-ocr page 1-
fovifqi,E,¥«-               mnA //532_
Nederlandsche Afdeeling
DER
Ned. Ind. Maatschappij van Nijverheid en Landbouw.
LEZING
VAX DEX HEER
R. A. EEKHOUT,
OVER
De ontworpen wetenschappelijke en praktische onderzoekingsreis
dwars door Borneo, van Pontianak over Moeara
Teweh naar Samarinda.
De Staatsspoorweg ter Sumatra\'s Westkust en Oembiliënkolen-
velden, opgehelderd door kalklichtbeelden.
De reis van den Hoofd-Ingenieur IJZERMAN dwars door Sumatra,
in April 1892 gedaan, in woord en beeld.
Typen uit het Sumatrasche leven in woord en beeld.
GEHOUDEN TE AMSTERDAM.
Amsterdam. - J. II. de BUSSY. - 1892.
-ocr page 2-
-ocr page 3-
Nedenlandsche Afdeeling
DER
Ned. Ind. Maatschappij van Nijverheid en Landbouw.
LEZING
VAN DEN HEER
R. A. EEKHOUT,
OVER
De ontworpen wetenschappelijke en praktische onderzoekingsreis
dwars door Borneo, van Pontianak over Moeara
Teweh naar Samarinda.
De Staatsspoorweg ter Sumatra\'s Westkust en Oembiliënkolen-
velden, opgehelderd door kalklichtbeelden.
De reis van den Hoofd-Ingenieur IJZERMAN dwars door Sumatra,
in April 1892 gedaan, in woord en beeld.
Typen uit het Sumatrasche leven in woord en beeld.
GEHOUDEN TE AMSTERDAM.
Amsterdam. - J. H. de BUSSY. - 1892.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
De voorzitter, de Heer de Lange, opent de vergadering met
de navolgende toespraak:
Dames en Heeren !
Ik roep U allen het welkom toe in deze Vergadering!
De Heer Eekhout zal heden avond o. a. U onderhouden
over een plan van eene reis, dwars door Borneo, van Pontianak
over Moearah Teweh naar Samarinda, te volbrengen door
hem zelf met andere wetenschappelijke mannen.
Hij streeft met zijne lezingen naar de bevordering van
Landbouw, Nijverheid en Handel op de buitenbezittingen in
ons „Oost-Indië".
Borneo brengt hij het eerst daarvoor in aanmerking.
De binnenlanden van Borneo zijn ons schier nog onbekend.
Wetenschappelijke onderzoekingsreizen vonden er zeld-
zaam plaats.
Hedenavond zullen wij, niet alléén eene theoretische
bespiegeling van zulk eene reis hooren, en wat zij aan
wetenschap, handel en nijverheid zou kunnen opleveren,
maar ook hoe het voorbereid en ten uitvoer wordt gebracht,
door mannen, die, voor de taak, welke zij daarbij op zich
nemen, berekend zijn.
-ocr page 6-
■i
Toen de Hr. Eekhout in het Aardrijkskundig genootschap
zijne plannen uitéén zette zeide de voorzitter:
„de vraag of de plannen ten aanzien van Borneo technisch
„uitvoerbaar waren, durfde hij niet te beantwoorden zoo min
„als de vraag of er kans is, dat die plannen binnen niet al
„te verren tijd ter hand zullen worden genomen."
De bevestigende beantwoording van de eerste vraag behooren
wij met gerustheid over te laten aan den Hr. Eekhout en
zijne dappere medgezellen.
De tweede vraag wordt reeds, als ik goed ben ingelicht,
door de daad bevestigend beantwoord.
Het gaat met de volken als met de bijzondere personen.
Die het meest omhanden heeft, vindt nog tijd en lust om
buitengewonen arbeid te verrichten.
Toen de Hollandsche gewesten nog verkeerden te midden
van den worstelstrijd tegen Spanje, werden de Indische
bezittingen veroverd; nu we verkeeren in staat van rust en
vrede, nu heeft het veel voeten in de aarde om wat nieuws
tot stand te brengen.
Gelukkig is echter de ondernemingsgeest in ons Nederland
nog niet geheel uitgebluscht.
Als mannen van de wetenschap vóórgaan, om die van
handel en nijverheid den weg te wijzen, daarheen waar zij
hunnen werkkring kunnen uitbreiden, en daardoor ook de
grootheid van Nederland verhoogen, dan komen ze ook met
hunne middelen aandragen om dat doel te helpen bereiden.
Wat ook de uitkomst van deze pogingen mogen zijn, onze
ondernemende tijdgenooten zullen toch mogen rekenen op de
waardeering van ons en van het nageslacht.
Moge deze vergadering door hare onverdeelde belangstelling
den geachten Spreker van hedenavond het bewijs leveren,
dat men sympathie gevoelt voor zijne grootsche plannen,
waarmede wij hem van- harte een onverdeeld succes
toewenschen.
Ik geef thans het woord aan den Heer Eekhout.
-ocr page 7-
Mr. de President! Mijne Dames en Heeren!
Toen kort geleden, na mijn terugkeer uit Engeland, Uw
Secretaris mij verzocht, om op nieuw te Amsterdam onze
schoone Koloniën ter sprake te brengen op eene vergadering
Uwer Vereeniging, en daarbij in de eerste plaats de aandacht
te vestigen op den rusteloozen arbeid onzer Staatsspoorweg-
ingenieurs ter "Westkust van Sumatra, heb ik niet geaarzeld,
om aan die vereerende uitnoodiging gevolg te geven.
