-ocr page 1-
(ffr. /fff V/f!
vnm Mfêï\'
S.
/V^^QJy^
Pte^.
E
1
Het Ultramontanisme. 3
lik
4\\t\\\\ \\
TOESPRAAK
gehouden te Zalt-Bommel
An
1
BIJ GELEGENHEID VAN DE
I 40ste ALGEMEENE VERGADERING
Evangelische Maatschappij
-F. Gk Xi-A-Q-EIEtS,
Predikant Ie \'\' s-Jfertogen/>osch.
J
I
Tweede vermeerderde druk.
1
Arnhem ,
G. W. VAN DER WIEL & CO.
1895.
11
||||l^^t^^U_j^^^^U-JSte^.^j_.^.__^t4_^tè.c87^)4._^__é)V.^^te^Jti!--^i--iH- >*a.__^<A_>Sa
^JO\'Ü\'LA^
-ocr page 2-
-ocr page 3-
1 HET ULTRAMONTANISME.
----------------------
TOESPRAAK
GEHOUDEN TE ZALT-HOMMEL
BIJ GELEGENHEID VAN DE
40STE ALGEMEENE VERGADERING
DER
EVANGELISCHE MAATSCHAPPIJ
DOOK
F. G. LAGERS,
Predikant te *s-Hertogenbosch
j
TWEEDE VERMEERDERDE DRUK.
ARNHEM,
G. W. VAN DER WIEL & Co.
-ocr page 4-
Deze toespraak was door mij niet voor den druk bestemd.
üe Algemeene Vergadering der Evangelische Maatschappij sprak
echter haar uitdrukkelijken wensch uit dat zij in het licht zou ver-
schijnen om, kon het zijn, nog in ruimeren kring kracht te doen.
Zoo verschijnt zij dan gelijk zij werd uitgesproken — alleen voor-
zien van aanteekeningen tot staving en bewijs van het gesprokene.
\'s-Uertogenhosch, üctober 1892.                      P. G. LAGERS.
Bij den tweeden druk dezer toespraak zjjn nog cenige nieuwe aan-
teekeningen gevoegd.
\'s-Hertogenboseh, Februari 18SJ5.                    P. G. LAGERS.
-ocr page 5-
Onder de genootschappen en vereenigingen in Nederland
die iets wezenlijk goeds beoogen, zich de bevordering van
liet algemeene welzijn ten doel stellen, bekleedt een niet on-
waardige en niet onaanzienlijke plaats de Evangelische Maat-
schappij , die dezer dagen in uw midden is vergaderd. Ge-
heel onbekend is zij hier wel niet. Ook hier als elders telt
zij leden en begunstigers. Maar zij wil zich gaarne wat
méér bekend maken en hoopt dat daartoe hare werkzaamhe-
den mogen leiden, waartoe ook deze samenkomst behoort.
Het is mijn plan niet u een geregeld geschiedkundig over-
zicht van die Maatschappij te geven. Zoo\'n overzicht zou
anders belangrijk genoeg kunnen zijn Want onze Maat-
schappij telt nu veertig jaren en wat is er in de laatste veer-
tig jaren op elk gebied veel gewerkt, veranderd, tot stand
gekomen, niet het minst op liet gebied van godsdienst en
kerk, waarop de Evangelische Maatschappij zich vooral be-
wogen heeft en nog beweegt. Liever doe ik hier en daar
een greep , waaruit haar wezen, haar doel, haar arbeid u
duidelijk moge worden en hartelijk hoop ik dat het eenvou-
dige woord dat ik tot u spreken zal velen bewegen, zal te
zeggen: Ja, van die Maatschappij wil ook ik lid zijn, met
haar wil ik medewerken , daartoe dringt en noopt mij mijn
plicht als protestant.
Ik noem daar het woord protestant. Protestantsch, dat
is de Evangelische Maatschappij door en door, in hart en
nieren. Den geest, de beginselen van liet protestantisme wil
zij bewareu, handhaven, verdedigen; de zegeningen van het
-ocr page 6-
4
protestantisme verbreiden en doen gedijen. Maar al is en heet
zij protestantse! 1 , zij sluit niet uit hen die dezen naam niet
dragen; zóó weinig, dat haar eenig cerelid is een rooinsche
landgenoot. Zij is niet gekant tegen hen die roomsch zijn
en heeten, zij is niet vijandig jegens hen gezind, zooals
vaak beweerd wordt door hen die haar geen goed hart toe-
dragen; zóó weinig, dat juist belangstelling in den room-
sclien landgenoot haar heeft in het leven geroepen.
Ziet, als in onze geschiedenis niet het jaar 1853 geschre-
ven stond, dan zouden we misschien nooit van de Evange-
lische Maatschappij gehoord hebben. Gij weet wat in dat
jaar is geschied , hoe toen in ons goede vaderland de bis-
schoppclijke hiërarchie werd ingeyoerd. Zij die de kaart van
Europa kenden, zij die niet onbekend waren met Rome\'s
werken, woelen, drijven, dat later, in het jaar 1870, be-
kroond werd met liet vaststellen van het leerstuk der pause-
lijke onfeilbaarheid, waarom liet was te doen, zij vreesden
van die invoering der bisschoppelijke hiërarchie gevaar voor
onze roomsche landgenooten; zij vreesden, en terecht, dat
het Evangelie van den grooteu Meester van Nazareth voor
hen meer en meer schuil zou gaan achter een dorre kerkleer
en een toenemendeu zinnelijken eeredienst; dat zij meer en
meer zouden geraken onder den invloed van een vreemde
staatkundige macht die een godsdienstig-kerkelijk kleed draagt,
zooals Rome is; dat hun verleerd zou worden Nederlanders
te zijn en te blijven in de eerste plaats en dat alzoo onver-
draagzaamheid en scheiding onder de zonen van hetzelfde
vaderland hoe langer hoe meer zou ontstaan.
Welnu, den roomschen landgenooten de oogen te openen
voor die gevaren, hen te bewaren voor de overvleugeling van
de heersclizuchtige hoofden hunner kerk, godsdienstige kennis
en godsdienstige gezindheid onder hen te bevorderen, vaderlands-
liefde onder hen aan te kweekeu, voor hen te behouden wat
-ocr page 7-
5
eenmaal na een langen strijd van bloed en tranen was ver-
kregen — dat was liet doel van hen die de grondslagen
legden onzer Evangelische Maatschappij. Was dat niet een
schoon en heerlijk doel ? Nooit kan liet edel idealisme van die
mannen genoeg geroemd worden. En wat vonden zij een
steun en sympathie voor huil streven! Hoe werden zij in
staat gesteld uitvoering te geven aan hetgeen zij bedoelden!
En als nu na een ruim veertigjarig bestaan de Evangelische
Maatschappij, geboren uit warmen godsdienstzin en zuivere
vrijheidshefde, terugziet op den afgelegden weg, dan mag zij
met fierheid getuigen dat zij steeds getrouw gebleven is aan
haar godsdienstig karakter, en wie haar kent getuigt dat zij
met vrucht, met zegen is werkzaam geweest door het aan-
wenden van die middelen welke tot dat doel moesten
leiden. Ja, bij monde en in geschrifte, heeft zij meni-
gen roomsche gesterkt, hein zijne zelfstandigheid doen be-
waren, hein diep doen gevoelen dat liefde voor zijne kerk
niet insluit slaafsche onderwerping aan hare bestuurders, dat
godsdienst een zaak is tusschen God en menscli, die haar
zetel heeft in het gemoed, dat liefde verdraagzaamheid en
vrijheid aankweekt. En niet minder heeft zij in protestant-
sche kringen de oogeu geopend voor het gevaar dat van
Rome dreigt, de onverschilligen wakker geschud, de in rus-
tige rust verzonkenen opgeroepen om de handen aan het
werk te slaan tot behoud van al datgene wat ons Neder-
landers lief en dierbaar is en waar Rome op aast om het
ons te ontnemen. (1)
lntusschen, de omstandigheden werden in den loop des
tijds niet gunstiger; de banden die de geloovigen reeds om-
knelden werden steeds nauwer toegehaald, de roomsche gees-
telijkheid legde groote werkzaamheid aan den dag vooral in
haar eenzijdige pers, waarin al wat van Koine is werd en
wordt verheerlijkt en al wat van een anderen geest is ver-
-ocr page 8-
6
oordeeld en gesmaad, en die de geloovigen leert hoe en wat
zij moeten zien, denken, spreken. Er werd wantrouwen jegens
andersdenkenden gezaaid, scheiding gepredikt, de omgang
met hen verboden althans zooveel mogelijk beperkt, behalve
bij zekere gelegenheden als Rome van samenwerking zich
winst en voordeel beloofde. Natuurlijk, dat de goede be-
doelingen der Evangelische Maatschappij op dat alles schip-
breuk moesten lijden. Immers wat baatte het te spreken,
te getuigen, te schrijven als dit niet of slechts bij uitzon-
dering hen bereikte voor wie het in de eerste plaats gedaan
werd , als de toegang tot hun harten en gezinnen hoe lan-
ger hoe meer werd versperd? Het was voor hare vrienden
geen geheim meer dat de overtuiging van hare stichters om
de zonen van hetzelfde vaderland in de kennis van het Evan-
gelie en door evangelische gezindheid nauwer te verbinden
een schoon en heerlijk ideaal was dat hun tot eer verstrekt,
maar een ideaal voorshands zóó hoog, zóó ver verwijderd dat
er althans in dezen tijd geen denken aan was om in die
richting met vrucht en succes werkzaam te zijn.
Was dan nu de Evangelische Maatschappij gedoemd tot
werkeloosheid, had zij zich dan maar moeten ontbinden?
Neen, zij was sterk genoeg om met de veranderde tijdsom-
standigheden rekening te houden, de bakens te verzetten nu
het getij verliep. Zij had nog andere pijlen op haar boog,
bij het afschieten waarvan zij haar oorspronkelijk godsdienstig
karakter kon blijven bewaren en handhaven. Hoe hoog zij
ook het zuiver godsdienstig-zedelijk leven waardeert en onder
ons vermeerderen wil, door krachtsbetoon in al wat goed en
heilig en liefelijk is, door beoefening en aankweeking van
burgerdeugd, de Evangelische Maatschappij begreep en ge-
voelde dat het stelsel, de macht van Rome daardoor alleen
niet kan bestreden en gebroken worden, omdat Rome een
politieke macht is, die geen godsdienstige, geen staatkundige
-ocr page 9-
7
vrijheid duldt en allen, allen brengen wil onder haar gezag
en invloed. Aldus, die macht aan te tasten en te bestrijden
op haar eigen terrein, in haar eigen kamp, daartoe werd
haar de nood opgelegd. Toch, had zij daarbij haar oorspron-
kelijk godsdienstig karakter moeten prijs geven — dain zeker
zou zij dien weg niet opgegaan zijn. Maar moet dan het
staatkundig werken noodzakelijk een tegenstelling vormen van
het godsdienstig werken? Behoeft dan het werken op staat-
kundig gebied om te gaan buiten zuiver godsdienstige be-
ginselen? Kan zij niet in dat staatkundig werken denzelfden
goeden, heiligen geest openbaren die haar altijd bezielde ?
