-ocr page 1-
dhr. /tn T. 3z
SJ
W\' !/06Ó *
„V^v u\\A\\\'V^\'v
EN
UWE.
GEDICHT
VAN
A. J. MULDER.
HAARLEM,
J. QUIST Bzn.
\'■\'.-■ ■■
-ocr page 2-
»
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
HARRO en UWE.
GEDICHT
VAN
i
HAARLEM,
J. QUIST Bzn.
»----------------------------------------------------------------------------4$
-ocr page 6-
-ocr page 7-
I.
Daar ligt een dorpje aan \'t Noordzee-strand
In Sleeswijk-Holstein, \'tDuitsche land;
Hoe \'t heet, dat weet de dichter niet,
Maar \'t gaf hem stof tot dit zijn lied.
\'t Was nacht. Geen ster blonk van den trans;
De maan verborg haar zilverglans;
De lucht was zwart; onstuimig vloog
Een wolkendrom langs \'s hemels boog;
Een stormwind woei en wies in macht,
En loeide in \'t rond met reuzenkracht;
Hij brulde, en snelde ontembaar aan,
En geeselde de waterbaan;
Hij dreef een golvenvloed naar \'t strand,
Die kookte, en schuimde, en beukte \'t land.
Gelukkig, wie naar veil\'ge rêe
Zijn schip gewend had uit de zee!
Maar wee het schip, dat met de macht
Der elementen kampt deez\' nacht!
-ocr page 8-
P\'---------------------------^----------- -%
6
In \'t visschersdorp slaapt elk gerust,
Door \'t stormgeloei in slaap gesust ;
Geen pink verliet de veil\'ge reê
Om buit te halen uit de zee,
Wijl \'t zeemansoog den voor\'gen dag
Dit weer met zekerheid voorzag.
De winternacht ging tragelijk om,
En met het uur het noodweer klom.
Maar eensklaps wordt de rust gestoord
In \'t dorpje, en dreunt de naklank voort
In ieder huis, in iedere hut
Van \'t stormverwinnend noodgeschut;
En telkens dreunt dit bang geluid
Weer boven storm en golven uit,
En \'troept met donderende klacht
Om bijstand in den noodweêrnacht.
n.
Niet ver van \'t strand, in bangen nacht,
Jaagt, spel van sterk vereende macht,
Van zee en storm, een schip voorbij,
En kampt met \'t stijgend noodgetij.
Maar eindelijk hoort het schip niet meer
Naar \'t roer, en slingert heen en weer.
De stormwind blaast de zeilen stuk,
En giert door \'t want met ruk op ruk.
-ocr page 9-
7
Een paard, door \'s ruiters hiel gespoord:
Zóó vliegt het pijlsnel, machtloos voort.
Vaak draait het op den golfslag rond,
Tot \'t eindelijk vastraakt aan den grond.
Nu loeit de storm zijn zege uit;
Nu werpt de zee zich op haar buit;
Haar golvendrommen stormen aan,
Die over bakboord henen slaan.
En alles dreunt, en krakt, en kraakt,
Als weer een nieuwe golf genaakt.
Aan \'t schippershart ontzinkt de moed,
Elk ziet vol vrees dien golvenvloed.
Men grijpt de lont, daar dreunt het schot,
Het roept om hulp in \'tonheilslot;
En nóg, en nóg eens dreunt in \'t rond
\'t Kanongeschut in bangen stond; —
Dan zwijgt het stil. Want ieder vlucht,
Voor zulk een golvenvloed beducht,
Van \'t dek, en rept zich in den mast,
En klemt zich aan het touwwerk vast;
En bidt, en smeekt in \'t bang gevaar
Tot God, en wacht, en tuurt, van waar
En óf er redding mag gehoopt,
Dan, óf hun lot ten einde loopt.
-ocr page 10-
8
III.
„Een schip in nood! Een schip in nood!
„In zee gebracht de reddingboot!
„Ontrukt aan zee en storm den buit,
„Vertraagt niet, stelt uw hulp niet uit!"
