-ocr page 1-
.SDj^TSMo.            Yhlflsx \\\\lKj
ÏW
«♦:■>:■:♦;■>:•:
./■/:;♦; ;•: ;♦; .♦.• :♦; •:•: .»; •:•: ■»; ■:♦: •:♦:■:♦: ■>: ■:♦: ■:♦: ■:♦: :♦:•»:■;♦:•:♦:■:♦:■:♦:■:♦; :•: :♦:■:♦:■:♦;•;♦;■;♦;■>; :♦:■;♦: :♦;:
WETENSCHAPPELIJKE
(chemische, bacteriologische, chirurgische en toxicologische)
BERICHTEN
omtrent proeven met
LY80L
het beste
AHTISBPTICUM
en desinfectant, geheel oplosbaar
in WATER en betrekkelijk GIFT VRIJ.
Hoofdagenten voor Nederland en Koloniën,
BISDOM & VAN DEN BERGH
ANTWERPEN.
i N.B. Voor proefnemingen wordt de benoodigde |
>:
             hoeveelheid aan Heeren DOCTOREN op aan- :♦:
vrage GMATIS verstrekt.
i
-ocr page 2-
-
-
:::\'\',i;:!^^nfc^^.-/\'Vi:i.
1 \' \' \'Ó                   \'
.                                            -
-
s
*■
V." • \'. \':
.
_\' -
-
.
.
•
. ■ \' .
■ . ■
i
- -
■ • ■
., ■. ■
•
•
-ocr page 3-
OVER LYSOL
DOOR
Dr. med. VAL. GBRLAOH
Chef der Hygiënische afdeeling van het laboratorium van 8 CHMITT te Wieahailen
UIT HET DUITSCH VERTAALD NAAR EEN OVERDRUK
UIT HET
ZEITSCHRIFT FÜR HYGIËNE
ZEHNTBR BAND
1891
-------------------XWK-------------------
AMSTERDAM. —
L. J. VEEN. — 1892
-ocr page 4-
SNELl\'ERSDRL\'K VAN H. C. A. THIEMK TE NIJMEGEN.
-ocr page 5-
IETS O VEE LYSOL
DOOR
De. Med. VAL. GEELACH.
Chef der hygiënische afdeeliny van het laboratorium van Schmitt te Wieshaden.
Ongeveer twee jaren geleden, ontving ik van mijn chef, den heer
directeur Br. Schmitt, de opdracht om, gemeenschappelijk met den heer
Br. G. A. Raupenstrauch, die de scheikundige grondslagen voor het
hier volgende onderzoek bewerkt heeft en daaromtrent in een ander
opstel het noodige zal mededeelen, het werkzaam bestanddeel van het
creolin vast te stellen. Wij werkten in dier voege, dat ik de door Bau-
penstrauch
uit het creolin geïsoleerde en daarna weder in den vorm
eener emulsie gebrachie teer-oliedeelen één voor één zou beproeven wat
hunne antimycotiscbe werkzaamheid betrof; en zoodoende gelukte het ons.
onafhankelijk van Henlei1), die resultaten verkreeg met de onze over-
eenkomende, aan te toonen, dat aan de*i eenen kant de bestanddeelen
der teerolie van 190 tot 120» (J. verreweg de grootste werkzaamheid
vertoonden, en dat aan den anderen kant. zoowel aan de in het creolin
voorhanden zeep, als ook aan de koolwaterstoffen een deel van de werk-
zaamheid van het onder den naam van creolin bekende geheimmiddel
moet worden toegeschreven. Op de Pyridine waarvan Henle (in een ander
werk) de onwerkzaamheid aantoonde, werd door ons verder geen acht
geslagen.
Tijdens deze onderzoekingen kon ik, in overeenstemming met von
Esmareh
(2), zoowel de groote. werkzaamheid van het creolin als ook
de onbetrouwbaarheid er van, veroorzaakt door de ongelijkheid der praepa-
raten, door de zich in het creolin vormende afzetsels en door de onbe-
(\') ArchiT für Hygiëne. Bil. IX S. 188.
( = ) Centfiilblatt für Bacteriologie, Bil. II. S. 295. 329.
-ocr page 6-
4
stendigheid der emulsies, constateeren: zóó zelfs, dat het creolin uit
ééne flesch geheel andere eigenschappen vertoont dan dat uit andere fles-
schen afkomstig. Ik teeken hierbij aan, dat ik voor al mijne desbetref-
fende onderzoekingen slechts creolin van Pearson in de oorspronkelijke
verpakking bezigde, en geheel buiten beschouwing liet het door Artmann in
den handel gebrachte praeparaat, waarvan bovendien Henle (ter aangehaal-
der plaatse) zegt: „ dat de desinfecteerende kracht van het creolin van
Artmann hoogst gering is ; zóó gering, dat men met een goed geweten,
dit praeparaat in \'t geheel niet tot de desinfecteerende middelen rekenen mag.
De ongelijkmatigheid van het Pearsow\'sche creolin nu, kan wat het wezen
der zaak betreft, in twee voorname punten gevonden worden : vooreerst
met betrekking tot de als eerste materiaal gebezigde teeroliën, die,
volgens het beweren der firma die ze in den handel brengt, uit eene
bijzondere soort van steenkool getrokken worden, en, ten tweede, wat
betreft de fijnheid der emulsie. Terwijl het creolin van Pearson van het
product van Artmann zich onderscheidt door eene in \'t algemeen fijnere
verdeelbaarheid in water, heeft eene reeks van proeven mij getoond, dat
de grootte der droppels bij de emulsies met Pearson\'sche creolin van
verschillende herkomst geenszins constant is, zóó dat er zelfs verschillen
van ongeveer 1 : 3 aan \'t licht komen — een feit, dat voor de werk-
zaamheid eener emulsie zonder eenigen twijfel van beteekenis is, daar
toch, zooals Henle (t. a. p.) uitdrukkelijk aangeeft, het reeds op theo-
retische gronden zeer waarschijnlijk is, dat de werking in zooveel grootere
mate plaats heeft, als de verdeeling van het desbetreffende middel fijner
is. In overeenstemming met het voorafgaande, wijst Behring {l) er opr
dat de emulsies van het creolin van Pearson na eenigen tijd iets van
hare werkzaamheid verliezen.
De ongelijkmatigheid van het creolin van Pearson, ook in scheikundig
opzicht, blijkt uit eene reeks van geschriften van verscheidene schrijvers.
In \'t bijzonder preciseert Liehreieh (2) met volle recht dezen eisch in
dezer voege : „Zal het als creolin in den handel gebrachte mengsel tot
het gebruik in de geneeskunde toegelaten worden, dan moet, vóór alle
dingen, het praeparaat allereerst scherper, zoowel physisch als chemisch,
gekenmerkt zijn". — Waar onlangs Zielmicz (3) beweerde, dat door
Henle\'s arbeid aan het creolin het verwerpelijke van een geheimmiddel
ontnomen is geworden, zoo komt zulks mij toch volkomen onjuist voor.
Henle heeft slechts aangetoond op welke wijze men ook in staat is
teeroliën te emulgeeren. Of de fabrikanten van het creolin werkelijk dien
weg inslaan, is van dien kant niet toegegeven geworden, terwijl het
(\') Zeitschrift für Hygiëne, 1890. S. 419.
(2) Therapeutische Monatshefte, I. S. 442.
(•) Ibidem, IV. S. 182.
-ocr page 7-
5
beweren van Pearson & Co., dat tot het bereiden van creolin eene
„bijzondere soort van steenkolen wordt gebezigd", onweersproken blijft
bestaan. Terwijl ik zelf, ten tijde waarin onderzoekingen en ervaring
betreffende de natuur van het creolin nog weinige waren, geneigd scheen
aan dat beweren geloof te hechten (\'), ontbrak het toch toen reeds niet
aan stemmen, welke de meening van Biel toegedaan waren (2), dat „de
bewering dat het creolin het product zou zijn van droge destillatie van
steenkolen, en teel van eene zeer bijzondere soort van Engelsche holen,
zooals vanzelf spreekt Humbug is". Met eenig recht kan als veront-
schuldiging voor de ontbrekende vastheid van samenstelling van het
creolin worden aangevoerd, dat het onmogelijk is een praeparaat in
scheikundigen sin
volkomen gelijkmatig te fabriceeren, wanneer dat prae-
paraat afkomstig is van een materiaal dat door een zoo groot aantal
heterogene lichamen gevormd wordt, als zulks bij de zoogenaamde teer-
oliën het geval is. Met het oog echter op het einddoel van dergelijke
praeparaten, is het ook niet noodig dezen eisch in den strengsten zin
te stellen. We weten — \'t geen ook door Friinhel (3) wordt bevestigd —
dat juist die teeroliedeelen de grootste antimycotische werkzaamheid
bezitten, die op eene temperatuur van ongeveer 185 tot 205» C. over-
destilleeren, dus eigenlijk alleen de kresolen. Op deze stoffen moet dus
bij de beproeving van het grondmateriaal, de aandacht meer bepaaldelijk
gevestigd worden, als men op het oog heeft een constant praeparaat te
bereiden ; en, bij de reusachtige hoeveelheid waarin de teeroliën te beko-
men zijn, gelukt het zonder moeite zulke praeparaten te bereiden als
aan dezen eisch voldoen.
Waren de hierboven bedoelde, met Pearson\'s creolin verkregen en
onderling verschillende resultaten (waaromtrent hieronder meer zal wor-
den medegedeeld) ook al niet geschikt om het gebruik er van in de
practijk te rechtvaardigen, zoo baande zich desniettegenstaande het creolin
toch een weg, in aanmerking genomen de groote desinfecteerende eigen-
schappen, welke aan de goed uitgevallen praeparaten niet ontzegd kunnen
worden. Beschouwt men het grondmateriaal van het creolin, de teer-
oliën met haar volkomen of bijna volkomen onoplosbaarheid in water,
dan is het aan geen twijfel onderhevig dat het principe der creolinbe-
reiding als een groote stap voorwaarts in het gebruik dezer stoffen
moet worden beschouwd; een voordeel dat in de fijnere verdeelbaarheid
der teeroliën in water gelegen is. De, zooals bekend is, volmaakt
ondoorzichtige emulsie is echter — daargelaten nog de onbetrouwbaarheid
van het creolin op andere gronden — voor vele practische doeleinden
(\') Zeitschrift für angewandte Chemie, I. S. 72.
(2) Chemiker Zeitung, 1887. S. 1583.
(a) Dit tijdschrift, Bd. VI.
-ocr page 8-
6
absoluut ongeschikt. Scheen het ook tamelijk ver buiten het bereik der
mogelijkheid, de teeroliën als zoodanig ooit in een vorm te kunnen berei-
den waarin zij in water oplosbaar zouden zijn, toch bleek het in het
verloop der, en in aansluiting met de onderzoekingen in hoofde dezer
vermeld en ook uit andere, dat het, bij het bezigen eener bepaalde
methode, zeer goed gelukt de teeroliën enkel of in een mengsel in een
vorm over te brengen, waarvan de voornaamste eigenschap de volkomen
oplosbaarheid in water is.
Over zulke praeparaten nu, dus over in water oplosbaar gemaakte
teeroliën, die onder den naam van „lysol" in den handel gebracht wor-
den, handelen de volgende onderzoekingen. Door bijzondere omstandig-
heden was de publicatie daarvan niet vroeger mogelijk.
Uit den aard der zaak moeten alle bacteriologische onderzoekingen
over nieuwe desinfecteermiddelen vergelijkend zijn, in zoo ver als voor
ieder geval, iedere methode, iedere soort van splijtzwam, parallel-onder-
zoekingen met andere bekende desinfecteermiddelen behooren te worden
gedaan. En dit is niet alles. Von Esmarch (l) heeft aangetoond, dat
eene reeks van opvallend elkander tegensprekende ervaringen van ver-
schillende schrijvers betreflende het clooden van miltvuursporen, haar
grond vinden in de omstandigheid dat niet alle soorten van milt-
vuursporen gelijken weerstand bieden, en dat hierbij vooral raseigenaar-
digheden in \'t spel komen. Ditzelfde geldt volgens mijne ervaring
ook voor eene reeks van andere splijtzwamsoorten, met name ook, zooals
ik hieronder zal aantoonen, voor den in \'t algemeen gemakkelijk te dooden
staphylococcus pyogenes aureus. Daarom heb ik, bij het beproeven van
desinfecteermiddelen, slechts vergelijkingen gemaakt tusschen proeven
met culturen van gelijke herkomst, die eene nauwkeurig gelijke behan-
deling hadden ondergaan, en daarom ook heb ik streng vermeden mijne
resultaten in absolute getallen tegenover die van andere schrijvers te
stellen.
Ongelukkig is het nog geen algemeen geldend gebruik geworden, opga-
ven te doen betreffende de levensvatbaarheid der behandelde miltvuur-
sporen, zooals toch zou moeten volgen uit het door von Esmarch
gevonden feit. Waar Béhring (*) zegt, dat Nocht bevonden heeft dat
oplossingen van 5 procent ruw carbolzuur mee zeep bij kamertemperatuur,
zelfs bij een inwerken van twee maanden nog niet in staat zijn miltvuur-
sporen te dooden, dan mis ik hierbij juist de noodige opgave omtrent
het weerstandsvermogen der sporen, en mag dus de aangehaalde bewe-
ring wel in zóó ver beperken, dat het aan Nocht niet gelukte de bij
zijne proeven gebeziyde
miltvuursporen te dooden. Is het echter te doen
(\'i Dit Tijdschrift, Bd. V. S. 67.
{\') Dit Tijdschrift. 1890. S. 448.
-ocr page 9-
7
om vergelijkende onderzoekingen over de desinfecteerende kracht van
carbolzuur of wel van kresoloplossingen tegenover miltvuursporen, dan
behoeft men slechts sporen te bezigen, die door eene 5 procent carbolop-
lossing na een zekeren tijd, caeteris paribus, nog niet gedood zijn.
Wordt nu dit doel door een ander middel (b.v. door kresoloplossingen)
bereikt, dan moet aan dit laatste zonder twijfel de voorrang worden toe-
gekend. In dezen zin moet de volgende tabel worden beschouwd, welke
betrekking heeft op miltvuursporen, die in een 5 procent carboloplossing
na 15 dagen nog niet gedood waren.
