst in een
opgaande reeks van zes Zuid-Hollandsche Predikanten vermeld. Mijn
vader ivas Predikant in Zuid-Holland, op mijn geboorteplaats; mijn
grootvader was Predikant in Zuid-Holland, o.a. te \'s Gravendeel;
mijn overgrootvader evenzoo Predikant in deze provincie en zoo ook
diens vader en grootvader. Deze laatste,
Gualtheuus Kolff, de
grootvader van mijn overgrootvader, ivas reeds vóór het jaar 1675
in dit gewest tot den predikdienst toegelaten, en werd in 167U te
Maassluis bevestigd {"). Van hem af gerekend ben ik de zesde, indien
Rotterdam ten minste tot Zuid-Holland mag gerekend worden. Hier
mocht ik 12 jaren lang als Predikant werkzaam zijn, — onze tegen-
woordige Voorzitter kan \'t getuigen, want ook hij was hier een mijner
ambtgenooten, en mij viel te beurt, hem hier bij ele Gemeente in te leiden
en te bevestigen. Voegt daar nu bij, dat wij thans vergaderd zijn in
de wijk, waarin ik in vroeger jaren, gedurende mijn verblijf in
Rotterdam, heb gewerkt als Wijkpredikant; dat de straat, loaarinwij
(2) Zie de Aant.
-ocr page 9-
- 7 -
ons hier bevinden, ongeveer het middenpunt dier vrijk was; en gij
verwondert er u niet over, dat ik op dit oogenblik mij in dezen kring,
hier ter plaatse, vrij wel te huis gevoel... mij ten minste volstrekt niet
als vreemdeling beschouw of behoef te beschouiven.
In al de 49 vergaderingen der Zuid-Hollandsehe Predikanten-
Vereeniging, en gedurende al de 43 jaren van haar bestaan, is zeker
geen besluit door haar met zoo algemeene instemming en zoo volkomen
goedkeuring genomen en vernomen, als dat, waarbij den 14" Mei
des vorigen jaars werd bepaald, dat de ^eerstvolgende 50° vergadering
een feestelijke vergadering zijn zou. Geen wonder, dat hiervoor
op algemeene sympathie gerekend kon worden. Het denkbeeld
.feestviering" heeft in den regel ietsj aantrekkelijks voor iedereen,
die niet verplicht is, eerder te denken aan rouwgewaad en rouw-
beklag. Ook heeft het ranggetal .de vijftigste" doorgaans voor onze
verbeelding feestgejuich, feestlied en feestdisch in zijn gevolg. De
50e vergadering — maar zij mug niet op ééne lijn met de 49e en
51e staan! Zij heeft een bijzonder signalement. Zij is te merk-
waardig, dan dat bij die heuehelijke gelegenheid niet een „feestrede"
gehouden zou worden......
Daar onze tijd een kritische tijd is, en twijfel aan de orde van
den dag, moeten wij er ons echter niet over verwonderen, zoo deze
en gene toch vraagt, of niet een weinig opgewondenheid en over-
spanning dat genoemde besluit mede ingegeven hebben. Dat een
Nederlandsche Predikanten-Vereeniging een 50° vergadering houdt, is
toch geen unicum. Gemakkelijk is een zustervereeniging te noemen, die
haar 80e reeds achter den rug heeft, ofschoon zij slechts vier of vijfjaren
langer bestaan heeft! Wat voorts de „merkwaardigheid" aangaat,
het reglement der Zuid-Hollandsche Predikanten-Vereeniging schrijft
in Art. 5 voor: „Er zullen telken jare ten minste twee vergaderingen
worden gehouden." Was dit nageleefd, wij zouden hier ook het
getal 80 reeds achter den rug, en niet gelijk thans in een tamelijk
vér verschiet hebben. Daarbij komt, dat een 50° vergadering, ge-
heel op zichzelve beschouwd, volstrekt niet dwingt tot feestgejuich.
Zelfs laat zich zonder veel inspanning een 50e vergadering denken,
die den uitroep wettigt: Komt er dan nooit een einde aan ? Ja, dit
is nog niet alles. Verplaatst u met mij in den ouden tijd. Meent
-ocr page 10-
- 8 -
gij, dat Sisyphus, na 49 maal het zware rotsblok naar boven ge-
wenteld te hebben, bij den 50" keer in bijzonder feestelijke stemming
geweest is? Ik weet niet, of Danaus telkens, als hij een dochter
rijker werd, een feestmaal heeft aangelegd, maar ik acht toch niet
waarschijnlijk (en gij evenmin), dat hij bij de geboorte van zijn
50e dochtertje bijzonder feestelijk gestemd zou zijn geweest, indien
hij had geweten of vermoed, welke toekomst haar op aarde en in
de onderwereld wachtende was. En nu wij ongezocht de Danaïden
vóór ons hebben, hoe zouden wij waarschijnlijk kunnen vinden, dat
zij in de onderwereld, bij het voor de 50° maal water gieten in dat
nooit te vullen bodenilooze vat, feestelijk gestemd zullen zijn geweest,
of elkander zullen hebben voorgesteld, telkens bij het weer voor
den 50" keer water gieten, deze vrij vruchtelooze bezigheid met een
vroolijk feestlied op te luisteren! ?
Maar aan allen twijfel komt hier een einde, en de meest onver-
biddelijke kritiek wordt tot zwijgen gebracht, als het besluit „f e es-
tel ijk e viering van de 50e vergadering der Zuid-Hollandsche
Predikanten-Vereeniging" gebracht wordt in het volle licht der
goed begrepen werkelijkheid, en in dat licht wordt be-
schouwd. Dan is nog veel te weinig gezegd, wanneer wij tot
opheldering in het midden brengen: Deze Predikanten-Vereeniging
is zich bewust van in de voorbijgegane 43 jaren en 49 vergaderingen
geen Sisyphus-arbeid te hebben verricht en geen Danaïden-werk te
hebben gedaan... Er is iets anders, waarop gewezen moet worden,
maar dat wij voor het oogenblik nog niet vermelden, omdat de in-
richting van ons feestwoord — (vergeeft mij toch deze aanmatigende
en hoogdravende uitdrukking, maar ik werd door de gedachte
„50c vergadering" medegesleept en verleid! —) omdat de inrichting
onzer rede ons aanprees, er eerst later opmerkzaam op te maken.
De 50e vergadering onzer Zuid-Hollandsche Predikanten-Vereeni-
ging doet ons van zelf aan „50 jaren geleden" denken (3), al bestaat
onze Vereeniging dan ook nog niet zoolang; en 50 jaren geleden, dat
is dan nu in 1842, bestond nog geen enkele Nederlandsche Provinciale
Predikanten-Vereeniging. Men kon in 1842 geheel Nederland rond-
reizen, in Mei of in September, of wanneer ook, zonder ergens
Predikanten zich te zien opmaken, om een bad te gaan nemen
(3) Zie de Aant.
-ocr page 11-
- i) —
voor verstand on hart, en gemoed en verbeelding-, in een samen-
komst van Herders on Leeraars, arbeidende in dezelfde
provincie. Was in Duitschland een Prediger-Conferenz volstrekt
geen onbekende zaak, onder ons bleef het bij ringsvergadering, of
ook bijeenkomsten van kleine vriendenkringen; in een enkele classis
waren zij van eenige meerdere uitgebreidheid. Maar noemenswaardig
verder kwam men in geen van onze provinciën. Aan bcstuursver-
gadoringen volgens kerkelijke reglementen denk ik natuurlijk niet
in dit verband.
Maar kom nu eens tien jaren later in Nederland! Geen
enkele Provincie, die niet haar eigen Provinciale Predikanten-Ver-
eeniging heeft, Limburg als met Noord-Brabant verbanden mede-
gerekend. Achttien honderd twee en veertig, of Achttien
honderd twee en vijftig; welk een merkwaardig, welk een
verbazend, en ook welk een verblijdend verschil!
\'t Is mij echter thans niet bepaald om dit laatstgenoemde jaar
te doen.
Ik heb veeleer het daaraan voorafgegane, het jaar 1851, in
liet oog.
\'t Was een merkwaardige dag, de 24e September van \'t jaar
1851; een dag, welks gelijke hier, in deze eeuw, nog niet was gezien,
en later niet weer is aangebroken. Tegen dien dag was een ver-
gadering belegd te Amsterdam (\'\'). Op den morgen van dien
dag zouden eenige Predikanten samenkomen, met elkander de tien
provinciale Predikanten-Vereenigingen vertegenwoordigende, op wier
bestaan ons vaderland bogen mocht. Nadat de vergadering geopend
was bleek, dat drie van dogenen die verwacht werden, verhinderd
waren te verschijnen, en dat één afwezig was gebleven, omdat hij
en zijne vereeniging het niet geheel eens waren met het doel, dat men
zocht te bereiken. Hoe dit zij, feitelijk kwam nu aan \'t licht, dat in
al de provinciën een Predikanten-Vereeniging bestond, en men kwam
nu bijéén, om officieel te bespreken: het mot elkander in voortdurend
rapport komen en blijven.
