-ocr page 1-
rt ]138^_
f/)
Man den Schrijver.
GELOOF EI PROFETIE.
TOESPRAAK
BIJ GELEGENHEID VAN DE
flerdenkingzijner 25-]arige Evangeliebediening
DOOR
G. BUISMAN JR,
Predikant der Remonstrantsche Gemeente te Delft
UlTGESPI\\OKEN 21 /VLeI l8oQ.
-4^^^p—
-
DELFT,
J. WALTMAN Jr.
1893.
■ ■ •
-f
-ocr page 2-
— - -
v-                              *
-ocr page 3-
GELOOF M PROFETIE.
-o«x>«&<-»«-
TOESPRAAK
BIJ GELEGENHEID VAN DE
flerdenkingzijner 25-jarige Evangeliebediening
DOOK
G. BUISMAN JR.,
Predikant der Remonstrantsche Gemeente te Delft.
Uitgesproken 21 /VLei 189^.
J. WALTMAN Jr.
1893.
-ocr page 4-
.
-ocr page 5-
Qstan wz//he C^tenuen.
De wensch is uitgesproken om deze toespraak door de pers
verkrijgbaar te stellen.
Ik heb gemeend daaraan te moeten voldoen.
Gij ontvangt dit woord zooals ik het uitsprak, zonder
wijziging van eenig belang.
Zij moge voor hen, die mij den I7,,en Mei tot een echt
feestelijken en onvergetelijken dag hebben gemaakt, een beuijs
mijner dankbare erkentelijkheid zijn.
G. B. Jr.
Delft, Mei 1893.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Godsd. Lied. 5 : i.
csfc>00ar&t\'écaa/iï? steenden /
Mijn hart is vervuld van meer en inniger dank-
baarheid, dan ik onder woorden kan brengen;
dankbaarheid aan God voor zijn rijken zegen;
dankbaarheid aan allen, die mij den 17den Mei
tot een gelukkigen, onvergetelijken dag hebben
gemaakt.
Dat doet een mensch, dat doet bovenal een
predikant goed. Zulke hoogtijden onderhouden het
heilig vuur, de geestdrift; zij wekken nieuw leven.
Er zijn van die dagen, waarop de mensch zich,
te midden van vele bewijzen van toegenegenheid
dankbaar en gelukkig gevoelt, waarop er een toon
van reine vreugde door zijn ziel gaat; maar de
ernstige mensch gevoelt zich dan tevens klein,
klein voor God, die hem een schoone taak gaf,
klein tegenover die waardeerende menschen, in
wier midden hij die taak te vervullen had.
Zoo was ook ik te moede, toen ik het werk
-ocr page 8-
()
van 25 jaren aan mijn geest liet voorbijgaan, toen
ik de leemten en tekorten overzag; ja, toen be-
stierf het woord verdienste op mijne lippen, en ik
kon enkel spreken van gunst, van voorrecht, van
zegen.
In die stemming sta ik voor U, gemeente, geest-
verwanten en vrienden, in die stemming herdenk
ik de 25 dienstjaren, die achter mij liggen, in die
stemming zal ik heden tot U spreken.
Het woord, dat mij daarbij voor den geest staat,
vindt gij
2 Cor. 4 : iSb.
Ik geloofde, daarom sprak ik.
Dat is een diepzinnig woord. Daarin ligt een
Pinkstergedachte, en daarom is het tevens geschikt
voor dezen dag. 4) En \'t is immers waar: de
predikantsbetrekking is een Pinksterambt, is de
vrucht van den triomf des geloofs, van den storm,
die door de zielen vaart, van het vuur, dat daar-
binnen gloeit en tot uitbarsting komt, van den
Heiligen Geest, die zich baanbreekt in bezielde
gedachten en woorden.
Pinksteren is de rijpe vrucht van Paschen.
\') 21 Mei was de 1"" Pinksterdag.
