-ocr page 1-
<7fr. /ff F. 2£
/r\\fA \\l(fiD
H.Gf .VanLeeuWen.
(Den vccu/ee/e (/et vetcnae/u/cte Z&tsscnetsvwot,
Uitgave: A. J. DIKSTRA & Co.,
\'s-Graveiihai>c.
-ocr page 2-
.
*

r..i ■
-■\'<■..
-. ■
-ocr page 3-
f-
**&
Ie ^lerm Ie fkheoeningen,
van 22—23 DECEMBER 1S94.
__;<vy
Gedichten
VAX
H. G. VAN LEEUWEN.
\'b-gbavenhagb,
A. J. DIKSTRA & Co.
1S9").
35
-ocr page 4-
-ocr page 5-
§»•...................................................................................................................................................•«*>
Wat is het strand toch schoon bij stilte en zomerweer!
Bij d\' aanblik van de zee daalt vrede in \'t harte neer.
-ocr page 6-
Maar als de woeste ctorm de kusten soms belaagt,
Met ongetemde kracht de golven strandwaarts jaagt,
Dan voelt de mensen zich klein; en zijn afhank\'lijk lot
Brengt hem in zulk een nood vaak biddend tot zijn God.
es
-ocr page 7-
5
INLEIDING.
NA DEN STORM,
24 December 1894.
De storm had uitgewoed;
Ik ging naar Ssheveningcn
Den Zondag, daags daarna;
Het was er droevig stil.
Men hoord\' in straat of\' steeg
Geen enkel liedje zingen,
Wat op een visschersdorp
Al heel wat zeggen wil.
Vooral, als oud en jong
De winterrust komt smaken,
Omringd van vrouw en kroost
Of die hun dierbaar zijn.
Het schoone Christusfeest,
Waarnaar de visschers haken,
Is zomers reeds de hoop
Van allen, groot en klein.
Dan rust men korten tijd
Te midden van de zijnen,
En denkt m\' aan geen gevaar:
De schepen zijn op \'t strand;
Men smaakt een zoet genot
Bij gade en lievo kleinen;
Men is verheugd en blij
En juicht er hand aan hand.
Maar nu zong men er niet.
De vreugde was geweken.
-ocr page 8-
G
Ik ondervroeg- een man,
Die zeer was aangedaan;
En uit zijn kort verhaal
Was mij aldra gebleken,
Dat al hun hoop en vreugd
"Was in dien nacht vergaan.
„Ga naar het strand, mijnheer,
En zie met eigen oogen
Wat of de storm vermag;
Geen hoop rest ons nu meer!"
En schreiend riep hij uit:
„O God! heb mededoogen!"
Hij drukte mij de hand
En sprak: „vaarwel mijnheer!"
Daar stond ik, gansch verschrikt
Van \'t geen ik had vernomen;
\'k Wist van de ramp nog niets
En \'t geen hij had gezegd;
Ik spoedde mij naar \'t strand
En \'k was er nauw gekomen;
En toen de ramp doorziende
Besefte ik te recht,
Waarom \'k in \'s grijsaards oog
De tranen had zien blinken,
Waarom hij droevig was,
En schrik\'lijk aangedaan.
Geheel de visschersvloot,
De bommen en de pinken,
Gehavend en vernield,
Van mast en tuig ontdaan,
Lag in en op elkaar,
Met roer en mast gebroken,
Met gaten in de boeg,
Verbrijzeld en verplet.
Ik heb er zelfs gezien,
Die in elkaar gestoken
-ocr page 9-
7
.....................................................................................................................................*m
Vernietigd tot één wrak
Waren op strand gezet.
Hoe klopte mij het hart
Bij \'t geen ik moest aanschouwen:
Geheel de vloot vernield!
Het somber aangezicht
Der stoere visschersliên
En \'t klagen hunner vrouwen,
Dat deed mij smart\'lijk aan,
En \'k achtte \'t nu mijn plicht
Als dichter, iets te doen
Om hunne smart te heolen,
En hoopte in dat uur
Dat allen, groot en klein
In \'t dierbaar Vaderland
\'t Gevoelen zullen deelen,
Mijn pogen steunen, en
Mijn helpers zullen zijn.