Niemand is meer overtuigd dan zij dat een politiek, zonder
dat godsdienstig beginsel waarvoor zij ijvert, geen waarde
heeft en zonder handhaving van dat beginsel met onvrucht-
baarheid is geslagen. Alzoo practisch werkzaam zijn, van
haar staatkundig-inaatschappelijke middelen gebruik maken
uit godsdienst, om den godsdienst zuiver te handhaven,
door godsvrucht bezield ook bij haar optreden en werken op
staatkundig gebied — dat is het wat de tijdsomstandigheden
haar opleggen. Dien plicht heeft de Evangelische Maat-
schappij moedig aanvaard en zij hoopt hem getrouw te vol-
brengen. Niet alleen omdat zij diep gevoelt dat haar reden
van bestaan daarmede gemoeid is, niet alleen omdat zij er
op rekent de sympathie van velen te behouden die haar ken-
nen naar geest en bedoeling en de sympathie van vele ande-
ren te verwerven, wien het ernst is met godsvrucht, vrijheid,
burgerdeugd eu die daarbij niet blind zijn voor de teekenen des
tijds, maar bovenal heeft zij dien plicht aanvaard en volbrengt
hem uit liefde voor ons land en volk, om te behouden wat
we hebben, om te vermeerderen wat liet waarachtig volks-
geluk en welzijn bevordert en verhoogt.
Zoo staat dan onder al die vereenigingen en genootschappen
in ons dierbaar vaderland die iets goeds beoogen, en zij ziju
-ocr page 10-
8
vele, liet zij met dankbaarheid erkend , de Evangelische Maat-
schappij daar, als degene die den geest van ginds over de
bergen welke op onzen bodem niet tehuis behoort, die liet
ultramoiitanisme bestrijdt, het ultramontanisme dat de vijand
is van vrijheid, verliohting en zelfstandige vroomheid, dat
onder ons voortsluipt en zoo liet zijne bedoelingen bereikte
ons zou te staan komen op het verlies van onze staatkundige
en godsdienstige vrijheid. En tot dien strijd roept de
Evangelische Maatschappij u protestanten op, zij vraagt u
u daartoe bij haar aan te sluiten, haar uw zedelijken en stoffe-
lijken steun te verleenen.
Ik noemde zoo even het ultramontanisme. Kent gij het
ultramontanisme? Geen protestant of hij behoorde het te
kennen, genoegzaam te kennen om het te kunnen bestrijden.
Ja we lezen en hooren dien naam telkens weder in onze
dagen. Maar het ultramontanisme kennen .... ach, hoeveel
ontbreekt daaraan.
Ultramontanisme — dat is het streven naar de volstrekte
opperheerschappij van den paus over vorsten en volken in
burgerlijke en godsdienstig-zedelijke aangelegenheden. De paus
heer en meester over alles in staat en kerk en maatschappij
en school en huisgezin en geweten — alles hem onderworpen.
Zoo was het onder een Gregorius VII, een Innocentius III.
Dien toestand, soms door de tijdsomstandigheden verstoord,
door de kerkhervorming, door de opheffing der jezuïetenorde,
tracht men in onzen tijd te herstellen. Daarop is in alle
landen al het werk der roomsche geestelijkheid gericht, wier
grondwet de beruchte Syllabus van 1864 is, waarin kortweg
alle geestelijke zegeningen, waarin we na, door of tengevolge
van de Hervorming ons verheugen, worden veroordeeld en
vervloekt, en aan elke meening, die zich verzetten durft
tegen of in twijfel trekt het recht van de opperheerschappij
van Eome\'s bisschop, haar recht van bestaan ontzegd wordt.
-ocr page 11-
9
Zij die dat streven bevorderen door woord of daad, de
verdedigers dus van die volstrekte opperheerschappij vaifden
paus, zij lieeten ultramontanen, de vertegenwoordigers van
die kerkelijk-staatkundige richting, die zonder eenig middel
te ontzien den Staat geheel en al brengen wil onder den
invloed of de macht en liet gezag van Iloine. Vroeger
vormden zij de uiterste partij in de roomsclie kerk, thans
is , moet zijn elke rooinsche — ultrainontaan. (2)
Zegt nu iemand, hoe is het mogelijk dat men in onzen
verlichten tijd op zulk streven succes verwacht, hoe kan men
ernstig gelooven dat de vorige tijden met hun slaafsclien zin,
duisternis en ellende, waarvan men zicli met zooveel moeite
heeft losgescheurd, zullen wederkeeren, dan diene dit tot
antwoord : Rome heeft geduld , Rome wanhoopt nooit, Rome
is kostelijk georganiseerd en weet van elke fout die door
zijn tegenstanders gemaakt wordt behendig partij te trekken.
Bovendien is er in onzen tijd een en ander dat Rome\'s streven
bevorderlijk is. Immers overal heerscht een zekere malaise,
een onrust die angst en vreeze wekt; de machtige beweging
onder de volkeren, die velen vervult met bekommering over
de toekomst, doet hen verlangend uitzien naar één gezag dat
allen bindt. En bleek niet duidelijk uit het drieste op-
treden en zich mengen in 1\'rankrijk\'s binnenlandsche aan-
gelegenheden van den paus dat er met het ultramontanisme
niet valt te gekscheren? Getuigt dat ook niet de poging,
dezen keer nog gelukkig verijdeld, om in Duitschland, de
bakermat van liet protestantisme, de school in handen van
den clerus over te leveren? (3)
Ook in .Nederland zit het ultramontanisme niet stil. Wat
erger is, het maakt er voortgang. Als in het oude land der
fiere stoere Geuzen Rome\'s geest overheerschend en in dezen
zin het vermetele woord van den paus „Nederland, een
provincie van Rome" waarheid werd, wat een victorie zou
-ocr page 12-
10
dat zijn! Laten wij mede zorgen dat liet zoover niet komt.
Kwam liet ooit zoover dan zou liet natuurlijk gedaan zijn
met onze godsdienstige en staatkundige vrijheid, maar ook
iedere stap vooruit van Eome op onzen bodem is ten nadeele
van die vrijheid. Vergeten we niet dat Eome\'s beste bond-
genoot is de lauwheid en onverschilligheid van zoovele protes-
tanten.
Laat ik u in eeuige trekken mogen aantoonen hoe en op
welke wijze liet ultramontanisme zich onder ons openbaart
en werkzaam is.
Waar de paus, het hoofd der roomsche kerk, zich niet
ontziet het protestantisme een pest te noemen en de kwalen
en ellenden der hedendaagsche maatschappij aan die pest te
wijten, daar is het niet te verwonderen dat allengs een school
ontstond, welke ook ten onzent hare vertakking heeft, die
zich ten doel stelt den tijd vóór de Hervorming, toen Rome
heer en meester was, te verheerlijken en met verdraaiing der
geschiedenis voor te stellen als eeu Dorado, als een idealen
toestand. Men wil dat het dogma de geschiedenis zal over-
winnen. De helden der Hervorming, een Lutlier voorop,
worden gesmaad, gelasterd, hun karakter wordt aangerand,
hun werk aan slechte bedoelingen toegeschreven. Met halve
waarheden, die soms erger zijn dan heele leugens, worden zij
bij de onnadenkende menigte verdacht gemaakt, in tal van
geschriften aan haren haat overgeleverd, en niet onnatuurlijk
is het dat iets van dien haat wordt overgedragen op hen die
die mannen eeren om hun geloofsmoed en volhardende opoft\'e-
ring en hun beginselen huldigen. O zeker, de natuur gaat
boven de leer, we kunnen er God niet genoeg voor danken
dat \'s menschen natuur oorspronkelijk zoo goed is — maar
op den duur kan ook die goede natuur op te zware proef
gesteld worden, het voortdurend stoken en ophitsen moet ten
laatste wel tot uitbarsting leiden en betreurenswaardige daden
-ocr page 13-
11
ten gevolge hebben. En hier en daar begint dat reeds liet
geval te worden. (4)
Vaderland — vaderlandsliefde — voor het ultrauiontanisme
bestaan zij niet. Eome boven alles. Eome alleen! En hoe
die geest zich openbaarde bij onze nationale herinneringsfeesten
van de roemrijke gebeurtenissen vóór 300 jaren , dat zullen
velen uwer nog wel weten. Geen deelneming, zoo luidde
het wachtwoord. De vaderslandsliefde, de liefde voor \'s Lands
historie staan de bedoelingen van het ultramontanisme in
den weg. Daarom tracht liet die uit te roeien. O, pijnlijk
is het te zien hoe elke gelegenheid te baat genomen wordt
om een Willem Van Oranje en de zijnen te beschimpen en
te bekladden, hoe in de op roomsche sectescholen gebruikte
leerboeken met voorbedachten rade de helden uit onzen vrij-
heidsoorlog valschelijk voorgesteld en beticht worden van
allerlei gruwelen, als eerlooze karakters worden geschilderd.
Ja we weten het wel, die mannen waren geen heiligen, maar
heiligen zijn er ook niet onder de stervelingen; we weten liet
wel, die mannen hadden hun karakterfeilen, laat het zijn
groote karakterfeilen; maar welk Nederlander kan of mag
ooit vergeten dat zij groote karakters waren, die alles hebben
opgeofferd voor de zaak welke hun lief was, dat zij de grond-
leggers zijn geweest van Neerlands vrijheid en zelfstandig
volksbestaan, dat de band tusschen Oranje en Nederland
onverbreekbaar is, dat het misdadig is onverschilligheid zoo
niet nog meer aan te kweeken jegens hen, aan wie roomscli
en onroomsch beiden zooveel te danken hebben. (5)
Het ultramontanisme is de volksschool, onze volksschool,
waar den kinderen des volks nevens nuttige kennis verdraag-
zaamheid en burgerdeugd geleerd worden, een doorn in het
oog. Met verdraagzame menschen kan het niets beginnen,
die kan het niet gebruiken als zijn werktuigen. Daarom stelt
het in zijn organen de openbare school voor als een moordliol
-ocr page 14-
12
en pestliol. En door altijd weder op dit aambeeld te hameren
dringt liet den geloovigen die meening op, en leert hen ver-
oordeelcn en bestrijden wat hunzelven als kinderen ton zegen
is geweest. Het vreest de gemeenscha]) tusschen hen over
wie het macht heeft en andersdenkenden. Daarom, waar het
de openbare school niet onder zijn macht kan krijgen , zooals
wel het geval is in het zuiden des lands, predikt liet schei-
ding en het stichten van eigen scholen, waar liet kinderlijk
gemoed op rooinsche leest geschoeid wordt, en bij een mi-
nimum van kennis een zekere terughouding jegens anderen
geleerd wordt, die straks niet anders dan ten nadeele van
de burgerlijke samenleving komen kan. (ö)
Om de belangen van land en volk, stedelijke of zedelijke,
bekommert het ultrainontanisme zicli niet, mits zijn belang
maar overal gediend worde; en zijn belang is dat de geest
van Rome allengs meer en meer doordringt in dit land,
onder dit volk, dat Rome\'s invloed allengs groot genoeg
wordt om onze wetten en instellingen te beheersclien. Daarom
tracht liet in de lichamen van bestuur zijn handlangers plaats
te doen nemen en zoekt, waar het daarvoor alleen niet sterk
genoeg is, onder wederbeloften, heden de hulp van calvinisten,
morgen van sociaal-democraten, want alle middelen zijn hem
goed mits zij maar leiden tot het doel. In zijn werktuigen
vraagt het geen kennis van zaken, geen eerlijkheid, geen
karakter, het eisclit slechts in hen onderworpenheid, slaafsche
onderworpenheid, een ja of neen op Rome\'s bevel. En zoo
zagen we dan ook in de laatste jaren menigeen zitting nemen,
die openlijk getuigde dat hij voor en boven alles Rome\'s
belang zou bevorderen en die inderdaad zijn kerkbelang
voortrekt bij het staatsbelang. Zelfs moesten nederlandsclie
rooinschen, die jarenlang hun betrekking met eere hadden
vervuld, echte vaderlanders, plaats maken voor pauselijke
-ocr page 15-
18
roomschen. Zij werden uitgezet omdat geen sprankske zelf-
standigheid door de partijleiders wordt geduld (7).
