-ocr page 1-
mn&o fsr./ffZXt
I
MENNO. SIMONS\'
PERSOON EN WERK HERDACHT.
REDE
OP DEN
Gedenkdag der Kerkhervorming
den «<!"» WOIEM BER 1892
UITGESPROKEN
DOOR
DR. J. HARTOG.
Predikant bij de Doopsgezinde Gemeente te Utrecht.
(Uitgegeven op verzoek van den Kerkeraad.)
U TEE C Hl,
L. E. BOSCH & ZOON,
1892.
-ocr page 2-
-ocr page 3-
MENNO SIMONS\'
PERSOON EN WEEK HERDACHT.
REDE
OF DEN
Gedenkdag der Kerkhervorming
den 6dcn NOVEMBER 1892
UITGESPROKEN
DOOR
DR. J. HARTOG,
Predikant bij de Doopsgezinde Gemeente te Utrecht.
(Uitgegeven op verzoek van den Kerkeraad.)
L. E. BOSCH & ZOON,
1892.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
«Want niemand kan een ander fondament
leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is
Jezus Christus."
(I Cor. 8 : 11.)
Wanneer wij de geschiedenis van ons geslacht beschou-
wen en overdenken, worden wij getroffen ook door dit
verschijnsel, dat er in sommige tijden zoo weinig mannen
zijn, die door hunne gaven boven de menigte uitsteken,
terwijl er in andere een overvloed van uitnemende gees-
ten voor ons oprijst.
Indien wij nu vragen, welke omstandigheden, naar den
mensch gesproken, hebben meegewerkt, om zulk eene
breede schaar van voortreffelijke mannen in hetzelfde tijdperk
aan te kweeken, vragen wij menigmaal te vergeefs. Ja!
wanneer wij niet verder gaan dan die omstandigheden,
zullen wij soms juist geheel iets anders verwachten. Wie
zich, om een voorbeeld te noemen, de beroemde Vader-
landers herinnert, die in \'t begin van deze eeuw het
hunne deden voor het herstel van onze onafhankelijkheid
vraagt, niet zonder verwondering, hoe die dagen zulke
mannen konden voortbrengen, terwijl het land toch in
een staat van ontbinding verkeerde, en het onderwijs op
de scholen, gelijk één hunner zelf verzekerde, melaatsch
was van den schedel tot de voetzool.
-ocr page 6-
4
Maar het geloof ziet hooger. Het ziet op tot God, die
de Heer der tijden is, en die de dingen, die niet zijn,
roept alsof zij waren, door zijne scheppende kracht.
En zoo was \'t ook in het laatst der 15de en het begin
der 16do eeuw, de eeuw der kerkhervorming. En één
dergenen, die hare geschiedenis beschreven, heeft dan
ook niet nagelaten, onder biddend opzien tot den Bestuur-
der aller dingen, zijne lezers te wijzen op de gelukkige
vereeniging van beroemde en wetenschappelijk gevormde
mannen, die de eigenlijke voorgangers en wegbereiders
van de Hervorming geweest zijn.
Dit geldt niet minder van de Hervormers zelven. En
terwijl in onzen tijd de wereld in opschudding wordt
gebracht, als er één is, die van zijne schouders opwaarts
boven zijne tjjdgenooten uitsteekt, waren er in de dagen
der Reformatie, om met het boek Genesis te spreken,
reuzen op aarde, in geen klein getal, wier namen nog
op de lippen van duizenden zweven , wier geschriften de
wereld door verbreid zijn, en van overoude tijden gelezen
worden overal, waar men een hart heeft voor de hoogste
belangen van het menschdom.
Niet allen echter zijn even groot. De eene ster verschilt
van de andere in heerlijkheid, gelijk Paulus zegt. Dit
houden wij in \'t oog, wanneer wij, op dezen gedenkdag
der Hervorming, meer in \'t bijzonder uwe aandacht wen-
schen te vestigen op Menno Simons. De Mennonieten in
Duitschland, — deze benaming is daar de gewone —
zijn het eerst opgetreden met het voorstel, om in dit
jaar op dezen dag aan Menno te gedenken, die in 1492
geboren werd. Elders, in Rusland en Amerika, vond dit
plan veel toestemming in de gemeenten der Doopsgezinden.
En ofschoon in ons Vaderland de belangstelling in deze
zaak niet meer dan eene bescheidene afmeting bereikte,
hier en daar heeft men zich toch opgewekt gevoeld , om
-ocr page 7-
5
op don eersten Zondag in November opzettelijk stil te
staan bij den persoon en het werk van Menno , den zoon
van Simon, die bij velen van onze geloofsgenooten als hun
geesteljjke Vader geldt.
Tot dien arbeid heb ik mij heden opgemaakt in de
hoop, dat I Cor. 3:11 mij daarbij goede diensten zou
kunnen bewijzen. Die tekst toch was de geliefde spreuk
ven Menno, en werd daarom ook als motto gezet voor
de uitgave van zijne werken, die in 1681 het licht zag.
Menno zelf heeft geschreven in het plat-Duitsch ot Oos-
tersch, zoo genoemd, omdat het in de landen aan de
Oostzee gesproken werd. De uitgave nu van zijne werken
is in het Nederlandsch, en deze overzetting is helaas!
zeer gebrekkig, tot groote schade voor de kracht van het
oorspronkelijke. Hiermede hebben wij ons echter aan
deze plaats niet verder bezig te houden, waar wij tot
andere beschouwingen worden geroepen. God geve, dat
hetgeen wij gaan overdenken medewerke, om ons den
zegen der Reformatie hooger te doen waardeeren. Mocht
het zijn tot versterking van het onderling geloof, zoo wel
het uwe als het mijne , opdat wij , toetredende tot den
levenden steen , door de menschen wel verworpen , maar
bij God uitverkoren en dierbaar, ook nu als levende
steenen worden opgebouwd tot een geestelijk huis!
