-ocr page 1-
<fc /f<r/j.3T S/
3
n^ 11562^
rz
:
HOE EN WAAR?
Een ernstig woord
die uitstekende
op den hoogsten
prijs stellen,
DOOR
G. MULLER,
Hoofd der school te Oudesehild.
HAARLEM,
W. H. J. VAN NOOTEN.
1893.
-ocr page 2-
• -
■•..\'!.■\'•\'■/•.!-•■ >„
-
-
-
-ocr page 3-
/
Hoe en
Een ernstig Woord aan allen,
die uitstekende toeezenVerpleging op den hoogsten
prijs stellen,
DOOR
J. K. G. MULLER,
Hoofd der «chool te Oitdcschild.
HAARLEM,
W. H. J. VAN NOOTEN.
1893.
-ocr page 4-
Gedrukt bij De Erven Loosjes, te Haarlem.
-ocr page 5-
Weezen verpleging!
Dat woord is thans op aller lippen.
Daar zijn stemmen opgegaan over de weesinrichting
te Neerbosch, die het noodzakelijk maken de vraag
te overwegen en te beantwoorden: „Hoe en waar zul-
len we onze weezen naar eisch verplegen?"
Bij die vraag hebben we allen belang van wat
richting we ook zijn. De menschlievendheid stelt het
ons ten plicht voor onze weezen te zorgen en hen zóó
op te voeden, dat er alle kans is, dat zij nuttige,
brave leden der maatschappij worden.
We dienen dus onpartijdig en onbevooroordeeld te
onderzoeken, of we algemeen op den goeden weg zijn
met onze weezenverpleging.
Schrijver dezer brochure plaatst zich op een onzijdig
standpunt, wat betreft hetgeen over de stichting te
Neerbosch is geopenbaard.
-ocr page 6-
4
Hij kent de stichting Neerbosch niet van nabij.
Toen hij in 1884 een tiental dagen te Nijmegen ver-
toefde, en van daar uit de plaatsen in den omtrek be-
zocht, lag het in zijn plan ook Neerbosch door eigen
aanschouwing te leeren kennen, maar de tijd ontbrak
hem.
Sedert tal van jaren echter stond bij hem de over-
tuiging vast, dat het beginsel van weezenverpleging
niet deugt, en hij hoopt in deze bladzijden die over-
tuiging ook bij zeer velen te vestigen, opdat algemeen
een andere weg ingeslagen worde, een weg die trou-
wens niet meer nieuw is en die sedert 1874 betreden
wordt door de „Maatschappij tot verpleging van wee-
zen in het huisgezin."
De schrijver staat tot deze Maatschappij in niet de
minste betrekking. Met een beperkt inkomen kan men
met een talrijk gezin niet alles steunen, waarvoor men
zeer groote sympathie heeft.
Hoe zullen we onze weezen naar eisch verplegen?
Onnoozele vraag! zal deze of gene misschien den-
ken. Het antwoord zal natuurlijk moeten zijn: hu-
maan, naar aard en karakter, gestel en aanleg, nei-
ging en kerkgenootschap. En dat kan niet geschieden
-ocr page 7-
I
5
in een gesticht, waar vele houderden weezen hij eik-
ander zijn. In zeer groote weeshuizen, gelijk Neerbosch,
gelijk het vroegere weezengesticht te Veenhuizen,
moge de hoofdleiding uitstekend zijn, de taak is te
veelomvattend, dan dat de beste in staat zou zijn er
het fijne van te weten. Op papier is meestal de op-
voeding en verpleging uitstekend in orde, maar in
werkelijkheid blijft er veel te wenschen over. De
weezen komen uit verschillende gezinnen. Men heeft
er, die eene beschaafde, nette opvoeding genoten, maar
ook die ruw en verwilderd zijn. Hoe kunnen nu zulke
kinderen naar eenzelfde systeem geleid worden! Dat
kan, dat mag niet. Weezen zijn net zoo min allen uit
hetzelfde hout gesneden, als andere schepselen; het
zijn ook individu\'s, die niet over één kam mogen
geschoren worden, en waar het geschiedt wordt eene
groote fout begaan, onrecht gepleegd, zij \'t dan ook
onbewust.
O, wij hebben een woord van lof voor de toewij-
ding, voor de wijsheid en liefde, waarmee directeuren
en weesvaders en weesmoeders van groote en zeer
groote weeshuizen hun plicht, hun hoogst moeielijke
taak vervullen; maar toch, het kan niet zóó geschieden,
dat de goede huiselijke opvoeding vergoed wordt.