Ik deed dat, omdat in het Buitenland, met name te
Manchester, Londen en nu kortelings te Genève, mijne over-
tuiging des te sterker bevestigd werd, hoe men in den
vreemde dien arbeid onzer spoorwegingenieurs in Indië en
der onder hunne leiding tot den spoorwegarbeid bekwaam
gemaakte inboorlingen, waardeert, en hoe men daarbij tot
de erkenning komt, dat wij Nederlanders er nog alles behalve
aan denken, om te worden wat men noemt: „une nation
éteinte".
En al is er een oogenblik geweest, dat een vroeger Minister
van Koloniën in een ongelukkig moment er met ernst aan
dacht, om ons schitterend Corps Ingenieurs der Indische
Staatsspoorwegen op te heffen, waardoor de zaak der Staats-
spoorwegen wanhopig heeft gestaan, — die tijd behoort
gelukkig tot het verledene, en ik geloof, dat er thans weinig
Nederlanders meer zullen zijn, die niet ten volle overtuigd
zijn, dat het stoompaard, — en het stoompaard alléén, —
in staat is, om aan onze koloniën, — de rijkste der wereld, —
de ontwikkeling te geven, waarvoor zij zoozeer vatbaar zijn,
en welke ontwikkeling indirect met honderdvoudige winst
aan Nederland zal ten goede komen.
-ocr page 8-
6
AYanneer gij zoo straks de schitterende beelden zult zien
van Nederlandsche energie en voortvarendheid, daar ginds
in een maagdelijk land als Sumatra tot stand gebracht, dan
zult gij voorzeker ten volle instemmen met de beteekenis,
door Louis Piguiee in zijne „Nouvelles conquêtes de la
Science", aan het stoompaard gehecht, waar hij o. a. schrijft:
„La locomotive, avec son panache de flammes et de feu,
est Ie rayonnant üambeau, qui précède et annonce 1\'arrivée
dans chaque pays, des idóes, destinées a régner un jour sur
toute 1\'étendue de la terre habitée, pour apporter la pros-
périté et la concorde dans des régions, encore en proie a la
barbarie sociale, aux plus tristes préjugés et aux ténèbres
de 1\'ignorance."
Maar aan de andere zijde: datzelfde corps Staatsspoorweg-
ingenieurs in Indië kan tienmaal méér presteeren, zoo de
Regeering en het Parlement het de middelen er toe niet
onthoudt.
En ik geloof, dat er heden ten dage slechts weinige Neder-
landers zijn, die weigeren te erkennen, dat een krachtig
voortgezette Staatsspoorwegbouw in onze bezittingen buiten
Java niet alleen hoogst urgent is, maar dat daardoor de
bloei van Nederland zoowel als van zijne Koloniën in de
hoogste mate bevorderd zal worden.
Dat daardoor afgeweken zal moeten worden van het tot
dusverre gevolgde stelsel, om de Staatsspoorwegen in Ned.
Indië niet meer te bouwen uit de directe inkomsten dier
Koloniën, maar dat men voor dat doel zal moeten overgaan
tot het sluiten van leeningen, is eene quaestie, die bijkans
geene quaestie meer genoemd behoeft te worden.
Ook hierin zal het blijken, dat de gulden middenweg de
veiligste en voordeeligste is, waardoor onze Koloniën behoed
kunnen worden voor de gevaren en nadeelen, waaraan de
Australische Koloniën zich hebben blootgesteld, die als in
den blinde weg leening op leening sluiten voor den bouw
van spoorwegen, ten gerieve eener bevolking, die slechts
het y7 bedraagt van de bevolking onzer Koloniën.
-ocr page 9-
7
Het programma van hedenavond nagaande, verzoek ik
U dus vriendelijk, om allereerst een bezoek te brengen aan
den Staatsspoorweg ter Westkust van Sumatra1), die in het
midden van dit jaar reeds geheel en al in exploitatie zal zijn.
Hebben wij op deze wijze een denkbeeld kunnen erlangen
van de omwenteling, die deze spoorweg in de "YVest-
Sumatrasche Laag- en Hooglanden te voorschijn zal roepen,
zoo neem ik de vrijheid, nu wij ons toch eenmaal in deze
streken bevinden, om U tevens eenige typen uit\' het
Sumatrasche leven van Europeaan en inboorling te toonen2).
Nauwelijks was men met den bouw van den spoorweg
naar de kolenvelden begonnen, of op nieuw kwamen de
voornemens ter sprake, reeds in 1872 door den mijningenieur
de Greve opgevat, om te onderzoeken, op welke wijze het
mogelijk zoude zijn, om deze kolenvelden ook te verbinden
met Straat Malakka, recht tegenover Singapore, en daardoor
eene krachtdadige concurrentie in het leven te roepen met
de Engelsche kolen, die in het Britsche handels-emporium,
de stichting van Eaffles, voor de groote stoom vaart van
Europa naar Oost-Azië zijn opgestapeld.
Het gevolg daarvan was de zoogenaamde Kwanten-expeditie
door den Hoofd-Ingenieur IJzerman in April 1891 volvoerd.
Ik neem de vrijheid, U daarvan eenige lichtbeelden te toonen,
terwijl ik de mededeelingen daaromtrent wederom ontleen
aan de berichten van den ingenieur Delprat, waarbij wij op
nieuw de kaart van Sumatra kunnen raadplegen.
