-ocr page 1-
H^5
^r./Sf3.jnZS
WAT WAS ER EERDER,
DE HEN OF HET EI ?
OF
Mijn gesprekken met een twijfelaar,
DOOR
JACOB HORNER.
Uit het Engehch vertaald door en mei een voorwoord van
Ds. C. S. Adama van Scheltema.
( )
I N H
0 u
D.
1
Wal was
er eerder, de hen of het ei?
2.
Van waar
de eerste zaadkorrel ?
3
De Natuu
• Wat is lil? Een eng
il?
4
Wat stelt
de ongeloovige vcor God in de
plaats ?
5
De man a
chter het scherm.
6
Bestaat e
r in het heelal nieti da
i) natuur
jke ontwikkeling?
7.
Hoe geef
de Natuu
gij rekenschap van de
opmerken ?
wiskund
{e verhou
ingen, welke wij in
8
Van waar
komt de godsdienst ?
9
Is de mensch een werktuig?
10.
Waar gro
tien de vijgen en waar
de diste
s?
11.
Wat is er
voor hoop en troost in
de naturalistische 1
evensbeschouwing?
12.
Waarheen
gaat gij ?
\'s GKAVENHAGE,
J. VAN GOLVERDINGE & ZOON.
1893.
Typ, Callenbaeh, Nijkerk.
-ocr page 2-
-ocr page 3-
Wat was er eerder, de hen of het ei?
-ocr page 4-
-ocr page 5-
WAT WAS ER EERDER, DE
HEN OF HET EI ?
OF
Mijn gesprekken met een twijfelaar,
DOOR
JACOB HORNER.
Uit het Engelsch vertaald door en met een voorrede van
Ds. C. S. ADAMA VAN SCHELTEMA.
\'s GRAVENHAGE,
J. VAN GOLVERDINGE & ZOON.
1893.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
WOORD VOORAF.
Door den uitgever verzocht dit boekje in hel Hollandsch
te willen vertalen, trok mij de inhoud zeer aan, maar —
ik kende mij zelven de bevoegdheid niet toe over den
inhoud een beslissend oordeel te vellen. Om zeker te gaan
richtte ik mij tot mijn hooggeachien vriend, den Hoog-
Iccraar J. IV. Gunning, die niet alleen over dit geschrift
goedkeurend oordeelde, maar tevens de goedheid zeilde
hebben zijn oog over de proeven te laten gaan, zoodat dit den
lezer zekerheid geeft, dat overal de juiste wetenschappelijke
formules gebruikt en de zaken naar ons taal eigen voorge-
stcld zijn. Zonder zulk een steun zou mij de moed ontbroken
hebben de taak te aanvaarden, en zoovelen in den inhoud
van harte belangstellen, zullen met mij den Hooglecraar
voor zijn weiwillenden bijstand erkentelijk zijn.
Tijdvragen zijn in deze bladen besproken, die uit de
studeerkamer in het geheel van ons maatschappelijk leven
burgerrecht kregen en in allerlei vorm telkens ter tafel
komen. Moge ook dit beknopt en helder gesteld geschrift
-ocr page 8-
er loc bijdragen, om zooveel wat voor wetenschap door-
gaal zonder op dien eer naam recht te hebben, in zijne
schamelheid ie ontdekken; en de waarheid, zooals die in
Christus Jezus is openbaar geworden, op degelijke gron-
den Ie doen erkennen, zoodat ze\'ij het in onzen male den
Apostel nazeggen: „hetgeen wij metonzeoogen aanschouwd
en met onze handen gelast hebben,
het leven dat geopen-
baard is, daarvan getuigen, dal verkondigen wij."
C. S. A. v. S.
-ocr page 9-
INHOUD.
I. Wat was er eerder, de hen of het ei? .... i
II. Van waar de eerste zaadkorrel?.......7
III.   De Natuur — Wat is zij? Ken Engel? . . . .13
IV.  Wat stelt de ongeloovige voor Godin de plaats? 20
V. De man achter het scherm..........28
VI. Bestaat er in \'t heelal niets dan natuurlijke
ontwikkeling?...............35
VII. Hoe geeft gij rekenschap van de wiskundige ver-
houdingen, welke wij in de Natuur opmerken? 41
VIII. Van waar komt de godsdienst?.......49
IX. Is de mensch een werktuig?........55
X. Waar groeien de vijgen en waar de distels . .61
XI. Wat is er voor hoop en troost in de naturalis-
tische levensbeschouwing?..........67
XII. Waarheen gaat gij?............73
-ocr page 10-
-ocr page 11-
HOOFDSTUK I.
Wat was er eerder, de hen of het ei?
Mijn neef Thomas Rederijk heeft zich in het hoofd
gezet, om vrijdenker te willen zijn en houdt nu zijn
licht niet onder eene korenmaat verborgen. Hij is trotsch
op den hoog klinkenden naam en niet minder op de
nieuwe vrienden, die hij in dien kring gemaakt heeft.
Voor mijn begrip is hij reeds aan het doorhollen. Hij
meent Danvin\'s natuurbeschouwingen reeds ver voor-
bijgestreefd te zijn. Naar Darwin\'s beweren kunnen er
duizende jaren mee gemoeid zijn, eer een dashond een
hazewind of eer een mopshond een bulhond wordt. Ik
twijfel er niet aan, of die tijd en langer zal wel voor
zulk eene ontwikkeling noodig zijn, en dit te oordeelen
naar den dashond, dien ik nu tien jaar geleden ten ge-
schenke kreeg, want hij wordt veeleer kleiner dan
grooter, en terwijl hij al dien tijd gesnuffeld heeft, is
zijn neus nog geen haarbreed verlengd.
Met mijn neef evenwel is het anders gesteld. Sinds
hij vrijdenker werd, toont hij in zijne ontwikkeling snel-
treinspoed. Ik verkeer soms wel in de noodzakelijkheid
om met hem te redetwisten en dan verbaast hij mij
telkens op nieuw, zooals hij als met zevenmijlslaarzen
vooruitstreeft. Hij ving zijn bewijs van vordering ma-
ken aan met mij te vertellen, dat hij niet geloofde, dat
-ocr page 12-
2
Bileams ezelin gesproken heeft; en ik gaf hem de ver-
zekering, dat ik er hartelijk blijde om was, dat altans
één ezelsmond voor goed gesloten was, en dat ik het
voor een zegen zou houden als een goed getal anderen
een gelijk lot ervoeren. Er is niets dat mijn armen Tom
meer hindert, dan wanneer hij meent te bespeuren, dat
ik een loopje met hem neem. Hij schijnt inderdaad te
denken, dat satire het uitsluitend recht en eigendom
van vrijdenkers is, en dat ieder ander het ongeoorloofd
moet achten van dit wapen gebruik te maken. Thans
heeft hij mij met nadruk verzekerd, dat hij er behoefte
aan heeft om met mij de zaak niet als een grap maar
hoog ernstig gemeend te bespreken; en ik heb hem
verzocht dan maar den eersten stap te doen, waarbij
ik mijn best zou doen zijn voorbeeld te volgen.
Zijn dadelijk gereed antwoord was:
„Maar, oom, ik sta verbaasd, dat gij altijd den aan-
val van mijn kant wacht. Zoudt gij niet kunnen beslui-
ten om althans voor ééns beginner te zijn, of ziet gij er
geen kans toe om op onze sterkten eenigen aanval te
doen ? Hoe staat het daar mee ?"
„Wel, Tom," hernam ik, „het is zeer gemakkelijk om
eene poging te doen om een bestaand huis te sloopen,
maar daar gij twijfelaars zelfs nog met uwe fundamen-
ten niet gereed zijt, is er al zeer weinig vat voor een aanval.
Dit neemt niet weg, dat ik bij eenige samenspraken
wel de leiding van ons gesprek kan in handen nemen,
en die wijziging valt in zoover ook in mijn smaak, ver-
mits
ik juist onlangs eenige vragen van gewicht heb
opgeteekend, en gaarne zou hooren, welk antwoord
daarop een vrijdenker te geven heeft."
„Uitmuntend, oom, begin maar en ik zal mijn best
doen om u een duidelijk en afdoend antwoord op elk
punt te geven-"
„Afgesproken, Tom. Mijn eerste vraag is deze:
Wat was er eerder, de hen of het ei?
„Mijn vraag is eenvoudig en duidelijk, geen orakel-
-ocr page 13-
3
taal, en wie zich inderdaad wetenschappelijk ontwikkeld
weet, moet zich in staat gevoelen er een afdoend ant-
woord op te geven. Welnu, wat is uw antwoord?"
„Hoor eens, oom, ik zie niet in, wat nut er schuilen
kan in het beantwoorden van eene vraag als deze. Ook
begrijp ik niet, met welk denkbaar doel gij die ter
tafel brengt?"
„Wel mogelijk, Tom; toch is het eene zeer gewich-
tige vraag, en eene, waarop ik van u een antwoord
verlang en verwacht. Gij hebt voor heden mij de leiding
van ons gesprek toebetrouwd, en ik hoop, dat gij nu
niet trachten zult mijne rechtstreeksche vraag te ont-
duiken."
„Ik heb daarop geen plan, oom, maar toch wensch
ik te weten, waar gij met uwe vraag heen wilt. De vraag
op zichzelf schijnt mij eenvoudig genoeg. Steekt er bij
u echter eenig wijsgeerig beginsel achter, dan zou ik
wenschen, dat gij de vraag in anderen vorm steldet of
mij uw bedoeling nader verklaardet."
„Tom, gij zijt overvoorzichtig, maar gij behoeft mijner-
zijds niet voor klemmen en voetangels bevreesd te zijn,
ik denk niet aan zulke beetnemerij. Al wat ik verlang,
is een bepaald antwoord op eene duidelijke vraag: „was
er eerst eene hen of eerst een ei?" Voor zooveel ik
van de zaak kennis heb, komt ieder ei van eene hen,
en komt ieder kuiken uit een ei. Is dit niet zoo?"
„Gewis, op dit punt is voor debat geen plaats."
„En zegt niet uw gevierde professor in de geologie,
Sir Charles Lyell, dat wij het verleden uit het heden
moeten verklaren?"
„Hoe zou hij iets anders hebben kunnen beweren?"
„Naar dit tusschen ons vaststaand beginsel, moet
het dus alle eeuwen door zoo geweest zijn?"
„Ja, zeker."
„Doch er moet eerst een eerste hen en een eerste ei
geweest zijn, is het zoo niet?"
„Ongetwijfeld."
-ocr page 14-
4
„Het eerste ei moet dus door de eerste hen gelegd
zijn, altans naar mijne vooronderstelling?"
„Ik denk er met u zoo over."
„Dus bestond de hen voor het ei?"
„Gewis."
„Maar dan is de eerste hen niet uit een ei voortge-
komen, wel?"
„Onloochenbaar niet."
„Voor dit geval houdt dus Sir Lyells beginsel geen
stand, en kunnen wij het verleden niet uit het heden
verklaren; ik heb u daarom eene verdere vraag te doen;
„Vanwaar die eerste hen? kunt gij mij dit ophelderen?"
„Gij moet mij een weinig tijd laten, oom, om over
dit punt na te denken; maar laat vooraf mij u mogen
vragen, op wat grond gij aanneemt, dat de hen er eerst
geweest is? De hen is de volkomen ontwikkeling van
het ei en ik geloof, dat het meer met de regelen der
wetenschap overeenkomt te stellen, dat het ei er eerst
geweest is."
„Zoo als gij wilt. Ces/ égal, zooals de Franschen
zeggen. Ik laat u volkomen vrij, om de eene of de andere
stelling bij voorkeur aan te nemen, en de evolutie-
theorie is waarschijnlijk gunstig aan uwe voorstellings-
wijs, dat het ei er voor de hen geweest is. Nemen wij
dus aan, dat de eerste hen uit een ei is gekomen. In
dat geval bestond er een ei voor de eerste hen in wezen
was, is het niet zoo?
„Ongetwijfeld."
„Derhalve was het eerste ei niet door eene hen gelegd ?"
„Zeer zeker niet."
„Maar in dat geval gaat de stelling van Sir Charles
Lyell dat het heden uit het verleden verklaart, evenmin
door. Wij staan dus nu voor de vraag, van waar dit ei,
dat niet door eene hen gelegd werd? Het moet toch op
eenigerlei wijze het aanzijn ontvangen hebben? Vanwaar
is het dan gekomen, Tom?"
„O ik zie nu, waar gij heen wilt. Gij wilt mij nood-
-ocr page 15-
5
zaken tot de erkentenis, dat het moet geschapen zijn;
wilt gij niet?"
„Ik stel slechts vragen, Tom, en het is mijn roeping
nu niet er op te antwoorden. Zeker weet ik zeer goed,
dat eenvoudige Bijbellezers mij antwoorden zullen, dat
het moet geschapen zijn. Kunt gij een beter antwoord
geven, ik zal dit zeer gaarne vernemen. Ik verlang niets
anders dan het beste antwoord te leeren kennen, dat
bij de vraag past, — een antwoord, dat eene voldoende
verklaring van het door ons besproken feit is. Wat hebt
gij op dit punt als verklaring?
„Zou een antwoord in betrekking tot het ei ook voor
andere natuurverschijnselen geldig zijn?"
„Ik altans houd het er voor. Er moet een eerste
appel, een eerste eikel, een eerste kat, een eerste koe
en een eerste mensch zijn geweest. Wanneer gij mij ook
maar het ontstaan van het eerste ei weet te verklaren,
zal ik het voor bewezen houden, dat wij evenzeer den
oorsprong der wereld kunnen ontvouwen."
„Ik zie nu, dat het u te doen is om het oude vraag-
stuk, de oorsprong van alle leven."
„Juist, en wat hebt gij op dit punt te zeggen?"
„Alle leven is door ontwikkeling ontstaan."
„Behalve het allereerste, Tom. Wanneer gij het gaarne
wilt, zullen wij ons aan de evolutietheorie houden, —
die baart mij niet de minste ongerustheid, — maar,
Tom, het aanwezen van het eerste ei wordt er niet door
verklaard. Uit een aanvangen met niets kan zich toch
wel niets ontwikkelen. Verschaf u, naar de beschouwings-
wijze der Oosterlingen, een ei als aanvangspunt en er
bestaat kans tot ontwikkeling; maar gij moet eerst aan
uw ei weten te komen. Welnu, Tom, zeg mij nu eens zonder
omwegen en duidelijk, van waar is het eerste ei gekomen?"
„O dit baart mij niet het minste bezwaar. Ik denk
er over evenals Dr. Bastian, die zegt, dat alle levende
stof zich uit doode, niet organische ontwikkeld heeft.
Bevredigt u deze zijne oplossing niet?"
-ocr page 16-
6
„Maar, Tom, ik veronderstel, dat gij toch weet, dat
mannen van naam, zooals Professor Huxley en Tyndall
het gevoelen van Bastian bepaald verwerpen en zich
houden aan de oude stelling: „Omne vivum ex vivo; alle
leven komt van leven."
„Ja, dat weet ik zeer goed, maar Huxley en Tyndall
spreken zoo in strijd met de algemeen aangenomen leer
van den onafgebroken samenhang der natuur. Alles ont-
staat naar een natuurwet of het doet dit niet; en wan-
neer mannen als Huxley en Tyndall het beginsel in
één geval loslaten, kunnen zij het evengoed in duizend
gevallen doen."
„Ik zeg u dank voor uwe openhartigheid en beginsel-
vastheid. Er weegt niets op tegen een flink ten einde
toe doorgaan. Bij vraagstukken als deze en vele anderen
geven halve maatregelen niets."
„Dus heb ik u omtrent de wording van het ei een
voldoend antwoord gegeven?"
„Neen, Tom, dat hebt gij niet."
„Hoe zoo?"
„Wel gij hebt enkel een goochelaarsstreek uitge-
haald; — gij hebt mijn ei onder den hoed weggenomen
en er een ander voor in de plaats gelegd."
„Oom!"
„Ik meen wat ik zeg, maar moet nu een bezoek bren-
gen aan een kranke. Kom morgen terug en wij zullen
het nieuwe ei bespreken."
„Gij zult mij zoo niet beet krijgen, oom, en mij in
verkeerd licht stellen."
„Wees niet bang, Tom, gij zult eerlijk spel hebben.
Goeden avond.
-ocr page 17-
HOOFDSTUK II.
Van waar de eerste zaadkorrel?
„Tom, ik ben een weinig beducht, dat de wijs, waarop
ons gesprek gisteravond eindigde, niet al te best in
uw smaak viel."
„Zeker was ik niet tevreden, en mij dunkt ik had er
aanleiding toe, want die laatste zet was, om niet sterker
te spreken, niet nobel en bijna grof. Gij hebt mij toch
van niets minder beschuldigd, dan u met een gooche-
laarstoer te willen beet nemen, een streek, die mij
waarlijk te min is. Ik stel prijs op eene eerlijke gedach-
tenwisseling."
„Ook was ik verre van u van boos opzet te verden-
ken, Tom, en ben overtuigd, dat het u om zuiver spel
te doen is. Toch blijf ik volhouden wat ik zeide. Ik zei
niet, dat gij het willens en welbewust deedt, maar de
daad hebt gij gepleegd. Laat mij u zeggen hoe. Ik
sprak van de moeder des levens, dat is, van een ei, dat
alles in zich besloot om als zoodanig op te treden.
Daartegenover steldet gij uw beweren met een beroep
op Bastian, dat mijn ei het aanzijn aan doode, niet
organische stof te danken had. Welnu, terwijl wij spra-
ken over den oorsprong der dingen, heb ik alle recht
te zeggen, dat het ei, door u bedoeld, niet mijn ei met
eene vruchtbare levenskiem is, maar een, daarvoor door
-ocr page 18-
8
u in plaats gesteld, dat elke levenskiem mist, en wat dood
is, moet dood blijven. Met uwe oplossing van het vraag-
stuk, dat ons bezig houdt, zijn wij dus geen haarbreed
gevorderd. Wij hebben ons dus met uw ei bezig te
houden en de verklaring van zijn ontstaan na te gaan."
„Wel, ik moet erkennen, dat gij u aardig uit de moei-
lijkheid hebt uitgered. Ik dacht, dat ik u reeds beet en
in de engte gedreven had."
„Ja, ik begreep, dat gij meendet, dat gij mij reeds
zoover had; maar hoeveel stappen gij ook achteruit
treedt, wees er zeker van, dat gij zult eindigen met in
het nauw te komen. De verplichting rust op u om
ergens het eerste iets, hoe gij dat dan ook noemen wilt, te
vinden, en het is dat eerste ei, dat gij op redelijke
gronden te verklaren hebt. Daarvan moet gij rekenschap
weten te geven. Gij hebt nu in de niet organische stof
eene naar uwe meening veilige schuilplaats gezocht.
Welaan laat ons voor dat eerste ei een zaadkorrel, — de
eerste zaadkorrel stellen. Deze is dan nu het eerste ei,
en mij is het behoefte te weten, van waar dit kwam.
(leef mij daarvan rekenschap."
„Wel, het is duidelijk, dat gij het vraagstuk tot zijn
laatsten grond wilt uitpluizen, en daarom, hoe spoediger
wij tot dat punt komen, des te beter. De eerste zaad-
korrel, of welke eerste stoffelijke korrel ook, is samen-
gesteld uit atomen en moleculen."
„Maar zeg mij, Tom, hebt gij ooit een atoom of
molecuul gezien?"
„Neen, zij zijn veel te klein om gezien te kunnen
worden."
„Maar gij gelooft, dat zij bestaan?""
„Zeer zeker en met reden."
„Hoevele soorten zijn er wel?"
„Men telt nu ongeveer vier en zestig elementen, maar
er is alle grond, dat wij tot een kleiner aantal zullen
komen, naarmate de wetenschap vorderingen maakt."
„Juist; men is van oordeel, dat het zeer mogelijk is,
-ocr page 19-
9
dat alle vormen, waarin zich de stoffelijke wereld voor-
doet, ten slotte enkel wijzigingen van waterstofgas zullen
blijken."
„Dat is zoo."
„Gevolgelijk is er dus in het heelal niets anders dan
waterstofgas, en dit is het ei, waarvan gij mij reken-
schap schuldig zijt. Waar is de eerwaardige hen, die
dat eerste ei gelegd heeft?"
„Het werd nooit gelegd."
„Hoe is het dan gekomen? Heeft het zich van zelf
ontwikkeld ?
„Allerwaarschijnlijkst."
„Maar waaruit?"