Want Broeders, \'t is zoo zoet,
Aan \'d armen wat te geven;
Het is de grootste plicht
Die Christus heeft geleerd.
Welaan, gij rijke liên,
Door zooveel pracht omgeven,
Door slechts een kleine gift .
Dien Christus dan geëerd!
Als allen nu wat doen,
Dan kan men \'t lot verzachten
Van \'t arme visschersvolk.
Zoo wordt hun smart verlicht.
Brengt dan een steentje bij,
Gods zegen zal u wachten;
Den armen wel te doen
Is toch ons aller plicht!
-ocr page 10-
8
TUURMAN JACOB
van de Reddingboot
.....................-&vx-....................
I.
Ziet gij die schoone, die ed\'le figuur,
Vergrijsd en gebruind op de baren?
Wijdt hem Uw aandacht met mij in dit uur,
Want ziet, uit zijn oog straalt het heilige vuur
Van vertrouwen op God in gevaren.
Vol moed riep hij vaak zijne makkers bijeen,
Als storm onze kusten belaagde,
En denkend aan niets, dan aan redden alleen,
Al spatte het schuim verwoed om hen heen,
Niets hield ze terug, als stuurman ze vraagde.
Weerklonk zijn bevel, — komt mannen gaat meê,
Men roept ons in nood van de baren,—
Dan stak dra de boot ter redding in zee,
En volgden zes mannen hun stuurman gedwee,
Trotseerend den dood of gevaren.
II.
Maar thans bij \'t ziekbed neergezeten,
Van haar, die hij zoo teer bemint,
Die treurt om het verloren kind,
Dat zij maar nimmer kan vergeten,
Ook nu is Jacob\'s hart bezweken,
Hij ziet zich weldra gansch alleen,
Hij stort zijn ziel uit in gebeên,
Zoo is de droeve dag verstreken.
-ocr page 11-
9
■H8*
Haar Jan was reeds als kind gaan varen,
Diens schip op verre kust vergaan;
Dat greep het moederhartc aan,
En deed haar oog zoo droevig staren.
\'t [s deze smart, waardoor de vrouwe
Sinds lang op \'tkrankbed lag terneer;
Hij biedt haar troost, spreekt van den Heer,
Het moederhart kwijnt weg in rouwe.
„Hij kan misschien nog wcderkeeren,"
Zegt hij, „och moeder, houdt maar moed,
De Hemelvader is zoo goed,
Hij kan uw smart in vreugd verkeeren."
En vrees\'lijk loeit de storm daar buiten.
\'t Is een schrikkelijk dreigend weer;
De regen plast, valt kletterend neer;
D\'orkaan beukt tegen deur en ruiten.
Maar sterker nog, dan stormwindvlagen,
Klinkt op de deur een luid geklop;
Een forsche stem roept: „Stuur, sta op!
„Wij moeten ons op zee gaan wagen.
„Een sehip in nood, nabij de kuste!
„\'t Kanonschot gaf zooeven \'t sein!
„Ge wildet altijd d\' eerste zijn —
„Hoe? mint ge thans de zoete ruste?"
„Komt even binnen, wakkre lieden,
„Want ziet Uw stuurman zit in rouw;
„Het ziekbed zijner brave vrouw
„Kan hij, mag hij toch niet ontvlieden?
-«•
-ocr page 12-
10
„Maar spoedt U niettemin mijn vrinden;
„Steekt zonder mij ditmaal in zee,
„God sta U bij, hij hoor mijn beê,
„Hij houde \'t roer, en still\' de winden.
Besluiteloos staan zij nog- te wachten —
Daar klinkt op eens een vrouwestem,
Nauw hoorbaar sprekend, doch inct klem —
„Ge moet en zult uw plicht betrachten!