-ocr page 9-
7
Toen ik 2b jaren geleden voor mijn eerste ge-
meente optrad, had ik tot tekst gekozen : mij is
een groote en krachtige deur geopend en er zijn
vele tegenstanders. 4) Daarover sprak ik tot mijn
eenvoudige gemeente te Oosterend op Texel, een-
voudig, maar in de goede beteekenis, met een
degelijke kern, met vromen zin. Ik heb er, even-
als in mijn tweede gemeente te Wieringerwaard,
gelukkige jaren doorgebracht, waaraan ik met
vreugde terugdenk.
Dat wij elkander niet hebben vergeten, al lig-
gen reeds vele jaren tusschen het toen en het heden ,
daarvan gaf mij de 17den Mei op nieuw de be-
wijzen.
Ja, er was een breede deur voor mij geopend,
maar ook de strijd heeft in die dagen niet ont-
broken. Die strijd kwam der gemeente en mij ten
goede; wij werden op de proef gesteld, in het vuur
gelouterd. Toen gevoelde ik het eerst recht: de
kracht van een predikant moet liggen in zijn eer=
lijke overtuiging, in zijn richting naar boven, in
zijn geloof.
En, Vr.!, ben ik dankbaar voor de bewijzen van
sympathie gedurende die jaren ontvangen, ik ge-
voel mij — met allen eerbied zij het gezegd voor
\') 1 Cor. 16 : 9.
-ocr page 10-
8
het goede, dat de Nederlandsch-hervormde Kerk
geven kan — vooral zoo gelukkig, dat ik de
laatste jaren werkzaam mocht zijn in de Remon-
strantsche Broederschap. Dat moet mij bij deze
gelegenheid van het hart. Ik vind dat een zeer
groot voorrecht. Dat kunnen zij het best verstaan,
die elders den tijd hebben doorleefd , waarin on-
verdraagzaamheid en ketterjagerij maar al te
dikwijls den boventoon voerden, het godsdienstig
leven ondermijnden en de goede stemming des
harten — zonder welke mijns inziens geen gods-
dienstige opbouw mogelijk is — bedierven.
Ik breng met een dankbaar hart mijn hulde aan
die Broederschap, waaraan ook de vrijzinnigen te
Delft zooveel te danken hebben, waarin men vrijuit
kan spreken, wat men gelooft, waarin men de over
tuiging van anderen volkomen eerbiedigt, waarin
vrijheid en verdraagzaamheid de frissche levens-
kracht onderhouden. Die Broederschap gaf ook
mij een heerlijk arbeidsveld, ook daar was voor
mij een geopende deur.
Het was mij vergund mijne beste krachten aan
uwe gemeente alhier te wijden, en als ik op al
die jaren in uw midden doorgebracht terugzie,
dan is er een dank- en juichtoon in mijn hart.
Al is nu niemand meer overtuigd van het on-
volkomene van mijn werk, dan ik zelf, toch mag
-ocr page 11-
9
ik spreken van rijken zegen op mijn arbeid, van
ontstoken licht, van Paasch- en Pinksterdagen.
De gemeente toch heeft zich krachtig uitgebreid
en gaat voort dat te doen. Steeds meerderen,
wier hart wij reeds bezitten, komen ook tot ons
met hunne namen.
En als wij letten op het aantal leerlingen, hoe
opvallend is dat in de laatste jaren toegenomen.
Mag ik clan niet spreken van zegen, waar zooveel
vooruitgang zichtbaar is?
Toch, Vr.!, kan ik op dezen Pinkstermorgen een
verzuchting niet voor mij houden: mochten die
velen, die zeggen onze geestverwanten te zijn, dat
wat geestdriftiger toonen door meer belangstelling
in het godsdienstig leven der gemeente. Hoevelen
zijn er, die nooit daar verschijnen, waar over den
godsdienst en onze ideale levensbeginselen wordt
gesproken, waar wij elkander opwekken tot een
rein leven, tot eerbied en liefde voor al wat
verheven is, groot en goed.
Mocht het steeds meer blijken, dat zij, die van
geestverwantschap met ons spraken, gesproken
hebben omdat zij geloofden. Immers waarachtig
geloof openbaart zich in woord èn daad, in sym-
pathie èn geestdrift. Wie de kunst waarlijk lief
heeft, verkeert gaarne in den atmosfeer waar de
kunst wordt beoefend. Wie godsdienst met zijn
-ocr page 12-
10
hart bemint, wordt innerlijk gedreven naar den
dampkring van het religieuse leven.
