-ocr page 1-
"A" \'W                    êr.M^U
OPEN BRIEF
van het afgetreden lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
A. Baron VAN D E D E M
AAN
IDZE KIEZERS
IN HET
HOOFDKIESDISTRICT ZWOLLE.
/\'
\'SGRAVENHAGE,
H. P. DE SWART & ZOON.
1894.
-ocr page 2-
-ocr page 3-
Kiezers in het Hoofdkiesdistrict
Zwolle.
Den 10 April 1894 zijt Gij opgeroepen om eenc keuze te
doen voor een lid van. de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
In de bijna 15 jaren die ik lid van de Tweede Kamer
was werd ik zevenmaal in het hoofdkiesdistrict Zwolle
gekozen. Steeds was ik de candidaat van de Antirevolutionaire
partij met wier beginselen ik instem en waarbij ik mij dan
ook uit volle overtuiging heb aangesloten.
Ditmaal mocht ik echter niet worden aanbevolen door
de Antirevolutionaire kiesvereeniging Nederland en Oranje
te Zwolle.
Deze kiesvereeniging deed mij de volgende vragen:
1°. Kan u, u verklaren vóór kiesrechtuitbreiding in den
zin en met de strekking van de ingetrokken ontwerpen Tak ?
2". Wenscht u mede te werken tot verwijdering van de
schrijfproef, zonder op dezen eisch de ontwerpen Tak te
zullen laten stranden ?
«■>". Oordeelt u met de Vereeniging, dat onder bedeeling
niet moet worden verstaan geneeskundige hulp?
De eerste vraag heb ik ontkennend beantwoord, omdat
het ontwerp Tak naar mijne meening ongrondwettig is, in
strijd is met de Antirevolutionaire beginselen en tot de
zonderlingste gevolgtrekkingen leidt.
Op de tweede vraag heb ik geantwoord, dat ik de schrijf-
proef wilde helpen verwijderen, maar gelukte dit niet, voor-
nemens was de wet te helpen afstemmen.
De derde vraag beantwoordde ik bevestigend, omdat
kosteloos onderwijs ook niet als bedeeling wordt aangemerkt.
-ocr page 4-
4
Ten gevolge van deze antwoorden werd ik geen candidaat
door de Zwolsche Antirevolutionaire kiesvereeniging gesteld.
De nieuwe Antirevolutionaire kiesvereeniging Nederland
en Oranje
te Zwollerkerspel en de Koorasche kiesvereeniging
Recht voor allen te Zwolle boden mij echter de candidatuur
op nieuw aan, die ik heb aanvaard.
Thans zij het mij vergund u mede te deelen waardoor
ik mij heb laten leiden in mijn verzet tegen het ontwerp
van wet, regelende de kiesbevoegdheid voor de Tweede
Kamer der .Staten-Generaal en voor de Provinciale Staten
en tegen De Standaard die het program betreflende het
kiesrecht heeft afgebroken en eindelijk geheel op zijde gezet.
De kiezers hebben mijns inziens het recht te verwachten,
dat de afgevaardigde getrouw blijve aan het verkiezings-
program waaronder hij werd gekozen. Door dat program
is hij aan zijn kiezers gebonden en dien band mag hij niet
willekeurig doorsnijden.
De paragraaf betreöende het kiesrecht, welke deel uit-
maakt van het program van actie voor de verkiezingen
van Juni 1891, dat door den Voorzitter van het Centraal
Comité dr. A. Kuijpeb was ontworpen en ter beoordeeling
aan de Antirevolutionaire K iesvereenigingen was verzonden,
werd den 12 Mei 1891 door de Deputaten-vergadering onver-
anderd aangenomen. Zij luidt als volgt:
«Bevestiging van onze, constitutioneele vrijheden door invoe-
«ring nu reeds, voor zoover de door de Grondwet gestelde
«grenzen dit gedoogen, van een kiesstelsel op den alge-
«meenen grondslag van een kiesrecht van gezinshoofden,
«opdat de bestaande overheersching van de eene klasse
«der Maatschappij door de andere een einde neme; maar
• tevens met dien verstande, dat elke overheersching in
• omgekeerde orde worde voorkomen.»
