-ocr page 1-
" /!$}/
Or. /ff3JTir
fr
^
y^ ~£
J re ?
-\\ , S /
C.
GESCHIKTHEID I» WELSTAND.
-ocr page 2-
-ocr page 3-
Hoog geachte Vriend!
In den brief, waarin ik U een overzigt gaf van
de verschillende stelsels voor de vertegenwoordiging
van de volken uitgedacht, waagde ik het U mijne
bedenkingen in het voorbijgaan medetedeelen om-
trent de voorschriften door mij aangetroffen. De
ongunstige uitkomsten, welke ik van het stelsel,
dat zoo hier als elders daarvoor twee kamers op
verschillende wijze gekozen voorschreef, hadden
bij mij versterkt de bezwaren, welke ik daartegen
gevoelde van den oogenblik, dat ik vóór nu meer
dan 40 jaren over staatsregt begon natedenken.
De aanbeveling zelfs van den toen zoo gevierden
Bluntschli had mij van het wenschelijke dier instel-
ling niet kunnen overtuigen, evenmin als later een
tienjarig lidmaatschap van onze achtingwaardige
Eerste Kamer, waaraan, zoo wat de omgang der
leden betreft als de staatkundige houding door hen
meestal aangenomen, voor mij de aangenaamste
herinneringen zijn verbonden.
Met het beginsel kon ik mij onmogelijk vereeni-
gen. Is er een bolwerk noodig, zoo dacht ik, dat
ons waarborgt tegen overijlde stappen eener opge-
wonden menigte, waarom dit niet liever opgerigt
uit voorschriften omtrent de keuze van ééne kamer
-ocr page 4-
2
gegeven, dan het te zoeken in eene verkiezing van
een heerenhuis of senaat, te zamengebragt op eene
wijze, die voor de vergadering van afgevaardigden
wordt afgekeurd? Waarom de waarborgen niet aan-
genomen bij het kiezen van afgevaardigden, die
de oprigting van een stremmend heerenhuis on-
noodig zouden kunnen maken? Na al wat ik later,
ook nu weder in deze dagen, over de vertegen-
woordiging van het volk gelezen en nagedacht heb,
ben ik van mijne liefde voor het meer eenvou-
dige stelsel van ééne kamer met een trap niet
terugkomen. Het is mijn „ideaal" op dit gebied
gebleven, zelfs al wil men het algemeene stem-
regt daarbij toepassen, mits dat de keuze geschiede
uit ingezetenen van het „distrikt" en de afgevaar-
digde naar de hoogere vergadering der Staten-ge-
neraal uit de Provinciale Staten zelve worde ge-
kozen. Ik koesterde nog altijd de verwachting dat
de strijd der partijen hierdoor in hevigheid zoude
afnemen, en de keus van de afgevaardigden naar de
Staten-generaal meer de uitdrukking worden van den
wil des volks. Gaat men de lijst van de leden onzer
Tweede Kamer na, dan staat men waarlijk ver-
baasd hoe een Almelo zijn\' vertegenwoordiger te
Rijzenburg, een Sneek te Arnhem, een Leiden te
Deventer is gaan zoeken, tenzij dat het belang der
partij daarbij in het spel ware. Van bijzondere
bekendheid met de behoeften der streek, die afvaar-
digde, kan hierbij wel geen spraak zijn geweest,
evenmin als van buitengewone genegenheid voor
den persoon, wien het eerambt werd opgedragen.
-ocr page 5-
3
Bij den eisch daarentegen dat de afgevaardigde
naar de Provinciale Staten uit de ingezetenen van
zijn „distrikt" gekozen worde, is het alligt te ver-
wachten dat zich daaronder iemand bevindt, die
zich door bekendheid met de behoeften der streek
of door zeldzame bekwaamheid onderscheidde, en
daardoor zoowel de achting als het vertrouwen
zijner omgeving verwierf. Meer als waarschijnlijk
is het ook dat de leden van de Provinciale Staten,
zoo hun de keus van een uit hen tot afgevaar-
digde voor de Staten-generaal werd opgedragen, het
oog zouden laten vallen op hem, die zich in hunne
bijeenkomsten als een kundig en achtingwaardig
man deed kennen. Volgt men de namen der Ge-
deputeerde Staten in de verschillende provinciën,
dan zal erkend moeten worden dat de keuze in
den regel op geschikte personen is gevallen, zelfs
voor eene betrekking, die wegens hare onvereenig-
baarheid met andere dikwijls door weinigen wordt
begeerd. Wordt verder het oog gevestigd op de
mannen, die uit het midden der Provinciale Staten
naar onze Eerste Kamer zijn gezonden, ook dan
zal men moeten toegeven dat de gegeven voorkeur
meestal zeer te verdedigen was, zelfs uit eene lijst
van personen, door den minst afdoenden van alle
waarborgen voor bekwaamheid, dien van eene groote
som gelds, bij de kiezers aanbevolen.
