-ocr page 1-
/SfV z, W>
i
NIET IN DEN HANDEL.
DE SPOORWEGBOÜW OP JAVA.
LEIDEN. — D. DONNER.
-ocr page 2-
i
■ -
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000033404660B
3340 4660
"«-
-ocr page 3-
NIET IN DEN HANDEL.
DE SPOORWEGBOÜW OP JAÏA.
LEIDEN. — D. DONNER.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
INHOUD.
Bladz.
HOOFDSTUK I............... 1
Spoorwegbouw op groote schaal en uitvoering van irrigatie-
werken zijn de eenige middelen, welke kunnen leiden tot eene
sluitende begrooting voor onze koloniën, en tot het losmaken
der Indische financiën van de wisselvallige inkomsten der ge-
dwongen koffie-cultuur, zoomede tot opheffing van den onbetaal-
den heerendienstarbeid.
HOOFDSTUK II...............10
De spoorwegbouw in Engelsch-Indië en de invloed van den
aanleg en de exploitatie dier verkeerswegen op de welvaart
dier koloniën.
HOOFDSTUK III..............16
De spoorwegpolitiek ten opzichte van Indië, zooals de Nederland-
sche Regeering deze gedurende de laatste jaren gevolgd heeft,
en de nadeelige gevolgen, welke de Regeeringsmaatregelen voor
land en volk hebben opgeleverd.
HOOFDSTUK IV..............43
De moeielijkheden en de tegenwerking, welke de houders van
spoorwegconcessiën voor den aanleg en de exploitatie van spoor-
wegen in Indië, van de zijde der Nederlandsche Regeering on-
dervonden hebben.
HOOFDSTUK V...............61
De middelen, welke binnen het bereik der Regeering liggen,
om, zonder directe offers van de schatkist, den spoorwegbouw
in Indië op groote schaal te doen plaats vinden.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
De Spoorwegbouw op Java.
HOOFDSTUK I.
Voorzeker zal een ieder de stelling onderschrijven, dat, door
de toeneming van de welvaart of beter door de bestrijding
van de armoede van eenig volk, de beschaving bevorderd, en
de rust verzekerd wordt.
Dit axioma legt de verplichting op aan elke Regeering om
in de eerste plaats alle middelen, welke binnen Haar bereik
liggen, aan te wenden tot het scheppen van welvaart, en dus
nog in hoogere mate tot het bestrijden van een achteruitgang
der welvaart.
Het is geen geheim, en kan ook geen bevreemding wekken,
dat in onze koloniën, en speciaal op Java, de welvaart in vele
streken, zoowel onder Europeanen als onder de inlanders, in
hooge mate vermindert.
Mocht deze zienswijze worden tegengesproken, dan is het
voldoende te wijzen op de geringe vermeerdering der land-
rente over de laatste jaren, en verder op de onbeduidende
stijging der opbrengsten van de rechten op den invoer, ge-
heven van de artikelen, die van de Europeesche markten af-
komstig zijn.
Bij de behandeling in de Staten-Generaal van de plannen
tot irrigatie van de Solovallei werd door enkele leden het
economische nut van irrigatiewerken betwijfeld op grond van
1
-ocr page 8-
2
de overweging, dat de aanleg gedurende de laatste jaren van
bevloeiingswerken geene vermeerdering van eenige beteekenis
der landrente heeft ten gevolge gehad. Deze gevolgtrekking
is naar ons inzien niet juist. Wij zouden wenschen haar door
eene andere te vervangen, en wel door deze: De geringe
stijging der landrente bewijst, dat de uitgevoerde irrigatie-
werken eene dringende behoefte waren, om de noodlijdende
bevolking in sommige streken, waar de welvaart zeer vermin-
derd was, voor groote armoede te behoeden, en tevens om
een achteruitgang van de landrente, dat is van eene nood-
zakelijke bron van inkomsten, te voorkomen.
Het is niet aan te nemen, dat door irrigatie-werken, die toch
altijd de productiviteit van den grond vermeerderen, de land-
rente niet zou stijgen, nu deze belasting in nauw verband staat
met de hoeveelheid en de verkoopwaarde van het product.
Uitsluitend omdat de welvaart van de bevolking in vele
streken achteruitgaat, en bij den aanslag van de landrente
daarmede rekening moet worden gehouden, stijgen de in-
komsten dezer belasting niet, doch is het aan de oordeelkun-
dig aangelegde irrigatie-werken te danken, dat het totale be-
drag der landrente niet aanzienlijk is verminderd.
Wij zeggen den oordeelkundigen aanleg van irrigatie-werken,
met het oog op de omstandigheid, dat dergelijke bevloeiings-
werken niet altijd rendeerend zijn. Vooreerst is het noodza-
kelijk, dat bij den aanleg van irrigatie-werken in het oog
gehouden wordt, dat de bevolking van Java zich zelden op
eigen initiatief verplaatst. Aan deze eigenaardigheid van den
inlander is het ontstaan te danken van alinea 2 van artikel
3 van het Reglement op de Openbare Werken in Nederl.
Indië (Staatsblad 1885 n°. 173) luidende als volgt:
»De brigade ^irrigatie) neemt daartoe in de eerste plaats
»de verbetering van bestaande gebrekkige waterleidingen ter
»hand; daarna de bevloeiing van daarvoor vatbare terreinen
>in zwaar bevolkte streken en ten laatste de irrigatie van
-ocr page 9-
3
»braak liggende of woeste gronden in weinig of niet bevolkte
»streken."
Opzettelijk is in dat Reglement eene volgorde der te irri-
geeren velden aangegeven. Elk irrigatiewerk moet rendeerend
zijn, indien deze volgorde als leiddraad bij de plannen ter
bevloeiing wordt gebezigd.
Wij zouden hieraan nog een bijzonder geval willen toevoe-
gen. De rijst is een product van geringe waarde, dat slechts
weinig kosten van vervoer dragen kan. Op de kustplaatsen
van Java wordt menigmaal rijst van plaatsen, buiten den
Indischen Archipel gelegen, aangevoerd, terwijl binnenslands
in enkele streken bij een ruimen oogst overvloed van rijst
aanwezig is, die door gebrek aan transportmiddelen of wegens
de hooge kosten van vervoer geen afzet kan vinden.
Elke verbetering door irrigatie van terreinen, die nabij eene
bevaarbare rivier gelegen zijn, of van gronden in de nabij-
heid van plaatsen, waar een goedkoop communicatiemiddel
bestaat, zal daarom loonend moeten zijn.
De aanleg van irrigatiewerken kan naar onze meening een
krachtig middel tot het voorkomen van armoede in Indië
wezen; niet alleen omdat door dien aanleg onmiddellijk een
groot kapitaal in de landstreek gebracht wordt, doch ook om-
dat na de voltooiing eene steeds vloeiende bron van inkom-
sten geschapen is.
Hiervoren meenden wij den achteruitgang van de welvaart
in Indië bovendien te moeten bewijzen door de geringe toe-
neming der opbrengst van de invoerrechten. Wij noemen dit
belastingmiddel speciaal, omdat het als den thermometer der
Indische welvaart kan aangemerkt worden. De import in Indië
bestaat voor het grootste deel uit goederen van vreemden
oorsprong, die voor den Javaan als luxe-artikelen te beschou-
wen zijn. In het bijzonder is dit het geval, waar het de arti-
kelen geldt, die door invoerrechten bezwaard worden. De
-ocr page 10-
4
inlander, die deze artikelen koopt, moet uit den aard der
zaak eenige welvaart bezitten. Ondanks de verhooging dier
rechten in het jaar 1886, en niettegenstaande belangrijke ver-
bruiksmiddelen, zooals petroleum, in de laatste jaren zwaar
belast werden, is, hoewel de bevolking buitengewoon toenam,
de opbrengst der invoerrechten weinig gestegen. Wij meenen
hieruit de gevolgtrekking te mogen maken, dat de algemeene
koopkracht of welvaart sterk is afgenomen.
Nu wij voor het feit staan, dat in Indië een geleidelijke
achteruitgang van de welvaart te constateeren is, dient de
oorzaak van dien achteruitgang te worden nagegaan, teneinde
de middelen te kunnen aanwijzen, om verbetering in den
socialen toestand onzer koloniën te brengen.
Naar onze meening ligt deze oorzaak voor de hand, en
wekt het zelfs bevreemding, dat reeds niet veel vroeger de
gevolgen van de verstoring in het economisch evenwicht,
waaronder Indië lijdt, zijn waargenomen.
Sedert bijna drie eeuwen vloeien millioenen uit onze kolo-
niën naar het moederland, terwijl slechts een onbeduidend
bedrag aan geld uit Nederland naar Indië werd gevoerd.
De gelden, welke het moederland in den vorm van batige
saldo\'s ontving, maakten slechts een klein deel uit van de
schatten, die jaarlijks aan de koloniën onttrokken werden.
Veel aanzienlijker bedrag vormen de vermogens, welke door
repatrieerende personen uit Indië naar Nederland worden
medegevoerd, en in Europeesche fondsen worden belegd,
vermeerderd, zoowel met de winsten van Indische onderne-
mingen, die in Nederland worden uitbetaald of verteerd, als
met de belangrijke bijdragen, welke nagenoeg alle Europee-
sche bewoners van Indië jaarlijks aan hunne familiebetrekkin-
gen in Nederland overmaken.
Het is dan ook niet te weerspreken, dat het meerendeel
der Nederlandsche groote fortuinen uit Indië afkomstig zijn,
-ocr page 11-
5
en dat de welvaart van vele steden in ons vaderland, bevor-
derd is door de gelden, welke uit Indië vloeien.
Het is duidelijk, dat na verloop van tijd dergelijke versto-
ring van het financieel overwicht ernstige gevolgen moet heb-
ben, en dat eene bron, die sedert eeuwen zoo rijk gevloeid
heeft, ten laatste uitgeput wordt, tenzij door een tegenstroom
van Europeesch kapitaal een equivalent gevonden wordt.
Gebrek aan geld is daarom naar onze meening een- der
oorzaken van den achteruitgang van de welvaart in Indië.
Een duidelijk beeld der armoede in die streken zou ver-
kregen worden, indien het mogelijk was den nationalen rijk-
dom in cijfers uit te drukken. Men zou in Nederland ver-
baasd zijn over het gering bedrag van het kapitaal, dat in
het bezit is der 24 millioen inlanders, die de bevolking van
Java uitmaken. Het is dientengevolge een der eerste plichten
der Nederlandsche Regeering, om al het mogelijke in het
werk te stellen tot het opwekken van het particulier initia-
tief in het vaderland, waar het geldt het beschikbaar stellen
van Europeesch kapitaal ten behoeve van ondernemingen
in Indië.
In nog meerdere mate is deze Staatsplicht gebiedend nood-
zakelijk, nu, behalve de bovengenoemde, nog andere oorzaken
leiden tot vermindering van de algemeene welvaart in Indië.
Speciaal hebben wij hierbij wederom Java op het oog, omdat
dit deel onzer Koloniën nog steeds de kern daarvan uitmaakt.
Blijkens de koloniale verslagen neemt de bevolking van
Java jaarlijks met 2 percent toe (2.6 percent in 1885), zoodat
dit eiland thans reeds sterker bevolkt is dan alle landen van
Europa met uitzondering van België.
In enkele gewesten overtreft de dichtheid van de bevolking
verre die van België; in andere daarentegen is het aantal
bewoners betrekkelijk zeer gering.
Dit verschijnsel is een gevolg van de groote uitgestrekt-
heden vruchtbare streken, die onbewoond zijn, en niet in cul-
-ocr page 12-
6
tuur gebracht werden, omdat zij door gemis aan transport-
middelen onbruikbaar zijn.
De ontzaggelijke toename der bevolking op het beperkte
grondgebied moest de algemeene welvaart doen dalen. De
grond, het eenige, dat de inlander in den regel bezit, of be-
ter, waarop hij rechten kan doen gelden, wordt door de ver-
meerdering der bevolking versnipperd, zelfs is thans een
groot deel der bewoners van dit bezit ontbloot; de welvaart
moest daarom in sterke mate afnemen.
De hoofdoorzaken van den achteruitgang der welvaart in
Indië zijn op bovengenoemde gronden naar onze meening
gelegen in gebrek aan geld, en in de toeneming der bevol-
king zonder evenredige uitbreiding van het grondgebied. De
middelen tot herstel zijn daarom aangewezen.
Zij zijn in de eerste plaats het opwekken van een tegen-
stroom van Europeesch kapitaal naar Indië, verder vermeer-
dering der productiviteit van den grond, en ten laatste uit-
breiding van het bewoonbare grondgebied ter verspreiding
der bevolking.
Deze middelen heeft de Regeering ter Harer beschikking.
Wij stellen ons tot taak zulks aan te toonen. Vooraf doen
wij opmerken, dat beperking van uitgaven in Indië, verhoo-
ging van belasting en dergelijke geneesmiddelen voor chroni-
sche deficitten het geldgebrek in Indië niet zullen doen ver-
dwijnen, en evenmin het budget van den Staat zullen doen
sluiten. Zulke palliatieven kunnen oogenschijnlijk voor hen,
die Indië niet kennen, voor korten tijd een minder donker
beeld van den economischen toestand geven, doch moeten
door eene ernstige crisis gevolgd worden, die zij uit den aard
der zaak voorbereiden.
Beperking van noodelooze uitgaven in Indië en eene
oordeelkundige aanwending van landsgelden blijvennood-
zakelijk, gelijk dit eene algemeene wet is voor iedere huis-
-ocr page 13-
7
houding. Op dit gebied valt in Indië nog veel te doen. Be-
zuiniging daarentegen, wanneer daaronder verstaan wordt het
onthouden aan Indië wat noodig is tot bevordering van de
welvaart, en fiscale maatregelen bij een volk, dat reeds boven
zijne draagkracht belast is, kunnen slechts tot eene nationale
ramp leiden.
Indien het bovenstaande wordt toegegeven, dan zal erkend
worden, dat de vermeerdering van de productiviteit van den
grond verkregen kan worden door eene betere bevloeiing der
velden. Het is daarom de plicht der Regeering om den aanleg
van irrigatiewerken te bevorderen. Hierbij zij echter in acht te
nemen de hiervoren vermelde eischen, zooals die door be-
vloeiingswerken gesteld worden, om werkelijk rendeerend te zijn.
Het opwekken van een tegenstroom van Europeesch kapi-
taal naar Indië is mogelijk door milde bepalingen op het ge-
bied van mijnontginning en van landbouw.
De oprichting van ondernemingen voor deze bedrijven is
evenwel beperkt door het ontbreken van communicatiemid-
delen tot afvoer van de producten naar de havens van uitvoer.
Op Java worden nagenoeg geen bevaarbare rivieren aange-
troffen. Het vervoer van producten moet dientengevolge mid-
dels spoorwegen geschieden.
Die landstreken, welke van spoorwegen voorzien werden,
zijn of worden gaandeweg geheel in cultuur gebracht, voor-
zoover de strook reikt, welke de spoorweg doorsnijdt.
Het meerendeel van Java is echter van dergelijke commu-
nicatie-middelen verstoken. Uitgestrekte landstreken zijn nog
nagenoeg onbewoond door gemis aan spoorwegen of zelfs aan
gewone verkeerswegen. Vruchtbare gronden, die voor den
landbouw als aangewezen zijn, liggen in menigte braak, omdat
zij door ontstentenis van wegen onbereikbaar zijn.
Het is daarom de taak der Regeering, om zulke landstreken
-ocr page 14-
8
van spoorwegen te voorzien, waarmede voorzeker de oprichting
van nijverheids- en landbouwondernemingen zal gepaard gaan.
De ondernemers trekken werkkrachten uit de plaatsen, waar
overbevolking bestaat. De Javaan heeft geen bezwaar om,
indien hij daartoe door derden bewogen wordt, zich in het
land zijner geboorte te verplaatsen. Eene verspreiding der
bevolking zou dus het gevolg wezen van den aanleg van
spoorwegen, waardoor voldaan wordt aan den laatst hiervoren
genoemden eisch, wat betreft de middelen tot verbetering der
welvaart op Java.
De oprichting van ondernemingen en de bouw van spoor-
wegen vorderen Europeesch kapitaal, dat voor een groot deel
in handen van den inlander komt. De verkoop der producten
van den grond geschiedt in Europa; de arbeid ten behoeve
der bebouwing wordt echter in Indië betaald, hetgeen wederom
ten bate van den inlander strekt. De algemeene welvaart
moet op deze wijze toenemen.
Naar onze overtuiging is daarom, naast den aanleg van
irrigatiewerken, de bouw van spoorwegen op groote schaal in
Indië, het eenige middel tot het afwenden van een dreigend
sociaal gevaar in onze koloniën.
Wij zullen later trachten aan te toonen op welke wijze de
spoorwegbouw in Indië eene groote vlucht kan nemen, zonder
eenige financieele hulp van den Staat te behoeven, of beter
zonder beroep op de schatkist. Vooraf meenen wij te moeten
onderzoeken of werkelijk spoorwegen zulk een krachtig middel
tot opheffing van de welvaart in eenige landstreek zijn, gelijk
wij dit hiervoren voorstelden.
Vooreerst wijzen wij op het geleidelijk stijgen der inkom-
sten van de bestaande spoorwegen op Java.
De spoorweg Semarang—Vorstenlanden had in het tweede
jaar van haar bestaan een opbrengst van/ 1 780 527.— ; door
-ocr page 15-
9
uitbreiding van het vervoer, als een gevolg der ontwikkeling
van de landstreek, welke de spoorweg bedient, klommen deze
ontvangsten binnen zeven jaren tot/ 3 097 334.—.
De spoorweg Batavia—Buitenzorg ontving in het tweede
jaar van exploitatie / 458 670.—, doch zeven jaren later reeds
f 703 210.—.
De Java-Spoorweg verloor in 1889 op de Exploitatie een
bedrag van / 6 757.—, doch had einde 1893 een voortieelig
saldo van / 16 036.—.
Omtrent de andere spoorwegen op Java kunnen de cijfers
niet met juistheid vermeld worden, alle wijzen echter op eene
belangrijke toeneming van vervoer.
De welvaart in de streken, waar spoorwegen gebouwd zijn,
is blijkens deze cijfers niet afgenomen. De algemeene welvaart
op Java daarentegen wel. Hieruit volgt, dat in die streken,
waar geen spoorwegen zijn, de welvaart in hooge mate is
achteruitgegaan.
-ocr page 16-
HOOFDSTUK II.
De stelling, dat spoorwegen de welvaart steunen of ver-
meerderen, wordt ook in andere landen bevestigd. Wij dwepen
niet met Engelsch-Indië, doch moeten erkennen, dat de Re-
geering van die koloniën, reeds jaren geleden, met ruimen
blik het economisch nut van spoorwegen heeft ingezien.
Het spoorwegnet in Britsch-Indië is gedurende een tijds-
verloop van twintig jaren meer dan verdrievoudigd, zoodat
den 318ten Maart 1893 18042 Eng. mijlen = 29030 K. M.
spoorwegen in exploitatie waren. Hoe treurig is de tegen-
stelling in onze koloniën. Op het eiland Java, dat eene be-
volking van 24 millioen zielen heeft, waren in 1892 slechts 1258
K. M. spoorlijnen in exploitatie.
Hierbij moet nog in aanmerking genomen worden, dat in
Engelsch-Indië meer bevaarbare rivieren worden aangetroffen
dan op Java.
De heilzame gevolgen van den spoorwegbouw en van den
aanleg van bevloeiingswerken in Britsch-Indië blijken uit de
cijfers der bandelsbeweging.
De invoer tot verbruik en de uitvoer uit het vrije verkeer,
geeft voor Britsch-Indië de volgende bedragen aan:
in 1871/72.....996 millioen Rupies
in 1891/92.....1740 >            »
Een vooruitgang dus van 75 perc, en dat wel ondanks de
zoo noodlottige zilvercrisis.
-ocr page 17-
11
Zou nu eene gewaagde veronderstelling gemaakt worden,
als men op grond dezer cijfers aanneemt, dat het nationaal
vermogen, of beter de welvaart in Britsch-Indië, in nagenoeg
gelijke mate is vooruitgegaan? Is het onbillijk, wanneer tot
de Nederlandsche Regeering het verwijt gericht wordt, dat Zij
zich overgegeven heeft aan een onverantwoordelijk »laisser-
aller"? Is zij niet aansprakelijk voor het gepleegde verzuim?
Mag nu met zulke cijfers voor oogen het groote nut der
spoorwegen in gewesten als Indië ontkend of betwijfeld wor-
den? De Nederlandsche Regeering heeft veel goed te maken,
om dit verzuim, dat over tal van jaren loopt, te herstellen.
De achteruitgang van de welvaart in Indië moet voor een
groot deel een gevolg zijn van dat verzuim.
Wij zullen door een overzicht trachten duidelijk te maken
hetgeen de Nederlandsche Regeering in de laatste jaren ver-
richt of beter nagelaten heeft, om den spoorwegbouw in Indië
te bevorderen. Alvorens daartoe over te gaan, meenen wij
echter het spoorwegnet in Britsch-Indië meer gedetailleerd te
moeten behandelen, nu wij later in onze conclusiën de in die
koloniën toegepaste beginselen bij spoorwegbouw als leiddraad
zullen nemen.
Het financieele jaar in Britsch-Indië wordt gerekend met
den lsten April van elk jaar te beginnen; de opgaven, waar-
over beschikt kon worden, bepalen zich daarom tot 1 April 1893.
Uit het verslag van den Directeur-Generaal der spoorwegen
in Vóór-Indië over 1892/93 blijkt, dat alleen in het laatste boek-
jaar 478 Eng. Mijlen = 770 K. M. spoorweg opnieuw voor
het verkeer geopend werden, dat is dus veel meer dan de
helft van het totaal van alle spoorwegen, die tot heden op
Java gebouwd zijn.
Op 31 Maart 1893 waren 18042 Eng. Mijlen = 29030 K. M.
in exploitatie.
De spoorwijdte van 10346 Eng. Mijlen = 16647 K. M. was
-ocr page 18-
12
5\' 6" = 1.677 M.; 7451 Eng. Mijlen = 11989 K. M. spoor-
lijnen hadden eene gauge van 3\' 33/s" = 1 M., terwijl 245 Eng.