„Dit is nog onbekend."
„Wel dan belijdt gij u buiten staat om van zijn
aanwezen rekenschap te geven, of ziet gij er wel kans op ?
„Het is mij niet mogelijk, maar ik heb ook nooit
beweerd, dat ik alle dingen wist."
„Wel ik ben blijde, dit uit uw mond te hooren. Maar
toch heb ik u bij herhaling hooren beweren, dat de stof,
waaruit deze wereld bestaat, nooit geschapen werd."
„Dit beweer ik nog."
„Maar wij hebben nu pas alles terug gebracht tot
dat eerste waterstofgas-ei, en gij erkent, dat gij van het
aanwezen daarvan geen rekenschap weet te geven."
„Gesteld nu eens, dat ik dit erken, dan blijf ik nog
zeggen, dat het nooit geschapen is naar de voorstelling,
die ons het boek Genesis er van geeft."
„Toegegeven, Tom. Ik ben voor \'t oogenblik geheel
onverschillig omtrent de wijze, waarop het geschied is.
Wat ik alleen verlang, is, dat het vraagstuk in hoofd-
zaak, in zijn eigenlijk wezen, wordt opgelost. Indien de
wereld niet geschapen is, dan werd zij lang een anderen
weg, wat zij nu is. Welke was die andere weg?"
„Zonder aarzelen, oom, belijd ik, dat de wetenschap
nog niet ver genoeg gevorderd is om deze vraag te be-
antwoorden. Het is een van die vraagstukken, waarvan
-ocr page 20-
IO
Laing zegt, dat wij de oplossing van de toekomst wach-
ten moeten."
„Ik dank u voor uw gulle erkentenis, Tom. Het komt
mij voor, dat gij nu wijzer deedt om de zaak van eene
andere zijde iets nader te komen."
„Van welke bedoelt gij ?"
„Van de verstandelijke."
„Ik hoop niet, dat gij het voornemen hebt, mij in een
bovennatuurlijk moeras te slepen."
„In geenen deele. Ik wensch nu u enkel op eenige feiten
te wijzen in betrekking tot dit waterstofgas-ei, feiten
van de grootste beteekenis, feiten van zoo grooten en
ingewikkelden aard, dat zij aan uw ei, ik moet het rond-
uit zeggen, niets minder dan het karakter van een won-
der geven."
„Dit bevreemdt mij, oom, nadat ik met duidelijke
woorden gezegd heb, dat het zich gelijk blijvend wezen
der natuur de grondslag mijner theorie is."
„Zeker hebt gij dat gezegd, maar dat brengt niet de
minste verandering in het wonderkarakter van uw
waterstofgas-ei. Uwe opvatting is kennelijk, dat het
gansche stoffelijk heelal uit dit zich gelijk blijvend water-
stofgas kan zijn opgebouwd."
„Zoo is het."
„Dat alle kristallen, planten en dieren slechts ver-
schillende verbindingen zijn van dit waterstofgas ?"
„Juist."
„Zoudt gij u ooit in staat kunnen achten om uit een
ledigen zak iets te voorschijn te brengen?"
„Neen, maar ik noem waterstofgas geen leegen zak."
„Dit vat ik, maar meent gij dan, dat gij ooit uit een
zak meer kunt halen dan er in is?"
„Zeker niet."
„Kunt gij uit waterstofgas meer halen dan er in was?"
„Bezwaarlijk."
„En toch meent gij, dat de oorspronkelijke levensvorm,
het protoplasma, uit waterstofgas is voortgekomen."
-ocr page 21-
II
„Ja, zekerlijk."
„Al de visschen der zee, de vogels in de lucht en
al de dieren, die op aarde leven?"
„Natuurlijk."
„Alle zeewier, mossen, planten en boomen?"
Ja."
„Alle menschen, — kunstenaars, dichters, wijsgeeren,
mannen, die wetenschap en kerk dienen?"
„Gewis, ik zie geen punt, waar wij half weg zouden
kunnen halt houden; zij moeten allen uit het oorspron-
kelijk ei zijn voortgekomen."
„Toegestaan, zij het ook alleen in het belang van het
betoog. Welnu, wie heeft al deze eigenschappen in dat
toover-ei ingelegd?"
„Ik wil in deze zaak niets van tooverij weten. De
Natuur, aller groote moeder deed het."
„Maar de eigenschappen moeten toch in het oorspron-
kelijk waterstofgas aanwezig geweest zijn?"
„Dit kan niet anders."
„Van waar kwam dan dit waterstofgas ? Zelf moet het
toch ergens zijn oorsprong gehad hebben?"
„Dit is iets, dat ik niet weet."
„Hoe kwam het dan aan het begaafd zijn met zoovele
wondervolle eigenschappen?"
„Dat kan ik niet verklaren."
„En toch stemt gij toe, dat al de eigenschappen in
dat gas besloten waren, die het in staat staat stelden te
gelegener tijd het tegenwoordig bestaand heelal te
worden?"
„Ja, dat geef ik toe."
„Meent gij dus, dat al die eigenschappen in het
waterstofgas konden zijn, zonder dat er eene verstande-
lijke macht achter of mede verbonden was?"
„Hoe zou ik alle mogelijkheden van het heelal kunnen
weten?"
„Ook kan ik niet verwachten, dat gij daarvan eene
volledige wetenschap hebt; maar wat is op dit punt uw
-ocr page 22-
12
eigen gedachte, wat schijnt uzelven in eene zaak als
deze waarschijnlijk?"
„Het onderwerp is te omvattend voor mijn beperkt
verstand."
„Dat is het zeker, Tom, maar gij zijt toch niet totaal
dwaas."
„Dank u voor uwe veronderstelling, oom, ik geloof
ook, dat het zoover niet met mij gekomen is."
„Ook ik niet, ik bedoelde immers blijkbaar het tegen-
deel. Maar wanneer ik mij op uw standpunt plaats, en
zelfs met u spreek van de zich gelijkblijvende Natuur,
wilt gij dan mij beduiden, dat zulk een ei, zulk eene
massa waterstofgas, met zulke eigenschappen en zoo-
danige voortbrengingskracht, zou kunnen bestaan, zonder
dat er een hooger staand verstand iets mede te doen
had? — Wel wanneer gij dit staande hieldt, zou ik u
voor niet anders dan een geboren idioot kunnen houden."
„Wel, oom, dan zal ik mij ook wachten zoo iets te
beweren, daar ik niet wensch voor zulk een stompzinnig
wezen gehouden te worden. Ik wensch u goeden avond."
„Goeden avond, Tom, maar weet wel, dat wij van
dat ei nog niet af zijn; ik heb u daaromtrent nog heel
wat vragen te doen.
„Best, oom, gaarne zal ik ons gesprek voort zetten."
„En ook ik wensch niets liever."
-ocr page 23-
HOOFDSTUK III.
De Natuur — Wat is zij? Een engel?
Mijn eene, zoo gewichtige zaak met mijn neef be-
sproken, had een eigenaardigen invloed op mijn denk-
vermogen, en maakte het op het punt van ons onder-
houd in bijzondere mate levendig en werkzaam. Hoe
meer ik nadacht over Toms pogen tot verklaring van •
zijn waterstofgas-ei, des te zonderlinger scheen het mij,
dat iemand met gezonde hersenen het anders beschouwen
kon dan als iets, dat aan scheppende wijsheid en macht
het aanwezen te danken had. Ik heb eens gelezen van
een vorst, die aan zijne bruid een kostbaar geschenk
beloofd had en haar een ijzeren ei zond. De vorstin
voelde zich door het weinig oogelij ke ding zoo gekrenkt,
Jat zij in haar toorn het met kracht op den grond
wierp. Deze schok deed het ei open springen, en nu
bemerkte zij, dat daar binnen in een zilveren omkleedsel
een gouden door zich bevond, dat geopend een gouden
kroon en diamanten ring bevatte. Wat echter had dit
vorstelijk geschenk te beteekenen, vergeleken met het
ei, dat in zich de ontelbare zonnen en gesternten omsloot,
die wij nu in den melkweg, de Pleaden, den Orion, en
behalve in planten en dierenrijk, in alle verstandelijke
wezens in het heelal aanschouwen?
Wij hebben hierbij te bedenken, dat de menschelijke
-ocr page 24-
»4
I
geest niet kan nalaten zich denkbeelden te vormen om-
trent eene wording van het heelal, die het op redelijke
wijs verklaart. Dit immers blijkt uit het feit, dat elke
natie een of meer theorieën daarvan heeft uitgedacht—■
waardoor men poogt van het hoe en waarom zich
rekenschap te geven. De Perzen, Hindoes, Egyptenaren,
Chinezen, allen spraken daarover en soms in zeer phan-
tastische vormen hunne gedachten uit, en onweersprekelijk
hadden zij hetzelfde recht als wij om een sleutel voor
het groot geheim te zoeken. Het was der Grieken wijs-
heid, die het eerst beweerde, dat er in het heelal niets
gevonden werd dan atomen en ledige ruimte. Indien
dit nu maar kon bewezen worden, zou er een einde
aan alle onderzoek en strijd van gevoelens zijn. Hadden
Democritus of Lucianus ons het bewijs van hun stelling
kunnen leveren, hoeveel moeite en hoofdbreken zouden
zij onze negentiende eeuw hebben uitgewonnen. Dit is
hun echter ten eenenmale mislukt; en dit spoort onze
hedendaagsche twijfelaars of ontkenners van het open-
baringsbericht aan, om het raadsel uit te vinden, dat
den Grieken te machtig was. Juist terwijl mij dit een
en ander door het hoofd ging, trad mijn neef binnen
en daar hij mij met een potlood en mijn aanteeken-
boekje in de hand zag, vroeg hij :
„Wel, oom, met welk bijzonder vraagstuk houdt zich
uw denken bezig?"
„Dat vertel ik u gaarne, Tom. Ik overdacht bij mij-
zelven, of er op de aarde eenige rivier bestaat, die niet
eene bron of wel heeft, waaruit zij ontspringt?"
„Dit dunkt mij eene vraag, die zelfs ieder school-
jongen beantwoorden kan, en wel zonderveel nadenken
ook."
„En naar uw meening zou hij zeggen, dat evenals
onze Irwell, die bij Bacup uit een klein, vuil hol voor
den dag komt, elke rivier aan de aarde moet ont-
wellen?"
„Gewis en zeker, hoe" zou het op andere wijs mogelijk
-ocr page 25-
15
kunnen zijn? De Theems, de Mersey en alle andere
rivieren hebben een aanwijsbaren oorsprong, en moge
die soms, gelijk met den Nijl het geval was, moeilijk
zijn op te sporen, allen moeten toch in een hooger
gelegen grond haar aanvang hebben."
„Op dit punt denken wij dus eenstemming, Tom.
Er is een tweede punt, dat ik voor ons tot bespreking
opteekende: „Kan er eenig gevolg zijn, dat geene oor-
zaak van bestaan heeft?"
„Natuurlijk, oom, moet elk gevolg zijne oorzaak hebben,
maar het vraagstuk, dat de oorzakelijkheid betreft, is
een bijzonder afgetrokken en lastig punt."
„Toch veronderstel ik, dat gij niet met David Hume
zult beweren, dat de betrekking van oorzaak en gevolg
hierop neerkomt, dat zij elkaar op dezelfde wijs opvol-
gen als dag en nacht doen."
„Zeker niet, Hume sloeg in dat beweren den bal
geheel mis. Dag en nacht volgen elkander wel op, maar
er is niet de minste oorzakelijke betrekking tusschen
beide verschijnsels, zooals bij voorbeeld tusschen het
afschieten van een stuk geschut en het daarop volgend
geluid."
„Ook verwacht ik, dat gij wel niet zeggen zult, dat
oorzaak en gevolg een en dezelfde zaak zijn, zoodat dus
het afgaan van het schot en het daardoor ontstaan ge-
luid verschillende zaken zijn. Is dit niet ook uwe meening?"
„Ongetwijfeld."
„Op deze beide punten oordeelen wij dus eenstem-
mig. Wat ik nu mijnerzijds begeer, is deze beginselen,
waaromtrent wij het eens zijn, op uw wondervol ei toe
te passen."
„En dit hoe, oom? Ik ten minste kan tusschen het
een en het ander niet het geringste verband zien."
„Zeer mogelijk, gelijk het evenzeer mogelijk is, dat
ik mijnerzijds ten eenenmale in dwaling verkeer. Mocht
dit blijken, dan zal het mij genoegen doen van dwaling
overtuigd te worden. Toen gij echter uwerzijds beweerd
-ocr page 26-
i6
hebt, dat alle dingen uit dat waterstofgas-ei zijn voort-
gekomen, heb ik u opheldering verzocht aangaande den
oorsprong van al de wonderbare eigenschappen, waar-
door dat ei geschikt was en macht had aan zooveel en
zoovelerlei het aanwezen te schenken. Gij hebt mij toen
gezegd, dat het die rijke begiftiging te danken had aan
de Natuur, de moeder van al wat is. Nu zou ik gaarne
van u weten, wat gij eigenlijk met Natuur bedoelt? Wie
is zij, waar, hoe en wanneer vangt haar werkzaamheid
en invloed aan? Voor alles echter, kunt gij mij eene
wetenschappelijke bepaling geven, wat gij met het woord
Natuur aanduidt en bedoelt."
„Zulk eene bepaling is niet zoo gemakkelijk onder
woorden te brengen. Ik meen dat wij het best doen
met Bryant te zeggen:
Ga onder \'t open hemelruim
En laat Natuur u leeren ;
of met Pope:
Zie vormend om u de Natuur,
Die \'t al in wezen bracht,
Hoe zij de atomen tot elkaar
Deed neigen; hoe haar macht
Ze elkander als omhelzen deed
Met onweerstaanbre kracht."
„Evenals gij, Tom, ben ik een beminnaar van poezy,
zij is een der schoonste vormen onzer letterkunde, —
maar toch kan zij allerminst dienst doen om ons haar
beeldrijke taal in plaats van wetenschappelijke bepalingen
te doen bezigen, vooral in wijsgeerig debat. Naar wat
gij gisteren beweerdet, is het Natuur, die uw ei gelegd
heeft en het in staat stelde om al de verschillende
vormen van leven en schoonheid uit zich zelf te ont-
wikkelen; maar ik kan zoo enkel op uw woord de
Natuur niet met het zelfde oog bezien als gij. Ik
wensch eerst wat meer van haar te weten. Is zij soms
een engel, Tom?"
-ocr page 27-
17
„Niet in den zin, waarin wij gewoon zijn het woord
engel te gebruiken."
„Is dan Natuur naar uwe beschouwing een geest?"
„Ook dit woord komt mij niet passend voor."
„Is zij dan soms iets gelijk Sinterklaas, dat \'s nachts
ongezien komt en \'s morgens weer verdwenen is?"
„Ik hoop, oom, dat gij de zaak van te ernstigen aard
acht, om de vraag niet als jokkernij te behandelen."
„In geenen deele, Tom; maar het komt mij voor, dat
gij er eenigszins met geweld toe moet gebracht worden
om de eigenlijke vraag te bespreken. Gij noodzaakt mij
u als bij de haren tot het groote punt in quaestie te
slepen, en niets anders bedoelde ik met mijn in scherts
gedane vraag. Ik heb vrij wat boeken van ongeloovig
karakter gelezen, en bevonden, dat zoodra van eenig
punt rekenschap moet gegeven worden en de oorzaak
er van onbekend is, Natuur met het vaderschap of moe-
derschap van al dat onbekende begiftigd wordt, zoodat
hare kinderen ontelbaar zijn als het zand der zee. Wat
echter schrijvers van dit karakter zorgvuldig vermijden,
is eene duidelijke bepaling te geven, wat zij met het
woord Natuur aanduiden."
„Ik oordeel, dat dit ten deele zijn oorzaak vindt in
het feit, dat „Natuur" te veel omvattend is, om zich in
één bepaling te laten saamvatten, en ten deele, dat
ieder als van zelf begrijpt, dat Natuur hemel en aarde,—
feiten en wetten insluit."
„Gij beschouwt dus „Natuur" niet als eene onzicht-
bare persoonlijkheid, — als een wezen, dat afgescheiden
van de atomen op deze invloed oefent."
„Geenszins. Stuart Mill zegt duidelijk: „Natuur bedoelt
niet alles wat voorvalt, maar alleen wat plaats heeft
buiten het willen en verstandelijk handelen van den
mensch." Komt dit zijn zeggen al niet vrij nabij aan
eene wetenschappelijke bepaling?"
„Dus beschouwd is het derhalve „Natuur" aan
wie wij den hemel en de aarde, de bloemen des
-ocr page 28-
i3
velds en de visschen der zee te danken hebben?"
„Dit spreekt van zelf."
„Eerst evenwel hebt gij gezegd, dat alles is voortge-
komen uit dat oorspronkelijk ei en dat dit ei al zijn
eigenschappen en macht aan de Natuur te danken had.
Wat is dan het eigenlijk onderscheid tusschen Natuur
en dat waterstofgas-ei. Maak mij dit eens duidelijk."
„Die twee laten zich moeilijk scheiden en misschien
ook ben ik in mijn spreken niet zorgvuldig genoeg ge-
weest om beiden nauwkeurig te onderscheiden."
„Naar uw beschouwingswijs is het eene onmogelijk-
heid om „Natuur" en het ei van elkaar gescheiden te
houden; — zij zijn één en dezelfde zaak, en daarom
behoort gij van nu aan alle pogen te laten varen om
een van de twee als oorzaak van de andere voor te
stellen."
„Dit zie ik nu zelf ook in; maar mij is een ander
punt in gedachten gekomen, dat de zaak op meer vol-
doende wijs zal in \'t licht stellen."
„En wat is dat? Ik ben uiterst nieuwsgierig, hoe gij
u uit de moeilijkheid uitredden zult."
„Zouclt gij, voor ik u hierop mijn antwoord geef, mij
niet willen zeggen, hoe gij de zaak beziet?"
„Zeer gaarne, Tom, al was het slechts om u wat
ruimer bedenktijd te geven! Uitgaande van de veronder-
stelling, dat uw ei een bewezen zaak is, en aannemende,
dat alles in deze wereld daaruit is voortgekomen, zou
ik zoo zeggen, dat het bestaan van zulk een ei het bestaan
van eene Godheid eischt, die er de Schepper van is; en
niet alleen dit, maar dat er ook toezicht vereischt wordt,
en wel van die zelfde Godheid, om de ontwikkeling
van alles uit dat begin te leiden en te besturen; en
het komt mij voor, dat zoo heerlijke ontwikkeling als
onze oogen aanschouwen, ons op den eeuwigen God
zelf heen wijst."
„Doch in mijne voorstelling is geen plaats voor Uw
God als Schepper en alvoorzienend Verzorger."
-ocr page 29-
I\')
„Dan, Toni, betaamt het u op uw standpunt om
iemand of iets te vinden, dat de plaatsbekleeder van
dien God wezen kan. Indien toch zulk een ei, als waar-
aan gij gelooft, met de werkelijkheid overeenkomt,
moet er tevens een redelijke grond voor zijn aanwezen
aan te toonen zijn. Indien het toch uit zichzelf bestaat
en zelf werker van alles is, dan wordt het wat wij
met een ander woord God noemen, — en wel de God
van den Pantheïst; heeft het echter de oorzaak van zijn
bestaan niet in zichzelf en heeft het zich niet uit zich-
zelf ontwikkeld, dan moet er, hoe gij die ook noemen wilt,
ergens eene macht aan te wijzen zijn, die meer is dan
dat ei en die daarover machthebbende is."
„Dit is een zeer gewichtig punt, Oom, en dat ernstig
nadenken vereischt. Ook moet ik erkennen, dat gij door
uw dringen mij een weinig in de engte gebracht hebt.
Wanneer men met u redetwist, zet gij de schroeven zoo
aan, dat gij luttel uitweg open laat, en ik moet wel
denken, dat gij op dit oogenblik op vaster en veiliger
grond staat, dan ik gemeend had. Met dat al, heb ik,
zooals ik zeide, het oog gevestigd op een punt, dat
beter ter zake dient. Liefst zou ik echter wat vrijen tijd
hebben tot nadenken en dus ons verder spreken tot
nader uitstellen."
„Best, Tom, neem er uw tijd voor, maar bedenk, dat
het geen weinig beteekenende zaak is om iemand of
iets te vinden, die in onze voorstelling God vervangt, —
en met minder dan dat laat ik mij niet afschepen."