De gelegenheid van den dag dringt mij terstond te
beginnen met den man , wien wij ons hebben voorgeno-
men een woord ter gedachtenis te wijden. Gunt mij hem
eerst bij u in te leiden als een man, die, in moeielijke
dagen tot de Doopsgezinden overgegaan, veel voor hunne
zaak over gehad en ze krachtig bevorderd heeft. En als
wij hem als zoodanig hebben leeren kennen, wensch ik
er u op te wijzen, hoe hij, sprekende ook nadat hij ge-
storven is, ons heden in dezen zijnen lievelingstekst een
kostelijk woord ter overdenking geeft.
-ocr page 8-
6
I.
In \'t laatst der 15do eeuw begonnen de gemoederen in
deze gewesten onrustig te worden. "Wel was men tevre-
den met het burgerlijk bestuur, en was er, naar het schijnt,
ook welvaart genoeg, maar op het gebied van geloof en
kerk was er veel te klagen en nam de beroering der
geesten steeds toe. De geestelijkheid stond voor een groot
deel ter slechter naam en faam, van wege hare onkunde,
onverschilligheid voor de gemeente, en onzedelijk leven.
In de kloosters vooral zag \'t er treurig uit, en er gingen
geruchten door het land van schier ongeloofelijke onge-
bondenheid , te Haarlem, hier ter stede, te Helmond, te
Schiedam , te Lidlum, in Zuid en Noord, onder de oogen
van den Bisschop van Utrecht en tot aan de grenzen des
lands. Geen wonder, dat de vromen en de lieden van
goede wille hierdoor werden geschokt, en de vraag op
veler lippen was, hoe men aan kon nemen, dat zij de
waarheid leerden, die zóó goddeloos leefden ?
En ook ivat de kerk leerde begon niet weinig aanstoot
te geven. Hier leerde men op de scholen, dat hetgeen
de priesters zeiden van het Avondmaal, in strijd was met
de kennelijke bedoeling van den Heer ; en stellingen van
dezen aard vonden allerwege instemming in de kringen
der geleerden en geletterden. Elders stond een monnik
op, het was Pater Nicolaes Peeters te Delft, die in \'t
openbaar den volke verkondigde, dat de mensch alleen
behouden werd door Gods genade ; dat vertrouwen op de
Heiligen niet anders was als bijgeloof, en dat de verloren
zoon te prijzen was , dat hij niet liep naar Rome of naar
St. Jacob, maar dat hij tot zijnen Vader zelf ging. En
van het gansche land kon gelden, wat reeds in 1519 van
Dordrecht werd gezegd, dat de groote dwaling dagelijks
meerder werd. Het duurde niet lang, of Staat en Kerk
-ocr page 9-
7
sloegen de handen ineen, om deze bewoging der geesten
met geweld te bedwingen. In rook en vlammen werd
menige stem gesmoord. In bloed en tranen vierde men
den ondergang der ketterij.
Maar reeds was een andere storm opgestoken van de
zijde dergenen, die zich evenmin konden vereenigen met
den Doop der Roomsche kerk als met haar Avondmaals-
leer.
Uit den vreemde kwamen zendelingen en apostelen
met deze nieuwe ketterij , die weldra in ons vaderland
hare aanhangers bij duizenden telde , vooral onder de een-
voudige burgers en de kleine luiden. Helaas ! elk tijd-
vak , waarin groote veranderingen plaats grijpen, brengt
ook allerlei onedele bestanddeelen als uit de diepte naar
de oppervlakte, en heeft zijne drijvers en dweepers, door
wie de stillen in den lande overvleugeld en op dwaalwe-
gen gebracht worden. Zoo ging het ook hier. Terwijl
in deze kringen voor goed met het oude gebroken werd ,
en de mondigheid der geloovigen met kracht gepredikt
en gehandhaafd werd tegenover Kerk en Staat, liep men
gevaar de Christelijke vrijheid verkeerd te verstaan, ave-
rechts toe te passen, en te gebruiken tot eene oorzaak des
vleesches. De jarenlange onderdrukking en verwaarloo-
zing van de heiligste belangen deed honderden en dui-
zenden begeerig luisteren naar beloften van herstel, van
dadelijk herstel, van de komst van den Heer en het Dui-
zendjarig Rijk, verkondigd en aanbevolen in de hoog
gekleurde, tot de zinnelijkheid sprekende taal der Pro-
feten. En het einde is bekend. Als het strenge plakkaat
des keizers van den 10den Juni 1535 alle voorstanders van
den doop op belijdenis, onverschillig of zij hun gevoelen
herriepen of niet, ter dood veroordeelde, werden de geesten
nog meer geprikkeld tot verzet, tot daden van geweld,
van wedervergelding en wraak. Op onstuimige samen-
komsten blijkt het echter, dat er ook zijn van een anderen
-ocr page 10-
8
geest, van een kalmer natuui\' en van een vrediger zin ,
die met schrik en beving zien, wat er dreigt te geschie-
den, indien het den heethoofden gelukt de menigte der
gedoopten aan hun snoer te krijgen. Als zij scheiden,
gaan zij niet meer als vrienden en geestverwanten uiteen.
Het vuur der beproeving scheidt het schuim van het goud.
En hoevelen er ook zouden worden meegesleept tot het
bedenken van dingen, die niet uit God waren, daar bleef
eene groote schaar van goedgezinden over, wier doel geen
ander was dan leden te mogen worden en te mogen zjjn
van eene gemeente van wedergeborenen, die, uit de zondige
wereld en eene bedorven kerk uitgegaan, aan Christus
toebehooren als hun Koning en Heer.