De hoofdingenieur IJzerman opperde in het jaar 1890het
denkbeeld om het Oembilien kolenveld te verbinden met de
Oostkust, door middel van een spoorweg, welke de Kwanten-
i) De staatsspoorweg en de Ombilienkoleiivelclen worden opgehelderd door
vele kalkliclitbeelden der voornaamste punten.
2) Deze worden eveneens door kalkliclitbeelden opgehelderd.
-ocr page 10-
8
rivier zoo ver mogelijk zoude volgen, terwijl, eens in de vlakte
gekomen, de lijn linea recta naar het Noord-Oostelijk gelegen
Siak zoude loopen. De Kwanten-districten waren onafhankelijke
negorijen, nog nooit door Europeanen bezocht en in een
kwaden naam bij de Maleische bevolking der gouvernements
landen staande. Alvorens eenig definitief voorstel aan de
Kegeering te kunnen doen, was het wenschelijk eerst bepaald
te weten of de oevers der Kwanten-rivier van dien aard
waren, dat een spoorweg daar langs zoude kunnen aangelegd
worden, en ten tweede, hoever die oevers zouden moeten
gevolgd worden. Het eenige middel om tot die kennis te
komen was eigen aanschouwing, en de Ingenieur IJzerman
noodigde den ingenieur Delpkat dan ook uit, met hem dien
tocht te maken.
In Augustus 1890 ging men daartoe naar Si Djoendjoeng
om van Moeara Plankei de Kwanten-rivier af te zakken.
Bij de grot van Mokko-Mokko werd men echter reeds door
hevige banjirs belet verder te reizen en moest in die
kalkgrot blijven vernachten. Aan den tocht namen deel: dato
Bandara van Padang Tarab, eene neutrale onafhankelijke
negorij op onze grenzen, niet behoorende tot de eigenlijkeKwan-
ten-districten; dato Bandara van Goenoeng, eene onaf hanke-
lijke negorij meer stroomafwaarts; het laras-hoofd van Koemanis
uit ons gebied; het laras-hoofd van Soempoer uit ons gebied;
Kadja Doebalang, een koopman van Soempoer, wiens galar
was Koentji Kwantan, d. i. dat als de gewezen radja van
Menang Kabau de Kwanten-districten bezocht, deze ontsloten
werden door een groot waardigheidsbekleeder, welke zijne
komst voorbereidde; deze titel leeft nog voort, al is het ambt
vervallen; volgens de adat moest hij dus de komst der expeditie
voorbereiden, zijnde «als de companie" in de plaats getreden
van den radja van Menang Kabau; Padoeka Radja, een
handig koopman van Si Djoendjoeng, goed in die streken be-
kend, en Ba Osman, genaamd Mohamed Ben Sahin, een
Arabisch koopman, wonende te Fort van der Capellen en in
die streken uitstekend bekend.
-ocr page 11-
9
Na eenige dagen door banjir te Doerian Gadang opgehouden
te zijn, zakte men eindelijk de rivier af, een zware tocht
door de talrijke rivierversnellingen. Tegen den middag te
Padang Tarab aangekomen, maakte men bezwaar om de expe-
ditie te laten landen, daar Dato Bandara reeds vroeger over
land naar zijne negorij teruggekeerd, haar over land was te
genioet gegaan en dus afwezig was. Eerst aan de eene ziide
van de rivier geland, werd men naar de overzijde gezonden,
daar maakte men bezwaar eene woning te geven en
moest men weder terug naar van waar men gekomen was;
daar besloot men te blijven. Tegen den avond kwam Dato
Bandara terug en waren alle gemoederen spoedig gekalmeerd,
hij ging naar de overzijde der rivier en bracht de hoofden,
die geweigerd hadden te ontvangen, mede, om hunne
excuses te maken. Den anderen dag ging men terug naar
die negorij om acte de présence te maken en werd men vrien-
delijk ontvangen. Intusschen gingen Radja Doebalang en
Padoeka door naar Loeboe Ambatjan om de komst daar
voor te bereiden. Terwijl men op tijding wachtende was
kwam het bericht, dat een der hoofden van Soengei-
Batoeng met 40 doebalangs de expeditie kwam verjagen. Groote
agitatie heerschte in het kampement. Werkelijk kwam
dat hoofd op den passar van Padang Tarab, doch Dato
Bandara beduidde hem, dat hij zijne doebalangs had terug
te zenden; na eenig onderhandelen besloot hij daartoe,
vooral toen hij hoorde, dat men goed gewapend was en
kwam hij alleen om zijne opwachting te maken. Op zijn
verzoek werd hem een der medegebrachte baatjes vereerd.
Den anderen dag kwam tijding van Padoeka, dat men na
lang beraadslagen besloten had de expeditie te Loeboe Ambatjan
te ontvangen. Nan Betoewa en nog een paar der 10 pang-
hoeloes van die negorij, kwam haar afhalen. Onder hun ge-
leide ging men den anderen morgen vroeg de rivier weder
af tot Loeboe Ambatjan. Op dit traject vernauwt de rivier
zich tot op 30 meter breedte met hooge steile wanden om
zich eerst bij Loeboe Ambatjan, waar de vlakte bereikt is,
-ocr page 12-
10
weder te verbreeden. — Te Loeboe Ambatjan logeerde men
in de balei, het raadhuis, een verhoogde vloer met dak
zonder wanden. — Met de 10 panghoeloes had men eene
conferentie, waarin 9 verklaarden geen bezwaar tegen eene
voorloopige spoorweg-opname te hebben doch Si Gobang, de
tiende panghoeloe meende, dat men eerst den radja Besar te
Basra, het hoofd der Kwanten-districten, moest raadplegen. Het
doel van den tocht was intusschen bereikt, de rivier had men
tot Loeboe Ambatjan in kaart gebracht, en het punt vanwaar
de spoorweg van de rivier zoude moeten afbuigen, was bepaald.