„Ga vader, ga! Ik zal niet sterven;
„Laat mij gerust met God alleen,
„Omhels me Jacob, en ijl heen,
„Men kan Uw hulpe nu niet derven.
„God zij met U en Uwe vrinden,
„Men wacht IJ ginds in hangen nood
„Ontruk de prooi toch aan den dood!
„God weet het, wie gij daar zult vinden.
„Wellicht bevindt zich daar een jongen,
„Voor wien een moeder smeekt en bidt,
„En ach! als ik te treuren zit.....
„Kom Jacob! in de boot gesprongen."
Do stuurman roept in ziels ver rukking,
„Welaan, de reddingboot in zee!
„Komt, draalt niet makkers, ik ga mee
„En wil de zee haar buit ontrukken."
Hij stuurt zijn boot door woeste baren,
En door de branding heen, met moed.
Zijn stem roept: „makkers, houdt U goed,
Geen echte janmaat vreest gevaren!"
-ocr page 13-
11
En worst\'lend, met vereende krachten,
Komt men bij \'t wrak, reeds half vergaan.
Men werpt de lijn het scheepsvolk aan,
Dat hulpesineekend staat te wachten.
En onze stuurman boort zijn blikken
Door \'t donker op een jongeling,
Die daar aan boord de koorde ving. —
Maar Hemel! wat doet stuur zoo schrikken?
Een stortzee sleept d\'arine in de golven,
Maar J\'acob, houdend nog de lijn,
Springt toe; hij wil diens redder zijn,
Hij valt, en — beiden zijn verzwolgen.
Nu kampen beiden in de baren.
De stuurman houdt zijn lijn nog vast,
En grijpt, terwijl hij duikt en plast,
Den jongeling bij hoofd en haren.
En onder woester onweèrsvlagen,
Haalt men ze beiden in de boot;
Wat is de vreugd der redders groot,
Als ze in aller redding slagen.
III.
De reddingboot is weer op \'t strand,
Al \'t scheepsvolk is gered
De brave stuurman ligt vermoeid
Dien morgen lang te bed.
Maar vóór de sponde, zinkt zijn vrouw,
Geknield en biddend neer,
Zacht sprekend: „o, ik dank U, God!
„Ik heb mijn echtvriend weer."
-ocr page 14-
12
|»*.............................................................................................................................................**k
„Maar Heer, geef m\' ook mijn zoon terug,
„Och! heel ook deze smart....."
Daar opent zich de kleine deur,
Hoe klopt haar \'t moederhart.
Mijn God! wie is die jongeling
Die haar in d\'armen sloot?
„Hier lieve moeder is uw Jan
Verrezen van den dood!"
„O, kende ik den braven man
„Die mij U wedergaf,
„Zeg, moeder zeg, wie kan het zijn
„Mijn redder uit het graf?"
Daar treedt met luid gejuich de schaar
Der reddingboot hen nader,
En vraagt, „gij wilt Uw redder zien?
Daar is hij: \'t Is Uw vader!"
-ocr page 15-
13
DE VISSCHERSVROUW.
------------- 3:*?*—--------
„Komt jongens! \'t zeil in top,
„Doorklieven wij de baren,
„Het Oostenwindje brengt
„Ons spoedig van het strand.
„Komt, maar geen tijd verspeeld,
„Wij vreezen geen gevaar.
„Want onze schuit is goed
„En sterk zijn zeil en want."
Zoo sprak een flinke borst,
Een stuurman, tot zijn vrienden,
Die nog het laatst vaarwel
Aan vrouw en kinderen boon. —
Het anker wordt gelicht,
Hij gaat de stuurstok vinden
En wuift een laatste groet
Aan vrouw en lieven zoon.
En pijlsnel klieft de schuit
De golven en de baren;
En met een traan in \'t oog
Ziet zijne vrouw hem na.
En zucht, „wat zuur stuk brood,
„Vol angsten en gevaren;
„Hoe menig visscher vond
„Den dood er vroeg of spa,
„Al is het tuig ook goed,
„Wat kunnen krachten baten,
„Wanneer de brooze kiel
„Door stormen wordt belaagd."