TABEL I.
Miltvuursporen.
TIJD VAX
INWERKING.
RESULTAAT
DESINFECTEEMHDDEL.
OP GELATINE.
OI> KONIJNEN.
Lysol 2—5o/0.
1 uur.
3 ,
6 ,
12 uren.
18 »
24 ,
groei verminderd,
op 2 plaatsen groei,
geen groei.
n ff
dood na 75 uren.
72
, , 80 ,
, , 7(3 ,
blijft in \'t leven.
In tabel I van hun werk komen Remouchamps en Suyg (*) tot het
opvallend resultaat, dat miltvuursporen door eene creolinemulsie van 5
procent reeds na twee dagen gedood waren, terwijl het lysol dit doel
in de verte niet bereikte. Dit feit is des te meer opvallend, omdat bij
eene andere hunner proeven (tabel II) — die van de eerste slechts
daardoor verschilde, dat de desinfecteerende oplossingen in horlogeglazen,
en niet in het reageerglas op dezelfde sporen inwerkten — het lysol
zoowel het carbolzuur als het creolin in werking overtrof. Waarom echter
dit laatste resultaat door de schrijvers als „de valeur secondaire" wordt
aangemerkt, is mij overigens niet duidelijk.
Aangaande de wijze waarop de proeven, waaruit de aangehaalde tabel
I van Remouchamps en Suyg ontstaan is, hebben plaats gehad, zoo
schijnt mij die niet boven bedenking verheven. De draden der sporen
werden nl. aan kleine glazen haakjes of platinadraadjes bevestigd in een
reageerbuis vol desinfecteerend vocht gebracht, na bepaalde tijdstippen
er weder uit genomen, en nu aan dezelfde haakjes in glazen met geste-
riliseerd water opgehangen. Na verloop van een half uur, meenden de
schrijvers dat de draden voldoende uitgewasschen waren om tot het
\') L\'acide phénique, la créoline et Ie lysol. Mouvement hygiinique. Brugcs 1890.
-ocr page 10-
8
enten in bouillon te kunnen worden gebezigd — en hierin schijnt mij de
fout te zijn gelegen, wat ik besluit uit de volgende feiten: Ik heb nl.
ongeveer 1 c.M. lange zijden draadjes, aan platinadraden bevestigd, in
eene 5 procent creolin-emulsie, in eene 5 procent carbolzuuroplossing,
en in eene 5 procent lysoloplossing gelegd, en ze, na een verblijf van
een uur, ieder in ongeveer 400 cc.M. water opgehangen. Na verloop van
wederom een uur nam ik de draden uit het water. Aan den met lysol-
oplossing behandelden draad was nu geen lysolreuk meer te bespeuren,
daarentegen rook de creolindraad evenals het waschwater intensief naar
creolin, en ook de carbolzuurdraad rook duidelijk. Dit bewijst dat van
de drie beproefde stoffen, slechts de lysoldraad door de door Eemouchamps
en Swj(j aangewende methode van „uitspoelen", van het daaraan klevend
antisepticum bevrijd werd, terwijl de met creolin en de met carbolzuur
gedrenkte draden nog iets van het middel bevatten. Dit is trouwens
zeer begrijpelijk, als men in aanmerking neemt, dat lysol in iedere
verhouding in water oplosbaar is, terwijl de oplosbaarheid van carbolzuur
beperkt, en die van het creolin bijna gelijk nul is.
Retnonchamps en Sugg brachten dus met de creolindraden die ze entten,
tevens eene hoeveelheid van het desinfecteermiddel in den voedingsbodem.
En ik heb reeds lang geleden waargenomen, dat zulk eene hoeveelheid
voldoende is om in den desbetreffenden voedingsbodem de ontwikkeling van
eventueel voorhanden kiemen te onderdrukken. En zoo is er mijns bedunkens,
in tabel I van het aangehaalde werk, wat het carbolzuur en het
creolin betreft, minder sprake van het dooden der sporen, dan wel van
het tegengaan van het ontwikkelingsproces door het in de draden ach-
tergebleven, niet uitgewasschen desinfecteermiddel. Het feit, dat eene
muis, die met een creolindraad was ingeënt in leven bleef, is met die
meening niet in strijd. — Ik heb bij mijne onderzoekingen omtrent
creolin, de betrokken miltvuurspoordraden uit het desinfecteermiddel in
alcohol gebracht, die het creolin goed oplost. Maar ook hierbij is het
mij eenige malen voorgekomen, dat ik den in de gelatine uitblijvenden
groei op rekening van onvoldoend uitwasschen stellen moest, wat mij
door latere inenting met levensvatbare culturen bewezen werd.
Door inenting met sporendraden welke niet aan den invloed van het
desinfecteermiddel waren blootgesteld geweest, stierven de dieren na
ongeveer 40 a 50 uren.
Zal de desinfecteerende werking van eenig middel voldoende zich
uiten, dan behoort als het gewichtigst uitwendig moment, zooals bekend is,
dat middel in innige aanraking met de te desinfecteeren stof te zijn. Is nu
dit desinfecteermiddel een zoodanig, dat het, na met water verdund te
zijn, bestemd is om in vloeibaren vorm te worden aangewend, dan behoort,
zooals vanzelf spreekt, eene zoo fijn mogelijke verdeelbaarheid in water
tot de eischen om succes te verkrijgen.
-ocr page 11-
9
Giet men teeroliën in een vat met water, dan ziet men de zware
deelen er van dadelijk in dikke droppels naar den bodem zakken, terwijl
een ander gedeelte op de oppervlakte van het water drijvend, daarop
eene dunne laag vormt. Werkelijk opgelost, worden in water slechts
sporen. Hetzelfde geschiedt als men teeroliën in kanaalvloeistof, den
inhoud van privaten, enz. giet; van eenige desinfecteerende werking op
deze mengsels kan in \'t geheel geen sprake zijn, daar toch eene slechts
. eenigermate innige aanraking tusschen het desinfecteermiddel en de te
desinfecteeren massa ontbreekt. Dit nu geschiedt in al die gevallen,
waarin men meent door ruw carbolzuur eenig gevolg te zullen verkrijgen —
een gevolg, dat, zooals men zich door bacteriologisch onderzoek gemak-
kelijk overtuigen kan, geheel uitblijft; als men het ten minste niet als
een succes wil beschouwen, dat latrineninhoud enz. nu bovendien ook
nog naar teeroliën rieken.
Het is de verdienste van de firma Pearson & Co., de wetenschappe-
lijke, zoowel als de meer algemeene kringen opmerkzaam te hebben
gemaakt op het onder den naam van creolin bekende praeparaat — een
praeparaat, dat lang voor de invoering er van door de genoemde firma, in
Duitschland het eerst werd samengesteld, doch een omweg over Enge-
land moest nemen, om bij ons (in Duitschland) waardeering te vinden.
De verdeeling der teeroliën in de troebele creolin-water-emulsie is
eene zeer fijne, vergeleken met ongepraepareerde, eenvoudig in water
gegoten teeroliën. Daar het nu echter zelfs gelukt is, deze teeroliën in
een in water volkomen oplosbaren vorm te brengen, zoo is de boven
aangehaalde uitspraak: dat n.1. eene fijnere verdeeling reeds a priori
eene grootere werkzaamheid mag doen verwachten, hier in nog veel
grootere mate geldig. Dat dus in water opgeloste teeroliën in beduidend
hoogeren graad moeten werkzaam zijn, dan zulke die slechts in den
vorm van kleine droppeltjes in het water zwevende worden gehouden:
met andere woorden, dat het lysol het creolin in bacteriëndoodende
kracht moet overtreffen, is niet alleen theoretisch aan geen twijfel onder-
hevig, maar ook — wat van veel meer gewicht is — door practische
proeven bewezen. Hieronder zal nog worden gesproken over de overige
voordeelen welke de heldere, doorzichtige lysolwateroplossing boven de
absoluut ondoorzichtige creolinwateremulsie aanbiedt.
De bereiding van het lysol geschiedt langs den, door het Duitsche
rijkspatent no. 52.129 van 8 Mei 1889 beschermden weg, die daarin
bestaat dat de bestanddeelen welke de teeroliën vormen, alleen of in
mengsel, in dit geval na eene zeer bepaalde keuze, met zeep in statu
nascendi samengebracht worden. Tot deze uitgezochte bestanddeelen
behooren de kresolen, welke door onze zorgvuldige onderzoekingen als
de in antimycotischen zin het meest werkzaam erkend zijn geworden.
Volgens de omschrijving van het patent, heeft men het geheel en al
-ocr page 12-
10
in de hand om, zonder eenigen den minsten invloed op de oplosbaarheid,
het gehalte van het praeparaat aan hoogere phenolen (kresolen) te ver-
meerderen of te verminderen. Reeds daarom is men in staat, ook in
het groot een altijd gelijkmatig praeparaat te fabriceeren, vooral wan-
neer men, bij eene eens voor altijd vastgestelde methode, een bepaald
goed gekarakteriseerd grondmateriaal bezigt. In het onderhavige geval
waarborgen ons eenerzij ds de betrouwbaarheid der fabrieken welke de
teeroliën fabriceeren, en andererzijds de door de lysolfabriek in Hamburg .
genomen controlemaatregelen. Zooals uit de prospectussen der firma
blijkt, geeft zij nog een verderen, en wel den best mogelijken waarborg
hierdoor, dat zij het door haar in den handel gebrachte lysol, zoowel
als de vervaardiging er van gesteld heeft onder de doorloopende controle
van den chef der chemische afdeeling der technische hoogeschool te
Karlsruhe, den heer geheim-hofraad professor Dr. Engler, wijders van
den directeur van het bureau van onderzoek en van het scheikundig
proefstation te Wiesbaden, den heer Dr. Schmitt, en eindelijk, ten einde ook
te kunnen instaan voor de gelijkmatige bacteriologische werkzaamheid
der praeparaten, van den directeur van het hygiënisch instituut aan de
universiteit te Freiburg in Baden, den heer professor Dr. Schottelius.
Ik vermeldde reeds vroeger in overeenstemming met Hcnle, dat in
creolin ook wel de zeepen en koolwaterstoffen, maar toch in veel hoogere
mate de kresolen deel namen aan de werkzaamheid van het praeparaat.
Dit wordt ook door Franlcel erkend in zijn arbeid over de desinfecteerende
eigenschappen der kresolen (t. a. p.), waar hij in \'t bijzonder aantoont dat,
van de drie isormere kresolen, het m-kresol de grootste werkzaam-
heid vertoont, doch dat ook de beide andere kresolen in bactericiden
zin zeer werkzaam zijn. Daar nu de kookpunten der drie kresolen tus-
schen 185 en 205° C. liggen, is het zonder twijfel mogelijk, juist deze
meest werkzame lichamen in de teeroliën in eene bepaalde hoeveelheid
aan te toonen, en dus ook zulke ruwe producten uit te zoeken voor het
vervaardigen van lysol, die de kresolen in bepaalde hoeveelheid bevat-
ten. Daar nu de kresolen in zuiveren toestand zeer duur zijn, waardoor
het algemeen gebruik er van in hooge mate wordt belemmerd, bezigde
C. Franlcel een ruw product, ontvangen van de firma Kahlbaum, dat
hij met gelijke deelen zwavelzuur vermengde. Deze mengsels geven met
water troebele, geelachtige emulsies met buitengewoon sterk desinfec-
teerende eigenschappen, die gedeeltelijk op de werkelijk opgeloste hoe-
veelheden van kresolen berusten, terwijl anderdeels ook de geëmul-
geerde kresolen de werkzaamheid van het mengsel zonder twijfel onder-
steunen. Aansluitend aan de onderzoekingen van Laplace (*) omtrent de
in vergelijking met het phenol grootere werking der phenolsulfozuren,
]) Deutsche medicinische Wochenschrift. 1888. no. 7.
-ocr page 13-
11
die, ook als aseptol in den handel voorkomend, door Hueppe (x) werden
beproefd, meende Frankd aan het vermoeden toe te mogen geven, dat
ook de kresolen niet zelve, maar misschien gevormde kresolsulfozuren
de door hem gevonden belangrijke werkzaamheid ontvouwden, een ver-
moeden dat hij onjuist bevond te zijn, daar het gelukte aan te toonen,
dat in de kresol-zwavelzuurmengsels, het zwavelzuur zich in volkomen
vrijen staat, dus niet aan kresol gebonden, bevond, \'t geen Frankd tot
de slotsom voert, dat de kresolen door vermengen met zwavelzuur
slechts ,opgesloten", d. i. in den zin eener fijne verdeeibaarheid of oplos-
baarheid, in water zijn gebracht. Oplosbaar in water wordt echter het
volgens Frankd bereide ruwe kresolzwavelzuur-mengsel niet.
De sterk zure eigenschap van het .FWm7.;e?sche mengsel van ruwe
kresol en zwavelzuur is in vele gevallen een hindernis voor het alge-
meen gebruik er van in de praktijk. Voor wondbehandeling enz. is het
natuurlijk in \'t geheel niet bruikbaar, maar ook voor het afwasschen
van kamervloeren, meubels enz. kan het geen ingang vinden, zoodat
slechts de desinfectie van privaten, beerputten en kanalen over zou blij-
ven, ware het niet, dat de alcalische inhoud dezer verzamelplaatsen de
desinfecteerende werking in den weg stond: de zure reactie van het
kresolzuurmengsel wordt n.1. daardoor, indien men ten minste geen
groote massa\'s er van bezigt, verzwakt, en de kresolen kunnen dan niet
in oplosbaren of emulgeerbaren toestand voorhanden blijven, maar ont-
mengen zich en verliezen zoodoende een groot deel hunner werkzaamheid.
Het practisch bezwaar hier vermeld tegen het Frankelsche kresol-
zwavelzuurmengsel verzwakt echter geenszins de op zich zelve gewich-
tige waarneming van den genoemden schrijver.
De onderzoekingen en resultaten van Frankel: — vrije kresolen zijn
het werkzaam principe! — kunnen nu zonder meer op het lysol toe-
gepast worden, mits in het lysol de kresolen niet aan alkali gebonden,
doch ook slechts „opgesloten" in een in water oplosbaren toestand
gebracht zijn. Dit bewijs heeft o. a. ook geheimraad Engler te Karls-
ruhe (-) geleverd, uitgaande van de veronderstelling dat de tot het berei-
den van lysol gebezigde hoeveelheid bijtende potasch juist voldoende
is om de desbetreffende vette olie te verzeepen. Maar ook uit het lysol
zelf kon Engler door een eenvoudig destillatieproces de opgeloste licha-
men weder terug verkrijgen.