De expeditie keerde dus weder naar ons gebied terug.
De heer IJzerman liet daarna langzamerhand meer en meer
hoofden dier districten naar Padang komen. De opzichter
Bosman werd naar Basra gezonden om een bezoek van de
heeren IJzerman en Delprat voor te bereiden, welke zich
bereid verklaarde hen te ontvangen. Op de terugreis echter
werd Bosman aangehouden in de negorij Taloek en genood-
zaakt langs een omweg terug te keeren, daar men weigerde
hem door te laten.
Intusschen werd de tweede expeditie uitgerust, ditmaal met
het doel om van Loeboe Ambatjan regelrecht door te gaan
naar Siak om het terrein te verkennen. Het laras-hoofd van
Rau Rau werd met een brief van den Gouverneur van Sumatra\'s
Westkust gezonden naar Taloek om hem mede te deelen,
dat men niet naar Basra zoude gaan, en dat gedreigd werd
met tuchtiging, zoo zij het de expeditie zouden bemoeilijken.
De expeditie zelf bestond uit twee deelen. Langs de
rivier gingen naar Padang Tarab, Luitenant Bakhuis, hout-
vester Koorders, en Ingenieur Wuss met Padoeka.
Over land d. i. van Si Djoendjoeng over de onafhankelijke
negorijen Soengei Batoeng en Tandjong Kaling ging de groote
kolonne van 180 dragers met den heer IJzerman, Ingr.
Delprat, Dr. van Bemmelen, zoöloog, van Alphen, een groot
jager, van Raalte, opnemer, het laras-hoofd van Soengei
Poear en "Whitton, een oud man, die verzocht had mede te
mogen gaan, maar later teruggezonden werd. Na vier lange
-ocr page 13-
11
marschdagen bereikte men langs moeilijke bergpaden, die
door regen bijna onbegaanbaar waren Padang Tarab. Hier
werd halt gehouden en van hier werd de tocht naar Loeboe
Ambatjan, nu in gezelschap van Bakhuis enz., voortgezet.
Te Loeboe Ambatjan keerde de ingenieur Delprat terug
om het toezicht op den spoorwegaanleg te hervatten. Twee
dagen nadat de tocht hervat was van uit Loeboe Ambatjan,
werd bij .Logu de achterhoede door lieden uit Taloek aan-
gevalien en werd van Raalte doodgeschoten en een der
Javaansche mandoors Entong. Zonder verdere groote avon-
turen werd Siak bereikt, waarmede de reis een einde nam.
De ingenieurs Wuss en Delprat gingen van Loeboe
Ambatjan terug, mede nemende den heer "VVhitton, en
kwamen na eene moeielijke tocht tegen den banjir op, en
na een zeer zware marsch over de bergen van Si Loeka naar
Moeara Plangei den 4 Maart te Solok terug.
De photographiën der lichtbeelden zijn op beide tochten
genomen, zoowel op de eerste, toen de heer Delprat alleen
met den heer IJzerman was, als op de tweede expeditie.
Van enkele der riviergezichten werden de negatieven door
de H.H. Bakhuis en Wuss genomen, de meeste echter zijn
van den ingenieur Delprat zelf.
Mr. de President, Mijne Dames en Heeren!
Is het mij in het voorafgaande wellicht mogen gelukken,
om U, dank zij de uitmuntende photogrammen van den
ingenieur Delprat, eenig denkbeeld te geven van hetgeen
er in Sumatra op spoorweggebied gaande is en verder wordt
voorbereid, thans neem ik de vrijheid Uwe aandacht voor
een oogenblik in te roepen voor eene korte mededeeling.
Toen ik ten vorigen jare het voorrecht genoot, voor het
Aardrijkskundig Genootschap te Amsterdam eene voordracht
te houden over eventuëelen aanleg van staatsspoorwegen
-ocr page 14-
12
in Zuid-Sumatra en Ned. Borneo, als de stamlijnen vooreen
uitgebreid spoorwegnet in de toekomst, bleef de critiek
daarop niet uit.
Men was over het algemeen van meening, dat de spoor-
wegbouw op Sumatra wel spoedig krachtiger door den Staat
zou worden voortgezet, nu men eenmaal daarmede reeds op
dat eiland was aangevangen en het ijs dus gebroken was.
Voor Borneo echter achtte men een eventuëelen spoorweg-
bouw onaannemelijk.
En toch, Mijne Dames en Heeren, acht ik naar mijne be-
scheiden meening een eventuëelen spoorwegbouw voor Borneo
minstens even urgent als voor Sumatra.
Wanneer gij de kaart van Borneo beschouwt, dan ziet gij
in het Noorden met vette letters daarop staan „Britsch
Protectoraat."
Op welke wijze Engeland zich daar gevestigd heeft en
Souvereiniteitsrechten verkreeg, — naar veler meening in
strijd met het traktaat van \'1824 —, doet thans niets ter zake.
Het feit bestaat en het Nederlandsche Parlement heeft
dien staat van zaken nog onlangs gesanctionneerd door de
aanneming der wet, die de grenzen van Nederlandsch- en
Britsch-Borneo bepaalt.