Daar zijn zij gezeten, de secretarissen van zes Vereenigingen,
Noord-Holland, Zuid-Holland, Drenthe, Overijssel, Utrecht, Gelderland,
en daar liggen de brieven met kennisgeving der vier andere, van Fries-
(4) Zie de Annt.
-ocr page 12-
- 10 -
land, Groningen, Zeeland, Noord-Brabant (waarbij wij weder ook
aan Limburg denken).
Maar wat was er niet gedelibereerd, gedebatteerd en gecorres-
pondeerd, vóórdat het zóóver was gekomen! De aanwezige secre-
tarissen, vertegenwoordigers hunner Vereenigingen, mochten elkander
■wel de hand drukken met liet woord: „Omnia jam flunt...!" De
quaestie, die reeds vele woorden gekost had, was eigenlijk deze: of
niet wenschelijk was, jaarlijks een Ge meen sch appel ij k Verslag
te geven van de werkzaamheden der onderscheidene Predikanten-
Vereenigingen, hetzij in den handel, hetzij niet in den handel te
brengen ; en ook, of niet jaarlijks een bijeenkomst gehouden zou worden
van afgevaardigden der onderscheidene Provinciale Vereenigingen,
zoodat men een algemeene, een centrale, een Nationale Predikanten-
Vereeniging zou hebben (wij zouden nu van eene inter-provinciale, in
navolging van het thans gebruikelijke inter-nationale, van een inter-
provinciale Predikanten-Vereeniging spreken). Zoo zou één groote
Nederlandsche nationale Predikanten-Vereeniging verrijzen, waarin,
behalve de afgevaardigden, ook leden der onderscheidene provinciale
Vereenigingen den toegang zouden hebben, maar met adviseerende
stem...... Mijne waarde hoorders, ik weet niet, hoe gij er nu over
denkt. "Wat het zou gegeven hebben ; of er ooit iets bijzonder goeds
van te verwachten zou zijn geweest; ik laat het in het midden en
eerbiedig uw gevoelen. Maar al spreekt nu ook deze en gene van
„kasteelen in de lucht," ik vind het idee toch lumineus; ik zie die
vergadering van afgevaardigden in mijne verbeelding toch met syra-
pathie (Beets uit Heemstede zat er voor Noord-Holland, Francken
uit Rotterdam voor Zuid-Holland...) en groet hen met een welgemeend:
goed succes! Met hetgeen den 24" September 1851 daar te Amster-
dam ter tafel kwam en besproken werd, kom daar nu eens mede aan
in het jaar achttien honderd twee en negentig! (Geheel onder de
roos: Toen dacht men er aan, een walvisch te scheppen; nu geeft men
meer den indruk van palingen in mootjes te snijden (•\'•).)
Men behoeft u niet mede te deelen, dat de zaak op niets is uitge-
loopen, gelijk dan ook te voorzien was en hier en daar ook wel
gewenscht werd. Het verslag der Handelingen van onze Zuid-Holland-
sche Vereeniging (April 1852) deelt mede, dat door den Scriba een
(s) Zie de Aant.
-ocr page 13-
- 11 -
comparitie is bijgewoond te Amsterdam, do door ons zooeven besprokene,
en uit een volgend verslag (der najaarsvergadering) blijkt, dat in
onze Vereeniging ernstig is gedelibereerd over de voorstellen der
Friesche en Geldersche Vereenigingen omtrent de oprichting van een
Algemeene Vereeniging (het boven door ons besproken jaarlijks te hou-
den Nederlandsch Provinciale-Predikanten-Vereenigingen- Congres).
De slotsom der overwegingen in den boezem onzer Vereeniging is
geweest: wel stappen te doen tot het bedoelde Verslag, maar niet
toe te treden tot dat Congres.
Uit gelijktijdige verslagen van zusterverenigingen blijkt, dat ook
elders niet alleen gerapporteerd is over hetgeen te Amsterdam was
verhandeld, maar ook verder gedelibereerd is over de thans te volgen
gedragslijn. De gevoelens liepen zeer uiteen en de beschouwingen
waren niet alle in dezelfde richting. Wél is indertijd door de voor-
standers gedaan wat te doen was, en Gelderland had zich allerminst
van lauwheid of nalatigheid te beschuldigen. Maar op te roeien
tegen den stroom vermocht men ook in Gelderland niet.
Zou het evenwel, na 40 jaren, onder geheel andere omstandig-
heden toch nog niet eens te beproeven zijn? Want wat in 1831 en
\'52 niet gelukt is, dat zouden jongere krachten wellicht in 1892
met meer succes kunnen ondernemen?!
Deze vraag is hier echter een weinig voorbarig, zoolang wij
nog niet een oogenblik hebben stilgestaan bij eene andere vergadering,
in zekeren zin niet geheel ongelijk aan de Arasterdamsche van
24 September 1851, en toch ook weer, wat het hoofddoel betreft,
van een eenigszins verschillend karakter. Ik bedoel de merkwaardige
bijeenkomst, die den 16en Juni 1853 te Utrecht plaats had, en die
bestemd was, om afgevaardigden of vertegenwoordigers van al de tien
provinciale Predikanten-Vereenigingen te ontvangen ("). Een der leden
van de Utrechtsche Vereeniging had voorgesteld, dat elke Pred.-Ver-
eeniging een of meer afgevaardigden naar Utrecht zenden zou, om
gemeenschappelijk te beraadslagen over hetgeen tot bevordering van
de Protestantsche belangen in Nederland behoorde gedaan te worden.
Acht Vereenigingen waren vertegenwoordigd, de onze door de BB.
Ott en Herman de Ridder, en twee afwezig. Niet weinig is daar toen
besproken en besloten, ten laatste ook dit, dat de Predikanten-Ver-
(u) Zio de Aant.
-ocr page 14-
- 12 -
eenigingen uitgenoodigd zouden worden om een Centraal-Comité, een
permanente Commissie te benoemen, ten einde de onderscheidene
Vereenigingen met elkander in rapport zouden blijven. Van zelf
kwam men alzoo hier en daar op de gedachte aan een blijvend
rapport tusschen de verschillende Predikanten-Vereenigingen, door de
benoeming van zulk een permanent Centraal-Comité. In hoeverre de
Utrechtsche Vergadering rechtstreeks iets blijvends heeft uitgewerkt,
kunnen wij thans laten rusten. Uitgemaakt is zeker, dat een cen-
tralisatie van de krachten of werkzaamheden der gezamenlijke Pre-
dikanten-Vereenigingen er niet uit is voortgevloeid, ook niet met
betrekking tot het punt, waarop men te Utrecht oorspronkelijk en
voornamelijk het oog had gehad.
Komt men dan tot ons met de vraag, of wat alzoo vóór een
veertig jaren niet gelukte in onzen tijd niet met meer vrucht zou te
beproeven zijn, wij durven geen aanmoedigend advies geven. Een
woord, aan de dagelijksche samenleving ontleend, ligt ons hier voor
de hand: „De aardigheid is er nu af." — Neemt de kaart van ons
land eens vóór u, de provinciën, waar een Predikanten-Vereeniging
bloeit en tiert, of althans nog niet te niet is gegaan, blauw gekleurd!
Hoeveel ledige plaatsen in onze dagen, waar het een goede 30 jaren
geleden nog als bij ons in Zuid-Holland was! Spoort gij door het
Noord-Oosten, ja, daar vindt gij in Friesland, Groningen en Drenthe
wat ook in onze provincie te vinden is. Noord-Brabant met Limburg
ziet óók nog vergaderingen van zijn provinciale Predikanten-Vereeni-
ging. Maar nu verder? Ziet gij thans eens, van uit deze feestelijk
gestemde samenkomst op Zuid-Hollandschen bodem, rond in het hier
naastbij gelegen land, er is inderdaad een bijzonder sterk zenuwgestel
noodig, om niet aan den juichtoon een einde te maken. De eens zoo
levendige Noord-Hollandsche Prcdikanten-Vereeniging, zij is niet meer.
De Zeeuwsche zuster, zij heeft reeds lang opgehouden te bestaan.
De Utrechtsche heeft, om zoo te zeggen, geen spoor van haar vroeger
bestaan achtergelaten. De Geldersche (ik woonde in 1847 als lid
een vergadering bij) is verdwenen. De Overijsselsche, eens zoo wakker
begonnen met een openingsrede, die klonk als een klok (\'), is almede
weggevaagd. Vijf van de tien bestaan niet meer — en
wij zouden ons hier, in Zuid-Holland, waarlijk eenzaam en verlaten
(\') Zie do Aant.