Na het bovenstaande is het — zóó is de slotsom waartoe Engler
(\'i Berliner klinische Wochenschrift. 1886 No. 37. S. 609.
(*) Pharmaceutische Centralhalle. 1890 no. 31.
-ocr page 14-
12
komt — aan geen twijfel onderhevig dat in het lysol de teeroliën, d. z.
de hoogere phenolen (kresolen) zich in vrijen toestand bevinden, waarbij
mag worden vermeld dat het lysol geen carbolzuur, doch slechts hoogere
homologen daarvan bevat.
Met vorenstaande theoretische beschouwingen, stemmen de door Schot-
trtius
(*) onafhankelijk van de mijne ingestelde bacteriologische onder-
zoekingen volkomen overeen. Schottelius grondt zijn vergelijkenden arbeid
op drie factoren, welke in \'t algemeen den maatstaf aangeven voor de
bestemming der desinfecteerende kracht van eenige stof, en welker wis-
selwerking, bij eene vergelijking tusschen verschillende desinfecteermid-
delen onderling, niet uit het oog mag worden verloren. Deze factoren
zijn: 1. de graad van concentratie, resp. de hoeveelheid van het in
onderzoek zijnde desinfecteermiddel en de wijze van verdeeling er van;
2. de inwerkingstijd er van en 3, de soort van bacteriën en hare
ontwikkelingsvormen, waarop het desinfecteermiddel bestemd is in te
werken. Aangaande den eersten dezer 3 factoren, kan met Schottelius als
vastgesteld beschouwd worden, dat eene oplossing, als de fijnste ver-
deeling, de gunstigste voorwaarden voor de inwerking van desinfecteer-
middelen op vloeibare of vaste materialen aanbiedt; en aan die voorwaarde
juist voldoet het lysol, daar het in verschillende graden van concentratie
voortdurend opgelost blijft. Wat het tweede punt betreft, tracht ScJwt-
telius
den graad van concentratie te bepalen, waardoor eene onmiddellijke
vernietiging der levensvatbare sporen en van de duurzame vormen daar-
van verkregen wordt, en verder tracht hij de kleinste hoeveelheid te
leeren kennen, die in een tijdsverloop met practische behoeften overeen-
komend, in staat is de bacteriën te dooden. Als tijdsverloop voor die
behoefte voldoende, werden 20 minuten aangenomen. Sciiottelius sloeg bij
zijne onderzoekingen een weg in waarvan de moeite rijkelijk beloond
wordt door de alle tegenspraak trotseerende nauwkeurigheid der resultaten.
Hij gaat uit van bouillonculturen waarin reeds sedert meerdere maanden
geen wasdom meer is aan te toonen, en waarvan hij mag aannemen, dat
ze de bekende of onbekende duurzame vormen van de onder observatie
zijnde bacteriesoort bevatten. Uit zulke culturen dus werd op versche
bouillon geënt, en laatstgenoemde, nadat krachtige groei daarin was inge-
treden, met de oorspronkelijke cultuur vermengd, zoodat daaruit een
cultuur ontstond, die de desbetreffende soort van splijtzwam in alle ont-
wikkelingsvormen bevatte.
Van zulke culturen kwamen telkens 10 droppels op eene kookflesch
met 20^™». bouillon. Bij den inhoud dezer kookflesschen werd daarna het
desbetreffende desinfecteermiddel in verschillende graden van concentratie,
ter hoeveelheid van 5ccm. gevoegd; daarna werd de werkzaamheid van
(\') Münchener medicinische Wochenschrift. 1890. no. 20.
-ocr page 15-
13
het desinfecteermiddel met behulp van gelatineplaten — zoogenoemde
verkorte methoden werden niet gebezigd — na een bepaalden tijd be-
proefd, door lccm. der bouilloncultuur in 10ccm. gelatine te brengen, van
dit mengsel lccm. weder in 10c\'cm. gelatine, van dit laatste 1/2ccm. in
een derde buisje met 10ccm. gelatine, en daarvan wederom 1/4ccm. ineen
vierde buisje. De verhouding van het aantal splijtzwammen in het vierde buisje
tot dat in het eerste was als 1 op 8000. Deze methode toont dus de
vermindering in wasdom in cijfers aan. Naast het lysol werd gelijktijdig
en nauwkeurig op dezelfde wijze, het officineele carbolzuur en het creolin
beproefd. De door Schottelius verkregen resultaten, die in \'t algemeen met
de door mij verkregene overeenkomen, maken het zonder twijfel tot eene
zekerheid, dat het lysol een uiterst werkzaam desinfecteermiddel is en
in antimycotische kracht zoowel het carbolzuur der pharmacopoë, als ook
het creolin overtreft. Ten bewijze daarvan mogen de volgende, door
Schottelius (t. a. p.) medegedeelde tabellen dienen.
TABEL II.
Desinfecteerende werking op : cultuur 10 droppels, bouillon: 22ccm,
desinfecteermiddel: 3ccm 1 procent (komt overeen met 0,12 gram op 100mn).
Nr.
NAAM.
CARBOLZUURPL :
1 : 1 : V. = \'/«
CREOLINPL :
1:1:»/,: lU
LYSOLPL:
1:1:\'/.: \'/,
CONTROLE.
1:1:\'/,: V.
AANTAL I)KR KOLONIËN.
OP PLT. IV.
IN DEN CCM.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Staphyl. pyog.
aureus.
roos.
typhus.
varkensdysen-
terie.
kippencholera.
miltvuurba-
cillen.
als op de coutrö-
leplaat.
eveneens.
eveneens.
eveneens.
eveneens,
eveneens.
beperkte groei.
eveneens,
als op de contrö-
leplaat.
beperkte groei.
zwak gegroeid.
zeer zwak ge-
groeid.
geheel vrij.
evenzoo.
beperkte groei
geheel vrij.
evenzoo.
evenzoo.
680
350
380
185
560
240
5,440,000.
2,800,000.
3,040,000.
1,480,000.
4,480,000.
1,920,000.
Behalve die van de typhuscultuur dus, waarvoor een concentratiegraad
van 0,12 procent lysol niet voldoende is tot vernietiging doch wel tot
vermindering van wasdom, was het lysol in staat de overige vijf beproefde
splijtzwamsoorten te vernietigen. Aan het creolin gelukte zulks in geen
enkel geval, en het carbolzuur had niet eens eene vermindering van groei
teweeggebracht. Daarentegen toonde het lysol zich in staat, in eene
concentratie van 0,3 procent, alle twaalf in eene andere tabel opgegeven
pathogene splijtzwamsoorten met zekerheid te dooden; terwijl het creolin
in dezelfde concentratie in acht gevallen in den steek liet, en wel strep-
tococcus pyogenes, erysipelas, den bac. pyocyaneus, pneumonie (Fried-
-ocr page 16-
14
hinder), typhus, miltvuurbacillen, kippencholera en wildziekte niet kon
dooden. Wat het earbolzuur betreft, dit toonde zich bij de parallel-
proeven, werkeloos.
Bij de tenuitvoerbrenging van het hierboven uitgesproken vermoeden,
dat n.1. raseigenaardigheden niet alleen bij het dooden van miltvuur-
sporen zich voordoen (von Esmarch t. a. p.), maar dat analoge verliou-
dingen ook bij andere splijtzwamsoorten gevonden worden, vermocht ik
dit ten opzichte eener betrekkelijk weinig weerstandsvermogen bezittende
bacteriesoort, den Staphyl. pyog. aureas, uit te maken. Eene der be-
proefde culturen was afkomstig uit een furunkel op de borst, de andere
uit een geval van multiple, acute osteomyelitis, mij door den heer Dr.
Stricher
in het ziekenhuis te Biebrich-Mosbach, welwillend voor een
bacteriologisch onderzoek afgestaan. Beide reeksen van culturen waren
omtrent denzelfden tijd gewonnen en onder nauwkeurig dezelfde invloeden
(voedingsbodem, temperatuur) gehouden geworden. Ik moet hier nog het
feit vermelden, dat ik in het geval van acute osteomyelitis, bloed uit
een vingertop der patiënte, drie dagen voor haar dood, nam, en in iedere
der drie gemaakte inentingen (agar-agar) den Staphyl. pyog. aureus, den
Staphyl. pyog. citreus en den Staphyl. pyog. albus vond, — zeker het
beste bewijs voor de door Kraslx volgehouden meening omtrent het
niet specifieke wezen der osteomyelitis acuta (x).
Terwijl nu de uit den furunkel afkomstige staphylococcen na 5 minuten
door eene 0.25 procent lysoloplossing gedood waren, vertoonde de door
de plaatmethode uit de bloedculturen van osteomyelitis geïsoleerde
staphylococcus pyog. aureus het volgende:
TABEL III.
Staphylococcus pyogenes aureus uit bloed van osteomyelitis acuta.
C\'oncentratiegraad
Duur der
Creolin
Lysol.
v/hdesdnfecteermiddel.
inwerking.
(Pearson).
0,25 procent
• 2 minuten
als de controle
groei verminderd
5 „
groei weinig verminderd
enkele koloniën
0.3 procent
2 „
als de controle
groei verminderd
5 ,
groei verminderd
enkele koloniën
15 ,
enkele koloniën
geen groei.
Dit resultaat, verkregen door de door von Esmarch (2) gebezigde, en
(\') Verhandlungen der deutsehen Gesellschaft für Chirurgie. Bd. XV. S. 243.
(\') loco citato.
-ocr page 17-
15
daarvan slechts door het invoeren der plaatmethode verschillende
handelwijze, heeft het bewijs geleverd, dat niet alle staphylococcen
hetzelfde weerstandsvermogen bezitten. Eigenlijk behoorde voor deze bacte-
riesoort even goed eene weerstands-schaal te worden ingevoerd, als zulks
door Frankel voor de miltvuursporen gedaan is; wanneer men er ten
minste niet de voorkeur aan geeft — wat ik beter acht — om ter ver-
gelijking telkens parallelproeven met reeds bekende desinfecteermiddelen
in te stellen, telkens wanneer er sprake is van de werkzaamheid van
eenig nieuw middel.
Ook in deze proevenreeks dus, toonde het lysol ten duidelijkste zijne
meerderheid boven het creolin.
                 ,
Daar mijne bacteriologische proeven in alle opzichten door den uit-
voerigen vergelijkenden arbeid van Schottelius werden bevestigd, kan ik
hier nalaten mijne resultaten van splijtzwamculturen en détail mede te
deelen, en mij bepalen tot het mededeelen mijner vergelijkende onder-
zoekingen omtrent de desinfecteerende werking van het lysol, in zoo
verre die betrekking hebben op proeven in \'t groot, en met splijtzwam-
men die niet in reinculturen voorkwamen.
Nadat von Esmarch (t. a. p.) had vastgesteld, dat in rottende vloei-
stoffen, de werking van het creolin belangrijk achterstaat bij die van
het carbolzuur, vond ik het noodig het lysol ook in dit opzicht met
het creolin te vergelijken. Van eene rottende vloeistof, bereid uit vleesch,
fseces, urine, water, enz. werden bepaalde hoeveelheden in Eiicnmeyer\'\'sche
kolfjes gedaan, door watten gefiltreerd en daarna bij ieder gelijke hoe-
veelheden van elk der desinfecteermiddelen in eene bepaalde concentratie
gevoegd. De gezamenlijke inhoud der kolfjes had nu, wat het desinfec-
teermiddel betreft, de halve concentratie van de bijgevoegde oplossing
van het desinfecteermiddel. Ieder buisje werd eenmaal omgeschud ; na
bepaalde tijdstippen werd met dezelfde platinöse telkens eene oese in
voedingsgelatine geënt en de laatste op de plaat uitgegoten.
TABEL IV.
Proeven met rottende vloeistof.
Desinfecteermiddel
Duur der
inwerking.
Resultaat.
Creolin 0.5 procent
30 minuten
1 unr
6 uren
24 „
144 „
groei als op de controleplaat
idem
idem
idem
idem
-ocr page 18-
16
Lysol 0.5 procent
30 minuten
1 uur
G uren
24 ,
144 .
groei nauwelijks verminderd
belangrijke vermindering in groei
circa 120 koloniën
. 30 .
. 40 ,
Creolin 1 procent
Lysol 1 procent
30 minuten
1 uur
G uren
24 ,
144 , \'
30 minuten
1 uur
G uren
24 ,
144 ,
als op de contröleplaat
idem
circa 800 koloniën
. 800 ,
. 3800
groei verminderd
belangrijke vermindering van groei
circa 60 koloniën
. 60 ,
, 60
Creolin 1.5 procent
Lysol 1.5 procent
30 minuten
l uur
G uren
24 „
144 ,
30 minuten
1 uur
G uren
24 ,
144 „
als op de contröleplaat
idem
circa 1000 koloniën
. 800 „
■ 2G00 ,
zeer belangrijke vermindering van groei
circa 400 koloniën
5 ,
n
n
Creolin 5 procent
Lysol 5 procent
30 minuten
1 uur
G uren
24 .
144 ,
30 minuten
1 uur
G uren
24 „
144 ,
vermindering van groei
circa 12000 koloniën
3000
, • 200 ,
900
300
50
-
-
Het lysol is dus, ook in rottende vloeistoffen, veel werkzamer dan
het creolin; voornamelijk bieden de met lysol behandelde stoffen na
eenige dagen niet het verschijnsel der kiemvermeerdering meer aan,
-ocr page 19-
17
zooals ik dat in overeenstemming met von Esmarch bij het creolin aan-
getroffen heb.
Bovendien heeft het lysol, evenals het creolin, sterk uitgedrukte reu- •
keloos makende eigenschappen, en overtreft in dit opzicht, evenals het
laatstgenoemde, verre het carbolzuur. Deze zelfde waarneming heeft
Michelsen (\') bij onopereerbare uteruscarcinomen gemaakt.