Naar mijne meening drukt reeds thans dat Britsche Pro-
tectoraat loodzwaar op onze bezitting in dat eiland, en,
opportunistisch zijnde, zou het oogenblik kunnen aanbreken,
dat men zich tegenover deze alles opslokkende mogendheid
ter eeniger tijd wederom kalm neerlegde bij eene nieuwe grens-
regeling, die op nieuw ons bezit op Borneo zou verkleinen.
Ik meende, dat daarom in de allereerste plaats een spoor-
wegbouw op Borneo, als door mij in globale trekken voorge-
steld, aan Engeland een krachtig »tot hiertoe en niet verder"
zou kunnen toeroepen en tevens der wereld toonen, dat wij
onze roeping als Koloniale Mogendheid bewust, met kracht
er naar streven om onze groote Bezittingen door middel
van spoorwegen open te stellen voor den handel der geheele
wereld.
-ocr page 15-
18
Geenszins ontveinsde ik mij, dat vóór dit denkbeeld tot
uitvoering zou komen en vóór men vertrouwd zou geraken
met de gedachte om ook het onbekende Borneo van spoor-
wegen te voorzien, er nog geruimen tijd zoude verloopen;
maar in geenen deele had ik vermoed, — na mijne gesprekken
ter zake in Indië met een der bekwaamste spoorweg-
ingenieurs, — dat dit denkbeeld in ruimere kringen als
«onmogelijk" zou worden geschetst.
Gelukkig waren er echter ook andere personen, die, hoewel
erkennende dat de aanvang van den spoorwegbouw in Borneo
wellicht nog lang op zich zal laten wachten, toch van
meening waren, dat het van zeer veel gewicht en voordeel
kan zijn, om te weten, wat het nog geheel onbekende
gedeelte van Centraal-Borneo bevat, waar het ontworpen
tracé van "West naar Oost zich nagenoeg langs den equator
slingert.
Het resultaat daarvan is de onderzoekingsreis, die het
volgende jaar van April tot November gemaakt zal worden
dwars door Borneo, van Pontianak via Moeara Teweh naar
Samarinda.
Hoewel de voorbereidingen nog in embryo zijn en zij een
vol jaar zullen vragen, alvorens de reis met de uiterste
zorgvuldigheid voorbereid, zal kunnen worden aanvaard, zoo
heb ik toch de vergunning erlangd, U reeds thans daarover
eenige korte mededeelingen te doen, daarbij constateerende,
dat er tot nu toe nog geene enkele wanklank vernomen is
tegen het maken der reis en het verkrijgen der eventueele
resultaten daarvan, en dat allerwege en tot in de hoogste
Regeeringskringen tot nu toe met volle sympathie erkend
wordt, dat het de plicht van Nederland en zijne burgers is,
om op alle wijzen aan de ontwikkeling der Koloniën mede
te werken.
Ik neem de vrijheid om dit gedeelte mijner voordracht te
besluiten met eenige woorden, die jaren geleden door een van
Frankrijks economisten geschreven werden voor zijn land en
-ocr page 16-
14
voor zijn volk, maar die ik geloof, zooals ik ook in eene lezing
te Enschede gehouden, zeide, dat met eenige door mij aan-
gebrachte wijzigingen ten volle toepasselijk zijn op Nederland.
Zij luiden:
wDe zwakheid, en men moet het erkennen, het gevaar voor
ons land, is uitsluitend gelegen in de overmatige concentratie
der natie, in de onverschillige onwetendheid voor de econo-
mische toestanden van de rest der wereld. Indien wij, klein
in getal, op hetzelfde standpunt blijven ten opzichte onzer
buitenlandsche betrekkingen, ten opzichte onzer handelsover-
eenkomsten in ver afgelegen gewesten, en ten opzichte onzer
commerciëele en koloniale vestigingen, terwijl onze concur-
renten al meer en meer bezit nemen van de geheele wereld,
dan zal er een dag aanbreken, dat wij door een onverbreek-
baar net zullen zijn omgeven van overmacht en tegenstand.
Dan zou het uur van Neérland\'s verval geslagen hebben!
Dat God en het genie van Nederland die ramp mogen be-
zweren, door aan de Regeering liefde in te boezemen voor
expeditiën naar onze verre koloniën ten behoeve van den
arbeid en den handel; aan de Natie de eerzucht der vredelie-
vende overwinningen; aan de burgers de zucht naar groote
ondernemingen te land en ter zee; aan de vastberaden karak-
ters het verlangen naar onbekende landstreken; aan de gods-
dienstige personen de toewijding aan de inférieure rassen;
aan allen het geloof in de Ster van het Vaderland; aan allen
de liefde en den eerbied voor de Vrijheid, Moeder van allen
Vooruitgang!
Dan zal Nederland voor het deel, dat de Voorzienigheid
het heeft beschoren, medewerken aan de kennis, de exploitatie
en de kolonisatie van den Aardbol, hetgeen de voorwaarde
en het complement is van het tot volle waarde brengen van
zijn eigen grondgebied en van de zedelijke verheffing zijner
bevolking!"
-ocr page 17-
15
En thans enkele mededeelingen over de reis zelve.
In de eerste plaats neem ik de vryheid, hier met groote
vreugde openlijk te mogen verklaren, dat het Bestuur van
het Koninklijk ISTederlandsch Aardrijkskundig Genootschap
zich in principe bereid heeft verklaard, om, zonder eenige
bemoeienis met de inrichting der reis zelve of met de kosten
daaraan verbonden, de wetenschappelijke leiding der reis op
zich te nemen.