Mijlen = 394 K. M. met slechts 2\' a 2\' 6" of 0.610 M. a
0.762 M. spoorwijdte waren gebouwd; laatstgenoemde lijnen
kunnen meer als stoomtramwegen dan als gewone spoorwegen
beschouwd worden; hare lengte is echter onbeduidend.
Voor een groot deel behooren de spoorwegen in Indië aan
den Staat. Deze heeft voor zijne rekening 13494 Eng. Mijlen
= 21711 K.M. gebouwd of doen bouwen; de exploitatie
is echter meerendeels aan particuliere maatschap-
pijen opgedragen. De Staat exploiteert zelf slechts 4868 Eng.
mijlen = 7832 K. M., en dit zijn nog in hoofdzaak militaire
lijnen.
De particuliere spoorwegen bestaan uit gegarandeerde
en gesubsidieerde lijnen; uit spoorwegen, die aan Tn-
landsche Staten toebehooren, doch door particuliere maat-
schappijen worden geëxploiteerd; uit lijnen, welke door In-
landsche Staten zijn betaald, doch die door ambtenaren worden
geëxploiteerd (State Railway Agency); uit spoorwegen, die
aan Inlandsche Staten behooren, die deze zelven exploitee-
ren, en ten laatste uit zoogenaamde buitenlandsche lijnen of
»foreign lines", welke over de Fransche en Portugeesche bezit-
tingen in Vóór-Indië loopen.
Een geheel andere toestand dus dan in onze koloniën.
Engeland heeft ingezien, dat de Regeering zich naar de eischen
van de geldmarkt moet schikken. De Nederlandsche Regee-
ring heeft gemeend de geldmarkt te kunnen dwingen, en deze
betweterij is oorzaak, dat ons Indië nagenoeg geen particu-
liere spoorwegen bezit, waardoor het eenige middel, om den
achteruitgang der welvaart te voorkomen, te loor ging.
De spoorwegen in Britsch-Indië worden verdeeld als volgt:
-ocr page 19-
13
Staatslijnen door particulieren 1889. 1890. 1891. 1892. 1893.
geëxploiteerd.........11073; 12005; 12996; 13524; 13879 K.M.
Staatslijnen door den Staat ge-
exploiteerd........... 7331; 7440; 7530; 7564; 7833 „
Particuliere lijnen met rentega-
rantie aangelegd........ 4162; 4164; 4166; 4164; 4163 ,
Particuliere lijnen met andere
Staatshulp aangelegd..... 351; 351; 613; 611; 641 ,
Spoorwegen aan Inlandsche Sta-
ten toebehoorende, doch door                                                                   <
particulieren geëxploiteerd . . 761; 761; 867; 954; 954 „
Als boven, doch door Staats-
ambtenaren geëxploiteerd . . 26; 199; 199; 199; 199 ,
Als boven, doch door de Inland-
sche Staten geëxploiteerd . . 727; 879; 880; 1149; 1266 „
Vreemde lijnen.......... 95;
          95;          95,          95;          95 „
24526; 25894; 27346
28260; 29030 K.M.
Totaal .
De Inlandsche Staten breiden hun spoorwegnet voortdurend
uit. In hoofdzaak geven zij echter de voorkeur aan eigen
exploitatie. In vijf jaren tijd steeg, zooals de voorgaande cij-
fers aangeven, deze categorie van 452 tot 787 Eng. mijlen of
van 727 K.M. tot 1266 K.M.
De geldelijke resultaten der verschillende spoorwegen zijn
slechts tot 31 Maart 1892 bekend. De uitgaven en ontvang-
sten waren in de laatste drie jaren als volgt:
Het aantal Kilometers, dat bij
het einde van het jaar in
exploitatie was........
Kapitaal, dat voor den bouw
enz. besteed is.........
Gemiddelde kosten per Kilometer
Gemiddelde lengte spoorlijn in
exploitatie...........
Bruto-ontvangsten........
Exploitatiekosten.........
Netto winst...........
Percentage van de netto winst
ten opzichte van aanlegkapitaal
1890.
1891.
1892.
26 214;
27 808;
28 589;
2 136 704 200
; 2 210 641 920
• 2 271 295 410
Rupies
81510
; 79 497
79 446
i
26109
27 414
28 442
K.M.
206 698 820
240 402 790
232 292 810
Rupies
103 109 130
113 038 470
109 000 060
»
103 589 090
127 364 320
123 292 750
5.76°/0
4.85°/0
5.42°/0
-ocr page 20-
14
De exploitatiekosten waren steeds dalende, en wel in 1890
49.80°/;, van de bruto-ontvangsten, het volgende jaar 47.02°/0
en in 1892 slechts 46.92°/0.
Niettegenstaande de aanlegkosten in Britsch-Indië, bij ver-
gelijking met die van de spoorwegen op Java, dus zeer hoog
waren, bedragen de netto-ontvangsten in de laatste jaren ge-
middeld ruim 5°/0 van de gelden, welke voor den bouw van
den spoorweg noodig geweest waren.
De financiëele resultaten van den spoorwegbouw zouden
voor de Britsch-Indische Regeering eene directe bron van
inkomsten geweest zijn, wanneer zij onder dezelfde gunstige
voorwaarden verkeerd had, als de particulieren. Dit is even-
wel niet het geval. De Regeering verliest bij de spoorweg-
exploitatie. De oorzaak hiervan ligt evenwel aan redenen,
welke voor een groot deel daarbuiten liggen. De zilvercrisis
in Britsch-Indië heeft haar bij de spoorweg-exploitatie een
direct verlies van 17 100 000 Rupies doen lijden. De Regeering
ontvangt de opbrengst in rupies; zij moet de interest van het
voor den bouw geleende en van het gegarandeerde kapitaal
in goud betalen. Van het bovenstaande verlies komen echter
6 120000 Rupies ten laste der spoorwegen, die uitsluitend voor
strategische doeleinden werden gebouwd. Deze lijnen werden
aangelegd, ofschoon men te voren reeds wist, dat zij nimmer
financieel rendeerend zouden wezen.
De overige spoorwegen van den Staat, welke in het belang
van land en volk, of beter ten bate van handel en nijverheid
zijn gebouwd, dekten alle uitgaven meer dan ten volle, ook
wanneer men bij die uitgaven de interest van het kapitaal
voegt.
Bij de berekening van het verlies, dat de Regeering in
Britsch-Indië lijdt, ten gevolge van de waardevermindering
van het zilver, dient bovendien in aanmerking genomen te
worden, dat bij de rentebecijfering eene som van 3 550 000 Ru-
pies in rekening is gebracht ten bate van de reservefondsen
-ocr page 21-
15
voor den East Indian en van eenige andere spoorwegen, zoo-
dat het zuiver tekort, dat uit de zilvercrisis voortvloeit, voor-
zooverre dit de spoorwegexploitatie betreft, voor de Britsch-
Indische Regeering op 7 530 000 Rupies kan gesteld worden.
De conclusie, welke uit den spoorwegbouw in Britsch-Indië
kan getrokken worden, is, dat deze communicatiemiddelen,
wanneer zij voor commercieële doeleinden zijn aangelegd, zoo-
wel voor den particulier als voor den Staat, eene uitmuntende
geldbelegging zijn.
Ook in onze koloniën wordt deze stelling bevestigd. Bij alle
spoorwegen, welke in Indië gebouwd zijn, overtreffen de
inkomsten verre de uitgaven. Vele verkeeren in bloeienden
toestand; zij zouden, indien het aanlegkapitaal door de par-
ticuliere Maatschappijen onder garantie van den Staat was
bijeengebracht, aan Deze eene belangrijke bijdrage voor \'s lands
schatkist geleverd hebben.
Het onwaarschijnlijke geval zelfs aannemende, dat de spoor
wegbouw in Indië niet direct rendeerend was geweest, dan
zou deze nog op indirecte wijze aan den Staat belangrijke
inkomsten verschaft hebben. Een groot aantal ondernemingen
hebben aan den spoorwegbouw haar ontstaan te danken; be-
langrijke geldelijke bedragen heeft de spoorwegbouw onder
de bevolking gebracht, en voorzeker heeft de fiscus daarvan
een deel tot zich zien vloeien.
Wij zijn dan ook overtuigd, dat de begrooting van Nederl.-
Indië veel minder zorgen dan thans zou opleveren, indien de
Nederlandsche Regeering het nut van spoorwegen tijdig had
ingezien, en rekening had gehouden met hetgeen in andere
koloniën navolgenswaardig is.
-ocr page 22-
HOOFDSTUK III.
Wij zullen thans nagaan welke gedragslijn de Nederlandsche
Regeering in de laatste jaren ten opzichte van den spoor-
wegbouw in Indië gevolgd heeft.
Vooreerst wijzen wij op het besluit, waarbij het smalspoor
voor Indië werd vastgesteld. Deze beslissing is onherroepelijk,
en zal gedurende eene eeuw ten nadeele van Indië strekken.
Voorzeker heeft eene kleinere spoorwijdte boven eene
grootere het voordeel, dat in bergterreinen een korter tracé
kan gekozen worden, doch dit voordeel is in Indië nagenoeg
algemeen uit het oog verloren. Aan de aarden baan zijn boven-
dien dergelijke afmetingen gegeven, dat zij voor breedspoor
eveneens geschikt is. De besparing in uitgaven door gebruik-
making van smalspoor is daarom luttel geworden.
Het smalspoor beperkt het maximum der snelheid tot verre
beneden dat van breedspoor. Het vermogen van een spoor-
weg, die met smalspoor is aangelegd, zal aanzienlijk minder
zijn dan dat van eene lijn met grooter gauge.
Men heeft in Indië niet voorzien, dat het spoorwegvervoer
eene hooge vlucht zou nemen, en bij de vaststelling van het
smalspoor niet gedacht aan doorgaande lijnen, die eene groote
lengte kunnen verkrijgen.
Het besluit, waarbij de spoorwijdte in Indië op 1.067 M is
vastgesteld, zal na verloop van tijd belemmerend op de ex-
-ocr page 23-
17
ploitatie werken, en den kostbaren aanleg van dubbel spoor
bespoedigen; reeds thans doet zich dit resultaat bij een deel
der Oosterlijnen gevoelen. (Begrooting 1894 bladz. 41.)
De spoorwegen, welke door den Staat zijn gebouwd, leve-
ren alle redenen tot tevredenheid. Ingenieurs als wijlen de
Heeren Maarschalk en Derx mogen niet vergeten worden;
op den Hoofdingenieur Yzerman mag Nederlandsch Indië
met voldoening wijzen. Het zijn allen ambtenaren, die energie
aan ijver en bekwaamheden paarden, en aan wie Indië veel
verschuldigd is.
De S taats-aanleg heeft echter steeds op beperkte schaal
plaats gehad. Op het zoo uitgestrekte eiland Java waren einde
1892 niet meer dan 915 K.M. lengte Staatsspoorweg in ex-
ploitatie.
Indien de Nederlandsche Regeering den bouw van parti-
culiere lijnen had bevorderd, dan zou daardoor te gemoet
gekomen zijn aan de mindere voortvarendheid, welke de Re-
geering (niet de ingenieurs) betracht heeft, om den Staats-
aanleg uit te breiden. Gaarne nemen wij aan, dat de Neder-
landsche Regeering met de beste bedoelingen bezield was,
doch het blijkt uit hare handelingen, dat zij het nut van spoor-
wegen niet inzag, en den spoorwegbouw gedurende jaren heeft
tegengehouden. Wij zullen dit nader aantoonen.
Den bouw van de lijnen der Nederl. Indische Spoorweg-
Maatschappij kunnen wij buiten beschouwing laten, daar de
oprichting dezer vennootschap reeds dertig jaren geleden
plaats had. Wij teekenen slechts aan, dat deze Maatschappij
eene lengte van 261 K. M. spoorweg exploiteert, waarvan 205
K. M. met breedspoor zijn aangelegd. Door den Staat is ge-
durende den aanleg financieele steun aan de Maatschappij
verleend; de vennootschap verkeert echter in zulk een bloei-
enden toestand, dat de voorgeschoten gelden geleidelijk wor-
den terugbetaald.
De ontwikkeling van de Vorstenlanden is geheel aan dezen
2
-ocr page 24-
18
spoorweg te danken. Sedert den aanvang der exploitatie zijn
deze gewesten op landbouw- en industrieel gebied eene geheel
andere phase ingetreden. Bij eene vergelijking van deze stre-
ken in hun tegenwoordigen toestand met dien, waarin zij vóór
den aanleg van bovengenoemden spoorweg verkeerden, zal
men tot de erkentenis moeten komen van het groote nut op
economisch gebied van spoorwegbouw. Op de politieke betee-
kenis van dezen spoorweg, en op de kracht, welke aan de meer-
dere welvaart ontleend wordt tot het bewaren van de rust en
orde in de Vorstenlanden, meenen wij niet te behoeven wijzen.
Het vereischt geen betoog, dat de Staat voor een deel de
vruchten plukt van den invloed, welken deze spoorweg op den
landbouw en de industrie in Djocjocarta en Solo heeft uitge-
oefend.
Sedert 1863, zijnde het jaar, waarin de Nederl. Indische
Spoorweg-Maatschappij werd opgericht, tot heden, dat is ge-
durende de laatste dertig jaren, zijn op Java geen particuliere
spoorwegen gebouwd, met uitzondering van twee kleine lijnen,
die te zamen slechts 81 K. M. lang zijn.
In de schitterende resultaten van de lijnen der Nederl.
Indische Spoorweg-Maatschappij lag voorzeker een voldoende
prikkel om het Europeesch kapitaal voor spoorwegbouw in
Indië aan te wenden. Concessiën voor spoorwegaanleg werden,
zooals wij later zullen aantoonen, op groote schaal gevraagd,
doch de Regeering, en Deze uitsluitend, maakte door
Haar wikken en wegen en het ontwerpen van plannen, die
nimmer tot uitvoering kwamen, eiken particulieren spoorweg-
bouw eerst onmogelijk, en decreteerde daarna eenvoudig, dat
geene particuliere spoorwegen zouden worden gebouwd.
In de jaarverslagen der spoorwegen wordt nu en dan eene
veelzeggende klacht over de geringe voortvarendheid der Re-
geering geuit. In dat der Bataviasche Ooster-Spoorwegmaat-
schappij lezen wij o. a.: »Het wordt eentonig om ook nu we-
»der te moeten verklaren, dat, in zake de verlenging van
-ocr page 25-
19
»onzen spoorweg naar Cheribon, in 1892 niet de minste voor-
suitgang is gekomen. Een den 9den Juli 1892 tot den heer
^Minister van Koloniën over dit onderwerp gericht schrijven
»bleef nog zonder antwoord."
»Het is reeds vier jaren geleden, dat deze zaak ter hand
»genomen werd, doch tot heden zijn de inzichten der Regee-
>ring omtrent den steun, welken zij zou verleenen bij de uit-
>breiding van het spoorwegnet op Java nog niet bekend,
zelfs enz. enz."
In het verslag over 1893 zegt de Directie van deze Maat-
schappij, omtrent deze verlenging, het volgende: »Het in mijn
»oog vrij eenvoudige probleem, schijnt in werkelijkheid jaren
>lange overpeinzing, overweging en wisseling van gedachten
»noodig te maken. Aan gemis aan belangstelling kan, na de
»herhaalde verzekering van het tegendeel, niet gedacht wor-
>den; maar het langdurig wikken en wegen heeft voor de be-
»langhebbenden hetzelfde resultaat als gemis aan belangstel-
»ling. Als betuigingen van het groote nut der uitbreiding van
»verkeerswegen niet leidt tot vrij snelle afdoening van inge-
»komen ernstige aanbiedingen, dan verliezen die betuigingen
»veel van hare waarde. Wij zijn reeds meer dan vijf jaren met
»het ministerie van koloniën in contact en weten op den hui-
»digen dag nog niet, of onze plannen al dan niet geacht
»worden in het algemeen belang te zijn. Moge het nu inge-
»treden jaar getuige zijn van de oplossing van het gestelde
»probleem."
De Regeering schijnt steeds te vergeten, dat een groot ka-
pitaal niet ten allen tijde op de geldmarkt beschikbaar is, en
dat bankiers zich niet voor geruimen tijd verbinden. De gun-
stige oogenblikken voor het plaatsen van een kapitaal ten
behoeve van spoorwegbouw gaan op deze wijze ongebruikt
voorbij.
Wij zullen thans in het kort de verschillende frontveranderin-
gen der Regeering gedurende de laatste jaren, en de gevolgen
-ocr page 26-
20
van Haar dobberen tusschen verschillende stelsels aangeven.
In de Memorie van Toelichting bij de begrooting en in de
Memorie van Beantwoording, dienstjaar 1887 pag. 8 en 30,
gaf de toenmalige Minister van Koloniën, de Heer Mr. J. P.
Sprenger van Eyk, te kennen, dat de Regeering een plan
beraamde, en aan de Wetgevende Macht zou voorleggen tot
verkoop of wel tot het geven in Exploitatie der Staatslijnen aan
eene door particulieren op te richten Naamlooze Vennootschap.
Het spreekt van zelf, dat bankiers, in afwachting van de
ontwikkeling der Regeeringsplannen, ongenegen waren om
hun steun te verleenen aan concessionarissen van spoorweg-
bouw, waaraan staatshulp totaal ontbrak, te meer daar door
den toenmaligen Minister van Koloniën, Mr. J. P. Sprenger
van Eyk, werd verklaard:
»De regeling zal er dus op nederkomen, alsof de Staat in
»vereeniging met particulieren spoorwegen aanlegt, in dier
»voege, dat particulieren kapitaal verstrekken tegen vaste
»rente, de Staat bouwt, en particulieren exploiteeren."
De Regeering ging toenmaals dus nog iets verder, dan de
Britsch-Indische spoorwegpolitiek aangeeft.
Met eene groote financieele inrichting werd door de Regee-
ring in overleg getreden, om het denkbeeld van den Minister
te verwezenlijken.
Het vooruitzicht, om voor Indische spoorwegen geld te
kunnen verstrekken onder genot van rentegarantie of hulp
door den Staat lag gedeeltelijk in de plannen van den
Minister opgesloten.
Bij de begrooting van het dienstjaar 1888 werd door den
Minister dan ook te kennen gegeven, dat het aanhangig on-
derzoek omtrent eene overdracht aan particulieren van de
Exploitatie van Staatsspoorwegen op Java nog niet afgeloo-
pen was, en dat er nog overleg bestond tusschen de Indische
Regeering en den Minister omtrent het verleenen van be-
perkte subsidiën voor een zeker aantal jaren tot het bedrag,
-ocr page 27-
21
dat het Gouvernement kon rekenen te zullen besparen op de
kosten van vervoer van Gouvernementsreizigers en goederen.
Zelfs het denkbeeld om nog andere voordeden toe te kennen
bij aanleg van spoorwegen door particulieren werd door den
Minister geenszins verworpen.
In de zitting van 28 November 1887 verzette het toenma-
lige Kamerlid Mr. L. W. C. Keuchenius zich tegen afstand
van de Staatslijnen aan particulieren. Met spanning werd
daarom afgewacht, om de beginselen te vernemen welke deze
staatsman omtrent spoorwegpolitiek in Indië zou voorstaan,
toen hij in April 1888 als Minister van Koloniën optrad.
Dit bleek weldra in het Koloniaal Verslag van 1889 pag.
154, waarin de Minister mededeelt, dat het denkbeeld in
overweging genomen was, om algemeene bepalingen op het
verleenen van rentegarantie aan particuliere spoorwegen in
het leven te roepen.
Deze mededeeling werd versterkt door de verklaring van
den Minister Keuchenius in de zitting van de Tweede Ka-
mer der Staten-Generaal 30 November 1888, luidende als
volgt: »Dat neemt evenwel niet weg, dat ik reeds terstond bij
»mijn optreden — dus April 1888 — het denkbeeld in over-
»weging genomen heb, of niet door het beschikbaar stellen
»van eene aanzienlijke som voor het verleenen van rente-
«garantie ten behoeve van groote werken, in de behoefte van
»Indië zou kunnen voorzien worden. Ik heb het voorne-
»men dan ook om daartoe te eeniger tijd met een
«wetsontwerp bij de Kamer te komen."
Wij wezen er hiervoren op, dat de plannen van den Mi-
nister Sprenger van Eyk de geldmarkt voor particulieren
spoorwegbouw sloot; dit was niet minder het geval toen de
vooruitzichten op goedkoop geld, die de Minister Keuchenius
opende, bekend werden. De bankiers moesten in hunne af-
wachtende houding blijven volharden, nu beide Ministers de
hoop hadden opgewekt, dat spoedig de particuliere spoor-
-ocr page 28-
22
wegbouw op groote schaal met Staatshulp zou kunnen wor-
den aangevangen.
Het optreden van Mr. M. Baron Mackay als Minister van
Koloniën op 24 Februari 1890 verlevendigde deze hoopvolle
verwachting. In het Koloniaal Verslag van 1890 lezen wij:
»Het voornemen bestaat thans, — en een daartoe strekkend
«wetsontwerp wordt in gereedheid gebracht, — om aan de
»uitgifte van concessie voor den aanleg en de exploitatie van
»een viertal hoogst gewenschte spoorwegen (gewone en secun-
»daire), waarvoor zonder geldelijken waarborg van Staatswege
»het benoodigde kapitaal gebleken is niet bijeengebracht te
»kunnen worden, gedurende een zeker (niet te beperkt) aantal
ïjaren rentegarantie te verbinden."
Het bovenbedoelde wetsontwerp werd door den Minister in
overleg met zijn ambtgenoot van Financiën gemaakt, de Ko-
ningin-Regentes verleende er Hare goedkeuring aan, de Raad
van State ontving het ter behandeling; de hoop werd daarom
gekoesterd, dat weldra de spoorwegbouw in Indië eene groote
vlucht zou nemen.
Indien deze verwachting ware vervuld geworden, zou de
anti-revolutionaire partij zich eene eerezuil in Indië hebben
opgericht. Voor onze koloniën zou een nieuw tijdperk van
bloei en toeneming van welvaart aangebroken zijn.
Alvorens het wetsontwerp de Staten-Generaal bereikte, trad
de Minister Mackay af. Den 21sten Augustus 1891 werd de
Heer Mr. W. K. Baron van Dedem tot Minister van Kolo-
niën benoemd.