De beschouwingen zelfs, welke ons over de ver-
tegen woordi ging van het volk in de allerlaatste
dagen werden voorgesteld, hebben mijne meening
in deze nog weinig veranderd. Nog altijd betreur ik
-ocr page 6-
4
dan ook dat men bij de herziening van onze grond-
wet aan een verouderd stelsel zich heeft blijven
hechten, dat hier zoo min als elders veel vruchten
had afgeworpen. Waartoe zal ik echter mijne op-
vatting omtrent de eischen eener ware vertegen-
woordiging na het vroeger U geschrevene nader uit-
eenzetten? De grondwet zal vooreerst wel niet
weder herzien worden en daardoor het vraagstuk
op nieuw aan de orde gebragt. Nog langen tijd
welligt zal ons land bedacht blijven met een\' tak
van vertegenwoordiging, zamengesteld uit vermo-
genden of mannen, die in de gunst van vroegere
regeeringen bij het ontvangen van hooge betrekkin-
gen mogten deelen, gekozen op eene wijze, die
voor de afgevaardigden van den tweeden werd af-
gekeurd. De tegenwoordige regeering heeft zich
ook nu alleen geplaatst voor de taak van te onder-
zoeken, welke beteekenis er zal moeten worden
gegeven aan de woorden van welstand en geschikt-
heid, uitdrukkingen, waarvan ieder maken kan wat
hij wil, en misschien juist wel daarom bij de her-
ziening van de grondwet aangenomen dat niemand
tegen het nevelachtige een ernstigen strijd zoude
voeren.
Over het ontwerp tot herziening van de kieswet
is men de tegenwoordige regeering zeer lastig ge-
vallen. Men heeft het zelfs „roekeloos" genoemd.
Zeker is het een gewaagde stap. Men moet toch
niet vergeten, dat zij, die volgens de nieuwe kies-
wet gekozen zullen worden, de toekomstige wetge-
vers zullen wezen; zij zullen de magt bezitten eene
-ocr page 7-
5
geheel andere orde van zaken in het leven te roe-
pen dan die, waaronder wij nu leven. Niet alleen
zullen zij vermogen den last der staatsuitgaven ge-
heel over te brengen op de schouders van hen, die
weerloos door hun gering getal nu dikwijls te
veel als grootelijks bevoorregte standen worden
beschouwd, maar omtrent eigendom, erfopvolging,
huwelijk, onderhoud van kinderen, zullen zij voor-
schriften kunnen geven, die zoover afwijken van de
tegenwoordige, dat zij onze maatschappij met eene
geheele omverwerping bedreigen. Gesteld dat de
achthonderdduizend kiezers eens overeenkwamen,
uitsluitend mannen te kiezen uit een\' kring, waarin
het regt van den eigendom wel eens achterstaat
bij de kracht van den arm, waar erfopvolging
bij gemis van goederen weinig waarde heeft, het
huwelijk beschouwd wordt als een vrijbrief voor
achtelooze voortbrenging van kinderen, welke het
zoo gemakkelijk zoude wezen van staatswege te
doen voeden, het werd voor de regeering, die
het voldoen aan zulke eischen als hersenschimmig
beschouwde, hoogst moeijelijk tegenover eene zoo-
danige kamer optetreden. Elke regeering zoude
door zulke kamer onmogelijk kunnen worden, tot-
dat er eene het roer van staat aanvaarde, die eene
nieuwe verdeeling van den rijkdom des volks in
haar schild voerde, de erfopvolging dienstbaar maakte
om de uitgaven van den staat te bestrijden, en de
jeugd kosteloos op een middagmaal tusschen de
schooltijden onthaalde. Wel zijn er, die meenen,
dat zulke overdrijving niet lang stand zoude houden,
-ocr page 8-
6
dat de toepassing van een onmogelijk stelsel het
eerst ook het ongerijmde daarvan zoude aantoonen,
en eene „revanche" doen ontstaan, die ons weder
in de armen van de „bon vieux temps" terug
wierp, evenals de uitspattingen van de republikei-
nen in Frankrijk herhaaldelijk tot een bestuur ge-
leid hebben aan alleenheersching grenzende; maar
daargelaten dat een zoodanige terugkeer tot vroegere
toestanden ver van wenschelijk ware, zeker zoude
de proefneming intusschen het land in een poel
van schuld en verwarring hebben gestort, die het
algemeen op vreeselijke wijze had verarmd en de
vruchten van de vlijt der spaarzame vaderen groo-
tendeels vernietigd.
Onder de strengste regters van onze tegenwoor-
dige regeering wil ik mij niet rangschikken. Zij
bevindt zich werkelijk op een moeielijk standpunt.
Uitbreiding van het kiesregt is een eisch, die zich
zoo hier als elders aanhoudend hooren doet. Steeds
wijder worden de deuren in deze opengezet. Wie
zal haar bij ons op den duur tegenhouden, nu
zij bij onze naburen meer en meer veld wint? Te
moeielijker werd het standpunt onzer regeering door
het optreden eener zoogenaamd bevriende partij,
de „liberale unie" die zich als hare voogdes opwierp
en haren sleun afhankelijk stelde van eene gehoor-
zaamheid, waartoe eene regeering zich nooit moest
laten vinden, maar die meer en meer een gewoon
verschijnsel wordt, sedert de volken zich door
hoofden van partijen doen leiden. Wat zpude onze
regeering, die als „liberaal", als hervorminggezind
-ocr page 9-
7
optrad, doen tegenover vrienden, die haar tot de
schier uiterste grenzen van het kiesregt wilden
voeren? Wat, nu deze de beperkende eischen
van welstand en geschiktheid zoo laag mogelijk
stelden ? Kon zij als vrijgevig optredende tegenover
de hoofden eener „liberale unie" eischen voor de
bevoegdheid van den kiezer stellen, welke zij wist
dat door hare zoogenaamde vrienden als behoudend
zouden worden gebrandmerkt?