De Heer W. F. Versteeg, Voorzitter van het Koninklijk
Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, sprekende over
den werkkring van dat Genootschap, besprak daarbij ook
de Statuten en zeide o. a. in het tijdschrift van het
Genootschap:
«Die statuten dan spreken o.a. van ondersteuning van geogra-
nphische expeditiën en reizigers, bij voorkeur Nederlandsche.
«Laat ons Genootschap, zoodra de daarvoor te bestemmen
//middelen dit weder zullen toelaten, \'t zij die van regeerings-
wwege verstrekt worden, \'t zij dat zij van bijzondere zijde
//toevloeien, dan ook geen oogenblik aarzelen om de taak
«weder krachtig en met beleid op te vatten, opdat ook wij
«niet ten achteren blijven waar het geldt Nederlands weten-
«schappelijken plicht jegens zijne koloniën te vervullen.
«Zal het nog reeksen van jaren moeien duren; ligt, bij
«het ontzaggelijke veld dat aldaar nog te bearbeiden valt,
«het tijdstip nog verre verwijderd eer men, met eenigen
«grond zal mogen beweren dat aldaar geen wetenschappelijke
«geheimen meer zijn te ontraadselen, eer men kan zeggen
«dat wij onze koloniën volkomen kennen: zullen wij dat geen
«van allen meer beleven, zoo moge het toch een streelend
«denkbeeld geacht worden, dat men dan zal kunnen zeggen
«van het Aardrijkskundig Genootschap begon de Victorie!"
Daardoor zal het mogelijk worden om gebruik te maken
van de rijke ondervinding, door dat Genootschap met dergelijke
reizen in onzen Archipel verkregen, en het onschatbare mate-
riaal te kunnen benutten, over Borneo in de archieven van
dat Genootschap verborgen.
-ocr page 18-
16
Ik sprak zooeven van „het onbekende Borneo". Maar,
Mijne Dames en Heeren, dank zij de onvolprezen ijver van
den helaas te vroeg overleden Controleur Ie kl. v/h Binn.
Bestuur, Aernodt, beschikt het Aardrijkskundig Genootschap
over uitmuntende kaarten van de bovenstroomen in Centraal-
Borneo, door dien Controleur gedurende lange jaren ver-
vaardigd, en die geheel en al aan de ontworpen reis ten
nutte zullen komen.
In het Buitenland spreekt men van het onbekende Borneo
en ook in Nederland doet men dit, maar dat eiland is niet
zoo onbekend als men wel denkt; alleen zijn de gegevens
en kaarten niet gepubliceerd en bedolven onder het stof
der archieven.
De thans voorgenomen reis, die, zal zij haar praktisch
doel bereiken, de noodzakelijke hulp en medewerking der
wetenschap behoeft, zal gemaakt worden door een 10 a 15
tal Europeanen, vergezeld van 100 a 150 inlanders.
Het onderzoek zal zich uitstrekken tot:
1°. Topographie, kartographie en meteorologie.
2°. Botanie en boschwezen.
3°. Geologie en mineralogie.
4°. Ethnologie en ethnographie, en
5°. Zoölogie, terwijl daaraan tevens onafscheidelijk is ver-
bonden de photographie, en eindelijk aan de reis een genees-
heer wordt verbonden, voor de geneesk. dienst en intendance.
Door deze inrichting zal het mogelijk worden, om de
praktische resultaten der reis, die van den aanvang af op
den voorgrond staan, tot het hoogst mogelijke peil op te
voeren, terwijl het wetenschappelijk onderzoek en de latere
publicatie daarvan, niet anders dan de bekendheid met onze
koloniën kunnen vermeerderen.
Het is naar het mij voorkomt, op het oogenblik nog
onnoodig, om U thans reeds de namen te noemen van hen,
die zich bereid verklaarden om aan de reis deel te nemen.
Liever gebeure dit tegen het tijdstip, dat zij een aanvang zal
nemen, maar het is niet overbodig hier te verklaren, dat
-ocr page 19-
17
autoriteiten in de bovenvermelde vakken hunne medewerking
hebben toegezegd en liet is mij vergund, U thans reeds
mede te deelen, dat behalve ik zelve, ook aan de reis zullen
deelnemen Prof. Dr. .T. J. M. de Groot uit Leiden en de
Ober-Lieutenant G. Guttenbrunneb van het K. K. Oosten-
rijksche Leger.
En thans een woord over de vermoedelijke richting der
ontworpen reis.
Zij zal aanvangen van uit Pontianak, van waar de Kapoeas
direct wordt opgevaren per stoomschip via Sintang tot Nanga
Pinoh, onze uiterste militaire post in het binnenland der
Wester-afdeeling.
Van daar zal de reis in prauwen, gesleept door een stoom-
barkas, voortgezet worden tot Serawei, van waar de eigenlijke
onderzoekingsreis een aanvang neemt.
Het voornemen bestaat, om Nanga Pinoh met Moeara
Teweh door astronomische plaatsbepaling te verbinden, om
het terrein nauwkeurig in kaart te brengen.
Van af Serawei wordt de bovenloop der Melawi gevolgd
tot aan hare bronnen, om daarna het (Jentraalgebergte over
te trekken en terecht te komen aan de bronnen der Barito.
Prauwen zullen van uit Moeara Teweh der expeditie
tegemoet worden gezonden, die haren tocht over land zal
voortzetten naar die plaats, zich daarbij zeer langzaam
voortbewegende om grondige onderzoekingen en waarnemin-
gen te kunnen doen.