Cramer en Wehmer berichten (2) dat bij etterende, gangraeneuse
kankers, bij geïnfecteerde wonden, en ook bij het desinfecteeren van
stinkende excreta en faecaliën, het lysol zijn reukeloos makende eigen-
schappen toonde.
Ik zelf kon mij van de bedoelde werking overtuigen bij proeven in
het groot, die onder mijne leiding in het stads-slachthuis te Berlijn, en
wel speciaal in het zoogenaamde politieslachthuis gedaan werden. De
vreeselijk stinkende, rotte ingewanden van een schaap werden slechts
eenige seconden in eene 5 procent lysol-oplossing gedompeld. Toen ze
er weer uitgenomen werden, was de rottende lucht volkomen verdwenen.
Daarna werd de buikholte van hetzelfde dier met eene 5 procent lysol-
oplossing gevuld. Na ongeveer 1j* a 1 minuut, werd de lysol-oplossing
er uit verwijderd, en van den vroeger ontzettenden stank was niets meer
te bespeuren.
Zooals Schitt en Fischer (\') aantoonden, gelukt het niet met oplossin-
gen van sublimaat in water tuberculeuze sputa te desinfecteeren, ook
dan zelfs niet als eene sublimaatoplossing van 1 op 500 water gebezigd
werd. Eene carbolzuuroplossing van 5 procent bereikte daarentegen dit
doel na eene inwerking van 24 uren. Aangaande de wijze van beproeven
door Schitt en Fischer gevolgd, wil ik er hier opmerkzaam op maken,
dat bij de gunstig uitgevallen proeven, het mengsel van sputa en desin-
fecteermiddel met een glasstaafje werd omgeroerd. Bij de desinfectie
van zulke sputa in de practijk, kan dit echter niet overal plaats hebben,
het komt er hier meer op aan de sputa der teringlijders langs zuiver
chemischen weg kiemvrij te maken, d. w. z. zonder mechanische bewer-
king als omroeren en dergelijke. Uitgaande van de noodwendigheid, dat
het even vieze, als — door het storten of overvloeien van het vocht
misschien — gevaarlijke omroeren der sputa met het desinfecteermiddel
vermeden behoort te worden, koos ik, om zooveel mogelijk te handelen
overeenkomstig \'t geen in \'t dagelijksch leven voorkomt, waar toch de
sputa eenvoudig in een kwispedoor worden ontlast, de volgende wijze
van beproeven voor mijne voorloopige onderzoekingen betreffende deze
(") Centralblatt für Gynilkologie. 1891. S. 6.
(2)  Berlinur klinische Wochenschiïft. 1890. S. 1189.
(3)  Mittheilungen aus dein Kaiserl. Gesundheitsamt. 1884. S. 131, ff.
2
-ocr page 20-
18
zaak. In een glazen schaal werd eene bepaalde hoeveelheid lysol gego-
ten, zóó dat de desinfecteerende vloeistof ongeveer 2 cm. hoog daarin
kwam. Daarbij goot ik eene zekere hoeveelheid tuberculeuze sputa,
ongeveer het vierde gedeelte van de desinfecteerende vloeistof. Zonder
om te roeren, om te schudden enz. nam ik, na bepaalde tijdstippen,
proeven van de sputa en entte die op konijnen of marmotten.
De inenting met het zeer taaie sputum, dat niet aan de inwerking
van lysol was blootgesteld geweest, werd zóó uitgevoerd, dat ik met
een pincet eene flinke hoeveelheid daarvan opnam, het met een schaar
van de overige massa afknipte, en op een dier in eene huidplooi van
den buikwand inentte. Toen ik nu op dezelfde wijze deze proef herhalen
wilde met sputa, die drie uren lang in eene 5 procent lysoloplossing
gelegen hadden, deden zich bezwaren voor: het slijm was weeker, meer
vloeibaar geworden, en met slijm uit de schalen met 10 procent lysol-
oplossing, waarin het 6 uren gelegen had, zoowel als met" dat
uit de schalen met 5 of 10 procent oplossing, waarin het 12 uren had
doorgebracht, gelukte de inenting op deze manier in \'t geheel niet meer.
Het slijm was volkomen vervloeid en kon slechts door middel van een
KocKs spuitje in den vorm eener injectie, in de buikholte gebracht
worden.
TABEL V.
Proeven met tuberculeuze sputa.
No. v/h
proefdier.
Gebezigd desinfec-
teerniiddel en concen-
tratiegraad daarvan.
Duur der
inwerking.
Resultaat.
Marmot.
1
2
3
4
5
6
Lysol.
5 procent
5 ,
5 .
10 „
10 ,
10 ,
3 uren
24 „
24 „
3 „
3 „
24 ,
na verloop van 4 maanden gezond.
idem.
na 3 maanden gestorven aan darm-
catarrh; geen verschijnselen van
tuberculosis.
na verloop van 4 maanden gezond.
idem.
idem.
7
8
Carbohuur.
5 procent
5 „
3 „
24 „
dood op den 43°" dag der inenting
aan tuberculosis.
dood o d 49on dag aan tuberculosis.
-ocr page 21-
lil
Creolin (Pearson).
9
5 procent
3 „
dood o/d 44™ dag aan tuberculosis.
10
5 „
24 „
het dier is na 30 dagen sterk ver-
magerd en zeer ruig. Het wordt
gedood. Tuberculosis.
11
10 .
3 „
dood na 38 dagen aan tuberculosis.
12
10 .
24 ,
idem.
De vervloeiing van het slijm vertoonde zich niet bij alle proeven.
Sommige sputa zijn minder tot vervloeien geneigd; maar ook die worden
door lysol kiemvrij gemaakt, zoodat de daarmede gedane inentingen
negatieve resultaten gaven, en dus de proefdieren in \'t leven bleven.
Het lysol is dus het eerste desinfecteermiddel, dat den baccillus
tuberculosis in sputa doodt, zonder dat het noodig is een of anderen
mechanischen invloed, als omroeren der sputa in de desinfecteerende
vloeistof of dergelijke, daarbij aan te wenden.
Terwijl hij dit bevestigt en in de practijk overbrengt, noemt Meissen (*)
het lysol als een middel, dat tot vulling van kwispedoren in de toe-
komst in aanmerking zal komen, daar het juist zooals het vroeger door
hem aanbevolen loog, het slijm oplost, maar het tevens ook ontsmet
zonder dat mechanische manipulatiën daarbij noodig zijn.
Over het ontsmetten van ontlastingen van typhuslijders met lysol
zal verder hieronder gehandeld worden.
Remouchamps en Sugg (2) die in het hygiënisch laboratorium der univer-
siteit te Gent onder leiding van Van Êrmengem vergelijkende onderzoe-
kingen deden omtrent de antiseptische waarde van carbolzuur, creolin
en lysol, noemen het lysol een waardevolle aanwinst in de reeks der
antiseptische middelen, dat veel werkzamer is dan het carbolzuur en
daarbij minder prikkelend en veel minder giftig is dan het laatstge-
noemde. Volgens deze schrijvers staat het lysol in werkzaamheid met
het creolin gelijk, doch is het in mindere mate giftig en heeft bovendien
het voordeel der heldere oplosbaarheid in water, terwijl de creolinemulsie
ongelijkmatig is en zich niet goed houdt. (Dat de door Remouchamps
en Sugg verkregen, voor het creolin deels gunstige resultaten op eene
fout in de wijze van beproeven berusten, heb ik boven reeds bewezen).
In het bovenstaande werd er reeds op gewezen, dat in lysoloplossingen
met kalkhoudend water eene lichte troebelheid ontstaat die op de vorming
van onoplosbare kalkzeepen berust. Het lag voor de hand zich af te
vragen, of deze troebele oplossing een gedeelte harer werkzaamheid ver-
(\') Deutsche Medicinal-Zeitung. 1890. S. 1191.
(2) L\'acide ]>héirique, la créoline et Ie lysol. Etude comparative etc. Mouvement
Hygiénique.
1890.
-ocr page 22-
2<>
loren had of niet; m. a. w.: of eene lysoloplossing die met hard
water bereid is, in de practijk met hetzelfde gevolg kan worden gebezigd
als de heldere oplossingen.
Om dit op te helderen nam ik vergelijkende proeven met lysol dat
in gedestilleerd water, en met hetzelfde middel dat in kalkhoudend water
was opgelost. Uit die proeven vermeld ik de volgende tabellen, die
betrekking hebben op eene gemakkelijker en op eene moeielijke» te
dooden bacteriesoort.
TABEL VI.
Proeven met troebele lysoloplossingen.
a) Staphylococeas pyog. uur. Op de ïontröleplaat zijn gegroeid
ongeveer 6000 koloniën.
Graad van concentratie
v/h desinfecteer-
middel.
Duur
van inwerking.
Lysoloplossing
ged. water.
Lysoloplossing met
hard water
(in 1 liter = 6.3 gram
vaste stoffen).
0.25 procent.
2 minuten.
5 »
6 koloniën.
o
4 koloniën.
0
b) Typhusbaccillen. Op de contröleplaat zijn gegroeid
ongeveer 1800 koloniën.
Graad van concentratie
v/h desinfecteer-
middel.
Duur
van inwerking.
Lysoloplossing
gedest. water.
Lysoloplossing met
hard water
(in 1 liter = 6.3 gram
vaste stoffen).
0.25 procent.
5 minuten.
10
20
2 koloniën.
0
o
3 koloniën.
o
o
Ook Simmonds (*) is bij zijne desinfectieproeven van faeces met lysol,
tot hetzelfde resultaat gekomen, waarbij talrijke vergelijkende onder-
zoekingen hem leerden, dat de desinfecteerende kracht der troebele
oplossingen niet geringer is dan die der heldere.
Wat nu betreft de totaaluitkomst mijner tot nu toe gedane onderzoe-
kingen over het lysol, kan ik mij, diens resultaten ten deele overtreffend,
bij Schottélius aansluiten, waar hij zegt:(2j „dat wij in het lysol een
(\') Jahrb. der Hamburger Staats-Krankenanstalten. 1889. I Jahrgang.
(a) Vergelyk: Münchener medicinische Wochenschrift.
-ocr page 23-
21
nieuw, uiterst werkzaam desinfecteermiddel bezitten, dat in antimyco-
tische kracht de uit de zware \'teeroliën afkomstige desinfecteermiddelen,
speciaal het carbolzuur en liet creolin, overtreft.
Toxicologische proeven.
Zooals bekend is, was Froehner (x) in Duitschland de eerste, die over
de goede werkingen van het creolin berichtte. Hij noemt het creolin van
Pearson een geheel giftvrij, zeer krachtig antisepticum en antiparasiti-
cum. Intusschen is echter op één punt het tegendeel bewezen: n.1. dat
het zeer wel gelukt dieren door inwerking van creolin te dooden. De
door Neudörfer medegedeelde sterfgevallen bij honden na inspuiting van
creolin in de vena jugularis, meende Froehner te kunnen verklaren als
te zijn ontstaan door longembolie. Volgens vele schrijvers echter werkt
het creolin ook bij subcutane injectie als vergift, en wel, zooals ik
dadelijk hier wil doen uitkomen als vergift in scheikundigen, niet in
mechanischen zin. Vooral werd door Behring (2) vastgesteld, dat de
betrekkelijke giftigheid, d. w. z. de verhouding der giftigheid tot de
antiseptische werking, bij het creolin niet geringer is dan hij eene reeks
van andere antiseptische middelen. Ik kom later nog op vergelijkende
proeven betreiïende de giftigheid terug. Maar ook bij menschen is, zoo-
als vermeld is geworden, het creolin geenszins onschadelijk bevonden.
Dit wordt o. a. bewezen door vergiftigingsgevallen door creolin, waar-
omtrent Rosin, Cramer (3) en von Aclceren (4) berichten.
Ten aanzien nu der onderzoekingen en proeven, die met eene lange
reeks antiseptica in toxicologisch opzicht zijn gedaan, vraagt de prac-
ticus, daar waar sprake is van het gebruik van een nieuw antisepticum,
vóór alles naar de giftigheid van dat middel. En hierbij moet men in
het oog houden, dat ieder antisepticum giftig zijn moet. Het streven om
absoluut giftvrije en daarbij toch energisch werkzame antiseptica te vin-
den, is, zooals Behring (") zich uitdrukt, vergeefsche moeite; iedere
aanbeveling van „giftvrije desinfecteermiddelen" heeft of reclame of
onwetendheid en oppervlakkig onderzoek tot oorzaak. Het is niet in te
zien, waarom eene stof, die in zulke mate op het protoplasma van één-
cellige organismen inwerkt, dat dit er door gedood wordt, niet ook in
staat zou zijn, onder bepaalde omstandigheden, het protoplasma van
O   Archiv für wissenschaftliche mul praktische Thierheilkunde. Berlin. 1887.
O   Dit Tijdschrift. Bd. VI. S. 117. e. v.
(3)   Thcrap. Monatshcfte. 1889. S. 434.
O   Berliner klinische Wochenschrift. 1889. S. 709.
O   Dit Tijdschrift. Bd. IX. S. 454.
-ocr page 24-
22
veelcellige organismen te beschadigen. De vraag, of dit of dat antisep-
tisch middel giftig is of niet, moet dus zóó gesteld worden, of het tot
de meer of tot de minder giftige stoffen behoort. Deze vraag nu kan,
wat het lysol betreft, in dier voege worden beantwoord, dat het behoort
tot de minst giftige antiseptica die we kennen; en dat het nog minder
giftig is dan het creolin en het door Behring genoemde jodtrichloride.
De hierop betrekking hebbende proeven werden meestal op konijnen
genomen : de resultaten er van zijn in de volgende tabel, uit een zeer
groot aantal genomen proeven te zamen gevat.
1. Onderhuidsche injectie.
a.) onverdund lysol.
Konijn, zwaar 2450 gram. krijgt onderhuids in 22 dagen te zamen
35 Va ccm. onverdund lysol. Het dier blijft volkomen gezond en vertoont
geenerlei ziekteverschijnselen.
b.) Lysol in waterige oplossingen.
1.   Konijn, zwaar 1850 gram, krijgt in 17 dagen 80 ccm. eener 10
procent lysoloplossing. Ongeveer dagelijks worden 5 injectiën, ieder van
1 ccm. in verschillende lichaamsdeelen gemaakt. Het dier blijft volkomen
gezond.
