-ocr page 1-
vnyvi Wbfo        ./JrJM[3Z:jï
J. /$i)
■ 9 h
/
DE TRIBUNE
VAN DEN
Nederlandschen Bond
TOT
BESTRIJDING DER
VIVIBBOTIB.
No. 2.
Gedrukt bij % M. ROLDANUS Cz. te Edam.
-ocr page 2-
Ss
-ocr page 3-
De Vivisectie in het Licht der Moraal en
der Historische Kritiek.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
/
De Vivisecties zijn moorden, die zich
onder een geleerden naam verbergen.
Walteb Scott.
Als de Vivisectie, die zedelijk eene mis-
daad, godsdienstig eene lastering, en weten-
schappelijk eene domheid is, recht moet
heeten, dan bestaat er geen kwaad meer.
Edw. Maitland.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
ANTWOORD AAN DIRK BEERENDS.
Schrijver van: Is Vivisectie onzedelijk?
Open Brief aan Androcles,
bii J. Clausen, Amsterdam.
DOOE
3. cB. 3». 3twcw>wf\\>olt&.
Gedrukt bij J. M. ROLDANUS Ce., Edam.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
DE VIVISECTIE IN HET LICHT DER
MORAAL EN
DER HISTORISCHE KRITIEK.
Slaan wij allereerst een blik op de definitie, door den schrijver
van het woord „Vivisectie" gegeven; zy is niet alleen juist,
maar ook met wijsheid geformuleerd. De definitie lezende, ver-
krijgt men niet zoo aanstonds den indruk, dat de vivisectie zoo
wreed is, als men beweert; integendeel, zij laat zich zeer goed
lezen, zonder te huiveren en verontwaardigd te worden. Had
de schrijver echter meegedeeld, waarin die gruwelen in waar-
heid bestaan, en wat er zooal onder den onschuldigen, zachten
naam van „proeven" wordt gepleegd, - ja! had hij slechts en
kele feiten genoemd, waarvan de boeken over physiologie weme-
jen, een ieder nagenoeg, tenzij hij gelieel verhard ware, zou zich
met afschuw hebben afgewend. Maar zooals de definitie daar
nu staat, kan zij niet anders, dan de vivisectie in het kleed van
onschuld hullen en het publiek onwetend houden. Wie echter
nauwkeurig weten wil, waarin zij bestaat en welke ongelooflijke
martelingen zij met zich brengt, die leze „de Folterkamers der
Wetenschap" door Ernst v. Weber en het hoofdartikel in het
blad „Onze Honden" van 15 Sept. 1892, waar een volledige en
duidelijke beschrijving van de vivisectie gegeven wordt.
Na nu eerst het woord zelf gedefinieerd te hebben, deelt hrj
mede, hoe volgens de geschiedenis, ten tijde der Ptolemüeen,
60O veroordeelde misdadigers door Erasistratus en andere genees-
heeren geviviseceerd werden; en alsof er na dien tijd geen proeven
op menschen meer genomen zouden zijn, gaat hij verder en
zegt: „De latere vivisectoren hebben in plaats van menschen,
-ocr page 10-
8
honden, katten, konijnen, marmotjes, kikvorschen etc. voor de
vivisectie gebruikt."
Slaan wij echter de jaarboeken der geschie-
denis op, dan blijkt ons integendeel, dat wel degelijk nog in la-
teren tijd o. a. te Montpellier, ter dood veroordeelde misdadigers
als object van physologisch onderzoek werden gebruikt. Hij
noemt het viviseceeren van menschen eene onmenschelijke wreed;
heid; wij zijn dat geheel en al met hem eens en noemen
Erasistratus c. s. monsters, den naam van mensch on-
waardig. Merkwaardige inconsequentie echter, om alleen proe-
ven op menschen wreed, en proeven op dieren goed te noemen.
Stellen wij ons toch mensch en dier voor, als object der vivisec-
tie, dan hebben wij niet te vragen naar de ontwikkeling van den
eerste boven het laatste, maar eenvoudig of het dier zoowel als
de mensch, gevoelen en lijden kan? Zoo ja, wat wel een ieder
toegeven zal, dan mist men alle recht, om vivisectie van men-
schen voor wreed en ongeoorloofd, maar die van dieren voor ge-
oorloofd te houden. Mocht de heer B. door te wijzen op het
verschillend materieel, dat ter vivisectie werd en wordt gebruikt,
echter meenen aangetoond te hebben, dat de hedendaagsche vi-
visectoren, uit meerdere zedelijkheid, geen menschen meer, maar
alleen dieren ter vivisectie gebruiken, en zij dus boven Erasistratus
c. s. staan, dan heeft hij zich zeer vergist. Hij kan toch weten,
dat de staat hier het veto uitspreekt en men dus noodgedrongen
dieren gebruikt. Maar zou hij dan in waarheid meenen, dat er heden
ten dage geen menschen meer worden geviviseceerd ? Waarlijk,
dan is hij al heel slecht op de hoogte van hetgeen er zooal door
deskundigen zelve wordt gezegd en in de ziekenhuizen geschiedt.
Wie zich daaromtrent onderrichten wil, dien wijzen wij op eene
in Engeland verschenen novelle, getiteld: „St. Berhard\'s", Koman
van een jong medicus, door Aesculapius Scalpel — een zeer
merkwaardig boek, dat ons achter de schermen van zekere Aca-
demische ziekenhuizen een blik doet werpen. Zonneklaar blijkt
daaruit, dat de moraal van het Laboratorium en der operatiezaal
dezelfde is, als die van het ziekenhuis, en men hier, zooals een
-ocr page 11-
9
deskundige zegt, evemin acht slaat op het lijden der kranken,
als daar op hèt lijden der dieren. — Zoo getuigt Dr. Guardia
openlijk: „Men experimenteert te veel in de hospitalen. Men
kan niet gelooven, hoezeer de geivoonte van viviseceeren geheel
de hedendaagsche operatie-praktijk beheerscht! ?
Een dergelijk
treurig getuigenis wordt afgelegd door Dr. Falck, vivisector te
Marburg, die in No. 93 der „Didaskalia" van 5 April 1879 zegt,
dat „in vele ziekenhuizen het misbruik bestaat, dat patiënten tot
allerlei gewaagde experimenten worden gebruikt!" —
Zoo deelt
een Italiaansch Dagblad mede, dat zeker Dr. Clenze het vreese-
lijk „Curare" onder de huid van 80 patiënten injicieerde, en tot
zijne verbazing
(sic.) vond, dat zrj niet stierven! Hij had dus
blijkbaar verwacht, dat zij door die injectie gestorven zouden zijn.
Zoo werd volgens de „BritishmedicalJournal" van 17 Juni 1882,
door 2 Grieksche Artsen een patiënt te Syracuse, die aan kanker
leed, zooals Prof. Yeo, groot vivisector, mededeelt, met Tuberkel-
bacillen geinoculeerd, waarvan men de; sporen 14 dagen daarna,
nadat de man gestorven was, in verschillende organen ontdekte.
Zoo vindt men in waarheid misdadige proeven op menschen o. a.
ook in de verschillende geschriften over inenting van Bulmerincq,
Hayd
etc. De eerste deelt mede, dat Prof. Hebra op zekeren
dag in tegenwoordigheid van talrijke competente getuigen vier
personen met het bloed van secundaire syphilislijders inentte,
welke inenting na 52 dagen geenerlei resultaat opleverde, — om
aan te toonen, dat door de inenting, zelfs indien de lymph met
bloed werd vermengd, geen syphilitische infectie mogelrjk was.
Zoo deelt de „Wiener med. Presse" van 16 Maart 1873 een de-
bat mede, dat te Londen over ingeente syphilis gehouden werd,
waarin Dr. Harley verhaalt, dat hij zich een geval herinnerde uit
München, waar men eener 70 jarige vrouw het bloed van een
secundair syphilislijder injicieerde en daardoor eene syphilitische
verzwering veroorzaakte, waardoor dus in tegenstelling metHe-
bra\'s resultaat, bewezen werd, dat deze ziekte door middel van
het bloed overgebracht kon worden. Zoo gaf Dr. Bidard in 1831
-ocr page 12-
10
een artikel in het licht, waarin hü beweert, dat het onmogelijk
is, om de syphilis door middel van de lymph over te brengen,
daar hij meer dan eens van syphüitische kinderen verder Jiad geënt,
zonder eenig gevolg te hebben waargenomen; en dit gevoelen
werd ook door de „Société de médicine" te Parijs gedeeld. Dr.
Sigmund
en Friedinger (Directeur v/h Vondelingenhuis te Wee-
nen) en Dr. Beek te Christiania, namen eveneens proeven (in
ieder geval voor een deel op vondelingen, die toch staan onder
de bescherming van den staat), waaruit zij afleidden, dat het
syphilisgift het koepokgift vernietigt. Daartegenover verklaarde
Montani 1848 te Lyon, dat hij 30 kinderen van een syphilitisch
kind had zien inenten, zonder dat één enkel ziek werd. Dr.
Schreier
daarentegen entte in 1850 2 kinderen, die in hoogen
graad aan syphilis leden, met goed gevolg en bracht van dezen
de lymph op meerdere kinderen over, wier moeders men door
geschenken en beioften had weten te winnen
zonder dat één en-
kel werd besmet. — Ook Dr. Sperino en Baume namen in Janu-
ari 1853 weder proeven met geheel andere resultaten, dan die,
waartoe Sigmund en Friedinger waren gekomen. Met een lymph,
die met Syphüisetter was vermengd entten zig zeven vrouwen in,
zoodat zich een uitslag ontwikkelde, die later in syphüitische
zweeren overging.
Wanneer men nu bedenkt, dat de syphilis vol
gens het oordeel van bijna alle doctoren een gevaarlijke, bijna
ongeneeslijke ziekte is, die dikwijls een levenslange ziekte na
zich sleept, en, zooals men beweert van kind op kindskinderen
overerft, dan zien wij, tot welk een gewetenloosheid vele physi-
logen door hunne onderzoekingsmanie zich laten brengen, en
hoe vele arme patiënten jaarlijks aan dezen misdadigen hartstocht
ten offer worden gebracht, waarvan de resultaten elkaar weêr-
spreken, terwijl elke tegenstrijdigheid tot steeds nieuwe expe-
rimenten leidt. — Zoo deelen, om nog iets te noemen, ook ge-
neeskundige tijdschriften in Duitschland mede, dat zekere Dr.
Block,
arts te Danzig, met goed gevolg de resectie der longen
op honden toegepast had. Den lOen Sept. 1882 beproefde hrj nu
-ocr page 13-
11
diezelfde operatie op een 14 jarig meisje, Marie Hasert genaamd,
te Neufahrwasser. Het arme kind overleefde echter de vivisec-
tische kunstbewerking niet, en bij de lijkopening bleek, dat de
longen in \'t geheel nief aangetast waren. — De proeven op die-
ren bleken hier dus duidelijk geen vertrouwen te verdienen. —
Bedoelde geneesheer waagde de operatie, niettegenstaande zijne
ambtgenooten het hem ontraadden, „om zich een wetenschappe-
lijken naam te verwerven." — Voorts klapt Prof. Cyon, groot
vivisector, onvoorzichtig genoeg, uit de school, waar hij (Androc-
lus 1879, pag. 18) zegt: „Menige chirurgische operatie wordt min-
der tot heil van den patiënt, dan wel ten nutte der wetenschap
verricht."
— Zoo richt ook Prof. Le Fort te Parijs openlijk tegen
velen zijner ambtgenooten het verwijt, dat zij een groote menigte
moeielijke operaties alleen verrichten, om zich een naam te maken
— of ook dikwijls uit pure lust tot opereeren, zelfs indien er in
\'t geheel geen operatie noodig is.
— Hoe men menigmaal met
de patiënten omspringt, moge ook blijken uit hetgeen Emil Knodt
in zijn: „Die Vivisektion vor dem Forum der Logik und der
moral", (pag. 9) meedeelt, ,,hoe hem eens een stervende in een
armenziekenhuis den nood klaagde, dat men op hem als „candi-
datus mortis" allerlei experimenten verrichtte."
— Hoe hoog tijd
het wordt, dat aan de bandeloosheid der vivisectie paal en perk
worde gesteld, moge voorts blijken uit zeker artikel, voorkomende
in de Wiener Med. Zeitung, no. 51, 1882, waarin de wensch
wordt uitgesproken, om te Budapest voor de Proff. der patho-
logie en pharmacologie eigene kleine klinieken op te richten,
ten einde daar op patiënten proeven te nemen----Commentaar
overbodig. — Mocht iemand deze lijst nog verder willen aan-
vullen, wij verwijzen hem dan o.a. naar het Engelsche werk:
„Auti-Vivisection Evidences, a collection of Authentic Statements
bij Competent witnesses etc. bij B. Bryan pag. 107—117, waar
tal van experimenten worden genoemd. Uit dit een en ander
blijkt dus zonneklaar, dat de latere vivisectoren, zooals B. be-
"■weerd, geenszins alleen dieren, maar wel degelijk ook menschen
-ocr page 14-
12
voor hunne vivisecties hebben gebruikt. — Dat is trouwens van
heeren Vivisectoren ook zeer consequent; waar hun de weten-
schap het hoogste is, en zij meenen, aan geen zedewet meer
gebonden te zijn, daar behoeven zij op hun standpunt, ook voor
geen enkel middel, hoe laag ook, terug te deinzen, zoo he
slechts strekken kan tot bereiking van hun doel; geen wonder
dat men dus ook de leer, dat het doel de middelen heiligt, con-
sequent doorvoert.
Ofschoon leeken in de physiologie, hebben wij gemeend, een
nuttig werk te doen, door deze feiten te vermelden, die immers
door erkende deskundigen opzettelijk aangevoerd zijn, opdat het
leeken-publiek er kennis van nemen en er uit zelfbehoud en
menschelijkheid, een spoedig einde aan maken zou. Maar de
heer Beerends keurt dit af, en ontzegt den heer Koloman Kaiser
het recht, zich in de zaak te mengen, daar deze als leek een
menigte uitspraken van beroemde deskundigen over vivisectie
verzameld en in het licht gegeven heeft.