-ocr page 15-
- 13 -
gaan gevoelen (geografisch beschouwd), zoo wij vergaten, dat Zuid-
Holland ten Zuiden ook nog Noord-Brabant heeft, waar onze mede-
broeders in de Evangeliebediening bij voortduring kloekmoedig aan
alle bezwaren het hoofd bieden. Niet lang geleden hield de Noord-
Brabantsche en Limburgsche Predikanten-Vereeniging hare 45°
vergadering te Ginneken, aan de Duivelsbrug, \'t Was op een echten
zomerdag, den 21" Juni, toen de zomer begon. Het blijve ook voor
haar nog lang een echte zomertijd, en evenmin als de Duivelsbrug
verschrikke of ontroere haar ooit eenige dreiging of werking des
Boozen. Hield zij nu haar 45° vergadering, in deze eeuw nog volge
ook voor haar hetgeen wij thans hebben, na de 49e een vijftigste
bijeenkomst! —
Het zou mij volstrekt niet verwonderen, zoo ik hier of daar
den schijn op mij had geladen van niet geheel overeenkomstig de
regelen der echte welsprekendheid gehandeld te hebben, evenmin als
in harmonie mot het doel, waartoe wij hier zijn samengekomen.
Moest ik dan, ja mocht ik dan het weerstandsvermogen der feeste-
lijke stemming van mijne hoorders zóó op de proef stellen door iets,
dat weinig van een wandeling langs graven en grafsteenen verschilt?
Mijn antwoord, dat tevens mijne verantwoording is, kan kort zijn.
\'t Was hier: „nood breekt wet." Ik was u een opheldering schuldig;
immers had ik mij verbonden tot het brengen van de f e e s t e 1 ij k e
viering der 50e vergadering onzer Zuid-Hollandsche Predikanten-
Vereeniging in het volle licht der goed begrepen werke-
1 ijkheid! Welnu: nóch ten Noorden, nóch ten Zuiden (althans wat
Zeeland betreft), nóch ten Oosten een spoor meer van provinciale
Predikanten-Vereeniging. Maar in Zuid-Holland is de Predikanten-
Vereeniging tot hare 50e vergadering gekomen, terwijl het naburige
Noord-Brabant het tot de 45e heeft gebracht! Ubi rerum testimonia
adsunt, non opus est verbis! Van harte gelukgewenscht, gij V ij f t i g s t e
in de reeks! Uw feestdosch past u uitnemend!
Zien wij nu eens terug naar het hemelsbreed verschil tusschen
1842 en 1852, de vraag dringt zich dan aan ons op: Hoe zijn die
binnen zoo weinige jaren hier overal gevestigde provinciale Predi-
kanten-Vereenigingen toch zoo ongedacht als uit de lucht komen vallen ?
Wat uit gevoel van behoefte geboren wordt, het is niet aan
-ocr page 16-
- 14 -
aërolieten gelijk! Verplaatsen -wij ons in 1844 en \'45. Het is vóór
de Grondwetsherziening van 1848; ook vóór de geheele, in 1848 aan-
gevangen revisie van het Algemeen Reglement voor het Bestuur der
Nederl. Hervormde Kerk. Het is in den bloeitijd der Groninger Theo-
logie. Het verkeer per spoortrein en stoomtram, met telegram en brief-
kaart in die dagen... gij kunt berekenen wat daarvan, d. w. z. hoe weinig
daarvan te genieten viel! Het was dan in dien tijd, dat men in een der
Friesche nieuwsbladen kon lezen: . Wij vernemen, dat op 30 Mei jl.
(\'t is in 1845) hier ter stede (in Frieslands hoofdstad) de eerste
vergadering is gehouden van de Predikanten-Vereeniging in Vries-
land, ten doel hebbende, debanden van onderlinge gemeenschap nauwer
toe te halen, ten einde daardoor met meerdere vrucht tol bevordering
van den uit- en inwendigen welstand
der Hervormde Kerk werk-
zaam te kunnen zijn."
Deze vergadering werd, volgens datzelfde
bericht, bijgewoond door een zestigtal predikanten, en was vooraf-
gegaan door een voorloopige samenkomst, die plaats had gehad den
30on Augustus des vorigen jaars., d. i. 1844. — Daar
hebben wij nu den eersten lichtstraal, de eerste beweging, den
aanvang der later zoo merkwaardige provinciale Predikanten-Ver-
eenigingen-reeks. Groningen was weldra gereed; de eerste verga-
dering kon den 9e" Juni 1846 gehouden worden. In datzelfde jaar
werden de grondslagen der Geklersche Vereeniging gelegd, wier
voorjaars- en najaarsvergadering in 1847 bijeen kwamen. Zoo ging
het als een loopend vuur verder! Minstens zeven provinciën
hebben in Mei 1849 wat Friesland het eerst heeft bezeten, en in
October 1850 hoort men den Voorzitter der Noord-Hollandsche
Predikanten-Vereeniging, bij de opening der vergadering spreken van
deze, in den tijd van drie jaren (eigenlijk vijf), in alle provinciën
onzes vaderlands opgerichte vereenigingen. Neen, er was geen houden
meer aan geweest; al de gewesten rondom de Zuiderzee, en de aan-
grenzende provinciën, haakten naar hetzelfde voorrecht (!l). Zonder
slag of stoot is alles in zijn werk gegaan... „Zonder slag of stoot?" Ja,
dat heeft men wel anders ondervonden in den eersten tijd. Die dat
in den aanvang mocht hebben verwacht heeft (naar \'t bekende spreek-
woord) gerekend buiten den waard; d. i. in dit geval buiten het
ons welbekende \'s Gravenhage.
<») Zie de Aant.
-ocr page 17-
- 15 -
\'t Was in 1846, dat de Algemeene Synodale Commissie der
Nederl. Herv. Kerk zicli geroepen zag tot het geven van advies aan
den Minister voor de zaken van den Hervormden Eeredienst, over een
adres van de Friesche Predikanten-Vereeniging, inhoudende \'t verzoek
(\'t was reeds voor de tweede maal ingediend), om machtiging tot
het vestigen van eene ontworpen Pred.-Vereeniging in de provincie
Friesland, met daarbij gevoegd gewijzigd Reglement, één en ander
ingediend bij Z. M. den Koning. „Niet toestaan", adviseerde de
Alg. Syn. Commissie. „De machtiging niet gegeven", was \'t be-
sluit des Ministers. Want, zeide de Syn. Comm.. de bloei der rings-
vergaderingen is er mede gemoeid; de geregelde gang van de werk-
zaamheden der Kerkbesturen loopt gevaar, en de geheele kerkelijke
organisatie kon er wel eens door in duigen vallen (9). Zoo had men
toen \'s Gravenhage kerkelijk en wereldlijk tegen zich, gelijk in die
dagen ook wel elders zwaarhoofdigheid bedenkelijk vond, dat er......
Hier en daar werd echter niet goedgekeurd, dat de Friezen
machtiging en goedkeuring gevraagd hadden. Groningen besloot,
dien weg niet in te slaan ! \'t Vond ook verder geen navolging. Maar
\'t is toch wel met het oog op den toestand en de verhoudingen,
waarin men zich vóór 1848 bevond, dat óns Reglement in Art. 14
bepaalt: „de Vereeniging zal steeds werkzaam blijven, zooals zulks
met de voorschriften der burgerlijke en kerkelijke wetten, en van
de goede orde in den Staat en in de Kerk, bestaanbaar is." Daar-
mede was dan ook de rust in de provincie Zuid-Holland verzekerd;
want wat in ons Reglement is vastgesteld, zou dat niet ten allen
tijde worden nageleefd?!
Zoo worden wij als van zelf voor onze thans „feestelijk" ge-
gestemde Zuid-Hollandsche Vereeniging geplaatst, en wij vragen nu,
na al het gehoorde, hoe toch te verklaren, dat eerst in het najaar
van 1848 (den 18en Oct.) een voorbereidende, en in \'t voorjaar van
1849 (den 17en April; de eerste gewone vergadering onzer Predikanten-
Vereeniging gehouden werd. Meer dan ééne verklaring laat zich
denken. Lag \'s Gravenhage ook te dicht bij Zuid-Holland, of Zuid-
Holland ook misschien te veel onder den rook var. den Haag ? Zeker is,
dat in deze onze provincie het voorstel tot oprichting van een provinciale
Predikanten-Vereeniging, gelijk andere gewesten rijk waren, terstond
(9) Zie de Auut.