Beweerd is geworden dat de kleine meerderheid»
welke de „liberale" partij bij de laatste verkiezingen
heeft verkregen, de uitdrukking was van den volks-
wil, die reikhalsde naar kieswetherziening en ver-
zwaring van „directe" belasting om de laatste
aksijnsen te vervangen. Ik geloof dit niet. Mogen
er velen geweest zijn, die dit wenschten, bij
anderen was het vooral te doen om door hunne stem
weerzin te toonen tegen de kerkelijke rigting van
de vroegere regeering. Reeds deden zich dan ook
in den laatsten tijd stemmen hooren, die verklaarden
dat zij op dezen of genen niet gestemd zouden heb-
ben, wanneer zij geweten hadden dat hij eene
regeering als de tegenwoordige blindelings zoude
volgen. Hoe dit zij, de regeering, die nu aan het
roer van den staat zich geplaatst ziet, bevindt zich
in geen gemakkelijk vaarwater. Voldoet zij slechts
ten halve aan de eischen der „liberale unie," het
verwijt van ontrouw ligt voor de hand, en het ge-
vaar dreigt dat zij bij den eersten misstap — en
wie staat altijd even vast in de schoenen? — door
eene „motie" op stal wordt gezet, die den weg
-ocr page 10-
8
zoude banen aan nederlandsche stuurgierige vol-
bloed „Unionisten."
De gedachte is misschien niet al te gewaagd dat
het juist de vrees onzer tegenwoordige regeering
voor hare als voogden optredende vrienden was, die
haar noopte bij de kieswetherziening te gaan tot
de uiterste grenzen, welke de grondwet aan de uit-
breiding had gesteld. Welligt verwachtte zij van de
„oppositie", de kerkelijke partijen, in deze tegen-
stand of althans beperkende voorstellen, en zoude
zij zich niet dood getreurd hebben, wanneer van
eene eenigzins bevriende, zij het dan ook zeer ge-
matigde rigting, eene wijziging ware voorgesteld,
die haar het witte voetje bij de ver gaande hervor-
mers had doen behouden en toch gewaarborgd
tegen de gevolgen harer vooropgestelde beginselen.
Maar is het mogelijk dat zulke denkbeelden bij haar
zijn opgekomen, ook dan liep het haar in deze
weder niet mede. Wat niemand had verwacht, haar
sterkste tegenstander, bij allen eerbied voor god-
delijk regt toch niet geheel afkeerig van volksgunst,
ontdekte op eens dat het „calvinisme" eigenlijk
„democratisch" was, en omhelsde eene zeer ver
gaande uitbreiding van het kiesregt als een middel
om zijne denkbeelden misschien elders te doen
zegevieren met de hulp van hen, waarmede hij
het in geen enkel opzigt eens kon worden dan
in het bestrijden van voorzigtigheid.
Was er van de „oppositie", dus van vijandige zijde
een voorstel uitgegaan om de uitbreiding van het
kiesregt te temperen, dat geweld der regeering
-ocr page 11-
9
aangedaan zoude voor baar welligt eene „douce
violence" geweest zijn, al ware het ook nooit als
zoodanig erkend. Maar dit kansje werd haar niet
gegund. "Wel verklaarde de tegenpartij voor ge-
schiktheid een anderen maatstaf aantenemen, dien
van het huismansregt — de „oppositie" die mede
gaat doet dit alleen onder voorbehoud dat zij in de
wijze hoe het toch altijd beter weet — maar in de
uitbreiding zelve van het regt zoude zij des noods
nog verder willen gaan en het „record" op het
reeds zoo gevleugelde wiel der „populariteit" zelfs
willen verbeteren. Zoo kunnen de meest doordachte
berekeningen falen, wanneer voorstellen niet uitslui-
tend gegrond zijn op eigene overtuiging. Eene han-
dige „oppositie" wordt bondgenoot, waar men haar
liever zag als tegenpartij, en ontneemt aan de re-
geering den nimbus, waarin haar ontwerp was ge-
huld, om woeker trekkende uit de voordeelen,
welke zij daaruit kan halen, met te meer kans op
slagen elders hare grieven te doen gelden tegen een
bestuur, dat door zijn onvoorzi\'gtig optreden trou-
were gezellen van zich verwijderde.