Daarbij komt, dat men in den regel tot directeurs
en directrices van kleinere en groote weezen-inrich-
-ocr page 8-
6
tingen personen aanstelt, die geene kinderen hebben,
of ook wel ouden van dagen. Dat is zeer onpraclisch
en leidt vaak tot bittere teleurstellingen. Men stelle,
als men de weeshuizen in stand wil houden, tot vaders
en moeders aan, die geschikt zijn, onverschillig, of zij
kinderen — „tot hun last", is helaas de geijkte term —
hebben of niet. Geef ieder weeskind eene opvoeding
naar zijn aard, karakter, enz. en het doel, dat de
weezen verpleging beoogt, komt men meer nabij. In
weeshuizen met een beperkt getal verpleegden kan
dat geschieden; onmogelijk is dit in gestichten, waar
duizend en meer kinderen worden verpleegd.
Mij is van nabij een weeshuis bekend, dat thans
16 verpleegden telt. De vader en moeder hebben zelf
geen kinderen, maar zij verstaan uitstekend de kunst
de kinderen te leiden met eene liefde, toewijding en
roeping, waarvoor men achting en eerbied heeft. Die
weesvader vertelde me onlangs, hoe moeielijk hem in
den aanvang zijne taak viel. En hoe oordeelt men ge-
woonlijk over de hoogst gewichtige betrekking van
weesvader en moeder\'? Raadpleeg de honorariums, die
men er voor uitlooft!
Het wordt tijd, dunkt me, dat we met den ouden
sleur breken, en waar het getal weezen in een ge-
sticht te talrijk is, om er de volle aandacht aan te
wijden, met spoed een beteren weg gaan bewandelen.
-ocr page 9-
7
De weg is deze: Voedt de weezen zóó op, als dit in
een goed gezin geschiedt; zorgt, dat ze geen vreem-
delingen zijn in de maatschappij, wanneer ze daarin
later, gewoonlijk op hun 20ste jaar, optreden.
Van dat denkbeeld gingen zij uit, die op den eer-
sten Mei 1874 eene Maatschappij oprichtten tot ver-
pleging van weezen in het huisgezin. Het huisgezin
is de aangewezen plaats, waar we onze weezen moeten
opvoeden. Een betere gelegenheid is er niet. De ge-
noemde Maatschappij, die bij besluit van Z. M. den
Koning van 22 Januari 1875, Staatsblad van 20 April
1875, No. 101, als rechtspersoon werd erkend en
H. M. de Koningin-Weduwe, Regentes van het Konink-
rijk tot Beschermvrouw heeft, zorgt dat hare weezen
alleen in goede gezinnen aanlanden. Zij volgt den na-
tuurlijken en daarom den besten weg. Voor haar zijn
weezen meer dan nommers, die men afleest om be-
handeld te worden, of om te handelen. Bij velen in
den lande is deze Maatschappij nog onbekend, en door
anderen wordt hare werkzaamheid, gelijk in een harer
jaarverslagen gezegd wordt, verkeerd beoordeeld. Aan
die Maatschappij moet in de toekomst, zoo niet de
algeheele, dan toch het grootste deel der weezenver-
pleging worden toevertrouwd, omdat het huisgezin de
werkelijke plaats voor de opvoediDg der kinderen is.
Men plakke geen honderden bij honderden weezen in
-ocr page 10-
8
een gesticht bij eikaar, en make zich dan wijs, dat
men zijn plicht doet.
Treurig, hoogst treurig is het, dat men hier en daar
bij afslag de weezen uitbesteedt, en daarmede de mee-
ning uitspreekt, dat men genoeg doet, wanneer men
de ouderloozen voor den hongerdood beveiligt. Het
kan toch de vraag niet zijn, of vele weezen het beter
hebben, dan ze het hadden bij hunne ouders, maar
wel, of wij onzen plicht doen. Wij hebben toe te zien,
dat niet éen dezer kleinen verloren ga, door onze
lauwheid. En waartoe zou in \'s hemelsnaam godsdienst
dienen, indien we dien in het leven niet in practijk
brengen? En weet Nederland wel, dat nog geen der-
dedeel zijner weezen in de gestichten en weeshuizen
verpleegd wordt, en dat de verpleging van de hier-
voor genoemde Maatschappij nog slechts over honderd-
tallen hare zorg kan uitstrekken?
Men heeft gezegd, dat van Neerbosch te weinig
profijt getrokken wordt: men moest de weezen voor
den militairen stand opleiden, \'t Is jammer, dat men
er niet bij zei, dat men de dus opgevoede weezen,
als zij den vereischten leeftijd hadden bereikt, naar
Atjeh moest zenden. Maar Nederland wete, dat het geen
-ocr page 11-
9
recht heeft aldus met ongelukkigen te handelen. Moet
zulk een offer door de weezen gebracht worden, ik
zou zeggen: trekt dan uwe hand liever geheel van
hen af. Neen, laat een wees zijne eigen keuze hebben
bij hetgeen hij worden wil. Kiest hij uit neiging
den militairen stand, goed; maar den wees daar-
voor op te leiden met voorbijgang van eigen wil, dat
is zoo onredelijk mogelijk. Men geve den wees een
vader en moeder; deze kunnen den aanleg en de
neigingen van hem nagaan en men late hem worden,
waartoe hij roeping gevoelt. Is \'t reeds voor den wees
eene ramp zijne ouders te missen, laten wij het leed
verzachten en niet door koudhartigheid de ramp ver-
grooten. Laat menschenmin de tranen drogen, die
het weeskind schreit, maar \'t niet naar \'t oorlogsveld
en de kazerne verwijzen.