Gedurende ruim zeven jaar, dat is van 27 Februari 1884 tot
21 Augustus 1891, was, als een gevolg der plannen van de
Regeering, welke nimmer tot uitvoering kwamen, de geldmarkt
voor den particulieren spoorwegbouw in Indië gesloten ge-
bleven. Spoedig zou blijken, dat deze spoorwegaanleg door de
Regeerings-maatregelen geheel onmogelijk zou worden gemaakt.
De Heer Mr. W. K. Baron van Dedem bleek omtrent den
-ocr page 29-
23
spoorwegbouw in Indië geheel van meening met zijn ambts-
voorgangers te verschillen. Wij treden met dien departement-
chef eene periode van Regeeringsbeleid in, die, wat de spoor-
wegpolitiek betreft, de meeste verrassingen aanbiedt, en van
denkbeelden getuigt, welke nimmer door eenigen technicus of
door eenige Regeering tevoren zijn gehuldigd. Die denkbeel-
den hebben uitsluitend het voorrecht van oorspronkelijkheid;
zij komen ons overigens voor onuitvoerbaar te zijn, en eene
ramp voor onze koloniën te wezen.
In het koloniaal verslag van 1891 gaf Mr. W. K. Baron
van Dedem te kennen, dat rente-garantie aan de Regeering
niet aanbevelingswaardig voorkwam. »Het werd zeer twijfel-
»achtig geoordeeld of wel prijs moest worden gesteld op den
»aanleg van spoorwegen tusschen Krawang en Semarang en
»door het Serajoedal, daar het zeer aanneemlijk voorkwam, dat
»daar kon worden volstaan met tramwegen, die zonder eenigen
» steun van de Regeering zouden zijn aan te leggen."
De landstreek gelegen tusschen Semarang en Krawang is
nagenoeg tweemaal sterker bevolkt dan Nederland; een groot
aantal landbouwondernemingen wordt aldaar aangetroffen. De
afstand van Krawang tot Semarang is 405 K. M., dat is
een afstand gelijk aan dien van Utrecht tot Wies-
baden.
De minister achtte dus in zulk eene nijvere landstreek een
tramweg over een dergelijken afstand voldoende. Wij zullen
nader ten overvloede door cijfers aantoonen, dat dit denk-
beeld van den Heer Van Dedem technisch en economisch
een misslag is, doch afgescheiden daarvan, zoo blijkt reeds
uit eene oppervlakkige beschouwing van hetgeen door eene
lengte van 405 K. M. verstaan wordt, dat deze minister zich
geen rekenschap gegeven heeft van hetgeen door hem werd
aanbevolen. Wij gelooven, dat een dergelijk vervoermiddel over
zulk een afstand gebouwd een unicum mag genoemd worden.
Nog meer oorspronkelijkheid zal men ontwaren in het Regie-
-ocr page 30-
24
ment op de tramwegexploitatie, dat de Minister Van Dedem
in het leven geroepen heeft; ook dit zullen wij nader be-
handelen, en thans voortgaan met het geven van een over-
zicht van de handelingen en mededeelingen van dezen Mi-
nister van Koloniën omtrent spoorwegbouw in Nederl. Indië.
In de Memorie van Antwoord, begrooting van Nederl. Indië
over het dienstjaar 1892, pag. 14, lezen wij o. m. het volgende:
»De wenschelijkheid van een spoorweg van Semarang naar
»Cheribon en van daar verder naar Krawang is volstrekt niet
«aangetoond. Eene ernstige vraag is het, meent de onder-
»geteekende (de Minister Van Dedem) of niet een tramweg,
»de havenplaatsen Tegal en Pecalongan aandoende, doelma-
atiger is te achten."
Vooreerst deze zinsnede.
De wenschelijkheid van den spoorweg wordt aangetoond
door de ontwikkeling van de landstreek, waar de suikercultuur,
om niet van de koffie te spreken, eene groote vlucht genomen
heeft, en nog voor uitbreiding vatbaar is, mits een spoorweg
wordt gebouwd. De dichtheid der bevolking; de behoeften
van deze; de bevordering van den Indischen landbouw; de
uitgebreidheid der Gouvernements-bosschen, welke thans niet
te exploiteeren zijn; de behoefte aan verspreiding der bevol-
king over de gronden in de hooglanden, die in cultuur ge-
bracht kunnen worden, zoodra de afvoer der producten mo-
gelijk wordt; en eindelijk de uitgestrektheid van het terrein
toonen niet alleen de wenschelijkheid van een spoorweg aan,
doch stellen den bouw van dit communicatiemiddel als een
eisch.
Het traject Semarang—Krawang is, zooals wij hiervoren
deden opmerken, 405 K. M. lang, dat is een afstand gelijk
aan dien van Utrecht tot Wiesbaden.
De Minister spreekt evenwel van de havenplaatsen Tegal
en Pecalongan, en heeft zich daarom misschien voorgesteld
om het bovenbedoelde traject in vier deelen te kunnen ver-
-ocr page 31-
25
deelen, dat wil zeggen a. van Krawang naar Cheribon, b. van
Cheribon naar Tegal, c. van Tegal naar Pecalongan en d. van
Pecalongan naar Semarang. De lengte dezer deelen zou daar-
door worden a. 161 K.M. (den Haag—Brussel), b. 82 K.M.
(den Haag—Rozendaal), c. 70 K.M. (Rotterdam—Geldermalsen),
d. 92 K. M. (Leeuwarden—Zwolle).
Deze afstanden zijn dus nog zeer belangrijk, en ongekend
bij tramwegbouw.
Met nadruk doen wij echter opmerken, dat de Minister in
de geciteerde zinsnede eene onjuiste voorstelling geeft omtrent
de landstreek.
De Minister spreekt van de havenplaatsen Tegal en
Pecalongan. Zulk eene qualificatie der gelegenheid tot af-
scheep, die deze plaatsen aanbieden, doet eene misvatting
ontstaan, en juist die onjuiste voorstelling van den Minister be-
heerscht het geheele spoorwegplan van dien departementchef.
Met hetzelfde recht of nog met meer recht, kan men Sche-
veningen, Katwijk en dergelijke dorpen langs onze kust haven-
plaatsen noemen.
Vele eeuwen geleden was Katwijk eene plaats, waar de
schepen uit het binnenland zee kozen; een groot aantal der-
gelijke punten van ons land zijn aan te wijzen, waar zeeschepen
in vroegere jaren goederen en personen in- of ontscheepten;
wie zou echter thans deze visschersdorpen havenplaatsen
noemen?
Tegal en Pecalongan zijn technisch identiek met Scheve-
ningen en Katwijk, zooals deze in den tegenwoordigen toe-
stand verkeeren. De uitmonding van het ververschingskanaal
te Scheveningen is eene getrouwe kopie van de zoogenoemde
havens op eerstgenoemde plaatsen.
Met kracht van geld en arbeid tracht het Ned.-Indische
Gouvernement in het strand te Tegal en te Pecalongan eene
geul te onderhouden, die als zij in den idealen toestand ver-
keert, bij laag water drie voet diep is. De westelijke en ook
-ocr page 32-
26
de oostelijke winden langs de kust doen evenwel herhaaldelijk
de geul verdwijnen, zoodat over een groot deel van het jaar
de communicatie met de reede gestremd is.
Het is waar, dat de ondernemingen te Tegal en Pecalongan
hare producten uit die kustplaatsen afvoeren; zij doen of de-
den dit zelfs nog op andere dergelijke punten langs het strand
(Oeloedjamie), doch uitsluitend omdat de noodzakelijkheid hen
daartoe dwingt. Het zou voor vele eene financieele onmogelijk-
heid wezen, om met de tegenwoordige vervoermiddelen de goe-
deren naar Cheribon of Semarang te transporteeren. Al moge
het daarom waar zijn, dat de omstandigheden de ondernemers
dwingen tot een afscheep te Tegal of te Pecalongan, zoo volgt
hier niet uit, dat deze plaatsen dientengevolge h a v e n plaatsen
zijn, en dat in de toekomst een dergelijke toestand moet voort-
duren. Juist omdat deze primitieve wijze van afscheep in den
tegenwoordigen tijd een beletsel is voor de ontwikkeling der
landstreek, juist op die gronden is een tramweg in die ge-
westen veroordeeld, en wordt de spoorwegbouw noodzakelijk.
Uitsluitend Cheribon en Semarang kunnen als havenplaatsen
in Midden-Java genoemd worden. Het gebruik van Tegal en
Pecalongan als afscheepplaatsen is uitsluitend het gevolg van
den middeleeuwschen toestand, die thans nog in die landstreek
wordt aangetroffen. De Minister heeft daarenboven, door de
onjuiste voorstelling van het verkeerswezen in die gewesten,
de Regeering verplicht tot het voortzetten van de aanzienlijke
uitgaven, welke jaarlijks het openhouden der hierboven be-
doelde vaargeulen vorderen, dat is van een arbeid, die gelijk
te stellen is met het vullen van het vat der Danaïden.
Het komt ons voor, dat de Heer Baron van Dedem con-
clusiën en stellingen gemaakt heeft zonder deze te argumen-
teeren, en daarom eene dwaling heeft kunnen doen ontstaan,
waarvan de gevolgen niet te overzien zijn, en die tot in de
verre toekomst de ontwikkeling van eene landstreek zal be-
lemmeren.
-ocr page 33-
21
Indien de Minister zich een duidelijker en juister beeld had
gevormd van de middelen van vervoer en afscheep in de ge-
westen, welke gelegen zijn tusschen Krawang en Semarang,
en nagegaan had, dat deze landstreek meer dan vier millioen
zielen telt, en dat het totaal van den rijst-, den koffie- en den
suikeroogst op ruim een millioen tonnen kan geschat worden,
dan zou, meenen wij, deze departementchef nimmer de wen-
schelijkheid van een spoorweg betwijfeld hebben, en a"an een
tramweg van 405 K.M. lengte gedacht hebben.
De dwaling van den Heer Mr. W. K. Baron van Dedem
schrijven wij daarom in hoofdzaak toe aan een ide\'e fixe, en
deze dwaling zou door eene studie der zaak, dat is door cij-
fers, welke binnen het bereik van een ieder liggen, onmiddel-
lijk opgeheven zijn. Uit eene nadere beschouwing van de vol-
gende zinsnede, voorkomende op bladz. 14 van de begrooting
van Ned. Indië voor het dienstjaar 1892 zal dit nog meer blijken.
»Van groote beteekenis acht de ondergeteekende (wederom
sde Minister van Dedem), met het oog op het groote ver-
>schil in kosten van aanleg en exploitatie, bij het ontwerpen
»van voormeld plan, de vraag, waar met den aanleg en met
>de exploitatie als stoomtramweg volstaan zal kunnen worden.
»Dat, waar het vervoer zekere grenzen niet te boven gaat,
»stoomtramwegen uitstekend daarin kunnen voorzien, en te-
»vens goede resultaten aan particuliere ondernemers afwerpen,
»heeft dit verkeersmiddel tusschen Semarang en Joana geleerd."
In het slot dezer zinsnede ligt vermoedelijk de bron van
de misvattingen van den Minister. Deze misvattingen hadden
echter voorkomen kunnen worden, nu zijn ambtgenoot van
Binnenlandsche Zaken, de Minister Tak van Poortvliet,
die tot zijn optreden in de Regeering, President-Commissaris
van de Semarang—Joana Tramweg-Maatschappij is geweest, en
die deze functiën thans wederom vervult, volledige inlichtin-
gen omtrent dezen tramweg had kunnen geven.
De tramweg Semarang—Joana verkeert in een bijzonder ge-
-ocr page 34-
28
val. Hij loopt door een vlak terrein: groote rivierovergangen
komen niet voor. Het tracé van den postweg leverde daarom
geen bezwaren op. De aanleg vorderde uit dien hoofde een
minimum uitgaaf.
In de stad Semarang heeft de tramweg een belangrijk per-
sonenvervoer; hij draagt aldaar geheel het zuivere karakter
van een tramweg.
De lijn ontvangt de goederen in hoofdzaak aan haar ter-
minus, dat is nabij Joana. Over eene lengte van bijna 50 K.M.
(de geheele lijn is 87.6 K.M.) doorsnijdt de tramweg eene
weinig bevolkte landstreek (Demak) van geringe productivi-
teit. Het gevolg hiervan is, dat de lijn betrekkelijk kleine
hoeveelheden goederen transporteert, doch over de maximum-
afstanden, zoodat zij goede inkomsten heeft.
Dit vervoermiddel kan onder deze zeldzaam gunstige en
exceptioneele omstandigheden aan de eischen van het verkeer
voldoen, doch spoedig zou het blijken, dat een tramweg in
die landstreek tekort schoot, wanneer de afdeeling Demak in
grootere welvaart kon geraken, en de bevolking aldaar tot
een normaal peil aangroeide. Dubbel spoor kan over een
postweg in de meeste gevallen niet gelegd worden; een groot
aantal wisselplaatsen zou daarom bij eene sterke vermeerde-
ring van het vervoer noodig worden, waardoor de snelheid
nog meer gedrukt zou worden, en het transportvermogen
slechts matig zou toenemen.
Naar onze meening wordt daarom door de Regeering, waar
zij den stoomtramweg Semarang—Joana als voorbeeld kiest,
eene uitzondering als regel aangenomen.
De Minister zegt, dat de kosten van den bouw en de ex-
ploitatie van een tramweg en van een spoorweg zeer verschil-
len. Deze meening is juist, wanneer de tramweg het zuivere
karakter van een dergelijk vervoermiddel behoudt. In geenen-
deele is dit laatste echter de bedoeling van den Minister ge-
weest, zooals nader bij de beoordeeling van het nieuwe tram-
-ocr page 35-
29
weg-reglement zal blijken. Men moet echter steeds in het oog
houden, dat de kosten van aanleg van een tram- of spoorweg
beheerscht worden 1° door de spoorwijdte, 2° door het tracé\',
3° door de snelheid, 4° door het reglement.
De spoorwijdte van de tramwegen en die der spoorwegen in
Indië is gelijk (1.067 M.); bij het aannemen van eene gelijke snel-
heid zullen daarom de kosten van de baan niet veel verschillen.
Het tracé van den tramweg zal, indien daardoor wérkelijk
de zoogenoemde »kleinbahnen" bedoeld wordt, in den regel
over den postweg loopen. De Minister heeft blijkbaar een
dergelijk tracé voor oogen, nu hij Semarang—Joana als voor-
beeld stelt. De postweg is op de Noordkust van Java in
hoofdzaak langs of nabij de kust aangelegd, en loopt zooveel
mogelijk in vlak terrein; dit neemt evenwel niet weg, dat op
enkele gedeelten steile hellingen voorkomen. De rivierovergan-
gen zijn het menigvuldigst en het grootst in lengte langs de
kust, doch tevens het eenvoudigst in constructie.
Het tracé van een spoorweg wordt daarentegen gekozen
onafhankelijk van den postweg, en geheel in verband met de
eischen van de exploitatie en die van het vervoer.
De postwegen zijn getraceerd in het begin dezer eeuw op
last van den Gouverneur-Generaal Daendels. Geen technicus
heeft de Inlandsche bouwmeesters voorgelicht. De vraag was
voor hen om met de minste moeite een verbindingsweg te
maken. Economische belangen traden op den achtergrond.
De aanleg langs de kust is hiervan het gevolg geweest, even-
eens is daardoor te verklaren, welke de reden is, dat de be-
volking en de ondernemingen zich niet langs de postwegen
hebben samengedrongen.
Indien eenig product is afgevoerd tot den postweg, dan is
de grootste arbeid verricht, en levert het bereiken van de
naaste afscheepplaats geen groot bezwaar meer op. Eene
dichtbevolkte landstreek met koffie- en suikercultuur, zooals
Cheribon, Tegal, Pecalongan en Semarang dit zijn, wordt
-ocr page 36-
30
daarom uitsluitend gebaat door een spoorweg langs den voet
van het hoogland gebouwd, en niet door een tramweg over
den postweg, welke in de nabijheid der kust is aangelegd.
De aanleg van een tramweg kan nu misschien goedkooper
zijn dan die van een spoorweg, doch dit verschil in kosten
vervalt nagenoeg geheel, zoodra voor den tramweg een tracé
buiten den postweg gekozen wordt.
De aarden baan stelt bij een tracé buiten den postweg,
zooals wij hiervoren deden opmerken, voor beide verkeers-
middelen nagenoeg dezelfde eischen. De rivierovergangen zijn
geheel identiek, vooral nu de Minister als eisch aan de tram-
wegen stelt, dat zij moeten gebouwd worden met het oog op
de mogelijkheid, dat zij zoo noodig later in spoorwegen kun-
nen worden omgezet. De onteigening bij spoorweg- en tram-
wegbouw zal óf gelijk, óf voor den laatste hooger zijn.
Uitsluitend de bouw van stationsgebouwen, afsluitingen enz.
zal daarom bij tramwegen, zooals de Minister deze bedoelt,
eenige besparing in vergelijking met spoorwegen opleveren,
doch hierbij heeft de snelheid eene beslissende stem. Indien,
zooals de Minister dit in het Reglement (Zie Staatsblad 18Q3
N°. 191) heeft toegestaan, de snelheid op de tramwegen een
maximum van 40 K. M. mag bereiken, dan worden afsluitingen
noodig, en zullen omtrent de bochten en hellingen, welke in
het tracé veroorloofd zijn, dezelfde technische regels als bij
de spoorwegen gevolgd moeten worden; in dat geval verval-
len dus nagenoeg alle besparingen, die de Minister in het
vooruitzicht stelde.
Wij weerspreken op genoemde gronden beslist de meening
van den Minister, dat de aanleg van tramwegen volgens zijn
systeem zooveel goedkooper is dan die van spoorwegen.
Wat het verschil in exploitatiekosten betreft, doen wij op-
merken, dat deze uitgaven geheel afhangen van het Regie-
ment, dat eenige Regeering gelieft vast te stellen. Indien,
zooals de Minister van Dedem dit bevolen heeft, tramwegen,
-ocr page 37-
31
welke met 40 K. M. snelheid mogen loopen, ontheven worden
van vele der bezwarende bepalingen, welke de spoorwegen
drukken, die slechts 30 K. M. snelheid maximum mogen be-
reiken (Ind. Staatsblad 1886 N°. 67), dan is het uit den aard
der zaak mogelijk, een goedkooper exploitatie voor dergelijke
tramwegen in het leven te roepen.
Omtrent de groote beteekenis van het verschil in exploita-
tiekosten van spoor- en tramwegen, waarop de Minister met
zulk een nadruk wijst, kunnen wij in verband met het voor-
gaande uitsluitend als onze meening zeggen, dat dit verschil
werkelijk groot kan zijn, indien, zooals de Minister van Dedem
dit voorgesteld heeft, de Indische Regeering reglementen
maakt, die gelijk wij nader zullen trachten aan te toonen,
naar onze meening, technisch onhoudbaar zijn, en die overi-
gens van de grootste inconsequentie getuigen.
Het tweede deel der zinsnede uit de Begrooting van Nederl.
Indië voor 1892, waar de Minister zegt, dat, »waar het ver-
voer zekere grenzen niet te boven gaat, stoomtramwegen uit-
stekend daarin kunnen voorzien," is in abstracto genomen, en
in sommige omstandigheden eene onbetwistbare waarheid.
Het is echter de vraag of het veronderstelde geval op de
door den Minister bedoelde lijn Semarang—Krawang toepas-
selijk is. Dit meenen wij te moeten betwijfelen.
Voorzeker zal een tramweg langs de kust gelegd, welke als
vervoermiddel dus slechts ten halve aan de behoefte van de
landstreek voldoet, en slechts van ééne zijde kan gevoed
worden, veel minder trafiek verkrijgen dan een spoorweg in
de nabijheid van het hoogland; ook kan bij zulk een tramweg
van geen doorloopend verkeer sprake zijn, en wordt hij ook
op dien grond in de hoeveelheid van vervoer beperkt, zelfs
is het mogelijk dat, als een dergelijk verkeersmiddel in eene
landstreek, met vier millioen inwoners wordt gebouwd, het
vervoer zekere grenzen niet te boven gaat, het is echter de
-ocr page 38-
32
vraag waar deze grens gelegen is, en of zij niet de capaciteit
van een tramweg overschrijdt.
Vermoedelijk is het wederom de lijn Semarang—Joana,
welke den Minister tot de hierover bedoelde meening gebracht
heeft. Het is waar, dat op dit traject het vervoer gedurende
de laatste jaren niet is toegenomen. Wij wezen er reeds op,
dat deze tramweg onder exceptioneele omstandigheden ver-
keert. Eene gelijkstelling van de behoeften en omstandigheden,
welke in andere gewesten worden aangetroffen, met die van
de streek, welke door den tramweg Semarang—Joana bediend
wordt, moest tot onjuiste gevolgtrekkingen leiden.
Beter ware het geweest, dat de Minister de geschiedenis
der bestaande spoorwegen had nagegaan. Op bladz. 9 toon-
den wij door cijfers aan, hoe deze vervoermiddelen de land-
streek, welke zij doorsnijden, tot ontwikkeling gebracht heb-
ben. zoodat de inkomsten van het vervoer binnen zeven jaren
tijds met 70°/0 toenamen.
Het is niet te ramen tot welke mate van economische ont-
wikkeling de Residentièn Pecalongan, Tcgal en Cheribon
zouden stijgen, indien een spoorweg langs het hoogland en
geen tramweg langs de kust, werd gebouwd. De kaart van
het land toont duidelijk aan, dat nog groote uitgestrektheden
grond door gemis aan communicatie-wegen braak liggen, en
vele bosschen op ontginning wachten.
De Minister, die slechts het oog gevestigd heeft op den
tramweg Semarang—Joana, zou voorzeker tot eene andere
meening gekomen zijn, indien deze Departementchef het ver-
voer der spoorwegen onder cijfers gebracht had.
De tramweg Semarang—Joana met zijne zijtakken trans-
porteert jaarlijks per K.M. slechts 550 ton goe-
deren.