Wat doet echter de heer B? Eenige regelen verder rekent hij
zich zelven tot de leeken. Immers hij zegt: „wrj willen als
oningewijden....." Indien nu de heer K. K. als leek het
recht niet heeft, in deze zaak mede te spreken, waaraan ont-
leent de heer B. dan het recht, om openlijk over de vivisectie
een oordeel te vellen, daar hij, oningewijde, zich zelf daartoe
onbevoegd verklaart? Maar de heer B. ziet geheel voorbij, dat
de vivisectievraag niet alleen een wetenschappelijke, maar ook
een zedelijke zijde heeft, — en men geen medicus, nochphysio-
loog behoeft te zijn, om uit humanitair en zedelijk oogpunt in
deze een oordeel te vellen. — Valt niet elke handeling, om het
even, met wat doel zij geschiedt binnen het bereik der zedewet,
en moet zij daaraan niet worden getoetst? Wat spreekt men
dan van onbevoegdheid aan de zijde der leeken, waar elke <?aad
us oo k de vivisectie, door de zedewet geoordeeld wordt! Ieder
weldenkende heeft niet alleen het recht, maar is als zedehjk
individu zelfs verplicht, om tegen den gruwel der vivisectie te ge»
-ocr page 15-
13
tuigen; meent echter de heer B., hem nochtans dat recht Ie
moeten ontzeggen, — waarom zich dan zelf in de zaak gemengd?
Het ware immers al te dwaas, om op zedelijk gebied van onbe-
voegdheid te spreken, tenzij dan daar, waar de mensch alle
zedelijke grenzen uitgewischt heeft. Wie zich aan dit laatste
schuldig maakt — die blaam zou de heer B. toch niet gaarne op
het\' leeken-publiek willen werpen — die mist alle bevoegdheid,
om zijne stem uit te brengen. Bleven de voorstanders der vivi-
sectie binnen de grenzen der zedelijkheid, namen zij slechts nu
en dan de een of andere onschuldige proef op een levend dier,
niemand zou er aan denken, om hen aan te klagen. De verregaande
gewetenloosheid en gevoelloosheid echter, waarmede de dieren aan
de meest geraffineerde folteringen onderworpen worden, gru-
welen, die den mensch tot een voorwerp van afgrijzenVmaken,
dringen ons tot spreken en doen ons trillen van verontwaardiging,
al weet men er ook de schoonste voorwendsels voor te vinden
en zich weldoeners der menschheid te noemen. Geen doel hei-
ligt ooit de middelen. Waar dus algemeen tegen die gruwelen
wordt getuigd, daar zijn het de vivisectoren zelve, die door hun
experimenteel beulswerk tot dien strijd noodzaken. — En blijft
men ons voortdurend en als uit één mond toeroepen: „Gij zijt
keken en geen deskundigen; alken\'wij, mannen van liet vak, kun-
nen oordeelen over de waarde der vivisectie!"
— wjj groepen hun
met Ernst von Weber toe: „En Gij zijt bepaaldelijk keken, en
geen deskundigen op [het gebied van zedelijkheid, van het goede
en van de menschelijkheid en moogt daarom in quaesties van zede-
lijkheid, waartoe ook de vivisectie zeer zeker behoort, niet mede-
spreken.
— Wilt Gij de openbare meening blijven trotseeren, die
zonder voorbehoud de wreedheid, onverschillig in welke gedaante
zij zich vertoont, veroordeelt, dan zal eenmaal de Staat als ver-
tegenwoordiger der zedewet, u noodzaken uwe opinie aan de open-
bare meening te onderwerpen en uwe willekeur beperken;. want
de overtuiging staat vast, dat [het zedelijk gevoel van] het meeren-
deel der beschaafde menigte hooger staat, dan de overgeleverde
-ocr page 16-
14
privilegiën van enkelen, hoe hoog ook geplaatst, en dat aan de
menschelijkheid eene beslissende stem toekomt tegnover de aan-
matigingen en de roekelooze manie der vivisectoren." — v Verleent
het diploma van physioloog, zegt Dr. A. Kingsford
in „Onweten-
schappelijke Wetenschap" pag. 52 „hem ook het recht, alseenige
scheidsrechter op te- treden op het gebied der moraliteit? Het is
niet —
zooals de vivisectoren beweren, dat het publiek getoond
heeft, niet in ttaat te zijn, om te beoordeelen, wat voor de weten-
schap noodzakelijk is, maar veel meer, dat de mannen der weten-
schap getoond hebben, onbekwaam te zijn, om de verplichtingen te
begrijpen, die de zedewet aan iedereen oplegt. - Maar het is ge-
lukkig voor de menschheid, dat de sclieidsrechters over het natio-
naai geweten niet zijn de geestelijken, noch de physiologen, maar
het volk.-"
„Mochten alle mannen, die zich aan het beroep der heelkunde
wijden, waarvan het doel is, het lijden te verzachten, de vivisec-
tie openlijk veroordeelen ; want deze is in staat het gansche vak
te verlagen en ten slotte in de beoefenaars der wetenschap al
de gevoelens te dooden, welke alleen het vertrouwen van het
publiek verdienen, en waarvan het gemis meer dan iets anders
te vreezen is."
Deze uitspraak, door B. aangevoerd en beoordeeld, die in allen
deele waarheid bevat en ongetwijfeld niet door dierenbeschermers
alleen, zooals B. zegt, maar ook door eiken weldenkende beaamd
zal worden, is een woord van Dr. Samuel Johnson en heeft als
zoodanig ongetwrjfeld gezag. Zooals dit woord echter door B.
wordt geciteerd heeft het den schijn, alsof het van een dieren -
beschermer afkomstig ware en als zoodanig weinig gezag zou
hebben. Wat een dierenbeschermer zegt, is reeds a prioii eo
ipso
af te keuren! Om dien schijn weg te nemen, zij hier ver-
meld, dat een deskundige alzoo sprak. Of Dr. S. J. een dieren-
beschernaer was, weet ik niet en doet hier ook niet ter zake.
Volgens hem verlaagt de vivisectie dus het vak; en deze ge-
tuigenis van een achtbaar deskundige wordt beaamd door ieder
-ocr page 17-
15
zedelijk gevoelend en weldenkend mensen. Maar zoo roept B.
verder uit:
„Is de vivisectie dan geen onmisbare factor, niet iets essen-
tieels in de physiologie? Deze vraag, die blijkbaar dienen moet
om het votum van Dr. J. te weerleggen, klinkt al heel vreemd
in den mond van een leek.
Hoe ter wereld zal hij als oningewijde uitmaken, Df de vivi-
sectie voor de wetenschap onmisbaar is of niet. Dat vermag geen
arts, geen med. doctor en nog veel i.inder een leek te beslissen,
maar kan alleen door physiologen uitgemaakt worden. — Gaarne
geven wy den heer B. toe, dat de leer van het normale de stu-
die van het abnormale vooraf moet gaan. Maar deze stelling is
al heel ongelukkig gekozen om de vivisectie te verdedigen. „De
vivisectie ontleedt de dieren," zegt Dr. Kingsford (loco cit.) pag.
22 „niet om hunne organen en levensverrichtingen te bestudeeren,
maar die van menschen. En wat de hoofdzaak is
- een hoogst,
opmerkelijke en belangrijke eigenaardigheid der vivisectie die haar
geheel en al van elke andere wetenschappelijke studie onderscheidt
— het levende dier is geen uurwerk ivaaruit men willekeurig het
raderwerk verwijderen, de hoofdveer veranderen, de schroeven los-
draaien, en dan alles weer in elkander zetten kan. Elk orgaan,
iedere fijnste zenuwdraad van het levend lichaam bezit een eigen-
aardige functie en de geringste storing of verminking van het
zenuwstelsel, dat alle verrichtingen van het lichaam bestuurt en
beheerscht, sleept gevolgen na zich, die men onmogelijk voorzien
noch beletten kan. Hieruit volgt, dat men geen lichaamsdeel ver-
wonden of uitsnijden kan, zonder dat daardoor evenzeer andere
deelen of organen, middelijk of onmiddellijk aangedaan tcorden
voornamelijk de ruggemergzenuwen en de zenuwknoopen van het
sympathisch stelsel, en zonder dat daardoor verschijnselen ontstaan
waarover men alleen een oordeel kan vellen, indien men de oor-
zaak — de plaatselijke verwonding — daarbij in aanmerking
neemt. Wanneer de vivisector een of ander orgaan, een klier etc.
uit het lichaam verwijderen wil, is hij bovendien genoodzaakt, de
-ocr page 18-
16
weefsels, die het bedekken, te verwoesten; hij moet van de opper-
vlakte uitgaande, alle spieren, bloedvaten en andere weefsels, die
hem beletten de plaats te bereiken, waar hij zijn wil, kwetsen;
het onvermijdelijk gevolg hiervan is, dat talrijke weefselelementen,
waardoor het orgaan met andere samenhangt, vernietigd worden,
zonder dat hij zich daarvan eenige rekenschap kan geven. Vandaar
dat de resultaten der vivisectoren elkander steeds weerspreken.
Trouwens, groote deskundigen, o. a. Prof. Goltz, geven dit volmon-
dig toe."
Er is evenwel nog een andere bedenking, die uit wetenschap-
pelijk oogpunt gemaakt kan worden. „Indien het getiviseceerde
dier,
zegt Dr. A. K. pag. 24, niet is bedwelmd, of wanneer het
door een geringe narcotische injectie wel eenigszins verdoofd is,
maar nog het gevoelsvermogen bezit, dan moet bij de verwoestende
en verminkende uitwerking, door zaag en ontleedmes in het
lichaam aangericht, nog de reflexbeweging gevoegd worden van
het door pijn en angst verstoorde en geprikkelde zenuwstelsel. Heeft
men echter, vóór de operatie het curare-gif ingespoten, dan wordt
daardoor deze zenuwverstoring nog op onberekenbare wijze ver-
hoogd. Is het dier daarentegen geheel beivusteloos — ivat slechts
zelden het geval is
— zoo is de toestand der zenuwen, die dan
ontstaat, niet minder abnormaal en hebben wij, in dit geval,
een complicatie te meer, die het nog moeilijker maakt conclu-
sies te trekken uit den zenuwtoestand van het geweldadig ver-
minkte dier. In geen der beide gevallen, bevindt het dier zich
in normalen physiologischen toestand en dus kunnen, volgens
gezonde logica, de door de visisectie verkregen resultaten nim-
mer met natuurlijke en normale levensverschijnselen gelijk ge-
steld worden."
Men ziet dus, hoe onlogisch de vivisectie is. Hoe
zal men ook op een abnormaal geworden dier, let wel! de normale
levensfuncties bij den mensch bestudeeren ? Hoe onzinnig, om
op het lichaam van een vergiftigd en verminkt dier de wetten
van het normale leven te willen leeren kennen?
Wie bestudeert op een ontstemd klavier de harmonieleer en
theorie der muziek? En is bovendien het dierlijk lichaam aan
dat van den mensch gelijk? En die vivisectie van dieren, ge-
-ocr page 19-
17
heel abnormaal als zij is, noemt B. dan de leer van het nor-
malei
Er is echter nog meer tegen de vivisectie in te brengen.
Volgens tal van deskundigen toch verdient zij niet alleen uit
physiologisch oogpunt, maar ook als pathologisch middel van
onderzoek beschouwd, evenmin vertrouwen. — „Zoowel bijmen-
schen als dieren toch,
zegt Dr. A. K. — behalve bij toevallige
ongelukken en uitwendige verwondingen — zijn ziekten een ge-
volg van het ontstaan van ziekelijke toestanden, die zich van het
eerst aangetaste orgaan of weefsel aan de verder liggende mede-
deelen en allengs de levensfuncties belemmeren. Een geweldadige,
door vivisectie, veroorzaakte, uitwendige verwonding is met dit ziekte-
proces natuurlijk geheel in strijd, en kan in geen opzicht daarmee
vergeleken worden. In tegenstelling met dit laatste, werkt de hand
van den virisector van buiten naar binnen en het kwaad, dat hij
sticht, is niet het gevolg van trapsgewijze atropine of van uit zich
zelf ontstaan bederf, met de onafscheidelijk daarmee verbonden
aaneenschakeling van oorzaken en verschijnselen, maar het wordt
plotseling en gewelddadig op mechanische ivijze teweeg gebracht,
zoodat de onmiddelijke en latere gevolgen niet de minste overeen-
komst hebben met den loop der ziekte, die zich in een, in lijdenden
toestand verkeerend organisme onticikkelt. Neemt men dit een en
ander in aanmerking, dan verwondert het ons niet, dat de vivisectie
niet anders dan verwarring en tegenstrijdigheid ten gevolge heeft-
De vivisectie is geen icetenschappelijke methode; geheel haar wezen
is onwetenschappelijk".
De vivisectie komt volgens B. ten nutte der lijdende mensch-
heid. Nog daargelaten, dat deze methode op zich zelf een zede-
lijk ongeoorloofd middel tot onderzoek is, zou ik B. willen vra-
gen, welk nut zij dan tot op heden der menschheid aangebracht
heeft? Men beweert wel, maar bewijst niet.
Het zou te ver voeren, wilden wij hier alle uitspraken citee-
ren, die door deskundigen, ja! door wereldberoemde geneeskun-
digen, tegen het z.g. nut der vivisectie aangevoerd worden. "Wij
verwijzen daarom naar ons geschrift: Het Vivisectie-Vraag-
stuk,
waar pag. 20—24 bedoelde uitspraken legen de vi-
visectie te vinden zijn. Zeer gemakkelijk laat zich die hjst
met nog tal van andere deskundige uitpraken vermeerderen.