En bij dezen nu, die niets liever wilden dan in een-
voudigheid des harten Hem te dienen, aan wien zij bij
den Doop zich verbonden hadden, heeft Menno Simons
zich gevoegd, ter goeder ure, in den weg Gods. Het had
lang geduurd, eer het zoo ver kwam. Eerst had hij als
kapelaan te Pingjum, en kort daarna als pastoor te Wit-
marsum , zijne geboorteplaats , te worstelen met de leer
der kerk aangaande de verandering van het brood en den
wijn in het lichaam en het bloed des Heeren. En straks,
als hjj hoort van menschen, die den marteldood stierven,
omdat zij van den Kinderdoop niet wilden weten , werd
hij ook door deze, voor hem gansch en al nieuwe leer,
getroffen en tot nader onderzoek van de Heilige Schrift
geleid. Maar er gaat nog menige maand voorbij, zonder
dat hij den moed vindt om te breken met zijne kerk.
Zijn geestkracht, zegt hij zelf, was in dien tijd niet groot.
Maar eindelijk wordt hetgeen als waarheid zich aan hem
opdrong, hem te machtig, en den 12den Januari 1536 legde
hij zijn ambt neder , zonder dat hij eenig ander middel
van bestaan had.
Reeds had hij zijne stem doen hooren tegen Jan van
-ocr page 11-
9
Leiden en de Wederdoopers van Munster, met hunne gruwc-
len. En de roep ging reeds van hem uit, dat hij een
Evangelisch prediker was en dat hij sterk overhelde naar
de zijde der Doopers. Want na zijn uitgang uit het Paus-
dom bezocht hij zijne aanhangers wel in \'t geheim on
predikte hij in stilte , maar ziju naam werd hoe langer
hoe meer bekend. De Inquisitie volgde zijn spoor en liet
nog in dat zelfde jaar twee broeders te Witmarsum ter
dood brengen , omdat zij hem hadden geherbergd.
Maar ook de oogen der verdrukten begonnen zich op
hem te richten , terwijl zij te midden van al de ellende
en de verbijstering der vervolging uitzagen naar raad en
hulp en steun, die God genadig over hen mocht beschik-
ken. En zoo gebeurde \'t, dat er in het voorjaar van
1537 eenige mannen tot hem kwamen in zijne stille wo-
ning , die met hem waren één hart en één ziel. En zij
verzochten hem, gelijk ons verhaald wordt, met veel
bidden van wege de godvruchtigen , die met hen in gelij-
ken geest en zin wandelden, dat hij toch den grooten
zwaren jammer en nood der arme bedrukte zielen een
weinig behartigen wilde, en zijn pond , dat hij van den
Heer onwaardig had ontvangen, tot winning besteden
mocht, want de honger was groot en de getrouwe huishou-
ders gansch weinig. Na veel gebed en overdenking gaf
Menno toe. Weldra werd hij onder handoplegging door
Obbe Filips te Groningen tot Oudste aangesteld, en begon
hij er, zooals het geschiedverhaal meldt, naar luid van
Gods heilig Woord te leeren en te doopen, op \'s Heeren
akker met zijne gaven te arbeiden, aan zijne heilige stad
en tempel te bouwen, en de vervallen steenen weder aan
hunne plaats te voegen.
En ziedaar ons reeds gebracht tot de vraag, wat hij ,
die zich nu voor goed bij de Doopsgezinden had aangeslo-
ten, voor hunne belangen heeft gedaan ? In de eerste
-ocr page 12-
10
plaats heeft hij de gemeente te Groningen gediend, in
stad en lande. Menigvuldig ware de tochten, die hij deed
door Groningen, Friesland en Holland, waarop hij, samen
met Dirk Filips, de verstrooiden tot gemeenten verza-
melde, en telkens meerderen voor zijne gezindte won. Op
zulke tochten was hij schier alle dagen in perikel. En
hij bovenal, die bij de geestelijkheid der Roomsche kerk
al spoedig bekend stond als een der bekwaamste en schraii-
derste aanvoerders van zijne partij. Toen hij echter in
het late najaar van 1543 om de hitte der verdrukking ons
vaderland voor goed verliet, waar hij dus eigenlijk maar
zes jaren werkzaam is geweest, hoopte hij elders in vrede
te kunnen arbeiden. Eerst vond hij rust in Embden.
Maar toen in het volgende jaar alle Wederdoopers uit
Oost-Friesland verdreven werden, vluchtte hij naar de
streken bij Keulen, totdat hij , ook van daar verjaagd,
ten leste zich in Holstein vestigen mocht, waar hij twaalf
jaren woonde, en ook stierf. Die twaalf jaren was hij
onvermoeid bezig met het bezoeken van zijne geloofsge-
nooten aan de kusten van de Oostzee. Overal bracht
hij door den doop een tal van nieuwe leden tot de ge-
meente; altijd onder hevig verzet van de zijde der over-
heid, maar beschermd door Graaf Fresenburg, die hier
te lande bij het leger had gediend , en er, te midden van
de woede der vervolging en den gloed der martelaarsvu-
ren, een beter dunk had opgedaan van mannen als Meuno,
dan de burgemeesters van Hamburg, Lubeck, Rostock,
Straalsund enz , die als een eenig man zich hadden op-
gemaakt, om alle Mennonieten uit hunne landpalen te
verdrijven.