Laat deze verzuchting, die geen klacht is —
want ik mag niet klagen — voor niemand een
wanklank zijn op dezen dag; gij weet immers,
dat zij in mij geboren werd uit den wensch, dat
een steeds grooter getal van den godsdienst moge
genieten en daardoor voor zich en anderen beter
en gelukkiger moge zijn.
Ik zal hier niet in het breede spreken over het
licht en donker van mijn levenslot in engeren
kring. De meeste Uwer Aveten, dat er door mijn
hart en huis, en ook door den familiekring buiten
onze woning, stormen zijn gegaan, die pijnlijke
verwoestingen hebben aangericht.
Bij veel voorspoed was er ook veel verlies; bij
veel reden tot dankbaarheid ook veel weemoed in
het hart. Het zwaard, dat door de ziel gaat, heeft
niet ontbroken.
Toch voel ik mij bij het terugzien rijk en ge-
lukkig. Zat ik voor 25 jaren eenzaam neer in mijn
eerste pastorie, nu zie ik om mij heen een lief-
hebbende vrouw en kinderen, die ons zooveel
vreugde geven en onze liefde waardeeren en ver-
dienen.
-ocr page 13-
11
Ik geloofde, daarom sprak ik.
Zoo was het begin. Ik bezat omtrent de boven-
zinnelijke dingen een eigen overtuiging, ik had
een levensrichting, ik had geloof en daarom kon
ik spreken, daarom had ik iets te zeggen.
Dat is zoo gebleven , al is dan ook mijn over-
tuiging in vele opzichten gewijzigd, al is mijn ge-
loof door onderzoek en ervaring gelouterd.
Het ambt van predikant moge moeilijk zijn,
dubbel moeilijk soms in onze dagen van ongezonde
twijfelzucht, van doodende onaandoenlijkheid en
voorname ongeloovigheid, in mijne oogen blijft
het niettemin het heerlijkste , het verhevenste ambt
in onze samenleving.
Te spreken tot den evenmensen van het hoogste
en heiligste, van de ideale goederen, die aan het
leven de rechte beteekenis en kracht kunnen ver-
leenen; te profeteeren van de zege van den geest
over de stof, van het reine hart over de wereld
der zinnen; te spreken van een zedelijke wereld-
orde, van God als een heiligen Vader, die het in
ons winnen moet van de zelfzucht, wiens licht de
donkerheid in ons binnenste zal verdrijven; te ge-
tuigen van die heilige Liefde, die eerbied afdwingt,
-ocr page 14-
12
die ons opbeurt en troost, die het allerbeste in
ons wakker roept en aan den arbeid brengt, die
ons door innerlijke tucht leert luisteren naar de
stem des gewetens, die in ons gemoed de onuit-
wischbare lijnen trekt tusschen goed en kwaad,
tusschen geoorloofd en niet geoorloofd, die ons
zoo vrijmaakt van menschengezag en eindelijk vrij
van de zonde, 0! gij gevoelt het met mij welk
een voorrecht het is zoo te mogen spreken omdat
men van harte gelooft.
Waar Paschen zoo zijn triomfen viert, daar moet
Pinksteren volgen. Het is mijn vaste overtuiging ,
dat het geschreven woord, — ook het beste —
het gesproken woord nooit geheel kan vervangen.
Het laatste gaat veel meer uit het hart tot het
hart, treft veel dieper, de menschenstem doet in
het binnenste snaren trillen, wekt gemoedsbewe-
gingen, zooals het geschreven en gelezen woord
het niet vermag.