Stel hiertegenover de kleine spoorlijn Tegal—Balapoelang,
die juist in de streek gelegen is, waar de Minister een tram-
weg voldoende acht, en die reeds 921 ton per K.M. vervoert
-ocr page 39-
33
(in 1893 1146 ton per K.M.); of de spoorweg Batavia—Bui-
tenzorg met een transport van 1994 ton per jaar K.M.; dan
wel de spoorweg Semarang—Djocjocarta aan welken 1372 ton
goederen per K.M. per jaar ter transport wordt aangeboden.
Deze particuliere spoorwegen in Indië, zien gelijk die van den
Staat, jaarlijks de quantiteit van vervoer stijgen.
In de begrooting van 1894 bladz. 41, waar de Minister het
lijntje Tarik—Soerabaija verdedigt, wordt zelfs de vraag over,-
wogen of op het baanvak van den Staatsspoorweg Soerabaija—
Sidhoardjo nachtdienst zal worden ingevoerd, om aan het
drukke verkeer het hoofd te kunnen bieden. De Minister ver-
klaart, dat eene dergelijke uitbreiding van den dienst niet
baten zou, zelfs al werd de nachtdienst tot Madioen uitge-
strekt. Ook het leggen van dubbel spoor op de Staatslijn
wordt overwogen, doch de voorkeur wordt gegeven aan den
bouw van eene tweede lijn. In tegenstelling met deze feiten
en verklaringen beweerde dezelfde Minister een jaar te voren,
dat het vervoer in Midden-Java, binnen zekere grenzen zal
beperkt blijven. Z.Ex. onthoudt zich daarbij echter van eenige
argumenteering dezer meening, en vergeet, dat de bestaande
spoorwegen in Midden-Java, zooals hiervoren door cijfers is
aangetoond, eene belangrijke toename van vervoer aangeven.
De Heer Mr. W. K. Baron van Dedem wordt, zooals wij
mededeelden, blijkbaar beheerscht door een idee fixe. Men
wordt in de verslagen van dezen Departementchef overstelpt
door stellingen, welke op apodictische wijze worden verkon-
digd, doch zoekt tevergeefs naar de gronden, waarop deze
machtspreuken berusten.
De Minister heeft aan zijn denkbeelden uiting gegeven in
de begrooting van 1894, waarin door hem wordt medegedeeld,
dat van zijnentwege aan den Gouverneur-Generaal een spoor-
wegplan op Java gezonden is. Niet de Landvoogd, doch de
Minister is daarom als de ontwerper van het bedoelde plan te
-ocr page 40-
34
beschouwen. Deze miskenning van strekking en geest van het
Regeerings-Reglement is bij den Minister Van Dedem geen
uitzondering geweest. Het eenige verwijt, dat den Landvoogd
daarom in de spoorweg-politiek van Indië treffen kan, is dat
van dezen Opperbestuurder meerdere zelfstandigheid verwacht
had mogen worden, vooral in die gevallen, waarin de Minister
geheel afweek van de meening der adviseurs en der deskundigen,
die geroepen zijn om den Landvoogd in Indië voor te lichten.
Het zoogenaamde spoorwegplan omvat elf verbindingen,
waaronder er vijf voorkomen, die met stoomtramwegeni vol-
gens het oordeel van den Minister kunnen volstaan. De weid-
sche benaming van s p o o r w e g-plan is daarom door den
Minister onjuist gekozen.
Opmerkelijk is het, dat de Heer Van Dedem Djocjocarta
met Magelang door een tramweg wil verbinden. Deze lijn
moet in de eerste plaats aan militaire doeleinden beantwoor-
den; verder loopt zij door een zeer geaccidenteerd terrein,
en is daarom voor tramwegen ongeschikt. Wij doen opmer-
ken, dat diezelfde Minister in de Tweede Kamer den bouw
van een tramweg in den Oosthoek veroordeelde, en den staats-
aanleg van een spoorweg aldaar noodzakelijk achtte op grond,
dat het tracé van dit lijntje een bergstreek zou volgen.
Hetgeen de Heer Mr. W. K. Baron Van Dedem onder een tram-
weg verstaat, is te lezen in het onlangs afgekondigde tramweg-
Reglement, en in de concessie-voorwaarden voor den bouw van
eenige tramwegen, die in het spoorweg(?)-plan genoemd zijn.
Dit tramweg-Reglement werd door de bevoegde en de aan-
gewezen adviseurs van den Landvoogd op deugdelijke gronden
afgekeurd. Het zal hieronder blijken, dat het bedoelde Regie-
ment onhoudbaar is. De Minister van Koloniën gaf evenwel
\' uiting aan zijn wil. Deze departementchef verzocht of beval
den Gouverneur-Generaal om het Reglement af te kondigen,
en de Landvoogd onderwierp zich wederom aan dezen wensch
of dit verzoek, of bevel van den Minister van Koloniën. Bij
-ocr page 41-
35
Staatsblad 1893 N°. 190 werd het nieuwe Reglement vastge-
steld. Wij zullen dit thans nader in beschouwing nemen.
Vooraf de opmerking, dat een spoorweg- of tramweg-Regle-
ment in hoofdzaak ten doel heeft om bepalingen vast te stel-
len 1° tot het bevorderen der veiligheid, 2° tot het weren
van een monopolie van het vervoer, of van bevoorrechting
van bepaalde personen, 3° tot het verkrijgen van eenheid
in vervoermiddelen van gelijke soort.
De sub 1 genoemde voorwaarde stelt de hoogste eischen;
zij is de kern van een tram- of spoorweg-Reglement. De vei-
ligheid staat uit den aard der zaak in nauw verband met de
maximum snelheid, welke toegestaan wordt. Hieruit volgt, dat
bij verhooging van snelheid van eenig vervoermiddel de maat-
regelen ter verzekering der veiligheid toenemen.
Deze regel, welke een axioma mag genoemd worden, is in
het nieuwe tramweg-Reglement geheel ter zijde gelaten. Wei-
nige jaren vóór het afkondigen van dit Reglement was de
geoorloofde maximum snelheid der tramwegen 15 K.M. (Ind.
Staatsblad 1885 N°. 113), later is bij ordonnantie van 25 Maart
1889 (Ind. Staatsblad N°. 76) deze snelheid tot 20 KM. op-
gevoerd ; hieraan werd evenwel de bepaling toegevoegd, dat
in elk geval deze snelheid verminderd moet worden bij het
rijden door bochten, op druk bezochte wegen, bij wegover-
gangen en verder overal, waar de veiligheid van personen of
van gewone\' rij- of voertuigen dit vordert.
In het nieuwe Reglement is deze imperatief beperkende be-
paling weggelaten, en wordt aan het Hoofd van Gewestelijk
Bestuur de bevoegdheid gegeven te bevelen, om op plaatsen,
waar dit noodig wordt geacht, de snelheid te doen ver-
minderen ; aan dezen niet-technicus wordt daardoor eene groote
verantwoordelijkheid opgelegd; gelijktijdig wordt de snelheid
tot 25 K. M. opgevoerd, en kan deze met goedkeuring van
den Gouverneur-Generaal, op verzoek der ondernemers,zelfs
tot 40 K.M. worden verhoogd.
-ocr page 42-
36
De eischen der veiligheid worden dus geheel uit het oog
verloren, wij zullen dit nader nog in hoogere mate aantoonen;
vooraf wenschen wij echter te wijzen op eene begripsverwar-
ring van den ontwerper van het Reglement en van de con-
cessie-voorwaarden, welke zoo duidelijk spreekt, dat verdere
toelichting overbodig is.
In de concessie-voorwaarden wordt de bepaling opgenomen,
dat de ondernemer gehouden is om, binnen drie jaren nadat
de Gouverneur-Generaal daartoe het verlangen heeft te kennen
gegeven, den tramweg, waar noodig, in een secundairen spoor-
weg te veranderen, en ook als zoodanig te exploiteeren, wan-
neer de bruto-opbrengst gedurende tien achtereenvolgende ja-
ren, minstens ƒ 8000.— per jaar en per kilometer bedragen heeft.
Tevens wordt in die voorwaarden vastgesteld, dat de brug-
gen met volkomen? zekerheid aan een asdruk van 8000
K. G., bij een radstand van 3 M., weerstand moeten bieden.
In het algemeen Reglement voor den dienst der secundaire
spoorwegen (Ind. Staatsblad 1886 Nr. 67) wordt in art. 1 be-
paald:
»Tot de secundaire spoorwegen worden gerekend te be-
ahooren zoodanige spoorwegen, waarbij de druk door een rad
»van het rollend materieel op de spoorstaven gebracht, niet
»meer dan drie duizend K. G. is, en waarbij geen
»grooter snelheid dan van dertig K.M. per uur wordt
»bereikt, enz.
Een tramweg, welke 40 K.M. snelheid volgens het nieuwe
Reglement mag rijden, zal dus indien hij eene grootere trafiek
verkrijgt, veranderd moeten worden in een spoorweg, waar-
van de maximum-snelheid slechts 30 K. M. is, en wier kunst-
werken gebouwd zijn met het oog op een kleineren asdruk.
Als curiositeit deelen wij verder mede, dat de secundaire
spoorwegen, die in verband met de mindere snelheid, ook
minder drukkende bepalingen op de veiligheid eischen, dan
de nieuwgeboren tramwegen van Mr. W. K. Baron Van De-
-ocr page 43-
37
dem, evenwel streng gereglementeerd zijn, zoodat de dienst
dier spoorwegen aan een groot aantal drukkende bepalingen
onderworpen is. Het toezicht op de exploitatie wordt uitgeoe-
fend door deskundigen, dal is door spoorweg-ingenieurs.
In het nieuwe Reglement, waarbij aan de tramwegen zulk
eene groote snelheid wordt toegestaan, werden daarentegen
nagenoeg alle belemmerende bepalingen weggelaten of facul-
tatief gesteld, en is het toezicht in handen gegeven van n i et-
deskundigen, dat is van ambtenaren van den Waterstaat,
meerendeels opzichters of architecten, die niet voor spoorweg-
exploitatie zijn opgeleid.
Is grooter inconsequentie, grooter anomalie denkbaar?
Men zou misschien meenen, dat de Minister voornemens
was het Reglement op de secundaire spoorwegen te wijzigen,
en dus om deze inconsequentie op te heffen, doch deze mee-
ning is ongegrond, daar in de nieuwe concessie-voorwaarden
juist gewezen wordt op het hierboven bij Staatsblad 1886 N°. 67
vastgestelde Reglement. Begripsverwarring en onvoldoende
studie moeten daarom naar onze meening de aanleiding ge-
weest zijn van de gebreken, die in het nieuwe tramweg-
Reglement worden aangetroffen. Nog duidelijker blijkt dit,
wanneer wederom een greep wordt gedaan uit de zonderlinge
bepalingen, welke bedoeld Reglement inhoudt.
De ruimte voor het vrije verkeer op den openbaren weg
mag bij groote wegen niet minder dan 5l/a M., bij binnen-
wegen niet minder dan 4\'/a M. bedragen.
Langs huizen moet eene breedte van één Meter, in
straten langs de andere zijde 21/* M. overblijven, zelfs
kan de Directeur der Openbare Werken deze vrije ruimte nog
verminderen.
Op bruggen moet aan eene zijde eene breedte van
2\'/a M. voor het vrije verkeer beschikbaar blijven.
Men vorme zich nu een beeld der Indische voertuigen met
de ongedresseerde paarden, van de logge karren, getrokken
-ocr page 44-
38
door karbouwen, gevoerd door slapende drijvers, en stelle dan
de vraag of in eene zwaarbevolkte streek, een tramweg, welke
25 K. M. snelheid heeft, die niet van afsluitingen voorzien is,
die over de ouderwetsche remtoestellen beschikt, en wier
treinlengte 120 M. (art. 48) is, geen groot en overwegend be-
zwaar voor de veiligheid van het verkeer oplevert.
Misschien zal betoogd worden, dat het de bedoeling is, dat
de tram in bovengestelde gevallen met minder snelheid zal
loopen, doch zulk eene meening kan niet verdedigd worden,
nu juist uit het Reglement het imperatieve voorschrift, dat
hieromtrent in het vroegere opgenomen was, is weggelaten.
Bovendien zou daardoor het geheele doel van het nieuwe
Reglement vervallen. De Regeering wil tramwegen over groote
afstanden mogelijk maken. Zij gelast in de concessie-voorwaarden,
dat het tracé\' in het algemeen den postweg moet volgen.
In zwaar bevolkte streken met veel nijverheid zijn die ver-
keersmiddelen het eerst noodig, doch in die streken moeten
juist de hoogste eischen aan de veiligheid gesteld worden.
Hoe zou men zich nu de exploitatie van de geconcedeerde
tramwegen van groote lengte kunnen voorstellen, als bij elke
brug of elk huis de snelheid verminderd moest worden.
Het lijdt dan ook geen twijfel, dat het nieuwe Reglement
slechts een kort bestaan kan hebben, en dat de noodzakelijk-
heid, of beter de eischen der veiligheid, zooals deze gebleken
zullen zijn door het verlies van menschenlevens, eene om-
werking van dit Reglement zal gebieden. De beste bepaling
in de voorwaarden der nieuwe concessièn voor tramwegen
achten wij daarom die, waarbij voorgeschreven wordt, dat alle
later te maken wijzigingen en aanvullingen of andere te ma-
ken algemeene verordeningen omtrent den aanleg, de exploi-
tatie en het gebruik van stoomtramwegen voor algemeen
verkeer in Nederlandsch-Indië, voor zooverre die met de voor-
waarden der vergunning niet in strijd zijn, op de geconce-
deerde tramwegen toepasselijk zullen wezen.
-ocr page 45-
39
Wij kunnen ons echter geene voorstelling maken van het
lot, dat aan de nieuwgeschapen tramwegen van buitensporige
lengte zal beschoren zijn, zoodra de snelheid later wordt be-
perkt tot het maximum, dat de veiligheid van het verkeer
aangeeft, of indien kostbare afsluitingen worden vereischt voor
tramwegen, welke ingevolge de concessie-voorwaarden over
de postwegen zijn aangelegd, en die door bewoonde wijken
loopen, waar geene ruimte is voor het maken dier afsluitingen.
Wij vreezen, dat de spoorweg- of trampolitiek van den
Minister Van Dedem, afgescheiden van de beletselen, welke
daardoor aan de ontwikkeling van eene vruchtbare landstreek
zijn in den weg gelegd, eene reeks van moeielijkheden zal
doen ontstaan, die niet alleen van de nieuwe maatschappijen,
doch ook van den Staat belangrijke geldelijke offers zullen
vorderen.
Het blijft nog steeds een technisch raadsel, wat de Heer
Baron Van Dedem door de verkeersmiddelen verstaat, welke
door hem in het leven geroepen zijn.
De bepaling in de concessievoorwaarden, dat het tracé van
deze communicatiemiddelen in het algemeen de groote post-
wegen zal moeten volgen; dat de bruggen? (rivierovergangen)
tot 40 Meter lengte van hout kunnen gebouwd worden; het
nagenoeg geheel ontbreken in het Reglement van voorschrif-
ten ter verzekering van den veiligen toestand der wegen en
van de veiligheid van het gewone verkeer, of van die van het
rollend materieel; het beperkt aantal bepalingen op het ver-
voer van reizigers en bagage, of in het belang van het pu-
bliek; — dit alles wijst op een tramweg, en stemt overeen
met den naam, welken de Minister aan het vervoermiddel
gegeven heeft.
Hiertegenover staat 1° de geoorloofde snelheid van 40 K. M.,
zijnde 10 K. M. meer dan de toegestane maximum snelheid
der secundaire spoorwegen in Indië; 2° de bepaling, dat de
bovenbouw (niet de onderbouw?) zal moeten zijn van het
-ocr page 46-
40
tegenwoordige type der Staatsspoorwegen op Java; 3° dat de
bruggen met volkomen zekerheid aan een asdruk van 8000
K. G. (bij de secundaire spoorwegen 6000 K. G.) moeten weer-
stand bieden; 4°. de buitensporige lengte der voorgestelde
lijnen, eene lengte, die door een Europeeschen exprestrein
eerst na vele uren zou kunnen worden afgelegd; deze bepa-
lingen doen weder aan een spoorweg denken.
De tramwegen, zooals de Minister Van Dedem deze bedoelt,
zijn noch visch, noch vleesch, zij zijn halfslachtig, en reeds
daarom te veroordeelen. Zij zullen eene ramp zijn voor Indië,
en een verkeersmiddel vormen, waarbij de eerste eischen van
de veiligheid uit het oog zijn verloren; zij zijn eene technische
en economische misgeboorte.
Wij gaan in Indië reeds gebukt onder eene reeks van half-
heden, van tweeslachtigheden. De vloot is een amphibie, zij
wordt ingericht zoowel om te strijden tegen den inlander, die
geen scheepsmacht bezit, als tegen den Europeeschen vijand;
in beide gevallen kan de vloot daarom slechts ten halve aan
de laagst gestelde eischen beantwoorden; het leger gaat aan
hetzelfde euvel mank. De regeling van de rechtspraak is eene
serie van abnormaliteiten en variëteiten. De schepen bestemd
voor de politie te water, worden voor dit doel nagenoeg nooit
gebezigd, doch doen diensten als passagiersvaartuigen of bij
oorlogsexpeditiën. Het mislukken der meeste veldtochten is
toe te schrijven aan halve voorbereiding en onvoldoende troe-
penmacht bij den aanvang. De gedwongen koffiecultuur, de
onbetaalde heerendienstarbeid en de Gouvernementshandel in
opium zijn gruwelen in het oog van velen, en toch vormen zij,
als een gevolg van de kortzichtige spoorwegpolitiek der vroe-
gere bestuurders, nog steeds de kurk, waarop de Indische
financiën drijven. Deze reeks amphibiën of tegenstrijdigheden
is aangevuld met de zoogenaamde tramwegen, waarvan het
vaderschap aan den Minister Van Dedem toebehoort. Wij be-
treuren het, dat voor Indië zoo menigmaal bestuurders door
-ocr page 47-
41
ons kleine land worden aangewezen, wier denkbeelden door
hetzelfde adjectief moeten worden omschreven, en die daarom
zich tot het scheppen van kostbare halfheden moeten bepa-
len. Indië heeft behoefte aan mannen met ruimen blik, die
met land en volk bekend zijn, en die de overtuiging bezitten,
dat de beste en goedkoopste weg die is, welke onmiddellijk
tot het doel leidt.
Ons werd medegedeeld, dat de Minister Van Dedem van
meening was, dat in Duitschland tramwegen worden aange-
troffen, welke met zijne voorstellen overeenkomen. Wij hebben
getracht ons op de hoogte der »kleinbahnen" en »privat-
anschluszbahnen" in Duitschland te stellen. Het is onnoodig
mede te deelen, dat, evenmin in Duitschland als elders op de
wereld tramwegen worden aangetroffen die, wat de lengte
betreft, eenigszins of in de verte de scheppingen van Mr.
W. K. Baron van Dedem naderen; ook is het overbodig er
op te wijzen, dat het denkbeeld om tramwegen in het leven
te roepen, welke 40 K. M. snelheid loopen, een monopolie is
en blijven zal van dien Minister. Wij hebben inzage verkre-
gen van de voorwaarden, waaronder de meeste tramwegen in
Duitschland gebouwd en geëxploiteerd worden, en nu is het
ons gebleken, dat aldaar wel enkele kleine tramwegen met
betrekkelijk groote snelheid voorkomen, doch ook, dat alsdan
de noodzakelijke veiligheidsvoorschriften niet uit het oog
werden verloren. Eene vergelijking van den tramwegbouw en
de exploitatie, zooals de Minister Van Dedem deze ontwor-
pen heeft, met die van Duitschland, heeft daarom geen reden
van bestaan.
Wij zouden het toegejuicht hebben, indien de Minister Van
Dedem te rade was gegaan met de ondervinding, welke andere
koloniale mogendheden bij hare spoorwegpolitiek hebben ver-
kregen. Het is juist te betreuren, dat onze Bestuurders steeds
behept zijn met betweterij, en te weinig rekening houden met
-ocr page 48-
42
goede resultaten, welke elders aan te wijzen zijn. Engelsch-Indië
zou op spoorweggebied, gelijk trouwens alle andere vreemde
koloniën, eene uitmuntende leerschool voor den Heer Van
Dedem hebben opgeleverd. Wij hebben getracht dit reeds
hiervoren aan te toonen. Wij doen echter opmerken, dat de
tramwegen van dien Minister het product van zijne schepping
blijven, en niet in Duitschland gesanctionneerd zijn.
Wij meenen ten slotte er de aandacht op te moeten vesti-
gen, dat ook op zedelijk gebied, de spoorwegpolitiek van Mr.
W. K. Baron Van Dedem moet worden veroordeeld. Deze
Minister heeft de door hem gecreëerde vervoermiddelen tram-
wegen genoemd. Wij hebben getracht hiervoren duidelijk te
maken, dat deze benaming geheel onjuist is. De onlangs ge-
concedeerde lijnen zijn of zullen echter onder den naam van
tramwegen op de markt gebracht worden. Het publiek, dat
bij de inschrijving van het kapitaal de gelden verstrekt, is
uit den aard der zaak van meening, dat tramwegen worden
bedoeld, die een karakter dragen, gelijk dit door den naam
wordt aangegeven. De inschrijvers zijn onbekend met de tech-
nische abnormaliteiten, welke de Minister Van Dedem in het
leven geroepen heeft. Is hier nu geen sprake van eene onwil-
lekeurige misleiding van het publiek ?
-ocr page 49-
HOOFDSTUK IV.
Thans zullen wij trachten een kort overzicht te geven van
de naar onze meening ruwe wijze, waarop de Heer Mr. W.
K. Baron Van Dedem zijn denkbeelden ten uitvoer heeft
gebracht. Wij zullen duidelijk trachten te maken hoe deze
Minister den particulieren spoorwegbouw in Indië door zijne
scheppingen heeft tegengewerkt; hoe hij machtige en onder-
nemende financiers, welke bereid gebleken waren, en in staat
zijn dezen bouw op krachtige wijze ter hand te nemen, niet
alleen op de meest onheusche wijze heeft bejegend, doch hen
bovendien ontzaggelijke geldelijke verliezen heeft berokkend,
en eindelijk hoe de Heer Van Dedem den bouw van de stoom-
vervoermiddelen in Indië aan één groep Nederlandsche finan-
ciers heeft toebedeeld.