2.   Konijn, zwaar 1800 gram, krijgt in 19 dagen 80 ccm. eener 20
procent lysoloplossing, (als in b. 1). Het dier blijft gezond.
Bij de proeven b. 1 en b. 2, werden, onder dezelfde omstandigheden,
parallelproeven met creolin en carbolzuur gedaan (hierbij wijs ik er op,
dat bij de parallelproeven iets zwaardere dieren gebezigd werden) waarvan
de resultaten hier volgen:
c.) Carbolzuur in ecne ó procent waterige oplossiny.
Konijn, zwaar 3300 gram, krijgt in 1(5 dagen in \'t geheel 65 ccm.
eener 5 procent carholoplossing. Nadat liet dier reeds op den 8*-\'» dag
na de inenting krampen kreeg, sterft het op den 16«" dag.
cl.) Creolin (Pearson) waterige emulsie.
1.   Konijn, zwaar 2000 gram, krijgt in 5 dagen 25 ccm. eener 10
procent creolinemulsie. Het dier sterft op den 6en \'dag. (Op de plaatsen
der injectie, vindt men in het onderhuidsch celweefsel, bij de sectie,
bruine, smeerachtige overblijfselen van de ingespoten vloeistof).
2.   Konijn, zwaar 2400 gram, krijgt in 12 dagen (30 ccm. eener 20
-ocr page 25-
2a
procent creolinemulsie. Het dier sterft op den 12e» dag; bij de sectie
vindt men \'t zelfde als sub 1.
2. In de maag gebracht.
Een 2580 gram zwaar konijn bekomt binnen 11 dagen in \'t geheel
28 ccm. onvermengd lysol door de maagsonde. Het dier vertoont geenerlei
verandering, blijft opgeruimd en behoudt goeden eetlust.
Ik mag niet nalaten hier op te merken, dat in eene proevenreeks met
creolin Pearson, dat uit eene andere fleseh genomen was, als datgene
waarmede de boven vermelde proeven waren genomen, de creolinemulsie
veel minder giftige eigenschappen vertoonde dan in het beschreven geval.
Toch was dit minder giftige creolin altijd nog giftiger dan het lysol.
Bij deze gelegenheid zij er aan herinnerd, dat de uit verschillende fies-
schen genomen proeven van Pearson\'s creolin bok ongelijke werking in
antimycotischen zin vertoonden. De ongelijkheid in toxische werking is
dus een bewijs te meer voor de ongelijkheid in samenstelling van het
Pearson\'xehe praeparaat, zooals reeds — t. a. p. — door von Esmareh
is opgemerkt.
De doodelijke dosis van lysol voor konijnen ligt tusschen 2 en 3 gram
per kilo dier, wanneer het subcutaan wordt ingespoten.
Zooals, overeenkomstig met mijne resultaten, door Bemouclmmps en
Sugy (\') wordt vermeld, is de dosis toxica :
van carbolzuur, 0,3 gram per kilo dier,
van creolin, 1,1 B , „ - en
van lysol,
          2,3 B „ „ „ .
Het lysol is dus, zooals uit bovenstaande proeven blijkt, het verreweg
minst giftige van de energische antiseptica voor zoover die in de ehirur-
gische (en andere) practijk gebruikt kunnen worden. Het is echter ook,
zooals boven reeds werd vermeld, nog veel minder giftig dan het door
Riedel (2) onderzochte jodchloride. Volgens Behring is de dosis toxica
van jodchloride 0,2 gram per kilo dier, voorzoover n.1. sprake is van
onderhuidsche inspuitingen ; terwijl bij inspuiting in de buikholte 0,05
gram jodchloride per kilo dier voldoende is om den dood teweeg te
brengen. Van lysol echter werd 0,8 gram per kilo dier subcutaan inge-
spoten nog goed verdragen ; eerst na ongeveer 8 dagen inspuitens van
die hoeveelheid sterft het dier. Wilde men dienovereenkomstig het
lichaamsgewicht van een volwassen mensch op 50 kilo stellen, dan zouden
12 gram jodchloride den dood ten gevolge hebben, terwijl 48 gram
lysol zouden kunnen worden ingespoten zonder dat de dood volgen zou.
(\') loco citato.
t2) Arbeiten aus dein Kaiserl. Gesumlheitsamt. 1887.
-ocr page 26-
24
De hier medegedeelde, uit de chirurgie en de gynaekologie verzamelde
onderzoekingen laten geen twijfel toe aan de hewering dat het lysol zeer
geringe toxische werking hezit. Zooals Michdsen (l) mededeelt, heeft hij
na laparotomiën, de buikholte met lysoloplossing van V» procent van
80° 0. laten volloopen, en die daarna met lysolgaasproppen weder ver-
wij derd. Hij drukt daarbij op het uitblijven van eenigerlei toxisch ver-
schijnsel, dat bij de behandeling van een orgaan dat zóó gemakkelijk
resorbeert als het buikvlies, zich zou hebben kunnen voordoen. Hetzelfde
geldt voor uitspoelingen der uterusholte, waarbij zelfs eene lysoloplossing\'
van 2 procent werd gebruikt. Ook Crumer en Wehmer (x) berichten, dat
lysolirrigaties van groote wondvlakten met verhoogd resorptievermogen
nooit kwade gevolgen hadden. Hetzelfde geldt voor intrauterine uit-
spoelingen bij geïnfecteerde baarmoeder (febris puerperalis).
Tot een zekeren graad zijn wij, door de zooeven genoemde mededee-
lingen gerechtigd, de toxische werkingen van het lysol op dieren als
ook voor den mensch geldend te beschouwen. —
Het practisch gebruik van het lysol.
Het ligt niet op mijn weg, hier nader in te gaan op het succes van
het lysol in de chirurgie en gynaekologie. Ik moet daaromtrent verwijzen
naar de aangehaalde publicaties van Cramer, Wehmer en Michdsen
welke, evenals menigvuldige private mededeelingen van andere chirurgen
van naam, het bewijs leveren dat het lysol in de practijk gehouden
heeft wat het bij de bacteriologische onderzoekingen beloofde.
Daarentegen mogen hier nog eenige mededeelingen omtrent het desin-
fecteeren der handen, van chirurgische instrumenten en van naaimateri-
alen, eene plaats vinden.
Met het oog op het heerschend verschil in meening over den aard van
den voedingsbodem waarop desinfectieproeven worden genomen, schijnen
mij juist de bevestigende proeven van bijzonder gewicht. Het feit dat het
sublimaat in eiwithoudende vloeistoften, belangrijk minder als desinfee-
teermiddel werkzaam is dan in niet-eiwithoudende, heeft Behriny aan-
leiding gegeven, deze zaak nader te bestudeeren en ook nog voor andere
desinfecteermiddelen overeenkomstige groote verschillen aan te toonen.
Ik heb mij, sublimaat en carbolzuur daargelaten, niet van liet voorkomen
van zoo groote verschillen kunnen overtuigen; wat het lysol betreft, niet
eens van het feit dat ze voorkomen. Zelfs vertoonde dit in bloedserum
even goed als in bouillon zijn kiemdoodende eigenschappen.
Hot resumé, \'t welk Béhring omtrent zijne desinfectieproeven met subli-
maatoplossingen geeft, is trouwens in tegenspraak met een vroeger door
(\') Cramer, Wehmer, Michelsen, 1. c.
-ocr page 27-
20
hem gedane uitspraak. Terwijl hij nl. op laatstbedoelde plaats zegt:
„ Aansluitende aan de vroegere verklaringen en op grond van speciale
onderzoekingen omtrent dit punt, kan de eveneens zeer dikwijls verkon-
digde meening niet ernstig genoeg worden bestreden dat daardoor (d. i.
door de scheikundige veranderingen die het sublimaat ondergaat waar
het met lichaamssappen wordt vermengd) het kwikzilverzout ophoudt
antiseptisch werkzaam te zijn," en deze uitspraak -door eene proef meent
te ondersteunen, zoo is daarmede het op de volgende bladzijde gezegde
niet volkomen in overeenstemming, waar het heet: .Daarentegen verdient
het feit, dat iedere kwikzilveroplossing veel minder werkzaam is in eiwit-
houdende dan in eiwitvrije vloeistoften, eene zeer bijzondere opmerkzaamheid."
Overigens bevestigt Bckriiuj mijne boven reeds besproken waarneming,
waar hij zegt, dat in zeep opgelost ruw carbolzuur of kresolen, dus
lysol, ook in eiwithoudende vloeistoffen het carbolzuur kunnen vervan-
gen, en waar hij verder (blz. 420 t. a. p.) de grootere werkzaamheid van
het lysol in bloedserum in vergelijking met creolin erkent, wat trouwens,
in aanmerking genomen de ook door Béhring aangetoonde noodwendig-
heid der oplosbaarheid van een desinfecteermiddel in de te desinfecteeren
massa, vanzelf spreekt.
Ock llemouchamps en Sugg (t. a. p.) bevestigen, dat het lysol in
eiwithoudende bouillon werkzamer is dan creolin, meer in \'t bijzonder
echter ook wat betreft het dooden van typhusbaccillen.
Waar in het nu volgende proeven zullen medegedeeld worden betrek-
king hebbende op gevallen die direct in de practijk voorkomen, kan
de geldigheid daarvan gevoegelijk niet meer betwist worden; hier toch
wordt gedesinfecteerd op den bodem die kiemvrij moet worden gemaakt.
Zooals blijkt uit den arbeid van Fürbringer (*), kan slechts dan de
volledige desinfectie der handen niet worden betwist, wanneer aan de
volgende reeks van handelwijzen voldaan is: 1" de nagels worden langs
den drogen weg van vuil bevrijd; 2" de handen worden gedurende eene
minuut, met zeep en warm water afgeborsteld, speciaal ook de vinger-
toppen onder de nagels; 3" daarna worden de handen eene minuut lang
in alcohol van ten minste 80 procent gewasschen en eindelijk 4" eene
minuut lang in eene 8 procent sublimaatoplossing grondig afgespoeld.
Proeven met deze volgreeks genomen, heb ik vergeleken met zulke
waarbij de halflange nagels met een mesje (speciaal de plaats onder de
nagels) werden gereinigd, waarop een verblijf van 2 tot 3 minuten der
handen in eene 1 procent lysoloplossing en bewerking der handen met
een borstel volgde. De enting geschiedde dan derwijze, dat de ruimte
onder de nagels met een tamelijk scherp, plat, z.g. dekglaspincet werd
(\') Untersuchungen und Vorsehrifton über die Dosinfection der Hinde des Arztcs
u. s. w. Wiesbaden 1888.
-ocr page 28-
26
uitgehaald en daarna het resultaat dezer manipulatie op voedingsge-
latine werd gebracht. De resultaten blijken uit de volgende tabellen:
TABEL VII.
a.) Uu handen waren ö\' a 4 uren vóór de proeven voor \'t laatst
gewasschen.
Methode i
\'an
F ü r Ij r i n
ger.
Lysol.
Proef
1
0
Koloniën.
0
Koloniën.
»
2
0
B
i)
-
-
3
0
n
1
-
-
4
0
-
0
-
-
o
2
-
0
-
-
<j
0
-
0
Jl
/>.) De vingers werden bestreken met een cultuur van staphylococcus
pyog. aur. in bouillon, en daarbij vooral er van in de ruimte onder de
nagels gebracht. Na het opdrogen der vloeistof geschiedde de desinfectie
en enting als boven is opgegeven.
•
Methode van Fttrbringer.
Lysol.
proef 1
\' , 2
, 3
. 4
n 5
, <5
1 kolonie (!)
0 koloniën
0
o
0
0
0 koloniën
0
0
0
0
0
Hieruit blijkt, dat men met de lysoldesinfectie der handen volgens
de boven aangegeven methode, dezelfde resultaten verkrijgt als met die
van Fürbringer. Neemt men daarbij in aanmerking de groote eenvou-
digheid dezer handelwijze en het mindere tijdverlies, dan moest reeds
daarom alleen aan deze methode de voorkeur worden gegeven. Het
wasschen met eene 1 procent lysoloplossing beschadigt de handen niet,
doch maakt die veeleer glad en lenig — een voordeel, waarvan ieder
die genoodzaakt is veel met sublimaat of carbolzuur om te gaan, de
beteekenis erkennen zal. En, hoe dikwijls wordt door den geneesheer eene
grondige desinfectie der handen wegens uitwendige omstandigheden nage-
(\') Geen staphylococcus.
-ocr page 29-
27
laten, d. i. omdat in de particuliere practijk niet altijd de noodige
middelen — alcohol, desinfecteermiddel, drie waschbekkens, enz. terbescliik-
king zijn.
Tot het kiemvrij maken der instrumenten dient eene V* procent lysol-
oplossing, die ze in \'t geheel niet beschadigt, en evenmin de snede
ruineert. Behalve de proeven met scalpellen werden ook de moeilijker
te reinigen en te desinfecteeren pincetten, haakpincetten, ook die met
geribde armen en schuifpincetten tot voorwerpen van onderzoek gebezigd.
Die instrumenten werden \'t zij met kamerstof. \'t zij met culturen van
stapbylococcus pyog. aur., \'t zij met etter bestreken en na opdroging
daarvan een tijdlang in lysoloplossing gelegd. Na verloop daarvan werden
de pincetten er uit genomen, en öf in bouillon afgespoeld (dit in enkele
gevallen) öf meestal met een gesteriliseerd mes of met een platinanaald
mechanisch van de in de geribde deelen, de haken of de schuiven
zittende stoffen bevrijd, welke stoffen daarna op gelatine overgeënt werden.
TABEL VIII.
Proeven met haal;pincetten. Kamerstof.
Nummer der proef.
Lysol.
Duur der inwerking.
Resultaat.
1
0.1 procent
10 minuten
4 koloniën
2
0.1
20
1
3
0.1
20
0
4
0.1
10
0
5
0.1
20
2 ,
(i
0.1
20
3 „
7
0.25
3
1
8
0.25 ,
<>
o „
0
9
0.25
5
o
10
0.25
5
0 »
11
0.25
1<>
0
12
0.25
1<)
0
Terwijl dus eene 0.1 procent lysoloplossing niet aan het doel voldeed,
gaf eene oplossing van 0.25 procent reeds na eene inwerking van 5
minuten een zeker, onbetwistbaar resultaat.