„Goed, oom, ik zal mijn best doen, het antwoord op
elke rechtmatige vraag te vinden, en dus tot nader."
-ocr page 30-
HOOFDSTUK IV.
Wat stelt de ongeloovige voor God in de plaats?
Mijn neef herhaalde vrij spoedig zijn bezoek en trad
met een opgewe kt en van overtuigdheid stralend gezicht
binnen. „Oom," zeide hij terstond, „Wat ik in de plaats
stel van uw woord God, is het woord Wet. Al terstond
geef ik toe, dat uw eisch, dat voor de door u gestelde
oorzaak iets anders moet in de plaats komen, billijk is.
Er moet toch in de Natuur een regelend, leidend,
besturend beginsel zijn, zullen wij ons zelven rekenschap
weten te geven van de harmonie, de orde en de ontwik-
keling van het geheel; en ik voor mij vind niets zoo
passend als „eene noodzakelijke Wet."
„Wel, Tom," hernam ik, „ik ben waarlijk blijde, dat
gij den moed hebt het vraagstuk met een kloek bevvust-
zijn onder de oogen te zien. Zie mij bereid om met
geduld te luisteren naar het rechtvaardigen van de door
u gegeven en voldoend gekeurde oplossing. Laat mij
hooren."
„O, ik dacht, oom, dat gij nu de eerste schrede zoudt
doen, en mij zeggen, wat gij van de zaak denkt, en of
gij de stelling, die ik gekozen heb, afkeurt."
„Voorals nog keur ik niets af, Tom. Ik heb u gezegd,
dat uw plaatsvervanger van zoodanig karakter moet zijn,
dat daardoor alles op redelijke wijs helder wordt, en ik
-ocr page 31-
21
heb nu recht van u te verlangen, dat gij aantoont, dat
de zaak werkelijk zoo gesteld is. Gij hebt uwerzijds mij
nu het bewijs te leveren, dat deze noodzakelijke Wet,
zich betoont als de macht, welke Schepper en Bestuur-
der dezer wereld is."
„Wenscht gij een of twee aanhalingen te vernemen,
oom, die u mijne meening duidelijk kunnen maken."
„Zeer gaarne. Het is mij geheel onverschillig, of uw
bewijs in uw eigen woorden of die van anderen bestaat,
zoolang ik zeker ben, dat gij de zaak naar uwe eigen
overtuiging voorstelt."
„Welnu, John Stuart Mill zegt:
„Alle wereldverschijnselen, zonder eenige uitzonde-
ring, worden door onveranderlijke wetten beheerscht,
waarin geen andere wet, natuurlijk of bovennatuurlijk,
ooit storing brengt." Ik hoop, dat deze aanhaling duidelijk
genoeg en een voor u gewichtig genoeg bewijs is.
„Zij is mij duidelijk en gewichtig genoeg, Tom, maar ik
wacht of van Mill of van u het bewijs voor de waarheid
van den inhoud. Of meent gij wellicht, dat ik ze zoo
maar op het gezag van Mill als waar zal aannemen?"
„Wel, mij dunkt, dat Mill een man van genoeg be-
teekenis is om voor ons als gezaghebbende te spreken,
en ik geloof, dat gij hard werk zult hebben om iemand aan
hem tegenover te stellen, op wiens woord wij beter
kunnen afgaan. Gij herinnert u toch, dat hij een van de
beste leerboeken over logika geschreven heeft."
„Ik erken al de voortreffelijkheid van dit zijn geschrift,
alleen zou ik wenschen, dat hij wat meer aan zijn eigen
regels gedacht en meer aan de logika getrouw geweest
was, toen hij zijn werk over de wijsbegeerte te boek
stelde, want hij zou zichzelf dan zeker meer gelijk
gebleven zijn."
„Hoe dat?"
„Let alleen maar op de stelling zelve, welke gij als
afdoend uit Mill hebt aangehaald. Hij zegt „alle natuur-
en levensverschijnselen," dat sluit in zich de bewegin-
-ocr page 32-
gen der starren, het groeien van aardappelen, het cricket-
spel en het dronken worden. Had hij zich beperkt
tot de bewegingen der starren, het zou moeilijk geval-
len zijn hem te weerleggen, even moeilijk als het hem
zou gevallen zijn het bewijs voor zijn stelling te leveren.
Zoodra wij echter komen op het gebied van dronken
worden, cricketspelen en het groeien van aardappels,
zijn wij op meer bekenden grond, waar wij een
woordje kunnen meespreken. Ieder die enkel zijn ge-
zond verstand raadpleegt, zal niet licht ontkennen, dat
deze verschijnselen iets met ons wilsvermogen te maken
hebben. Ieder is van het tegendeel overtuigd — en
houdt het er voor, dat \'s menschen wilsvermogen daarin
zeer bepaald aandeel heeft. Wat voorts bedoelt Mill er
mee, dat verschijnselen geregeerd worden door onveran-
derlijke wetten? Ik veronderstel, dat hij ons werkelijk het
denkbeeld wil inprenten, dat er eenige macht schuilt in
die onveranderlijke wetten, volgens welke de zichtbare
uitkomsten aan het licht komen. Heb ik dat mis?"
„Neen, althans ik heb zijne meening evenzoo opgevat."
„Dan zijn wij het op dit punt eens. Welnu, sla nu
eens op zijne logika, boek III, hoofdstuk 4, daar leest
gij: „De uitdrukking „Natuurwetten," beteekent niets
anders dan de regelmaat, die wij overal in de ver-
schijnselen der natuur waarnemen." Zoo dan schuilt er,
naar Mill\'s eigen bepaling, geen bestuursmacht in de
onveranderlijke wetten; zij regceren niet, maar bestaan
slechts."
„Wel, oom, ik had niet gedacht, dat het u mogelijk
zou geweest zijn in Mill\'s geschriften zulk een tegen-
strijdigheid te ontdekken."
„llest mogelijk, maar wanneer het noodig was, zou
ik 11 met verscheiden voorbeelden kunnen aantoonen,
dat dit niet de eenige keer is. Doch laten wij nu bij
ons onderwerp blijven, en zien wat wij er van maken
kunnen."
„Maar, oom, gij zult toch moeten toestemmen dat er
-ocr page 33-
23
eenige beteekenis ligt in het feit, dat alle wetenschappe-
lijk gevormde mannen steeds van de wetten der Natuur
spreken."
„Zeker, maar alleen wist ik gaarne met zekerheid,
welke de eigenlijke meening van de mannen der weten-
schap is, — wat zij door de woorden „Natuur" en
„Wet" verstaan. Wanneer ik Huxley, Tyndal en anderen
van die richting over Physiologie, Biologie, Elektri-
citeit, Chemie, Botanie lees, baart mij dit geene moei-
lijkheid. De door hen gegeven bepalingen en verklarin-
gen zijn duidelijk, volledig, onberispelijk. Maar, helaas,
zoodra verlaten zij niet dien weg van zuivere weten-
schap, en komen zij op het gebied der bespiegelende
wetenschap, of zij toonen al de zwakheid van gewone
menschen; zij stellen dan wel de vraagstukken over
God, wonder, schepping niet terzij, maar wikkelen al
deze niet door hen begrepen onderwerpen in de geheel
onbepaalde termen „Natuur" en „Wet". Ik zou wenschen,
dat zij er of eene duidelijke bepaling van gaven, of ze
stil lieten rusten."
„Wanneer ik u wel begrijp, oom, dan is uw hoofd-
bezwaar, dat de termen Natuur en Wet op dubbelzinnige
wijs gebruikt worden. Doch ik ben bereid Mill\'s denk-
beeld los te laten, en gebruik dan het woord Wet in
den zin van werkzame kracht, welk bezwaar hebt gij,
tegen deze wijze van voorstellen?"
„Tk heb er twee, maar één er van is voor het oogen-
blik voldoende. Gij neemt aan, dat Wet een werkzaam
beginsel, eene bewegende kracht is, maar gij bewijst
het niet op de proef, — het is eene zuivere veronder-
stelling."
„Maar, oom, ieder wetenschappelijk man van onzen
tijd spreekt, en dat zonder uitzondering, van wat ge-
beurt, als wetmatig geschiedend."
„Ik weet dat, Tom, het is mij best bekend, maar de
zaak is er niet in het minst mede gebaat. Geheel de
handel van ons land geschiedt door middel van geld,
-ocr page 34-
24
maar daarom is geld nog geen werkzaam beginsel of
bewegende kracht. Alle rechters en overheidspersonen
regelen hunne rechtspraak naar de wet, zij handelen in
overeenstemming met de wet, maar dit heeft niet te
beteekenen, dat de wet eene werkzame kracht is, een
wezen dat zekere daden ten uitvoer brengt. Het heeft
niets anders en niets meer te beteekenen ds i dat zekere
menschen zekere regels en voorgeschreven vormen volgen."
„Maar, oom, er zijn toch in de Natuur verborgen
en met haar één zijnde krachten, en Darwin en andere
bekwame mannen spreken van deze krachten als werk-
zame wetten, die bepaalde veranderingen in het aan-
zijn roepen. Ik kan niet anders dan deze hunne wijze van
voorstellen eene zeer redelijke noemen, en wanneer
ik haar voor mij zelven aanneem, bestaat er voor mij
niet de allerminste noodzakelijkheid om het denkbeeld
van uw God uit te vinden en dezen er bij te slepen,
om deze dingen voor ons te doen, — het zijn wetten,
die dit alles maken."
„Nog eens, Tom, gij spreekt van verborgen krachten,
die de mannen van wetenschap als werkzame wetten voor-
stellen. Welnu, moet ik daaruit begrijpen, dat die wet-
ten of krachten iets persoonlijks en met rede begaafd zijn ?"
„Gewis niet, oom; ik zeide, dat die verborgen krach-
ten in de Natuur zelve zijn, maar maak er daarom geen
persoon van, die een werktuig drijft."
„Best. Gij zijt dus geen uitvinder van eenige Godheid,
gij haalt er geen God bij als de bewegende macht in het
heelal, maar in plaats van God betrekt gij Natuur en Wet
in het geding. Het is altijd dezelfde wisselende voorstel-
ling, waarop ik telkens gewezen heb. In een vroeger
gesprek stemdet gij toe, dat „Natuur" niet iets onder-
scheiden is van den zak met atomen, waarvan gij
spraakt — dat wondervol waterstofgas-ei. Met een omweg
wij zijn we nu alweder op het zelfde punt terug."
„Maar het onderwerp, dat ons n u bezig houdt, is Wet,
en niet Natuur."
-ocr page 35-
25
„Gij hebt gelijk, maar gij zoudt mij duidelijk maken,
dat uw Wet al de eigenschappen bezit om in het heelal als
Schepper, Bestuurder, Veroorzaker van alle ontwikkeling
op te treden; en al wat gij doet, is mij beduiden, dat
er verborgen krachten in de Natuur schuilen. Wet is eene
van deze, en Natuur is dat ei, waarvan gij geen rekenschap
weet te geven. Gelijk eerst van de Natuur, erkent gij nu
van Wet, dat zij niet persoonlijk en met rede begaafd is. Alles
komt dus hierop neer, dat gij in plaats van één God er twee
hebt, — Natuur en Wet ■— en deze uwe twee Goden
zijn beiden blind, doof en stom. Gij staat er duizend
maal slechter bij dan de Atheners, van wie wij lezen,
dat zij een altaar hadden voor den „onbekenden God."
„Maar ik heb er toch duidelijk op gewezen, oom, dat
alle soorten van stof begaafd zijn met eigenschappen, ver-
wantschappen en bewegingen, krachtens welke zij op elkan-
der werken en terugwerken. Hierdoor hebben alle voor-
komende veranderingen plaats en zien wij eene gedurige
ontwikkeling."
„Wat niets meer te beteekenen heeft, Tom, dan dat
gij een feit hebt in het licht gesteld, namelijk, dat
er eene beweegkracht in het heelal, of wilt gij, leven in
het ei aanwezig is. Met geen enkel woord echter hebt
gij nog aangetoond, van waar die levenskracht haar oor-
sprong heeft, hoe zij in stand gehouden wordt, en door
welke middelen zij tot bepaalde, van verstand en overleg
getuigende uitkomsten geleid wordt. Zoo komt voor wat naar
u voor God moet in de plaats treden, niets in de plaats."
„Maar gij rekent toch, dat de beweegkracht bestaat ?"
„Gewis."
„En dat de atomen verborgen krachten in zich bezitten."
„Zeker."
„En wat verlangt gij dan nog meer ?"
„Wat ik nog meer verlang, Tom? Wel heel wat meer.
Ik verlang te weten, hoe de atomen met die krachten zijn
begiftigd geworden, en met de eigenschappen, die hen
naar een bepaald doel doen streven; dat is, in één woord:
-ocr page 36-
26
wie of wat het waterstofgas-ei heeft vruchtbaar gemaakt.
Daaromtrent deelt gij mij niets mede. Gij doet niets dan
op verschillende wijs op feiten wijzen: het ei bestaat;
het heeft zekere eigenschappen; het groeit en kent ont-
wikkeling; het ontsluit zich in eindelooze vormen van
leven en schoonheid; maar toch is er naar het stand-
punt, dat gij hebt ingenomen, geene hen, die het gelegd
en geene macht, die het uitgebroed heeft. Toch moest
gij ongeloovigen zien, wat ieder ziet, die niet stekeblind
is, dat eene levendwekkende Macht op dit gebied
een noodzakelijk vereischte is. Omdat gij echter in
het woord God geen behagen hebt, hebt gij deze
twee oude dames — Natuur en Wet — uitgedacht om
liet huishouden des heelals te verzorgen en te besturen.
Deze twee zijn uw goden, en voor mijn part moogt
gij er gelukkig mee zijn."
„Hoor, oom, gij wint er waarlijk niets mee, dat gij ons
voor afgodendienaars zoekt uit te maken. Het is mij dui-
delijk, dat gij in het geheel niet inziet, hoeveel vervat
is in uw toegeven en erkennen, dat de stoffelijke elementen
op elkander werken en terugwerken als gevolg der hun
inwonende eigenschappen."
„Wat dit op zichzelf moge te beteekenen hebben, Tom,
maakt geen verschil in wat wij bespreken. Waar het
op aankomt, en waarvan gij verplicht zijt rekenschap
te geven, is, dat de atomen zelven met rede begaafde
werkers zijn. Indien gij zegt, dat er onafhankelijk van
het ei eene macht of levenskracht schuilt in de stoffe-
lijke deelen, waaruit het ei is samengesteld, dan verlang
ik, evenals ik dit aangaande het ei verlangde, aangaande
die macht te vernemen, vanwaar zij haar oorsprong-
heeft, hoe zij met het ei in verbinding trad en het in
wezen houdt."
,,Ik zie nu, oom, wat uw bedoelen is en waarheen gij
mij zoekt te brengen, en ik ben mijnerzijds bereid u toe
te stemmen, dat in het hart van alle dingen eene groote
besturende Macht moet aanwezig zijn. Maar toch, oom,
-ocr page 37-
= 7
al erken ik, dat er ergens een eeuwige bron van levens-
kracht moet aanwezig zijn om rekenschap te geven van
de veranderingen en levensontwikkelingen, die wij aan ■
schouwen, blijft het tevens waar, zooals HerbertSpencer
zegt, dat wij van die Macht niets kunnen weten."
„Hoor eens Tom, nu werpt gij het opeens over een
geheel anderen boeg en brengt een geheel ander vraag-
punt ter tafel. Maar ik hel) er niets tegen en wissel
gaarne met u van gedachten over het Agnosticisme, met
zijn beweren, dat wij niet anders kunnen dan op dit
punt „Niets wetenden" zijn. Laat ons dat echter voor
een ander samenzijn bewaren."
„Mij goeil, oom. Ook ik bespreek die zaak gaarne
met u.
-ocr page 38-
HOOFDSTUK V.
De man achter het scherm.
Sinds mijn laatst gesprek met mijn neef deed ik eene
wandeling en werd mijne aandacht getrokken door eene
opeenhooping van menschen. Ook ik kon mij niet ont-
trekken aan de onwillekeurige nieuwsgierigheid, die door
zoo iets bij bijna iedereen wordt opgewekt. Het bleek
mij, dat eene poppekastvertooning de aandacht van deze
menigte boeide. Wel het was het oude, welbekende
Jan Klaasen-spel, de vrouw, het kind enz., en alle toe-
schouwers luisterden als vinken. Van kinds af heb ik
meer dan eens de grappen zien vertoonen, en ondanks
mij zelven bleef ik ook nu toekijken en lachte met het
publiek. Maar ik moet meer zeggen, ik keek toe met
werkelijke belangstelling, want op eens was een nieuw
denkbeeld in mij levend geworden. Ik zag in de vertoo-
ning, die ik voor oogen had, een der beste toelichtingen
van het agnosticisme. De heer Herbert Spencer teekent
de natuur als de openbaring eener voor ons onzichtbare
macht. Zoo was het ook met deze vertooning met ,,de
man achter het scherm." Bij deze opmerking namen
mijne gedachten haar eigen loop en ik deelde dezen
gang aan Tom mede, doch mijn vergelijking viel kennelijk
in hetgeheel niet in zijn smaak, want hij is een discipel van
-ocr page 39-
20
Spencer en volbloed verdediger van zijn stelsel. Ik gaf
hem de verzekering, dat ik die zienswijs ver boven het
Atheisme stelde, als meer gematigd en bescheiden, maar
dat zij tegen over het Christelijk geloof noch krachtig
noch aantrekkelijk is.
„Maar, oom," hernam hij, „Spencer zegt „er is een
Macht achter de feiten en wetten der natuur," doch hij
zegt ook: „alle kennis van die Macht ligt buiten ons
bereik, en dus heeft niemand recht om te beweren, dat
zij eene persoonlijke is."
„Dat is eene juiste voorstelling van Spencers onderwijs,
Tom. Hij beweert, dat het onmogelijk is bekend te
worden met de Macht achter het scherm. Maar die
verzekering is hem niet van de lippen, of in één adem
weet hij een aantal zaken omtrent die Macht mee te
deelen, en wekt mijne verbazing, hoe hij dan toch aan
al die wetenschap mag gekomen zijn! Wie berichtte
Spencer, dat er iets is achter de feiten en wetten der
Natuur? Van waar zijn weten, dat dat iets eene Macht
is? Waarop rust zijn verzekeren, dat die Macht duurzaam
en zichzelve gelijkblijvend is? Indien hét waar is, dat
wij van deze Macht niets kunnen te weten komen, en
toch Spencer er dat alles van weet, dan schijnt hij mij
het onmogelijke volvoerd te hebben, en dat is zelfs voor
zlilk een knap man wel wat heel veel!"
„Maar Spencer staat in dezen niet alleen."
„Neen, dat doet hij niet. Zoo bij voorbeeld zegt zijn
geestverwant Bithell evenals hij, dat wij nooit de eerste
oorzaak van het bestaande kunnen leeren kennen. Toch
spreekt ook hij op volgende wijs: „Het geloof in wat
de evolutionist noemt „de levenwekkende kracht", noemt
de voorstander der Bovennatuurkunde „eene allerhoogste
Macht," de Godgeleerde „Jehova, Jupiter, Heer," en wordt
door zulk eene overweldigende klaarblijkelijkheid gesteund
en uit zoo velerlei verschijnselen afgeleid, dat dit ge-
loof bijna met een volkomen weten is gelijk- te stellen."
Terwijl hij zich zoo beslist uitlaat, noemt hij zich toch
-ocr page 40-
een agnostieker. Mij komt het voor dat de strijd meer over
woorden dan over zaken loopt. Spencer en Bithell gelooven
evenzeer aan God als wij Christenen, maar naar hun
oordeel bedienen wij ons van te hoog klinkende namen."
„Gij moogt van hen geen andere voorstelling geven,
oom, dan die zij /.elven aanvaarden zouden, want zij
zijn verre van een God te erkennen in den zin, waarin
gij dat doet."
,,Ik geef geene verkeerde voorstelling van hen, Tom,
ik houd hen alleen aan hun woord. Zij erkennen eene
Macht achter de Natuur; ik ook. Zij erkennen, dat de
feiten en wetten der natuur openbaringen zijn van die
Macht; wat ook ik beweer. Zij leeren dat die Macht
blijvend en zich gelijkblijvend is; wat ook ik zeg. Waar
zij evenals ik aangaande die Macht zooveel als waar en
zeker belijden, waarom dan nog over namen te twisten?"