Bij Gouvernements-besluit d. d. 18 Januari 1882 Nr. 8 werd
door den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië con-
cessie verleend voor den aanleg en de exploitatie van den
spoorweg Tegal—Balapoelang; den 23steD Februari 1884 werd
bij beschikking van den Landvoogd van gelijke dagteekening
en onder Nr. 8 eene overeenkomstige concessie verleend voor
een spoorweg van Cheribon naar Semarang.
Na vruchtelooze pogingen om in Nederland deze concessiën
te plaatsen, werden zij in handen gegeven van eene combina-
tie van Engelsche financiers.
-ocr page 50-
44
De financieele kracht dezer combinatie blijkt reeds uit de
personen, welke die combinatie vormen. Een man als Sir
William Mackinnon, die de SrANLEY-expeditie grootendeels
voor zijne rekening genomen heeft, en overigens op scheep-
vaartgebied de De Lesseps van Engeland genoemd kan wor-
den, de Hertog Van Sutherland, die de steun is geweest
van de nijverheid in Groot-Britannië, en meer dergelijke per-
sonen van groote financieele kracht en speculatieven zin wa-
ren de leden van het voornoemde comité.
Het bewijs, dat deze financiers met ernst de zaak in handen
genomen hebben, blijkt uit het volgende.
Ten behoeve van de kleine lijn Tegal—Balapoelang werd
door hen het in de concessie-voorwaarden verplichte waar-
borgkapitaal groot / 25000.— gestort; eveneens werd het
garantie-kapitaal voor den grooteren spoorweg Cheribon—
Semarang, ten bedrage van / 250.000.—, door hen in \'s lands
kas gedeponeerd.
De Engelsche financiers waren onbekend met de Regeerings-
bepalingen omtrent spoorwegbouw in Indië. Zij wilden daarom,
alvorens de inschrijving voor de groote lijn te openen, de
kleine lijn Tegal—Balapoelang, lang 25 K.M., als proefne-
ming beschouwen, te meer daar deze spoorweg een onder-
deel of zijtak zou uitmaken van de groote lijn
Cheribon — Semarang (244 K.M.). Uit eigen middelen,
dat is door enkele personen, die het voornoemde comité
vormden, en door hunne vrienden werd het kapitaal voor
deze kleine lijn bijeengebracht; zelfs houders van 1000 aan-
deelen komen bij dit spoorweglijntje voor. Het kapitaal was
f 1.440.000.— , doch dit werd later vermeerderd met/300.000.—
aan obligatiën. In Nederland werd slechts voor een onbedui-
dend bedrag in aandeelen geplaatst. Gelijktijdig werd door
het comité ongeveer / 200.000.— besteed voor de opname
van de lijn Cheribon—Semarang, en voor andere kosten, die
uit de concessie voortvloeiden.
-ocr page 51-
45
Al deze gelden, bedragende meer dan twee millioen gulden,
zijn dus nagenoeg geheel verloren als een gevolg van de
maatregelen van den Minister Mr. W. K. Baron Van Dedem,
en een groot deel dezer uitgaven zullen ten goede komen
aan de groep financiers in Nederland, welke met de nieuwe
concessie begiftigd zijn.
Het zal de belangstelling wekken, de geschiedenis van de
oorspronkelijke concessiën te volgen.
Die van de Java Spoorweg-Maatschappij zal blijken door
het extract uit het verslag over 1893, dat later in dit over-
zicht zal worden ingelascht. Het zal daarbij duidelijk worden
hoe de Regeeringsmaatregelen deze Maatschappij ten gronde
hebben gericht.
De belangrijke concessie Cheribon— Semarang had het vol-
gende verloop.
Zooals wij mededeelden, werd in 1884 die concessie ver
leend; de algemeene crisis in Nederlandsch-Indië gedurende
de jaren 1884 en 1885. welke het gevolg was van den toen-
maligen nood der suiker-industrie, is bekend; de geldmarkt
voor ondernemingen van industrieelen aard was toenmaals
geheel onwillig. Het waarborgkapitaal groot/250.000.— werd
evenwel gestort. Na het eindigen der crisis gelukte het den
Engelschen financiers, om het kapitaal, noodig voor de groote
lijn, bij een syndicaat in Engeland te plaatsen, en dat wel
niettegenstaande elke staatshulp ontzegd was, en de geldmarkt
over de geheele wereld gewend is, en ook als eisch stelt, dat
aan particulieren spoorwegbouw in landen gelegen buiten
Europa (zonder uitzondering voor zooverre bekend) dergelijke
steun verleend wordt. Het Engelsche syndicaat stelde echter
als voorwaarde, dat in Nederland voor een deel van het ka-
pitaal geparticipeerd zou worden. Zij vorderden het bewijs,
dat ook in ons vaderland de bedoelde spoorweg als eene
goede geldbelegging werd beschouwd.
Een der leden van het bovengenoemde Engelsche comité
-ocr page 52-
46
vertrok naar Nederland. Hij bracht als zijne persoonlijke in-
troductie een credietbrief groot £ 100.000 (f 1.200.000.—),
afgegeven door Baring Brothers, mede, en stelde zich in
verbinding met de krachtigste financiers hier te lande. Een-
stemmig werd hier evenwel door deze verklaard, dat in Ne-
derland geen geld voor spoorwegbouw in Indië te plaatsen was,
tenzij de Staat eenigen moreelen of anderen steun verleende.
Aan den Minister Keuchenius werd het voorgaande mede-
gedeeld; deze departementchef verklaarde daarna bereid te
zijn om bedoelden steun door eene rentegarantie te verleenen.
Het verdere verloop der zaak is hiervoren geschetst. De
geldmarkt was en bleef gesloten, zoolang de Regeering eene
rentegarantie in het vooruitzicht stelde; elke bankier wenschte
uit den aard der zaak de verwezenlijking dier plannen af te
wachten. Eenige jaren gingen voorbij; de Minister Keuctie-
nius trad af; zijn opvolger de Baron Mackay nam, wat de
spoorwegpolitiek betreft, de plannen van Mr. Keuchenius
,over. Uitvoerig werd dit hiervoren uiteengezet.
De Indische Regeering verlengde uit den aard der zaak
voortdurend de concessie op grond der te verwachten
wet op de rentegarantie.
Er kan dus geen sprake zijn, dat de houders der concessie
en défaut waren geweest. Zij wenschten niets liever dan tot
eene spoedige afdoening der zaak over te gaan, en betreurden
de langzame beweging der Staatsmachine.
Inmiddels verschafte het comité de / 300.000.— hiervoren,
genoemd, welke de Java-Spoorweg eischte, en voorzag het in
de behoefte aan geld voor de volledige opname van de lijn
Cheribon—Semarang, waarvoor met inbegrip van andere kosten
f 200.000.— noodig was. Dit half millioen werd wederom door
de leden van dit comité betaald. Zij hadden vertrouwen in de
beloften van een Nederlandschen Minister van Koloniën, en
meenden, dat de toezeggingen van deze Staatslieden door hunne
eventueele opvolgers moesten en zouden geëerbiedigd worden.
-ocr page 53-
47
De Heer Mr. W. K. Baron Van Dedem wierp evenwel het
gebouw omver, dat zijne voorgangers hadden opgetrokken.
Hij achtte zich niet gebonden door het woord van de Mi-
nisters Keuchenius en Mackay, en meende uitsluitend heil
in den bouw van tramwegen te moeten zoeken.
Het lag niet op den weg der concessionarissen, om de
utopiën van den Heer Mr. W. K. Baron Van Dedem te be-
strijden of om aan te toonen, dat deze departementchef door
gemis aan kennis van het land en door onvoldoende studie
de toekomst van Indië met zijne nieuwerwetsche en ongekende
spoorwegpolitiek in gevaar bracht. Zij zagen, dat de uitgegeven
twee millioen gulden uitsluitend te redden waren, door onder-
werping aan de zienswijze van den Heer Van Dedem.
Een verzoek om de spoorwegconcessie in eene tramweg-
concessie te veranderen was voor de Engelsche belangheb-
benden het eenige middel om een groot financieel verlies te
voorkomen.
De Financieele Maatschappij te Amsterdam, dat is de Maat-
schappij, die nauw betrokken is in de Semarang—Joana Maat-
schappij, verkeerde onder gelijke omstandigheden als het
meergenoemde Engelsche comité; ook zij had eene spoorweg-
concessie op Java (Serajoedal) in handen, en had/ 100.000.—
als waarborgkapitaal gestort. Een verzoek om dezen spoorweg
in een tramweg te veranderen, een verzoek dus van gelijke
strekking als dat der Engelsche financiers, werd door die
Maatschappij eveneens ingediend.
f De Minister van Koloniën gaf evenwel aan den Gouverneur-
Generaal een ongunstig advies op het request der Engelsche
houders van de concessie, en ondersteunde daarentegen het
gelijkluidende verzoekschrift van de Financieele Maatschappij.
Het eerste werd afgewezen, het tweede werd ingewilligd, waar-
door de Financieele Maatschappij in het bezit bleef van het
gestorte waarborgkapitaal groot / 100.000.— Is hier sprake
van het meten met twee maten?
-ocr page 54-
48
De Financieele Maatschappij had bovendien aan de Regee-
ring verzocht de concessie te mogen erlangen, die aan de
Engelsche financiers geweigerd was. De Minister Van Dedem
hield het verzoek der Financieele Maatschappij aan, doch ont-
nam aan de Engelsche houders hunne spoorweg-concessie,
onder mededeeling, dat het door hen gestorte waar-
borgkapitaal groot ƒ 250.000.— door den Staat in
bezit genomen was.
Het verzoek der Engelsche houders van de oorspronkelijke
spoorweg-concessie, om deze, naar aanleiding van de ver-
anderde inzichten der Regeering, in eene tramweg-concessie
om te zetten, was eenvoudig beantwoord geworden met de
stereotype uitdrukking »niet voor inwilliging vatbaar," dus
zonder omkleeding met redenen. Later gaf de Minister Van
Dedem als grond dezer weigering op de omstandigheid, dat
de Regeering het spoorwegplan voor Java nog niet had vast-
gesteld.
Nu is het wel opmerkelijk, dat in den regel de Regeering
maanden, ja dikwijls jaren laat verloopen voor zij eene be-
schikking neemt op een verzoekschrift; door vele voorbeelden
is dit te bewijzen; voortvarendheid is voorzeker niet het ken-
merk van de Indische Regeering; het zou daarom niet ab-
normaal geweest zijn, indien de Regeering op het verzoek
der Engelsche concessiehouders eerst een paar maanden later,
dat is toen het spoorwegplan werd vastgesteld, had beschikt.
Zeer bevreemdend is het derhalve, dat de Regeering in dit
geval de afwijzende beschikking met den meesten spoed deed
afgaan, de concessie introk, en het waarborgkapitaal annexeerde.
De juistheid van het door den Minister aangevoerde argu-
ment voor de afwijzing van het verzoek is daarom wel eenigs-
zins twijfelachtig te noemen.
Nog meer bevreemdend was echter, in verband met het
voorgevallene, de latere mededeeling van den Minister Mr.
W. K. Baron Van Dedem in de Staten-Generaal, dat de oor-
-ocr page 55-
49
spronkelijke concessionarissen van den spoorweg Cheribon—
Semarang de prioriteit steeds zouden hebben op eene con-
cessie voor den tramweg tusschen deze plaatsen, indien zij
zich aan de voorwaarden die de Regeering stellen
zou, wilden onderwerpen. De Minister verleende dus de
prioriteit op eene concessie aan dezelfde personen, aan wie
op zijn initatief dezelfde concessie een paar maanden te voren
geweigerd was. Namens de bovenbedoelde concessionarissen
was een rekest ingediend, houdende het verzoek, om, zoodra
het spoorwegnet voor Java zou zijn vastgesteld, hun de con-
cessie voor den aanleg van de tramlijn Cheribon—Semarang
te geven. Op dit verzoekschrift is echter nimmer een antwoord
ontvangen.
De Engelsche financiers hadden, zooals zeer goed verklaar-
baar is, nu elk vertrouwen in de Regeering verloren. Zij za-
gen in het slot der mededeeling van den Minister, dat zij
zich aan de voorwaarden, die de Regeering stellen zou, moes-
ten onderwerpen, weder een adder onder het gras, vooral öm-
dat de bovenbedoelde voorwaarden geheel onbekend waren.
Voor wantrouwen was werkelijk voldoende grond aanwezig.
Zij wenschten niets liever dan uit het net te komen, waarin
zij verward waren geraakt; zij wisten, dat zij nagenoeg twee
millioen gulden, door de handelwijze van den Heer Mr. W.
K. Baron Van Dedem verloren hadden, en wenschten niet
meerder risico te loopen.
Zooals hiervoren was medegedeeld, had de Financieele Maat-
schappij de concessie voor bedoelden tramweg eveneens ge-
vraagd. De Engelsche financiers meenden, dat het voor hen
de aangewezen weg was, die ook zeker den Minister het meest
welgevallig zou wezen, wanneer zij hunne rechten aan de Fi-
nancieele Maatschappij verkochten. Onderhandelingen werden
met die inrichting aangeknoopt, waarvan het gevolg was, dat
tegen restitutie der gemaakte kosten van opname enz. de
Engelsche houders der concessie hunne rechten afstonden aan
i
\\
-ocr page 56-
50
de Financieele Maatschappij voornoemd. Deze werd spoedig
daarna door de Regeering in het bezit gesteld der betwiste
concessie voor een tramweg tusschen Cheribon en Semarang.
In 16 artikelen werden de voorwaarden der concessie omschre-
ven; die der Engelsche houders was vroeger tot 47 artikelen
opgevoerd. Het waarborgkapitaal, dat de Financieele Maat-
schappij zal moeten storten is gesteld op ƒ 70.000.—; van de
oorspronkelijke concessionarissen was / 250.000.— gevorderd,
en deze som was door den Minister ten behoeve van den Staat
genaast.
De spoorweg Tegal—Balapoelang, welke, zooals wij gezien
hebben, eveneens aan de Engelsche financiers toebehoorde,
was door de maatregelen van den Minister Mr. W. K. Baron
Van Dedem gelijktijdig te gronde gericht. Het was nu ook
zaak voor de aandeelhouders om daarbij te redden, wat te
redden viel.
Wij meenen, dat door het overnemen van een extract uit
het jaarverslag over 1893 de geschiedenis dier Maatschappij
het beste zal kunnen worden weergegeven; de betrekkelijke
zinsneden luiden als volgt:
»Hoewel dus in algemeenen zin de uitkomsten van de ex-
»ploitatie zeer bevredigend zijn, en de spoorweg in verband
»met zijne geringe lengte, op eene groote trafiek mag wijzen,
»terwijl nog eene belangrijke toeneming van het vervoer in
»het vooruitzicht ligt, zoo zijn de resultaten voor de aandeel-
»houders zeer teleurstellend gebleken."
»De exploitatie-kosten van den spoorweg zijn uiterst gering.
»Gedurende vele jaren hebben de Directie en de Vertegen-
«woordiging belangeloos hare taak vervuld. Het personeel in
»Indië, dat tot de uiterste grens steeds ingekrompen werd,
»ontving eene zeer matige belooning voor zijn arbeid; met de
» meeste inspanning werd de dienst verricht, doch ondanks
»deze algemeene toewijding was en zal de Maatschappij nim-
-ocr page 57-
51
»mer in staat zijn, om zelfs later tot de uitkeering van een
»billijk dividend te kunnen overgaan."
«Deze teleurstelling is uitsluitend te wijten aan de maatre-
«gelen, welke van Regeeringswege genomen zijn. In het verslag
«over 1892 werd reeds medegedeeld, dat de lengte van den
«spoorweg, zijnde slechts 25 K. M., te gering is om een gun-
«stig financieel resultaat der Exploitatie op te leveren. De
«bouw van deze lijn was echter slechts als eene proefneming
«te beschouwen; het was van den aanvang bekend, dat gere-
«kend werd op den aanleg van den grooteren spoorweg Che-
«ribon—Semarang, waarvan de lijn Tegal—Balapoelang een
»deel zou uitmaken. In het verslag van het vorige jaar werd
«duidelijk gemaakt, hoe de Regeering het voor de concessio-
«narissen van bovengenoemden spoorweg, die ook meerendeels
»de beheerders van de lijn Tegal—Balapoelang waren, onmo-
»gelijk gemaakt heeft om het maatschappelijk kapitaal, noodig
«voor den bouw van de groote lijn, bijeen te brengen; hoe de
«Regeering gedurende vele jaren de geldmarkt voor spoor-
»wegen in Indië sloot door oficieel het verleenen van Staats-
«hulp in het vooruitzicht te stellen, doch nimmer tot eene
«afdoening van deze zaak kwam, en hoe ten slotte door de
«Regeering plotseling van beginsel veranderd werd, en Zij ge-
«lijktijdig de bovenbedoelde concessie aan de houders daarvan
«ontnam."
«Behalve de bovenbedoelde ondervond de Maatschappij nog
«meerdere teleurstellingen van Regeeringswege, welke alle zeer
«nadeelig op den flnancieelen toestand van de Maatschappij
«werkten."
»De concessionarissen van de lijn Tegal—Balapoelang hadden,
«na overleg met den toenmaligen Resident van Tegal, (den
«tegenwoordigen landvoogd in Indië) zich voorgesteld de lijn
«te bouwen in een zeer bevolkte rayon, waardoor op een aan-
»zienlijk en zeer loonend passagiersvervoer zou kunnen gere-
«kend worden. Zoodra de spoorweg evenwel in uitvoering
-ocr page 58-
52
«kwam, bleek het aanstonds, dat het toenmalige Hoofd van
«Gewestelijk Bestuur omtrent het tracé\' van de lijn van meening
«verschilde met zijn ambtsvoorganger, waarvan het gevolg was,
«dat de spoorweg door de rijstvelden en geheel buiten de be-
«woonde en zwaar bevolkte streek moest gebouwd worden.
«Het belangrijke personenvervoer, dat oorspronkelijk met recht
«verwacht was, ging daardoor voor de toekomst geheel verloren.
«De vroegere Directie meende de trafiek te kunnen vermeer-
«deren door het verlengen van den spoorweg tot Margasarie,
«zijnde eene verbinding met de grens van de Residentie Tegal
«en die van de Residentie Banjoemaas. Eene concessie werd voor
»den bouw van deze verlenging aangevraagd en verkregen, de
«opname van het tracé had plaats. Deze verlenging zou een land-
» streek doorsnijden, die niet in cultuur gebracht en weinig be-
»volkt is, zoodat hoogstens op den afvoer van de koffie uit en-
«kele Gouvernementstuinen en van djattiehout uit de bosschen
»kon gerekend worden; de terminus was gelegen bij een bergweg,
«zoodat geen belangrijke aanvoer van goederen of personen
«aldaar te verwachten was. De uitgaven voor de exploitatie
«van de bestaande lijn overtroffen toenmaals verre de inkom-
«sten; de tegenwoordige Directie meende daarom, dat het
«onder zulke omstandigheden reeds zeer moeielijk zou vallen
«om de gelden voor eene uitbreiding van den spoorweg op de
«geldmarkt te verkrijgen, en was tevens van oordeel, dat door
«de verlenging de exploitatiekosten zouden stijgen zonder ge-
«lijkmatige verhooging der inkomsten mede te brengen. Het
«gevolg dezer overwegingen was, dat aan de Regeering werd
«verzocht de concessie te willen intrekken. De Regeering vol-
«deed aan dit verzoek, doch nam gelijktijdig in bezit het
«waarborgkapitaal groot ƒ 10.000.—, dat de concessionarissen,
«ingevolge den eisch van de Regeering, voor deze concessie
«gestort hadden."
>In aanmerking nemende, dat noch de Staat, noch de be-
«volking eenige schade geleden hadden nu bedoelde concessie
-ocr page 59-
53
«niet tot uitvoering gekomen is, en dat er evenmin sprake
»kan geweest zijn, dat eenig ander industrieel ooit den bouw
«van deze lijn zou hebben gevraagd, zoo is deze naasting van
«eene som groot/10.000.— van eene noodlijdende Maatschappij
«slechts als eene toevallige bate voor de Regeering te be-
«schouwen, en was van Hare zijde eene grootere welwillend-
»heid verwacht. Naar het oordeel van de Directie is het boven-
«dien de vraag of in rechten de Regeering bevoegd was tot
«bedoelde naasting, zoowel met het oog op de concessievoor-
«waarden als in verband met het bepaalde sub 3, artikel 2
«Indisch Staatsblad 1887 Nr. 84. zooals dit gewijzigd is bij
«Staatsblad 1887 Nr. 181."
«De resultaten van den bouw en de Exploitatie van den
»spoorweg Tegal—Balapoelang zijn geweest:"
»a. Voor den Staat. Direct. De ontvangst of beter de
»in bezitneming van eene som van f 10.000.—, onttrokken aan
«de Maatschappij en verder de aanzienlijke besparing verkre-
»gen op het vervoer van de post, van de gouvernementsreizi-
«gers en van het zout en de koffie, zoomede op het onderhoud
»der bruggen en kunstwerken gelegen in den postweg. Indi-
«rect. De inkomsten, die een gevolg zijn van de toeneming
«van het handelsverkeer en van de ontwikkeling van de land-
» streek, nu de Maatschappij een sneller en gemakkelijker mid-
»del van vervoer in het leven geroepen heeft, dat bovendien
«ten bate komt van de besturende ambtenaren en van de
»politie."
tb. Voor de bevolking. De vermeerdering van welvaart,
«zoowel voortvloeiende uit de aanzienlijke uitgaven, welke voor
«den aanleg van de lijn zijn gedaan en van de middelen, welke
«de spoorweg aanbiedt om hun producten bestemd voor den
»handel op de markt te brengen, als van de algemeene ont-
» wikkeling der cultures en nijverheid. Verder eene aanzienlijke
«besparing aan heerendiensten, omdat thans aan de postwegen
«onttrokken is het vervoer der suikers en andere producten
-ocr page 60-
54
«en dientengevolge deze wegen veel minder onderhoud dan
«vroeger vereischen."
«c. Voor de Europeesche ondernemingen langs
«de lijn. Een snel, goedkoop en zeker middel tot afvoer der
«producten en tot opvoer van alle behoeften van het bedrijf."