-ocr page 18-
- 16 -
met grooten bijval word ontvangen. Uit Gelderland gekomen, waar
ik lid der Geldersche Vereeniging was geweest, deed ik daartoe den
eersten stap. Al de ringen van Zuid-Holland werden door den ring
Rotterdam uitgenoodigd om een afgevaardigde herwaarts te zenden,
ten einde een eerste vergadering voor te bereiden, tenzij men bezwaar
tegen de oprichting hebben mocht. Op den bepaalden tijd, 11 Octo-
ber 1848, waren wij met ons 18™ bijeen, afgevaardigden uit 18 ringen ;
vijf ringen waren niet vertegenwoordigd, daaronder (waarschijnlijk éók
door wettige verhindering), de ring \'s Gravenhage. Maar wij misten
hem ongaarne (")! Daarna had dan de eerste gewone vergadering den
17" April 1849 plaats. Bij die eerste vergadering hadden zich 135 leden
aangegeven, waarvan 83 tegenwoordig waren. Wat bleek alzoo dat
eerste voorstel tot oprichting eener Predikanten-Vereeniging ook in
Zuid-Holland te zijn geweest? Wat anders, dan: de lont in\'t kruit!
\'t Was hier alles rijp voor een explosie!!
Die eerste vergadering, waarin ik als Scriba mocht fungeeren,
en mijn ambtgenoot Puins als Voorzitter de werkzaamheden leidde,
zij staat mij nog zeer goed voor den geest. Maar niets herinner ik
mij van hetgeen ik onlangs in een kerkelijk weekblad (") uit die
dagen las, dat namelijk do zich daar vereenigende leden er „ondanks
sneeuwjacht en koude" aanwezig waren. Sneeuwjacht en koude,
waarlijk geen gunstig voorteeken! Maar dit weinig bemoedigend
omen werd opgewogen en geheel in de schaduw gestold dóór iets
anders, dat wij heden nog als een niet beschaamd omen faustum
op den voorgrond plaatsen, en dat ons alle koude en sneeuwjacht
doet vergoten, ik bedoel den naam der Sociëteit, in ééne van wier
zalen in den Doelen alhier de eerste gewone vergadering gehouden is.
Die naam was: de Harmonie. Negen en veertig vergaderingen
liggen achter ons, gedurende meer dan 40 jaren gehouden. Hervorm-
den en Remonstranten, Lutherschen en Doopsgezinden, orthodoxen en
liberalen, supranaturalisten en bestrijders van het supranaturalisme
kwamen hier bijeen; ouderen en jongeren van verschillende akademiën,
velerlei richting en zienswijze, temperament en standpunt vertegen-
woordigonde; brandende vragen en spineuse quaestiën werden hier
besproken of aangeroerd, zonder aanzien des persoons beoordeeld,
(">) Zie de Aant.
(") 7M> de Aant.
-ocr page 19-
- 17 -
verdedigd of aangevallen... de Harmonie is niet verstoord;
de Harmonie heeft niet behoeven te zeggen: hier is voor mij geen plaats!
Ik oordeel natuurlijk volgens de verslagen der vergaderingen, die ik
alle heb doorgelezen, en ik bedoel natuurlijk de Harmonie, die er
bij alle verschil van gevoelen en meening, van geloofsovertuiging
en levens- of wereldbeschouwing zijn kan. Zeer wel mogelijk en
waarschijnlijk zelfs, dat van de andere Predikanten-Vereenigingen
hetzelfde kan worden getuigd. Dit doet thans niet ter zake. Wij
hebben thans alleen met do Zuid-Hollandsche te doen. — In .de
Harmonie" is zij begonnen, en in harmonie heeft zij zich blijven
bewegen tot op dezen dag! Die Harmonie is zelfs zoo veerkrachtig
gebleken, dat zij de zwaarste proef niet behoeft te vreezen. Of wat
dunkt u ... in eene onzer jongste vergaderingen zou gehandeld worden
over de quaestie van „te veel en te weinig bidden/\' Zonder de minste
noodzakelijkheid verklaart één der sprekers van één der aanwezige
leden, dat hij hém niet zijn broeder kan noemen. Van het één komt
men op het ander, steeds buiten liet te behandelen onderwerp, en in
plaats van zaak-bespreking wordt het persoons-beoordeeling. En de
Voorzitter heeft allen niet tot de orde geroepen, laat hen, die zich zoo op
het gebied der persoonlijke beoordeoling bewegen, de harmonie vrij in
gevaar brengen; wijst er niet op, dat over „te veel of te weinig
bidden" moet gehandeld worden, en niet over hetgeen er thans niets
mede heeft uit te staan, allerminst over personen, in plaats van over
zaken. — O neen, mijne Hoorders, men ziet dat alles rustig aan ...
Daar kan de Harmonie best tegen. Zij is voor geen klein gerucht
vervaard. Hier behoeft men geen moordkuil van zijn hart te maken, ten
minste niet tar wille der Harmonie, die mij doet denken aan dat onbreek-
baar harde glas, waar men over heen loopt zonder er door te zakken.
Aan het einde sluit de Voorzitter de Vergadering met dankzegging
aan de aanwezigen voor hun tegenwoordigheid en be-
langstelling. Hier beweegt men zich alzoo in een atmosfeer,
waarin voor „wanklank" geen plaats is.
Het zooeven gezegde brengt mij in de verzoeking om allerlei
uit de vroegere vergaderingen en de verslagen daarvan ter sprake
te brengen. Hoe gaarne zou ik die verslagen eens met u doorloopen,
om het kenmerkende uwer vergaderingen op den voorgrond te
plaatsen, een overzicht van de zoogenaamde „agenda" te geven, het
vele interessante, dat er in voorkomt, te releveeren, op licht- en
-ocr page 20-
- 18 -
schaduwzijden opmerkzaam maken, om uit een en ander v/^n^en
voor de toekomst te verzamelen. Maar, behalve dat de tijd daar-
voor thans ontbreekt, treden eenige andere gewichtige bezwaren in
den weg. De meeste verslagen, namalijk van de 15c totde 49e ver-
gadering, zijn gedrukt, en kunnen derhalve door u gelezen worden.
Een overzicht van de „agenda"... wat wenscht gij? Zal het
alphabetisch of chronologisch, of encyclopaeilisch, dat is derhalve in
een of anderen zin systematisch zijn? Alphabetisch? Naar welk be-
ginsel? Chronologisch? Dat maakt allerlei uitweidingen noodig...
Encyclopaedisch ? Ja, hoe verdeelt of splitst of rangschikt gij de
studievakken of theologische wetenschappen? De tijd ontbreekt mij,
om al deze vragen thans methodologisch of wetenschappelijk te be-
handelen. En nu heb ik iets zeer voornaams nog niet genoemd.
Gij wenscht toch niet, dat ik een kritiek van die agenda en van de
wijze, waarop zij behandeld zijn, achterwege late? Maar kritiek is
de ademhaling der wetenschap! Niet lang geleden heeft een hoog-
geplaatst persoon, ik bedoel den Voorzitter, in een uwer vergade-
ringen gezegd: „Wer nie gezwoifelt, hat nie geglaubt.\'\' Met veel
meer recht mag men in dezelfde taal zeggen: Ohno Kritik keine
Wissenschaft.
Zoo wedersta ik dan de door mij bedoelde verzoeking, en ver-
genoeg ik mij met een vijftal bijzonderheden aan te stippen, die u een
proef mogen zijn van wat nog verder ter sprake zou kunnen komen.
Om aan het voorgaande aan te knoopen, geef ik in de eerste plaats
een weinig kritiek van de wijze, waarop met de beide agenda over
te veel en te weinig bidden is gehandeld, maar — ik behoef dit immers
niet te verzekeren — waarlijk niet, om eens aanmerkingen te kunnen
maken... Neen, geheel alleen om mijn leedwezen te kunnen uit-
drukken, dat men de gelegenheid, om eon allerbelangrijkst onderwerp
grondig en ten algemeenen nutte te behandelen, ongebruikt heeft
laten voorbijgaan. Dat tweetal agenda had zeker tot belangrijke
discussiën kunnen leiden. Bidden, die ademhaling des geloofs, bidden...
kan men het ooit te veel doen, tenzij dan, dat men er door verzuimt
en nalaat wat plicht en roeping voorschrijven? Bidden, is het niet
Paulus, die zegt: „Bidt zonder ophouden?" Is het niet de gelijkenis
van den onrechtvaardigen rechter, die (althans volgens de verklaring
van den Evangelist) door Jezus is voorgedragen om te leeren, dat
zijne discipelen altijd moesten bidden en niet moedeloos worden? Te
-ocr page 21-
- 19 -
veel bidden, o ja, wanneer men omhaal van woorden gebruikt, gelijk
de heidenen, die meenen, dat zij om hnn woordenvloed zullen ver-
hoord worden... Te weinig bidden? Vraagt er den brief van
Jacobus naar. „Gij bobt niet, omdat gij niet bidt... Gij bidt, en ont-
vangt niet, omdat gij kwalijk bidt"... Te veel, of meer dan genoeg
bidden? Te weinig, dat is dan: niet genoeg bidden? Maar welk
bidden wordt bedoeld? Te veel of te weinig? Waar, wanneer,
door wie? To veel of te weinig? Wat is de maatstaf bier-
voor? Hoe een volledig antwoord te geven, zonder de onmisbare
opgaven der statistiek? Niets van dit alles is aangeroerd. „Naar
aanleiding" van die beide agenda begint één der leden met de ver-
klaring, dat hij zou willen vragen: „Kan een moderne wel bidden?"