Aan angst en smart ten prooi
Heeft zij haar man verlaten,
Terwijl zij biddend zucht
En God om bijstand vraagt.
-ocr page 16-
14
.....................................................................................................................................■*£
Zij snikt, de arme vrouw,
En met betraande oogen
Drukt zij haar lieven zoon,
                                                     I
Haar eenigst kind, aan \'t hart,
Die door zijn moeders smart
Tot schreien is bewogen.
Want ja! al is hij klein
Toch deelt hij in haar smart,
En schreiend vraagt het kind:
„Waarom zucht gij toch, Moeder,             j
„Komt Vader dan niet meer
„Dat gij zoo schreit en zucht."
„Bewaar ons voor dien ramp,
                                                 j
O Eeuwig Albehoeder!"
Roept zij, terwijl zij met haar kind
Het kille strand ontvlucht;
En schreiend komt de vrouw
In hare woning weder.
Maar wat zij doet of niet
Toch blijft zij ongerust,
En biddend valt zij soms
Óp hare knieën neder,
Terwijl de kleine knaap
Haar bleeke wangen kust.
Wat of het wezen mag?
Zij kan het niet verklaren
„Nooit was ik zoo vol angst,"
Roept zij al weenend uit,
En \'t is haar of een stem
                                                        !
Haar toeroept uit de baren:
„Vaarwel mijn vrouw en kind"
„Ik ben de zee tot buit".                           I
„Mijn man de buit der zee!                                                    ]
Dat kan niet moog\'lijk wezen",
Zoo zegt ze en ze zucht,
Wat hangen droom was dat?
Het weer is toch niet slecht,
Thans heeft hij niets te vreezen.
-ocr page 17-
15
....................................................................................................................................^
Maar stil, alweer die stem                                 .                    j
T)aar uit dat zilte nat.         . ■ ..;•■\'
Thans vliegt zij naar het strand
De wanhoop geeft haar vleug\'len
Mijn God! wat ziet zij daar
                                                   !
Hoe brult, hoe woelt de zee;
Geen menschenkraeht in staat
                                                !
Die haar nu kan beteugelen;
\'t Is ak\'lig aan het strand
                                                       j
Men kermt er ach en wee.
I)c nacht is voorbij en de morgen breekt aan
De zee is weer kalm en bedaard,
Maar toch blijft der moeder het harte nog slaan
Want bleef haren echtvriend gespaard?                                 i
En angstvol wijlt zij bij de pinken aan \'t strand
Op één na keerden allen ook weer;
Maar alleen bleef zij staan met het kind aan de hand;
             j
Haar echtvriend, helaas! kwam niet meer;                        j
„Zijne schuit is vergaan met man en met muis,"
Klonk het ak\'lig langs Schevening\'s strand;«
Toen keerde de Moeder bedroefd weer naar huis,
Met het vaderloos kind aan de hand.
-ocr page 18-
1G
t uh n\\x Pietejj uatt dq ^t«i«j «an^ jf dfi
OK
PIET IN DE TON.
—>>MK-
Dat zal in Delft een drukte wezen,
Als \'t vroolijk feest gegeven wordt;
Ik heb daar in He krant gelezen,
Ze komen nu al plaats tekort.
En wijf, je weet, \'khou niet van reizen
Maar zoo iets — zie, dat staat mij aan,
En \'khoop, dat gij \'t idee zult prijzen,
Dat ik nu eens naar Delft zal gaan.
Je zult dat aan je man wel gunnen,
Niet waar mijn Engel? En een dag
Zult gij de zaak wel drijven kunnen,
Sprak vleiende Piet van der Stag.
Nu ja, sprak \'t vrouwtje, voor één daagje
Zal ik dat ook wol klaren, Piet];
Maar ga dan \'s middags door naar \'t Haagje
En haal mijn mantel bij van Vliet.