-ocr page 20-
18
Eén deskundige van naam echter Prof. Lawson Tait vinde hier
vermelding. Eenigen tijd geleden toch deelden de nieuwsbladen
o.a. de N. Rott, Courant van 15 October 1892, ons mede, dat deze
met roem bekende chirurg den vivisectionisten zijn handschoen
voor de voeten wierp door in een schrijven aan de Times te ver-
klaren, dat de „vage beweringen omtrent groote medische ont-
dekkingen langs den weg van experimentatie op levende dieren
bij onderzoek bevonden zijn, „geheel van historischen grondslag
ontbloot te zijn." Ja, hij gaat zelfs nog verder. Hij richt tot
eenigen zijner aanzienlijkste collega\'s, Sir James Paget, Sir Ge-
orge Humprij, Sir Andrew Clark
en Dr. Samuel Wilks de for-
meele uitdaging om; met een enkel voorbeeld ir hunne eigen
werken aan te toonen, waar zij de bedoelde methode van onder-
zoek met voordeel toegepast hebben." Maar zijne tegenstanders
hebben geen kans gezien, eenig nut aan te toonen. Zrj zijn hem
dus het antwoord schuldig gebleven, en hebben daarmee in den
vollen zin des woords een testimonium paupertatis gegeven. —
Wat spreekt men dan nog van zoo en zooveel eminente ont-
dekkingen, die wij der vivisectie te danken zouden hebben, en tracht
men die gruwelmethode nog staande te houden ? — Het zal
den voorstanders der vivisectie niet gemakkelijk vallen, het leeken-
publiek omtrent haar nut nog langer te misleiden, want het heeft
thans achter de schermen gezien. Dat toch door de uitdaging van
Prof. Lawson Tait, en vooral door het zwijgen zijner collega\'s
aan de vivisectie een gevoelige slag is toegebracht, zal noch
leek noch deskundige ontkennen. — Het beroep toch op haar
voorgewend nut, was tot op heden nog de eenige grond, waarop men
deze methode verdedigde ; voor de rechtbank der zedelijkheid on-
voorwaardelijk veroordeeld, loopt zij groot gevaar nu ook voor de
rechtbank der wetenschap veroordeeld te worden, ja is reeds als
zoodanig veroordeeld.
„De vivisectie, zoo gaat B. voort, heeft geen zelfzuchtigen
grondslag, maar komt ten nutte van de lijdende menschheid"
Maar het is nu juist die bewering, die door verscheidene vivi-
sectoren versmaad en door een hunner, die zich als woordvoer-
der voor allen opwerpt, zelf lijnrecht tegengesproken wordt. Prof.
Dr. Hermann zegt in zijn geschrift „Die Vivisektionsfrage" 1877,
-ocr page 21-
19
bl. 16: „De bevordering der wetenschap, en niet het praktisch nut
voor de geneeskunde is het waar en oprecht doel van alle vivisectie.
Geen waar onderzoeker denkt er bij zijn onderzoek aan, om zijne
loaarnemingen voor de praktijk te benuttigen, bovendien kan juist
in het prijsgeven der dierenwereld eenig en alleen met het doel,
om menschelijk lijden te verzachten iets onedels en egoïstisch ge:
vonden worden!"
Zoo spreekt een vi visector uit velen, en nu moge B. beweren: „maar
juist door de wetenschap te verrijken, zal men te meer in staat
zn\'n de menschheid te helpen," — wij antwoorden hem, dat het
allereerst de vraag is, of de wetenschap er werkelijk door wordt
verrijkt, voorts dat diagnose en therapie twee zyn, en het
juist op deze laatste aankomt. Geen enkele krankheid toch
heeft de vivisectie tot nog toe kunnen genezen. "Wat baten ons
de vele „vage beweiingen" gelijk Lawson Tait ze noemt, aan-
gaande het nut der vivisectie, indien in weerwil van de voor-
gewende buitengewone ontwikkeling der physiologie in de laatste
jaren en in weerwil van de vermenigvuldigde, kostbaar inge-
richte laboratoria, de resultaten zoo arm zijn, dat men tot op
heden geen enkele ziekte, die voor 50 jaren ongeneeslijk was,
genezen kan ?
Als voorbeeld moge één ziektegeval dienen, waarbij de beroemd-
ste deskundigen uit verschillende landen te hulp werden geroepen,
om te toonen, wat de wetenschap vermag; wij bedoelen de
ziektegeschiedenis van Keizer Frederik van Duitschland. Wrj
zien den hoogen lijder door een menigte geleerden omringd, ge-
kweekt in de school der vivisectie, die het voortdurend in weer-
wil van alle hulpmiddelen der wetenschap, met name der „vi-
visectie", oneens zijn, waarin de kwaal eigenlijk bestaat! Men is het
oneens omtrent de diagnose, beschuldigt elkaar van onwetendheid
en onhandigheid, en roept ten einde raad den bijstand van nieuwe
collega\'s in, daar men kennelijk zijn eigene wetenschap niet
vertrouwt. Men is niet alleen met betrekking tot de kanker
in het duister, maar roept zelfs de hulp in van Prof. Kuszmaul
te Straatsburg, ten einde te constateeren, of de kwaal de longen
reeds aangetast had; (de wetenschap der daar tegenwoordige ge-
neeskundigen toch strekte zich alleen tot het strottenhoofd uit,
-ocr page 22-
20
men had dus een specialiteit noodig met betrekking tot de patho-
logie der longen! En toch was het resultaat dezer eindelooze
onderzoekingen, consultaties en operaties een voortdurend mar-
telaarschap en een pijnlijk einde.
Maar wat is het overigens voor een redeneering dat het nut,
al kon het ook aangetoond worden, de onzedelijkheid zou op-
heffen, die aan de vivisectie kleeft Indien iets dus nut aan-
brengt, dan is elk zedelijk slecht middel geoorloofd. Ziet
de heer B. kans de vivisectie op dien grond te rechtvaardigen
dan zie ik kans om met hetzelfde rec\'it moord, meineed, ja
wat niet al, te verontschuldigen. Menigmaal kan ons eene leugen,
soms ook een meineed uit hachelijke omstandigheden redden; gesteld,
een huisvader is wegens een of andere misdaad voor de recht-
bank gedaagd; onder eede wordt hem afgevraagd, of hij aan
het hem ten laste gelegde schuldig is? Hij weet zichzelven
schuldig, terwijl de verzorging van zijn talrijk gezin hem zwaar
op het harte weegt. Zegt hij de waarheid, dan volgt gevange-
nisstraf, die zwaar op de zijnen drukken zal; het is hem onmogelijk
zijn gezin over te geven aan armoede en gebrek; met het goede doel
voor oogen, om de zijnen te redden, maar ook om rechtvaardige straf
te ontgaan, besluit hij tot meineed. Hrj behoeft er zich op het
standpunt der vivisectoren geen gewetensbezwaar van te maken;
want hij heeft een goed doel voor oogen, en tot bereiking daar-
van is immers elk middel geoorloofd! De heer B. duide ons deze con-
clusie niet ten kwade; zijne eigen redeneering leidt er toe; of meent
hü, dat zucht naar vermeerdering van kennis op zich zelve reeds vol-
doende is, om alle mogelijke wreedheid te rechtvaardigen? Ont-
kent hij het feit, dat de zedeleer grenzen stelt aan alle onderzoek
op intellectueel gebied en dat het streven naar kennis op de
wetten der rechtvaardigheid en menschelijkheid geen inbreuk
mag maken ? Zoo werden b. v. in vroeger tijden menschenlevens
opgeofferd aan de belangen der kunst. Manr kunnen dergelijke
handelingen verontschuldigd worden door het voordeel, dat de
kunst daaruit trok, en geldt dit niet ook ten volle van de vivisectie ?
Een vak, onverschillig welk het zijn moge, dat zich van on-
zedelijke middelen bedient, verlaagt zich zelf. Men ziet dus hoe
men op deze wijze elke misdaad rechtvaardigen kan. —
-ocr page 23-
21
Na het eerste deel der uitspraak van Dr. S. W. wel besproken
maar niet weerlegd te hebben, gaat B. over tot de bespreking
van het tweede deel dier uitspraak, waarin de schrijver zegt:
„de vivisectie zal in de beoefenaars der ivetenschap al de gevoelens
dooden, welke alleen het vertrouwen van het publiek verdienen,
en waarvan het gemis meer dan iets anders te vreezen is!"
De Heer B. vraagt of dit insinueeren (?) dient, om den ge-
neesheeren het vertrouwen te ontzeggen, of minstens bij het
publiek in verdenking te brengen, omdat ze de vivisectie onont-
beerlijk voor hunne studie achten ? Mogen wij den tegenstander
allereerst wijzen op eene verkeerde gevolgtrekking, die hij maakt?
In de uitspraak toch, die hij bespreekt, wordt gesproken van
beoefenaars der wetenschap, en niet van geneesheeren, zooals
hij doet voorkomen. „Geneesheeren" en „beoefenaars der weten-
schap", zijn toch geen woorden van dezelfde beteekenis. "Wij
voeren den strijd niet tegen praktische artsen, maar „tegen de
beoefenaars der wetenschap, tegen mannen van het vak, die
hunne liefhebberij in de vivisectie onomwonden toonen, en hunne
schandelijke daden bemantelen door een voorgewend nut. Zijn
lynchjustitie en jurisprodentie, zijn Theologie en middeneeuwsche
Inquisitie dan ook woorden van dezelfde beteekenis?
Vele Nederlandsche artsen zouden op het epitheton ornans
van wetenschappelijk dierenmartelaar om hunne eer en po-
sitie, al bitter weinig gesteld zijn. — Geneesheeren hebben
dus geen vivisectie voor hunne studie noodig, dat zijn alleen
physiologen, die meer voor de wetenschap, dan voor de praktijk
leven. Bedoelde uitdrukking van Dr. S. W., die bovendien aan op-
rechtheid niets te wenschen overlaat, dient dus niet om te „in-
sinueeren, zooals B. meent, maar om den verderfelijken invloed
aan te wijzen, dien de praktijk der vivisectie uitoefent op „de
beoefenaars der wetenschap, en van deze op hunne leerlingen
overgaat." \'t Spreekt wel van zelf, dat hoogleeraren, die hunne
leerlingen in het martelen van dieren en het uitroeien van het
zedelijk en menschelu\'k gevoel voorgaan, niet anders dan aller-
schadelykst op hen kunnen werken. Qualis rex, talix grex.
„Er waren misschien toreede en ruwe physiologen," zegt B. ver-
der. Dat woordje „misschien" is hier al zeer naïf. De heer B.
-ocr page 24-
22
schijnt niet heel veel over vivisectie gelezen te hebben, en dus ook
tamelijk slecht met hare geschiedenis bekend te zijn, anders zou hy
beter weten. Had hij de moeite genomen, eens door te loopen
hetgeen in „Het Vivisectievraagstuk" pag. 11—16 te lezen staat,
of ook „de Folterkamers der Wetenschap" slechts vluchtig inge-
zien, zijne haren waren te berge gerezen bij zulke wreedheden,
als daar meegedeeld worden. — Neen, er zijn niet misschien,
maar zeer zeker „vele" wreede en ruwe physiologen geweest ec
zij zijn er nog. Mocht B. na de Folterkamers der Wetenschap
doorgelezen te hebben dan nog van misschien durven spreken, hy
houde het ons ten goede, dan ware hij moeilijk van zelfverblinding
en grove partijdigheid vrij te pleiten. En vraagt hij voorts naar
bewijzen, dat de vivisectie hare beoefenaars ruw en wreed maakt,
wij wijzen hem allereerst op de frivole wy\'ze, waarop vele vivi-
sectoren met een soort van humor hunne wreede experimenten
plegen te schilderen.
Ja, waarlijk, hier aan dé martelbank is de humor op zvjn
plaats! Ten bewijze hiervoor wijzen wij op de physiologen
Munck te Berlijn en Goltz te Strassburg.
De lezer oordeele zelt. Zoo noemt de eerste de vreemde be-
wegingen van een kleinen aap, dien hij niet minder dan de her-
senpan had verbrijzeld een.... hetooverend schouwspel! terwy\'1
de laatste aangaande honden, die hij afschuwelijk verminkt had,
schrijft: „Zij nemen de belachelijkste houdingen aan!" en van
nog twee andere dieren, die ten gevolge van de verwoesting der
hersens hunne geestvermogens verloren hadden, letterlijk het
volgende zegt: „Zij maakten door hun onbeholpen bewegingen
den indruk van hansworsten
! Moet men niet zedelijk zeer diep ge-
zonken zijn, om met gemartelde dieren die zich winden van de prjn
nog den spot te drijven en zich niet-te schamen, om dergelijke uit-
drukkingenneer te schrijven? Voorts wijzen wij op zekeren Man-
tegazza,
Hoogl. te Florence, die zich tot taak stelde, den dieren de
grootst mogelijke pijnen te veroorzaken,orn daarover boeken te schrij-
ven!
Hrj dreef een menigte scherpe spijkers in de pooten van het
dier, op zoodanige wijze, dat het brjna bewegingloos wordt ge-
-ocr page 25-
23
maakt, op dat het met elke beweging de foltering des te heviger
zou gevoelen. Om nog heviger pijn (dolore intenso) te veroorza-
zaken, zegt hij verder in zijn: Del Azione del dolore sulle Respi-
raziona
(over de werking der pu\'n op de] ademhaling) was hij
verplicht verwondingen aan te brengen, die ontsteking ten ge-
volge hadden. Een vernuftig uitgedacht werktuig stelde hem in
staat, om elk lichaamsdeel van het dier met een tang van ijzeren
tanden voorzien, te grijpen, en het slachtoffer hevig te drukken,
vaneen te scheuren en op te lichten, ten einde op alle mogelrjke
wijze pijn te veroorzaken. „De eerste reeks van een mijner proeven,
zegt hij, werden op 12 dieren, voornamelijk konijnen en marmotten
verricht, waarvan eenige jongen moesten werpen."
Een arm diertje
moest dolori actrocissimi (allergruwzaamste smarten) verduren,
zoodat het ten gevolge zijner stuiptrekkingen onmogelijk was
om eenige waarnemingen te doen. In de tweede reeks van proe-
ven werden 28 dieren aan diezelfde behandeling onderworpen,
waarvan eenige, van hunne jongen weggenomen, één of twee
uren gemarteld en na een uur van rust, wederom in het werktuig
geplaatst werden, om door den hoogleeraar telkens voor 2 of 6 uren
verder hevig gekneusd of van elkaar gescheurd te worden. In de
tabel, waarin deze proeven vermeld zijn, worden de benamingen
„molto dolore11 en „crudeli dolore" (veel pijn en felle pijn) nauw-
keurig onderscheiden, zijnde de tweede waarschijnlijk bestemd voor
die gevallen waarin de slachtoffers, zooals de hoogleeraar het
noemt, „lardellati di chiodi" (met spijkers gelardeerd) waren.