Te spreken tot het jong geslacht, als leermeester
tot leerlingen, te spreken in nog meer ongedwon-
gen vorm, dan op den kansel, over den godsdienst;
in dat jong gemoed het beste te wekken, wie
een hart heeft voor kinderen, die menschen moe-
ten worden, wie in het oog van een kind iets van
een hemel ziet, zal met mij erkennen: het ambt
van predikant is bovenal heerlijk door de opvoedende
-ocr page 15-
13
kracht, die in den edelsten zin van hem kan uit-
gaan; hij toch kan de jonge harten stemmen tot
eerbied, tot liefde, tot vroomheid, tot die gezind-
heid, waardoor al de elders vergaderde kennis en
wetenschap wordt gewijd, en in hoogeren zin in
dienst treedt van het algemeen maatschappelijk
belang. En waarlijk, Vr.! daarop komt het aan.
Het Godsrijk op aarde is een Christelijke maat-
schappij d.i. een samenleving van menschen door
oprechten eerbied, zedelijken ernst en ideale liefde
geheiligd.
Het Christendom is de sociale macht bij uitne.
mendheid, is de ordelijke, degelijke oplosser der
moeilijke vraagstukken ook van onzen tijd, is
het zout der maatschappij, is het zuurdeeg dat
allen moet doortx*ekken en tot nieuw leven moet
brengen.
Als het getij verloopt, verzet men de bakens.
Als ik goed zie, moet in de toekomst de kracht
tot regelmatige ontwikkeling bovenal gezocht
worden in degelijk godsdienstonderwijs, opdat
onze jonge mannen en vrouwen, gewapend met
een ernstigen, religieusen blik in het leven, koers
zetten naar een menschwaardige bestemming.
Wij hopen natuurlijk, dat de door sommige op-
timisten geuite profetie werkelijkheid zal worden,
dat n.1. de lust tot kerkbezoek ook onder vrijzin-
-ocr page 16-
14
nigen krachtig zal herleven, maar zonder twijfel
zal ieder ernstige vader en moeder, ieder degelijk
lid onzer maatschappij inzien, dat het kind niet
onkundig mag blijven omtrent de godsdienstige
en zedelijke vraagstukken die de gemoederen be-
wegen; niet onkundig omtrent de waarheid, dat
de groote hervormingen en herscheppingen in de
geschiedenis der menschheid haar oorsprong hadden
in het gemoedsleven der menschen.
Godsdienst toch behoort tot het wezen van
den mensch, zooals een paar oogen behooren tot
een welgevormd lichaam. Wie het lichaam ver-
minkt of verwaarloost handelt onverstandig; wie
den geestelijken mensch moedwillig het beste
onthoudt, is schuldig. Dat wordt gevoeld en daar-
om zenden zelfs ouders , die — om welke reden
dan ook — zich zelf op dat gebied verwaarloozen ,
hunne kinderen naar de lessen van den predikant.
Dan getuigt hun geweten door hunne liefde.
Is het dan niet heerlijk tot het jong geslacht
— ook tot het op dat gebied te huis verwaar-
loosde jong geslacht — te kunnen spreken van
het heiligste en beste, te spreken omdat men
gelooft ?
En dan verder: een herder der gemeente te
zijn, een die waakt voor haar hoogere belangen,
aan wiens deur men niet te vergeefs aanklopt
-ocr page 17-
15
om raad en daad; een die het heilig vuur ook
in de woningen wil onderhouden, die liefdebanden
herstellen of versterken wil, die vaak de brug
slaat om aanzienlijk en gering tot elkander te
brengen, die wil opbeuren en bemoedigen, en
aan het sterfbed en op het kerkhof nog een woord
van troost en hoop heeft; een die de groote les
van den meester tracht te verstaan in het eigen
leven : ik ben niet gekomen om gediend te worden,
maar om te dienen. Is dat niet een verheven en
heerlijk ambt?
Maar ook dat werk, elk woord, elke toege-
stoken hand, elke daad zij een vrucht des geloofs.
Wat ik het meest in mijn betrekking betreur
is, dat mij den tijd voor herderlijken arbeid te
veel ontbreekt. Daar ligt waarschijnlijk het grootste
tekort van een predikantsleven. Dat gevoel ik op
dit oogenblik. Wilt gij mij, Vr.! van dat drukkend
gevoel eenigszins bevrijden, hebt dan de goedheid
te denken: wij hebben uw goeden wil genomen
voor de daad; want, dit durf ik wel te verkla-
ren: mijn wil was goed, er was geen gebrek
aan belangstelling, maar aan tijd. En wat mij in
dezen troost, is de overtuiging: wie iets op zijn
hart had en tot mij kwam, heeft altijd een ge-
opend oor en hart gevonden.