In het manifest der Liberale Unie van 1891 luidt de
paragraaf betreffende het kiesrecht aldus:
«De. kiesbevoegdheid voor de Tweede Kamer der Staten-
«Generaal, worde door onbekrompen toepassing van het
«voorschrift der Grondwet uitgebreid, ook tot den kring
«der werklieden, die reeds te lang daarvan verstoken bleef.
«De wetgever ga aanstonds zoover, als eene eerlijke uit-
«legging der Grondwet hem veroorlooft. Persoonlijke en
-ocr page 5-
B
«geheime invulling van het stembiljet in het lokaal der
«stemming worde voorgeschreven.»
Tlit eene vergelijking van deze beide verkiezingspara-
grafen blijkt duidelijk, dat de Liberale Ihiie veel verder
ging ten aanzien van de uitbreiding van hot kiesrecht, dan
de Antirevolutionaire partij. Van beperking tot gezins-
hoofden was zelfs bij de Liberale Unie geen sprake. Blijkbaar
wilde ditmaal de Liberale Unie de Antirevolutionaire partij
voorbij streven en het kiesrecht in ongekend ruime mate
verleenen. Zij bleef echter binnen de perken der Grondwet
en vorderde hare eerlijke uitlegging.
Weinige dagen na de mededeeling van het vastgestelde
program van actie der Antirevolutionaire partij, geteekend
door den adjunct-secretaris van de depu la ten-vergadering
J. van Ootwt tot Bunschoten en vermeld \'m De Standaard
van 14 Mei 1891, werd in De Standaard van 25 Mei 1891
medegedeeld, dat er in het program van actiereene ver-
gissing was ingeslopen en de verkiezingsparagraaf eindigde
met het woord «gezinshoofden» zijnde de staart\' er van
afgekapt op voorstel van den heer de Savobntn Lohman
uit Groningen.
Hiertegen werd van verschillende zijden opgekomen,
allereerst door den heer de Savohnin Lohman zelven. Ook
in de Nieuwe Overi/jsaeliiche en Zwolsche (lourant van
18 Februari 1893 werd op het onwaarschijnlijke van deze
bewering van De Standaard gewezen en aangedrongen, dat
zij door bewijzen zoude worden gestaafd : maar De. Standaard
kwam met geen bewijzen, noch met eene wederlegging
van het betoog, doch liet niettemin hare goedgeloovige
lezers tot aan de ontbinding der Tweede Kamer in de
dwaling voortleven, dat de staart van de paragraaf was
afgekapt, ofschoon zij er nog altijd vast aan verbonden was.
Nauwelijks was de kieswet Tak ingediend of dr. Kuijper
las daarin een kiesstelsel, dat van Tak\'s standpunt het
naast bij een kiesrecht van gezinshoofden\'kwam, (zie De
Standaard
van 23 September 1892), ofschoon er werkelijk
een nagenoeg allemam kiesrecht instond.
Later toen die dwaling werd ingezien, bleef De Standaard
toch voortdurend aandringen om Tak\'s kieswet in hoofd-
zaak ongewijzigd aan te nemen.
-ocr page 6-
6
Wel werd hulde gebracht aan het amendement Mackay—
van Alphen, dat het kiesrecht van hoofden van gezinnen
en daarmede gelijk gestelden beoogde; maar toen de Minister
het onaannemelijk verklaarde en het amendement der
geheele Antirevolutionaire partij in de Kamer, daarop
zonder voorkennis of medeweten der partij door de voor-
stellers werd ingetrokken, werd die daad door De Standaard
zeer geprezen en werd mij die haar een politieke font had
genoemd duchtig de les gelezen.
Alles wat in de paragraaph over het kiesrecht door de
Antirevolutionaire partij op de deputaten vergadering was
vastgesteld, werd door den Hoofdredacteur van De Standaard,
tevens Voorzitter van het Centraal Comité over boord ge-
worpen.