Maar nog op andere wijze werkt en openbaart zich liet
ultramontanisme onder ons. Door de massa\'s wil het werken
en propaganda maken. Maar dan moet liet die massa\'s bezig
houden, nauw aan zich verbinden. En ook daarvoor weet
het middelen. Denkt, om iets te noemen, aan al die congre-
gaties en vereenigingen en roomsche volksbonden die in het leven
geroepen worden, schijnbaar uit belangstelling in den werkman,
in den militair, in de dienstbode, maar inderdaad om allen te
kneden naar hetzelfde model, hun geest te leiden in een be-
paalde richting, gezag over hen uit te oefenen en, vergeten
we dat niet, voordeel te doen met hetgeen zij weten en aan-
brengen van anderen. Grooter gevaar steekt in die congregaties
dan menigeen denkt en vermoedt. Blijkt het niet uit de voor-
zorgen die steeds genomen worden om anderen te weren, dat
zij alles behalve onschuldig zijn en niet onbelangrijk geacht
worden voor het doel dat beoogd wordt? Denkt aan het be-
vorderen van deelneming aan bedevaarten naar kwasi-heilige
plaatsen, wulpsche tochten vaak, waarbij menigeen eer en
geld verliest, waar het bijgeloof victorie kraait en de zede-
lij kheid een traan schreit. Deukt aan het aankweeken van
een plat-zinnelijken eeredienst in de vereering van het heilige
hart, in beeldendienst en Maria-aanbidding, waardoor ver-
beelding en zinnelijk gevoel uitermate geprikkeld worden,
maar het zedelij k-sterke in den mensch verloren gaat en het
aantal geestelijk kranken op onrustbarende wijze toeneemt;
waardoor het volk verzinnelijkt, gedemoraliseerd en zoo doende
geschikt gemaakt wordt om zich te laten gebruiken als werk-
tuigen, als leem in de hand van den pottebakker. Denkt
eindelijk om niet meer te noemen aan de pers van Rome, in
handen van mannen die geen ander vaderland hebben en erken -
nen als Home, los zijn van familiebanden, om \'s Lands wetten
-ocr page 16-
14
en instellingen zich niet bekommeren, die pers wentelend van
valselie voorstellingen die liet oordeel voeren op een dwaal-
weg en het zedelijk gevoel misleiden, en altijd weder die
valselie voorstellingen herhalend, opdringend aan hare lezers,
aan wie andere lectuur verboden wordt......(8).
Maar genoeg! Twijfelt gij nog of liet ultramontanisme een
staatsgevaarlijke macht is? Een verderfelijken invloed uit-
oefent in de maatschappij ? Dat Neerlands verleden erdoor
wordt belasterd, zijn toekomst bedreigd, zijn historie ver-
guisd, zijn heden vertrapt, zijn wetenschap veroordeeld, zijn
vrijheid gehoond, zijn vooruitgang verketterd, zijn bescha-
ving gedoemd ?
Welnu dan protestanten, ten strijde tegen dat ultramonta-
nisme! Daartoe roept en noodigt u de Evangelische Maatschappij
met een beroep op uw protestantsch plichtsbesef en plichtsgevoel.
En liet is een heilige strijd. Zij heeft niet den strijd tegen perso-
nen, niet tegen roomsche ïnenschen, maar tegen beginselen ,
tegen een geest, een macht die ons ontnemen wil het beste
dat we hebben, tegen het ultramontanisme als den vijand van
onze godsdienstige en staatkundige vrijheid.
Weet gij hoe zij dien strijd voert, welke wapenen zij
hanteert? Door het uitgeven en in ruimen kring verspreiden
van geschriften die het wezen en werken van het ultramon-
tanisme doen kennen, en door haar Maandblad dat gratis
gezonden wordt aan al hare leden en begunstigers tracht
zij de oogen te openen voor de gevaren waarmede Rome
ons bedreigt. Zij dringt aan op doortastende uitvoering
van de Grondwet. Zij behartigt het niet hoog genoeg te
schatten belang van het onderwijs, door met geldelijke
bijdragen protestantsche inrichtingen van onderwijs in Noord -
Brabant en Limburg te steunen. Zij doet bij verkiezingen
hare stem hooren om den rechten man op de rechte plaats
te brengen. Zij toont het verkeerde aan van het benoemen
-ocr page 17-
15
van ultramontanen tot invloedrijke ambten en betrekkingen
in het leger, in de magistratuur, in bet notariaat, van inan-
nen die hoogstens in de tweede plaats zich Nederlanders ge-
voelen, omdat zij in de eerste plaats creaturen van Home
zijn; die een anti-nederlandscben geest aankweeken en die,
waar de belangen van den Staat en van hun kerk niet samen-
gaan, boven alles en in de eerste plaats het belang van die
kerk moeten laten gelden, ik zeg moeten laten gelden. Zij
brengt feiten aan het licht die zoo duidelijk doen zien wat
minachting het ultramontanisme koestert voor onze wetten
en instellingen en rechten. Zij richt adressen aan \'s Lands
regeering als zij volksbelangen bedreigd acht. Zij wil in heel
den lande een openbare meening vormen, die door geene
macht straffeloos zal worden verguisd.
Sluit u bij haar aan, steunt haar ook door uw stoffelijke
middelen, door een weinig kostbaar lidmaatschap — want
ja, waarom het ontkend, ook voor hetgeen zij wil en be-
doelt is geld noodig, dat aardsche slijk, waarmede eebter
ook hoogere bedoelingen worden bereikt, opdat zij kunne
voortgaan op den ingeslagen weg, hare werkzaamheden uit-
breiden, een dam opwerpen tegen den oprukkenden, voor-
waarts schrijdenden vijand die niets ontziet, niets spaart wat
ons lief en heilig is en tegen vreemden invloed die den
geest en het karakter van ons volk bederft.
Sluit u bij haar aan en steunt haar ook door uw stoffelijke
middelen, want de Evangelische Maatschappij is de aange-
wezen vereeniging van allen die, welke ook hun naam en
belijdenis zij, met heiligen ernst bestrijden willen wat van
ginds over de bergen komt en hier niet tehuis behoort. Ja,
zij is de aangewezen vereeniging, want zij kent den vijand
beter dan iemand anders, zij heeft hem nagegaan, bespied,
bestookt, zij wordt door hem gevreesd. Zij houdt haar
vaandel omhoog, zoodat allen het kunnen zien, waarop ge-
-ocr page 18-
\\c>
schreven staat: Strijd voor het behoud der heiligste goederen
en tegen hem die ze ons ontnemen wil. Schaart U onder
haar vaandel, gij die het Vaderland lief hebt, die op onzen
vrijen bodem geen vaticaansche machtspreuken duldt, opdat
het worde kracht tegen kracht, macht tegen macht, en als
heilige geest ons drijft, liefde voor vroomheid eu waarheid,
geestdrift voor vrijheid, dan — al zijn de tijden ernstig, de
gevaren dreigend, de naaste toekomst donker, dan is er geen
twijfel aan, aan welke zijde ten laatste de o ver winning zal zijn.
Het zou onbillijk zijn te zeggen dat in onze samenleving
de Evangelische Maatschappij staat als een roepende in
de woestijn. Neen, niet dankbaarheid aan God mag en
moet worden erkend dat hare stem wordt gehoord, hare ge-
schriften worden gelezen en gewaardeerd, haar ledental toe-
neemt. Maar o, hoeveel méér belangstelling moest zij on-
dervinden. Van zoo menigeen die haar kent in haar wezen
en werken kunt gij booren dat hij onder al de voortreffelijke
genootschappen en vereenigiiigen in den lande de Evangelische
Maatschappij een der beste en uitnemendste rekent. Wie
haar kent in haar wezen en werken getuigt dat hare duizen-
den zoovele tienduizenden moesten zijn! Van waar dan die
altijd veel te geringe belangstelling?
Zal ik hier spreken van het aanbinden en samenwerken
met Rome van zoovelen die protestanten heeten? Dordt en
Rome samen, de naneef van den Geus met den volgeling van
Loyola, is dat niet een gruwel voor God ? Een gruwel voor
God, niet van de zijde van Rome dat den stelregel huldigt:
het doel heiligt de middelen, dat geen zedelijke beginselen
erkent, dat alles van zijne gading acht zoo het er maar mede
komt waar het zijn wil, dat alles verklaart ad majorem Dei
gloriam, maar een gruwel van de zijde der kinderen van
de Hervorming, die als ontaarde zonen en dochters hunne
vaderen verloochenen en wat dezen gedaan, geleden, ver-
-ocr page 19-
17
kregen hebben smadelijk in de waagschaal stellen. Niet dat
zij bedoelen Home ten onzent er bovenop te helpen, zij
hebben hun eigen bedoelingen, maar ho2)en die met de
hulp van Rome verwezenlijkt te zien, onder een loven en
bieden en bewijzen van wederdienst, waarbij echter Rome
alleen veld wint eu zijde spint. Neen, dat die protestanten,
verblind als zij zijn, geen oog, geen hart hebben voor de
Evangelische Maatschappij en haar werk, dat begrijpen we
maar al te goed, want de protestantsche geest is uit hen
geweken.
Maar verder. Laten we zeggen zooals het is. Terwijl we
staan tegenover een vijand die nauw aaneengesloten is, die weet
wat hij wil, die niet lang redeneert maar handelt, wordt er
door en onder ons, die niet de slaven zijn van een uitwendig
gezag, te veel gepraat, geredekaveld, gekibbeld. Het indi-
vidualisme, te veel overdreven, belet aansluiting, samenwer-
king tot schade van de goede zaak. Zeker, het individualisme
willen we hoog houden, persoonlijke overtuiging en eigen
inzicht eerbiedigen. Maar als het individualisme zoo o ver-
dreven wordt dat het de noodzakelijke samenwerking van
geestverwanten tot bereiking van een goed en heilig doel in
den weg staat, dan is het zwakheid in plaats van kracht,
vloek in plaats van zegen, dan wordt daardoor juist bevor-
derd wat geweerd moest worden. Zulk een individualisme
is het beste wat liet ultramontanisme kan wenschen. Gelooft
maar vrij dat het juist zijn beste triomfen dankt aan zulk
een valsche opvatting van vrijheid. Ik ga verder en durf
beweren dat het ultramontanisme bij hetgeen het wil en werkt
ten onzent juist op zulk individualisme rekent.