Lezers en lezeressen, hebt gij het boekje gelezen, geti-
teld: „De Wees van Amsterdam door M. C. Rudolfs?"
Zoo niet, dan raad ik u ernstig aan het te doen,
want ieder, die belang stelt in weezen, zal er wat in
vinden, dat in verband staat met de geruchten, die
over Neerbosch rondgaan, en dat de ernstige overpein-
zing van ieder waard is.
-ocr page 12-
:o
Men leze vooral pagina 52—112, dan zal men inzien,
hoe het er in vroegeren tijd in gestichten, waar vele
weezen werden verpleegd, toeging, (en denkelijk nog
toegaat). En ook zal men dan tot de overtuiging komen,
dat, wat er zoo al onder de weezen voorvalt, niet geweten
wordt door het toezicht. Onder de weezen heerscht niet
zelden een treurige, wreede geest; geldt het recht van
den sterkste. Wat is van aldus opgevoede schepselen te
wachten? Als de natuur niet machtiger is dan de
omgeving, moeten zulke personen in de maatschappij
noodwendig verongelukken. Nog eens: wie zich dezer
dagen een zelfstandig oordeel wil vormen van de beste
wijze van weezen verpleging, die verzuime niet „De
Wees van Amsterdam" te lezen. Het is reeds vijfjaren
geleden verschenen, en dus niet geschreven met het
oog op hetgeen men later van Neerbosch zou of kon
zeggen.
„Onze Maatschappij", aldus lezen we in het 18e
jaarverslag der Maatschappij tot verpleging van weezen
in het huisgezin, „kenmerkt en onderscheidt zich ook
daardoor, dat zij geen ouderloozen uitsluit, van haar
hulp, tot welk kerkgenootschap de ouders ook behoord
hebben, en bij de keus van de pleegouders daarmede
rekening houdt. Het kind van Israëlietische ouders
-ocr page 13-
II
plaatst zij bij Israëlieten; het Katholieke bij Katho-
lieken; het Protestantsche in een Protestantsch gezin.
Ja, zij gaat nog verder en acht zich verplicht de
onderscheidene kerkgenootschappen en richtingen op
Protestantsch gebied zooveel maar immer mogelijk is,
in het oog te houden. Zij ijvert niet voor ééne partij,
noch werkt in het bijzonder voor ééne richting."
Zie, dat is m. i. eene zeer groote aanbeveling voor
deze Maatschappij. De zaak der weezenverpleging is
eene te ernstige, te heilige zaak, dan dat zij geëxploi-
teerd moge worden om propaganda te maken voor
eene bijzondere godsdienstige richting. Aan den
barmhartigen Samaritaan gelijk, vraagt zij eerst: welke
hulp behoeft het weeskind ? om dan bij de keuze der
huisvesting naar het geloof en de kerkelijke richting
der ouders onderzoek te doen.
Maar de Maatschappij tot verpleging van weezen
in het huisgezin volgt nog een ander beginsel. Zij
gaat nl. ook te rade met de maatschappelijke afkomst
der weezen: zij houdt rekening met lichaam en geest
en tracht haar doel op de volgende wijze te bereiken:
„Wanneer door een voogd, een burgerlijk of ker-
kelijk armbestuur de hulp der Maatschappij wordt
ingeroepen, dan zoekt zij, nader ingelicht aangaande
den leeftijd, het gestel, het geslacht der kinderen, de
oorzaken van het overlijden der ouders, hun maat-
-ocr page 14-
12
schappelijke positie en hun kerkelijke gezindte, een
gezin in die streken, welke met het oog op den li-
chamelijken toestand, en voor de intellectueele ontwik-
keling de meeste waarborgen aanbieden.
Daarmee nu kunnen groote inrichtingen, als Neer-
bosch, geene rekening houden, en dit stellig tot schade
van verscheidene, van de meeste weezen.
„Zijn de kinderen in de nieuwe omgeving geplaatst,
dan worden de personen, die bij het kiezen der pleeg-
ouders hun diensten hebben betoond, met het houden
van het toezicht belast, en vertegenwoordigen de
Maatschappij tegenover ouders en kinderen. Valt de
woning der pleegouders binnen de grenzen van een
comité der Maatschappij, dan zijn de leden van \'t
Comité met het toezicht belast. Deze medearbeiders
komen telkens in aanraking met de pleegouders en
weezen; door hunne tusschenkomst wordt het toezicht
van het hoofdbestuur, dat jaarlijks de kinderen in
hunne verblijfplaats opzoekt, aangevuld."