Hoe is het mogelijk! Vóór de verkiezing van leden dei-
Tweede Kamer wordt aan alle candidaten, die door het
Centraal Comité worden aanbevolen, gevraagd, of zij in-
stemmen met het verkiezingsprogram De antwoorden daarop
worden aan den Voorzitter van het Centraal Comité op-
gezonden en waarschijnlijk in het archief bewaard; maar
de man, die als hoofd der partij in het land, geroepen is
aan te sporen, dat zooveel mogelijk worde gehandeld overeen-
komstig de wenschen en besluiten der partij en zich daar-
door zelf gebonden moest gevoelen, verloochent het ver-
kiezingsprogram ten aanzien van het kiesrecht, notabene
nog wel vastgesteld tot: «bevestiging van onze constitutioneele
vrijheden»,
en aanvaardt het verkiezingsprogram der tegen-
partij nog wel in een zin, die, volgens vele Liberalen, wordt ge-
acht in strijd te zijn met eene eerlijke uitlegging der Grondwet.
Het intrekken van het amendement Mackay-van Alphen
schijnt mij nog altijd toe een politieke fout te zijn geweest.
Ware dat amendement aangenomen, zooals waarschijnlijk
zou zijn geschied en daarop de Kamer ontbonden, dan zou
bij dit verschil tusschen den Minister en de meerderheid
der Kamer, de geheele Antirevolutionaire partij vast aaneen
gesloten in den komenden verkiezingsstrijd hebben ge-
staan en had zij kunnen rekenen op den steun van die
partijen of groepen, die zich voor het amendement hadden
verklaard. Maar het schijnt, dat eene weer opleving der
Antirevolutionaire partij niet werd begeerd, de voorkeur
-ocr page 7-
7
werd gegeven aan het bevorderen der overwinning van de
Radicalen en het handhaven van het tegenwoordig Radicale
Ministerie Tak.
Na de intrekking van het amendement Mackay-van
Alphen , waagde zich niemand meer aan het indienen van
amendementen, tot eindelijk het amendement-DE Meijieb
kwam opdagen. Dadelijk bij de indiening verklaarde de
voorsteller, dat hij het zoude intrekken, als de\' Minister het
onaannemelijk vond. Maar de Minister bracht de Kamer
op een dwaalspoor. Hij hield zich alsof hij er zich bij zou
nederleggen en trok na aanneming de wetsontwerpen in.
Dit amendement heeft heel wat moeten verduren. De
Standaard
deelde mede, dat in een dorpje in Zeeland 20
personen hun kiesrecht zouden hebben verloren. Is dit zoo,
dan ligt de schuld hiervan alleen aan don Minister Tak.
Juist om te voorkomen, dat in zeer enkele gevallen, kiezers
hun kiesrecht zouden verliezen, was in het amendement-
de Meijieb de bepaling opgenomen, dat woningen die in
de personeele belasting zijn aangeslagen, zouden worden
aangemerkt gelijk te staan met woningen van twee ver-
trekken , of een vertrek en een achterhuis; maar de Minister
Tak eischte dat die bepaling werd geschrapt.
Bij aanneming van het amendement-DE Meijieb zou
echter een zeer uitgebreid kiesrecht zijn verkregen. In zeer vele
gemeenten zouden, op enkele uitzonderingen na, alle hoofden
van gezinnen het kiesrecht hebben verkregen, omdat daar
bijna iedereen een keuken en een achterhuis of deele heeft.
Voor do Antirevolutionaire partij had het amendement dit
aantrekkelijke, dat een kiesrecht van hoofden van gezinnen
regel, van inwonende personen, geen hoofden van gezinnen
zijnde, uitzondering zoude zijn geworden.
Een der beste kenteekens van welstand is het betalen
van belasting. «Waar niet is, verliest de keizer zijn recht»,
zegt het spreekwoord; maar zoodra er iets is boven het
noodzakelijke voor levensonderhoud, komt de fiscus in
ons zoo rijk met belastingen gezegend vaderland dadelijk
aankloppen. Waarom werd halstarrig geweigerd van dit
kenteeken gebruik te maken? Het behoefde immers
niet het eenige kenteeken te zijn; daarnaast hadden
andere kenteekens kunnen worden aangenomen. Maar
-ocr page 8-
i
8
Minister Tak wilde zoo goed als algemeen kiesrecht onder
deze Grondwet, en nu weet ieder die de geschiedenis der
laatste Grondwetsherziening kent, dat onder deze Grondwet
wel een zeer uitgebreid kiesrecht mogelijk is, maar algemeen
kiesrecht volstrekt is uitgesloten.