Het is voor mij een groot voorrecht den lof te
-ocr page 18-
16
kunnen verkondigen van het ambt dat ik bekleed —
al ben ik niet blind voor de groote bezwaren en
de pijnlijke teleurstellingen er aan verbonden. Het
is voor mij een voorrecht zoo te kunnen spreken,
omdat ik geloof.
Dat vervult mij van innerlijke dankbaarheid en
vreugde:
Lied U8 : i, 2.
Het is niet noodig voor U, van wie de meeste
mijne trouwe toehoorders en geestverwanten zijn,
een geloofsbelijdenis afleggen.
Toch is het voor mij een gehoefte ook nu voor
U uit te spreken, waardoor mijn geloof een loute-
rings-proces heeft ondergaan.
Ik geloofde daarom sprak ik.
Vrijmoedig en eerlijk heb ik uitgesproken wat
mij op het hart lag. Dat heb ik al de jaren in
Uw midden gedaan, dat doe ik nog.
Het geloof is de grondslag des levens. Zonder
het geloof geen eerlijke prediking, geen Pinkster-
tongen, geen Pinkstervuur.
De grondslag is het geloof. Door het geloof tot
de wetenschap, die dan een schoone taak kan ver-
vullen, tot helderder inzicht kan brengen, vooroor-
deel en bijgeloof kan bestrijden en overwinnen.
-ocr page 19-
17
„Geloof is," zoo zegt ons de brief aan de He-
breërs, „het vast vertrouwen aangaande hetgeen
men hoopt, een overtuiging aangaande dingen, die
men niet ziet."
Het is gelukkig, dat er een macht is in de
menschenwereld, die verder reikt en dieper gaat
dan ons klein verstand.
Wat het rijke menschenhart gevoelt en dus ge-
looft, is maar zelden voldoende doorzichtig te
maken voor ons denken.
Wat al heerlijke, onzichtbare schatten en krach-
ten zijn er verborgen in het menschelijk gemoed!
Wij zien ze niet, maar wij ervaren ze en wij
weten, dat ze ons meer waard zijn, dan al de
geleerdheid der wijzen, dan al het goud en zilver
der aarde.
Zalig zijn de reinen van hart, zij zullen God
zien! Ja, Vr, de reinheid van hart kan het oog
openen voor de waarde dier hemelsche schatten,
voor het goddelijke leven.
Welk een belofte!
Overal, waar de mensch het verhevene, het
waarachtige, waar hij de heilige Liefde ontmoet,
krijgt hij den indruk van het onschendbare,
het eeuwige, het goddelijke. Die indrukken zijn
vaak onmiddellijk, als lichtstralen, die neerdalen
midden in het hart. Geen welbepeinsde en nauw-
2
-ocr page 20-
18
keurig geformuleerde begrippen zijn daar noodig,
integendeel, het schijnt mij eerder toe, dat juist
die begrippen en formules — hoe loffelijk ook
het pogen van sommigen moge schijnen om langs
dien weg twijfelaars met het hoofd te overtuigen —
met de beste bedoeling niet zelden op het fijn
gevoelend, vroom gemoed den indruk van heilig-
schennis maken.
Wie zal, als hij een diep besef heeft van ideale
liefde, haar willen beperken in een formule ?
Wie zal, als hij eerbied heeft voor de zielesmart
eener bedroefde moeder, haar willen omschrijven
in een begrip?
Dat komt mij voor niet alleen ijdel, maar ook
oneerbiedig pogen te zijn. Dat is de dingen des ver-
stands en des gemoeds verwarren. En bij maar
al te velen getuigt het van gebrek aan vromen zin
en fijn-gevoel.