En dan, bij duizenden en duizenden protestanten staat hunne
onverschilligheid hun belangstelling in de Evangelische Maat-
schappij in den weg. O, die treurige onverschilligheid die
helaas onder ons spreekwoordelijk is geworden. En wat weet
-ocr page 20-
L8
ze mooi te spreken, die onverschilligheid, nietwaar? De een
zegt: och, in mijnen kring zie ik niet zooveel van het ultra-
montanisme. Een enkele maal hoor en lees ik er wel iets
van en ik erger me een oogenblik, maar liet zal ook wel wat
overdreven zijn voorgesteld door hen die in alles gevaar zien
en zicli overal bedreigd achten. Ja, in het zuiden van ons
land heeft het nu eenmaal vrij spel, maar hier is het er ver
van af dat het zicli openlijk vertoont. — Ik wil liet wel ge-
looven. Maar als ge wilt opmerken en acht geven dan moet
liet u duidelijk zijn dat liet zich volstrekt niet bepaalt tot
het zuiden, dat liet voortkruipt en voortsluipt en ook elders
reeds menige overwinning behaalt. En als hier komt wat
daar is en zich openbaart, ja dan is het te laat, dan zijn
we eronder. Daarom werk mede dat het zich niet uitbreidt
als een wolk die het heldere licht verduistert. En een ander
zegt; vrede, vrede, geen gevaar! Plet kwaad oordeelt immers
zichzelf en de waarheid zal zegevieren.—Ja, dat gelooven wij
ook wel. Als we dat niet geloofden dan bleven we werke-
loos, dan voerden we geen strijd. Maar eisclit dat geloof
dat men hetgeen verkeerd en nadeelig is en schade toebrengt
maar stillekens laat begaan en voortwoekeren? Brengt dat
geloof mede dat ieder voor zichzelf slechts afwere wat hem
persoonlijk zou kuunen schaden, zonder zicli te bekommeren
om de schade van het geheel? Dat is dan wel een ander
geloof dan dat van onzen grooten Meester en van zoovele
edelen van ons geslacht, die het verkeerde aangepakt en be-
streden hebben. Zij ook geloofden vast en vurig dat iu den
strijd tusschen duisternis en licht aan het licht de zege, in
den strijd tusschen kwaad en goed aan het goede de zegepraal
beschoren is, maar nooit, nooit hebben ze zich daarom ont-
slagen gerekend van den duren plicht om het verkeerde te
bestrijden en het goede te bevorderen naar hun beste ver-
mogen. Ik dacht dat hetzelfde van ons geëischt wordt, dat
-ocr page 21-
1!)
solidariteit, gemeenschappelijke gebondenheid, gemeenschappe-
lijke verantwoordelijkheid voor ons iets meer is dan een klank.
Eu een derde mompelt zoo iets van onverdraagzaamheid,
waaraan hij niet wil meedoen. — Alsof liet woord onverdraag-
zaamheid te pas komt waar het geldt het voeren van een
heiligen strijd om liet behoud der heiligste goederen. Neen,
waaraan de Evangelische Maatschappij zich ooit schuldig ge-
maakt moge hebben — aan onverdraagzaamheid niet. Maar
velen die niet goed weten te onderscheiden noemen het op ■
komen voor en handhaven van een innige overtuiging ouver-
draagzaamheid, gelijk zij verdraagzaamheid verwarren met
laksheid en lauwheid. Een vierde eindelijk zegt: och, wat
zou mijne hulp baten, die zet toch geen kracht bij. — Neen,
uwe hulp alleen misschien niet. Maar gij zijt niet alleen,
gij vindt anderen, velen. En als gijzelf deelneemt en ook
anderen opwekt en aanspoort, zie dan groeit gij met elkan-
der op tot een krachtig lichaam, en gij smaakt de blijde
voldoening ook door het uwe, hoe gering liet op zichzelf
zij, anderen in staat te stellen het edele werk dat zij voor-
hebben voort te zetten en te voltooien.
Is dan dat alles wat de onverschilligheid zoo aanvoert niet
diep betreurenswaardig? Getuigt dat niet tegen hen die den
naam van protestanten dragen?
En dat, terwijl we in Rome zien wat aansluiting en ver-
eeniging vermogen, tot wat ontzettende, verbazende krachts-
ontvvikkeling zij leiden. Ik weet wel: daar is het een moe-
ten, laat het dan bij ons zijn een willen. Dair heerscht de
dwang, bij ons de vrijheid, maar een vrijheid die misbruikt
wordt tot willekeur en werkeloosheid verdient dien naam niet,
is meer een schande dan een eere.
En dat, terwijl de erfvijand van alle vrijheid en zelfstan-
digheid op de loer ligt en geen gelegenheid laat voorbijgaan
zijn voordeel te doen inet onze zwakheden en fouten.
-ocr page 22-
20
En dat, terwijl liet ultraniontanisme, de doodvijand van
alle godsdienstige en staatkundige vrijheid onder ons voort-
woekert, gereed ons te ontnemen wat we bezitten, de hand
uitstekend naar hetgeen onze vaderen gekocht hebben met
hun bloed en tranen, dat ultramontanisme dat onze instel-
lingen ondermijnt, ouze wetten ontduikt, de vaderlandsliefde
doodt, en de zonen van Nederland tegen elkaar opzet en iu
het harnas jaagt. (9)
Weet ge wat wij moeten doen ? Leeren van onzen tegen-
stander. Dat is toch zeker niet te veel geëischt, niet waar,
dat wij ons voordeel doen met zijne lessen. Welnu dan, in
zijne encykliek over de christelijke inrichting der staten heeft
da paus gelast allen die tot de kerk van Rome behooren om
in hun bijzonder en openbaar leven als roomschen gekend te
willen wezen. In hun denken, in hun gezindheid, in hun
doen, in hun laten moeten zij toonen roomsch te zijn. (10)
Zoo ook moeten wij in ons openbaar en bijzonder leven als
protestanten gekend willen zijn. We behoeven ons dien
naam niet te schamen die een eerenaam is, waarop we fier
mogen zijn. Laten wij in woord en daad, in doen en laten
toonen dat we protestanten zijn, vrije en zelfstandige mannen
en vrouwen, die geen hooger gezag erkennen en volgen dan
dat van het geweten. Laten we toonen wie we zijn, wat
we bedoelen, altijd en tegenover iedereen, toonen dat de
protestantsche geest ons bezielt, toonen dat er neer land sch
bloed door onze aderen vloeit, dat wij den vaderlandschen
grond liefhebben, dat we onze burgerplichten trouw ver-
vullende onze grondwettige rechten en vrijheden hoog waar-
deeren, dat we gezind zijn die rechten en vrijheden te
handhaven tegen wie ook.
Ziet, dan zullen we, welke onze naam of richting ook zij,
meer tot elkander naderen, over alle verschil van leer en in-
zicht heen elkaar de broederband drukken , gevoelen dat we
-ocr page 23-
21
één lichaam, één geest zijn, begrijpen (kt we dezelfde be-
langen hebben, dezelfde heilige plichten hebben te vervullen.
Dan zal zeker ook de Evangelische Maatschappij geen ver-
geefsch beroep doen op uw protestantscli plichtsbesef, uw
protestantsch plichtsgevoel om bij haar aangesloten den strijd
aan te binden tegen die macht, die den protestantschen geest
vloekt, het protestantisme wil uitroeien en daarmede dooden
de godsdienstige en staatkundige vrijheid — tegen het ul-
tramontanisme. Geen vergeefsch beroep, als zij u toeroept:
Waakt, de vijand ligt voor de poort, zorgt dat hij u niet
verrasse en overrompele!
Alzoo, als wij behouden willen wat we hebben, wat ons is
nagelaten door onze kloeke vaderen, waarvoor zij geleden en
gestreden hebben, als we dat niet slechts willen behouden
maar uitbreiden en vermeerderen, als we niet slechts
denken aan een leven voor onszelven, maar voor onze kin-
deren, het geslacht dat na ons komt, voor wie de levens-
strijd bovendien toch reeds zwaar genoeg zal zijn; als we
willen zorgen dat zij ons niet oordeelen maar zegenen, dan
is de weg aangewezen dien we te betreden hebben, een weg
waarop alle mannen en vrouwen van ernst en karakter en
goeden wille, of zij heeten protestanten, oud-katholieken,
Israëlieten, elkaar kunnen ontmoeten en met elkaar kunnen
werken en den heiligsten strijd kunnen voeren met de edelste
wapenen tegen hun gemeenschappelijken vijand. En leide
God ons op dien weg en benoude hij ons op dien weg!
-ocr page 24-
AANTEEKENINGEN.
(]) Niot dat de roomscho kerk, overeenkomstig recht en billijkheid,
met de andere kerkgenootschappen gelijkgesteld werd en de vrije
regeling harer belangen ontving maakte de gemoederen zoo warm.
Neen! er was een andere oorzaak. Zij was gelegen in de drieste,
overmoedige taal van den paus.
Immers deze schreef in 1853 niet alleen: idaarom wovdt onze ziel
vervuld met een onuitwischbaren troost, nu wij den zoo gewenschten
tijd zien komen waarop in het groot belang der katholieke kerk en
der geloovigen dier landen, het mogelijk wordt er de bisschoppelijke
hiërarchie te herstellen, overeenkomstig de bestaande regelen der kerk.
Wij hebben inderdaad vernomen dat in het koninkrijk (van Holland
en Brabant) de katholieke godsdienst door de genade Gods dagelijks
vooruitgaat; dat de doorluchtige koning vol welwillendheid en gunst
is jegens zijn katholieke onderdanen en dat de beletselen minder
worden, die eertijds de welvaart van onzen godsdienst in den weg
stonden en eindelijk geheel zullen verdwijnen."
Maar in den apostolischen brief voegde hij eraan toe: »Men heeft
helaas! genoeg ondervonden hoe vele en hoe groote nadeelen en onheilen
de ketterij van Calvjjn aan die eens zoo bloeiende kerken berokkend
heeft! Ja, zoover ging het geweld en de overmoed der ketters dat
het was, alsof de naam van katholiek uit die streken scheen uitge-
roeid te moeten worden en alsof voor het herstel van zulke groote
verliezen geenerlei mogelijkheid meer bestond. De roomsche pausen
hebben echter niets onbeproefd gelaten om den vloed van zooveel
rampen te stuiten en te herstellen........
«Thans hebben wij geacht dat de tijd is gekomen, om de kerkelijke
regeling in het koninkrijk Holland tot dien vorm terug te brengen,
waaronder de geloovigen bij andere natiën leven.
«Alzoo zal het geheele rjjk van Holland en Brabant één kerkelijke
-ocr page 25-
23
provincie zijn, bestaande uit een aartsbisschop en vier suffragaan-
bisschoppen, door wier ijver en herderlijke zorg wij in den Ileere
vertrouwen dat de katholieke godsdienst aldus moer en meer versterkt
en door weliger aanzien krachtiger worden zal."
Toen de paus Holland en Brabant tot één kerkelijke provincie ver-
klaarde, alsof hij de vruchten van den worstelstrijd der vaderen met
eenen slag vernietigen wilde, stonden de vrienden van vrijheid en
vroomheid op en zij verhieven de stem tegen pauseljjken overmoed.
Sedert zjjn ruim 40 jaren voorbijgegaan en telkens treedt duidelijker
in het licht dat die stem terecht werd verheven, dat het verklaren
tot één kerkelijke provincie een diepere beteekenis, dan men in het
algemeen vermoedde, had en van Rome\'s oude, welbekende heersch-
zucht getuigde.