Dit terrein toch behoort tot de oudste formatie van Borneo,
kristallijne leien en oudere eruptiefgesteenten.
Aan de Serawei werden bereids diamanten en goud gevon-
den, eveneens goud aan den bovenloop der Melawi en den
bovenloop der Barito, zoomede steenkolen.
Dit terrein is nog nimmer door eenig Europeaan door-
getrokken en onderzocht.
Van Moeara Teweh zal de reis vervolgd worden langs de
Lahei in Noordoostelijke richting tot aan hare bronnen, om
-ocr page 20-
18
daarna het grensgebergte over te trekken en terecht te komen
aan de bronnen der Telouw, een rechter zijtak der Mahakkam.
Van uit Samarinda zullen eveneens prauwen de Mahakkam
worden opgezonden, om de expeditie te ontmoeten en
assistentie te verleenen, — waarna de reis te Samarinda
een einde neemt.
De Voorzitter zegt het navolgende:
Mijnheer EEKHOUT!
De genoodigden en de leden van de Nederlandsche afdeeling
van de Nederlandsch Indische Maatschappij van Landbouw
en Nijverheid — zonder dat hunne aandacht werd vermoeid —
zijn door uwe lezing geboeid geworden, zoo, dat het hun
toeschijnt, dat deze avond niet verstreken, maar omgevlogen
en verdwenen is.
Hunne belangstelling is door de onderwerpen zelve en de
wijze van behandeling ten top gevoerd.
De beknoptheid uwer voordracht, de duidelijkheid uwer
voorstelling, hebben uwe toehoorders voor uwe plannen
gewonnen.
Zij gevoelen en waardeeren het groote nut, dat uwe mede-
deelingen te Manchester, London, in Artis en hier gedaan,
kunnen te weeg brengen.
Ontvang hun dank er voor en voor de aangename tijds-
besteding van dezen avond.
In een brochure van den Hr. van Vlissingen in 1858
verschenen, getiteld: „Cultuur en Industrie ondernemingen
op Borneo" werden gelijksoortige plannen ontwikkeld als die
van heden avond.
Op bladzijde 32 (met weglating van tusschenzinnen) staat:
„Java zal, over een 25 jaar, welligt vroeger, niet meer in
„de schaduw kunnen staan van Borneo".
-ocr page 21-
11)
Opzij staat met potlood (de brochure heb ik namelijk uit
eene bibliotheek geleend):
„Indien de schrijver in zijne beschouwingen even zoo
„overdreven is, als in deze voorstellingen, dan boezemt zulks
„niet veel vertrouwen in".
De steller dezer laatste zinsnede is misschien een lid uit
de familie Slijmering, maar mi] dunkt: „Zonder overdreven-
heid, enthousiasme of opgewondenheid kan een koloniale
staat het niet stellen".
Toen de 17 Nederlandsche provinciën één Koninkrijk uit-
maakten, is meermalen het denkbeeld opgeworpen om onze
Oost-Indische bezittingen, wegens de kostbaarheid van beheer,
prijs te geven.
Als toen was voorspeld dat diezelfde bezittingen Noord-
Nederland, uit een financieel verval, — zoo groot als Portugal
thans te aanschouwen geeft — zouden opheffen, dan zou
dat toen ook wel overdreven genoemd zijn geworden.
We moeten maar hopen, dat eenmaal des Heeren van
Vlissingen\'s inzicht verwezenlijkt zal worden.
Toen in het tijdschrift onzer Maatschappij werden herdacht
de verdiensten van wijlen den broeder des Heeren Eekhout,
werd van een aanstaande bloeiperiode voor onze Oost Indien
gesproken.
De verwezenlijking van des Heeren Eekhout\'s plannen zou
zulk een tijdperk in \'t leven roepen!
Moge dat gebeuren, en gij Mijnheer Eekhout, U dan ver-
heugen in een rijken oogst van zelfvoldoening uit de achting
en toejuiching uwer medeburgers!
-ocr page 22-
LIJST DER KALKLIGHTBEELDEN.
Kwanten I. Eehste expeditie.
Kwanten II. Tweede expeditie.
Kivanten 1. Augustus 1890.
1.    Groep genomen aan de grot van Mokko Mokko aan
de Kwanten-rivier.
Bo.sman, IJzerman, Padoeka,dato Bandara Padang Tabab,
Laras hoofd Soempoer, Laras hoofd Koemanis, roeiers van
Si Laké. Eadja doebalang. Inlanders.
Kwanten I. Augustus 1800.
2.    Kalkgebergte bij Mokko Mokko.
Kwanten II. 1801.
3.    Kalkgebergte. (Negatief Bakhuis).
Kwanten I.
4.    Graf van den Ingenieur de Greve, die bij het opnemen
der Kwanten-rivier in 187:2 het ongeluk had iets beneden
Doerian Gedang te verdrinken. Onder het afdak links is
een steen boven het graf geplaatst met het opschrift:
Hier rust
de mijn-ingenieur
W. H. DE GREVE,
den 22 October 1872
door een ongelukkig toeval
alhier omgekomen.
11. I. P.
Kivanten II. Februari 1891.
5.    Het sleepen der prauwen langs de groote rivierver-
snelling Paloekahan bij Si Laké. Negatief op reis gebroken.
-ocr page 23-
21
Kwanten II. Februari 1891.
6.    dito dito.
Kwanten I. Augustus 1890.