„Deze experimenten", zegt hij zelf, heb ik met... groot genoegen
en veel geduld een jaar lang voortgezet!"
— Waarlijk te vergeefs
zoeken wij naar woorden, om dezen experimentator, die bepaald
„liefhebberij" in zijn vak toont te hebben, te qualificeeren,
en kunnen geen betere vinden, dan de zooeven aangehaalde,
waarin hij zijn eigen vonnis velt! — Ja, de heeren vivisecto-
ren houden er zelfs een soort van vivisectiesport op na. Zoo heeft
men een toestel uitgevonden, dat door gaskracht gedreven, 2 a
300 maal per minuut rondgedraaid kan worden. Honden, kony-
nen, marmotten etc. worden op dit toestel vastgebonden, de
pooten uitgestrekt, waarop zij 2 a 300 maal in de minuut
worden rondgedraaid, terwijl deze cirkelbeweging met een tus-
-ocr page 26-
24
schenpoos van ééne minuut drie of vier keer wordt herhaald.
Zoo maakt men voorts een levenden hond geheel en al stijf,
zoodat men hem bij Den der achterpooten, als een stuk hout
omhoog kan houden! — Zoo trachtte men kunstmatige Sia-
meesche tweelingen te construeeren, door 2 dieren aan elkaar te
laten groeien. Zoo — doch genoeg; het is niet mogelijk in dit
kort bestek al de gruwelen te noemen, die louter uit lief-
hebberij en verregaande lichtzinnigheid worden gepleegd. —
Waarlijk, wel een bewijs, hoe het dagelijks plegen van wn»> d-
heden den mensen al meer en meer verhardt, tot hij ten slotte
„liefhebberij" in het dierenmartelen krijgt.—
Hoe verstompt en ongevoelig de vivisectoren zijn tegenover
het lijden van levende schepselen, moge verder blijken uit hetgeen
ooggetuigen van vivisecties meedeelden, met welk behagen en
vermaak men zich in de martelingen van onschuldige slachtoffers
verlustigde, terwijl de leerlingen, in navolging van hunne leer-
meesters, langzamerhand aan die gruwelen gewend en al meer
en meer verhard werden.
Voorts houdt B.\'s beroep op Albrecht von Haller geen steek.
Immers: hoe weet B., dat deze geleerde door zijne vivisectie
niet wreeder zou zijn geworden? — Maar weet B. dan niet
of houdt hij zich zoo, dat Haller op lateren leeftijd den vloek
heeft uitgesproken over zijne vivisecties en volgens zijn eigen
woorden door de gedachte aan de vele doodgemartelde dieren,
evenals Prof. Pirogoff, zwaarmoedig is geworden ? Waar hij vervol-
gens verder Donders, Harting en andere physiologen „zacht van
aard" noemt, daar houdt alles op. Wat men van die „zachtheid van
aard" der vivisectoren heeft te denken, weet ieder, die de Labo-
ratoria inwendig heeft gezien of zich door lezing van een en
ander er van op de hoogte heeft gesteld. Die „zachtheid van
aard" komt in zonderheid uit, waar men die zachtmoedige
heeren dieren levend martelen, braden of koken ziet!!
Neen, de daden der vivisectoren spreken luider d*n het ge-
tuigenis door B. gegeven. Niemand hecht dan ook geloof aan
"dergelijke absurditeit, noch aan een dergelijke betuiging van
-ocr page 27-
25
medelijden van den kant der vivisectoren. Wie zulke wreede
experimenten, zooals B. er op pag. 19 een paar citeert, in koelen
bloede verrichten en met onbeschroomde openhartigheid mede
deelen kan, die moge wanen dat zulks het gemoed niet bederft,
wij zien er een bewijs in, hoezeer door den verhardenden invloed
der vivisectie het zedelijk gevoel vervalscht en de standaard der
menschelijkheid gedaald is.
„Bij een ander onderzoek van Donders," over de innervatie
van het hart in verband met die dei ademhaling „Derde reeks
I Deel 1872, werd o. a. de borstkas van een hond geopend,
het hartezakje verwijderd en een luchtkussen op het hart ge-
plaatst." — „Bij een onderzoek over den steun der oogen bij
bloedsaandrang werd een hond de oogspieren doorgesneden en
de oogleden verwijderd, zonder narcose of curare vergiftiging." -
Zulks met goedkeuring te kunnen vermelden, is weleen bewijs
dat het oordeel ziek is.
En wij moeten onzen afschuw des te sterker uitspreken, omdat
de wreedheid die evenals alle onzedelijkheid uit den aard der
zaak, geen onderwerp van discussie mag zijn, maar on voor waarde-
lrjk door het geweten moet veroordeeld worden, stelselmatig
uitgeoefend en — o gruwel! - nog met de wapenen van redeneer-
en zedekunde verdedigd wordt.
Dat de hoogleeraren Donders en Harting door hun geniale
werken de wetenschap zeer aanzienlijk bevorderd en den roem
des vaderlands grootelijks verhoogd hebben, dat de eerste als
oogheelkundige zich den onschatbaren weldoener van een groote
menigte van ooglijders en dus een oprecht menschenvriend heeft
betoond, dat de laatste voor groote menschelijke belangen vurig
heeft geijverd, wordt door ons ten volle erkend. Toch blijft de
wreede vivisectie een tegenstrijdigheid en wanklank in hun
streven en blijft het een open vraag wat de oogheelkunde zon-
der de vivisectie zou vermogen. Neen! geen open vraag! Reeds
weten wij door hoogst belangrijke gegevens, wat zij aireede
gewrocht heeft en kunnen op goede gronden voorzien wat zij
bh\' verdere ontwikkeling zal vermogen; maar dit onderwerp vor-
dert een afzonderlijke behandeling. Als wij daarvoor tijd en
ruimte zullen gevonden hebben, hopen wij het bewijs te leveren,
-ocr page 28-
26
dat door het vooi beeld van Donders de onmisbaarheid der vivi-
sectie op het gebied der oogheelkunde geenszins is bewezen, het-
geen te noodiger is, omdat juist op het gebiei der oogheelkunde
door de vivisectoren voortdurend gruwelen worden gepleegd, die
den recht geaarden mensen ziek maken van walging. Daarmee
moest een geleerde, die zijn menschenwaarde gevoelt geen ge-
meenschap willen hebben, en een louter karakter kan dat ook
niet willen. Dan zal het ook blijken, hoevele ooglijders de slacht-
ofïers geworden zijn van de Academische, op vivisectie gegronde
methode. En dat Donders en Harting vivisectoren en mensehen-
vrienden waren, doet niets af van het feit dat een menigte van
vivisectoren, als praktische artsen en chirurgen hun ongeluk-
kige patiënten aan hun onmenschelijke proefnemingen zooals
wij boven met feiten aantoonden, opgeofferd hebben.
Het kan niet anders of de vivisectoren moeten ten gevolge
der dagelijks wederkeerende bloedige oefeningen aan de martel-
bank, alle zedelijk gevoel van recht en onrecht, in zoover dit
hunne handelwijze jegens de dieren betreft, verliezen; zij zijn
daarom ook op zedelijk gebied geheel en al ontoerekenbaar geworden.
Zoo is het ook te verklaren, dat men medelijden met de die-
ren, die in de folterkamers doodgemarteld worden, zeer karak-
teristiek „weekelijke overgevoeligheid" noemt.
En zou die gevoelloosheid der vivisectoren, zich alleen tegen-
over het dier, en niet ook tegenover den mensch openbaren ?
„Niemand kan zoo dom wezen," zegt Dr. Beich, om te gelooven,
dat een proefnemer, die des voormiddags de huid van hondenmet
terpentijnolie bestreek, die in brand stak en op het rampzalig
wezen, dat onder de folterendste pijnen verbrandde, zijne studiën
maakte, dat een mensch met zulk een hart des namiddags zijne
medemenschen nauwgezet en vol naastenliefde behandelen zal, In-
tegendeel is het in
99 van de 100 gevallen zeker, dat deze behan-
deling slechts eene aaneenschakeling van proefnemingen wezen zal,
dje ten slotte den patiënt op, de snijtafel der pathologische ana-
tomie zullen brengen."
Stelt niet Prof. Zöllner te JLeipzig de
voorstanders der vivisectie grootendeels verantwoordelijk voor
het godsdienstige en zedelijk nihilisme onzer dagen? Zegt niet
Dr. P. Niemeijer: „reeds de eerste in het Laboratorium door ge-
-ocr page 29-
27
brachte leerjaren moeten noodwendig het hart van den jongen
medicus verharden?
Zegt niet een bekend Eng. schrijver, dat
niets zoozeer geschikt is om den in ieder mensch sluimereuden duivel
wakker te maken, dan de vivisectie ?
De zedelijke verwildering en bandeloosheid der geesten in onze
eeuw,
zegt E. v. Weber in zijn bovenvermeld werk, zien wij te
voorschijn treden, niet alleen in de vele moordaanslagen, die er
geschieden, maar ook in het gruwzaam martelen van levende die-
ren, zoo \'t heet ten dienste der wetenschap. Deze oordeelvellingen,
hebben de klaarheid van axioma\'s. Hoe zal een arts, die onver-
schillig een door curare verlamden hond, langzaam uit elkander
kan snijden en zagen, medelijden gevoelen met menschelijke smart ?
Zullen niet die eigenschappen der menschelijke ziel in hem ver-
loren gaan, die den zieke in den geneesheer vertrouwen doen stel-
ten, en welker gemis den kranke meer vrees inboezemen, dan de
ziekte zelve? Zal een dergelijk arts er bezivaar in vinden in den
patiënt slechts een voorwerp voor zijne z. g. wetenschappelijke on-
derzoek te zie n ? Welk leeraar in wijsbegeerte en zedenkunde, in
godsdienst en aesthetica, heeft tot op heden het beginsel gehuldigd
dat het doel de middelen heiligt?"
Zeker het is hard zulke verwijtingen te moeten hooren, voor-
al als zij een bestanddeel worden van de openbare meening en
uit tal van monden gedurig en steeds heviger worden herhaald;
het is meer dan hard, wanneer die ver wij tingen van rechtschapen
artsen en hoogleeraren zelve komen, die de geheimen der prak-
tijk aan het leekenpubliek openbaren, en met hartzeer verhalen,
wat zij als de rampzalige vruchten dezer rampzalige manie heb-
ben leeren kennen. Het is menschonteerend te moeten lezen,
„dat vivisectoren en hun leerlingen bij aanzienlijke patiënten me-
delijden huichelen, maar arme patiënten tot hun slachtoffers ma-
ken/ De feiten echter zijn even onweerlegbaar als de logika. En
hoe tracht B. nu deze beschuldiging te ontzenuwen ? Door een
paralel te trekken tusschen legeraanvoerders en vivisectoren ! —
Welk een vergelijking! Is er grooter verschil denkbaar dan tus-
schen den bevelhebber, die zichzelven moedig aan doodsgevaar
prijs geeft — en den lafhartigen vivisector, die geenerlei gevaar
heeft te vreezen? Tusschen den bevelhebber, die staat tegen-
-ocr page 30-
28
over gewapende manschappen — en den vivisector die met al-
lcrlei marteltuig gewapend, staat tegenover een weerloos dier,
dat zich roeren noch bewegen kan? Tusschen den bevel-
hebber, die met doodsverachting zijn strijdkrachten werpt
op de sterkste macht des vijands, waar in een heldhaftige
worsteling man tegen man mot gelijke kans zijn leven ver-
dedigt — en den vivisector, die met behaaglijke nieuwsgierigheid
zijn „proefdier" seceert en disseceert, dat hij met menschelijke list
en overmacht eerst weerloos heeft gemaakt? — De heer B.
spreekt verder van oorlog in het algemeen zonder onderscheid te
maken tusschen een aanvallenden en verdedigenden oorlog.
Te oordeelen echter naar de namen van Wellington en von Moltke
heeft hij op den defensie oorlog het oog. De oorlog toch van
1815 was, zoowel als die van 1870 een defensie-oorlog, de eerste
tegen de overheersching van Napoleon, de tweede tegenover de
onrustige en dreigende politiek van Frankrijk. — Maar nu wordt
de vergelijking van B. nog vreemder! Is alleen de defensie-
oorlog zedelijk geoorloofd, de offensie-oorlog daarentegen zedelijk
slecht, zoo vragen wij met welken van beide komt de vivisectie
overeen ? Ongetwijfeld toch met laatstgenoemden, want zonder dat
het dier den vivisector eenig kwaad heeft toegevoegd, wordt het
in koelen bloede door hem gemarteld. Neen, door den oorlog worden
niet, zooals B. beweert, alle edele gevoelens bij de bevelhebbers ge-
dood ; want zij zijn overtuigd dat de plicht hen roept en zij hun
naaste betrekkingen, hun vaderland, al wat hun dierbaar is, moeten
verdedigen. - Vandaar ook, dat Wellington en von Moltke edele
mannen waren, die een onafwijsbaren plicht vervulden, waar zij
hun vaderland door den vijand zagen bedreigd. Een trouw be-
velhebber tracht door zijne leiding en voorbeeld te voorkomen,
dat de soldaten onnoodig neergeschoten worden; ieder soldaat
is overtuigd, dat hij schuldig is voor hoogere doeleinden zijn leven
ten offer te brengen. — Niet de bevelhebbers bovendien, de staat en
de dienstplicht voeren den soldaat in het doodelijk gevecht. Maar de
bevelhebbers nemen in vredestijd geen proeven op levende soldaten,
als corpus vile, ten einde geweren en kanonnen te probeeren!