Zóó klinkt het voort van mond tot mond,
Terwijl de noodklok klept in \'t rond.
Men loopt te zaam van allen kant,
En schuift de reddingboot langs \'t strand.
Een achttal mannen biedt zich aan,
Om reddend het gevaar te staan;
De naaste roept en God gebiedt:
„Voort," roept hun stem, „wij sidderen niet!"
Maar stuurman Harro, waar blijft gij?
Verbergt ge u voor dit noodgetij ?
„Neen!" klinkt een stem, „hij siddert niet;
„Hij toeft, wijl hij het dorp verliet
„Bij \'t krieken van den dageraad;
„Werpt op zijn moedig hoofd geen smaad!"
Nu roept het achttal, koen en stoer:
„Maakt los het touw! Één grijp\' het roer!
„De redding mag niet uitgesteld,
„Wijl één minuut daarginder geldt
„Als waar\' \'t een uur; nog meer, in tijd
„Van nood schijnt \'t uur een eeuwigheid!"
-ocr page 11-
9
Daar plast de riem; de forsche hand
Vergroot den afstand van het strand.
Zij worstelen met den golvenvloed,
Die aan komt stormen, wild, verwoed.
Maar God geleidt, beschermt, bewaakt,
Ziet gunstig \'t pogen aan. Reeds naakt
De reddingboot het schip aan lij,
En legt op korten afstand bij.
Van \'t strand ziet men hun worstelen aan;
In menig oog weerblinkt een traan;
Uit menig harte rijst een zucht,
Of \'t geeft zich in zijn bede lucht.
Daar klinkt de kreet, zoo luid, zoo blij:
„De reddingboot is \'t schip nabij;
„Zij leggen aan, zij werpen \'t koord,
„En halen man na man aan boord.
„Nu slaat de roeiriem weer de zee;
„De golfslag voert hen met zich mee;
„God zij gedankt; Zijn Naam zij d\'eer
„Op aard, op zee, in iedere sfeer!"
De boot genaakt steeds meer het strand;
De zee staat hol, en kookt en brandt;
De storm vliegt rond, en brult verwoed;
Voorwaar, op zee past mannenmoed!
En eindelijk schuift de boot op \'t zand;
Een juichtoon gaat er op van \'t strand;
-ocr page 12-
10
Van alle zorge en vreeze vrij
Uit zich \'t beklemde harte blij!
IV.
Doch eensklaps zwijgt de blijde schaar,
Want onverwachts staat Harro daar,
Ziet rond en vraagt: „is elk gered?
„Uw droeve blik, uw trage tred
„Verraden mij, dat misschien één
„Nog achterbleef in \'t bang alleen."
En \'t wederwoord klinkt droef: „„de boot
„„Was vol, \'t gevaar voor ons werd groot;
„„Eén bleef er achter in den mast,
„„En kleeft verstijfd aan \'t touwwerk vast.""
En Harro roept: „wie gaat er mee;
„Wie waagt zich andermaal op zee,
„En streeft, door storm en golven heen,
„Naar levensredding van dien één?
„Gij zwijgt? Welnu," roept Harro uit,
„Ik gun aan storm noch zee dien buit;
,,\'k Gun ook dat leven niet den dood.
„Weerhoudt mij niet; mijn hart gebood,
„En telkens weer herhaalt een stem,
„Met sterker drang: red, o red hem!"
Maar daarop klaagt een stem, vol wee:
„„Mijn Harro, Harro, blijf aan rêe;
-ocr page 13-
11
„„Waag niet den kamp met zulk een macht;
„„Uw moeder smeekt het, hoor haar klacht!
„„Ga niet, mijn kind! Mij rest op aard\',
„„Als gij dien bangen strijd aanvaardt,
„„En omkomt, niets meer. Were God
„„Van mij die smart, van u het lot
„„Uws vaders, die, na bangen stond
„„Zijn graf in \'t hart der zeeën vond,
„„En misschien.....Uwe. Wellicht rust
„„Ook hij in \'t wiegelend graf, gesust
„„Door \'tgolfgebruisch in diepen slaap;
„„Mijn God! Uwe óók, mijn jongste knaap?