...een vraag, die hier niet bijzonder ml rem was. Van het een in
het ander verdwalende, komt men dan op de verklaring, dat men
aan een bij name genoemden broeder niet den broedernaam geven kan.
Eenige regelen verder zegt het „verslag:" Hiermede eindigt deze
bespreking. „Bespreking" ja, maar niet van de beide agenda. Tot
verschooning zou men kunnen zeggen: ja, maar op sommige agenda
is de vergadering niet voorbereid. Dat is wel mogelijk, en beter is
zwijgen, dan geheel onvoorbereid er over spreken. Maar dit tweetal
stond het voorafgegane jaar ook reeds onder do agenda, en een jaar
vroeger insgelijks, maar toen in dezen, ik zal maar zeggen, superla-
tivus: „Er wordt veel te veel gebeden. Er wordt veel te weinig
gebeden." Slotsom: Deze twee agenda of quaesties zijn hier nog
hangende vraagstukken tot op den huidigen dag!
Hiermede afscheid nemende van de eigenlijk gezegde kritiek,
namelijk met betrekking tot de behandeling of niet-behandeling der
agenda, (waarbij ik de vergadering toch niet te hard gevallen ben)
ga ik over tot de tweede bijzonderheid, en wel, om de geheele
Zuid-Hollandsche Predikanten-Vereeniging, althans in hare jeugdige
jaren, eens in bescherming te nemen. Hoe, vraagt deze en gene, is
zij dan aangevallen ? En zij heeft nooit iemand eenig leed aangedaan ?
— De zaak is deze. \'t Is reeds meer dan 2f> jaren geleden, \'t Is
uit een praesidiale toespraak bij de opening van de vergadering. De
spreker gaat met zijn hoorders eenige jaren terug. „Wat moet er
van den jongen worden? Zóó had men, met het oog op deze Predi-
kanten-Vereeniging, gevraagd. Nu, de jongen is niet geworden wat
men gevreesd had; geen roode republikein; geen verstoorder van de
-ocr page 22-
- 20
rust der Kerk. Maar hij groeide ook niet op tot een kiachtig man.
Hij werd een doen iet, een babbelaar, een leegloopor. Van waar de
teleurstelling onzer verwachting?... De schuld, zegt de spreker,
ligt aan ons, die komen en die de agenda behandelen. Wij hebben
den jongen opgevoed zonder vast plan; een toren gebouwd zonder
bestek. Men kwam met groote verwachtingen, om veel goeds te
hooren, niet om te spreken; en teleurgesteld ging men naar huis!!...
Hierop volgen eenigo wenken en raadgevingen ter bereiding en be-
reiking van een betere toekomst. — Deze woorden zijn in het jaar
1859 gesproken, in een vergadering van -11 leden. De Voorzitter
meende het goed. Hij was een warm vriend van de Predikanten-Ver-
eeniging, aan welke hij later door don dood is ontvallen. Maar mij
zij geoorloofd, iets tot verzachting in hel midden te brengen. Elf
jaren waren toen voorbijgegaan en 17 vergaderingen gehouden;
minstens 40 leden waren steeds tegenwoordig, en negen, zegge negen,
gedrukte rapporten of schriftelijke adviezen (hier zijn ze!) (\'-) getuig-
den waarlijk niet van lediggang. Mijn slotsom is: de Zuid-Hollandsche
Predikanten-Vereeniging behoefde zich op haar elfde jaar waarlijk
niet voor die van 1892 op 43-jarigen leeftijd te schamen!
Een derde bijzonderheid verplaatst ons op oen geheel ander ge-
bied. Was ik haar heden met stilzwijgen voorbijgegaan, gij hadt
mij wel mogen vragen: Met welke oogen hebt gij dan toch de ver-
slagen onzer vergaderingen gelezen? — Alle vergaderingen onzer
Vereeniging zijn gehouden te Rotterdam, behalve óéne... en die ééne?
Zeker in de Akademiestad, zegt deze of gene... neen, te Dordrecht,
meent een ander, om het eigenaardige van de tegenstelling Dordtsche
Synode en Zuid-Hollandsche Predikanten-Vereeniging te hebben.
Neen, te Schiedam, vermoedt een derde, om een krachtig getuigenis
tegen drankmisbruik af te leggen... Geenszins alzoo... Ééns is onze
Vereeniging vergaderd in den Haag! ü merkwaardige loop van den
gang der zaken! O treffende tegenstelling van .vroeger" en .later!"
O allertretfendste speling, zoo als er nu en dan meer voorkomen in
de wereldgeschiedenis! Maar gij loopt mij reeds vooruit met uwe
gedachten, en zegt wat ik nu op mijne wijze aldus ender woorden
tracht te brengen: Geeft acht op deze beide drietallen jaren. In
1846 adviseert de bekende Algem. Synodale Commissie te \'s Graven-
(\'*) Zie de Aant.
-ocr page 23-
- 21 -
hage tegen het verkenen van machtiging, en weigert daarom de
Minister het geven van machtiging tot oprichting of vestiging van
een Provinciale Predikanten-Vereeniging in Friesland. In 1849, drie
jaren later, wordt in Zuid-Holland (waartoe *s Gravenhage behoort)
zulk een Vereeniging opgericht. In 1852, weer drie jaren later,
houdt die Zuid-Hollandsche Predikanten-Vereeniging hare fnajaars-)
vergadering in diezelfde stad, waar slechts zes jaren vroeger het syno-
daal en ministerieel .neen" werd gesproken! Voegt erbij, dat
die vergadering in den Haag door een Haagsch Predikant wordt ge-
presideerd, wien (dit zij in \'t voorbijgaan gezegd) dit evenmin in zijn
loopbaan, als in zijne gezondheid heeft geschaad, daar deze nog altijd
wakkere talentvolle liaagsche predikant telkens nog ook als hof-
prediker het woord voert! Had er overigens quaestie van een telegram
naar de overzijde van de Zuiderzee kunnen zijn, het had ongeveer
aldus kunnen luiden:
Aan de Friesche Predikanten-Vereeniging;
adres: Leeuwarden, den Heer L. Schierbeek.
De Zuid-Hollandsche Predikanten- Vereeniging, heden
vergaderd in dezelfde Had, van waar zes jaren geleden
een synodaal-ministerieel „veto" tot u kwam, zendt u van
hier haren hroedergroet en hare heilbede toe, met bijvoeging
van een door U welbegrepen: Victoria! —
Van Koetsveld, Voorz.
Francken, Secret.
In geval een soortgelijk telegram verzonden was, het zou in
deze maand September juist 40 jaren geleden zijn. De toenmalige
Voorzitter en Secretaris, gij weet het, zij zijn nog in leven.
Een vierde bijzonderheid, die ik misschien zou hebben laten
rusten, indien ik er niet eenigermate zelf in betrokken was, zij
brengt ons in aanraking met de beide reeds besproken Agenda: ,Er
wordt te veel gebeden; Er wordt te weinig gebeden." Hoe was het
daarmede gesteld in on/e Zuid-Hollandsche Predikanten-Vereeniging?