Alleen in dit laatste geval, wanneer de bevelhebbers op hunne
soldaten experimenteerden, ging de vergelijking op, maar zooals
-ocr page 31-
29
hy thans de ge\\allen stelt, bestaat er tussjhen beide niet de
minste overeenkomst. Waar B. voorts den hertog van Alva noemt en
zijne wreedheid laakt, kan zijn oordeel nog aangevuld worden
door de volgende opmerking van Androcles: „De levensbeschrij■
vingen van Sero, Galigula, don Carlos, Alva, KarelIX,Lodewijk
XIII en van vele misdadigers van lagere geboorte getuigen, dat
wreedheid jegens dieren de ware oefenschool is van wreedheid jegens
menschen. (Jaarg
1874 bldz. 141.,)
Waar voorts onze tegenstander de stelling van Androcles tracht
te weerleggen, dat alleen dierenvrienden de waarachtige huma-
niteit in toepassing brengen, daar is hij al even ongelukkig ge-
slaagd. Hij beroept zich achtereenvolgens op Mazarin, Richelieu
en de Markiezin de Pompadour, om aan te toonen, dat men
philotherie zonder philanthropie kan bezitten. Maar wat kunnen
de dwaze anecdoten, die hij van deze personen verhaalt, anders
bewijzen, dan zijn gebrek aan degelijke argumenten? B. is groot-
moedig genoeg, om het vele schoone, dat Androcles bevat, gul
te erkennen, en zijne lezers op te wekken, er zich op te abon-
neeren; maar als hij er zulke curiositeiten uit weet te halen en
er zulke gevolgtrekkingen uit maakt, dan geeft hij immers een
voorstelling, die met den geest en de richting van Androcles in
lijnrechten strijd is. Het opstel: „Beroemde ma,nnen, tevens die-
renvrienden
(Andz. 1878, bl. 185,) waaruit hij heeft geput, bevat
bij merkwaardige bizonderheden, ook enkele curiosa, er zeker
brjgevoegd, om door eenige komische trekken, wat afwisseling
te geven, al erkennen wij, dat de schrijfster in die samenvoe-
ging niet te werk is gegaan met dien gelukkigen takt, die haar
anders onderscheidt. Maar daar op die wijze munt uit te slaan,
en den grooten rijkdom van belangrijke feiten en schoone denk-
beelden en gevoelens, die een rechtgeaard jong man tot geest-
drift moesten ontgloeien en tot navolging verwakkeren, slechts
ter loops te noemen, is niet het werk van een ernstig beoor-
deelaar.
Ten einde echter de uitspraak van Androcles te staven, zij
hier uit velen, slechts op twee personen gewezen, die philan-
thropie en philotherie harmonisch in zich vereenigden. Wij be-
éoelen allereerst Anthony Ashley Cooper, Lord Shaftesbury, die
-ocr page 32-
30
1 October 1891 te Folkestone overleed. Geheel zijn leven was ge
wijd aan de bevordering der belangen van alle zwakke, hulpbe-
hoevende schepselen, voor wie zijn dood een onherstelbaar ver
lies mag heeten Ik sprak met voordacht van schepselen, omdat
zijne sympathie, zijne zorgen, zijne weldaden, zich, zooals het
behoort, evenzeer tot de dieren, als tot de menschen uitstrekten.
Niemand meer dan hij, was overtuigd van het recht der dieren
op bescherming, van goede, humane behandeling, en dit heeft
hij steeds door woord en daad getoond. Hij was de geestver-
want van den edelen Sir Moses Montefiore, en evenals deze, was
hij voor alles de vriend, de weldoener der armen en verdrukten.
— Een z;jner eerste daden op philantropisch gebied gold de ver-
betering van het lot der kinderen, die in de fabrieken arbeiden.
In de fabrieksdistricten onderzocht hij persoonlijk alles, wat
op den toestand der werklieden betrekking had. De zaak bleef
gedurende eenige jaren sluimeren, tot zij in 1838 weer door
hem op het tapijt word gebracht. Op grond van statistische
gegevens bewees hij, dat 55% der in de fabrieken werkende
personen, vrouwen waren, en dat te Manchester, de sterfte be-
ncdon den leeftijd van 3 jaren boven alle beschrijving groot was.
In 1842 diende hij bij het Parlement eene wet in, tot beteuge-
ling van de schandelijke misbruiken in de fabrieken, met dat
gevolg, dat zijn voorstel, slechts weinig geamendeerd, tot wet
werd verheven Door zijn toedoen voornamelijk kwam daarna
eene wet tot stand, de z.g. Ten Hours BUI, die den werktijd in
de fabrieken tot 10 uur per dag beperkte. In 1848 bepleitte hij
in het parlement de belangen der havelooze kinderen, en van
dat oogenblik af, was hij als President van het Bond der have-
looze scholen, de ijverige voorvechter der beweging. Verder
wijzen wij op de z.g. schoenpoetsersgilde (the shoeblack Brigade)
die tijdens de Wereldtentoonstelling van 1851 door zijn toedoen
werd opgericht, en die zulk een vlucht nam, dat de ontvangsten
harer lede» - alle knapen — weldra niet minder dan 12000 pd.
st. in twaalf maanden bedroegen. Verder wijzen wij op eene
andere weldadige stichting het Hervormings- en Toevluchtsbond
(Reformatory and Refuge Union) die ten doel had personen te
huisvesten. Zoo konden wij voortgaan, om nog op andere stich»
-ocr page 33-
31
tingen van zijne hand te wh\'zen, docli genoeg! Zooals wij boven
aanmerkten, Lord Shaftesbury was niet minder goed voor dieren
dan voor menschen, nooit bleef hij achter, waar get gold het
lot der dieren te verbeteren. Hij was Vice-President van de
Koninklijke Vereeniging tot bescherming van Dieren in Engeland.
In zijne jeugd had hij wel eens een haas geschoten, maar al
spoedig zag hij in, dat het dooden van weerlooze dieren, als tijd-
verdrijf
den zedelijken, beschaafden mensch tot schande verstrekt.
Zijn leven is de beste weerlegging van het Fransche epigram,
dat de vivisectoren, zoi gaarne aanhalen, en ook door B. al is
het met andere woorden aangehaald wordt: Ami des bétes, ennemi
des hommes."
Toen in Nov. 1875 Dr. Eoggan en Miss Francis Power Cobbe
het voornemen opvatten om de ., Victoria Street Society lot be-
scherming van dieren tegen de Vivisectie"
op te richten, telegra-
pheerde Lord Shaftesbury onmiddellijk aan Dr. Hoggan om zijne
volle adhaesie en bereidwilligheid tot medewerking te kennen te
geven en het is voornamelijk door zijn invloed, dat bedoelde ver-
eeniging tot stand kwam. — Hij werd als voorzitter benoemd,
welke waardigheid hij tot aan den dood met hart en ziel heeft
bekleed. Nog in Juli 1891, dus drie maanden vóór zijn dood
(hij stierf op 84-jarigen leeftijd) presideerde hij de jaarlijksche
algemeene vergadering; toen hij echter de vergadering verliet,
waren alle harten vervuld met vrees, dat zij hem niet meer in
hun midden zouden zien ; en die vrees is helaas maar al te zeer
bewaarheid.
Nadat de Koninklijke Commissie tot onderzoek der vivisectie
haar verslag had uitgebracht, stelde hij zich aan het hoofd eener
talrijke deputatie, die zich 20 Maart 1876 naar den ministervan
Binnenlandsche zaken begaf om ain te dringen op eene Wet,
die het verslag der commissie tot grondslag zou hebben. Hij
nam oen werkzaam aandeel in de samenstelling van het wets-
voorstel, door Lord Camarvon naar aanleiding van dat verslag
ingediend, en ondersteunde het 22 Mei 1876 door zijne eerste
rede ten gunste van deze zaak. De pressie door de geneeskun-
digen op den minister van Binnenlandsche zaken uitge-
oefend, had echter ten gevolge, dat van de wet door
-ocr page 34-
32
Lord Carnarvon*) voorgestel! niets is overgebleven, dan hetgeen
de wet van 15 Aug. 1876 tot regeling der Vivisectie bevat. Het
is deze zelfde wet, die nog steeds door de voorstanders der
Vivisectie beschouwd wordt als eene kapitale belemmering (?)
der wetenschap, hoewel zij, in Androcles, jaargang 1885, blz. 157
meegedeeld op de schandelijkste wijze overtreden en ontdo-
ken wordt, f)
Toen de koninkl. vereeniging tot bescherming van dieren in
Engeland Lord Shaftcsbury verzocht het voorzitterschap te willen
aanvaarden van de nieuw opgerichte vereeniging tot bescherming
van kinderen, antwoordde de goede, oude man : „Zekerlijk, indien
dat de goede zaak kan bevorderen, eene zaak die hetzelfde be-
oogt, als die welke gij voorstaat, namelijk bescherming van hen,
die zich zelven niet kunnen beschermen."
Als tweede voorbeeld moge hier met eere worden vermeld
Mevrouw Maria van Manen van welke dame de Tribune van
15 Oct. jl. onder den titel: „Eene groote vrouw" eene eervolle
biografie bevat. Geheel haar leven was eene aaneenschakeling
van arbeid vol geestdrift en groote opofferingen voor het doel,
*) Het ia deze EngolscHe minister van koloniën, tevens voorzitter der groote
Eng. Vereen, ter voorkoming van wreedheid jegens dieren, die tot de Engelsche
geneesheoren sprak : „Ik stel aan allo leden van den geneeskundigen stand —
waarvoor niemand meer achting koestert dan ik — do vraag: of het niet voor elk
hunner, die prijs stelt op den naam van Christen en van fatsoenlijk man, eindelijk
tijd is, alle, zij het dan ook stilzwijgende gemeenschap met de bedrijvers van vi-
visectie-gruwelen te verbreken, do schandelijke dierenbeulen uit hun midden te
verbannen en hun eerbiedwaardigen stand te zuiveren van do schandvlekken,
waarmee de gruweldaden der zich wetenschappelijke onderzoekers noemende bar-
baren, hem bezoedeld hebben !
i-) Het is naar aanleiding van deze wet, dat in do N. Kott. Ct. van 9 Oct. Jl.
con artikel verscheen van haar correspondent te Londen, die de Engelsche wet op
de vivisectie meedeelt on van oordeel is, dat de bestrijders met zulk eeno straffe
wet tevreden behoorden te zijn; een bewijs echter, dat deze verslaggever van zijn
onderwerp geheel onkundig is. Onze bondsbibliotheek toch bezit verscheidene
brochures, waarin het bedriegelijkc en ijdele van die wet illoyale naleving en de
verergering en de vermeerdering der misbruiken der vivisectio sinds de uitvaardi-
ging dier wet uitvoerig in bizonderlieden aangetoond wordt
-ocr page 35-
33
waaraan zij haar leven had gewijd. Zij heeft een voorbeeld ge-
geven, hoe menschen- en dierenliefde samen gaan.
Zij wijdde zich aan ongelukkige menschen, bezocht zelve arme
gezinnen, • voorzag hen van het noodige en zond hunne verwaar-
loosde kinderen ter school, na ze eerst bij zich aan huisontvan-
gen te hebben, opdat ze niet met \'een hongerige maag op school
zouden zitten. — Voorts stichtte zij nog 2 beurzen te Amsterdam
en te Leiden, ieder van 600 gulden, ten behoeve van minver-
mogende vrouwelijke studenten in de geneeskunde. Met deze
menschenliefde ging dierenliefde hand aan hand. Zij is het, die
het maandschrift „Androcles" stichtte en 13 jaargangen schreef,
terwyl zij slechts geringe medewerking vond. Zij was de hoofd-
persoon in het groote werk tot het verzamelen van wetten, die
elders tot bescherming van dieren uitgevaardigd zijn en aan
onze Ministers van Justitie en Binnonlandsche Zaken moesten
opgezonden worden, om tot bouwstoffen voor oen Kijks-
wet te dienen. Zij hield geregeld briefwisseling met de
dierenbeschermers over de geheele wereld. Zij beantwoordde
prijsvragen, waarmede zij den eersten prijs wegdroeg. — En hoe-
veel geldelijke opofferingen heeft zij zich niet getroost, die zij
kon doen uit haar eigen spaarkas, door deze te voeden met het
grootste deel harer toiletgelden, juweelen, allerlei kleine sommen,
die zij wist bijeen te brengen of door haar pen te verdienen, en
met de bijdragen van geestverwanten in verschillende oorden
der wereld, die deelnamen in haar werk. Zoo kon zij vorstelijke
subsidiün zenden aan den Anti-Vivisectiebond te Londen, terwijl
E. baron von Weber, de schrijver van „de Folterkamers dei-
Wetenschap" duizenden van haar ontving, zonder dat hij ooit
geweten heeft, van wie het geld kwam. Met onvermoeide in-
spanning en groote offers stichtte zij het Nederlandschc Toe-
vluchtsoord voor noodlijdende dieren, waarvoor zij de medewer-
king wist te verkrijgen van bakkers en hotelhouders, van wie
de eersten kruimels en oud brood, de laatsten overblijfselen van
gastmalen ten beste gaven.
ó
-ocr page 36-
34
Mochten velen aan deze twee edele personen een voorbeeld
nemen, en niet alleen aan het leed der menschen, maar ook aan
dat der dieren denken.
„Zie toch eens, zegt Ch. Sauvestre — het arme dier, dat men
„op de marmeren tafel neergooit! Het is vol leven.... men
„trekt het de huid af, ontbloot zijn vleesch bij levenden lijve;
„toch past men op, zijn hoofdorganen niet te kwetsen, dewijl
„de dood dan een te spoedig einde aan het lijden zou maken.
„Dit herinnert aan de treurige bekwaamheid van vroegere inqui-
„siteurs; het ongelukkige schepsel wordt ten koste van zijn eigen
„lichaam door het mes ondervraagd en moet ook geheimen ont-
„hullen, de geheimen van zijn leven en zijn lijden."
Deze uitspraak, mede door Koloman Kaiser aangehaald, wordt
door B. besproken op eene wijze, die ons met verontwaardiging
vervult. Wie dergelijke gruwelen kan plegen, staat op een laag
zedelijk peil, maar wie, zooals B. in verregaande lichtzinnigheid
een zoo ware uitspraak als deze tracht belachelijk te maken,
staat waarlijk niet veel hooger. Meent de heer B. dan, dat een
levend dier zich als een cadaver op de martelbank laat neerleg-
gen of op commando gaat liggen ? Zou de heer B. indien hij
in de Middeleeuwen had geleefd en in handen der inquisitie
ware gevallen, zich gewillig in het marteltuig begeven hebben,
of zou hij zich hebben verweerd ? Zoo ja, had men hem dan
niet met geweld gedwongen, om de inquisiteurs te laten begaan ?