„Wel ik onderstel, dat zij inzien, dat de feiten en
wetten der Natuur tot hunne redelijke verklaring ergens
het aanwezig zijn van eene macht als oorzaak eischen; want
zonder Macht is werkdadig leven in de Natuur onver-
klaarhaar. Onder de namen door u aan God gegeven
zijn er echter, die verstand, persoonlijkheid, een zedelijk
karakter in zich sluiten, en voor deze eigenschappen
zien zij nergens eenig bewijs."
„Ik houd mij aan deze uwe verklaring, Tom, die wij
nader bespreken. Zeker, zonder het bestaan van eene
Macht zouden wij niets zien worden of gebeuren. Op
dat punt zijn wij het dus eens, dat eene macht zich in
de Natuur werkzaam betoont. Wanneer er van die
Macht sprake is, moogt gij hei zeggen, als gij dit goed
vindt, maar ik zal blijven zeggen: Hij. Wel nu, wat ook
deze Macht zij, oordeelt gij, dat zij aan eenig voorwerp
in de Natuur eigenschappen zou kunnen mededeelen,
waarvan zij niet zelve bezitster is?"
„Dat kan ik wel niet aannemen."
„Goed. Maar van waar hebt dan gij persoonlijkheid,
verstand en een zedelijk karakter?"
-ocr page 41-
3\'
„Wel ik denk, dat ik deze aan mijne ouders of ver-
der liggende bloedverwanten te danken heb."
„Ongetwijfeld waar, Tom, zelfs al neemt gij den aap
in uw geslachtsboom op. Evenwel, wanneer wij weer
dezen trant van redeneeren gaan volgen, kunnen wij
nergens op uitkomen dan op uw tooverei; en wat uit
dat ei is voortgekomen moet er als aanvangspunt in ge-
weest zijn, en er ingebracht door de Macht, die wij
nu bespreken. Uwe persoonlijkheid, verstand en zedelijk
karakter zijn u gegeven door Hem, van wien men als
Macht achter de Natuur spreekt, en wat deze kan mede-
deelen en mededeelt moet eerst in haar eigen bezit ge-
weest zijn. Dit is, dunkt mij genoeg voor uw bescheiden
agnosticisme om er eens ernstig bij stil te staan."
„U schijnt mij toe al zeer luttel eerbied voor de agnos-
tieken te hebben ?"
„Voor hen persoonlijk, Tom, ben ik bereid allen eerbied
te betoonen, maar dien eerbied heb ik in het allerminst
niet voor hun gedurig met zich zelven in tegenspraak zijn."
„Hoe meent gij dat ?"
„Wel Spencer en anderen beginnen met te beweren,
dat wij niets te weten kunnen komen van de Macht
achter de Natuur en tegelijkertijd weten zij ons tal van
zaken omtrent die Macht te berichten; en wat zij zoo
ons mededeelen, is zooal niet in vorm en mate toch
in hoofdzaak juist hetzelfde wat de H. Schrift ons als Gods
openbaring van Zichzelven leert."
„Is er nog meer, waarin zij zich niet gelijk blijven ?"
„Zeer zeker. Zij beperken hun niet-weten tol het
voorwerp van godsdienstige vereering, en dan gaan zij
voort met spreken, als wisten zij alles van wat zij Na-
tuur en Wet heeten."
„Maar gij wilt met zoo te spreken toch niet te verstaan
geven, dat zij geen begrip hebben van Natuur en Wet, ■—
zaken, die tot het eigen gebied der wetenschap behooren?"
„Neen, Tom, ik tracht zoo iets niet te verstaan
geven, ik beweer het stoutweg. Zij weten van Natuur
-ocr page 42-
32
en Wet niets meer, en kunnen er ook niets meer van
weten, dan zij weten van God."
„Wel, ik sta geheel verbaasd over dit uw beweren.
Ik zou wel willen hooren, hoe gij die stelling kunt goed
spreken."
„Gaarne. Ik staaf mijn meening op volgende wijs.
Ik heb alles gelezen, wat zij over atomen en moleculen
mededeelen. De Natuur is samengesteld uit atomen en
moleculen, is zij niet?"
„Gewis, maar ga verder."
„Zij verhalen mij heel wat over die atomen en mole-
culen, — hun omvang, hun betrekkelijk gewicht, hunne
kracht tot vereeniging, hunne bewegingen enz. Maar
vraag ik hun nu, wat atomen en moleculen zijn, dan
weten zij dat niet te zeggen. Zij spreken het als hun
meening uit, dat waarschijnlijk al de vier en zestig soorten
van stoffen slechts verschillende vormen van waterstof zijn;
maar wat waterstof is, vanwaar dit zijn oorsprong heeft,
hoe dit blijft voortbestaan, daar van weten zij niet meer
dan een pasgeboren kind. Hieruit blijkt, dunkt mij, dat
zij evenzeer agnostieken „niet-weters" zijn op het gebied
van wetenschap als van godsdienst."
„En betrekt gij dit niet-weten nog op meer dan op
de atomen en moleculen?"
„Ja, op heel wat meer. De man van wetenschap spreekt
van de wet der zwaartekracht, maar wat weet hij daar-
van? Zij weten, dat een appel op den grond valt, dat
de zon de aarde aantrekt en de aarde de zon, elk naar
de mate zijner massa, enz. Maar wat is dat wat zij massa
noemen? Vraag dat aan een beoefenaar der wetenschap,
wien gij wilt. Hij zal u zeggen, dat niemand dat weet.
Zij spreken op zeer geleerde wijs over ether — iets veel
lichter dan onze dampkringslucht — welks trillingen
oorzaak der lichtverschijnselen zijn. Vraag hun wat ether
is, en zij moeten erkennen het niet te weten. Evenzoo is
het gesteld, wanneer zij spreken van beweging, van elasti-
citeit die in, op en door de stof werkt, en waaruit al
-ocr page 43-
33
de verschijnselen in liet stoffelijk heelal te verklaren zijn.
Vraag hun nu, wat „de elasticiteit" waarvan zij gewa-
gen, is, en zij schudden hun hij het onderzoeken grijs
geworden hoofd als belijdenis, dat zij het antwoord moeten
schuldig blijven."
„Hebt gij nog meer op het hart, oom?"
,,0 ja, nog veel meer, maar het zou ons heel wat tijd
kosten om de diepte der wetenschappelijke onwetend-
heid te peilen. Toch wil ik u nog op één punt als passende
slotrede wijzen. Lange, de groote geschiedschrijver der
naturalistische wijsbegeerte, doet ergens eene aanhaling,
waarmede hij in de volgende woorden instemming
toont: „ten slotte is het éénige uiteinde, dat aan alle
wetenschap gesteld is, wellicht niet zoozeer het begrijpen
van de natuur der dingen, dan wel ons te doen inzien
dat deze iets voor ons onbegrijpelijks is." — Welk een
schitterend eind zal \'t zijn, wanneer het daartoe komt."
„Maar gij denkt er toch niet aan, om dat aan Lange
toe te geven?"
„Wel zeker, ik stem er van voller harte mee in."
„Wel? Dat het einde van alle wetenschappelijk onder-
zoek zijn zal, dat wij de zaken, waarom het gaat, nooit
zullen kunnen begrijpen?"
„Ja, dat neem ik geheel aan."
„Wel dan zijt gij een volbloed agnostiek."
„Op wetenschappelijk standpunt ben ik dat, — de
wetenschap weet het groote geheim des heelals niet en
kan er niet bij."
„En te gelijk zoudt gij mij willen opdringen, dat gij,
op godsdienst prijs stellend, den Schepper begrijpt."
„Neen, Tom, zoo iets zeggen wij niet. Begrijpen en
erkennen zijn twee zeer verschillende zaken. „God is
groot, en wij begrijpen hem niet;" maar wij kunnen iets
hem aangaande leeren kennen. De zichtbare wereld is
eene openbaring van zijne macht en heerlijkheid. „De
hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt
zijner handen werk." En Paulus schreef in zijn brief aan
3
-ocr page 44-
34
de Romeinen te recht: „Zijne onzienlijke dingen worden,
van de schepping der wereld af, uit de schepselen ver-
staan en doorzien, beide zijne eeuwige kracht en godde-
lijkheid."
„Wel, oom, er kan wel in uwe beschouwing van het
vraagstuk meer waarheid schuilen dan ik vermoedde.
Gaarne belijd ik, dat ik mij niet bewust was, dat de
mannen der wetenschap zoo luttel weten van de werkelijke
natuur van het stoffelijk heelal. Maar laat mij u nog dit
vragen, brandmerkt gij alle agnostieken als atheisten?"
„Voorzeker niet. De atheist ontkent het bestaan van
alles wat hij niet begrijpt, en er zijn wetenschappelijke
mannen, die door onlogisch denken tot die diepte afglij-
den, maar de meesten hebben een te helder oordeel om
in zulk een moeras terecht te komen."
„Nu, het verblijdt mij, dat gij zachter in uw oor-
deelen zijt dan menig predikant. Toch is het mijne
opmerking niet ontgaan, dat gij de vraagstukken meest
beperkt hebt tot de feiten der Natuur. Ik verwachtte,
dat gij heel wat meer omtrent het oude Boek zoudt
hebben te berde gebracht. Naar ik mij had voorgesteld,
zoudt gij de groote vraagstukken betrekkelijk Mozes en
Jezus van Nazareth in ons gesprek hebben opgenomen."
„Daartoe, Tom, ben ik geheel bereid, maar eer wij
er toe komen, heb ik u nog eenige vragen te doen,
en dan kunt gij mij alles vragen, wat gij goed vindt."
„Ik dank u, oom, voor dit aanbod, dat ik waardeer
en waarvan ik volle gebruik hoop te maken.
-ocr page 45-
HOOFDSTUK VI.
Bestaat er in het heelal niets dan natuurlijke
ontwikkeling?
„Welnu, Tom, ik wensch van u een antwoord op eene
vraag, die een ander punt van beschouwing betreft. Gij
hebt gesproken van den geregelden voortgang en ont-
wikkeling der natuur. Uwe voorstelling der zaak schijnt
mij toe deze te zijn, dat alles in het heelal zich door
onpersoonlijke krachten en in een weg, dien men den
natuurlijken heet, trapsgewijs het eene uit het andere
heeft ontwikkeld, zonder dat er iets te bespeuren valt
van een persoonlijk verstand of van een persoonlijk doel.
„Juist, gij hebt mijne meening getrouw weer gegeven."
„Gij oordeelt dus, dat er in de keten van de mole-
culen tot de meest ontwikkelde dieren, den mensch in-
gesloten, geene storing of breuk is, en dat de werking
die gij goed vindt natuurkracht te noemen, overal,
alleen en onafgebroken bestaat?"
„Juist, dit is mijne voorstelling en ook de leer van
de hedendaagsche wetenschap."
„Maar naar ik veronderstel rekent gij toch professor
Wallace als behoorende tot onze mannen van weten-
schap?"
„Gewis."
-ocr page 46-
36
„En dus weet gij ook, clat hij zich rechtstreeks tegen
uwe beschouwingswijs over stelt."
„Ja, hij doet dit. Hij beweert, dat er in den loop der
natuurontwikkeling verscheiden gelegenheden voorkomen,
waar een van buiten komende invloed, zooals hij het
noemt, moet zijn werkzaam geweest. In dit beweren
staat hij echter zoo goed als alleen tegenover de meer-
derheid der mannen van wetenschap."
„Toch staat zijne bekwaamheid onweersproken vast
en rekent men, dat zijn gezag niet minder is dan dat
van Darwin, wat betreft de door hem geleverde bewijzen
voor de deugdelijkheid der ontwikkelingstheorie."
„Ja, dat is zoo."
„En meent gij niet, dat het een veel beteekenend
feit is, een feit, dat althans de aandacht waard is, dat
een zoo uitstekend geleerde, waar het zulk eene levens-
vraag geldt, lijnrecht staat tegenover andere groote man-
nen op dat gebied?"
„Wel, zijne meening is niet gering te schatten, doch
wat hij beweert is niet meer dan meening — hij heeft
nog het bewijs voor zijn zienswijze niet geleverd."
„Toch zegt hij stellig, dat de aanleg voor muziek,
voor wiskunde, dat geestigheid en humor in den mensch
te veelbeteekenend zijn, dan dat hij die bij mogelijkheid
van een lager staande diersoort zou hebben geërfd."
„Hij zegt dit, maar zeggen en bewijzen zijn twee."
„Gewis, en daarom hebben wij ieder voor ons zelven
te beslissen, wat ons meest waarschijnlijk voorkomt."
„Juist."
„Dit zijn wij dus eens. Nu zegt Wallace, dat deze
hoogere eigenschappen in den mensch heenwijzen op
het bestaan van een geestelijk beginsel of natuur in hem."
„Maar dat is geen bewijs en wat wij behoeven, is
juist „een bewijs."
„Doch hij zegt verder, dat bij het aannemen dezer
geestelijke natuur boven de dierlijke ons veel begrijpelijk
wordt, dat anders het karakter van wonder dragen en
-ocr page 47-
37
onverstaanbaar zou zijn. Inzonderheid vestigt hij deaan-
dacht op den invloed van denkbeelden, beginselen en
geloofsbeschouwingen op geheel het leven en al de
handelingen des menschen."
„Wat echter winnen wij er mee, of wij al die stelling
van Wallace tot de onze maken ?"
„Wat wij er mede winnen? Wel haar te kiezen stelt
ons op een geheel ander standpunt. In het eene geval
hebben wij te doen met eene blinde Natuur, die uit
blinde en doode atomen bestaat, die in het donker tast,
die alleen bij toeval een ontwikkelingsgang naar de
hoogte volgt — zoodat het einde onmetelijk hoog boven
het begin staat. Maar naar Wallaces theorie is er eene
geestelijke wereldorde, in welke een geest zich door
middel van de atomen werkzaam betoont, — die hun
hunne macht, neigingen en wetten geeft en alles wat zij
verder behoeven, om hun loop voorwaarts en opwaarts
te volgen."
„Dit alles klinkt fraai genoeg, als er maar bewijs voor
te leveren ware."
„Best; zoover als wij\' de zaken konden nagaan, er-
kent gij, dat de atomen het eerste stoffelijke begin zijn,
dat door ons is waar te nemen — het oorspronkelijk
ei, waaruit alles is voortgekomen."
„Zeker."
„En gij erkent, dat er eenige macht noodig is om
beweging en vooruitgang te wekken?"
„Ongetwijfeld."
„Maar met die macht zijt gij onbekend — van hoe-
danigen aard is zij ?"
„Ik weet het niet."
„Toch veronderstel ik, dat gij in dit geval, zooals in
alle andere, die macht naar hare openbaring en uit-
werkselen zult beoordeelen."
„Dit is niet meer dan redelijk,"
„Goed en letten wij nu op Wallaces zienswijze. Toen
het eerste niet- organische zich tot de eerste planten-
-ocr page 48-
38
kiem ontwikkelde, toen dit zich tot een gevoelend dier
verhief en toen een dier voor het eerst zich van verstand
en rede bewust werd, had er in elk van deze gevallen
zulk een wondervollen overgang plaats, dat hij oordeelt,
dat het geheel onmogelijk is deze naar natuurkundige
beginselen redelijk te verklaren ; en, zegt hij verder, deze
tijdperken of trappen van ontwikkeling wijzen ons op
eene geestelijke wereld aan welke de stoffelijke geheel
onderworpen is."
„Juist, dit is Wallaces beweren, maar waar is het be-
wijs voor het werkelijk bestaan van die geestelijke wereld."
„Volstrekt afdoende proef is in menige zaak niet te
leveren, maar in dit geval zijn wij gedwongen, één van
twee te kiezen, en te beoordeelen welke theorie het meest
redelijk, het meest in overeenstemming met de feiten is.
Wij kunnen niet buiten eenige veronderstelling tot ver-
klaring der zaken, waarvan de agnostieken zeggen, dat wij
niets niet zekerheid kunnen weten. Van waar zijn zwaar-
tekracht, aantrekking, chemische verwantschap en mag-
netische krachten? De ontwikkelingstheorie zegt ons
van dat alles niets en de mannen der wetenschap hei-
pen ons niet aan eenige deugdelijke oplossing van het
vraagstuk."
„En geeft professor Wallace u die oplossing?"
„Neen, maar hij geeft ons eene veronderstelling
die redelijk en verstaanbaar is, evenals hij en Darwin
dit doen in betrekking tot de ontwikkeling van alle leven.
De ontwikkelingstheorie is niet eene bewezen zaak, toch
is zij vrij algemeen aangenomen, omdat zij verondersteld
wordt meer dan eenige andere theorie met de werke-
lijkheid over een te stemmen. Op gelijke wijs redenee-
rend moeten wij ons verplicht achten Wallace\'s theorie
aangaande de geestelijke wereldorde te aanvaarden, om-
dat deze meer dan eenige andere aan de vereischten
voldoet."
„En naar ik veronderstel, ziet gij er werkelijk heil in,
om deze theorie aan te nemen ?"
-ocr page 49-
39
„Zeker, want wij zullen haar in overeenstemming vin-
den met zeer eenvoudige feiten, die ons in het dage-
lijksch leven voorkomen."
„Hoe dat?"
„Wel, allereerst zien wij, dat de menschen dagelijks
inbreuk maken \') op wat de vaste wetten der Natuur ge-
noemd worden, — waardoor zij hare wetten wijzigen en
aan hun wil ondergeschikt maken."
„Hoe bedoelt gij dat?"
„Ik bepaal mij tot één voorbeeld, dat tot maatstaf
dienen kan. Het is eene natuurwet, dat een appel, die
van den boom los laat, op den grond moet vallen, —
maar nog onlangs maakte mijne vrouw inbreuk op die
wet, zij ving den vallenden appel op en belette hem dus
den grond te bereiken. Voorts is het eene natuurwet, dat
water van een heuvel nederwaarts loopt, maar de mensch
weet te bewerken, dat het tegendeel plaats vindt."
„Maar wat beteekent dit voor ons punt van beschou-
wing ?"
„Enkel dit, dat de Macht, waarvan wij afhankelijk zijn,
ons eene zekere macht over de wetten der Natuur
geschonken heeft; en zoo is het eene opheldering van
het door Professor Wallace in het licht gestelde beginsel
betreffende de geestelijke krachten der ongeziene wereld."
„Wel, het zou mij hoogst aangenaam zijn, wanneer
ik slechts eenige zekerheid omtrent het bestaan dier
geestelijke wereld verkrijgen kon."
„Gij zijt een echte twijfelaar, Tom, maar ik geloof,
\') Hier begaat de schrijver eene fout, die het noodig is te ver-
beteren. In de genoemde gevallen wordt niet, zooals gezegd wordt,
inbreuk gemaakt op de natuurwetten, maar het effect dat zij te
weeg brengen wordt door den wil van den mensch gewijzigd.
Deze fout heeft echter geen invloed op de juistheid der gevoig-
trekkingen van den schrijver. Door de naturalisten toch worden
alle verschijnselen, dus ook die waartoe de mcnschclijke wil aan-
leiding geeft, uitsluitend aan de werking van natuurwetten toe-
geschreven.
-ocr page 50-
40
dat gij een oprecht karakter hebt en dat God u al het
licht zal schenken, dat u tot gelooven noodig is."
„Ik dank u voor uwe goede meening, oom, en kondt
gij mij maar overtuigen, dat deze Onbekende Macht
met rede begaafd en persoonlijk is, dan geloof ik, dat
ik gemakkelijk met al het overige zou kunnen instemmen."
„Gij zoudt daar wel aan doen en ik wil trachten u
behulpzaam te wezen. Wat mij verbaast, is dat gij het
doen van dien stap zoo bezwaarlijk kunt vinden, want
zooals ik u reeds herinnerde, uw eigen verstand en
persoonlijkheid dankt gij aan die Macht, en gelijk water
niet boven zijn eigen waterpas rijzen kan, zoo kan wel
deze Macht niet meer aan anderen schenken dan zij
zelf bezit. Ik houd er mij zeker van, dat ik u nog een-
maal in den rei der geloovigen zien zal, en komt gij
eenmaal tot het geloof, dan zult gij dit niet licht weder
loslaten. Zie toe, dat gij de oogen niet sluit voor het
licht, dat u bestraalt."
„Geloof mij, dat ik daaraan niet denk, want ik kan
eerlijk verklaren, dat het mij alleen om waarheid te
doen is.
„Dit geloof ik en ben daarom voor mijzelven zeker,
dat gij vinden zult wat gij zoekt. Ik heb u nog een paar
vragen te doen, waarop wij de aandacht moeten vestigen.