Alle vergaderingen zijn geopend met gebed, behalve elf, waarin het
gebed achterwege bleef, ik bedoel het gebed bij de opening, door
den Voorzitter. Nu geschiedde het in de 31° bijeenkomst, dat de
toenmalige Voorzitter, na zijne openingstoespraak, vraagde, hoe het
-ocr page 24-
- 22 -
komt, „dat wij niet met gebed openen?" Hij acht zeer wenschelijk,
de goede gewoonte van met gebed aan te vangen ook hier te volgen,
en wenscht liet gevoelen der vergadering te leeren kennen. Ja, de
vergadering is liet met den Voorzitter eens. In vroeger dagen was
liet, volgens de verklaring van sommigen, ook de gewoonte; maar
niemand weet, waarom \'t in onbruik is geraakt. Alle aanwezigen
(\'t is in 1873) verzekeren, prijs te stellen op zulk een wijding der
bijeenkomst. Dientengevolge gaat de Praeses voor in het gebed. Hoe
geheel anders zou \'t gegaan zijn, denkt wellicht deze of gene, indien
er van den beginne een Reglement van Orde was geweest, en daarin
de opening met gebed was bepaald! Ja, waarde Hoorders, had men
in 1849 dat ook maar bedacht!... \'t Schijnt het Bestuur onzer Vereeniging
in de eerste vergadering ontgaan te zijn. Maar er is ook eene andere
verklaring denkbaar! \'t Schijnt het Bestuur in latere vergaderingen te
zijn ontgaan, dat er een Reglement van Orde was! Ik heb het
hier in handen, gearresteerd in de 2,! vergadering, 4 September 1849,
gedrukt en aan de leden gezonden! Art. 1 luidt o. a. aldus: „Elke
vergadering wordt door den Voorzitter met gebed geopend..." Gij
ziet, de eerste voedstorheeren hebben het jongske, om bij \'t reeds
gebruikte beeld te blijven, niet maar zoo de wereld ingezonden...
niet zonder hem op het hart te drukken: werken en bidden, ora
et labora! Wij dachten in die dagen: men kan ook te weinig
bidden! Wij denken mi: Bidden bij de opening — is toch niet
te veel!
De Inatsle bijzonderheid — het getal der aanwezigen in de ver-
gaderingen. Zouden wij dit maar niet liever laten rusten? Wij
weten er alles van... Bijna geen openingstoespraak, of wij kregen
een woord te hooren over hetgeen onze oogen wel konden zien.
Meermalen herleefde Jeremia... Mijne Hoorders, ik heb het voorne-
men niet, met klaagliederen te eindigen. Daarvoor zou ook eene
feestelijke ure niet het aangewezen tijdstip zijn. Laat ons de ver-
schijnselen beschouwen als gevolgen van oorzaken. Gij begrijpt
mij. Vroeger... maar liever bepaal ik mij bij later. In 1867, d. i.
25 jaren geleden, waren 30 leden tegenwoordig, voor het eerst zulk een
klein getal... in 1869 vereenigden zich hier 21 leden, voor het eerst
zoo weinigen; zoo ook in 1876; — in 1889, na rijzing en daling,
zeer afwisselend, slechts 15 leden; maar in 1890 weer 27, en het
vorige jaar 20 leden... Over het al of niet verblijdende, over het
-ocr page 25-
- 23 -
meer of minder bemoedigende; over het al of niet afkeurenswaar-
dige van hetgeen deze statistiek te zien geeft, thans geen enkel
woord. Maar met het oog op de meeste praesidiale toespraken, op
sommige klachten en verzuchtingen en — op de toekomst, wilde ik
toch in overweging geven, meer te rekenen met de Geschiedenis van
onzen lijd, van onze Kerken en onze Theologie, bepaald met be-
trekking tot de laatste 30 a 35 jaren; om niet te spreken van de
reorganisatie der Nederl. Hervormde Kerk in 1848 — 1851. Wat
zoudt gij U, — o Zuid-Hollandsche Predikanten-Vereeniging, gij ge-
spaarde en bevoorrechte en op dezen dag feestvierende — wat zoudt
gij u verwonderen over het al kleiner en kleiner worden van het
getal aanwezige leden op uwe vergaderingen? Verwonder u liever
hierover, dat gij nog niet den weg van alle vleesch zijt gegaan,
ik bedoel den weg van uwe vijf zusteren in de provinciën Noord-
Holland en Zeeland, in Utrecht, Gelderland en Overijssel! Verwonder
u hierover, dat gij het tot 50 vergaderingen hebt gebracht, en thans
aan een 50tal volgende denkt. Bedenk toch, dat het getal vacante
Predikantsplaatsen in deze provincie, alleen in de Hervormde Kerk,
tot ruim 60 is geklommen! Verklaar toch uw toestand in de laatste
jaren, behalve uit hetgeen uwe leden doen of niet dcen, ook uit de
machtige, concurrentie waartegen gij moet worstelen en het hoofd
bieden! Minstens drie machten betwisten ook u een talrijke opkomst
uwer leden in uwe samenkomsten. Noem ik ze u, eigenlijk doe ik
dan iets overtolligs. Gij denkt toch van zelf aan de Nederlandsche
Hervormde Predikanten-Vereeniging, die in 1863 als Evangelisch-
Confessioneele Predikanten-Vereeniging optrad, en daarna zich in
tweeën splitste. — Gij denkt aan de vergaderingen der Moderne
Theologen, die gewoonlijk sedert 1866 te Amsterdam plaats vinden.
— Gij denkt aan de samenkomsten van Predikanten en Gemeente-
leden der „Evangelische richting," 20 jaren geleden voor het eerst
alzoo vereenigd, en thans door eene gelukkige keus vertegenwoor-
digd (ik bedoel niet in onze vergadering, maar naar buiten) door
haren Eere-Voorzittcr, onzen tegen woordigen PraesesUr. W. Francken,
gelijk zij vroeger op kenmerkende wijze werd vertegenwoordigd
door den Hoogl. P. Hofstede de Groot. Zegt men nu, dat zij, die
aan de vergaderingen der genoemde groepen deelnemen, daarom toch
waarlijk niet van de vergaderingen onzer Vereeniging behoeven
weg te blijven, wij stemmen dit zonder aarzelen toe. Toch meenen
-ocr page 26-
t
— 24 -
wij er op te moeten wijzen, dat de drie genoemde vereenigingen min
of meer, indien al niet een bepaald ad hoc, dan toch zeker een
bepaald propter hoc hebben, iets, dat de gedachte aan vaagheid of
onbestemdheid van zienswijze en richting (wat de hoofdzaak betreft)
buitensluit; terwijl onze, even als de andere, provinciale Predikanten-
Vereeniging, gaandeweg al minder en minder iets dergelijks zou
kunnen beweren. Of men dit nu goedkeurt; of men dit betreurt: zeker
is, dat de laatstejaren ons in het gelijk stellen, wanneer wij volhouden :
Verreweg de grootste meerderheid onzer Predikanten verkiest een
beslist gekleurd vereeniginuscentrum van gelijkgezinden, gelijkge-
stemden, gelijkgestempelden, of een duidelijk sprekende vlag; in geen
geval een conversatiezaal, waar ongeveer niets voor uitgemaakt geldt,
dan bijv. dit, dat niets in waarheid uitgemaakt is, dan... en zal
men dit laatste gaan uitmaken, dat het einde der discussie dan niet te
voorzien is... Heft uwe oogen op naar het Noorden en overtuigt u
door aanschouwing! Friesland, Groningen en Drenthe zijn ieder een
Provinciale Predikanten-Vereeniging rijk. En wat hebben ons nog
onlangs de Dagbladen gemeld? De jaarlijksche vergadering van Mó-
derne Predikanten in do noordelijke Provinciën is den 8en Juli j.1. te
Leeuwarden gehouden!... Het is niet anders. Het is zooals een vriend mij
onlangs schreef met het oog op al dat separeeren, zich isoleeren, en tegen-
over andersdenkenden, anderszienden en andersgevoelenden zich concen-
treeren: „Zoo gaan zoowel de Herders als de kudden uiteen." Reden te
meer voor ons, om niet op te houden elkander te herinneren en toe te
wenschen wat gij in Hebr. 13 : 1 vindt. „Dat de broederlijke liefde
blijve," de broederlijke liefde, die door den Voorzitter der 15e Ver-
gadering in 1857 zoo terecht beschreven werd als voortgesproten uit
het geloof in éénen Heer en gekweekt door ééhen Geest". Dat dan
die broederlijke liefde mocht blijven!!!
Mijne rede nadert haav einde, gelijk deze negentiende eeuw de
hare — en, voegt misschien de eene of andere zwaarmoedige geest in
ons midden er bij, gelijk onze Zuid-Hollanclsche Predikanten-Vereeniging
waarschijnlijk haar einde nadert... Dit laatste zij verre, zeer verre!
Neen, de volgende eeuw moet, als het mogelijk is, van den bloei onzer
Vereeniging kunnen getuigen, het getal der aanwezigen in de verga-
deringen zien verdubbelen, en aan de dagen van het eerste tiental
jaren doen denken. De agenda moeten geheele groepen van Predikanten
-ocr page 27-
— 25 -
trekken; het meet met betrekking tot de Zuid-Hollandsf.he Vereeniging
meer en meer worden : „Non cuivis bomini contingit adire Corinthuin."