Intusschen was en bleef hij werkzaam en ten zegen in
steeds ruimer kring , en dat wel door een ovefvloed van
geschriften. In de eerste helft der 16c is hij onder de
niet Katholieke schrijvers misschien de vruchtbaarste van
-ocr page 13-
11
allen in het opstellen van stichtelijke traktaten, van
schriftverklaringen , troostbrieven , liefelijke vermaningen ,
die voor een deel voor ons liggen in zijne werken. In
breeder opgezette geschriften bestrijdt hij de Munstersche
"Wederdoopers en hunne godslastering , ontwikkelt hij zijn
eigen geloof, verdedigt hij het punt van den Doop en den
Eed, en handhaaft hij de gevoelens van zijne vrienden
en volgers tegenover de aanvallen , aan welke zij gedurig
blootstonden. Hij is geen geleerde als Calvijn, boven
alle zijne tijdgenooten verheven door zijn grootschen arbeid
op het gebied der leerstellige godgeleerdheid en der
uitlegkunde. Hij is geen dichter en profeet als Luther,
en hij zal Gods gemeente niet verkwikken met eene
kostelijke vertaling van de Heilige Schrift. Ook zal hij
geene liederen maken , die als heilige psalmtoonen zullen
ruischen door de gewelven der Christelijke tempels. Maar
hij woekert toch met zijn pond , en men heeft niet te
vergeefs een beroep gedaan op zijn mededoogen met den
zwaren nood der bedrukte zielen. Hij zal de twistge-
sprekken met geleerde tegenstanders niet ontwijken. Hij
zal toonen wèl ervaren te zijn in de Schrift, en in de
werken der kerkvaders geen vreemdeling te wezen. Yoorts
is hij welbespraakt, vertrouwd met de pen , en gevat,
met eere de plaats bekleedend , waarop hij gezet is ; gelijk
hij dan ook door degenen , die met hem twistten, erkend
werd als een tegenstander, met wien het de moeite waard
was zich te meten.
Zeer zeker bleef er menig duister punt, dat hij ook
niet helder kon maken. Soms was zijne opvatting vreemd
en zijne misvatting groot. De hardheid waarmede hij in zijne
laatste levensjaren het leerstuk dreef van Ban en Mijding ,
en het daar heen wilde leiden, dat niemand om mocht
gaan met een Broeder of eene Zuster, die uit de gemeente
gebannen was, en dat dit ook zou gelden tusschen Echt-
-ocr page 14-
12
gcnooten , was cene grootc dwaling, \'t Ging ook hem,
gelijk hot ieder gaat. Wat op dit Fondament gebouwd
wordt, zegt de Apostel in het volgende vers, is niet altijd
goud , zilver of edelgesteente, maar daar is ook hout en
hooi, dat van geen waarde is en van geen duur. En zoo
is het ook met die gemeente zonder vlek of rimpel, die
hij hier beneden mogelijk scheen te achten, Op dit punt
heeft hij gesproken en gehandeld, alsof hij nooit de ge-
lijkenis had gelezen van het onkruid onder de tarwe ,
en niets verstond van een samen opgroeien tot don dag der
scheiding, die het werk was van den lieer alleen, daar
er toch onder zijne dienstknechten op aarde geen enkele
was, in staat om hier met wijsheid te onderscheiden en
te handelen naar recht.
Maar indien hij onder de helden der Hervorming geen
eerste plaats inneemt, wat ik gaarne wil erkennen , dit
reken ik eene bijzondere verdienste in hem , dat hij zijn
leven lang geijverd heeft tegen alle geweld op het gebied
van het Koningrijk Gods. Niet door kracht of geweld,
maar door den geest des Heeren moest het geschieden. Als
andere mannen onder de Protestanten in \'t openbaar, on
onder goedkeuring van velen, de stelling verdedigden,
dat zij, die afweken van het rechtzinnig geloof en Ketters
waren, met het zwaard moesten worden bedwongen en
gestraft, oordeelde Luther, dat men op die wijze do gru-
welen van de Inquisitie ook wel kon verdedigen. En hier
is Memio een geestverwant van den man van AVittcnbcrg.
In een zijner brieven noemt hij Calvijn, die Servet ver-
branden liet, omdat hij afweek van de leer der Kerk ,
oen „man des bloeds". Hij is van hom afkeerig.
Weinigen stonden in dit opzicht even hoog als hij.
En zeker was hij zijn tijd ver vooruit, als hij alles wat
naar oorlog zweemt met alle kracht bestrijdt. In onze
dagen hoort men allcrwego van een Vredcbond , en van
-ocr page 15-
18
mannen , die aan den krijg den oorlog hebben verklaard.
Zij beijveren zich om aan te toonen, hoe niets onmen-
schehjker is dan een bloedig oorlogsvcld, en hoe het
cenc der eerste vruchten van cene Christelijke beschaving
moest zijn, dat de volken , in vrede levend en zich ont-
wikkclend, geen legers meer zullen behoeven. Maar
vierhonderd jaar geledon heeft Menno Simons reeds met
kracht voor dat beginsel gestreden. Hoe liefelijk klonk
in zijne ooren de verwachting van don profeet, dat men
nergens leed zou doen op den berg van des Hoeren hei-
lighcid ; dat de volken hunne zwaarden zoudon slaan tot
spaden , hunne spiesen tot sikkels , en dat zij geen oorlog
meer zouden loeren. Och ! zegt hij , als de arme domme
wereld maar wilde aannemen, wat de Heer Christus zoo
duidelijk leert, en als zij in gehoorzaamheid dat maar
trouwelijk wilden nakomen, dan kon men al de doodelijkc
zwaarden tot ploegijzers maken , poorten en muren afbreken,
beulen en henkers afdanken Want de ware volger van
den Heer zal niemand iets kwaads toewenschen , en nog
veel minder met de daad hem onrecht doen of leed , daar
zij toch kinderen des Allerhoogstcn zijn, die Hem lief
hebben en wandel» n naar zijn woord.