(2) Als toelichting mogen de volgende uitspraken en getuigenissen dienen.
»Allen die gedoopt zijn behooren den paus toe" schreef Pius IX
aan keizer Wilhelm I.
»Het is de plicht van eiken roomsche de wetten der kerk hooger
te stellen dan die van den staat. De koningen, die zich niet over-
eenkomstig deze stelling gedragen, kunnen voortaan niet meer rekenen
op de trouw en gehoorzaamheid der roomschen", heet het in eene
briefwisseling uit Genève, die van Rome uit gevoerd en bijzonder door
den paus werd geprezen.
»De leerstukken der roomsche kerk zjjn onvoorwaardelijk verbindend
voor iederen roomsche. Doen zich op grond van deze leerstukken
eischen hooren, die de Staat niet kan of niet wil toestaan, dan is
daarmede een strijd tot het uiterste tegen den Staat verklaard," heet
het in »de Germania" te Berlijn.
Maurits Van Bonal schreef aan Pius IX: »de paus alleen is
gebieder, alle anderen zijn zijne slaven. De paus kan met zijn slaven
(de vorsten) geen verdragen sluiten, en is uit dien hoofde aan con-
cordaten en overeenkomsten met Staten niet gebonden." Pins IX
heeft hem deswege in een afzonderlijke breve geprezen.
In zijn blad de Huivers schreef Louis Veuillot, de groote woord-
voerder van het ultramontanisme in Frankrijk: «Slechts hij is een
waar katholiek, die alle belangen, ook die van zjjn vaderland, onder-
geschikt acht aan het belang van den paus, en die vergeet dat hij
burger is van het land, als het belang van zijn land een ander blijkt
te wezen als dat van den paus." Om die woorden heeft de paus
hem voor een echt katholiek verklaard.
-ocr page 26-
24
De Osxervatore Romano, het blad van de roomsche geestelijkheid,
schreef: »De kerk staat boven den Staat, als God boven de menschen."
De Civiltu cattolica, waarin de pauselijke curie haar gevoelen uit-
spreekt, verkondigde de volgende stellingen:
«Vrede en nationale eenheid zijn slechts voor dat volk dat geheel
roomsch i9.
Een Staat mag aan de niet-roomschen niet dezelfde rechten ver-
leenen als aan de roomschen.
De wereldlijke vorst houdt nimmer op een onderdaan van den paus
te zijn.
De paus kan de burgerlijke wetten en de uitspraken van de wereld-
lijke rechtbanken nietig verklaren, als zij in strijd zijn met zijn belang.
De geestelijken zijn tot het inachtnemen van de burgerlijke wetten
slechts in zooverre verplicht, als deze niet in tegenspraak komen
met de geestelijke waardigheid.
De roomsche kerk heeft het recht ook aan protestanten en scheur-
makers de zwaarste straffen op te leggen als zjj in strijd handelen
met de roomsche wetten."
Op het roomsche congres te Mechelen zeide de abt Brouwers:
»Wij zijn eerst katholieken en dan Nederlanders." Ook dit werd
door hem gezegd: Wij wenschen de vrijheid, zooals die gewenscht
wordt door do encycliek en den syllabus.
Aan de encycliek (opperherderlijk schrijven,) van Pius IX van 8
December 1S64 werd toegevoegd eene tafel of lijst, syllabus, der
voornaamste dwaalleeringen van onzen tijd, aangeduid in 80 ver-
oordeelde stellingen over godgeleerdheid, wijsbegeerte, staat- en
zedekunde. Deze stellingen moeten door eiken roomsche aangenomen
en beaamd worden. Toch zou het stellig onjuist zijn te beweren dat
elke roomsche dien syllabus kent en, zoo al, de strekking ervan vat.
Wij gaan zelfs verder en meenen dat menige eenvoudige, gemoedelijke
roomsche, werd hem alles wat die stellingen bevatten klaar en duide-
lijk voorgehouden, met zijn verstand en hart ertegen op zou komen.
Er worut center wel gezorgd dat dit niet geschiedt. Ook hierop
is toepasselijk wat dr. C. B. Spruijt zegt in zijne brochure: Antipa-
pislische Felheid of Frotesiantsche Plichtsbetrachting:
«Als degeloovigon
worden toegesproken door hun herders, dan zijn de scherpe nagels
gewoonlijk min of meer, en dikwijls geheel teruggetrokken." Et
pour cause!
Maar zeker is die syllabus de leiddraad der roomsche geestelijkheid
en ligt hij ten grondslag van de studiën in roomsche college\'s en
-ocr page 27-
25
seminariSn. Zoo worden dan de daarin vervatte denkbeelden door
tegenwoordige en aanstaande geestelijken in hunnen kring verspreid,
aan de geloovigen opgedrongen en dezen min of meer bewust vervuld
van den ultramontaanschen geest. Hoorde men vroeger nog wel
spreken van «liberale katholieken," de zoodanigen namelijk die toch
wel meenden goede, trouwe geloovigen te zijn zonder in alles mee te
gaan met de leer der roomsche kerk, sedert de paus verklaard heeft
hen niet te erkennen moet alles wat geleerd wordt door een ieder
worden aangenomen, op straffe van niet meer roomsch te zijn.
In het door de roomsche geestelijkheid druk bestudeerde werk van
den jezuïet Gurij, Handboek der theologische zedenleer, wordt ge-
leerd dat geestelijken niet aan eene staatswet behoeven te gehoorza-
men, dan wanneer zij kunnen aannemen dat de kerk het hun ver-
oorlooft. Een even staatsgevaarlijke leerstelling staat er in: in een
ongeoorloofden oorlog moeten de soldaten, wanneer zij niet kunnen
vluchten, ervoor zorgen dat hunne schoten niet raak zijn. Geheel in
dien geest zeide een duitsch ultramontaan in eene hooge vergadering
tot zijne tegenpartij: De legers zouden u eenvoudig niet gehoorzamen ;
doelende op de mogelijkheid dat de troepen in een voor den paus
ongunstigen oorlog op bevel der kerkelijke overheid zouden kunnen
weigeren de gegeven bevelen op te volgen.
Het groote verschil tusschen roomsche en protcstantsche staatsbur-
gers komt scherp uit in den eed op de nederlandsche grondwet en
een beslissing van de Poenitentiaria te Rome. De eerste zegt: »Ik
zweer trouw en gehoorzaamheid aan de wetten des rijks en aan den
koning". De tweede: »de eed of belofte van trouw aan eene wet die
algemeene vrijheid van geloof en geweten veroorlooft is ongeoor-
loofd". Kan dan een ultramontaan nederlandsch staatsambtenaar zijn ?
Indertijd heeft Dr. Merz, zelf roomsch, het openlijk ontkend.
(3) Het optreden van Leo XIII in Frankrijk\'s binnenlandsche aan-
gelegenheden staat eenieder nog levendig voor den geest. Zijn eisch
aan de monarchalen en royalisten, waartoe ook velen der hoogstge-
plaatste geestelijken behoorden, om zich op den grondslag der con-
stitutie te stellen, aldus zich te keeren tot de Republiek en deze te
aanvaarden, moge eerst veel kwaad bloed gezet en weerzin en bjj
velen zelfs verzet hebben uitgelokt, maar over het algemeen is men
geëindigd met het hootd te buigen. Het staat te vreezen dat Frankrijk
de nadeeligc gevolgen van dit ingrjjpen van den paus zal ondervinden.
Immers deze gedwongen republikeinen, voor zoover zij deel nemen
-ocr page 28-
26
aan het openbare leven, zullen trachten hunne geestverwanten, repu-
blikcinen in naam, onder dezen naam overal in te schuiven. Een scheeve
toestand wordt alzoo geboren, waarvan Rome alleen voordeel trekt.
Het schoolwet-ontwerp in Pruissen, waarbjj door de clericalen van
allerlei naam de school in handen gespeeld werd van den clerus,
werd ingetrokken om den geduchten tegenstand dien het wekte en
dien men niet durfde trotseeren. Nu de ultraniontanen zich dit zagen
ontgaan zullen zij alles op haren en snaren zetten om de intrekking
van de jezuïeten-wet te verkrijgen, die de jezuïeten uit Pruisen weert
en welke men om de schoolwet had laten rusten.
Werkelijk nam de Rijksraad in 1894 het voorstel tot wedertoela-
ting van de jezuïeten in Duitschland met een kleine meerderheid
aan. Door den Bondsraad werd het verworpen, maar een uitzonde-
ring werd gemaakt voor de redemptoristen, die dus niet beschouwd
werden als een aan de jezuïeten verwante orde, hoewel zij toch twee-
lingbroeders zijn. Opnieuw heeft nu de duitsche centrumpartij den
eisch van den terugkeer der jezuïeten gesteld. En weder heeft de
Rijksraad het voorstel aangenomen.
Ook in Hongarije werd door den paus alles in het werk gesteld om
het aannemen en bekrachtigen der kerkelijk-staatkundigc wetten,
betreffende de invoering van het verplichte burgerlijk huwelijk enz.
te verhinderen. Gelukkig zijn die pogingen mislukt.
(4) Hoe het protestantisme en de protestanten, de helden der Her-
vorming, Luther voorop door Rome gesmaad en verguisd worden moge
blijken uit de volgende staaltjes.
Gregorius XVI noemt in zijn zendbrief Mirari vos van 15 Augus-
tus 1832 Luther en zijne voorloopers belialskinderen, het vuil en de
schande van het menschelijk geslacht, sluwe booswichten, menschen
die voor geen enkele schanddaad terugdeinsden. Leo XIII, toen hjj
nog bisschop van Perugia was, zeide: «Men wil uwen geest bederven
door do meest pestachtige dwaling die ooit voorkwam, het protestan-
tisme. Dit domme ongerijmde verschijnsel is voortgekomen uit over-
moed en goddeloosheid." En in zijn schrijven van 28 December 1878
spreekt hij van de vergiftigende leerstellingen en het slechte zaad
der Hervorming en hare dood aanbrengende vruchten. In den Sylla-
bus wordt de volgende stelling, het is de 18de, veroordeeld: Hetpro-
testantisme is niets anders dan een andere vorm van denzelfden
christelijken godsdienst, waarin het gegeven is even goed als in de
katholieke (lees roomsche) kerk aan God te behagen.
-ocr page 29-
27
De bekende roomsche godgeleerde Perronc, aan wiens voorlezingen
en geschriften de roomsche godgeleerden bijna een halve eeuw hunne
richting te danken hebben, zegt ergens: Het protestantisme en zij
die het verbreiden zijn in godsdienstig opzicht wat de pest in een
natuurlijk opzicht is. Het protestantisme wordt slechts door haat
gevoed. Zijn leer is verschrikkelijk in de theorie en onzedelijk in de
praktijk. Zij lastert God en menschen, is nadcelig voor de maat-
schappij en is een bespotting van het menschelijk verstand en van
de zedelijke tucht, liet zuivere Evangelie waarvan het protestantisme
spreekt is niets anders dan het ongeloof en de zedeloosheid die met
schoone woorden bedekt is. Het protestantisme is de meest druk-
kende last welke op de menschheid rust.....Gij moet het protestan-
tisme haten met geheel uw hart. — Van den omgang met protestantsche
vrienden, bloedverwanten en huisgenooten zegt hij: In dat geval moet
gij hetzelfde doen wat de oude christenen deden, als de noodzake-
lijkheid hen dwong met heidenen om te gaan. Zooveel zij konden
ontvluchtten zij hunnen omgang en bepaalden zich tot het noodza-
kelijke. — In zijnen door Pius IX goedgekeurden catechismus luidt eene
vraag: Wat zijn het voor lieden die zich protestanten noemen? Ant-
woord: Zij zijn het schuim der boeverij en der onzedelijkheid in
elk land.