Werd algemeen kiesrecht verlangd, waarom dan niet
voorgesteld art. 80 der Grondwet te herzien in den zin,
dat de regeling van het kiesrecht aan den gewonen wet-
gever wordt overgelaten ? Waarschijnlijk was hiervoor eene
meerderheid te vinden geweest, omdat velen liever de
grondwettige bepaling missen, dan haar in schijn ge-
ëerbiedigd, doch in het wezen geschonden te zien. Het
ware dan mogelijk geweest direct het algemeen kiesrecht
in te voeren en onnoodig geworden candidaten te zoeken
met ruime conscientiën, die geene grondwetttige bezwaren
kennen, maar bij wie ook in mijn oog de grondwettige
rechten en vrijheden der bevolking gevaar loopen.
Door 10 oud-Kamerleden der Antirevolutionaire partij
is gemeenschappelijk verklaard, dat zij niet kunnen mede-
werken Tak\'s kiesrecht in te voeren. Of deze oud-Kamerleden
(waaronder ook ik behoor) gelijk of ongelijk hebben kan door
een ieder beoordeeld worden, die lezen kan en een gewoon
gezond verstand heeft. Daartoe wordt hier medegedeeld:
vooreerst artikel 80 der Grondwet, waaraan ieder Kamerlid
getrouwheid heeft gezworen en op nieuw, na benoeming,
getrouwheid zweren moet, en dat dus geëerbiedigd moet
worden; en voorts de artikelen 3 en 4 van Tak\'s wets-
ontwerp, zooals die er uitzagen vóór de aanneming van het
amendement-DE Mei.tier, waarop het wetsontwerp werd
ingetrokken.
Art. 80 der Grondwet luidt:
•De leden der Tweede Kamer worden regtstreeks gekozen
door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die
de door de Kieswet te bepalen kenteekenen van geschikt-
heid en maatschappelijken welstand bezitten en den door
die Wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en
twintig jaren mag zijn, hebben bereikt.»
«De Wet bepaalt, in hoeverre de uitoefening van het
kiesregt wordt geschorst voor de militairen beneden den rang
-ocr page 9-
n
van officier bij de zee- en landmagt voor den tijd, gedu-
rende welken zij zich onder de wapenen bevinden.»
«Van de uitoefening van het kiesregt zijn uitgesloten zij,
wien dat regt bij regterlijke uitspraak is ontzegd ; zij die
in gevangenschap of hechtenis zijn, zij die bij regterlijke
uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen
hebben verloren; zij die in het burgerlijk jaar, voorafgaande
aan de vaststelling der kiezerslijsten, van eene instelling
van weldadigheid of van een gemeentebestuur onderstand
hebben genoten en, voor zoover de Kieswet, hetzij zeker
bedrag van den aanslag in eene of meer Rijks directe
belastingen, hetzij het bezit van een of meer grondslagen
van zoodanigen aanslag als vereischte van kiesbevoegdheid
stelt; zij die hun aanslag in die belasting of belastingen
niet hebben voldaan.»
Art. 3 van het Wetsontwerp Tak luidt:
«De wet houdt voor kenteeken van geschiktheid en voor
kenteeken van maatschappelijke)! welstand, het voorzien
in eigen onderhoud en in dat van het huisgezin »
Artikel 4 van het wetsontwerp Tak luidt:
•■Zij acht het bezit daarvan aanwezig bij hem, die:
gedurende de drie laatstverloopene maanden, in eene
zelfde woning is gehuisvest geweest of gedurende het laatst-
verloopen burgerlijk jaar, hoogstens eenmaal van woning
is veranderd;
in het laatstverloopen burgerlijk jaar zelf evenmin als
zijne vrouw of minderjarige kinderen, onderstand heeft
genoten van \'eene instelling van weldadigheid of van een
gemeentebestuur;
in de drie laatstverloopen burgerlijke jaren zelf evenmin
als zijne vrouw of minderjarige kinderen, onherroepelijk is
veroordeeld wegens bedelarij of landlooperij, en niet, in die
jaren, zelf, krachtens vonnis, verblijf heeft gehouden in
eene Rijkswerkinrichting noch zelf in die jaren tot plaatsing
in eene Rijkswerkinrichting onherroepelijk is veroordeeld ;
niet wegens misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot
eene„ vrijheidsstraf van vier jaren of langer ;
-ocr page 10-
10
niet door den militairen rechter is ontslagen uit den
militairen dienst, met onwaardigverklaring om bij de ge-
wapende macht te dienen;
zich niet opzettelijk aan den bij de wet opgelegden krijgs-
dienst of aan eene bij de wet opgelegde verplichting ten
aanzien van Rijks verdiging heeft onttrokken;
zijne over het laatstverloopen dienstjaar verschuldigde
aanslagen in de Rijks directe belastingen in het laatstver-
loopen burgerlijk jaar in hoofdsom en opcenten heeft voldaan;
en, doe- eene overeenkomstig de bepalingen der wet
ingerichte aanvraag om op de lijst der kiezers te worden
geplaatst, het bewijs heeft geleverd dat hij kan lezen en
schrijven.»