En hij staat hoog genoeg om het onderscheid tusschen Oud
en Nieuw Testament niet uit het oog te verliezen, wat in die
dagen toch door velen werd gedaan. Als hij Abraham toekent
in zijne bercidvaardigheid om ten strijde te trekken tegen
de Koningen, die Loth hadden weggevoerd, zegt hij, dat
wij zulk een gedrag moeten volgen , maar „Evangelischer
wijze". Want het helpen met den zwaarde is aan alle
waarachtige Christenen door hun Heer verboden. En het
heet nu in het N. T. bij alle rcchtgeloovigen, dat zij hun
moed en hunne kracht hebben te betooneu op andere wijze
dan door vechten en strijden. Als wij, zegt hij, onder
den indruk van den tijd, waarin hij leeft, als wij, onze
-ocr page 16-
14
broeders in nood ziende on verdreven om des Hecrcn woord ,
onze deuren niet voor hen toesluiten, maar hen in onze hui-
zen ontvangen, hen spijzigen, hun handreiking doen, troost
en bijstand in droefenissen geven, en hierin overvloedig zijn
en volharden, ofschoon wij ook airede wisten, dat wij het
met den dood bekoopen moesten, dat is het zetten van ons
leven voor onze vrienden, gelijk Christus het vraagt, en
waarin Hij zelf den zijnen is voorgegaan, die gewillig voor
ons ging in den dood, opdat wij door Hem mochten leven.
En deze zedelijke moed heeft hem zelven, toen hij
eenmaal den strijd had aanvaard, niet ontbroken. Veel
heeft hij geleden om het geloof; veel heeft hij over gehad
voor die verachte en verdrukte menigte. Duizenden was
hij , in zijne getrouwe zorg , onder moeite en verdriet,
tot een rijken zegen. „Als droevig zijnde, doch altijd
blijde; als arm, doch velen rijk makend; als niets heb-
bende, en nochtans alles bezittende", \'t geldt ook van hem.
Den 13Jcn Januari van het jaar 1559 riep do Heer hem
van zijn post, waar hij gedaan had, wat hij kon. \'t Bleef
niet zonder vrucht. Naar zijn voorbeeld reisden de Oud-
sten, eerlang vertienvoudigd, de gemeenten rond, en vor-
spreidden er zjjne gevoelens. Ja! eer hij ontsliep, zag
hij van den Weichsel tot aan Vlaanderen\'s kusten de ge-
dachte verwezenlijkt, die het leidend beginsel van zijn
leven was geworden, de Stichting van eene Broederschap
van vrije gemeenten , die hierin alleen hare eenheid
zochten, dat zij op het ééne Fondament te zamen opge-
bouwd werden tot eene woonstede Gods in den geest.
Zoo getuigt een man, die jaren lang het leven en
bedrijf van Menno tot het voorwerp van een zeer nauw-
keurig onderzoek heeft gemaakt \'). Maar hij laat zich
(\') Ik bedoel onzen Oud-Hooglecraar, Dr. J. G. de Hoop Scheffer, wiens
arbeid in dit opzicht boven mijn lof verheven is, en dien ik, bij het op-
stellen van deze Rede, menigmaal in stilte voor zijne voorlichting dankte,
gelijk ik \'t nu openlijk doe.
-ocr page 17-
15
niet in met de vraag, wat er van dit alles geworden is?
Helaas ? de geschiedenis meldt ons, hoeveel onkruid
zich vertoonde onder de t arwe; hoe veel hout en hooi
en stoppelen op dit Fondament werd gebracht; hoe de
slagader van het Christelijk leven ook hier Hauw begon
te kloppen , en hoe do wereld inbrak in die kudde, die
niet van de wereld wilde zijn. En waar is eene gemeente
onder ons, die zich heden toetst, met haar geloof en
haar leven, aan hetgeen Menno heeft gewild, die zich
niet diep heeft te schamen ? Verootmoedigen wij ons
voor God en den Heer onzer belijdenis, van wege onze
vele tekortkomingen en de flauwheid onzer harten!
Mocht het zegen werken overal, waar de Broederschap
de gedachtenis vernieuwt van het goud, het zilver en
de kostelijke steenen , die Menno bouwde op het Fonda-
ment, dat daar ligt. In September van 1879 werd door
de Nederlandsche Doopsgezinden voor Menno te Witmarsum
een gedenkteeken opgericht. De milde bijdragen, ook uit
Duitschland, .Rusland en Amerika gezonden, getuigden
van den eerbied, dien men koesteren bleef voor zijn
persoon en werk. Mocht er in ons hart een monument
verrijzen, dat sterker is dan marmer en metaal, en Godc
alzoo eere worden gebracht voor dezen trouwen knecht,
dien Hij, in dagen van grooten nood, voor vele arme
en bedrukte zielen genadig tot een herder heeft beschikt!
II.
Het Fondament, waarop de gemeente rust met haar
leven en hoop, waarop alleen veilig kon worden voort-
gebouwd, en waarop zij alleen hooger kan rijzen naar
het eens gemaakt bestek, dat Fondament is Jezus Christus.
Dat is zijn volle Naam; Jezus, die zijn volk zalig
maakt van hunne zonden, Christus, de gezalfde met Gods
-ocr page 18-
16
Geest, de Koning, beloofd , gezonden en gewijd , om in
hot Koningrijk der onbewegelijke dingen te bcerschen.
Glorievolle verschijning, die in alle bare openbaringen
hot kenmerk draagt van het goddelijke! Gelegd „zegt
Paulus, is dit fondament, en hij meent: door God. Dus
is bet vast. Het is de Wijsheid en do Kracht van God.
Do weg, die ons door en in Hem aangewezen wordt, is
veilig. De "Waarheid, die Hij openbaart, is de Waar-
hoid, onmisbaar en genoeg. Het leven, dat Hij heeft en
geeft, is het ware, het door God gewilde, voor het
menschdom zalige, het eeuwige leven. En Jezus Christus
is het eenige Fondament, nu en altijd. En niemand
kan een ander loggen; het geestelijk leven der gemeente
kan op een anderen grondslag niet worden opgetrokken.
In zijne plaats kan men niemand zetten, en niets. En
terwijl de geschiedenis bewijst, dat elke afwijking van
dit Fondament der gemeente ten verderve was, leert zij
tegelijk, dat het haar altijd ten zegen gedijde, indien zij
rusten bleef op, of terug keerde tot den grondslag , door
God gegeven.