En nu tot afscheid, tot wij elkaar weder ontmoeten,
enkele regels van John Milton:
Wel hebt Gij, Moer, den weg, die tot U leidt,
Voor ons beschikt, opdat wij recht U kennen ;
En wij, hoe meer we ons aan dat voetspoor wennen,
Ontdekken meer ook van Uw heerlijkheid,
Tot we opwaarts gaande en wassend in vertrouwen
Uw Majesteit in liefdes glans aanschouwen.
-ocr page 51-
HOOFDSTUK VII.
Hoe geeft gij rekenschap van de wiskundige ver-
houdingen, welke wij in de Natuur opmerken?
De eisch, door sommigen gesteld, dat het Bijbelsch
onderwijs zou moeten pasklaar gemaakt worden naar de
bepalingen der hedendaagsche wetenschap, is even strij-
dig met den waren wetenschappelijken geest als met de
Christelijke geloofsovertuiging. De wetenschap is nog
betrekkelijk jong en haar onderwijs verre van een
afgerond geheel; terwijl de plaatsen, waarin de Schrift
wetenschappelijke onderwerpen aanroert, nog niet ten
volle verstaan en tot beslissing gebracht zijn. Naarmate
de tijd voortgaat, erkennen èn godgeleerden èn de
mannen der wetenschap, dat er nog veel te leeren en
tot zekerheid te brengen overblijft. Eerst wanneer de
wetenschap volkomen ontwikkeld en het openbarings-
woord geheel verstaan zal zijn, kan men redelijker wijs
verwachten, dat beiden in overeenstemming met elkaar
zullen bevonden worden. Welk waarlijk wetenschappelijk
man zal durven beweren, dat de arbeid der wetenschap
een reeds voltooid werk is! Dit zou de dood zijn voor
alle vordering in wetenschappelijk ontdekken en de waar-
heid nader komen. De man van wetenschap mag met
Napoleon zeggen: „Veroveringen hebben mij gemaakt,
tot wat ik ben, en alleen nieuwe veroveringen kunnen mij
-ocr page 52-
42
staande houden." Is hij echter in dezen weg steeds
jagend naar nieuwe ontdekkingen en wachten hem
nieuwe zegepralen, dan zijn de nu bereikte uitkomsten,
niet het laatste woord der wetenschap, en blijft de
mogelijkheid, dat zij onjuist en in strijd zelfs met de
waarheid bevonden worden.
Zoo moet dan de man van wetenschap zelf erkennen,
dat waar nu strijd schijnt te bestaan tusschen wetenschap
en schriftondervvijs, die strijd nog geen blijvend karakter
behoeft te dragen. Copernikus heeft in dezen een schoon
voorbeeld nagelaten. Toen deze vrome sterrekundige
zijne theorie over den bouw des heelals in het licht gaf,
deed men hem opmerken dat naar zijne voorstelling de
planeet Venus gedaantewisselingen moest vertoonen
gelijk aan die der maan, maar dat dit het geval niet
is. Naar de oplossing der moeilijkheid gevraagd,
beleed hij kloek, dat hij de vraag niet wist op te lossen,
maar verklaarde met vromen zin; „Gods goedheid is
mij borg, dat het juiste antwoord wel zal gevonden
worden." Niet lang daarna vond Galileo zijn groote
teleskoop uit en die op Venus richtende, bleek hem
spoedig, dat de veronderstelde gedaantewisselingen ook
werkelijk geschieden. Toen bleek Copernikus vrome
verwachting vervuld, Gods goedheid had het beslissende
antwoord doen vinden. Zoo staat de zaak ook nu. Al
bestaan er moeilijkheden, zij kunnen eens te boven
gekomen worden, zoo niet nu dan in later tijd. Laat
ons in nederigen ootmoed en in geloof en hope dien tijd
verbeiden.
Voorts zij opgemerkt, dat, blijven er moeilijkheden
bestaan, het aantal punten va.n overeenstemming steeds
grooter wordt. Wat nu tegenstrijdig schijnt, mogen wij
als toevallig en voorbijgaand beschouwen, terwijl de reeds
gevonden overeenstemming een fundamenteel en blijvend
karakter heeft. Letten wij op de chemische elementen. De
tegenwoordige wetenschap leert, dat alle stofmassa\'s — gas-
sen, vochten, vaste stoffen — samengesteld zijn uit zeer
-ocr page 53-
43
kleine deeltjes, die men atomen en moleculen heet,
en waarvan de laatsten samenstellingen der eersten zijn.
Deze atomen zijn zoo klein, dat millioenen er van
in een waterdroppel, in een zandkorrel en in eene homeo-
patische pil moeten aanwezig zijn. Wat zijn deze? Hoe-
vele soorten bestaan er van? Welke eigenschappen
bezitten zij ? Zijn zij vatbaar voor verandering en vernie-
tiging? Naar de wetenschap thands oordeelt, zijnervier-
en-zestig grondstoffen of soorten van grondstof; later
echter kan dit getal grooter of kleiner blijken, ofschoon
het zich laat aanzien, dat er weinig vooruitzicht is om
tot een meer beperkt aantal te komen. Deze verschil-
lende grondstoffen schijnen duidelijk onderscheidbaar,
onveranderlijk en door eigen verwantschappen en karakter-
merken gekenmerkt. Het is niet mogelijk, er naar uw
wil van te maken, wat gij goed vindt, noch ze naar uw
smaak te verbinden. Veeleer doen zij, wat zij goed-
vinden en worden vereenigd naar het hun behaagt. Hoe
klein ook, — zij zijn niet meer dan een 400 millioenste deel
van een duim in doorsnede — zijn zij geenszins een
„ijdel spel der verbeelding." Zij hebbben een werkelijk
bestaand aanwezen, onverzettelijk als de eeuwige heuvelen.
Clerk Maxwill zegt: „ofschoon in den loop der eeuwen
in het hemelruim machtige omwentelingen hebben plaats
gevonden en op nieuw kunnen voorkomen; hoewel oudere
stelsels vergaan zijn en nieuwe zich uit hun ondergang
hebben ontwikkeld, zijn echter de moleculen, waaruit
die stelsels werden gebouwd, de blijvende en onverme-
tigbare grondsteenen van het stoffelijk heelal."
Zoo zijn dan deze moleculen, vanwaar zij haar ontstaan
mogen hebben, niet maar ruw bouwmateriaal, dat op
voltooing wacht. Zij zijn niet ongevormd in ruwen toe-
stand, maar veeleer gelijk aan de steenen van Salomo\'s
tempel, die voltooid en gepolijst waren, eer men met
den eigenlijken tempelbouw aanving. Al de stoffelijke
samenstellingen veranderen, ontbinden zich en gaan
voorbij; maar deze grondvormen blijven onveranderd
-ocr page 54-
44
dezelfden. Waterstof kan gevonden worden in de schitte-
rende dwaalster, in het gas, dat tot verlichting onzer
woningen en winkels dient, en in de smeerkaars, maar
het blijft altijd waterstof en kan uit al zijne verbindingen
worden vrijgemaakt. Zuurstof bevindt zich vrij in de
lucht, die wij inademen; zij vormt negen tienden van
al het water in vijver, rivier en zee; zij is een mede-
bestanddeel van vele zuren en metaalverbindingen, maar
zij is steeds zuurstof, en hare atomen blijven onder alle
omstandigheden dezelfde. Evenzoo is het met al de
andere grondstoffen. Zij schijnen onvernietigbaar en niet
voor veranderen vatbaar. Zij verwelken, verrotten, ver-
kruimelen nooit, noch ondergaan in eenig ander opzicht
verandering. Zij zijn de meest verwonderlijke bouwstcenen
en voor den wereldbouw op eenige wijs geschikt en doel-
treffend. Zij verkeeren altijd in ongeschonden staat en zijn
altijd voor het gebruik gereed. Er valt nooit aan te schaven,
in te korten, of te verlengen en verbreeden. Voorts hebben
zij zulke bijzondere aantrekking en verwantschap, dat zij
zich van zelf bijeen voegen en vereenigen, en dat in
bepaalde, vaste wiskunstige verhoudingen.
Vandaar is het niet te verwonderen, dat deze eigen-
aardige eigenschappen een onzer grootste wetenschappe-
lijke mannen deed zeggen: „Zij dragen al de karakter-
nierken van met de hand vervaardigde artikelen." Hij wilde
daarmede aanduiden: de grondsteenen van den wereld-
bouw zijn, met het oog op hun dienst en werk, daar-
voor gevormd en geschikt gemaakt; zij getuigen van
een Schepper. Wij mogen ze vergelijken met bouw-
steenen in de bouwvallen van Babyion gevonden, die
allen des Konings naam dragen. „De hemelen vertellen
Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen
werk," maar zij doen dit niet volkomener dan elk stofje
aan de weegschaal en dan de atomen, die geen menschen-
oog kan waarnemen.
Terwijl ik deze zaken in stille eenzaamheid bepeinsde,
meldde zich mijn neef tot een nieuw bezoek aan en
-ocr page 55-
45
zeide: „Oom, niet genoegen ontving ik uw briefje, dat
het onderwerp aangeeft, dat gij niet mij wenscht te
bespreken, toch vatte ik niet duidelijk, wat koers gij uit
wildet. Wat bedoelt gij met de wiskunstigc verhoudingen
der Natuur?"
„Ik bedoel dit, dat geheel het bouwwerk der Natuur
naar wiskunstige beginselen is ingericht. Waarheen gij
den blik richt, hetzij op de onorganische wereld, op het
plantaardig deel der schepping, op het dierenrijk, op de
starrensfeeren, overal vindt gij eene praktische be-
lichaming van de regelen der wiskunde; getallen, vier-
kanten, bogen, hoeken, cirkels; en zoo mogelijk is mijne
begeerte de daarin verholen meening te leeren kennen."
„Wel, wanneer stoffelijke zaken zullen bestaan, moeten
zij een vorm hebben, en ik veronderstel, dat de eene
vorm zoo goed is als de ander."
„Best, maar laat ons de zaak eens een weinig meer
van naderbij bezien. Ik was daar straks juist in gepeins
verdiept over de atomen en moleculen, en ik ontving
daarbij een machtigen indruk van hun bepaald karakter
en geheel regelmatige bewegingen. Er valt bij hen niets
onregelmatigs of buitensporigs, niets toevalligs of onzekers
waar te nemen, zoodat zij niet de bestanddeelen van
eene door toeval ontstane wereld kunnen zijn."
„Maar misschien zijn zij nooit gemaakt, oom."
„Wel, Clerk Maxwell en Sir John Herschel zijn van
oordeel, dat zij wel degelijk voortgebracht zijn. Zijn zij
dit niet, dan bestaan zij van eeuwigheid, en deze ver-
onderstelling helpt ons al zeer weinig tot verklaring van
het raadsel. Toch is dit niet het punt, waarop ik bovenal
wil, dat wij letten zullen. Gemaakt of niet gemaakt, dit
is zeker, dat zij een wiskunstig stempel vertoonen, en
wiskunde wijst op nadenken en berekening, wat de karakter-
merken van een levenden geest en niet van onbezielde
stof zijn."
„O nu vat ik u. Gij wilt, naar ik gis, uitmaken, dat
een denkende geest hun dat eigen karakter schonk?"
-ocr page 56-
46
„Ik zie niet, waaraan zij anders dit karakter zouden
hebben kunnen ontleenen dan aan eene geestelijke
macht; weet gij echter eene andere, meer waarschijn-
lijke oplossing, dan zal ik die gaarne vernemen."
„Wel, ik heb nooit bijzonder over dit karakter der
atomen nagedacht. Dit is zeker, dat ik nooit gehoord
heb van iemand, die hun eene ziel heeft toegekend."
„Ik geloof dit gaarne, maar naar mij voorkomt, moet
gij noodzakelijk tot een van deze beiden komen, of dat
zij zelven verstandelijke eigenschappen bezitten, of anders,
dat zij onderworpen zijn aan eene hoogere verstandelijke
macht, waarvan zij afhankelijk zijn."
„Maar, oom, onderstel nu eens, dat de atomen van
eeuwigheid bestaan hebben, met al die eigenschappen,
welke nu hen kenmerken, ligt er in die beschouwings-
wijs iets onredelijks?"
„Tom, met welbehagen hoor ik u zoo nu en dan
spreken gelijk een Christen geloovige, zelfs terwijl gij u
op zoo grooten afstand mogelijk van het geloof zoekt
te houden. Terwijl gij u een wijsgeer en man der weten-
schap rekent, komt gij nu met het voorstel, dat ik zonder
eenige redelijke verklaring of bewijs zal gelooven in
eeuwige atomen en deze op allerlei wijze begaafd
met de heerlijke gaven van natuurlijk en geestelijk
leven."
„Wel, er moet toch iets van eeuwigheid bestaan hebben,
want iets kan niet uit niets voortkomen."
„Zeer zeker, Tom, en juist daarom zegt de Christen,
— dat iets van eeuwigheid aanwezen moet gehad hebben.
Juist omdat nu iets bestaat, en iets niet uit niets kan
zijn voortgekomen, moet iets \'zelfstandigs bestaan hebben,
waaraan al het overige zijn aanwezen dankt. Op dit
punt zijn wij het dus eens. Gij doet mij echter denken
aan een ongeloovige, dien ik eens ontmoette. Toen ik
te kennen gaf, dat wij toch altijd iets, als door ieder
toegestemd, moeten aannemen, riep hij uit: „ik neem
niets als onderstelling aan," en nog geen vijf minuten
-ocr page 57-
47
later beweerde hij hoog en kras, dat de stof van eeuwig-
heid had bestaan."
„Wel, zelf zeidet gij onlangs, dat gij de meening van
Lange onderschrijft: „dat het einde van alle wijsbegeerte
ons waarschijnlijk zal duidelijk maken, niet hoe het
heelal zich laat verklaren, maar dat het nooit verklaard
zal kunnen worden."
„Zoo oordeel ik nog. Nooit zal de wijsbegeerte mach-
tig blijken om het heelal te verklaren, en daarom hebben
wij aan iets hoogers dan wijsbegeerte behoefte."
„En wat zal dat wezen?"
„Zie, de wijsbegeerte leidt ons tot de atomen en
blijft dan staan, onmachtig één schrede verder te doen.
Maar deze atomen zijn naar de regelen der wiskunde
samengesteld; zij zijn tot een bepaald doel ingericht;
dit verplicht ons onze eigene hersenen, ons gezond ver-
stand te gebruiken, om het waarschijnlijke van hunne
wording en werking na te gaan. En nu, of gij het wijs-
geerig of niet wijsgeerig oordeelt, ik vermeet mij te
zeggen, dat zij het merk van een boven hen staanden
geest dragen, en dat dus die geest öf voor hen of met
hen eeuwig bestaan moet hebben."
„Nu, dit kan ik toestemmen; maar ge weet evengoed
als ik, uw Bijbel gaat verder en zegt: dat alle dingen
geschapen zijn."
„Zeer waar, maar heeft het niet iets te beteekenen,
Tom, dat bij ons zoeken naar waarheid, wij gekomen
zijn tot een punt, waar iets noodig blijkt te zijn, — dat
noch wetenschap noch wijsbegeerte ons geven kunnen- —
een eersten schakel in den keten, den hoeksteen des ge-
bouws? Dit ééne is iets, dat een volstrekt vereischte is,
en dit ééne wordt ons geschonken in Gods openbaring
van zich zelven als den schepper, onderhouder en be-
stuurder des heelals. Verdient dit niet onze opmer-
king, Tom?"
„Zeker, doet het dit, en als gij mij maar kondt bewijzen,
d:rt wat wij als openbaring bezitten, werkelijk op dien
-ocr page 58-
48
naam aanspraak heeft, clan zou ik werkelijk de zaak
zoo goed als beslist achten."
„Ik stel deze uwe erkenning op prijs en later zullen
wij over openbaring spreken, maar nu zijn wij nog pas
tot hare poorten genaderd. De atomen wijzen ons op
verstand en gedachte, op plan en doel, en de eenige
stem, die ons hiervan de oplossing zoekt te geven, is
de stem der openbaring. Laat mij u op het hart druk-
ken, om zelf over dit een en ander eens ernstig na te
denken."
-ocr page 59-
HOOFDSTUK VIII.
Van waar komt de godsdienst?
„Welnu, Tom, ik veronderstel, dat gij weet en toe-
geeft, dat wij zoo ver de geschiedenis reikt, bij de
verschillende natiën godsdienst aantreffen, om niet ster-
ker te spreken."
„Gewis, ik moet dit wel toestemmen, want het is
volkomen zeker; en de geschiedenis wijst ons op al zeer
wonderbaarlijke vormen van godsdienst."
„Ongetwijfeld, maar ik wensch nu niet verder te
gaan dan het voorname feit, dat, zoover geschiedenis en
legende reiken, er steeds godsdienst is geweest; dat
godsdienst gevonden is bij iedere natie, op elk ont-
wikkelingspunt van beschaving, van den wilde af op-
waarts."
„Ja, dat is zoo."
„Als dit onloochenbaar vast staat, dan moet er toch in
den mensch eene aangeboren neiging of instinkt zijn, dat
hem tot godsdienstdenkbeelden leidt, en dat in hem op
even natuurlijke wijze werkt, als de aandrift, welke
vogels dringt hun nest te bouwen en de bijen om honig
te verzamelen."
„Juist, dat is mijne opvatting — godsdienst is een
eigenaardig natuurvoortbrengsel."
„Dus houdt gij het niet met Tom Paine en dat slag van
4
-ocr page 60-
ongeloovigen, die beweren, dat de godsdienst enkel een
uitvindsel der priesters is."
„Neen, wie dat leerden zijn uit den tijd, men kende
in hun dagen nog de ontwikkelingsleer niet."
„Gij meent dus dat de godsdienst door natuurlijke
ontwikkeling ontstaan is, even als men zegt, dat bellefleuren
uit wilde appels, de reine Claudes uit wilde pruimen en
de menschen uit apen zich ontwikkeld hebben."
„Dit is de eenige weg om de wording van godsdienst
naar wetenschappelijke beginselen te verklaren."
„Zoo moet, in dat geval, de aap, uit wien de niensch
zich ontwikkeld heeft, naar ik veronderstel, een beginsel
van zedelijk bewustzijn en van geweten in zich gehad
hebben?"
„Er moet iets van dien aard in de lagere dieren aan-
wezig zijn geweest, of het zou niet in den mensch
gevonden kunnen worden."
„En naar deze beschouwing is het de ontwikkeling
van het apengeweten in den niensch, waaraan wij al
onze zedelijke begrippen, onze godsdienstleer, onzen
Bijbel en geloofsbelijdenissen te danken hebben."
>,Ongetwijfeld."
„En van den aap hebben wij terug te gaan tot
de slangen, vogels, visschen enz. in rechte lijn tot
den Bathybius op den bodem der zee — het eerste
protoplasma."
„Ja, als wij zuiver wetenschappelijk doorredeneeren
behooren wij die gansche reeks ten einde toe door te
gaan."
„En die Bathybius dankt zijn ontstaan aan de atomen
en moleculen, of aan de vormelooze waterstof."
„Zeer zeker, oom, ik loop met u die gansche baan af."
„Zoodat wij, wat den oorsprong van den godsdienst
aanbelangt, evenals met dien van alle dingen, weer
op uw wonderei te recht komen? Is het zoo niet?"
„Ja, dit kan niet anders. Alle dingen moeten een
gemeenschappelijken oorsprong gehad hebben."
-ocr page 61-
5\'
„Uw ei, Tom, neemt met eiken stap in wondervolle
heerlijkheid toe; het is het meest verwonderlijke ei in
de wereld —■ het ééne mirakel des heelals."
„Benoem de zaken niet met verkeerde namen, oom.
Het is zeker, als gij dit wilt, wonderbaar en geheim-
zinnig, maar van mirakelen wensch ik niet te weten."
„Nu, Tom, over een naam begeer ik niet te twisten.
Maar, wanneer ik mij niet vergis, dan hebt gij uwe in-
stemming betuigd met de Spencersche leer, dat de
natuurverschijnselen om ons heen, — de aarde en de
hemelen —• openbaringen zijn van eene daarachter
verborgen Macht, die men „degroote onbekende" noemt."
„Ja, dat heb ik toegestemd."
„Welnu, die macht noem ik God; zoodat, wanneer gij
den godsdienst een natuurgewrocht noemt, gij een
schakel uit den keten weglaat, en wel de allereerste.