Wat tracht hij dan een dergelijk beulswerk, waartoe een mensch
niet in staat is, te ridiculiseeren of te bemantelen? Ja, onge-
twijfeld vormen de professor als voorzitter en de leerlingen een
Raad van beroerte; zij geven ons een aanschouwelijk beeld van
de folteringen der Middeleeuwen. En dan durft B. in zijn cy-
nisme nog vragen: „waarom geeft Androcles een onware, ver-
wrongene voorstelling van de vivisectie ï Zoo zegt Dr. Hoggan,
die, als ijverig bestuurslid der Vereeniging in Victoriastreet tot
afschaffing der vivisectie, deze op het congres der vereenigingen
t. B. v. D. in 1878 te Parijs gehouden, heeft vertegenwoordigd
-ocr page 37-
35
en aldaar als onder-voor::itter de werkzaamheden der vierde
commissie (voor vivisectie) heeft geleid, als ooggetuige: „nadat
de dieren ruw aangegrepen en met geweld op de folterbanken
ge-
worpen waren....
B. leze de geschriften der deskundigen ad hoc, en dan zal hij
zich zelven moeten aanklagen, zelf een valsche voorstelling van
de zaak gegeven te hebben. Neen ! het zal niet baten, de vivi-
sectie te hullen in bet kleed der onschuld, het lezend publiek
zal zich zelf overtuigen; een enkele blik in de Folterkamers der
Wetenschap is daartoe voldoende. Neen, geen teerhartige dames
alleen rillen bij het lezen van zulke dingen, maar ook mannen,
die de wapens dragen. B. stelle zich eens op de hoogte van de
leden, die zich aansloten bij de Duitsche Vereenigingen tegen
de Vivisectie te Dresden, en dan zal hij zien, dat tal van per-
sonen tot den militairen stand behoorende, dergelijke gruwelen
met verachting van zich werpen. Maar wat geeft hem het recht,
om met een soort van ironie te zeggen: „dames doet gij rillen."
Is het zedelijk gevoel der vrouw niet haar schoonste deugd?
En weet B. niet, dat er ook dames-vivisectoren geweest zijn en
nog zjjn ? Wij keeren dus het zwaard dat B. tegen ons keert
tegen hem, en zeggen : Gij weet beter, om zulke dingen tegen
te spreken; of Gij moest ten minste beter weten!" En dan die
phraseolngie: de physioloog viviseceert niet voor zijn genoegen.
"Gedeeltelijk heb ik dit gezegde reeds door het voorgaande weer-
legd. Jammer voor B., dat hij zoo weinig aan de verdediging
der vivisectoren heeft, immers uit zijn eigen, ons vijandelijk
kamp, gaan stemmen op, die tegen hem getuigen. — „De echte
vivisector," zegt Prof. Cyon, — moet eene moeilijke vivisectie
met vroolijke opgewektheid, als eene aangename noodzakelijkheid
aanvaarden, en met vroolijke spanning volvoeren! Ziedaar dus
een voorschrift door een vivisector aan zijn collega\'s gegeven.-
Men moet dus voor z\'n plezier viviseceeren, en liefhebberij in
het vak hebben; de heeren „liefhebbers" zijn volgens Cyon de
vivisectoren bij uitnemendheid.
-ocr page 38-
36
Voorts doet B. het voorkomen, alsof de vaardigheid tot ope-
reeren alleen door proeven op dieren verkregen kan worden.
Al wederom echter wordt de trouwe verdediger der ,vivisectie
door deskundigen zelve tegengesproken. Het is onwaar, dat
de vivisectie als middel tot verkrijging van vaardigheid
in het opereeren, niet gemist kan worden, getuige de geheele
stand der Engelsche veeartsen, die sedert 1878 uitsluitend op
doode dieren zich oefenen; nadat reeds door 70 Eng. Doctoren
bij het Parlement een verzoekschrift ingediend was om algeheele
afschaffing der vivisectie, werd bedoeld petitionnement in 1878
door 500 Eng. Veeartsen herhaald; terwijl het congres van En-
gelsche veeartsen, dat in 1881 te Londen werd gehouden een-
parig het volgende besluit nam: „De veeartsen van dit land
nemen algemeen aan, dat zoowei in theoretisch als practisch
opzicht, alles wat noodig is, op doode lichamen geleerd en be-
studeerd kan worden, en vernemen met diep leedwezen, dat de
leerlingen op het vaste land in hun studietijd zich praktisch
oefenen op levende dieren! Dit nationaal congres is vast over-
tuigd, dat dergelijke operaties even wreed zijn, als overbodig
voor de wetenschap en de technische vaardigheid. — Zy\'ne leden
verzoeken hunne ambtgenooten in het buitenland met nadruk,
om met het oog op het voldoende nut, dat door operaties op
lijken verkregen wordt, zooals de ervaring ons heeft geleerd,
hunne wreede praktijken, die zij tot hiertoe volgden, voor \'t ver"
volg te willen laten varen." — Voorts kunnen hier tal van be-
roemde deskundigen, ja! viviséetoren zelfs aangevoerd worden,
die alle practische oefeningen op levende dieren verwerpen. Zoo
b.v. Prof. Dr. Hermann te Leipzig en Prof. .-ichifF te Généve, die
beiden een operatie-cursus op levende dieren voor toekomstige
chirurgen niet wtnschelijk achten. — Eene verzameling van uit-
spraken der meest beroemde veeartsen in Engeland, tegen de
vivisectie, is te vinden in het geschrift- „Adres van M. James
Cowie, gericht tot het congres derjveeartsen van Groot-BrittanniC
en Ierland." Eene uit vele, de uitspraak van Dr. med. Fleming,
-ocr page 39-
37
President van het koninkl. college van veeartsen te London, zij
hier vermeld: „de anatomie, zegt hij, leert ons alles wat met
opzicht tot de ligging en de betrekkingen tusschen organen en
weefsels noodig is, terwijl handigheid in opereeren even goed
op het doode, als op het levende lichaam te verkrijgen is; som-
mige operaties, die in de veeartsenij kunde voorkomen, kunnen
zelfs beter op het doode dan op] het levende dier worden geleerd,
terwijl andere oefeningen wegens de slapheid der vaten en weef-
sels op het doode lichaam een nog grootere vaardigheid veron-
derstellen." — De chirurg en de Eng. veearts verkrijgen hunne
vaardigheid, voordat zij praktisch optreden, op doode lichamen
en niemand zal durven ontkennen, dat zij in het verrichten van
moeilijke operaties bij menschen of dieren evenzoo geoefend en
ervaren zijn, als de vivisectionisten.
Men ziet dus dat operatie-oefeningen op levende dieren door
deskundigen zelve volstrekt onnoodig worden geacht. In geen
enkele veeartsenijschool in Engeland en Ierland wordt ooit door
kweekelingen op levende dieren geopereerd, om handigheid te
verkrijgen; evenmin worden er vivisecties verricht als aanschou-
weiijk onderwijs. En wat in Engeland bewezen is overbodig te
zrjn (de Engelsche veeartsen staan hoog aangeschreven) zou dat
ook niet elders en hier te lande afgeschaft kunnen worden ?
Hebben wij gezien, wat er waar is van de bewering van B.,
dat vivisectie vereischt wordt tot het verkrijgen van handigheid
in het opereeren, wij moeten nu zijne bewering toetsen, dat de
dieren brj de meeste (?) experimenten door opium of chloroform
verdoofd zouden worden. — Men late zich door deze schoon-
schijnende verzekeringen niet misleiden! de feiten toch luiden
geheel anders. „De anaesthetica (verdoovingsmiddelen) zegt Dr.
A. Kingsford in haar geschrift „Onwetenschappelijke Wetenschap"
pag. 14 — kunnen slechts zelden toegediend worden : lo. omdat
hunne aanwending kleinere dieren (konijnen, muizen, marmotten,
kleine honden) meestal doodt; 2o. omdat de werking dier mid-
delen de functies van het zenuwstelsel verstoort of onderdrukt
-ocr page 40-
38
en de nauwkeurige waarneming dier functies belemmert; het is
echter juist het zenuwstelsel, dat aan de menigvuldigste en pn\'n-
lijkste proefnemingen onderworpen wordt; 3o. omdat de lange
duur van de meerderheid der experimenten, het gebruik der
anaesthetica onmogelijk maakt. Het is hoogst moeilijk honden
daardoor te verdooven. Volgens Prof. Trichard en Lauder Brun-
ton, veroorzaakt de aanwending van chloroform aan deze dieren
grooter lijden, dan de pijn, waarvoor men hen op die wijs wenscht
te behoeden. — Maar zelfs wanneer de verdooving volkomen
gelukt, dan houdt zij toch niet langer aan, dan ongeveer 10 mi-
nuten, terwijl verreweg de meeste vivisecties uren, dagen, ja
weken duren."
Tot zoover Dr. A. Kingsford.
Zoo verklaarde Dr. Langerhaus in de zitting van het Pruisi-
sche Huis van Afgevaardigden 16 April 1883: „Het is onmoge-
lijk bij vivisectorische experimenten anaesthetica te gebruiken.
De uitkomsten der meeste proefnemingen zouden daardoor in-
grijpende wijzigingen ondergaan en het aanwenden van chloro-
form zou tot geheel onjuiste gevolgtrekkingen leiden!" Om hier
niet in herhaling te vallen, verwijzen wij naar: Het Vivisectie-
vraagstuk, pag. 10 en 11, alsmede naar „Verborgen Gruwelen",
pag. 3. Wij zien derhalve, hoe het met de zg. bedwelming der
dieren is gesteld en wat wij er van te gelooven hebben.
Is dus het voorgeven eener volkomene bewusteloosheid en
gevoelloosheid van het offerdier, gedurende den geheelen tijd voor
de smartvolle kunstbewerking vereischt, blijkens de getuigenis
van deskundigen zelve, leugen er* bedrog, dan moet deze on-
waarheid voor het publiek ontmaskerd worden, waardoor onge-
twijfeld de afkeer van vivisecties bij alle beschaafde lieden hon-
derdvoud zal toenemen. Het publiek behoeft opheldering omtrent
dit punt, en op de mannen der wetenschap rust de verplichting
deze door mededeeling de volle en onverholen waarheid te geven.
Is het waarheid, gelijk uit getuigenis van deskundigen blijkt,
dat de dieren slechts hoogst zelden en dan nog in onvoldoende
mate en slechts voor zeer korten tijd bedwelmd worden, dan is
het volstrekt onverantwoordelijk om het publiek zand in de oogen
-ocr page 41-
39
te strooien, op lichtzinnige wijze te misleiden, en omtrent het
gewichtigste, tevens het vreeselijkste gedeelte der vivisectie-vraag,
als \'t ware in slaap te wiegen. — Eigenaardige logica is het voorts
om het levend aftrekken van een paling aan te voeren, ten einde
de nog oneindig gruwelijker vivisectie te verontschuldigen. Maar
waarom beroept B. zich op het eene kwaad, om het andere te
verontschuldigen? Het levend aftrekken van een paling achten
wij een gruwel, die afgeschaft behoorde te worden en waartegen
ook door verschillende vereenigingen tot bescherming van dieren
met alle kracht wordt geijverd ; maar is daarom de vivisectie
minder wreed? Tegen beide behoort dus gestreden te worden,
maar tegen de vivisectie het meest. De vischboer of palinglief-
hebber die den raad van Androcles volgt, zal het dier op snelle
en smartelooze wijze dooden *); terwijl de vivisector het lijden
van zijn slachtoffer kunstmatig zoekt te rekken. — „Men past
op, zijn hoofdorganen niet te kwetsen, dewijl dan de dood een
te spoedig einde aan zijn lijden zou maken." Deze woorden noemt
B. een „dwaze ontboezeming", alsof wij niet uit geneeskundige
geschriften zelve wisten, dat men het lijden der dieren opzette-
lrjk rekt, ten einde op een "dier zooveel proeven te nemen, als
maar mogelijk is.
De heer B. moest ietwat voorzichtiger met zijn beweringen
zijn. Ook nu wederom wordt hij door vivisectoren zelve weer-
sproken. Een enkel voorbeeld: zoo zegt Prof. Goltz te Strass-
burg in zijn geschrift: „Over de functies der groote hersenen"
1881 „het is nog niemand gelukt, de groote hersens van een
dier zoo te verwoesten en zeo toe te takelen en tegelijk het dier
langer in het leven te houden dan mij!" — In Pflüger\'s Archief,
1888, Deel 42, pag. 419, zegt hij verder:... Het is mij gelukt,
een dier dat ik geheel de linkerhelft der groote hersens had ge-
extripeerd gedurende 15 maanden te observeeren; op pag. 420
heet het: „de grootste verwoesting der groote hersens bereikte
ik door 3 operaties, waarvan de eerste den 11 Dec. 1885, de
*) Zie jaargang 1878, blz. 148, vergel. jaargang 1880, blz. 64-68.
-ocr page 42-
40
tweede den 11 Februari 1886 en de derde den 17 Maart 1886
geschiedde!" Meerdere bewijzen hier aan te voeren, ware ge-
makkelijk, doch met het oog op de plaatsruimte onmogelijk.
De heer B., die de lezers in den waan tracht te brengen, dat
bovengenoemde uitspraak door Androcles neergeschreven zou
zijn, terwijl Ch. Sauvestre de zegsman is, richte zijne insinuatie dus
tot hem, en niet tot ons. Neen, wij trachten onze lezers niet
in den waan te brengen, dat professoren en studenten stelsel-
matig het lijden der dieren rekken, maar trachten het onwetend
publiek voor te lichten en op de schijnargumenten en drogrede-
nen van de voorstanders der vivisectie opmerkzaam te maken.
Waarlijk, B. legt in zijn vlugschrift een ontkenningsmanie, een
partijdigheid aan den dag, die zonder Wederga mag heeten.
Niettemin de onwaarheid zijner beweringen moet aan het
licht gebracht; want waarheid bovenal.