Wat een ander bekend roomsch schrijver, Rohling, zegt van de
schurken die het protestantisme in het leven riepen en van de schan-
delijke leer van Luther en Calvijn leze men op blz. 5S van zijn boek :
De antichrist en het einde der wereld: «Waar het protestantisme zijn
voet zet, daar verdort het gras. Een geestelijke leegte, verwildering
der zeden, schromelijke troosteloosheid zijn zijne vruchten, Een pro-
testant die naar Luthers voorschrift leeft is een gedrochtelijk wezen.
Vandalisme en protestantisme staan op ééne lijn."
In de Western Watehman, een blad dat verschijnt onder de goed-
keuring van den aartsbisschop van St. Louis en andere prelaten,
leest men: »W{j zouden het (namelijk het protestantisme) gaarne den
buik opensnjjden en vierendeelen. "Wij zouden het gaarne doorspiesen
en als voedsel voor de raven ophangen. Wjj wilden het wel met
foltertuigen vaneen rukken en met gloeiend ijzer zengen. We wilden
het wel gesmolten lood ingieten en het honderd voet diep doen zinken
in het helsche vuur."
De door Pius IX tot kerkleeraar verheven redemptorist Liguori
schrijft: »M. Luther werd in 14S3 te Eisleben geboren. De kardinaal
Gothi schrjjft dat, naar men zegt, de duivel in de gedaante van een
-ocr page 30-
28
bedelaar in het ouderlijk huis van Luther is gekomen, met zijn moeder
omgang heeft gehad en dat de moeder op deze wijze het gevloekte
kind ontvangen heeft. Overigens schaamde Luther zich niet in een
preek te zeggen dat hij omgang met den duivel had en dat hij meer
dan één stukje zout met hem gegeten had." De beruchte Majunke
voert een getuige aan die reeds in 1522, dus 24 jaar vóór Luther,
gestorven is en die een bericht geeft van het sterven van Ulrich Van
Hutten, dat zonder blikken en blozen op Luther wordt toegepast.
Zooveel schandelijke leugens verbreidt hij over den grooten Hervor-
mer dat zelfs een Schaepman ten onzent er zich over verontwaardigt.
Overigens beaamt deze in zijn brochure tegen Gunning de woorden
van mgr. Gerbet: Ie protestantisme c\'est 1\'absence du Christ, en pastoor
Brouwers zegt in zijn: De Nederlanden en de gevierden te Heiligerlee:
wie niet oprecht katholiek is, de katholieke kerk niet hoort, staat
bij mij gelijk aan een heiden en bijna gelijk aan een modernen Chris-
tusverloochenaar.
In Duitschland verscheen voor eenige jaren een werk, dat sedert
vele uitgaven beleefde, getiteld: Geschichte des Deutschen Volkes seit
dem Ausgang des Mittelalters
van den onlangs overleden Johs. Janssen.
Deze persoon moet beschouwd worden als het hoofd dier school, die
zich ten doel stelt aan te toonen dat de Hervorming de toestanden
in Duitschland bedorven heeft en dat de Hervorming rechtstreeks
de moeder is van al die gevaarlijke richtingen en stroomingen, die
het leven en welzijn der hedendaagsche maatschappij bedreigen. Om
dit bewijs te leveren moest hij geschiedenis maken, waartegen hij
niet heeft opgezien. Door velen wordt hij op dien weg gevolgd en
ook in ons land heeft die school eene vertakking blijkens menig
roomsch persproduct.
De Görres Geselscliaft leert dat een roomsch schrijver het als zijn
strengen plicht moet beschouwen de principieel alleen juiste opvattin-
gen zijner kerk aangaande de reformatie tot grondslag te maken
zijner historische beschouwingen.
Geen wonder dat, waar protestantisme en protestanten aldus wor-
den voorgesteld, terwijl schrijvers van den tweeden en derden rang
daar nog allerlei van hun eigen vinding bijvoegen, onverdraagzaam-
heid en burgerhaat worden aangekweekt. In Duitschland werden
zulke scribenten reeds aangeklaagd van beleediging van andersden-
kenden en deswege veroordeeld.
Voegen we hier nog bij dat de bijbelgenootschappen, die de roem
zijn van het protestantisme, door Pius VII na de herstelling der
-ocr page 31-
29
jezuïeten als een hoogst arglistige uitvinding zjjn veroordeeld, waar-
door de grondslagen van den godsdienst ondermijnd worden. Na hem
hebben Leo XII, Pius VIII, Gregorius XVI en Pius IX hun vloek
ertegen geslingerd. De laatste rangschikte ze in den Syllabus § 4
onder de pestziekten van onzen tijd, ja op ééne ljjn met het socialisme
en communisme.
(5) »Bij ons te lande — wie weet het niet?" zegt B. Ter Haar Bz.
in zijn voortreffelijke brochure: De hedendaagsche ultramontanen tegen-
over de geschiedenis
, »zijn het voornamelijk de helden van den tach-
tigjarigen oorlog, de vjjf gebroeders uit het grafelijk huis van Nas-
sou , is het in de eerste plaats de man, wien een dankbaar volk eens
den eernaam »vader des vaderlands" schonk, tegen wie de heftigste
aanvallen der ultramontaansche schrijvers worden gericht."
Reeds in 1832 schreef een roonische een boek tegen een door ds.
Van Pellecom gehouden preek, getiteld: ȟe noodzakelijkheid van
den tegenstand tegen de bezoedelde Evangelieleer" enz. (Utrecht A.
Schikhoff 1832). In dit anoniem verschenen schotschrift leest men
b. v. op blz. 77: «Gelijk gij zoo hebben ook uws gelijken het den
jezuïeten dikwijls ter last gelegd dat de in uwe oogen zoo onverge-
lijkelijke vader Willem van Oranje, dat monster van geveinsdheid,
arglistigheid en gruwzaamheid, door de tweede en derde hand op
hun bedrijf werd vermoord. En gij, gij meent ook dat een jezuïet
tot alles in staat is (uwe blz. V voorber.). Ja, wij prijzen met den
Antwerpsehen bisschop Levinus ïorrentius den man die moed genoeg
had uwen vader Willem, dat monster, uit de voeten te helpen; hem
den verrader van zijn wettigen vorst, den sedert lang hcimelijken
rugsteuner des oproers. den voorstander van valsche leer; wij houden,
met dien zoo geleerden als waardigen herder der christenen, Baltha-
zar Gerards voor waardig de martelaarskroon te ontvangen."
En eenige jaren later riep zekere kapelaan Van der Horst in de
Cath. Ned. stemmen uit: »lk verklaar hier voor het geheele vader-
land met al den ernst die hier gevorderd wordt en in naam van
al mjjne geloofsgenooten: dat Prins Willem van Oranje een heersch
zuchtiye huichelaar
was, dat de strijd tegen graaf Philips III een
onwettige opstand was om wereldlijke belangen." En elders zegt
hjj: »En in dezen man moeten wij den vader des vaderlands erken-
nen? Neen, bij God dat is niet mogelijk; daarvoor hebben wij ons
vaderland, dat is, onszelveu en onze broeders te lief! Hij heeft niet
gearbeid om ons als vrije kinderen te baren, om ons welvaart en
-ocr page 32-
30
geluk na te laten, maar om zichzelven op den zetel te plaatsen,
waarvan hij zijn vorst en weldoener had afgeworpen; en voor zulk
een mensch kunnen wij geen eerbied, geen hoogachting, geen liefde
in \'t harte koesteren, \'t Is het vaderland vernederen, \'t is den gods-
dienst verachten, \'t is onszelven verlagen en aan den spotlust van
vreemden prijsgeven.....aan dezen mensch den zoeten en heiligen
naam van vader te schenken." Zóó ver ging J. ,\\. Alberdingk Thijm
toen nog niet; slechts scheen hjj het te betreuren dat het karakter
van den prins «reeds doorslaand gebleken had in de scholen nooit
naar waarheid geschetst te zijn." Toch juichte ook hij over den
val, gelijk hij het noemde, van den grondlegger onzer vrijheid. „Dat
is de val", zegt bij, „van het hoofd eener met sluw beleid, onder
den dekmantel der verweering van de rechten des Souvereins zelven
bewerkte revolutie; dat is de val van een door en door ondankbaren
en trouweloozen ambtenaar; dat is de val des echtgenoots, o. a. van
Anna van Saksen; de val van den onderteekenaar der huichelachtige
apologieën, van den man die, terwijl hij den graaf naar de kroon
stak, het laehensioeerdt noemde dat men hém ooit van heerschzucht
verdacht had ; dat is de val der autoriteit, die het welbekende plak-
kaat van 20 December 1581 tegen de pauselijke religie uitvaardigde
nadat men beweerde revolutie gemaakt te hebben voor de gewetens-
vrijheid!" Ook verklaarde hij zich niet genoeg ervaren in de wijsbe-
geerte van het recht en in de geschiedenis der wetten om te beoor-
dcelen of Philips II al of niet een tegen hem in opstand gekomen
ambtenaar en onderdaan vogelvrij verklaren mocht.....
In zijne bovengenoemde brochure heeft Ter Haar aangetoond, welke
voorstelling men zich voortaan behoort te vormen van Willem Van
Oranje en zijne broeders, als men Nujjens, Geschiedenis van dan Neder-
landschen opstand,
lirouwers, Nederland en de geoierden te lleiligerlee en
anderen als betrouwbare leidslieden moest volgen; en heeft hij hunne
uitspraken: »de wèlgelukte aanslag door Balthasar Gerards op hem
gepleegd" wat was hij anders „dan de welverdiende straf voor al zijne
cuveldaden? De kogel, die den oproermaker ea verrader, den hui-
chelaar en ketter wegnam, bewees der menschheid een onschatbaren
dienst" zegevierend en volledig weerlegd.
Wij herinneren hier aan het gezegde van Schaepman: „Ook ons
vaart een huivering door het gemoed als wij staan bij Jiet praalgraf
van Delft, als wij denken aan de staatsmanskunst en den ongebro-
ken moed, de stalen volharding van den Zwijger, aan de halsstarrige
fierheid en de veldheersgaven van Maurits, aan de zedelijker en
-ocr page 33-
:j]
reiner hoedanigheden van Frederik Hendrik, aan al de kracht, al de
grootheid, in deze drie mannen opgesloten. Mag ik nog een beeld
gebruiken? Wij weten wat koren, wij weten wat onkruid is; maar
wij bewonderen toch de blauwe korenbloemen en de roode klaprozen,
waar zjj mede worden bewogen in den golvenden stroom van het
gouden graan." Kwetsend, grievend zelfs is voor elk nederlandsch
hart de vergelijking, die deze ultramontaan zich veroorloofde, van de
groote daden van het voorgeslacht met onkruid onder het koren en
mooie klaprozen.