„„Mijn zoon, blijf bij mij, ga niet heen!
„„Laat hier uw moeder niet alleen!""
„Zwijg, moeder, zwijg! Vermurw mijn hart
„Niet door uw traan, uw klacht, uw smart;
„Weerhoud mij niet; een wondere drang
„Spoort me aan tot dezen bangen gang.
„Al loeit de storm, al brult de zee,
„Een stem gebiedt mij: „ga van rèe
„En red hem, die om hulpe schreit!"
„Ja, \'k heb u lief; een bange strijd
„Wordt in mijn hart om u gestrêen;
„Maar, zeg mij — weet gij \'t, of die één
„Daar ginds, die banger stond doorleeft
„Dan wij, ook niet een moeder heeft?
-ocr page 14-
12
„O, laat mij gaan!.... Vaarwel, ik ga;
„God wil \'t! Behoede ons Zijn gena!"
V.
De moeder zwijgt. En Harro spoedt
Zich in de boot met heldenmoed.
Vier mannen springen hem ter zij;
Zij willen in dit noodgetij,
Op zulk een zee, in dien orkaan
Hem niet alleen \'t gevaar doen staan.
Den roeiriem grijpt hun forsche hand,
En Harro vat het roer. Op \'t strand
Trilt \'t laatst vaarwel, klank vol gebeên,
En knielt de moeder in geween.
Zij roeien voort, en Harro stuurt.
De branding naakt, en in die buurt
Past wel een dubbele waakzaamheid;
Zoo ergens, wacht hen hier de strijd
En brult de zee, en kookt en brandt,
En dreigt \'t gevaar van eiken kant.
Maar Harro waakt, en ziet \'t verraad
Aan iedere zij. De branding slaat
Hen vaak terug en van het spoor,
En kookt van achter en van voor.
In \'t eind is ook die kamp gestrêen,
En sneller glijdt de boot nu heen
-ocr page 15-
13
Van golf op golf, en nadert dicht
\'t Bedreigde schip. Bedolven ligt
\'t Reeds onder water, en slechts steekt
De mast omhoog van \'t wrak, en spreekt,
En heft, als roept hij hulp van God,
Zijn last omhoog in \'t noodwêerlot.
Behoedzaam legt de boot nu aan,
En Harro zal als redder gaan.
Hij klimt in \'t want, zweeft heen en weer,
Maar haalt den half bevroor\'ne neer,
En draagt hem, van een wissen dood
Gered, beneden in de boot.
Voort, gaat het, voort, met snellen slag.
Maar wie in Harro\'s oog toen zag,
Had \'t wis zien stralen, en een traan
Langs \'t mannelijk gelaat zien gaan ;
Die had aanschouwd een wonderen gloed
Der weelde en blijdschap van \'t gemoed,
Van \'t hart, dat feller klopte en joeg; —
Een oog, dat dank ten hemel droeg.
Nog brult de zee en loeit d\' orkaan,
En zweept met kracht de golven aan;
Nog is het noodweer, bang de strijd;
Nóg wordt de boot met angst verbeid.
Maar eindelijk nadert zij; men meet
-ocr page 16-
14
Op \'t strand den afstand.
Dra is \'t leed
Geleden, moeder! Harro keert
Weer aan uw hart, en ongedeerd.
Met spanning ziet men \'t worstelen aan.
Maar, ziet! Waarom gaat Harro staan,
En wenkt hij met zijn rechterhand
De schare, dicht gepakt aan \'t strand?
Hij roept — neen, wacht nog kleenen stond;
Nog klinkt zijn stem te zwak in \'t rond,
Door storm en golfgeloei verdoofd.
Maar ziet, nu heft hij weer het hoofd;
En boven storm en golven uit
Streeft hoog zijn krachtig stemgeluid;
Hij juicht, der kracht zijns sterns gewis:
„Zegt moeder, dat het Uwe is!"
H. 24 Maart \'95.