Gaan wij over tot eene volgende uitspraak : „Elke door proeven
op dieren gemaakte ervaring op het gebied der geneesmiddelleer
is absoluut waardeloos voor den zieken mensen; noch de uit-
werking van het vergift, noch de geneeskracht, noch de dosis
van een geneesmiddel kunnen door proeven op dieren bepaald
worden, ja, de waarde van zulke proeven is ten eenen male
negatief, dewijl zij tot de gevaarlijkste gevolgtrekkingen leiden."
Deze woorden zijn door Dr. Grisanowsky, dus door een deskun-
dige, gesproken.
Daargelaten nog, dat een oningewijde als B. zich vermeet,
zaken te beoordeelen, waarvan hij evenmin als wij, verstand
heeft, zijn deze woorden niet, gelijk hij beweert, neergeschreven,
om het gevaarlijke onder de oogen te brengen van dieren en
menschen dezelfde dosis geneesmiddelen toe te dienen, maar
om de absurditeit van proeven op dieren in deze aan te toonen.
"Wij willen ons daarom wenden tot erkend groote geleerden,
ten einde te weten te komen, of toxicologische proeven op dieren
eenige waarde hebben ? Verleenen wij allereerst het woord aan
Prof. Lawson Tait, den met roem bekenden chirurg, die onlangs
-ocr page 43-
41
de vivisectoren uitdaagde, om ook slechts één nut te noemen,
dat uit de vivisectie voortgevloeid zou zijn, maar geen antwoord
op zyne vraag ontving. In zijn geschrift: „De nutteloosheid der
vivisectie als methode van wetenschappelijk onderzoek" deelt hij
pag. 32 mede, hoe men in Engeland ten einde zekeren Palmer
van moord door vergiftiging te overtuigen (strychnine), met
strychnine proeven op dieren nam. Het gelukte echter niet om
ook slechts V» grein in de overblijfselen der maag met zekerheid
te ontdekken. Kort daarna werd de methode der chemische
analyse ontdekt, door middel waarvan men Veooiooo gram afzon-
deren en met zekerheid ontdekken kon. „Vivisectie zegt hij, is
in dit geval (vergiftigingsproeven) niet het wapen der wetenschap,
maar de wijkplaats voor onvolkomen werk." Hij wenscht der-
halve, dat proeven op dieren voor zulke doeleinden geheel ver-
boden, en door eene grondige chemische spectraal-analyse van
alle substanties, vervangen moge worden.
„Het zij genoeg te vermelden, zegt Dr. A. K. loco cit. pag. 36,
dat alle proefnemingen op dieren ondernomen met het doel om
een tegengift tegen slangenbeet te vinden, geheel doelloos geble-
ken zijn. en dat het toedienen van andere gifstoffen, en van
medicijnen aan dieren, verschijnselen en resultaten bij deze heeft
opgeleverd, ten eenenmale verschillend van die, welke bij men-
schen waargenomen worden. Alkaloïden, zouten en dergelijke
zelfstandigheden, die reeds in kleine doses, doodelijk zijn voor
menschen, hebben, zelfs in groote giften, weinig of geen
nadeeligen invloed op dieren. Dit is b.v. het geval met bella-
donna, stramonium, dolle kervel, bilsenkruid, nicotine, digitalis,
morphine, aloë, chloraal, strychnine, nux vomica, chloroform etc,
waarmede men proeven genomen heeft op de dieren, die ge-
woonlijk in de physiologische Laboratoriën gebruikt worden. De
ondervinding hierbij opgedaan, heeft menig uitstekend geleerde
overtuigd, dat de toepassing op menschelijke lijders, van de
resultaten der met medicijnen op dieren genomen proeven,
uiterst bedriegelijk en gevaarlijk kan zijn, en men daaruit vol-
-ocr page 44-
42
strekt geen betrouwbare gevolgtrekking kan maken in het belang
der rechtspleging en der therapie." Zoo zegt Dr. Bowie: „omdat
de geneeskunde gewacht heelt op de resultaten van het physio-
logisch Laboratorium, is zij zoo diep gezonken, dat vele aanzien-
lijke geneeskundigen twijfelen, of zij wel den naam van weten-
schap
verdient. — Sedert 2000 jaar heeft de vivisectie ons geen
enkel medicament geleverd, waarvan wij zouden kunnen zeggen,
dat het ons in staat stelt, ook slechts eene enkele krankheid te
genezen." — Verder zegt Dr. Duvergie in zijn geschrift: „Médi-
cine Legale". Dl. II, blz. 457 „dat toxicologische (vergiftigings-)
proeven op dieren tot bedriegelijke resultaten leiden." Nu moge
B. in weerwil van dergelijke deugdelijke uitspraken van groote
geleerden, beweren, dat zulke proeven op levende dieren van
zeer veel belang zijn, en ze uiterst nuttig noemen, het zal hem
niet gemakkelijk vallen, deze uitspraken van deskundigen te
weerleggen. En wat dan te denken van zijne naïeve bewering,
dat men door middel van toxicologische proeven op levende die-
ren tot de ontdekking zou zijn gekomen, dat de gevlekte scheer-
ling vóór en aan het begin van den bloeitijd het meest vergiftig
is ? Dat zal men door proeven op dieren ontdekt hebben ? Arm-
zalige ontdekking! Wie zal in zijn hoofd krijgen, om van die
plant te eten ? En indien men er van gegeten heeft, en het
vergitt begint te werken, heeft men dan een tegenmiddel, om
het vergift te neutraliseeren ? Volgens Dr. Bowie e. a. deskun-
digen niet. Wat heelt men dan aan diagnose, zonder therapie,
waarop het toch aankomt? Ook de uitspraak van Prof. Harting,
dat men door proeven op dieren de werking der vergiften leert
kennen, en tegengiften kan opsporen, verliest bij de voorgaande
uitspraken der deskundigen alle kracht.
Hebben wij boven reeds aangetoond, niet alleen hoe ruw en
ongeoorloofd, maar ook hoe onlogisch de vivisectie is, en het
een en ander met argumenten gestaafd, wij staan hier nog even
stil by de al of niet betrouwbaarheid der vivisectie.
Het is mjj niet mogelijk, hier alles te vermelden en verwys
-ocr page 45-
48
daarom naar ,Het Vivisectie-vraagstuk", pag. 20—24, waar ge-
tuigenissen dienaangaande bij menigte te vinden zijn.
Evenwel, wij willen hier eenige citeeren.
Prof. Nélaton, beroemd Fransch chirurg, zegt in zijn geschrift
„Eloge de Gerdy" tot Cl. Bernard „dat elk stelsel, gebouwd op
experimenteele physiologie valsch is, en men over de onderlinge
tegenstrijdigheden der physiologische kunstbewerkingen een zeer
belangrijk boek zou kunnen schrijven." Prof. Goltz, groot vivi-
sector: „Het gebeurt zelden, dat twee geleerden het eens zijn
omtrent zaken de physiologie der hersenen betreffende." Zelfs
de meest beroemde der Engelsche vivisectoren, Brcwn Sequard,
zegt in eene redevoering in Aug. 1877: „alles wat de vivisectie
ons geleerd heeft over de werking der hersenen, is een weefsel
van dwalingen geweest!" — En ten slotte Prof. Lawson Tait:
„de vivisectie is nutteloos en leidt op een dwaalspoor en moest
in het belang der ware wetenschap verboden worden!" Nu kon-
den wij hier nog aanvoeren uitspraken van groote geleerden, als
Prof. Hyrtl, Niemeyer, Waldenburg en anderen — maar waartoe
zou het dienen ? Een ieder, die zich in deze overtuigen wil, kan
zich overtuigen, door een blik te slaan in de geneeskundige bla-
den zelve en dan staat men verbaasd over de eindelooze tegen-
strijdigheden waartoe men kwam. Terecht mogen wij hier vra-
gen: is dat wetenschap, wat heden opgebouwd en morgen weer
afgebroken wordt?
Waar verder de geneesmethode van Mesnier, de homoeopathie
van Dr. Hahneman, de hydropathie van Vincenz Priessnitz door
B. zonder eenige zweem van bewijs, achtereenvolgens veroordeeld
worden, daar kunnen wij niet anders, dan ons verwonderen. Wij
zouden hem willen vragen om slechts iets te noemen: hebt ge
studie van de homoeopathie gemaakt? Zoo neen, wat oordeelt
Grj dan over zaken, die Gij niet kent? Zoo ja, waarom staaft
Gij uwe uitspraken dan niet met bewijzen ? of moet soms het
betrekkelyk klein aantal aanhangers der homoeopa) hie bewijzen,
dat dezo geneesmethode onlogisch en onwetenschappelijk is?
-ocr page 46-
44
Vreemde logica! "Wanneer eene meerderheid zekere meening is
toegedaan, en eene minderheid van een ander gevoelen is,
dan ligt volgens B. de waarheid absoluut aan de zijde der meer-
derheid !
Voorts, met welk recht stelt B. barones K. enz. lager dan
Miss Nightingale? „Men kan de weldaden, door Lady Burdett—
Coutts, op reusachtige schaal uitgedeeld, in 3 kategoriën verdee-
len, zegt Androcles (1872, bl. 122 — 133). lo. Bevordering van
godsdienst, zedelijkheid en ontwikkeling bij de lagere volksklas-
sen. 2o. Bevordering van stoffelijk welzijn bij allen, die in ar-
moede verkeeren. en 3o. Haar heldhaftig optreden in de zaak
der dierenbescherming... \'t Is niet te verwonderen, dat Miss
Burdett—Coutts, de ijverigste en machtigste philanthroop onzer
dagen, in Engeland als het ware op de handen wordt gedragen
enz." Waarlijk, wie de levensgeschiedenis dezer vrouw heeft ge-
lezen, zal zich wel wachten, haar anders dan met vereering en
bewondering te noemen.
Moest Miss Nightingale, volgens B. allerlei gevaar en moeite
trotseeren, de edele beschermer der dieren, wiens doel even heerlijk
en verheven is, als het, hare, heeft veelal met allerlei onkunde,
ruwheid, onverschilligheid, vooroordeel, ja! zelfs met spotternij
te kampen. Het getuigt van een zeer laag peil, waarop de be-
schaving onzer dagen staat, dat men geen hart heeft voor de
ellende der stomme dieren. Om met voorbijgang der gruwelijke
vivisectie slechts iets te noemen: b.v. de onmenschelijke wijze,
waarop tot op den huidigen dag de opgevangen honden te Am-
sterdam, die beschaafde (?) stad, verdronken worden ? Vormt
het geen schril contrast met dat geroep van beschaving, wanneer
zulke wreedheden nog in ons midden geschieden en geduld wor-
den? Niettegenstaande men aan Amsterdam\'s Gemeentebestuur
kosteloos een toestel aanbood, om die arme dieren een snellen
en zooveel mogelijk zachten dood te geven, wees men, onver-
klaarbaar genoeg, zulk aanbod van de hand. Wat anders kan
hieruit afgeleid worden, dan dat men er een soort van behagen
-ocr page 47-
45
in schept, de dieren te martelen, of a tort et a travers die oude,
barbaarsche mode van afmaking wil blijven handhaven ? Moest
niet Amstel\'s Burgerij tegen zulle een wantoestand getuigen en
niet als één man tegen zulk een schandelijke wijze van afmaken
protesteeren? Trouwens, de inwoners zelve zijn er de schuld van.
Hoevelen toch worden er niet gevonden, die hun hond, waarvan
zij zich willen ontdoen, op straat zetten, zonder dat het arme
dier een onderkomen heeft; men doet niet eens de moeite, om
het dier door de Sophia-Vereeniging tot Besch. v. Dieren op
zachte wijze te doen afmaken. Neen, men schopt hem buiten;
en meent Gij nu, mijnheer B., dat iemand, die tot zulk eene wreed -
heid in staat is, tegenover zijn naaste, die in ellende verkeert,
liefderijk zal zijn ? Neen, zooals ons hart is, zoo zijn de uitin-
gen des harten; wie geen hart heeft voor het dier, heeft ook
geen hart voor den mensch.
Ook de rechtzinnige richting inliet Protestantisme, met name
onze Ned. Herv. Kerk en ook de Roomsch-Katholieke Christenen
toonen eenzijdig te zijn. In stede toch van het gebod van liefde
en medelijden met het stomme en zwakke naar den eisch van
Gods woord en beschaving in toepassing te brengen, heeft zij
tot nog toe hare taak ook tegenover de vivisectie schandelijk
verwaarloosd ; de horizon van haar medelijden strekt zich slechts
uit tot den mensch, alsof het dier geen schepsel Gods ware. Gaat
het haar dan niet aan, dat Gods gebod van medelijden en liefde
door de vivisectoren met voeten wordt getreden ? Gaat het haar
dan niet aan, het gemartelde dier, dat een maaksel des scheppers is,
tegen het misbruik der vivisectie te beschermen ? Wordt het
niet hoog tijd, dat zij in naam van godsdienst en zedelijkheid
tegen den gruwel der vivisectie getuigt? Wie anders dan zfj is
daartoe in de eerste plaats geroepen? Ook de staat is hier bijna
even schuldig. Hij toch laat niet alleen dien gruwel bestaan,
maar steunt zelfs zulke dingen nog en dat op zeggen van Pro-
fessor die of die___Treurige toestand! Wanneer zal de stem
van godsdienst en zedelijkheid toch eindelijk eens worden gehoord ?
-ocr page 48-
46
Waar dus kerk en staat hun duren plicht alzoo verwaarloozen,
en dingen in hun midden dulden, die wel onder barbaren, maar
niet in een beschaafd land thuis behooren, daar worden wn\' wel
gedrongen, om tegen dergelijk kwaad openlijk te getuigen en
ondanks alle brochures, tegenstand of wat ook, te blijven getuigen.
Wat B. dus ook bewere - hij stelle zich de zaak voor, zooals
hij wil, wij houden op goede gronden staande, dierenliefde gaat
met menschenliefde, en de laatste met de eerste gepaard; één
enkele ziekelijke uitzondering op dezen regel, heft den regel niet op.