Merkwaardig is \'t om to zien , in welk licht dit woord
van den Apostel voor Menno zelvon heeft gestaan, te midden
van do moeite en do zorgen, die hij dagelijks had te dra-
gen. Getrouwe Broeders, schrijft hij, neemt waar ! Deze
edele, eenige en wel geschikte hoeksteen, grond en fon-
dament in Sion, ons van den Vader bereid, om er „de
gansche Timmoragie van ons geloof" op te fondeeren en
te zetten, is alleen Christus Jezus. Allen, die op dezen
grond recht gebouwd worden, zullen door „bet vuur der
tribulation" niet verteerd worden, en door niets omver ge-
stooten, hoe hoog on hoe hard zij ook verzocht worden.
Want zij zijn alzoo op Christus gefondeerd, ■ alzoo door
het geloof bevestigd en door den Heiligen Geest alzoo in
het woord verzekerd, dat hen al do wreede en bloedige
-ocr page 19-
17
Nero\'s, die onder den gansenen hemel zijn, niet vermo-
gen af te koeren van de reine leer van Christus en dat
onstraffeljjk vrome leven, dat uit God is. De laatste
twintig jaren, en dit schreef hij in 1538, was dat bij
velen duidelijk genoeg gezien. En der martelaren moed
en getrouwheid, vastigheid en verzekerdheid in Christus
teekent hij in deze krachtige woorden : Want zij , zoo
onbewegelijk als de berg Sion, hebben als strijdbare rid-
ders en dappere, vrome getuigen Christi voor \'s Heeren
woord en waarheid tot in den dood gestreden. Zij doen
het ook nog, Gode zij eeuwig lof, alle dagen ! En deze
zelfde steen leidt zóó vast in hunne harten besloten, en
is door het geloof alzoo in hunne zielen verzegeld, dat zij
ook in den allerhoogsten nood niet achten noch op Vader
noch op Moeder, op vrouw noch kind, op geld noch goed,
op leven noch dood !
Te midden van de hitte der verdrukking treedt deze
gedachte bij Menno op den voorgrond, als hij handelt over
het Fondament, dat daar ligt. Maar als wij, op den ge-
denkdag der Hervorming, daaraan andere gedachten ver-
binden , vinden wij ook die bij hem. Laat hij nog eens
tot ons spreken, ook nadat hij gestorven is.
Wij prediken, had de Apostel te voren gezegd, Christus,
de Wijsheid Gods en de Kracht Gods; Christus, die ons
van God geworden is wijsheid, en rechtvaardigheid, en
heiligmaking, en verlossing. Deze Christus nu was het
Fondament; maar daar was geen stuk van dezen grond-
slag, dat men niet beproefde te verzwakken, te vervalschen,
of door iets anders te vervangen. Treurig is het tafereel
van het bederf der kerk, dat ook in de geschriften van
Menno voortdurend wordt opgehangen. Een enkele trek
zullen wij er aan ontleenen.
De eenige. Wijsheid moest het aanzien, dat zij door
leeringen van menschen verdrongen werd, en overscha-
-ocr page 20-
18
duwd door overleveringen, die haar onkenbaar maakten.
En zoo kan men weten, klaagt Menno, wat voor leeraren
dat zijn, die het arme volk op legenden en fabelen wijzen,
op vierdagen, beelden, wijwater, kaarsen, palmen, biech-
ten, bedevaarten en missen , al te gader in de plaats gezet
van het levend en eeuwig blijvend Woord van God ! En
wat waren al die kastijdingen en boetedoeningen, bede-
vaarten en vasten anders als vruchten van een verkeer-
den geest, werken der eigengerechtigheid, waarmee men
meende zijne zonden te bedekken en den hemel te ver-
dienen ? Och ! waar was het Evangelisch geloof, dat
Christus eenmaal voor do zonde was gestorven, Hij
rechtvaardig voor de onrechtvaardigen , opdat Hij ons tot
God zou brengen, die het onderpand en de waarborg
was der allen omvattende, alles vergevende en voor altijd
voldoende genade Gods ? In de dagen , dat de laatste
hand gelegd werd aan den ïleidelbergschen Catechismus,
werd daarin van de Mis der Roomsche kerk gezegd,
dat zij eene miskenning was van de eenige offerande
van Christus; en, niet bevreesd voor een hard woord,
noemde men haar eene vervloekte afgoderij. En
wat heeft Menno van het Misoffer gezegd ? De Anti-
christ, verklaart hij , heeft met dit offer de gansche
wereld beroerd. En de barmhartige Vader moet eeuwig
geloofd zijn , die door zijne vaderlyke genade ons, ellendige
kinderen , van dit betooverde offer heeft bevrijd, en ons
het eenige en eeuwige offer van zijn Zoon heeft aan-
gowezen. En hiertegen , roept hij uit, mag noch Keizer
noch Koning, noch Doctor noch Meester, noch Engel
noch Duivel; het woord staat vast en onbewegelijk, Hij
heeft met één offer, ik zeg met één offer, volkomen
gemaakt in eeuwigheid , die geheiligd worden.