Naar uw eigen beginselen zijt gij verplicht toe te geven,
dat de godsdienst, evenals de bloemen en het geboomte
der aarde openbaring van die Macht is."
„Dit geef ik toe, maar altijd als gevolg van natuurlijke
oorzaken."
„Och, Tom, ik ben benieuwd, wanneer uwe logika
natuurlijk en zich zelve gelijkblijvend zal worden, en op zal
houden met uw gezond verstand een loopje te nemen?"
„Wat bedoelt gij hiermee?"
„Wat ik bedoel? Wel dit! Gij beweert, dat wij de
Natuur en hare wegen kennen; dat al haar werkingen, —
feiten en wetten, — natuurlijk zijn. Voorts vertelt gij
mij, dat er achter de Natuur eene Macht is, wier wegen
wij niet kunnen waarnemen en ontdekken. Tusschen de
Natuur en die Macht, Tom, bestaat een onmeetbare af-
grond. De eerste toch is bekend, de andere geheel on-
bekend; de eene is zichtbaar, de andere verbergt zich
onnavorschbaar; de eene is in de natuur, de andere boven
de natuur. En daarom moogt gij die twee niet één maken
en ze beiden in één wonderei besluiten."
„En waartoe moet dit alles leiden? Wat wilt gij
-ocr page 62-
52
daarmede? Ik kan niet inzien, hoe liet u mogelijk zal
zijn eenig bewijs aan te voeren tegen mijn theorie van
het ontstaan van den godsdienst."
„Kunt gij dat niet inzien? Wel dan moet ik trachten
duidelijker te spreken. Dat de godsdienstige aanleg in
den mensch zich op natuurlijke wijs ontwikkeld heeft,
geef ik toe; maar wanneer gij beweert, dat het ontstaan
zelf van dien aanleg zóó is geweest, als wij natuurlijk
noemen, dan ontken ik dit ten sterkste. Het is het
eerste begin, op welks verklaring ik aandrong. Evenals
wij een eerste hen of een eerste ei hebben aan te
nemen, welks bestaan gij nooit verklaren kunt, evenzoo
staat het niet de eerste schrede in de ontwikkeling
van den godsdienst Het komt aan op het eerste begin,
de kiem, het atoom, het molecule, waarin de gods-
dienst zijn ontwikkeling begon; op de eerste beweging-
van het protoplasma in godsdienstige richting, — ziedaar
wat gij te verklaren hebt. Naar uw eigen beginselen
moet gij dat aanvangen toeschrijven aan de Macht
achter het scherm."
„Ik schrijf dat daaraan toe; en wat dan?"
„En dan zegt gij, dat die Macht niet kan gekend
worden."
„Juist."
„Voor zooveel gij dus weet, is die godsdienst achter
dat scherm van daan gekomen, uit het onbekende wonder-
land."
„En wat beteekent dit op mijn standpunt?"
„Wel, dan kunt gij niet beweren, dat de godsdienst
uit de Natuur is voortgekomen, want gij weet het
niet."
„Maar, oom, dan kunt gij ditzelfde van alle natuur-
verschijnselen beweren, want zon en starren zijn open-
baringen van die zelfde macht."
„Een argument te meer voor mij, want het leidt tot
de gevolgtrekking, dat in den grond niets enkel natuur-
lijk is, maar dat alles van bovennatuurlijke afkomst
-ocr page 63-
53
is; dat alles aan de eene zijde natuurlijk, aan de
andere bovennatuurlijk is."
„Maar, oom, als dat ons eindbesluit moet zijn, —
alles uit die onbekende macht — en gij noemt die Macht
God, vindt gij het dan zelf niet een voor dat Hoogste
Wezen verlagend denkbeeld, dat de godsdienst zich als zulk
een mengelmoes van Heidensche, Mohamedaansche en
Pauselijke begrippen en plechtigheden openbaart?"
„Beschouwingen als deze, Tom, hebben op mij geen
vat, want ik weet, dat de hoogste. Macht in staat is,
voor zijne eigene eer te waken. Het is mij alleen te doen
om der waarheid zoo nabij te komen, als mij mogelijk
is; en naar uw eigen beginselen moet gij toestemmen,
dat de godsdienst een bovennatuurlijken oorsprong
heeft."
„Maar die meening is juist het struikelblok, oom, voor
duizende menschen. Zij kunnen geen vrede hebben met
het denkbeeld, dat godsdienstige verdorvenheid en
tirannie hun ontstaan zouden te danken hebben aan een
alwijs, liefdevol, oppermachtig verstandelijk wezen."
„Ik weet dat; uw ontwikkelde ongeloovigen zijn zeer
gevoelig en licht geërgerd over de tegenstrijdigheden, die
zij in eene door God bestuurde wereld opmerken.
Maar bedenk wel, dat wanneer zij God daarbuiten laten,
wij dan toch voor dezelfde feiten, — dezelfde tegenstrij-
digheden en onregelmatigheden — staan, maar dan
stuiten zij u niet in het allerminst. Aan de atomen en
moleculen ergert gij u niet. Wanneer gij niet verder ziet
dan deze, meent gij, dat alles in de beste orde, geheel
natuurlijk is. Gij schijnt het geheel zooals \'t behoort
te vinden, dat vrouw Natuur zulke doellooze wegen
kent en volgt."
„En waarom niet, oom? Moet gij niet zelf toestemmen,
dat wanneer het alles natuur, wet, werktuigelijk is, er
niemand te berispen ofte veroordeelen valt. Kr bestaat dus
geen ongerijmdheid of tegenstrijdigheid, want verstand,
wil en doel zijn geheel buiten gesloten."
-ocr page 64-
54
„Juist, Tom, ik heb ook al lang dien onzin gehoord
en gelezen. Uit dat gezichtspunt beschouwd, is de wereld
niet een tooneel, wel is waar vol raadselen, maar die
ons zullen worden opgelost en voor eene heerlijke
harmonie plaats zullen maken, maar zij wordt een chaos
van zinneloozen schijn, eene ijdele vertooning, waarmee
de fantasie een bandeloos spel kan drijven. Zulk eene
beschouwing moge u bevredigen, maar mij is zij duizend-
maal duisterder en pijnlijker dan de platste godsdienstige
beschouwing, die ooit in onze menschenwereld toegang
kreeg. Bovendien bederft die beschouwing tot in zijn
diepsten grond ons oordeel over des nienschen daden
en des nienschen krachten. Ue mechanische theorie des
heelals moet tot de slotsom voeren, dat er in deze
wereld geen recht en onrecht, geen goed en kwaad
bestaat."
„Maar, oom, hier moet ik u aan uw eigen woord
houden, dat gij u om gevolgtrekkingen niet bekommert,
maar alleen naar waarheid vraagt."
„Zeker moogt gij dat, maar dan wijs ik er u mijner-
zijds op, dat des nienschen conscientie over geheel de
wereld getuigt, dat recht en onrecht, goed en kwaad in de
werkelijkheid bestaan, en dat het des nienschen voor hem
kenbare plicht is, het door zijne conscientie als kwaad
veroordeelde te bestrijden, en al wat goed en schoon is
van harte voor te staan en te bevorderen. Doch als gij
weder komt, zullen wij eens een stuk van het heelal ter
beschouwing nemen, en zien hoe uw beginsel van zedelijke
werktuigelijkheid daarop past.
-ocr page 65-
HOOFDSTUK IX.
Is de mensch een werktuig.
„Wel, Tom, ik zeide, dat als wij weder zamen waren,
ik behoefte had u te vragen, of gij eenige theorie hebt
in betrekking tot het zedelijk leven en zoo ja, welke
deze is."
„Wel, oom, ik heb mij vereenigd met die van het
Determinisme, — die gaat op eens tot den wortel der zaak."
„Wees zoo goed mij te zeggen, wat gij op zedelijk
gebied door Determinisme verstaat."
„Gaarne; ik bedoel er mede, dat de mensch een
werktuig mag heeten, dat is, dat zijn gedrag voor hem
door zijn gestel en omgeving bepaald is."
„Naar die beschouwing zoudt gij nog volkomener calvi-
nist zijn dan Calvyn zelf."
„Maar hoe ter wereld zou ik calvinist kunnen zijn,
terwijl ik geen christen ben?"
„Ik bedoel niet, dat gij het gansche leerstelsel van
Calvyn hebt aangenomen, maar alleen het punt, waarin
hij van de meerderheid der godgeleerden van zijn tijd
verschilde en een eigen standpunt innam. Hij onderwees
de \'leer der praedestinatie en gij schijnt dergelijke leer
voor te staan, al hebt gij ze niet van Calvyn."
„Wel, ik geloof niet, dat gij in staat zijt den oor-
-ocr page 66-
56
sprong van \'s menschen wil te verklaren, en ook niet,
te bewijzen, dat hij in zijne daden vrij is."
„Wat dien oorsprong aangaat, Tom, naar uwe begin-
selen hebben wij dien evenals die van de krekels en kool in
uw wonderei te zoeken. Wat mij aangaat, ik zal geen
bewijs trachten te leveren voor de vrijheid van ons willen,
(wel te onderscheiden van onafhankelijkheid) want dat
bewijs is overbodig, het is eene zaak van ervaring. Ik
zou evengoed kunnen willen bewijzen dat ik met mijn
oogen zie en met mijne tong spreek. Ik ben mij bewust,
dat ik, van hoeveel ook afhankelijk, te gelijk vrij ben in
de levensrichting, die ik wil volgen. Zelf hebt gij ge-
toond er niet anders over te denken, toen gij Mejuffrouw
de Bruine het hof maaktet, en uw vader u aanried,
om een ander meisje te trouwen."
„Hoor eens, oom, vergelijkingen als deze passen weinig
bij een zoo gewichtig onderwerp als wij nu bespreken."
„Ciij hebt gelijk, Tom, het geldt een teer punt; maar
dit neemt niet weg, dat ik voor mij grooten prijs stel
op voorbeelden en vergelijkingen uit het gewone leven;
in den regel passen zij beter en doen meer af dan de
zuiver wetenschappelijke, waaraan gij meer hecht. Hebt
gij het vraagstuk van het Determinisme ooit bestudeerd
in het licht van een politiebureau?"
„Neen, politie en rechtbank hebben voor mij geene
bijzondere aantrekkelijkheid."
„Gij zoudt er echter overvloedige stof tot nadenken
vinden. Naar uw theorie, bij voorbeeld, moet het waar
zijn, dat wanneer iemand een ander vermoordt, hij dit
volstrekt niet helpen kan. Het was niet zijn eigen daad
en bedrijf, maar, naar uw zeggen, iets dat ten zijnen
aanzien bepaald was, een beslissing van het noodlot.
De man had het ongeluk te lijden aan eene bijzondere
misvorming in zijn hersengestel. Kr bestaat gelukkig een
troost bij, dat het overig deel der maatschappij hem uit
gelijksoortige ziekelijke gesteldheid van het zenuwleven
ophangen of tot eenige andere zware straf veroordeelen zal."
-ocr page 67-
57
„Hebt gij nog meer toelichtingen van gelijk gehalte oom ?"
„Wel, Tom, ik dacht daar aan Zeno, een ander oud
voorstander van het Determinisme. Eens stond hij op
het punt om een zijner slaven wegens diefstal te gee-
selen. De slaaf had vernuft genoeg om het zwakke punt
in zijns meesters wijsbegeerte te zien en zeide tot diens
groote verbazing: „Ja, meester, ik heb gestolen, maar
ik kan het niet helpen; het was zoo bepaald." Doch de
wijsgeer gaf hem zeer bedaard dit tot antwoord: „Ja,
maar ook was het bepaald, dat een iegelijk die steelt,
gegeeseld zal worden."
„Maar, oom, het baat u luttel, dat gij meent met zoo
luchtige hand de leer van het Determinisme te kunnen
op zijde schuiven. Eenige van de strengste denkers staan
lijnrecht tegen u over en hunne bewijsgronden zult gij
moeten weerleggen."
„Ik stem u veel toe, maar niet uw oordeel over die
schrijvers, die nog niet sterk zijn omdat zij stout zijn
in hun beweren. Ik vind bij de schrijvers, waarop gij
doelt, noch bijzondere oorspronkelijkheid, noch bijzon-
dere kracht in hun redeneertrant."
„Geen oorspronkelijkheid!"
„Neen, vriend, geen oorspronkelijkheid. Hoe nieuw-
deze leer menigeen schijnen moge, zij is niet van gis-
teren. Voor meer dan 2000 jaren leerden Grieken ge-
heel hetzelfde. Het eenige nieuwe, dat in deze werk-
tuigelijke wijsbegeerte van het noodlot schuilt, is dat zij
nu pasklaar gemaakt is naar Darwins theorie van ont-
wikkeling door natuurkeus. En indien onze heden-
daagsche leermeesters ons niets beters te leeren hebben
dan, b. v. dat wij zedelijke werktuigen zijn, die door
eene noodzakelijkheidswet bestuurd worden, van kikker
en aap af tot den mensch ingesloten, wel dan konden
wij evengoed bestuurd worden door de toortsdragers,
die Tom O\' Shanter in zijn dronken roes voor boven-
natuurlijke leidslieden hield. Ook heeft die leer met
ware wetenschap niets gemeens."
-ocr page 68-
53
„Dat zult gij wel zeer bezwaarlijk kunnen bewijzen."
„Ik redeneer dus. Dr. Tyndall zegt: „Verbonden met
de wondervolle bewerktuiging van het menschelijk lichaam,
nemen wij andere niet minder zekere levensverschijnselen
waar, maar ontdekken geenerlei verband tusschen deze
en dat mechanisme .... Wij bevinden ons feitelijk op
de grenslijn des verstands, waar de bekende regels der
wetenschap falen om ons uit de moeilijkheid uit te
helpen." En op zoo weinig helderen, negatieven grond-
slag bouwen onze hedendaagsche ongeloovigen hunne
kasteelen van stellig onderwijs; ik weet in onze weten-
schappelijke letterkunde niets dat zoo met alle gezond
verstand in strijd is."
„De ongeloovigen, oom, zullen moeite hebben u in
stoutheid van beweren te overtreffen."
„Wel, waar zij de stoutste onbewezen beweringen op-
een hopen, is het nauwelijks anders mogelijk dan hen
met gelijke wapenen te bestrijden, tot zij zelven naar
meer logische bewijzen uitzien en dan zelven de zwak-
heid van hun gekozen standpunt erkennen."
„Maar wanneer, naar gij meent, de ongeloofsgronden
op het punt van den vrijen wil zoo zwak zijn, hoe ver-
klaart gij dan, dat zoovele degelijke geleerden van alle
tijden een zoo beslisten weerstand bieden aan de leer
van den vrijen wil?"
„Dat is moeilijk te verklaren, tenzij uit vrees voor
den schrijver van „de geloofsleer der wetenschap," die
zegt: „Indien wij het bestaan van een vrijen wil toe-
geven, dan moeten wij ook de gevolgtrekkingen aanne-
men. Wij zullen dan nogmaals moeten terugkeeren
tot het mirakel, nadat wij het overal elders van het veld
van wetenschap en geschiedenis hebben verjaagd; en
die terugkeer zou te gevaarlijker zijn, daar nu de won-
dermacht in \'s menschen binnenste zetelen zou. Zoodra wij
eens dit geheimzinnig ik, met de macht van een vrijen
wil erkennen, wordt het mirakel overal geloofelijk.
Gij ziet dus, dat het vraagstuk niet zelfstandig, naar
-ocr page 69-
59
zijn eigen aard wordt besproken. Er zit, om der gevol-
gen wil niet anders op, dan het eenvoudig af te snij-
den. En zoo iets wordt nog wel als „de geloofsleer der
wetenschap" betiteld."
„Ik moet erkennen, dat ik wat gij daar hebt aange-
haald niet goedkeuren kan, maar gij weet, dat iemand
eenige leer op geheel verkeerde wijs kan verdedigen,
zonder dat dit nog de deugdelijkheid van de leer zelve
schade doet. Meer dan eens heb ik u hooren beweren,
dat men de beteekenis en waarde van het Christendom
niet moet afmeten naar het woord zijner zwakke en
onhandige verdedigers."
„Zeer waar, Tom. Laat ons daarom de verdedigers
laten rusten en de zaak zelve in het oog vatten. Uw
beginsel van Determinisme maakt ieder mensch tot eene
ongerijmdheid, den ongeloovige zoo goed als ieder ander."
„Hoe dat?"
„Wel, als ieder mensch noodzakelijkerwijs zoo handelt
als hij doet, zoo denkt als hij denkt en zoo spreekt als
hij spreekt, dan kan niemand anders doen; zoo als het
is, zoo moet het zijn; en dit is zoo geweest van den
eersten mensch af tot nu toe; en uw twijfelaar, hij
zij idioot of wijsgeer, is niets meer dan iemand, die met
zich zelf in volle tegenspraak is. Hij voert woordenstrijd
tegen Mozes, Jesaia, Jezus, Paulus, Luther, Calvijn,
Wesley enz., maar is het determinisme waarheid dan
waren alle dezen automaten ■— machines zonder macht
tot kiezen, onmachtig anders te handelen dan zij deden;
weshalve uw twijfelaar wijs zou doen met te zwijgen,
en er geen woord meer over te reppen, want zij ver-
dienden minstens gelijke eer als hij. Zij deden niet
meer dan de voor hen bepaalde rol afspelen, en hij is
een domkop, die hen daarom veroordeelt of hard valt.
Maar op zijn beurt kan de ongeloovige niet helpen, dat
hij hun woord en doen laakt, want in de keus van zijn
doen is hij niet vrij. Evenals zij is hij—een werktuig, dat
naar eene vaste en noodzakende wet handelt. Wat ik
-ocr page 70-
6o
zeg, is in volle overeenstemming met uwe theorie,
Tom, en naar deze de gansche wereld eene ongerijmd-
heid, iets zonder zin of meening. Dat verstandige men-
schen zulken onzin kunnen slikken, smart mij ten diepste.
En nu, goeden naclit, Tom, en laat mij bij een volgend
samenzijn wat meer redelijks uit uw mond hooren.
-ocr page 71-
HOOFDSTUK X.
Waar groeien de vijgen en waar de distels?
Ik zocht de gelegenheid om met mijn neef ons
onderwerp nog nader te bespreken, vast besloten hem
rondweg op de proef te stellen op het punt van prak-
tische moraal, omdat, waar ik iemand gezond vind op
het punt des zedelijken levens, ik altijd hoop blijf
voeden, dat in hem de verstandelijke dwaling niet onge-
neeslijk is. Stelt iemand waarlijk prijs op een rein en
eerlijk levensgedrag, drijft plichtsgevoel hem om in alles
trouw en rechtvaardig te zijn, dan denk ik niet,
dat de Kenner der harten hem van het licht der waar-
heid zal verstoken laten. In dien zin versta ik des
Meesters woord: „Hij, die des Vaders wil wil doen, zal
bekennen of mijn onderwijs uit God is." Toen ik dus
mijn neef op nieuw ontmoette, zeide ik tot hem: „Wel,
Tom, gaarne zou ik weten, welke uwe gevoelens zijn op
het gebied des zedelijken levens. Gij hebt toch Jan
Fronselaar gekend?"
„O ja, zeer goed, al noemt gij hem niet bij zijn
eigen naam. Wat doet u van hem spreken?"
„Neen, zijn eigen naam was niet Fronselaar, maar hij werd
algemeen zoo genoemd, omdat hij in de kerk zijn gelaat
zoo sterk plooide en rimpelde, wanneer hij iets hoorde,
dat niet zijn meening streed, en dit gebeurde niet zelden."
„Maar waarom herinnert gij mij aan hem?"
-ocr page 72-
6 2
„Wel \'s mans hoofd was vol eigenaardige, vreemde
meeningen, maar ik heb hem altijd voor een oprecht,
innerlijk vroom man gehouden. Iemand toch kan eerlijk
en oprecht zijn, al schuilt er dwaling in zijne verstan-
delijke voorstellingen."
„Zeker, en ik ben van oordeel, dat er ongeloovigen
zijn, die zedelijk hooger staan dan velen van uw chris-
tenen, die zich trouwe kerkgangers toonen."
„Zeer mogelijk, Tom; maar ik vertrouw, dat gij bil-
lijk genoeg zijt om niet het beste soort ongeloovigen
met het minste soort kerkgangers te vergelijken; die
vergelijking zou niet eerlijk zijn."