Het ontwerp der regeering werd intusschen door
de leden der Tweede Kamer onderzocht, en, gelijk
te verwachten was, ook hier gold: zooveel hoofden,
zooveel zinnen. Met uitzondering van eenigen, die
met lofwaardige zelfopoffering zich vergenoegden
aan het ontwerp hulde te brengen, was er eene
bloemlezing van staatslieden, die in beleid den
minister den loef zouden hebben afgestoken, zoo
hun de eervolle taak was opgedragen het kiesregt
2
-ocr page 12-
10
te verbeteren, en onder de voorstanders van het
voorgedragene was er zelfs een aantal, dat den weg
naar het gewenschte doel geheel anders geplaveid
zoude hebben.
Onverdeelde ingenomenheid werd schaarsch aan-
getroffen. Waren er eerlijk genoeg om te ver-
klaren dat zij eene zoo groote uitbreiding een „leap
in the dark" — waarom niet een bokkensprong? —
achtten, velen die voor hunne toekomst daarvan
als afgevaardigde weinig heil bij eene nieuwe
keus verwachtten, maar het toch ook minder ge-
raden oordeelden den kiezers in spe juist daarom
nu regtstreeks den oorlog te verklaren, zochten
volijverig naar beginselen, nog gewigtiger dan een
uitbreiding van kiesregt en dus in elk geval te ont-
zien, die het pad tot de stembus zouden kunnen
versperren.
Tal van „recepten" werden aan de regeering
voorgeschreven, bij het gebruik waarvan zij aan den
wensch naar uitbreiding met eerbiediging van de
door onze grondwet gestelde grenzen zouden kun-
nen voldoen. Ik zal het niet wagen uit mijne
„pharmacopie" daar iets bij te voegen. In mijn
vroeger schrijven deelde ik U mede, tot welke uit-
komsten mijn onderzoek naar de elders gegeven
voorschriften en de daaruit gesproten vruchten had
geleid, onder bijvoeging van de voorwaarden, waar-
onder ik meende dat een algemeen stemregt, waar-
aan het voorstel der regeering al zeer nabij komt,
zoude kunnen worden aangenomen. Onnoódig acht
ik het dit hier te herhalen; maar nu de grond-
-ocr page 13-
11
wet, waaronder wij leven, de voorwaarden uit-
sluit, die ik gaarne aangenomen zoude zien, zij
het mij geoorloofd, nog met een enkel woord te ver-
melden aan welke van de o. a. in het verslag der Ka-
mer aangegeven waarborgen voor eene goede keus
van afgevaardigden door mij de voorkeur zoude
worden gegeven.
Al aanstonds valt mijne aandacht dan op de wen-
schelijkheid van zulke voorwaarden te kiezen, die
gemakkelijk zijn na te gaan en aan de weinige
uitgeslotenen zoo min mogelijk\' aanstoot geven.
Hoe ruimer de uitbreiding wordt gesteld, des te
harder wordt het voor de weinigen, die uitgesloten
zijn, zich van het voorregt verstoken te zien. Zijn
er van 1.000,000 volwassen mannen slechts 300,000
kiezers, dan kunnen de overige 700,000 zich bekla-
gen dat dit voorregt hun niet is toegekend, maar
dan zal die uitsluiting voor hen minder grievend
of beleedigend zijn, dan zij door de 200,000 zal
worden beschouwd, wanneer er 800,000 zijn toe-
gelaten. In het eerste geval hebben de uitgeslotenen
de groote meerderheid tot lotgenooten, in het tweede
zullen zij zich als paria\'s beschouwen. Zoolang men
dus door onze grondwet verpligt wordt tot uitsluiting
van sommigen, wien de noodige welstand of ge-
schiktheid ontbreekt, dan is het wenschelijk aan
deze woorden de zachtste beteekenis te geven, en
de voorwaarden zoo te stellen dat de mogelijkheid
om daaraan te voldoen althans in het verschiet ligt.
Als zoodanig nu schijnt mij de eisch van een
hoogeren leeftijd zeer aanbevelenswaardig. Kunnen
-ocr page 14-
12
er misschien kiezers zijn, die op hun 238te jaar
meer geschiktheid hebben voor het uitbrengen van
eene keus dan anderen op hun 309te, het blijft een
voorschrift voor niemand beleedigend bij het be-
wustzijn dat zijn toestand in deze met eiken dag
beter wordt, en hij later met al zijne tijdgenooten
in het voorregt kan deelen van de mannen aan te
wijzen, die tot behartiging van zijne belangen, mits
niet strijdig met de algemeene, tot de hoogste ver-
gadering geroepen zullen worden. Is het ook niet
eenigzins billijk bij den kiezer, die over de ver-
diensten van den afgevaardigde later een oordeel
zal vellen, denzelfden leeftijd te eischen als van
hem, die daaraan wordt onderworpen?
De hoogere leeftijd als waarborg van geschiktheid
voor den kiezer verdient ook aanbeveling, dat hij
hem doorgaans plaatst in jaren, waarop hij als
huisvader staat aan het hoofd van een gezin. Zij
dus, die dit laatste voor een\' kiezer wenschelijk
achten, kunnen daartegen zeker geen bezwaar heb-
ben. Maar het is geheel iets anders, wanneer deze
zaken samengaan, dan dat men het huisvaderschap
als vereischte alleen stelt. Op zich zelf toch schijnt
mij dit nauwelijks eene aanbeveling, als men ziet
hoe ligtvaardiglijk de huwelijken dikwijls worden
gesloten, zoodat zij eer eene waarschuwing tegen
hen, die ze aangingen, zouden zijn dan eene aan-
beveling tot uitoefening van een regt, waartoe be-
radenheid een hoofdvereischte geacht mag worden.