De Grondwet eischt in ieder kiezer kenteekenen van
geschiktheid en maatschappelijken welstand door de kies-
wet te bepalen. Het «niet bedeeld zijn» kan als kenteeken
van maatschappelijken welstand niet dienen; dit zou alleen
dan het geval kunnen zijn, indien de natie bestond uit
twee deelen: uit lieden in welstand en uit bedeelden. Maar
wie durft volhouden, dat alle niet bedeelden in welstand
verkeeren ?
Artikel 3 werd met groote meerderheid aangenomen.
Onder de personen in dat artikel bedoeld behooren geen
bedeelden; deze zijn en blijven krachtens de Grondwet
uitgesloten.
Op artikel 4 is de wet gestruikeld. Dit artikel is de uit-
werking van artikel 3.
De kenteekenen in artikel 3 bedoeld moeten worden be-
wezen; daarvoor moeten zichtbare of waarneembare feiten
dienen waaruit kan worden afgeleid dat aan artikel 3 wordt
voldaan.
De wetgever is vrij daarvoor aan te nemen de bewijzen,
die hij zelf wil en goedkeurt. Hij kan bijvoorbeeld zeggen:
Deze wet acht het bewijs geleverd, dat iemand voorziet
in eigen onderhoud en in dat van het gezin:
o. wanneer hij twee ooren heeft;
h. wanneer hij niet geheel kaal is en nog eenige haren,
hetzij blonde, ronde, bruine, zwarte, grijze of witte bezit.
-ocr page 11-
11
Men zal zeggen: zulk een wetgever is gek. Volkomen juist.
Maar waar zit dan de wijsheid van den Avetgever, die zooals
in het wetsontwerp Tak zegt, dat het bewijs geleverd of
het vermoeden gerechtvaardigd is, dat een persoon voorziet
in eigen onderhoud en in dat van het huisgezin, wanneer
hij gedurende de drie laatste maanden van het jaar onder
hetzelfde dak is gehuisvest geweest?
Denk dit eens in! Iemand die de drie laatste maanden
van het jaar niet op straat heeft doorgebracht, maar onder
hetzelfde dak heeft geslapen, ook al wordt hem dit om
Gods wille vergund, moet om die reden worden geacht
zich zelf en zijn gezin te onderhouden !!!!
Is iemand tweemaal in het jaar verhuisd, bijvoorbeeld
in Mei en in November, ook al bezit hij tonnen gouds, dan
wordt hij niet geacht zich zelf en zijn huisgezin te onder-
houden, en wordt hij derhalve geen kiezer.
Ofschoon dat de Grondwet de bedeelden uitsluit en zij
derhalve geen kiezers kunnen zijn, wordt in het 3de lid
van artikel 4 gezegd, dat zij de kenteekenen van
artikel 3 missen. Dit is onnoodig. Die bepaling is daar
volkomen misplaatst. De bedeelden zijn uitgesloten. Er moeten
feiten worden genoemd waaruit is af te leiden, dat de niet
bedeelden
in eigen onderhoud en in dat van hun huisgezin
voorzien, en dat geschiedt hier niet. Blijft die bepaling in
dit artikel gehandhaafd dan zullen voortaan de lijsten der
bedeelden voor een ieder ter inzage moeten liggen, en zal
alzoo de nooddruft der armen openbaar worden.