„Goed, maar ik vat niet waar gij heen wilt."
„Ik zou gaarne van u vernemen, hoe uwe ongeloo-
vigen over de praktijk des zedelijken levens oordeelen.
Kunt gij mij op dat punt op de hoogte helpen?"
„Ik meen daartoe in staat te zijn, maar wat raakt
dit het vraagstuk, dat gij met mij bespreken wildet?"
,,lk zou willen vernemen, wat door hen beschouwd
wordt al.: de standaard en maatstaf van goed en kwaad,
en op welken grondslag hun begrip plicht rust."
„Wel, ieder mensch is verplicht zijn naaste te geven
wat hem toekomt, hem eerlijk en rechtvaardig te be-
jegenen; en wij houden datgene voor eerlijk en recht-
vaardig wat voor de gemeenschap nuttig is."
„Is niet de naam voor deze beschouwingswijs Utili-
tarianisme of nuttigheidsleer?"
„Ja, zij beoogt het grootste nut voor het grootste
aantal menschen."
„Ik vat dit. Al wat nuttig is is zedelijk, zoodat ik
een scheermes en wagenwiel zedelijke voorwerpen mag
noemen, omdat zij beiden nuttig zijn?"
„Gij weet zeer goed, dat de Utilitariers het woord
niet in dien zin gebruiken, en daarom meen ik, dat gij
de zaak met meer ernst bespreken moest."
„Kom, kom, Toni, ik weet wel, dat gij geen scherts
verdragen kunt, behalve als ze komt uit den mond
-ocr page 73-
(>3
van een ongeloovige; maar zoo deze theorie van zedeleer
niet belachelijk is, dan weet ik niet wat ze wel is.
Laat ons haar in hare naakte gestalte bezien, zooals
Bentham, de vader dezer richting ons haar te aanschou-
wen geeft. Hij zegt: „De beste bepaling van misdaad
is: misrekening in het beoordeelen van de kansen,
onjuiste schatting der waarde van lust en onlust...
Niemand had ooit, noch kan of kon ooit een andere
drijfveer voor zijn doel hebben dan het najagen van
genot en het mijden van wat leed of pijn doet." Dit
zijn de eigen woorden van den vader van de theorie
der utiliteitsleer — eene theorie, die aan elke heldendaad
de poëzy en allen adel aan vaderlandsliefde en mensch-
lievendheid ontneemt, en de hoogste drangredenen van
ons menschelijk gevoelen en handelen tot eene opcn-
baring van de meest gelijkvloersche zelfzucht herleidt.
Het is eene theorie, met de feiten in lijnrechten strijd,
en een bespotting van de menschheid. Wie kan uit
een zoo laag en verlagend beginsel het leven van een
Socrates, een Wickleff, een Luther, een Howard, een
Livingstone en zoovele anderen verklaren, om nu zelfs
met geen woord te reppen van Jezus van Nazareth."
„Maar niet alle volgers van het beginsel hebben hun
voorstelling er van al dus geformuleerd."
„Gewis niet. Sommige vernuftelingen hebben de be-
paling nog verbazend veel fraaier gemaakt. Een dame op
Europa\'s vasteland schrijft: „Genot is goed, geestdrift
en liefde zijn goed, maar ook haat is goed .... Waar-
heid is goed, zoolang zij genot aanbrengt, maar goed
zijn ook leugen, een valsche eed, huichelarij, bedrog,
vleierij, zoodra zij slechts voordeelig zijn." Ziedaar wat
uw nieuwbakken Utilitarianisme in heeft.
„Maar gij weet zeer goed, dat de beste Utilitarianen
het met deze luid schreeuwende dame niet eens zijn."
„Zeker bezigen zij minder krasse taal, maar een weinig
marktgeschreeuw heeft vaak deze goede zijde, dat het
de waarheid in haar begrijpelijksten vorm aanschouwe-
-ocr page 74-
64
lijk maakt. Maar acht gij deze vrouw al te openhartig,
luister dan naar het woord van een kalm, berekenend
rechtsgeleerde, den Heer Leslie Stephen: „De Natuur,"
zegt hij, „behoeft sterke, groote, gezonde, geslepen
menschelijke wezens, en zou al zeer ongelijk aan zich-
zclve worden, wanneer zij haar hoogste belooning van
geluk schonk aan een galachtigen, klierachtigen, krommen
heilige, alleen omdat zijn versufd brein bezwaar heeft tegen
echtbreuk, dronkenschap, moord en roof," Hij is een van
de meest vooraanstaande modernen in deze richting, en
al is hij een bekwaam rechtsgeleerde en beschaafder in
vormen dan die luid snaterende vrouw, hij bloost er
toch niet voor om eene geheel gelijke leer te verkondigen.
Volgens hem zijn de beste modellen der menschheid,
welke de Natuur levert, groote, sterke menschdieren,
die in staat zijn aan de grofste hartstochten den
teugel te vieren, zonder dat dit hun spijsvertering in
den weg staat."
„Wel, oom, ik was er onbekend mede, dat Leslie
Stephen zoo ver gaat. Maar laat ons tot het praktische
punt komen. Meent gij werkelijk, dat het christendom
aan eene hoogstaande zedeleer meer bevorderlijk is, dan
eenig ander theoretisch stelsel!"
„Meenen, Tom? ik behoef geene meening te hebben
aangaande iets, dat zoo klaar is als het zonlicht op den
middag."
„En gij weet toch even goed als ik aan hoeveel tiranny,
wreedheid en bedrog de Kerken schuldig staan."
„Ik weet het, maar waar eenige Kerk dien weg bewan-
delde, handelde zij niet in overeenstemming, maar geheel
in strijd met de beginselen des Evangelies. Een der
beste getuigenissen omtrent de zedelijke voortreffelijkheid
van den christelijken godsdienst kunt gij vinden in een
boek, dat tot titel heeft: „Service of Man" en door een
atheist geschreven werd."
„Ik heb dat boek gelezen, maar heb er niet den minsten
lof over het christendom in gevonden."
-ocr page 75-
"5
„Wel mogelijk, ja, zeker hebt gij er veel smadelijks
tegen het christendom in aangetroffen, maar wanneer gij
een boek leest, behoort gij ook acht te geven op wat
de schrijver niet zegt."
„Ik zie niet in, wat gij bedoelt."
„Dan zal ik u een handje helpen. De Heer J. J.
Morison wijdt in dat boek tachtig bladzijden aan de
poging om de onzedelijke strekking des christendoms
in het licht te stellen, en hoevele malen denkt gij, dat hij
daarbij zich op het Nieuwe Testament beroept ? Niet meer
dan éénmaal, en dit is, waar hij op den berouwvollen
moordenaar op het kruis wijst. Bij mij stond het onver-
wijld vast, dat de geschriften van het Nieuwe Testament
wel op zedelijk standpunt volmaakt moeten zijn, wanneer
een zoo bitter vijand van het christendom er niets onzede-
lijks in weet te vinden, dan alleen het feit, dat een
arme zondaar nog zelfs in zijne laatste levensure ge-
nade vinden kan."
„Dit neemt niet weg, oom, dat gij zult moeten toe-
geven, dat zich in de geschiedenis der christelijke kerk
tijdperken van groote onzedelijkheid voordoen."
„Zeker stem ik dat toe, en meer nog, dat velen heden ten
dage lid zijn van eenige christelijke kerk en op het punt
van zedelijkheid zeer laag staan. Toch is dit alleen gevolg
daarvan, dat zij nooit lid geweest zijn der ware gemeente
van Jezus Christus, zoodat zij nog nooit begrepen hebben,
wat een „Hem belijden" is en wat dit van \'s Heeren volgers
eischt. Bezie voorts het vraagstuk in ruimer zin en maak
eene vergelijking tusschen hen, die zich bij de gemeente
voegden en hen, die, buiten betrekking tot haar, in en
voor de wereld leven; vergelijk het hedendaagsch Europa
met Europa voor tweeduizend jaar, en zie op hen, die
wij als onze beste christenen hoogschatten, en dan kunt
gij moeilijk onzeker blijven, waar de vijgen en waar de
distels groeien. Liet de tijd het toe, ik zou uit onze
voortreffelijkste geschiedschrijvers u aanhaling op aanhaling
kunnen doen hooren, waarin zij als vruchten van hun
5
-ocr page 76-
66
onderzoek verklaren, dat het Christendom het zout der
aarde is, het grootste zedelijk bederfwerend middel in
deze wereld."
„Van harte stem ik toe, dat de zedelijke voorschriften,
die wij in het Nieuwe Testament vinden, de beste levens-
regels zijn, welke zich laten uitdenken; maar het evangelie
verliest zijn grootste beteekenis door zijne gebondenheid
aan wonderen."
„Wat mij verheugt, Tom, is uit uw mond een be-
lijdenis te hooren, die mij doet verwachten, dat, wan-
neer gij u nu ook maar streng houdt aan de zedelijke
voorschriften des evangelies, er goede hoop bestaat,
dat gij van uw twijfelen en zucht tot niet-gelooven
zult genezen worden. Later, wanneer gij van uw uit-
stapje zijt teruggekeerd, maak ik mij sterk u te kunnen
overtuigen, dat wat gij tot de zwakke zijde van het
evangelie rekent, in het nauwst verband staat tot zijne
uitnemendste heerlijkheid."
„Gij spreekt stout en kloek, oom, en kunt gij werkelijk
tot stand brengen, wat gij beweert, dan acht ik het zeer
mogelijk, dat gij ook mij nog Christen worden ziet."
„Voor het oogenblik, Tom, verlang ik niets meer,
dan dat gij er u op toelegt om den standaard van
zedelijkheid te bereiken, dien het evangelie ons voor-
houdt. Zoodra u dat ernst is, zult gij niet verre van het
Koninkrijk der hemelen kunnen blijven."
-ocr page 77-
HOOFDSTUK XI.
Wat is er voor hoop en troost in de naturalis-
tische levensbeschouwing?
Omstreeks honderd jaar geleden werd een gedicht
uitgegeven over ,,de genoegens der hoop." Ik kan
niet denken, dat het boek door een ongeloovige ge-
schreven is. Hoop behoort niet thuis en kan niet
aarden in pessimistischen grond. Zal de hoop iets be-
teekenen, dan moet zij aan het geloof ontspringen gelijk
bloemen aan den bladstengel. Alle pessimistische wijsbe-
geerte, op naturalisme gegrond, leidt enkel tot wanhoop.
De wereld, van zulk een standpunt beschouwd, mist alle
doel, plan en beteekenis. Zij is niets meer of anders dan
zooals zij zich aan de oppervlakkigste waarneming voordoet.
Vanwaar zij is, waarvan zij leeft, waarheen zij streeft,
weet op dat standpunt niemand te verklaren. De schoonste
streken, die de Natuur ons aanschouwen doet, zijn enkel
tergende voorstellingen; het liefelijk gezang der vogelen
is niet meer dan bespotting; en het hoogste, waarnaar
onze ziel streeft, blijkt louter begoocheling. Naar mijne
zienswijs is elke godsdienstige geloofsbelijdenis, die op
aarde gevonden wordt, nog verre boven deze wanhoop-
kweekende wijsbegeerte te verkiezen.
Terwijl ik dit bepeinsde, trad mijn neef binnen en
ik deed hem toen de vraag, wat er toch in zijne onge-
-ocr page 78-
68
loovige wijsbegeerte was, dat aan zondige menschen
hoop en troost kon bieden."
Zijn antwoord was: „Zij vinden er althans deze hoop
in, dat hun geen hel met hare pijniging wacht."
„Gij oordeelt dus, Toni, dat na dit tegenwoordig
leven niets hen wacht, — geenerlei soort van bewust
voortbestaan ?"
„Zoo leert de sceptische wijsbegeerte."
„Voor het oogenblik laat ik de hoop op onsterfelijk-
heid en de redenen, die daarvoor pleiten, rusten. Wat
ik nu allereerst u vragen wil, is, of gij niets tot hoop
en troost hebt aan te bieden aan den adel van ons
geslacht, aan helden en weldoeners van vaderland en
menschheid ?"
„Ja, gewis, een edel leven is nooit vergeefs besteed, -—
het is als een zaad aan de aarde toebetrouwd, dat later
schoone vruchten draagt."
„Maar naar uwe beschouwingswijs, Tom, zijn Socrates,
Livingstone en zoovele andere edele menschen, die
stierven, dood en weg; zij kunnen dus geen vrucht
meer van hunne edele daden oogsten."
„Zij niet, maar hun leven komt anderen ten goede,
de wereld heeft er de winst van."
„Zoo kan men het edelste leven leven, en kan het
schoonste karakter in iemand tot ontwikkeling komen,
maar voor hem zelven heeft dat niet het minste goed
gevolg."
„Juist, want aller einde is de slaap des doods. Hun
leven echter heeft de wereld verrijkt, — ons ras ver-
beterd."
„En hoe oordeelt gij over de .schijnbaar waardeloozen,
het bezinksel onzer maatschappij, welke hoop hebt gij
voor dezen?"
„Ik begrijp, dat gij zinspeelt op wie een pest der
maatschappij zijn — dronkaards, hoereerders en dob-
belaars."
„Juist, dezulken bedoel ik."
-ocr page 79-
69
„Wel hun geldt, wat de Heer Morison zegt: „de
hoop der maatschappij is, dat dit canaille uitgeroeid
wordt, als besmet vee in dagen van veepest."
„Dat is de verwachting der sceptische wijsbegeerte, —
het predikt een uitroeiingsevangelie. Het is een zeer
• beestelijk, somber en liefdeloos evangelie."
„Ja, maar niet erger dan het evangelie, dat eene hel
met onuitblusschelijk vuur en knersing der tanden leert."
„Maar dit evangelie, dat op het geduchte der ver-
gelding wijst, predikt ernstig en dringend een weg des
behouds voor allen, ook voor de verst afgewekenen en
diepst gevallenen! Is die prediking niet verkieselijk
boven uw uitroeiingstheorie?"
„Dat zie ik nog niet in. Indien de leer, waarop gij
doelt, nu ook maar een dwingenden behoudsweg predikte,
dan zou zij zeker verkieselijk zijn, maar dien vind ik er
niet in."
„Ik veronderstel, Tom, dat gij weet, dat onze groote
dichter, Lord Tennyson, christen is."
„Ja, dat is mij bekend."
„Hij oordeelt, dat het evangelie hem grond geeft voor
de hoop, dat eenmaal allen zullen behouden worden."
„Welk deel van zijn dicht werk bedoelt gij, want wat ook
zijn geloof moge zijn, ik waardeer Tennyson als dichter."
„Ik doelde op de plaats waar hij zegt:
Merk op, nog werd niet alles ons verklaard;
Nog hoop ik \'t slechts, dat wat de toekomst baart,
Ze aan allen goed, ten laatste goed zal zijn;
Dat als de taak des Heilands is voltooid,
En zich zijn werk in vollen glans ontplooit,
Elk duister wijkt voor eeuwgen zonneschijn."
„Terecht zegt de groote dichter: „nog werd niet alles
ons verklaard," ook voor hem bleef dus veel onzeker en
betwijfelbaar."
„Wel al beleed hij niet alles te weten, dit belette hem
niet eene zoo stoute hoop te koesteren. Er is een groot
verschil tusschen uwe wijsbegeerte en de zijne. De
-ocr page 80-
zijne schonk hem moed om alles te hopen, gij hoopt
niets en droomt slechts van vernietiging."
„En hoe kan er hoop ontspringen uit de erkentenis
van niet-weten ?"
„Niet daaruit ontspruit onze hoop, Tom, maar uit
een anderen grond, die ons boven een nog-niet-weten
verheft. De hoop des evangelies grondt zich niet opeen
weten, maar is een uitvloeisel van ons gelooven."
„Maar gij, oom, zijt toch geen universalist, — een van
degenen, die het er voor houden, dat allen zullen zalig
worden?"
„Al ben ik dat niet, zoo zal het mij toch enkel stof
tot blijdschap zijn, wanneer ik er in den hemel meer
ontmoet, dan ik durfde verwachten, ■— hoe meer daar
zullen mogen ingaan, mij te liever. Waar ik op komen wil,
is dit, dat de Natuur evenals de Openbaring ons met
hoop vervult, terwijl uwe wijsbegeerte de hoop uit-
bluscht, elke bloem, die zij kweekt, verwelken doet
en tot slot der geschiedenis het heelal, in een knekelhuis
verkeert."
„En de door u aangehaalde dichtregels teekenen een
wereldeind, dat enkel rooskleurig is en alles in een blij-
spel doet eindigen."
„Al hadt gij recht met die tegenstelling, dan nog
verkies ik licht boven duisternis, hoop boven wanhoop,
leven boven dood."
„Ik zelf ben geneigd, oom, aan Tennysons voorstelling
de voorkeur te geven, maar gij weet even goed als ik, dat
eene menigte van predikanten heel wat anders vertellen."
„Het zal mij bevreemden, Tom, wanneer eindelijk gij
. den christelijken godsdienst zult- beginnen te beoordeelen
naar de Schrift en niet naar het prediken van dezen of
genen predikant."
„Maar ieder predikant behoort toch te weten, wat het
evangelie is, dat hij te verkondigen heeft."
„Dat is althans wenschelijk en, naar ik geloof, geschiedt
het ook voor de praktijk op voldoende wijs. Intusschen
-ocr page 81-
geen predikant is onfeilbaar en daar alle menschen
kinderen van hun tijd zijn, is het niet zoo wonderbaar,
wanneer er thans zijn, die oordeelen een ruimer opvat-
ting van Gods liefde te mogen hebben dan hunne voor-
vaders."
„Juist, en dan weten zij de gelijkenis van den rijken man
en Lazarus zoo te verklaren, dat al het verschrikkelijke
er van zich als een morgennevel oplost."
„Overdrijft gij niet met opzet, Tom? Maar al hadt
gij eens gelijk, dan eischt nog de billijkheid, dat gij
uwerzijds hun gelijke vrijheid gunt, als gij voor uwe
beoefenaars der wetenschap eischt, — dat zij hun ziens-
wijze wijzigen, zoodra zij meenen daarvoor een deugde-
lijken grond te hebben."
„Wel, in den regel zijn zij zoo stom behoudend, dat
het jammer zou zijn hun niet eenige vrijheid tot wat
vrijzinniger zienswijs te gunnen. Maar anderen daargelaten,
kan ik kwalijk denken, dat gij zelf de beschouwing der
universalisten als waar aanneemt."
„Zeker doe ik dat niet, maar evenmin acht ik mij-
zelven onfeilbaar. Wat ik u op het hart wilde drukken
is niet anders clan dit, dat in het evangelie voor den
mensch een bron van troost en hoop is, terwijl uwe
sceptische wijsbegeerte niets anders tot einde heeft en
geeft dan een begraven des heelals in den nacht der
vernietiging."
„Geloof mij, dom, zeer gaarne zou ik wat meer hoop
willen voeden, als ik er maar goeden grond voor vinden
kon. Geduldig zal ik luisteren naar elk bewijs, dat gij
mij weet te geven. Tot hiertoe echter hebt gij mij enkel
gewezen op een visioen, waarvan onze groote dichter ver-
wacht, dat eens werkelijkheid worden zal. Nog deedt
gij geen enkele poging om mij de waarheid der oude
onsterfelijkheidsleer met bewijzen te staven."
„Dit was ook nog mijn bedoelen niet, Tom. Niets
anders wenschte ik te weten, dan of uwe wijsbegeerte
althans iets bevatte, dat den weg wees om aan de duis-
-ocr page 82-
ternis der wanhoop te ontkomen. Het schijnt dat daar-
op nog luttel kans bestaat. Indien gij ook nog morgen
avond mij bezoeken wilt, hoop ik u te kunnen aan-
toonen, dat gij öf verplicht zijt een meer hoopvolle
beschouwing van \'s menschen bestemming tot de uwe
te maken, öf wel dat gij wijs zult doen uw stelsel
van wijsbegeerte prijs te geven.
-ocr page 83-
HOOFDSTUK XII.
■Waarheen gaat gij?
„Zeg mij nu eens ronduit, Tom, waarheen gaat gij ?"
„Wat is uw bedoeling met die vraag, oom?"
„Ik meen juist wat de woorden zeggen — waarheen
gaat gij ? dat is, wat beschouwt gij als uwe toekomst en
bestemming? Hebt gij er u eenig bepaald denkbeeld
van gevormd, of u nog iets na het sterven te wachten
staat?"