Hoe vaak toch is het huwelijk slechts een middel
om de gevolgen van onvoorzigtigheid te vergoelijken,
-ocr page 15-
13
en vergeet men daarbij dat voor den aanstaanden
wereldburger, wien men de schande van onechte
geboorte wil besparen, deze weldaad slechts gekocht
wordt door de waarschijnlijkheid van hem een aantal
broertjes en zusjes tot gezelschap te geven in de
toekomst, die zijne armoede zullen deelen of zelfs
vergrooten, gedachtig aan het spreekwoord dat zelfs
bij het door spiraalvormige ruggegraatsverlenging
bekende ras de soep verdund wordt, naarmate het
getal der tot den ongedekten disch zich spoedende
gasten toeneemt.
Tegen den eisch van dertigjarigen leeftijd is in-
gebragt dat het toch niet aanging hem te vorde-
ren, waar men voor vrij gewigtige betrekkingen,
als van burgemeester b.v., dien van 25 jaren vol-
doende acht Dit bezwaar rust op volslagen mis-
verstand. Op vijf en twintig jarigen leeftijd wordt
alleen hij tot zulke betrekking benoemd, die aan
hen, waaraan de beschikking hieromtrent is toe-
vertrouwd, overigens de bewijzen heeft gegeven
van zijne bekwaamheid, of door anderen zich
als aanbevelenswaardig zag voorgedragen. Bij ove-
rigens voldoende bekwaamheid kan hij op vijf en
twintigjarigen leeftijd benoemd worden, doch men
is niet verpligt hem toe te laten, omdat hij 25 jaren
telt. De kiezers zullen volgens het ontwerp van
de regeering moeten worden toegelaten, zoo zij
meerderjarig zijn. "Wilde men echter, met het oog
op gelijkmatigheid van eischen voor bevoegdheid,
ook bij de benoeming lot andere betrekkingen
den eisch van leeftijd iets hooger stellen, het ware
-ocr page 16-
14
eene zaak van lateren zorg en zeker iets, dat wel
eenige overweging verdient, vooral bij die, waar
voor een\' daarmede begiftigde een zelfstandig oor-
deel wordt vereischt. In den regel is de leeftijd , die
bij ons voor het bekleeden van eenig ambt wordt
vereischt, laag genoeg, en bij dat van burgemees-
ter zoude zeker de toevoeging van enkele jaren
niet schaden, wil men niet dat hij de verantwoor-
delijke uitvoerder worde van de maatregelen door
een\' invloedrijken wethouder of schranderen sekre-
taris noodig beschouwd. Het beroep op den jeug-
digen leeftijd bij den burgemeester geduld zal in
geen geval worden aangenomen door hen, die deze
toegevendheid der wet wel eens in verband bragten
met den wensen van een\' vroegeren minister om
zijn\' gewezen leerlingen als gehoorzame volgelingen
de meer behoudende burgervaders van het „ancien
régime" te doen vervangen.
Is het gemakkelijk aan de door onze grondwet
gewenschte beperking \'van het stemregt eene uitleg-
ging te geven, wat den leeftijd betreft, omdat zij
ons daarin vrijheid geeft, mits dat men geen minder-
jarige tot de uitoefening daarvan toelate, niet zoo
ligt valt uitvoering te geven aan het tweede voor-
schrift, dat van den vereischten maatschappelijken
welstand. Wel geeft de grondwet eene opsomming
van menschen, die daarvan zijn uitgesloten, zoo
uitvoerig dat men haar op die plaats niet zoude
zoeken, en vermeldt zij zelfs personen, wien het
onmogelijk is het stemregt uit te oefenen, als de
zoodanigen, die achter slot zitten, waarbij zij niet
-ocr page 17-
15
onaardig ook de opgeslotenen in krankzinnigen-
gestichten had kunnen voegen; maar het groote
bezwaar is, dat men volgens het voorschrift bij
een millioen meerderjarigen dan moet onderzoeken
naar de middelen om hen uit te sluiten, die vol-
gens de grondwet onwaardig moeten geacht worden.
Wat al statistieken zullen er geraadpleegd moeten
worden om na te gaan niet alleen wien bij regter-
lijke uitspraak de uitoefening van het kiesregt
is ontzegd of de beschikking over hunne goederen
ontnomen, maar vooral wat een arbeid geeischt
van de verdienstelijke armbesturen, wier liefde-
werk niet genoeg kan worden gewaardeerd, zoo
men hunne taak nog verzwaart met het opgeven
van de ongelukkigen, die door tijdelijken nood ge-
drongen waren tot hen om hulp de handen uit te
strekken!
Dat het ontvangen van bedeeling een vermoeden
wettigt omtrent gemis van maatschappelijken wei-
stand, zal wel niemand betwijfelen; maar dat het
een bewijs zoude wezen van ongeschiktheid tot het
uitbrengen van eene stem, is meer betwistbaar.