Iemand die met zijn vrouw en minderjarige kinderen leeft
van aalmoezen, wordt geacht te voorzien in eigen onderhoud
en in dat van het gezin, indien die aalmoezen niet worden
verstrekt door eene bij de overheid als zoodanig bekende
instelling van weldadigheid of door het gemeentebestuur.
Indien een huisvader onderstand geniet van eene instelling
van weldadigheid of van een gemeentebestuur, worden
niettemin de bij hem inwonende meerderjarige kinderen
geacht te voorzien in eigen onderhoud.
Is iemand onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsstraf
van vier jaren of langer, dan wordt hij zijn geheele leven
lang! geacht\\[niet te voorzien in eigen onderhoud en dat van
zijn huisgezin.
*
-ocr page 12-
12
Hetzelfde geldt van hem, die ontslagen is uit den militairen
dienst of zich opzettelijk onttrokken heeft aan den bij de
wet opgelegden krijgsdienst of aan een wettelijke verplichting
ten aanzien van \'s Rijks verdediging. Dezulken voorzien hun
geheele leven niet meer in eigen onderhoud en in dat van
hun gezin.
Heeft iemand zijne belastingen niet voldaan, dan wordt
hij geacht niet te voorzien in eigen onderhoud en in dat
van zijn huisgezin, maar wordt dezelfde persoon het daar-
opvolgende jaar wegens zijn behoeftigen toestand niet meer
aangeslagen in de belasting, dan moet hij geacht worden
wel te voorzien in zijn onderhoud en in dat der zijnen.
En eindelijk: als iemand niet in staat is schriftelijk eene
aanvraag in te vullen om op de kiezerslijsten te worden
gebracht, moet hij geacht worden niet in eigen onderhoud
en in dat van zijn huisgezin te voorzien.
Hoe is het mogelijk dat eene zoo zonderlinge wet, die
onder de spot van het Xederlandsehe volk moest worden
begraven, zoovele hoofden warm en zoovele harten koud
maakt! IToe is het mogelijk vraagt misschien menig een-
voudig kiezer, dat voor zulk een wet dr. Kuyper, een geliefd
Antirevolutionair beginsel, namelijk het huismanskiesrecht
over boord gooit, zich aansluit bij het program der Liberale
Unie en dit zelfs nog voorbij streeft?
Hoe is het mogelijk dat trouwe vrienden worden afge-
stooten en een voornaam deel van het program van actie
wordt op zijde geschoven, om in vereeniging met parlemen-
taire Socialisten en Radicalen, dat is met de felste tegen-
standers van het Christelijk geloof, het Radicale program
te helpen uitvoeren.
Voor mij is dit raadselachtig en op het gebied der gis-
singen wil ik mij niet wagen; maar dr. Kuyper zelf geeft
een antwoord in De Standaard van 23 Maart 11. dat hier
wordt afgedrukt:
Prof/rarn-artikel met staart.
■ Nog steeds zijner ook onder ons lieden met de slaapmuts
op, die zich blind zitten te staren op ons program-artikel
van 1891, het bekende artikel met den staart.
We zeggen opzettelijk \'met den staart,» omdat het nooit
*
-ocr page 13-
13
iets ter zake deed, of de staart er bij of er af was. Immers
in 1891 heeft een iegelijk onzer er den staart toch bij bedoeld.
Slechts één ding verliezen deze lieden met de slaapmuts
geheel uit het oog, en dat is dit:
In 1891 was ons program van actie opgesteld met het
oog op hetgeen we van een Kabinet, waarin onze eigen
mannen zaten,
billijkerwijs meenden te mogen vragen.
Maar als ge nu bij de stembus uw spel verliest, gelijk
toen het geval was, en uw tegenpartij komt aan het bewind,
dan zou het toch al te dwaas zijn, om van uw tegenpartij
te vergen, wat niet uit haar, maar alleen uit uw beginsel
als project kon voortkomen.
Daarom is thans elk beroep op dat artikel met den
fameusen staart van nul en geener waarde.
Ons wordt thans niet gevraagd, hoe wij, zoo onze mannen
de teugels in handen hadden, het zouden aanleggen; maar
heel anders, hoe wij, staande tegenover de regeeringnontwerpen,
wenschen dat onze afgevaardigden zullen stemmen; en welke
de bedingen zijn, waaraan we wenschen dat ze hun stem
al dan niet binden zullen.»