■»d. Voor de aandeelhouders of oorspronkelijke
«belanghebbenden in den aanleg van den spoor-
«weg. Een verlies aan geld van bijna twee millioen gulden,
«vermeerderd met de rente over dit kapitaal gedurende negen
«jaren."
»De voorgaande toelichtingen dienen ter verklaring der ziens-
«wijze van den Raad van Bestuur en van de Directie, zooals
«deze hieronder ontwikkeld wordt."
»De beslissingen der Regeering, zoomede het medegedeelde in
«de Staten-Generaal, zijn eene duidelijke vingerwijzing geweest
«omtrent Hare inzichten. De oorspronkelijke concessionarissen
«van den spoorweg Cheribon—Semarang zijn daarom van mee-
«ning geweest, dat zij verplicht waren hunne belangen in han-
«den te geven van de oprichters van den tramweg Semarang—
»Joana, vooral nu deze tevens betrokken zijn in den aanleg van
»den Oost-tramweg op Java en van den tramweg in het Sera-
«joedal, en aanvragers waren van de concessie voor den tram-
«weg Cheribon—Semarang." (te zamen 578 K.M. tramlijnen.)
«Deze démarche was aangewezen, nu de concessie voor den
«bouw van den spoorweg Cheribon—Semarang aan de oor-
«spronkelijke houders ontnomen is, en de lijnTegal—Balapoe-
«lang daardoor geheel op eigen krachten zou moeten steunen,
«hetgeen, zooals hierboven reeds werd aangetoond, nimmer de
«bedoeling is geweest, en ook nooit tot goede resultaten voor
«de aandeelhouders kan leiden. De Raad van Bestuur en de
«Directie zijn daarom door de omstandigheden gedrongen ge-
»worden in onderhandeling te treden met de Financieele en
«Industrieele Onderneming, aan welke het grootste deel van
«de stoomvervoermiddelen op Java is of zal worden toebedeeld.
-ocr page 61-
55
»Deze onderhandelingen zijn nog niet tot een einde gebracht.
»Voor zooveel mogelijk zullen echter de belangen der aandeel-
»houders behartigd worden, doch het zal niet te voorkomen
»zijn, dat een aanzienlijk verlies op hunne waarden geleden
»wordt. Indien deze onderhandelingen tot een bevredigend
»resultaat mochten leiden, zal aan de aandeelhouders de goed-
»keuring op de voorloopige regelingen worden gevraagd."
Het voorgaande zal voldoende zijn om te bewijzen, dat de
Regeering, hoewel met goede bedoelingen bezield, den spoor-
wegbouw in Indië zoo niet onmogelijk gemaakt heeft, dan
tenminste in hooge mate heeft tegengewerkt.
De Minister Van Dedem heeft evenwel de kroon op het
werk gezet. Deze Departementchef heeft voor Java een com-
municatiemiddel in het leven geroepen, dat over eene reeks
van jaren den spoorwegbouw zal beletten.
Het nadeel, dat de Minister voornoemd aan Indië berok-
kend heeft, bepaalt zich echter niet tot het bovenstaande. Hij
heeft het buitenlandsch kapitaal op de meest onwelwillende
wijze van ons vervreemd. De lijdensgeschiedenis van den Java
Spoorweg en van de concessie Cheribon—Semarang; het hoogst
belangrijke geldelijke verlies, dat de Engelsche financiers ge-
leden hebben door de onheusche maatregelen en beschikkin-
gen van den Minister Van Dedem, in tegenstelling van diens
milde bejegening van eene Nederlandsche groep van bankiers;
dit alles is op de Engelsche geldmarkt bekend, en er zullen
vele jaren moeten verloopen, alvorens een Engelsch financier
weder vertrouwen stelt in Nederlandsche Regeeringspersonen.
Welke drijfveeren kunnen den Minister Van Dedem geleid
hebben tot zijne zonderlinge houding tegenover het Engelsche
comité? Deze vraag kunnen wij niet op stellige wijze beant-
woorden; wij meenen echter grond te hebben voor het ver-
moeden, dat het doel van den Heer Mr. W. K. Baron Van
Dedem geweest is, om bij den spoorwegbouw in Indië vreemd
kapitaal te weren, en als deze wensch werkelijk door den Mi-
-ocr page 62-
56
nister gekoesterd werd, dan ligt daarin, naar onze meening,
wederom een bewijs van kortzichtigheid.
Zou Amerika voorzien zijn geworden van een uitgebreid
spoorwegnet, indien de staatslieden der Vereenigde Staten
de meening van den Minister Van Dedem hadden gehuldigd,
en slechts op eigen kapitaal hadden gesteund? De Yankee
is waarlijk exclusief in den hoogsten graad, en toch maakt
hij ruim gebruik van het Europeesche kapitaal voor spoor-
wegaanleg. Het juiste inzicht van dien schranderen financier
zal volmondig erkend moeten worden door de vele Neder-
landers, die hunne gelden over zee zagen gaan ten behoeve
van den Amerikaanschen spoorwegbouw, en later daarvan de
nadeelige gevolgen ondervonden. Vele millioenen nationaal
kapitaal zijn op die wijze voor ons land verloren gegaan, en
ten bate gekomen van den Amerikaan. De aandeelen in eene
naamlooze vennootschap zijn bovendien internationaal, de
beursnoteeringen bewijzen dit; niemand kan beletten, dat een
aandeel van een Indischen spoorweg in handen van een vreem-
deling komt. Het doel, dat de Minister Van Dedem daarom
voor oogen had, kon nooit bereikt worden. Dit doel is echter
ten nadeele van ons land. Afgescheiden van de beperktheid
van het nationale vermogen van ons kleine land, waardoor
de hulp van vreemd kapitaal voor een spoorwegbouw op
groote schaal verplichtend wordt, zoo is deze hulp zelfs in
het belang van de vaderlandsche financiën.
De eerste inschrijvers op het maatschappelijk kapitaal van
elke nieuwe onderneming, loopen het grootste risico. Zij staan
steeds voor vele onbekenden, die eerst na jaren opgelost
kunnen worden. Zulk eene inschrijving is ten allen tijde eene
speculatie. Dit risico wenscht de Heer Van Dedem door
Nederlanders te doen dragen; die Minister opende daardoor
voor den vreemdeling de gelegenheid, om later de vruchten
van den Nederlandschen arbeid en ondernemingsgeest te kun-
nen plukken.
-ocr page 63-
57
Het stelsel van den Minister Van Dedem is geheel tegen-
overgesteld aan dat der Amerikaansche bewindvoerders, die
het risico aan den vreemdeling overlaten.
Ons vaderland heeft waarlijk tot zijn nadeel voldoende on-
dervonden, dat het Amerikaansche stelsel de voorkeur verdient.
Levert Sumatra\'s Oostkust niet bovendien het bewijs van
het groote nut, dat van vreemd kapitaal kan getrokken wor-
den? Het is een zegen voor die landstreek, dat den Minister
Van Dedem belet is, om ook in die gewesten het vreemde
kapitaal buiten te sluiten.
Thans nog een enkel woord over het waarborgkapitaal
groot ƒ 250.000.—, dat den Engelschen door den Minister
Van Dedem ten behoeve van den Staat ontnomen is.
Een ieder zal beamen, dat de verplichting tot het storten
van een waarborgkapitaal een doeltreffend middel is om con-
cessiejagers te weren. Immers gelijktijdig met het deponeeren
van dit kapitaal in \'s lands kas wordt de concessie aanvaard;
het garantie-kapitaal moet daarom reeds bijeengebracht zijn
vóór de concessie in eene naamlooze vennootschap wordt in-
gebracht, waaruit voortvloeit, dat bovenbedoeld kapitaal ten
allen tijde een deel van het privaat bezit van den concessio-
naris of de vrucht van zijn krediet moet uitmaken.
Personen, die over een belangrijk kapitaal kunnen beschik -
ken, vallen niet onder de categorie, waartoe de concessiejager
behoort; het doel, dat door de verplichte storting van een
waarborgkapitaal beoogd is, wordt daarom daarmede volko-
men bereikt.
Verder mag de Regeering evenwel niet gaan. Er is geen
enkele grond van billijkheid, eerlijkheid of goede trouw aan
te voeren, die het naasten van een waarborgkapitaal wettigt,
behoudens het geval, dat door den concessionaris aan derden
schade berokkend is.
De Staat mag zich evenmin als een particulier, verrijken
-ocr page 64-
58
door het in bezit nemen van gelden, welke op onrechtmatige
wijze en uitsluitend door eene machtsuiting verkregen zijn.
Het naasten van een waarborgkapitaal van een spoorweg,
welke niet tot uitvoering gekomen is, moet als zulk eene daad
beschouwd worden. Arbeid, levering, speculatie, vergoeding
of eene dergelijke bron van rechtmatige inkomsten is niet de
grondslag van de bate, welke de Staat verkrijgt door het voor
goeden prijs verklaren van het waarborgkapitaal, dat een
spoorweg-concessionaris gestort heeft. Deze bate is uitsluitend
een uitvloeisel van het recht van den sterkste; zij moet daarom
veroordeeld worden.
In den vreemde wordt ook het deponeeren van eene waar-
borgsom in enkele gevallen vereischt. Men verkrijgt in En-
gelsch-Indië bijv. eerst het recht tot mijnontginning, indien
vooraf eene waarborgsom gestort is. Er is daarbij echter geen
sprake van eene latere naasting dezer gelden. De Staat ver-
klaart de concessie eenvoudig vervallen, zoodra de termijn
van uitvoering verstreken is, en het waarborgkapitaal gaat
gelijktijdig tot den eigenaar terug.
Het is dan ook onze overtuiging, dat de Minister Van De-
dem door het naasten van het kapitaal groot / 250.000.—,
dat de Engelschen gestort hadden, principieel eene daad ver-
richtte, welke niet tot verhooging van het prestige of van het
geloof in de goede trouw der Nederlandsche Regeering kan
strekken. Er is echter meer; deze inbezitneming van gelden,
welke derden toebehoorden, moet in het hierbedoelde geval
nog bovendien veroordeeld worden, in verband met de om-
standigheden, welke geleid hebben tot de bedoelde machts-
uiting van den Minister Van Deüem.
Wij stellen de vraag wie en défaut was, wat betreft de uit-
voering der concessie Cheribon—Semarang; was dit de Re-
geering of de concessionaris ? Hiervoren hebben wij aange-
toond, dat de Regeering gedurende den ganschen loop der
concessie de geldmarkt gesloten heeft door het vooruitzicht,
-ocr page 65-
59
dat zij opende op eene rentegarantie. De Regeering erkende
toenmaals, dat niet de concessionaris maar Zij de uitvoering
der concessie belette; immers in de Gouvernements-beschik-
kingen, waarbij de concessie telkens verlengd werd, geschiedde
dit op de overweging, dat de vastgestelde termijn voor de
uitvoering der concessie zou worden verschoven, op grond
van de in behandeling zijnde wet op rentegaran-
tie. Niet de concessionaris, doch de Regeering was dus in
gebreke, nu Zij vier jaren had besteed voor het ontwerpen
der bedoelde wet.
Later toen de Minister Van Dedem optrad, en de nieuwer-
wetsche tramwegen op den voorgrond werden geplaatst, on-
derwierpen de concessionarissen zich onmiddellijk aan het bon
plaisir van den Minister voornoemd, en vroegen zij om de
spoorweg-concessie in eene tramweg-concessie te willen con-
verteeren, met overschrijving van het waarborgkapitaal. Op
dit verzoek werd eene afwijzende beschikking ontvangen; ge-
lijktijdig werd de concessie ingetrokken, en het waarborg-
kapitaal genaast.
De weigering van het bovenbedoelde verzoek vindt, volgens
den Minister Van Dedem, uitsluitend zijn grond in de om-
standigheid, dat toenmaals het spoorwegplan nog niet was
vastgesteld. Voorzeker is dit wederom niet aan de concessio-
narissen te wijten, en het is onbillijk, dat de Regeering de
nadeelige gevolgen van Hare inertie doet dragen door de
concessionarissen.
Feitelijk is het hierbedoelde geval dus in het kort op de
volgende wijze weer te geven. De Staat heeft aan derden eene
concessie verleend, waarin de bepaling opgenomen is, dat eene
door den concessionaris te storten waarborgsom, ten bedrage
van een kwart millioen gulden, ten bate van den Staat ver-
valt, indien aan eene der voorwaarden van die concessie op
een bepaald tijdstip niet zal zijn voldaan. De Staat legt daarna
dien concessionaris allerlei hinderpalen in den weg, zoodat
-ocr page 66-
60
het voor dezen nagenoeg onmogelijk wordt, om de bedoelde
voorwaarde te vervullen; de fatale termijn vervalt daarop, en
nu stelt de Staat zich in het bezit der gelden, welke de con-
cessionaris ter goeder trouw gestort heeft.
Wij achten hier commentaar overbodig, doch stellen de
vraag of een particulier, die op dergelijke wijze handelde, niet
het algemeen vertrouwen zou verloren hebben.
Aan de Engelschen wordt verweten eene zekere soort van
naïviteit, nu zij zulk eene belangrijke waarborgsom met het
volle vertrouwen op de welwillende medewerking der Regee-
ring in \'s lands kas gestort hebben. Dit verwijt kan echter
niet de hierbedoelde personen treffen. Sir William Mackin-
non, de Hertog Van Sutherland en de andere leden van
het comité\' zijn te veel bekend door de reusachtige onderne-
mingen, welke zij ontworpen of gesteund hebben, om van hen
naïviteit in zaken te verwachten. Aannemende echter, dat het
gestelde juist ware, dan zou zulks de handeling van den Heer
Mr. W. K. Baron Van Dedem niet verontschuldigen, doch
integendeel in hoogere mate doen veroordeelen.
Wij teekenen hierbij aan, dat de Minister Van Dedem niet
verplicht was tot de naasting van het kapitaal; zelfs is het
recht tot die naasting te betwisten, vooral nu de Minister
verklaard heeft, dat voor het traject Cheribon—Semarang een
tramweg voldoende is; er zijn daarom vele redenen aanwezig
om die naasting ongedaan te maken.
Wij vertrouwen dan ook, dat het bedoelde waarborgkapitaal
aan de rechthebbenden zal worden teruggegeven. De Heer
Mr. W. K. Baron Van Dedem wenschte reeds stappen in die
richting bij de Wetgevende Macht te doen. Het zou te betreu-
ren zijn, indien de Regeering in dezen niet recht boven macht
deed gaan. Zij is het aan Hare waardigheid verschuldigd.
-ocr page 67-
HOOFDSTUK V.
Hiervoren (bladz. 18) werd door ons eene berekening ge-
maakt van de lengte der particuliere spoorwegen, welke ge-
durende de laatste twintig jaren op Java zijn gelegd, en wij
verkregen daarbij het resultaat, dat slechts 81 K. M. in ex-
ploitatie kwamen. De voortzetting van den bouw der staats-
lijnen geschiedde eveneens op kleine schaal. Veilig kan daarom
een uitvoerig betoog achterwege blijven, om te bewijzen, dat
de spoorwegpolitiek der Regeering niet naar het doel gericht
was, dat is tot steun der welvaart door den aanleg van ver-
keerswegen.
De spoorwegen, welke Indië vereischt, bepalen zich niet
alleen tot die, welke ten behoeve van zwaar bevolkte gewesten,
dringend noodig zijn. Zij zijn niet minder onontbeerlijk in die
streken, waar vruchtbare gronden braak liggen, omdat deze
voor de cultures door gemis aan afvoermiddelen waardeloos zijn.
Wij zagen hiervoren hoe de bouw van spoorwegen in zulke
landstreken de algemeene welvaart van Java op krachtige
wijze zou ten goede komen.
De Minister Van Dedem wenscht nu dat, naast de Staats-
spoorwegen, door de particulieren, zonder steun van het Rijk,
tramwegen worden gebouwd. Aannemende, dat zulke commu-
nicatiemiddelen aan de behoefte voldeden, dan ligt het voor
de hand, dat de financiers, die vóór alles eene loonende ex-
ploitatie wenschen, zich zullen bepalen tot den aanleg van
-ocr page 68-
f
62
communicatiemiddelen in de zwaarbevolkte gewesten. Wij
stellen daarom thans de vraag aan den Heer Mr. W. K. Baron
Van Dedem, op welke wijze volgens zijn stelsel de bouw van
spoor- of tramwegen naar de bovenbedoelde geisoleerde land-
streken zou moeten tot stand komen. Op die vraag zijn slechts
twee antwoorden te geven: 1°. door den aanleg ten laste van
den lande; of 2°. door eenvoudig de bedoelde streken te
laten zooals zij zijn, dat is door ze niet als middel aan te
wenden tot verspreiding der opeengedrongen bevolking van
Java, en tot vermeerdering der algemeen e welvaart.
Beide antwoorden moeten een onbevredigenden indruk ma-
ken, en toch zijn zij het logisch gevolg van de spoorweg
politiek van den Heer Van Dedem. Ook op dien grond is
het stelsel van dien Minister te laken.
Wanneer men de geographische gesteldheid van Java na-
gaat, dan ontwaart men, dat het eiland bij eene groote lengte
slechts eene geringe breedte heeft. De Noordkust is meeren-
deels vlak en laag; in de lengte-as wordt een bergrug aan-
getroffen, die zich over een groot deel tot de Zuidkust uit-
strekt.
De Noordkust is het meest bevolkt; ook het meerendeel
der landbouw- en nijverheidsondernemingen worden daar aan-
getroffen, of vinden er hare havens van uitvoer.
Batavia, Soerabaija, Cheribon en Semarang zijn de havens
aan de Noordkust van Java, terwijl Tjilatjap de eenige veilige
afscheepplaats langs de Zuidkust is.
De kustvaart en de verbindingen met Borneo, Makassar, de
Molukken en Singapore hebben plaats uit de havens aan de
Noordkust. Tjilatjap staat, wat handelsbeweging betreft, verre
ten achteren bij de havens, die op de Noordkust van Java
zijn gelegen.
De geographische gesteldheid van Java maakt het duidelijk,
dat, wanneer uitsluitend sprake ware geweest van den bouw
-ocr page 69-
63
van spoorwegen voor commercieele doeleinden, de aanleg van
eene doorgaande lijn langs de Noordkust van Java het eerst
in aanmerking had moeten komen.
De verdediging van Java eischte evenwel tusschen Soera-
baija en Batavia of Buitenzorg eene doorgaande verbinding,
welke niet door eene vijandelijke landing aan de Noordkust
kon verbroken worden. Deze verbinding moest dientengevolge
de Zuidkust volgen. De aanleg van deze lijn werd op dien
grond het eerst door den Staat aangevangen. Zij is thans
nagenoeg gereed. Met nadruk wijzen wij er evenwel op, dat
door de eischen der verdediging van Java het tracé\' van den
Staats-spoorweg naar de Zuidkust gericht is.
De commercieele lijn langs de Noordkust ontbreekt thans
nog, met uitzondering van eene kleine lengte beoosten Soera-
baija en beoosten Batavia.
De bouw van dezen spoorweg is daarom het meest urgent-
verder zijn noodig een groot aantal verbindingen tusschen de
lijnen aan de Noord- en die aan de Zuidkust, gelijk de Ned.
Indische Spoorweg reeds een daarvan daarstelt; overigens
aanvoerlijnen en zijtakken naar de hoofdlijnen; aan deze se-
cundaire lijnen kunnen mindere eischen dan aan de hoofd-
spoorwegen gesteld worden. De lijn langs de Zuidkust zal ten
laatste moeten worden vervolgd in het Zuiden door Bantam,
en in den Oosthoek naar Banjoewangi.
De behoefte aan een doorgaanden spoorweg langs de Noord-
kust is onbetwistbaar. Op bladz. 25 en 26 wezen wij er reeds op,
dat Tegal en Pecalongan a force d\'argent door den Staat als af-
scheepplaatsen worden in stand gehouden, doch dat ondanks
de daaraan besteede belangrijke geldelijke bedragen, gedurende
een groot deel van het jaar dit Danaïdenwerk geen resultaat
oplevert, en de communicatie alsdan tusschen den wal en de
reede verbroken is.
Herhaaldelijk komt het voor, dat passagiers en goederen,
bestemd voor Tegal of Pecalongan, tusschen Batavia en Se-
-ocr page 70-
64
marang vice versa moeten reizen, omdat zij op de bestem-
mingsplaats niet kunnen ontscheept worden.
Het ongerief, dat voor den handel en voor den Staatsdienst
uit zulk een toestand voortvloeit, is zeer groot; eene besten-
diging daarvan zou, in de tegenwoordige eeuw van den stoom,
voorzeker als plichtverzuim moeten beschouwd worden. Een
doorgaande spoorweg heft bovengenoemd bezwaar op.
Nog duidelijker zal de behoefte aan deze lijn blijken, als
men zich een beeld vormt van de belemmeringen, die door
het ontbreken van dezen doorgaanden spoorweg ontstaan, bij
den handel tusschen Batavia en Semarang, Soerabaija enz.
Elk pakje, dat te groot is om met de post verzonden te
worden, dient, na voor zeegevaar verzekerd te zijn, per prauw
of lichter naar boord van het betrekkelijke stoomschip ver-
voerd te worden, om op de bestemmingsplaats, — ingeval de
communicatie met den wal niet verbroken is, — met gebruik-
making van overeenkomstige middelen ontscheept te worden.
Elke passagier is verplicht een gelijken moeilijken en tijd-
roovenden weg te volgen; in plaats van prauwen zijn echter
dikwijls kleine stoomsloepen voor zijn gebruik bestemd.
De groote mailsteamers, wier tijd zoo kostbaar is, en voor
wie één dag oponthoud een belangrijk geldelijk verlies op-
levert, zijn genoopt kleine plaatsen als Tegal en Pecalongan
op hunne reizen te bezoeken tot het innemen of afgeven van
goederen, tenminste in het geval dat weer en wind dit niet
beletten. Men stelle zich zulk een toestand in Nederland voor;
ongetwijfeld zou deze, indien hij ooit bestaan had, reeds sedert
jaren gewijzigd zijn geworden.