Het rangschikken van bedeelden nevens gevangenen
en hen, die door regterlijk vonnis van het stemregt
zijn uitgesloten, is mij steeds minder voegzaam en
menschlievend toegeschenen, een uitvloeisel mis-
schien van een „plutarchisch exclusivisme", dat uit
het eerste gedeelte van artikel 80 was overgewaaid.
Een opgeven van de namen, die tot openbare lief-
dadigheid de toevlugt moesten nemen, heeft iets
hatelijks, vooral ook wanneer men denkt aan het
-ocr page 18-
16
aantal van hen, die kiezers blijven in weerwil van
hun geheime aanspraak op de beurzen van anderen,
zoo vaak bij minder nood en weinig bescheiden-
heid. Maar inzonderheid heeft dit iets uitnemend
stuitends voor hen, die de reeds maar al te zware
taak van bedeeling op zich namen, en daardoor het
bewijs gaven van toewijding aan het welzijn hunner
medemenschen, eene toewijding des te lofwaardiger
naar mate het loon voor hunne moeite te weinig
in de dankbaarheid der beweldadigden wordt ge-
vonden, en een bedilzuchtige omgeving het wel be-
steden van de gaven dikwijls betwijfelt, om nog te
zwijgen van de bekrompenheid der zulken, die de
waarde hunner kleine bijdragen vaak hooger durven
schatten dan de onwaardeerbare moeite door hen
aangewend, aan wie zij hunne spaarzaam afgetelde
penningen toevertrouwden.
Voor hen, die weten met hoeveel zorg door som-
mige armbesturen dikwijls wordt nagegaan of de
zich bij hen aanmeldende behoeftigen eenigen on-
derstand wegens hun gedrag verdienen, zoude het
misschien wel tot eene aanbeveling kunnen strek-
ken, zoo iemand bedeeld was geworden, iets dat in
den regel bij zedeloosheid, verzuim van arbeid of
woelziek leven niet geschiedt.
Na het lezen van de verschillende meeningen,
die naar aanleiding van het voorstel der regeering
ten beste werden gegeven om de wenschen der
partijen zooveel mogelijk in overeenstemming te
brengen met de voorschriften eener grondwet, die
als rigtsnoer den weg tot het doel niet al te duidelijk
-ocr page 19-
il
aanwees, kwam de vraag wel eens bij mij op of
men niet het verstandigste zoude doen met de zaak
om te keeren, door in plaats van te vermelden wie
uitgesloten zijn, liever aan te geven aan wie toe-
lating moest worden verleend. Wie niet de ver-
eischten had om te worden toegelaten, was dan na-
tuurlijk uitgesloten: de man, die geen bewijs kon
leveren voor zijn regt, zoude zich de deur tot de
zaal der verkiezing versperd vinden. De nieuwe
belastingen op vermogen en bedrijf, door velen nog
zoo van ter zijde aangezien, konden daartoe nuttig
wezen. In plaats van berigten in te winnen of
iemand ook eenigen onderstand van een armbe-
stuur had ontvangen en bij ontkennend getuigschrift
regt op stemming had wegens het vermoeden van
maatschappelijken welstand, zoude men het bewijs
kunnen vorderen dat hij het vorige jaar zijn aan-
slag in eene dier belastingen had voldaan, zeker
een onmiskenbaar teeken dat hij eenige welvaart
genoot, zoolang de heffing wordt toegepast op hen,
die meer te verteeren hebben dan voor onmisbaar
onderhoud wordt vereischt.
Dat het bezit van f 13,000— een voldoend bewijs
van zekeren welstand is te achten, en waarschijn-
lijk ook eenige onafhankelijkheid bij de kiezers
waarborgt, wier stemmen te koopen dan een zeer
dure aardigheid worden zoude, zal wel geen betoog
vereischen, en dat hetzelfde, zij het ook in geringer
mate, geldt van den man, die minstens ƒ600.—
inkomen heeft, welke som men vermoedelijk wel
als vrijdom genietende zal vrijlaten, kan almede
-ocr page 20-
18
aangenomen worden beschouwd. Bij hen der-
halve , die het bewijs kunnen leveren, dat zij in
die belastingen werden aangeslagen en het schuldige
voldeden, heeft men zelfs meer zekerheid van hun
welstand dan wanneer men hun naam mist op
de rekening der armbesturen, wat volstrekt nog
niet aantoont dat zij van hulp te vragen zich ont-
hielden bij menschen, die bij het verleenen daarvan
misschien minder eischen van goed gedrag stelden.
Hierbij komt dat de armbesturen dan kostelooze
„controleurs" voor den staat worden. Zij toch, die
bij het geringe der sommen, waarover zij te be-
schikken hebben, zich steeds zullen verheugen
wanneer zij ontslagen worden van gezinnen, waarbij
hunne hulp niet volstrekt noodig is, zullen zelve
wel zorgen na te gaan wie als kiezers aanspraak
maken en op lijsten voorkomen, waar het inruimen
van een plaatsje hun elke aanspraak op ondersteu-
ning als armen geheel ontzegt. Men zoude mis-
schien zelfs kunnen aannemen dat de eisch aan
den kiezer van op deze wijze aangeslagen te zijn
in de vermogens of inkomstenbelasting de beste
waarborg was dat aan het verlangen der grondwet
tot uitsluiting van bedeelden werd voldaan. Het is
toch bijna niet denkbaar dat menschen, die ƒ13.—
in de week verdienden en dus meer dan /"650.—
inkomen hadden, van armbesturen ondersteuning
zouden hebben genoten.