Welnu, hoe zal het dan ooit aan een bekrom-
pen menschenkind kunnen gelukken Gods wezen
te ontleden, te omschrijven, in een begrip weer
te geven?
Het wil mij dan ook steeds duidelijker toeschij-
nen, dat elke poging in die richting geen daad
is van het godsdienstig hart, maar van het wijs-
geerig verstand. Ziedaar ook de reden, waarom
die pogingen geen bevrediging schenken, geen
-ocr page 21-
19
vrede stichten en de goede stemming eerder be-
dervèn, dan verhoogen. Niet het hoofd, maar het
hart verzoent de menschen. Het geloof des harten
is de voorwaarts drijvende kracht, het verstand
controleert en waakt tegen ontsporing.
De reinen van hart — ook de eenvoudigen —
zullen God zien in al Zijn heerlijkheid, in de
louterende kracht van het goede, in de heiligheid
en zaligheid der zedelijke Liefde.
Dat leert de ervaring. Dat is voor het verstand
soms raadselachtig, soms een diep mysterie. Maar
het „verrukte hart gelooft," \'t geloofsoog ziet.
Dat leert ons geen schoolsche wijsheid; dat
leert ons geen „zielloos lieflijke en reedloos
wreede" natuur — ook al trachten velen haar
doelmatigheid aan te toonen en daarmee Gods
bestaan en Zijn wijsheid te bewijzen —; dat leeren
ons niet de vaak zoo wreede lotgevallen der men-
schen, die in den regel hen het meest verbitteren,
die de meeste verbetering behoeven — ook al
zijn er, die daaruit Gods rechtvaardigheid en
ondoorgrondelijke liefde willen verklaren — dat
leert ons de ervaring van het innerlijk leven zelf;
zij is en blijft, bovenal op het gebied des geloofs,
de beste leermeesteres.
\'t Is zoo: ons hart moet God vinden, in het
hart moet God wonen; daar moeten wij zijn
-ocr page 22-
20
openbaringen leeren opmerken en verstaan, daar
zijn stem hooren; dat komt mij voor de eenig
betrouwbare en doeltreffende weg te zijn. Niet
„boven zon en maan en morgensterre" hem zoeken,
niet uit den mond der ,.priestren" hem kennen.
Een begrip omtrent God is evenmin God zelf,
als een gedicht over de liefde de liefde is, of een
boek over de smart de smart vertegenwoordigt.
En hebben niet juist — ik zeg niet de stoutste
denkers — maar de fijnste geesten hun onmacht
gevoeld om Gods wezen te omschrijven ?
Wij denken aan de Génestets „Peinzensmoede."
Wij denken aan de vraag, die Goethe zijn
Faust op de lippen legt: „wie zal hem noemen?"
Wij denken aan Vondels zang, als hij aldus
spreekt tot God:
Vergeef het ons, ó noit volprezen
Van al wat leeft, of niet en leeft,
Noit uitgesproken, noch te spreecken;
Vergeef het ons, en schelt ons quijt
Dat geen verbeelding, tong, noch teken
U melden kan. Ghij waert, ghij zijt,
Ghij blijft de zelve. Alle Euglekennis
En uitspraeck, zwack en onbequaem,
Is maor ontheiliging, en schennis.
Wij denken bovenal aan Jezus. die geen wijs-
geer was, maar een profeet met een wonderrijk
gemoedsleven, die God zag door de reinheid zijns
-ocr page 23-
21
harten en dat uitsprak in de taal van den gods-
dienst en God Vader noemde.
Aan dat beeld hebben wij voor onze voorstelling
genoeg; daarin is toch reeds duidelijk uitgesproken,
wie God voor ons wil zijn; uitgesproken, wie wij
voor God moeten wezen; daarin ligt reeds onze
volle taak, het antwoord op de vragen: Vanwaar
komen wij en waarheen gaat onze levensreis?
God wil geloofd, maar niet bewezen worden.
Ik vraag u: waren die edelen in hun onmacht
om Gods wezen te omschrijven ongodsdienstig,
onvroom? Sprak niet juist daaruit hun vrees voor
heiligschennis, hun diep en fijn gevoelde vroomheid?