-ocr page 30-
28
TABEL IX.
Proeven met schuifpincetten. Etter, (bevat staphylococcus pyog.
aur. en alb. in groote hoeveelheden).
Nummer der proef.
Lysol.
Duur der inwerking.
Resultaat.
1
0.1 procent.
10 minuten
3 koloniën
2
0.1
20
1
3
0.1
20
2 ,
4
0.25
3
0 .
5
0.25 ,
3
0 - .
6
0.25
3
verongelukt
7
0.25
3
0 koloniën
8
0.25
5 »
0
9
0.25 ,
5
0 „
10
0.25
5
o ,
11
0.25
10
o ,
12
0.25 „
10
o
Eene 0.1 procent lysoloplossing was dus niet voldoende tot het dooden
der ettercoccen ; daarentegen gelukte dit met behulp eener 0.25 procent
oplossing met zekerheid na 3 tot 10 minuten.
(In alle gevallen waarin geen groei volgde, werd de gedurende 14 i\\
20 dagen lang steriel gebleven voedingsbodem met levenskrachtige orga-
nismen op zijn deugdelijkheid beproefd).
Op analoge wijze als hierboven geschilderd is, werden ook proeven
genomen omtrent het desinfecteeren van zijde en catgut, welke proeven
resultaten leverden overeenkomstig de beschrevene. Zijde en catgut werden
ook na een verblijf van verscheidene weken in lysoloplossingen van \'/
tot 1 procent niet broos of hard.
Cramer en Wehner(l) vergeleken de werkzaamheid van het earbolzuur
met die van het lysol met betrekking tot het desinfecteeren van zijde.
De bacteriologische proeven, door Dr. G. Frank in het laboratorium
van Fresen-ius genomen, toonden aan, dat het dikwijls gelukt uit naai-
zijde, die 2 uren lang in eene 10 procent carboloplossing gekookt was
geworden, nog culturen te verkrijgen van eene soort bacterie, gelijkende
op de hooibaccillen, terwijl de zijde welke gedurende één uur in eene 2
procent lysoloplossing gekookt was, zich steeds steriel toonde. De in
lysoloplossing bewaarde zijde wordt, zooals ook door Cramer sa Wehmer
wordt vermeld, nooit broos, zooals b. v. in eene sublimaatoplossing.
(\') loco citato.
-ocr page 31-
2!»
Even gunstige resultaten bekwamen de genoemde schrijvers bij hunne
proeven omtrent het desinfecteeren van sponsen die met etter gedrenkt
waren. Eene 2 procent lysoloplossing had hier, na inwerking van één
uur, de kiemen vernietigd. Cramer en Wehmer behandelen ook hun
catgut met lysol, en wel op de volgende wijze: Het door af borstelen
met lysol van vet bevrijde ruwe catgut wordt, vóór het oprollen op
glazen rollen, 2 uren lang in eene 2 procent lysoloplossing gelegd,
waardoor het zacht en lenig wordt. Diezelfde zachtheid en lenigheid
verkreeg ook het catgut, dat in absoluten alcohol bewaard was gewor-
den, wanneer men het even vóór de operatie in eene 2 procent oplossing
van lysol gelegd had. Bij deze methode van bewerken en bewaren,
toonde het catgut zich altijd steriel. Michélsen (x) ontvet het ruwe
catgut door het gedurende 2 uren in eene 5 procent lysoloplossing te
leggen en het daarna, vóór het gebruik, in eene 2 procent lysoloplossing
te brengen. Een te vroeg geresorbeerd worden van het catgut na het
gebruik heeft Michélsen nooit kunnen waarnemen.
Wat nu het desinfecteeren in \'t groot betreft, zoo komt allereerst in
aanmerking het desinfecteeren der faeces van lijders aan infectieziekten,
en hierbij in de eerste plaats de stoelontlastingen bij typhus en darm-
tuberculose. Simmonds (2) heeft aangetoond, dat eene 5 procent lysolop-
lossing voldoende is om alle in faeces voorhanden kiemen te dooden,
een resultaat, dat met het mijne juist overeenkomt. Slechts heb ik de
wijze van beproeven in zoo verre iets veranderd, dat ik de dunne stoel-
ontlastingen (vaste faeces zijn slechts door flinke aanwending van
mechanische hulpmiddelen te desinfecteeren) eenvoudig in een schotel
met eene 5 procent lysoloplossing goot, zonder met een staafje het
mengsel om te roeren — eene manipulatie, die immers, waar in de
practijk sprake is van het kiemvrij maken der faeces, zooveel mogelijk
vermeden behoort te worden. En ook bij deze wijze van beproeven bleek
het mij, dat het gewenschte resultaat bij het gebruik eener 5 procent
lysoloplossing, reeds na ongeveer 2 a 3 minuten met zekerheid bereikt
was. Simmonds geeft voor de practijk en voor de hospitalen het vol-
gende voorschrift: „ Bij alle van infectieziekten verdachte individuen
wordt de bodem der kamerpotten of ondersteken vóór het gebruik met
eene 5 procent lysoloplossing bedekt. Na het ledigen dezer ustensiliën
worden ze nogmaals met dezelfde oplossing uitgespoeld. De verplegers
moeten onmiddellijk daarna de handen met eene 5 procent lysoloplossing
afwasschen, een raad die zooveel te gemakkelijker op te volgen is, daar
(\') Loco citato.
(\') Loco citato.
-ocr page 32-
30
het lysol, in tegenstelling met carbol en sublimaat, de huid niet aan-
doet, doeli integendeel eene zekere lenigheid daaraan geeft."
Terwijl de zeepachtige hoedanigheden van het lysol de aanwending
daarvan bij het wasschen van kamervloeren, meubels etc, aanbevelens-
waardig maken, overal waar bet er op aankomt te reinigen en tevens
te desinfecteeren, bleek liet tevens zeer geschikt tot het desinfecteeren
van wanden en bezit het in dit opzicht eigenschappen, die het boven
alle andere middelen de voorkeur doen geven.
Op de 16»-\' vergadering van het , Deutsche Verein für öffentliche
Gesundheitspflege" te Brunswijl, refereerde Gaffhj over het desinfee-
teeren van woningen, en beval liet afwrijven der behangsels met brood,
volgens de door run Esmarch aanbevolen methode, aan. Deze handel-
wijze heeft, bij alle betrouwbaarheid, als ze consciëntieus wordt uitge-
voerd, echter eene reeks van nadeelen, onder welke kostbaarheid en
tijdverlies niet als de minste mogen worden beschouwd. Maar nadat de
wanden met brood afgewreven zijn, en de broodkruimels welke de kie-
men bevatten op den grond liggen, moeten die kruimels toch ook weer
onschadelijk gemaakt worden. Vóór men dus de geïnfecteerde kruimels
bijeenveegt, is het noodig die met een antisepticum te bevochtigen,
opdat ze gedurende het overbrengen naar den oven, waarin ze aan het
vuur worden overgeleverd, geen onheil stichten en alle overige genoemde
voorzichtigheidsmaatregelen illusoir maken. Dus is een vloeibaar desin-
fecteermiddel ook noodzakelijk bij het afwrijven der wanden met brood.
Mijns inziens nu heeft men het desinfecteeren van behangsels en van
met olie\'*erf bestreken wanden met behulp van vloeistoffen slechts daarom
laten varen, omdat geen der in water oplosbare antiseptica zich werke-
lijk bruikbaar toonden, daar toch het sublimaat te giftig, het carbol-
zuur daarentegen te zwak werkend en te duur was.
Op grond dezer overweging lag het voor de hand hiervoor een mid-
del te zoeken, dat, bij grootere desinfecteerende eigenschappen, voordeelen
aanbood boven het carbolzuur en boven het sublimaat. Als zoodanig
kon ik hierboven reeds het lysol doen kennen. Wat de wijze van beproe-
ven betreft, zoo werd aan het gebruik van de spray boven het afwasschen
de voorkeur gegeven, daar ik mij overtuigde dat een bespoten behangsel
eensdeels grondiger nat wordt dan een afgewasschen, terwijl anderdeels
de spray het behangsel niet beschadigt, zooals de manipulatie van het
afwasschen zulks doet. Wat het enten aangaat, volgde ik de door ron
Esmarch
(*) aangegeven handelwijze: de behangsels werden \'t zij met
stof bestrooid, *t zij met culturen dan wel met etter bestreken en na
het opdrogen daarvan met de spray behandeld. Nadat de oppervlakte
van het behangsel volkomen opgedroogd was, werd die onder de noodige
(\') Dit Tijdschrift. 18S7. blz. 491.
-ocr page 33-
::i
voorzorgen met steriele sponsjes afgewreven. Deze sponsjes werden nu in
bouillon uitgewasschen en deze laatste op vloeibare voedingsgelatine
geënt, welke gelatine ik liet stollen. Ten einde zeker te zijn, dat in de
gevallen, waarin geen groei in de gelatine plaats had, de voedingsbodem
niet bij toeval door bijgemengd lysol ondeugdelijk geworden was, werd
elk der gebezigde buisjes na ongeveer 14 dagen met levensvatbare cul-
tnren geënt. Er volgde dan altijd wasdom.
TABEL X.
Proeven met behangsels.
Aantal kiemen.
Aard der infectie.
Vóór de behandeling.
Xa de behandeling niet :?
procent lysoloplossing.
Kamerstof.
Ca. 320
(1
n
»
Tl
n
Bouilloncultuur v. staphy-
lococcus pyogenes aureus.
Ca. 640
5
0
1
0
0
(1
»
Ca. 500
0
0
0
n
Etter
Ca. 300
0
0
0
ff
T
ff
ff
ff
Ê
It
0
1
0
■1
Het bespuiten der wanden met lysol door middel van de spray geeft
dus resultaten die zeer goed naast die. verkregen door liet afwrijven met
brood gesteld kunnen worden. Maar ook afgezien daarvan, voldoet het
eerste aan de door Guttmann en Merke gestelde desiderata. welke ver-
-ocr page 34-
32
langen, dat door zulk eene methode de integriteit der wanden niet wordt
aangetast, de arbeiders die de woning desinfecteeren en de bewoners
zelven niet worden beschadigd, en eindelijk de bewerking zelve gemak-
kelijk te verrichten zij en geringe onkosten met zich voere.
De resultaten van bovenstaanden arbeid laten zich in de volgende stel-
lingen samenvatten:
1.  Het lysol is niet alleen in reincidturen, maar ook in mengsels van
bacteriën werkzamer dan carbolzuur en creolin.
2.  Het desinfecteeren der handen gelukt door het uitsluitend gebruik
cener 1 procent ly soloplossing zonder gebruik van zeep.
3.   Tot het kiemvrij maken van geïnfecteerde sputa en stoelgangen is het
ceel werkzamer dan cdle andere desinfecteer middelen.
4.   Door het met de spray bespuiten der wanden met eene 3 procent
Jy soloplossing worden deze kiemvrij gemaakt.
5.   Het lysol is, van de antiseptica die wat hunne iverkzaamheid betreft
er mede vergeleken kunnen worden (speciaal carbolzuur, creolin en subli-
maat) verreweg het minst giftige.
—
Op grond der boven vermelde proeven, zoowel als van de aangehaalde
mededeelingen van mannen van het vak uit de practijk, geloof ik te
mogen beweren, dat het lysol de meeste der nu nog gebruikt wordende
antiseptica zal vervangen. Speciaal is het uitverkoren de gezamenlijke
uit teer verkregen producten volkomen te verdringen. De höoge waarde
van het lysol als antisepticum grondt zich op zijne groote antimycotische
eigenschappen, zijn geringe giftigheid, veelzijdige bruikbaarheid en
lagen prijs.
Speciaal echter eigent het zich tot een desinfecteermiddel, dat men
het publiek in handen geven kan tot reinigen en desinfecteeren, zonder
het aan gevaren bloot te stellen, zooals zulks met de bepaald giftige
antiseptica (b.v. sublimaat, carbolzuur, enz.) het geval is. —
Wiesbaden, den 29 Januari 1891.
-ocr page 35-
(TTit het Duitsch vertaald van een overdruk uit het „Centralblatt für
Gynakologie" 1891 N° 1.)
GEBRUIK VAN HET LYSOL IN DE GYNAKOLOGIE
EN IN DE VERLOSKUNDE
DOOR
Dr. MICHELSEN
(Wicsbadcn.)
Niet lang geleden werd door de firma Schülke & Mayr in Hamburg
een nieuw antisepticum in den liandel gebracht, dat geroepen schijnt alle
andere tot nu toe bekende antiseptica overbodig te maken. Het is het Lysol,
een preparaat uit teerolie getrokken.
Was het vroeger niet mogelijk, de z.g. teeroliën in water op te lossen,
in den laatsten tijd is zulks door eene weinig ingrijpende handelwijze
gelukt — eene behandeling waarvan het nieuwe door een rechtsgeldig
patent beschermd en erkend is geworden. De behandeling bestaat hierin,
dat de bestanddeelen der teerolie enkel of in een mengsel, na zeer bepaalde
keuze, met zeep in statu nascendi te zamen gebracht worden. Tot deze
uitgezochte bestanddeelen behooren de, volgens de onderzoekingen van
den uitvinder in antimykotischen zin \'t meest werkzame kresolen. Uit de
verzeeping van zulke teeroliën van een bepaald, gelijkmatig gehalte aan
bactericide stoffen, resulteert het Lysol. De onderzoekingen van Schottelius,\')
van Engler 2), en van Simmonds 8) hebben uitgemaakt dat van alle
tot nu toe bekende desinfecteermiddelen aan dit nieuwe middel, het Lysol,
verreweg de voorkeur gegeven moet worden. Aangezien tot heden nog
niets gepubliceerd is omtrent het practisch gebruik daarvan, moge de
volgende bijdrage tot „het gebruik van het Lysol in de Gynakologie en in
de verloskunde" gerechtvaardigd zijn. Ik stel al vast voorop, dat de
*) Münchener med. Wochenschrift 1890 n°. 20.
s) Phamiaceut. Centralhalle, 1890. 31.
*) Jahrbücher der Hamburger Staats-Krankcnanstalten I. Jahrgang 1889.
-ocr page 36-
2
verwachting door de genoemde schrijvers omtrent het practisch gebruik
van het Lysol als antisepticum gekoesterd, door de aanwending in de
practijk ten cenenmalc bevestigd zijn geworden.