Het groote getal van regthebbenden maakt bo-
vendien de zoogenaamde „kiezerteelt" tot een zeer
dure liefhebberij, te meer omdat de waarde van de
-ocr page 21-
10
stem vermindert in verhouding tot de menigte, die
ze uitbrengt.
Mogt het al gebeuren dat een enkel burger bij
de eerste verkiezing als kiezer door de mazen vloog
van het net door de grondwet tegen hem als be-
deelde gespannen, wij kunnen verzekerd zijn bij
den ijver der armbesturen om een noodeloos nade-
ren van gasten tot hunne tafel te verhinderen, dat
het bij de eerstvolgende niet weder zoude geschie-
den. Voor hen, die als kiezer zich wilden doen
gelden en daarbij toch de onbescheidenheid nog had-
den aanspraak te maken op de beurzen der liefda-
digen, zoude een schrappen op de lijsten der arm-
besturen een welverdiende straf wezen, verzacht
slechts door het troostvolle bewustzijn dat de eer
van invloed te hebben op het bestuur van den staat
meer waarde heeft dan het brood door loutere goed-
heid verkregen.
Onbetwistbaar zal wel het gemak wezen dat men
verkrijgt, zoo men kan besluiten door het bewijs
van betaalde belasting en hoogeren leeftijd de beper-
king te verklaren, welke onze grondwet nog tegen
het algemeene stemregt heeft willen opwerpen, en
zeker wordt de arbeid zoo van gemeentebestuur als
armenverzorging veel verligt, indien men de uit-
sluiting van bedeelden als een „pleonasme" in ar-
tikel 80 onzer grondwet zoude willen beschouwen,
die van zelve spreekt, waar menmaatschappelijken
welstand tot een eisch aan den kiezer stelt.
Dat geschiktheid en welstand door het woordje
en verbonden moeten zamengaan, kan, dunkt mij,
-ocr page 22-
20
niet worden betwijfeld. Ware slechts een van beide
vereischt, het woordje of had er geschreven moeten
worden. Een welvarend kiezer, die tot het uit-
oefenen van zijn regt ongeschikt is, moet de bus
voor hem gesloten vinden, en de schoonschrijver,
die in stijl eenen Demosthenes naar de kroon steekt,
dient zelfs in het stelsel der regeering zich te ver-
geefs op de meewarigheid van het „kiesbureau" te
beroepen, waar het gemis van welstand zijne onaf-
hankelijkheid doet betwijfelen.
Den minister Tak is er een verwijt van gemaakt
dat hij zich gewaagd heeft in de „memorie van
toelichting" aan eene „kritiek" op de grondwet. In
geene zaak zoude ik liever op verzachtende omstan-
digheden pleiten dan in deze. Het schijnt mij bijna
onmogelijk, waar men de pen in handen neemt
om uitvoering aan de grondwet te geven, zich van
een oordeel te onthouden, omdat de ongelukkige
staatsman, die zich daaraan waagt, bij stilzwijgen
de zware verdenking op zich laadt hare voorschriften
uit elk oogpunt als verschoonbaar te willen ver-
goelijken.
Ongaarne daarentegen zoude ik mij scharen aan
de zijde van den man, die in meer of minder net
schrijven het „shibboleth" voor de geschiktheid van
den kiezer wil vinden. Bij de weinige kosten, waar-
mede vooral in groote gemeenten behoorlijk onder-
wijs in lezen en schrijven kan worden verkregen,
zijn er slechts weinigen, die dit nu niet verstaan.
Wilde ik de bedelbrieven, welke ik schier dagelijks
ontvang, vergelijken met het schrijven, dat gezeten
-ocr page 23-
21
landbouwers mij somtijds zenden, dan zoude ik
aan de stellers van de eersten boven de laatsten de
voorkeur moeten geven om het stemregt toe te
kennen. Toch zal niemand betwijfelen dat een
welgesteld landbouwer in het stelsel onzer grondwet
als kiezer boven een\' bedelaar de voorkeur verdient.
Maar bovendien leidt dit shibboleth tot groote moeije-
lijkheden. Wie zal het schriftelijk „examen" afnemen?
Zal men daartoe schoolmeesters aanwijzen tegen
zekere belooning? Al aanstonds herleeft de strijd
tusschen de openbare en bijzondere school. Zullen
de leden der gemeenteraden de welwillendheid zoo
ver drijven dat zij zich daarmede kosteloos belasten?
Het wantrouwen is niet te vermijden dat de leden
van den raad, die vooral in kleine gemeenten zeer
wel weten, wie voor of tegen hen zijn ingenomen,
het schrift van hunne tegenstanders zullen afkeuren.