Tot zoover De Standaard.
Nu weten wij het dus: «in 1891 is ons program gesteld
«met het oog op hetgeen wij van een Kabinet, waarin onze
«eigen mannen zaten
billijker wijze meenden te mogen
«vragen», maar dit geldt niet als de tegenpartij aan het
roer komt, dan wordt het eigen beginsel los gelaten en het
beginsel der tegenpartij omhelsd.
Fraaie redeneering.
De Antirevolutionaire partij strijdt tegen vaccine dwang,
maar dit geldt alleen als de eigen partij aan het roer is;
zit de tegenpartij op het kussen, die juist wrl vaccine dwang
wil, moet dit dan door de Antirevolutionaire partij worden
toegegeven ?
De Antirevolutionaire partij is voor eene betere regeling
der Gemeente-financiën, maar de tegenwoordige Regeering
wil hiervan voorloopig niets weten en moet nu de Anti-
revolutionaire partij ditzelfde liedeke mede zingen?
De Antirevolutionaire partij is voor de vrije school, maar
er treedt een bewind op met het beginsel van verplicht
schoolbezoek der openbare school door alle kinderen; moet dan
-ocr page 14-
14
de Antirevolutionaire partij zich daarbij rustig nederleggen ?
Dit gaat immers niet.
Eu zij die met innige overtuiging volhouden, dat trouw
aan beginselen de partij het verst brengt en vroeg of laat
onder \'sHeeren zegen de overwinning geeft, worden heel
eenvoudig genoemd: «lieden met de slaapmuts op».
Wakker schijnt alleen hij te zijn, die ofschoon niet ver-
antwoordelijk en door geen eed aan de Grondwet gebonden,
nogthans in den vorm van «wenschen» voorschrijft hoe
«onze afgevaardigden zullen stemmen en welke de bedingen
«zijn waaraan we (dat is dr. A. Kuijper) wenschen, dat ze
«hun stem al dan niet zullen binden».
Geen bepaald opgedragen last, een zoogenaamd mandaat
imperatief, foei neen, dat zou in strijd zijn met art. 86 der
Grondwet; maar wel eene belofte die den afgevaardigde
bindt aan de toekomstige nog onbekende wet van den
radicalen Minister Tak van Poortvliet.
Gelukkig zijn er tot nog toe afgevaardigden geweest, die, al
mogen zij ook de slaapmuts op het hoofd hebben, toch Gode zij
dank die slaapmuts niet hebben getrokken over hun geweten.
Niet ik ben veranderd, maar Dr. A. Kuyper is veranderd.
Wilt Gij het bewijs ?
Lees dan hetgeen Dr. Kuyper drie dagen vóór de indie-
ning van Tak\'s kieswet schreef in De Standaard van
19 Sept. 1892.
Handelende over Huismanskiesrecht als eisch van ons
beginsel, vervolgde hij :
«Dit eindpunt echter, waar henen deze uitbreidende neiging
van den volksinvloed zich rusteloos heenbeweegt, en dat ze
bereikt moet hebben om tot rust te komen, is voor de
partijen der Revolutie en voor de Antirevolutionaire partij
niet hetzelfde.\'
«De partijen der Revolutie vinden dit eindpunt in de
individuen
zonder onderscheid van geslacht. Want wel eischt
men op dit standpunt dusver nog alleen stemrecht voor
alle meerderjarige mannen; maar achter dit standpunt is
nu reeds de aandrang werkzaam, om ook aan de vrouw
het stemrecht te verleenen. En eens bij dat punt aange-
komen, zal ook de grens van de meerderjarigheid niet meer
houdbaar zijn: maar zullen ook de jongelingen van 16 en
-ocr page 15-
15
meer jaren, en straks de jonge dochters, mede stem in het
kapittel eischen.»
«Het individu, eenmaal als eindpunt aangenomen, moet
ten slotte leiden tot een stemrecht, toegekend aan een ieder,
man of vrouw, die het besef heeft reeds individu te zijn.\'
«In tegenstelling hiermee nu is door ons beweerd, en wordt
nog staande gehouden, dat de Antirevolutionaire beginselen,
die gegrond zijn op de ordinantiën Gods, gelijk die uit de
natuur van het menschelijk leven en uit de H. Schrift ons
bekend zijn, dit individueele eindpunt niet kunnen erkennen,
en alzoo stuiten niet op het individu, maar op het gezin."