Een doorgaande spoorweg langs de Noordkust van Java
vormt de kortste verbinding tusschen de hoofdplaatsen van
dit uitgestrekte eiland; hij is blijkens de voorgaande toelich-
ting (zie o. a. bladz. 29 en 30) eene dringende behoefte voor
land en volk; die spoorweg ter lengte van meer dan 1000
K. M., (dat is over een afstand van den Haag tot Genève)
-ocr page 71-
65
kan niet door een tramweg vervangen worden. Onafhankelijk
van de door den Minister Van Dedem verleende concessie
voor een tramweg tusschen Cheribon en Semarang zal op
bovenstaande gronden nog bovendien een doorgaande spoor-
weg die landstreek moeten doorsnijden.
De bouw van dezen spoorweg kan niet eene onbillijkheid ge-
noemd worden tegenover de houders der concessie van den
tramweg Cheribon—Semarang. Wij deelden reeds mede, dat
de tramweg, ingevolge de concessievoorwaarden den postweg
moet volgen, en dat deze voor een groot deel in de onmid-
dellijke nabijheid der kust gelegen is, zoodat deze lijn slechts
aan ééne zijde over eene smalle strook gevoed zal worden.
Wij wezen er op, dat de bedoelde landstreek aan een ver-
voermiddel behoefte had, dat niet langs de kust, doch langs
den voet van het hoog land aangelegd was. De spoorweg kan
dit tracé kiezen, en zou daarom niet alleen aan de eischen
van het verkeer voldoen, dat een tramweg niet doet, doch
tevens, behoudens op enkele trajecten, geheel buiten de ter-
reinstrook vallen, welke door den tramweg bediend wordt.
De houders der hierbedoelde tramwegconcessie hebben reeds
sedert geruimen tijd tramwegen in de onmiddelijke nabijheid
van bestaande spoorwegen in exploitatie gebracht. De tram-
weg Soerabaija—Sepandjang ligt nagenoeg parallel aan den
Staatsspoorweg, en is zelfs daarvan op enkele plaatsen slechts
door eene rivier gescheiden. De tramlijn Demak—Poerwodadi
loopt voor een groot deel op betrekkelijk geringen afstand
evenwijdig aan den spoorweg van de Ned. Indische Maat-
schappij. De houders der tramweg-concessie Cheribon—Sema-
rang kunnen daarom geen bezwaar maken, indien thans het
omgekeerde plaats heeft, en een spoorweg in de nabijheid
van het gebergte wordt gebouwd in eene landstreek, waar hun
tramweg zich langs de kust zal bewegen.
Wij betreuren het, dat de Minister Van Dedem deze tram-
weg-concessie heeft verleend, doch zouden het nog meer be-
5
-ocr page 72-
66
treuren, indien de tegenwoordige Regeering het voorbeeld van
den Heer Mr. Baron Van Dedem volgde, en eene verbintenis
te niet deed, welke een ambtsvoorganger tegenover derden heeft
aangegaan. De verleende tramweg-concessiën moeten daarom
naar onze meening gehandhaafd worden; wij wenschten even-
wel te constateeren, dat deze concessiën geene bezwaren in den
weg leggen voor den bouw van een doorgaanden spoorweg
langs Java\'s Noordkust, dat is van een spoorweg, die reeds
sedert jaren voor den handel en de nijverheid onmisbaar is.
Indien wordt toegegeven, dat Indië groote behoefte heeft
aan spoorwegbouw, en dat de Staat gedurende de laatste
twintig jaren nalatig is gebleven om in deze behoefte te
voorzien, waardoor de algemeene welvaart in hooge mate be-
dreigd is geworden, dan treedt de vraag op den voorgrond,
op welke wijze het gepleegde verzuim te herstellen is, of beter
welke maatregelen thans noodig zijn, om den spoorwegaanleg
op groote schaal mogelijk te maken, zoodat niet alleen de ge-
westen, waar reeds nijverheid en landbouw bestaan, doch ook de
vruchtbare en geïsoleerde landstreken tot ontwikkeling kunnen
komen. Wij zullen trachten deze vraag te beantwoorden.
De bouw der bedoelde verkeersmiddelen kan geschieden
door den Staat of door particulieren. Beide stelsels tellen
voorstanders, en bieden, ieder op zich zelf beschouwd, hunne
voordeden aan.
Een snelle bouw van spoorwegen in Indië door den Staat
is alleen mogelijk, indien door het sluiten eener leening de
middelen daarvoor verschaft worden. Afgescheiden van de
vertraging, welke zou ontstaan, wanneer de beperkte gewone
middelen, dat is Indisch geld, voor dien bouw gebezigd wer-
den, zoo zou het beoogde doel der spoorwegen op die wijze
slechts gedeeltelijk bereikt worden, daar, zooals wij hebben
trachten aan te toonen, de noodzakelijkheid bestaat, dat Eu-
ropeesch kapitaal naar die gewesten vloeit.
-ocr page 73-
67
De vraag geheel ter zijde latende of het sluiten van boven-
bedoelde leening al dan niet aan te bevelen is, zoo mag even-
wel niet uit het oog verloren worden, dat de uitvoering door
den Staat op groote schaal van spoorwegen de indiensttreding
van een uitgebreid personeel medebrengt, en dat de onder-
vinding in Indië geleerd heeft, dat de drang der omstandig-
heden er steeds toe genoopt heeft, om beambten, die eene
tijdelijke benoeming ontvingen, later in vasten dienst te doen
overgaan.
De gelijktijdige aanleg van vele spoorwegen kan in elk land
slechts over een beperkt aantal jaren loopen. Een spoorweg-
net, hoe uitgebreid dit ook wezen moge, wordt ten laatste
voltooid. Het is daarom te voorzien, dat bij een bouw van
Staatswege, na verloop van tijd, voor een zeer groot aantal
spoorwegbeambten geen emplooi zou te vinden zijn, vooral,
omdat slechts een klein deel van het personeel, dat voor den
aanleg gebruikt is, voor den dienst der exploitatie geschikt
is. De Regeering zou daarom ten slotte door een Staatsaan-
leg in groote geldelijke uitgaven vervallen door de verplich-
ting tot het uitreiken van schadeloosstelling aan de overtollig
geworden ambtenaren.
De argumenten, welke in Europa kunnen worden aange-
voerd tot verdediging van den Staatsaanleg, verliezen, wan-
neer het Indië betreft, veel van hunne kracht. Strategische
overwegingen, welke in Europa den doorslag geven, zijn op
Java van ondergeschikt belang, omdat in Indië, bij een even-
tueelen oorlog, van mobilisatie geen sprake kan wezen.
De voorstelling, dat een spoorweg een monopolie schept,
is voor bestrijding vatbaar. Uitsluitend in eene landstreek, die
zeer spaarzaam van dergelijke vervoermiddelen is voorzien,
schept de spoorweg een monopolie, doch Europa en Amerika
leeren aan welk eene scherpe concurrentie spoorwegen het
hoofd moeten bieden, zoodra een volledig net is tot stand
gebracht. Bovendien kunnen in de concessievoorwaarden van
-ocr page 74-
68
een particulieren spoorweg bepalingen opgenomen worden,
die het algemeen belang in deze materie eischt, en waardoor
voorkomen wordt, dat een eventueel monopolie een nadeeligen
invloed uitoefent.
Een Staatsspoorweg is verder, wat zijn tarieven betreft, veel
minder onafhankelijk dan een particuliere lijn. In Indië heeft
men dit reeds in ruime mate ondervonden.
De nijverheid gaat menigmaal van de meening uit, dat een
Staatsspoorweg geen geldelijk voordeel mag opleveren; zij
beschouwt dit communicatiemiddel uitsluitend, alsof het voor
hare behoeften in het leven geroepen was, en ziet over het
hoofd, dat alle belastingschuldigen hun deel hebben bijge-
dragen voor het aanlegkapitaal.
Een voortdurende drang wordt daardoor bij Staatsspoor-
wegen op de Regeering uitgeoefend tot het verlagen der
tarieven, en niet zelden kan aan dien drang geen weerstand
geboden worden, waardoor het algemeen belang geschaad wordt.
De vraag of de aanleg en ook de exploitatie van Staats-
spoorwegen goedkooper is dan die van particulieren, moet
voor Java ontkennend beantwoord worden.
De aanlegkosten der Staatslijnen op Java waren:
Voor de Oosterlijnen per K. M......./ 73 256.—
» » Westerlijnen » » ......» 93 687.—
» » de lijn Djokjo—Tjilatjap.....» 76 809.—
Die der particuliere lijnen waren:
Voor den Bat. Oosterspoorweg per K. M. . . . / 55 100.—
» » Java Spoorweg           » »         ...» 59 823.—
> » spoorweg Batavia—Buitenzorg per K. M. » 66 896.—
De Spoorweg Semarang—Vorstenlanden heeft breed spoor;
hij is daarom niet voor maatstaf bruikbaar.
De constructie-rekening geeft, blijkens het bovenstaande
overzicht, voor den goedkoopsten Staatsspoorweg op Java
een cijfer per K. M. aan, dat hooger is dan dat van alle par-
ticuliere lijnen.
-ocr page 75-
69
Men vergete hierbij niet, dat bovenbedoelde Staatslijnen
gebouwd zijn door de eminente spoorweg-ingenieurs, waarover
de Regeering toenmaals beschikte. Hiervoren gaven wij reeds
den hoogsten lof aan deze verdienstelijke technici.
Welken waarborg heeft de Regeering echter, dat Zij ook
in den vervolge over zulke energieke en kundige personen
zal kunnen beschikken, indien dit niet het geval is, dan zul-
len de uitgaven nog meer dan thans uiteenloopen.
Ook de exploitatiekosten zijn bij een beheer van den Staat
hooger dan die van eene particuliere maatschappij.
Deze kosten waren in 1892:
Voor de Oosterlijnen per dag K. M......f 11.66
» »           »             » trein »......» 1.08^
» »           »           bij een inkomst p. dag K. M. van » 24.95
t, > Westerlijnen per dag K. M......» 9.46J
» »            »             » trein »......» 1.01
» »            »           bij een inkomst p. dag K. M. van » 17.38
» » lijn Djokjo—Tjilatjap per dag K. M. . . » 7.56^
» » »
               »                 » trein » . . . » 1.08J
» » »               » bij een inkomst p. dag K. M. van » 9.88
Terwijl zij bij de particuliere lijnen waren:
Voor den Bat. Ooster-Spoorweg per dag K.M. . . » 6.31
» » i
                »                 » trein » . . » 0,58
» » >                » bij een ink. p. dag K. M. van » 11.31£
» » Java-Spoorweg per dag K.M......» 5.19
» >              »               » trein >.....» 0,81
» »              » bij een inkomst van p. dag K.M. van » 6.39
» » Spoorw. Batavia-Buitenzorg » » » . . » 17.49
» »
         »                      >                » trein » . . » 1.29
» »        »                      » bij een ink. p. d. K.M. van > 40.80^
Bij eene vergelijking blijkt het dus, dat de uitgaven voor
exploitatie o. a. van den Staatsspoorweg Djokjo—Tjilatjap
hooger zijn dan die van den Bat. Oosterspoorweg, terwijl de
inkomsten lager waren. Hetzelfde verschijnsel doet zich bij
-ocr page 76-
70
nagenoeg elke vergelijking van de exploitatiekosten van een
Staats- en van een particulieren spoorweg op Java voor.
Hierbij doen wij opmerken, dat eene particuliere lijn ver-
plicht is tot het vormen van vernieuwings-, reserve- en pen-
sioenfondsen, waardoor de exploitatiekosten gedrukt worden,
terwijl eene Staats-Exploitatie daarvan bevrijd is. Vele uitga-
ven, die een gevolg zijn van Staatsaanleg en Staatsexploitatie,
komen bovendien voor rekening van andere departementen
van algemeen bestuur; o. a. worden met de pensioenen van
de ambtenaren bij genoemden tak van dienst de exploitatie-
of aanlegkosten niet belast. De rekeningen van den Staats-
aanleg en exploitatie geven daarom geen zuiver beeld van de
uitgaven ten behoeve van deze diensten, en toch overtreffen
zij, ofschoon de bekende cijfers beneden de werkelijke uitga-
ven blijven, reeds de gelijksoortige uitgaven bij de particu-
liere lijnen.
Staatsexploitatie is bij alle takken van dienst steeds kost-
baar. Niet altijd is men daarvan overtuigd, omdat het in Indië
moeilijk is bij een Staatsbeheer steeds eene juiste winst- en
verliesrekening op te maken. De compta\' iliteits-wet belet dit,
daar vele uitgaven voor eene zelfde onderneming ten laste
van verschillende departementen komen, waar zij onder alge-
meene posten verdwijnen.
De exploitatie in eigen beheer van de djatti-bosschen,
welke vroeger in Japara gedreven werd, leverde volgens de
rapporten oogenschijnlijk zulke ontzaggelijke winsten op, dat
de Minister Bloemen Waanders in de Tweede Kamer het
voorstel deed, om alle Gouvernements-houtbosschen in eigen
beheer te ontginnen. Later toen de rekeningen juister werden
opgezet, verdwenen die groote winstcijfers, en bleek het daar-
entegen, dat aanzienlijke verliezen op de exploitatie geleden
waren.
Gelijke uitkomsten van teleurstellenden aard zou men ver-
krijgen, indien de zuivere rekening werd opgesteld van andere
-ocr page 77-
71
Staatsexploitatiën. De saldo\'s, welke de Regeeringsbescheiden
opgeven, zijn daarom slechts onder voorbehoud als maatstaf
ter beoordeeling te beschouwen.
Bij Staats-aanleg of exploitatie van spoorwegen is men
nog in meerdere mate dan bij particulier beheer afhankelijk
van de personen, die daarmede belast zijn. Tot heden heeft
de Indische Regeering bij de spoorwegen eene gelukkige keuze
gedaan, doch, wij herhalen, wie kan de verzekering geven,
dat dit altijd het geval zal wezen.
De prikkel, welke de beambten van eene particuliere maat-
schappij tot arbeid en plichtsbetrachting drijft, is bij den Staat
niet in gelijke mate aanwezig, terwijl bovendien bij de eerste,
door den drang der belanghebbenden, weinig verschooning
voor plichtsverzuim kan worden geduld. De personen zijn in
beide gevallen van dezelfde categorie, doch de drijfveeren tot
belangstelling in den arbeid verschillen.
Tegen den Staatsaanleg van spoorwegen in Indië moet
echter vooral worden aangevoerd het gevaar, dat voor het
Rijk aanwezig is, wanneer het over groote eigendommen in
onze overzeesche gewesten beschikt. De Gouvernements-koffie-
cultures met de daarbij behoorende pakhuizen en landsinrich-
tingen vertegenwoordigen reeds eene reëele waarde van vele
millioenen; de tin-exploitatie op Banka; de zoutaanmaak, al
deze productieve Gouvernements-ondernemingen en nog meer
andere vormen een belangrijk rentegevend kapitaal. Ten be-
hoeve van den Staatsaanleg van spoorwegen op Java was einde
1892 reeds uitgegeven / 72.575.438.—, en dit bedrag stijgt tot
100 millioen, indien daarbij de uitgaven op Sumatra en die,
welke in 1893 zijn gedaan, gevoegd worden.
Indië ligt door het totale gemis van eene bruikbare vloot
geheel open voor eiken vijand, hetzij deze Chinees, Japannees,
Portugees of een andere is. Het is treurig te moeten er-
kennen, dat Nederland op maritiem gebied niet opgewassen
is tegen de kleinste mogendheid, welke over eene marine
-ocr page 78-
72
beschikt. Bij een eventueelen oorlog is de vijand, die zich van
Java of van Indië meester maakt, bezitter van de eigendommen
van den Staat, terwijl liet particulier bezit geëerbiedigd wordt.
Bij het sluiten van den vrede zal, zelfs al waren wij in Europa
aan de zijde van de overwinnende partij, steeds rekening ge-
houden worden met onze verliezen in Indië. Het kapitaal, dat
door het Rijk voor spoorwegbouw aangewend mocht zijn, zal
bij het vredesverdrag in aanmerking genomen worden.
Wij komen daarom tot de conclusie, dat een spoorwegbouw
in Indië, waarbij een verzuim van 25 jaren binnen korten
tijd moet hersteld worden, eene fictie zou blijven, indien men
den Staatsaanleg op den voorgrond plaatste. Naar onze mee-
ning behoort, naast een stelselmatigen Staatsaanleg,
een krachtige bouw van spoorwegen door gebruikmaking van
particulier kapitaal in het leven te worden geroepen.
Wij zullen thans de vraag trachten te beantwoorden op
welke wijze de bouw van spoorwegen met gebruikmaking van
particuliere krachten in Indië mogelijk is.
De ondervinding heeft bewezen, dat particuliere spoorweg-
aanleg zonder hulp van den Staat in Indië onmogelijk is. De
bestaande Ned. Indische Spoorweg heeft van het Rijk een
belangrijk geldelijk voorschot gehad. De Staat heeft hierbij
geen nadeel geleden. Overigens heeft de particuliere aanleg
op Java zich slechts tot 81 K. M. beperkt.
Wij mogen dan ook als onbetwistbaar aannemen, dat par-
ticuliere spoorwegbouw in Indië zonder Staatshulp eene utopie
is. Het behoeft slechts als tijdverspilling beschouwd te worden,
wanneer men verwacht om spoorwegen zonder die hulp te
kunnen bouwen of doen bouwen.
Het moet bevreemding wekken, dat ondanks de gunstige
financieele resultaten der bestaande spoorwegen geen geld
voor den aanleg van andere te verkrijgen is. Dit verschijnsel
wordt evenwel verklaard door de eischen der geldmarkt. Als
een regel, die geene uitzondering toelaat, is aan te nemen,
-ocr page 79-
73
dat alle spoorwegen, welke buiten het vaste land van Europa
gebouwd zijn, uitsluitend hun ontstaan te danken hebben aan
Staatshulp. De geldmarkt is hieraan gewoon, en het is vruch-
teloos hiertegen verzet aan te teekenen.
In Hoofdstuk II gaven wij een overzicht der spoorwegen
in Engelsch Indië. Uit dat apercu blijkt, dat geen enkele
particuliere spoorweg in die koloniën gebouwd is zonder hulp
van den Staat. De Engelsche Regeering doet zelfs de Staats-
lijnen, die niet uitsluitend voor militaire doeleinden gebouwd
zijn, door particulieren exploiteeren. Het uitgebreide net van
spoorwegen in Engelsch-Indië, de groote jaarlijksche toene-
ming van deze lijnen; de belangrijke vermeerdering van de
welvaart in die gewesten, dit alles is een gevolg van de juiste
\'inzichten van de Engelsche Regeering, die niet tegen den
stroom wilde oproeien, en het onmogelijke niet trachtte te
bereiken, doch zich daarentegen nederlegde bij de eischen,
welke de geldmarkt stelt.
Wij wijzen in het bijzonder op Engeland, omdat de Ko-
loniën van dat land door hare uitgestrektheid het meest nabij
komen aan de onze, en ook bovendien omdat het bekend is,
dat de ondernemingsgeest bij de Engelsche natie het sterkst
ontwikkeld is.
Dat Engeland begrijpt en ondervonden heeft, dat spoorweg-
bouw zonder rentegarantie onmogelijk is, en dat deze commu-
nicatie-middelen een weldaad voor het land zijn, blijkt wederom
uit eene officiëele mededeeling, welke onlangs in de »Official
Gazette" werd opgenomen. De milde bepalingen, welke deze
nieuwe voorstellen der Engelsche Regeering behelzen, toonen
duidelijk aan, dat Engeland, op grond der verkregen resultaten
van den spoorwegbouw, geen middel onbeproefd wil laten om
het particuliere kapitaal voor de verdere voltooiing van het
reeds zoo uitgebreide net te winnen.
De Regeering verklaarde zich volgens de »Official Gazette"
bereid om:
-ocr page 80-
74
1°. den grond voor den spoorwegbouw kosteloos af te
staan;
2°. op gunstige voorwaarden rollend materieel te laten
leveren, en de nieuwe wegen te laten onderhouden en ex-
ploiteeren door de administratie van de hoofdlijn (Staatslijn);
3°. kostelooze inzage en gebruik te verleenen van de op-
nemingen enz., welke van Gouvernementswege zijn gedaan;
4°. de materialen voor den bouw tegen een laag tarief over
de Staatslijnen te vervoeren;
5°. van de opbrengst of inkomsten der hoofdlijn (Staatslijn)
een beperkt gedeelte af te staan, teneinde aan de eigenaars
van de nieuwe lijnen een jaarlijksch dividend van 40/o over
het goedgekeurde bedrag voor den aanleg te verzekeren;
6°. indien zulks wettelijk te regelen is, machtiging te ver-
leenen om de kapitaalrekening van den zijtak gedurende den
aanleg met zulk eene som te belasten, dat er met de netto-
winst, welke de trafiek reeds mocht opleveren, 4°/0 rente over
het gestorte kapitaal kan betaald worden.
Een verzoek aan het Parlement om bevoegdheid daartoe te
verleenen is, naar men verzekert, reeds in overweging.
Indien de particulieren bereid mochten zijn om het noodige
kapitaal te leveren, doch niet genegen mochten wezen om den
spoorweg zelven te bouwen, dan kunnen zij eene schikking
met het departement van Openbare Werken treffen, om dit
met den aanleg te belasten.
Het Gouvernement zal niet voor eiken zijtak het maximum
van den bovenbedoelden steun verleenen. Het verlangt, dat elk
ontwerp te voren onderzocht wordt, zoodat elke aanvraag aan
haar eigen mérites zal getoetst worden, waarbij aan elk plan
de eisch gesteld wordt, dat het een redelijk uitzicht op finan-
cieel succes oplevert.
De goedkeuring der tarieven van den spoorweg wordt door
het Gouvernement voorbehouden.
Frankrijk heeft zich eveneens onderworpen aan de eischen
-ocr page 81-
75
der geldmarkt. In Algiers, zelfs op Corsica, werden de spoor-
wegen met Staatshulp gebouwd. Door Portugal werd evenmin
van dezen regel afgeweken, waar het gold den spoorwegaanleg
in zijne Koloniën. In den Congostaat, in den Transvaal, in
alle landen buiten Europa, volgt men denzelfden weg.