Hij zou hem netjes opgarneeren
Dan is die weer een jaartje goed,
En krijg ik voor mijn permitteeren
Van manlief dan een nieuwe hoed
Die daarbij past? want lieve Pietje
Mijn oude raakt uit het fatsoen;
Dus dit cadeautje voor je Mietje,
En manlief mag dat reisje doen.
"Welzeker lieve, zei ons Pietje
Krijg jij de hoed van mij present.
En van der Stag, alsook zijn Mietje
-ocr page 19-
17
Zij waren beide nu content.
Nu ging men zamen overleggen
Hoe Piet het best die reis zou doen,
Dat na veel vragen en veel zeggen
Besloten werd met eenen zoen.
Piet zou per boot dat reisje maken,
In sporen had hij niet veel zin,
"Want met een hoed en andere zaken
Zat men daar te gedrongen in.
En d\'andcren dag Averd plaats genomen
Op \'t stoomschip, dat expres dien dag
Met passagiers naar Delft zou stoomen,
En nu reeds in de haven lag.
\'t Was Woensdag-avond en de zaken
Voor Pieter\'s afreis waren klaar,
Maar man, zult gij wel klaar geraken
Om goed te zien, sprak Mietje daar?
Wees maar gerust, puik aller vrouwen,
Sprak Piet, daarom ga \'k juist alleen,
Want wil je zoo iets goed beschouwen
Trek daar dan met geen dames heen.
Want voor een man zijn vele zaken
Geschikt om boven op te staan;                ■.
Hij kan al ligt op iets geraken,
Waar hij zijn blikken rond laat gaan
Dus voor zoo\'n plaats veel geld te geven
En uren daar te moeten zijn
En daar door drang soms staan te beven
Daarvoor is mijn geduld te klein.
Wees maar gerust, \'k Zal wel iets vinden,
Van waar \'kden feeststoet goed kan zien.-
Zoo sprak hij tot zijn vrouw en vrienden
Die hem daarvoor hun diensten biên.
Eeeds vroeg was Piet, dien schoonen morgen
Van dien bcwustcn Donderdag,                 r
Ter plaats gekomen zonder zorgen,
Waar dat de stoomboot reisklaar lag.
-ocr page 20-
18
„Wel foei", sprak hij, „wat deksels leven
„En wat een volk is er ter been",
En liet zich een cognacje geven
En zag nieuwsgierig om zich heen.
En onder razen, stampen, fluiten
Klieft \'t bootje dra den killen plas
Gevolgd door booten en door schuiten
Wier reisdoel Delft of \'s Hage was.
En \'s morgens circa negen uren.
Kwam Piet te Delft behouden aan.
„Welaan! nu ga ik even gluren
„Waar \'k straks het beste zal gaan staan".
En wandelend langs gracht en straten
Ziet hij oplettend in het rond,
Daar ziet hij fluks een viertal vaten
Op een verlaten plekje grond.
„Ik heb reeds wat ik zocht, gevonden,
„Wanneer ik op zoo\'n vat mag staan".
Hij ziet nieuwsgierig in het ronde,
En juist komt daar een werkman aan,
Die een dier vaten moest gaan halen
Voor de fabriek aan d\' overkant.
„Zeg vriend, ik zal je goed betalen,
„Heb jij zoo\'n vat niet bij de hand,
„Als straks de stoet hier langs zal komen,
„Ik wild\' er dan wel op gaan staan."
„Als gij daarvoor mij wilt beloonen",
Sprak nu de man, „dan zal \'t wel gaan".
„Welzeker wil ik goed betalen"
Sprak Piet, en liet een gulden zien,
„Ga nu maar fluks een trapje halen,
„Dan krijg j\' een fooitje bovendien".
„Top", sprak de knecht, dat zal me lijken,
„Gij krijgt een vat, daar kun je op aan,
„Gij kunt dan flink den stoet bekijken,
„En veilig kun je daarop staan.
„Ge moet U er maar niet aan stoken,.
„Als soms een onbeleefde fat,
-ocr page 21-
19
„Uit jalouzie II zal doen hooren:
„„Daar heb je Bachus op het vat!""