7.    Rivier versnelling Tapoes beneden Si Loeka.
Kwanten II. Februari 1891.
8.    Het sleepen der prauwen langs de rivier versnelling
Tapoes.
Kwanten II. Februari 1891.
9.    Rivier versnelling Tapoes.
Kwanten II. 1891.
10.    dito dito dito.
Kwanten I. Aucj. 1890. Kwanten IL Febr. 1891.
11.  12. Weinig stroomafwaarts van Tapoes wordt de rivier
vernauwd tot op 15 meter breedte tusschen twee vooruit-
springende rotspunten. Prauwen moeten daar wederom
ontladen worden en over de rotsen heengebracht, of met
behulp van touwen daar langs gesleept. Deze rivier versnel-
ling is Limpattan genaamd.
Kwanten II. Februari 1891.
13.    Verder stroomafwaarts stort zich de Lisoeng in de
Kwanten-rivier. Tegenover die Moeara is een zandbank,
waarop gekampeerd en overnacht werd. Gedurende de tweede
expeditie was die bank onbewoonbaar door do wespen, die
in groote zwermen op de veldbedden en booten aanvielen
en die nog geruimen tijd langs de rivier vervolgden.
Kwanten II. Februari 1891.
14.    Het varen op de Kwanten-rivier in zoogenaamde
bidars. H. H. "Wnss en Koorders.
Kwanten I.
15.    Kampement te Padang Tarab. Op voorgrond Ingr.
IJzerman ontbijtende met een kop koffie en beschuitjes,
daarnaast zittende dato Bandara van Padang Tarab met
zijn kamanakan. Rechts daarvan Bosman; laras-hoofd van
-ocr page 24-
22
Koemanis en dat van Soempoer. Links wordt eten gekookt
en op de voorgrond links ligt een koeienkop, van de als
teeken van vriendschap met de bevolking geslachte koe. Op
de achtergrond woning van dato Bandara.
Kwanten II. 23 Februari 1801.
1(5. Door een misverstand was tijdens de tweede expeditie
de noodige rijst niet intijds door den panghoeloe kapalavan
Moeara Plangkei verzonden. Daardoor was gebrek bij de
kolonne, en werd te Padang Tarab door hulp van Dato
Bandara rijst ingekocht en bleef de kolonne een dag over om
die te stampen. Op de voorgrond Hr. IJzerman en larashoofd
van Soengei Poear.
Kwanten 1. Augustus 1890.
17.    Linkeroever Padang Tarab, plaats waar men de
eerste expeditie niet wilde doen overnachten.
Kwanten I. Augustus 1890.
18.    Rechteroever Padang Tarab. Kleine loods aan oever
is afdak der bootslieden, daarachter in Kampong woning
van Dato Bandara.
Kwanten I. Augustus 1890.
19.    Kwantan-rivier voor Padang Tarab, rivier afwaarts
ziende.
Kwanten I. Augustus 1890.
20.    Stroomafwaarts van Padang Tarab vernauwt de
Kwantan-rivier zich tusschen zeer steile oevers tot 30 meter
breedte. Buitengewoon snelle stroom en rivier versnellingen
Rechts monding der Binoeang.
Kwanten I. Augustus 1890.
21.    Gezicht in vernauwing.
Kwanten I. Augustus 1890.
22.    Kwanten-rivier stroomopwaarts ziende van af het
eiland Tampoeroeng bij Loeboe Ambatjan.
-ocr page 25-
Kicanten 1. Augustus 1890.
23.    Stroomafwaarts ziende van het eiland Tampoeroeng.
Klapperboomen links zijn in de Kampong Loeboe Ambatjan.
Kwanten. 1890.
24.    Groep genomen te Padang.
Hr. IJzerman.
Samaradja van
          \'Angko kali redja              Nan Betoewa
Loeboe Ambatjan.             van L. A.                        van L. A.
Padoeka Redja.           Radja Doebalang.
Kwanten.
25.    G-roep genomen te Padang, negatief niet meer voor-
handen.
Bagindo Chatieb Panghoeloe van               Pa Sake
van Soengei Batoeng Soengei Batoeng van Soengei Batoeng
die ons eerst wilde verjagen.
                  Bosman.
Kwanten.
20. Zelfde.
Kwanten.
27.    Groep genomen te Padang.
Nan Betoewa Angko Kali Samaradja
van L. A. Redja van L. A. van L. A. Hr. IJzerman.
Radja Doebalang Padoeka Redja.
Kwanten.
28.    Hr. IJzerman en Bosman met hoofden van Soengei
Batoeng.
Kwanten. 1890.
29.    Ingenieur Delfrat met alle hoofden der Kwanten
districten te Padang opgekomen.
Kwanten.
30.    Groep genomen te Soengei Batoeng lüj doortocht
tijdens tweede expeditie.
Hr. IJzerman                 Laras-hoofd Soengei Poear
Hoofd van Soengei Batoeng. van Alphen, van Bemmelen
mandoor Entong acht dagen later doodgeschoten.
-ocr page 26-
24
Het hoofd in deze negorijen heeft den titel van Pajong ba
Kaki, d. i. Pajong met één voet.
Kwanten II. Maart 1891.
31.    Gezicht in het bosch tijdens de terugreis tusschen
Si Laké en Moeara Plangkei.
Kivanten II. Februari 1891.
32.    Negri huis te Tandjong Ampalo aan de Kwanten-rivier.
Kwanten II. Februari 1891.
33.   Inlandsche knijper, Toekang Pidjit, te Tandjong Ampalo.