Zouden nu de bestuurders van al deze landstreken in kennis
en beleid ten achteren staan bij onze Nederlandsche Regee-
ringspersonen ? Is het te veronderstellen, dat zij allen dwalen,
en uitsluitend de wetenschap aan onze zijde is? Zou de
speculatiegeest van den Nederlander grooter wezen dan die
van de Engelschen of van de andere natiën ?
Dit is niet aan te nemen; de resultaten, welke in de
vreemde Koloniën met den spoorwegbouw verkregen zijn, en
het totale fiasco, dat de particuliere aanleg van spoorwegen
in onze overzeesche gewesten gemaakt heeft, zijn voldoende
om te bewijzen, dat voorzeker de Nederlandsche Regeering
niet juist gezien heeft.
Palliatieven en halfheden, zooals de Minister Van Dedem
deze geschapen heeft, kunnen de toekomst van Indië slechts
donkerder maken. De eenige weg, welke voor ons open ligt,
is die, welken de vreemdeling met succes gevolgd heeft, dat
is het zich schikken naar de eischen van de geldmarkt, het
onmogelijke niet te eischen, en leering te trekken uit de
ondervinding, welke andere natiën met hare spoorwegpolitiek
verkregen hebben. De onze is in hare resultaten treurig ge-
noeg, om daaruit het bewijs te putten, dat die politiek te
veroordeelen is.
Particuliere spoorwegbouw in onze Koloniën vereischt daarom
onvermijdelijk Staatshulp. Een dergelijke steun kan bovendien
geen bevreemding wekken. In ons vaderland hebben immers
eveneens vele tramwegen hun bestaan te danken aan subsidies
van den Staat of van provinciale- en gemeentebesturen. Is er
nu reden om te veronderstellen, dat dergelijke steun voor spoor-
wegen in het verre en onbekende Indië ontbeerd kan worden?
-ocr page 82-
76
Naar onze meening is de meest rationeele en afdoende
wijze, waarop men tot een snellen bouw van de zoo dringend
noodige communicatiemiddelen op Java komen kan, die welke
de Minister Keuchenius heeft aangegeven. In Hoofdstuk II
gaven wij een overzicht der denkbeelden van dezen Departe-
mentchef. Deze waren in het kort, dat eene belangrijke geld-
som zou moeten worden beschikbaar gesteld tot het verleenen
van hulp tenbehoeve van particuliere spoorwegen.
Wij vreezen echter, dat de Wetgevende macht zich niet met
een dergelijk voorstel zal vereenigen. De belangstelling in
Indië is nog te weinig bij onze natie doorgedrongen, om
krachtige maatregelen ten bate van Indië ingang te doen
vinden.\'
Voorzeker is het opmerkelijk, dat in ons land meerdere
aandacht geschonken wordt aan plaatselijke belangen of
onderwerpen van weinig beteekenis, zooals die over het ge-
bruik van den wonderkuil en dergelijken, dan aan Indische
zaken. De vaststelling van de begrooting van Nederlandsch-
Indië is voor de Wetgevende macht in vele gevallen een
arbeid, die weinig discussie uitlokt, niettegenstaande die be-
grooting het bestuur over een land van 30 millioen inwoners
geldt.
Een ieder zal beamen, dat Nederland, zonder zijne kolo-
niën, onder de Statenrij van Europa de minste plaats zou in-
nemen, en dat ons vaderland zijn welvaart en nationaal ver-
mogen nagenoeg uitsluitend aan Indië verschuldigd is. Wij
meenen zelfs, dat het bezit onzer koloniën de beste waarborg
voor onze onafhankelijkheid is, daar geene groote natie aan
haar mededinger de inlijving van Nederland zou veroorloven,
in verband met het daaruit voortvloeiende bezit van Indië.
De weinige bekendheid in het vaderland met onze koloniën
en de daarmede gepaard gaande onverschilligheid is alleen
toe te schrijven aan overleveringen uit den ouden tijd. Indië
was eenige tientallen van jaren geleden het toevluchtsoord
-ocr page 83-
77
voor »les enfants perdus" van Nederland; deze toestand is
echter veranderd. De beste zonen van ons vaderland gaan
thans naar Indië; kennis en wetenschap (getuige de verplichte
examens) benevens practische zin en arbeidskracht worden
voor onze koloniën in niet mindere mate geëischt dan voor
ons vaderland; de wensch tot emigreeren sluit reeds het bezit
van geestkracht in. De sstruggle for life" is in Indië thans niet
minder moeielijk dan in Europa, en de weinigen, die na ver-
loop van jaren in het vaderland terugkeeren, na hun arbeid
met succes bekroond te hebben gezien, maken slechts een
klein percentage uit van de velen, die in de overzeesche ge-
westen eene carrière zochten, doch daarbij schipbreuk leden.
Onverschilligheid voor het land, dat aan Nederland zoo-
veel schenkt, en waar onze landgenooten in groot aantal een
werkkring vinden, is antinationaal; het is daarom te betreu-
ren, dat het gemis aan belangstelling voor onze koloniën
hier te lande niet te loochenen is. Hoe dit echter ook zij,
zoo is het een feit, dat deze onverschilligheid bestaat, en dat
er rekening mede gehouden moet worden. Dit is de oorzaak,
waarom wij de voorstellen van wijlen Mr. Keuchenius niet
ondersteunen, en op eene andere wijze, al zij het door een
langeren weg te volgen, het doel meenen te moeten bereiken.
Wij zijn van oordeel, dat, indien een voorstel wordt aan-
geboden om den particulieren spoorwegbouw in Indië moge-
lijk te maken, zonder eenig offer uit de schatkist te vragen,
zulk een plan bijval zal vinden. Wij meenen een dergelijk
plan te kunnen aangeven. Door een voorbeeld zullen onze
denkbeelden het best kunnen worden weergeven.
Een spoorweg van Semarang naar Cheribon zal, zooals door
cijfers kan worden aangetoond, een minium-rente van 5°/0
over het aanlegkapitaal opleveren. Deze spoorweg zal 240
K. M. lang zijn. Het publiek, dat geheel onbekend is met Java,
kan van deze rentabiliteit niet overtuigd worden; de Regee-
ring is daarentegen in staat om een oordeel te vellen. Indien
-ocr page 84-
78
nu het Rijk 3°/0 rente garandeert, dan zou het bijeenbrengen
van het kapitaal door particulieren geen bezwaar hoegenaamd
opleveren.
De Staat kan nu evenwel voor de verleende moreele hulp
de helft der overwinst boven 3°/0 eischen. Wanneer nu, zoo-
als hiervoren aangenomen is, 50/o winst wordt gemaakt, dan
ontvangt de Staat l°/0 van het kapitaal, dat noodig is geweest
voor den bouw van een spoorweg van 240 K. M. lengte.
Indien de Regeering nu daarna in het belang van de ont-
wikkeling der landstreek bijv. eene spoorwegverbinding tus-
schen Cheribon en de Staats-Westerlijnen noodig acht, dat is
in eene gedeeltelijk weinig of niet in cultuur gebrachte land-
streek, dan is het thans mogelijk geworden deze in het leven
te roepen zonder eenige directe tegemoetkoming uit de schat-
kist. Het behoeft geen betoog, dat geen particulier kapitaal,
zelfs voor den bouw van een tramweg, in zulk eene geïso-
leerde streek zou te verkrijgen zijn, daar de lijn, hetzij tram-,
hetzij spoorweg, in de eerste jaren niet rendeerend kan wezen.
Het particulier kapitaal zal daarentegen wel beschikbaar wezen,
wanneer wederom rentegarantie verleend wordt. Voorzeker
zal de Staat in de eerste jaren deze rente moeten betalen,
hetgeen evenwel geen bezwaar zal opleveren, daar, — wan-
neer aangenomen wordt, dat de spoorweg, welke de hierbe-
doelde verbinding zal daarstellen, 80 K. M. lang is, hetgeen
nagenoeg juist zal zijn, — de Staat uit de overwinst van den
spoorweg Cheribon— Semarang, dat is l°/0 over 240 K. M., de
rentegarantie van 3°/0 der nieuwe verbindingslijn lang 80 K. M.
kan betalen.
Zonder eenige uitgaven, afkomstig van belastingschuldigen,
zou op deze wijze een spoorweg door eene weinig bevolkte,
doch vruchtbare landstreek tot stand komen, waardoor nieuwe
bronnen van welvaart, en dientengevolge eveneens van staats-
inkomsten zouden verkregen worden.
Op deze wijze voortgaande, mits steeds met oordeel en
-ocr page 85-
70
zaakkennis handelende, zou een spoorwegnet met gebruikma-
king van Europeesch kapitaal over Java aangelegd kunnen
worden, zonder eenige opoffering van landsgelden.
Wij erkennen, dat deze weg meer tijd vordert dan die,
welken de Minister Keuchenius aanbeval; wij gaven hierbo-
ven echter de redenen aan, waarom wij, het spreekwoord ge-
dachtig dat »le mieux est 1\'ennemi du bien", aan het bereik-
bare de voorkeur gaven boven het onwaarschijnlijke. In alle
gevallen zal worden toegegeven, dat indien jaren geleden het
bovenaangegeven stelsel van spoorwegbouw ware toegepast,
thans Indië in een beteren toestand zou verkeerd hebben, en
dat het bovenomschreven systeem eerder tot een goed resul-
taat zal leiden, dan de bouw van tramwegen volgens de plan-
nen van den Minister Van Dedem.
Deze Minister was tegen het verleenen van rentegarantie
gestemd, omdat naar zijne meening de slechte kansen daarbij
voor den Staat, en de goede voor de particulieren zijn.
De vreemde mogendheden denken op andere wijze over dit
onderwerp, zooals dit door hun spoorwegpolitiek bewezen
wordt; doch zelfs al ware de zienswijze van den Heer Van
Dedem juist, dan is het nog steeds aan te bevelen, om van
twee ongunstige zaken de minst ongunstige te kiezen. Zonder
rentegarantie is de spoorwegbouw door particulieren niet
mogelijk; de bezwaren, welke staatsaanleg medebrengt, en de
langzame weg, welke daarbij noodwendig gevolgd moet wor-
den, hebben wij hiervoren uiteengezet. De Regeering heeft
daarom slechts de keuze tusschen het verleenen van rente-
garantie, of het onthouden aan Indië\' van spoorwegen, die
noodig zijn tot het bevorderen van de welvaart, en tot het
sluiten van de Indische begrooting. Wij gelooven, dat de keuze
niet moeilijk zou wezen, vooral nu wij hiervoren een stelsel
hebben ontwikkeld, waarbij de slechte kansen in elk geval
voor den Staat vervallen.
Het gezegde van den Minister Van Dedem is echter meer
-ocr page 86-
80
als een gevleugeld woord te beschouwen. Zelfs indien rente-
garantie werd verleend op de wijze, zooals wijlen Mr. Keu-
chenius dit wenschte, dan is de voorstelling van den Heer
Mr. W. K. Baron van Dedem niet juist.
Wij zullen dit trachten duidelijk te maken.
Bij het verleenen van rentegarantie zijn drie gevallen mo-
gelijk:
1°. dat de spoorweginkomsten de exploitatiekosten niet dekken;
2°. dat de spoorweginkomsten de exploitatiekosten dekken,
doch slechts een deel van de garantie;
3°. dat de spoorweg eene winst maakt, die meer bedraagt
dan de garantie.
Verder doen wij opmerken:
a.  dat, zooals hiervoren door cijfers is aangetoond, de Staat
duurder bouwt en exploiteert dan een particulier;
b.   dat de staatsleeningen geplaatst worden ad 3£0/o.
In het geval bedoeld sub 1 betaalt het Rijk bij staats-
aanleg 3£°/0 over het aanlegkapitaal, dat verkregen is door
eene leening, en bovendien het tekort op de exploitatie.
Bij een particulieren aanleg betaalt de Staat de garantie
van 3°/0 over het kleinere aanlegkapitaal, doch niets voor het
te kort op de exploitatie.
Het recht tot naasten bestaat. De Staat kan daartoe in dat
geval overgaan. Hij komt dan in het bezit van den spoorweg
voor een kleiner bedrag aan geld, dan voor den bouw van
Zijnentwege noodig zou zijn geweest.
Eene rentegarantie is dus in dit geval steeds het voordee-
ligst voor het Rijk.
In het tweede geval betaalt het Rijk bij Staatsaanleg
3£°/0 over het geleende aanlegkapitaal, verminderd met het
overschot op de exploitatie; daar evenwel de particulier goed-
kooper dan de Staat exploiteert, is het mogelijk, dat de eerste
eene kleine winst maakt, terwijl de Staat nog een nadeelig
saldo heeft.
-ocr page 87-
81
Bij particulieren aanleg betaalt de Staat de garantie van
3°/0 verminderd met het surplus op de exploitatie.
Zelfs aannemende, dat de Staat en de particulier gelijke
exploitatiekosten hadden, en ook de uitgaven voor den bouw
niet verschilden, dan zou hier wederom het verleenen van
rentegarantie het meeste voordeel voor den Staat opleveren.
In het geval sub 3, dat is bij een zeer rendeerenden
spoorweg, ontvangt de Staat de helft der overwinst boven 3°/0.
Bij eene opbrengst van 4°/0 zou de Staat dus een gelijk bedrag
ontvangen als bij een Staatsaanleg, waarbij tegen 3J°/0 geleend
is; altijd aannemende, hetgeen niet het geval is, dat de aan-
legkosten bij particulieren en bij Staatsaanleg gelijk zijn. Bij
eene winst boven de 4°/0 kan de Staat bij particulieren aan-
leg in nadeeliger conditie komen dan bij Staatsaanleg, dat
wil zeggen winst derven. Het risico heeft Hij echter in dit
geval niet geloopen.
De meening, dat bij het verleenen van rentegarantie de
slechte kansen aan de zijde van den Staat zijn, zooals de
Minister Van Dedem dit verklaarde, is daarom geheel onjuist.
Het tegenovergestelde is het geval. De slechte kansen, of
beter de gevolgen van financieelen tegenspoed bij de exploi-
tatie, komen bij het verleenen van rentegarantie ten laste van
de particulieren, die nog bovendien het risico dragen, dat de
spoorweg niet kan gebouwd worden voor het oorspronkelijk
geraamde en gegarandeerde bedrag. In het financieel belang
van den Staat moet daarom de bouw van spoorwegen met
rentegarantie worden aanbevolen. Het eenige nadeel, dat uit
het stelsel kan voortvloeien, is, dat bij groote inkomsten, de
Staat eene kleine winstderving heeft, doch deze mag hij waar-
lijk aan de particulieren voor het gedragen risico wel gunnen.
Wij hebben getracht de voordeden van en de noodzake-
lijkheid tot het verleenen van eene rentegarantie voor spoor-
wegbouw in Indië aan te toonen; thans wenschen wij nog
een enkel woord te wijden aan de beginselen, welke daarbij
6
-ocr page 88-
82
ter bevordering van het algemeen belang in het oog behoo-
ren gehouden te worden.
De voorwaarden der concessiën dienen zoo gesteld te zijn,
dat zij het monopoliseeren van het vervoer zooveel mogelijk
beletten, en den Staat een krachtigen breidel tegen misbruiken
in handen geven.
Hoewel dus de Staat zonder eenige geldelijke opoffering
een groot aantal particuliere spoorwegen in het leven zou
roepen, kan hij tevens van den dwang, welken de geldmarkt
uitoefent, en die Hem tot het verleenen der garantie noopt,
gebruik maken om het het heft in handen te houden.
Wij hebben enkele concessievoorwaarden van spoorwegen
in den vreemde nagegaan.
In Frankrijk worden de bepalingen beknopt en duidelijk
gesteld, en tot een minimum ingekrompen. De Engelsche
voorwaarden vormen daarentegen een boekdeel, waarin tot de
kleinste bijzonderheden wordt afgedaald, en waarbij het En-
gelsche Gouvernement zich steeds voorbehoudt in de belang-
rijkste zaken imperatief te beslissen. In deze voorwaarden zijn
menigmaal alle leesteekens weggelaten, zoodat de zin dikwijls
niet juist verklaard kan worden, en tot vele moeielijkheden
aanleiding zou kunnen geven.
Ondanks deze tegenstelling in den gedachtengang van de
ontwerpers van de Fransche en de Engelsche voorwaarden
van concessie, wordt in de Britsche minder moeielijkheden dan
in de Fransche koloniën ondervonden bij den bouw der spoor-
wegen door particulieren, en dit verrassend verschijnsel kan
uitsluitend verklaard worden door het verschil in opvatting
van hun taak door de ambtenaren van de beide landen. Die
in Frankrijk zijn plus royaliste que Ie roi, die in Engelsch-
Indië zijn meer practisch.
Wij vreezen, dat in onze koloniën de geest der ambtenaren
meer helt naar de Fransche dan naar de Engelsche zijde, en
dat daarmede rekening moet worden gehouden.
-ocr page 89-
83
Het komt ons voor, dat de particuliere spoorwegbouw in
onze koloniën in het algemeen zal beheerscht behooren te
worden door de volgende bepalingen:
1°. dat de rentegarantie niet loopt over den tijd, gebezigd
voor den aanleg van den spoorweg.
2°. dat het eindcijfer der door de Regeering goedgekeurde
begrooting het maximum aangeeft van het bedrag, waar-
over de garantie berekend wordt.
3°. dat de Regeering de bevoegdheid behoudt den spoorweg
te naasten, zoodra gedurende meer dan drie achtereen-
volgende jaren verliezen op de exploitatie geleden zijn.
4°. dat de Staat deelt in de overwinst der particuliere Maat-
schappij.
5°. dat een maximum-bedrag der uitgaven bij verschillende
bruto-ontvangsten der exploitatie wordt vastgesteld.
6°. dat de tarieven aan de goedkeuring der Regeering onder-
worpen zijn, en Deze het recht behoudt veranderingen der
tarieven te bevelen.
7°. dat een door de Regeering aangewezen Staatsdienaar lid
van den Raad van Commissarissen zal wezen, en inzage
van alle boeken betreffende het beheer en de administratie
zal verkrijgen.
Indien deze bepalingen, na verdere uitwerking, in de voor-
waarden der concessie worden opgenomen, dan zijn de ge-
varen voor teleurstellingen zeer luttel, en draagt de Staat
veel minder risico dan bij een Staatsaanleg en exploitatie
het geval zou wezen, terwijl het algemeen belang niet minder
beschermd is. Wij gaan natuurlijk van de veronderstelling uit,
dat de vigeerende bepalingen betreffende het verleenen van
concessie voor spoorwegbouw in Indië in stand gehouden
worden, voor zoover zij met de bovenstaande beginselen niet
in strijd zijn, zoodat geene herhaling dier voorschriften thans
vereischt wordt.
Ter verzekering van de nationaliteit van het kapitaal wor-
-ocr page 90-
84
den geene beperkende bepalingen noodig geacht, of zelfs ge-
wenscht. Wel achten wij het verplichtend, dat het beheer
geheel in Nederlandsche handen is, en de vennootschap in
Nederland of onze Koloniën gevestigd is.
Wij hebben door het bovenstaande getracht om een spoor-
wegpolitiek in korte trekken te ontwikkelen, die tot het doel
kan leiden, en daarbij naar ons beste weten de bezwaren
wederlegd, welke de bestrijders van rentegarantie hebben aan-
gevoerd. Met nadruk wijzen wij er op, dat de tegenstanders
niets hebben tot stand gebracht, en dat daarom reeds hunne
denkbeelden moeten veroordeeld worden.
Wij zijn van de meening uitgegaan, dat betweterij tot teleur-
stellingen moet leiden, en hebben daarom gebruik gemaakt
van de lessen, welke uit de ondervinding van andere Koloniën
geput kunnen worden. Wij meenen, dat onze voorstellen het
voorrecht hebben, om op feiten, die het resultaat zijn van
een elders toegepasten maatregel, te steunen.
Voor onze overzeesche gewesten zijn de vermeerdering van
welvaart en een tegenstroom van Europeesch kapitaal als eene
levensbehoefte te beschouwen. Fiscale middelen kunnen tijde-
lijk eene sluitende begrooting maken, doch zouden ten slotte
de toekomst nog meer verduisteren. De draagkracht der be-
volking in Indië is nagenoeg uitgeput.
De schatkist dobbert op wisselvallige inkomsten, die ont-
staan uit verouderde stelsels, welke thans niet alleen afgekeurd,
doch bovendien gestadig ingekrompen worden.
Elders is het bewijs geleverd, zooals wij door cijfers hebben
trachten aan te toonen, dat spoorwegen een der krachtigste
middelen zijn tot het bevorderen van de handelsbeweging in
eenig land, en tot vermeerdering der welvaart.
Deze stelling heeft burgerrecht verkregen. Dr. E. Naumann
verklaarde eveneens in eene vergadering van »die Gesell-
schaft für Erdkunde" te Berlijn: »Transport ist eine produ-
-ocr page 91-
85
cirende Kraft, und die Verbesserung der Communicationsmittel
wird für die Steigerung der Producten eine Nothwendigkeit."
Kapitaal wordt gevorderd voor den aanleg van spoorwegen
en voor de oprichting der ondernemingen, welke uit het tot
stand komen dier verkeermiddelen voortvloeien. Verspreiding
der opeengedrongen bevolking van Java en toeneming der
welvaart gaan daarmede gepaard. De spoorwegbouw voldoet
daarom aan de eischen, welke Indië stelt.
Wij gaven hierboven den weg aan, die naar onze meening
tot het doel leidt. Indien die weg gevolgd wordt, zal geen
penning aan de schatkist onttrokken worden. Wanneer mocht
worden aangetoond, dat wij dwalen, dan zullen wij dit gaarne
erkennen. Wij hechten niet zoozeer aan het door ons aange-
prezen denkbeeld. Vóór alles wenschen wij, dat gehandeld
wordt; — dat spoorwegen in Indië gebouwd worden. De
Regeering heeft reeds te lang gedraald en verzuimd in de
behoefte aan deze communicatiemiddelen te voorzien. De
achteruitgang van de welvaart in Indië\' is een dreigend ge-
vaar, niet alleen voor onze financiën, doch nog meer voor
de rust en den vrede. Een verder laisser-aller zou niet te
verdedigen zijn.
J. A. DE GELDER.
den Haag, Mei 1894.