Hoe groot is ook niet het verschil in smaak over
stijl en schrift! Voor het gemak en om allen schijn
van partijdigheid te vermijden zal welligt elke brief,
die toelating tot kiesregt vraagt, mooi worden ge-
vonden. En hoe op het platte land? Daar zal men
zeker wel al zulke brieven voor voldoende bewijzen
van geschiktheid verklaren: want de raadsleden der
gemeenten, die de zaak met nauwgezetheid opne-
men, zouden daardoor den invloed hunner dorps-
genooten in het „distrikt" waartoe zij behooren
aanzienlijk verminderen. Indien zij uit overtuiging
van hun\' pligt te doen, vele aanvragen ter zijde
wierpen, het zoude er slechts toe leiden dat andere
plaatsen, waar met weinig naauwgezetheid was
-ocr page 24-
22
gehandeld, de meerderheid bij het uitbrengen van
stemmen verkregen, en hierdoor juist aan de min-
der ontwikkelden boven de beter onderrigten de
overwinning werd verzekerd.
Wordt mij gevraagd of ik de uitbreiding van het
kiesregt voor de Tweede Kamer zelfs met behoud
van de Eerste als eene weldaad zoude beschouwen
naar het stelsel door de regeering aangenomen,
ook al was aan de door mij medegedeelde wen-
schen voldaan, ik zal het moeijelijk bevestigend
kunnen beantwoorden. Op gevaar af van het bij mijn
reeds zoo ver gevorderden leeftijd nooit te beleven,
zoude ik er de voorkeur aan geven te wachten op
eene herziening van art. 79 tot 83 der grondwet,
die op waarlijk vrijgevige grondslagen wierd geves-
tigd. Toch was het mij niet te doen om door
het geschrevene eene aanzienlijke beperking te be-
pleiten van de uitbreiding, welke de regeering aan
het getal kiezers wil geven. Vergelijkt men het
getal der mannen op dertigjarigen leeftijd volgens
de bevolkingstatistiek met dat, waarop het ontwerp
der regeering uitzigt geeft, dan is het verschil
gering. Moeijelijker is het naauwkeurig aan te geven
welke gevolgen het eischen van betaling aan vermo-
gen of inkomsten belasting hebben zal; maar dat
een groot getal kiezers daarmede vereenigbaar is,
zal niemand betwisten. Een handwerkman, die ƒ13
in de week of f 676.— jaarlijks verdient, en vol-
gens het gewijzigde ontwerp van de bedrijfsbelasting
voor f A.— wordt aangeslagen, zoude reeds kiezer
wezen. Mogt later de wensch naar eene nog
-ocr page 25-
23
grootere uitbreiding van het kiesregt zich luid doen
hooren, men zoude hieraan gemakkelijk kunnen
voldoen door het verlagen van den vrijdom bij
vermogen of inkomstenbelasting, een maatregel,
waarin een minister van finantiën alligt zoude be-
rusten, en welken de nieuwe aangeslagenen konden
beschouwen als een offer door hen gebragt op het
altaar des vaderlands, dat de moeite van deelne-
ming aan staatszorgen vereenigde met milde ope-
ning van hunne beurzen. In de stelling, waarin
wij ons op dezen oogenblik geplaatst zien, heb ik
slechts beproefd met bescheidenheid enkele gedach-
ten uit een te zetten, die bij mij opkwamen en
misschien iets zouden kunnen bijdragen om de
bezwaren te verligten, welke velen van de thans
door de regeering voorgestelde regeling duchten,
vergetende dat deze zich niet op een open veld kon
bewegen maar zich schikken moest in de duistere
engte, door de rotsen van artikel 79 tot 83 om-
geven.
Mij is het niet meer vergund deel te nemen aan
beraadslagingen, die het welzijn van ons volk zich
ten doel stellen, en waarvoor ik vroeger een vierde
van een eeuw het voorregt had met zooveel genoe-
gen te mogen werkzaam wezen. Vóór 10 jaren reeds
meende ik mijne taak aan jeugdiger krachten en
meer bevoegden te moeten overgeven. Met die taak
ontviel mij allengs ook veel, dat mij lief was, en
welks gemis het derven van een openbaar werk-
zaam leven te sterker deed betreuren. Maar wat
mij ook ontnomen werd, nooit de belangstelling in
-ocr page 26-
24
al wat met het geluk van mijn land in verband
kon worden geacht. Het was veeleer alsof bij het
wegsterven van mijne eens zoo lieve omgeving
het lot van een wijderen kring mij des te meer ter
harte ging: waar het naaste aan het oog wordt
ontroofd, schijnt dit in ruimere grens te zoeken
naar voorwerpen, waarop het de aandacht kan
vestigen. Gelukkig hij, die nog een\' vriend heeft,
bij wien het oog zich liever opent voor het goede,
waarin het vaderland zich mag verheugen, dan voor
de „wanverhoudingen", door anderen maar al te veel
in het licht gesteld, en wiens vroeger welwillend
opnemen van enkele steentjes voor den bouw van
\'s lands heil, zij het ook in gebogen houding en
met verzwakten arm aangedragen, een hulde waar-
borgt aan den wil, waar de krachten meer en meer
blijken te ontbreken.