Brouwers beschouwde den tachtigjarigen oorlog als oproerstokerij,
majesteitsschennis en landverraad. Lodewijk Van Nassau stelt hij
gelijk met een gewetenloozen fortuinzoeker en aan de galg ontkomen
booswicht.
De feestrede door professor Blok te Groningen gehouden in de kerk
te Heumen bij gelegenheid van de inwijding van het monument voor
Lodewijk en Hendrik Van Nassau, in den slag op de Mookerheide in
1574 gesneuveld, deed zekeren X, een ultramontaan die zich niet
durfde noemen, de pen opvatten. Zijne artikelen, eerst verschenen
in Be Nieuwe Koerier, werden later in eene brochure vereenigd, ge-
titeld Polemiek over Lodewijk van Nassau en ll\'itlem den Zwijger.
Puttende uit verdachte bronnen en met behulp van tweedehand-
sche berichten en uit het verband gerukte aanhalingen, daarbij een
vloed van scheldwoorden uitstortende over Willem Van Oranje en de
zjjnen, trachtte hij den hoogleeraar te weerleggen. Deze heeft daarop
aangetoond hoe zonderling — om geen erger woord te gebruiken —
X pleegt te citeeren, hoe hij geen denkbeeld heeft van historische
critiek, niet genoeg weet van den tijd waarover hij spreekt en een
eigenaardig begrip heeft van de uitdrukking: «eerlijke strjjd", en hem
als historicus geoordeeld. Tot nog toe is X niet uit zijn schuilhoek
durven te voorschijn treden.
Ook de heer H. J. P. A. Kiersch trad herhaaldelijk tegen dezen
anonymus in het strijdperk (o. a. in »Het goed recht van Oranje",
Rotterdam, Nijgh en Van Ditmar). Duidelijk heeft hij aangetoond
welk een onbetrouwbaar geschiedschrijver X. is en bewezen dat deze
zichzelven telkens tegenspreekt en allerlei ongerechtvaardigde slot-
sommen trekt uit door hem gebruikte brieven en andere stukken.
»Mijn laatste woord aan Dr. Blok" enz. van genoemden X. is een
ellendige uiting van het ultramontanismc in heftigen vorm. Maar
nog heviger en met nog scheller klanken is: «Van Erasmus naar
Vondel of de kern der nederlandsche vrijheidshistorie", door P. M.
-ocr page 34-
■A-2
Bots, waarin al het groote dat hot hervormd Nederland in de 17d€
eeuw heeft gewrocht wordt neergehaald en verguisd en Willem Van
Oranje wordt genoemd »een mensch aan edele beginselen vreemd".
In den almanak voor Ned. Kath. van 18\'J4 komt een bijdrage voor
van pater Alard: Levensschets van Flandrina van Nassau, de dochter
des Zwjjgers. Hare deugden stelt hij «tegenover de droevige voor-
beelden door hare ouders en het grootste gedeelte harer bloedver-
wanten gegeven". Den dapperen Lodewijk van Nassau brandmerkt
hij als »een zedelijk diep gevallen avonturier". Opmerkelijk dat we
hier niets vernemen van de verleiding van Flandrina\'s moeder Char-
lotte van Bourbon door denzelfden Lodewijk, waarover genoemde X.
zich zoo warm maakte.
De heftige aanvallen door ultramontaansche schrijvers tegen de Oran-
je\'s gericht, waarbij het hun onverschillig is uit welke bronnen zij
putten mits zij slechts dienstig zijn voor hun doel, moeten hieruit ver-
klaard worden dat zij het niet kunnen verkroppen dat het protestantsche
Europa zooveel te danken heeft aan de vrijverklaring der nederlandsche
gewesten, bewerkt doorde Oranje\'s. Vandaar hun galuitstorting over hen.
(6) Voortdurend richten roomsche pers en geestelijkheid hun aan-
vallen op de openbare, zoogenaamd neutrale school. Op die school
worden de brave roomsche kinderen bedorven. Alleen daar waar men
invloed genoeg heeft om die openbare school feitelijk tot een roomsche
school te maken, zooals dit in menige gemeente in Limburg en
Noord-Brabant het geval is, kan zij nog dienen En met vele is
dat het geval. Heeft niet indertijd de heer De Bruijn, lid der Eerste
Kamer van Noord-Brabant, het zelf getuigd ? Zooveel mogelijk sticht men
sectescholen en ontziet geene middelen om deze te bevolken. De
schandelijkste lasteringen zijn daarvoor goed genoeg. En zulke scho-
len krijgen thans subsidie van den Staat! Een paar jaren geleden
schreef de Nieuwe Koerier, het orgaan van de paters Franciscanen te
Roermond, Iets over cfe neutrale school in twee artikelen, getiteld: Ben
moordhol onzer dagen
en Een pesthol onzer dogen, die alle perken te
buiten gaan. Uit het eerste artikel halen wij het volgende aan:
»Aan de vruchten zult gij ze kennen".
»En wij hebben ze gekend aan de vruchten, en die vruchten waren
vruchten des doods, omdat de vruchten waren van den boom des
verderfs.
Met deze woorden wenschen wij de neutrale school gebrandmerkt
te hebben.
-ocr page 35-
33
Geteekend! ja! als met het vlammende teeken der verwerping
dat er onheilspellend flikkert op het hoovaardige voorhoofd van den
wederspannigen engel, nadat de wrekende bliksemschichten hem had-
den neergeploft in den afgrond — als met dat geheimzinnige merk-
teeken, dat er geprent stond op het gelaat van den eersten broeder-
moordenaar Caïn.
Want zjj moordt de harten, de zielen. Zij was eene moordenaresse
van den beginne af aan.
Aan de vruchten!
Dat is een wrange oogst, dien zij heeft binnengehaald — een oogst
van zedeloosheid, van leugen en bedrog, van opstand en revolutie,
van verwaandheid en hoovaardij, van ledige hoofden en ledige harten
en vroeg versleten, uitgeputte lichamen!
De verdedigers dezer ongelukkige moordholen der zielen weten het
wel, zij zjjn er van overtuigd, innig overtuigd, zij zien de noodlot-
tige gevolgen van hun hellewerk — maar zjj willen ze niet zien,
zjj sluiten de oogen, want dat was juist hun doel — zij wilden dit
en niets anders.
Gelooft toch niet dat zij te goeder trouw zjjn! Kom aan! niet zoo
onnoozel!
Het neutrale onderwijs is trouwens ook een zoetsappig woord; om
te zeggen wat het beteekenen moet — het is een soort van net en
goed kleedend schapen vachtje, maar wat voor een wolf zit erin! —
het godsdienstlooze onderwijs, een onderwijs zonder God!
Ouders, dierbare ouders! laat u toch nooit bedriegen door een schjjn
van de „begrippen van anderen te eerbiedigen" — bedrog! altemaal
bedrog!
Aan uwe kinderen hun begrippen te ontstelen, ze tot godloochenaars
te maken, ze te vervreemden van alle begrippen van godsdienst, de
wegen der zedeloosheid op die wijze voor hen te effenen, en ze langs
dat hellend vlak in den afgrond te storten, waarin zjj in hun ledig,
verwoest hart niets dan haat — ja! let wel! — haat tegen God en
godsdienst dragen, en dan de geschikte werktuigen worden van hen die
ze aan God en godsdienst hebben ontstolen.
Van de hoogte van het kruis heette het eens: »Vader! vergeef het
hun, want zij weten niet wat zjj doen I"
Het was de stervende Heiland die sprak.
Die beulen wisten niet, wat zij deden.
Deze wel."\'
Tegen zulk lasterlijk geschrijf heeft de bisschop van Roermond niet
-ocr page 36-
34
eens zijne stem verheven. Thans is dat tegen dit en dergelijk geschrijf
geschied door onderwijzers zelven in Limburg. In de vergadering
van het Onderwijzersgezelschap van het arrondissement Maastricht
4 Juli 1892 gehouden werd de volgende motie met algemeenc stem-
men aangenomen: „De leden van het Onderwijzersgezelschap in het
arrondissement Maastricht — in de algemeene vergadering te Vaals ge-
houden op 4 Juli — spreken als hun gevoelen uit, dat in de hoogste
mate afkeuring verdient de lasterlijke wijze, waarop door sommige Zuid-
Limburgsche bladen, tegen beter weten in, de openbare school wordt
aangerand in haar wezen en strekking. Zjj protesteeren met allen
ernst tegen het beweren dat de openbare school — in die bladen de
godsdienstlooze genoemd — zou zijn verkankerd en verpest en een
fabriek van zedenbederf en ongeloof — verdachtmakingen, welke
alleen kunnen strekken om de openbare school en hare onderwijzers,
die in Limburg het algemeen vertrouwen genieten, in minachting te
brengen bjj de bevolking." Belangrijk mag deze motie heeten, als
men bedenkt wie haar aannamen — roomsche onderwijzers — en
tegen wie zij gericht is — zoogenaamd geestelijke personen.
Dat de gewone, overal verspreide schoolboekjes geen genade vinden
in de oogen der ultramontaansche drijvers, spreekt van zelf. Een
zekere H. J. Wijnen, pastoor te Limbricht in Limburg, heeft reeds
in vele artikelen een lans gebroken voor de invoering van roomsche
boekjes, zelfs in de openbare school, waar die alleen door roomsche
kinderen bezocht wordt. Zulk een roomsen boekje is o. a. Kijkjes alom
door Kooijmans, hoofdonderwijzer te Zwolle, waarin onder meer ver-
teld wordt dat de roomsche godsdienst den Spanjaarden in merg en
been zit en dat zij daarom het zedeljjkste volk ter wereld zijn!
Ook de afschuwelijke en barbaarsche stierengevechten te Madrid vinden
bjj dezen vromen opvoeder der jeugd geen volstrekte afkeuring. Wat
er in de voor roomsche scholen geschikt geachte boekjes van vader-
landsche geschiedenis terecht komt van onze historie, laat zich begrijpen.
Doch niet alleen aan de scholen van openbaar lager onderwijs
worden de roomsche kinderen zooveel mogelijk onttrokken, ook de
hoogere burgerscholen worden voor hen veel te slecht geacht, behalve
misschien in het zuiden des lands, althans als het gemeente-instel-
lingen zyn , waar de clerus zjjn invloed kan doen gelden. Dan worden
de jezuïeten-colleges en roomsche pensionaten bezocht, waar b.v. een
leesboek over onze litteratuur van Everts, toen directeur der instelling
te Rolduc, in gebruik is, waarin onze schrijvers bepaald uit roomsch
standpunt beoordeeld worden en dus niet tot hun recht komen, niet
-ocr page 37-
35
gewaardeerd worden zooals z\\j verdienen, of een Vaderlandsche Ge-
schiedenis van zekeren Alf. Brouwers, volgens de gewone ultrainon-
taansche opvatting. Op de hoogere burgerschool te Maastricht, ook
op het gymnasium, naar wij ineenen, was, is misschien nog een
boek over nederlandsche letterkunde in gebruik, waarvan sommige
bladzijden dichtgeplakt waren, en alleen zóó in de boekenwinkels
te koop! Hoogst behartigenswaardig zijn de woorden van mr. A. F.
de Savornin Lohman, die door zijn langdurig verblijf in Noord-
Brabant wol op de hoogte was en, sprekende over den geest waarin
het onderwijs aan roomsche jongelieden gegeven wordt, zegt: «Daarom
vooral de geschiedenis verminkt en die bladzijden, waarop de wor-
stelstrijd met Spanje vermeld staat, zoo min mogelijk behandeld.