Dus Piet was klaar; ten twaalf uren
Stond hij te prijken op het vat -.
En moest den smaad ook vaak verduren,
"Waarvan de man gesproken had.
Maar zonder morren, zonder klagen
Bezag hij lachende de liên,
En dacht, „gij moogt mij vrij wat plagen^ -
„Ik zal de stoet toch heerlijk zien.
„En heb ik alles zien passeeren,
„Dan naar Den Haag met vlugge spoed;
„Ik zal de zaakjes arrangeeren
„Met overleg en flink en goed,
„Dan zal \'keen hoed voor \'t vrouwtje halen,
„En ook haar mantel bovendien,
„En kan die met het geld betalen,
„Dat and\'ren geven om te zien".
Maar stil! daar klinken schelle toonen
Van de muziek. Het joelt en bromt;
Van alle kanten wordt vernomen:
„Hoezee! Hoezee!" de stoet die komt.
En juist toen Piet dien zal bekijken,
\'t Was of de duivel het verzon,
Daar kraakt iets — en de boom gaat wijken
En onze Piet zakt in de ton.
De bonte stoet trekt langs hem henen
En Piet, helaas, heeft niets gezien,
En brommend is hij dra verdwenen,
Geplaagd, door rijke en arme liên.
Toch ging hij hoed en mantel halen,
Verliet den Haag met zuur gezicht,
Die zaken moest hij duur betalen,
Maar \'t kon niet anders, \'t was zijn plicht.
En
brommend is hij thuis gekomen,
En toen zijn vrouw van Delft begon, , -.
Heeft zij van Piet niets meer vernomen
Dan \'t scheldwoord, die vervl .... ton.
-ocr page 22-
20
Hulde aan de dappere overwinnaars op Lombok.
5-8-S
Zij stonden pal, die oude brave vad\'ren,
Toen Spanje\'s juk hun knellend werd en zwaar,
Zij stonden pal, toen overmacht kwam nad\'ren,
Zij stonden pal, en dat wel tachtig jaar.
Zij stonden pal, de Nederlandsche dapp\'ren,
Toen \'t Fransche heir hen trachtte neer te slaan,
Bij Quatre-Bras bleef onze driekleur wapp\'ren,
En Neêrlands Leeuw kon d\'Adelaar weerstaan.
Zij stonden pal, toen oproer losgebroken,
En muiterij Oranje ging weerstaan.
Ook toen was dra het heilig vuur ontstoken,
En oud en jong greep toen de wapens aan.
Ook hij stond pal, de overleden Koning,
Op schotsen ijs, in hangen watersnood,
Bezocht, van liefde vol, de nederigste woning,
Waar hij als Vorst het eerste bijstand bood.
-ocr page 23-
21
£»•
Zij stonden pal, do Nederlandsche braven,
Toen laag verraad er velen sneuv\'len deed;
Ook wij staan pal en kunnen het nu staven,
Dat elk Bataaf dccld\' in die smart en leed.
Zij stonden pal, op Lombok\'s oorlogsveldon,
Geen Balinees kon hunnen moed weerstaan,
Men wreekte dra de vroeg gestorven helden,
En op hun graf prijkt nu d\'Oranjovaan.
Ook zij staat pal, der Koninginnc moeder,
En leidt haar kind niet liefde en verstand,
O! zegen haar, Gij eeuw\'ge Albehoeder,
En ook met haar de hope van ons land.
Wij ook staan pal, in vreugde en in smarten,
En zijn doorgloeit van ware liefde en min,
Voor \'t Vaderland klopt steeds ons aller harte,
En wij staan pal, voor Neêrland\'s Koningin.
$»•
-ocr page 24-
r............................................................................................................................................-i
INHOUD.
bk.
Inleiding, Na den Storm..........5
Stuurman Jacob..............8
De Yisschersvrouw.............13
De Reis van Pieter van der Stag naar Delft,
of 1\'iet in de Ton............**
Sta Pal, hulde aan do dappere overwinnaars op
Lombok.................20
oo9J*............................................................................................................................................. *«<S>