Ongeveer 0 maanden geleden, dadelijk na de ontdekking van liet Lysol,
ben ik, op uitnoodiging van den uitvinder, begonnen proeven met Lysol
in de practijk te nemen. Eerst werden twee soorten van Lysol gebezigd,
die met nummer II en III geteekend waren; later, nadat het patent op
bovengenoemde firma was overgegaan, Lysol pur. Volgens Engler 1) heeft
Lysol 11 een specifiek-gewicht van 1.0525. Het is eene bruingele, heldere,
olieachtige vloeistof die zwak naar kreosoot riekt en, met water verdund,
volmaakt helder blijft. Hoewel rood lakmoespapier er door blauw gekleurd
wordt, bevat het toch geen spoor vrij alkali. Volgens Engler is het duidelijk
eene oplossing van teeroliën in neutrale zeep. Het specifiek gewicht van
Lysol III is 1.038; overigens bezit het de eigenschappen van Lysol II,
evenals het tegenwoordig uitsluitend in den handel voorkomende Lysol. pur.
van 1.042 specifiek gewicht. Het laatste is lichter van kleur en in niet
al te dikke lagen volkomen doorzichtig. De oplosbaarheid is bij dit
praeparaat het grootst. Het onderzoek van Engler leerde verder, dat zoo
goed als geen carbolzuur in het Lysol voorhanden is, doch slechts de
naast hoogere homologen er van.
In Lysol II komen 44,1 phenolen (kresolen) voor; in Lysol III 4G.2,
in Lysol. pur. 47.4. Door de onderzoekingen van Henle 2), Frankel 3) en
anderen is uitgemaakt, dat de hoogere homologen van het carbolzuur,
speciaal de kresolen, eene buitengewoon sterk desinfecteerende werking
bezitten. Het is daarom een bepaald voordeel van het Lysol boven andere
desinfecteermiddelen, dat de daarin voorhanden phenolen bijna alleen uit
kresolen bestaan. Een ander voordqel is de volkomen oplosbaarheid van
het praeparaat in water. We vinden hier een desinfecteermiddel, waarvan
het kresolgehalte door verdunnen met water naar goedvinden procentsgewijze
vastgesteld kan worden. Tegenover de phenolen, creolin en dergelijke
praeparaten welke met water emulsiën vormen, kan de volkomen oplos-
baarheid in water der Lysolprajparaten een bepaalde vooruitgang genoemd
worden; want zelfs de fijnste emulsie geeft geen zoo fijne verdeeling,
innige aanraking en doordringing als de volkomen oplossing. Op de
voordeden der in water oplosbare phenolpneparaten wezen reeds Hüppe 4)
en Frankel. 5) Daar wijders de phenolen niet scheikundig gebonden, maar
vrij in de neutrale zeepen opgelost zijn, en in tegenstelling met de oplosbare
zouten van het carbolzuur en de homologen daarvan, hunne volle desin-
fecteerende kracht ontwikkelen kunnen, zal het wel deze eigenschap zijn
*)   Arcliiv für Hygiëne 1889, j>. 211.
")   Zeitschrift für Hygiëne 1889, p. 530.
\')   Berliner klin. Wochenschrift.
s)   Lep. 528.
-ocr page 37-
3
die oorzaak is van de zeer gunstige resultaten, welke Schottelius omtrent
de bacteriëndoodende werking van het Lysol gevonden heeft.
De proeven van laatstgenoemde begonnen met het beproeven van de
verschillende soorten van Lysol op hunne bacteriëndoodende werking
onderling, doch slechts van Lysol II en III. De uitkomst daarvan was,
dat er geenerlei onderscheid bestaat tusschen de beide Lysolsoorten wat
desinfecteerende kracht betreft. Aangezien nu het Lysol. pur. een hooger
kresolgehalte heeft dan het Lysol TI en III, zoo moet de bacteriëndoodende
kracht van het Lysol. pur. minstens even groot zijn als die van II en III.
Van beide soorten Lysol was eene oplossing van \'/» procent voldoende,
om bij typhus en bij cholera in 20 minuten tijds de in groote hoeveelheden
voorhanden levensvatbare kiemen te dooden. De bacteriën van rottend
miltvuurbloed wederstonden de inwerking van het desinfecteermiddel
in de gebezigde concentratie, maar toch was ook hierbij eene sterke,
de ontwilckelinfj tegenhoudende werking niet te miskennen.
Verder werden proeven genomen omtrent de bacteriëndoodende kracht
van het Lysol, vergeleken met die van andere desinfecteermiddelen. Als
tijd van inwerking van het desinfecteermiddel op de te desinfecteeren
vloeistof werd gemiddeld een tijdperk van 20 minuten gekozen, omdat
zulk een tijdsverloop overeenkomt met liet practische doel eener snelle
desinfectie. De vergelijkende proeven strekten zich uit over carbolzuur,
creolin en Lysol; en twee bacteriesoorten: de staphylococcus pyogenes
aureus en de typhusbaccil, de eerste eene gemakkelijk, de tweede eene
moeilijk te vernietigen soort, werden daartoe uitgekozen. Terwijl nu de
eerste reeds na toevoeging van 5 cem eener 1.5«/o Lysoloplossing ver-
nietigd werd, groeiden de typhusbaccillen bij deze hoeveelheid nog onop-
houdolijk en werden eerst gedood door eene 5»/o Lysoloplossing. Dij het
gebruik van creolin, ontstond dezelfde werking bij staphylococcus pyog. aur.
eerst in eene 5 procent oplossing, bij dat van carbolzuur in eene oplossing
van 10 procent. De minste tot desinfectie benoodigde hoeveelheid bleek
bij een duur van inwerking van 20 minuten op splijtzwammen in alle
ontwikkelingsvormen te zijn op 100 cem 0.3; dus op een liter 3 gram Lysol.
Het bleek verder, dat het carbolzuur de minste werking uitoefende op
den groei der splijtzwammen; de werking van liet creolin was iets grooter,
terwijl bij het Lysol de groei der onderzochte bacteriesoorten geheel
stilstond. De genomen proeven samenvattend zegt Schottelius dat „wij
in het Lysol een nieuw, uiterst werkzaam desinfecteermiddel bezitten,
\'t welk de meer bekende van de uit de zware teeroliën afkomstige des-
infecteermiddelen, speciaal het carbolzuur en het creolin, in antimycotische
kracht overtreft. Tegenover het creolin, waarvan de ongelijkmatige samen-
stelling, trots zijn zonder twijfel voortreffelijke desinfecteerende eigenschap-
pen, ook blijkt uit de verscheidenheid van de resultaten der bacteriologische
onderzoekingen, heeft het Lysol bovendien nog het voordeel eener vloei-
stof die in iedere gewenschte concentratie helder, oplosbaar en gelijkmatig
-ocr page 38-
4
samengesteld is." De onderzoekingen van Simmonds M hebben eveneens
de buitengewone desinfecteerende kracht van het Lysol bewezen. Met eene
5 procent Lysol-oplossing konden groote hoeveelheden dunne, breiach-
tige en vloeibare drekstoffen binnen weinige minuten met groote zeker-
heid gesteriliseerd worden.
De in het bovenstaande genoemde proeven van Schottelius doen ver-
wachten dat ons in het Lysol een antisepticum wordt aangeboden, \'t welk
alle andere tot nu toe bekende in werkzaamheid overtreft.
Hoe is het nu gesteld met liet gebruik van het Lysol in de practijk ?
Ik stel al dadelijk voorop, dat in alle gevallen waarin het Lysol werd
gebruikt, zoowel in de gynaekologisch-chirurgische als in de verloskundige
praktijk, de verwachtingen die ik, na de proeven van Schottelius, daarvan
koesterde, vervuld werden. Mijne proeven hieromtrent waren reeds begonnen,
vóór Schottelius zijn experimenten over de desinfecteerende werking van
het Lysol publiceerde. Uit het laboratorium waarin het Lysol werd ont-
dekt, werden mij \'t eerst monsters van Lysol II en III toegezonden, met
liet verzoek daarmede in mijn privaatkliniek practische proeven te nemen.
Daarbij werd vermeld, dat uit liet phenol-gelialte het besluit mocht
worden getrokken dat liet minstens dezelfde desinfecteerende kracht moest
bezitten als het Creolin. Diensvolgens bezigde ik eerst liet Lysol in eene
2, resp. 5 procentoplossing, overeenkomende met het gebruik van het
creolin, en bepaalde mij vooreerst, daar de werking van het Lysol nog
niet nauwkeurig bekend was, tot de uitwendige desinfectie. Het werd
vooreerst als waschmiddel gebezigd voor de handen, bij laparotomiën tot
het afwasschen van de huid van den buik, van de huid in den omtrek
van het operatieveld en tot liet desinfecteeren der bij de operatie te
bezigen instrumenten. Hierbij werd eerst eene 5 procent Lysoloplossing
gebezigd. Daar echter de zeepachtige hoedanigheid eener 5 procent Lysol-
oplossing de instrumenten zoowel als de handen zeer glibberig maakte,
werd voor bovenbedoelde doeleinden eene 2 procent oplossing genomen.
Na het bekend worden der onderzoekingen van Schottelius heb ik mij
bepaald tot eene 1 procent oplossing als waschmiddel, en heb er liet-
zelfde resultaat mede bereikt als met die van 2 procent.
Het is voor den operateur buitengewoon gemakkelijk slechts met een
eenig desinfecteermiddel te doen te hebben. Het Lysol kan overal wor-
den aangewend, waar de tot nu toe bekende antiseptica gebezigd werden,
maar het heeft bovendien nog het groote voordeel, dat het door zijn buitenge-
wone desinfecteerende kracht ook daar kan worden gebezigd, waar sublimaat
en carbolzuur en ook jodoform om hun toxische eigenschappen niet gebruikt
kunnen worden, b.v. bij laparotomiën. Zoo kan men dus, volgens mijne onder-
vinding, met dit desinfecteermiddel alleen alle gynaekologische en verloskun-
dige operatiën bewerkstelligen, zonder ook nog eenig ander desinfecteerend
middel daarbij noodig te hebben om eene volkomen antisepsis te bereiken.
■) l.c.
-ocr page 39-
5
Daar het middel nog te weinig beproefd was, bezigde ik het voor-
zichtigheidshalve eerst bij operatiën aan de uitwendige genitaliën en aan
de vagina, bij kolporrhaphiën, blaas-scheedetistels en prolapsusoperatiën,
en wel om het operatieveld te begieten. In het eerst werd liet in eene
2 procent oplossing gebezigd; daar het echter wegens zijn gladheid het
knoopen der draden bijna onmogelijk maakte, en ook de tastzin der vin-
gers na een gebruik van ongeveer een half uur, begon te verminderen,
ging ik langzamerhand over tot eene oplossing van lj.i procent, die,
zooals we zoo even zagen, volkomen in staat is eene infectie te
verhinderen. In 28 dergelijke gevallen werd deze behandeling aangewend
en steeds werd genezing per priinam verkregen, en wel in die mate dat
gewoonlijk bij het uitnemen der draden, slechts 8—10 dagen verloopen
waren. Tot het desinfecteeren der uterusholte of bij operatiën aan de
portio bij de Emmet\'sche operatie, bij discisiën en amputatiën der portio
werd steeds eene oplossing van 1/« procent als irrigatievloeistof gebezigd.
Aan liet curettement van den uterus liet ik altijd eene uitspoeling der
uterusholte voorafgaan en bemerkte bij die gelegenheid dat, waar na
het curettement eene sterkere bloeding uit den uterus intrad, deze
bloeding werkelijk verminderde door eene sterke 5 procent lysoloplos-
sing. Terwijl 42 dergelijke operatiën onder aanwending eener lysolop-
lossing van \'/* procent werden verricht, ontstond in geen enkel geval
de minste temperatuursverhooging, noch ook de geringste verschijnselen
eener infectie.
Als hechtmateriaal werd bij de genoemde operatiën \'Turner\'sdw zijde,
die in eene 5 procent lysoloplossing bewaard werd, en catgut gebezigd —
dit laatste als ruw catgut, dat 2 uren voor \'t gebruik in eene 5 procent
lysoloplossing had gelegen, daarna echter in eene 2 procent lysoloplos-
sing was uitgewasschen. Ik geloof dat het catgut door het weeleen in
eene 5 procent lysoloplossing, oven weerstandbiedend gemaakt wordt als door
het bewaren in alcohol en juniperus-olie kan worden verkregen; een te
vroeg geresorbeerd worden toch van het catgut heb ik niet kunnen
bemerken. De ontvetting van het ruwe catgut welke ik vroeger verkreeg
door het 2 uren lang in Lysol. pur. te laten liggen, werd even goed door
eene 5 procent lysoloplossing tot stand gebracht. Ik heb in drie gevallen
van totalen prolapsus uteri en in acht gevallen van oude bilnaadscheuren
uitsluitend met met Lysol gepraepareerd catgut gehecht, even zoo in 18
gevallen van amputatie der portio, zonder dat de resorptie te spoedig
intrad vóór de genezing tot stand kwam. Als reukeloos makend antisep-
ticum bewees het in 2 gevallen van niet opcreerbaar uteruscarcinoom uit-
stekende diensten. Na verwijdering der carcinomateuse massa\'s door de
scherpe curette, werd de ontstane holte met eene 5 procent lysoloplossing
uitgewasschen en daarna volgestopt met in 5 "/„ lysoloplossing uitge-
wasschen gaas. Daarbij bleek het, dat na een verblijf van 5 dagen van
dit gaas in den uterus, slechts de zwak kreosootachtige reuk van het
-ocr page 40-
6
Lysol, doch niets meer van den specifieke» reuk van het earcinoom te
bespeuren was. Hierbij kwam ik voor \'t eerst in de gelegenheid de
buitengewoon sterke, liet granulatie-proces bevorderende werking van het
lysol te leeren kennen. Deze eigenschap werd nl. geconstateerd in 3
gevallen van resectie van liet stuitbeen voorafgaande aan de extirpatie
van een carcinoma corporis uteri zoo groot als een vuist, van een vast-
zittend portiocarcinoom bij retroiiexio uteri en van een postuterin
libromyoom dat in de heiligbeensholte ingeklemd was. De meer dan
een vuist groote holten door deze operatiën ontstaan, werden met eene
5 procent lysoloplossing uitgewasschen en met in 5 "/„ lysoloplossing
gewasschen gaas opgevuld, daarna werd de gesneden wond tot op 5 cm.
gesloten en het lysolgaas door deze opening naar buiten gebracht. In
alle drie gevallen was de reconvalescente uitstekend, hoewel toch telken
male de buikvliesholte geopend moest worden, en terwijl in één geval,
het lysolgaas direct met darmlissen in aanraking kwam.