Daarom de gloriekrans ontnomen aan de helden, die hun goed en
leven waagden voor de vrijheid, en de feiten van den schoonen kamp
voor gewetensvrijheid voorgesteld als daden van misdadige oproer-
lingen. Zijn de kinderen zoo opgevoed dat zij van Willem den Zwijger
nooit hebben gehoord, of Lodewijk en Adolf Van Nassau als aan de
galg ontkomen booswichten hebben leeren beschouwen, of in den
opstand tegen Spanje een misdadig verzet zien, en van den bloeitjjd
der republiek alleen weten dat in die dagen de moederkerk met haar
kinderen schandelijk en onverdiend is verdrukt, — dan, dan is de
toekomst van Nederland verzekerd, dan is het nationaliteitsgevoel
onderdrukt, dan kunnen de zonen van Nederland weer gemakkelijk
zich scharen onder hen wier vaderland over de bergen, te Rome, is."
(7) In zake verkiezingen in bestuurslichamen leggen de roomschen
tegenwoordig grooten ijver aan den dag, die op zichzelf prijzenswaard
is. Dit laatste kan echter niet gezegd worden van de wijze waarop
zij daarbij te werk gaan. Geen roomsche wordt meer gekozen tenzij
men ten volle overtuigd is dat hij de belangen zjjner kerk boven
alles zal behartigen. Vele roomsche kiesvereenigingen dwingen hare
candidaten het vervullen van zekere voorwaarden door hunne hand-
teekening te bekrachtigen.
Zoo verklaarde de in het district Grave voor de Tweede Kamer
gekozen ultramontaan, mr. Harte, op eene te Osch gehouden ver-
gadering, onder meer: In de eerste plaats wil ik zijn de roomsche
vertegenwoordiger van het district Grave. De roomsche godsdienst,
zooals hg wordt geleeraard door den paus en de bisschoppen zal mjjn
richtsnoer zijn, ook op het gebied der staatsleer, en waar er zich kwes-
ties voordoen, waar deze beide met elkaar in aanraking komen, zal
-ocr page 38-
3G
ik op de eerste plaats mij afvragen tcat de godsdienst zegt, en mjj
daarnaar richten. — Het woord godsdienst beteekent in zijnen mond
natuurlijk roomsehe kerk en kerkleer.
En hut Tweede-Kamerlid mr. Bahlmann verklaarde dat hij geen
grooteren eeretitel kent dan te behooren tot de partij van den clerus
van over de bergen en te zijn en te blijven ultramontaan. Zoozeer
stelde hjj het roomsehe partijbelang boven alles dat hij van den
minister van Oorlog, Bergansius, verlangde om, al was deze vast
overtuigd dat de persoonlijke dienstplicht noodig is in het belang
van vaderland en leger, zich te schikken naar de eischen der roomsehe
partij die van persoonlijken dienstplicht niet wil weten en te doen
als zijn belgische ambtgenoot, generaal Pontus, die eenmaal zeide:
ik voor mij ben een voorstander van den persoonleken dienstplicht,
maar als roomsehe wil ik der roomsehe partij geen leed berokkenen.
Gelijk nu deze ultramontanen spreken, zoo denken allen, daarvoor
zijn zij ultramontanen. Terecht schreef De Vaderlander: het streven
der roomsehe partij is geen ander dan ons land te maken tot een
leengoed van den paus, wiens oordeel men zal hebben in te roepen
en te volgen bij de organisatie van het leger, b>ij de regeering van
onze koloniën, bij de bespreking van de vraag of gij voor of tegen
den vrijhandel u verklaren zult, bjj — nu ja, ten slotte hy alle
vragen.
In het algemeen kan met recht gezegd worden dat zij die in de
roomsehe streken van ons vaderland in de lichamen van bestuur ge-
kozen worden niets anders zijn dan de werktuigen van den priester.
Niet het volk — de priester kiest zijn man dien hij kent, de kiezers
hebben slechts dien naam in te vullen; en zij doen het en moeten
het doen — omdat de priester het gelast. De alzoo en met een be-
paald doel gekozenen, nl. om de belangen hunner kerk vóór alles te
doen gelden, leggen toch den gevorderden ambtseed af; hierbij bewijst
de jezuïetische reservatio mentalis (bedriegelijke terughouding) uitne-
mend dienst, nl. als men bij een belofte of eed den woorden heimelijk
een anderen zin geeft, of de vervulling ervan in stilte van deze of
gene voorwaarde afhankelijk maakt, dan is men slechts tot hetgeen
men heimelijk bedoelde, niet tot hetgeen men duidelijk verklaarde
verplicht. Zoo kan dus geen eed van die zijde afgelegd vertrouwd
worden, want zjj die een eed, ook een ambtseed afleggen worden in
de gelegenheid gestel er heimelijk iets anders bij te denken en zich
dus als hun kerkbelang b. v. dit eischt er zich ontslagen van te
achten.
-ocr page 39-
37
(8) Een enkel woord over de Maria-vereering en aanbidding in
de roomsche kerk.
De werken van Alphonso Maria de Liguori, door Pius IX tot kerk -
leeraar verheven, moeten volgens pauselijke breve van Juli 1871
niet slechts voor eigen gebruik gelezen, maar ook op gymnasiën en
universiteiten gebruikt en voor het houden van voorlezingen, leer-
redenen enz. geraadpleegd worden. Een zijner werken is De heer-
Ujkheden van Maria
(La glorie di Maria 2 dln., Napels 1750).
De hoofdgedachte, die in dat werk telkens herhaald wordt, is
dat God alle mogelijke genadegaven door tusschenkomst van Maria
der menschheid doet deelachtig worden. Een paar van zijne uit-
spraken willen we hier aanhalen. «Een iegelijk die zalig wordt kan
niet anders behouden worden dan door de tusschenkomst der god-
deljjke moeder." «Evenals Jezus onze voorspraak is bij den Vader,
zoo is Maria onze voorspraak bij Jezus, en de Zoon laat aan haar
de beslissing over allerlei klachten en oordeelen, die hij tegen en
over ons heeft." «Jezus en Maria hebben samen onze verlossing
volbracht." Op het altaar des kruises «wordt te gelijk met het
offer van het goddelijk lam ook de moeder geofferd," «De volzalige
jonkvrouw kan de redster der wereld genoemd worden wegens
de verdienste van haar mede geleden hebben." »Om vele en velerlei
dingen bidden we tot God en verkrijgen toch niet wat we begeeren;
bidden we echter tot Maria, dan wordt het ons geschonken." x>De
Zoon stelt de voorbeden van Maria zoo hoog en heeft zulk een be-
geerte om haar welgevallig te zijn, dat hare voorbeden voor hem
meer hebben van een bevel dan van een verzoek, en zij daarbij meer
als heerscheres dan als dienstmaagd optreedt." «Zij die Maria niet
dienen zullen niet zalig worden; want wie van hare hulp verstoken
is, is ook zonder de hulp van haren goddeljjken Zoon en van heel
het hemelsch hof."
Natuurljjk bezit Maria ook een bijzondere macht en heerschappij
in het vagevuur, zoowel om daar de zielen te troosten, als om ze
van pijnen te verlossen, en kan men door haar tallooze aflaten verkrijgen.
Doch reeds meer dan genoeg. Door «de heilige congregatie voor
de kerkgebruiken" werd in 1803 vastgesteld dat er in al de ge-
schriften van Liguori geen enkel woord is waar met eenig recht
iets op is aan te merken, en dat besluit werd door Pius VII plechtig
goedgekeurd en bekrachtigd.
Bisschop Martinus van Paderborn leerde met goedvinden zijner kerk:
«Maria is de waarachtige ideale mensch die ons tot voorbeeld strekken
-ocr page 40-
38
moet. Zjj is de oorspronkelijke mensch zooals de eeuwige wjjsheid
hem bedacht heeft.
Pius IX zeide van Maria: «Zij die zich door hare verdienste boven
de koren der engelen tot den troon der godheid verheven en door
hare deugd den kop der oude slang vertreden heeft is tusschen Chris-
tus en de kerk gesteld."
De Osservatore Romano van 3 Juni 1S7!) zegt: »Als moeder van den
Almachtige zit zij met hem op éénen troon."
De priester bidt dageljjks uit zijn getijboek: »God geef ons dat
wij door Maria de vreugde des eeuwigen levens ontvangen" en tot
Maria bidt hij: «Richt gij, onze voorspraak, uwe barmhartige oogen
op ons en toon ons Jezus naar het leven."
De geloovige wendt zich dagelijks in zjjn Ave Maria tot haar en
een der roomsche kerkgebeden, de zoogenaamde Lauretanische litur-
gie, die in September van het Lutherjaar 1883 op bevel van Leo XIII
van 1 October tot 2 November in alle kerken moest worden gebeden,
luidt: «Moeder der goddelijke genade, moeder des Scheppers, moeder
des Verlossers, zetel der wijsheid, arke des verbonds, poort des hemels,
ster der zee, genezing der zielen, toevlucht der zondaren, troosteres
der bedroefden, helpster der christenen, koningin der engelen, ko-
ningin der patriarchen, koningin der profeten, koningin der aposte-
len, koningin der martelaren, koningin der belijders, koningin der
maagden, koningin aller heiligen.... onder uwe bescherming bidden
wjj.....versmaad niet ons gebed in onze nooden, maar verlos ons
altijd uit alle gevaren. O gij doorluchtige en gebenedijde maagd,
onze vrouw, onze middelares, onze voorspraak, verzoen ons met uwen
zoon. Stel ons uwen zoon voor."
Wij vragen slechts wat er bh\' zulk een Mariadienst ja Mariaver-
goding wordt van den godsdienst in geest en in waarheid en of
niet met volle recht mag gesproken worden van het heidendom in
de roomsche kerk?
(9) Om den geest van het ultramontanisme te doen kennen stippen
wij hier aan:
Geen enkele paus heeft nog ooit de schanddaden der Inquisitie
afgekeurd.
De Civilia catiolica een nauw aan het vaticaan verbonden blad
noemde nog in 1853 (deel I blz. 555) de inquisitie een verheven
schouwspel der maatschappelijke volmaking.
De aartsbisschop van ïoulouse maakte in April 1862 aanstalten
-ocr page 41-
30
om den 300jarigen gedenkdag van den moord van protestanten op
IC Mei 1502 luisterrijk te vieren. De regeering verbood het hem.
De hoogleeraar Schroers te Bonn noemde op de verleden jaar te
Keulen gehouden algemeene vergadering der duitsche roomschen de
inquisitie een gezegende instelling.
(10) Hoe gemakkelijk Rome het zjjn werktuigen maakt blijkt
hieruit dat het onderscheid maakt tusschen gelooven en aannemen als
komende uit Rome.
Een Stroszmaijer, Hefele en tutti quanti hebben
het laatste gedaan. Om de eenheid der kerk te bewaren stond deze
hun toe feitelijk als huichelaars op te treden. Een Newman speelde
de rol van verrader tegen de engelsche staatskerk. In zijn Apologie
zegt hij: Niemand eischt dat w$j iets beljjden, maar dat wij ons
onderwerpen en zwijgen.