Voorts werpt B. ons tegenstanders der vivisectie tegen, dat
wij geen recht van spreken zouden hebben, daar wy geen
vegetariërs zijn. Welk een dwaze logica wederom! Wanneer
zou zulk een redeneering opgaan? Dan alleen, wanneer het
dooden van een dier, voor de consumptie bestemd, gelijk stond
met het martelen van dieren in de Laboratoria. Werden de die-
ren, die ons tot voedsel dienen, evenzoo gemarteld, dan had B.
recht van spreken; en ware dit zoo, voorwaar, geen tegenstan-
der der vivisectie zou inconsequent genoeg zijn, om hetvleesch
van zulke gemartelde dieren te gebruiken. — Hoe wij er ook over
nadenken, om ook slechts één punt van overeenkomst te vin-
den tusschen viviseceeren en het dooden der dieren, wij kunnen
er geen enkel vinden, tenzij dan, dat op beide de dood volgt,
bij de vivisectie na langdurige, soms weken en maandenlange
marteling, bij het slachten na een zeer kort proces. Vooral door
middel van het schietslachtmasker-Sigismund worden de dieren
onmiddellijk gedood; men hoort het schot, en het dier stort neer,
zonder zich nog een oogenblik te verroeren. Mocht dit toestel,
gelijk buiten ons vaderland, ook meer en meer in ons land inge-
voerd worden, om een einde te maken aan een dierenmarteling,
die dagelijks geschiedt! — Indien B. nu kans ziet, om aan te
toonen, dat een plotselinge dood gelijk staat met het martelen
der vivisectie, en de vivisector er evenals de slachter op uit is
het dier zoo zacht en zoo spoedig mogelijk van zijn lijden te
bevrijden, dan eerst zal zijn eisch van kracht kunnen zijn. Heeft
-ocr page 49-
47
het slachten ten doel, het dier zoo snel mogelijk te dooden het
doel van den vivisector is, het bij de wreedste martelingen
zoolang mogelijk in het leven te houden; wacht de eerste
met het aftrekken van de huid, tot alle teekenen van leven
bij het dier geweken zijn, de laatste trekt het dier levend de
huid af en snijdt het levend open. Deze beiden te willen verge-
lijken is eene verwaarloozing van allen geest des onderscheids.
Wij behoeven dus geenszins vegetariërs te zijn, om tegen de
vivisectie te strijden, al verfoeien wij ook de door B. aangevoerde
paté de foie gras, denkende aan de wijze, waarop deze toebereid
wordt. Een dier te behandelen als een mensch, keuren wij met
B. als ziekelijkheid af; een dier daarentegen te behandelen alsof
het geen recht noch gevoel had, dient nog scherper afgekeurd.
Wat nu Harvey en den bloedsomloop betreft, deze ontdekking
wordt door de voorstanders der vivisectie gaarne voorgesteld als
aan haar verschuldigd. Raadplegen wij echter de geschiedenis
op dit punt dan blijkt ons het tegendeel. Hier verwijzen wij
allereerst naar den „Open Brief aan Dr. W. Koster"- door J. B.
T. Hugenholtz, \'sGravenhage H. L. Smits 1891, waarin deze
kwestie uitvoerig wordt besproken. Ten overvloede zij hier nog
vermeld dat volgens Dr. A. Kingsford (loco. cit. pag. 31) Harvey\'s
eigen mededeelingen aangaande de methode waarvan hij zich
bediende om tot zijne gevolgtrekkingen te komen, bewijzen, dat
deze het gevolg waren van directe waarneming der anatomische
structuur, van geduldig, zorgvuldig onderzoek van den aard en
en de plaatsing der ader- en hartkleppen, en boven alles van de
genialiteit, die aan al deze dingen eene beteekenis wist te geven,
welke het begrip van het alledaagsche verstand te boven gaat."
De juistheid dezer bewering moge blijken uit zijn eigen werk:
„De sanguinis circulatione," waarin hij zegt: „Toen ik al de door
mij loaargenomen feiten bijeenvoegde, en bedacht hoe belangrijk
de hoeveelheid bloed was die overgebracht werd, en hoe kort de
tijd, waarin dit plaats had, toen ik bekennen moest, dat dit bloed
onmogelijk kon geleverd zijn door de sappen der voedingsstoffen,
-ocr page 50-
48
welke in dien tijd gebruikt waren; dat de aderen geleegd en uit-
geput moesten zijn, de slagaderen daarentegen door e-vervulling
met bloed moesten barsten
— tenzij het bloed op de eene of andere
wijze uit de slagaderen in de aderen kon dringen, en zijn iveg
kon vinden naar het rechterhart; toen begon ik na te denken
over de mogelijkheid van het bestaan eener circuleerende beweging
en bevond ik iverkelijk, dat dit het geval was!"
Dr. Bridges, aan
wiens artikel in de Fortnigthy Review over „Harvey en de Vi-
visectie" wij het bovenstaande ontleenden, zegt daarin verder:
„Geen experimenten op dieren, door Harvey of wien ook onder-
nomen, konden tot zulke overtuigende gevolgtrekkingen voeren, als
deze welbekende feiten; zij bleven echter onvruchtbaar, zoolang de
geest ontbrak, die ze met elkander in verband bracht en-hunne
beteekenis wist te verklaren."
Zoo heeft volgens Dr. A. Kingsford
(loco cit pag. 32) Dr. George Macilwain voor de kon. commissie
tot onderzoek der vivisectie verklaard : „Ieder, die weet wat de
bloedsomloop is, zal begrijpen, dat men dien onmogelijk door mid-
del van vivisectie heeft kunnen ontdekken; het vereischte onder-
zoek, kan niet aan een levend lichaam plaats vinden, terwijl het
zoo gemakkelijk aan een dood lichaam geschieden kan, dat men
er zich over verwonderen moet dat de ontdekking niet eerder heeft
plaats gevonden; men behoeft toch slechts de eene of andere vloei-
stof in de slagaderen te spuiten, om haar weer door de aderen
te zien terugkomen. Harvey loas een leerling van Fabricius van
Aquapendente, die de kleppen in de oppervlakkige aderen ontdekte.
Het bloed kan zich natuurlijk slechts in ééne richting bewegen,
maar dit werd door Fabricius niet opgemerkt. Het was Harvey
die dit deed, en dat was de eerste aanleiding tot zijne ontdekking."
Meer bewijzen zullen wel niet noodig zijn, om aan te toonen, dat
deze ontdekking geenszins door vivisectie is gemaakt. En wat
voorts het gezegde van Charles Bell betreft, B. twijfelt eenigs-
zins of deze geleerde wel gezegd heeft, wat hij op pag. 30, alin.
6 vermeldt. Mij dunkt, die twijfel zal al aanstonds verdwijnen,
wanneer wij hem herinneren, hoe Dr. A. Kingsford pag. 33 en
-ocr page 51-
49
34 (loco cit.) deze kwestie van wetenschappelijk standpunt, be-
sprekende, verwijst naar een werk van BelPs hand, getiteld:
„Exposition of the Natural System of the Human Body" (Dl. II,
pag. 184) (beschrijving van- het zenuwstelsel des menschelijke
lichaams), waarin Bell zegt: „Ik begreep, dat het voldoende zou
zijn, indien ik voor zulk eene proefneming met beirekking tot de
functie der voorste en achterste ruggezenuwwortels, een pas bewus-
teloos gemaakt dier gebruikte, en dat, wanneer ik op een levend
dier experimenteerde, de aanraking van een gevoelszenuw een sid-
dering of andere spierwerking zou kunnen doen ontstaan, en ik
deze beweging moeielijk zou kunnen onderscheiden van die, welke
direct van de beivegingszenuio zou uitgaan. Ik sloeg dus een konijn
achter de ooren, om het bewusteloos te maken en mijne proefne-
ming bewees mij toen overtuigend dat de verschillende strengen,
waaruit de zenuwivortels ontspringen, tot verschillende doeleinden
dienen en dat de uit de anatomie afgeleide gevolgtrekkingen juist
zijn."
Elders zegt hij: „ Het zij mij vergund, hier een paar woorden
te zeggen ten gunste der anatomie, als ontdekkingsmiddel boven
de vivisectie de voorkeur verdienende. De vivisectie is nimmer het
middel geweest om ontdekkingen te doen, en uit eene beschouwing
van hetgeen de physiologie in de laatste jaren heeft verricht, blijkt
duidelijk dat het openen van levende dieren er meer toe bijgedra-
gen heeft, om dwalingen in het leven te roepen, dan om waarheden
aan den dag te brengen, die de studie der anatomie en der na-
tuurlijke bewegingen ons leert. In een buitenlandsch Tijdschrift,
waarin mijne vroegere geschriften besproken zijn, heeft men de
resultaten van mijnen arbeid aan de vivisectie toegeschreven. Zij
zijn in tegendeel de gevolgtrekkingen, die ik uit de anatomie heb
afgeleid, en indien ik experimenten heb gedaan, zoo is dit niet
geschied om daarop mijn eigen meeningen te vestigen, maar om
die bij anderen ingang te dom vinden.1\'
„De voorstanders der vivisectie, zegt Dr. A. Kingsford (loco cit.
pag. \'63) beroepen zich dikwijls op de vivisectie om te betoogen,
-ocr page 52-
50
(zooals ook B. doet) dat daaraan de ontdekking te danken zou
zijn van de functie der voorste en achterste ruggezenuwwortels en
op grond van deze onderstelling, trachten zij niet alleen de recht-
matigheid der vimsectie te bewijzen, maar ook, dat het belang der
wetenschap dikwijls vordert, dat experimenten moeten plaats hebben,
die hoogst pijnlijk zijn. De bovenstaande ivoorden echter, waar-
mede Sir Charles Bell zijne ontdekking vermelde, zijn daarmede
geheel in tegenspraak.
En wat verder Pasteur betreft, op wien B. zich beroept, indien
de plaatsruimte het ioeliet, wij zouden hem daadzaken omtrent
Pasteur\'s methode kunnen meedeelen, die hem verlegen zouden
doen staan. Dit alleen zij hier vermeld, dat geen enkel geval,
hetwelk Pasteur gezegd wordt genezen te hebben, beivezen kan
worden, en voorts, dat hij, volgens authentieke, door deskundigen
gestaafde opgave, sedert 30 Aug. 1885—6 Januari 1893 het niet
onbeduidend getal van 240 patiënten heeft verloren, die allen
aan hondsdolheid stierven, waaronder 2 personen die 5 jaar ge-
leden, met een bewijs van gezondheid weggezonden zijnde, na
een tijdsverloop van 5 jaren aan watervrees bezweken. (*) Merk-
waardig mag het verder heeten, wat volgens de New-York He-
rald van 2 Maart 1891 uit Parijs wordt, gemeld, (welke mede-
deeling door verschillende Parijsche bladen bevestigd wordt),
dat er in Frankrijk in het jaar 1890, 201 gevallen van hondsdol-
heid voorkwamen en 61 personen gebeten werden, terwijl in
1891 400 gevallen van hondsdolheid en 143 gebeten personen
worden vermeld. Wat nu te denken van Pasteur\'s methode?
In stede dat de hondsdolheid vermindert, treedt zij menigvuldi-
(*) De kleine José Almeida, een dar zes Portugeescho jongens, die gelflk
do bladen hebben gemeld, 21 dagen onder behandeling van Pasteur ztjn geweest
en don 30sten Dec. j.1. als „genezen" naar hun land terugkeerdon, werd op de
terugreis in den spoorwcgwaggon. door hondsdolheid overvallen.
Toon de treiu to Bordeaux stilhield hadden do aanvallen van razernij haar top-
punt bereikt. Het lijden van den armen jongen was niet te beschreven. De moe-
der kon het niet aanzien. Men moest haar van haar zoontje verwijderen, daar men
vreesde dat zü het verstand zou verliezen.
Het ongelukkige kind is den Slston Dec. overleden.
(Petit MarstilluisJ.
-ocr page 53-
51
ger op. Dit slechts terloops. Ter gelegener tijd en plaats hopen
wij de Methode-Pasteur en hare resultaten aan de hand van
groote geleerden, B. en allen onder de oogen te brengen en zullen
gaarne over dit punt met B. desverkiezende in openlijke dis-
cussie treden.
Wat er voorts noodig is, om een praktisch arts te worden,
is niet zoo als B. beweert, experimentatie op] levende dieren, —
maar hetgeen Prof. Hyrtl te Weenen in zijn geschrift;: „Lehr-
buch der Anatomie, 15e uitg. pag. 20 zegt, waar het heet: „ Voor
de vorming van praktische artsen, en dit is toch het hoofddoel
der medische studiën, is het alken van wezenlijk nut, indien de
physiologie zich meer bezighield met den mensch, dan met kikvor-
schen, konijnen, honden etc. en meer de behoeften van den arts
in \'t oog vatte. Wat bij levend geseceerde dieren wordt gezien,
kunnen de vivisectoren ook bij pasgedoode zien. ■ ■.
Lag het volgens B. niet zoozeer in zijne bedoeling, om een
pleidooi voor de vivisectie te leveren, het heeft er toch veel van,
al is hem die verdediging ook in geen enkel opzicht gelukt. — En
hiermede nemen wij afscheid van B., niet twijfelende, of wij
hebben hem nagenoeg in alles te woord gestaan, voet voor voet
weerlegd, en overtuigend genoeg aangetoond, dat de vivisectie niet
alleen wetenschappelijk, maar bovenal, waar het hier vooral op aan-
komt en wat alles afdoet, moreel vernietigd is.
7fi
t
-ocr page 54-
Vreemde Postzegels.
All< te ; . die vreemde postzegels en brief kaarten be-
ïitten. •■ ze misschien door vrienden en bekenden kun-
iien machtig worden, worden beleefd r en vriendelijk
\\
          it, deze. ten bate van de zaak aan .Da. J. B. T.
HtX           OLTZ te Axel te willen toezenden. Wat de
Nederland he betreft, zoo zijn vooral öfe tfW7£, en van
de
tegenwoordige (Willem IJl en Koningin) alleen die
van
7V». 22Vï! 50 ets., 1\'1 en £2.50 welkom, terwijl
betreft, alle, behalve de gewone exem-
plarej
                               België, Engeland en Duitseblaiid,
medi                  k ontvangen worden. Briefkaarten en
brie,                     lieve men liefst in bun geheel, of althans
ruim uitgeknipt in te zenden]
HET BESTDBfti