Men moet in de omliggende provinciën (denkt aan Noord-Holland,
Zeeland, Utrecht, waar geen Provinciale Predikanten-Vereeniging meer
is) gaan zeggen: Naar Rotterdam moet gij gaan, om eene interessante
Predikanten-bijeenkomst bij te wonen! — „Ja, daar ziet het wel naar
uit!" zult gij zeggen. Zien wij rondom ons, dan is het, als roept
onze omgeving ons toe: „de tijd der provinciale Predikanten-Vereeni-
gingen is voorbij!" Mijne Hoorders, wat ik u terstond toegeef is
dit: de tegenwoordige tijd doet niet, als de jaren 1846—1849, aan het
oprichten van een provinciale Predikanten-Vereeniging denken. Maar
dit is geen reden, om een bestaande te laten „uitgaan als een nacht-
kaars.\'\' Wilt gij dit laatste niet zien plaats hebben met de Zuid-
Hollandsche, welnu, verhinder, voorkom, belet gij zelf, o Zuid-Hollandsche
Predikanten-Vereeniging, dat gij aan een nacbtkajirs gelijk wordt!
Word meer en meer een stad op een berg gelegen, een licht voor de
provincie, wier Predikanten gij wilt vereenigen. Gij herinnert u het
woord onzes Heeren: Ik ben het Licht der wereld! Welnu, laat u
zoo door Hem beschijnen en verlichten, dat gij zelf als een Licht in
de wereld schijnt! Door den indruk, dien men van u ontvangt, worde
het meer en meer, als bij Paulus in betrekking tot de gemeente te
Rome, tot welke hij in zijn brief aan haar zeide: .Ik verlang u te
zien, om mede onder u opgewekt te worden door het gemeenschappelijk
geloof, zoo het uwe als het mijne." Een drietal jaren geleden sloot
de tijdelijke Voorzitter dezer Vereeniging bier de vergadering met de
woorden: «Groot is het verschil van opvatting bij ons... Laat ons dat
erkennen, en ons daardoor aangespoord ^gevoelen, om te trachten naar
overeenstemming; want de gemeente is alleen gebaat met onze eenheid
in de groote hoofdzaak"... Hier is iets genoemd, waar het in dezen
kring vooral om te doen moet zijn, als er sprake is van datgene,
waarmede de gemeente alleen gebaat is: éénheid in de groote hoofd-
zaak.
Van zelf denk ik daarbij aan een openingswoord van een
anderen tijdelijken Voorzitter dezer Vereeniging, maar uit veel vroegeren
tijd — en hij is niet meer onder ons, maar zijn naam is niet ver-
geten. Met het oog op het toen onlangs gevierde Paaschfeest wekte
hij zijne hoorders op (er waren 74 leden tegenwoordig), om naar hun
vermogen de prediking van den opgewekten Christus bij toeneming
tot grooter zegen voor de hun toevertrouwde gemeenten te doen
-ocr page 28-
— 26 —
strekken. Hij vertrouwde, dat ook deze Vereeniging dit heerlijk doel
zou bevorderen... Aldus Van Teutem, in het jaar 1851. Thans zijn
wij in 1892, maar of wij in 1851, dan wel in 1892 zijn, waarheid
blijft, dat niemand een ander fundament leggen kan, dan gelegd is,
hetwelk is Jezus Christus. Op dat fundament voort te bouwen blijve
het vaste voornemen van alle leden onzer Vereeniging; en heeft deze
dan ook misschien in de eerstvolgende jaren nog te strijden en te
worstelen om zich staande te houden en krachtiger tot heil der Zuid-
Hollandsche gemeenten te werken; de volgende eeuw, die niet
verre meer is......
Maar wat spreek ik van de eeuw, die volgt? Daar wordt zij aan
mijne oogen onttrokken door iets, dat zich plaatst tusschen haar en
mij... Wat zie ik? Twee jaartallen als in een gouden wolk,
1849 — 1899, als in een lauwerkrans... en daaronder... gulden letters,
flikkerend, schitterend, „Vijftigjarig Bestaan de r Zuid-Ho 1-
landsche Predikanten-Vereen igi n g." Wat is dit anders, dan
een profetie van hetgeen over zeven jaren zijn zal?! Dat zal een feest
zijn, dat een feestviering, waardoor de tegenwoordige geheel in de
schaduw wordt geplaatst. Dan telt men niet bij vergaderingen, maar
bij tientallen van jaren. Dan spreekt de feestredenaar: „Zoo ligt dan
een halve Keuw achter ons..." De leden, die dan van alle zijden
zijn toegestroomd, oin de Vijftigjarige te begroeten, zij drukken elkander
de hand, zich verblijdende in de harmonie en den bloei der overal
met eere genoemde Vereeniging. Ligt nü nog, o Zuid-Hollandsche
Predikanten-Vereeniging, de eerste helft der welbekende Zeeuwsche
spreuk u op de lippen, (van die spreuk, welke uwe Zeeuwsche zuster
van eertijds thans niet meer- noodig heeft!) moet gij nü nog met
het minder bemoedigende „luctor" worstelen; dan — mij dunkt ik
hoor het — dan behoudt een triumfeeiend „emergo, emergoü" de
bovenhand, waardoor uw jubilé van 1899 geheel in zonneglans
verschijnt!
Zoo zij het.
-ocr page 29-
AANTEEKElSTINGEN.
1.     (BI. 5.) Het Bestuur bestond uit de H.H. W. Francken Azn.,
Voorz., K. G. F. W. Ham, Secret., Johs. Dyserinck, J. Sander,
J. la Verge. (Eéne vacature.)
2.     (BI. 6.) Do namen van mijn vader (Gualtherus Doedes)
en van mijn grootvader (Jan Wijnand Doedes), zijn gemakkelijk in
de Naamregisters van deze Eeuw te vinden. Die der drie hier be-
doelde Predikanten Kolff (mijn grootvader J. W. Doedes was ge-
liuwd met Mej. G. C. Kolff, dochter van den jongsten dezer drie
Pred1? Kolff) zijn te vinden in Joh. Henk. Brans, Kerkelijk Register
der Predikanten ... in de XI Classen van de Synodus van Zuid-
Holland. Vgl. BI. 206 van de Alphab. Naamlijst. Het drietal volgt
chronologisch aldus: Gualtherus Kolff (1644 — 1705), proponent ge-
worden in Zuid-Holland vóór 1675; Georgius Justinus Kolff
(1672—1748), oudere broeder van Gualtherus Kolff ff 1727), die
insgelijks Pred. in Zuid-Holland was; Gualtherus Kolff, Georg.
Just. Fil (1713 — 1786). Laatstgenoemde was mijn overgrootvader.
3.     (BI. 8.) Om het licht der geschiedenis hier te laten
schijnen heb ik vooral de Verslagen moeten raadplegen van de andere
Predikanten-Vereenigingen (behalve die der Zuid-Hollandsche), voor-
zoover zij mij toegankelijk waren in het Archief der Zuid-Hollandsche
Predikanten-Vereeniging, dat ik in zijn geheel ter inzage ontving.
Voor enkele bijzonderheden heb ik mij gewend tot vrienden en be-
kenden, of ook persoonlijk mij niet bekende deskundigen, in de onder-
seheidene provinciën. Geen provincie, naar welke niet, om de eene
of andere inlichting te ontvangen, een of twee brief kaarten verzonden
moesten worden. Altijd werd ik met de meeste welwillendheid
beantwoord. Het bl. 10 medegedeelde bericht uit de Leeuw.-Cour.
van 3 Juni 1845 ontving ik door Dr. M. van Staveren.
-ocr page 30-
- 28 -
4.    (BI. 9). De samenkomst te Amsterdam had plaats op
voorstel van den Secretaris der Geldersche Predikanten-Vereeniging,
die ook in de Amsterdamsche bijeenkomst een voorstel ter tafel bracht,
strekkende tot een centralisatie van de Nederlandsche Predikanten-
Vereenigingen. (Zie Verslag der Noord-Hollandsche Predikanten-
Vereeniging van 30 September 1851.) Daarna was aan de onder-
scheidene Zuster-Yereenigingen een afschrift gezonden van een
Concept-Reglement voor een Algemeene (centrale) Predikanten-
Vereeniging, bij de Geldersche Vereeniging ter tafel gebracht, waarbij
het verzoek was gevoegd, in de Vereeniging voor te stellen, eene
Commissie te benoemen, om het Concept-Reglement te onderzoeken,
zich met de Geldersche Commissie in rapport te stellen, en deze met
de mededeeling van hare aanmerkingen te vereeren vóór 1 Maart 1853.
(Zie Verslag van de Zeeuwsche Predikanten-Vereeniging 21 Septem-
ber 1852. Hierbij is ook het Verslag der 14° Vergadering van de
Groningsche Predikanten-Vereeniging te vergelijken, bl. 6, 7.) Wat
het genoemde Concept-Reglement aangaat, het is te vinden
achter het Verslag der Geldersche Predikanten-Vereeniging van
2 Juni 1852. Daar was aan de orde gesteld de vraag: zullen wij
er ons werk van maken, dat een Centrale Vereeniging tot stand
kome uit al de Predikanten-Vereenigingen ? Op het toestemmend
antwoord der vergadering werd een Commissie ad hoc benoemd.