«Thans moest alleen aangetoond; en we meenen, dat dit
geschied is; hoe voor de uitoefening van den volksinvloed
ons antirevolutionair beginsel eischt, dat de beweegkracht,
die ia elk kiesrecht huist, niet tot ruste kome, eer het aan-
geland is (niet bij het individu, maar) bij het huisgezin.\'
Hiermede ben ik het nog volkomen eens. Maar dr. A.Kitijper
houdt het thans in dit opzicht met «de partijen der Revolutie.»
Thans tot besluit een korte uiteenzetting van degcdrags-
lijn, die ik wensch te volgen, mocht ik op nieuw tot lid
der Tweede Kamer worden gekozen.
In de tegenwoordige omstandigheden, wensch ik te komen
tot finale kiesrechtuitbreiding; maar de vraag is, wat men
daardoor verstaat? De radicalen van alle kleur en richting
verstaan hieronder: algemeen kiesrecht. Ik daarentegen
een kiesstelsel op den algemeenen grondslag van een kies-
recht van gezinshoofden zoover de Grondwet zulks toelaat
zonder schrijfproef.
Het amendement Mackay-van Alphen bijvoorbeeld zou
voor mij finale kiesrecht-uitbreiding zijn. Desgelijks een
ander uitgebreid kiesstelsel op den algemeenen grondslag
van een kiesrecht van gezinshoofden, ook al wordt dit
beginsel niet geheel zuiver toegepast.
Volkomen besef ik dat eene kleine partij geen over-
wegenden invloed mag vorderen; maar zij behoeft ook geen
slippedraagster te worden van de tegenpartij en tot die rol
wil men haar verlagen.
-ocr page 16-
16
Geeft het woord «gezinshoofden» eenig bezwaar, welnu
het is zelfs niet noodig dit woord te noemen; dit is nooit
geschied en toch is sinds 1848 het kiesrecht slechts bij uit-
zondering uitgeoefend door anderen dan gezinshoofden ; dit
kan ook- in het vervolg zoo blijven, indien het kiesrecht
wordt gebonden aan het recht van bezit, van huur of van
vrij gebruik eenei woning of gedeelte eener woning, waaruit
eenigen welstand blijkt.
Op wat meer kiezers komt het mij niet aan, mits het
stelsel grondwettig, rechtvaardig en goed is; maar die een
algemeen kiesrecht verlangt in den zin van Tak\'s plannen,
moet op 10 April aanstaande aan mij zijne stem niet geven.
Waarom een kiesstelsel dat hoofdzakelijk de hoofden der
huisgezinnen en niet alle meerderjarige mannelijke ingeze-
tenen tot het kiesrecht roept?
In de Tweede Kamer gaf ik hierop het volgende antwoord:
«De kring van het huisgezin is een geheel eigen kring,
waarin de man en vader, als hoofd van het gezin, een
geheel eenig gezag uitoefent, dat niet aan menschen is
ontleend, maar hem door God is toevertrouwd en waarvan
hij ook aan Hem verantwoording schuldig is. Hij heeft als
hoofd van het gezin geheel eigenaardige rechten, maar tevens
zware verplichtingen, en is daardoor van zelf aangewezen
als de vertegenwoordiger van de belangen van het gezin,
waarvoor hij is geroepen te waken.»
Is dit niet juist? Gaat het aan de stem van den huisvader
op wien de verzorging van een geheel huisgezin rust, gelijk
te stellen met die van den in wonenden knecht? Moet dan
de stem van het hoofd des gezins worden te niet gedaan
door die van inwonende zoons en bedienden?
Mij dunkt dit is ongerijmd.
Volgens de Standaard staat Tak\'s tweede paard gezadeld.
Hetzij zoo.
Wie hem dit paard heeft verschaft is niet twijfelachtig!
Moge het Christenvolk van Nederland weigeren Tak op
dat paard te helpen I
Den Berg bij Dalfsen, 4 April 1894.
A. VAN DEDEM
^y -v.?//