Deze Maatschappij bezit „Het doorgangshuis" te
Zandbergen bij Amersfoort.
„Zal er uit de kinderen worden, wat er uit worden
moet, dan moet men het kind niet regimentsgewijze,
maar afzonderlijk behandelen. Men kan groote getalen
van kinderen wel fatsoeneeren, africhten, drillen naar
het reglement, dat men voor hunne gezamenlijke ver-
-ocr page 15-
13
zorging heeft vastgesteld, vooral wanneer men bijge-
staan wordt door een compleet kader van ondergeschik-
ten; en zeker, de discipline en tucht, de orde en regel-
maat, die zich bij eene inspectie aan ons voordoen, maken
geen ouaangenamen indruk; wij kunnen ons dan ook
gemakkelijk verklaren, hoe, oppervlakkig beschouwd,
het ideaal in zulk eene verzorging gelegen wordt geacht."
Wij vragen echter met den Secretaris der Maat-
schappij tot verpleging van weezen in het gezin: Kan er
dan van opvoeding sprake zijn? Voedsterlingen en
verpleegden worden bij zulk eene organisatie genum-
merd, en in de massa gaat het individu verloren.
Men kan zegenrijken invloed op de kinderen enkel
verwachten van persoonlijken invloed, en van den
diepen indruk, welken een innig overtuigd, vriendelijk,
ernstig mensch op een kind maakt, wiens vertrouwen
en eerbied hij heeft gewonnen.
Die ervaring moet thans aan het woord. De heiligste
ijver, de hartelijkste toewijding zijn niet in staat de
nadeelige gevolgen te voorkomen, welke het verplegen
van duizend en meer weezen in een gesticht heeft.
Innige belangstelling in het lot der weezen deed
mij de pen opvatten, en ik houd er mij van overtuigd,
-ocr page 16-
14
dat mijne eenvoudige opmerkingen zullen overwogen
worden door allen, die overtuigd zijn, dat een wees
nog wat meer behoeft dan brood. Hebben we dan
den moed met een stelsel te breken, dat niet proef-
houdend is bevonden! Zeker, uit zulke groote inrich-
tingen komen ook personen, die later met eere eene
plaats in de samenleving innemen, maar dit hebben
zij meer aan de natuur dan aan hunne opleiding te
danken. In ieder geval kan eene strenge, militaire
opvoeding van kinderen geen liefde wekken, en bekend
is het, dat weezen voor zulke strenge verzorgers geen
liefde en eerbied hebben, zich wel aan hen onder-
werpen, maar niet overgeven.
En waar de toestand aldus is. kan niet zegenrijk
gearbeid worden.
Oudeschild, 29 Juni 1893.
c¥. /<LfJ>
-ocr page 17-
Uitgave van W. & J. M XOOTESi, te Haarlem.
In Stamperius\' Nieuwe Bibliotheek voor de Jeugd is
vroeger verschenen:
DE WEES
van Amsterdam,
— DOOR —
M. C. RUDOLFS.
Prijs 75 Cents, gebonden ƒ1,10.
Een aangrijpend verhaal van een wees. die in het wee-
zengesticht „Veenhuizen" werd opgevoed.
„Wilt gij kennis maken met Veenhuizen", — zoo schreef
de heer S. KAAKEBEEKE in „Be Wekker" - schaf u dit
werkje aan, en hebt gij het gelezen, geef het uwen knapen
en meisjes, die de 12 jaar achter den rug hebben.
Welk eene vertooning ligt er achter het gordijn, dat dit
boekje wegschuift! Wat er geleden wordt, vraag het uzelf,
als gij na lezing den stijl nog eens nagaat. De matte tint
daarin spruit uit de stemming des schrijvers, en deze heeft
Veenhuizen gevormd. Wijzen wij op die matheid, het is
om te beduiden, dat het boek er hooger waarde door heeft,
zelfs eene zekere dorheid der indeeling verhoogt die waarde.
ik kende Veenhuizen niet zoo in bijzonderheden en weet
niet, wat veranderd is; doch dat het was, zooals schrijver
voorstelt, daaraan twijfel ik zelfs geen oogenblik. Het ver-
haal is in voorstelling vol overtuiging."
Bij alle Boekhandelaren verkrijgbaar.
-ocr page 18-
»»»44»»*»»»»»M»»»*»4»»*»«M«t»«t»»**»»M4
............................................\'.■\'"
\'3 \' Q>
P v—\' <S.
Gedrukt \'iij Ou Erven Loosjkë, te Haarlem,
TD"