Deze geringe reactie van het buikvlies zelfs op eene 5 "/o lysoloplos-
sing, deed mij besluiten ze ook bij laparotomiën te bezigen en wel op
de volgende wijze:
In plaats van het anders gebruikelijke earbol-afwaschbad, werd aan
patiënte vóór de operatie een lysolbad eener Va procent oplossing gege-
ven, terwijl daarna kort vóór de operatie de buikwand, de uitwendige
genitaliën en de scheede met eene 2 % oplossing grondig gereinigd
werden.
Daar de 2 procent lysoloplossing als waschmiddel het zeepwater vol-
komen vervangt, wordt ook geen zeep meer gebezigd tot het wasschen
der handen. De instrumenten liggen in eene 2 procent, zijde en catgut
in eene 5 procent lysoloplossing. Na de opening der buikholte worden
de handen nog eens in eene 2 °/o lysoloplossing gereinigd, en daarna
wordt de operatie ten einde gebracht. Tot het uitbetten Van het bloed
worden met lysolgaas (5 °/0) overtrokken wattenproppen gebezigd. In
plaats van, zooals anders, met gaas en wattenproppen het bekken te rei-
nigen zonder het vooraf te hebben uitgewasschen, laat ik de peritoneaalholte
vol loopen met eene lysoloplossing van \'/« procent van 30° li., spoel
ook bij eventratie, de darmlissen af en .bezig daarna lysolgaasproppen
om de vloeistof weder uit liet bekken te verwijderen. Het buikvlies wordt
met eene doorloopende lysolcatgutnaad gehecht, daarna worden naden
van zijde aangelegd, die echter nog niet worden toegeknoopt en den
geheelen buikwand met uitzondering van het buikvlies, doorloopen. Na
sluiting der buikholte, wordt de wond met l"/„ lysoloplossing afgespoeld,
eene tweede doorloopende catgutnaad die de spierlaag vereenigt, aange-
legd, terwijl eindelijk de zijden draden dichtgeknoopt en zoo de wond
gesloten wordt. Alvorens het verband, dat uit gaas en watten, deels ook
uit mos in platen bestaat, aan te leggen, wordt de wond en de naaste
omgeving er van nog eens met eene 2"/0 lysoloplossing afgewasschen.
-ocr page 41-
7
In 12 gevallen van laparotomie, waarvan 3 gevallen van castratie wegens
degeneratie der ovaria (kleine kysten) als zeer gemakkelijk te opereeren
beschouwd konden worden, en waarbij dus ook de operatie korter duurde,
heeft deze wijze van behandelen een buitengewoon goed succes gehad.
Behalve in deze 3 gevallen, werd onder aanwending van lysol, laparotomie
verricht in 3 gevallen van uniloculaire ovariumkysten, van af de grootte
van een vuist tot die van een menschenhoofd, welke gedeeltelijk over groote
oppervlakten aan het bekken en met de ingewanden vergroeid waren, —
twee gevallen van dubbele en één van enkele pyosalpinx, — een geval
van tuberculose der beide tnbae en 2 gevallen van multiple fibromyomen,
die door supravaginale amputatiën werden genezen. Al deze ingrij-
pende kunstbewerkingen verliepen volkomen zonder eenige reactie, en
dat terwijl bij een der beide salpingotómiën de met etter gevulde tuba-
zak berstte en een groot deel van den gonorrhoeisch geïnfecteerden
inhoud in het bekken geraakte. Deze patiënte kon zelfs reeds op den
2ostcn jag ujt {|e kliniek worden ontslagen. In alle gevallen genas de
buikwond per primam. De naden konden alle reeds van den 7(\'n tot
den 13™ dag worden verwijderd. Naziekten, zooals die somwijlen, uit-
gaande van den operatiestomp, worden waargenomen, zijn tot nu toe niet
voorgekomen.
Van eenige toxische werking van het Lysol, die toch zoo licht zouden
hebben kunnen voorkomen bij een orgaan dat zoo gemakkelijk resorbeert
als het buikvlies, indien het lysol in de gebezigde concentratie giftig
werkte, werd niets bemerkt. De urineafscheiding werd in de eerste dagen
aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen, omdat het vermoeden voor
de hand lag dat zich door de inwerking van het Lysol, bij zijn grooten
rijkdom aan pbenolen, galklenrstof in de urine zou vertoonen; ik bevond
echter slechts dat de urine op den 2cn dag een meer aromatische reuk
bezat dan anders misschien; dit kan echter even goed toevallig zijn
geweest. Wat betreft de hoeveelheid en de samenstelling der urine, daarop
heb ik, door de aanwending van Lysol, geen invloed gezien.
Grootere voordeelen nog dan in de chirurgische practijk, kunnen we,
na de tot nu toe opgedane ervaring, van het gebruik van Lysol in de
verloskundige practijk verwachten. De gevallen waarin ik liet bij verlos-
kundige operatiën kon bezigen — waartoe ik ook reken de verwijdering
van achtergebleven gedeelten bij abortus — zijn trouwens niet zeer talrijk.
Zes malen werd het bij abortus aangewend. In twee daarvan was reeds
infectie ingetreden. In den uterus bevonden zich stinkende, geheel verrotte
massa\'s; temperatuurverhooging tot boven 40o/0 ; frequente, kleine pols van
120 tot 140 slagen; en niettegenstaande dat alles werd, na verwijdering
der rottende weefsels en uitwasschen der uterusholte met 2 procent
lysoloplossing, in korten tijd volkomen herstel verkregen. De temperatuur
daalde na aanwending van Lysol binnen 10 uren tot op het normale en
steeg niet weder. Geen verdere uterus-uitspoelingen werden godaan, doch
-ocr page 42-
8
slechts irrigatiën van de scheede met eene l°/o lysoloplossing. Veertien
malen werd het Lysol in de verloskunde aangewend, daarvan 6 malen
hij verwijdering eencr vastgegroeide placenta, eens hij kephalotrypsie en
7 malen hij liet aanleggen van den forceps. Het gevolg was steeds gunstig.
Verloop van het kraambed afebriel. Ook hier heb ik, hoewel de uterus-
holte in de eerste gevallen bijna altijd met eene 2% lysoloplossing werd
geirrigeerd, geen toxische werking kunnen bemerken. Gevallen van kraam-
vrouwenkoorts zijn niet opgemerkt geworden. Toch geloof ik naar mijne
ondervinding te rekenen, dat het ook daarbij niet dan heilzaam werken kan.
Ook normaal verloopende baringen, waarbij ik als verloskundige tegen-
woordig was — en zoo waren er 16 — heb ik in dier voege behandeld,
dat reeds bij het begin der weeën de uitwendige genitaliën met eene 2°/o
lysoloplossing gewasschen, en de scheede zoowel als het cervicaalkanaal
met dezelfde oplossing gereinigd werden. Noch vóór noch na de normaal
verloopende haringen werd eene verdere irrigatie gedaan, maar alleen
iederen keer na de urineloozing, de scheedeingang en de uitwendige
genitaliën met eene l°/o oplossing afgewasschen. In geen enkel geval
werd eenige storing in het verloop bemerkt.
In de vroedvrouwenpractijk is het lysol, na de opgedane ondervinding,
zeer bepaald te verkiezen boven het phenol, dat iedere vroedvrouw ver-
plicht is bij zich te hebben; want afgezien van de geringe oplosbaarheid
van het phenol, waardoor ik reeds meermalen gelegenheid had intoxicatiën
in \'t kraambed op te merken, heeft het Lysol daartegenover het groote
voordeel, dat het in eene geringe concentratie, waarin het zeker niet giftig
werkt, eene sterk desinfecteerende werking uitoefent, en dat een „te veel",
zoover als ik tot nu toe kon bemerken, niet schaadt. Het vervangt ook,
wat juist in de vroedvrouwenpractijk van groote waarde is, de door de
vroedvrouwen zoo gaarne gebezigde carbololie en vaseline, door het gebruik
waarvan misschien reeds dikwijls infectie is ontstaan. Daar het Lysol in
eene 2% oplossing de huid zeer glibberig maakt en de scheede na het
uitwasschen daarmede eveneens zeer glad is, zoo kunnen carbololie of
vaseline geheel gemist worden. Men heeft dan de zekerheid, met den
onderzoekenden vinger geene infectie naar binnen te brengen. Nog een
voordeel heeft het Lysol, afgezien van de gemakkelijke oplosbaarheid in
water tegenover het creolin, boven de andere in de chirurgie en verlos-
kunde gebezigde antiseptica, waardoor het zeker kan zijn van een algemeen
gebruik: het is de geringe prijs. Terwijl toch 1 kilogram Lysol 2.50 Mark
kost, komt het absoluut phenol op 10 Mark en het creolin op O Mark
per kilogram te staan. Dit is dus in de armenpractijk eene belangrijke
besparing.
Men zal nu zeker vragen, of dan het Lysol in \'t geheel geen nadeelige
eigenschappen heeft? Deze bestaan zeker, maar in zóó geringen graad,
dat ze aan de goede eigenschappen geen afbreuk doen. Als eerste nadeel
moet ik noemen de vroeger genoemde eigenschap: zijn zeepachtige geaard-
-ocr page 43-
9
heid. Daardoor maakt het de instrumenten en het hechtmateriaal, vooral
in eene 5 % oplossing, zoo glad dat men soms bij verloskundige opera-
tiën waarbij een stevig vasthouden der instrumenten in de meeste
gevallen noodig is, de handvatsels daarvan met heet water overgieten
of, zooals ik in den laatsten tijd deed, ze met een stuk in 5 % lysol-
oplossing uitgewasschen gaas omwikkelen moet. Bij eene 2 o/o lysolop-
lossing is natuurlijk de oppervlakte der instrumenten niet zoo glibberig,
maar toch omwikkel ik gewoonlijk ook bij gynaekologische operatiën de
handvatsels der grootere instrumenten met gaas. Een euvel waarop
elders reeds werd opmerkzaam gemaakt, maar dat toch niet groot genoeg
is om de voortreffelijke eigenschappen van het Lysol te verminderen, en
dat het bovendien met creolin en carbolzuur gemeen heeft, is het hin-
derlijke, brandende gevoel dat het op de huid en vooral op de slijmvlie-
zen veroorzaakt, en de vermindering van liet tastgevoel in de vingertoppen —
dit echter slechts in oplossingen van 1 % en bij langdurige inwerking.
Eene oplossing van \'/< procent brengt nog bij irrigatie der scheede eerst
een gevoelig branden te weeg, dat echter na meermalen herhaald te zijn,
in zeer korten tijd verdwijnt en de slijmvliezen zelfs tegen sterkere
oplossingen langzamerhand minder gevoelig maakt. Andere slechte eigen-
schappen of werkingen van het Lysol heb ik niet kunnen bemerken. Nog
kan worden vermeld, dat de oppervlakte van celluloïd-pessaria en -specula
door lang liggen zelfs in eene 1 °/o oplossing geheel ruw wordt.
Uit het bovenstaande vloeit voort, dat het Lysol in de chirurgisch-
gynaekologische practijk en in de verloskunde in eene concentratie van
0,3 % voldoende is om volkomen antiseptisch te werken. Voor eene
algeheele desinfectie der huid doet men wel eene 2 % oplossing te
bezigen. •
In hoeverre het Lysol misschien als inwendig geneesmiddel te gebruiken
is, zooals het creolin, en tot welken graad het bij deze aanwending op
den mensch niet giftig werkt, is nog niet uitgemaakt. Voor zoover mij
bekend is, worden ook over dat punt door anderen thans proeven geno-
men, waarvan de resultaten spoedig zullen gepubliceerd worden.
Wat de chirurgische en gynaekologische practijk betreft meen ik naar
mijne ondervinding, liet Lysol als een voortreffelijk en daarbij in de
gebezigde concentratie onschadelijk antisepticum te mogen aanbevelen.
-ocr page 44-
-ocr page 45-
*
-
.■ .

1
-
I
. - ,
/
^
#•->\'■                                                                                                                                                                                                                                                                >
•
\'

-
■ - -. ■
■;-.w«fss-->-*.<- >-^r-;:,.-.--\'--
■•\' --<;
-
•■
:
u -
.
-ocr page 46-
■"
,;♦;>* \'jk .♦;;♦; >; >.\'.♦; .♦; ;♦;■>; >; \',•; >:■\'.♦".♦; >; ;♦,\' *♦; ■;♦; ;♦; >;■>;■;♦;;♦;;•; ■;♦;■;♦; >; ■>; ;♦;■>; ;♦;;♦, ;♦;;♦;;♦;>;■>;>;;♦;>;;♦;;♦; :♦;■;♦; >;-:♦; ;♦;:♦; ■*♦:■>:
TRADB         ^«r--^^»^ MARK
>         De eenigst lekker smakende
l                    P E P T O N
I
:♦;                                                             is-
Kemmeriehs Yleesehpepton,
*                                                                                                                                                                                                                   ii
: aanbevolen voor zwakken, maaglij- |
♦                                                                                                                                                                                                                                    \'ff
*     ders, bloedarmoede en kindervoedsel §
*      doop de grootste medische speeiali-\' i
;♦                                                                                                                                                                                              v
>;                                                                                                                                                                  v
| teiten.                          •                                  %
\\           Volgens analyse van prof. FRESENIUS §
I 37.114°/o zuiver Pepton bevattend. 1

;♦;
\'♦•
v
*              Hoofdagenten voor Nederland en Koloniën,
\\                     BISDOM & VAN DEN BERGH
I                                       ANTWERPEN.
ï N.B. Voor proefnemingen wordt de benoodigde %
I
             hoeveelheid aan Heeren DOCTOREN op aan- I
|             vrage GRATIS verstrekt.
:•: *
^•f^WW\'WroW\'W^MS\'W^