Ik mag heden zonder onbescheiden te worden
veel over mij zelf spreken, te eerder omdat mijn
ervaring die van velen is in onze dagen.
Ik werd door mijn besten vader, die ook predi-
kant was, rechtzinnig — niet confessioneel — opge-
voed; later kwam ik onder de leiding der god-
geleerde faculteit van Groningens Akademie, die
voor mij de brug werd tot een meer vrijzinnige
opvatting van den godsdienst.
Zoo leefde ik jaren lang voort. Die beredeneerde
godsdienst scheen mij redelijk, wel verdedigbaar
tegen allerlei wetenschappelijke aanvallen, wijs-
geerig goed geformuleerd.
Toch had ik op den duur geen vrede met de
-ocr page 24-
22
moderne begrippenwereld op godsdienstig gebied;
mijn godsdienstig gemoed begon te protesteeren.
\'t Was mij of God al te ver verwijderd bleef
van mijn hart en leven. Het werd mij steeds dui-
delijker. dat men de vraag niet zóó moet doen:
..hoe stel ik mij God voor?" maar wel zóó: „hoe
stel ik mij voor God?"
Toen dat in mij tot meer rijpheid kwam, begreep
ik ook, waarom mij de namen Wereldschepper,
Albestuurder, Eerste Oorzaak zoo koud lieten;
waarom zulk een opvatting de menschen op den
duur moest laten, zooals ze zijn, geen hervorming
kon brengen in hun hart, „waarvan de uitgan-
gen des levens zijn." God regeert en de mensch
gaat onderwijl zijn gang als of er geen God bestaat.
Dat gevoelde ik, dat zag ik. Toen was het vonnis
geveld. Immers: de godsdienst moet ons opvoeden,
ons vormen tot beter, kloeker, geduldiger, liefde-
voller menschen; God moet in ons gestalte er-
langen, wij moeten steeds meer op Hem gaan ge-
lijken . zooals het kind opgroeiende de trekken van
den vader weergeeft; dan eerst bespeuren wij den
zegen zijner liefde, dan is hij ons nabij, dan troost
Hij ons, dan, met God in het hart, verzoenen
wij ons met leven en lot.
Zóó komen wij op den weg door Jezus gebaand
en bewandeld; nu wenschen wij de voetstappen van
-ocr page 25-
23
dien edele te drukken om zóó het beeld van God
nader bij te komen, om de waarheid te leeren ver-
staan van dat heerlijke woord, dat Jezus op de
lippen is gelegd: „ik en de Vader zijn één."
Jezus was een kind van God.
Ons hoogste streven moet zijn als godsdienstig-
zedelijke menschen te worden als hij. Dat is ge-
noeg; dan toch bereiken wij onze hoogste bestem-
ming, dan vinden wij vrede in ons hart trots
tegenspoed en miskenning.
God is Liefde, God is Vader. Nu is hij mijn
God, nu niet verre meer, nu leeft hij in mij, nu
niet meer een doode letter, een betwistbaar woord,
maar de hoogste kracht in mijn leven.
God Vader? Nu werd het geloof in Hem de
reddende en behoudende, de wereldverzoenende
macht, nu sprak niet meer het gloeiende hoofd,
nu sprak het warme, geloovende hart.
God Vader? Nu was het duidelijk wat de taak
is van het kind: liefhebben met geheel zijn hart.
Liefhebben verheven tot de heilige hoogte van
godsdienstigheid. Wie zóó den godsdienst verstaat,
op hem zal hij een machtigen invloed uitoefenen;
hij zal hem nu niet laten zooals hij is. God regeert,
en hij stelt zich in gemeenschap met God, hij on-
derwerpt zich aan zijn wil. Nu is liefhebben
geen uiting meer van een grillige zedewet, maar
-ocr page 26-
■IX
een heilige taak. een Godsbevel, en de overtreder
van dat gebod staat schuldig voor God, voor \'t
geweten, voor den evenmensen.
Aan dien God der Liefde de zegepraal! Hij moet
en Hij zal het winnen. Zijn wil geschiede, ook
door ons. Hem gehoorzamen is nu deugd; Hem
weerstreven is nu zonde.