„Nu begrijp ik u, gij wenscht mijne zienswijze in be-
trekking tot het vraagstuk der onsterfelijkheid te weten.
Als ik u de waarheid zal zeggen, dan heb ik op dit
punt een zeer bepaald denkbeeld. Mijn overtuiging is,
dat de dood het einde is van ons aanzijn, en dat wan-
neer men mij ter aarde besteld heeft, alles voor mij en
met mij uit is. Ik bedoel daarmede niet, dat de deelen,
waar uit mijn lichaam is samengesteld, zullen ophouden
te bestaan, maar dat mijne persoonlijkheid en zelfbe-
wustzijn zullen ophouden."
„En dus verwacht gij, als dit bestaan ten einde is,
geene opstanding, geen toekomend leven, waarin gij op
nieuw een persoonlijk zelfbewustzijn kennen zult?"
„Geenszins. Ik ben overtuigd, dat de dood voor goed
een einde aan mijn persoonlijk bestaan maken zal."
-ocr page 84-
74
„Kunt gij mij ook mededeelen, Tom, langs welken
weg gij tot zoo vaste overtuiging gekomen zijt?"
„Wel, oom, wij zien de menschen sterven. Het licht
des levens in hen gaat uit. De geestvermogens dooven
kennelijk uit met de levensvlam, welke het lichaam in
stand hield, en zoo keert de niensch weder tot het stof,
waaruit hij genomen werd."
„Naar uwe beschouwing, Tom, moet ik ten slotte
uwe ontwikkelingsleer al een zeer armelijk en ellendig
ding noemen."
,.Koe dat, oom?"
..Omdat zij tot zulk een onbeduidend einde leidt.
Wanneer, zoo als gij beweert, evolutie ons alles geeft
de niensch haar heerlijkst kunststuk is, en haar eind-
paal bereikt, als de niensch het graf nadert en dan
vraagt, wat aan gene zijde is; en wanneer uwe theorie
op dat punt ons begeeft en ons niet één schrede verder
helpen kan, dan is zij om niet sterker te spreken, al zeer
teleurstellend. Zij brengt den mensch tot een punt,
waarop hij naar onsterfelijkheid begint te reikhalzen, en
zet er dan voor goed den domper op."
„Dat moge teleurstellend schijnen, maar het is wijs,
de waarheid flink onder de oogen te zien en zich niet
te laten weerhouden door de gevolgtrekkingen, waartoe
zij misschien leidt."
„Ongetwijfeld, maar gij\' hebt nog geen tittel of jota
van bewijs geleverd, dat uw zienswijs eenige waarheid
bevat."
„En gij, oom, hebt evenmin bewezen, dat uwe be-
schouwing waar is."
„Nog deed ik dat niet, maar daar zijn wij ook
nog niet aan toe. Laat mij daarom mijne redenering
mogen vervolgen. Voor een oogenblik uwe zienswijs aan-
nemend, volgt daaruit, dat op het eigen oogenblik, dat
de mensch zijn hoogtepunt hier bereikt heeft, de ont-
wiklelingsgang wordt afgesneden. Natuur en Wet ver-
liezen hun werkkracht, de atomen en moleculen zijn uit-
-ocr page 85-
75
geput en hun taak is afgedaan. Zoo blijkt dan, dat het
met den eeuwigen voortgang en ontwikkeling, waarop gij
roemdet, uit is — de levenskracht van het ei is
uitgeput. Daar er niet langer kracht aanwezig is, staat
de machine bij gebrek aan stoom stil. Zoo zien wij ons
opnieuw tot het punt teruggebracht, dat het ei van den
beginne slechts met een beperkten voorraad levenskracht
begiftigd is."
„Goed en wat dan?"
,,YVel dan blijkt opnieuw, dat uwe veronderstelling,
dat de Natuur eeuwig dezelfde is, mank gaat, want met
betrekking tot den mensch blijkt zij versleten en uit-
geput. Wij moeten dus öf een eeuwigen doodslaap óf
een van nieuws aanvangen voor waarheid houden."
„Maar veronderstellen wij nu, oom, dat de Natuur
een tijdperk van rust heeft om dan tot nieuwe kracht
te ontwaken, en een nieuwen gang te beginnen — acht
gij dat onmogelijk?"
„Zeker niet, maar indien er voor de Natuur eene
opstanding tot herleven is weggelegd, waarom dan ook
niet voor den mensch, die haar voortreffelijkst deel en
haar hoogst ontwikkeld voortbrengsel is? In deze ge-
dachte ligt toch eene mogelijkheid, en zelfs iets, dat
in overeenstemming is met de ontwikkelingstheorie zelve.
Indien het u maar ernst is om in uw beschouwen en
redeneeren u zelf gelijk te blijven, en gij uw evolutie-
theorie maar op den dood zelf in toepassing brengt,
dan zoude ik zelf er hart voor kunnen krijgen. Want
op dit punt althans zou zij dan niet meer de trooste-
loosheid zelve zijn. Wat komt het er op aan, waaruit of hoe
wij het aanzijn ontvingen, indien er voor ons geen hier-
namaals bestaat? Ons echter onze loopbaan te laten
beginnen uit een aap en haar in vernietiging te laten
eindigen, zie, dat verlaagt het menschenleven tot iets
zoo donkers en wanhopigs, dat de gedachte er aan
niets anders dan afschuw en walging kan verwekken."
„Is dat alles, oom?"
-ocr page 86-
76
„Wel ik kan er nog dit bijvoegen, dat uwe beschou-
wing zelfs geen aanspraak op den naam wetenschappelijk
verdient."
„Wat, niet wetenschappelijk?"
„Neen, vriend, niet wetenschappelijk. Gij slaat een
mensch bij zijn sterven gade, en omdat gij niet bij
machte zijt hem verder te volgen, beweert gij stoutweg en
in den blinde, dat hij nergens is. Toch ziet gij enkel het
stoffelijk lichaam, en schijnt te vergeten, dat er zoowel
eene wetenschap is, die het geestesleven als eene die het
stoffelijk leven tot voorwerp heeft. De menschelijke geest
heeft altijd en overal eene als ingeschapen overtuiging en
verwachting getoond, die op een leven na dit leven
heenwijzen, en indien deze zonder beteekenis zijn, dan
is de mensch, hetzij door evolutie of hoe ook ontstaan,
een op domme wijs gemaakt voortbrengsel. Kingsley
maakt in een zijner geschriften gewag van menschen,
die hem de vraag deden: of de Schepper niet bij
de schepping" de fossielen kon hebben gemaakt en zijn
antwoord was : „Ja, zeker had God dit kunnen doen,
indien — Hij ons had willen misleiden en op een
dwaalweg helpen." Dit woord acht ik evenzeer van toe-
passing op de inspraken en verwachtingen in ons, die
op een toekomend leven duiden."
„Maar, oom, gij schijnt geheel voorbij te zien dat
de mechanische theorie van het heelal, met insluiting
van den menschelijken geest, eene zeer goed verdedig-
bare theorie is, en wanneer zij met de waarheid over-
eenstemmen mocht, dan hebben die inspraken en ver-
wachtingen niets meer te beteekenen dan de mechanische
werking van schroeven, sleutels, hengsels, beenderen en
spieren; hersenen en zenuwen kunnen best elektrische
apparaten zijn."
„Maar, Tom, welk een schrede achterwaarts maakt
gij nu opeens, daar gij het reeds met mij eens waart,
dat de Macht achter de Natuur met rede begaafd moet
zijn, — zijne werken bewijzen, dat hij naar wiskunstige
-ocr page 87-
77
regels is te werk gegaan. En toegegeven nu eens,
dat onze hersenen en zenuwen niet meer zijn dan elektri-
sche machines, dan bevestigt dit juist het gevoelen,
dat zij op verstandelijke wijs met oordeel naar de eischen
van een doel gemaakt zijn. Onze hersenen en zenuwen
openbaren het doel, waartoe zij ons zijn gegeven."
„En bij den dood, oom, wordt de machine ver-
broken en houdt de elektriciteit op te werken, en roept
nu de elektriciteit gedachten, gevoelens, aandoeningen,
verlangens in leven — welnu, dan moeten die ook allen
ophouden, zoodra het lichaam tot stof wederkeert. Wat
hebt gij daartegen in te brengen?"
„Ik kom daartegen op met de reeds uit Professor Tyndal
aangehaalde woorden: „Verbonden met de wonderbare
bewerktuiging van het dierlijk lichaam nemen wij ver-
schijnselen waar, die geene mindere gewisheid hebben dan
de stoffelijke, maar tusschen welke en dat mechanisme
wij geene noodzakelijke belrekking waarnemen." Ziedaar
een behartigenswaardig woord van een groot geleerde."
„Maar al heeft men die betrekking nog niet kunnen
ontdekken, zij bestaat en kan nog ontdekt worden."
„Ja, mogelijk is dit, maar even mogelijk, dat er een
geestelijk leven bestaat boven dit mechanisme en deze
elektriciteit; zelfs op wetenschappelijk standpunt is het
een even waarschijnlijk als het ander."
„Goed, oom, de stelling, welke gij nu inneemt is
redelijk, maar dan zijn wij nog ver van het leerstellig
onderwijs der Kerk, die leert, dat in ieder mensch eene
onsterfelijke ziel leeft."
„Toegegeven, Tom, maar de gemeente van Christus
beweert ook niet, dat zij haar zekerheid in zaken van
dezen aard op wetenschappelijke bewijzen kan gron-
den; niet wetenschappelijke bewijzen, maar Gods open-
baring van Zichzelven door het woord der profeten en
in zijn Zoon zijn de grondslag harer zekerheid en ver-
wachting."
„Maar wat ter wereld brengt er u dan toe om het
-ocr page 88-
78
vraagstuk naar wetenschappelijke beginselen te willen
bespreken ?"
„Alleen om de volgende reden. Gij hebt uw ongeloof
op wetenschappelijke beginselen gebouwd, en ik heb u
zoeken aan te toonen, hoe weinig die beginselen voor
u vermogen, en dat zij op dit punt in waarheid niets
bewijzen."
,,Maar hoe wilt. gij de leer der onsterfelijkheid uit de
openbaring bewijzen ?"
„Wel hebt gij nooit gehoord of gelezen, Tom, van de
opstanding van Jezus Christus uit de dooden?"
„Zeker, maar van die verhalen geloof ik niets, en dit
is een der onderwerpen, die ik gaarne bespreken zal
als de beurt van vragen aan mij komt."
„Best, Tom, op dit punt zal ik u gaarne de leiding
van ons gesprek gunnen. Laat mij echter nog met
een woord herinneren, eerstens dat mannen als Petrus,
Jakobus en Johannes verklaren den uit de dooden ver-
rezene gezien en met hem gesproken hebben, en ten
andere, dat zij deze hun belijdnis met woord en daden
bevestigd hebben, zoo toonende, verzekerd te zijn van
de waarheid van \'s Meesters belofte, dat ook zij uit de
dooden zouden opstaan."
„Maar zooal niet misleid, kunnen zij zichzelven be-
drogen hebben."
„Toegegeven, maar die veronderstelling maakt de
met dit vraagstuk verbonden feiten nog te meer wonder-
baar. De apostelen en hunne vrienden hebben dan
duizenden weten te overreden om het hun als feit ver-
kondigde te gelooven en hun leven veil te hebben
door een deelen in dezelfde hoop."
„Ik veronderstel dat zelfbedrog allen misleid heeft."
„Dit maakt de zaak nog meer wonderbaar, daar die
christenen het Romeinsche keizerrijk tot hunne zienswijze
hebben doen overgaan."
„En wat heeft dat te beteekenen ?"
„Wel dit, dat dat nieuwe geloof de maatschappij van
-ocr page 89-
79
veel dwaling gezuiverd en het zedelijk karakter der
samenleving verhoogd heeft."
„En verondersteld nu, dat alles op inbeelding neer-
komt?"
„Zelfs als dat waar was, Tom, zou het de schoonste
droom zijn, die onze arme wereld ooit gedroomd heeft;
en indien, gelijk in dit geval, droom en tienduizendmaal
verkieselijk zijn boven de tastbare feiten van ons waken,
blijf ik, Tom, met uw goedvinden, het met den droom
houden."
„Nu vervalt gij weer tot sarcasme, maar bewijst daar-
mee niet veel. Er schuilt in uw meening heel wat
gevoelstheorie."
„Er is op dit gebied tweeerlei wel te onderscheiden.
Hebt gij wel eens de brieven van E. H. Gregson
gelezen ?"
„Neen, maar wat wilt gij daarmee bewijzen?"
„Wel hij teekent ons daarin onder anderen een atheist
bij het sterfbed zijner vrouw. De atheist heeft genoeg
liefdegevoel om te pogen der stervende troost te bieden,
en hij zeide met dat oogmerk: „Mijne teergeliefde vrouw,
wij staan op het punt voor altoos van elkaar gescheiden
te worden, en ik zou zoo gaarne willen, dat gij in de
volle vertroosting van ons heilig geloof heengingt. Bedenk
dit wel bevestigd feit, dat in dit heelal slechts één stof
bestaan heeft, en deze stof is onderworpen aan eene
algemeene wet; onder de werking van die wet zijt gij
eene toevallige samenvoeging van protoplastische molecu-
len en ik zelf ben niets anders. Beiden zullen wij ons per-
soonlijk bewustzijn verliezen, maar laat mij als een onschat-
bare troost u zeggen, dat uwe moleculen in nieuwe vormen
zullen overgaan, en voor altijd voortduren, al draagt
gij zelve daar geen kennis van."
„Ik geloof niet, Oom, dat ooit een atheist op die wijs
tot zijne stervende vrouw gesproken heeft."
„Toegestemd, maar wanneer hij als atheist geloofde,
wat hij beweert, had hij zoo kunnen en behooren te
-ocr page 90-
8o
spreken, en dit is misschien het eenige dat de schrijver
heeft willen aantoonen. Let echter op het volgende, dat
wel degelijk feit is. Een Fransch materialist bezocht in
het armhuis een ver familielid. Hij vond haar door de
jaren gebogen en bijna stokdoof. Toen hij met haar op
de ruime binnenplaats een weinig op en neer ging, stond
hij verlegen, wat haar \'t best als een woord van troost toe
te spreken. Terwijl hij daar over peinsde, trad een predikant,
die het gebouw bezocht had, hun ter zijde, en in de
gelaatsuitdrukking der vrouw bekommering lezende, zag
hij haar in de oogen en wees haar met zijn vinger opwaarts.
Terstond week de donkere wolk van haar gelaat en
toonde den vriendelijken glimlach eener levende hoop.
In deze twee voorstellingen hebt gij eene ware voor-
stelling van het wetenschappelijk ongeloof en der
christenen geloof. Het laatste wijst opwaarts, het andere
naar de ontbinding des grafs, het eerste bezielt tot eene
levende hoop, het andere leidt tot onverschilligheid of
wanhoop."
„Wel, oom, ik moet eerlijk erkennen, dat als het op
een aangenaam gevoel en hoop aankomt, de door u
gekozen voorstelling het meest aantrekt; maar dat is de
vraag niet. Deze eischt waarheid, en niets van alles, wat
door u gezegd is, is vatbaar voor bewijs."
„Juist, maar wij deden ook nog niet meer dan
den uitersten omtrek met den vinger aanroeren. Toch
zie ik kans, u in minder dan vijf minuten aan te toonen,
dat, wanneer het u inderdaad ernst is met de ontwikke-
lingstheorie, eene gezonde logica u moet noodzaken
het christelijk geloof, zelfs de hoop der opstanding daarin
opgesloten, als waar te erkennen,"
„Nu, wanneer gij dat waar maakt, oom, zijt gij knap.
Toon eens wat gij vermoogt."
„Wel, gedurende al ons samenspreken hebt gij het als
uw standpunt doen uitkomen, dat alles in deze wereld,
ook het menschenleven, door een ontwikkelingsproces
uit de atomen en moleculen is voortgekomen."
-ocr page 91-
8i
„Zeker, en dat beweer ik nog."
„Gij oordeelt dus nog, dat, hetzij de Onbekende
Macht persoonlijk zij of niet, de weg van ontwikkeling
de wijze is, waarop elke zaak op aarde geworden is,
en geworden zooals zij is?"
„Gewis, doe ik dat."
„En waarschijnlijk, daar gij nog evenzeer vasthoudt
aan uw theorie der noodzakelijkheid en het zich gelijk
blijven der Natuur, oordeelt gij dus ook nog, dat niets
bij mogelijkheid anders heeft kunnen zijn dan het is."
„Ik geloof, dat ieder ding is, zooals het is, en wat
het is, omdat het niet anders heeft kunnen zijn."
„Goed, en op dien regel zijn geene uitzonderingen?"
„Geen enkele, oom."
„In dat geval, Tom, kwamen Mozes en de tien geboden
langs den weg van ontwikkeling en volgens eene noodza-
kelijke wet tot aanzijn; ook geldt dit van David en het boek
der Psalmen; en Jezus en de Apostelen hebben geen
anderen oorsprong kunnen hebben; en de geschiedenis
der opstanding en de hoop der onsterfelijkheid, — •
waar of onwaar, — alles ontstond in denzelfden ontwik-
kelingsgang, door dezelfde middelen. Gij zijt derhalve
verplicht, Toni, ze te aanvaarden of uwe wijsbegeerte
op te geven, — de wijsbegeerte, die leert, dat elke
bestaande zaak noodzakelijkerwijs uit het waterstof-ei
is voortgekomen. Wat zijt gij voornemens? Wilt gij het
Christendom aanvaarden of uwe wijsbegeerte laten varen?"
Mijn neef zette een paar wijde oogen op en ik zag
hem goed in de oogen, terwijl ik zeide:
„Tom, de ure der beslissing is gekomen, waartoe zijt
gij besloten?"
„Oom, gij hebt mij aan het weifelen gebracht, zoo-
dat ik tijd moet hebben om over het gesprokene kalm
na te denken.
Postscriptum.
Ik had mijn neef de verzekering gegeven, dat zoodra
-ocr page 92-
,
82
ik met mijne vragen ten einde was, hij de leiding van
het gesprek mocht in handen nemen en mij alle vragen
doen, die hij voegzaam achtte, terwijl ik mijn best zou
doen hem het antwoord niet schuldig te blijven. De
beurt was nu aan hem, doch ik ontving van zijne hand
het volgend schrijven:
Waarde Oom l Ik heb een aantal vragen opgeschre-
ven, die ik u wenschte te doen, meer bepaald over het
auteurschap van den Pentateuch, over de wonderen,
de inspiratie, de opstanding van Christus enz. Intusschen
de handigheid, waarmede gij in ons laatste gesprek mijn
eigen beginselen als wapen tegen mij hebt gekeerd, doet
mij de noodzakelijkheid gevoelen, om mijne Natuur-
beschouwing te herzien, en dit zal mij licht geruimen
tijd van onderzoek kosten. Ik stem hiermee toe, dat gij
voor het oogenblik de betere stelling gewonnen hebt,
maar dit neemt niet weg, dat ik onze gedachten wisseling
daarom niet zal laten rusten. Ge hebt het gesprek
met zooveel overleg geleid, dat gij eene menigte pun-
ten, waarover ik gewenscht had met u te spreken,
er buiten hebt gelaten. Tevens moet ik erkennen, dat
gij eerlijk en eervol gehandeld hebt in het uiten van
uw wensch, dat ik nu de leiding van ons debat over-
neem, om de vragen te doen, waarop ik uw antwoord
wacht. Wees zeker, dat ik na over alles te hebben na-
gedacht, die gelegenheid niet zal laten voorbijgaan.
Zoodra ik zoover ben, zal ik u terstond daarvan kennis
geven. Zoolang verblijf ik in oprechte vriendschap, uw
u hoogachtende neef
Tom.
Zoodra mijn neef zijn standpunt genoegzaam zal heb-
ben overwogen, hoop ik mijnerzijds bereid te zijn hem
opnieuw in het strijdperk te ontmoeten. Niet minder
wensch ik, dat ons samen spreken, waarvan ik telkens
aanteekening hield, voor hen, die deze bladzijden lezen,
eenig nut mogen hebben. Van twee zaken voel ik mij
-ocr page 93-
«3
geheel zeker, nl. vooreerst dat de mannen der heden-
daagsche wetenschap nog niet één wezenlijke reden
gegeven hebben om de groote zedelijke waarheden, die
het goede oude Boek ons verkondigt, minder te achten,
en ten tweede dat Gods openbaring van zichzelven een
onwrikbare en troostvolle grond voor ons geloof is.