Een en ander was voorafgegaan door de aanbieding en voorlezing
van het genoemde Concept-Reglement, opgesteld door Br. H. V.
Rombouts, den toenmaligen Voorz. dor Geldersche Vereeniging, Pred.
te Eek en Wiel. Het droeg den titel van „Concept-Reglement van
eene Algemeene Pred.-Vereeniging in Nederland," en had 27 Artikelen.
Vgl. hierbij Aanteekening 6.
5.    (Bl. 10.) Ieder begrijpt, dat het hier gezegde in de verte niet
van toepassing is op kleinere vereenigingen of samenkomsten in zeer
beperkten kring, in gewesten waar geen provinciale Predikanten-
Vereeniging meer bestaat. Men denke bijv. aan Noord-Holland,
Zeeland, Gelderland... In eerstgenoemde provincie "heeft men o. a.
de Hoornsche, de AlkmaarschePredikanten-Vereeniging; in Gelderland
weer andere... Welk een eigenaardigen werkkring een classicale
Predikanten-Vereeniging vinden kan in een gewest, waar geen Pro-
vinciale Predikanten-Vereeniging bestaat, blijkt o. a. duidelijk uit de
-ocr page 31-
- 29 -
Redevoering („Voor belangstellende vrienden gedrukt") van A. Maagh
Kniphuisen. De Predikanten-Vereeniging in de classis Hoorn. Herin-
neringen en Mededeelingen bij de Herdenking van haar veertigjarig
Bestaan (1849—1889). Door het lid der Vereeniging... (Snelpers-
druk van P. Geeüts te Hoorn.)
6.    (BI. 11;. Over de Utrechtsche Vergadering van 16 Juni 1853
vindt men uitvoerige berichten in het Verslag der Geldersche Predi-
kanten-Vereeniging van 18 Mei 1853, Bijl. III. Vgl. ook het Verslag
der Groningsche Vereeniging van 27 September 1853, bl. 17, eu
het Verslag der Friesche Predikanten-Vereeniging van 19 Mei 1854
bl. 5 enz. Dat het niet gekomen is tot een Centraal-Comité uit de
Predikanten-Vereenigingen voor de belangen van het Protestantisme,
behoeft geenszins aan onverschilligheid, lauwheid of ijverloosheid toe-
geschreven te worden. Voldoende opheldering vinden wij in het
Verslag der Geldersche Predikanten-Vereeniging van 7 Juni 1854,
waar bl. 5 te lezen staat: „Na eenige discussie... vereenigde zich de
vergadering met het gevoelen, dat na de oprichting van de Evangelische
Maatschappij
geen behoefte bestaat aan een Centraal-Comité. —
Hiermede verdient vergeleken te worden hetgeen voorkomt in het
Verslag der Groningsche Vereeniging van 30 Mei 1854 (bl. 9). Het
gold bier het in een vorige vergadering verworpen voorstel, om een
permanent Centraal-Comité te benoemen... Over dat voorstel werd
nu op nieuw gehandeld, daar er toch „zoodanig rapport tusschen de
verschillende Predikanten -Vereenigingen mede bedoeld werd, als
waardoor velerlei zaken, die voor de gansene vaderlandsche Kerk
van aanbelang kunnen zijn, in meer gemeen overleg kunnen behan-
deld worden." Men eindigde met een primus-lid en een secundus
voor dat Comité te benoemen... en daarmede eindigde men ook,
zoo ik mij niet vergis.
7.    (Bl. 12.) G. H. van Senden. De Hervorming van den tegen-
woordigen Staat der Nederlandsche Hervormde Kerk. Redevoering
door... Met Bijvoegsels. Uitgegeven door de Vereeniging der Her-
vormde Predikanten in Overijssel. Amst. De Wed. R. Stemvers, 1848.
8.    (Bl. 14.) Zeer verdient gekend te worden wat in het Verslag
van de derde Vergadering der Friesche Predikanten-Vereeniging,
-ocr page 32-
- 30 -
31 Augustus 1849, voorkomt, inzonderheid bl. 9 enz., als antwoord
op de vraag naar het wezenlijk doel, dat zich de Predikanten-Ver-
eeniging heeft voor te stellen. Bij de opening van die vergadering
sprak de Voorzitter niet geheel ten onrechte (bl. 8) van de toen be-
staande Zuster-Vereenigingen Groningen, Gelderland, Noord-Brabant,
Overijssel, Utrecht, als die alle uit haren wortel (de Friesche Ver-
eeniging), als frissche en krachtig opwassende loten, ontstaan waren.
9.    (Bl. 15.) Vgl. het Verslag van de derde Vergadering der
Friesche Predikanten-Vereeniging, 31 Augustus 1849, bl. 1 enz. waar
verwezen wordt naar de Syn. Handd. van 1847, bl. 43 enz. Men
leze er van Senden op na in zijn reeds genoemde Redevoering, bl.37.
Een kort bericht vindt men er ook over in Godsd. Weekbl. en Ker-
kelijke Courant, 1847, No. 52.
10.    (Bl. 16.) Vgl. Godsd. Weekbl. en Kerkelijke Courant, 1848,
No. 37. „Door den Ring Rotterdam is aan de onderscheidene Ringen
van Zuid-Holland..." In No. 42 komt het bericht voor aangaande
de vergadering der 17 (lees: 18) Predikanten, 11 October 1848, die
den grondslag legden van de Zuid-Hollandsche Predikanten-Vereeniging.
Van de Ringen, die daar niet vertegenwoordigd waren, vinden wij
er ook de namen genoemd. Het zijn die van \'s Gravenhage, Woer-
den, Middelharnis, Sliedrecht en Brielle. Het bericht eindigt met de
woorden: Wij wenschen zeer, dat zij (n.1. die nu niet vertegenwoor-
digd waren, maar later mede aan de Predikanten-Vereeniging mogen
deelnemen) het zich zoo weinig zullen beklagen, als zij, die heden
hier elkander op deze voorloopige bijeenkomst ontmoet hebben.
11.    (Bl. 16.) Vgl. het bericht in het Godsd. Weekbl. en Ker-
kelijke Courant, 1849, No. 18. „Rotterdam, 17 April. Heden werd
alhier de eerste vergadering gehouden van de Zuid-Hollandsche Pre-
dikanten-Vereeniging... ruim 80, ondanks sneeuwjagt en koude...
Algemeen hield men Rotterdam voor de meest geschikte plaats tot
het houden der vergaderingen..."
12.    (Bl. 20.) De titels zijn:
1° Ra [) port. Onderzoek naar bestaande misbruiken bij de
-ocr page 33-
- 31 -
Diakonie-Administratie in Zuid-Holland. Uitgebr. in de Verg. van
4 Sept. 1849, 16 blz. S. Piccardt.
2e------Voorlichting omtrent de Binnenlandsche Zending. Uitgebr
in de Verg. van 23 April 1850, 16 blz. W. Francken Azn.
3°-----De Bediening des Doops aan kinderen van ouders, die
geen lidmaat zijn. Uitgebr. in de Verg. van 23 April 1850, 20 blz.
W. C. Knottenbelt.
4e------Beantwoording van vragen, betreffende Evangelisten en
Catechiseermeesters. Uitgebr. in de Verg. van 29 April 1851, 10 blz.
W. Francken Azn.
5°-----Het Godsdienstig onderwijs op de Gymnasiün. Uitgebr.
in de Verg. van 29 April 1851, 29 blz. J. Tichler.
ge ----- Onderzoek naar het materieel beginsel der Hervormde
Kerk, als antwoord op de vraag: Is de leer van Gcds Souvereiniteit
en vrije Genade het materieele beginsel van de leer der Hervormde
Kerk? Duldt zij daarnevens andere leerstellingen? Is dit laatste
in haar te prijzen ? Uitgebr. in de Verg. van 16 Sept. 1851, 24 blz.
L. DOEDES.
7°-----Over hetzelfde onderwerp, in dezelfde vergadering, 12 blz.
F. W. B. van Bell.
8e-----Het Godsdienstig onderwijs op de Gymnasiën en in het
algemeen. Uitgebr. in de Verg van 20 April 1852, 15 blz. M. A. G.
Vorstman.
9e-----De Parijsche Bijeenkomst van het Evangelisch Verbond
in Aug. 1855. Uitgebr. in de Verg. van 22 April 1856, 20 blz.
F. J. J. van Goens.
P§f* Van deze Opstellen wordt een Exemplaar bewaard in het Archief
der Zuid-Hollandsche Predikanten-Vereeniging.