Zoo heeft hij in zijnen kring met heilig vuur den priester
bestreden, die den toegang tot den hemel zou moeten open-
-ocr page 21-
19
houden, die het werk van Jezus aanvult en voltooit, die straks
de vergeving van zonden voor geld verkoopt aan eene ge-
meente , die weten kon, dat zij niet door goud of zilver, maar
door het dierbaar bloed van Christus uit hare ijdele wandeling
is verlost. En als men dat weer leerde voelen en begrijpen ,
was \'t voor een deel ook Menno\'s werk. Ernstig en bij
herhaling heeft hij het op de harten gedrukt der velen ,
die zijne schriften gretig lazen. Zij nieten ons wel aan,
merkt hij op, dat wij de zaligheid zoeken in werken ,
woorden of sacramenten, maar wij zoeken ze alleen in
Christus. Niemand legt een ander Fondament, kan of
mag het doen. Maar die Hem aangenomen hebben door
een waarachtig geloof, die zijn „in genade" om Christus
wille, en hebben God tot een Vader, want zij zijn nu,
door het geloof, uit Hem geboren. Hij vergeeft hun alle
hunne zonden. Hij is medelijdend met hunne menschelijke
feilen en zwakheden. Hij keert van hen af den vloek,
den toorn en den eeuwigen dood. Hij neemt ze aan als
zijne lieve kinderen, en schenkt hun Christus Jezus
„met al zijne verdiensten, vasten, bidden, tranen, lijden,
smarten, kruis, vloek en dood; en daartoe ook zijn
geest, erve, rijk, heerlijkheid, vreugde en leven, en dat
zeggen wij, niet uit onze verdiensten en werken , maar
uit genade door Christus Jezus."
Mij dunkt het is klaar genoeg, wat Menno oordeelde
over de rechtvaardigmaking door het geloof, waarin het
hart zit van de Reformatie. Ook ziet hij duidelijk in,
en zegt het met heldere woorden, hoe hier het Christe-
hjk leven uit groeien moet. Uit vele verklaringen kies
ik eene enkele, die mij bijzonder trof als proeve van zijn
Evangelisch geloof. Al degenen, zegt hij, die gelooven,
moeten dat in hunne werken toonen. Diepgaande is zijne
verontwaardiging over hetgeen hij rondom zich in Duitsch-
land bij velen zag, die in hunne leerheiligheid , en ten
-ocr page 22-
20
eencnmalc verkeerd oordeelende over het zaligmakend
geloof, maar al te los heenliepen over hetgeen de zalig-
makende genade onderwees, dat wij matig, rechtvaardig
en godzalig zouden leven in deze tegenwoordige we-
reld. Ook gaat het hem zeer aan zijn hart, als hij hoort
wat Luther oordeelde over den brief van Jacobus, dien
hij een brief van stroo had genoemd, omdat het geloof
hier op den achtergrond was gezet. Dit is, volgens
Menno, niets dan een treurig misverstand, daar toch in
dien Brief niets anders bestraft werd dan een lichtvaar-
dige leer en een ijdel geloof. Maar het ware geloof, dat
ook Jacobus lief is, brengt vruchten voort van eene edele
natuur. Alle de zoodanigen, zegt Menno, die de godde-
hjke genade in Christus hebben aangenomen , en in „de
kist van hunne conscientie" hebben ingesloten, worden
vredig en vrolijk in den geest. Zij danken God met
nieuwe harten, want de kracht des geloofs beroert en
verandert ze, en verzet hen in nieuwe menschen, die ge-
hoorzaam zijn aan hunnen God om de rijke liefde, aan
hen bewezen, voor niets bevreesd als voor dit ééne , dat
dat zij om eenigc goddeloozigheid zouden vallen uit Gods
gunst.
Geloofd, roept hij uit met den Apostel, en wij met
hem, geloofd zjj de Vader der barmhartigheid, die dit
Fondament heeft gelegd, waarop wij het huis onzer hope
bouwen voor dit leven en daarna! Heerlijk toch is de
kring der gedachten , waai\'in de mannen der Hervorming
ons overzetten. De ademtocht van den Heiligen Geest
komt ons tegen, als zij hun goud en hun zilver brengen
op het Fondament, dat daar ligt. \'t Is door Jezus Christus,
dat wij worden toegelcid tot Gods genade, die ons recht-
vaardigt om niet. In Hem alleen zoeken en vinden wij
verzoening en vrede voor ons vreezend hart. In zijn
Naam alleen bidden wij, en sterken wij ons in den trou-
-ocr page 23-
21
wen God, die ons niet begeelt of verlaat. Op Hem alleen,
den Verlosser en Levensvorst, wijzen wij onzen- sterven-
den, als zij genaderd zijn tot de poorten der eeuwigheid.
En dat wij door en in Hem alleen bevrijd zijn van de
vreeze en het geweld des doods, dat is de wetenschap, en
het uitzicht, en de troost van allen, maar ook van hen
alleen, wien Hij de macht gaf kinderen Gods te zijn.
Het Fondament, door God gelegd, zien wij door Zijne
almachtige genade beschermd en bewaard. Nooit heeft
het der gemeente, bij haar gedurig dwalen, afzwerven
en verachteren van de waarheid, ontbroken aan mannen,
die haar naar den éénen hoeksteen hebben teruggeleid.
Zoo was \'t in de dagen der Hervorming, en wij, die er
aan mogen denken, worden gestemd tot een blijden roem
in den getrouwen God. Hoe duidelijk is Gods hand te
zien in de grondlegging der gemeente ; hoe duidelijk ook
in hare vernieuwing en herstelling ! Daar zijn tijdperken
in de geschiedenis, waarin de leiding en de besturing
Gods in nevelen gehuld is. De dwaze roepen, of zeggen
in hun hart: daar is geen God! Maar in het tijdperk ,
waaraan wij heden gedenken, loopt alles zamen om Gods
bestuur voor ons in een helder licht te zetten. Wij be-
gonnen met die gedachte; wij vatten ze nog eens op,
en wij leggen ze u nog eens voor. Welk een samenloop
van allerlei omstandigheden, die medewerken tot het zelfde
doel! Welk een rij van groote mannen staat er op, in
alle landen van Europa, zoovelen in getal, dat gij in een
ander tijdperk de wederga te vergeefs zult zoeken. Daar
is een adem des levens over de wereld gegaan, een
machtwoord van den Vader der geesten, die geesten
schept, opdat zij Hem dienen en zijn Rijk. Hier geleerd-
heid en scherpzinnigheid; ginds de gave der talen en van
-ocr page 24-
22
het woord, overal de kracht der liefde en de macht van
het geloof, dat bergen verzet. Het zijn mannen van ka-
rakter, die weten en durven wat zij willen. En zij hebben
hunne zielen overgegeven voor den Naam des Ileeren
Jezus. Er is verscheidenheid van gaven, maar het is
dezelfde geest, waarin zij Jezus Christus verkondigen als
het eene, ware en eeuwige Fondament van Gods gebouw.