Nu danken wij Jezus uit den grond van ons
hart, wijl hij dat heerlijk licht voor ons heeft ont-
stoken; wijl hij met zijn stralend voorbeeld ons
is voorgegaan; nu bewonderen wij hem, wijl dat
goddelijke leven in hem gestalte heeft gekregen,
nu is hij opnieuw onze meester, onze gids.
In dat kind hebben wij iets gezien van de heer-
lijkheid des Vaders.
En voor ons ligt nu weer de oude Bijbel, nu
als een kostbaar openbaringsboek, als een helden-
dicht ; en wij danken God, dat wij dat boek des
geloofs bezitten; het is een onuitputtelijke bron
voor ons geloof en ons leven.
In beteren zin dan vroeger is het nu weer het
beste boek.
Ik geloofde, daarom sprak ik.
Zooals gij hebt bespeurd, heeft mijn overtuiging
zich in vele opzichten gewijzigd, is mijn geloof
door den strijd en de ervaring des levens gelouterd.
-ocr page 27-
25
Ik heb het evenwel behouden, daarom kan ik
spreken, daarom heb ik u telkens op nieuw iets
te zeggen. Ik geloof in Gods onbegrepen groot-
heid, in Gods oneindige Liefde, in Zijn heilige
Almacht; ik geloof in de zegepraal der waarheid,
en der vrijheid; ik geloof in de zedelijke talenten
van den mensch.
Dat was ook het geloof van .Jezus en dat ge-
loof kan bergen verzetten. Het doet een Abraham
heentrekken naar het onbekende land, omdat God
hein roept. Het doet een Jezus opgaan naar het
profeten doodend Jeruzalem, omdat God hem roept.
Het doet een Luther trots de raadgevingen der
vrienden verschijnen te Worms, omdat God hem roept.
Neen, de hervormer kon het niet bewijzen, dat
de vooruitgang op den duur zegen zal brengen;
de ernstige denker kan het niet bewijzen, dat de
waarheid het zal winnen; de zondaar kan het niet
bewijzen, dat hij ernstig strijdende tegen het kwaad
een beter mensch zal worden, maar zij gelooven
het, daarom spreken ze, daarom handelen ze. Zonder
geloof geen lust, geen moed, geen vooruitgang.
Het geloof is de weg tot de daad; het geloof in
Gods vaderliefde is de zekere weg tot een leven
der liefde.
Het geloof kan bergen verzetten, als het door
de liefde wordt geheiligd en gewijd.
-ocr page 28-
26
Ik geloofde, daarom sprak ik.
Als God het wil, zal ik over de heiligste dingen
tot u blijven spreken.
Hier en daar zien wij de vruchten in onze
vrienden, bovenal in onze leerlingen, die trots den
stroom des tijds, zich niet laten meevoeren op de
wegen der onaandoenlijkheid en der onverschillig-
heid, maar hun warme belangstelling blijven too-
nen in de vroomheid des harten. En als wij de
oogst niet aanschouwen: die gelooven, haasten niet.
Wij gelooven zonder te zien. Het eene geslacht
zaait en het andere maait. God blijft en geeft
Zijn wasdom aan het uitgestrooide zaad, aan ons
woord èn onze daad.
God geve, dat onze vereenigde arbeid niet
vruchteloos zij!
U, leden van het Bestuur breng ik mijn hartelijken
dank voor uw welwillenden steun, voor uw ver-
trouwen en vriendschap, voor uw waardeering van
mijn arbeid.
U, Gemeente en vrienden, breng ik mijn welge-
meenden dank voor uw belangstelling, uw toewij-
ding , uw deelneming ook in mijne vreugde. Zij
zullen mij opwekken en mij voorzien van nieuwen
-ocr page 29-
27
lust en kracht om mijn werk onder U voort te
zetten.
Ons geloof maakte dezen dag, tot een feeste-
lijken Pinksterdag.
Laat ons blijven gelooven in den Pinksterzegen!
Amen.
Lied 133 : 5.
r