Zoo stort de Heer van zijnen Geest uit op alle vleesch ,
als Hij het noodig acht. Zoo verwekt de Heer op zijnen
tijd de helden des geloofs, de dienaren van den Heer
Jezus, die staan en strijden in het woord der waarheid ,
in de kracht Gods , met de wapenen der gerechtigheid.
En zoo geeft Hij ons te zien , dat de waarheid onder
zijne bescherming staat, en dat zijn werk niet gebroken
kan worden, wat de menschen ook doen. Laat ons dan
niet vreezen, want hetgeen Hij heeft gesticht, wordt door
de almacht zijner liefde bewaakt. En indien gij misschien
met verlangen uitziet naar een beteren dag, te midden
van de nevelen der verwarring , der dwaling en der zonde,
waar achter de waarheid dreigt schuil te gaan , op zijn
tijd brengt Hij het licht in de duisternis. Misschien wacht
gij op een groot man, op een profetisch man, door Gods
Geest gezalfd, opdat die het woord vinde en spreke, dat
wij nog zoeken ; en opdat die het inzicht geve in het
Woord Gods, dat nu nog schjjnt te ontbreken. Welnu !
de verborgen dingen zijn voor den Heer, en Hij kent
zijn tijd. Ten dage dat Hij \'t noodig acht, zal Hij voor
onzen tijd de mannen verwekken, die wij noodig hebben,
gelijk Hij ten dage der Hervorming de helden heeft gewijd,
bezield en gezegend , wier werk en wandeling, wier strijd
en overwinning ons na eeuwen nog de stof geeft voor den
ruimsten en den reinsten dank.
En terwijl wij roemen in de helden der Hervorming,
laat ons ijveren voor ons Evcingelisch geloof! Duitschlands
-ocr page 25-
23
Keizer sprak weinige dagen geleden in het openbaar een
woord, dat weerklank moge vinden in duizende Protes-
tantscho harten. Om de wille van het geloof, verklaarde
hij , zullen wij Evangelischen niemand hard vallen, maar
aan de belijdenis van het Evangelie zullen wij vasthouden
tot in den dood. Laat er ons voor ijveren als een eenig
man ! De namen onder ons zijn vele. Maar al is het
misschien een vrome wensch, dat er geen partij namen
meer zullen bestaan; al ligt het misschien in den aard
der Evangelische kerk, dat een altijd door zich splitsen
in kleinere kringen eene uitwendige eenheid onmogelijk
maakt, het zal de waarheid niet hinderen en het Godsrijk
niet schaden, indien wij maar erkennen, dat zij broeders
zijn, die bouwen op hetzelfde Fondament.
Maar dan moet het ook door ons beschouwd worden
als eene ernstige roeping en een dure plicht, om het
Evangelisch geloof te beschermen overal, waar het
wordt aangevallen of dreigt te bezwijken. (\') Daar
zijn in Roomsche landen en in sommige steden van ons
vaderland eene menigte Evangelische Christenen in de
verstrooiing; kleine, hulpbehoevende gemeenten, die \'t
hard hebben te verantwoorden en moeite hebben om te
blijven bestaan. G-ij weet, hoe de vereeniging, die naar
/Gustaaf Adolf heet, den Zweedschen Koning, die zijn
leven liet in den strijd voor de rechten der Protestantsche
kerk, zich de behoeften en de belangen van deze broe-
ders en zusters heeft aangetrokken. En haar beveel ik
heden van ganscher harte bij uaan. Voor het Evangelie,
voor de vrijheid van geweten hebben onze vaderen hun
goed en hun bloed gegeven, en zij hebben dat Evangelie
en die vrijheid ons als een kostelijk goed vermaakt.
(\') Er was tegen dezen dag eene collecte anngeVonuigcl ten belioeve van
tle Gustuuf-Adolf-Vereeniging.
-ocr page 26-
24
Weest dan overvloedig in het werk liefde, in het werk
des Heeren , en heiligt dezen dag der gedachtenis door
eene overvloedige gave. Geen druppel van uw bloed
wordt van u gevraagd. Dat hebben onze vaderen bjj
stroomen gegeven, en in hun bloed zonk de grondsteen
van onze vrjjheid, als in een krachtig cement. Wij vragen
uwe gebeden en iets van uw geld, als openbaring van uwe
liefde en uw geloof. Mochten wij daarin overvloedig zijn, en
overvloediger worden, bezield door den Geest des Heeren en
door het voorbeeld van die mannen des geloofs, aan wie wij
heden dachten en mochten denken. O! welk een eer, een
geestverwant te kunnen zijn van de besten van ons geslacht,
en met Profeten en Martelaren, met de Apostelschaar, de
Hervormers en de mannen Gods, uit alle eeuwen en alle
oorden, te bouwen aan den grooten Tempel der waarheid
en der gerechtigheid, als medearbeiders Gods! "Welk
eene eer, te mogen woekeren, elk met het hem vertrouwde
pond, en winst te doen voor het Rijk der hemelen !
"Wel u, als gij dat verstaat, en vurig van geest u toe-
wijdt aan den dienst van Hem, die een heilig recht heeft
op uw leven en op uw hart ! Dan is het woord geschre-
ven ook om uwentwil, u tot verzekering: TlZij heeft ge-
daan, wat zij kon.\'"
En de dag zal komen , waarin dat
audere woord der hoogste, der almachtige en genadige
liefde uwe zielen voor eeuwig verheugt: B Wel w, goede
en getrouwe knecht! Ga in in de vreugde van uwen Heer!"
AMEN.